De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
by Vald. Vedel · Dutch · Gutenberg #33332 · 893,090 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Author: Vald. Vedel
Translator: H. Logeman
Release date: August 3, 2010 [eBook #33332]
Most recently updated: January 6, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/33332
Credits: Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE RIDDERROMANTIEK DER FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN ***
Produced by Frank van Drogen and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |
| als _cursief_. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
| »aanhalingstekens". De enkele aanhalingstekens zijn als |
| >aanhalingstekens< aangegeven. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE RIDDERROMANTIEK
DER
FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN
_Schrijver en Vertaler wensen de lezers op te doen
merken, dat de in deze bewerking te vinden afwijkingen
van het origineel aan gemeen overleg te danken zijn._
KULTUUR-HISTORISCHE BIBLIOTHEEK
VALDEMAR VEDEL
DE RIDDERROMANTIEK
DER
FRANSE EN DUITSE MIDDELEEUWEN
GEAUTORISEERDE BEWERKING
NAAR HET DEENS DOOR
H. LOGEMAN
UTRECHT--H. HONIG--1919
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN
INLEIDING.
Meer dan eens heeft de vorige eeuw getracht de Ridderromantiek der
Middeleeuwen weer tot een kunstmatig leven op te wekken. Eerst de Duitse
romantici met hun Heinrich von Offerdingen en Barbarossa, de Genoveva
van Tieck en de Tempeliers van Werner; daarna Walter Scott met zijn
Ivanhoe en Victor Hugo met zijn Burggraven; gelijk in Denemarken
Ingemann met zijn Otto en Jonkvrouw Inge. Nadat toen een paar geslachten
zich aan de schildering der werkelikheid en kritiek van de maatschappij
hadden overgegeven, ontwaakte de heerlikheid van Koning Arthur en zijn
Graal wederom in de dromende ridders van Burne Jones en Rossetti en de
smachtende jonkvrouwen van Tennyson. In de toondichten van een Wagner
weerklonk opnieuw de horen van de Zwaanridder, het lokkend spel uit de
Venusberg en Parsifal's Graal-verlangens. En in de toren-kamer en de
burchtgangen van Maeterlinck tastte de kinderachtige Blanchefleur-liefde
hulpeloos rond in het afschrikkende donker der Middeleeuwse mystiek.
Zeldzaam moderne incarnaties van de Middeleeuwen zijn het allemaal--de
edele Sir Galahad en de liefdezieke Lady Elaine, zo goed als de
Kristelik-Schopenhauerse Graalheld bij Wagner en de »fin-de-siècle"
Pelléas en Mélisande; in 't algemeen staan ze daar nog verder van af
dan Ridder von Trautwegen en jonkvrouw Inge van de flinke Ridders en
schelmse dames van de oude Meester Chrétien de Troyes of van Wolfram
von Eschenbach's kernachtige maar naieve Parsifal.
Maar er was nog wel iets meer in de volksboeken gebleven van de
sentimentaliteit en het sprookjeselement dier oude romans--denk aan
Vigoleis met 't Gouden wiel, de schoone Magelone of Alexander de
Grote--die nog voor een paar generaties menige boerenjongen allerlei
grillen in het hoofd zetten en menig boerenmeisje zilte tranen deden
storten. Ofschoon ook deze volkslektuur niet veel meer van de geur en
de ziel der oude Romantiek bewaard had, dan voor zover de houtsneden
en het papier van de cents-prenten aan de oude, sierlike geïllumineerde
handschriften herinnerden, of voor zover het tegenwoordig publiek denken
deed aan de bloem van de adel in de tijd van Lodewijk de Heilige.
Maar noch deze vergroeide spruiten, noch ginds kunstmatig doen herleven
van 't voorheen, is het wat feitelik van onze tegenwoordige kultuur
naar de Ridderromantiek terug leidt. De verbinding is dieper en meer
vertakt. De moderne Franse roman,--of die nu het moderne Parijs
schildert, of zich verdiept in de psychologie van de liefde,--kan
met de nodige schakels direkt op de dertiende-eeuwse Franse romans
teruggevoerd worden, evenzeer als de stamboom van de moderne Engelse
roman, van het spannende, excentriese genre, ons terug brengt tot de
ingewikkelde mystieke verhalen van de Arthurcyclus. De gehele moderne
liefde-lyriek--Lamartine, Heine, zowel als bij ons in Denemarken
Christian Winther--leeft van motieven en zingt in een toon die
de troubadours en de minnezangers het eerst ontwikkeld hebben. En
afgezien van het puur-literaire, zijn het de gehele moderne vormen der
samenleving zowel als veel van de moderne sentimentaliteitskultuur die
op de tijden van toernooien terug gaan en op die waarin dames er hun
apart hof op na hielden. Onze begrippen over een »gentleman" en een
»lady", over ridderlikheid en vrouwelikheid, over liefde en eer, over
goede zeden en nette manieren, dat alles heeft zich ontwikkeld uit de
idealen die zevenhonderd jaar geleden ontstonden aan de hoven van de
landgraven van Thuringen of die van Provence en Champagne.
Wat dus hier onder de naam van Ridderromantiek der Middeleeuwen
samengevat is, die Franse en Duitse kultuur der 12de en 13de eeuwen,
aristokraties, sosiaal en romanties, betekent daarom de studie in
oorsprong en in een hele ontwikkelingsfase van de moderne dichtkunst
en zelfs van de moderne maatschappij.
I.
VAN BARON-BURCHT TOT RIDDERHOF.
Ons uitgangspunt zal de anarchie van de adel zijn die in het 11de eeuwse
Frankrijk en Duitsland haar toppunt bereikte. Door het eentonige
monnikenlatijn van de kronieken heen, komt ons het lawaai en de
verwarring tegemoet van het onophoudelik gekrakeel der grote
Heren,--door dat van een Raoul Glabers van Cluny, de abt Guibert van
Nogent, Ordericus Vitalis in zijn Normandies klooster, zo wel als de
Beierse abt Ekkehard of de Sassenbisschop Tietmar. De kroonvazallen
heersen zo goed als geheel onafhankelik, elk in zijn eigen landje; in
Frankrijk onder de zwakke Capetingers, in Duitsland onder de alles
onderste boven werpende strijd der Saksiese keizers met de Pausen.
In Frankrijk zijn het hertogen als die van Normandië, Bourgondië,
Aquitanië, graven, als die van Vlaanderen, Poitou of Toulouse. In
Duitsland de hertogen van Beieren, Zwaben, Saksen, de markgraven van
Babensberg in Oostenrijk, de Paltsgraven van Wittelsbach en de
landgraven van Thuringen. En onder hen weer een hele massa van kleine
burchtheren en gewone baronnen die het met elkaar en met hun leenheren
even dikwels aan de stok hebben als de laatsten met de Koningsmacht. Elk
voorjaar trekken de Heren met hun volgelingen te velde, om hun buurman
een stuk grond te ontnemen; en naar aanleiding van de ene of andere
belediging, uit bloedwraak of uit tijdverdrijf, om de boerenhofsteden en
de kooplieden langs de openbare weg te plunderen of steden en kloosters
te brandschatten. In Anjou raast de zwarte graaf Foulques als een
wild beest, in Normandië staan de boeren in hun wanhoop tegen hun
onderdrukkers op, maar worden weer ten ondergebracht, met een wreedheid,
wier bizonderheden de kronieken koelbloedig uitvoerig vermelden, te
Brugge vermoorden de samengezworen baronnen de »goede" graaf Karel
midden in de kerk en gebruiken daarna deze laatste als vesting tegen de
Koning en de burgers. Bij Guibert kan men lezen hoe de intrigante gravin
van Namen, Enguerrand de Coucy en diens bloeddorstige zoon Thomas de
Marle, jaren lang de omstreken van Laon in een eeuwige onrust hielden.
En over de wijze waarop menig Hendrik van de Welfen en menig Frederik
van de Staufen in Frankenland en in Zwaben huis wisten te houden, daar
weten de Duitse kronieken genoeg van te verhalen.
Wat zijn ze ruw en plomp, al die »barones" en »milites"; met een robust
geweten en een vrolik gemoed slaan ze hun medemensen dood, hebzuchtig
als de gieren strijken ze op goederen en vee neer en als dolle stieren
op de vrouwen. Even uiterlik als hun verhouding is tot wet en recht, zo
is die tot het Kristendom. Steeds is hun weer ingestampt, dat men, om
zalig te worden, gedoopt moet worden, de mis moet bijwonen, moet vasten,
te communie gaan en dat doen ze dan ook, maar meer laten ze zich door
geen enkele kerkelike band in hun vrijheid beperken. Integendeel,--als
rebellen staan de baronnen in hun anarchie tegenover de Kerk, gelijk ze
het recht trotseren en de maatschappij. Het is niet alleen wetteloosheid
die er heerst, maar een gewilde teugelloosheid, de baronnen zijn niet
alleen zonder moraal, er zit een godvergeten woestheid in hen, die aan
het Titaniese herinnert uit de tijd der Italiaanse renaissance. Een
hunner heeft er plezier in zijn biechtvader op Goede Vrijdag op een
kolossaal banket te nodigen en hem zijn dikke buik te wijzen, »vol van
de eere Gods"; een ander houdt er een hele harem, d. w. z. bordeel op
na, voor het uiterlik een nonnenklooster. De ene vrouw na de andere
laat men lopen, rooft die van zijn buurman en dwingt de kerk om zowel
de scheiding met de ene, als het huwelik met de volgende te wettigen.
Een baron laat zijn gevangenen bij de geslachtsdelen ophangen of bij de
duimen en hangt er zware stenen aan, om het gewicht te vermeerderen. Een
ander die het met zijn leenheer te kwaad heeft gehad en hem eindelik
in zijn macht heeft gekregen, werpt hem in de gevangenis, maar laat
hem 's winters in een nat hemd voor een open venster in de gevangentoren
plaatsen, totdat het hemd door de ijzige wind bevriest. Een Normandies
ridder en zijn vrouw laten een onneembare toren bouwen en wanneer die
gereed is, laat de burchtvrouwe de bouwer doden, om zeker te zijn dat
hij voor de buren niet ook zulk een toren zet. Niet lang daarna jaagt
zij haar man ook weg, zij wenst alleen te zijn; hij ziet echter kans
weer binnen te komen en dan laat hij haar om 't leven brengen.
Over deze en dergelijke dingen kan de kroniekschrijver een »ach"
en »wee" laten horen en er de vloek der kerk over inroepen. Maar
toch, in al die bandeloosheid schuilen krachten, waarvan de ogen der
geestelikheid alleen de slechte kant gezien hebben. De ideale kant,
de idealen zelf en de aspiraties welke in hun beste ogenblikken die
anarchie van de adel bezield heeft, die ontrolt zich voor ons in
de nationale heldendichten, die op de grondslag van oude sages en
overleveringen door 't vlees en 't bloed van de adel geschapen zijn. In
Frankrijk hebben wij die nog vrij zuiver in het »Chanson de Roland" en
nog een paar anderen van de oudere »Chansons de geste", in Duitsland
is die in het Nibelungenlied en »Goedroen" overstreken met een laagje
ridderromantiek dat er eerst afgeschrapt moet worden. Maar door het
woeste en het ruwe in deze gedichten, schijnt een noblesse en een
krijgsgeest van hoge menselike waarde.
Neem b.v. de wanhopige heldenstrijd van Roland en zijn wapengenoten bij
Ronceval tegen de scharen der Saracenen of Ogier li Danois die geheel
alleen zijn burcht tegen het leger van Karel de Grote verdedigt. Of wel
de geschiedenis van Siegfried die Brynhilde wil trouwen, en het bloedbad
der Nibelungen in Huneland op de tochten der Vikingen en de hevige
zeeslagen in »Goedroen". Dat zijn beelden van een machtig spel van
het noodlot waar het om leven en dood gaat, krachtige majeur tonen en
hartverscheurend tragies. Verheerliking van de man en het mannelike,
verheerliking van kamp en strijd. Die heldendichten verkondigen ook de
moraal van een elementaire oorlogseer, ze bezingen wat Roland en Olivier
samenbindt, en Hagen en Volker en schilderen het opperhoofd en zijn
getrouwen, Karel de Grote en zijn twaalf pairs, Didrik van Bern met zijn
twaalf »Recken". Het grote ideale beeld van de krijgskoning en zijn adel
is Karel de Grote op zijn »faldestueil" in de koningshal te Aken, in de
Raad met zijn baronnen of op de morgen van de slag aan het hoofd van
zijn leger.
Maar dit hoort eigelik bij de oudere lagen der Heldendichten, de
inspiratie uit het meer oorspronkelike stadium in de maatschappij van
de _clans_. Gedurende het uitéénvallen van het oude soldatenkoningschap
en de anarchie der baronnen, ging de belangstelling der heldendichten
over op de Vazallen en de Baronnen en schilderen zij nu de krijgsadel in
zijn geweldige worsteling met de onbekwame en despotiese vorsten--het
rebelliese zich zelf op de voorgrond zetten van de Franse Heemskinderen
of de Duitse Hertog Ernst--en de veten der baronnen onder elkaar,
dezelfden waarvan de kronieken _hun_ beeld gaven. Maar Begon, de
»oorlogsdemon" en Raoul de Cambray uit de chansons de geste of Hagen en
Krimhilde van het Nibelungenlied, die hebben ook een soort Idealiteit;
wat laten die zich niet met geniale kracht op hun »baronscap" of hun
»Reckenthum" voorstaan als adelmensen die ver boven monnikskappen en
kramers en de verachtelike menigte verheven zijn, zij, Heer over hun
eigen wil en aan geen andere wet gehoorzamende van mensen nòch van God,
dan die welke zij zich zelf voorschrijven.
Dat is, gezien in de dubbele spiegel van kroniek en heldendicht, de
adelsanarchie in Frankrijk en Duitsland. Maar er voltrekt zich in
de 11de en 12de eeuw--voorlopig handelen wij hier voornamelik over
Frankrijk--een ontwikkeling die in het een zoowel als in het andere
genre al in de kiem te vinden is en die ten slotte verder voert dan
baronnen-werkelikheid en baronnen-idealen.
Uit die anarchie rijst weer een maatschappelike orde op. De kastelen
die de baronnen overal in het land gebouwd hebben ter bescherming van
hun eigenmachtig optreden, zijn feitelik de cellen voor een nieuwe
maatschappij geworden. Achter de muren en grachten wordt er op die
burchten een leven van tot zekere hoogte veilige voorspoed geleid;
de familie en het gezin worden door het samenleven als één, vooral de
eenzame winteravonden, wanneer het met de oorlog en de jacht gedaan
is; in de gedichten zien wij de baron bij de haard zitten met zijn
echtgenote, haar innig kussen en zich verheugen over het spelen van een
paar flinke jongens, of wel hij zit in de hal met zijn mannen en hoort
een zanger de heldendichten voordragen. Als er niets anders te doen
is, houdt men wapenoefeningen of men speelt met de teerling of er wordt
gedanst. Ook begint men het huis te verfraaien; de balken worden fraai
uitgesneden en met ornamenten versierd, ook de muren worden geschilderd
of bekleed met geborduurde behangsels. Er komt gezelligheid en gevoel in
het leven der baronnen, een zekere schoonheid en een drang naar
geestelik verkeer.
Aan de voet van de burcht ontstaat een kleine maatschappij, die zich
onder de bescherming van de burchtheer stelt, opdat hij op zijn beurt
hen beschutte tegen de andere baronnen en de struikrovers zal laten
ophangen. En hoe volkomen willekeurig de baron zich ook tegen zijn
boeren en dienstmannen moge gedragen, toch komt er een zeker gevoel
bij hem op van zijn plichten als beschermheer en ontstaat er een
landsvaderlike verhouding van hem tot zijn »serfs". De burchtvrouwe
begeeft zich naar 't dorpje en zorgt voor de zieken en de armen en
wanneer de heer weduwnaar mocht worden zonder kinderen, dan komen de
kleine burgers en vragen hem om toch vooral weer te trouwen opdat zij na
zijn dood niet zonder heer zullen achterblijven.
Ondertussen zijn ook de kleinere burchtheren door de desorganisatie
van het leenstelsel steeds afhankeliker van de vorsten geworden en
langzamerhand bouwt zich dat trapsgewijze op: Seigneur, Vicomte,
Graaf en Hertog; meer en meer beginnen geschreven kontrakten en een
gedétailleerd gewoonterecht de onderlinge rechten en plichten tot in de
kleinste kleinigheden te regelen. Stukken welke uit die tijd stammen,
tonen heel duidelik hoe hoog ontwikkeld het feodale geweten is en zelfs
in woeste heldendichten vertoont de kleine vazal dikwels onkreukbare
trouw jegens zijn leenheer, maar hij zegt hem zijn manschap ook zonder
gewetenswroegingen op, wanneer de leenheer _zijn_ plichten niet nakomt.
Onder deze omstandigheden ontwikkelen graafschappen en hertogdommen zich
meer en meer tot werkelike rijken, onder vaste vorstendynastiën, en de
kleine vorsten verbieden »les guerres privées", trekken rond en breken
de »chateaux forts" af, stellen baljuws aan en richten rechtbanken op;
meer en meer van de eigendommen der baronnen komen in hun eigen handen,
terwijl zij de baronnen om zich heen verzamelen bij hun hof, waar ze de
hoge plaatsen innemen en deel uitmaken van de raadgevende vergaderingen.
Op die wijze verzamelt de Vlaamse adel zich aan de grafelike hoven van
Ardres, St. Pol, Boulogne of aan het hof van den leenheer te Atrecht of
Brugge, de adel van Champagne aan het hof te Troyes, in Provence, te
Brienne of Bar; de adel van Languedoc aan de hoven te Toulouse, Narbonne
en Beziers. In plaats van de treurige, armoedige burchten overal in 't
land verspreid, waar een zeer beperkte kring een vrij eentonig leven
geleid had in tamelik primitieve toestanden, en om zo te zeggen, onder
voortdurende dreigementen van vijandig-gezinde buren, daar komen nu die
vorstenhoven op als de middelpunten van de adel en met een sosiaal leven
onder veel gunstiger en vreedzamer omstandigheden.
In 't algemeen kan men zeggen, dat de adel zijn levenswijze en zijn
wijze van denken aristokratiseert, terwijl die zich aldus om de vorsten
heen organiseert. Het is dan ook in deze tijd dat de standen zich meer
van elkaar gaan onderscheiden. Door de strijd om de investituur, de
invoering van het celibaat en de ontwikkeling der monniksorden, neemt
de geestelikheid een geheel aparte plaats naast de burgermaatschappij
en de staatsorganisatie in, en wordt onder de leiding der pausen tot
een Europese, internationale grootmacht. Ondertussen verzamelen de
handwerkers zich in hun gilden en gemeenten, kooplieden werken zich
op tot rijkdom en verkrijgen privileges en de grote steden beginnen
in het Noorden zowel als het Zuiden van Frankrijk, door hun uitdagende
houding, ekonomiese zowel als politiese vrijheid te verwerven. Zowel de
geestelikheid als de burgerij stellen door allerlei machtsmiddelen paal
en perk aan het vrije optreden van de adel en de kloosters scheppen
zich een eigen opbouwende, stichtelike literatuur, evenals de burgerlike
geest zich weldra zelfstandig uit in een humoristiese vertellingtrant en
didaktiese dichtkunst. Maar daarentegen verschanst de adel zich des te
exclusiever tegenover de klerken en de kramers achter zijn macht en zijn
privileges en leeft zijn eigen afgesloten leven in een maatschappij, die
door heel haar wijze van zijn zich als een hogere stand en een
soldatenkaste wil doen gelden en zich weldra ook een heel wat
karakteristieker _adellike_ dichtkunst vormt dan de nationale
heldendichten geweest waren.
Maar het waren niet alleen die andere standen die de adel in 't gedrang
zouden brengen. Van het jaar 1100 af blijft het daarvóór zo diep
gezonken koningschap langzaam maar voortdurend in macht toenemen. Van
Lodewijk de Dikke tot Lodewijk de Heilige groeien de koninklike domeinen
stukje voor stukje aan: van Ile de France breidt het land in direkt
koninklik bezit zich langzamerhand over het grootste gedeelte van
Noord-Frankrijk en grote stukken van het land zuidelik van de Loire uit,
en waar Lodewijk de zesde in 't jaar 1100 nog in eindeloze veten lag
met de kleine rebelliese burchtheren bij de Seine, kan Philip Auguste
in 1214 de verenigde legers verslaan die de Engelse koning, de Duitse
keizer, de graaf van Vlaanderen en andere rebelliese leenmannen tegen
hem aan hadden gevoerd. De geestelikheid staat met de machtige abt Suger
de St. Dénis en later bisschop Guillaume van Parijs steeds aan de kant
van het koningschap en de staatsautoriteit, en aan de Universiteit
werden de docenten van het Romeinse recht de beste steunpilaren van de
kroon; als koninklike baljuws en drossaten, werden ze uitgezonden om,
ten koste van het feodale lokale bestuur, de rijksadministratie en
wetgeving meer en meer te centraliseren.
Maar het gevolg van die innerlike organisatie en de uiterlike
beperking van de adel is nog bovendien dit--een andere zijde van de
ontwikkeling--dat een groot deel van de krijgshaftige teugelloosheid van
de wereld der baronnen onschadelik gemaakt moet worden, omdat die in de
nieuwe maatschappij geen plaats kunnen vinden, niet in de nieuwe vormen
»in-getemd" kunnen worden. Er zijn jongere zonen, die, al naarmate
het eerstgeboorte recht bij de leenssuccessie toegepast wordt, zich
van hun erfdeel beroofd zien en die daardoor tot een afhankelik hofleven
bij de oudere broeder gedwongen worden; er zijn burchtheren, wier
»chateau-fort" door de leenheer tegen den grond gegooid is of die arm
geworden zijn omdat het volkje aan de voet van de burcht een charter had
weten te verkrijgen en weigerden belastingen te betalen en de verplichte
arbeid uit te voeren; bovendien nog al die onrustige elementen die zich
niet in een meer geordende maatschappij vinden kunnen. Uit deze adel
zonder land die niets heeft om voor eigen rekening om te vechten, worden
de »chevaliers errants" gerekruteerd, die ridders die rondtrokken en hun
armen en hun zwaard verhuurden als soldeniers--soldaten--aan de een of
andere vorst, of die op avontuur uittrokken en zo dikwels genoeg in hun
verval als struikrovers eindigden of zich bij de benden van Navarrezen,
Brabanders en andere »routiers" aansloten die het Frankrijk van de 12de
eeuw onveilig maakten. Een surrogaat voor de vroegere »guerres privées"
werden ook voor velen de toernooien, die--oorspronkelik de oudste soort
wapenoefeningen--in deze tijden meer en meer tot een feest werden,
waarmede de vorsten in vredestijd de onrustige, oorlogszuchtige ridders
bezighielden. Lang trachtte de geestelikheid die te verhinderen, maar ze
bleken een zeer doelmatige veiligheidsklep voor de maatschappelike orde
te zijn en de afstammelingen van de altijd kibbelende baronnen vonden er
behagen in, de gehele zomer door, van 't ene toernooi bij de vorstelike
hoven naar het andere te trekken. En 's winters vond men weer een
ander surrogaat voor het vrije leven van strijd in het voordragen van
heldendichten, wat nu in de mode kwam. Want het was nu eerst dat het
grootste deel van de heldengedichten geredigeerd werd waarin wij de
ideale zijde van de geest der baronnen uitgedrukt zagen en dat zij
algemeen op de burchten gelezen werden; het »vertel, vertel!" dat men
in de 12de eeuw over heel Frankrijk horen kon, is niet anders dan een
uitdrukking er voor dat zekere krachten die in de werkelikheid geen vrij
spel meer hebben, nu dit plezier op 't gebied van de fantasie moeten
zien over te brengen. Maar ten slotte vond de maatschappij nog een
veiligheidsklep in de krijgstochten en emigraties die gedurende de
hele 11de en 12de eeuw de Franse adel aderlaten en daardoor een grote
hoeveelheid van gistende stoffen verwijderen. Onder aanvoering, zeer
natuurlik, van de Noormannen--de laatst er bij gekomenen van de
Germaanse soldatenvolkeren--staken de mannen van Anjou, Bourgondië en
Vlaanderen over naar Engeland onder Willem de Veroveraar en schiepen het
machtige Engels-Normandiese rijk; andere Noormannen hadden zich kort
daarvoor in Zuid-Italië vastgezet en daar te Napels en op Sicilië een
Frans rijk gegrondvest; op het Pyrenése schiereiland steunden Franse
baronnen Aragon tegen de Arabieren en een Bourgondise hertogszoon
richtte een koninkrijk in Portugal op. En nu kwam Paus Urbanus en sprak
te Clermont de verstandige woorden tot de adel: »Het land dat gij
bewoont is te klein voor uw aantal, het heeft geen levensmiddelen genoeg
om U allen te voeden. Daarom verscheurt gij elkander en eet gijlieden
elkaar op. Sluit liever vrede en volgt mij op mijn kruistocht." Met
entoesiasme greep de Franse adel deze oplossing aan en een hele eeuw
lang werd het Oosten nu de plaats waar het instinkt van de vagebond en
de grootspreker, waar eergierigheid en lust tot avonturen uiting en
bevrediging konden vinden, alle gevoelens waarvoor er geen plaats was in
het Frankrijk dat zich nu vormde.
De ridder is het type van den adel in de 12de en 13de eeuw, gelijk de
baron het was in de 11de eeuw; waren toen de verspreid liggende kleine
kastelen de centra van het adelsleven, nu worden het de grote grafelike
en hertogelike hoven en die roepen tot ridderspel op en kruistocht,
waar de adel alom aan mededoet. In de 12de en 13de eeuw is »Ridder" de
aanduiding van de kleine adel, die slechts weinig grond bezit, zo al
iets, maar die in dienst staat bij de grote seigneurs of die dan eens
hier dan eens daar verblijf houden en die in bizondere mate de
krijgsdienst en hofdienst tot hun levenstaak gemaakt hebben. De grote
baronnen die hun goederen besturen moeten, hebben dikwels noch lust om
zich op toernooien en in oorlogen in de wapenen te oefenen, noch om aan
de hoven te dienen, dikwels laten zij zich dan ook helemaal niet tot
ridder slaan. Aan de andere kant vindt men vele edellieden die te arm
zijn om zich de dure wapenrusting aan te schaffen of het strijdros en
de wapenen waar een ridder van voorzien moet zijn; die blijven geheel
hun leven »equyers". Maar er zijn jongere zonen van goede familie of
kinderen uit de verarmde adel die aan het hof van een vorst aangenomen
worden en daar opgevoed; daar worden ze dan in de wapenhandel geoefend
en leren er allerlei hofdiensten; wanneer ze òf de heer die ze dienen òf
hun familie er toe kunnen brengen hun een wapenrusting of een paard ten
geschenke te geven, dan worden ze bij het bereiken van de mannelijke
leeftijd »adoubé", met het zwaard omgord, en ontvangen ze de »colée",
de ridderslag met verschillende ceremonieën, en dan moeten ze voortaan
hun »chevalerie" hoog houden, door zich zelf te voorzien, of zich
door anderen te laten voorzien van ridderwapens en paard en door zich
vlijtig in de wapenen te blijven oefenen. De ridders zijn daarom,
niettegenstaande het feit dat zij dikwels onvermogend zijn, tot zekere
hoogte een adel in de adel, zij zijn het die bij de hoven een opvoeding
hebben gehad, het meest met hun stand overeenkomende en die door hun
wapenen de oude eer van het vroegere werken van de adel ophouden. Het
is een zeer individuele adel, niet erfelik en niet geërfd, maar door de
enkeling verkregen, door zijn persoonlike verdienste en door zijn gehele
wijze van leven opgehouden, bovendien ook een zeer ideële adel, noch aan
grondbezit, noch aan bepaalde leenstoestanden gebonden, maar door de
traditionele woorden tot de jonge ridder: »Sois preux!" aan het adelike
krijgsmansideaal gewijd, dat zich langzamerhand gevormd had. En het is
deze élite-adel, zeer individueel en ideël die in de 12de en 13de eeuw
de drager wordt van de adelkultuur...
Op het baronnenleven en de baronnenpoëzie volgt een ridderlike
hofkultuur en een ridderlike, avontuurlike poëzie...
II.
KRISTELIKE GEVOELSKULTUUR.
»Zalig zijn de zachtmoedigen... zalig zijn de barmhartigen... zalig zijn
de vreedzamen... hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken."
Kan men zich een groter tegenstelling denken met de krijgsmoraal die
de baronnen in hun geweten gegrift vonden, dan zulke woorden die de
huiskapelaans en biechtvaders overal de baronnen en hunne volgelingen
lieten horen? »Zalig zijn die treuren... het is lichter dat een kamel
ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het koninkrijk
Gods... Gij lieden moet den boze niet wederstaan... zoo iemand achter
mij wil komen, die verloochene zich zelven en neme zijn kruis op en
volge mij!" Wat zal deze monnikenleer niet vreemd die Seigneurs met hun
heersersmoraal in de oren geklonken hebben! En toch was die kristelike
levensopvatting door vele eeuwen heen offisieel aangenomen en het in
alle lagen der maatschappij bekende geloof geweest, van kindsbeen af
was elke baronnenzoon in zijn kristendom opgevoed geworden; met de
stille stem van de biechtstoel had dat tot het geweten gesproken,
op de hoogtijden der kerk was het door de priesters verkondigd en nu,
in de 11de eeuw stond een machtige Europese kerk in de dienst van dat
geloof en een talrijk leger van geesteliken streden in scholen, bij de
kommuniegang en bij het ziekbed voor de zaak van Kristus.
Zekere kanten en vormen van het Kristendom waren altijd verenigbaar
geweest met de levensopvatting der baronnen. Reeds van de tijd der
Roomse keizers en de frankiese koningen af, had de kerk zich veelal aan
de zijde van de Groten en de Heersers geschaard en getracht ze er van
boven af voor te winnen de lagere volksklassen te kerstenen. »Geef
Caesar wat Caesar's is... zo onderwerpt u dan Gode", heet het in de
schrift en de kerk zalfde de koning, verklaarde zijn persoon heilig en
onschendbaar en steunde de vorsten tegen hun onderdanen. Evenals de kerk
zich zelf monarchisties organiseerde onder de paus, tracht die overal
een daarmee overeenkomende hierarchiese indeling van de maatschappij
in te voeren en te steunen. Gelijk de heerscharen der engelen in negen
rangklassen ingedeeld waren, van de seraphine tot de laagste gewone
»boodschappers", of gelijk de goddelike openbaring zich in de
geschiedenis trapsgewijze voltrok door zeven wereldtijdperken heen,--zo
was ook de sosiale standenindeling een goddelike instelling.
De natuurlike deugden van de adel kwamen bovendien dikwels vrijwel
overeen met die welke het Kristendom inprentte. Hoe dikwijls vond de
kerk niet bij de besten der edellieden een drang om de zwakken te
beschutten, een mildheid tegenover de armen en een trotse hoogmoedigheid
tegenover de overwonnenen die men zonder aarzeling tot kristelike
deugden zou kunnen stempelen? En het gevoel dat de baronnen als »mensen"
tegenover hun leenheer stonden--hoe gemakkelik liet zich dat niet
verklaren tot trouw jegens den Hemelheer? Reeds de oud Angelsaksiese
en Nedersaksiese dichters zongen van Kristus als de volksleider, de
zegevorst die met zijn twaalf getrouwe »mannen", of »Recken", om trok,
totdat een van hen tot verrader werd en zijn Meester in de handen van de
vijand overleverde. En nu in de 11de eeuw, houdt de stervende Roeland
zijn God de handschoen voor, gelijk een vazal zijn handschoen uit doet
wanneer hij in de tegenwoordigheid van zijn leenheer komt. Menig bejaard
ridder ging in zijn oude dagen in een klooster--gelijk van vele helden
uit de gedichten verteld wordt--en diende trouw zijn hemelse heer,
wanneer hij niet langer de macht had om zijn aardse heer te dienen.
»Toen ik de eer had", zeide zulk een oude edelman in 't klooster, die
ootmoedig 't werk van een kaarsdrager op zich genomen had, »ridder
te zijn in de wereld en graaf, droeg ik gewillig de fakkel van een
sterfelik koning; zou ik dan nu niet des te gewilliger een kaars dragen
voor de hemelse keizer die ik nu dien?"
Het Kristendom zelf werd gekleurd door de aristokratie, eerst van
het Romeinse keizerdom en daarna van de feodale maatschappij. Op de
kristelike ootmoed en de drang om te knielen en te aanbidden, was
het algemene servilisme niet zonder invloed. Wanneer men de brieven
der geesteliken aan hun superieuren leest, of aan vorsten, of de
grafschriften over hen, dan ziet men pas goed, hoe de kruipende
beleefdheidsvormen van het Roomse keizerdom in het ootmoedige
ceremonieel der monniken en de onderdanige politiek der kerk overgegaan
zijn; terwijl de briefschrijver de geadresseerde overstroomt met titels
als »Uwe Voortreffelikheid", »Uwe Grootmoedigheid" en »Uwe Genade":
kruipt hij zelf in elkaar als »mea parvitas" en »mea humilitas". En
wanneer men de geestelike kronieken leest, ziet men overal de gebogen
nek van de monnik, die 't liefst zijn eigen mening onder stoelen en
banken steekt, of in elk geval slechts vage en voorzichtige woorden over
de machtigen op aarde uiten durft en van de panegyriën der antieke
rhetoren over hun keizer en Maecenas, heeft hij een hoogdravende en
opgemaakte stijl van zijn lofzanger geërfd, die 't eerst in de officiële
»Vitae" der heiligen aangewend werden, maar langzamerhand op de
wereldlike grote Hansen en mondaine onderwerpen overgebracht werd. Met
plompe hovelingen-vleierij en in een opgeschroefde, bombastiese stijl
vertelt hij van »de god-gewijde en om zijn vroomheid zo prijzenswaardige
Jarl Adgar en zijn voortreffelike zonen" of »Philip, 's konings zoon,
dewelke een liefelike bloem der jeugd is, die door de edele eenvoud van
zijn aangezicht en de schoonheid van zijn lichaam waardig geschenen
zou zijn over de gehele wereld te gebieden", en in de gezwollen stijl
van de heiligenlevens, met voortdurende paralellen uit de bijbelse
geschiedenis, wordt de nietswaardige Lodewijk de Vrome verheerlijkt,
of de moord op de »goede" graaf Karel geschilderd en bij de dood van
een der meest wereldlike en intrigante koninginnen, getuigt de kerk
dat zij over de gehele wereld straalde door de glans van haar koninklike
geboorte, zij smukte de adel van haar geslacht door haar eervol leven,
verrijkte die door haar reine zeden, versierde die door de bloemen
harer deugden en overtrof bijna alle andere wereldse vorstinnen, door
de roem harer onvergelijkelike rechtvaardigheid. Door de idealiserende
verheerliking der voornámen en hun leven konden zulke kronieken heel
dikwels de onmiddellike voorgangers zijn van de heldendichten der
baronnen en van de Ridderromans; evenals de kerk in het wereldlike leven
medehielp om het gebouw der feodale hiërarchie te bevestigen, door er de
stopverf der kristelike onderdanigheid bij te doen.
De verhouding van de kerk tot het krijgswezen was niet onverzoenliker
dan tot de adel. Natuurlik moest het Kristendom in theorie zowel als in
praktijk met afgrijzen voor het bloedvergieten terugdeinzen. Maar een
zeker militair element drong toch reeds vroeg in het Kristendom door.
De Schrift zelf schildert reeds de Kristelike loopbaan als de _strijd_
voor het Geloof. In de 2de en 3de eeuwen spreekt men van de _strijdende_
Kerk, de _strijders_ van Kristus; de doop wordt vergeleken met de eed
die de soldaat op het vaandel aflegt en de martelaren die hun geloof met
hun bloed bezegeld hebben, heten: »militum Christi cohors candida".
Spoedig zag de kerk ook al in dat de gewapende macht een noodzaak was en
trachtte de machtigen voor zich te winnen door hun de zege te beloven;
Constantijn de Grote, zowel als de Frankenkoning Chlodewig, moeten
beloofd hebben het Kristelike geloof aan te nemen indien Kristus hun
wapenen de zege wilde verlenen. En van nu af was dat de gewone toestand:
de soldaten zochten de hulp van Kristus en de kerk in de slag en de
kerk trachtte de arm der soldaten voor haar bescherming te winnen.
Constantijn zette het monogram van Kristus in zijn banier en een der
kruisnagels in zijn helm, een ander in zijn leidsels. Karel de Grote
had een zwaard dat hem door een engel uit de hemel gebracht was en zijn
lans was dezelfde die eens in het lichaam van Kristus gestoken was. De
ridders lieten relikwieën in de handvatsels van hun zwaarden zetten en
deden hun wapens en de uitrusting met wijwater besprenkelen. Daar staat
tegenover dat de kerk onder haar heiligen de Cappadociese ridder Joris
had die de draak doodde en de prinses redde--de oude draken-doder der
heldensagen die tot ridder geslagen is--en dezelfde H. Joris werd nu de
heilige der soldaten.
Van betekenis werd het ook dat de kerk langzamerhand iets bij de
ceremonieën van de ridderslag te zeggen kreeg. Reeds van het begin der
11de eeuw vindt men een kerkelik ceremonieel voor de »zegening van de
Ridder", maar in elk geval werd het op het einde van de eeuw gewoonte
dat de geestelikheid de wapenen van de jonge Ridder zegende, zelfs
dienaren hem die aangordden en zo kwam natuurlik de ridderschap de
plichten mede te brengen, ook in de kristelike deugden vooraan te staan
en het zwaard te wijden »ter bescherming van de kerk, der weduwen en
wezen en alle dienaren Gods." De gehele drang van het ridderwezen
tot daden, om alle krachten boven het gewone en het gemiddelde in te
spannen, om door zijn verdiensten roem en eer te verwerven--was dat
niet hetzelfde streven dat alle kluizenaars en monnik-asceten der kerk
bezielde? Hoe gemakkelik zou dat niet door de kerk van de wereldlike in
de geestelike sfeer overgebracht kunnen worden? Niet weinig eergierige
ridders zetten, wanneer een priester hen tot 't hart gesproken had, er
al hunne zinnen op tot een soort adel van de Maatschappij van Kristus
te worden en onder hen uit te blinken die 't hoogst op de ladder der
volmaaktheid gestegen waren. Daar had men b.v. zulk een figuur als de
gravenzoon Etienne d'Auvergne (11de eeuw) die op een mooie dag van heel
zijn erfenis afstand deed, en alles opgaf, alleen zijn zegelring aan de
vinger behield--het teken van zijn adelike geboorte--en naar een woeste
bergkloof in de buurt van Limoges trok waar hij zich plechtig aan God en
een asceties kluizenaarsleven wijdde.
Al deze aanrakingspunten hadden de baronnen met de kerk. En de meesten
der bisschoppen en abten van de 11de en 12de eeuw die ook zelf door
de goederen der kerk tot de feodale wereld hoorden, zelf leenheren en
vazallen waren, leefden in vrede en vriendschap met de baronnen. Het was
een aristokraties en zeer wereldlik Kristendom dat zij representeerden.
Suger, de abt van St. Denis, de aanzienlikste der prelaten uit die
tijd, leefde geheel en al gelijk een feodaal Seigneur; in zijn klooster
weerklonken de gangen van de gespoorde ridderlaarzen, in de kapittelzaal
onderhandelden advokaten over de geldzaken van het rijke klooster,
Suger gaf schitterende feesten en jachtpartijen voor de vazallen van
't klooster en als de koning uittrok om zijn baronnen te tuchtigen,
volgde de abt hem in volle wapenrusting, onze eigen Absolon gelijk, de
stichter van Kopenhagen, die Aartsbisschop van Lund was, maar tegelijk
de ziel van de krijgstochten tegen de Wenden. Over het klooster van
Cluny schrijft de H. Bernardus dat »spaarzaamheid wordt daar als
gierigheid beschouwd", soberheid als boersheid, stilzwijgendheid als
zwaarmoedigheid; teugelloosheid werd daarentegen als liberaliteit
beschouwd, verkwisting als vrijgevigheid, de praatjes der leeglopers
heten goede manieren, gelach en grapjes zijn vrolikheid.
Maar toch,--nooit kon het geheel verborgen blijven, dat de
levensbeschouwing en de moraliteit van het Kristendom in de grond van
die van de baronnen verschilden. En van 't eigen ogenblik af dat de
Frankiese krijgers de doop ontvangen hadden, had het Kristendom in
steeds toenemende mate als een religie van liefde en zelfverlochening
getracht, de verstokte harten der baronnen te vermurwen en hun stijve
nekken te buigen.
Aan de ene kant dus als de verkondiging van de liefde. De kerk trachtte
tegenstanders tot elkaar te brengen en op de kerkelike feestdagen
gelijk op zekere weekdagen, een Godsvrede uit te schrijven en die deed
altijd alles wat in haar macht stond om krijgsgevangenen los te kopen.
Tegenover het woeste optreden van echtgenoten en broeders, trachtte die
voor de vrouw op te komen, zij beschermde kinderen tegen het egoïsme
der ouders--eeuw in, eeuw uit vocht zij tegen kindermoord, tegen
het uitbesteden en de verkoop van kinderen; zij trachtte slaven en
dienstbaren te beschutten tegen de hardheid en ruwheid hunner meesters;
voor misdadigers die vol berouw de bescherming der kerk zochten, poogde
zij genade te verkrijgen. Bij de hebzuchtige baronnen bedelde zij geld
voor »Gods armen" en voor de bouw van hospitalen. Reeds midden in het
donkere tijdperk der Merovingiërs vond men ze overal als de apostels
van vrede en milddadigheid--een bisschop als de H. Germanus: een oude
levensbeschrijving vertelde hoe hij aalmoezen bij de banketten der
groten verzamelde en wanneer hij dan genoeg bijeen had om een slaaf los
te kopen, dan verdwenen de rimpels van zijn voorhoofd, dan straalde
zijn gezicht, dan liep hij met lichter schreden,--zijn spreken werd
opgewekter, zodat men zou menen dat hij door een ander los te kopen,
zich zelf bevrijd had van het »juk der slavernij";--of een abt als de H.
Wandrégisilus: de oude »vita" vertelt hoe hij eens op een dag toen hij
naar 't slot van Koning Dagobert moest, vlak voor de poort een arme man
zag wiens wagen omgevallen was; de aanzienliken gingen de poort uit en
in, niemand dacht er aan om de arme kerel te helpen, velen gaven hem
zelfs een schop of vertrapten hem. Maar de abt stapte terstond van zijn
paard en leende zelf de helpende hand om de wagen weer op te krijgen.
Een anekdote als deze brengt ons in al haar eenvoud en geloofwaardigheid
duidelik voor 't oog, hoe de kristelike geest in zijn meest gewone,
meest humane vorm tegenover de gevoelloosheid der barbaren optrad.
En nu, in de 11de en 12de eeuw, is dit ontluikend gevoel van liefde van
het Kristendom aangegroeid tot een dwepende sentimentaliteit die als
een warme golf over de harde, woeste wereld der baronnen heenspoelt.
Literair werkt die richting door vertalingen in de volkstaal en door
veel van de meest gevoelvolle poëzie van 't Kristendom in de gedichten
te geven, episoden uit de bijbel, van de oude poëtiese verhalen uit het
evangelie en van de overal welig opschietende Grieks-Latijnse legenden.
Wat werden de hoorders niet geroerd in burcht zowel als hut bij de
voordracht door kristelike zangers van de geschiedenis van Josef--de
uitvoerige schildering van de boze broeders en de hevige smart van de
vader, 's jongelings moeilikheden in Egypte, zijn herstel, de ontmoeting
met zijn broeders en ten slotte de tedere hereniging van vader en zoon.
Wat een allerliefste, treffende kleine idyllen wisten de evangeliese
verhalen niet te ontvouwen van de jeugd van Kristus en Maria: het
verdriet van Joachim en Anna over hun kinderloos huwelik, hun vreugd
toen zij eindelik Maria kregen--het opgroeien van 't meisje in de
tempel en dan de keuze van de oude Josef tot haar echtgenoot,--alle
omstandigheden bij de ontvangenis en de geboorte van Kristus--zijn
spelen met de andere knapen: de zonnestralen waar hij op treedt, en de
vogels van klei die hij 't leven geeft door in zijn handen te klappen.
Vervolgens al die hartverscheurende schilderingen van Jezus' dood en
lijden, de moeder die met het dode lichaam in haar armen klagend
rondloopt, zij kust hem op zijn ogen, wangen en neus, omhelst hem met
»al het zoete harer liefde", baadt zijn lichaam in tranen en smeekt
haar »filium dulcissimum" om een levensteken te geven. En eindelik al
die schone, sentimentele legenden,--over kluizenaars uit wier hand de
leeuwen der wildernis vruchten eten of die zij te hulp komen,... over
de H. Martinus die de helft van zijn mantel aan de bedelaar geeft, of
over Christophorus, ongemeen groot van gestalte, die het kind Jezus op
zijn schouders draagt... over de H. Margarethe, wier reinheidsstralen
haar in de gevangenis tegen de draken van de Duivel beschermen en op
wier schouders de hemelse witte duif nederfladdert. In al dergelijke
kristelike poëzie hoort men tonen die in de muziek der ridderromantiek
terug te vinden zijn.
Dat zijn de vrouwelike zijden van de menschelike natuur, waarvan het
Kristendom zich midden in de ruwe mannen-wereld tot verdediger opwerpt.
Reeds van de oudste dagen van het Kristendom af waren het de vrouwen
geweest die het eerst het Evangelie hadden aangegrepen, zich de
kristelike deugden het gemakkelikst eigen hadden gemaakt en de zaak van
de Kerk bij hun echtgenoten en broeders hadden bepleit. Vele kerkvaders
beweerden ook dat de vrouw vromer is dan de man. Reeds Augustinus leerde
dat zij minder deel aan de zondeval heeft dan Adam. Zij is dan ook van
een zuiverder stof gemaakt; terwijl hij van de dode klei gemaakt werd,
is zij uit het levende vlees gesneden; en zij werd geschapen, op
een voornamer en schoner plaats dan de man, nl. in het Paradijs en
»misschien omdat God de vrouwen zulk een grote eer aandeed, vereren zij
tot dank God hoger dan de mannen het doen." De vrouw--wordt er verder
gezegd--is het zachte, gemoedelike, gevoelige van de twee geslachten.
Daarin ligt een gevaar,--hoeveel vrouwen hebben niet mannen verleid en
week gemaakt? Samson en Salomon zowel als Hercules en Jupiter! (en een
vrouwenhatend monnikendom ontwikkelt dit punt steeds weer); maar de
mildere opvatting legt er meer de nadruk op hoe gemakkelik de vrouw
zich tot het goede laat brengen. Van 't begin af werkt de kerk er ook
energies aan de maatschappelike positie van de vrouw te verbeteren. De
vrouw is uit het dijbeen van de man geschapen--diens »zij-been"--en
behoort ook aan zijn zijde te staan. In schone woorden wordt er
verklaard dat man en vrouw samen in innige gemeenschap leven moeten, zij
moet zijn kameraad zijn en alles met hem delen. En met strengheid wordt
er een reinere geslachtsmoraal geëist die de vrouw tegen de
ongebondenheid van de man beschermd.
Maar daarentegen wordt de vrouw door de kerk meer dan ooit te voren in
haar vrouwelijkheid terug gedwongen; zij moet vrouw zijn, maar dan ook
niets dan vrouw. De geslachtseigenschappen zijn het die alleen haar
waarde bepalen, al haar deugden bloeien in haar geslachtseer. Ambrosius
wil ingetogenheid bij de opvoeding van de vrouw; ook moet er ook voor
gezorgd worden b.v. door een diëet, haar zinnen zo weinig mogelijk
te prikkelen en moet men haar lichaam in een zekere staat van tedere
zwakheid houden, om het jonkvrouwelike, koele, teruggetrokkene bij haar
te bewaren. De missie van de vrouwelijkheid is de begeerten van de man
te bedwingen, zijn woestheid te dwingen om te knielen en om de gunst van
de vrouw te _bedelen_. Maagden--schreef Hieronymus--zijn gelijk engelen.
»Wat anderen later in de hemel zullen worden, dat beginnen de maagden
reeds hier op aarde te zijn." Alle martelaressen hebben geleden voor hun
geslachtseer: de H. Agatha als de H. Lucia of Ursula en de 11000 maagden
te Keulen.
Het grote voorbeeld van de kristelike vrouwelikheid werd de persoon van
Maria. Elke eeuw vinden wij haar weer dichter bij de hemel gestegen,
totdat zij nu in de 11de en 12de eeuw bijna de troon met de Driëenheid
deelt. Op afbeeldingen, in hymnen, in legenden wordt zij als de
Maagd verheerlikt, het ideaal van de reine, jonge Ongereptheid en
tegelijkertijd de Moeder Gods, zij die geleden heeft en liefgehad als
geen ander en die nu de barmhartige pleitster bij Kristus is voor de
zondige mensheid. In de hymnen wordt de schoonheid der gehele schepping
haar als een krans om het hoofd gebonden; zij is de Roos en de Lelie
en de Sterre der Zee en de reine Parel en die aanbidding krijgt een
kleurtje van de meest dwepende liefde-hulde. »Het is voor U gelijk een
kus, Maagd!--zegt Bernard van Clairvaux--telkens wanneer gij het Ave der
Engelen hoort! Telkens wanneer men U ootmoedig met dat Ave groet, wordt
Gij, o Zaligste, gekust!" En de legenden worden niet moe te vertellen
hoe de Madonna de grootste zondaars voor straf behoedt, zoowel op aarde
als hiernamaals, wanneer ze maar ijverig tot haar gebeden hebben en haar
altaar met bloemen versierd.
Terwijl deze schone veilige sentimentaliteitsgolf over de wereld der
baronnen begon te spoelen en op zijn manier de ridder-romantiek
voorbereidde, was er ondertussen nog een andere kristelike gevoelsgolf,
somber en bitter en gloeiend, die zich met de andere vermengde,
maar toch ook duidelik in de latere ridder-romantiek onderscheiden
kan worden. Dat was de religie van de levensverzaking en de
levensverlochening die van uit het Oosten, en door de onderdrukking van
het Jodenvolk in de leer van Jezus gekomen was, en van daar weer over
Europa stroomde.
Naast de Antieken en Germanen met hun robuste Heersersmoraal was het
Kristendom gekomen en had zijn moraal aan de zwakken verkondigd en de
dienstbaren en de ongelukkigen; onder de Slaven had het dan ook reeds
vroeg de meeste proselyten en de meeste martelaars gemaakt. Voor de
Romeinse patriciërs zo wel als voor de Frankiese baronnen had het de
moeilike deugden van de ootmoed en de zelfverlochening, gepreekt en
even onbekend voor Romein als voor Germaan was het bewustzijn van de
zonde dat het Kristendom tracht te wekken en dat het aan het gehele
menselike leven te gronde wil leggen. Uit het Oosten druppelde meer en
meer ascesis en zelfkastijding het Kristendom binnen; in de wildernissen
van Aegypte en Syrië trachtten kristen-kluizenaars elkaar in harde
ontberingen en gruwelike pijnigingen de loef af te steken, en sedert
dien bracht het monnikswezen in andere vormen de gehele zijde van de
zelfverlochening van het Kristendom in systeem. Nu in de 11de eeuw was
de kristelike sentimentaliteit, die zich over de landen verspreidde,
vermengd met veel van de zwarte bitterheid der ascese.
Vrees, angst voor de zonde en voor het verlies van de ziel, dat is wat
de ware Kristen in zijn gemoed moet voelen,--leert men. »Een bedroefde,
naar de aarde gerichte blik, een verwaarloosd uiterlik, ongekamd haar en
vuile kleeren",--zo moet de Kristen er uit zien. Bevend gaat hij door
het leven. Alle geluk en vreugde zijn valstrikken van den duivel en
staan in de soldij van de Dood; smart daarentegen en ongeluk zijn de
voorschool van de Deugd, een beloning die God de uitverkorenen ten deel
doet worden, een pand voor het loon hiernamaals. Men moet dezer wereld
sterven. En afstand doen van geld en goederen,--leerde Kristus niet dat
er geen goud of zilver in ulieder gordels zijn moet en dat gijlieden
heen moet gaan en alles verkopen wat gij bezit? En alle macht en eer
opgeven--alle wereldlike macht is slechts diefstal, alle wereldlike eer
is slechts ijdelheid, leert Augustinus. Van kennis en wetenschap,--»de
wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God," zegt Paulus. Geeft uw
familie, ouders en kinderen op, »indien iemand tot mij komt en niet haat
zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen en broeders en zusters,
die kan mijn discipel niet zijn," zegt Kristus. Men moet het vlees
doden,--was het niet gulzigheid die er onze voorouders in het paradijs
toe bracht van de vrucht te eten? zegt Paus Leo. Men moet zich
vernederen,--»die zich vernedert, zal verhoogd worden". Men moet
geduldig zijn in het ongeluk, zachtmoedig tegenover het onrecht. Men
moet uit zich zelf tot hen gaan die lijden en zich in tranen baden over
de smart van anderen, zelf verdriet gevoelen bij dat van anderen, »wenen
met de wenenden en klagen met de klagenden."
Ook voor deze zijde van het Kristendom stond er een hele kristelike
dichtkunst ter beschikking, die op de fantasie en het gevoel van de
lekenwereld werken kon en een grote massa sombere en droeve legenden,
uit het Latijn en Grieks vertaald, vlogen in de 11de eeuw de wereld door
en sloegen in het menselik gemoed neer. Schilderingen van de pijnigingen
der martelaren en de zelfkwellingen der kluizenaars,--van gevallen
vrouwen zoals Thais en Maria Aegyptiaca, die in hun wroeging allerlei
ootmoedigende en vernederende boetedoeningen voor zich bedenken...
onschuldige maagden, die door woestelingen vervolgd worden... zwarte
misdaden die de straf des hemels over zich halen... moeders, die zich
van hun kinderen losmaken of de H. Alexis die zijn bejaarde ouders en
zijn bruid verlaat, ze aan verdriet en wanhoop overgeeft en die als
bedelaar rond gaat trekken; zonder dat men hem herkent komt hij terug en
woont jaren lang bij hen zonder zich bekend te maken, ofschoon hij ziet
dat zij van smart sterven... alle menselike gevoelens worden getrapt,
alle natuurlike banden verscheurd. Die legenden willen tranen zelfs uit
de meest gevoellozen persen, zelfs de hardste harten tot bloeden brengen
en het zijn dikwels feitelik al heel kleine romans die direkt de
overgang vormen tot de sentimentele richting in de ridderromantiek.
De zelfzuchtige hardheid der baronnen vermurwen, en in liefde
veranderen,--de stijve halzen dier Heren in ootmoedige zelfverlochening
doen buigen--dat is het waar de kristelike gevoelsrichting in de 11de
en 12de eeuw op aan stuurt. In tegenstelling met de beweging der
bedelmonniken in de volgende eeuwen, tracht de Kerk zich voorlopig meest
tot de andere maatschappelike lagen te richten en werkt dan ook het
meeste onder hen uit. De religieuse herleving van de adel wordt goed
geïnkarneerd in de twee grote kerkelike figuren uit het begin van de
12de eeuw. De een is Norbert van Xanten, een voornaam en rijk edelman,
een bloedverwant van keizer Hendrik V. Eens op een dag dat hij in een
prachtig zijden wambuis gekleed, door een wapendrager vergezeld, over de
Rijn reed, werd hij door een bliksemschicht getroffen en bewusteloos ter
aarde geworpen. Daardoor werd hij tot een godsdienstig leven gebracht,
hij verzaakte zijn positie en zijn goederen, gaf zich aan zulk een hard
asceties leven over, dat hij er door op het ziekbed werd geworpen en
werd de stichter van de strenge orde der Premonstratensen, aan het
hoofd waarvan hij stond als een streng niets-ontziend meester. Van meer
betekenis nog was Bernard van Clairvaux. Zijn vader en zijn broeder
dienden als ridders de Hertog van Bourgondië, maar Bernhard zelf was
door zijn moeder een sterk religieus gevoel ingeprent en hij werd
monnik. Hij begon met in heilige geestdrift zich zelf zo te kastijden
dat zijn gezondheid er bij in schoot en daarna maakte hij de
Cisterciensers tot een zeer streng-ascetiese orde; maar zijn ascetisme
viel samen met een mystiese, sentimentele dweperij, die hij van uit zijn
kloostercel aan grote kringen van de Franse adel wist mede te delen,
door preken, traktaten, een uitgestrekte briefwisseling, niet het minst
juist door die heerlik gevoelvolle brieven, bijna in de trant der Duitse
piëtisten, aan de vorstinnen van Lotharingen en Bretagne. Liefde, leert
hij, is het binnenste in de ziel; het komt er op aan het ijs in zich
te smelten en herboren te worden tot de mildheid en klaarheid van het
geestelike voorjaar; zelfzucht in een zee van liefde te verdrinken,
waarin men samenvloeit met het oneindige; wanneer de drang tot die
liefde door het lichaam schijnt, gelijk de lamp door het scherm, dan is
de ziel »huweliks-bereid", bereid tot het geestelike huwelik met het
Woord Gods. En Bernhard vertaalt de gloeiende Liefdes uitingen van het
Hooglied en verklaart die gelijk een mysties-religieus dwepen; in schone
hymnen schildert hij het kindeke Jezus als een minnaar en huldigt de
Maagd Maria met de geestdrift van een troubadour.
Bernard werd dan ook de voornaamste prediker der kruistochten van zijn
tijd. En al waren het ook--zoals wij gezien hebben--in overwegende mate
wereldlike redenen die de meesten edellieden aan de kruistochten mede
deden doen, toch had de gehele godsdienstige herleving dier dagen
er een wezenlik deel aan. De kruistochten betekenen de officiele
Heiligprediking van de oorlog door de kerk. In plaats van de »Gods
vrede" waar men zich zo moeilik aan houden kon, proklameerde nu de Kerk
een »Gods Oorlog", waar men heel wat meer voor voelde. Zo als een der
kroniekschrijvers 't heeft; »God heeft in onze tijd de heilige oorlogen
ingesteld om de Ridders nieuwe middelen tot redding te geven, opdat zij
niet verder genoodzaakt zullen zijn zich aan een monniksleven te wijden
om zich te kunnen bekeren, maar dat zij met hun gewone leven en werken,
tot zekere hoogte altans, zich de genade Gods zullen kunnen verwerven."
De baronnen beschouwen zich nu als de Vazallen Gods: de Koning van het
Paradijs--zeggen zij in een gedicht over de kruistochten van de 12de
eeuw,--heeft zijn getrouwe Franse baronnen ter hulp geroepen »por Dame
Dieu vengier" en om van de heidenen het rijk te heroveren, dat »de
droite Antiquité" aan Kristus toekomt; zij zijn het, verklaren ze, »cil
qui Damedieu servant d'un loyal cuer entier." En de drang der ridders
om zich uit de maatschappij los te maken en op eigen hand eer te
behalen en op avontuur uit te gaan,--die ging om zo te zeggen bij de
kruistochten een kompagnieschap aan met het individualisme van het
Kristendom en werd daardoor geheiligd. In het Kristendom is er toch
reeds van huis uit een tendens die de banden der maatschappij en van
de familie losser maakt; die tendens wees de enkeling op zich zelf aan
en leerde hem dat de zaligheid van zijn eigen ziel het enige is dat
hij steeds voor ogen moet hebben, en dat hij zich alleen door eigen
verdienste kan verwerven. Gelijk de vromen die in het klooster gingen,
alle banden van het familieleven doorsneden en alle burgerlike
verplichtingen van zich afwierpen, zo konden nu de ridders op de
kruistochten het als heilig en verdienstelik beschouwen zich van alle
maatschappelike plichten los te maken en hun lust tot doden op eigen
hand bot te vieren. Maar ongetwijfeld is ook een zuiver godsdienstige
geestvervoering een machtige hefboom geweest voor die beweging. En door
Franse en Provençaalse kruisliederen, gelijk door het lied van de
Duitsche kruisvaarder Ezzo, over »de wonderen van Kristus" klinkt er een
dwepend verlangen naar het graf van Kristus en het Hemelrijk, en velen
waren er die werkelik voelden--gelijk een der kroniekschrijvers van de
eerste kruistocht het uitdrukt--dat »de tijd nu gekomen was waar het
woord van Kristus op doelde: »Zo iemand achter mij wil komen, die neme
zijn kruis op en volge mij.""
III.
WERELDLIKE KULTUUR.
Naast de kristelik-sentimentele beweging was er ook een soort
wereldlike, humane kultuur die zich in de 11de eeuw aan de horizon
begon te vertonen en die niet zonder opvoedende kracht zou blijken.
Het werd al meer en meer duidelik, dat er ook buiten het Kristendom
een beschavingswereld te vinden was,--een beschaving van de manieren en
zeden, intellektueel zowel als aesteties--waar men zijn deel van krijgen
moest op poene van een barbaar te blijven. Geesteliken, die als kleine
jongens in de Latijnsche school het Latijn ingestampt was geworden door
middel van de klassieke schrijvers, konden midden in een scholastiese
discussie op eens een paar citaten uit Virgilius in de mond krijgen,
die hen plotseling vreemde rijken van schoonheid deed vermoeden, en
in uitverkoren kringen dier klerken begon men zich in die antieke
literatuur in te leven en zich te laten doortrekken van, al was het
een zwakke dosis, aesteties humanisme. En ridders die in Spanje geweest
waren en daar gastvrijheid genoten hadden bij de ongelovige muzelmannen,
of kooplieden die in Byzantium vertoefd hadden en een klein idee
gekregen hadden van wat de beschaving daar betekende, die kwamen naar
huis en vonden het leven lelik en vulgair, de zeden plomp en naief,
zelfs in de kastelen van de machtigste baronnen. In de bovenste lagen
der bevolking ontwaakten er toen vage voorstellingen van een hogere,
zuiver wereldlike kultuur--een kultuur, zelfs ongelovig en heidens--en
jeugdige verlangens om daar in door te dringen.
De antieke kultuur was ook nooit in de middeleeuwen geheel afgestorven;
hoe beter men kijkt, des te duideliker ziet men dat de samenhang
ongebroken is, zelfs in de donkerste eeuwen. Als taal der kerk was het
Latijn immers de basis van alle geestesleven der klerken. Het was het
hoofdvak op school, de taal van de godsdienst, in 't Latijn werd de
bijbel gelezen en alle kerkvaders, in 't Latijn disputeerden alle
scholastici en werden alle kronieken en traktaten geschreven. En voor
het onderwijs werden de heidense klassieken gebruikt, in elk geval in
proza-uittreksels en bloemlezingen uit de laatste perioden der oudheid;
in de kloosters werden de oude manuscripten bewaard en afgeschreven, en
al waren er ook strenge richtingen in de kerk die de lektuur van al die
heidense onzin verboden, er zaten toch overal monniken in hun scriptoria
en bisschoppen in de biblioteken der kathedralen die hun otium wijdden
aan de studie van Virgilius of Lucanus, Seneca of Cicero. Had niet
Augustinus zelf de kinderen de lektuur van Virgilius aangeraden »opdat
deze grote, beroemde en uitstekende dichter niet zo licht uit hun
herinnering zal verdwijnen?" En waren de geschriften der kerkvaders niet
gespekt met citaten uit deze heidenen? Ze konden b.v. niet van de goede
rover vertellen die van het kruis naar Kristus op ziet of het vers van
Virgilius liep hen in de pen over de gevangen Cassandra, die haar blik
omhoog hief: »de blik alleen, de magere handen bonden de boeien."
Zo volkomen was feitelik de kristelike leer der kerkvaders en
daarmede die van de gehele middeleeuwen--b.v. die van de moraal
der mensenliefde--van het materiaal der antieken doortrokken, dat,
wanneer de klerken in 't geheim de geschriften der heidenen inkeken,
ze elk ogenblik weer de waarheid zouden ondervinden van de woorden der
kerkvaders dat het niet alleen de Joodse profeten geweest waren, maar
ook veel geesten van het heidendom, die het licht van het Evangelie
reeds te voren hadden zien gloren. Wanneer b.v. Cicero sprak van de
»caritas generis humani" en de plicht in 't algemeen om zijn medemensen
te helpen. Wanneer Lucanus voorspelde dat de volkeren eens hunne wapenen
weg zouden werpen en elkander liefhebben. Of wanneer Seneca ontwikkelde
hoe wij allen ledematen van een lichaam zijn. En was het geschrift van
Ambrosius over de plichten niet slechts een bewerking met een licht
kristelik kleurtje van »De Officiis" van Cicero--evenals men in het
begin van de 12de eeuw de Engelse abt Aelred van Riedval de »Lelius"
van Cicero ten grond kon leggen aan zijn dialogen over »de geestelike
vriendschap"?
Overigens trekt die zelfde abt tegen zijn tijdgenoten onder de
geestelikheid te velde, die tegelijk met de Evangeliën de Bucolica
studeren, Horatius tegelijk met de Profeten en Tullius met Paulus. En in
de 11de en 12de eeuw had de sterke bloei der scholen--vooral in West-
en Zuid-Frankrijk zowel als Noord-Italië--ook daar vruchten gezet die
de ernstige kristenen wel moesten ergeren. Eén dier vruchten was de
vrije gedachte die overal, in Noord als in Zuid, tegen het juk van de
kerkelike autoriteit opstond, in de ketterijen van een Berengarius van
Tours, in de vrije opvattingen der ketters, in Roscelin en Abélard en de
ontluikende Parijse scholastiek. Van groter en direkter belang voor het
literaire leven waren toch voorlopig de geestelike kringen die hier en
daar opkwamen waar men zich niet afgaf met dogmatiese ketterijen, maar
con amore zich aan de profane studie der oudheid overgaf, en zo goed als
't kon, zich door de geest der oudheid liet doortrekken en ontwikkelen.
Het was vooral in de West-Franse provinciën in Touraine, Anjou en Maine,
dat de scholen bloeiden en dat de filosofiese vrije denkers en de
aestetiese humanisten onder de geestelikheid opkwamen.
Daar was Hildebert van Lavardin die eerst een school had te Le Mans, die
daar later bisschop werd en als aartsbisschop van Tours stierf. Hij nam
sterk deel aan de kerk-politiek van zijn tijd en hield zijn bisdom vrij
van de ketterse beweging, maar zoals men hem in zijn talrijke gedichten,
redevoeringen en brieven leert kennen, is hij toch eigelik een leerling
der oudheid. In zijn preken mengt hij voortdurend beelden en
uitdrukkingen van de klassieke dichters onder de bijbelse. In de brieven
die hij aan zijn biechtelingen schrijft, haalt hij dikwels zijn raad en
zijn troostgronden uit de filosofiese epistels van Seneca zonder van
kristelike argumenten gebruik te maken. Een massa wereldlike briefjes
vertonen elegante beleefdheidjes in de vorm van de antieke brievenstijl.
In hopen kleine latijnse gedichtjes proberen de poëten het met alle
mogelike antieke genres: gedichten in antitese-rijke taal, gewijd aan
Koningin Matilde van Engeland, grafverzen ter ere van een gravin van
Maine, verzen vol komplimentjes aan de literair-ontwikkelde gravin
Adèle van Blois, epigrammen en schuine erotiese versjes. Door Ovidius
geïnspireerd, dicht onze prelaat een klacht van Apollo over de dood van
Hyacinthus, pompeus bezingt hij de grootheid van het antieke Rome en
houdt volkomen onkristelike beschouwingen over het Rad der Fortuin.
Maar daar midden tussen in weer legenden en verzen, epigrammen over
kristelike dogmata, of een gedicht, vol woordspelingen over de
drieënigheid.--Wanneer zijn vorstelike of altans adellike biechtelingen
aanvechtingen krijgen om zich in 't klooster te begeven of op een
pelgrimage uit te trekken, verklaart de humanistiese bisschop dat men
alle overdrijvingen en opzienbarende boetedoeningen moet vermijden en
dat een graaf van Anjou werkelik gewichtiger plichten heeft dan als een
pelgrim de wereld rond te trekken. En wanneer zijn vorstelike vriendin,
de gravin van Blois op oudere leeftijd zich absoluut in het klooster wil
begeven, weet hij haar in elk geval in de moederschoot der Kerk over te
leveren met het meest elegante-hoffelike gedicht.
Een andere korrespondent van die gravin Adèle was de abt Baudri de
Bourgueil. Van zijn hand heeft men kleine epigrammen om onder een
portret te zetten of in een exemplaar van Ovidius, gelegenheidsgedichten
op een roos of een gebroken grift, groeten op rijm en uitnodigingen of
antwoorden daarop. Met een zekere Jonkvrouw Agnes en een non Emma voert
die abt een correspondentie in verzen, hij onderwerpt zijn gedichten
aan hun oordeel, en bromt op een vriendin van hun beiden, omdat zij
niet aan die poëtiese oefeningen mede wil doen. In een lang gedicht aan
die gravin Adèle schildert hij haar woning, zoals hij zich die in zijn
fantasie voorstelt en beschrijft o.a. de wandtapijten met voorstellingen
uit de Griekse mythologie en de Romeinse historie. In Latijnse
hexameters schrijft Paris minnebrieven aan Helena en richt Florus
brieven van troost tot Ovidius in diens ballingschap.
Zulke beaux-esprits heeft de geestelikheid omstreeks 1100 zeker niet
weinige geteld en tussen het bisdom of een rijke abdij en het grafelike
hof in de buurt, heeft zich ongetwijfeld zeer dikwels een druk verkeer
ontwikkeld. De adellike dames stonden meestal zeer hoog in beschaving
en hadden veel meer geestelike belangen dan de ruwe baronnen, en
korrespondeerden druk met hun biechtvaders of met voorname nonnen in
de buurt. In dergelijke kringen trachtte men religieuse stichting met
literaire kultuur te verenigen. Men las de klassieken met elkander,
schreef brieven in den trant van Cicero, en legde zich op een wereldse
konversatietoon toe. De nonnen in het klooster Ronceras te Angers
schrijven nu en dan de zaakpapieren van het klooster in verzen en een
hunner kontrakten van overdracht begint aldus: »Kadmus, de wijze koning
van Thebe voerde volgens het bericht van Isidorus het gebruik van het
alfabet in Griekenland in, daar hij voorzag hoe noodzakelik dat in vele
gevallen zijn zou." Bij sommige gelegenheden heeft men in die literaire
abdijen eigengemaakte komedies opgevoerd in de trant van Terentius en
Plautus, soms met een kristelik morele tendens, gelijk die welke een
voorname Saksiese non, Hroswitha in het klooster te Gandersheim schreef,
soms zeer wereldse Amphitryon-intriges en verleidingsgeschiedenissen,
gelijk die welke aan een der klerken van Blois worden toegeschreven. In
een klooster zette men de minnedichten van Horatius op muziek, later
werd die melodie gebruikt voor een kerkelike hymne.
Een zekere mate van schertsende lichtvaardigheid en sentimentele
liefde-uitingen ontwikkelden zich natuurlik dikwels bij de vrije omgang
der twee geslachten onder de mantel der religie. Het is algemeen bekend
hoe het Abélard en Heloïse ging. Abélard was de leraar en vogue bij de
Kathedraalschool van de Notre Dame te Parijs, van hoge geboorte, schoon
en elegant, met een innemende stem, literair ontwikkeld en muzikaal.
Plato en Boethius, Virgilius en Lucanus lagen even vaak op zijn lippen
als de woorden van de Schrift en zijn minnezangen vlogen op lichte
populaire melodieën over het gehele »quartier Latin" te Parijs. Die
waren op Heloïse gemaakt die bij haar oom woonde, een kanunnik bij wie
meester Abélard in de kost gekomen was, o.a. op voorwaarde dat hij diens
nichtje dageliks zou onderwijzen. Hun verstandhouding leidde tot de
treurige resultaten die men kent, maar van uit hun respektieve kloosters
bleven zij regelmatig met elkaar korresponderen;--brieven in een pedant
Latijn geschreven, half moraliserend, half retories-hartstochtelik, met
citaten uit Seneca en Paulus, Salomon en de »ars amandi" door elkaar,
en met aangrijpende hartekreten te midden van opgeschroefde onnatuur...
Ook uit Beieren kent men uit de 11de en 12de eeuw Latijnse brieven
tussen geesteliken en nonnen of geleerde vrouwen gewisseld, met
sierlijke hofmakerijen en zoetsappige sentimentaliteit, in geestelike
bloementaal geschreven en met citaten uit Ovidius, maar die
langzamerhand van geestelike vriendschap eens biechtvaders overglijden
in de plompe eis van de man dat de vrouw »haar vertrouwen in daden zal
tonen",--waar de vrouw met duidelike woorden voor bedankt.
Dat hele zalvend zoete sentimentaliseren tussen mannen en vrouwen,
dat zo in de briefwisseling der geesteliken met vrouwen te voorschijn
komt--veel dergelijks vonden wij ook in de brieven van Bernhard van
Clairvaux aan zijn hoge kliënten--is niet zonder invloed, gelijk wij
zien zullen, in ridderkringen en dat is ook het geval met de manieren
en de spraak van de man van de wereld, waar men zich in die literaire
conventikels op toelegde.
In een lagere sfeer--de wereld der arme »rondtrekkende scholieren"--had
de klassieke opvoeding een nog profanerender uitwerking. In kroegen
en herbergen deden deze rondzwervende, halfgeleerde _Bohémiens_ hun
latijnse liederen horen, ter ere van Venus en Bacchus en ten spot van
de officieele kerk en de welgedane geestelikheid. Daar krijgt men
verheerliking van wijn en spel, gesprekken tussen die scholieren en hun
liefjes,--ondeugende minneliedjes, maar ook gezangen waarin liefde tot
het voorjaar en liefdedweperijen een heel schoon geheel vormen. De goden
der antieken worden aangeroepen: Paris en Helena en Aeneas en Dido zijn
de voorbeelden aller liefhebbende harten en reminiscenties aan Horatius,
Ovidius en Virgilius zijn overal in de liederen dezer _vagantes_ te
horen. Niettegenstaande de geestelike tucht van het Kristendom, waaraan
ze in hun school onderworpen waren geweest, waagden deze klerken het,
zich over het voorjaar te verheugen en de schoonheid der vrouw te
prijzen, de lusten der zinnen te bezingen en de verschrikkelikheden van
de kerk, en die met alle satyren der antieken te kastijden, gelijk niet
lang daarna de troubadours het in de volkstaal zouden doen.
* * * * *
Als erfgenaam van de antieke kultuur gold in de middeleeuwen het
Oost-Romeinse rijk. Terwijl de klassieken in West-Europa slechts
zo nu en dan eens bestudeerd werden, 't zij dan zonder medeweten
van de kerk of wel door haar beschermd, zaten de overleveringen der
oudheid daar ginds in Byzantium nog steeds officieel op de troon. Daar
heersten nog de opvolgers van de Romeinse imperatoren die zich nog
Caesar noemden en Augustus,--de taal van Aristoteles en ook van Cicero
leefde nog op de lippen der beschaafden, de gehele Staatsmachinerie
was die van het Romeinse keizerrijk en wat de klederdracht betreft,
zowel als in alle gewoonten en vormen des levens waren de klassieke
tradities merkbaar. De keizerlike biblioteek stelde al de schatten der
oude literatuur ter beschikking van een talrijke staf van professoren
die op de kateders der Universiteit filosofie doceerden en filologie
en de rechtsgeleerdheid en de werken der oudheid werden afgeschreven,
uitgegeven, bestudeerd en bekommentarieerd; in enorme verzamelwerken
zowel als in praktiese compendia werd de quintessens van de
gedachtenwereld der antieken neergelegd en onverflauwd trachtten
de strijders in rhetorica, geschiedschrijving en dichtkunst, op de
glorierijke banen der Griekse en Latijnse literatuur voort te schrijden.
Onafhankelik van de geestelikheid vond men daar--in tegenstelling
met West-Europa--voortdurend een zeer uitgebreide laag van zuivere
wereldlike beschaving, waartoe het gros van de ambtenaarswereld hoorde
en het hof; vele prinsen en prinsessen van het keizerlike huis waren
werkzaam op het gebied van de literatuur.
Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar
dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke
verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel
Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een
voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa;
over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de
West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen
daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te
nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren
machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die
de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst
en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek,
de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet
alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar
werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur
van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die
van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden:
deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels,
kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden
met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die
kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een
eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid
stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld
moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en
met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar
vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een
klacht opgeheven,--slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar
toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen
door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid
over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij
zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne
zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen
vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een
gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen
van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner,
geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen
en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren
geen idee van gehad hadden.
Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer
te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in
de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met
fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout
en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare
metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de
dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun
nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten,
zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken
de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren,
met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan;
»indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de
blik en de lieve woorden," zegt die zelfde kroniekschrijver, »altijd
onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens
dier Grieken niet kunnen twijfelen." Vergeefs proberen de Franse
gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van de Griekse
keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te
doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te
verblinden,--hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij
de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De
beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van
de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik
aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici
beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in
het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de
Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en
voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren,
de meester van de garderobe, de protostator die de strijder op
zijn paard helpt, de Proto à secretis of de eerste secretaris, de
silentiarii--zij die 't stilzwijgen opleggen--de referendarii die
smeekschriften in ontvangst nemen,--tot aan de Sebastokrator en de
Pan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur: Nobilissimi,
spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op
groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen),
zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn
voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit
hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener
verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel
moesten trachten na te bootsen.
* * * * *
Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde
kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en
naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen
de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de
Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen
vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in
't verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de
gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet
die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de
atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een
Fransman van de 11de eeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben.
Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit
leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt hij--te Sevilla,
Palermo of Damascus--in vertrekken binnengeleid met muren van wit
pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven
dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen
met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en
Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan
divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar
binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met
zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de
tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als
dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.
Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange,
safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het
hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij
tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet
te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn
lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te
gemoet--hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens
stand--heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan
in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester
de gast sorbet brengt. Met een »God schenke U een lang leven" begint
de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en
beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn
komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt
hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met
woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank
zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die
schitterende, bloeiende konversatie-kunst!
Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst
wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een
wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: »In
Allah's naam!" Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van
de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en
de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor
hem dat de gastheer na de maaltijd hem een »Wel moge 't u bekomen"
toeroept.
Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men gedurig met
hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van
berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid
onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was
schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden
de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in
prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid
het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets
van kokette galanterie over zich kon krijgen,--b.v. wanneer zij in de
slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike
bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen
spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in
vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en
fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen
tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als
hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid
wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou
de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen
raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren.
Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende
ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en
gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten
die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd
door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven
verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en
om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof
trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren
hyperboliese lofzangen over de vorsten: »Uw grootmoedigheid, o Heer,
beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger
dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om
die bij te houden!" Of het waren gedichten van lof en hulde voor de
vrouwen--de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men
slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen
kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een
eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. »Afgunstig
wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt
zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker
myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, de gang van de
gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar
van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan,
gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!"--aldus klonken de liederen der
Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.
Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van
een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de
Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden
op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van
de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel
op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe
de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende,
een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te
zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar
instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer
verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo
applaudiseerde.
De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida
hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten
te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de
heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden
om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde
kultuurwerelden voorgoed,--zetten de deuren van West-Europa pas
wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse
kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke
kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen
innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele
stromingen der 11de en 12de eeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek
verklaart en mogelik maakt.
IV.
HOFKULTUUR.
Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12de
en 13de eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere
adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten
der baronnen meer en meer naar de residenties der Leenheren. Hier
ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende
kultuur.
Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike
kastelen--Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de
hertogen van Champagne in Provence, die van de graven van Guines in
Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der
Wellen te Dankwarderode--akelig somber zijn ze om aan te zien en
moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine
binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts
weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En
toch--vergeleken met de kleine kastelen der baronnen--is er alles heel
wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds
hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe--soms er nog
zeer bovenop--verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden.
Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat
de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn
en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken
gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese
vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu
een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen--met
rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor
de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een
paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in
't midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men
hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig
langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende
naam van »paleis" draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage
op en langs de façade daarvan, een open korridor, een »loggia" of
»laube", op de open trap zowel als op die loggia houdt men zich dikwels
bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook
veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,--door het
naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het
vijandelik geschut geweken,--al meer en meer bouwt men de vensters nu in
Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,--twee of drie te samen bij elkaar
gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere
luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.
Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende
vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar
van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in
de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen
en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op
te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's
nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd
wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze
gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als »matras" is Arabies
van oorsprong, een »tapijt" stamt uit Byzantium. De verlichting is ook
al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een
enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet
men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan
de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu
allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel
krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse
kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige
kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen
en gestileerde takken en vogels--meestal geel en roodbruin op witte
grond--of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een
roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of
Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering
der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit
het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe
kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur);
zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de
moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike
gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd
linnen bedekt--soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt
van Bayeux, waar de gehele slag bij Hastings in geborduurd is,--of met
tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen--waar dan fantasties
gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren--en die later in
Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld
als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden
daar levende bloemen over gestrooid.
De edelen zelf begonnen het lichaam beter dan vroeger te verzorgen,
om welke reden de moralisten van de tijd hen verwekelikt en verwijfd
noemen. Uit de termen van Byzantium en de badgelegenheden van de
Mohamedanen komen de warme baden en dampbaden overal in West-Europa in
zwang; het baden is blijkbaar niet alleen een noodzaak geweest--vooral
groot in een tijd dat er geen linnen gedragen werd en men het lichaam
zo buitengewoon sterk inspande--maar moet ook als een wellustig genot
beschouwd zijn geworden, waar velen een overdadig gebruik van maakten.
De kerk stond dan ook nooit goed gezind tegenover die nieuwe manier
om aan de zinnen toe te geven. Ook het haar en de huid begon men te
verzorgen. Uit Byzantium kreeg men fijn gesneden ivoren kammen en
weelderige spiegeltjes met deksels van ivoor, uit het Oosten welriekende
oliën: rozenolie, amber en balsem. Het haar werd gevlochten en met
krulijzers gekroesd, zo wel bij mannen als bij vrouwen; de vrouwen
wisten het haar te verven zo wel als vals haar te gebruiken, en
verstonden de kunst om zich te blanketten en dikwels droegen ze
sluiers--op de wijze der Oosterlingen. Vooral waren het juist de stoffen
uit het Oosten en het Oosterse voorbeeld in het algemeen, die een
ongehoorde lukse van kleeren en versierselen in zwang brachten en dat
niettegenstaande alle gepreek van de familievaders en van de Kerk. Over
de handelscentra van Italië stroomde dat alles Europa binnen--zijde uit
Tyrus, Arabië en van de »Hindoe koesj", »de Indiese Kaukasus", satijn
en fluweel van Alexandrië, damast van Damascus, »baldakijn" van Bagdad,
mouseline van de stad Musul aan de Tigris, »Sindu-wol" uit Indië. Van
de kledij der Byzantijnen, zo als men die, in mozaiek gereproduceerd,
in ivoor uitgesneden kon vinden en van de burnu's en de kaftans der
Arabieren kwam de nieuwe mode in de klederdrachten: de korte kiel van
de mannen en hun mantel gaan nu tot aan de enkels; ook de vrouwen
dragen lange gewaden van lichte, fijne stoffen met wijde mouwen en
een sleep. In de »visioenen" van een monnik uit die tijden lijdt
keizerin Theophano, een Griekse prinses, alle pijnen der hel, omdat
zij de weelderige Byzantijnse modes in de vrouwelike klederdracht naar
Duitsland en Frankrijk overgebracht heeft. De namen van klederen, als
b.v. »Jupe" en »hoqueton" zijn Arabies. Maar die kleeren van de ridders
en hun vrouwen zijn heel wat bonter geweest dan die van hun voorbeelden;
met een naïeve opvatting van kleuren hebben ze de meest schreeuwende
daarvan te samen gebracht; het is niet zeldzaam dat men een dame
hoort prijzen omdat haar kleeren aan een papegaai doen denken, en de
»mi-parti" klederdrachten der mannen en het dragen van bellen er op,
zijn zeker Europese uitvindingen. Borduursels in en op de stof, gespen
en spelden, ringen en kettingen voltooiden de feestkleedij. Een bedorven
jeugd--zo klaagt een kroniekschrijver--is meer en meer verwijfd
geworden; ze dragen lang, sierlik gekapt haar, ze werpen stof op door
hun lange mantels en bemoeiliken zich alle handbewegingen door hun
lange, wijde mouwen; ze dragen lange baarden, als van de bok, (dat komt
ook uit het Oosten) en lopen met een kaproen op het hoofd en lange
puntschoenen.
Ook de maaltijden worden meer en meer uitgebreid en fijner. Uit het
Oosten krijgen ze pasteien en taarten, peper, muskaat, meloenen en
sinaasappelen, hete wijnen--van Cyprus en Malvezij--en ook limonaden.
En het eten werd ook al wat schoner en netter opgediend. Wel is waar
nog altijd alles in één pot, en worden de vingers als vorken gebruikt
en hebben elke twee personen samen maar één bord en één beker, maar
er wordt toch iets meer dan vroeger acht geslagen op wat de reinheid
en de schoonheid eisten. Byzantium en de Arabieren waren steeds
de voorbeelden; het gouden of zilveren servies voor de vorstelike
feest-maaltijden was meestal Grieks werk; er zijn drinkbekers bewaard
gebleven van émail en in goud gevat kristal en door de Byzantijnse
kunstenaar met Grieks mytologiese voorstellingen versierd. Woorden als
»tasse" en »karaf" zijn Arabies. Voor de maaltijd de handen te wassen
was iets wat men bij een bezoek in het eerste het beste Saraceense huis
kon leren, een wasbekken, dat nog uit een der ridderkastelen stamt,
noemt zich dan ook »vervaardigd door Mohammed, de zoon van Abzeny", maar
die gewoonte kan ook uit de Kerk overgenomen zijn, waar de priester van
ouds de handen wies, vóór hij bij de mis de Heilige Voorwerpen aanraakte
en uit de altaar-kelk dronk,--het zijn dan ook kerkelike Aquamanilen (de
schaal, in de vorm van draken en leeuwen, waarin de priester zijn handen
wast) die zich later tot wereldlike kannen voor het wassen der handen
ontwikkelden.
En wat tafelmanieren aangaat, krijgen de edellieden nu een opvoeding
waar men zich te voren geen idee van gevormd had. Geesteliken die als
huiskapellanen of als opvoeders voor de zonen der adelliken aan de hoven
vertoefden, trachten de jongelui iets van de tucht en fatsoenlike
manieren aan de maaltijden bij te brengen, die volgens de oude
reglementen in de refectoria der kloosters in gebruik waren. Uit de
Talmud en van de Arabieren uit Spanje had de gekerstende Spaanse Jood
Petrus Alphonsus dergelike regels voor tafelmanieren opgesteld in zijn
»Disciplina Clericalis", geliefkoosde lectuur in de 12de en 13de eeuw.
En kon men niet bij Ovidius lezen dat men niet schrokken moest, maar het
eten netjes met de hand naar de mond moest brengen en zijn gezicht niet
mocht volsmeren? Indien Helena schrokkerig gegeten had en zich bemorst
had, dan zou Paris niets met haar te maken hebben willen hebben. Of was
er in de wijsheid van Jezus Sirach niet eigelik een heel Leerboek voor
tafelmanieren in den dop te vinden,--dat men niet met een »hemel, wat
een hoop eten!" er het eerst bij moest trachten te komen, dat men zijn
maag niet mocht overladen, en indien men daar toch door de tafelgenoten
toe mocht zijn verleid, dat men zich dan onopgemerkt even van tafel
moest verwijderen om het »overvloedige" kwijt te raken? Al dergelijke
nuttige voorschriften leerden de Ridders en hunne dames, dat men
geen grote brokken in de mond mocht nemen, niet met eten in de mond
mocht spreken, niet met de hand in de algemene schotel mocht roeren
of er afgekloven benen weer in leggen, zorgen dat er geen vetrandje
aan de beker achterbleef waaruit men gedronken had en de buurman nu
weer uit drinken moest, en ook de mond niet mocht afvegen met het
tafellaken--laat staan natuurlik er zijn neus in snuiten.
In het algemeen is het de gehele dagelikse omgang die nu het voorwerp
van een cultivering en regulering wordt van het oogpunt van reinheid
uit, van het algemeen gemak en van de schoonheid. Het is het samenleven
der hogere kringen dat uit zich zelf, hier als overal, de manieren
der mensen verfijnt en polijst. De hoven worden nu een school der
beleefdheid, waarin de grote Heren van buiten wat worden gevijld
en geschaafd. Maar evenals de nieuwe lukse en de verfijning van de
uiterlike levensvormen dikwels slechts iets geweest zijn dat er buiten
op zat,--het rijke zijden dek verborg soms een bed van stroo, en in
plaats van de geraffineerde feestgerechten kwam er gewoonlik slechts
spek en worst op tafel--zo blijkt het maar al te dikwels dat al die
regels over de vormen van het hof niet natuurlik ontstaan zijn, en als
gewoonte tot ontwikkeling gekomen, maar dat die er van buiten af kant
en klaar in gebracht zijn en, als nieuwe kunstmatige modevoorschriften,
van buiten geleerd. In de 11de, 12de en 13de eeuw ontstaat er een hele
literatuur door klerken, die aan het hof leven, geschreven, eerst in 't
Latijn, later in Franse en Duitse verzen en die ten doel heeft regelen
voor de goede manieren en de goede toon op te stellen voor alle
mogelike levensomstandigheden. De enige leermeester tot wien men zich
wendt is de oudheid. Bij Ovidius, bij Cicero en bij Seneca en in de
verschillende verzamelingen van spreuken die in de middeleeuwen onder de
naam gaan van Publius Syrus, Cato en Seneca, vindt men regels over hoe
men zijn tanden en nagels schoon kan houden, hoe men niet te luid of
te veel moet spreken, hoe men niet te hard of te veel mag lachen en
dergelijke dingen meer die allen onder het »decorum" te rangschikken
zijn. Maar in het bizonder had de Kerk langzamerhand als een schakel in
de kristelike moraal een verfijnde opvoedingsleer ontwikkeld. In een
Grieksch geschrift van Clemens van Alexandrië (ongeveer 200 n. C), de
»Paedagoog", vindt men een massa zulke voorschriften: men mag zijn neus
niet snuiten, of niet niezen met al te veel lawaai, bij het drinken het
hoofd niet te veel naar achteren werpen, enz. En dit alles--leert die
Kerkvader--zijn geen bagatellen, want »wij moeten altijd leven alsof
wij in de tegenwoordigheid van God leefden." Dat was het juist wat
de heilige kluizenaars deden. Daden van kristelike ootmoed en liefde
waren voor hen niet iets wat alleen de grote handelingen betrof; die
moesten integendeel het dagelikse leven tot in de kleinste kleinigheden
doordringen, alles zou bij het opmaken van de rekening meetellen. Liefde
wordt in de dagelikse omgang tot een meest delikaat in acht nemen van
vormen en respekt, ootmoed tot de meest geraffineerde bescheidenheid.
Wanneer de heilige Paulus bij de heilige Antonius op bezoek is, trachten
zij elkaar in damesachtig-fraaie beleefdheidjes te overtreffen en
parlementeren er een langen tijd over wie het eerst van het brood
zal nemen, enz. Later heeft het kloosterleven een heel sisteem van de
regelen der etikette bij de dagelikse omgang ontwikkeld--de regel van
de H. Benedictus bevat een massa van dergelike voorschriften--hoe de
monniken elkander of hun Abt zullen moeten begroeten of toespreken en er
bestaan strenge straffen voor wie onder het zingen der psalmen hoest of
wie bij het drinken met zijn tanden tegen de altaarkelk stoot, enz. Wij
hebben uit het jaar 1000 ongeveer, verschillende leefregels voor jonge
geesteliken en nonnen, door geesteliken geschreven. Zo is er b.v. één,
waarin Bernhard van Clairvaux de jonge man inprent hoe hij zich gedragen
moet, spreken, de mensen moet aankijken, enz. Zulke leraars zijn het die
de klerken naar de adel op de kastelen sturen voor hun zoons. En het
doet werkelik goed te zien welke drang naar goede manieren de ridders
nu tot de leerlingen van klerken en Joden maakt, van de Muzelmannen en
de oude klassieken,--en de energie die ze er aan besteden om zich die
lessen ten nutte te maken. Zo leren ze b.v. om altijd te kloppen als ze
een kamer binnen willen. »U" te zeggen tot hun gelijken en de hogeren
in rang. »Heer", »Vrouw" en »Jonkvrouw" te zeggen--men zegt dat de
meervoudsvorm »U" reeds in de tijd van Caesar in gebruik kwam als
men iemand aansprak,--bij het binnentreden iemand met een »God zegene
U" te begroeten, te bedanken als men iets krijgt, niet te hevig te
gestikuleren bij het spreken, de hand niet op het hoofd of op de
schouder te leggen van een persoon die men aanspreekt, hem van wie men
afscheid neemt Gode te bevelen... alles kleinigheden, maar die te zamen
het sisteem vormden dat de tijd op zou bouwen.
Tot die hoofse vormen en gebruiken hoorde natuurlik nog in de eerste
plaats vaardigheid in het hanteren van de wapenen en in het paardrijden;
die worden tot ridderlike deugden met allerlei regels en steeds groter
raffinement. Van de kinderjaren af worden de jongens daar reeds in
geoefend en in vredestijd blijft men zich oefenen door toernooien
en andere sport. Het fokken van paarden en hoe ze te verzorgen, de
versierselen op de wapenrusting, de heraldiek, de schermkunst of hoe
een lans te breken,--dit alles en dergelike dingen werden bij de hoven
voorwerpen van grote zorg. Hoe zeer de wapens en de paarden bij de
ridders geëerd en geliefd waren en hun altijd voor de geest stonden, dat
tonen al de beelden en vergelijkingen uit die gedachtesferen waar de
ridderpoëzie van doortrokken is. En het zelfde geldt van de jacht,--de
hoofdpassie der ridders, behalve toernooien. Dan eens vergelijkt de
dichter zijn verliefd hart met een teugelloos paard, dan met een havik,
die zijn prooi in 't oog krijgt, de welopgevoede ridder wordt vergeleken
met de welgedresseerde jachtvalk en de ongelukkige minnaar met een vogel
in de ruitijd. Er zijn reeds vroeg leerboeken--veelal naar het Arabies
bewerkt--voor alle mysteriën van de jacht-wetenschap, en een valk te
kunnen dresseren, of de buit volgens de ware regels te kunnen verdelen,
waren kunsten waar men de gunst van vorsten zo wel als dames mede kon
winnen, als men zich daar een meester in toonde. Maar als gewichtige
elementen in de hoofse vormen kwamen er bij die lichaamssport nog
allerlei gezelschapskunsten. De jongelui van beider kunne worden in het
teerlingspel onderwezen, in het schaken en de dans; het een of ander
instrument te kunnen bespelen en de kunst van lezen en schrijven kwam
er naderhand bij, altans voor vorstenkinderen. Voor deze laatsten hield
men er veelal een »Paedagogus",--een »maistre"--een »zuchtmeister" of
»meisterinne" bij het hof op na; vooral de meisjes uit de voorname
families leerden niet alleen lezen en schrijven maar ook zingen en
spelen.
Zelfs de innerlike habitus der mensen komt onder de invloed van dit
leven der hogere klassen en het sosiale leven op het adellik slot en
aan het hof--in hoofdzaak juist in die zelfde mate als dat het geval is
waar dit elders in de geschiedenis voorkomt,--aan de Indiese en Perziese
hoven, die van de Italiaanse renaissance of bij het leven te Versailles.
Het gezelschap bestaat in de eerste plaats uit de Seigneur en zijn
familie--daaronder vele behoeftige mannelike en vrouwelike verwanten
die op het kasteel genadebrood eten;--daarnevens een heel garnizoen van
ridders die een soort lijfgarde van de Seigneur vormen. Verder zijn daar
een hele schare van jonge edellieden die naar het hof gezonden worden om
zich daar in de wapenen te oefenen en de ridderlike tucht te leren, zulk
een vorstenhof is feitelik een soort Ridderakademie. Die jonge lui doen
eerst dienst als pages en als fakkeldragers of boodschappers, zorgen
voor de valken op de jacht en het aankleden en ontkleden hunner heren;
later worden zij schildknapen en de armen onder hen brengen het veelal
niet verder; de rijken daarentegen, of zij die hun wapenrusting en
riddertooi door een ander kunnen laten bekostigen, worden tot ridder
geslagen en trekken dan weg. Vervolgens heeft men de arme »Chevaliers
sans terre" die op het ene hof voor, het andere na, gastvrijheid komen
vragen, ook zelfs edelen in goeden doen die ergens hun eigen goed en
burcht hebben, maar die er de voorkeur aan geven aan het hof van de
leenheer hun leven te slijten. En verder een heel stel hofambtenaren,
de seneschalk, de keukenmeester, de keldermeester, de intendant en
de maarschalk. De burchtvrouw en haar dochters hebben--evenals de
vorst--ook hun suite van arme tantes, nichtjes en andere adellike
dames die op het kasteel wonen als dames van gezelschap of kameniers en
evenals hun broeders worden de adellike jonge meisjes voor hun opvoeding
daar heen gezonden, om daar dienst te doen en liefst ook te trouwen.
Wanneer daar nu nog een heel dienstpersoneel bij komt, dan begrijpt men
dat de burcht in de regel niet het hele hof kon bergen, vooral niet bij
feestelike gelegenheden, wanneer de adel uit de buurt ook nog aan kwam
zetten; dan moesten velen bij de gegoede burgers hun intrek nemen, de
residentie lag ook bijna altijd in of bij een stad.
Hier wordt er het leven van de grote Heren geleid. Alle werk voor
het dageliks brood is onterend. Is er eens een edelman die zich in 't
geheim met de schaapsteelt afgeeft, dan voelt hij zich diep beschaamd
wanneer het aan den dag komt. Handel is een zaak voor kramers en Joden.
Alle »gaigneurs" worden veracht,--zij die hun brood moeten verdienen
en alleen des Zondags vrij hebben. Zelfs van die zaken welke de
administratie der goederen medebrengt, wil men niets weten. Het jonge
geslacht stelt de aanvaarding van de erfenis zolang mogelik uit, zij
blijven liever bij het hof dan zich daarmee druk te maken. Wanneer er
recht gesproken zal worden en er plotseling bezoek komt, dan laten de
jongelui zowel als de baronnen alle rechtspleging in de steek en haasten
zich volgens de verhalen in de romans, de gasten te ontvangen. En gelijk
de zaken op de schouders hunner beambten geschoven worden, zijn ook
zorgen en bekommeringen iets waar een edelman zich boven moet weten te
verheffen. In de oude heldengedichten zag men zelfs de hoogststaanden
tranen storten, maar nu heet het--gelijk dikwijls in de romans
voorkomt--: »Laat de mindere man verdriet hebben, die is er aan
gewoon,--maar dat past niet bij een vorst of een voorname dame." Vooral
van de bezittingen moet men zich nooit iets aantrekken of er een traan
voor laten, wanneer men het hart van een baron in zich heeft. »De
vreugde te beminnen"--joye aimer--is ridderplicht, en »jeunesse" wordt
als een van de ridderdeugden voorgesteld. Het is een van de eisen der
hogere kringen dat men rijk moet zijn, niets te doen moet hebben, vrolik
zijn en jong,--gelijk naderhand in de salons der 18de eeuw.
Het leven is een en al gezelligheid,--een leven van uiterlikheden, vóor
en met anderen. Slechts in de eenzaamheid of in kleine kring kan een
intiem innerlik leven ontstaan, een warm gemoedsleven, een dieper
denken, gaan met de gezelligheid niet samen. Het is een leven van
ogenblikken, van op zich zelf staande momenten, op de omgeving
gericht. Zulke mensen zijn licht bewogen gevoelsmensen: zij zijn
nerveus-ontvankelik voor de stemmingen van hun omgeving, zij nemen
gretig deel, ofschoon misschien niet diep, aan het wel en wee van
anderen; zelf zijn zij expansief in hun gevoelens en hebben er behoefte
aan bij anderen sympatie te vinden; beminnelikheid en behaagzucht,
koketterie en ijdelheid, sympatie en fijngevoeligheid zijn eigenschappen
die dat leven ontwikkelen. Maar geen sterke passie zal licht gelegenheid
krijgen om bij zulk een versnippering van het gevoelsleven tot volle
groei te komen, die zou ook een einde maken aan het sosiale leven
en aan het intieme huweliksleven, en het familieleven begint onder de
ontwikkeling van het sosiale leven te kwijnen; aan de hoven der 13de
eeuw gelijk in de salons der 18de; glijden man en vrouw van elkander,
zij hebben geen tijd en gelegenheid om voor elkaar te leven, men moet
zich grotendeels aan het leven geven. Zelfs komt het huwelijk in
miskrediet, als het gezellige sosiale leven in de weg staande; in een
Duitse roman verklaart Gawein dat voor Iwein: wat zijn er niet een
menigte echtgenoten die zich met hun vrouw opsluiten, alle riddervreugd
er aan geven, zich in de gewoonste kledij steken, ongesoigneerd er uit
zien en een hoogst onaangenaam leven leiden, het hoofd vol van huiselike
beslommeringen.
En daarenboven: mensen van de wereld leren de kunst van observatie, in
elk geval leren ze de kleinigheden en uiterlikheden opmerken, en de
eigenaardigheden der verschillende mensen kennen, nauwkeurig de omslag
in de conversatie volgen, het verholen spel van het eigenbelang en der
ijdelheidjes fijn doorzien, snel te begrijpen, gewillig zich aan het
nieuwe aan te passen, zonder aarzelen anderen na te volgen; zij worden
gevat en vindingrijk, mededeelzaam en onderhoudend en weten aan hun
innerlik vorm en uitdrukking te geven die hun uitwerking niet missen.
Maar bij al dat heldere vernuft en dat veelzijdige aanpassingsvermogen,
al die improviserende »Esprit" en die handige vorm-kunst, blijft er geen
plaats over voor diepe oorspronkelikheid, voor eigelike geestelike
productiviteit. Aan de hoven der 13de eeuw wordt de persoonlikheid als
in de salons der 18de uitgewist, de scheppingskracht vermindert en daar
kan het geestesleven wel vrijheid en veelzijdigheid ontvouwen, maar
diepte en grootheid zijn er niet in te vinden.
Ontwikkelen nu de mensen zich in dit maatschappelike leven als van zelf
in de genoemde richtingen, de druk dier maatschappij geeft de enkeling
in een dubbel opzicht zijn vorm. Aan de ene kant slijpt dat n.l. alle
hoekjes en kantjes bij hem af, vormt hem naar één model, stemt hem in
de heersende toon en dwingt hem tot een zeker jargon. Alles wat één
enkele doet is »onopgevoed"--»doet men niet--dat lijkt op niets, zò
doet men, dat is zoals het hoort." Curialis, courtois, dat betekent het
conventionele begrip, voor wat aan de curia, de cour, past, wat hoffelik
is. Maar toch, binnen de perken van de mode en de goede toon, stelt
men, tot zekere hoogte altans, het individuele op prijs. Een ieder moet
trachten uit te steken, zich niet in het gezelschap op de achtergrond
houden, ieder moet zijn loodje bijdragen, zijn talent voor de anderen
nuttig maken. Allen moeten proberen hun natuurlike goede eigenschappen
tot hun recht te laten komen, moeten trachten in of met iets uit te
blinken--in de ontvangstzaal zal b.v. de ene dame de gelegenheid
aangrijpen om haar mooie handen te laten zien, de ander glimlachen om
haar frisse tanden te vertonen, de een schittert door haar vernuft, de
ander door haar gevoeligheid. En men tracht elkaar steeds de loef af te
steken in elegantie, in hoofse vormen; de grote kwestie is een nieuwe
mode in te voeren of nieuwe paragrafen bij het Wetboek van de goede toon
te voegen.
Wat ook tot de vrijheid en vernieuwing bijdraagt is, dat er in de 12de
en 13de eeuw, èn in Frankrijk èn in Duitsland, zo veel van die hoven
zijn met hun intellectuele feesten en partijen, en dat er een intens
verkeer daar tussen plaats vindt. Een hoofdstad is er nog niet en ook
geen koninklik of keizerlik hof dat een werkelik toonaangevend centrum
uitmaakt. De ridders trekken over en weer naar de hoven van Ardres,
Boulogne en St. Pol, men ziet elkaar bij toernooien en feesten, en als
er een te Atrecht gegeven is, geeft een ander er een even groot, of
groter, te Brugge. Evenals in het oude Griekenland, in het Italië der
renaissance, of het Duitsland der 18de eeuw, blijken ook hier die vele
kleine centra die in zulk een levendig verkeer met elkander staan, op de
ontwikkeling van het geestesleven een zeer gunstige invloed te oefenen.
De mode regeert, maar er komen steeds nieuwe modes op, de goede toon
»stemt" de anderen wel, maar wordt toch weer op zijn beurt opnieuw
»bestemd" door hem, die de nieuwe toon aangeeft. Op die wijze werkt
dit maatschappelijke leven tegelijkertijd nivellerend en toch ook
voortdurend variërend.
En ten slotte: dat maatschappelik leven is een hofleven. Overal merkt
men een indeling in verschillende klassen, een rangorde, een soort
hiërarchie: van de Seigneur af, door heel zijn familie heen, van
de baronnen tot de ridders zonder iets toe, van de ridders tot de
schildknapen en pages, van de hofbeambten tot de laagste rangen van het
dienstpersoneel. Aan tafel zit men volgens zijn rang aan, in de Kapel
heeft een ieder zijn vaste plaats, er is verschil bij de titulatuur:
Heer, Jonker, Dame, Demoiselle en Pucelle. Bij het afscheid geeft
de Seigneur de baronnen zijn hand, maar de dienende ridder zegt hij
alleen maar goeden dag. Natuurlik zijn wij hier ver van de etikette
van Byzantium of van het hof van Lodewijk XIV, maar de vraag naar
geboorte en rang, »parage", speelt een steeds belangrijker rol.
»Mesure", »Maze" heeft in het bizonder de betekenis van de takt en het
berusten waarmee een ieder zich in die hiërarchie invoegt, met de hem
toebedeelde plaats tevreden is en voor een ieder het respekt heeft
dat hem wegens zijn rang en stand toekomt. En er ontwikkelt zich een
geest van onderdanigheid en een vleiende toon jegens de supérieuren,
een van hoogmoedige trots tegen de inférieuren die ten allen tijde
onafscheidelik van het hofleven geweest zijn. Ten eerste worden van die
kringen natuurlik alle »villains" uitgesloten; men houdt alleen rekening
met »gentilhommes". De fundamentele opvatting van die adelskultuur,--en
dit wordt steeds meer en meer emfaties door de gedichten gestaafd,--is
volkomen tegen de geest van het Kristendom in, dat de menselike natuur
bij de »geborenen" en »niet-geborenen" absoluut verschillend van aard
is, dat de »nourriture", de opvoeding, zo goed als niets betekent
tegenover de »nature"; de voornamen zijn van andere stof gemaakt of
altans in een andere vorm gegoten door de natuur, dan het volk. Maar
in de adel zelf is ook gelijkheid van geboorte een bijna noodzakelike
voorwaarde voor een huwelik. Een »vavassor" durft zijn ogen niet tot de
dochter van een baron opheffen, een baron niet tot een vorstendochter,
alhoewel het als een teken van een »verheven gemoed" geldt, wanneer men
tracht de maatschappelike ladder op te klimmen.
V.
DE »SALON-POËZIE" DER RIDDERKRINGEN.
Het oude nationale helden-epos had nog een ereplaats aan de nieuwe hoven
zo wel als op de oude kastelen der baronnen; aan de oorspronkelike
gedichten werd steeds bijgevoegd en veranderd en er ontstonden nieuwe
gedichten in de trant der ouden, uur aan uur hielden de zangers de
adellike heren en dames in spanning door hun voordrachten onder
begeleiding van muziek van de eindeloze gevechten met die »honden" van
Saracenen of tussen de krakélende baronnen. Maar in de 12de eeuw was
de produktieve tijd voorbij; de atmosfeer en het hofleven waren weinig
geschikt om tot heldendichten te inspireren. De helden-epiek was toch
een maatschappelike poëzie, ontstaan uit een levende algemeen nationale
sageschat en gaf uitdrukking aan een levende nationale of provinciale,
algemene geest. Maar de nieuwe ridderkringen hadden niets van die
maatschappelike geest, de laatste echo van de oude Germaanse stamgeest.
Hier waren ridders bij elkaar die gewoon waren hun leven op eigen hand
te leven en zich neer te slaan, of in dienst te treden, dan hier en dan
daar; het gehele leenstelsel berustte op het vrije kontrakt; de nieuwe
maatschappij die zich vormen zou, wees vooruit en voelde zich zeer
weinig solidair met de overleveringen van het oude Frankrijk der
Karolingiërs en nog was het slechts een vrije, bewegelike gastvrijheid,
nog ver verwijderd van een nieuwe maatschappelike geest, die de
vele kleine centra geschapen hadden. De resonantiewand voor de
heldengedichten was weggenomen--de piëteit van het terugkijken op het
verleden, een organies gevoel van saamhorigheid, de bijna religieuze
stemming van een feest ter herinnering aan de voorvaderen.
Wat de gastvrijheid der ridders wenste, was een vrije
conversatie,--vrije geestesoefening, evenals men bij toernooien of op de
jacht het lichaam oefende. Terwijl de heldengedichten op geschiedenis
berustten, of op sagen die voor geschiedenis aangezien werden en als
geschiedenis werkten,--en terwijl de heldendichten uit een soort stam-
of provincie-patriotisme ontstonden en tot zekere hoogte een opbouwende,
opvoedende kracht bezaten,--emancipeert zich nu voor 't eerst de
aestetiese drang om histories te vertellen en te horen, zo wel van
historiese als van patriotiese belangen. In de grotere kringen wil men
eerst en vooral gesprekken hebben. Het begint tot de goede toon te horen
om te kunnen »bien parler", goed en flink te kunnen spreken; zo wel voor
ridders als voor de dames wordt dat als een bepaalde deugd beschouwd.
In de romans zien wij hoe men daar aan tafel zit te praten of de ridders
komen op bezoek in de vertrekken van de vrouwen, terwijl dezen daar met
hun naaiwerk zitten. Of wel komt men in het goede jaargetijde 's avonds
in de burchttuin onder een oude vruchtboom bij elkaar of wandelen
allen te zamen de tuin in. En dan wordt er gesproken over wapenen en
toernooien, over honden en vogels of over de liefde. Uit de romans kan
men ook zien dat men er altijd op uit was vlug en ad rem te antwoorden,
handig met een grap voor den dag te komen, met lichte toespelingen
of dubbelzinnigheden, en iemand te kunnen plagen of geestigheden ten
beste te geven op een elegante en onderhoudende manier. De Franse
conversatiekunst doet hier zijn eerste zwakke pogingen. Bovendien heeft
men allerlei soort gezelschapsspelletjes,--raadsels worden opgegeven, of
wel er wordt iemand tot Koning gekozen en allen moeten hem zelfs op de
meest intieme vragen antwoorden.
Maar de gesprekken bestonden toch in een mate waar men zich nu geen idee
van maken kan, in het vertellen van geschiedenissen. Iedereen kende er
en niemand werd ooit moe ze uur aan uur te horen vertellen. Men vertelde
elkaar geschiedenissen 's avonds in bed--Meriaduc stond erop met Tristan
in één kamer te slapen, omdat die hem altijd 's nachts zulke aardige
avonturen vertelde--men vertelde elkaar verhalen te paard bij de
lange vervelende dagreizen; op jacht verhalen de deelnemers elkander
merkwaardige jager-grappen waar niemand geloof aan slaat; bij de wijn,
na tafel, trachten de ridders elkaar in grootsprekerijen te overtreffen
over hun avonturen in de oorlog of met vrouwen; de ouden van dagen
vertellen van hun vrolike jeugd; en er zijn ook dames die een grote
kring om zich heen verzamelen omdat zij de reputatie hebben van vele
geschiedenissen te kunnen vertellen. En de geestelike die boeken gelezen
heeft, wordt overal waar hij als gast op de kastelen komt, als een
levende encyclopaedie beschouwd en moet niet alleen van de »Gesta
Romanorum" vertellen--over alles wat er ten tijde der oude Romeinen
gebeurd is--maar ook van alles wat er in de heilige Schrift te lezen
staat. En als een passende vergoeding voor de genoten gastvrijheid,
moeten alle reizigers alles opdissen wat zij gezien hebben of
ondervonden of in vreemde landen hebben hooren vertellen.
De stof voor die vertellingen kwam--zo als wij later zien
zullen--meestal uit vreemde landen, uit die ontzachelike bonte massa
van motieven die door het reizen en trekken, in het dooréénmengen der
volkeren en de uitwisseling van ideeën, in de tijd der kruistochten
in omloop kwamen. Maar de drang tot vertellen en de vertelkunst zijn
produkten van het gezellige maatschappelike leven en het letterkundige
genre--de geversificeerde vertelling, zo wel het korte »Conte" als de
lange »Roman"--dat uit die gezellige bijeenkomsten geboren wordt en zelf
de stof daarvoor uit moet maken, staat, èn in vorm en stijl, èn in geest
en wijze van voorstelling geheel onder de invloed van die oorsprong en
bestemming. De oude »Chansons de geste" die bestemd waren om in een
zaal, onder begeleiding van muziek, half gezongen, half gereciteerd
te worden, voor een groot gezelschap en bij feestelike gelegenheden,
rollen voort, deftig en zwaar en stijf, in lange regels van 10 of 12
lettergrepen: »Carles li Reis nostre Emperere magne--sept ans tuz pleins
ad estet en Espagne". En in brede trekken wordt ons alles geschilderd,
met onvermengde, sterke kleuren, in grote, aanschouwelike scènes wordt
het verhaal ingedeeld en schrijdt met dramatiese stoten en in vlug tempo
voort: de toon is opgewekt en verheven en zo gaat het zonder grote
veranderingen tot het einde. Maar de nieuwe vertellingspoëzie moet
in de plaats van de conversatie in die kringen komen en moet in het
vrouwenvertrek of bij de maaltijd een gezelschap van heren en dames
onderhouden door gewoon en natuurlik een historie te vertellen.
Daarom loopt de taal daarvan als een rustige vlugge stroom, als
een gezellig babbeltje in versregels van acht voeten: »Chrestien
commance son conte--si comme l'histoire nous raconte--qui traite
d'un empereur--puissant de richesse et d'honneur--" En de toon en de
voorstelling verandert als in de levende gesproken taal; nu eens vertelt
men haastig en vlug, dan weer wijdt men bij een beschrijving wat uit,
het verhaal slaat in een levendig gesprek over, maar verliest zich dan
weer in allerlei beschouwingen, de toon is rustig en blijft zich gelijk,
zonder grote sprongen, maar met vele kleine veranderingen--medelijdend
zuchten, schertsende ironie. En het verhaal schrijdt steeds kalm door,
begint bij het begin, springt niets over, vat de geschiedenis niet in
dramatiese scènes samen, maar houdt steeds de belangstelling gaande. Het
is de stijl en de toon van de moderne roman en novelle die men hier ziet
ontstaan. En het was ook de geest van het Hofleven zelf die de nieuwe
vertelkunst zou bezielen niettegenstaande de vreemde van alle kanten
opgenomen stof; wat die kenmerkt is de licht-gewekte zo al niet
diepe sympatie met het geluk en het ongeluk der mensen, de sceptiese
mensenkennis en de fijne blik op het leven dat alles zoals wij gezien
hebben, karakteristiek was voor de mensen uit die kringen. Wat wij reeds
in het Frankrijk van de 12de en 13de eeuw in dat sosiale leven geboren
zien worden, is de Conte van de 19de eeuw, geestig als bij Voltaire, en
sentimenteel als bij Musset.
Een andere manier waarop de gasten onderhouden werden, was zang en spel
en dans. Wanneer de vrouwen bij elkaar zitten te naaien of te spinnen,
begint één er van een lied en heffen de anderen het refrein aan; na
tafel wanneer de mannen en vrouwen samen aangezeten hebben, geeft een
der vrouwen ook een lied ten beste en wordt het refrein door de overigen
gezongen; of wel moet ieder der aanwezigen om de beurt een lied zingen.
Naast de viool en de harp die men van oudsher kende, komt nu de luit van
de Arabieren, wier hoven in Andalusië van muziek en gezang weerklonken.
Ouderwetse moralisten ijveren tegen al dat gezang en spel in gezelschap;
dat verwekelikt maar en leidt tot wellust zeggen ze. En nog meer is de
dans hun een reden tot ergernis, als zijnde een uitvinding des duivels.
Bijna bij alle feestelike bijeenkomsten wordt er aan de hoven gedanst,
en er komen massa's nieuwe dansen op waarvan enkele, naar de namen te
oordeelen, uit Griekenland schijnen te stammen. Het zijn kettingdansen,
rondedansen, dansen door vrouwen alleen of door mannen en vrouwen,--maar
de meesten zijn zeker begeleid geworden door gezang.
En die liederen zijn het andere genre dat uit dat hogere sosiale leven
geboren wordt. Niet spesiaal uit dat aan de hoven; men kan ze tot in
de eerste tijden der middeleeuwen vervolgen, in alle maatschappelike
klassen horen ze thuis, maar wel worden ze bij de hoven meer in 't
bizonder gekultiveerd en krijgen ze daar kleur en vorm.
Velen van die dansliederen, zoals die omstreeks het jaar 1100 op de
ridderkastelen gezongen werden, schijnen van de oude lentefeesten te
stammen, die uit de grijze voortijd in alle landen gevierd werden. In de
heidense tijd vermoedt men dat die Mei of April feesten in 't bizonder
aan de godin der liefde gewijd waren en de vrouwen hebben er de hoofdrol
bij gespeeld; het moeten een soort »vrouwelike Saturnalia" geweest zijn,
waarbij zij zich nu eens van de voogdij van man of broeder mochten
emanciperen, of in elk geval in wilde dansen en liederen zich allerlei
grappen veroorloofden. Die oorsprong verklaart het gewone begin van
die liederen; de lof en prijs van 't voorjaar en 't nieuwe jaar dat
in die tijd met het voorjaar begon en het zijn steeds vrouwen die het
woord voeren en die elkaar aanzetten om tegen hun mannen of moeders
in opstand te komen en van hun jeugd te genieten. In een liedje uit
Limousin van ongeveer 1100 zingt een van de dansende meisjes, die tot
»April-Koningin" gekozen was, aldus de lof van de lente: »Nu eindelik
de heerlike tijd gekomen is, zal de vreugde een aanvang nemen, de
ijverzuchtigen zich ergeren en daarom zal de koningin eens laten zien
hoe vol liefde zij is," en de meisjes vallen in: »Weg, uit den weg,
gij ijverzuchtigen!--laat ons dansen, laat ons dansen met elkaar!"
Overal--gaan ze door--heeft zij laten weten: alle meisjes en jongens
mogen komen dansen. Maar nu komt ook de koning, om het dansfeest te
verhinderen, hij is bang dat men hem zijn April-Koningin ontroven zal.
Maar zij wil van de oude niets weten, zij wil liever een jonge kerel
hebben die weet hoe een mooi meisje behandeld moet worden. En hij die
haar zag, zoals zij zich daar bij het dansen vertoonde, die kan zeggen
dat de vrolike koningin haars gelijke in de wereld niet heeft... »A
la vi', a la vie, jalous,--lassaz nous, lassaz nous--ballar entre nos,
entre nos." Een dergelijke half-conventionele wildheid kenmerkt andere
oude Noord-Franse of Duitse dansliederen. »De gehele wereld zal mij
niet verhinderen mij een »ami" te kiezen," zingt een meisje uit
Noord-Frankrijk; openlik verklaart zij aan haar moeder: »Ma mère, je
veux Robin"; de moeder dreigt haar met een stok en wil haar met haar
spinnewiel opsluiten, maar het meisje belooft zich zelf dat zij haar
geliefde toch wel zal krijgen: »Les mammelettes me poignent, je ferai
novel ami", zo zingt zij haar liefdeverlangens uit. En een Duitsch
meisje zingt: »ik zal mijn zorgen laten lopen en met mijn vriendinnen de
weide ingaan," en dan roept zij haar »Mei-geliefde": »zoete Rozenmond,
kom, kus mij gezond." In haar klooster klaagt de non; zij wil er vandoor
en zich met haar geliefde amuseren: »S'irons à Paris, mener bonne
vie,--car il est jolis et je suis jeunette," en liefde-smachtend luidt
haar refrein: »Je sens les douls mals leis ma seinturete--malois
sois de Deu ki fist nonnette!"--»ik voel de zoete smarten onder mijn
lendenen--vervloekt door God zij hij die mij een non deed worden!"
Vooral klinken van alle kanten de protesten van de getrouwde vrouwen:
»Mijn man heeft mij overdag,--mijn vriend de korte nacht... Loop heen,
gij lelike bochel! bij God, ik zal u horens laten dragen; want nu is de
zoete tijd gekomen dat de weiden groenen. Nu zullen wij, mijn vriend en
ik, de nieuwe bloempjes gaan plukken (»bloemen plukken" betekent in deze
liedjes altijd zich aan de liefde overgeven). Waarom slaat mijn man mij?
Ik heb immers nooit iets anders gedaan dan mijn vriend beminnen. En gunt
hij mij _dat_ plezier niet eens meer, dan zal ik mij nog meer op hem
wreken." En de jonge Provençaalse zingt: »Wat zal ik u zeggen waarom ik
zo vol liefde ben,"--en zij zelf en haar vriendinnen vallen haar in de
rede: »Coindetta sui..." »Knap ben ik, maar ik heb verdriet over mijn
man, ik wil niets van hem weten--want ik ben maar klein en jong en een
maagd, ik moest een man hebben waar ik plezier in kon hebben... Maar
God weet dat ik geen smaak heb in mijn echtgenoot, als ik hem zie, wens
ik slechts dat de dood hem van mij wegneemt. Maar één ding heb ik wel
gemerkt en dat zal ik u zeggen: mijn vriend heeft mij reeds lang bemind
en hem zal ik mijn liefde schenken... En het lied dat ik hier op deze
melodie dicht, dat moet--vraag ik--wijd en zijd door alle vrouwen
gezongen worden, over mijn vriend dien ik bemin en naar wien ik zo
verlang." »Coindetta sui... Aardig ben ik" enz., zingt het koor daar
dan weer tussen in.
Dat zijn oude conventionele volksliederen-motieven in de ridder- en
hofkringen in voorname vorm gegoten. Andere dansliedjes, eveneens
door vrouwen gezongen en oorspronkelik ook wel door haar gedicht,
zijn romanceachtig vertellend. Het zijn kleine liefde-episodes of
liefdegeschiedenissen, slechts met een paar losse lijnen opgetrokken,
in een paar trekken te voorschijn getoverd... alsof men in de muziek
maar even het tema aangeeft, maar de uitwerking aan de fantasie van
de hoorders overlaat... dikwels half dramaties in de gesprekvorm, maar
oorspronkelik altijd met een refrein dat de grondgedachte aangeeft...
de stemming waar de kleine »historie" uit ontkiemd is en die alleen
gebruikt zal worden om de toehoorders mee in slaap te wiegen. Dat zijn
de romancen waar onze Scandinaviese volksliederen ook meê samen hangen.
»Aalis main se leva--bon jor ait, qui mon cuer a... Alis stond 's
morgens op--geluk voor hem die mijn hart bezit--zij kleedde zich en
maakte zich mooi onder een elseboom--geluk voor hem die mijn hart
bezit,--het is niet langer mijn." Meer hebben wij van dit liedje niet.
Kompleet hebben wij daarentegen het lied van Gaiete en Oriour, twee
zusters die een Zaterdag naar de beek gingen om te baden. »De lucht
trilt en de takken wiegelen; mogen zij die minnen zoet slapen!"
luidt het refrein als van een wiegelied. De jonge Gerard komt van
wapenoefeningen terug, ziet Gaiete aan de beek en neemt haar in zijn
armen. »Als je nu water geput hebt, Oriour," zegt zij tegen haar kleine
zuster, »ga dan naar de stad terug, ik blijf bij Gerard." Oriour gaat
naar huis, maar weent haar beide oogen uit en zucht uit het diepst van
haar hart, omdat haar zuster niet met haar mede gaat. Maar Gerard en
Gaiete gaan terstond direct naar de stad en daar troost Gerard haar.
»Vante l'ore et li raim crollent,--ki s'antraimment, soweif dorment."
Men ziet bijna de dansenden de kleine geschiedenis mimies voorstellen.
Minder bij de dans dan bij het werk in het vrouwenvertrek zijn die
oude romances gezongen geworden, die de adellike dame of jonkvrouw in
haar stille liefdedromen schilderen, in de smart of het geluk van haar
ootmoedige liefde. Daar zit de schone Dolette bij het venster en leest
in een boek, maar haar gedachten zijn er niet bij, zij denkt aan haar
Doon die ver weg getrokken is, naar 't een of ander toernooi. En nu komt
juist het bericht dat hij gevallen is; zij neemt terstond het boetekleed
aan en wijdt zich aan het nonnenleven.
Zo zit ook de schone jonkvrouw Yolande in haar vertrek een fluwelen
wambuis te maken voor haar vriend die ver weg is. Zuchtend zegt zij:
»God, wat is de naam der liefde zoet. Nooit had ik gedacht dat ik daar
smarte bij zou voelen," en zij bidt God medelijden met haar te hebben.
Maar op het zelfde ogenblik komt haar lieve vriend de kamer binnen. Zij
ziet hem, buigt haar hoofd en kan geen woord uitbrengen. »Mijn lieve
dame, hebt gij mij heel vergeten?" vraagt hij. Maar nu lacht zij en
strekt zuchtend de schone armen naar hem uit. »Schone vriend, ik kan u
niet bedriegen. Met geheel mijn hart bemin ik u. Zo veel als gij wilt,
moogt gij mij kussen." Zij neemt haar vriend in haar armen. Zij zetten
zich op een mooi bed en daar omhelzen zij elkaar. »God! wat is de naam
der liefde zoet. Nooit had ik gedacht, dat ik daar smarte bij zou
voelen."
Boven in het vrouwenvertrek is het ook dat de koningsdochter Erembourc
zit te borduren en zij door een torenvenster ziet dat haar vroegere
vriend, Graaf Raymond, de binnenplaats op rijdt; nu komt hij in de lente
thuis maar hij heft het hoofd niet meer op naar haar kamer als vroeger.
Maar zij roept hem, hij mag haar de belediging toch niet aandoen niet
eens meer even met haar te komen spreken. »Gij hebt niet goed gehandeld,
koningsdochter! Gij hebt een ander liefgehad, om hem hebt gij mij
vergeten", roept hij naar boven. Maar zij zweert van niet; met haar
dames en maagden is zij bereid een eed af te leggen dat zij onschuldig
is. En dan komt hij bij haar binnen--breed van schouders, smal van
middel--blond, met gekrulde haren; een knapper jongeling was niet te
vinden. Hij gaat op het geborduurde kussen zitten, zij zit naast hem;
»de joste lui se siet bele Erembors,--lors recomencent leurs premières
amors..." Het gehele kalme vrouwenleven in die torenkamers hangt als een
atmosfeer om de weinige woorden van die liederen,--in een vaag onbewust
verlangen naar vrijheid en een bereidwillige onderwerping aan de
heerschappij van de mannen. Het is alsof men de eenvoudige woorden hoort
zingen met begeleiding der akkoorden van een tedere guitaar.
Duideliker spreken de gevoelens der geliefden zich in liederen uit,
die het afscheid schilderen van ridders en hun dames. Dit zijn ook
oorspronkelik meestal liederen van vrouwen of altans is de vrouw degene
die vooral het woord voert en de warm liefhebbende is, terwijl de man
er de rol van koelbloedige meerdere speelt. Wij hebben Duitse liederen
van dit genre over of altans fragmenten er van. De vrouw klaagt en hij
belooft haar niet te vergeten, of zij smeekt hem bij haar te blijven,
maar hij antwoordt lichtzinnig of, als om te tonen dat hij een man is,
dat hij zich niet eeuwig en altijd door een vrouw kan laten binden; soms
is zij een vorstin en eist dat hij haar beminnen zal of hij moet het
land verlaten, maar de ridder laat zijn paard zadelen, hij wil liever
vertrekken dan zich door een vrouw te laten dwingen. Of de vrouw is
verlaten achtergebleven en klaagt dat nu de lindebomen kaal zijn, dat
haar geliefde, een onervaren jongen, in het net van andere vrouwen
verward is geraakt, ofschoon God weet dat zij--dat »ich im diu holdeste
bin". Zij staat op de tinnen van het kasteel en kijkt hem achterna nu
hij wegrijdt; de valk die zij voor hem had afgericht, is nu ook van haar
weggevlogen. God »brenge hen samen die gaarne samen willen zijn." Of zij
verlangt naar hem in de verte. »Es stuont eine Frouwe alleine unt warte
über Heide." »Wanneer ik alleen sta in mijn hemd en aan u denk, mijn
Ridder, dan gloei ik als een roos en is mijn hart vol droefenis."
Dikwels is het op een kruistocht dat de ridder moet gaan en roept zijn
kristelik en militair plichtsgevoel hem weg, over zee en land, terwijl
haar liefde hem terug wil houden. Allerliefst is zo bijvoorbeeld een
Provençaalse romance waar het adelike meisje een schonen zomerdag onder
een bloeiende vruchtboom in de tuin zit en tot Jezus klaagt dat haar
geliefde voor Hem naar het heilige land getrokken is en haar verlaten
heeft. De dichter tracht haar te troosten met de hoop op de hemel,
maar zij laat zich met het hiernamaals niet afschepen »wanneer God mij
ondertussen hier op aarde hem ontrooft die mijn vreugde was, hem die ik
nog maar zoo kort had, maar die nu zo ver weg is."
»Liebesgrüsse", »saluts d'amour" zendt de verlatene haar geliefde in de
verte achterna. »Zoveel bladen, zoveel grassprietjes, zoveel bloemen als
er zijn, zend hem zo veel liefdegroeten van mij." Dikwels is het een
valk of een zwaluw wier vrije vlucht zij benijdt en aan welke zij haar
groeten medegeeft,--een overal in het volkslied geliefd motief. Later
zendt hij dan ook op zijn beurt haar groeten door vogels. »Weg vliegt de
montere vogel,"--heet het in een »salut d'amour", uit Provence--»recht
daar heen waar zij woont en slaat zich zonder angst neer, en wanneer de
schone zich vertoont, begint het vriendelike vogeltje een zoet gezang te
laten horen, zo als hij die tegen de avond ten beste pleegt te geven,
dan zwijgt hij en bedenkt hoe hij het beste zeggen zal wat zij genadig
horen wil." Dan zingt hij menig vleiend woord tot haar over haar
geliefde, zij hoort dat aan en zendt de gevleugelde boodschapper met
vele schone liefdewoorden terug.
Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door
mannelike kunstdichters uit het oude motief van »Het afscheid der
geliefden". De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot
te samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden,
voor dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de
volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar
als die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes
geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad
gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de
vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug
te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de
leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de
twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de
kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant
van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,--van de hoogdravende Hymne
aan het Licht van Prudentius af (Aeterne rerum conditor) tot de meer
moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met
Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat »het
Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft." Aan de andere kant
misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in
de »Heroides", waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder
klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster
Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje,
ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de
kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die
van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf
de vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de
leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van
het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar
vriend in haar armen, totdat de wachter roept dat hij de dageraad ziet.
»Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die
nacht nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest
trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve,
zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de
weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn
schalmei blaast." Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar
wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart.
»Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!"
Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht
de geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele
dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en
wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe,
niettegenstaande het gevaar en zegt: »Welaan, dan blijf ik hier," totdat
zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar
dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik
te blijven: »Nooit hadden zij het zo goed als nu." Maar... nu _moet_ hij
toch weg: »Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft
al weerklonken." En wenend blijft zij alleen achter: »nû lige ich
liebes âne--reht als ein senede wip." In de Albas uit Provence--_alba_:
morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk--komt die wachter
langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen
der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig
dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te
scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de
tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug
te geven en hij roept de kamer in: »Beste vriend, slaap niet langer, in
het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu
is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de
vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra
morgen."--»Waarde, goede vriend--komt ten slotte het antwoord--ik zwelg
in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, want ik
houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en ik geef
niets om echtgenoot of dageraad." Hier is het nu, zo als men ziet, niet
langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde verheerlikt en
in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het allerverst
uitgewerkt vindt men het motief bij Wolfram von Eschenbach in wiens
»dageliederen" de wachter zowel als de vriend die in het geheim is,
tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie der
geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar tranen
en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een pateties
dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van »de zaligheid van
gestolen liefde en al de bitterheid die daar onafscheidelik van is."
Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds
vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en
volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met
elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven;
of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een
klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker
ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en
het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt,
misschien ook nog wel een derde--een mededinger die het meisje ook ten
dans nodigt--totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft.
Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met
landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij
hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en
Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen
zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de
ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt
men een andere soort gedichten die op _hun_ wijze aan één zijde der
pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend
scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of
waar hij pocht op een »bonne fortune" die hem ten deel gevallen is,--hoe
hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe
hij het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de
ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor
haar vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende
herderinnetjes aangeboden had gratis de declinatio en de conjugatio te
leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had
afgeluisterd.
De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van
Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont
een vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter,
een ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf
een gesprek tussen de herders en herderinnetjes afluisteren--Robin die
Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die
zij hem gisteren heeft zien kussen,--of boeren feestdansen, kibbelarijen
en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes
en dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike
schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te
zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven
en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd,
onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het
volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later
in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de
zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige
zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide
gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n
veehoedstertje en haar liefde,--dat betekent namelik niet veel!
»Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig
zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen
broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: »Lief kind," zei ik, »ik
vind het treurig dat je het zo koud hebt."--»Heer," antwoordde zij,
»Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als
de wind eens door mijn kleeren waait." Ik zeide dat ik haar graag
gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo
alleen het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld..." En
zo gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter
van een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben,
die niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin
geven--gaat hij door--zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in
de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen
wat ze willen zonder gezien te worden. Maar--gelijk Else in de ballade,
heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn
opdringerigheid: »van een ridder als vader, daar weet zij niets van,
soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren
denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een
slet." Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor.
»God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u
nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven." Maar
zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar
haar vader die daar ginds het veld loopt te ploegen en wil daar heen
gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het
gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen
hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: »Heer, ik geef
mij aan u over." De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme
van de pochende ridders (»gaps") vinden wij ook beiden in de pastorale
terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond
en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt
en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft.
Zelf roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan
gewillig. Maar dikwels is de herderin ook »trop sage de garder son
pucelage" en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op
een afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar
boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden
haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige
beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij
triomfantelik het gedicht: »lors me montai, si m'en alai,--à deu l'ai
commandée:--Dolente et esgarée--la laissai en la prée."
Pastorale, alba, romance, ballade,--al deze verfijnde literaire
bewerkingen van het volkslied zijn duidelik gedicht en gezongen geworden
door ridderlike dillettanten--dames en heren--als een geliefd soort
gezelschapsspel. De naam van de auteurs is niet bekend, altans van
de meesten niet, het is de volkspoëzie van de ridderwereld, gelijk
onze Deense middeleeuwse balladen dat waren. Een volksliedje als
»Maagdedroomen" is in wezen niet verschillend van een romance als de
schone Yolande of de schone Erembourc en een schertsende ballade als die
van »koning Erik en de spottende Maagd" is na aan de Pastorale verwant.
Maar deze gezelschapsliederen zowel als de vertelkunst die zich bij
de ontvangsten op de hoven ontwikkelden, krijgen nu beoefenaars van
professie in de schare van dichters en zangers die aan het hof leefden
om--en meer of minder ook van--die liederen en berijmde vertellingen
te dichten en voor te dragen. Van de dagen van Olim waren er talrijke
»jogleors" en »conteors" en »fableors" die van de ene stad naar
de andere trokken, en van burcht tot burcht, allerlei kunstjes
maakten, een beer lieten dansen, maar tegelijk ook viool speelden
of doedelzakken en berijmde vertellingen lieten horen of liedjes,--om
daarna geld in te zamelen van het kermispubliek of de gasten van de
burchtheer. Maar boven de jongleurs verheft zich in de tijden der
kruistochten een aristokratie, die soms uit die klasse voortgekomen
of daarin teruggevallen is, maar die zich niet verwaardigt op
kermissen op te treden en jongleurskunsten uit te voeren, maar die
zich alleen in de adellike kringen beweegt, zich naar die hogere
smaak vormt, zich enigsins de manieren van die kringen toeëigent
en dikwels daarin opgenomen wordt. Dat zijn de »menestrels", de
»troubadours",--»trouvères"; wanneer ze, wat dikwels 't geval is, tot
de »vagantes" horen, noemen zij zich dikwels »maîtres". Arme jongere
zonen en verarmde baronnen zelf beginnen nu ook mede te doen aan deze
wijze van het hof te vermaken, en zo vindt men ze weldra in deze nu
zo veelomvattende dichtergroep, naast klerken en zonen van burgers en
de lagere klassen. Het zijn musici van beroep, die allerlei kunstige
melodiën komponeren en spelen, voor de viool en voor harp; de Britse
en Bretonse melodieën (lais) werden over Frankrijk van hof tot hof
gekolporteerd. Bij de muziek komt dan ook zang en het zeggen van
gedichten. Zo brengen de zangers met de melodieën de Britse vertellingen
in 't Frans over en dragen ze de kleine berijmde verhalen voor, de »lais
Bretons". »Lais" worden nu langzamerhand ook andere kleine berijmde
vertellingen genoemd, welke de trouvères dichtten en voordroegen,--de
stof haalden ze òf uit het werkelike leven, òf uit de antieke myten
b.v. over Narcissus of Orpheus. Maar eerst en vooral ontwikkelen de
hofzangers van beroep in Zuid-Frankrijk een nieuwe kunstige hoflyriek,
die weldra ook aan de ridderhoven van Noord-Frankrijk en Duitsland
toonaangevend zou worden.
VI.
ZUID-FRANKRIJK.
In Zuid-Frankrijk is het maatschappelike leven der ridders het sterkst
ontwikkeld en het uit zich in het lyries individualisme der troubadours.
Het was een zeer eigenaardige wereld, dat stukje van Europa, dat in de
12de en 13de eeuw het vaderland zou worden van de Provençaalse poëzie.
In het Zuiden wordt het door de Middellandse Zee bespoeld, in het Westen
door de Atlantiese Oceaan, in het Zuidwesten is het door de Pyreneeën
begrensd,--behalve dat Catalonië en belendende dalen van het Spaanse
schiereiland er bij horen--in het Oosten door de Alpen, ofschoon er
toch volop voeling blijft met de daaraan grenzende delen van Italië;
eindelik gaat, wat het noordelik Frankrijk betreft, de grenslijn met
een vrij grote boog van de Gironde in het Westen, noordelik over
Poitou en weer zuidelik naar Lyon in de punt van het meer van
Genève,--hoofdzakelik wordt de grens gevormd door de bergvlakte van
Auvergne en Limousin. De met pijnbomen begroeide zandvlakte en de
moerasstreken van Gascogne bij de Atlantiese Oceaan; de wijnbergen van
Garonne; Toulouse en de bergdalen van de uitlopers der Pyreneeën;
daarachter de Cevennes bij de Middellandse Zee, Languedoc met zijn
rijke, oude Romeinse steden: Narbonne, Beziers, Nîmes; het dorre en
stormachtige kustlandschap van Provence met Arles, Aix en Marseille; de
alpenstreken van Dauphiné en Savoye, Poitou bij de Loire en Catalonië
aan de overzijde der Pyreneeën... al deze streken maakten op verre na
geen geografiese of politieke eenheid uit, maar toch bestond er een
innig, levendig verband tussen, en vormen ze tegenover de daar buiten
liggende provincies één geheel,--en wel ten gevolge van een gemeenschap
in hun ethnologie, hun historie, hun taal en hun kultuur.
Hoe weinig men ook weet van de verschillende rassen, Liguriërs, Iberiërs
en Kelten, en de verhouding waarin die, de oudsten van Zuid-Frankrijk,
tot elkaar stonden, zeker is in elk geval dat die donkere kleine mannen
geheel en al verschild hebben van de sterk met Germaanse elementen
doortrokken Galliërs uit Midden- en Noord-Frankrijk. Of het nu het
klimaat is, de levenswijze of wat er ook de oorzaak van is,--het is geen
verbeelding dat het Zuid-Frankrijk van een Mirabeau, een Thiers of een
Gambetta, dat van een Montaigne of Montesquieu, dat van een Berlioz en
een Gautier en Daudet,--dat in het algemeen het Zuid-Frankrijk van de
advokaten en politici, der journalisten en raisonneurs, der kolonisten
en impressionisten een heel ander land is dan dat van Corneille en
Molière, van Voltaire en Rousseau, van Taine en Renan. Het was als
bloeiende rhetoren en scherpzinnige dialectici, dat de Zuid-Fransen
uitblonken zodra zij weer in de Romeinse kultuur werden opgenomen;
tot op het huidige ogenblik toe is het die steeds weer opborrelende
levendigheid en een soort lyriek die zich voor een ieder openbaren,
die de landgenoten van Numa Roumestan en Tartarin kenmerkten.
De Romanisering van Zuid-Gallië--de streek met Narbonne in het
Zuid-oosten en het Aquitanië van Caesar in het Zuid-westen--greep niet
alleen éerder plaats dan die van het overige Gallië, maar geschiedde
ook grondiger; reeds van de tijd af dat Marseille door Griekse
kolonisten gesticht was, had Zuid-Frankrijk behoord tot de wereld der
landen om de Middellandse zee. In de grote steden uit de Romeinse tijd
staan nog poorten en aquadukten, termen en grafmonumenten, tempels
en amfiteaters, als herinneringen aan het rijke Romeinse leven.
Bij het einde van die periode waren deze steden om zo te zeggen het
meest beschaafde deel van het Romeinse rijk en zij waren de laatste
haardsteden waar de vonken van het uitdovende geestelik leven der
Oudheid nog brandend gehouden werden. De biblioteek van Arles, de
scholen van Toulouse, Bordeaux en Vienne bewaarden nog lang hun roem en
in Marseille waren er nog steeds Griekse overleveringen.
In veel mindere mate dan de naburige landen zou Zuid-Frankrijk ook de
gevolgen van de Volksverhuizing ondergaan: omwentelingen en vermenging
van rassen. De Bourgondiërs die uit het Oosten kwamen, weinig talrijk
en half beschaafd als zij waren, voegden zich vrij gemakkelik in de
bestaande civilisatie, ook de West-Goten, die zich tussen de Garonne en
de Pyrenaeën vastzetten en het grootste deel van Spanje veroverd hadden,
smolten vrij wel met de Romaanse bevolking samen. De veelvuldige
invallen der Arabieren van uit het Zuiden brachten veel nieuwe
kultuur-ideeën met zich mede, maar leidden niet tot een blijvend
in-bezit-nemen. En met het Frankiese Noord-Gallië hield alle nadere
verbinding op, vooral sedert de tijd van Karel de Grote. Zeer spoedig
werd het verschil tussen de taal van Langue d'oc en Langue d'oil heel
sterk en ofschoon de Franse koningen nominaal Heren waren over het
Zuid-Frankrijk ten Westen van de Rhône, evenals de Duitse keizer van
Bourgondië en het eigelike Provence, vertoonden de Zuid-Franse vorsten
zich toch alleen maar zo nu en dan eens even aan het koninklik hof te
Parijs. Feitelijk leefde »Le Midi" een volkomen onafhankelik leven en
hoorde nog steeds, evenals in de oudheid, ekonomies en kultureel bij
Italië en de streken aan de Middellandse zee.
De Middeleeuwen kregen dan ook nog minder vat op Zuid-Frankrijk dan
zelfs op Italië. De twee grote beschavingsfaktoren: het Kristendom en
het leenstelsel hadden daar ginds veel minder revolutionaire invloed dan
meer in het Noorden, en de Romeinse kultuur van vroeger tijden bleef
schrap staan tegen de nieuwe levensvormen en hield vol energie stand.
En hier moest het Kristendom menig kompromis aangaan met de oude
Romeinse kultuur. In de 4de en 5de eeuw nog vond men in het offisieel
gekerstende Gallië een aristocratie van hogere ambtenaren en
grondbezitters die volkomen onverschillig bleven bij de kerkelike en
politieke strijd van den dag en een leventje leidden van één en al
genot, als in de beste dagen der oudheid. De laatste Gallo-romeinse
schrijvers als Ausonius en Eutropius hoorden tot die kring. Op villa's,
in de buurt van Bordeaux of ginds in Auvergne, verdreef men de tijd
met jacht en visserij, maar men studeerde en kommenteerde ook zijn
klassieken in welvoorziene biblioteken, deed, al was het dan ook als
amateur, aan de archeologie, bracht komedies van Terentius, of in zijn
genre, op privaatteaters ten tonele of voerde literaire gesprekken of
een literaire briefwisseling. Niet weinigen van de bisschoppen der Kerk
hoorden zo goed als geheel tot deze kringen. Sidonius Apollinaris stierf
als bisschop te Clermont, maar zijn gedichten die hem een standbeeld
verschaften op het Forum Trajanum, en zijn briefwisseling verplaatsen
ons geheel in de Romeinse dekadenten-aristocratie. Zo schildert hij ons
b.v. het leven van een adellike vriend op zijn kasteel bij de Garonne.
Dat is al een burcht met muren en torens en het ligt op een heuvel--de
tijden staan in het teken van de oorlog--maar met zijn zuilengangen,
zijn termen, zijn muurschilderingen is het van binnen nog een heel
Romeins patriciërshuis. Bij een andere vriend, te Nîmes, vertelt hij van
een biblioteek in drie afdelingen; een heidense, alleen ten gebruike
van mannen, een kristelike afdeling voor de vrouwen, en een gemengde
afdeling voor de twee geslachten; teologiese discussies worden daar in
huis gevoerd, zowel als heidense literaire gesprekken. Of wel heeft
hij het over een concilie waar hij aan deelgenomen heeft; tussen de
vergaderingen in gaat hij met enige andere hoge prelaten--hoofdzakelik
jonge mannen--de stad uit en daar, bij een antiek grafmonument in de
schaduw van de bomen, amuseert het bisschoppelik gezelschap zich
afwisselend met het kegelspel en met het dichten elk om de beurt van
Latijnse impromptu-verzen. Omstreeks het jaar 600 vertoonde een andere
bisschop, Venantius Fortunatus, een nog vreemder legéring van officieel
Kristendom en traditioneel Heidendom. Hij schrijft n.l. Heiligenlegenden
en Kristelike lofzangen, maar daarnaast ook bruiloftsverzen voor een
Frankies koningspaar met de hele mythologie van Amor en Venus er in,
en verder kleine billets-doux aan een zekere zuster Agnes of zuster
Radegunde in een naburig klooster met sierlijk-galante dankbetuigingen
voor bloemen of potten melk die de nonnen hem gestuurd hebben. Zo zijn
er dus onder de Franse klerezij genoeg overleveringen voor die soort van
aesteties heidendom bij de geestelikheid die, zoals wij gezien hebben,
de opkomst der scholen in de 11de eeuw met zoveel liefde bevorderde; het
is ook in de grensstreken tussen Zuid- en Noord-Frankrijk, in de buurt
van Tours, Poitou en Anjou dat die belletristiese prelaten meer bizonder
thuishoorden.
Trouwens, nergens breken de draden die naar de antieke kultuur terug
voeren. Toen ongeveer het jaar 1000 enige Provençalen in het gevolg van
een prinses naar Parijs kwamen, ergerden de mensen in Noord-Frankrijk
zich over die kort geknipte, glad geschoren Zuidelingen, met hun fraaie
kleeren, en hun ijdel, lichtvaardig optreden. In klederdracht zowel
als in manieren stak er zeker nog heel wat van die der Romeinen uit de
latere Keizertijd. Heel lang nog waren er te Arles de circusspelen of
dierengevechten in zwang en zelfs in de zang-dansen der boeren kon men
de voorstellingen van Amor en Venus nog terug vinden. Zeer waarschijnlik
zijn er hier evenals in Italië, privaatscholen geweest naast die van
de Kerk en heeft er onder de voornamen een zekere wereldlike klassieke
kultuur bestaan naast die van de geestelikheid. De gemakkelike
verbinding met Italië, met het humanistiese pauselike hof en de
humanistiese hogeschool te Salerno, heeft zeker op verschillende wijzen
sporen achtergelaten. Zo begint men b.v. in de 11de eeuw te Arles de
kerk van de H. Trophime met standbeelden te versieren, waar men de
antieken klaarblijkelik tracht na te bootsen en tegelijkertijd worden er
te Avignon en in andere steden van Provence, kerken gebouwd, die in de
portieken en gevels op de pilaren en de kapitélen allerlei détails van
de antieke gebouwen nabootsen, die men rondom in die steden vinden kon.
Maar ook het maatschappelik leven zelf had in zijn grondtrekken veel van
de oudheid bewaard. Evenals in Italië stond ook hier het stadsleven
boven dat van de landman, in tegenstelling met de toestanden in het
Noorden. Mensen in goeden doen--adelliken zowel als burgers--woonden
liever in de oude rijke Romeinse steden dan eenzaam ergens buiten. En
de burgers hadden feitelik een niet onaanzienlik kommunaal zelfbestuur.
Wel is waar stonden ze onder een graaf of een bisschop, die midden in
de stad zijn residentie had of er vlak bij, maar hij regeerde alleen
door een »Vicarius" of een »Baljuw" die door de burgerschap gekozen
werden en langzamerhand hadden de steden allerlei privileges gekregen;
in de loop van de 12de eeuw kregen ook de meesten van hen hun eigen
»consules",--burgemeesters. Men kan b.v. in de »Coutumes" van
Montpellier lezen,--die tot toonbeeld genomen werden van een massa
andere steden,--hoe de stad vol zelfbewustheid haar rechten tegenover
de »Seigneurs" laat gelden. En overal--heet het--waar niet iets anders
uitdrukkelik gestipuleerd is, geldt »het geschreven recht", d. w. z. het
oude Romeinse recht, dat steeds van kracht is naast, of als deel van,
het lokale gewoonterecht.
Over het algemeen is de maatschappij daar volstrekt niet zo
gefeodaliseerd als in het Noorden. Het vrije landbezit (allodium) en de
vrije bezittersstand die alleen de vorst als hun heer erkenden, waren
grotendeels blijven bestaan, zonder in het leenstelsel opgenomen te
worden. Tussen de adel, de rijke burgers en de grondbezitters bestond
er geen scherpe grens, zij vormen te zamen die hogere standen wie het
er om te doen is de kleine burgers er onder te krijgen en uit te buiten,
en de burgers kunnen, als het er op aan komt, zich vrij gemakkelik
het ridderzwaard om de lendenen laten gorden. »Welgeboren burgers,
die de gewoonte hebben, op de wijze der ridders te leven", heet het
in een overeenkomst tussen Avignon en de omliggende graven, »zullen
ook de zelfde rechten genieten als zij." Zelfs waar er sprake is van
leentoestanden, schijnt het in werkelikheid dikwels zo geweest te zijn
dat de Vazallen hun grond in vrij bezit hadden en alleen maar in een
vrij losse persoonlike verhouding tot de leenheer stonden, terwijl
de macht van deze laatste voornamelik afhangt van de grootte zijner
_allodia_. Wanneer men de zaak goed onderzoekt, zijn de meesten van die
»Senhoraten" oude Gallo-romeinse landgoederen geweest, alleen is dan
het landhuis een kasteel geworden aan welks voet de kleine burgers bij
elkaar zijn komen wonen en het leenstelsel zelf zijn misschien dikwels
militaire vervormingen van de oud-Romeinse verhoudingen tussen de
voorname patroon en zijn kliënten, tussen de rijke grondbezitter en de
»prekaristen"--zijn pachters.
Maar in het algemeen zat het individualisme uit de latere Romeinse tijd
op de troon, dat het vermogensrecht en personenrecht beheerste en zou
de vervorming van de Germaanse stam-gemeenschap en stam-geest niet
ondergaan, die de positieve zijde van het leenstelsel uitmaakt. De
persoonlike en ekonomiese saamhorigheid, die de Germanen van hun »gauen"
en hun krijgstochten medebrachten en die de schering van het feodale
weefsel vormde, kon Zuid-Frankrijk al even weinig begrijpen als Italië.
De wederzijdse, volkomen religieuse plicht van trouw van leenheer en
vazal, konden die zich evenmin eigen maken als het begrip van een
ekonomiese gemeenschap in de maatschappij die het leenstelsel draagt.
Dat was ook de reden waarom Zuid-Frankrijk zo goed als geen aandeel
heeft in de Franse en Duitse heldendichten die hun grond en verklaring
vinden juist in die Germaanse stam-geest en het leenstelsel.
Alleen de _negatieve_ zijde van het leenstelsel--als men het zo
uitdrukken mag--d. w. z. de individualistiese anarchie der baronnen vond
daar een vruchtbare bodem. Wat kwam die niet prachtig overeen met het
individualisme van het Romeinse vermogensrecht en de latere Romeinse
patriciërsgeest, waarin alle maatschappelike gevoelens uitgestorven
waren. En de vele wijd uiteenliggende bergdalen in de Pyreneeën en de
Cevennen bevorderden het separatisme maar al te wel.
Zo vinden wij dan omstreeks 1100 Zuid-Frankrijk in een bonte massa van
»Senhoraten" verdeeld van alle grootten en allerlei aard, naast elkaar
of zeer los aan en met elkaar verbonden, elkaar bevechtende, en door
huwelik of ruiling in allerlei verbindingen met elkaar tredende. Daar
zijn de hertogen van Aquitanië, tegelijk graven van Poitou--energiese
vorsten en literair ontwikkeld die, vooral nadat zij zich Gascogne
onderworpen hadden, als koningen over heel Zuidwest-Frankrijk heersten,
hoewel steeds in strijd met hun machtige vazallen, de graven van
Auvergne, Périgord, Angoulême of de Heren van Blaye, Ventadour of
Chateauroux. Of de graven van Toulouse die in de 11de eeuw Provence
geannexeerd hadden en over de hele Zuid-kust regeerden, maar die door
een ongelukkige erfopvolging hun provincies steeds in al te veel handen
over zagen gaan en die bovendien, op ridderavonturen belust, aan
de kruistochten in het Oosten en in Spanje deelnamen in plaats van
een oogje in het zeil te houden bij de woelige graven van Foix en
Carcasonne, de burggraven van Albi en Narbonne of de oude steden
in Languedoc. Dan hebben wij de graven Raimond of Berengarius van
Barcellona die van het grote plan zwanger gingen om het oude rijk
der West-Gothen weer op te richten en die zich door koop en huwelik
grote bezittingen in Zuid-Frankrijk verwierven, maar die op hun beurt
weer verlamd werden tengevolge van de erfopvolging, waarbij hele
landsdelen onder de verschillende takken der familie werden verspreid.
In het midden van de 12de eeuw werden Poitou en Guyenne met het
Normandies-Engelse rijk verenigd en zetten Hendrik II en zijn
zonen--Richard Leeuwenhart en zijn broeders--bijna geheel
Zuidwest-Frankrijk in vuur en vlam door hun onderling twisten, waar
meer en meer van de Zuid-Franse heren in betrokken werden.
Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de
grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt
zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt
van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat,
zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De
vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in
een spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de
seigneur in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen
der vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan
maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen
van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een
troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als
de ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de
12de eeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen
dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet
eens te spreken. Die mensen uit het Noorden--zo spot men in
Zuid-Frankrijk--denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen
niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken
zijn en de Duitsers met hun plompe manieren en hun »hondengeblaf" horen
nu aan een hof helemaal niet thuis. Het woord »cortes", Noordfrans
»courtois", waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in
Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier
spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië
en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van
graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties
van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence te
Aix, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te
Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona
en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat
ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de
Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij
hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar »op een keizerlik
kussen" een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: »Uit Catalonje scheen
zij mij te komen, door haar groet en harer woorden lichte spel."
Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het
slot Baux der vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de
hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het
grafelik hof van Foix, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te
Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,--volgens
de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof
en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over
en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en
kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land
of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis,
trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de
levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij,
die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een
troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en
voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar
hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn
oor strelen door elk woord van lof: »zulk een heerlik land kent niemand
als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand
heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur
achtergelaten."
Twist en het gezellige leven,--het een is even karakteristiek voor de
Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten,
deze ridders--zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren
het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht
te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden,
dat de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het
zijn geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming
van het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook
weer los,--òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de
Romeinse dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties
intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig
en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van
vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme,
lyriek, aesteties intellektualisme,--zie daar de hoofdtrekken van het
Provençaalse geestesleven.
Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de
kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasme
wisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid.
In de 11de eeuw kwamen er talrijke extravagante »bekeringen" en
voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse
wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste
vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II het
wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse
ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. De
hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan kerken
en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte een
groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de
hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen
en mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de
Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te
lang ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de
levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te
trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der
troubadours. »Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten
de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis
genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de
smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons
allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er
een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen?
Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden."
Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders
voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat
der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de
ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een
verbitterde ketterse stemming. »Helaas!" klaagt een poëtiese Tempelheer
na de val van Caesarea, »indien God, wien dit alles moest mishagen, het
goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die
nu nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God,
die vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht
en laat zijne dienaren zegepralend heersen." En met spot en scherpe
hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de
geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de »ketterse", half onkristelike
godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige
ontwikkelde geesteliken zetten in Provence en Lausanne bewegingen op
touw om het »bijgeloof" van de sacramenten, relikwieën en heiligen
bij de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus
indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met
Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13de eeuw klagen de
mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe
weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig
respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike
overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij,
aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme--dat is de houding van
de wereld der troubadours tegenover het Kristendom.
Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in
het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet
alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met
spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van
niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten
worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin
van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar
spek had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje
afscheept,--en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze
laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een
andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf
van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam
daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan
veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover
lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met
zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten
verweet dat zijn liefde zo snel vervloog.
En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van
onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de
kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,--over de bijzitten der
baronnen of de »vrienden" van de getrouwde vrouwen of van de ruwe,
gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons
in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de
grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der
Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie
en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,--een
literair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met
gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding
munt voor een »roman" slaat. De koketterie der dames en de galanterie
der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen
die fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach,
een handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van
verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een »scene", de
gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het
genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine
nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen
evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de
grove Noordeling geeft.
En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst
en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op,
die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren
dichtkunst een artistieke vorm geven,--dansballaden en romancen, alba's
en pastoralen--maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen
om aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van
al de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon
aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen
als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van
ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de
burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de
bij uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is
de slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het
klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de
oudste die men kent is graaf Guillaume van Poitou, die omstreeks het
jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven,
maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van
één lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er
zijn duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse
kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse
oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen
vindt men in den regel »jongleurs" die met hen rondtrokken en hun
gedichten voor hen accompagneerden en opzegden.
VII.
DE KUNST DER TROUBADOURS.
L'Art de Trobar werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die
uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon
worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste
troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats,
beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken
van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van
het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten
worden om goed te »trobar", door die regels komt de kunst hoe langer
hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de
volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een
elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts
de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge
kring van kenners richt, dat slechts wil »grat de las melhors" en zich
absoluut niet bekommert om bijval van de »desconnoissedors".--Maar die
kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter
op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. »Trobar" is
uitvinden en in tegenstelling met de »jongleurs" die overal de gedichten
van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem
en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er
zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn
gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe
inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar
orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. »Ik wil een
nieuw lied zingen," begint er een troubadour, »met grote moeite, opdat
het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is
niet goed en niet schoon." En een ander: »Ik vind het altijd vervelend
te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de
hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike
melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is?
Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier
moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was."
In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de
troubadourskunst--evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese
Noorden--het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de
kunst in conventionele, kunstige vormen, maar spoort binnen die perken
de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te
trachten elkaar te overtreffen.
De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid
door de viool of de harp. »Een liedje zonder muziek is gelijk een molen
zonder water", heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral
komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het
volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij
er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de
kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets
meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom
van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen
storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal
levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de
zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte
afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met
versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4
regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een
enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het
kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een
geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen
deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval
betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike
vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in
versvormen der gehele moderne lyriek.
Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor
de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed
bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven,
de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en
de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel
karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen,
aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals
zijn samengevallen,--amati, amatis, amatus,--dit is alles tot amatz
geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de
troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had
zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, assonance; maar
de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele
latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er komen nog meer
gekunstelde rijmen op,--de zogenaamde »rimes riches" worden ingevoerd,
waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art
= kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame
rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden;
als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar
verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit
verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel
worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze
ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten
voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd
met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend
gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan
elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de
andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe
met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst,
door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen.
En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: »A
Lunel lutz una luna luzens", of met woorden van dezelfde klank maar
verschillende betekenis: »ongle--oncle". Men heeft ook oor er voor
om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale
dichtvorm: »descort", het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden
van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds
veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering
horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat,
»omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de
inhoud."
En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van
een artistiek aristocratiseren. »In mijn hart draag ik de vijl," zingt
een troubadour, »waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone
rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing." Niet van alle landstreken
wordt het dialekt geaccepteerd als een »natural e drecha parladura": als
Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin
beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne,
platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, »want hij die bemint,
moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in
woorden." Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men
begint grammatica's te schrijven. Veelal verheft men bewust de stijl
boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren
die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of
uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en
personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur
der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde
Amor, of zinswendingen als: »Gelijk de magneet... aantrekt, zo..."
enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst »de ceder der
vrolikheid" genoemd wordt of een dame: »de toren der eer". De gehele
rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te
voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der
welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der
bitterheid.
Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik
te verstaan--wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven
het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de
laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse
Skalden. »Le trobar clus" (gesloten) is het aestetiese program voor
een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel
imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog
Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die
beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden,
bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige
bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: »jaagt
hazen met ossen en zwemt tegen stroom in",--zoals hij zelf zegt over
zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse
rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt »als het rijk dat de
Ebro doorstroomt", de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese
omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met »de zuster van
mijn oom" werd aangegeven; en wanneer »de liefde die hem in het harte
regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt", dan is dit
niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger
van deze »estilh clus", Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide
toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo
te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; »per slot van
rekening is dat ook het moeilikste." Maar zijn tegenstander beweert:
»neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een
ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik
van Jan en Alleman komt; goud is duurder dan zout, omdat het zoveel
zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het
moeilikst toegankelik is."
* * * * *
Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven
zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours
eindigen de meesten van hun gedichten met een »tornada"--een kleine
»staart"--cauda--die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens
herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort
samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,--voor een bepaald persoon
of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der
troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan
ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids-
en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen
die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de
burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle
vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de
hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de
binnenkamer gefluisterd waren,--dit alles zou nu de vleugelen van de
zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder
door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door
de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse
kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse
lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge
meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of
een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de
preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of,
omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de
geestelikheid.
Een »Sirventes" betekent letterlik een dien-dicht (sirven = dienen,
servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting
van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar
langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle
persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese
en strijdlustige Zuid-Franse geest in het »sirventes" zijn uiting.
Bertran de Born, heer van Hautefort in Périgord, was de eerste, de
voornaamste man van de politieke »Sirventes". Gelijk de Arabiese zonen
der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden
van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het
zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die tot gedicht
wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en
zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het
voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door
zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de
burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord
zong hij onderwijl door: »Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men
mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan,
als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij
elkaar kunnen brengen." Met vurige strijdlust mengt hij zich in het
oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als
prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was.
Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen
»die schrok-op uit Poitou" op zetten, »Richard ja-en-neen", zoals hij
hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen
waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich
durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die
een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een
vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn
afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de
mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op
aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. Talairand is
een echte »Lombard",--als andere woedend opspringen, rekt hij zich even
uit en gaapt... »Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste
een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en
deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte
gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet;
maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen."
Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen
voor niets verslijt,--»wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze
moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en
voeten laten beslaan als een paard." Maar het jubelt in hem wanneer hij
de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het
wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen
was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot
rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl
van de Latijnse »planctus" die abten en bisschoppen bij de dood der
vorsten op bestelling schreven. Hij verzoende zich met Richard maar
kreeg niet minder stof voor zijn Sirventes in de twisten tussen de
Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,--hij doet wat hij kan
om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even
voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van
Aragon.
Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,--het zijn
onze krantenartikelen,--een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar
er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: »Al is er
overal om mij heen vrede,--een duim breed grond is mij genoeg om te
vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat;
mijn hart is aan strijd alleen gewijd", of wanneer hij als dronken is
van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het
gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan
ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal
zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de
velden snellen: »eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als
wanneer ik de kreet »Vooruit!" hoor, en de paarden hinniken, en er
hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde
speren nog in hun zijde." En zijn haat van edelman tot boer en burger
breekt in hevig leedvermaak uit, »het doet mij goed wanneer ik die
ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie...
wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij
rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog
steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt,
versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men
hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste
gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende
hun alle ongeluk!"
Een andere soort van »Sirventes" is de moraliserende. De grote man
daarvoor is Peire Cardenal. Van voorname geboorte, »vrolik, schoon en
jong", maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen
en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van Don Quichot van het
recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder
gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien
heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen
aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te
persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen. Dan
weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt,
wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het
onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron
alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met
hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee,
drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom
leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de
beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt
voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het.
Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de
muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen
zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat,
indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan
gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder--de helft van de
duim van mijn handschoen--zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven
die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht
altijd weer nieuwe grille beelden voort--als bij Dante--en houden nieuwe
burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken.
En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en
klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade
te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad
dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. »Welk een
machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap
af moeten leggen."
En het rumoer van die Sirventes klinkt veelstemmig over geheel
Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen
Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van
vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn
vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin
dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als
hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij
dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en
zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een
vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid
alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe
hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien,
altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen
af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,-
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/33332