De Wedergeboorte van Nederland
by B. D. H. Tellegen · Dutch · Gutenberg #33640 · 887,342 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Wedergeboorte van Nederland
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Wedergeboorte van Nederland
Author: B. D. H. Tellegen
Commentator: H. T. Colenbrander
Release date: September 5, 2010 [eBook #33640]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/33640
Credits: Produced by André Engels and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WEDERGEBOORTE VAN NEDERLAND ***
Produced by André Engels and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van de |
| bijbehorende alinea. De door Colenbrander toegevoegde tekst is |
| t.o.v. de linkermarge enkele spaties ingesprongen weergegeven. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. De aan het |
| eind van het boek aangegeven drukfouten zijn gecorrigeerd. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |
| als _cursief_. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| »aanhalingstekens". |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De kruisverwijzingen in deze tekst zijn gelinkt bij de |
| html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
Boek- en Kunstdrukkerij S. W. MELCHIOR--Amersfoort.
DE WEDERGEBOORTE
VAN NEDERLAND
DOOR
Mr. B. D. H. TELLEGEN
HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.
TWEEDE (VERMEERDERDE) DRUK
BEZORGD DOOR
Dr. H. T. COLENBRANDER.
[Decoratieve illustratie]
P. NOORDHOFF--1913--GRONINGEN.
INHOUD.
Blz.
Inleiding 1
I. Het Grondgebied 7
II. De Opdracht van de Souvereiniteit der
Vereenigde Nederlanden aan den Prins 43
III. De samenstelling der Grondwet 72
IV. De Grondwet en de Maatschappij 112
V. De Regeeringsvorm 153
VI. De vereeniging met België 195
VII. De teruggaaf der koloniën 240
VIII. De invoering der Grondwet 262
IX. De vervanging of wijziging der
Fransche wetgeving 324
EEN WOORD VOORAF.
(1884).
.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat
eene m. i. averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte
onzer politieke geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt
te komen. Men begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat
tusschen 1813 en volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen
er op gevolgd is. Men is er weder op uit, de beteekenis dier revolutie
in de schaduw te stellen, men sluit de oogen daarvoor, dat met haar de
staatseenheid niet alleen maar ook het streven naar staatshervorming
hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom vooral scheen het
mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne voorstelling
niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij
beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang
eener geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende
jaren in vele opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had
gebracht of had trachten te brengen. Dit te herinneren, dit boven allen
twijfel te stellen, was vooral het doel dezer uitgaaf. In hoeverre ik
hierin geslaagd ben, moge de deskundige en onbevooroordeelde lezer
beslissen.
DE SCHRIJVER.
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt
aangeboden, is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen
heeft het aan beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis
groote diensten bewezen. Om het die bij voortduring te laten vervullen
scheen meer dan een eenvoudige herdruk noodig. Niet dat Tellegen's
beschouwingen verouderd zijn; integendeel, het wil mij voorkomen dat
jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen kan. Maar zij kunnen
nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door en uit veel
uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten
vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het
boek zeer ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door
moderner uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven
verwijzen. Zoo dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat
in 1884 nog niet bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat
gedeelte der noot aansprakelijk.
Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch,
in andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden
van mijne hand doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig
te maken op hetgeen jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij
gebruikte, omtrent de door hem besproken zaken kunnen doen opmerken.
Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers
Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor
mij is 1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie,
maar bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars
had opgeleverd. In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in
wat er van werd, wel. Dit heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als
Tellegen, en ver van mij is alle wensch of pogen, op dit hoofdpunt hem
te vertroebelen of te verzwakken. Moge het integendeel blijken dat mijn
bijwerk een steun en bevestiging is geweest.
Voor het herdrukken van Tellegen's bijlagen eindelijk is na de jongste
en nog ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden
vervallen. Zij zijn of worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider
verband waarin zij behooren.
September 1913. H. T. COLENBRANDER.
INLEIDING.
Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de wedergeboorte van
Nederland na het ineenstorten der fransche heerschappij in het laatst
van 1813. Hoewel dit onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne
nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne aantrekkelijkheid nog
niet geheel heeft verloren. Het geldt toch ons vaderland. Ons vaderland,
dat na de overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart
voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het een gevolg der
buitengewone krachtsinspanning, was verslapt en ontzenuwd: dat de prooi
was geworden van binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en
volk te verscheuren, geenszins bij machte, de instellingen der republiek
naar de behoeften en ideeën des tijds te hervormen.
Op den inval der Pruisen in 1787 was die der Franschen in 1795 gevolgd:
beide gebeurtenissen stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen,
daar zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling door onze
landgenooten zelven te hulp was geroepen: in 1787 door de oude partij,
Oranje in verbond met de oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de
patriotten, de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795 beschouwen als
te zijn geweest eene straf voor 1787, ook de mannen van 1795 hebben
zwaar geboet voor hun onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der
fransche hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de satelliet
van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk; onze landskinderen het
kanonvleesch des keizers; handel en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland
meester was van de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten
prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en Amsterdam de
derde stad van het fransche keizerrijk. Was het te verwonderen, dat
men het tijdvak der revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een
tijdvak van smaad en schande, van ellende en van rampzaligheid? Was het
te verwonderen, dat althans de onnadenkende menigte ééne zaak vergat?
Dat zij zich niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795
verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer dacht aan de
disharmonie, die er had bestaan tusschen de maatschappij der 18e eeuw
en de alleen voor den nood van het oogenblik berekende instellingen
der oude republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van 1795
in vele opzichten een operatie was geweest, die, hoe pijnlijk ook, voor
de genezing noodzakelijk was, daar met en na die omwenteling veel van
het oude en verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen van
staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in ons land? Het is
waar, het streven naar politieke vrijheid, hetwelk die omwenteling en
de eerste staatsregeling, die van 1798 kenmerkte, was spoedig in het
zand verloopen; het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt
echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke vrijheid de
revolutie kenmerkte, tot wasdom was gekomen. De eenheid van den staat
met zijne algemeene wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats
gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek; éen volk
dus en in dit volk geen onderscheid van recht meer uit het oogpunt
van kerkgeloof, van stand of van woonplaats, met andere woorden: de
gelijkstelling der godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten
der geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie van het
platteland van den druk der edelen en der steden, de gelijkstelling
der generaliteitslanden met de overige deelen des rijks. Het beginsel
werd gehuldigd, dat de macht van den een over den ander alleen
gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der geregeerden en niet
door het belang der regenten; het in vele opzichten privaatrechtelijk
karakter van het bestuur loste zich meer en meer op in een publiek
recht, een uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de
blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van 1795. Veel daarvan
was onder franschen invloed tot stand gekomen; zelfs het Fransche
keizerrijk, hoe afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde,
was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en gelijkheid der
ingezetenen een kind der revolutie gebleven, en was ook hier te lande
aan opruiming van hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk
geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de vernedering in
de schaduw gesteld. Eene beweging, die uitliep op het verlies van
het hoogste goed, hetwelk een volk bezit, op het verlies van zijne
onafhankelijkheid, kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd.
De jaren 1795-1813 waren als 't ware door het nederlandsche volk in
babylonische ballingschap doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne
zonden; het was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het Opperwezen
en--het huis van Oranje. En zoo laat het zich verklaren, hoe het hoofd
van dat huis bij het betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne
landgenooten durfde zeggen: »ik ben bereid en vastelijk besloten, al
het verledene te vergeven en te vergeten" (proclamatie van 30 November
1813). Zoo laat het zich verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven,
ja zelfs door een man als Falck met ingenomenheid werden begroet[1].
Er ging geene stem uit het volk op, die zeide: zoo het de vraag is van
vergeven en vergeten, de behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene
zijde alleen; ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel uit
ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt niet zonder schuld
geweest. Wie heeft het eerst zich bezondigd aan het inroepen van den
vreemdeling? Wie heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de koloniën
Engeland in handen te spelen? Was het niet uw vader Willem V? Wie heeft
in 1799 bij den inval der Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan,
om met geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te hernemen?
Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer op ons de schuld ligt van
in het stof te hebben gekropen voor den vreemdeling, is het ook in uw
levensboek geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe aanspraken
op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te hebben afgebedeld een brok
duitschen grond[2], waarover hij geen recht had te beschikken, en wat
gij niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen? Doch van
dit alles werd geen woord gerept. Evenmin daarvan, dat de laatste
stadhouder, in plaats van oog en oor te hebben voor de nooden en
ideeën van den nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren
voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in bondgenootschap met de
aristocratie was getreden en ook na 1787 geene poging tot hervorming had
gedaan. Waarlijk tegenover het zondenregister van het nederlandsche volk
kon ook op menige tekortkoming van het huis van Oranje worden gewezen.
Over dit alles echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn geweest,
in wier geest zoo iets is opgekomen, het was voorzichtig, dit voor
zich te houden, dit te verbergen achter den muur hunner tanden. Van
de omwenteling van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg,
kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de antichrist, wiens
rijk door God te pletter was geslagen. En in zijne plaats zouden de
oude tijden herleven met het geliefde huis van Oranje aan het hoofd,
en Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.
[1] _G. K. van Hogendorp in 1813_, bijlage bl. 15.--Zie ook Falck's
_Gedenkschriften_, bl. 119.
[2] Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij van
Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den
23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als
schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over
deze zaak _Gedenkstukken_ IV, 701.
* * * * *
Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien
is er wat af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813
verkeerd, indien hij zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een
requisitoir tegen Oranje, zooals hij het »enkelen" laat verbergen
»achter den muur hunner tanden." Hij ziet meen ik voorbij, dat de
»vergeven en vergeten"-passus uit de proclamatie van 30 November een
_weerklank_ is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf opgegaan.
De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet
van Gijsbert Karel van 17 November: »al het geledene is vergeten en
vergeven." Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik
Fagel, die de (in Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins
opgesteld heeft, ze overgenomen. Dat de natie vergaf, bleek uit
het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op volgen dat ook de
teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te verzekeren
was van de zijde van Oranje geen ongevraagd _durven_, maar door het
volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich
dan ook geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het
requisitoir is van een man van 1884, niet van 1813. »Geest en hart,"
schrijft Falck, »waren open voor alle redeneeringen gegrond op het
beginsel van eensgezindheid en verbroedering. De fraaie proclamatie
die den Prins voorafgegaan was, het werk van den voormaligen Griffier
Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en Z. M.'s eigene
taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene
terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke
zich bij het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van
der Duyn en Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij
houden"[3].
[3] Zie dat wantrouwen o. a. uitgedrukt in den curieuzen brief van
Fennekol aan Wiselius, _Gedenkstukken_ VI, 1756.
Waar aan beide zijden schuld is geweest _en boete_, pleegt men
elkander bij het wederzien geen lange lijsten van grieven aan te
bieden, maar ziet liever den weg op die voorwaarts leidt.
Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen;
zelden of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland
zóó groot geweest.
I.
HET GRONDGEBIED.
Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware herleefde, had in
één opzicht althans zijne voordeelige zijde. Het scheen den prins van
Oranje, het scheen de hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die
als van zelve sprak, dat door die herleving ook het grondgebied der
Vereenigde Nederlanden weder het eigendom werd van den opgestanen Staat.
Niet alleen, dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór de
inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had behoord. Ook
zoodra een gedeelte van het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane
grondgebied van de fransche overheersching was bevrijd geworden, werd
dit bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde Nederlanden
vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had bij dat tractaat de
departementen van Zeeland en Brabant, het land tusschen Maas en Waal,
Nijmegen daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en het land
van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze had het kwartier Breda
ingedeeld bij het departement der Beide Nethen en van de overige landen
de departementen der monden van de Schelde en der monden van den Rijn
gemaakt. En hoewel nu de Franschen dit alles op verre na nog niet
hadden verlaten--men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814
bevrijd--werden toch die landen reeds toen verklaard, »evenals van
ouds" uit te maken een deel van den Staat der Vereenigde Nederlanden en
onder het bestuur daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid,
dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige twijfel konde
bestaan. En wanneer de prins vooreerst met stilzwijgen den toestand dier
landen voorbijging, die reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk
waren vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en hetgeen daarbij
behoorde, wanneer hij daarover zweeg, zoo meen ik de oorzaak daarvan
niet zoo zeer te moeten zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot
de Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel daarin, dat zoowel
het een als het ander nog geheel in de handen des vijands was.
Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen hij reeds den 28sten
November 1813[4] aan Hendrik Fagel, den vertrouwde van den prins te
Londen, en dus nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als
zijne meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de dadelijke
en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloniën in de drie werelddeelen
verwachtte, koloniën, waarvan Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den
Mei 1802 te Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was afgestaan,
terwijl de overige koloniën sedert door dat rijk veroverd waren in den
oorlog tegen ons gevoerd. Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende,
vond het blijkens zijn antwoord van 1 December 1813[5] wat voorbarig,
toen reeds bij Engeland op de vervulling van dien wensch aan te dringen.
Holland moest eerst geheel en al zelfstandig zijn, voordat men over
die teruggaaf kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen, die
koloniën, in plaats van aan het bevriende en geallieerde Holland,
aan het vijandige Frankrijk terug te geven. Wanneer dit gevaar
echter voorbij was, dan, meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met
broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich tot wederzijdsche
tevredenheid schikken.
[4] _Br. en Ged._ IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
[5] _Br. en Ged._ IV, 274.
Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent beschouwde als van zelf
te spreken, ook door de geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd.
Was het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der revolutie uit
te wisschen, die hunne gedragslijn bepaalde? Ik zoude het niet durven
beweren. Zij waren--evenals Napoleon--zeer afkeerig van zelfregeering
en volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van 1789
vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon, weinig eerbied voor de
zelfstandigheid der volken, en waren in zoover navolgers der revolutie
en der Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in strijd
zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd met Piemont vereenigd;
aan Venetië door Oostenrijk ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke
en wereldlijke potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche
omwenteling waren te niet gegaan en het feest der opstanding niet
mede zouden vieren; aan België, dat tegen zijn zin zoude dienen
ter vergrooting van Noord-Nederland. Maar men denke bovenal aan de
verdeeling van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde
mogendheden begonnen en in den revolutietijd voortgezet, tot eene
zekere hoogte het voorbeeld en de verontschuldiging tevens van de
uitspattingen van Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets
komen. Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de geallieerden
geene tegenspraak ondervond? Was het de verwantschap van het huis van
Oranje met het pruisische koningshuis, die eenig gewicht in de schaal
legde? Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die (het
gold de wederinbezitneming van landen op den rechteroever der Maas) den
terugkeer der Vereenigde Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als
boven alle bedenking verheven beschouwde[6]. Was het de omstandigheid
dat er nog vóór de komst der geallieerden in het hart des lands, aldaar
eene poging tot zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten?
Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van beschouwing
der oppermachtige geallieerden. Maar bovenal was het Engeland, dat de
herleving der Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der herleving
der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en uitgebreid. Het zoude voor
Engeland zijn eene brug naar het vasteland; het zoude beletten, dat de
geheele kust van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam van
eene der machtige continentale mogendheden. Het zoude een voormuur zijn
tegen het altijd nog gevreesde Frankrijk. Dit waren de redenen waarom
de geallieerden in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan
dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of Venetië deed.
Het was ook in de oogen van den engelschen minister van buitenlandsche
zaken, lord Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had, iets
wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot zijnen vroegeren
toestand[7]. Deze wijze van beschouwing, van den aanvang gehuldigd,
heeft dan ook gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814
over de teruggaaf der koloniën met Engeland gesloten.
[6] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814 (_Gedenkstukken_
VII, 176).
[7] Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan Lord
Clancarty, 24 April 1814 (_Gedenkstukken_ VII, 24 en 108).
Wij keerden dus terug in het bezit van het grondgebied der
Vereenigde Nederlanden. Wij zouden niet meer afhankelijk zijn van een
buitenlandsche mogendheid. Nederland zoude vrij zijn. Nederland zoude
zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de vlag der Nederlanden
weder op alle zeeën gezien worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan
Melchior Kemper[8]. Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is het
slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen den blik vestigt op
de onafhankelijkheid, op de vernietiging der vreemde overheersching.
Het land kan in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land
woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche volk nu een vrij
volk zijn, met het oog op de binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude
moeten worden beantwoord door hen, die geroepen werden het gebouw te
stichten, waarin de nederlandsche maatschappij zoude wonen. Het antwoord
op die vraag zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten gegeven
worden.
[8] Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van
Hogendorp (_Br. en Ged._ IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en
Fannius Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's _Staatkundige Geschriften_
III, 71).
* * * * *
Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland,
ten opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het
mogelijk, en wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan
Tellegen in het bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen,
bij acte gepasseerd tusschen den minister Lord Grenville en den
voortvluchtigen Willem V, 2 Febr. 1795, de Nederlandsche koloniën
in bewaar te nemen: »S. M. Britannique," luidt dit stuk[9], »ayant
fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de donner aux
commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux appartenans
à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous
la protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la
République se trouve par l'occupation de la province de Hollande par
une force ennemie, S. M. s'engage de la manière la plus formelle
_qu'Elle ne tiendra qu'en dépôt_ tout vaisseau, forteresse ou
place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en conséquence
du dit ordre, _et qu'Elle le restituera_ à la République des
Provinces-Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en
paix avec le France, et que l'indépendance de la République et sa
constitution légitime garantie par S. M. en 1788 seront assurées."
[9] _Gedenkstukken_ II, 820.
Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche
gezaghebbers, gedagteekend Kew 7 Febr. 1795[10], voorzien, vertoonden
zich de Engelschen in den loop van den oorlog die met den vrede
van Amiens eindigde, voor de meeste Nederlandsche koloniën en
bezittingen, welke echter over het geheel zich niet onmiddellijk,
ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming hebben
gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging
hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op
Suriname werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname
gelukte[11]. In het geheel gingen over de Kaap, Ceilon, de
nederzettingen op de kusten van Coromandel en Malabaar, in Bengalen,
op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda, Berbice, Essequebo,
Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Curaçao (eerst in 1800).
Behouden bleven dus alleen _Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate,
het kantoor op Desima en de Goudkust_.
Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er
twee die Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins
mogelijk voor goed wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland
door de veroveringen van Clive en Warren Hastings hoofdmacht in
Voor-Indië was geworden in plaats van Frankrijk, moest het ook het
aanloopstation op den weg naar Indië in zijn bezit wenschen, terwijl
Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene bedreiging
voor Engelands positie in Indië worden kon. De oorlog van 1781 had
bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de
Kaap en Ceilon niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide
Nederlandsche koloniën gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken
maritiemen aanval op Britsch-Indië kunnen ondernemen.
Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland
waren overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke
schending van het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al
werd het huis van Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond
de verleiding het huis van Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in
ruil voor die opoffering bereid bleek, de Kaap en Ceilon in handen
van Engeland te laten.
[10] Aldaar, 831.
[11] Dit ter verbetering van de noot in _Gedenkstukken_ II, 821.
Toen de acte van 1795 werd uitgereikt, scheen de verdrijving der
Franschen uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en
Pruisen gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt
hopelooze zaak, doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5
April 1795) en zelfs bij geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis
van Oranje, in ruil voor den van dit huis te verkrijgen »afstand van
alle aanspraken op het stadhouderschap", eene schadeloosstelling
in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor zichzelve)
besprak[12], werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich
vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de
vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord
Malmesbury de erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de
door Engeland in bezit genomen koloniën terugbekomen zou, met
uitzondering van de Kaap en Ceilon; Oranje zou eene
schadeloosstelling ontvangen op het vasteland[13].
De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in
1798 zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie
van het huis van Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op
Pruisen niet te rekenen is, richt het zich tot Rusland, en het
overleg omvat niet alleen het lot van Nederland maar ook dat van
België, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks verlies
Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene
vergoeding had aangenomen (Venetië). Oostenrijk wenschte België, dat
het steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval
terug; ook toen het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen
Frankrijk voorbereidde, had het op bevestiging en uitbreiding van
zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van België, het oog.
Voor België moest dus eene andere oplossing gevonden worden.
Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende
mededeeling: »As the Netherlands[14] cannot probably under all the
circumstances which have occurred be replaced under the dominion of
Austria, it will be an object to be considered what plan will be most
effectual to provide for the defence of this highly important barrier
against the future encroachment of France. None has here occurred
which is thought equally effectual and practicable as the uniting
those provinces to the Dutch Republic under the administration
of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted
to the maintenance of their respective civil and religious
constitutions"[15].--In antwoord hierop liet Paul I mededeelen: »Nous
envisageons comme une acquisition grande et utile pour toutes les
puissances bien-intentionnées, si les ci-devant Pays-Bas autrichiens
puissent être arrachés à la France et joints à la Hollande"[16].
[12] _Gedenkstukken_ II, 942; III, 684.
[13] _Gedenkstukken_ II, bll. CXII en 987.
[14] Versta: de Zuidelijke Nederlanden.
[15] Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te
St.-Petersburg, 16 Nov. 1798 (_Gedenkstukken_ III, 890).
[16] Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798
(_Gedenkstukken_ III, 896).
Het vraagstuk van de toekomst van Nederland en van België werd toen
ook buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd
onmiddellijk vóór het optreden van Napoleon. De overtuiging was
algemeen dat de Revolutie in Frankrijk op haar laatste beenen liep en
dat het tijd werd zich te verstaan omtrent de nieuwe orde, na haar
nederlaag aan de Europeesche statengemeenschap te geven. Fransche
publicisten uit de liberale school, lieden van de kleur der
meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land verdreven
door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend
orgaan, _Le Spectateur du Nord_, met voorslagen tot het Europeesch
publiek die ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil
voor stevige waarborgen tegen een nieuw militair overwicht van
Frankrijk in Europa, de binnenlandsche zaken van dat land aan de
liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig herstel van
het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland
tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van
Duitschland en van het geheele Noorden, en geven als middel tot
verbetering de vereeniging der zeventien Nederlandsche gewesten
onder het huis van Oranje aan de hand. In twee geschriften van een
publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (_L'Antidote au Congrès
de Rastadt_, 1798, en _La Prusse et sa neutralité_, 1799) is dit
denkbeeld vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van
het opperbestuur komt de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de
monarchale kan zijn: »Pour compléter l'union des deux pays," schrijft
hij, »pour leur donner toute la vigueur dont ils sont susceptibles,
il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut mieux les
réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le
gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on
se garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de
Brabant à Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir
ainsi l'autorité en multipliant les titres. Il serait impossible de
gouverner utilement et solidement les deux peuples, en le faisant à
tant de titres et sous des dénominations diverses. Leur nouveau
souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de ce
mot"[17].
[17] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 350.
Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van
innigheid der vereeniging van Holland en België eene meening
verkondigen waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden.
Lord Grenville stelt zich in 1799 slechts »some federal compact"
tusschen beide landen voor[18], en daar de militaire operatiën der
Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot Noord-Nederland
zullen beperken, houden de instructiën, die hij 26 Sept. 1799 aan
zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den
herstelden Nederlandschen staat, toezendt, ook nog alleen een schema
voor het redres der Noord-Nederlandsche zaken in;--een schema,
nagenoeg geheel overgenomen uit een in Juli 1799 door den gewezen
griffier der Staten-Generaal, Hendrik Fagel, aan de Engelsche
regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime schaal, van
bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de
ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag
van vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene
lasten), meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming;
vervanging der admiraliteiten door één departement van marine; een
Hooggerechtshof der Unie. Op een dergelijke constitutie is Engeland
bereid zijn zegen te geven door teruggave, bij den algemeenen vrede,
van de Koloniën.... op de Kaap, Ceilon en Cochin na[19].
[18] Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799 (_Gedenkstukken_
III, 973).
[19] De instructie: _Gedenkstukken_ III, 403 aangevuld door III, 1074;
het advies van Fagel: _Gedenkstukken_ III, 1006.
Toen deze instructiën gegeven werden was het de Engelsche regeering
bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was
opgegaan. De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en
de minister van buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer
gaarne van de Franschen zijn verlost geweest, mits men tegelijk de
hoofdresultaten der revolutie bevestigd kon zien, die voor Nederland
bestonden in de opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid
in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama
der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der
Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën
door ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als
de Engelschen aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede
neutraal zou mogen worden verklaard; en men heeft de poging gewaagd,
voor dit denkbeeld den steun te verwerven van Pruisen. Als de
afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk, in het kabinet van den
minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle hoop ontnomen dat
Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij zij
berusten in het herstel van het huis van Oranje. »Ik antwoordde dat
hieraan niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde
van zaken. Wat ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een
gesprek van bijkans twee uren eindigde hij met te zeggen dat men
tenminste aan den Erfprins moest....," en de Vos ontwerpt dan eene
constitutie voor de Bataafsche Republiek met den Erfprins als hoofd
van het uitvoerend bewind »onder een anderen titel als dien van
Stadhouder;" de politieke verklaringen als grondslag van het
stemrecht zal men laten vervallen, en het recht om in de
grondvergadering te verschijnen aan geldbezit binden; eene
constitutie der _beati possidentes_ dus, met een oranjewimpel in
top[20]. De Pruisische regeering zond copie van dit stuk naar
Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was
voorgekomen.
Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap
aan den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in
Noord-Holland stond: »de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan,
wanneer men de hoop konde hebben, dat niet zoozeer de oude
constitutie wederom zoude worden ingevoerd, maar de principes
bijbehouden van eenheid der Republiek en van eene behoorlijke
representatie, met de uitvoerende magt _in amplissima forma_ aan het
huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met
één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag
konde gelegd worden"[21]. Lord Grenville kende deze boodschap, toen
hij zijne instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich
niettemin tot de door Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met
handhaving van den bondgenootschappelijken regeeringsvorm[22].
»You will not fail to remark", voegt hij in een begeleidend schrijven
aan zijn broeder toe, »that in the communication made through
M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the keeping up a
representative body adapted to that state of things, are strongly
insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline
towards a different arrangement, and to think that a nearer adherence
to the ancient form of government would be more conducive to the
happiness of that country, are founded principally in an opinion that
such is probably the wish of the best and soundest part of the United
Provinces".
[20] _Gedenkstukken_ III, 552.
[21] Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799,
_Gedenkstukken_ III, 547.
[22] Art. 1 der instructie: »That the form of federative government
on the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved"
(behoudens de vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte,
wijzigingen).
De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog.
Het Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen
te helpen. Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die
versterking op versterking zonden en allen voortgang der gelande
troepen weldra konden beletten en hen eindelijk naar hunne schepen
terugdrijven; maar ook, omdat men van de overwinning der coalitie
een staatkundigen teruggang vreesde, die in Nederland zeer weinig
voorstanders had.
Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit
hunne boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer
blijkt het uit vele politieke stukken, in deze jaren door welmeenende
plannenmakers uit de oude oranjepartij opgesteld. De grondtoon is,
dat de zaak gevonden moet worden bij compromis met de gematigde
patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een uitkomst voor, die
minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van vóór 1795
afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door
velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij
hebben zal, zoo het door vreemd wapengeweld aan de natie wordt
opgedrongen, in plaats van door deze ingeroepen[23].
[23] Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie
van 1814), Mei 1795, _Gedenkstukken_ II, 831; Aylva (lid der
grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (_Gedenkstukken_ II, 839) en
voorjaar 1799 (_Ontstaan der Grondwet_ I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der
grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (_Ged._ II, 860), Oct. 1795 (II,
869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II,
960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen,
Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997).
Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het
merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens
blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal
afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een
ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande
uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen
door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder
onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking.
De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de
opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht,
minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (_Ged._ II,
863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst
ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest
is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig
jaar geleden had voorgestaan (zie _Ged._ III, 1037 en 1080, en _Vreede's
van de Spiegel_ IV, 456; en voor de kritiek: _Ontstaan der Grondwet_ I,
bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook
bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van
Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (_Ged._ III,
1100): »Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer
zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan
oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude
langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de
Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als
hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te
maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den
vorst...".
Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens
ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander
hoofdstuk wordt gegeven.
Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt
in Frankrijk de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle
speculatiën op den naderenden ondergang der Revolutie een spoedig
einde maakt. Europa richt zich op den nieuwen toestand in, waartoe de
blijvende verwijdering van het huis van Oranje uit Nederland behoort.
Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent Oostenrijk de
Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802) Engeland,
dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt,
alleen Ceilon mag behouden.
Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het
verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar
een tusschen de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling,
welke 23 Mei 1802 tot stand kwam.[24] Om zich de goede gunsten van
Napoleon te verwerven van wien in dezen alles afhing, had de Erfprins
niet geschroomd de reis naar Parijs te ondernemen. De oude Prins liet
die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is geheel onjuist,
zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald wordt,
dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van
afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt
eer hij in het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel
degelijk onderteekend[25]; maar hij heeft geweigerd de regeering in
de hem afgestane landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn
zoon, die zich voortaan betitelt als vorst van Oranje-Fulda. Willem V
bepaalde er zich toe, de regeering te voeren in zijn Dillenburgsche
erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806, nog voor korte
maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.
[24] Zie hiervóór, bl. 4 noot.
[25] _Ged._ IV, 708; vgl. Bosscha, _Staatsomwenteling_ II, 273.
Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801-1804 in eene
bijzonder scheeve positie. Het hing voor de territoriale
schadeloosstelling af van de genade van den Eersten Consul; voor
andere regelingen van Engeland en van de Bataafsche Republiek. De
vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de Engelschen,
maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de teruggave
dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid
verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen.
Zij werd door de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £ 220.000.
De Prins weigerde standvastig die som aan te nemen in de omschrijving
waaronder zij hem werd aangeboden: als prijs van schepen die nimmer
aan zijn persoon, maar aan den Staat hadden behoord. Engeland wilde
er gaarne iets anders op vinden: het zocht een middel om het huis
van Oranje als een _en cas_ te behouden voor het mogelijk geval van
hernieuwden oorlog met Frankrijk. Liet men het huis aan de genade der
continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer
de eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn
opgevolgd, gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men
nu niet langer van de schepen die men zonder meer behield, maar
stelde aan de Prinses van Oranje (die nog eenigen tijd in Engeland
was gebleven na het vertrek van haar gemaal naar het vasteland) een
som van £ 60.000 ter hand als tegemoetkoming in de behoeften van het
Oranjehuis, en kende aan dat huis, »gedurende het believen van Zijne
Majesteit", een jaargeld toe van £ 16.000[26]. De bewoordingen waren
zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde
houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het
jaargeld na den dood van zijn vader.
[26] _Gedenkstukken_ IV, 737.
Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze
had, bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk
als veroverd goed beschouwde domeinen van het huis verkregen _titulo
oneroso_, en was dus zeer weinig geneigd nogmaals de beurs te openen
om ze aan Oranje te betalen. Toen nu art. 18 van den vrede van Amiens
het huis eene schadevergoeding toezeide voor de verliezen geleden
»zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van de verandering
van constitutie", verklaarde de Bataafsche gezant Schimmelpenninck
zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek door
Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel
voortvloeiende; en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend
op den dag der totstandkoming van het traktaat, gaf Frankrijk de
verlangde toestemming. Aan het huis van Oranje werd dan nu beduid
dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel van het verlies
van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren te
beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het
huis van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze
waren nimmer verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding
der rente; zij konden dus niet onder de _verliezen_ worden gerekend,
waarvoor vergoeding uitgekeerd was krachtens art. 18 van het verdrag
van Amiens. In het najaar van 1802 werd door den Prins getracht,
eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op gang te brengen
betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek echter was
zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de
waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland
feitelijk aan den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij
nimmer hadden behoord; bovendien brak spoedig na den aanvang der
onderhandeling de oorlog met Engeland weder uit, en was hunne kas
weldra berooider dan ooit, terwijl Bonaparte meende dat zij hun
geld liever aan de marine dan aan een afkomst met Oranje, thans
pensioentrekker van Engeland, moesten besteden. Ondervindende dat de
zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in het begin van
1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn
gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te
verdeelen tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag,
Sémonville, de belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het
ultimatum van den Prins aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei
1802 af, en verrekening van alle andere wederzijdsche pretensiën met
een saldo van 5 millioen ten voordeele van het huis. Onder pressie
van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het Staatsbewind nu
eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand
en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den
Keizer; toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het
reeds gesloten tractaat[27], en van de gansche afrekening is nooit
iets gekomen. Het huis van Oranje behield zijn aanspraken, maar is
niet meer in het geval gekomen ze te kunnen verzilveren.
[27] _Gedenkstukken_ IV, bl. XXIX.
Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening
verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de
naburige Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te
huldigen en hunne particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De
vorsten van Oranje-Dillenburg en van Oranje-Fulda ontbraken op het
appèl: bij de schamelheid hunner territoriale inkomsten en na de
mislukking der Bataafsche onderhandeling was het Engelsche jaargeld
het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel hunner inkomsten
geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij deze
gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade
berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus
Nassau te Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een
nieuwen voetval van den Erfprins in de Tuilerieën verlangde, en
toen deze uitbleef werd hij van de lijst der candidaten voor het
Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats meer dan in de
voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen maakte
Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806) het
jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814
genoten.
Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de
Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen,
zag hij de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den
vrede van Tilsit (9 Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis
en hof, een werkzaam deelnemer aan allerlei anti-Napoleontische
plannen. Koortsachtig bovenal is zijne werkzaamheid in het jaar 1809
geweest, toen hij zijn best heeft gedaan, Pruisen tot aansluiting
aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging van
een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar
Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een
verandering van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen!
Zoo weinig had men er aan gedacht, gebruik te maken van de
betrekkingen, die hij in Nederland mocht hebben onderhouden.
Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van
een Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen
Antwerpen, van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou
gebleken zijn hoe weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in
Nederland had overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel
na, had ieder zijn vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij
kon. Oranje zelf had daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van
Oranienstein (26 Dec. 1801) de oude Prins, op aandrang van Pruisen en
den Erfprins, die daardoor de indemniteitsvooruitzichten van het huis
hoopten te verbeteren, aan zijn aanhangers had doen weten dat hij het
niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een ambt aannam onder de nieuwe
staatsregeling van 1801. In de regeeringslichamen van dien tijd
hadden dan ook tal van oranjelieden zitting genomen, en er zich
leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral toen de
dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen
regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in
massa tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van
Lodewijk Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen
dan ook in Mei 1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van
Dijk geheeten, naar Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn
als Engeland zijn beloofde landing in Noordduitschland ondernam, kwam
deze met een zeer karakteristiek rapport terug. Hij was geadresseerd
geweest aan Bentinck van Buckhorst, op wiens landgoed bij Zwolle hij
den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar Bentinck had hem aanstonds
onderricht, »dat aangezien de omstandigheden zoo volkomen veranderd
waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke voorheen de
wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst
waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk,
zeer toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren
aan niemand eenige directe ouvertures doen konde." Van Dijk werd
dus door hem verwezen naar »zijn (van Dijk's) eigen kennissen
en vrienden", die hij dan ook persoonlijk opzocht te Amsterdam,
Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij »weldenkende en
ijverige voorstanders der oude constitutie" aantrof, die »niets
hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen
medewerken," maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, »voor
en aleer het gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam
konden toonen. Dan daar de Engelsche expeditie ondernomen is geworden
zonder dat men eigenlijk het ware oogmerk daarvan kende en voor
zoover mij bewust is zonder voorkennis van Uwe Hoogheid, zoo heeft
men aan niemand eenig teeken kunnen geven...."[28]
[28] _Gedenkstukken_ V, 813.
Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om
de relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had
gezonden maar overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche
regeering was gebleven--trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen
Engeland en het vasteland, waar de Prins om de familiebetrekkingen
zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was sedert de inlijving
van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk hoogst
bezwaarlijk geworden--de Prins begeeft zich in het voorjaar van
1813, op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van
Rusland en van Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet
verwachtte en met zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er
het huis van Oranje natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was
geenszins gereed, vaste bedingen omtrent de toekomst van dat huis aan
te gaan.
In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken
voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloniën
meester gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden
waren gebleven, met de enkele uitzonderingen van het kantoor op
Desima en van de nederzettingen op de Goudkust, op welke beide
plaatsen, daar ook de Franschen er zich nimmer hebben vertoond, de
Nederlandsche vlag geen oogenblik is neergehaald. De voorwaardelijke
belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon thans door Oranje
bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers zoowel Engeland
als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de Bataafsche
Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in
1795 op den voorgrond gestelde begrip der »onwettigheid" van dat
lichaam in de practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was
door de teruggave der koloniën aan de Bataafsche Republiek veranderd;
op haar of het in hare rechten tredend Frankrijk waren zij sedert
1803 opnieuw veroverd als op een gewonen vijand, zonder dat ooit
daarbij aan iemand de geringste toezegging van voorwaardelijke
teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden voet, waren
de koloniën van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands handen
gevallen. Het middel nu om na eene overwinning der coalitielegers op
het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te
verkrijgen die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou
blijkbaar moeten zijn de _vrijwillige_ voorwaardelijke teruggave der
veroverde koloniën, op voorwaarden door Engeland te stellen, en voor
zoover het behoud dier veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht
voor de welvaart van Engeland zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de
Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799 zeer goed wist, zou
Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland zich van
eenige koloniën ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen,
wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om
zich tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk
binnen de grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de
prijs voor een bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en
Oostende te verrichten. Of het evenwel mogelijk zou zijn België in
zijn geheel of ten deele aan Nederland te brengen, moest van het
succes der coalitiewapenen afhangen, en zelfs niet alleen van het
succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers of Oostenrijk
ook thans van België af zou willen zien, zou er van afhangen welk
land beschikbaar kwam in Italië. Van de vraag of zij alleen voor
Nederland zou behoeven te dienen dan ook voor België, hing in
Engelands oogen weder eenigermate af welke vorm aan de nieuwe
Nederlandsche regeering ware te geven. Nimmer zou Engeland zich van
iets ontblooten eer op al deze vragen een beslist antwoord te geven
was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen verscheen, nog
in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh (wier
gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der
Staten-Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:
»Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point
on croirait utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne
constitution stadhoudérienne, _ou bien d'y substituer un autre
système de gouvernement qui conciliât le voeu_ de la nation
hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si
puissamment sur les destinées futures de cette nation;
jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une
extension de ses frontières (par une sorte de nouvelle _Barrière_
plus efficace que l'ancienne), soit par la réunion de quelques
portions du territoire voisin de l'ancienne République, une
consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre
qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à
la tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation
de territoire (si elle avait lieu) devrait influer sur la
constitution à donner à ce nouvel Etat;
enfin jusqu'à quel point l'Angleterre croirait convenable à ses
propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des
colonies hollandaises dont elle a fait la conquête pendant la
guerre."[29]
[29] »Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans
son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813" (_Ged._ VI,
1876).
* * * * *
Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.
Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt,
geen voorkeur hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het
koningschap aan den dag. Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl
gedaan: daarin had in de plaats der boven cursief gedrukte woorden
gestaan: »ou bien d'y substituer un système de gouvernement _plus
analogue_ et pour le fond et pour la forme aux circonstances et _aux
besoins impérieux de l'époque présente_, aux secousses que l'Europe
entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui
pût concilier le voeu", enz. De Prins had deze woorden geschrapt
en door de kleurloozer redactie vervangen. »D'avoir l'_air_ de
solliciter la royauté", had zijn moeder hem nog vóór het vertrek op
het hart gebonden, »c'est ce que je ne conseillerais jamais";--maar
aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: »si par un mouvement
spontané on vous appelle _au trône_, je suppose que vous ne vous
refuserez pas".[30] De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging
van naar de souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis
van Oranje steeds met energie teruggewezen; dat het volk zelf
de omstandigheden nu geheel veranderd achtte, mocht worden
vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh eerst zien
blijken.--»The omission proposed by the Prince", oordeelt na het
lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het
huis uit de dagen van 1787) »is certainly a proper one as far as
_he_ is personally concerned, but the sentiment contained in it,
highly important as to the general arrangement".[31] Zoo heeft Fagel
het in November begrepen en in dezen zin onmiddellijk aan Hogendorp
geschreven[32], met volle instemming, _toen_, van den zich in April
op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.
[30] Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (_Ged._ VI, 1859).
[31] Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (_Ged._ VI, 1880).
[32] Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (_Br. en Ged._ IV, 265).
Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken
voorkeur van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden,
maar naar de aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied,
zooals spoedig zou blijken;--en uit de slotwoorden is voor den
goeden verstaander te lezen dat voor zulk een vergrooten en met een
militaire functie ten dienste van Europa belasten staat de monarchale
regeeringsvorm aangewezen schijnt.
Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep
op Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795,
als thans niet langer toepasselijk.
* * * * *
Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins
en Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten
der Engelsche regeering open, dat wij het hier tekstueel
mededeelen[33]:
[33] Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht door
den uitmuntenden redacteur Fagel. »In Fagel deed mij eens een bevoegd
regter--Lord St. Helens--de gave opmerken om al het verhandelde in eene
conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk
aan zijne committenten mede te deelen" (Falck's _Gedenkschriften_,
150).--Lord St. Helens was de laatste gezant van Engeland geweest bij de
oude Republiek.
»Lord Castlereagh commença par observer que la délivrance de
la Hollande, son entière séparation d'avec la France, et le
rétablissement de la maison d'Orange en Hollande, étaient des objets
qui seraient toujours regardés par ce pays-ci comme étant pour lui
d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue à opposer par
ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes
relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était
pendant si longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte
d'habitude; que par conséquent on serait certainement très disposé
ici à concourir à atteindre ce but pour autant que les moyens de ce
pays pouvaient le permettre; mais que, pour le moment, on croyait
consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en différant
de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se
fût concerté avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh
communiquerait sans délai à ceux-ci _et nommément à l'Empereur de
Russie_[34] les ouvertures faites par le Prince, et que dès qu'on
aurait reçu la réponse, on aurait avec S. A. S. des communications
ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à connaître
aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait
nécessaire que le Prince d'Orange attendît _ici_[35] cette réponse et
la communication ministérielle qui pourrait en être la suite.
[34] Ik cursiveer.
[35] Onderstreept in Fagel's handschrift.
Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à
quelques-uns des points touchés par le Prince dans son entretien
du 27 avril, Lord Castlereagh remarqua que l'Angleterre (le moment
opportun étant arrivé) serait certainement toujours disposée à
concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande
un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui
résister; que sous ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à
donner à la Hollande une frontière plus forte et plus compacte, mais
que l'accomplissement de cet object devait naturellement dépendre de
circonstances qu'il n'était pas encore possible de prévoir, bien
moins de diriger;
que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels
à faire à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler
les imperfections, et que tout ce qui pouvait tendre à donner à
la Hollande et à son gouvernement plus de force, de solidité et
de consistance que par le passé était a désirer, _surtout si ce
changement pouvait s'opérer de gré et conformément au voeu de la
nation_;[36]
[36] Ik cursiveer.
qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince
avait mis en avant relativement aux colonies, et que quoique sûrement
S. A. S. Elle-même ne s'attendît pas que ce pays-ci put vouloir se
dessaisir de _toutes_[37] celles qui avaient autrefois appartenu à
la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait naturellement
(indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de moyens de
résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer
à celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se
rapprocherait de l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer
les anciennes relations avec elle"[38].
[37] Onderstreept in Fagel's handschrift.
[38] _Gedenkstukken_ VI, 1881.
* * * * *
Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden
voegt eenige toelichting.
_Nommément à l'Empereur de Russie._ Overleg tusschen Engeland en
Rusland omtrent het lot van Nederland en België was geene zaak
van gisteren; zie hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het
denkbeeld der vereeniging van die twee landen goedgekeurd, en had
ook in 1805 toegestemd dat het in de groote Engelsch-Russische
alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een bijzonder artikel van
dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: »Les hautes parties
contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent
concert de procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les
circonstances, des arrondissemens convenables, tels que les ci-devant
Pays-Bas autrichiens en tout ou en partie à la première, l'Etat
de Genève ou la Savoie à la seconde"[39]. Austerlitz had de
verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland verwijderde zich
van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een vredesverdrag
tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze gelegenheid
was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking
tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming
door Engeland eener schuld van f 87.100.000 vroeg, die Rusland bij
Amsterdamsche bankiers had aangegaan;--een eisch toen door Engeland
afgewezen, maar waarop Rusland zich voornam te gelegener tijd terug
te komen. Sedert 28 Febr. 1813 was ook Pruisen met Rusland verbonden,
en 3 Maart 1813 sloot Engeland met Zweden een verdrag, waarbij
Bernadotte zich verplichtte de operatiën der Russen in Duitschland
te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch subsidie, van de
verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken toebehoorende
Noorwegen, en van het door Engeland op Frankrijk veroverde eiland
Guadeloupe.
[39] Martens' _Recueil_ II, 433.--Vgl. het artikel van Bussemaker,
_De diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands
onafhankelijkheid_, in _Gedenkboek der Herstelling_ I, 43 vv.
Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April
tusschen den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen
verliep de oorlog in Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten
niet zeer fortuinlijk; eerst toen Rusland en Pruisen zich bij
verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche subsidiën tot
volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij dépêche
aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een
algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan
de onafhankelijkheid van Nederland[40] deel uitmaakt, en, in zeer
voorzichtige bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om
tot verwezenlijking der programpunten door teruggave van koloniën mede
te werken[41].
[40] »The reestablishment of Holland as an independent Power"
(Bussemaker in _Gedenkboek_ I, 56).
[41] »As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be
prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate
in the same spirit" (Bussemaker t. a. p.).
Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den
afval van Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder
de grondslagen van den Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan
Metternich voorgesteld »la séparation de la Hollande de la France",
een punt vervolgens overgenomen in het door Oostenrijk aan Napoleon
gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren de vier groote
mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der
onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van
het grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel
open. Voor de beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk
af, dat zich wel 12 Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen
nog niet gereed was tot eene bespreking van het Belgische vraagstuk.
Eerst toen de slag van Leipzig beslist had dat meer land beschikbaar
zou komen dan men in het begin van 1813 had durven hopen, achtte
Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen betreffende
Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een
memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis
gaf[42]. »If things", heet het daarin, »can be restored on the side
of the Low Countries to a state, similar to that in which they stood
at that period, when one of the great military Powers of Germany was
interposed as a protection between France and Holland, the British
Government will not feel it necessary to press for any departure from
the ancient arrangement of limits; but if the course of events should
be such as to render this highly desired object unattainable, and
the frontier of France should still remain in contact with that
of Holland, they feel it essential that Antwerp, with such other
extension of territory as may be necessary to give to the United
Provinces an adequate military frontier, should be assigned to
Holland... The immediate object of this Memorandum is to point to the
active and early efforts of the Allies to the recovery of Holland.
Whenever matters may be ripe for entering more fully upon its future
settlement, the British Government will be prepared to recur to
those principles laid down in a despatch to Lord Cathcart of July
5th[43] _with respect to the colonies conquered from Holland since
1803_[44] with a sincere disposition on their part, liberally to
strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe
can be rendered secure by adequate arrangements against the Power of
France."
[42] _Gedenkstukken_ VI, 1950.
[43] In het door Castlereagh den Prins gelaten afschrift is deze datum
blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.
[44] Ik cursiveer.
Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en België door de
Engelsche politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel
in absoluten zin, maar alleen voor zoover de herplaatsing van een
der beide groote militaire mogendheden van Duitschland in eerste
linie tegen Frankrijk onbereikbaar mocht blijken. Aan Oostenrijk èn
België èn Noord-Italië te bezorgen was buiten kwestie, en als de keus
tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Italië kiezen. Omgekeerd
zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van België
aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland
een geëvenredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen
weder op moest komen, dat zich juist tot eene compacte macht in
Midden-Duitschland hoopte te kunnen uitbreiden, en aan de verwerving
van een land als Saksen boven het occupeeren van den gevaarlijken
wachtpost in België ver de voorkeur gaf. Ook in 1798 waren het deze
overwegingen alleen die Engeland het plan tot de vereeniging hadden
doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van Oostenrijk's
verwerving van Venetië bij den vrede van Campo Formio[45].
[45] Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles
Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.
Wat de koloniën betreft wordt door de hier gebruikte formule al
dadelijk van de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde
maar bij den vrede van 1802 in Engelands handen verbleven Ceilon.
Ziehier een eerste verduidelijking van het »pas toutes" van
Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813. Andere
verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den
Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met
Castlereagh te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de
koloniën eerst volgen zouden nadat en naarmate Nederland op het
vasteland versterkt kon worden tegen Frankrijk, en dus was eerst die
versterking aan de orde--tusschen Engeland en de bondgenooten. Wèl
werd den Prins vergund zijn eigen denkbeelden omtrent die versterking
aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed het onmiddellijk na het
verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit dit niet
door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij
vraagt niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche
Nederlanden met Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt
tusschen Maas, Rijn en Moezel, en dit alles moet met de oude
Republiek tot een ondeelbaren staat worden gevormd[46]. Lord
Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een andere
meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor
het geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld
boven dat van ineensmelting van Holland en België overwegen,
»I find", schrijft hij 30 Nov. aan zijn den Prins naar Holland
vergezellenden gezant Lord Clancarty, »I find Lord Malmesbury[47]
thinks an arrangement in extension of Holland preferable to giving
the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold
it. _Turn your mind to the Barrier Question_[48]. I consider Antwerp
and all Holland held before 1792 indispensable. The frontier must
then embrace at least Malines, Maestricht, Juliers and so to the
Rhine at Cologne or Dusseldorf."[49] En Repelaer, eenige dagen na het
uitbreken van den opstand naar Engeland gekomen, kon eenige dagen te
voren uit Castlereagh's mond het volgende opteekenen:
»Het lot van België kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den
slag van Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met
Napoleon, en heeft hem het behoud van België en van den linker
Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij toestemt in het herstel van
Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft in Italië en
over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel,
dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen.
Wat er nu met België gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan
Oostenrijk terug moeten, of zal er een Duitsch huis in moeten worden
geplaatst: dat van Beieren, Baden of een ander. Blijkt het voor ons
niet noodig tot een dezer oplossingen mede te werken, dan zijn wij
besloten tot de vereeniging van België met Nederland, hoewel wij
vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen de
Nederlandsche volksopinie."[50]
[46] _Gedenkstukken_ VI, 1955.
[47] Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer geraadpleegd
werd.
[48] Ik cursiveer.
[49] _Gedenkstukken_ VII, 2.
[50] Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar zóó te
verstaan (zie _Ontstaan_ I, bl. LIXV en 17).
Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel
van Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is
eigenaardig Lord Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek
naar het vasteland nog zooveel twijfel te hooren aan den dag leggen
aan de juistheid der oplossing die hij daar ten slotte heeft
doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831 die
gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.
* * * * *
_Ici_ (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden
waarom Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief,
m.a.w. dat hij in Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat
zijne verheffing en vergrooting zooveel mogelijk het werk van
Engeland zelf zouden wezen. Op het vasteland, waar alles tot na den
slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar verstrikt
raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands
belang zouden strooken.
Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in
het onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het
vasteland uit Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps
te kunnen werven aan welks hoofd hij zich zou stellen »comme le
représentant de la nation hollandaise"; hij zou zich dan onder de
bevelen van den kroonprins van Zweden in Noordduitschland willen
voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook deze »mesure" als
»trop décisive" verdaagd. Eerst eind September liet men hem toe op
deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij
stelde nu (volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving
in Duitschland van een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen
onder een door hem aan te wijzen officier voor, welk corps door
Engeland zou worden betaald en zich aansluiten zou bij een eveneens
door Engeland betaald Duitsch legioen onder Walmoden, dat onder de
bevelen van Bernadotte stond.[51] Zelf verlangde hij zich zoo spoedig
mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging der
Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October
door Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van
uitvoering gekregen. Doch de officier met de werving belast, de
Constant-Rebecque, eind October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig
dat reeds van links en rechts Duitschland was leeggehaald en er bijna
geen beschikbare Hollandsche krijgsgevangenen of deserteurs meer
over waren: zoo dienden er in het legioen onder Walmoden reeds
1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld. Evenmin waren
de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen
dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of
drie man per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde
een 1000 man, en in het begin van 1814 eerst konden de bataillons
naar Holland oprukken,[52] waar zij toen een welkome aanwinst waren
voor het in vorming zijnde Nederlandsche leger. Tot het uitlokken van
den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den Prins dus
hoegenaamd niets kunnen bijdragen.
[51] _Gedenkstukken_ VI, 1889.
[52] _Gedenkstukken_ VI, 1953.
Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de
ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er
toe geleid, dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij
een mogelijke restauratie van Oranje in Nederland van den zoon
gebruik te maken, met voorbijgang van den vader.
Dit denkbeeld heeft wel bestaan, maar was nog geenszins gerijpt tot
een vast besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest.
In 1795, na dien winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog
van York zich met schande overladen hadden, had de toenmalige
Erfprins, opperbevelhebber van het geslagen Nederlandsche leger, zijn
ergernis niet kunnen verkroppen. Over de acte van inbewaargeving der
koloniën en den brief van Kew had hij zijn vader menig hard woord
gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen gezocht
in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe
leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de
verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd
buiten de gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen
als toeschouwer in den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de
zaak van zijn huis door de ongeschikte handen van den hertog van
York opnieuw zag verbrodden. Met de geslagen Engelsche troepen naar
Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan vertrouwden of die hij
daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat Engelsch was
uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering.[53] De
aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon
te verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had,
moeilijk openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch
zeer. Daarna hadden de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem
aan een zilveren band kon leggen; hartelijkheid van wederzijdsche
gevoelens werd er eerder door tegengehouden dan bevorderd. Een
uitstekenden indruk daarentegen had in Engeland gemaakt 's Prinsen
niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de voltooiing zijner
opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na Tilsit,
toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den
Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog
op iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn
was hiervan zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht
heeft zelf naar Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in
het vergeetboek zou geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het
gebeurde kwalijk worden ontvangen. »Il ne reste plus que moi qui peut
encore veiller à vos intérêts; convenons que sans l'Angleterre nous
serions réduits à la besace"[54]. De Prins wilde daar niet van hooren
maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet naar waren dat
hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen uitrichten;
van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De
Prins-Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen
waren in deze jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie
over alle hoven van continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam
geworden als een witte raaf. Ook deze omstandigheid vergat de Prins
bij zijn besluit niet[55]. Nu èn Nederland èn Nassau èn Fulda
verloren waren, wat beter toekomst kon de in 1792 geboren Willem
wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?
[53] _Gedenkstukken_ III, 1103.
[54] _Gedenkstukken_ V, 778.
[55] _Gedenkstukken_ V, 784.
Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende
manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig
was. Hij trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn
studietijd te Oxford om was en het vooruitzicht op het vasteland nog
hoegenaamd niet ten voordeele van het huis veranderd, meende zijn
vader niet beter te kunnen doen dan hem voor adjudant van Wellington
bij het leger in Spanje aan te bieden[56], een denkbeeld dat in
Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins,
die aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde,
er ook genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich
uitstekend gedroeg, zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met
lof kon worden vermeld. Zoo was, in 1812 en begin 1813, »Willem VII"
zooals hij in de wandeling heette, eigenlijk veel meer een publiek
persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten vader, die ook wel vrij
dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809), maar altijd
bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had
kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende
geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met
Charlotte, een plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel
ook eenige tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke
familie waren niet van dien aard, dat haar leden het over eenig punt
gemakkelijk eens werden, en vooral niet over zoo een.
[56] _Gedenkstukken_ VI, 1808.
Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men
in Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der
practische politiek kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van
het Oranjehuis in Nederland behoorde. Niet dat men het mogelijk
achtte daartoe aanstonds eene poging te doen, maar het behoorde tot
de aangelegenheden waaromtrent men zijne gedachten had te bepalen om
niet door de omstandigheden te worden verrast. Zou eene poging tot
restauratie niet beter kansen opleveren indien men den jongen Willem
VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de
aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar
erfenis van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij
niet geschikter zijn als nationaal vereenigingspunt te dienen dan
zijn stroeve vader? De vraag is gesteld, door plannenmakers in
Engeland[57] en in Nederland[58]; ook door leden der Engelsche
regeering. »It may perhaps be desirable", schrijft de minister
van oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, »to have
the young Prince of Orange in England, if the times should prove
eventful".[59] Den 20sten April 1813, een paar dagen vóór de aankomst
van Willem VI in Engeland, schrijft hij: »The Prince of Orange has
left Berlin for Stockholm, probably with an intention of coming here.
His son is much more popular in Holland; and if any stir should
be made, he would be the best person to go there instead of his
father".[60] En nog 28 April: »The Prince of Orange arrived here
three days ago, not invited or expected by us ... I gave Fagel to
understand that the son was the person to push forward, if anything
was to be done."[61] Ook Lord Malmesbury wordt door de komst van
den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan
tot de reis vernomen en het afgeraden; »he had much better turn
his whole thoughts to Austria and endeavour through the means of
that court to recover his German territories."[62] Stelt men zich
dus Willem VI voor als in de toekomst te Dillenburg herplaatst, zijn
zoon is de man »to unite (as King William did) this throne and the
Stadtholderate."[63] De eenige reden dat men den jongen prins nog in
Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar
de zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op
de regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer
Alexander en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar
oogmerk goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur
te wijzen. Evenmin werd het wenschelijk geacht, hem als met eene
volmacht der Engelsche regeering voorzien naar het vasteland terug te
zenden. Men hield hem dus te Londen zoo te zeggen in reserve, maar
het feit zelf van zijne aanwezigheid en gedurigen aandrang kon
onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met het denkbeeld van
zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er, bij 's
Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon
te Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast
hebben Willem VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak,
nu de jonge prins op uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus
in Engeland verscheen op een oogenblik dat de volksbeweging, die in
April in Holland gaande was geweest, lang in bloed was gesmoord,
en er niet het geringste voornemen bij de Engelsche regeering meer
bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der Franschen uit ons land
te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan, in diens
plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal;
en welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast
elkander zag bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van
een wel aantrekkelijk maar uitermate zwak karakter; dat Wellington
juist had gezien, toen hij op Bathurst's boven medegedeelde brieven
had geantwoord: »he is very young, and can have no experience in
business, particularly in the business of revolutions; he is very shy
and diffident; and I do not know that it will not be a disadvantage
to him to place him in a situation in which he is to be at the head
of great concerns of this description. Too much is not be expected
from him."[64] Na een verblijf van drie weken in Engeland verlangde
de jonge man zelf naar Spanje terug, en men kon met goede houding
niets tegen dit voornemen inbrengen. Sedert was Willem VI veilig voor
de mededinging van zijn zoon (een mededinging, nimmer van het kind
zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt Castlereagh geen zwarigheid
meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van het weinige dat
Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding der
omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat
werk den Prins zelven te gebruiken.
[57] Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813,
_Gedenkstukken_ VI, 1854 en 1868.
[58] Zie hiervoor talrijke bewijzen in _Ged_. VI, 240, 271, 336, 417,
423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706,
719. Dit gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier
gegeven kan worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven
geschrift _Ondergang en Herstel_. De plannen gingen _niet_ uit van
Hogendorp en de zijnen; integendeel het gebruik van den naam van Willem
VII bij de volksbeweging van April gemaakt, heeft er Hogendorp toe
gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te doen vaststellen dat men
voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (_Br. en Ged._ V, 11).
Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in verband
estaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft
Castlereagh zoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de
Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde
hij een volksopstand. Zie ook voor deze zaak: _Ondergang en Herstel_.
Castlereagh hield aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden
en bracht hen eerst in Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte
Gevers voor Willem VI.
[59] _Gedenkstukken_ VI, 1850.
[60] _Gedenkstukken_ VI, 1872.
[61] _Gedenkstukken_ VI, 1878.
[62] _Gedenkstukken_ VI, 1860 (11 Maart 1813).
[63] _Gedenkstukken_ VI, 1879.
[64] _Gedenkstukken_ VI, 1883 (18 Mei 1813).
In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman
C. P. Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert
Februari in Holland zichtbare voorteekenen der volksberoering die in
April werkelijk heeft plaats gehad. Gevers verzocht een Engelsche
landing met Willem VII aan boord;[65] hij verkreeg echter niet
anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam omtrent de
militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd
tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen
verlof zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te
openbaren. Den 18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over
Holland te Londen terug; ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en
kort voor zijn vertrek door Castlereagh met den Prins in aanraking
gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit Holland zond gingen
direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis van
de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van
overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat
Gevers in geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en
diens werk in de verte niet hetzij door Engeland hetzij door den
Prins is uitgelokt. De geheele persoon van Gevers is overigens van
geringe beteekenis en zijne berichten hebben zeer weinig om het lijf.
Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot het laatste oogenblik
onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte te voegen
dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen opstand
te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins
den zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden
langs den Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der
verbondenen;--ook mag men er aan danken dat in October in Engeland
20.000 geweren werden ingescheept[66] om die bij het uitbreken van
een opstand onmiddellijk naar Holland te kunnen overbrengen; ook
voor een eventueel troepentransport werden maatregelen genomen.
Maar geheel onjuist is het, wat de op een plaats in Bosscha's
_Staatsomwenteling_ beluste Gevers in 1815 aan dien auteur verzekert:
»Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht
begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche
macht ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand
gebracht"[67]. Het Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den
22sten November, _na_ de aankomst der gezanten van van Hogendorp en
_wegens_ hun bericht.
[65] Zie _Ged._ VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (_Ged._ VI,
1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
[66] _Gedenkstukken_ VI, 1947.
[67] _Gedenkstukken_ VI, 1898.
Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van
toebereidselen van den Prins noch van maatregelen der Engelsche
regeering, in hoeverre hebben de marschen der verbonden legers dien
uitgelokt?
Wij zagen dat het 7 November aan den Prins medegedeelde Engelsche
memorandum »the active and early efforts" der bondgenooten tot de
bevrijding van Nederland verzocht.[68] Voor eenig effect op het
begin van den opstand is die aandrang veel te laat gekomen: toen
zij ontvangen werd was de opstand reeds een feit. Doch in het
hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook zonder Engelsche
noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De historicus
Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch
gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking
had aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot
Frederik Willem III het verzoek, met de leiding der bevrijding van
Holland te worden belast; hij wenscht als staatkundig adviseur te
worden toegevoegd aan een Pruisisch leger dat die bevrijding zal
hebben te bewerken.[69] Op dit verzoek is niet beschikt.--Van zijn
kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de
Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan
den Koning op de onmiddellijke »verovering van Holland" aan. De
hoofdrichting van dat leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht
verlof deze te veranderen in eene op Keulen en daar den Rijn over
te mogen gaan, tot ondersteuning van een inmiddels te ondernemen
directen aanval op Holland door Bernadotte.[70] Dit verlof is niet
verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de
rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van
haar vlucht, in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het
Hollandsche bastion te laten springen om dan van het Noorden uit
Frankrijk binnen te dringen. Ergo bleef voor een eventueele
onderneming tegen Holland alleen het leger van Bernadotte
beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen
(Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig
de bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische
landen in Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak
dicht aan de Nederlandsche grenzen, maar had geen bevel die te
overschrijden. Bernadotte zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van
Göttingen noordwaarts op, met het dubbel doel Davoust in Hamburg
op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn eigenlijke
belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van
Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn
hoofdkwartier blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de
afwijking naar het Noorden werd aan de Russische afdeeling van
Winzingerode de richting op Bremen voorgeschreven; dit was het meest
westelijk marcheerende korps. Het onderhoud van zoo groote legers
als sedert een jaar Duitschland kaalvraten, maakt een reusachtig
deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte ruiterij
(Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande
hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht
en kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men
die vinden kon. Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen
Kozakken over onze grenzen gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel
of vast plan. Den 9den November het eerst, in gering getal, bij
Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de vestingen Deventer en
Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen worden door
de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen bezet
(15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov.
overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen;
Hogendorp's afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23
Nov. dezen troep bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam
door te trekken waar hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden,
zonder moeite komen kan, en den 24sten zijn de eerste Kozakken te
Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der Hoeven te Zwolle den kommandant
der gezamenlijke Kozakken die thans in het noordoosten des lands
rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo ver als
Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor
hij infanterie en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste
uitdrukkelijk bevel van Bernadotte aan Winzingerode om een gedeelte
zijner geregelde troepen meer westelijk te dirigeeren: Benkendorff
wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar nog zonder
last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van
observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van
Deventer is teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet
bewegen den IJsel over te gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning
aan Winzingerode, marcheert als hij die ontvangen heeft, en is 1 Dec.
te Amsterdam.
[68] Hiervóór, bl. 28-29.
[69] _Gedenkstukken_ VI, 1863.
[70] Pertz, _Gneisenau_ III, 508 vv.
De Russen hebben dus in de oostelijke provinciën bezet wat open lag,
en zijn niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook
dit open lag, en zij er als broeders werden verwacht. Voor zoover zij
versterkte plaatsen hebben aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve
te Kampen, dat 20 Nov. aan hen overging met hulp der bevolking.
Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch
van Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland
aan te vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte.
Zijne orders van laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar
Minden (1 Nov.), naar Munster (5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier
te bezetten van Wezel tot het scheidingspunt van Rijn en IJsel (19
Nov.)[71]. Toen de laatste order ontvangen werd bereidde Bülow reeds
iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne voorhoede onder Oppen
reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken; den 23sten, nadat
Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van Amsterdam, is die
voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24 Nov.)
Zutfen genomen; 25-27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden
omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf
in beweging gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is
voortgerukt naar Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor
ontruimd was, en waar dus de tenzelven dage ingerukte Russen van
Narischkin en de 29 Nov. aangekomen Hollanders, afgezonden door
Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.
[71] Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).
Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen
_op Nederlandsch grondgebied_ de aanleidende oorzaak van den opstand
zijn geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov.
in den Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te
Amsterdam het vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek
der Fransche ambtenaren. Beide waren uitgelokt door de begin November
aangevangen algemeene vlucht der Franschen uit Noordwest-Duitschland,
die ook de Franschen in Nederland demoraliseerde en hen de wijk
deed nemen in de richting op Utrecht-Gorkum-Breda, de verzekerde
verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk. Daarbuiten bleven
alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden, Deventer,
Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden
legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar
daarom kan men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische,
nimmer van Russische zijde gedaan is) van de »verovering" van
Holland. Toen de wapenfeiten voorvielen, die dan de »verovering"
zouden moeten uitmaken, bevond zich in het hart des lands sinds lang
geen vijand meer, en was daar integendeel een bestuur gevestigd dat
de »veroveraars", soms met sterken aandrang, overtuigen moest dat zij
veilig binnen konden rukken.[72]
* * * * *
_Surtout si ce changement pouvait s'opérer conformément au voeu de
la nation_ (hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan
kon vóór het uitbreken van den opstand zelf niets zekers blijken.
Gedachtenwisseling omtrent den regeeringsvorm heeft er na 18 Mei
tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats gehad, maar dat
Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou blijken
de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen
gezant Jacobi, aan wien hij te kennen gaf »que les défauts et
inconvéniens de l'ancienne constitution feraient désirer d'établir
les changemens requis pour donner plus de force et d'énergie à la
marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme devrait être
plus monarchique" (1 Nov.)[73]. Er was geen gevaar dat de Engelsche
regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door
het volk in den weg zou leggen. »If the Nation call the Prince of
Orange to the Sovereignty," oordeelde ook Lord Malmesbury, »it would
be the height of folly to reject it"[74].
[72] Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in _Gedenkboek_ I 70 vv.,
benevens de inleiding op het 3de stuk van _Gedenkstukken_ VI.
[73] _Gedenkstukken_ VI, 1949.
[74] _Ontstaan_ I, 22.
Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag
gelegd heeft en die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal
komen, verdient het vermelding dat aan de waarschijnlijkheid eener
uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen in Engeland zeer
sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich herinnerd
zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking
had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige
Engelsche regeering) in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen,
toen hij in zijn opeisching aan Story den Prins van Oranje diens
»souverain légitime" genoemd had.[75] Lord Grenville schreef
waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij er
in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten
varen toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken
volkswensch in Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat
de Souvereine Vorst aan de notabelenvergadering een soort excuus zou
maken voor zijn onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit,[76] een
denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd. Toen in de _London Gazette_
van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty een credentiaal
had ontvangen bij de regeering _van den Souvereinen Vorst_, werden
er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het
Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt,
waaruit echter meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de
Engelsche regeering spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der
Nederlandsche verhoudingen van 1813.[77] Alle _bona fide_ twijfel
had opgehouden na de gebeurtenis van 2 December.
[75] _Gedenkstukken_ III, 393; vgl. _Ontstaan_ I, bl. XXXVII en 20.
[76] _Ontstaan_ I, 65.
[77] _Ontstaan_ I, bl. LVII vv.
In Duitschland voelde zich Niebuhr geroepen tot voorlichting van den
Prins en van het Nederlandsche volk.[78] Na het onbeantwoord blijven
van zijn aanbod aan zijn koning om als staatkundig adviseur een
Pruisisch leger naar Holland te vergezellen, trok hij zich op zijn
studeerkamer terug en schreef daar eene constitutie voor het herboren
Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is begonnen in de
laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de auteur
van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel
beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek,
verheft daarbij den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem
nergens boven dezen; te zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder
sterk is het federalistisch karakter van Niebuhr's ontwerp: het
recht, de waterstaat, de religie (!), de universiteiten zullen
provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal. Terwijl
Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de
souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft
(doch corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat
Niebuhr's zoon in 1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven
is »auf Veranlassung des hochseligen Königs Wilhelm I"; alleen
had deze, op een hem door zijn moeder overgebrachte, vage
dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in even vage
termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield, maar
niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken.[79] Prinses
Willemijn heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht,
waar de Souvereine Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen
invloed van Niebuhr's tekst op 's Vorsten eigen deelneming aan het
constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en noch aan de commissie
als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is die
tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat _naast_ de Nederlandsche
werkelijkheid; daarentegen _in_ Niebuhr's ideeënwereld, die op
zichzelf belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de
studie voor zijn _Römische Geschichte_, waarvan de eerste deelen
verschenen waren in 1811 en 1812, en waarin opmerkelijke voorliefde
voor aristocratische instellingen is uitgedrukt en even groote afkeer
van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp onthoudt Nederland wat
het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der nationale eenheid
langs den toen eenig mogelijken weg van sterke vorstenmacht. Zijn
invoering zou niet de waarborg maar het graf der Nederlandsche
vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot
slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte
gewoonten.
[78] _Ontstaan_ I, bl. XIX vv. (bespreking) en _Ged_. VI, 1902 vv.
(tekst).
[79] _Gedenkstukken_ VI, 1881.
II.
DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE NEDERLANDEN AAN DEN
PRINS.
21 Nov. 1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde
Nederlanden door van der Duyn van Maasdam en G. K.
van Hogendorp, in naam van den prins van Oranje.
30 » » Terugkomst van den prins.
1 Dec. » Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en
Fannius Scholten.
2 » » Aanneming der souvereiniteit.
6 » » Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het grondgebied,
zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was. Zoude het met hare
instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier hetzelfde plaats vinden, als
in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de gewrochten der revolutie onder
den voet werden gehaald, waar inderdaad eene restauratie tot stand kwam?
Zoo er hier te lande geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de
prins behoorde niet onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin.
Hoezeer geen van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd
kon gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude
republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de kracht
had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene wijze te
bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het verderf
van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het bestuur der
buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf eenheid in de
beschikking over het krijgswezen en in de financiën. Zoowel het een als
het ander had in de oude republiek ontbroken; noch de Staten-Generaal,
noch de Stadhouder hadden daarvoor de voldoende macht ter hunner
beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek zeer
uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich herinnert,
wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was. Erfstadhouder
van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van de unie,
opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de Oost- en
West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland, eenige edele van
Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling der regenten van vele
steden, in 't bezit van eene menigte heerlijkheden, kon hij door dit
alles een grooten invloed uitoefenen op het staatsbestuur, te meer omdat
hij, wat hij dan ook hier te lande rechtens mocht wezen, in de oogen
der menigte in waarheid de vorst was, en dit vorstelijk prestige in
menig opzicht aanvulde, wat hem aan wettelijke macht ontbrak. Toch,
hoe schitterend en uitstekend ook de plaats was, die de stadhouder in
ons vaderland innam, zijne macht ging niet zoover, om tegenover het
buitenland met voldoende kracht te kunnen optreden. De hoogste macht
van het bondgenootschap bleef niettegenstaande dit alles gevestigd
in de Staten-Generaal. En wat de stadhouder niet kon, daartoe waren
zij evenmin in staat. Zij konden de algemeene regeering van het
bondgenootschap niet naar eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk
waren van de Staten der gewesten, die op hunne beurt weder te rade
moesten gaan met de stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen
als voor het uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware
de wet konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand--en
niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude de
behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de denkbeelden te
volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie van 1795 opgestelde
memorie ontwikkeld had[80]? Door het oppergezag van den staat toe te
vertrouwen aan eene vergadering, bestaande uit leden, hoewel gekozen
door de staten der provinciën, toch vrij in het uitbrengen hunner stem,
eene vergadering met voldoende macht bekleed om over de middelen der
defensie te kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas;
eene vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden
kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een hooggerechtshof in
staat was zoowel de verdragen als de verdere besluiten te doen nakomen
binnen's lands? Een staatsregeling waarin, welke hooge positie Hogendorp
ook aan den stadhouder wilde toekennen, toch het republikeinsch karakter
bewaard bleef?
[80] _Br. en Ged._ III, 87.
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in hunnen
afkeer van de republikeinsche instellingen waren de oppermachtige
geallieerden geestverwanten van den overwonnen keizer. Wat de engelsche
minister van buitenlandsche zaken in de eerste dagen van November 1813
aan den prins zeide[81], dat de regeeringsvorm meer monarchaal moest
zijn, dat was de zienswijze van al de mogendheden, van wier wil het
lot van Europa in die dagen afhing. Allen in merg en been monarchaal en
niet gezind in hun eigen land hun eenhoofdig gezag te laten beperken.
Eene herstelling van iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn,
alsof wij hunne volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal
gezag niet vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm[82]. En wat met het oog
op het buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook
hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813 niet
meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den aanvang der
revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het bij hem vast,
dat den prins de _hooge overheid_ moest worden opgedragen, een ander
woord voor _souvereiniteit_. Toen Kemper en Fannius Scholten den 1sten
December 1813 te Amsterdam den prins tot souverein uitriepen deden zij
niets anders, dan wat aller wensch en verlangen was. Onregelmatig was
die handeling, en die onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette
niet dat de prins den 2den December 1813 de _souvereiniteit_ aannam en
den 6den December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten
November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van Hogendorp en
van der Duyn aanvaardde.
[81] _Gedenkstukken_ VI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
[82] Van der Palm, _Gedenkschrift_ 81.
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het
feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd, hebben
vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch Hogendorp
waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat zoude echter
de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang werd daardoor de
Prins absoluut vorst--niets minder dan de keizer aller Russen. Als iets
blijvends werd dit echter voorzeker door niemand bedoeld. Zoo diep kon
men niet gedaald zijn, dat men eene door niets beperkte monarchale macht
anders zoude hebben willen dulden, dan als iets voor korten tijd, voor
zoover dit voor den tijd van overgang tot eene geregelde orde van
zaken noodzakelijk was. Maar wat was dan het blijvend karakter van de
opdracht der souvereiniteit? Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid
of Zijne Doorluchtige Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd?
Dat zijn wapen nu werd gekroond met een koninklijke kroon[83]? Dat de
Nederlanders zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer
zoude zijn de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem
zoude staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte
aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor het
overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen antwoord
op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn? Bondstaat of
eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat, wanneer er
verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit juist in dit
punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met Fannius Scholten
den 1sten December 1813 uitgevaardigde proclamatie zeer duidelijk
uitkomen, dat er ook in andere opzichten geene restauratie zoude plaats
hebben. Waar hij echter zeide, dat de Prins als Willem de Eerste
souvereine vorst zoude zijn »van het vrije Nederland," daar was de Prins
in zijne waarschijnlijk onder Hogendorps invloed opgestelde proclamatie
van 6 Dec. 1813 de souvereine vorst »der Vereenigde Nederlanden."
[83] Besluit van 14 Jan. 1814 (_Staatsblad_, no. 9, art. 1 en 10).
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen van
staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de
beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor zoover
zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot hun volle
recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht worden in de niet
alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook door den souvereinen
vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige restauratie van het oude
onmogelijk was, nu het republikeinsch karakter plaats maakte voor het
eenhoofdig gezag, nu daardoor de noodzakelijkheid eener diep ingrijpende
verandering erkend was, moest men wel zijne toevlucht nemen tot het
ontwerpen en vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar
1813 zich niet losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid
van Noord-Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men
bleef ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den
staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet, die de
grond van alles was.
* * * * *
In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de
plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren.
Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het
begrip van het vervolg ontbreken.
Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is _het_
feit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan
Tellegen heeft beproefd.
* * * * *
Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden
gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van
anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in
1813; waarom eerst toen en niet eer?
Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds
lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje
af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien
tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den
opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit,
maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der
Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit
particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het
verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in
het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke
verhouding tot het huis van Oranje.
De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd
raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige
staat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen
naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het
Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins
was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.
Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op
de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een
rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd
bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten
Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst
geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie
kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest
integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.
Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als
maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven;
het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger
waardigheid.
Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt
niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het
herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen
oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het
wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den
naam daarvan.
De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij
werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in
den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. _The world's great
patriot_ is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem
diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De
wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn
kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd
zij.
Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is
geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds
op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na
zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een
Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand
uit om den »Prins van Friesland", zooals men hem noemt, te zien.[84]
De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van
Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De
Prins van Friesland wordt de Prins, _tout court_. Maar het staat
te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het
oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het
stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maar het is
de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den
schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van
eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere
klasse en behoudt nog slechts die der heffe.
[84] _Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap_, XXXI, 111.
En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der
tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al
wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van
Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde
onherroepelijk tot het verleden. Het »eiland" Holland[85] was tot
zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toen Leicester de
generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring
van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning
had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der
zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai,
zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het
won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen
bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland,
maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van
het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele
gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw,
tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van
Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans
was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de
deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de
leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht
niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend
moesten worden.
[85] Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland
van te maken: _Maximen van Holland_, 362.
Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een
ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje
aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der
patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij
representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap,
valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786
in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als
erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het
huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke
regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld
worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der
Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst
van de Franschen afgezien.
Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van
Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken
haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de
inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel,
de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen
hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche
revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst
openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen
waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche
staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.[86] Er is geen
bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het,
Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning,
heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens
hoofd onder de valbijl komt.[87] Een woord dat toont hoe weinig hij
verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie
tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had
daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan
copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in
den hoek gesmeten voorbeeld.
[86] _Gedenkstukken_, I, 23, 28.
[87] _Gedenkstukken_, II, 949.
In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder
den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af,
die in 1795 hebben beslist.
Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het
wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang
verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne
behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden
beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere
reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een
paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven
over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der
verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar
opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie.
Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche
Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen,
koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had
en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op,
waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben
gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was
toen te verkiezen boven in het geheel geene.
Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche
staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig
Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de
stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt
heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der
provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging
en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding
van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de
vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;--alle punten
dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook
nimmermeer is afgeweken[88], waren reeds door de eerste Nationale
Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de
onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;--en een
machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd,
dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen
eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had
moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had
men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam
was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar
schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het
operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni
een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek
gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid
bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie
werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel
beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de
werkelijkheid te doen overgaan.
In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der
Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer
ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld
bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan[89].
[88] Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers
(staatsregeling van 1801).
[89] Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst
(geboren Franschman) het zeer juist uitdrukt: »L'on désire que le
rétablissement de la maison d'Orange ne se fasse qu'à des conditions qui
préviennent une réaction politique" (_Gedenkstukken_ III, 419).
De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede.
Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver
overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het
Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had:
elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien
wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het
natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel.
Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden,
die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren
bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over
dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke
geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten.
Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst;
maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen
inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale
opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel
meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig
van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek
reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had
tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel
voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der
revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der
uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats
van een oppermachtig »volk", wenschte men, in het belang van de
bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur.
Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland
heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te
dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt
hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de
elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de
bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der
in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het
afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde
was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een
zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire
personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie
zal zoo worden »genationaliseerd", een woord dat in de staatkundige
programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene
contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke
reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin,
kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd
te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met
de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige
concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen
terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de
departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten
zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder
richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis
van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een
schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een
brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden
wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.[90]
[90] Hiervóór, bl. 21.
Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij
op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de
mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na
een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan
actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden
tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die
hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het
verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het
onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde
bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek
(generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën,
admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert
1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De
begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder
dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen,
voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen
vorderde[91]. Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals
Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen
deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op;
zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering
waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het
Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering
ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde
schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere
provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte
als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn
oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu
middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze
hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door
provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en
Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het
met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij
gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht
niet passenden titel van Raadpensionaris.
[91] _Gedenkstukken_ IV, 473-'74.
De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der
Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van
belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand
gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren.
Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en
zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er
kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de
nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen
jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland
zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe
is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle
havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze
verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over
was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het
landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een
bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde
van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet
gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en
moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg,
dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden
worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een
zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in
het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut:
douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij
zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder
Lodewijk.
Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche
volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk
beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger[92]. Voor
Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den
Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig
overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie.
Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche
couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het
andere schrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare
muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde
het: »empêchez donc la peau de transpirer", roept Lodewijk in wanhoop
uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel
ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een
zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming
van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale
wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland
was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en
neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering
komt mee, en ook de conscriptie.
[92] In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck
werd gedacht, had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons
volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land,
schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten
titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug.
»Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple
s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal.
Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre
président" (_Gedenkstukken_ III, 183).
Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte
moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk
voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek
(adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel,
een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds
ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de
collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost
en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene
wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou
gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de
inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd
regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie-
en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den
publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het
gemoedelijk »besogneeren" onder een pijp tabak had de collegiën der
Republiek overleefd; thans leerde men het »dienstdoen" van den
modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet
op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche
ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer
onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl
treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde
militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die
den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan
arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet
slechts »het volk" moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse,
die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een
remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was
in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen als
garde d'honneur.
Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer
werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als
geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steeds berooid
gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de
koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en
waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich
niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor
vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had
het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche
vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één
zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw
een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging
was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De
hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf,
maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen
te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij
honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting
te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in
de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en
naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had
hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men
maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het
derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in
1810[93]. De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad
en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men
schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door
de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd.
Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet
de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden
ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg,
van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men
verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid
werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen
rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld.
Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte,
werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in
bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in
trek als woonkwartieren.
[93] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 336.
Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land
dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in
aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet
zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn
bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook
eenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie
van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke
staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie
dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die
eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar
wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons
een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een
Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van
werd afgebonsd.
Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn
oranje-boven-biljet schrijven: »de oude tijden komen weerom", het
publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den
regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór
1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand
scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf
onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein
ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich
dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal
verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen
bestuurd[94].
[94] _Ontstaan_ I, 57.
* * * * *
Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat _De Wedergeboorte van
Nederland_ heet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913
grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop
hij naar ons oordeel recht heeft.
Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel[95].
Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende,
zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende,
was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam
niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins
en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had
voorspeld »de naderende volksregeering", die men niet moet willen
ophouden, maar door hervormingen den weg banen. »In de tegenwoordige
tijden", schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, »kan geen Regeering
iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der
ingezetenen", en hij wist dat de regeering der Republiek dat
vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet
zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over
gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de
verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen
rol overschiet dan die van »citoyen utile"[96]. Anders dan zijn
standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de
bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking
krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en
wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt
hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met
studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist
hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel
oogenblik, bij zijn _Verklaring aan het Staatsbewind_, wordt hij in
de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd.
Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is
de innerlijke.
[95] _Verspr. Geschr._ V, 239 vv.
[96] _Br. en Ged._ III, 87.
De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van
vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met
minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar
wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet,
maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een
werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van
vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op,
als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt,
dat zij, als maatschappelijk ideaal, den »homme de bien" verruild
heeft voor den »habile homme"; dat zij als regel volgt: »ne parvenir
au coeur que par la voie de l'esprit"; »fonder le bonheur de
l'homme sur l'usage de sa seule raison"[97]. Het gevolg? »Mille
raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme
universel".--»Quelle est _la passion qui s'éveillera_ pour maintenir
le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les
passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple,
rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les
reproches qu'on peut lui faire, celui _du manque absolu de caractère_
est le plus fondé".[98]
[97] _Br. en Ged._ III, 159-160.
[98] _Br. en Ged._ III, 167 (ik cursiveer).
Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder
voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den
ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij
verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende
eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling
van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen
verwonderlijk gelijk gebleven.
In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote
overwinning der geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land
weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den
zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de
veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden
aangebracht. De familietrek met de latere _Schets_ is onmiskenbaar.
Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,[99] heeft de ondervinding
doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit
dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele
betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer
uitsluitend tot de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder
zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur:
financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten
opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen
van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche
zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een
Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten
en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende
macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de
Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering
der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van
Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden)
»het beleid" hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden
gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na
een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of
niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen
ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der
provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de
algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.
[99] _Br. en Ged._ III, 87.
Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten
zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over
de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de
samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke
zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert
Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed
op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale
vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799-1801 blijkt, dat hij
dit denkbeeld thans niet minder aanhing.
Dit stuk van 1799-1801[100] werd opgezet naar aanleiding van de
leiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven
vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van
Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.[101]
Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met
bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans
Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In
plaats van vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in
de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid.
Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constitutiën der
provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale
Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen
ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar
de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op. »De
kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder
onderscheid, te belijden".
[100] _Br. en Ged._ III, 171.--Over de dateering zie _Ontstaan_ I bl.
XXV.
[101] Hiervóór, bl. 18 noot.
Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 de _Verklaring aan het
Staatsbewind_,[102] waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen
zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar,
»alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de
erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden". Voortaan
zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen
zijn »van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten,
maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins,
Regenten en Volk."
[102] _Br. en Ged._ III, 196.
De _Verklaring_ verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking
van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen
al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje
zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe
belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van
Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk
werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden,
door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel
niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en
richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen:
hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met
andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in
de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.
Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe
levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen
groote verliezen had geleden en zich om financieele redenen op
zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te
Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in
1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te
vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn
standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De
oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk
geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der
daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en
de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou
Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben
laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver
van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis[103]. Tot hij zich
overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag
vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden,
en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in
de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, de
_Discours sur l'histoire de la Patrie_[104], zijn onontbeerlijk voor
de kennis van den gedachtengang die de _Schets_ van 1812 beheerscht,
en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag
niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in
het monarchaal verleden[105]. De Republiek wordt als een afwijking
beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der
omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te
bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt
ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche
monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest:
de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een
constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering
stellen; »à tous les bourgeois aisés le droit de nommer au scrutin
ces électeurs..."; »une démocratie tempérée et très limitée à côté
de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme
elle a toujours fait..."; »le pouvoir monarchique, aristocratique,
populaire, sagement combinés..."; het is de _Schets_ zelve van 1812,
die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van
het laatste _Discours_ klinkt als een belofte: »Les Princes d'Orange
n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance
souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa
conviction qu'il y alloit de son propre intérêt. Toute notre
histoire postérieure n'est que le développement de ce principe...."
[103] Zie de extracten uit het dagboek in _Gids_ 1907, I, 305.
[104] _Br. en Ged._ III, 317.
[105] »De Republiek is een groote nieuwigheid geweest" (_Ontstaan_ I,
58).--De _oude voet_, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór
1572. (_Ontstaan_ I, 80, 82).
Er is dus, sedert 1795 en 1799-1801, een heel eind weegs door
Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812[106] de
verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm,
die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. »De natie", schrijft
hij in 1817 ter verklaring, »was door Koning Lodewijk aan een
souvereinen Vorst gewend geraakt"[107]. De natie--niet ook Gijsbert
Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807
bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame
erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe
beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling,
heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het
karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem
ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij
Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn
ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem,
eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de
ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij Gijsbert Karel is
dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de
vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat
hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.
[106] _Schets_ en _Discours_.
[107] _Br. en Ged._ V, 85.
Reeds de eerste redactie van de _Schets_ (1812) heeft het woord
»Koning" en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het
een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk
Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van
Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en
de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd
was[108], reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is
gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer
liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij
zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud
zou luiden: »de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was]
Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden"[109].
[108] _Br. en Ged._ V, 83.
[109] _Ontstaan_ I, 32.
Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij
instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren
titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Als in
het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt
van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning
van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles
gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand
vertoonen kan,[110] gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit
van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: »Leve
Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland
zijn", en als het _Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee_, waarin,
met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is
afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat,
blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters
en assistenten gelijkelijk de kreet op: »de Prins moet onze Koning
zijn"[111].
Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: »de
Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid." Dit houdt verband
met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te
moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene
vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen
tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door
toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering
dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener
inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde
grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou
schenken.
[110] _Ged._ VI, 336, 506, 621.
[111] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.
Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel
mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. »Le Prince est Souverain",
schrijft hij aan Fagel, »on ne sait pas comment, mais tout le monde
le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la
Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même"[112].
[112] _Ontstaan_ I, 17.
Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie,
waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de
aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid
worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog
gezegd, »dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te
moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang
en waardigheid die zijn vader had bekleed; _te meer daar hij dacht
dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam
moest zijn_"[113]. Repelaer antwoordt »dat het alleen met de
waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan het
hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien". Deze bedenking,
vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, »scheen den gewenschten
indruk te weeg te brengen". In den Haag, den 30sten, bleek daarvan
nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in
zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins
»geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook
kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren
de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder
geworden"[114], en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het
vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en
Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te
leggen.
[113] _Ontstaan_ I, 19 (ik cursiveer).
[114] Falck's _Gedenkschriften_, 115.
Is dit nu[115] de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij
zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die
aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als
men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich
niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den
Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit!
De eerste dépêche van Lord Clancarty[116] spreekt niet van een
Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem,
Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten
voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig
Amsterdam, van patriotsche reputatie.
[115] Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin's _Bijdragen_, 2e reeks, X,
100 vv.).
[116] _Ontstaan_ I, 23.
Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den
Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar
het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken
Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet,
in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten
voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan
het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een
einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet
voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren
over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden
toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op
30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent
de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten mede onder zijn,
Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping
moest geschieden te Amsterdam.
Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten
gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te
Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij
berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs
is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend
blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte
fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekende
_Vertraute Briefe_ van Strick van Linschoten is beweerd, een boek
waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de
schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie,
in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie
te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden[117] en zijn boek
schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlanders _en place_,
den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.
[117] Falck's _Gedenkschriften_, 131.
Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en
Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat
Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn
bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):
»Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr
volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zufällig noch da
vorbeigingen, und diese sonderbare Souveränenmacherei mit anhörten.
Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem noch
stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren
Hof zur nämlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch
dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gewöhnlich des
Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine
Proclamatio domestica".[118]
[118] _Vertraute Briefe_ I, 127.
Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den
ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische
officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een
verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn,
Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche
couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's
middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, »unter dem
unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen
jauchzenden Volks".[119]
[119] _Gedenkstukken_ VI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.
En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en
heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling
wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.
De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den
wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te
vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp
als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de
onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.[120] Hij vertrekt
zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek,
flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op
den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: »Neerlands Vorst is
aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet"[121]. Op
den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst
van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf
in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan
het bericht toevoegen, »heeft het volk terstond, op het hooren van de
blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, _Souverein en Vorst der
Vereenigde Nederlanden_ uitgeroepen". Ziehier dus de uitvoering van
Hogendorp's programma: »nous le proclamerons dans le même jour à la
Haye, Amsterdam et Rotterdam", voor zoover die uitroeping van het
Amsterdamsche volk afhing.
[120] _Br. en Ged._ V, 39.
[121] _Br. en Ged._ IV, 372.
Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet
uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht.
Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om
vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting
had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag
waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp
toestak[122]: de »vergeten en vergeven"-proclamatie, het stuk _à tout
usage_, dat het punt der souvereiniteit ontweek.
[122] _Br. en Ged._ V, 39.
De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn
stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van
verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: »den
Haag" (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) »zou
uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan"[123].
Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den
2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.
[123] _Ontstaan_ I, 28.
Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar
Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplaren der door den
Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar,
zonder begeleidend schrijven,[124] op 1 December, 's ochtends
om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf
verwacht,[125] of anders bericht omtrent zijne komst. »Wij zullen,
ook zonder dat ik de intentie kenne", schrijft hierop Canneman aan
Falck, »de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben
doen uitroepen _als Vorst_. De plechtige proclamatie wordt met
ongeduld verwagt." Ik meen deze woorden als volgt te moeten
verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's
Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de
titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk,
gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van
's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te
gebruiken. Verder onderscheidt hij »uitroeping" (bij monde) van
»plechtige proclamatie" (op papier); de laatste had hij uit den
Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De »uitroeping"
daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg,
gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk
van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder
grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had
dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de
been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen
Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen
(eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had
bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.
[124] Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje
was weggegleden (_Ged._ VI, 1779; vgl. Falck's _Brieven_, 2e druk, bl.
196).
[125] Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: »De
Prins komt morgen zelf te Amsterdam" (_Br. en Ged._ IV, 372).
De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle
borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener
»plechtige proclamatie" gebracht toen zij door van der Duyn
vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het
_van hen_ verwachtte. Het was avond;[126] te laat voor het gewone
_Dagblad_-nummer van 2 December.[127] Kemper's uitnemend stuk
verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide
extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel
reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best
mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle
attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door
van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.
[126] _Ged._ VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.
[127] Het _Staatkundig Dagblad_ kwam uit in den namiddag vóór den dag
welks datum het nummer aan het hoofd draagt.
Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad,
dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken
titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de
uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die
uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;--en eerst jaren
later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is
wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden,
met zoo uit aller naam te spreken.
* * * * *
Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige
beslissing met bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en
de souvereiniteit was aangeboden en aanvaard. Dat kon alleen, omdat
beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar diep
werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk
een zegen dat Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet
eerst gedelibereerd is moeten worden in een lijzige vergadering van
Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had,
in 1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad
revolutionnair? Ja, ten volle, wanneer men legitiem zou willen achten
wat vóór 1795 had bestaan;--neen, wanneer men de ontwikkeling sedert
1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal?
Weerom ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel
libertijnen zich ook aangesloten mogen hebben, toch merkbaar het werk
eener kleine calvinistische minderheid is geweest.
Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit
heilrijkste werk van 1813, de uitroeping tot de souvereiniteit, met
eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden. Individuen hadden
het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor,
't zij uit trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na
Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de komst van den Prins juist
voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg
naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.
* * * * *
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's
beschouwingen, in zijn tweede hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij
voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.
Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813
een streven aan om door de oprichting eener monarchie Europa te
believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die in
1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was
(zie Duitschland), zou zich aan de restauratie ten onzent van
bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder
evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der
souvereine kantons in Zwitserland of der vrije steden in Duitschland.
Het stuk van Niebuhr is dunkt mij in dit opzicht leerzaam genoeg.
Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest
maar een deugd. De Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een
Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat geworden was door
zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van
een Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens
een Russische geschiedenis van eeuwen, niet te Amsterdam door het
bedrukken van een stukje papier. »Absolute" vorsten plegen zich ook
niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te
verontschuldigen, zooals de Prins het in het stuk van 2 December
doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan de wenschen
der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen
voortkomen uit deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en
gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut noodige: de zorg voor de
verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een
snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit,
een oogenblik worden opgehouden.
Het _constitutioneele_ koningschap is in de beide proclamatiën geen
bijlapsel, waarin men in 's hemelsnaam om consideratiën maar berust:
het is haar inhoud zelf, en het »zoo diep kon men niet gedaald zijn"
had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December
reeds kondigt de aanbieding eener grondwet aan »binnen weinige
weken".
Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht,
verrijst enkel uit de omstandigheid, dat hij een beperkt aantal
officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun tekst gaat
voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen
die er achter ligt. Dat gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan
toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij tegenover Kemper
stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De
na Molitor's aftocht ten ontijde herleefde »provincie" Utrecht om
hals brengen en haar Statencollege casseeren: tot de invoering der
grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert
1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der
Zuiderzee[128].
[128] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck's _Brieven_, 201.
Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in
wat er van kwam. De oude Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de
bestaande bestuursinrichting daarentegen springlevend. Zij had overal
den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren weggeloopen
en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2
December precies even goed overeind als 15 November. Voor »Keizer"
las men eerst »Algemeen Bestuur", vervolgens »Souvereine Vorst",
voor minister »commissaris-generaal", voor prefect eveneens
»commissaris-generaal", voor onderprefect »commissaris", voor maire
»president der provisioneele regeering"; voor Empire français
»Vereenigde Nederlanden".
De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door
Falck, en doet niets dan den naam van den Staat overnemen zooals hij
sedert 21 November in dagelijksch gebruik is. Na het nachttafereel
van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend,
dat het volk den Prins heeft uitgeroepen tot »Souverein en Vorst der
Vereenigde Nederlanden", en zij hebben voorzeker geen bondsstaat
gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December »Nederland" schrijft
is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen
naam, terwijl de algemeenheid de overbrenging van den historischen
naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het verschil, en ik
cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term
»Nederlanden" sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt;
evenmin als de term »Staten-Generaal" in Hogendorp's _Schets_ een
congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor
1795 had bestaan: »de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele
Nederlandsche Volk"[129].
[129] _Ontstaan_ I, 5 (art. 21 der _Schets_).
III.
DE SAMENSTELLING DER GRONDWET.
21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.
27 » » Eerste bijeenkomst der commissie.
14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.
1 Maart » Ontwerp der grondwet vastgesteld, en
2 » » aangeboden aan den souvereinen vorst.
2 » » Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.
28 » » Samenkomst der notabelen.
29 » » Aanneming der grondwet door de notabelen.
30 » » Beëediging der grondwet door--en inhuldiging van den
souvereinen vorst.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer onafhankelijkheid: de
Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne onderdanen volgens eene
grondwet regeeren. Hogendorps schets eener grondwet voor de Vereenigde
Nederlanden lag gereed. Zij droeg volgens den souvereinen vorst de
blijken van 's mans »loffelijken ijver en liberale denkwijze"[130].
Waarom dan niet de knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd,
hetzij ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan
wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne onderdanen
met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn onbeperkte
macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om het modewoord dier
dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt kon doen, was daarom
nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst. Wanneer deze zich op het
beginsel der legitimiteit zoude beroepen, zoude hij het daarmede nooit
verder hebben kunnen brengen dan tot zijne optreding als erfstadhouder,
als Willem VI. Dat hij als souvereine vorst, als Willem I optrad, was
geene voortzetting van den ouden rechtstoestand, was de aanvang eener
nieuwe orde van zaken. Was men nu al om den nood van het oogenblik
over de onwettige, of wil men liever onregelmatige wijze, waarop
de souvereiniteit was opgedragen, heengestapt, toch was ieder het
eens[131], dat er nog iets anders noodig was om het feit wettig te doen
worden. Welke weg was daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd
het goed recht van den regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de
souvereiniteit van den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
[130] Besluit van 21 December 1813 (_Ontstaan_ I, 37).
[131] Aanmerkingen van Falck op van der Palms _Gedenkschrift_, in _G. K.
v. Hogendorp in 1813_, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten gevolge
van eene bedenking van Falck het woord _wettiglijk_, daar waar hij sprak
van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook nog
in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog in leven
waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener grondwet vragen.
Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp zelf had reeds in
de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken, dat ook notabele
ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het groote werk moesten
medewerken[132]. Ook hij begreep, en met hem de souvereine vorst, dat
de stem der natie moest gehoord worden, en alleen daardoor een vaste
grond voor de constitutie kon worden gelegd.
[132] _G. K. van Hogendorp in 1813_, blz. 100.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne komst hier
te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie, waaraan de
samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd opgedragen, terwijl
tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie gemaakte ontwerp
aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele natie zoude worden
onderworpen om door hen als algemeene staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R. Metelerkamp,
oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen genomen, doch zij
werd den 29sten December 1814 nog met éen lid aangevuld[133]. Wanneer,
zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een overwegende invloed op de keuze
van de leden dier commissie heeft uitgeoefend, dan moet men wel de vraag
doen, of het hem wel ernst is geweest met zijne uitingen in den aanvang
der revolutie over de verbroedering der partijen gedaan[134]. Onder
de 15 leden waren er toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering
waren geweest. Zeven van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van
Maasdam, T. C. van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van
Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll van
Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten, welke door
adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en Humalda hadden
als gekozen edelen gezeten in de Staten van Friesland, Heerdt had als
lid van de ridderschap deel uitgemaakt van de Staten van Overijsel;
evenals Schimmelpenninck van die van Gelderland, van der Duyn van die
van Holland; van Lynden van Blitterswijk, een geldersch edelman, had
van 1778 tot 1795 den stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele
van Zeeland vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog
zeer jongen van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in
hoogere betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden,
Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der
republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795
voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en tevens
kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne vlucht uit het
vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de commissie zes anderen,
genomen uit den kring der stedelijke regenten: Mr. G. K. van Hogendorp,
pensionaris van Rotterdam; Mr. W. F. Röell, pensionaris van Amsterdam,
O. Repelaer, raad van Dordrecht en bij den inval der Franschen
in buitengewone zending te Parijs, G. W. van Imhoff, lid der
Staten-Generaal voor Groningen, Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel,
en eindelijk A. J. C. Lampsins, gesproten uit een Vlissingsche
regeeringsfamilie. Er bleven dus twee leden over, die noch tot dezen,
noch tot genen kring behoorden; twee, die de revolutie van 1795 als
hunne moeder behoorden te beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J.
Hondebeek Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van
het gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral
de keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene
patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader[135], door de
revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den Haag,
wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in hetzelfde jaar
1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland
benoemd, om den lande verder in allerlei betrekkingen onder alle
wisseling van regeeringsvorm te blijven dienen. Hij is als minister
van justitie een dienaar van koning Lodewijk, en als president van het
gerechtshof in den Haag in dienst des keizers[136]. Hij blijft den
keizer trouw ook in de dagen van November, en weigert aan Hogendorp
alle medewerking[137]. Aan wien, zou men vragen, had dan die man der
revolutie, had die keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der
commissie te danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in
den geest van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine
vorst was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen
der oud-regenten[138]. Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook
Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne Schets
eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld[139]. Wat mocht
Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden, dat ook de
souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van Maanen was evenals
alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking bevestigd; hij was
als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op de justitie
belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die tevens als
rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die commissie meende niet
te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden moge geweest zijn, dit is
zeker, dat zijn optreden als lid der commissie van grooten invloed
is geweest op de samenstelling der grondwet. En Heerkens dan? Hij
werd gekozen noch om zijne beginselen, noch om zijne talenten. In den
aanvang had men met zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar
zijne familie in Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie
voor het departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de
commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer welgevallig
vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat Heerkens, die door
een toeval te Venlo geboren was, wel aan de generaliteitslanden kon
worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter was het de bedoeling
om naast de overigen--allen leden der vroegere staatskerk--een
Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het ontwerpen der
grondwet[140]. Ook Heerkens schijnt zijne roeping aldus te hebben
opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814) eerst deel aan de
beraadslagingen der commissie, toen het stuk van den godsdienst ter
sprake was gekomen[141]. Hij maakte het echter nog beter dan het lid
Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat er van eenige wettige
verhindering blijkt, geene enkele van de vergaderingen der commissie
bijwoonde. De commissie heeft dus in werkelijkheid slechts bestaan uit
14 leden, een even getal, waarvan staking van stemmen het gevolg kon
zijn, en ook inderdaad het gevolg is geweest.
[133] Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W. van Aylva
(Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de Maas), Mr. C.
T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den IJsel), Mr. D. J.
Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de Generaliteitslanden),
Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas), Aebinga van Humalda
(Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de Schelde), W. C. H. van
Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van Maanen (Monden
van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. Röell (Zuiderzee),
W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R. van Tuyll van
Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff (Wester-Eems).
[134] Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: »Nous appellerons dans ce
gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce que tout esprit
de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes
appellent le même souverain." (_Br. en Ged._ IV, 263).
[135] Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in den Hove
van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
[136] Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij
de tolk van de _sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération
et d'amour_, die de leden van het gerechtshof bezielden voor _le père
de la patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur_
(Aanspraak van van Maanen, geplaatst in den _Courrier d'Amsterdam_ van
1811, no. 305).
[137] _Br. en Ged._ V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was
opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van
Hogendorp. »Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand,
onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den
2den."
[138] De Bosch Kemper, _Staatk. Geschiedenis tot 1830_, blz. 405.
[139] Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van
Soeterwoude.
[140] Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (_Brieven_, 2e ed., blz.
201).
[141] In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan. 1814 komt in
een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende kennisgeving van de
oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo spoedig mogelijk,
de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de _Schets_ over de
Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De beraadslaging
werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het algemeen? Of ging
het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van Maandag den 27sten
December 1813 de leden het huis van Hogendorp op den Kneuterdijk
binnentraden? Want te zijnen huize werden de vergaderingen gehouden,
eene omstandigheid, die zich door 's mans podagra[142] wellicht laat
verklaren. Immers de tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de
ontwerper der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen
vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar.
Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen tot
president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie blijk
van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed te
arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke vergadering
uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk afgesmeekt, een
zegen te verwachten om den wille van Jezus Christus, Gods Zoon[143].
[142] Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een brief aan
H. Fagel over dien lastigen bezoeker (_G. K. v. Hogendorp in 1813_,
blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty:
»M. de Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez
lui la constitution à une heure après midi" (_Correspondence of
Lord Castlereagh_, IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet
van 1815 vergaderde om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
[143] _Ontstaan_ I, 77.
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid geplaatst
te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten December tot den
21sten Januari kwam de commissie, met uitzondering der Zondagen, bijna
dagelijks te zamen; toen ging zij voor eenige dagen tot 28 Januari
uiteen, om de denkbeelden der leden over de verhouding van den staat
tot de kerkgenootschappen tot meerdere rijpheid te doen komen. Van
28 Januari tot 11 Februari werden de beraadslagingen weder dagelijks
voortgezet en ten slotte ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie
van redactie, bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en Röell, de
formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden opgedragen.[144]
De souvereine vorst, die van den aanvang af op menig punt van zijne
wenschen had doen blijken, deed ook bij deze formuleering zijnen invloed
gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne consideratiën gewijzigd, werd
eindelijk in de vergadering van 28 Februari 1814 gedrukt[145] ter tafel
gebracht, om, nogmaals herzien en gewijzigd[146], den 1sten Maart 1814
vastgesteld, en den 2den Maart door de commissie in persoon aan den
souvereinen vorst aangeboden te worden. Wie er belang in stelt bekend te
worden met hetgeen in de werkplaats der commissie voorviel, dient niet
onkundig te worden gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit
harer benoeming was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen
van Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende,
als een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste
bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit stuk,
onder den titel: »_Algemeene gronden van de Constitutie_", en daarbij
een toelichtende memorie, onder den titel: »_Aanmerkingen op het ontwerp
eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden_"[147]. De analy
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/33640