It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
by Johannes Hilarides · Dutch · Gutenberg #33563 · 713,659 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: It aade Friesche Terp; of, Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
Author: Johannes Hilarides
Editor: Jacob van Leeuwen
Release date: August 28, 2010 [eBook #33563]
Most recently updated: January 6, 2023
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/33563
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg. (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Print project.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP; OF, KRONYK DER GESCHIEDENISSEN VAN DE VRYE FRIESEN ***
IT AADE FRIESCHE TERP
of
Kronyk
der Geschiedenissen van de
Vrye Friesen:
met
Bijvoegsels en Aanteekeningen.
van
J. van Leeuwen,
Griffier van de Regtbank te Leeuwarden.
te Leeuwarden, bij
J. Proost.
1834.
VOORBERIGT.
In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven de eerste druk dezer
Kronijk ander den titel:
IT AADE FRIESCHE TERP,
Vertoonende
DE FRYE FRIESEN,
in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering,
Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver
voor de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek.
In 't gemeen bij een gehoopt,
Voor de Liefhebbers der Vryheit.
Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte
en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743,
getiteld: It aade Friesche Terp, of Kronyk der Geschiedenissen van de
Vrye Friesen, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van Willem
Karel Hendrik Friso. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht
verschenen de eerste te 's Gravenhage 1746 en de laatste te Leeuwarden
bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden vermeld en,
uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn als die
van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel aanmerkelijk
vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, tot Friesland
en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk niet zijn
vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van dien tijd
zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op den titel
zelven geplaatst, was het gezegde van Aeneas Silvius of Paus Pius II:
Een Fries weigert niet voor de Vrijheid zelfs in de dood te gaan.
Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en wonderen
uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt verhaal
van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende Friesche
Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of Opstellers
zijn geweest is mij niet gebleken.
Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, komende
de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar Proost
alhier eene nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen,
en er tevens zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen,
als voor de beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder
over de XV eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan
dit verzoek voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in
deze Uitgave getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de
ongelijkheid in de spelling, en de te groote afwijking hier en daar
in de taal wat te verbeteren.
Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere schriften
heb ik voor de Bijvoegsels en Aantekeningen, daaruit overgenomen of
kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk belangrijk toescheen
en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als een hoofddoel van
dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden tot eigen onderzoek
en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al de Schrijvers en
Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de uitvoeriger
behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis beter wordt
voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van nut te zijn,
ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik niet.
Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en
geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd,
en mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo
weinig gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn
onderzocht en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken;
dat geen Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter
harte heeft genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend gebleven,
bij anderen opzettelijk is achterwege gelaten; en dat men te ver
is gegaan om door het Werk van Ubbo Emmius, die als de Feniks aller
Geschiedschrijvers, gelijk Dousa hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands
Historie voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek
in het werk heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige
hulpmiddelen en bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt
hooggeschatten Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen,
daartoe is mijne kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander
van de leer der oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd
worden; maar het is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt
onvoorwaardelijk het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen
overweging en grondig onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En
dit is niet mijn oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt;
maar vele geleerde en schrandere mannen, zoo als: v. Schwartzenberg,
Ypeij, Visser, Amersfoordt, Westendorp, v. Halmael en anderen, die de
Friesche Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde
beweerd, tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang
heeft bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest
van de vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en
waarderen, zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving,
naar den geest en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins
wenschelijk ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne
pogingen in het werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling,
aanmoediging en ondersteuning, ook bij den Heere Staatsraad,
Gouverneur en Gedeputeerde Staten van dit Gewest, heeft gevonden,
tot stand trachten te brengen, dan door omstandigheden, geheel van
mij onafhankelijk, is hetzelve onvolvoerd gebleven [4]. Een gelijk
lot heeft een tweede Ontwerp van den Heer van Halmael en mij, tot
de Uitgave van een Geslacht- en Wapenboek van den Adel in Friesland,
een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, moeten ondergaan. Ik
heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene Uitgaven op eene
andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten kan, laat ik het
nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de Geschiedenis,
ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de Nakomelingschap
hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een beter gevolg
in de erkende behoefte [5] en den algemeenen wensch van hen, die de
wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien.
Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den
Potestaat Wiarda te Goutum, thans het eigendom van en bewoond
door de Familie v. Cammingha, welke met Martena-State te Cornjum,
bijna de eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht,
nog de algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins
te Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama
te Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia
te Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd,
in eene puinhoop verkeeren.
Den 11 Junij 1834.
J. van Leeuwen.
FRIESCHE KRONYK.
Friesland, een van de zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde,
legt aan de noordooster zyde van de Zuiderzee en Fliestroom, die het
van Westfriesland afscheid: aan 't noordwesten word het bedekt van de
Wadden, tusschen de Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling,
Ameland en Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van
de Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en
het Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar
met de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden.
Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt,
als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs
vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant
en de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom,
die het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel,
Gelderland, tot het Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne grenzen.
Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by
lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne
vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van
Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben. [6]
Dat is van 't Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons schryven zal
zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als hier na volgt.
De Heeren, onder welks Gebied de
Friesen van tyd tot tyd
geweest zyn.
I. ONDER ZEVEN PRINSEN. [7]
Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren wierd, was de tyd dat
Frieso, de eerste Prins van Friesland, en Voorganger der Stichters,
door welke dit ons Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam:
dat zich dusdaniger wyze heeft toegedragen.
Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van zyn
jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van veele
volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis hielden;
om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen te
helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van de
voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) de minsten
niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die voorige verheerde
[8] volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de handen ruim kregen,
vreesden dat het hun t'eeniger tyd mogte gewrooken worden: zy maaken
derhalve een besluit, om met malkanderen, naar de wyze van dien tyd,
een veiliger land tot hun wooninge op te zoeken. Hunne Geleiders waren
Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid gebroeders gezegt, en eigentlyk
zo genaamt, of naar den volksnaam van hunne landslieden zo bekent:
welker eerste Persiaanen, en de andere hun gebuuren, uit de woestyn,
die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen genoemt zyn; om datze van ouds,
allen die naar 't Oosten woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des
zij tot hunnen sleep [9] een vloot van 300 zeilen toetakelden, en
staken 'er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen
Asia, gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende,
door verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na
veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54
stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen,
en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke
de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende,
hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word,
aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle
zee voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een
kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam
gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen
bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die
naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de
zomer hoogde, [10] kwamen de Swaaven, die hier 's zomers huis hielden
en 's winters landwaards in weeken, om de overwateringen van de zwaare
stormen: want het land was doe noch met geen dyken omheinigt. Deze,
om datze ruuwe en onervaarene krygslieden waren, zyn ligtelyk van
de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel hier nu door goede
beschansingen gevestigt hadden.
Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte
des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft
gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat
haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden
hy zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de
Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de bosschen
der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te houden. Hette
verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in Duitschland,
dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word.
In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso's zoonen,
de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het
naderhand, naar zynen naam genoemt is: en kreeg tot een huwelyksgoed,
het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt.
In den jaare 300, wanneer 'er verschil onder de Veehoeders ontstond,
zyn de Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op de Elve
aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu Noordballingen is,
nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van Saxen en Sassen.
Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was,
met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen
afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen
van hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar
huizen laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en
met dorpen en buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en
eenigheid des volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame
beveelen aankundigen.
En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het
oude Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen,
beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw veld
[11]. Gelijk die Plompen noch hedendaags in 't Wapen van Groningen
te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar nu 3 Herten van
maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten toe.
In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk
in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke
Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven.
Aanstonds is Adel, zijn oudste zoon, in 's Vaders plaatze gevolgt:
die zyne nagelaatene wetten bevestigt, vermeerdert, en in schrift
gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de bequaamheid der gemoederen
te onderzoeken, dat 'er alomme gasteryen en drinkgelagen wierden
gehouden, daar men malkanderen in 't omdrinken, met het geeven van de
regterhand, zoude kussen of zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt
op zyn plat Fries. In de gasteryen deed hy de geregten by malkander
in een grooten Schotel leggen, en belaste dat men uit een grooten
Hoorn zoude omdrinken. Waar van wy noch zeggen, de Friesche Pateele,
en de Friesche Hoorn, en by zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde
Swebyne, de dochter van den Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn
rechtvaardigheid, is hy by zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard
geworden, dat alle, die wel regeerden, daar van Adelingen, en van
Adel gezegt wierden. Welke benaamingen tot op den huidigen dag zyn
overgebleven.
Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen den aanval der Deenen te bevryden,
zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, en
Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met
Signe, Dochter des Konings der Finnen.
En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit bemerkende,
heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, nevens veele
van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit Finland
wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na met de
dood moest bekoopen.
In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, naar
't land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen gezonden,
op dat hy 't met volk zoude beplanten.
In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde,
heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy
van Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen
wierd. Die daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert;
zynde zulks van de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het
Flie inzeilende, heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast:
en van daar is hy met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken.
In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk
het Vaderland bestierd hadde, gestorven.
Doe wierd Ubbe tot derde Prins in 's Vaders plaats van de Staaten
des Lands aangenomen.
In den jaare 131, als Ubbe, op 't aanraaden van zyne moeder Swobyne,
zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te versterken,
eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, ter plaatze
daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen eertyds
Ubii geheeten, van deze Ubbe.
In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van
Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw
nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde
de oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt
worden.
In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe,
welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon
van Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met
een hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch
Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene Friesen
[12]. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van Alkmaar, aan een
inham van een arm der Rhyn, die Krabbendam van Kennemerland afscheid,
de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den koophandel wierd. Waar
van hedendaags niets meer te zien is [13].
In den jaare 71 overleed Ubbe; en Azinga Askon, zyn zoon, quam in
zyn plaats: dezelve was een onrustig en eerzuchtig mensch: hy voerde
verscheidene doch ongelukkige oorlogen met den Koning van Tongeren
en de Baatenburgers.
In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den noorder
aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust vervallen, en,
zo men meent, in Friesland aangeland.
Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam
gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar
zy God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse
hielden; om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle
gevaaren. Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een
stok, blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken
hoogen achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke
gelykenisze, het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden.
In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen Overste
Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren overwonnen
hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy jaarlyks
slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren over
den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die
door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van
vergaan verlost.
Als Azinga nu in 't 71ste jaar zyner regeeringe was, is de hoope
Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als onze
Zaligmaker Jezus Christus te Bethlehem, in het Joodsche Land, gebooren
wierd, tot troost van die geene, die dien dag der zaligheid voor
langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze Voorvaderen noch in
een dikke duisternis van onwetenheid gezeten waren.
In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de
Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt,
en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn
wel bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en
veele ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde,
vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl
van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten
zyn bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals 500 mannen;
waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met overwinning en
goeden buit weder gekeert.
In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen
van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in
Friesland gekomen.
Ook is by 't Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme uit
de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam 'er een
groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers een half
uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder gerukt.
In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan,
en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van
Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch
om de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem
alleen maar met verachtelyke woorden gestraft [14], en doe weder na
Friesland gezonden.
In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, Kennemerland
ingenomen.
In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: en zyn Neef Diokarus Seegen
quam in zyn plaats.
In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen
voor de jeugd ingesteld; en in 't byzonder schermschoolen binnen de
Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar 't volk met allen yver driemaal
's weeks wierd onderwezen.
In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, langs
en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te beheerschen;
zynde de Friesen met hun in een goed verbond.
In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der Romeinsche
Overste Holle [15], byna uitgeput waren, alzo hy van hun afeischte
grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden leveren, zo zyn zy
tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde Tolmeester opgehangen,
en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, sterk belegert. Maar,
door den Romeinschen Overste der Duitschers Apronius opgeslagen
zynde [16], hebben nochtans groote overwinninge tegens de Romeinen
gehad: dewelke by de 900 mannen verlooren omtrent het woud Baduhenne;
behalven noch 400 soldaaten, die uit vreeze voor de Friesen malkander
doodsloegen. Waar door Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt
bekomen te hebben.
Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en
dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde
begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was 'er een groote
hongersnood in 't land.
In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient had,
is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon Dibbald Seegen is
de zesde Prins der Friesen geworden. Hy was een goedertierend Vorst
omtrent zyne onderdaanen: maar aan de andere zyde zeer onrustig,
en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich naar 't Roomsche leger in
Engeland begaf, daar hy veele ridderlyke daaden uitvoerde: laatende
Friesland onder 't bestier van een aangestelden Landvoogd.
In dien tyd was 'er in Friesland een kloek Ridder, genaamt Idsert
Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de wandeling
Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte groot, hy
kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, neemende
onder ieder oxel [17] een kaas, omze van 't ligchaam te doen afhouden:
ook droeg hy 2 mannen een halve myl verre op zyne armen: een onbezuist
paard, kon hy met zyn vuist slaan, dat het dood ter aarde viel: en
wanneer hy toornig was, derfde hem geen mensch onder de oogen te komen.
Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen
onvoorziens op 't lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, daar hier
boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, stelde hun
de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men meent de Lek te
zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar nu Holland is.
In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius
grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste
van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is.
In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards
opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed.
In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed
gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken,
ter oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met
de akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van 't Geslachte
van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso
de eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer
groote eerbewyzingen, nevens het burgerrecht van Romen verkreegen,
zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, een der
70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar ook die
leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde Priester der
Druïden, op 't Oude Hof te Lewerden [18], stond hem zeer tegen. Zo
dat hy weinig vrugt in 't land deed, en wierd van de ongeloovigen
dood geslagen.
In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch
keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis.
In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt [19] van de Duitschers,
Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; want Dibbald
lag ziek te bedde.
In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar
Deenemarken, om zyn leed te wreeken.
In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem
zo wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een
teeringziekte verviel.
In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven.
En Tabbe is tot de zevende en laatste Prins van Friesland aangenomen,
dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. Hy was een der voornaamste
van Dibbalds Veldoversten, een wreed en onstuimig man. Waarom hy ook
geheele 7 jaaren onder den Roomschen Keizer Domitianus ten oorlog trok;
laatende Friesland onder een Stadhouder.
In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy
plonderden en veel roof uit haalden. Waar over Tabbe t'huis onboden
zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy ondernam eerst met een goede
vloot, en doe te land, zyn wraak te neemen; maar had weinig voorspoed.
Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der
Druïden op 't oude Hof.
En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven [20].
II. ONDER ZEVEN HERTOGEN.
In het zelve jaar 130 quam Askon in zyn vaders plaats, die zich,
naar de manier der Romeinen, Hertog liet noemen.
Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot Askon:
om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des lands,
na ouder gewoonte te dienen.
In den jaare 155 is 'er weder eene groote vlamme op 't Roode Klif
uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en alzo de
menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor wierden,
vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo antwoorde
hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de Slang. Dat
zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat 'er na eenigen
tyd wel wat kouds op mogt volgen.
In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten
een inval in Frankenland, daar zy 't zeer verwoesten.
In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van
Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men
vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf
nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed
van een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar
na het ook ophield, dat 'er zelf geen water meer in de put bleef. Zo
snakt de Duivel naar menschen bloed.
Askon deed verscheidene fraaije dorpen stichten, als Westerbierum
[21], niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen Almeenum,
dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling [22] en Westerbierum,
die nu beide door de zee verdronken leggen.
In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en
door Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden,
hebben zich eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren,
weder ondergedompelt.
In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke regeeringe,
mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, Tiete,
Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy trouwde,
en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van Westfriesland:
van wien naderhand de Hertogen en Koningen van Westfriesland
voortgesprooten zyn.
Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn's vaders plaatze; en aanstonds
beoorloogde hy zyne nagebuuren.
In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy
zich in goede konsten, en byzonder in die van de welspreekentheid
oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de Philosooph,
wel bemint was.
Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband,
oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk
te hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder
geslagen wierd van Brabo.
In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren,
die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met
hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was,
en zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen.
In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland,
afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne
vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt.
In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen
opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen
afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide
de zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen,
nu Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten
in Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan
de andere zyde van de Eems goede beschansingen hadden, derfden zy
niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van achteren
bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems
overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die 'er goede
buit van maakte.
In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy
zyn broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig
weigerde, doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch
veele jaaren leefde.
Tiete Bojokalus, mogelyk Beukels, was de 3de Hertog van Friesland [23].
In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met groote
voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als binnenslands.
In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene pracht
te Staveren in de groote kerk begraven.
In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme
opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven
gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge
van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen
lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven tot antwoord:
Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee gehaalt,
moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. Zulks
gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg zien,
dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt wordende,
de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden neemen.
In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef Ubbe, zoon van
Richold, Tietes Broeder, is in 't zelve jaar tot 4de Hertog
verkooren. Door dien hy zeer vredelievend was, heeft hy 't
Land met treffelyke gebouwen, sterktens, vestingen, dorpen en
steden verheerlykt. In 't 2de jaar van zyne regeeringe bouwde hy
in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een slot, geevende het
zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of Tietenburg [24]. Het zelve
is nu een stad, maakende met het omleggende gewest het graafschap uit,
voerende beide den naam van Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal
3 Plompen, nevens 2 Ankers, uit het oude Friesche wapen.
In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel,
't welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als
Havenslot; want Dokke, zeggen de Geleerden, is in oud Duitsch een
haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder
poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven
tegen de zeeroovers te beschermen. Naderhand is 'er de stad Dokkum van
geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen
aanzienlyk gemaakt.
In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was,
is 'er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest,
of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen,
Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp
Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben.
In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden veel
quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met
een party volk [25], zo spoedig als hy 't zelve byeen konde krygen,
tegen quam, wierd 'er aan weêrskanten hardnekkig gevogten, en vielen
wederzyds wel omtrent 500 mannen.
In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den
winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot
krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde
dezelve gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, daar maar
Roomsche bezettinge inlag.
In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom Tiete,
in de groote kerk begraven.
Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens
het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem
tot wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd Haron,
Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland verkooren, en trouwde
de dochter van den Koning der Deenen.
In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus Magnus,
Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid gebragt;
doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en de oude
verbeteren [26]. Voorts alle de geene dreigende, die zich in volgende
tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen vervolgen.
Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten en
woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te worden,
en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon van
Radbout, zoon van Askon, eerste Hertog der Friesen, wel de grootste
aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van Medenblik
gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt.
In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden
verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron,
Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen
3 dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke
Kroon af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om
vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland
te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne
nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of
Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam.
Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de
inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones)
genaamt [27].
In den jaare 335 is Haron by 't Roode Klif overleden, en te Staveren
by zynen vader in 't graf gelegt.
Odilbald, Harons zoon, wierd aanstonds tot 6de Hertog verkooren. Hy
was een dapper krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen.
In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en
breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien,
en met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met
meer buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan
de Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede
een stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor
zeerooveryen te beschermen.
In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria [28], hunne
gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland is,
ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt,
maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt,
en eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die 't ook 65 jaaren
trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 kasteelen,
als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden van die
naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot zyn
slot Dokkenburg.
Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers
in Friesland. Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven 'er wederzyds
omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy eenige
van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel 250
vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde voortaan
gerust, zonder eenige oorlogen.
In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel af.
In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk.
In 't begin van den jaare 360 is Odolf Haron, de laatste Hertog
verkooren. Zyne genegentheid was zeer tot den oorlog, en was door
Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en onderwezen.
In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen
tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger
afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder
zyn gebied.
Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid met
veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron vereerde
denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een wonderschepzel.
In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren
en Dokkenburg, waar mede hy in 't oost en zuidoost is opgetrokken,
neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk bezette.
In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder
opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is [29].
In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de
traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by
gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by
lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog
Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne
eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des
Hengst en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van 't uitgelote volk gestelt
zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen:
want zy aan 't Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in krygs-
en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, 10de
Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden gegeeven;
en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, dewyl het
laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar gebruik ten
nutte gemaakt: en gaven 't den naam van kleen Friesland, vervattende
het land dat men nu Eiderstede, Angelen en Strantfriesen noemt [30].
In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen
schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met
al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen
zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn
en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende,
moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken.
In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk krygsheir
byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by Doesburg
over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de been
vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy alle
steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en bevolkte
dezelve met hun eigen natie.
In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne
afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht.
In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede
geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn
zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt.
III. ONDER NEGEN KONINGEN.
Zo wierd Richold Offe in Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning
geworden.
In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in
Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg,
in 't Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. Doch
Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land wederom
doen ruimen.
In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold
den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks
zag doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen,
te weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen.
In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende
van den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben 't land tot
den grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede,
trok hun by Grunenberg [31], nu Groningen, te gemoet; doch verloor in
dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen,
en, ten zy de nacht daar niet tusschen gekomen ware, zouden de vyanden
hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het aanbreeken van
den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, en versloeg ze,
dat 'er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige wierden van de
landlieden verslagen, ja men weet niet dat 'er een van ontkomen is.
In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee
bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen
de Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na
veel tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent
genaamt word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen
oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en
Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen,
als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die ook
het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven hebben.
In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een
groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen [32]. En
in 't volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen.
In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk
Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af,
tot zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal
van hunne daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het
gerucht alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid
verwekte, ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens
zyne Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid
van dat werk met verwondering te bezichtigen.
In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der
Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot
1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word.
In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning
van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn
gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy
met groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd
had Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en
slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot
vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud,
omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is
geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit jaar ten einde was
geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg gevoert,
en aldaar ter aarde bestelt.
Odilbald, Graaf van Tietenburg, wierd in zyn's vaders plaats de 2de
Koning der Friesen. Hy was een verstandig en beleefd man, goedertierend
over zyne onderdaanen, en kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond
hy tot den Koning der Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent
te worden.
In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van
Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen,
zo men vermoede door een basiliskus. Waar op het huis aanstonds
verbrand wierd, en men vernam geen quaad meer.
Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer,
tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop
genaamt word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt:
't Hoornsche Hop, leegt den krop,) dat een dienstmaagd, als zy water
uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. Waar door Hopper
verschrikte, indachtig wordende, 't geen de Afgod Staf voorzegt had:
dat na dat vuur, daar we op 't jaar 155 van gemeld hebben, wel wat
kouds mogt volgen. Des hy zyne landen verkogt en verruilde, en alzo
voorquam dat hy geen schade door de wegspoeling derzelver behoefde
te lyden [33].
In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder geloopen,
waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is verdronken.
In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen
gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang
waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen
Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt geworden.
In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te Tietenburg
begraaven.
Richold, zyn oudste zoon, quam door algemeene toestemminge der
Staaten, terstond in zyn's vaders plaats. Om zyne deugden was hy by
de landzaaten zeer bemint. Onder Richolds regeeringe had Dibbald
het gezach over Westfriesland, en nam met verlof van Richold, zyn
Beschermheer, den naam van Koning aan. Zyn zoon Lem, of Willem, bouwde
een slot, dat het volk Heer Lems Slot noemde, en wierd naderhand een
Stad, die nu noch daar van Haarlem genaamt is [34].
In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg jammerlyk
geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar wordende,
zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het edel
geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten
hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en
komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn
ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als
Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen
had, hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene
eeuwige onderwerping.
In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer benaauwt;
dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt hadde, hy
't halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, boven het zyne,
noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn overlyden,
Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind was.
In den jaare 570 ontstond 'er uit het noordwesten een vreesselyk
onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder water
zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den
grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den Koning
Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den anderen
gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve jaar [35].
Beeroald volgde hem in 't landbestier, en quam terstond het gebied
van Westfriesland weder op hem: want Aurundulus gestorven was, wiens
dochter hy trouwde. Van inborst was hy zeer mild en vreedzaam. Hy gewan
twee zoonen, als Adgild en Harke, die een onechte was; die hy deftig in
de schoolen liet onderwyzen: doch Harke verlaatende de schoole buiten
's vaders kennisse, trok uit lust tot de wapenen naar Braband.
In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen,
zoon van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke,
uit afgunst om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar
Schotland vertrok; en wierd Overste van 't Schotsche veldleger,
en waar door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland.
In den jaare 612, Lotrik [36], der Franschen Koning, achtende dat de
roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om Friesland
niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders ombrengen,
tot groot leetwezen van den Schotschen Koning Eugenius.
In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk gestelt
zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied brengen;
op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: des hy
Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge Gaalema
een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom hy
zyn vader uit Vrankryk ontbood.
Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, onverwagt
in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp Englum hef
hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te zyn, zei hy
op zyn plat Fries: Ach duw aade schiere bolle, bistu dir salm! [37] Het
welk terstond voor Lotriks ooren komende, week hy niet uit den stryd,
voor dat hy Beeroald gedood hadde. En heeft daarom alle Friesen, drie
dagen lang, dood laaten slaan, die langer waren dan zyn zwaard. Van
dien tyd af heeft Dagobert de Friesen veele landen ontnomen.
Adgild wierd in zyn's vaders plaats tot 5de Koning van Friesland
gestelt, wegens Lotrik, Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche
heeren tot Raaden nevens hem, die de Christenen wel mogten lyden. Maar
de landen over de Zuiderzee, verstaande Westfriesland daar niet onder,
wierden hem afgenomen: als mede dat zij buiten Drenth en Twente
hadden bezeten; doch oostwaards aan bleef het in zyn geheel: en een
jaarlyksche schattinge van 600 ossen of koeyen wierd hun opgelegt.
In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der Franschen
oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de overstroomingen,
hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om by 't doorbreeken
der zeedyken, met hunne beesten, goed en have aldaar de vlugt te
neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te dezer tyd een
slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar de schepen,
die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. Welke plaats
in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit nieuw gebouwde
Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar aan de Thomas
Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de Friesen van hun
ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, die Radbout heete,
en eene dochter, Heile genaamt.
Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl 't
rondom door de wapenen der Franschen als in den brand stond: want
Adgild, erkennende van wien hy 't Ryk ontfangen hadde, deed alles
naar der Franschen zinnelykheid [38], en liet de Christenen hunne
godsdienst met alle vryheid oeffenen.
In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den
wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn
ongeloove gesterkt.
In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt
Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid,
Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door
onweder in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge
gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide
en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun
ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen,
zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de
Broederen in Engeland.
In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven.
Radbout is de 6de Koning der Friesen geworden, in zyn's vaders
plaatze: hy was onrustig en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer
genegen. Hy nam het zeer euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder
de Franschen hadde gestaan: waarom hy ook de landen, die zy zyn vader
hadden afgenomen, met het zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te
bekomen, zyne onderdaanen onverdraagelyke schattingen opleide, en de
onvermogenden gebruikte hy, door houte duimyzers, als slaaven. Want
de Friesen lieten zich, buiten redenen, niet vrywillig om den tuin
leiden. En om des te bequaamer tot zyn voorneemen te komen, voerde hy
zyn hofgezin naar Staveren. Van waar hy optrok, en het slot Wiltenburg
en Trajectum, nu beide Utrecht genaamt, weder veroverde. Ondertusschen
was Wigbert, op het schryven van Wilfrid, naar Friesland vertrokken:
doch is, wegens de onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder
in Engeland te rugge gekomen.
In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot
mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde
mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder
Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke
allen den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de
vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in 't gemeen
gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen der
onweetende of afgodische Friesen, van daar een aanvang gemaakt. Maar
alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als verzoopen lagen, wierd
hun niet toegelaaten om Gods Woord te verkondigen, en met bedreiginge
van leevensstraf, zo zy zulks ondernamen. Des zy de platte landen en
aangrenzende landstreeken van Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy
noch eenigen voor Christus mogten gewinnen.
In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen,
en Hertog van Braband [39], Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt:
die zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar
hy en zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven;
waar van gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is,
leggende in de bogt van Jutland.
In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland,
en begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te
verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove
aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden,
dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder van
daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn vertrokken, wierdenze door
deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. Van welken tyd af zy zeer
veel bekeerden.
In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene
kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis.
Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën en
drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere aldaar
mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te
Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te
Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk
veelen bekeerden. 't Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn
Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden
uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop
wierd gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland,
en Teisterband veele stichtinge.
In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in 't
voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der
Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen,
Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen
zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht
zyn genaamt geworden, daar hy de eerste van was; en Switbert was
zyn medehelper.
Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy
Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland,
woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond,
eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn
zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede
eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods
woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen
van Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort
te zetten.
In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen
naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in
tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen.
In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne,
in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van
voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland
gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won,
en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt
te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande,
alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu
al in 't water gezet hebbende, vroeg hy gemelde Bisschop: Waar zyne
voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, waren gebleven? De
Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, wat t'
onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse van Christus,
en den waaren God, met verachtinge van de heilige Sacramenten, geene
zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de helle zyn. Wel,
antwoorde Radbout, dan zal 't my veel grooter eere en aanzien geeven,
dat ik by myne voortreffelyke en beroemde Voorvaderen in de helle ben,
als met een geringen hoop Christenen in den hemel. En trok aanstonds
zyne voet te rugge uit het water, met beschimpinge van den Bisschop.
In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse grootelyks
in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge quam,
is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn
aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen
Medenblik overleden, en te Staveren begraven.
Adgild, de tweede van dien naam, wierd van het volk tot zevende
Koning verkooren, in zyn's vaders plaats. Hy regeerde het land in
groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de Christenen onverhindert in
hunne oeffeningen; want hy had zelve de Christelyke leere aangenomen,
en zich laaten doopen.
In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit
Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel
gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten
doopen. Deze heeft de stad Hoorn gebouwd.
Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer
toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars
naar Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan,
evenwel weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen:
want de blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te
groot. Een Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch
bespotte den Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van
Radbout hebben aangeteekent.
In den jaare 729 is Karel Martel, [40] Koning van Austrasia of
Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de Burde
aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, om de
Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon den
Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste;
de afgodische kerkhoven en beelden uitroeide en verbrande, en veel
roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen
kerken deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen,
derfde de Christenen niet meer tegenstaan.
In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne
onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een
werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in
goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als
tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval
der kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen.
In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in
't graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van zyne
dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een voornaam
edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy Adelburg
noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn leeven
uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, maar
van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven is.
Gundebald, Adgilds zoon, wierd tot achtste Koning ingehuldigt: hy
was, als zyn vader, mede tot het Christelyk geloove bekeert, en had
gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van 't kasteel Dokkenburg de
stad Dokkum gebouwt.
In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid
en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op 't hof van
den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom Gundebald
hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid aan de
stamme der Rodmannen.
In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als
Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd
Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter
Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen
Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar 't geslachte van Botnia uit
voortgesprooten is.
Radbout, de tweede van dien naam, is de laatste Koning der Friesen
geweest; zynde de broeder van Gundebald, en zoon van Adgild de tweede:
van welke hy veel verschilde, doordien hy in Deenemarken opgevoed,
en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd godloos en wreed, en
alzo hy nog jong was, geen meester van zyne verkeerde hartstogten om
dezelve te bedwingen.
Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de
Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af
te trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of
bande ze uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen,
om het Christen geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden
en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake,
zyne goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam;
die hem in groote achtinge hield.
In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden
der Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig
beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn
gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar
deze de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen,
zo wierd dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen
van Syvert, Priester der Druïden, op 't Oude Hof, aangebragt: waar
op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve in
de gevangenis geworpen.
In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht,
goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte,
in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te
Almeenum, daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich
eerst in Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen,
Christen kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te
stichten, voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by
't dorp Oudeboorn, alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen deeden.
In den jaare 754, als 'er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo beloofde
Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, op
Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze en
tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne medearbeiders
wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie vertoonde men noch
te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, Bisschops staf en andere
overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen gelooven.
Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd edelman,
genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel den
Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove bekeerde.
In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan,
waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde,
daar van af te zien, achte hy zulks weinig.
In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door
de opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters
der afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk
ging, klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der
Franschen. Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de
Friesen mede beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, overwonnen
hebbende, vluchte dezelve liever in Deenemarken, als dat hy de
Christenen by verdrag of vredeverbond in 't land wilde vrye oeffening
van hunne godsdienst vergunnen. En dit wierd de gelegentheid, dat de
Koninglyke Heerschappye in Friesland een einde nam.
IV. VREEMDE HEEREN.
Karel de Groote, Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt hebbende,
heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, en stelde
'er Landvoogden over, die 't in zynen naam bestierden of regeerden.
Hy nam ook zeer ter harten, dat 'er vroome en geleerde mannen, om de
Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe gezonden.
In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was,
een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester
aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de
ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel
ten lande uitgeroeit.
Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum,
dat nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter
gedachtenisse van den Engel Michaël [41], in dezen tyd laaten bouwen,
om tot een vergaderplaats der Christenen te dienen. Na welk voorbeeld
naderhand veele kerken gemaakt zyn.
In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven van
gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom
de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen,
en ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne
schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde,
zo quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe
noch een dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden,
en daags daar aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks
gewaar wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen
en al dien geroofden buit.
In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van
Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken
gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren
en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch
eens wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit:
des de Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve
bedriegende, beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te
leggen, als zy deeden. 't Welk de Noormannen gewaar wordende, zo
quamenze onverwagt de Friesen zodanig overrompelen, datze dezelve te
vuur en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige
afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot
hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar
door veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke
Ludger en Wydekind zich mede bevonden.
In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden
gezonden, op 't bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by hem
weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren:
daar hy op nieuws veele stichtinge deed.
In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat
men eigentlyk weet waar ter plaatze.
In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen en
beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen
begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum,
Hitsum, Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word.
In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in
de Lauwers, daar zy 't zeer verwoesten en afbranden: doch die van
Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit,
waar mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen
grooten roof.
In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, een wanschapen kind
gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle leden tweemaal,
of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde overleden.
Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle,
dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke
twee zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van
Utrecht liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat
dezelve beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden [42].
In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen
afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare
hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden.
Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen 't Flie in, en
verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk,
en vertrokken met veel roof.
In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den Groote
over Friesland gestelt, hebbende 30 jaaren het land geregeert. En na
eenigen tyd, quam weder een andere in zyn plaats.
En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was 'er een zwaare watervloed
over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, wel 600 menschen en
een groot getal beesten verdronken, en groote schade geschiede.
In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van
Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote
krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn
moed byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd
aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en
gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste
van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele
leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen.
In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod
Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen;
en wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd,
liet Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven,
omtrent in 't noorden van 't woud Kreil, van gedagten zynde, dat 'er
aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den avond
van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die ettelyke
maalen riep: Verlaat dit land! Verlaat dit land! Waar op hy een weinig
water op den grond van de put ziende, bevond dat het zout als zeewater
was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om dat men indachtig
wierd, als hier boven op het jaar 513 gezegt is, of 'er wel na volgen
mogt, 't geen de Duivel door den afgod Staf gezegt had; te meer, om
dat het zelve zynen grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde
week daar na stervende, zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die
hier alleen maar kennis van had, alle zyn's vaders landen en erven,
op de Kreil gelegen; en kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef,
Sibbe Tadema, nam dit zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig,
dat de stammen van Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter
uit trouwen zoude, malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten
en vernielden, ja zo dat er van beide stammen geen een leevendige
ziele overbleef.
In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere
29 voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn,
op strand aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een
schielyke brand, geheel verteert [43].
Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende
dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig
opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op
een Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en Noormannen, die malkanderen
met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: doch ten
laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit te
Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die 't meeste schade
geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die Karel
de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning Karel,
inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in plaats
van Franschen.
In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot Landvoogd
verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk als de
Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een zoon
van Gosse Forteman, waar van boven op 't jaar 777 is gemeld.
In den jaare 809, als 'er te Romen tusschen den Paus en eenige Edelen
een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, en de
Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om zulks
te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen hadde,
heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, dewyl zy
nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de Franschen door
gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne gunst te trekken,
en of 'er eens eene deur tot hunne voorige vryheid konde geöpent
worden. Waar op gemelde Magnus, by gemeenen raade en bewilliging,
met veele gewapende Friesen, na veele uitgestaane moeijelykheden, tot
voor Romen is gekomen: gevallig ter zelver tyd, als de Romeinen een
uitval op den Keizer deeden; het welk zy ziende, booden den Keizer
hunne dienst aan, met gereedheid om op die uitgevallene Romers een
kans te waagen. De Keizer hun verzoek toestaande, sloegen zy aanstonds
hand aan 't werk, en bragten het, na eenige schermutselingen, zo verre,
dat zy gemelde Romeinen weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten
indringende, maakten de Friesen zich meester van de stad; en Magnus
plante zyn vendel op het hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium
noemen, hoe dat het de Franschen ook speet. Om welke daad Karel de
Groote en Paus Leo de derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud
en zilver deeden: doch zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen,
dat het hen alleen om de vryheid te doen was. Waar op zy van den
Keizer en Paus, met een breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye
voeten wierden gestelt, gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren
geweest. Na hunne wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde
door Magnus in den Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt,
benevens een Vendel. Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes
van weeten te verhaalen: dat de Harlingers noch, met den stryd van
den Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun
stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene.
In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning Gotrik
[44] met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan de Friesche
kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, wierden
de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche slaavernye
gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden zilver
opbrengen [45]. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der Deenen
Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten lang,
en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de Tolmeester of
Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een koper bekken
geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen worden, dat
dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, by aldien
gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort.
En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van
der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst worden,
en van zo een laagte, dat de Friesen, niet zonder kniebuiginge, daar
konden uit of in gaan: op dat zy in erkentenisse zouden houden, wie hun
Landsheer was; en dat zy, ten teeken van slaavernye en dienstbaarheid,
ook houte halsbanden moesten draagen, die van rys en tienen te zamen
gevlochten waren.
Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde,
zo verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel
krygsvolk byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem
andere zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn;
gezanten van Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat
de Deenen weder naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning,
door gemaakte verbintenissen, om 't leeven was gebragt. Alle redenen,
waarom Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de
handen nu ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende
dezelve met alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen
te verdeedigen. Dus quam het bestier weder tot de volgende
V. LANDSHEEREN, OF POTESTAATEN.
Karel de Groote, overweegende de getrouwe manhaftigheid der Friesen, zo
aan hem in 't verwinnen der Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen,
als in verscheidene voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel
Martel beweezen; benevens hunne genegentheid en gestadige diensten
aan 't Fransche Ryk; verzelt met den onophoudelyken yver tegen de
Noordsche volkeren, van welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws,
na 't ombrengen van Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch
in volkomener vryheid gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige
ponden zilver, die zy van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen:
vergunnende hun, ten blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun
land, als vrygevogtene, naar hunne eigene wetten te regeeren; daar
toe een Overste uit de Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen,
om de landzaaken zo in oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam
van Potestaat, naar 't gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen
Potestaat, dat is Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen
bygevoegt, om over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal
's jaars, als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen.
Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de
Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe
wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten.
Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, wy nu zullen ophaalen,
zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn aangeteekent;
maar het te dugten is, dat het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo
het land by vredestyd wel zonder Landsheere is geweest: doch als
'er een uitlandsch vyand aannaderde, om hen te overvallen, wierd
'er by gemeenen raade, alschoon zy binnen 's lands door twistige
oneenigheden malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren.
Magnus Forteman, die des Keizers Stedehouder was, als boven op den
jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer verkooren. Behalven
het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch verscheidene roemwaardige
diensten, tot lof van zynen landaard, tegen de Saraseenen gedaan:
maar van dezelve eindelyk in eenen stryd verslagen, en zyn ligchaam
in het slagveld onder de dooden door zyne Friesche krygsknechten
gevonden zynde, en die 't naar Romen bragten, is hy aldaar op eene
heerlyke wyze in de St. Michiels kerk begraaven: welke kerk daarom
met eene ryke begiftiging wierd voorzien, ten behoeve der Friesen,
die naar Romen quamen, om het zelve te bezoeken. Ja Magnus wierd zelve
onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen gestelt. Deze geheele historie
staat ter gedachtenisse in gemelde kerk in een marmersteen uitgehouwen.
In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en Koning
van Vrankryk, na een ongemeenen yver voor de Christen leere getoont
te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort te
planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de
Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe.
In den jaare 819 is Fokke Ludigman, tot tweede Landsheer of Potestaat
verkooren.
In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 Deensche
Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame voorzorg,
met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy het
niet waagen om te landen, maar trokken weder af.
In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren
te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar
Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen;
alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond
hem gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning
ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge
ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een
klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen
tyd zoo jammerlyk vermoord.
In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren,
en had zyn woonstede te Sixbierum.
In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in
Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in
't volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene schattinge
af [46].
In den jaare 838 Frederik van Adelen [47], geboortig van Sixbierum,
Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens onderzoeken,
en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het volk met de
verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende met zyne
medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen niet
afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf,
Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren
wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam;
ook een klooster en kerk in het westen der stad heeft gebouwd: die
namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd
herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is,
gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel
in zee verdronken.
In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen Ryks
[48]. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten aantrekken, om zich in
Friesland neder te zetten: maar de Landsheer Adelbrik van Adelen trok
den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en versloegze by Kollum
zodanig, dat 'er naauwlyks overbleven, die deze tyding van hunnen
nederlaag in Zweeden konden brengen.
In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden
van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk
van St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt.
In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed,
waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede.
In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten
hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen
schattinge: doch afgeslagen zynde, deeden zy zwaare dreigementen
van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van Hessel Hermana,
vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, zynde een kloekmoedig en
onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig aan, en versloegze
zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk op de vegtplaats
sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, alwaar deze
beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en zilver over te
geeven, en nimmer weder in 't land te komen stroopen. In dit treffen
wierd Hermana ook gewond, waar van hy stierf.
Na hem wierd Yge Gaalema [49] tot vyfde Landsheer verkooren; hy
was zeer ervaaren in den krygshandel. Van hem wierden langs de
geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om zo op de invallen
der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken der dyken te
passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, gaf hy die
van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een waakend
oog in 't zeil te houden, zeggende:
Wacht jimme fen dy noordere oord:
Uit dy grims herne komt alle qwaed foort [50].
En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt
Igle Gaalema.
In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de
Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen,
van meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat
nu Embderland is, tegenstand vindende, zyn 'er wel 10377 Noormannen
verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en
poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer
ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten [51].
In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger
Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt
Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en 't eilandje de
Band genaamt, 't welk vermoed word gelegen te hebben tusschen het
Dokummer Diep en de Lauwers [52].
In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten
wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen
uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen
staat, in het latyn: Dus verre is het Recht van Staveren, doe verbrande
aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in 't
westen der stad, daar men ging naar 't klooster van Odolf.
Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia,
grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar 't nu als een overheerd
land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van de
Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke
Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En
deze is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van
Botnia heden bekent is.
Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te
Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet
worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op 't jaar 779
hebben gesprooken.
Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus
Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af,
heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen
van zyn.
En omtrent den jaare 970 leefde Okke van Scharl, Scharlensis, welke
uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke Forteman,
de daaden der Friesen heeft beschreven.
Omtrent den jaare 989 Gosse Ludigman, nu zesde Landsheer zynde
en woonende te Staveren, is tot hem veldvlugtig [53] uit Holland
overgekomen een zoon van Aarnoud, Graave van Holland, die de Friesen
Sikke noemden: welke van Ludigman minnelyk ontfangen wordende, en ook
na eenigen tyd hem zyne dochter Tet ter vrouwe gaf; alwaar hy twee
zoonen by overwon. En daar na, op den trouwdag van zynen broeder,
weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf hem zyn vader ten erfdeel
eenige breede roeden land in Zuidholland en Kennemerland, en 't slot
dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk is gelegen, het welk daar van
noch Brederoede of Brederode genaamt word.
In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden
gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren.
In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel
verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt
nu het dorp Berlikum.
In den jaare 999 vertoonde zich boven Staveren een vreesselyke
staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in
veele landen is gevolgt.
In den jaare 1006 was 'er byna de geheele waereld door een felle
hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de
leevendige, in 't begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede
dood in de graven vielen.
En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige
invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om
de landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet
te ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw
voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden.
Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer
gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke,
boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust,
mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver
in deze landen hebben gebragt.
In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, bygenaamt de
Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit naderhand een
groote twist ontstond. Want de Groningers waren van gedachten, het
Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen de Bisschoppen en
Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad Groningen insgelyks
aan hen was geschonken. 't Welk de Bisschoppen ook, met geweld en hunne
geestelyke luister hebben door gedrongen, dat zy daar na honderden van
jaaren Heeren van deze stad zyn geweest, doch niet absolutelyk [54].
In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand
gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige
huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden.
In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen
een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik
den tweede bediende.
In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten
lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen
de Hongaaren en Poolen, wederom gekomen.
In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters
kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de
stad namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in 't plat Fries noch
benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende,
door eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo
veel kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van
godsdienst.
In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van Saxen,
aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel haast
weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den Utrechtschen Bisschop
geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat jok aangestelt,
zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, of Saxische
Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn.
In den jaare 1076 was 'er een schrikkelyke harde winter, geduurende
van St. Marten tot aan 't einde van Maart in 't volgende jaar; de
Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo sterk bevrooren,
datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt wierden.
Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare
slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad,
na drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich
over te geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen.
In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen
Prinsen van Europa in 't voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om de
ongeloovige Saraseenen uit Natolien en 't Joodsche land te verdryven;
hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar mede heenen
begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne schouders,
onder 't geleide van eenen Peter, Ambiaansche heremyt: en zyn,
na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan te hebben, met eenen
ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien aangekomen.
In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden.
En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings ingenomen.
Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene
uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd [55].
In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog
Van Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds
geschonken had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen,
joegen zyn volk by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de
zeelieden aan 't strand gegreepen en in zee geworpen.
In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene
omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch
Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de
Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken wederom
af te breeken; en hen geboden, zoodanig een versterken der stad zich
nooit meer te onderwinden, voor dat de Utrechtsche Kerkvoogd daar in
hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad van dien tyd af beginnen te
floreeren en in rykdom toegenomen [56].
In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris
de Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van 't bosch
de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre
dat Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond
toebragt, om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had
afhandig gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent
in dezen tyd stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland,
de geweldige stinsen van Gratinga, Harliga en Harns.
In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in
afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk
met vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige
voor lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot
Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te
vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, en zeer
dapper aantaste; maar door deszelfs vastigheid niet kunnende vorderen,
heeft hy zich te vreden moeten houden met de sterkte zeer naauw te
besluiten; tot dat eindelyk de Bisschop, wederom gekomen zynde, hen
met een troup soldaaten en krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich
by verdrag moesten overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van
nooit meer tegen de Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde
hy dit alles ten voordeele zyner broederen geevende aan den eenen,
Leffert genaamt, het Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen,
Ludolf geheeten, het Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand
groote onheilen zyn ontstaan [57].
Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met
zyne macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige
tegenweer. Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden
by Hemsen verslagen.
In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor 't grootste gedeelte
afgebrand.
In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. Barbarosse [58]
geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel Martena, een Friesch
Edelman, in de belegering omgekomen; na dat dezelve dapper gestreden,
verscheidene bedieningen en bezendingen voor den Keizer had uitgevoert,
en ridder geslagen zynde, bevel over 10000 krygsknegten had gehad. Een
Ofke Reinalda onthield zich ook eenige jaaren in deze Italiaansche
oorlogen van Barbarossa.
In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder
mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog
ontstond. Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten,
hebbende drie zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader
meinden te erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde
deze zoonen aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop;
van gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot
den Stoel van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot
de zoonen genegen, en waren 'er ook reeds al in 't bezit; hoewel met
vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien,
den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede
krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop
zulks gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren,
van waar hy in 't duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave
van Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast;
tot eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, dat de Bisschop
van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan wederom ten vollen
afstaan het Drost- of Burggraafschap van Groningen [59].
In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland,
Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000
menschen verdronken.
In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een droevigen
watervloed aangetast, waar door het zeewater met 'er haast voor Utrecht
stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads muuren gevangen,
en veele menschen en beesten zyn verdronken.
Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is Saake Reinalda, de
zevende Landvoogd, tot groote droefheid der Friesen, overleeden. Van
hem word verhaalt, dat men hem noch tweemaalen voorstelde in de
Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve t'elkens weigerende,
met dit antwoord: dat zulks strydig was tegens 's Lands wetten
en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy als Landvoogd goud- en
zilvergeld liet munten.
Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel;
ook zag men gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel op
de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke
sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde,
doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar
na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene
wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op
dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom.
In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst
met wallen versterkt.
In den jaare 1192 is, door 't uitroeyen van Uitgong, Franeker tot
meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene
akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden;
waar van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar
noch hedendaags een bekende Straat.
In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster
van St. Bernard [60], te Aduard begonnen; dat met eene prachtige
kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als 'er ooit tusschen de Eems en
Lauwers te zien is geweest.
In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen
Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye
was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der
Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen
redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht
hadde gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak
en een gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo
toornig wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste
aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den
ban deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende,
dwong hy die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als
de Bisschop hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads
muuren weder op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen [61].
Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af,
in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten
des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid,
zelfs goud aan hunne stoepens [62] lieten slaan. Waar van zy noch
ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende [63] Kinderen van
Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere
ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper,
om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom
te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht
te hebben, quam met weite geladen aan de stad. 't Welk zyne koopvrouw
verstaan hebbende, was daar over t' onvrede, en belaste den schipper,
zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan
stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het
Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over
hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker
heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde
stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op
haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt,
dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen."
In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het
bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het
zeewater, eerst een kleen meertje, en met 'er tyd tot die groote,
als het heden is.
Omtrent den jaare 1212 vielen 'er geweldige watervloeden over 't
Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en wel
100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen,
stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den
Rhyn en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar
door het volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig
niet kunnende herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door
met een noordwesten wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling,
geweldig haaren loop nam, en het land meer en meer overstroomde. Want
in dien tyd was de Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die
Westfriesland van ons afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water,
met 'er tyd meer en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat
de naastgelegene landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt
hebben; alwaar de zee haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst
in poelen en meeren afgescheurt.
In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door
een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is
genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters,
groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent
mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene
oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten,
en zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven.
Omtrent den jaare 1220 is Gryn [64], gelegen tusschen het Flie
en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum,
met gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook
een schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na
dezen tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren,
hebben de Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid [65] des volks
tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en
rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden,
om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven bewoogen.
In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen watervloed
wederom eenige duizenden menschen en beesten in Friesland om 't leeven
geraakt. En den 24ste van February volgde een derde vloed: daar na
een zeer groote droogte zonder regen, die de landen de teelkragt,
om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op volgde, daags na
St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde landen met zoute
wateren vervulde.
In den jaare 1222, in January, was 'er wederom een vloed over deze
landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd.
In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare
vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in,
bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat
daar recht over wierd gedaan.
In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water
overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat
meest van de beesten voorhanden was.
In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen
Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen,
over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto
van der Lip, quam met 'er haast herwaards en vereenigde hen. Maar
de Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt
over het gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham aangetast
en geruïneert; en daar op zelfs voor Groningen trekkende, wierd hy
door die van zyn aanhang binnen gelaaten.
Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en
tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort weêr
belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze voor 't
grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar overwon. Rudolf
moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, en bragt byna
het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen belegerde,
en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van binnen deed
hen t'elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de Bisschop van Utrecht
mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende by hem een machtig
leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met veele Grooten tot hunne
Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het daar ter neêr slaan,
en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een rebel verklaaren.
Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en marcheerde
zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, laatende alleen
een moerassig land tusschen beide.
Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen,
om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid
bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige weide
quamen, wierd 'er van achteren zodanig gedrongen, datze 'er voor 't
meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de zynen op hen in,
en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, dat 'er in 't
kort 500 door 't zwaard nedergezabelt wierden, of in 't moeras waren
gesmoord, en waar onder de Bisschop zelve, die op eene zeer wreede
wyze om 't leeven wierd gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet,
en veele perzoonen van grooten rang gevangen genomen [66].
In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een groote
krygsmacht in 't Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te wreeken. Hy
pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. Rudolf
moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr over. Doch
Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden wederom,
slaande de geheele bezettinge daar in dood.
Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den
winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht
herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige
dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne
bagagie, ten voordeele van Rudolf.
Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op
het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen,
komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der
minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam
den Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp,
gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig râbraaken
en de ligchaamen op raderen stellen.
In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van
donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en
neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele duizenden
menschen en beesten, verdronken [67].
In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers [68] in
eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch onkundig, vielen met
hunne meeste Edelluiden in des vyands handen.
In den jaare 1231 ontstond tusschen de dorpelingen van Uithuizen, en
die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen eilandje, aan de
Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al uitgesprooken door
de Rechters van Upstalsboom [69] ten voordeele van de Uithuizers. Doch
die van Eendrum achte zich verongelykt, en wilden aan het gevelde
vonnis niet gehoorzamen; gingen daarom by de Groningers om hulpe,
die hen ten eersten met een groote hoop krygsbenden bysprongen,
en dus gelykerhand de Uithuizers aantasteden en in hinderlaag bragten.
Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers,
Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De
Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt,
en bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen,
en stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen
gelegen hadden, wierden zy door die van binnen, uitvallende, deerlyk
verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al hunne
proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers wederom
moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden 'er gruwelyk huis;
want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, behalven de
andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, verbrande;
daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of jonge,
lieden gespaart.
Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop
Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en
voorburg in, en zabelde alles neêr wat 'er in was, zonder zelve de
noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de plaats
aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en naderhand
in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne vastigheid,
niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een anderen
tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden [70].
In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst
van die van Husingo, Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus
gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar
wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met 'er haast de
vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of gevangenen,
en veele gekwetsten aan hunne vyanden.
In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een groote
krygsmacht in 't Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, benevens
de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar na
gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te bouwen
[71], ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop Otto van der
Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar aangevangen, en
ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het zelve dat namaals
en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis gebruikt word.
In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm,
geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel,
omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is.
In dezen tyd is 'er weder twist ontstaan, om de voorrang in 't offeren,
tusschen die van Albada en Reinalda te Waaxens, by Holwerd: waar
uit naderhand de scheuringen tusschen de Schieringers en Vetkoopers
gerezen zyn.
De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een
stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als 'er twist
tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo heeft
zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene Spraak
Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt.
In den jaare 1239 was Sikke Sjaarda of Sjaardema, Landsheer van
Friesland. En Willem, Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland,
de stad Aken belegert hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe:
welke de stad met water bezettede en overwonnen. Voor deze dienst,
aan hem bewezen, bevestigde de Graave hunnen vrybrief, door Karel den
Groote voorheen aan hen gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door
groote giften van geld, als 't Erfstadhouderschap hem Friesland over
te geeven. Maar dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen
brief plat af; schryvende aan hem: «Meent gy, dat ik, om my en myn
geslacht te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen
van de vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen
geächt hebben?" En liet noch, ter beschimpinge en verachtinge van
gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan de eene zyde in
't latyn, doch dus vertaald, stond: Sikke Sjaardema, Landsheer van
Friesland: en aan de andere zyde: Libertas prævalet auro: dat in eene
goede zin gezegt is: Liever Vry, als Ryk. Waarom hier na tusschen
den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar in de
eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat dit
voorgevallen is in den jaare 1255.
In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt
door de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van
Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar
de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken
op hunne vyanden af. Doe wierd 'er een burgerlyke oorlog binnen de
stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party
afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de
meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die zelve
veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op wierden
hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond toe
geraseert, en in brand gestoken.
In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A,
gebouwd; welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare 1446, op
verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is opgeregt.
't Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder een
groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen
en goederen veele schade geschiede.
In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, op
den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd omgebragt.
Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed,
die zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt,
welke nu aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde.
In 't begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over deze
landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van February
gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren tyd.
Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad,
doe zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op
een zeer hoogen prys, en daar boven wierd het vee, 't welk door de
landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten
aangetast en veel beschadigt.
Omtrent dezen tyd is het Hof in 's Graavenhaage, benevens de groote
Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf van Holland,
gebouwd.
In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de
Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond
tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te
velde trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden
Groningen ook te belegeren.
In dit en 't volgende jaar is Friesland wederom door twee watervloeden
overstroomt geworden; waar door veele duizenden van menschen en
beesten verdronken.
In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en
verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden
de bespringers t'elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen
zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden
moeten overgeeven.
Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, brengende
in den eersten aanval Hendrik Butel om 't leeven, en roofde doe veele
goederen van de Gelkingen.
Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom welgewapent
voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, zonder hun
geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte Conraad in
gyzeling; maar kort daar na, door schoone beloften, ook wederom los;
brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, een hoop krygsvolk byeen,
waar mede hy het Franciscaner Klooster verraste, laatende het zelve
voort van volk en andere noodwendigheden voorzien. Ook namen zy alle
steene huizen, die vast tegen hunne vyanden waren, in, en deeden die
van proviand en oorlogstuig voorzien.
De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas;
alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt,
datze by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die
van Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge
zo sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge
dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in 't heetste van 't
gevegt door.
In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge
ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op
St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe,
de trappen afloopende, vielen zy hunne partye op 't lyf, slaande
9 mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden:
daarop is alles, wat 'er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en
daar van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven:
waar door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd.
In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en
uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen
hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien
begiftigt of voorzien.
In het zelve jaar, den 18 van January [72], is Willem de tweede,
Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood geslagen. Deze
Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht uitgetrokken,
voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn voorzaaten altoos
wederspannig hadden geweest, met de wapenen te temmen, en onder zyne
gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door onvoorzigtigheid,
te verre vooruit rydende, trapte het paard door het ys; waarop de
boeren, van achter de struiken komende, hem dood sloegen.
In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een
watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland,
by Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre
wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde.
In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in
Drenthwolde, nu 't Gôrecht, en vorderde groote sommen geld van de,
inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de Drenthers
aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in brand
steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook byeen,
en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in;
waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten,
en eenige gevankelyk met zich sleepten.
In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, welke
Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar door
de toren instortte: hier op volgde een watervloed door de dyken,
met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte.
In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard,
te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige
wyze ingewyd, na dat 'er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan hadden
gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te zetten.
In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland
wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken,
die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar
't voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd.
In den jaare 1268 wierd D'rYlst, een kleene myl leggende van Sneek,
en doe noch maar eene buurt, mede met Stads voorrechtbrieven of
privilegien voorzien. Indien 'er eene Yle Stins geweest is, schynt
het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren naam ontleent heeft,
volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking der woorden.
In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar
toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren,
wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen
in den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen,
te zien is.
In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder
het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen.
In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel
2000 menschen verdronken.
In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van Hennenberg
te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende dezelve van
haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één bekke gedoopt: de knegtjes
wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth genaamt. Doch zy stierven alle
nevens de moeder, en wierden te Loosduinen in 't klooster begraven.
In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January 1278,
heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; want
door dezelve verdronken 33 dorpen en veele duizenden van menschen en
beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van dien grooten
Inham, de Dollaart genaamt.
Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige
bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen
hals nu vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in 't offeren om
den voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten,
en de stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt,
wieschen nu in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge
tegen de stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met
hooge wieren van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen
op gebouwd wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd
en eindelyk openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen
ontstonden: het land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven
de anderen den naam van Schieringers, om dat hunne landstreek, in
broekig en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en
handel in de visscherye van Schiere Aal, alwaar 't alomme van krielde,
bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van Vetkoopers,
om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden met de vetweijeryen
en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. Doch andere verhaalen
om andere inzichten. Van alle welke twisten en oneenigheden wy niet van
voorneemen zyn alle voorvallen te melden, om redenen dat die voor het
meeste gedeelte tusschen byzondere Edelen zyn ontstaan, en daarom voor
geene algemeene landtwisten zyn te houden: maar wy hebben voorgenomen
te melden, de grootste gevallen, en die voor algemeene landtwisten
te houden zyn, en tot eene daadelyke tweespalt des Gemeenen Lands
zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de voornaamste ontmoetingen,
die steden en landen eenige merkelyke veranderinge aanbragten,
hebben aangeteekent. Van welk alles in het gemeen geweeten dient,
dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden gemaakt en verbrooken zyn,
maar van ons niet alle aangeteekent, om dat wy kort willen zyn [73].
In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle
de dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen
wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het
getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid,
Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk
verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied
gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, nevens noch drie anderen,
in 't gezigt der Oostersche Friesen, bouwde.
In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en begiftigde
haar met verscheidene voorrechten.
Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die allerverdervende
partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te groeijen;
zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat duurde
niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een gescheurt. Ook
begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, tot een
toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden.
Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen
uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers
of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers,
veel geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond.
In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe
aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel
van de nabuur-stad D'rYlst: maar in 't volgende jaar trof haar het
ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na
geheel in den asch leide en verteerde.
In den jaare 1296, den 27ste van Juny [74], is Floris de vyfde en
19de Graaf van Holland, door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk,
op eene moorddaadige wyze omgebragt.
In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen
der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad
geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten
die Westfriesland weder verlaaten.
Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns,
verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep:
Help! help! De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel op
de aarde.
In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met
malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit
hen, ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de
Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers.
In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in Friesland,
om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te haalen:
doch, Reiner Canga of Camminga, dies tyds Landsheer zynde, heeft hen
met zyn byhebbende macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden
nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf,
tot groote droefheid zyner landsgenooten.
Na hem volgde J. Hessel Martena, hoewel tegen zynen zin, in het
Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende vredelieventheid.
Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena,
onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden;
en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene
aanteekeningen, in het licht gegeeven.
In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen,
Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen
door eenen brand moest vergelden.
In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het land
tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve verscheidene
maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, ontstond
onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die,
en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden en
overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, staartsterren
gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen aan den
hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook
ontstond 'er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit
droevige exempelen voortquamen: onder anderen, eene zekere Vrouw,
hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te Sixbierum haar
armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo met haare
Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene sterfte
het derdedeel der menschen weggenoomen.
In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te Makkum
en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze inlandsche
scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen spoelden
hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen Medenblik
en Enkhuizen uitgeplondert.
In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden.
En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen der
Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en Westfriesen,
nu wederom hunne vyanden geworden.
In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne
generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland,
te houden.
In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van donder
en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, veele
menschen en beesten verdronken.
In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, begon Appingadam in alle
neeringe, ambagten en rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk
te worden.
In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en keuren
van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer plechtige
byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig dagen
daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en met
het Zegel [75] bekragtigt.
In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo
verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in
dienst te neemen.
In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het
Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen
van Humsterland, Vredewold enz., zich t'zamen voegende tegen de
Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede
slag in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde
treffinge was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel.
Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche
Edelen bezet, door de landlieden stormenderhand ingenomen, en de
gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd Groningen ook
door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste furie gedood,
en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk op de markt,
by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door 't zwaard onthoofd
[76].
In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was 'er een groot
onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat het zeewater
over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in Friesland en
elders verdronken.
In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd
Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar
door veele menschen en beesten verdronken.
In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig
geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan
te koopen.
In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van
Holland, zo 'er gezegt word, in Friesland gevallen met over de 100000
mannen: maar wierden van de Friesen zoodanig gehavent, dat zy met
achterlaatinge van 18000 mannen, waar onder de Graaf, en omtrent 200
Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde dit de grootste overwinninge
die de Zeelandsche Friesen ooit hebben bevogten. Want daar word gezegt,
dat de Hollanders 10 mannen tegen de Friesen een sterk waren geweest.
In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in oorlog;
doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende missen,
bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door wederzydsche
gezanten is bygelegt geworden.
In den jaare 1350 was 'er zulk eene vergiftige pest in en omtrent
Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood nedervielen,
blyvende van 1000 naauwelyks 10 in 't leeven. ô Ysselyk verhaal!
In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden
van alle Magistraatsperzoonen in 't geheele vrye Friesland, tot
conservatie van hunne rust en vrede.
In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van
Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder
weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland
behoorde.
In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle
regeerende, en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de Eems en
Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; 't welke
zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest.
In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen,
met Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen.
In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele
menschen en beesten verdronken.
In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik,
in Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten
beschieten. Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van
wapenen verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over
het verdrag te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd
Okke door zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken;
stervende alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van
Broekmerland.
In den jaare 1392 is Leeuwarden, door 't aangroeyen der inlandsche
oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; waar door
't Prediker klooster en kerk verteerden.
Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland
vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden
tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider groot
verlies; want de Hollanders de overwinning hebbende, verlooren nochtans
1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, en de Friesen daarentegen
600 mannen.
In den jaare 1397 was Yv Juwinga Landsheer, die van zommigen ook
genoemt word Ju Jongama. In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met
eene macht van 18000 mannen in de Kuinre, dies tyds een Graafschap,
om Friesland te overweldigen. En Juwinga, de Friesen tegen hem niet
kunnende afraaden, om geen slag met hen te waagen, kreegen zy by
Schooterzyl de nederlaag, en verlooren omtrent 500 mannen, als mede
den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht naar de Lauwers; daar de
Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen verteerden de Schieringers
en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne oneenigheden, dat de
Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het land aan Albrecht
op te draagen; en de stad Staveren wierd hem ingeruimt. Doch van
de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van de Lauwers, door
geheel Oostergo en Westergo.
In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste
der Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen
Koppen Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers,
den Hertog weder tegen trokken, onder het geleide van Sikke Deekema,
Gaale Hanja, en Ode Botnia.
In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden
heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere
Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht
en privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden
daar op het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon
der Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den
tooren of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar
binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood,
of deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd
Groningen ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere
te neemen; doch te vergeefs.
In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter Luine,
gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den Hertog, en
noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch behoudende
de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te Molkwerren,
dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch mislukte:
maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen genomen. Doch
weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, tusschen Johan
van Beyeren, Graaf van Holland, de Friesen en de stad Groningen en
Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met 50 vette Ossen
wierd vereert.
De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende,
zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren
verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy
't allen geweigert.
In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den Bisschop
van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende hem een
goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige charges
en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en gezanten
aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen neêr
te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en hunne
Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het beleid
van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema's Huis, te Sauwert,
met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, hebbende muuren
van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en om welke noch
een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene torens.
Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de
stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op
veele schermutselingen volgden. Doch, na drie weeken belegs, heeft
de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te vreden houdende
alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te bezetten.
Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen.
In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van
Munster zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den
Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers
met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen
omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na Ripperda's
huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet als by den
eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen hebbende,
vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. Waarom
de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen
wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder
derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld
huis en hunne vyanden aan, datze in 't kort overwinnaars wierden,
en alles aan stukken hakten, of in 't water deeden verdrinken die 'er
op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en haalden
het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na Gockinga's huis,
te Broeke.
In den jaare 1404 zyn Sioerd Wiarda en Haring Harinxma, by gemeenen
raade, tot Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht
in Oostergo, en de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals
eenige Friesche Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om
kunne krygslust oeffening te geeven.
In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen
den Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door
weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne
voorige goederen herstelt worden.
In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders
ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van
Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit gejaagt.
In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena's huis te
Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen
gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy,
door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn gestorven.
In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen
Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers,
hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten
eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen in de wieg te
spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch meer
ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, sloegenze
die dood.
In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van Broekmerland
ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar Groningen de
vlugt nam.
Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook verdeelt
te worden, door die alverdervende partyschappen van de Schieringers
en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en Brugge,
neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: de
andere waren meest alle in 't openbaar Schieringers; hun Opperhoofd
was Koppen Jarges, houdende zich aan 't Groninger verbond.
Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de
Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske [77] helpen, tegen
zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier
op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste
van October uit haat op, en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad
vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers
en Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende,
wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik
Ottesz. Clant mede om 't leeven, als ook Allard Clant, daar hy aan
tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat alle
de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig ophouden,
uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken.
In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren
overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok
wierd vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges,
in Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by
Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan
de Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver
uit de kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd
geslagen; dat naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam
de landbederving een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in
brand, en op verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed
het zelfde aan de Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene
plaatzen de dyken: moetende alzo het gemeene volk de dolle razernye
der Grooten ontgelden.
In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht,
benevens hunne vrienden, en die 't met hun hielden, te Eelde, in 't
Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van September, des
avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen trekkende, en voorts
over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa Poort afhieuwen,
en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, innamen; hier op
stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken voor Jonker Keno;
welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, ten eersten met zyn
krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de ballingen aanstonds
in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na trok Jonker Keno
met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene van der vyanden
heerenhuizen omverre werpen.
In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en
Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno
vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven
wierden.
Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden
wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt.
In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit
de Westerlauwers gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde,
trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig
gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten
zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op 't Huis te
Oldenburg overleden.
In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert
en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de
huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis
van A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd
stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval
wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door
beuls handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de
Schieringers, onder 't geleide van Sikke Sjaardema, en wierden daar
weder meester van.
Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met een
hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen aan
land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in
300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene
vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten
of omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp
des Graaven van Holland weder ontzet.
In den jaare 1419 hebben de Groningers den Bisschop van Utrecht,
Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen,
wordende hy in 't begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den
11de dito geteekent.
In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met een
bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd Ailua,
Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die wal weder
geslegt [78]. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, daar wel 200
mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel gevangen.
Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de
Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling,
met noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene
eenen van Koppen Jarges volk hadden doodgeslagen.
Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier,
op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300
dooden en 200 gevangenen verlooren.
Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen
Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. Omtrent dezen
tyd ontstond te Staveren een groote brand, waar door in 't kort 500
huizen verteerden.
In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert,
en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis
wierd omverre geworpen en geslegt.
In 't zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, Holland
en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de dyken
wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten opgeslokt,
en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn vergaan.
In den jaare 1422, in February, wierd 'er weder een verdrag van
vrede [79] gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Waar op
Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter bleef
by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de dyken
verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land
drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet
bleef leggen.
In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert;
doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders de
stad ontzet en de belegeraars geslagen.
In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de partyschappen
van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van Gerkema wierd
overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. Doch twee jaaren
daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen.
In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van
Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en
den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar
wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen
bequam, waar onder veele heeren van grooten rang.
In den jaare 1427, den 28ste van October, was 'er wederom een zwaare
stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, tusschen
Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote bloedstortinge;
want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans 4000 mannen;
doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve in des vyands
handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse gezeten te hebben,
is komen te sterven.
In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote krygsmacht,
een inval in 't landschap Drenth, steekende verscheide dorpen en
buurtschappen in brand; vernielde het koren; roovende en plunderende
alle de beste goederen, en dezelve met hem naar Gelderland sleepende.
In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de
Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden
500 mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester
van Groningen.
In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want
weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. In
dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden.
In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en ringmuur
van 't kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de zee.
In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor
Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske
boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt;
't welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden toegericht:
maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon glaasje wyn
gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en voerden hem
alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 jaaren lang
gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich voor Embden,
die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave dwongen.
In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog;
by deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman
der Gilden, thans Olderman van 't Gildrecht genaamt in Groningen,
willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van
de landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren
van de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo
Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van
het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote
tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen
aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks
niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; 't welk op den 27ste van
July deszelfden jaars wierd getroffen [80].
In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te Leer,
op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster
aldaar begraven.
In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen huizen
in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te Oosterhuizen,
Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen toevlugt voor
de vyanden zouden wezen.
Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door groote
schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene pestilentie,
daar veele duizende menschen door stierven.
In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een schip
met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy joegen
alle de Hamburgers daar uit, en stelden 'er wederom tot Commandant
Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo Gockinga, te
Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die zy ter
neêr wierpen.
In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt.
Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van
Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en
branden tegen elkander.
In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga [81], waar door
het geheele Oldambt, volgens accoord en der Oldambsteren toestemminge,
onder des stads jurisdictie is geraakt; wordende voorts door de
Magistraat van Groningen een Drost gestelt, om de zaaken uit hunnen
naam aldaar waar te neemen.
In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan 't oosten
van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw huis of Slot aan
't westereind van de stad gebouwd, op een plaats genaamt Kaale Hei,
alwaar 't noch ten huidigen dage staat.
In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers
weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te Workum
tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne
vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen
was om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve,
en veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen [82].
In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de steden
Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd bygelegt,
en de vrye handel open gemaakt.
In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt,
door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt.
Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten,
Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was aangenomen,
de stad Embden met deszelfs burgt, als ook de burgt te Leeroort,
van de Hamburgers gekogt voor 10000 mark.
Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien,
en Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door
dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen
hier tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om
hem met een gemeene macht tegen te gaan.
In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote onlust,
ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, dat geen
inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter markt
wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door opkoopers,
van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden opgekogt,
en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een Warner
Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende zelfs
zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te
bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan
de Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is
aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer
Warner Smith om 't leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na
vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads
Dienaar ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende daarom hier van
aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en hun gebiedende,
naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging Smith met eene
groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de deur vindende,
trad hy in de Raadkamer, zeggende: «Wat, wilt gy uw gebod met bloed
schryven; door de handen van een beul?" Onderwyl zagen eenige heeren
uit de vensteren, en vernamen dat de geheele markt vol gewapende
en oproerige menschen stond; derhalven wierden zy met de uiterste
verbaastheid aangedaan, en veranderden gansch van resolutie: want de
Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen vry verklaart, maar zelfs
de genomene resolutie ook wederom ingetrokken: waarom het gepeupel
weêr vertrok.
In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de
Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens
toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken.
In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar;
waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent
de leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de
dapperheid der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de
inlandsche oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter neder gemaakt
zyn, in de groote overwinningen die de Hongaren bevogten.
In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende
Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000
stuks vee, naar Hargelingeland.
Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de
dyk en 't nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is het
weder opgebouwd.
Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door 't vuur verteert;
zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van eenige
Edelen.
In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen,
gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien,
Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt.
In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel vernielt.
In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de
Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten,
en omtrent 250 gemeenen verlooren.
In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en
onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk
land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef,
terwyl het door enige varkens en schaapen beweid wierd.
In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht
onder 't Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn vader
Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden zich
geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd,
wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen
doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort
wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven.
In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren
hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt;
maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes
steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en
Aa: als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad
tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens 'er maar zes had gehad.
Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling
Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer
Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote geleertheid
[83].
In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare
toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte
verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende
eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam
ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de
stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen
zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat
de zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden,
volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het
werk voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad
niet meer aan hem.
In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel
schade aan menschen en beesten.
In den jaare 1477, den 17de van September, was 'er de Cosmus en
Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade
geschiede. By 't klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; en in
de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen gevangen,
schynende de eene vleugelen te hebben, en de andere een zeehond te zyn.
In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo,
te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere
plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg;
alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold
en het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart,
zoude richten.
In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden
gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in
gestelt.
In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo te
Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de Gemeente,
waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, het
Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te
mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke orde wierden
begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren
en Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude
en zilvere munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen:
waar van de voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer
een jaarlyksche tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte,
te betalen uit de inkomsten van Friesland over de Lauwers: 't welk
alhier te zwaar wierd geacht.
In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond
tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren
gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen
toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is
voltrokken [84].
In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de Hooggeleerde
en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in Groningerland
gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche en latynsche
taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote en deftige
orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws gemaakt.
In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers
gewapenderhand ingenomen.
Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, 't welk de
Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr ontweldigt; wordende
de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den kop afgeslagen.
Daar na trokken de Groningers 't Drenth in, en haalden Jonker Aapke
Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het bevel
van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch vrugteloos.
Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de
zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen aandryven.
In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor 't
meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren,
de stad Workum; komende, onder 't geleide van Yge Gaalema, uit Holland
over 't ys aantreeden.
In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te Groningen
gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische Studien
zo beroemd, dat hy 't Licht der Waereld genaamt wierd. Hy was ook
een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde eenige jaaren
als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke Maagde-Klooster
begraven.
In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van
stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland
verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten
aan de lucht, als voorboden van droevige tyden.
In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel,
enz., mede in hun verbond aangenomen, wordende het accoord voorts
opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden geteekent. Doch
dit verbond heeft naderhand groote onlusten en bloedstortingen
veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een groote krygsmacht
in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch tegen dat verbond
waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele steenenhuizen
omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een rad.
In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger
verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar
omtrent, bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent
Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun
100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers
een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en
genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen zoude.
In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van
den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen
en oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne
aanhangers, by te leggen.
Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden
en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele menschen
dood. Insgelyks deeden de Munsterschen wederom aan de andere kant,
spaarende noch kerk, noch dorp in Friesland.
In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer
Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo
confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van
Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne
Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy
de Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des
H. Roomschen Ryks.
In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten
en vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt;
beveelende hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen
eenen Landsheer te verkiezen, op dat de verwoede handelingen en
heillooze scheuringen eens ten einde mogten komen: dreigende hen,
by nalaatigheid van dien, onder een vreemd Heer te willen zetten,
met een eeuwig verlies van hunne vryheid; alzo hy zulks verstond,
tot merkelyke ruste van het Duitsche Ryk, te behooren.
Hier op wierd Julius Deekema, van Baard, by gemeenen raade, tot
Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man was, vreedzaam
van gemoed, en een haater van tweespalt.
In dit zelve jaar, 's nachts omtrent twee uuren, hoorde men digt
by Bolswert, een schrikkelyk geraas en getier, als van strydende
heirlegers; zo dat de wacht, de ronde doende, in 't eerst meinde,
dat 'er in der daad een gevegt omtrent de stad was.
In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde
krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000
uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende
Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum
stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen
de Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te
gelyk Slooten.
In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich
met veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen
Sneek versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden
en Gaasterlanders van 't beleg voor Slooten te doen opbreeken: de
Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der
Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden
gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys,
door hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken 'er veelen;
die staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat
'er over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve
mede gequetst.
De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in 't
Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door die van
Franeker overrompelt; doch, door dien zy 't blokhuis der Groningers
niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder verlaaten,
na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse of stuk
Geschut, dat 'er ter verdediging der stad gevonden wierd, mede naar
Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het blokhuis,
en de Groningers geraakten het Land uit.
In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders,
Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de
Lemmer gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na
kogten de Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel
Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens.
VI. ERFHEEREN.
1. Albrecht, Hertog van Saxen.
In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer
Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder,
of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en
Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf:
zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten,
verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te
weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche
Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre
geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook
by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel
bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog
Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor
Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was
geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen
de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma
van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het
konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een
leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot 'er tyd toe dat
gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden
opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende,
hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen
en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers,
die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog
de Friesen in 't gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve
met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door
verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in 't Land;
waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag
bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na
eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens
Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem
noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich
mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds
een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy
tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis
te gebruiken.
In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op
Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit,
onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende
den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum,
Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen
omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over
in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en
soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds
Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse
guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren,
tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de
andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom
in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers
over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed
groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch
de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf
Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel.
Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte
van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: 't welk ten eersten
aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen,
en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert.
Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk
zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de
Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde
zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had,
maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De
Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven 'er,
behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden 'er gevangen.
Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest,
hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert,
en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door
het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne
benaaminge bekomen.
In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te
Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden
op 't Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede
bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad,
die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt.
Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in
Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder,
op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze
niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op;
waar door een groot oproer ontstond.
In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000
mannen komen belegeren: en vooral waakende dat 'er geen meerder
vreemd krygsvolk in 't Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende
voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne
in ien nest [85]. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander
te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om
hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te
zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor
vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk
en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde,
te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen
te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland,
het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad
verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel
moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap.
In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig
beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge
van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen
trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na
de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door
veele huizen verteerden.
Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers,
die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar
na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen
verkragten, en kerkschenderye bedreeven.
Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan
de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste
molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade,
15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en
oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen
tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren.
Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit
de Staaten des Lands in 't leger, en bewerkte zo veel tusschen den
Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van
Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het
beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar
Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk
naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en
hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen,
op den 8ste van September is komen te sterven.
2. Georg, Hertog van Saxen.
Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats
gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had
over gedaan.
In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen,
onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar
voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens,
en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar
op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden
voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg,
en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden
zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in:
maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens
af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems,
regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in
slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van
Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten
aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen,
dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen
nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken,
dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren,
waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges,
Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de
Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen
aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en
huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal.
In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by
hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten,
met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door
te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel
't bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem
de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele
eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën,
ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden,
in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan.
In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een
verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land
een vryen koophandel zouden mogen dryven.
In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer
sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt
is geworden.
In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door
veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande,
waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook
te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde.
In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers
en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14
Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen;
waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.
Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by
de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de
Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen,
brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van
ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden
aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.
Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren
handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het
slagveld lieten leggen.
Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog
van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland,
en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen
zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer
geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het
gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen,
te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand
wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland,
voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van
de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden
bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die
Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar
op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele
Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad,
benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit,
hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den
eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit
handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens
wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van
't kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz.,
ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt,
alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart
stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor
hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar
de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het
accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen,
tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde
en diepe gragten en hooge wallen.
In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd
ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken
de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de
Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker
ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het
Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land
was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen,
zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden.
In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den
Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom,
om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in
zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.
In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard
Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf
en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op
den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden;
maar naderhand ook te Keulen hervat.
In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar
Bolswert begonnen gegraaven te worden.
In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen
vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de
tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote
schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor
Groningen gevangen.
In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge
watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet
alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen
en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op
welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land
in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar
het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van
proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land.
In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die
wel 200 huizen verteerde.
In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene
Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na,
heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge
dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf
van Rechteren.
In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan
Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen
te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen:
doch vrugteloos.
In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende
dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in
Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten
en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog
van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.
Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster
Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen
bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar
alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje
in brand.
Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen
had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den
volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten,
waar door veelen sneuvelden.
Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om
zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende
die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke
welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare
burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens
hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de
slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden,
werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de
stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de
groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie
poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens
waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen,
roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk
de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden
aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren,
noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten,
met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot
wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden
omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco
Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk
onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal
der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten
en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er
reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt,
en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik
gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt,
om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot
ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden
door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden.
Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten:
waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor
hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn
Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk.
In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen
uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten
eenemaal verbrand.
Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by
Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook
hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld
ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische
troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten,
de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne
achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen.
Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim
5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan
quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en
Molkwerren ook afbranden.
Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug,
ingenomen.
Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en
Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers
hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen
hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte
van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg
van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te
krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn,
Graave van Benthem, alhier.
Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum,
Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de
Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich
Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote
Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd,
ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy
met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan
was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders
gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de
geheele Zuiderzee vry.
Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende,
om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het
erfrecht over aan den Prins van
2. het Huis van Bourgondien.
1. Karel de Vyfde.
In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd
Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde,
stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met
de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest
verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen
bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren
en sterktens zyn vast gemaakt [86].
En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg
alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen
overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders
de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord:
Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88].
In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard
zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare
vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige
Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts
Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard,
te Groningen gebouwd, wederom afgebroken.
In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat
het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel
kan afmeeten.
Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen;
en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt,
en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande.
In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog
van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele
vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene
en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel
geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de
Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven
even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een
Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude
gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door
eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy
hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende
deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van
Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal
van de Zuiderzee [89].
Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des
Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker
en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen
op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat
hem voorquam.
In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk
Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan,
geconfirmeert en gezegelt.
In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke
bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk
Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie
van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer,
Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens
de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke
allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen
te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over
hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke
kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten,
bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten,
zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar
nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte,
en 4 schoone paarden.
In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het
land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye
meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich
gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd
heeft geëindigt.
In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied,
mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen,
om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal,
dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik
Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90]
Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in
den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt:
die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en
Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der
Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde
brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.
Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van
Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.
In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door
de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.
In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder
te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort
opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door
Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis
nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de
sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en
de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het
gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad
op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na,
de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder
te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.
In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum,
en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen
de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert,
die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel
volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door
de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen
eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en
mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar
Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by
een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het
land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt.
Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden
gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden;
vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm,
mits tot boete geevende 32000 goudguldens.
In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad
Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich
heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten,
om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te
schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van
de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan
den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis
geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en
tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen
niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het
stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur
van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad
dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in
hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders
ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze
gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende
daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het
woedende gepeupel wederom vertrok.
In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen,
waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden
verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker,
trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester
Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar
hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De
Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een
goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds,
met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk;
maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis;
waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd
ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman
op zyn hofstede.
Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66
jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden
begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats.
In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last
gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der
Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten.
In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland
Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op
hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den
28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden
overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno
doende, pardon bequam.
In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen,
waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat
hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich
naderhand onder den Vorst van Gelder.
In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham
met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland,
gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen
een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter
neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen
de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't
geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave
persoonen van aanzien.
In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo
genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar
hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster,
by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te
vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen
bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood
worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een
troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds;
waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de
kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen,
en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en
andere in het Hempensermeer doen verdrinken.
In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn
priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar
van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in
Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.
In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog
van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over
de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen,
en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar
den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken,
steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand;
als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door,
alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30
schepen verbrande.
Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe
dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd
wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende
derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den
vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn
Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen
daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame
krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk
den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en
als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den
eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen
en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.
Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in
Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de
Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van
Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van
't stadshuis gepubliceert is geworden.
In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze
Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50
jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.
En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik
te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche
Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.
In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in
wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En
den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland,
wordende te Embden begraven.
In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar
door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.
In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen;
wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze
ingehaalt, en met ryke ges
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/33563