De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
by Piet Visser · Dutch · Gutenberg #33284 · 429,638 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
Author: Piet Visser
Illustrator: O. Geerling
Release date: July 28, 2010 [eBook #33284]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/33284
Credits: Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZWERVERS VAN HET GROOTE LEGER: HISTORISCH VERHAAL UIT HET TIJDPERK 1810-1813 ***
Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at <a
href="http://www.pgdp.net">http://www.pgdp.net</a>
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten |
| zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea |
| verplaatst. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |
| als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
| ~uitgespatieerd~; vette tekst als =vet=. |
| |
| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op http://www.gutenberg.org |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE ZWERVERS VAN HET GROOTE LEGER.
[Illustratie: »Ik wou, dat ik Napoleon zoo eens onder handen had!"]
DE ZWERVERS
VAN HET
GROOTE LEGER.
Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813.
door P. VISSER.
Schrijver van: »Taco de Minstreel," »Heemskerck op Nova Zembla,"
»De Laatsten der Arkels," e.a.
Geïllustreerd door O. GEERLING.
[Decoratieve Illustratie]
ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN
1913.
Gebr. Kluitman's Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.
[Decoratieve Illustratie]
Eerste Hoofdstuk.
Een Kattenburger huisvader en zijn gezin.
Hompelend achter zijn leege vischkar, de beenstomp doelloos in stâge
wiegeling tusschen de ploffende kruk en het forsche rechterbeen, repte
Franciscus Stargardt zich naar huis.
Zijn gezicht stond grimmig van verzwegen wrok om het juist verschenen
Keizerlijk decreet, waarbij ook in Holland de felgehate conscriptie[1]
zou worden ingevoerd.
[1] In de Republiek hadden nooit andere Nederlanders dan vrijwilligers
onder onze troepen gediend.
Reeds het vorige jaar, tegelijkertijd dat door Koning Lodewijk afstand
van het bewind was gedaan ten behoeve van zijn minderjarigen zoon,
had Napoleon maarschalk Oudinot met een Fransch leger naar Nederland
gestuurd; leunend op zijn kruk had de kreupele op de Ossenmarkt, door de
wijd-open ramen, met weemoedsblikken naar het feest gezien van den 4den
Juli; en terwijl daar geklonken en gedronken, gejuicht en gejubeld werd
door de Franschen en de Hollandsche militairen, had hij zelf, met schier
heel de Amsterdamsche burgerij, in de vreeselijkste spanning verkeerd.
Och, hij voorzag het toen wel, dat die gast-vrienden der Hollandsche
militairen gekomen waren om Holland's vlag van de aarde te verdringen,
Holland's taal uit te roeien, Holland's goed te rooven, Holland's
jongelingen van de ouders af te scheuren om ze, ver van hun
geboortegrond, te offeren aan de onverzadelijkste heerschzucht.
Op de Kattenburgerbrug hield een _douanier_ hem staande, om zich te
overtuigen, of hij ook koloniale waren in zijn handkar hebben mocht. Hij
wist het reeds lang, zij wantrouwden hem, de Fransche tolbeambten, wijl
zijn huidig bedrijf hem noodwendig met visschers in aanraking bracht,
die als de grootste smokkelaars verdacht stonden. Maar toch steeg
Franciscus geregeld nog het bloed naar het hoofd, telkens wanneer hij
zich een onderzoek moest laten welgevallen.
Door een enkelen blik had de belastingambtenaar gezien, dat de kar ledig
was. Zwijgend wenkte hij toen, dat de aangehoudene weer dóór kon gaan.
Hoe waren de tijden dan toch veranderd!
En Franciscus Stargardt herdacht opeens met schaamte aan zijn opgewonden
patriottenroes, toen ook hij den goedigen, maar helaas te zwakken
stadhouder[2] voor een Alva en een Nero had uitgekreten, toen ook hij
de Franschen als bevrijders der tirannie had ingehaald, en ze bij hun
komst als broeders had helpen ontvangen. Ja, hij had ze vergood bijkans,
diezelfde Franschen, nu door hem gevreesd als beulen, eerlang gereed om,
op last van een overweldiger hem te ontrooven het dierbaarste wat hij
bezat: zijn flinke, gezonde, levenslustige jongens.
[2] Willem V.
Jakob en Willem, ze waren beiden op 't timmeren. En schoon er
tegenwoordig, bij de algemeene achteruitgang en armoede meer geslóópt
dan gebóuwd werd, had de baas hun nog steeds aan het werk kunnen houden.
Alzoo nooit zonder verdienste geweest, hadden zij hun vader de zorg voor
het dagelijksch brood, sedert hij 's lands werf, na zijn ongeluk, had
moeten verlaten, niet weinig helpen verlichten.
Want »Frans met de kruk", gelijk hij tegenwoordig algemeen genoemd
werd, had voor weinige jaren nog een paar stevige beenen tot zijn
beschikking, die zonder vermoeienis zijn forsch en krachtig lichaam
op zomersche Zondagen tot ver buiten de stad vermochten te brengen.
Maar toen opeens die noodlottige val, onderwijl hij zijn beroep van
blokkenmaker uitoefende!
»Je bent nog een jonge, sterke vent", zei de dokter, »dat is je behoud".
Zijn krachtig gestel bracht hem dan ook vrij spoedig er weer bovenop,
maar--zijn rechterbeen had hem afgezet moeten worden en voor 's lands
werf wist hij zich nu een, zijn leven lang, onbruikbaren kerel.
Toen, pogende op een andere wijze zijn brood te verdienen, was hij met
visch gaan venten. De begunstiging van zijn vrienden en vroegere makkers
en de ijver van zijn flinke huisvrouw Jane Overbeek, ondersteunden hem
daarbij met het beste gevolg. Hoe zorglijk de omstandigheden ook werden,
»Frans met de kruk" vond toch altoos zijn bescheiden deel, zelfs thans
nog te midden der vreemde onderdrukking.
Want de tijd van spanning, door den troonsafstand van Koning Lodewijk
ontstaan, was van heel korten duur geweest. Napoleon toch, de daad zijns
broeders ten sterkste afkeurend, had, slechts weinige dagen later, het
koninkrijk Holland tot een onderdeel van het Fransche Keizerrijk
verklaard.
Het vaderland bestond niet meer.
Charles François Le Brun, hertog van Plaisance, kwam als
_luitenant-generaal_ of algemeen stedehouder het paleis bewonen, het
land werd in departementen verdeeld, met _prefecten_ tot bestuurders.
Beneden die _prefecten_ stonden _onder-prefecten_; de burgemeesters
werden _maires_.
En tegelijkertijd bracht Napoleon een verpletterende slag toe aan de
overblijfselen onzer vroegere welvaart. Het decreet der inlijving toch
eischte van den ganschen Handelsstand 50 procent van de waarde der
koloniale waren en tevens ontnam het, met één pennestreek, aan vele
duizenden twee derden van hun vermogen. De renten der Hollandsche
schuld zouden namelijk niet verder dan voor een derde onder de lasten
worden opgenomen. Vermogende lieden waren door deze willekeur eensklaps
tot een bekrompen staat, anderen, die van een klein kapitaal met hun
huisgezinnen wisten te leven, tot diepe armoede gebracht.
Al die ellende, voor Franciscus Stargardt was ze natuurlijk hoegenaamd
niet nieuw meer, maar Napoleons jongste decreet en het onderzoek aan de
brug, daareven, hadden gemaakt dat hij er op 't oogenblik meer dan ooit
mee vervuld werd.
In de grootste verbittering trad hij dan ook zijn woning binnen, die op
den hoek van de Kleine Kattenburgerstraat en het Kattenburgerplein
stond.
»Er is toch niets gebeurd?" riep moeder Jane, toen zij nog maar
nauwelijks zijn gezicht gezien had.
»Het ergste wat ons nog overkomen kon!" zei de kreupele somber: »De
conscriptie wordt ingevoerd!"
Hij liet zich in zijn stoel neer, de kruk ruw naast zich in den hoek
werpend.
Moeder Jane verbleekte. De conscriptie! Vaak genoeg was de mogelijke
invoering reeds in zorgelijke vrees besproken, om te kunnen weten wat
dat zeggen wou. Niet langer dan vijf jaren hadden de conscrits te
dienen, zoo heette het. Maar in Frankrijk was geen voorbeeld bekend dat
men een soldaat, tenzij wegens ongeschiktheid voor den dienst, ooit weer
ontsloeg.
»Ja, zóóver is het dan gekomen!" vervolgde Stargardt dof. »Was het
al niet genoeg dat wij dagelijks bloot staan aan de schandelijkste
willekeur van douanen en gendarmen? Dat we worden bestuurd naar vreemde
wetten en onder vreemde heerschers? Dat we voortdurend worden uitgeperst
en uitgezogen, terwijl de lasten en opbrengsten, inplaats van het
algemeen welzijn te dienen, als buit over de grenzen worden gevoerd?
Maar nee, nu ook dàt nog!"
Zijn ellebogen op tafel gesteund, liet hij het hoofd in beide vuisten
rusten. Toen staarde hij verder, met saâmgetrokken wenkbrauwen, zwijgend
voor zich uit.
Ook het gezicht van moeder Jane stond zorgelijk.
Maar zij was een flinke vrouw en na haar eerste ontsteltenis zon zij
dadelijk op uitkomst. Willem werd al twee-en-twintig, die kwam voor
de conscriptie dus niet meer in aanmerking, meende zij. En Jakob zou
toekomende jaar pas moeten loten. Kon hij, bij dat, niet naar Engeland
ontsnappen, waar Napoleon niemendal te vertellen had? Hàrd mocht dat
zijn, 't zou toch altoos nog beter wezen dan verminkt of doodgeschoten
te worden als soldaat. In ieder geval, waarom zouden zij nu zich al
zorgen maken? Wie weet, wat nog gebeuren kon.
»Willem niet in aanmerking komen?!..."
Bruusk hief Stargardt het hoofd op: »Neen, dat is juist het
onrechtvaardigste van alles, de Keizer heeft bevolen dat zijn decreet,
voor dezen eersten keer, een terugwerkende kracht zal hebben van drie
jaren liefst!"
»Dat wil zeggen...?" vroeg moeder Jane beangst.
»Dat zelfs de jonge mannen van drie-en-twintig nog aan de loting moeten
deelnemen!"
Nu wist ook Jane geen raad. In de diepste verslagenheid en schier
zwijgend bleven zij tegenover elkander zitten, totdat eindelijk Willem
en Jakob van 't werk thuiskwamen.
»Wat ben jullie van avond laat, jongens?" zei Jane bezorgd.
't Was op het einde van Februari en met die korte dagen konden zij dus
al lang binnen geweest zijn.
»We hadden vandaag ons werk een heel eind van de stad," gaf Willem tot
opheldering.
»Een buitenplaats sloopen!" voegde Jakob er aan toe.
»Ja, slóópen, slóópen! Da's tegenwoordig nog maar het bloeiendste
handwerk!" barstte Stargardt wrevelig uit. »Hier in Amsterdam verdwijnen
nu al gehééle wijken; de Vechtstreek, de Diemermeer en Haarlem's
omgeving verloren het ééne landgoed na het andere!
En ga eens door de stad!.. Bij troepen zie je ambachtslui met de handen
in de zakken langs pleinen en straten slenteren. Geen dienstbode krijgt
meer een betrekking, geen schipper vindt langer vracht, winkelier en
kramer ervaren duizenden kwellingen!
Vroeger, o 't was een liefhebberij om langs den IJkant te loopen. Geen
mooier gezicht dan al die schepen, die er voor anker lagen. Een bòsch
leek het wel, een bosch van masten!
Kom daar nù eens om! Wat zie je? Een stuk of wat vaartuigen maar, die
er liggen te rotten, omdat Napoleon met zijn Continentaal-stelsel onzen
handel vermoord heeft.
Ja, is het niet God geklaagd", wond hij zich al heviger op, »dat wegens
dit stelsel niet minder dan 18000 man onze kusten moeten bewaken en
al onze havens met oorlogsschepen worden geblokkeerd om toch maar te
zorgen, dat er geen koopvaarder uit of in komt?
O, als ik bedenk," ging hij al heftiger voort, »dat één man dit alles
ons aandoet, dat één man onzen koophandel verlamd, onze visscherij en
scheepvaart zoo goed als vernietigd en bankroet op bankroet veroorzaakt
heeft, o, dan zou ik in staat zijn om den ellendeling..."
»Fràns!!..." gilde Jane, doodelijk ontsteld.
»Vader, vader!" waarschuwden de jongens verschrikt, »maak ons in
Godsnaam toch niet allemaal ongelukkig!"
Angstig luisterde Willem aan het venster, bevend kierde Jacob de deur...
Want de Fransche geheime politie had overal haar agenten; in de
koffiehuizen, in de schouwburgen, bij zijn vrienden, ja, zelfs in zijn
eigen woning was het gevaarlijk om te morren over het tiranniek bestuur.
Mijnheer Devilliers Duterrage[3] toch, had zijn stille verklikkers onder
alle standen, onder de welgekleede heeren, onder eenvoudige kleine
burgers, onder handwerkslieden, tot onder de voddenkrabbers incluis.
[3] De directeur-generaal van politie.
Vaak was een enkele aanklacht van zoo'n laag gezonkene voldoende om
iemand in de gevangenis te brengen, of te doen veroordeelen tot den
dood.
Franciscus zat een oogenblik ontsteld, dat hij zich zóó had laten gaan.
»Jullie hebt gelijk," sprak hij eindelijk meer bedaard en met gedempte
stem. »Maar een mensch heeft wel eens behoefte om zich te uiten. Het zat
me tot _hier_!" wees hij met het bekende gebaar.
»Ook voor jou, mijn jongen, is er geen aangenaam nieuws," ging hij
weemoedig voort, meer bepaald tot Willem sprekend.
Willem zag doodsbleek, toen hij het wist.
»Maar ik kan vrijloten!" bracht hij er eindelijk met moeite uit. 't Was
een mislukte poging om zijn ouders met een verwachting op te beuren, die
hij zelf niet had.
»O, zeker, je kunt nog vrij loten!" zuchtten de anderen, meenend, dat
dit hem troosten zou.
Maar geen van die vier bedrukte menschen bezat in waarheid de hoop,
waarmee elk den ander dacht te bemoedigen.
* * * * *
IJverig werd nu met de inschrijving van alle dienstplichtige jongelingen
begonnen en reeds den 28sten Maart zou de loting plaats hebben.
Willem zou als reden tot vrijstelling opgeven, dat hij bijziende was.
Voor een poosje namelijk was het Jakob eens opgevallen, dat zijn broer
het boek onder het lezen wat dichter bij de oogen hield dan hijzelf.
Dadelijk hadden zij daar toen allemaal een reden tot ongeschiktheid voor
den dienst in gevonden.
Op den morgen van den lotingsdag had echter geen van de Stargardts nog
eenig vertrouwen meer in de deugdelijkheid van het kortelings ontdekte
vrijstellingsmotief. Treurig zaten zij aan het ontbijt, maar alle vier
konden zij niet dan met moeite eenige beten naar binnen krijgen.
Er werd meer gezucht dan gesproken.
»Kom, Willem! het wordt je tijd!" zei Stargardt eindelijk met een door
aandoening verschorde stem.
Hij nam zijn kruk onder den oksel en ook de beide jongens stonden op.
Moeder Jane begon hevig te snikken. Het leek haar toe, of haar kind dit
oogenblik de eerste stap tot een bloedigen dood ging doen.
»Kom, moeder, flink wezen nu!" poogde Willem nog te troosten: »Wie weet
of ik geen hoog nummer trek!" Maar in 't midden van die hokkend geuite
woorden moest hij zich omkeeren, om zijn eigen ontroering te verbergen.
Zij gingen met hun vieren de deur uit, naar het stadhuis. Want de
loting zou deels in de Amstelkerk, deels ten raadhuize plaats hebben.
Op straat zagen Jane's oogen nog rood van het schreien dat zij gedaan
had. Maar moeder Jane was waarlijk in dit opzicht de eenige niet. Dien
morgen bleek de stad vòl van vrouwen, die in gezelschap van lotelingen,
met roodbekreten oogen over straat gingen.
Voor het stadhuis was een groote ophooping van menschen; de Stargardts
hadden moeite, er door te komen. Maar eindelijk was dit toch gelukt. De
beide ouders en Jakob wilden nu méé naar binnen treden, maar door de
gendarmen die den ingang bewaakten, werden zij met barschen grauw
teruggehouden. Alleen Willem mocht binnengaan.
»Flink raak grijpen maar!" bemoedigde Jakob zijn broer, die er in dit
oogenblik allerellendigst uitzag.
»Ja, mijn jongen, grijp maar ferm toe!" schorde zijns vaders ontroerde
en hokkende stem: »Het geluk is voor de brutaalsten!"
Maar Willem schudde treurig het hoofd; het lag hem zoo bij, dat hij wel
een laag nummer zou trekken.
Ook moeder Jane was begonnen, haar armen jongen nog een woord van troost
toe te snikken; maar ongeduldig duwde een der gendarmen Willem naar
binnen.
»Allo, vooruit! Je kunt hier den heelen dag niet blijven staan janken!"
schreeuwde hij ruw.
Met vreemdstrakken blik liep Willem nu dóór. Uit de raadkamer hoorde
hij de nummers afroepen en nu en dan ging een loteling hem voorbij, met
roodgloeiend gezicht, of zoo wit als het genummerde stukje papier, dat
tusschen zijn vingers beefde.
Hij schuifelde de zaal in; daar zaten of stonden nog een menigte
jongelingen hun beurt af te wachten, en niet één keek blijmoedig.
Sommigen straalde de wanhoop als een koortsgloed de branderige oogen
uit; anderen zaten, met het hoofd op de borst, als geknakte witte
bloemen. Slechts enkelen deden zenuwachtig druk, om zich een voorkomen
van flinkheid te geven, maar de meesten openbaarden een doffe, schier
wezenlooze onderwerping.
Bijna angstig staarde Willem naar de groote, met groen laken overdekte
tafel, waarop de lotbus stond. Aan die tafel zat de Raad van
Conscriptie; mijnheer De Celles, de om zijn wreedheid gehate prefect,
had de eereplaats. Een sterke balie scheidde deze tafel van de
zaalruimte, waar de lotelingen waren. Twee openingen, de eene tot
ingang, de andere tot uitgang bestemd, bleken ieder bewaakt door vier
Fransche soldaten.
Eén voor één werden de lotelingen opgeroepen, om uit de noodlottige bus
het stukje papier te grijpen, waaraan misschien hun leven hing. Soms
snerpte een kreet van wanhoop door de zaal, als een conscrit een zeer
laag nummer bleek getrokken te hebben, soms schalde er een juichkreet
op, wanneer het een buitengewoon hóóg nummer bleek te zijn.
»Willem Stargardt!" klonk het opeens.
Willem voelde een schok, toen hij zijn naam hoorde aflezen.
Tegelijkertijd ging hem een ijskoude huivering over den rug, alsof
hij de koorts had. In een vreemde droomdoezeling ging hij tusschen de
militairen door. 't Was of niet _hij_ daar ging, maar iemand anders; of
niet _hij_ voor de heeren trad om zijn hand in de glazen bus te steken,
maar iemand búiten hem... Doch opeens werd hij weer zichzelf, nadat hij
het getrokken nummer aan den militairen auditeur had overgereikt.
»No. 15", las de auditeur. Toen werd al weer een nieuwe loteling
opgeroepen.
Willem stond daar nog, roerloos, geheel verbijsterd.
»Neen, mijn jongen, je behoeft vandáág nog niet op schildwacht te
staan!" spotte mijnheer De Celles, en de andere heeren lachten dat
zij schudden om die wreede grappigheid van den hardvochtigen prefect.
Nu kwam Willem plotseling tot een klaar besef van zijn ongelukkigen
toestand. Met een prikkelende trilling in zijn beenen ging hij naar de
plaats waar zijn signalement werd opgenomen, en een oogenblik later
stond hij weer op straat.
Al dien tijd hadden de andere Stargardts daar in het vreeselijkste
ongeduld staan wachten.
»Daar komt hij!" riep Jakob nu opeens. »Maar..."
»Hemelsche goedheid! Ik zie het al, ik zie het al!" jammerde moeder
Jane, »zijn gezicht is zoo wit als een doek!"
»Welnu?..." hijgde Stargardt, op zijn kruk naar voren wippend.
»No. 15--soldaat!" zuchtte Willem.
Zijn onderkaak was in zenuwachtige trilling, toen hij met moeite dit
antwoord uitbracht.
»Maar je hebt toch opgegeven, dat je bijziende was!" vraagde moeder nog
angstig.
Willem knikte.
»Kom laten we gaan!" zei Stargardt dof.
In somber zwijgen, als menschen die een dierbaren doode naar het kerkhof
hebben gebracht, keerden zij daarop naar huis.
Drie dagen later moest Willem reeds voor den Raad van keuring
verschijnen, die zitting hield in het Besjeshuis aan den Amstel.
Hij ging er heen met weinig hoop. Toen hem bovendien al heel spoedig
bleek, dat tal van conscrits, die eveneens gebreken hadden opgegeven,
reeds allemaal waren goedgekeurd, ging hij in doffe gelatenheid bij de
nog wachtenden zitten.
Weldra kraakte een deur open en tien lotelingen kwamen er
uit,--goedgekeurd! Duidelijk was het te zien aan hun strakke, bedroefde
gezichten.
Onmiddellijk daarop stak een gendarme het hoofd door de deuropening en
schreeuwde de namen van tien andere lotelingen uit. Ook die van Willem
was er bij.
Zij traden binnen en de gendarme sloot de deur.
Verscheidene heeren, meerendeels notabelen, om zoo noodig van advies te
dienen, zaten op stoelen in een halven kring; mijnheer De Celles, de
gehaten prefect, op een leuningstoel in het midden; en zijn secretaris
zat aan een tafel.
Eenige militaire chirurgijns en een overste stonden in een hoek van het
vertrek met elkaar te praten.
»Uitkleeden!--Een beetje vlug asjeblieft!" commandeerde de gendarme
barsch.
Toen zij alle tien zich geheel ontkleed hadden, werden zij betast en
bekeken als het vee op een marktplein.
Een was er bij, die doofheid had opgegeven.
»Hoe heet je?" werd hem gevraagd.
»In de Willemstraat!" zei de jongen.
»Mijnheer vraagt, hoe je heet!" bulderde een der gendarmen.
»O, zóó! Frederik Nottens!--Ik dacht dat mijnheer de chirurgijn vroeg,
waar ik wóónde. Ik ben een beetje doof, ziet u!"
»Maar toch zeker niet zoo erg?"
»Wâblief?" vroeg de Willemstrater, de hand aan het oor geschulpt.
»Of het èrg is?" herhaalde de chirurgijn luid.
»Vér? Ja, de Willemstraat is tamelijk ver", was het antwoord.
»We moeten met hèm maar uitscheiden!" zei de prefect. »'t Is duidelijk,
de lummel is zoo doof als een pot!" En zonder de minste stemverheffing
liet hij terstond er op volgen:
»Je bent afgekeurd, vriend. Je kunt gaan!"
Met een glans van blijdschap op het gelaat keerde Frederik Nottens zich
om en wilde dadelijk zijn kleeren aandoen om heen te gaan.
»Halt!" donderde de stem van mijnheer De Celles. En toen zich met een
boosaardig lachje tot den secretaris wendend:
»Frederik Nottens,--goedgekeurd voor den dienst!"
Een naar het uiterlijk sterke en gezonde loteling had vallende ziekte
als reden tot vrijstelling opgegeven en, uit angst, kreeg hij plotseling
werkelijk een toeval. Zijn oogen draaiden akelig in hun kassen, wit
schuim bruiste hem om den mond en met een plof smakte hij op den vloer.
De heeren notabelen toonden, met den armen jongen te doen te hebben.
Maar mijnheer De Celles zei: »Nu, ja, de kunst gaat ver. We zullen
dadelijk onderzoeken wat er van aan is."
Toen liet hij door een der gendarmen, den beruchten Jean Malot, het
naakte lichaam van den ongelukkige met brandend lak bedruipen, om te
zien of de kwaal ook nagebootst was.
Met een gevoel van afgrijzen zagen de andere heeren dat wreede bevel ten
uitvoer brengen. De prefect echter nam een snuifje en keek doodbedaard
toe.
Toen de arme jongen nochtans roerloos liggen bleef sprak hij,
onverschillig en koud: »Hm, de ziekte blijkt heusch toch echt te wezen!"
Willem had dit alles met ontzetting bijgewoond en angstig vroeg hij zich
af, wat men zoo meteen met hèm wel doen zou. Een tengere, bleeke jongen
echter, die reeds van den aanvang af had staan trillen als was hij,
onder een ijzigen vrieswind, zoo juist uit een bijt gered, was in
onmacht gevallen.
Om hem bij te brengen onderging hij dezelfde afschuwelijke bewerking.
Gillend sprong de mishandelde stumper toen overeind.
»U ziet het, heeren," zei de prefect, met zijn wreed lachje: »Het middel
is waarlijk nog zoo kwaad niet."
Als zoovele ambtenaren volvoerde mijnheer De Celles des Keizers bevelen
met gestrengheid, zonder verschooning of verzachting; maar waar anderen
dit deden uit angst voor Napoleon, uit zucht om zich aangenaam te maken,
of uit nauwgezette plichtsbetrachting, daar deed _hij_ het steeds uit
ingeboren neiging. Hoe wreeder de Keizerlijke bevelen waren, te minder
blijk van weerzin of mededoogen deze prefect openbaarde, als ontbrak hem
alle gevoel van menschelijkheid, als was het hem een genòt om leed te
stichten.
De jonge Stargardt, na alles wat hij gezien had, huiverde, toen
eindelijk de beurt aan hèm kwam.
»En jij?" vroeg een der militaire chirurgijns.
»Bijziende!" stamelde Willem bevend.
Enkele proeven werden nu genomen en daar hij te eerlijk was tot een
poging om den raad van keuring te misleiden, klonk het weldra:
»Willem Stargardt,--goedgekeurd voor den dienst!"
Tweede Hoofdstuk.
Het oproer aan de Haarlemmerpoort.
Op den avond van den 10den April werden alle goedgekeurde conscrits
bijeengebracht en in de kazerne aan de Utrechtsche poort opgesloten,
om den volgenden dag naar hun corpsen te worden gezonden.
Zoodra de morgen aanlicht, zet de sombere stoet zich in beweging, naar
de Haarlemmerpoort, waar verscheidene schuiten tot hun vervoer gereed
liggen.
Door talrijke gendarmen begeleid volgt de droeve jongelingenschaar de
aanvoerders als weerloos slachtvee.
Willem Stargardts familie is niet aanwezig.
Om hem het heengaan niet nog moeilijker te maken had hij dringend
verzocht, dat het laatste afscheid den dag te voren in het ouderlijke
huis zou plaats hebben.
Maar in weerwil dat de tocht met voordacht langs achterbuurten gaat,
zijn toch vele vrienden en verwanten op de been, die met de uittrekkende
lotelingen meeloopen. En dat aantal wordt gaandeweg nog hoe langer hoe
grooter. Af en toe knerpt een raam open, waardoor een vaarwel wordt
toegewuifd. Dan heft de loteling dien het geldt in den regel zwijgend
een hand op, en laat vervolgens het hoofd weer moedeloos op de borst
zinken.
Willem loopt tusschen Lodewijk Hantelman, den tengeren jongen die op den
keuringsdag in zwijm viel, en Frederik Nottens, den Willemstrater, die
doofheid had voorgewend.
De doodsbleeke Lodewijk snikt als een kind, terwijl zijn roodgeschreide
oogen aanhoudend naar zijn ouders kijken, zich voortbewegend onder
de nog immer aangroeiende menigte. En naast Lodewijk's vader, den
stevig-gedrongen, breedgeschouderden Antonie Hantelman, stapt de
reuzengestalte van Toon Janssen. Zijn eigen jongen was wel is waar, om
zijn vallende ziekte, ongeschikt verklaard voor den dienst, maar toch
laait een felle woede weer telkens in hem op, zoo vaak hij maar bedenkt,
hoe mishandeld hij zijn kind weer thuis kreeg.
Hij is meegeloopen met den stoet, omdat hij er enkele verwanten onder
heeft. En nu moet hij het zien dat, daar vóór hem, de ellendeling gaat
die zich gretig haastte, het onmenschelijk bevel van den prefect ten
uitvoer te brengen.
Toon Janssen klemt de vingers krampachtig om de duimen, zijn oogen
gloren somber van verzwegen wrok, nu hij daar dien hatelijken Jean Malot
ontdekt, wiens hand de gloeiende lakdruppels op het naakte lijf van zijn
ongelukkigen jongen liet inbranden.
Zwaar stapt hij naast Antonie Hantelman voort, wiens jongen op dezelfde
onmenschelijke wijze mishandeld werd.
En in hun haat komen de versomberde zielen dier beide vaders tot
elkander, voldoening zoekend in zacht-mompelend beurt-geschimp.
Daar tracht iemand uit de menigte tot de lotelingen door te dringen,
om zijn zoon de hand te drukken. Doch met een stomp wordt hij
teruggedrongen onder het volk. Anderen pogen hetzelfde, maar stooten en
slagen van de gendarmen doen hen dof-grommend af deinzen. Aanstekelijk
werkt dit grommen op heel de verbitterde massa; het wordt een zwaar,
gonzend, opstandig gebrom, langzaam groeiend en aansterkend tot nog
onverstaanbaar, dreigend woordgezwatel; hoofden en handen komen in
onrustig gebaar; oogen drinken haat uit anderer haatvervulde oogen....
In dien toestand van nog onderdrukte opgewondenheid, geraakt heel de
massa, met de lotelingen, tot buiten de Haarlemmerpoort.
En daar liggen zij te wachten, de schuiten, stil-geduldig als loerende
leviathans, de wijd-open klepluiken hongerig gapend als monstermuilen,
om, zoo dadelijk, één voor één, die aangevoerde prooi van Amsterdamsche
jongelingen te verslinden.
Thans wordt de wanhoop die zwaarbeproefde vrienden en verwanten te
machtig. Zij dringen zich door de gendarmen tot een laatsten handdruk,
een laatste omhelzing.
Moeder Hantelman heeft zich wild aan de borst van haar zoon geworpen,
luid jammerend:
»O mijn jongen, mijn jongen!.. Ik kàn je niet missen!.."
Hun armen houden elkander vast als in onbreekbare omstrengeling. Maar
driftig nadert Jean Malot. Barsch scheurt hij beiden van elkaar, dat de
moeder met een smartkreet terzijde slingert, terwijl hij den zoon naar
de schutten poogt voort te drijven.
Doch in 't zelfde oogenblik springt de vader op den ruwen gendarme
toe..; ontembare worgdrift vaart bevend door zijn armen, en als een
roofdierklauw omhaken zijn vingers hem nijpend den strot...
De Franschman, het vuurroode hoofd achterover, reutelt een gesmoorden
vloek omhoog, zijn sabel trekkend tot bloedigen tegenweer... Maar Toon
Janssen's sterke handen ontwringen het wapen aan zijn vuist... als een
weerlicht flitst het over de hoofden der menigte, tot het neerploft in
de Haarlemmervaart...
Deze daad werkt op de massa als een vurig verbeid, onderling afgesproken
aanvalssein. Het lang reeds smeulende vuur van hun wrok slaat plotseling
uit in wild-flakkerende vlammen. Hun oordeel ligt in onmacht; hun haat,
in zijn honger naar gewelddadigheden, ontwringt zich aan den greep der
zelfbeheersching... En die vreedzame burgers, die rustige huisvaders en
huismoeders, zij worden opeens tot furiën! Bij tientallen bespringen
zij de schuiten, zij snijden de jaaglijnen in stukken, zij bemachtigen
gretig de lange schippershaken, en de lotelingen die reeds waren
ingescheept voelen zich eensklaps naar boven gesjord en weer aan wal
gesleurd, nog vóór ze beseffen wat er eigenlijk te doen is.
Zoodra Willem Stargardt zich bevrijd weet, begint hij zich echter af te
vragen, wat hij met zijn vrijheid nu toch wel moet aanvangen. Liefst
zou hij naar huis gaan, maar hij begrijpt zeer goed, dat de Fransche
gendarmen hem niet rustig thuis zullen laten. Gauw genoeg zal hij daar
ontdekt worden. En dan is zijn lot natuurlijk, dat hij tòch zal moeten
uittrekken en heel zijn leven soldaat blijven, zoo hij niet gedood of
verminkt wordt. Zijn leven lang zal hij dan hebben te vechten, niet
voor zijn eigen vaderland en zijn eigen vorst, maar een vreemd land
en een vreemden heerscher zal hij moeten dienen; hij zal zijn jonge
leven aanhoudend moeten wagen in dienst van den nooit voldanen
veroveringshonger van den man, die zijn land en zijn volk zoo diep
heeft vernederd en nog dagelijks onderdrukt.
Heel zijn ziel komt opnieuw tegen dit onduldbaar-hatelijk denkbeeld in
verzet en hij besluit, niét naar huis te gaan.
Maar, wat dàn?
Terwijl hij hier nog over nadenkt, fluistert iemand hem in 't oor: »Maak
dat je van avond aan 't Legmeer bent.--Maar òngemerkt, hoor!--dan zal ik
je verbergen!"
Meteen keert de man zich om en verdwijnt tusschen de vechtende en
tierende menigte.
Willem heeft echter dadelijk Ep de Breukelaar herkend, een visscher, van
wien zijn vader nog al eens baars en paling koopt. Zoo ergens, dan is
hij dààr veilig.
Zijn besluit staat nu vast. Hij zal zich bij Ep de Breukelaar voorloopig
schuil houden en vandaar trachten, naar Engeland te ontkomen.
Dit laatste is zonder twijfel een onderneming, vol van het grootste
gevaar. En wordt hij gesnapt, hij weet het, dan zal hij, als deserteur,
tot den kogel veroordeeld worden.
Maar dat waagt hij er op. Liever éénmaal de kans om doodgeschoten te
worden bij zijn streven naar de vrijheid, dan honderd maal wellicht,
op het slagveld den dood onder de oogen te moeten zien.
Ongemerkt maakt hij zich nu uit de voeten, want het tumult en de
verwarring zijn in dit oogenblik heviger dan ooit. Woedend de sabel
zwaaiend pogen de politiemannen nog meester te blijven van den toestand.
Maar met de lange vaarhaken worden zij smalend en jouwend omvergerukt,
met woest getier overvallen, en ontwapend onder brullend
triomfgeschreeuw.
Het gevoel harer onmacht heeft die verbitterde menigte voor een
oogenblik geheel verloren, tot de gehate gendarmen, getrapt en geslagen,
gehavend en wapenloos, zich zoeken te redden in wilde, ordelooze
vlucht...
Die ongehoorde uitslag werkt plotseling als een ontnuchtering...
Angstig komt men tot een klaar besef van wat men eigenlijk gedaan
heeft... en trekt dan af, in de grootste verslagenheid, terwijl de
bevrijde lotelingen zich door de stad verspreiden, waar de mare van
hetgeen er aan de schuiten voorviel, hun reeds is vóórgegaan.
In verschillende wijken ontstond nu gisting. Toen het 46ste regiment,
dat op 't Funen manoeuvreerde, zich naar de Haarlemmerpoort wilde
spoeden, werd het door de bewoners der Joden-Breestraat zoo vinnig met
stokken en steenen en allerlei andere wapens bestookt, dat het hierdoor
geruimen tijd werd tegengehouden. Ja, de Fransche ambtenaren begonnen
blijkbaar voor hun leven te vreezen. Brunier, de knecht van mijnheer
Devilliers Duterrage, den gevreesden directeur-generaal der Fransche
politie, kwam tenminste bij den parfumeur Jaquement, op de
Reguliers-Breestraat, binnensnellen onder den uitroep:
»Ach, landsman, alle Franschen worden verwurgd!"
»Maar wij zijn geen Franschen, wij zijn Zwitsers," antwoordde de
winkelier bemoedigend.
»Jawel, we zijn Zwitsers, maar Zwitsers die Fransch praten; dat is voor
't verbitterde volk genoeg om ons aan een lantaarnpaal op te hangen!"
En werkelijk, er dreigde voor de Franschen gevaar. Maar in den namiddag
kwam de Nationale garde (schutterij) in 't geweer, en deze hield het
volk van verdere bewegingen terug.
Zoozeer zat echter de schrik bij de Fransche regeering er in, dat zij
per telegraaf versterking aanvroeg.
Op de Weesperpoort stond namelijk een ijzeren stijl met zes ijzeren
borden, die recht konden liggen of dwars opstaan. Hiermee vermocht men
alle letters te maken, ja kon men zelfs teekens geven en allerlei andere
seinen. Nu stond er op den toren van Ouwerkerk ook zoodanig toestel
dat al die teekens onmiddellijk navolgde. De telegrafen te Vreeland,
Westbroek en verdere dorpen deden evenzoo, en op die manier, van toren
op toren overgebracht, konden, van Amsterdam uit, berichten worden
gezonden tot zelfs naar Parijs.
Langs dezen weg nu werd door de Fransche overheid, in haar ontsteltenis,
naar Utrecht om hulp gevraagd, waarmee zij allerduidelijkst bewees, hoe
ernstig zij den toestand nog altoos achtte.
Intusschen zwierf Willem Stargardt op eenzame wegen en velden rond.
Voorloopig had hij, om zijn spoor te verheimelijken, den weg naar
Haarlem ingeslagen. Spoedig was hij evenwel Zuidwaarts afgeweken, immer
zorgend, herhaaldelijk van richting te veranderen en zich liefst zoo ver
mogelijk uit de menschen te houden.
Beurtelings loopend en rustend, bracht hij op die manier den dag door,
om zich eindelijk in de buurt van het Legmeer schuil te houden tot het
donker zou zijn.
Toen ging hij naar den oever en bleef er wachtend turen over den
rietzoom, in de richting waar hij Ep de Breukelaar's woning wist...
Een gevoel van verlatenheid beving hem, in de vreemde, geheimzinnige
stilte om hem heen... Geen enkel gerucht, dat aan de nabijheid van
menschen deed denken...
»Nu moest Ep eens berouw gekregen hebben en wegblijven!" dacht hij
bekommerd.
Hij boog zijn hoofd over het riet, het oor in luistering naar het water
gericht...
Dáár vernam hij een vaag gekabbel... Dat gerucht viel echter dra te
onderkennen... Het bleek een langzaam naderend, stil-omzichtig
riemgeplas...
Willem kon eindelijk den schimmigen vorm van bootje en roeier
onderscheiden.
De visscher legde aan, zacht werden wederzijds eenige woorden geuit...
Willem stapte in... en even behoedzaam als Ep gekomen was, roeide hij
weer, de duisternis in, naar zijn woning.
Gebouwd op een der honderden eilandjes die, na het vervenen van den
grond, nog in het meer waren overgebleven, lag het huisje van Ep de
Breukelaar eenzaam te midden van hooge rietbosschen, gelijk het nest van
een schuwen watervogel.
't Was spoedig bereikt; Ep maakte het schuitje aan den walkant vast en
bracht Willem in het woonvertrek, waar hij allerhartelijkst door de
vrouw van den visscher werd ontvangen.
»Komaan, ga dáár nu eens zitten!" zei ze, een stoel van den wand bij de
tafel plaatsend. »En kijk, dat zal er wel ingaan, denk ik!"
Meteen zette zij een bord vol dampende karnemelksche pap voor hem neer.
Nu, òf dat er in ging!--Want Willem had in de kazerne bijna niets door
de keel kunnen krijgen en heel dien dag had hij verder nat noch droog
gehad.
Met ijver werd het bord dus leeg gelepeld, waardoor echter een opschrift
bloot kwam, dat door Willem niet zonder verbazing gelezen werd:
Oranje boven is mijn leus,
Een Prinsman heeft geen andre keus!
stond daar in sierlijke, blauwe krulletters.
»Ja, ja," grinnikte Ep, die zijn verbazing gemerkt had: »Je bent hier
bij een volbloed Oranjeklant! Kijk maar vrij om je heen, dan zal je daar
méér bewijzen van zien!"
»Ik denk, dat onze maat op 't oogenblik net zoo lief nog een bordje pap
heeft," lachte zijn vrouw, terwijl zij meteen zijn bord nog eens vulde.
Willem zei geen _neen_, maar toen hij ook dàt geleegd had, keek hij op
zijn gemak het vertrek eens rond, naar de overige bewijzen van Ep de
Breukelaar's Oranjeliefde.
Aan den wand ontdekte hij nu een paar omlijste prenten, met Willem V en
zijn gemalin ten voeten uit en een oranjeboom in het midden, waaronder:
Hier is de deugt en roem geplant
Den vorst van 't Vrije Nederlant.
Op de katoenen paneelen der beddeurtjes zag hij den Prins en de Prinses
_en medaillon_; en het kunstig houtsnijwerk waarmee de opstap-bankjes
voor de hooge bedden gesierd waren, hield tusschen loovers en bloemen de
letters: »P. W. D. 5."
»Prins Willem De 5 de!" legde Ep hem uit.
Maar dan de schoorsteen!
't Was een groote, vooruitspringende schouw, omrand met een veelkleurig
katoenen, in plooien geregen valletje...
O, dat vàlletje! 't was de trots van de huisvrouw! Maar wat daar bóven
pronkte, in het rek van den breeden, geribden mantel, daar gingen
ze _beiden_ hoog op! Die zes groote borden, ze waren hun een zoete
herinnering aan voorbije dagen, een stille troost in het rampvol heden,
een blijde hoop voor de toekomst! Want ieder bord droeg het beeld van
den Prins en onder iedere Prinsenbeeltenis stond een zegewensch op het
Oranjehuis te lezen.
»Da's nog eens de moeite wáárd, hè?" riep Ep, met ingenomenheid zijn
eigen woorden naknikkend.
»Ja, vriendschap, die borden zijn nog uit den tijd van de Keezen en
Prinsmannen! Maar ook onder de Bataafsche Republiek en de regeering van
Koning Lodewijk zijn ze niet van hun plaats geweest!--En je ziet het,
zelfs nou, onder de dwingelandij van Napoleon," besloot hij met
voldoening, »nou staan ze daar nòg!"
Zij raakten daarop over het voorval bij de schuiten aan het praten en
Ep, die den anderen morgen met paling naar stad moest, nam op zich, om
Willem's huisgenooten gerust te stellen.
Den volgenden dag bleef Willem met het grootste ongeduld op Ep de
Breukelaar's thuiskomst wachten. Pas tegen den avond kwam hij terug, een
overvloed van nieuws meebrengend.
»Nou, vriendschap, daar is je me gister wat gebeurd!" begon hij.
»Niet alleen aan de Haarlemmerpoort is het er te doen geweest, maar ook
binnen de stad zijn er nog verscheidene relletjes voorgevallen. In hun
benauwdheid hebben de Franschen toen om hulp gevraagd; en van morgen,
alheel in de vroegte, is het 93ste regiment uit Utrecht aangekomen, om
de bezetting van Amsterdam te versterken.
De gendarmen, die gister wel in een doosje konden, ze stappen nu weer
als pauwen door de straten!
En overal in de stad zijn bekendmakingen aangeplakt, vol van allerlei
dreigementen:
Vooreerst, dat er een commissie benoemd is om de aanstookers en
medeplichtigen bij de relletjes van gister, op te sporen en te
vonnissen.
Verder zal er huiszoeking gedaan worden, staat er, in alle wijken, waar
de lui oproerig geweest zijn; en alle verzamelingen van tien personen
zijn streng verboden.
Maar dan staat er óók nog wat op, dat voor _jou_ van belang is:
De dienstplichtige lotelingen moeten zorgen, uiterlijk morgenochtend
zeven uur, weer aan de Utrechtsche poort te zijn, of zij zullen als
deserteurs beschouwd worden.
Ik heb je vader gesproken en die wou het heelemaal aan jezelf overlaten,
wat je nu doen wilt. Maar _blijf_ je bij je plan om te ontsnappen, dan
raadt hij je aan, om dat vandáág nog te probeeren. Want mocht het eens
blijken, dat je vlucht onmogelijk was, dan kan je nog altijd zorgen,
niet als deserteur beschouwd te worden, door je in dat geval nog tijdig
aan te melden.
Toevallig was mijn broer Teunis van morgen in de stad en die wil
probeeren, je aan boord van een Engelschman te krijgen, heeft hij me
beloofd. Ook heb ik nog met een vertrouwden kennis afspraak gemaakt,
dat hij ons, zoo gauw het donker is, met zijn wagen naar Noordwijk zal
brengen.--Want mijn broer is een Noordwijker visscher, moet je weten!
Dus--wàt is nu je plan?"
Daar Willem halsstarrig bij zijn eerste voornemen blééf, roeiden zij dan
's avonds naar den Zuidelijken oever van het Legmeer, waar de boer al
met zijn rijtuig op hen wachtte.
Zij namen hun weg bezuiden het Haarlemmermeer en na een rit van
verscheidene uren geraakten zij zonder tegenspoed tot in de buurt van
het dorp Noordwijk.
Hier zou de boer blijven wachten. Ep sloeg met Willem een duinpad in.
Het pad was hem blijkbaar volkomen bekend, want schoon het vrij donker
bleek, liep hij zonder de minste aarzeling voor Willem uit, tot zij
eindelijk aan een eenzame duinhut gekomen waren.
Ep de Breukelaar tikte aan het venster.
»Wie daar?" werd er van binnen geroepen.
»Goed volk, doe maar open Teun!"
»Ha, zoo! Ben jij het?"
Er volgde nu eenig gestommel; daarop werden beiden binnen gelaten.
Bij het licht van een zwak olielampje zag Willem, dat de visscher geheel
gekleed was. Hij kwam dus niet rechtstreeks uit bed, schoon het toch
middernacht moest zijn.
»En dat is dus de jonge borst, dien we naar Engeland moeten
prakkizeeren?" zei Teun. »Nou, je hebt schoon gelijk, hoor! En wat
het mooiste is, er leit juist een Engelschman op de kust. Hij heeft
duidelijk een paar maal sein gemaakt.
Asjeblieft Ep, daar heb-je wat koffie, suiker en thee en een paar
pondjes tabak!--Maar nou moet ik er dadelijk op uit, want de maats
zullen al met ongeduld op me wachten!"
Willem begreep onmiddellijk--uit den aard der artikelen die Teun zijn
broer present deed--dat de Noordwijker, evenals zoovéle visschers wier
bedrijf door het continentaal stelsel zoo goed als stil stond--het
gevaarlijk bedrijf van smokkelaar uitoefende en dat hijzelf op zoo'n
nachtelijken smokkeltocht aan boord van het Engelsche vaartuig zou
gebracht worden.
Hij was evenwel tot alles bereid en nadat Ep dus afscheid genomen had om
weer met den boer naar huis te rijden, gaf hij zich moedvol aan het
geleide van zijn nieuwen helper over.
»Nu geen woord spreken," zei Teun, »en je nergens over verwonderen!"
Willem beloofde dit en volgde vol vertrouwen zijn gids die, een
roeispaan over den schouder, met de grootste behoedzaamheid in het
duister voortschreed...
Dáár bleef de smokkelaar staan. Willem zag hem iets in den mond steken.
Een soort van fluitje moest het geweest zijn, want plots liet de
Noordwijker, bedrieglijk natuurlijk, het geluid van een smient hooren.
Hij wachtte even... Daar klonk, heel zacht, hetzelfde fluitgeluid als
antwoord... Donkere gestalten kwamen uit het duister naar voren, en een
oogenblik later had zich een vijftal mannen bij hen gevoegd, ieder,
evenals Teun, een riem over den schouder.
»Wie heb je daar bij je?" werd achterdochtig gefluisterd.
»Een neef van me, die op 't oogenblik werkeloos is," zei Teun gedempt.
Hij vond dit korte leugentje gemakkelijker, dan zijn maats een
breedvoerigen uitleg te geven.
Met de grootste behoedzaamheid sloegen de smokkelaars nu een duinpad in,
waarlangs zij weldra het strand genaderd waren.
»De kustwacht!" waarschuwde de voorste opeens.
»Laat je plat op den grond vallen!" fluisterde Teun tot Willem.
Hij deed het onmiddellijk, bijna te gelijk met de anderen.
Terwijl zij daar nu roerloos bleven liggen, weifelden de vage
lichtvlakken van een schommelende handlantaarn over het strand. Het
bleken inderdaad eenige mannen van de kustpolitie die een nachtelijke
ronde deden.
Toen het licht eindelijk weer verdwenen was, rezen de smokkelaars
overeind.
Willem meende, dat zij nu regelrecht naar het strand zouden gaan, maar
hij vergiste zich:
De Noordwijkers begonnen, even ter zijde van het pad, volijverig in het
zand te woelen en daarop kwam een omgekeerde vlet te voorschijn, die
gekanteld en naar zee gezeuld werd. De meegebrachte riemen werden
tusschen de roeipinnen geplaatst... Geruischloos gleed het vaartuig den
nacht in.
Het lantaarnlicht in een der masten verried de plaats waar de
koopvaarder ten anker lag.
Spoedig had men het vaartuig bereikt en onderwijl Teunis met Willem
langs de uitgeworpen valreep aan boord klom, werden achtereenvolgens
verscheidene vaatjes, kisten en balen in de vlet neergelaten.
Na een kort onderhoud met den koopman en den schipper, kwam Teun alleen
weer van boord.
»En je neef?" vroeg er een.
»Heeft zich als scheepstimmerman laten aannemen! Vooruit, mannen!"
Langzaam gleed de zwaargeladen vlet de kust te gemoet.
Willem Stargardt bevond zich op Engelsch grondgebied; hij was gered!
Derde Hoofdstuk.
Een vreeselijke nacht.
Tegenover de militaire macht, die thans binnen Amsterdam was vereenigd,
viel aan geen nieuw verzet meer te denken. De lotelingen meldden zich
dan ook aan, behalve Willem Stargardt en nog acht of negen anderen die
voorloopig onvindbaar waren. En in den vroegen morgen van Zaterdag,
den 13den April, trokken zij heen, ditmaal in het midden der Nationale
garden (schutters) die hiertoe des nachts waren gewekt, zonder dat zij
wisten welke dienst van hen werd gevorderd.
De droeve stoet trok de Utrechtsche poort uit, de buitensingels langs,
tot op den Haarlemmerweg,--zwijgend, somber, als bij een doodenmarsch.
Het Amsterdamsche volk gevoelde zich als een afgeranselde hond, die
plots een wilden sprong aan zijn ketting had gedaan. Maar de ketting was
niet gebroken en de sprong had het arme dier slechts pijnlijk gewond.
Onmiddellijk toch nadat de conscrits vertrokken waren, werden
achtereenvolgens tal van personen gevangen genomen en in verscheidene
woningen werd huiszoeking gedaan.
In huivering van angst ging het gerucht dier gebeurtenissen de stad
door, een atmosfeer van wee scheen plotseling dompig in alle straten
neer te hangen, de menschen ademden als onder een zware benauwenis.
Franciscus Stargardt stond dien morgen juist klaar om met zijn vischkar
de stad in te gaan, toen een wachtmeester der gendarmen met twee
ondergeschikten voor zijn deur stil hielden. Zij stegen af en onderwijl
één van hen drieën bij de paarden bleef, traden de beide anderen binnen.
»We komen huiszoeking doen!" zegt de wachtmeester.
»Ga je gang!" antwoordt de kreupele onverschillig.
Doch die onverschilligheid is maar schijn; want bedwongen toorn
doorsiddert hem het bloed tot in de uiterste vezelen. Hij vindt het
onverdraaglijk, dat die kerels bij hem rond komen spionneeren en dat
hij dit machteloos moet aanzien.
Die vreemde huurlingen kunnen zijn geheele huis het onderste boven
halen; zij kunnen zijn brieven en papieren nalezen zoo ze dat willen; en
als hij zich verzet, dan weet hij, dat ze hem zullen wegsleepen naar de
gevangenis op den Heiligenweg, of naar een der drie andere gebouwen, die
ijverig door de politie met ongelukkige stadgenooten worden volgepropt.
Moeder Jane houdt zich wondergoed, onderwijl zij de gendarmen zoo in de
weer ziet. Zij halen de kasten open, zij onderzoeken de bedsteden; de
wachtmeester stoot zijn degen hier en daar in het stroo en luistert dan,
of hij niets hoort, waarop hij het staal bekijkt, of er geen bloed
aankleeft.
Dan zetten de gendarmen het onderzoek weer voort; blijkbaar hebben zij
het meer bij de hand gehad. In de pronkkamer kijken zij spiedend den
ongebruikten schoorsteen in, zij halen er het pronkbed over den vloer
en trappen er op met hun smerige laarzen; zij kloppen langs de muren,
en luisteren naar den klank dien de muren geven; zij doorsnuffelen het
geheele huis en klimmen van den kelder tot aan de vliering.
Doch Willem Stargardt kunnen zij niet vinden en teleurgesteld rijden zij
eindelijk weer weg.
Nog verbitterd over de huiszoeking der gendarmen vangt Franciscus daarop
zijn dagelijkschen rondgang bij de klanten aan.
Zijn gemoed is bovendien bekommerd over Willem. Want wordt de arme
jongen gesnàpt, dan gaat het om zijn leven. En slààgt hij in zijn pogen,
dan zal hij toch nooit wellicht zijn kind nog weer terugzien...
En dat alles om de heerschzucht van den Keizer, wrokt het in hem...
Om de heerschzucht van één enkel mensch zijn van morgen al die gezonde,
jonge mannen als een weerlooze schapendrift de stad uitgevoerd...
Hoeveel zullen er van terug komen?... En _hoe_ komen die dan misschien
terug?...
Een opbeving van haat doortrilt hem plots, fel uitsidderend in de
saâmgekrampte, zware wenkbrauwen.
Maar hij wil aan dit gevaarlijk haatgevoel niet toegeven.----Hij wil het
bedwingen en klemt de tanden op elkaar als onder de steking van een
vlijmende pijn.
Op zijn rondgang hoort hij echter niets dan allerlei schokkend nieuws,
sarrend zijn verontwaardiging, om zich los te wringen uit den worgenden
greep van zijn wil.
Hier verneemt hij, dat Anthonie Hantelman, nog geen uur geleden, werd
gearresteerd.
Wat verder weet men hem te vertellen, dat Toon Janssen eveneens gevat
werd.
»Bij wel twintig menschen is nu al huiszoeking gedaan!" hoort hij
elders.
»Emanuel van Praag en Barth Meijer uit de Jodenbreêstraat zitten óók al
achter slot!" verzekert een ander.
Sneller hipt de kreupele achter zijn vischkar voort, als gedreven door
de rusteloos elkander najachtende bevliegingen van zijn grimmigen wrok.
Voor den winkel van mijnheer Vermaat, den tabaksverkooper over de Munt,
houdt hij eindelijk weer stil.
Mijnheer Vermaat heeft hem een bestelling gedaan met het oog op de
naderende Paschen. Hij is nog een oud vriend van Stargardt uit die
dwaas-opgewonden dagen van »gelijkheid en broederschap" en zelden zal
hij verzuimen een praatje te maken, als Franciscus komt venten.
Ook nu weer staat de tabaksverkooper in zijn winkeldeur, onderwijl
Franciscus' mes, stuk voor stuk, de bestelde waterbaars schrapt en
kerft.
»Jan Dupker ook al door de gendarmen weggehaald, hè?" zegt mijnheer
Vermaat meewarig.
»Jan Dupker?!..."
Het boven zijn werk gebogen hoofd van den kreupele veert overeind, de
punt van het vinnige schrapmes wijst eensklaps doelloos de lucht in.
»Jan Dupker?!..."
»Had je 't nog niet gehoord?"...
Neen, hij had het nog niet gehoord. Maar Dupker was, zoo al geen vriend,
dan toch een goede kennis van hem. Het bericht schokte hem daarom meer
dan alles wat hij tot nog toe reeds vernomen had.
Jan Dupker!... Wat tijden waren het dan toch!
Driftig greep hij een grooten, volronden baars; en de schubben vliegen
als zilverspetten in het voorjaarszonnelicht.
God, God, wat moet men al beleven tegenwoordig!
Reng!--Venijnig kerft het mes een diep gapende snede in de
blankgeschrapte visch.
Reng!!--'t Is of zijn haat zich moet uitvieren in de kracht van iedere
verwonding.
»Ho, ho, je wilt me toch het beest niet aan moten kerven?" meent de
tabaksverkooper te moeten waarschuwen.
»Ik wou," barst Stargardt nu grimmig uit, »dat ik Napoleon zoo eens
onder handen had!"
Verschrikt schiet mijnheer Vermaat opeens den winkel in, gebarend of
men daar iets brak. Hij wenscht niet als getuige tegen een stadgenoot op
te treden en vooràl niet, waar die stadgenoot daarenboven nog een oud
vriend van hem is.
Franciscus begrijpt opeens, hoe zeer hij zich vergat. Hij siddert en
ziet schrikkerig rond... Maar die voorbijgangers, neen, die moesten hem
toch niet gehoord hebben, stelt hij zich gerust. Anders zouden ze daar
toch wel eenig blijk van geven!
Met aandacht schrapt en kerft hij vervolgens de overige baarzen, zich
dwingend geheel òp te gaan in dien arbeid.
»Drommels, dat was een leelijk-onvoorzichtige uitval van me, hè? daar
zoo metéén!" zegt hij bij het weggaan.
»Onvoorzichtige uitval?..."
Mijnheer Vermaat's gezicht veinst groote verbazing: »Ik weet nergens
van!--Maar ja, voorzichtigheid is in dezen tijd wel aan te bevelen,"
laat hij er waarschuwend op volgen.
Franciscus begrijpt wel, dat de tabaksverkooper liever buiten de zaak
wenscht te blijven, en daar is hij hem dankbaar voor. Maar zoo'n vaart
zal het niet loopen. Niemand heeft zijn uitval immers gehoord! Hij maakt
zich daarover dan ook in 't minst niet angstig, ja, een oogenblik later
denkt hij er zelfs niet meer aan.
In den laten namiddag vertelde hem Ep de Breukelaar in de gauwigheid,
dat Willem onverlet bij zijn broer was aangekomen en hij twijfelde niet,
of de jongen zou nu wel al veilig op zee zijn.
Franciscus, die juist zijn kar leeg had, repte zich, om deze tijding aan
moeder Jane te brengen.
De beide Paaschdagen die nu volgden, gingen voor de Stargardts niettemin
treurig voorbij; want hun spreken en denken was steeds over Willem: Waar
hij nu wel wezen mocht, of zij hem ooit nog wel eens terug zouden zien,
ja, of het misschien toch niet beter zou zijn geweest, als hij zich maar
gewillig weer aangemeld had.
»Dat is de eerste Paschen," zei Stargardt 's avonds bij het naar bed
gaan, »die we niet feestelijk hebben doorgebracht."
»Ja", zuchtte Jakob verveeld, »'t zijn voor dit jaar een paar
verdrietige dagen geweest".
»Och", zei moeder Jane, »laten we maar dankbaar zijn, dat ze nog zóó
waren. Als de gendarmen onzen Willem eens bij Ep de Breukelaar hadden
gesnapt, zouden zij dan niet oneindig veel treuriger zijn geweest?"
Ja, moeder had wel gelijk, meenden zij, deze Paschen had nog heel wat
rampzaliger kunnen zijn. En hoe armelijk die troost was, toch gingen zij
daardoor nog onder een vleugje van blijmoedigheid ter rust.
Midden in den nacht schrikten zij eensklaps wakker door een hevig
deurgeklop.
»Gerechtige goedheid, wat moet dàt beteekenen?" vroeg moeder Jane
angstig.
»Ik denk vrouw, dat het gendarmen zijn, die opnieuw naar Willem komen
zoeken".
»En ze weten al, dat hij hier niet is!"
»Maar hij kon later nog wel in het ouderlijk huis teruggekomen zijn, in
de meening dat hij, nà de huiszoeking, daar volkomen veilig was, zullen
ze denken".
Het geklop op de deur herhaalde zich, maar nu veel luider dan te voren.
»Hemel, wat gaan ze te keer!" klaagde Jane ontdaan.
Jakob had reeds broek en kousen aangeschoten:
»Ik zal wel even kijken, wat er aan de hand is!"
Ook zijn ouders waren het bed al uit en begonnen zich te kleeden,
onderwijl Jakob naar de huisdeur liep.
Het kloppen was nu in bònzen overgegaan.
»Wie daar?" riep Jakob.
»De politie!" werd er terug geroepen. »Doe maar gauw open of we trappen
de deur in!"
Jakob schoof de grendels weg en onmiddellijk traden hem twee mannen
voorbij, die regelrecht de kamer in liepen.
Bij het licht van de kaars, die moeder Jane dadelijk bij het opstaan had
aangestoken, bleken het inderdaad gendarmen te zijn: een wachtmeester en
een ondergeschikte.
»Woont hier Franciscus Stargardt?"
»Jawel", antwoordde Stargardt stug; »Wat was er van uw order?"
»Dan moeten we u verzoeken", richtte de wachtmeester zich tot Jakob, »om
dadelijk met ons mee te gaan!"
»Maar _ik_ ben Franciscus Stargardt", antwoordde de vader.
»In dat geval zijn we verplicht, _ù_ te arresteeren!" zei de
wachtmeester, met verwondering en zelfs met eenig medelijden den
kreupele aanziend.
»Maar... ik ben volstrekt niet aan de Haarlemmerpoort geweest... Aan
géén van de opstootjes heb ik deelgenomen...!"
»Neen, neen, mijn man is onschuldig...! Jullie moet je vergissen!" riep
Jane zenuwachtig.
De wachtmeester haalde de schouders op.
»Wij hebben alleen onze instructie te volgen!"
»Maar worden onschuldigen dan óók al gearresteerd?" jammerde moeder
Jane. »Hij heeft toch niets, heelemaal niets verkeerds uitgevoerd!...
Kijk, de stakker heeft immers niet eens zijn beide beenen tot zijn
gebruik... Hoe wou hij dan aan het oproer mee gedaan hebben?..."
»Hoor eens, vrouwtje", overreedde de wachtmeester gemoedelijk, »als hij
werkelijk onschuldig is, dan zal dit natuurlijk wel blijken. En in dat
geval wordt hij immers weer dadelijk op vrije voeten gesteld?"
Maar tegen den gendarme zei hij zacht: »Een mooi karweitje waarachtig!
Voor mijn part hadden ze maar een ander uitgestuurd om zoo'n kreupelen
stakker gevangen te nemen!"
»Vader", raadde Jakob, zich inspannend om kordaat te schijnen, »'t beste
zal zijn, er ons in te schikken, en dat u zonder tegenspraak meegaat.
't Moet immers een misverstand wezen, u bent immers volkomen onschuldig!
Gaat u dus maar kalm en bedaard met ze mee, dan zullen de gendarmen ook
geen geweld gaan gebruiken!"
Hij meende daarop zijn vader bij het verder aankleeden te helpen.
Maar ontsteld hield hij het reeds opgevatte kleedingstuk plots roerloos
in de hand.
De kreupele toch zat daar doodsbleek op zijn stoel, de oogen wild van
ontzetting in het verstrakte, bloedelooze gezicht....
Want als een bliksemflits was hem opeens zijn uitval jegens den Keizer
door het bewustzijn gevlogen!... Ze hadden het dan toch gehoord, die
kerels! Ze hadden hem verraden! Met zijn vloekwaardige onvoorzichtigheid
had hij dan nu zichzelf en zijn gezin tot de grootste ellende gebracht!
In waanzinnig zelfverwijt mepte hij zich met de vuist op de borst, zijn
wangen trilden onder de woeste siddering van zijn kaakspieren.
Hij hoorde in verdoovingsdofheid, zijn vrouw kermen en zenuwhuilen; toen
voelde hij haar armen zich ketenen om zijn hals en aan zijn oor klonk
haar jammerstem: »O, mijn arme, goeie Frans, ik laat je niet weggaan,
nooit, nooit! Je bent immers onschuldig, je zou immers geen kind zelfs
kwaad kunnen doen?"
Ze zoende zijn wangen, zijn voorhoofd,... en de verbijsterde kreupele
voelde de wreede spierspanning zijner armen verslappen, onder die
smartelijke omhelzing.
Zijn borst hijgde en kreunend begon hij te snikken, in striemend
zelfverwijt:
»O, die rampzalige onvoorzichtigheid van me!... Ik heb den Keizer
vervloekt!..."
Jane rilde, als had ze zijn doodvonnis gehoord. Met een luiden gil wierp
zij zich opnieuw aan zijn borst, het hoofd schokkend op zijn schouder
onder haar heftig, pijnend zenuwgesnik.
Franciscus' armen omstrengelden haar en schor smeekte zijn huilstem, als
de klacht van een verdoemde:
»Vergeef me; o, ik bid je, vergeef me, dat ik ook jullie heb ongelukkig
gemaakt!"
De gendarmen maanden met zachte stem tot spoed aan.
Toen, onder een geweldige inspanning tot zelfbeheersching, maakte hij
zich los uit haar omhelzing, en begonnen zijn bevende vingers zijn vest
toe te knoopen.
Jakob, de tanden op elkaar geklemd om niet úit te schreeuwen zijn
schrijnend verdriet, deed onhandige moeite om zijn vader bij het verder
aankleeden te helpen.
De wachtmeester, geheel ontroerd, reikte hem toen zijn kruk.
Nu drukte de ongelukkige Jakob de hand en zóó krachtig bleef hij die een
poos omklemd houden, alsof hij ze nooit meer los zou laten.
»Mijn jongen," hikte hij schor,... »het heeft zoo moeten zijn!... Wees
jij ten minste verstandiger dan je vader was!--Belóóf je me dat?..."
Jakob knikte, niet in staat om een woord te uiten.
Toen nam Franciscus afscheid van zijn vrouw, die, gillend en jammerend,
hem nogmaals en nogmaals omhelsde, tot de ontroerde gendarmen den
arrestant voorzichtig uit haar armen los maakten, hem wenkend om mee te
gaan....
Akelig bleef het verflauwend geplof van de kruk moeder en zoon in de
ooren martelen, zelfs toen zij het onmogelijk meer konden hooren.
»O, mijn jongen,... mijn jongen!" jammerde moeder Jane onder zenuwachtig
gesnik, »nu heb je geen vader meer!"
»Ze zullen... het toch wel... bij gevangenisstraf laten!" nokte Jakob
moeizaam.
Maar zelf had hij geen vertrouwen in wat hij zei.
Vierde Hoofdstuk.
Tot den kogel veroordeeld.
IJverig hield de militaire commissie, door den divisie-generaal Molitor
benoemd, zich bezig met het uitvoerig onderzoek naar den aard en omvang
der verschillende relletjes en met het verhoor der negen of tien
gearresteerden.
Niemand twijfelde, of Franciscus Stargardt zou wel ter dood veroordeeld
worden. Toch deed moeder Jane wat maar mogelijk was, om nog genade voor
haar man te verwerven.
Het hoofd van alle Fransch-Hollandsche gewesten was Le Brun, Prins van
het Keizerrijk en Hertog van Plaisance. Het was een grijsaard,
zachtzinnig van inborst, iemand waarvan bekend was, dat hij elk ontving
en te woord stond.
Jane, zich aan het paleis vervoegend, kreeg dan ook zonder veel moeite
toegang tot den luitenant-generaal.
Welwillend hoorde hij haar aan, en toen zij zich eindelijk als
smeekeling aan zijn voeten wierp, beurde hij haar minzaam op, de
bedroefde vrouw eenige woorden van troost toesprekend, waardoor ze, een
weinig bemoedigd, weer heen ging.
Maar al spoedig hoorde zij, dat mijnheer Le Brun wel een goedaardig, oud
man was, maar eigenlijk niets te vertellen had, veel minder dan De
Celles, schoon die in rang beneden hem stond.
En jammer genoeg, was het wáár, wat men haar zeide.
Napoleon had reden om bevreesd te zijn, dat een man van vasten moed en
karakter, in het bestuur dezer gewesten geplaatst, zijn broeders[4]
voorbeeld zou volgen en, gelijk hij dat noemde, besmet worden met den
Hollandschen geest. Daarom was de Keizer er toe gekomen, Le Brun, dien
hij dóór en dóór kende, wijl deze vroeger zijn medeconsul was geweest,
naar Holland te zenden onder een weidschen titel, maar bekleed met een
schaduw van gezag. Beneden hem in rang, maar vèr boven hem in macht en
vertrouwen, waren echter De Celles en--in Den Haag--De Stassart.
[4] Koning Lodewijk.
Jane besloot, zich dan tot den beruchten De Celles te wenden.
Na ongelooflijk veel moeite gelukte het haar, tot den prefect door te
dringen. Maar toen zij een beroep op zijn welwillendheid deed en hem
om genade voor haar man begon te smeeken, antwoordde hij ongevoelig
en koud, dat hij zich met de voorspraak van oproerlingen niet inliet;
hij voor zich achtte het wenschelijk zelfs, dat er eens een flink
afschrikwekkend voorbeeld werd gesteld; op _zijn_ hulp in deze zaak had
zij dus allerminst te rekenen.
Toen, in haar wanhoop, omklemde de ongelukkige vrouw zijn knieën, maar
de prefect stootte haar onmeedoogend van zich af, zeggend, dat hij op
zoo'n comedievertooning volstrekt niet gesteld was.
Grievend beleedigd hief Jane zich op en ging heen, hem een blik
toewerpend zóó vol van de diepste verachting, dat mijnheer De Celles
onwillekeurig zijn oogen neêrsloeg.
Maar nòg gaf de kloeke vrouw haar pogen niet op. Thans ging zij met haar
bede naar den generaal Molitor, den samensteller der militaire commissie
van onderzoek.
Geduldig hoorde de generaal haar aan, maar verklaarde daarop, dat het
recht nu eenmaal zijn beloop moest hebben en hij in dezen zelfs niet het
geringste voor haar doen kon!
Nu wist de arme vrouw geen raad meer en wachtte onder vlagen van
wanhoop, angst en verbittering, de beslissende uitspraak der commissie
af.
Het vruchtelooze van al die pogingen zijner moeder was echter voor Jakob
volstrekt geen verrassing geweest. Hij had niet anders verwacht. De
Franschen, meende hij, nu ze gezien hadden dat de Amsterdammers nog
tegen hun onderdrukkers in verzet durfden komen, zouden trachten wel zóó
den schrik onder de mokkende bevolking te brengen, dat zij voor altoos
den moed tot dergelijke opstootjes verloor.
Jakob twijfelde dus niet, of zijn vader zou wel ter dood worden
veroordeeld. En wat zou dan weldra het lot van zijn moeder zijn, vroeg
hij zich bekommerd af? O, zeker, hij zou voor haar werken en zorgen zoo
lang hij kon. Maar het volgend jaar liep hij kans om in de conscriptie
te vallen. En dan,--och, dan stond zijn moeder geheel alleen.
En van lieverlede kwam hij toen op het denkbeeld, om zichzelf in de
plaats van zijn vader aan te bieden. Wat zou het die Franschen kunnen
schelen _wien_ zij doodschoten ter bereiking van hun doel? Immers,
het feit _dàt_ er een doodgeschoten werd moest toch eigenlijk den
gewenschten schrik te weeg brengen! En zijn vàder zou hij, met zich op
te offeren, het leven redden, zijn móeder er een _blijvenden_ verzorger
door teruggeven, wat hijzelf waarschijnlijk toch maar hoogstens voor een
jáár zou kunnen zijn. Neen, alles wel beschouwd was het veel beter dat
_hij_ in plaats van zijn váder als offer viel.
En welberaden begaf Jakob Stargardt zich, na van zijn baas een halven
dag vrij gekregen te hebben, naar het huis van den Graaf De Celles, dat
in de Doelenstraat stond.
De huisknecht wees hem bij de deur barsch terug, zeggend dat zijn
meester zoo aanstonds uitging en voor niemand te spreken was.
Jakob echter liet zich maar niet zoo dadelijk afschepen; hij hield aan,
bewerend dat zijn boodschap volstrekt geen uitstel lijden kon. En juist
begon het tusschen den knecht en hem tot een woordenstrijd te komen,
toen de prefect zelf in de vestibule verscheen.
»Wat is er aan de hand, François?"
»Wel, excellentie, dat brutale heerschap beweert, dat hij u met alle
geweld spreken moet, ofschoon ik hem toch duidelijk gezegd heb, dat daar
op het oogenblik geen gelegenheid voor is!"
»Je naam?" vroeg De Celles.
»Jakob Stargardt, excellentie!"
»Stargardt?... Stargardt?... Ah, jawel! Dus zeker een broer van dien
deserteur en een zoon van dien oproermaker."
»Vergeef me, excellentie! Maar een oproermaker is mijn vader nooit
geweest. Hij heeft zich alleen een onvoorzichtige uitdrukking laten
ontvallen, die hij beter gedaan had vóór zich te houden..."
»O, wel zeker," zei de prefect ironisch, »die Amsterdammers zijn in den
grond toch eigenlijk zoo'n zachtaardig en onschuldig volkje! Als daar
iemand, giftig van haat, in 't openbaar verklaart dat hij den Keizer wel
eens als een baars zou willen kerven, dan is dat geen oproer maken, wel
neen, dan is dat een _onvoorzichtige uitdrukking_!
En nu kom je me zeker, evenals je moeder, genade voor dien
onvoorzichtigen vader vragen?"
»Toch niet," antwoordde Jakob met groote vastheid: »Ik begrijp zeer
goed, dat die uitdrukking mijn armen vader het leven zal kosten en een
verzoek om genade niemendal zal uitwerken..."
»Hm! Inderdaad nog zoo dom niet!" zei de prefect, een snuifje nemend.
»Maar--wat was dan je boodschap toch eigenlijk?"
»Ik kwam uw excellentie smeeken, _mij_ in plaats van mijn vader de straf
te laten ondergaan."
»Ei, ei! Je bent een dappere borst. Maar juist daarom zou het toch zonde
en jammer zijn, als wij je dood lieten schieten en den Keizer hierdoor
van een dapper soldaat beroofden!" ging den prefect spottend voort.
»Want waarlijk, een knaap die tot zooveel zelfopoffering bereid is, zal
natuurlijk even bereidwillig en moedig zijn leven voor den Keizer ten
offer brengen."
Jakob wist niet, hoe hij het had. Hij had stugheid, zelfs barschheid
verwacht, maar tegenover dergelijke taal stond hij onvoorbereid en dus
een oogenblik geheel sprakeloos.
Toen hij echter zag dat mijnheer De Celles wilde dóórloopen en de zaak
blijkbaar voor afgedaan hield, begon hij te smeeken in een vloed van
hartstochtelijke woorden, dat de prefect zijn verzoek toch mocht
toestaan, ja, in zijn wanhoop greep hij zelfs een slip van diens rok
vast.
De Celles echter gaf stilzwijgend François een wenk en in 't zelfde
oogenblik smeet de knecht den onthutsten jongen de deur uit...
»Neem me niet kwalijk..." stamelde Jakob verbouwereerd, want hij was
juist tegen een voorbijganger aan gekomen.
Tegelijkertijd echter zag hij, dat het mijnheer Vermaat was.
»Verbeeld u," begon hij thans, bevend van verontwaardiging: »Daar kom ik
niets anders doen dan beleefd verzoeken, of ze _mij_ in plaats van mijn
vader willen vonnissen. En wat is het antwoord? Dat ik als een hond op
straat word gesmeten! O, 't is schande, schande!!" barstte hij uit, de
nagels woedend in de handpalm drukkend.
De tabaksverkooper legde hem echter haastig de hand op zijn mond, uit
vrees dat de verontwaardigde knaap licht te veel mocht zeggen en troonde
hem mee naar zijn huis.
»Ziezoo," begon hij toen, »hier kunnen we ten minste veilig praten. Want
de inkwartiering heb ik tot heden gelukkig af kunnen koopen." Hij liet
nu Jakob uitvoerig zijn wedervaren bij De Celles vertellen, waardoor de
knaap langzamerhand weer tot kalmte kwam.
Onder het luisteren groeide in den tabaksverkooper en zijn vrouw een
groote sympathie voor dien nobelen jongen, die zèlf zijn moedige,
liefdevolle zelfopoffering blijkbaar voor de natuurlijkste zaak ter
wereld hield.
»Wacht, ik zal jullie eens trakteeren," zei juffrouw Vermaat. Het water
was aan den kook en na een oogenblik hadden ze alle drie een geurig
kopje _echte_ thee voor zich staan.
»'t Is natuurlijk alleen bij hooge uitzondering," zei ze. »Want je
begrijpt wel, hè?..."
»Ja, als de thee meer dan drie gulden het pond kost, is ze voor
dagelijksch gebruik wel wat duur," antwoordde Jakob. »Thuis drinken we
altijd gedroogde abrikozenbladeren voor thee."
»Zoo? Nee, òns bevallen gedroogde perzikbladeren nog het best, hè
vrouw?"
»Ja," zuchtte Juffrouw Vermaat, »'t is een treurige tijd tegenwoordig;
àlles, letterlijk alles is even duur! Wanneer zal daar nog eens een eind
aan komen?"
»Niet, vóór we met het Oranje op de borst durven loopen. Maar ik vrees,
dat _wij_ dat wel niet zullen beleven!
En niettemin," ging hij voort, »wat wáren we, als jonge, vurige
patriotten, toch op die kleur gebeten! Zelfs tot in 't kinderachtige
toe!
Zoo herinner ik me, hoe Nierop, de oude speelgoedkoopman uit de
Stadhuissteeg, in het begin van 1787 een collectie poppen had ontvangen,
die hij natuurlijk voor zijn winkelraam ten toon stelde.
Nu wilde het geval, dat er onder die poppenverzameling één was, in 't
hoog geel gekleed, een geel dat zwéémde naar 't oranje!
Enkelen van onze Vrijheidshelden viel dat al heel gauw in 't oog
en--daar hàdt je 't, hoor!
Dadelijk gingen zij zich in de hoogste verontwaardiging tot de Regeering
wenden, met het dringend verzoek, dien gruwel toch uit hun midden weg te
nemen!
Burgemeesters, om hun terwille te zijn, zonden toen een Bode naar
Nierop, met last, dat die gele juffer onmiddellijk op het stadhuis
diende te komen. Maar Nierop verkoos niet, dat ze met den Bode zou gaan.
Hij nam ze daarom zelf met zich mee naar 't Raadhuis en introduceerde ze
bij de overheid.
Deftig en waardig, als past bij zoo'n ernstig geval, werd nu het
poppenkostuum in beschouwing genomen. Maar helaas, tien Edelachtbaren
zelf bleken het niet volkomen eens omtrent de kleur; de beoordeeling
over het oranje of niet oranje bleef in deliberatie, het kwam niet tot
een uitspraak en de pop werd inmiddels preventief gevangen gehouden.
Of er een commissie van deskundigen werd benoemd om verslag uit te
brengen over de kleur, heb ik nooit vernomen; wèl, dat de pop in
hechtenis bleef, tot de Pruisen den Oranjevorst te hulp kwamen en een
omwenteling te weeg brachten. Toen werd zij ontslagen en in zegepraal
naar den winkel van Nierop teruggevoerd."
De tabaksverkooper, eenmaal op dreef, vertelde nu nog een en ander uit
de eerste dagen van 1795, waarop zijn zoon Reinier thuiskwam, die in de
affaire van zijn vader werkzaam en van denzelfden leeftijd als Jakob
was.
De beide jongelui waren te voren nooit met elkander in aanraking
geweest, waarom Jakob bij het heengaan aan den tabaksverkooper moest
beloven, de kennismaking met Reinier maar eens gauw te komen vernieuwen.
Voorloopig echter kwam daar weinig van, en inmiddels hield de
militaire commissie haar laatste, beslissende vergadering. Alle tien
gearresteerden had zij schuldig bevonden. Drie werden er tot twee jaren
gevangenisstraf veroordeeld; Emanuel van Praag en Barth Meijer tot
vijf jaar opsluiting; Jan Dupker en nog vier anderen kregen acht jaar
tuchthuisstraf, terwijl Toon Janssen en Anthonie Hantelman, als de
eigenlijke aanleggers van het oproer, gefusilleerd zouden worden.
Franciscus Stargardt eindelijk werd, wegens majesteitsschennis, eveneens
tot den kogel veroordeeld.
Aan Stargardt zou het éérst dit harde vonnis worden voltrokken. Reeds
des avonds werd hij in een koets van 't Verbeterhuis afgehaald en langs
de Schans geleid, om den volgenden dag op het Funen te sterven.
Voor de kazerne Saint-Charles had zich den anderen morgen, al vroeg, een
groote volksmenigte opgehoopt.
Eindelijk, daar trad een afdeeling Fransche soldaten het gebouw uit, een
tamboer voorop, die den doodenmarsch sloeg.
In het midden hompelde, lijkwit, Franciscus Stargardt. Naast hem liep
een man, in het zwart gekleed, de veldprediker van het regiment. Hij
trachtte den ongelukkige moed in te spreken en hield hem den troost van
het Evangelie voor...
De commandeerende officier liet halt maken. Nu trad de provoost vooruit
en las, in de Fransche taal, het vonnis van den veroordeelde voor.
»Zoo'n stakker toch," zei een vrouw meewarig.
»Hij heeft niet eens zijn beenen tot zijn verdoen! 't Is een schande!"
»Hou je mond!" grauwde haar man, »of het zou met jou al even ongelukkig
afloopen!"
»Ja, ja, 't is ongehoord zooals er met ons geleefd wordt!" zei ze weer.
Maar nu toch wat zachter.
»Kijk, hij vouwt zijn handen," merkte een ander op, »hij doet zeker zijn
laatste gebed."
»Arme kerel!" ging het dofmompelend door de volksmassa.
Werkelijk bad de kreupele, de sidderende handen krampachtig te zamen
gevlochten, het lijkwitte gelaat ten hemel gericht...
Zoo stond hij een wijle.
Toen naderde de provoost en deed hem een blinddoek voor. Daarop trad hij
met den prediker terug en plaatsten beiden zich nevens den officier.
Met zijn degen gaf de officier een teeken,--toen traden zes man vooruit.
Weer zwaaide de officier het wapen,--nu legden de zes man hun geweren
aan...
Daar zwaaide de degen voor het laatst,--zes kogels doorboorden de borst
van den ongelukkige, die onmiddellijk dood voorover viel.
Vijfde Hoofdstuk.
Hoe de Amsterdammers Napoleon ontvingen.
»Een zware dag voor vrouw Stargardt!" Met die verzuchting was mijnheer
Vermaat uit den winkel gekomen, waar men hem juist verteld had, dat een
uur geleden het doodvonnis aan den kreupele was voltrokken.
»Ik ga er dadelijk heen!" had juffrouw Vermaat toen gezegd. »De arme
ziel zal wel wat troost en opbeuring noodig hebben." En zóó eenvoudig
was haar binnenkomen, zóó hartelijk en natuurlijk haar deelneming
geweest, dat sedert langzamerhand een warme genegenheid tusschen de
beide vrouwen was ontstaan.
Maar ook Jakob Stargardt en Reinier Vermaat waren van lieverlede groote
vrienden geworden, die men weldra schier geen Zondag buiten elkanders
gezelschap zag.
Van Willem had moeder Jane, sinds Ep de Breukelaar nog eens was komen
zeggen dat hij behouden aan boord van een Engelsch schip geraakt was,
nooit weer iets vernomen.
Trouwens, ze had niet anders kunnen verwachten, wijl Napoleon's
continentaal stelsel alle briefwisseling met Engeland verbood. Maar
moeder Jane was het onder die omstandigheid, of zij niet één, maar twee
dooden had te betreuren en al haar liefde droeg zij sedert op haar zoon
Jakob over. Zij zou hem graag den heelen Zondag bij zich thuis gehad
hebben, maar spoorde hem niettemin zelf aan, om met zijn vriend Reinier
de stad in te wandelen, wat te roeien op den Amstel of zich op eenige
andere betamelijke wijze te verstrooien. 't Is het recht van zijn jeugd,
redeneerde zij, en ze was er al tevreden mee, dat hij 's avonds
gewoonlijk thuis bleef.
Na een hunner Zondagsche uitstapjes, toen de beide vrienden in een
koffiehuis een glas bier gingen drinken, vernamen zij daar als het
groote nieuws, dat keizer Napoleon een reis door Holland ging doen en
natuurlijk dan ook te Amsterdam zou komen.
Zij geloofden er aanvankelijk weinig van, maar weldra bleek, dat er aan
het gerucht niet langer viel te twijfelen.
Reeds den 8sten Augustus had mijnheer De Celles den maire kennis gegeven
van de komst des Keizers en hem uitgenoodigd, maatregelen voor een
waardige ontvangst te beramen. Deze aanschrijving werd door meer dan
twintig andere gevolgd, want op alle toebereidselen moest de goedkeuring
van den prefect worden gegeven; hij moest een lijst hebben van de
personen, die aan Zijne Majesteit zouden worden voorgesteld; zelfs
mocht niet aan de versiering der loge in den schouwburg worden begonnen,
voor mijnheer De Celles de inrichting had goedgekeurd. Ja, de geldsom,
die de stad bij deze gelegenheid ten koste wilde leggen, moest ter
beoordeeling aan den prefect worden toegezonden, een post, waarvoor de
gemeenteraad den 25sten September 165.000 francs had toegestaan. Nog
meer, de prefect geliefde zelfs over de beurs der ingezetenen te
beschikken.
Dra wist men ook, wat het doel van Napoleon's reis door Holland was.
De keizer stond in die dagen op het toppunt van zijn glorie. Zijn
monarchieën strekten zich uit van de Pyreneeën tot de bergen van
Epirus, van de Middellandsche zee tot het Baltische strand. Van het
Rijnverbond voerde hij den titel van beschermer, van het Zwitschersche
bondgenootschap dien van bemiddelaar. Leden van zijn geslacht bekleedden
de koninklijke of vorstelijke waardigheid in Spanje, in Napels, in
Westfalen, in Lucca en in Berg. Een zijner generaals was erfgenaam
geworden van den Zweedschen troon, een ander heerschte over het
vorstendom Neuchâtel. Door staatszucht hiertoe genoopt, had de
Keizer van Oostenrijk zijn dochter Maria Louise aan den gelukkige tot
vrouw gegeven, en al de overige souvereinen van het vasteland waren
Napoleon's gedweeë bondgenooten. De geboorte van een zoon, den Koning
van Rome, op den 20sten Maart, had Napoleon's stamhuis bevestigd.
Zij was gevierd met een praal zóó overweldigend, als nog nooit bij
de geboorte van een vorstenkind aanschouwd was. In Bonaparte, door
al dien voorspoed bedwelmd, begon in deze dagen hoe langer hoe meer
de aan hoogmoeds-waanzin grenzende gedachte vorm te krijgen, dat de
Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen
verschijnen.
En toch, in weerwil van al de glorie die hem omgaf, bleef Napoleon
onbevredigd.
Even als de hartstochtelijke speler, prikkelde ieder nieuw geluk hem, om
nog grooter kansen te wagen, naar nog grooter gewin te trachten. Landen
te veroveren, volken te bedwingen, vorsten te vernederen, overwonnenen,
aan zijn voeten te zien, het was hem een onverzadelijke behoefte
geworden, en het bleek ook deze behoefte die hem aanzette, Holland
te bezoeken. Het trotsche Engeland, dat hem stoutmoedig bleef tarten,
hem Egypte en Syrië had ontwrongen, hem de eene Fransche kolonie na
de andere in Oost en West had ontrukt, hem belette om vasten voet op
Sicilië te krijgen, hem in Portugal en Spanje niet zonder voordeel
bestreed en ter zee de heerschappij voerde, dat Engeland bleef hem immer
de donkere wolk boven den in hellen zonneglans badenden horizon van zijn
bestaan. Kon hij Engeland vernederen en ten onder brengen, dan achtte
hij geen macht meer ter wereld in staat, om perk te stellen aan zijn
veroveringen, dan kon hij alleenheerscher worden van geheel Europa.
De vereeniging nu der Fransche en Hollandsche zeemacht deed hem een
uitbreiding zijner marine verwachten, welke hem in staat stellen zou om
met zijn vloten die van Brittanje te vernietigen. Daarom achtte hij het
van het hoogste belang, Holland's maritime krachten te leeren kennen uit
eigen aanschouwing.
Zoo waren de hooge autoriteiten te Amsterdam dan rusteloos in de weer,
om den Keizer bij zijn bezoek aan »de derde hoofdstad" van zijn rijk,
een schitterende ontvangst te bereiden en van wege den prefect, den
maire of den politie-directeur Duterrage verscheen het eene bevel na
het andere. Bevelen aan de voornaamste ingezetenen, om personen uit het
Keizerlijk gevolg behoorlijk te huisvesten; bevelen omtrent de militaire
inkwartiering der hoogstwaarschijnlijk te wachten vermeerdering van
krijgsbezetting, verbodsbepalingen met betrekking tot het opslaan van
kramen, stellages en stalletjes, het klimmen in boomen tijdens den
intocht, het afsteken van voetzoekers of ander vuurwerk binnen de stad,
kortom, het regende aanschrijvingen.
En weldra kwamen Reiniers nog schoolgaande broers Bert en Bruno, die als
echte jongens overal bij waren, op een Zaterdagmiddag thuis, druk en
opgewonden over al het moois dat zij gezien hadden.
»Aan den Outelerweg wordt een eereboog gemaakt," zei Bert, »toch zóó
prachtig, ò!!..."
»Nee maar, dan moet je de Muiderpoort eens zien!" riep Bruno, »die is
nog veel, véél mooier!"
»En in 't midden van de Plantage zijn ze óók al aan een eereboog te
maken!" begon Bert nu weer.
»En op de Reguliers-Breêstraat!" viel Bruno in.
»En op het Kadijksplein!" vulde zijn broer weer dadelijk aan.
»Jongens, jongens!" riep juffrouw Vermaat ten slotte wanhopig, »jullie
maakt ons nog doof met al dat geschreeuw."
Na zoo'n waarschuwing zwegen ze wel, maar de volgende dagen ging het
precies hetzelfde. Dan waren zij in verrukking over de drie zegezuilen
welke op de hooge Amstelbrug werden opgericht, over den fraaien tempel,
die aan het einde der Keizersgracht getimmerd werd, of over het
prachtige salon, dat op de muren der schutsluisen werd gemaakt, om den
Keizer en de Keizerin te ontvangen, wanneer zij het vuurwerk op den
Amstel zouden bijwonen.
»En op school heb ik gehoord," zei Bruno, »dat àlle klokken bij den
intocht moeten luiden!"
»En àlle torens en openbare gebouwen moeten vlaggen!" viel Bert dadelijk
in.
»En àlle geestelijken in vol ornaat voor hun kerken staan!" wist Bruno
weer te vertellen.
Zij waren er vòl van, de jongens, en konden maar niet begrijpen, hoe hun
vader en moeder er zoo weinig mee òp schenen te hebben.
Op zekeren dag kwamen zij met vuurroode gezichten thuis, zwoegend onder
den last van eenige potten met planten en bloemen, die ze met moeite in
hun armen droegen.
»Wat heb ik _nu_ aan de hand?" zei mijnheer Vermaat verbaasd.
»Gekregen! Allemaal gekregen!" juichten de knapen, hun vracht behoedzaam
neerzettend.
Hun vader vertrouwde de zaak echter niet. Hij maakte zich erg ongerust,
dat zijn jongens misschien de Bloemmarkt geplunderd hadden en ging
onmiddellijk op onderzoek uit.
Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bleek hem dra, dat Bert en Bruno
werkelijk op een eerlijke wijze aan al die bloemen gekomen waren.
Van wege Napoleon's hofhouding--zoo vernam de tabaksverkooper--was de
groot-hofmaarschalk Duroc in het paleis aangekomen, om de vorstelijke
verblijven in gereedheid te brengen. Niets veroorzaakte hem meer zorg
dan de stallen. Die, waarvan Koning Lodewijk zich had bediend, waren
te ver van de hand, daar de Keizer dikwijls onverwacht uitreed en het
rijtuig dan oogenblikkelijk vóór moest zijn. De naburige Bloemmarkt werd
eindelijk als de meest geschikte plaats beschouwd. Maar, daarbij deed
zich een zwarigheid op. Duroc wist, dat de Keizer,--in kleinigheden
althans,--de denkbeelden en gebruiken van het volk niet wilde kwetsen
en wanneer hij nu de Amsterdammers hun bloemenmarkt ontnam, dan zou de
groote menigte dit wel eens als een nieuwe grief kunnen opvatten.
Om dit te voorkomen, bedacht hij een aardige vond.
Hij gaf bevel aan eenige bedienden, om al de bloemen en planten, die
ter markt waren gebracht, op te koopen tegen den prijs dien men er voor
vroeg en ze weg te schenken aan de omstanders op voorwaarde, dat zij er
dadelijk mee naar huis zouden gaan.
De menschen wilden in het eerst niet best gelooven, dat het met dit
aanbod ernst was. Zij aarzelden, om het aangebodene in ontvangst te
nemen, maar toen zij ten leste begrepen, dat de Keizerlijke bedienden
het werkelijk méénden, verwekte dit evenveel verbazing als genoegen. Elk
nam nu zooveel hij dragen kon en ging er opgeruimd en blijmoedig mee
naar huis.
Oningewijde voorbijgangers, de Keizerlijke bedienden overal op de markt
zoo ijverig bloemen ziende koopen, meenden eerst dat die tot versiering
van het paleis moesten strekken, maar toen zij daarop menschen van
allerlei slag in verschillende richtingen met bloempotten en planten
zagen aftrekken, begrepen zij er niets van.
Zonder wanorde of vechtpartijen geraakte het terrein op die manier in
een oogenblik ontruimd. Ja, de heele zaak had zóó 'n rustig en kalm
verloop, dat in het overige van de stad geen mensen gewaar werd, wat er
was voorgevallen. Wie dus een uur later ter markt kwamen keken niet
weinig verwonderd, dat er geen bloemen meer te koop waren, doch een
honderdtal werklieden ijverig zwoegden om er stallen op te slaan.
Mijnheer Vermaat behoefde zich dus over de herkomst van de bloemenschat
zijner bengels niet langer te bekommeren en ging welgemoed weer aan zijn
werk.
Toen hij 's avonds met enkele bekenden, waaronder de humoristische
schrijver en dichter, Fokke Simonsz., in een der koffiehuizen van
de Kalverstraat te praten zat, vertelde hij het voorgevallene op de
Bloemmarkt aan zijn gezelschap, en als vanzelf kwam toen het gesprek op
Napoleon's reis door Holland en zijn aanstaande komst in Amsterdam.
»Ik zal er geen voet om verzetten!" zei Fokke Simonsz., zoo los weg en
daarmee werd het onderwerp beëindigd.
Maar nauwelijks zat de dichter den volgenden morgen aan zijn
schrijftafel, of hij ontving bezoek van een hem welbekend Fransch
ambtenaar. Het was de tooneelschrijver Alexander van Ray, berucht om den
ijver waarmee hij De Celles diende, en daardoor gehaat bij al zijn
stadgenooten.
De bezoeker begon met een luchtig praatje, dat in het minst geen kwaad
deed vermoeden, sprak verder over allerlei onbeduidendheden, maar
eindigde met de verklaring, dat de dichter zijn huis verlaten en met hem
mee moest gaan.
Fokke Simonsz., begrijpend dat het doelloos zijn zou, zich te verzetten,
onderwierp zich, ondanks het gejammer van zijn gezin, aan het lot dat
hem wachten mocht. Want zijn bezoeker liet hem in het onzekere, wat de
aanleiding tot deze inhechtenisneming was.
De dichter, die op de Prinsengracht bij het Aalmoezeniershuis woonde,
had maar weinig schreden buiten zijn deur te doen, daar Van Ray hem
geleidde naar een der beide gevangenissen, waarin bij voorkeur
dergelijke ongelukkigen achter slot werden gebracht.
Weldra zat Fokke Simonsz. in een akelige cel van het Verbeterhuis,
vergeefs vorschend naar de reden, waarom men hem zijn vrijheid ontnomen
had. De oppasser, die hem het levensonderhoud bracht, haalde bij zijn
vragen de schouders op, en de politie gaf geen verantwoording van haar
daden.
Fokke Simonsz. was de eenige niet, wien in deze dagen het lot van
inkerkering te beurt viel; hij deelde het met verscheidene anderen,
terwijl daarenboven ettelijke burgers last hadden, om hun woning tot
wederopzeggens niet te verlaten, of wel voor den tijd van enkele weken
de stad te ontruimen.
Op deze manier beijverde zich De Celles om alle, voor een gunstig
verloop der aanstaande feestelijkheden gevaarlijk geachte elementen,
intijds te isoleeren en onschadelijk te maken.
't Was dus waarlijk geen wonder--toen Jakob den Zondag vóór 's Keizers
intocht zijn vriend Reinier tot een roeitochtje afhaalde--dat mijnheer
Vermaat bij het heengaan hun meer dan ooit tot voorzichtigheid in hun
spreken aanspoorde.
Nauwelijks echter kon Jakob zijn woorden volkomen onbereikbaar achten
voor ieder verraders-oor, of hij moest zich uiten over iets dat hem zeer
onaangenaam had getroffen.
»Kijk", begon hij, »dat je vader ons voortdurend tot voorzichtigheid
aanmaant, is natuurlijk te prijzen. Aan mijn eigen vader hebben we
kunnen zien, hoeveel ellende een enkel woord wel kan te weeg brengen.
Maar voorzichtigheid is toch nog heel iets anders dan wat jullie
doet..."
»O, ik begrijp het al!" viel Reinier dadelijk in. »Je bedoelt, dat ons
huis versierd is, nietwaar?..."
»Ja, ronduit gezegd is me dat vreeselijk tegengevallen..."
»Dacht je dan, dat het ons zèlf niet ergerde?" vroeg Reinier bitter.
»Maar wij móeten wel! De Celles heeft den maire last gegeven om te
zorgen, dat al de huizen, waar de Keizer bij zijn intocht langs moet
komen, versierd zullen zijn. En de politie zorgt natuurlijk, dat die
last behoorlijk wordt uitgevoerd.
Begrijp je wel? 't Is den prefect niet genoeg dat de _autoriteiten_ hun
hulde bewijzen, neen, ook de _burgerij_ moet den Keizer huldigen!
Met hetzelfde doel zijn er van de week drie eerewachten opgericht, een
eerewacht te paard, een te voet, en een marinewacht. Ook dáár was bij
een heeleboel lui al even weinig liefhebberij voor. Maar De Celles wist
al weer raad. Hij liet biljetten bij de voornaamste Amsterdammers
rondbrengen, waarin gedreigd werd, dat zij voor hun zoons, als die
straks in de loting mochten vallen, geen plaatsvervanger konden stellen,
wanneer die zoons weigerden om den Keizer te verwelkomen."
»Jawel", zei Jakob, »de prefect wil blijkbaar met alle mogelijke
middelen Napoleon in het idée brengen, dat Amsterdam wonderveel van hem
houdt, gedwongen stadsversieringen, gedwongen versiering vanwege de
burgerij, gedwongen eerewachten,--och, och, wat een komedie! Maar bij
een _welkomen_ intocht behoort nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en
meneer De Celles moet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!"
»Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!" gaf Reinier toe.
Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin
vergisten.
't Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber,
mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij
geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het
er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en
tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op
's Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten
zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs--doch
zonder eenige onderscheidingsteekens--op bepaalde plaatsen vereenigen,
daar hun »_Leve de Keizer!_" aanheffen en dan zoo gauw mogelijk langs
een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te
herhalen.
Den 9den October, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de
prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijk _en
scêne_ te hebben gezet.
Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis
van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien
trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu
eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa
vervulden.
Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd.
Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij
reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten.
»O, o, wat ben je laat! Mijnheer Le Brun is den Keizer al te gemoet
gereden!" riep Bert.
»Met den prefect en den maire!" viel Bruno in.
»Mijnheer Duterrage was er ook bij!" vervolledigde Bert weer, »en nog
een heele boel andere heeren, wel twintig!"
»Twintig?!--Puh! Wel dertig!" meende Bruno. Toen begonnen zij te
kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn.
Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de
klok en zuchtten gedurig: »Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch
lang!"
Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan
en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te
beieren...
Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal
te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg
van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik
af niemand meer door mochten laten.
»Blijf gerust nog maar wat zitten jongens", vermaande de
tabaksverkooper, »de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!"
Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te
vallen dan ooit.
Dáár klonk de kreet: _Le cheval blanc! Le cheval blanc!_ aangeheven door
eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in
last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken.
Allen namen nu aan de ramen plaats.
Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te
paard.
Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal
Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd:
»Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!"
»Dat zijn Poolsche lanciers!" lichtte hun vader in.
Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk,
dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was
bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages
terzijde van het rijtuig gingen.
Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie
afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers
der garde, de ordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch
paard--de Keizer!
Plotseling daverde een zwaar en krachtig: _Vive l' Empereur!_ Want de
stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op
de Botermarkt[5] hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht
naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen.
[5] Tegenwoordig het Rembrandtsplein.
»Is dàt nu de Keizer!" zeiden Bert en Bruno teleurgesteld.
»Stil, jongens!" waarschuwde hun vader, »of je gaat onmiddellijk naar de
achterkamer!"
Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob.
Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn ronden rug, gekleed in
de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man,
met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die
geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde?
En toch,--terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren
van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren,
de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en
eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun
blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine,
gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat.
Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde
aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel
nog luider dan ergens anders.
Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn
kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had
moeten aansluiten, om het _Vive l' Empereur_ aan te heffen, had nergens
gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen,
om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te
over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en het
_Vive l' Empereur_ daverde schier onafgebroken door de lucht.
Mijnheer De Celles kon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met
gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten
in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming
onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven,
had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer
geheel aan het volk over te laten. Maar--hij wist het--in dat geval zou
aan Napoleons triomftocht een volkomen _fiasco_ ten deel zijn gevallen.
Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om
hem te vleien. Hij wees De Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op
de juichende menigte en zei: »Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u
zich vergist heeft!"
De Celles was echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging
antwoordde hij hoffelijk: »Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt
aan den grootsten man zijner eeuw."
Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten
gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw
mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen.
Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de
zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad
niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te
Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der
Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren,
der hooge ambtenaren, der aides-de-camp en ordonnance-officieren,
het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling
van uniformen der officieren van land- en zeemacht, de met goud
geborduurde kleeding der hoofdambtenaren van verschillende burgerlijke
administratiën, de menigte van ordelinten, grootkruisen, versierselen
van alle ridderorden in Europa, zetten aan de plechtige ontvangsten en
feesten aldaar een ongemeenen luister bij.
Over deze tentoonspreiding van schier nooit geziene weelde uitte
Napoleon zich tot zijn vertrouwde, Caulincourt:
»Denk toch niet, dat de pracht, die ik op deze reis ten toon spreid,
het gevolg zou wezen van een kleingeestige ijdelheid! 't Is louter een
middel, dat ik te baat neem. De menschen geraken gaarne in beweging
en hun geestdrift valt hèm ten deel, die ze weet op te wekken. De
verleiding gaat door de oogen tot het hart. Het Keizerlijk hof moet zich
groot en indrukwekkend vertoonen; men is altijd geneigd zich te buigen
voor hetgeen men bewondert."
Herhaaldelijk liet Napoleon zich in een sloep naar de werf en de haven
roeien, bezocht Muiden en Naarden om de linie van Amsterdam te leeren
kennen, begaf zich over Broek-in-Waterland, Hoorn en Medemblik naar
Den Helder, om er den staat der vloot en vesting- en havenwerken op te
nemen, gaf overal bevelen, wilde alles zelf zien en was ook nu weer,
door zijn juisten blik en afdoend ingrijpen waar hij fouten zag, als
altoos en overal een raadsel voor allen die hem vergezelden.
Den 21sten October vertrokken de Keizer en de Keizerin weer uit
Amsterdam, om hun tocht naar de Hollandsche departementen voort te
zetten. Den laatsten dier zelfde maand verlieten zij het Hollandsche
grondgebied en keerden over Wezel en Keulen naar Frankrijk terug.
Zesde Hoofdstuk.
Moeder Jane neemt een kloekmoedig besluit.
De burgers, die door de Fransche gezaghebbers, als gevaarlijk voor de
rust, gedurende Napoleons reis in den kerker waren gezet, doch van geen
misdaad of samenspanning konden beticht worden, kregen na 's Keizers
vertrek hun vrijheid weer. Die ontsluiting kwam voor hen even onverwacht
als de gevangenneming.
Den dichter Fokke Simonsz. werd zijn vrijheid enkel aangekondigd met een
kort: »Je bent ontslagen!" Dit moest hem genoeg zijn, en niet voor hij
thuis gekomen was werd het hem duidelijk, dat hij _gedurende_ Napoleons
verblijf te Amsterdam achter slot en grendel had moeten zitten.
Hadden sommigen van de reis des Keizers naar Holland verzachting der
drukkendste beperkingen, van de knevelarijen der ambtenaren, van de
kwellingen der hooggeplaatste gezaghebbers gehoopt, die hoop werd ten
volle verijdeld. Ja, weldra bleek, dat de naaste toekomst nog drukkender
worden zou.
Tegen betaling van een daalder per maand werd aan mijnheer Vermaat,
uit het koffiehuis aan den overkant, iederen avond na zevenen, als de
bezoekers de krant al gelezen hadden, het _Staatkundig Dagblad van het
Departement der Zuiderzee_ bezorgd. Daar dit het orgaan der regeering
was, werden alle stukken er dus het eerst in opgenomen. Bovenaan stond
het Keizerlijk wapen, de Fransche adelaar, en het blad was, evenals toen
al de andere bladen in ons land, in twee kolommen gedrukt, waarvan de
eene in het Fransch was geschreven, de andere hetzelfde in het
Hollandsch bevatte.
Op een avond, nadat mijnheer Vermaat den winkel gesloten had, ging hij,
als naar gewoonte, bij de familie in de huiskamer zitten, om de courant
te lezen.
Maar hij had het blad nog nauwelijks ingezien of wanhopig riep hij:
»Groote God!... Dat wordt mijn ondergang!..."
»Manlief, wat _is_ er?" riep juffrouw Vermaat ontsteld. Ook Reinier en
de beide schooljongens keken vragend en angstig hun vader aan. Zijn
gezicht zag doodsbleek en strak tuurde hij op de courant, die beefde
tusschen zijn handen.
»Een nieuw decreet... De Regie wordt ingevoerd!"
Bert en Bruno begrepen daar niet veel van. Maar voor hun moeder en
Reinier waren die enkele woorden droevig-duidelijk. Zij wisten dat ze
beteekenden: Weldra is alleen de Keizer tabakshandelaar, dan mag niemand
meer tabak verkoopen dan enkel de door Napoleon aangestelde ambtenaren.
Door dit decreet werd alzoo hun welvaart, tegelijk met die van duizenden
andere nijvere kooplieden, winkeliers en fabrikanten als met één slag
vernield en zouden knechts en werklui met hun gezinnen tot volslagen
armoede geraken.
Op den eersten Januari 1812 moesten alle kerfbanken, snuifmolens en
andere werktuigen, benevens al de nog voorhanden tabak onder eede en
tegen vastgestelde prijzen aan de magazijnen van het Bestuur worden
afgeleverd. De overneming en beoordeeling der waarde zou geschieden ten
overstaan van twee rijksambtenaren en twee schatters; de eersten zouden
de belangen van den Keizer, de beide anderen die van den koopman
behartigen.
Alle tabaksverkoopers werden niet meer dan slijters. Zij moesten naar
die betrekking dingen en konden ze in geen geval zonder belangrijke
geldelijke offers verwerven. Gelukte hun dit, dan kregen zij borden met
het Keizerlijk wapen voor hun deur en verkochten de regie-tabak, door de
magazijnen geleverd, in kleine pakjes, voorzien van het Keizerlijk merk.
Mijnheer Vermaat had het onmogelijk van zich kunnen verkrijgen, om
Fransch ambtenaar te worden en het Keizerlijk wapen voor zijn deur te
dulden. Hij had zich dan ook niet aangegeven en zou dus op den 1sten
Januari eensklaps zonder bestaansmiddel zijn.
't Was alzoo een treurige Oudejaarsavond voor de familie Vermaat, die
Oudejaarsavond van 1811.
In den winkel bleek het heel dien dag drukker dan ooit. Iedere klant
wenschte zich zoo lang mogelijk van tabak te voorzien, om vooreerst
althans niet van de, naar alle waarschijnlijkheid zeer dure rijkstabak,
te moeten koopen. Niemand mocht echter meer dan tien pond in huis
hebben. Toen zij later, wijl hun voorraad opgerookt was, van de Regie
moesten inslaan, bleek die tabak, meerendeels inlandsch gewas, zóó duur
en zóó slecht, dat men ze haast niet rooken kon.
In den winkel hadden vader en Reinier het dus overdruk met het bedienen
der klanten en intusschen was juffrouw Vermaat met toebereidselen tot de
Oudejaarsavondviering beslommerd: Misschien is het voor de laatste maal
dat we het doen kunnen, had ze gemeend.
Terwijl ze juist even de deur was uitgewipt om nog wat inslag te doen,
had Bert toevallig een ontdekking gedaan.
»Psst!..." wenkte hij, het hoofd om de kamerdeur stekend, geheimzinnig
fluisterend tegen Bruno, »Kom eens mee!"
Bruno, die in een boek te lezen zat, was dadelijk gereed hem te volgen.
Bert bracht hem in de keuken voor de aanrechtbank, waar hun moeder al
een en ander had klaargezet, en gewichtig op een groote kan wijzend,
vroeg hij:
»Wat is dat?"
»Melk!..."
»En dat?"
»Eieren!..."
»En dàt?" ging Bert met onverstoorbare geheimzinnigheid voort, op een
papieren zak wijzend.
»Meel!" zei Bruno. »Maar wat wil je toch?"
»Weet je, wat je van meel en melk wel maken kunt?..."
Bruno bedacht opeens, dat het straks Oudejaarsavond was, een glans van
begrijpen vloog over zijn gezicht, lichtte tintelend zijn oogen uit en
van blijdschap een bokkesprong makend riep hij vroolijk:
»Oliebollen!... O, heerlijk, we krijgen oliebollen van avond!"
»Echt, hè?" zei Bert en uit den blij-tintelenden blik waarmee hij Bruno
in de oogen zag straalde tegelijkertijd de trotsch dat _hij_ het was die
de verrassende ontdekking deed. »Maar laten we nu weer naar de kamer
gaan."
Nauwelijks was echter hun moeder teruggekomen, of ook de jongens waren
al weer in de keuken.
»Komen er geen rozijnen in, moe?" vroeg Bert.
»Wáárin?" glimlachte moeder, om hem te plagen.
»Hè, nee, dat wéét u wel!" zei Bert met een verlegen lachje.
»Nietwaar, we krijgen immers oliebollen van avond?" informeerde Bruno
vrijmoediger.
»Met rozijnen, hè moe?" vleide Bert.
»Goed, met rozijnen dan! Maar nu ook verder niet lastig wezen, hoor!"
De jongens beloofden het en muisstil zagen zij toe, hoe herhaaldelijk
witte scheuten meel of melk in een grooten aarden pot gestort en tot
deeg gemengd werden. Eén voor één sloeg moeder daarop de eieren stuk, ze
klutsend tot een egale, lichtgeele gelei; met welbehagen snoven zij den
geur van de smeltende, goudkleurige boter, en het sissen en pruttelen
was hun als een zoete muziek.
Het beslag was eindelijk gereed, werd toegedekt en op een warme plaats
gezet om behoorlijk te rijzen.
»Vooruit, jongens! Nu de keuken uit!" zei moeder.
Maar 's avonds, toen het bakken begon, waren Bert en Bruno er dadelijk
weer bij. Op hun knieën lagen zij bij den pot met beslag en zagen met
onverdeelde belangstelling toe, hoe moeder met een ijzeren lepel telkens
een schepje van het geurige beslag in de pan met kokende olie deed tot
er geen plaats meer was, de bollen nu en dan naar onder stootend en ze
er uit nemend, die een mooi-bruine kleur bekomen hadden.
En in den winkel liep het intusschen nog altoos maar af en aan.
Eindelijk was echter de laatste klant vertrokken, het laatste tonnetje
met gekorven tabak schier leeg verkocht.
Juffrouw Vermaat zat haar man en Reinier met een ketel warmen wijn en
een schaal, hoog opgestapeld met versche, heerlijke oliebollen te
wachten.
Bert en Bruno speelden op het ganzebord, maar de rechte lust was er toch
niet bij, verlangend als ze waren, dat vader nu toch eindelijk eens in
den winkel gedààn had.
Daar hoorden zij dan toch de winkeldeur sluiten, de kaarsen werden
gesnoten, vader en Reinier kwamen binnen.
»Ziezoo, vrouw," zei de tabaksverkooper mistroostig, »dat zijn de
laatste ontvangsten geweest. _Verdienen_ doen we niet meer, als alles
dus opgeteerd is, mogen we gaan bedelen."
»Kom, kom! Moed houden!" troostte juffrouw Vermaat. »Is 't niet een
zegen, dat we vooreerst geen gebrek behoeven te lijden? Geen ellende
vóór den tijd, zeg ik maar en met zuinigheid en overleg kunnen we nog
een heele poos voor armoe bewaard blijven."
»Jawel, maar 't is zoo'n ellendig gevoel voor een man, te weten, dat hij
niets voor zijn gezin meer kan verdienen..."
»Komaan, zet nu al die zorg eens op zij en laat ons nog eens een
onbekommerden Oudejaarsavond vieren. Wat helpt al dat getob? De zaken
worden er toch niet beter door!"
»Och nee, dat is wel zoo, maar..."
»En dan--hebben we niet alle reden, om nog dankbaar te zijn? Bleven
we niet allen met en voor elkaar gespaard en mochten we ons niet, het
geheele jaar door, in een goede gezondheid verheugen?"
»Ja, dat is waar!" gaf Vermaat grif toe.
»Vergelijken we ons bij anderen, hoeveel gelukkiger zijn we dan niet!
Bedenk eens, wat droevige Oudejaarsavond vrouw Stargardt en Jakob
hebben!"
Zoo voortgaande slaagde juffrouw Vermaat er in, haar man weer een weinig
te bemoedigen. Maar toch bleef het een Oudejaarsavondviering, triestiger
dan zij ooit beleefd hadden.
Treurig ook was de Nieuwjaarsdag, de eerste Januari van het jaar
1812, treurig voor de Vermaats, treurig voor duizenden bij duizenden
in ons land. In steê van vrienden, verwanten en kennissen te gaan
gelukwenschen, konden groot- en kleinhandelaars in tabak zich naar de
magazijnen der Regie begeven, om daar hun goed dat ze niet kwijt wilden
zijn, om daar hun werktuigen die hun een eerlijk stuk brood verschaften,
te zien taxeeren tot een prijs, die--misschien nooit zou worden
uitbetaald. Op verscheidene plaatsen althans hebben de tabaksfabrikanten
nooit een enkelen penning ontvangen.
Dat was dan het Nieuwjaarscadeau, hetwelk Napoleon Bonaparte aan zijn
Hollandsche onderdanen gaf, die, tot slot van alles, nog in de kerken
van den kansel God hoorden danken voor het gespaarde leven van hun
onderdrukker, God hoorden bidden om voorspoed en geluk voor hem, die
het geluk en den voorspoed van duizenden verwoestte.
Ook onze landsbibliotheken en museums van schilderijen ontzag de
Fransche Keizer niet. Wat had een overwonnen volk met kunsten en
wetenschappen noodig? Belastingen opbrengen, soldaten leveren, zich
onderwerpen en daarbij de zweep nog prijzen die hen striemde, dat
was de taak voor slaven, voor een volk, dat zijn naam en zijn
onafhankelijkheid verloren had. De zeldzaamste boekwerken, de
meestberoemde schilderijen en de merkwaardigste prenten, ja, zelfs
het stuk van den Munsterschen vrede, dat document onzer vroegere
onafhankelijkheid, werden uit onze verzamelingen gehaald, in kisten
gepakt en naar Parijs gevoerd.
In dat zelfde jaar 1812 werd tevens de druk van het continentaal-stelsel
nog weer dermate verzwaard, dat alle Engelsche fabriekswaren verbrand
moesten worden.
Toevallig was Jakob Stargardt van de eerste verbranding getuige, toen
hij op een middag door zijn baas voor een karweitje naar den Kadijk was
gestuurd.
In 't Park bij de Plantage gekomen, zag hij een volksmenigte
saamgehoopt, kijkend naar een groot vuur dat door eenige douanen werd
gestookt. Pakken manufacturen, messen, scharen, horloges, van alles werd
op den brandstapel geworpen, of het niet de minste waarde had.
»'t Is verschrikkelijk! 't Is een schandaal!" hoorde hij mompelend om
zich heen.
»Wat zullen die Engelschen razend op Napoleon wezen!" zei een eenvoudige
hals.
»'t Mocht wat!" onderrichtte de man, die naast hem stond. »Hoe meer
van hun goederen de Keizer hier laat verbranden, des te liever zij het
hebben. Al die goederen hebben onze winkeliers van de Engelschen gekocht
en aan hen betaald. 't Is dus niet _hun_ eigendom, maar het eigendom
van onze eigen landslui, dat door die kerels daar, zoo roekeloos wordt
vernield."
»Maar dan..."
»Is 't een schandaal, bedoel je!"
»Stil toch, man, ze mochten je er voor achter de tralies brengen!"
waarschuwde zijn vrouw.
»Och wat, de gevangenis op de Heiligenweg is al veel te vol! Daar is dus
geen plaats meer."
»Het Verbeterhuis en het Spinhuis zitten ook al opgepropt!" wist er een
aan toe te voegen.
»En in 't Werkhuis is al net zoo min plaats meer," zei een ander.
»Goeie genade, kijk toch! Is het geen zonde!" riep een vischwijf, »daar
smijten ze me handen vol horloges in 't vuur!"
»Ben je mal, Kee!" zei een mosselmeid, »denk je dat die nakende rotten
de beste niet achterbaks houden? Mijn kop er af,--alleen de zilveren
horloges gooien zij in den brandhoop en de gouden steken ze in hun
hongerige zakken."
Daar kwamen eenige douanen met wat balen koffie en een paar kisten
suiker aan slepen.
»'t Is God geklaagd!" zuchtte een kruidenier, toen die eveneens in den
vuurgloed werden geworpen. »_Ons_ laten ze er veertig of vijftig procent
belasting voor betalen en _zij_ smijten den boel maar zóó op het vuur!"
»Kijk me daar nou toch ereis ân!" riep een groentevrouw. »En _wij_, arme
stakkers, kunnen maar suikerij lebberen, omdat we zelfs nog aan geen
loodje koffie kunnen toekomen!"
»Ik wou, dat er per ongeluk een vaatje buskruit bij was, en dat heel dat
douanentuig in de lucht vloog!" gromde een visscherman.
Jakob durfde onmogelijk langer blijven. Wie weet, wat hij anders nog
gehoord had. Maar hij zou zich niet gaarne de ontevredenheid van zijn
baas berokkend hebben, bang als hij was, daardoor eens zonder werk te
geraken. En dàn?--wat zou er dan van hem en zijn moeder worden?
Met angst dacht hij dikwijls aan den dag, dat hij loten moest en die met
onrustbarende snelheid naderde.
Als hij nu toch eens in de conscriptie viel!
Hij _wilde_ er niet aan denken, want dan scheen hem de toekomst zóó
droevig, zóó troosteloos, dat hij er wanhopig onder worden kon. En toch
werd hij er voortdurend aan herinnerd, overal ging het gerucht, dat er
een oorlog met Rusland op til was en met zorg en kommer sprak men over
de, reeds in 't vorige jaar uitgetrokken, lichtingen en van de nieuwe
loting die in zicht was. Zijn moeder had het daar nimmer over, doch zij
werd gaandeweg stil en mijmerend, schoon zij haar uiterste best deed om
Jakob eenige opgeruimdheid te toonen.
Eindelijk gebeurde wat moeder en zoon al zoo lang hadden gevreesd--Jakob
werd soldaat!
Het afscheid was van een wilde smart en toen hij, na een laatste
omhelzing, schok-snikkend de deur uitging, viel de vereenzaamde vrouw
bewusteloos op den grond.
Medelijdende buren brachten haar te bed, oordeelend, dat rust het
allernoodzakelijkst voor haar wezen zou.
Maar toen de ongelukkige weduwe weer bij kwam, bleek ze geheel
veranderd. Zij was stil en somber geworden, haar hooge, kloeke gestalte
scheen opeens verslapt en ontzenuwd, haar krachtige natuur in één
enkelen dag verlamd door den knotsslag van het noodlot die haar
trof. Versuft zat zij uren lang in haar hoekje neer, starend, altoos
starend... Maar naderde de tijd, dat de postbode in aantocht moest zijn,
dan werd ze onrustig, opende de deur, keek het Kattenburgerplein over,
liep weer in huis, deed wéér de deur open en tuurde opnieuw over het
plein, soms wel tien maal achtereen.
Maar als ze den man ten leste zag aankomen, dan was het haar onmogelijk,
weer naar binnen te gaan. Ze bleef aan de deur staan wachten, in
zenuwstrakkende aandacht elk zijner bewegingen verspiedend. Een schok
doorsidderde haar het lijf, wanneer hij een greep in zijn tasch soms
mocht doen...
Maar onveranderlijk klonk het steeds, zoodra de bode haar nabij gekomen
was: »Geen brief nog, moeder Jane!"
Dan trok zij zich zuchtend terug en ging weer als wezenloos in haar
hoekje zitten, of poogde wat te werken. Doch van het werken kwam
gewoonlijk niet veel en haar huishouding liet zij meer en meer
verwaarloozen. Want als zij begon met den leuningstoel af te stoffen,
dan herinnerde dit meubel haar aan Franciscus; mijmerend over den armen
kreupele stond zij dan langen tijd roerloos met den stofdoek in de
werkelooze hand; nam zij een mat op, de indrukken van zijn kruk werden
haar als smartvertrokken monden, die klagelijk van den dierbaren doode
spraken; die stoelen, de tafel, dat kastje, de Friesche klok daar, al
die voorwerpen, samen hadden zij ze gekozen en gekocht, elk meubelstuk
had zijn kleine geschiedenis, onderdeel van het familieleven der
Stargardts vormend; ieder ding kreeg een ziel voor moeder Jane, en de
zielen van al die lieve dierbare voorwerpen om haar heen, begonnen nu
met weeke, weenende stemmen van hun verleden te fluisteren...
»Zóó kan het niet langer!" zei juffrouw Vermaat tegen haar man, toen zij
weer eens tevergeefs gepoogd had moeder Jane wat op te beuren: »Het arme
mensch verkniest hoe langer hoe meer en haar huishouden laat ze
heelemaal verwaarloozen. Wist ik toch maar, wat ik er aan verhelpen
kon!"
Beiden hadden zij innig te doen met de ongelukkige weduwe. 't Is waar,
ook _zij_ hadden hun zoon Reinier aan de legers van den Keizer moeten
afstaan, maar bezaten zij niet elkánder, hadden zij niet hun
luidruchtige bengels van jongens? Doch moeder Jane bezat thans niets
meer en zij konden het zich dus zoo begrijpen, dat de vereenzaamde vrouw
verkwijnde naar lichaam en ziel.
Eindelijk meende het echtpaar Vermaat er iets op te hebben gevonden,
waardoor de weduwe Stargardt een groot deel van den dag uit haar
omgeving en daardoor allicht ook eenigermate aan haar herinneringen zou
worden ontrukt: Zij zou namelijk, door hun bemoeiingen en voorspraak, in
het Munthôtel als werkster kunnen komen.
Met doffe onverschilligheid hoorde moeder Jane deze beschikking aan,
maar toen juffrouw Vermaat op een morgen gekomen was om haar er heen te
geleiden, maakte ze ook in het minst geen tegenwerping.
Sedert kwam zij geregeld iederen dag in het hôtel haar werk verrichten
en schoon de nieuwe werkster weinig spraakzaam bleek, wat zij dóen
moest, dat deed zij met de nauwgezetheid van een machine.
Op een avond--ze was juist een poosje te voren uit het hôtel weer thuis
gekomen--had de postbode een brief voor haar.
Nauwelijks had zij de acht stuivers port betaald, of ze scheurde het
couvert open en zenuwachtig begon zij te lezen, want het was een brief
van hèm, van Jakob, haar jongen! De letters dansten haar voor de oogen,
onderwijl zij in jachtende haast de bladzijden doorvloog. Toen begon zij
weer van voren af, en nu veel kalmer:
Sabelsdorph, 20 April 1812.
Lieve moeder, dit is dan de eerste brief, dien u van mij krijgt.
Waarom ik niet vroeger schreef, zal u hieruit straks wel blijken.
Zoodra wij te Wezel waren aangekomen, werden Reinier en ik met
nog verscheiden andere Amsterdamsche lotelingen als huzaren
uitgerust. En van toen af, na de eerste oefeningen in het
paardrijden te hebben doorstaan, is het niet anders geweest
dan marcheeren en exerceeren, over Munster en Osnabrück op
Maagdenburg aan en toen verder, altijd verder maar weer, en dat
langs zùlke slechte wegen en meestal onder zulk slecht weer, dat
ik 's avonds geregeld doodmoe op mijn leger viel.
En zoo zijn we dan nu hier, te Sabelsdorph, op een halven mijl
van Stettin. Het volk, dat deze streken door trekt of reeds
doorgetrokken is, blijkt gewoonweg onnoemelijk. Verscheidene
burgers zijn trouwens reeds uit de steden gevlucht, omdat zij
alle dagen 16 en 17 man in kwartier kregen. Men lijdt veel in
Holland, maar hier nog meer, men wordt hier opgegeten!
Ons regiment treft het goed, wij zijn altijd bij de boeren en
alleen de Generale staf met één compagnie blijft in de steden
en dat gaat geregeld zoo door, iedere compagnie op haar beurt.
Doordat wij altoos bij de plattelandsbevolking in kwartier liggen
heb ik niet veel gelegenheid om te schrijven, want meestal zijn
we met acht à negen man in dezelfde kleine ruimte en dan moet men
op zijn spullen passen. Bovendien weten de boeren hier te land
haast niet wat papier en pennen zijn.
Op het oogenblik liggen we met zijn negenen bij een goeden boer,
en die had ook pen en inkt, zooals u ziet, maar het is dan ook de
burgemeester van het dorp.
Zondag zijn we gearriveerd, Dinsdag maakten wij inspectie voor
den ritmeester, Donderdag voor den kolonel, die ons zóó duchtig
liet manoeuvreeren, dat mijn oude knol bijna niet meer voort kon
en 's avonds bij het afzadelen een gat als een vuist in zijn lijf
had.
Heden, Zondag, is het groote inspectie voor den Generaal, maar
omdat mijn paard zoo áf en gedrukt is, heb ik het geluk van thuis
te mogen blijven, waarom ik niet rouwig ben; want het sneeuwt
hier alle dagen en het is braaf koud ook.
De stad zelf ligt zóó vol van de Jonge Garde en Badensche en
Hesselsche troepen, dat men over de hoofden wel loopen kan.
Alle troepen moeten tweemaal daags exerceeren, wat _wij_ dus óók
gedaan hebben, de dagen dat wij geen inspectie hadden. Nu, daar
went men aan. Alleen hoop ik, dat ik maar spoedig een anderen
harddraver krijg. Denk eens aan, ik ben, gedurende onze opmarsch,
met dien ouden stijven knol al driemaal gevallen, gelukkig zonder
mij erg te bezeeren, doch niettemin met het plezierig gevolg, dat
ik van Brunswijk af een heel eind naast mijn oudje loopen mocht,
want de stumper was een weinig gedrukt op de schoft.
Dat marcheeren langs slechte wegen, tot aan de knieën door de
modder, was natuurlijk niet alles. Gelukkig echter kwam mijn
stramme sukkel toch al gauw weer wat op dreef. Maar verbeeld u,
den dag dat we hier aankwamen ging hij weer heel netjes met me
in het wagenspoor liggen en of ik hem al aanzette of wát ook,
sinjeur stond niet op voor en aleer ik er afging.
Of we hier nog lang zullen blijven? Het zeggen is, dat we
spoedig naar Koningsbergen zullen opmarcheeren en dan verder
naar Rusland, omdat er met dat rijk een oorlog op til is, zooals
iedereen beweert.
Ik ben tot nog toe heel gezond en als ik niet voortdurend
bekommerd was om u, dan zou ik mij in het soldatenleven heel goed
kunnen schikken. Maar o, hoe verlang ik er soms naar, u terug
te zien! Wat zou ik er niet voor geven om, al was het maar één
oogenblik, weer eens bij u te zijn en u te kunnen omhelzen. Maar
wie weet, hoe lang het nog wel kan duren, voor ik weer bij u
terug zal zijn.
Neen, dan is één van mijn nieuwe kameraads er toch vrij wat beter
aan toe. Zijn moeder, moet u weten, is een van de marketentsters.
Zij trekt geregeld achter het regiment aan, van de eene plaats
naar de andere en zoodoende kunnen zij, buiten diensttijd, elkaar
net zoo vaak ontmoeten als zij maar willen.
Dit laatste gedeelte van den brief maakte op moeder Jane een diepen
indruk, die van groote gevolgen zou wezen. Het wekte een voornemen bij
haar op, waartoe zij uit zichzelf nooit zou gekomen zijn:
Wat die moeder kon, dat kon _zij_ immers ook? En wat verlóór zij er
bij? Haar leven toch was eenzaam en treurig en werd door slavigen
arbeid gesleept van den eenen dag naar den volgenden, met geen ander
vooruitzicht dan dat het eenzaam en treurig _blijven_ zou. Want niet
alleen Willem was zoo goed als dood voor haar, ook haar Jakob zou zij,
onder haar tegenwoordige omstandigheden, toch denkelijk wel nooit weer
terug zien. Werd zij daarentegen marketentster, dan kon zij dag aan dag
weer met en bij hem zijn. En zoo hij gekwetst mocht worden, wie zou hem
beter kunnen oppassen en verzorgen dan zij, zijn eigen moeder?
Zij keek op de klok. Het was nog vroeg genoeg om gauw even met den brief
naar de Vermaats te gaan. Daar hoorde zij, dat ook Reinier geschreven
had. Toen zij echter vertelde, tot welk besluit zij gekomen was, deed
het echtpaar alles, om moeder Jane daar weer van terug te brengen.
Zij wezen haar op de moeilijkheden, aan dat eindeloos reizen en trekken
verbonden; op de gevaren, waaraan zij voortdurend zou bloot staan; niets
mocht baten.
»Maar je kunt immers niet eens met paarden omgaan?" zei juffrouw Vermaat
ten leste. »En voor een huzarenmarketentster zal dat toch, dunkt me, wel
noodig zijn."
»Niet met paarden omgaan? Nu, dat zou je meevallen! In mijn jeugd woonde
ik op een dorp; mijn ouders hadden een boerderij en ik ben dus, om zoo
te zeggen, bij paarden grootgebracht. Ja, als kleine meid nog, was het
altijd een van mijn grootste genoegens als ik het paard, waar vader mee
naar stad was geweest, in de wei mocht brengen. Dan ging ik op het hek
staan, klauterde vandaar parmantig op het beest zijn rug en reed er zoo
mee tot aan den dam."
Haar besluit bleek dus onwankelbaar en aan niets dacht zij thans zoo
zeer, dan om het zoo goed mogelijk ten uitvoer te brengen. Haar huis en
inboedel diende zij te verkoopen, allerlei inlichtingen had zij in te
winnen, doch mijnheer Vermaat stond haar hierin met raad en daad ter
zij.
Meer en meer ging zij òp in haar plan, de oude energie herleefde, haar
gang herkreeg zijn vroegere veerkracht, zij zag weer een toekomst, zij
had weer een levensdoel, en toen zij eindelijk tot de afreis gereed was,
bleek moeder Jane weer volkomen de kloeke, krachtige vrouw van voorheen.
Zevende Hoofdstuk.
Vrienden in vijandschap.
In de laatste jaren waren de betrekkingen van Napoleon met Alexander van
Rusland van zoodanigen aard geworden, dat een volslagen vredebreuk op
den duur niet kon uitblijven. Steunende op zijn krijgsgenie rekende de
Fransche Keizer de Russen niet alleen te _overwinnen_, maar tevens naar
Azië terug te kunnen dringen, na welke operatiën Turkije aan de beurt
lag.
Gelukte Napoleon die stoute onderneming, dan zou hij met zijn phalanx
langs Perzië naar Indië doordringen, ten einde Engeland in zijn koloniën
aan te tasten en zoodoende dat gehate rijk tòch voor zijn wil te doen
bukken. Mocht ook déze expeditie slagen, dan zou het vrede op aarde
zijn!
Tot de Fransche officieren, die eenigen tijd in Rusland hadden gediend,
behoorde de overste De Ponthon. Toen de Keizer dezen officier omtrent
de moeilijkheden van een oorlog tegen Rusland ondervroeg, vernam hij een
reeks van bezwaren: De fanatieke tegenstand dien de oude Moscovieten aan
den dag zouden leggen; de onherbergzame streken, welke de troepen zouden
moeten doortrekken; de onbegaanbaarheid der wegen voor de artillerie
wanneer het eenige uren geregend had en ten slotte, dat de ruwe,
geduchte Russische winter, die meestal half October reeds inviel,
het oorlogvoeren in dat land physiek onmogelijk maakte.
Doch overste De Ponthon ging nog verder, dan den Keizer deze bezwaren
te ontwikkelen. Hij viel voor Napoleon op de knieën, hem smeekend ter
wille van het geluk van Frankrijk en van zijn eigen roem toch niet dien
gevaarvollen veldtocht te ondernemen, waarvan de rampen niet te overzien
zouden zijn.
Verscheidene dagen na dit onderhoud bleef Napoleon afgetrokken en
verspreidde zich het gerucht, dat de Keizer van den veldtocht had
afgezien. Maar Napoleon had dezen karaktertrek dat hij _niets_ ontzag,
voor _niets_ terugdeinsde om een eenmaal gesteld doel te bereiken. Zijn
heerschzuchtswaanzin dreef hem reeds lang naar de alléénheerschappij
over geheel Europa en openlijk deelde hij zijn voornemen mee, om zich
op den zetel der Grieksche kerk te Moscou tot keizer van het Westen der
oude wereld te doen kronen.
Er was dan ook in de gewesten waar Fransche troepen stonden, doch
vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel,
waar maarschalk Davoust commandeerde, en te Dantzig, waar generaal
Rapp gouverneur was, reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid.
Derwaarts trokken, te voet en per scheepsgelegenheid, duizenden
jonge mannen van verschillende natiën, om onder Davoust's gestrenge
tucht gekleed, gewapend en gedrild te worden; derwaarts werden
honderdduizenden Hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn,
kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden om een
macht van schier een half millioen krijgers voor geruimen tijd van
al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche
corpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje,
uit Italië en Duitschland, geleidelijk met kleine dagmarschen, om
eerst langs den Oder en van hieruit langs de Weichsel te worden
opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte
voertuigen bijeengebracht, pontontreinen samengesteld, al de
voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo reusachtig als
zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te
groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren over een breed front,
van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk te voeren naar Ruslands
grenzen.
Doof bleef de Keizer voor de vertoogen zijner ministers en vertrouwde
generaals, en vruchteloos schreef zijn vertegenwoordiger aan het hof te
Petersburg hem, dat keizer Alexander geen oorlog _wilde_ en zich alleen
wapende, omdat Napoleons eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en
Pruisen hem daartoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven,
beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, die zijn brein met de
stoutste plannen vervulde, die hem zelfs voortooverde dat zijn dynastie
eenmaal de oudste kon worden van gansch Europa, liet hij zich door niets
ter wereld van zijn plan afbrengen. In 1805 en 1807 had hij Rusland
geslagen, doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.
Reinier en Jakob moesten diensvolgens ten oorlog trekken.
Beiden hadden zij zich na hun vertrek uit Amsterdam al heel spoedig
in hun lot geschikt, maar terwijl Jakob zijn dienstplicht deed, om
niet in onaangenaamheden te komen, was Reiniers eerzucht er ras op uit,
bevordering te maken. Over een jaar wenschte hij officier te zijn.
Schoon dat in onze dagen een ijdel voornemen zou heeten, hield zijn
besluit toch niets buitengewoons in: Bij de opvoeding, door Reinier
genoten, gepaard met zijn lichamelijke en verstandelijke hoedanigheden,
behoefde hij slechts te _willen_ om ook te _worden_ hetgeen hij zich
voornam. In het Fransche leger toch, welks kaders aanhoudend werden
gedund, bestond ook geregeld behoefte aan geschikte personen om dat
kader voltallig te houden.
Uit vrees echter, dat zijn ijver en gedrag eens niet voldoende in het
oog mochten vallen, meldde Reinier zich, na zijn eerzuchtig voornemen,
bij den majoor aan.
»Majoor," begon hij, »als ik er mijn best voor doe, zou ik dan niet heel
gauw wachtmeester kunnen worden?"
De majoor, een oudgediende, vond het altoos prettig, wanneer hij bij
recruten de begeerte tot promotie mocht zien. Ook had hij reeds
opgemerkt, dat Reinier wel bevattelijk was en een goede opvoeding had
genoten. Hij was dus aangenaam verrast.
»Is je dat ernst?" vroeg hij niettemin met strakken blik.
»Volle ernst!" antwoordde Reinier met overtuiging.
»Over vier dagen ben je korporaal. En blijf je stipt je best doen dan
zal je, binnen een maand of wat, onderofficier zijn! Zoo niet, dan
wordt je onmiddellijk weer gedegradeerd!"
De majoor wenkte en Reinier trok af.
Vier dagen daarna was hij korporaal en voor er drie maanden om waren had
hij den graad van onderofficier.
De nieuwe wachtmeester kreeg nu wel is waar omgang met andere
onderofficieren, maar in de verhouding tot Jakob kwam hierdoor
aanvankelijk toch geen verandering.
Een week later kregen zij echter plotseling groote oneenigheid. Ze
kwamen, na een korte dagmarsch, met een man of acht, in den omtrek van
Thorn bij een boer in kwartier en zouden reeds den volgenden dag weer
verder moeten. Ze kregen eenige sneden grof brood, met een laagje vet
besmeerd. De menschen hadden het blijkbaar niet te ruim en aten er zelf
lekker van. Ook de huzaren, in den laatsten tijd niet verwend, lieten
het zich wel smaken.
Reinier echter was er niet mee tevreden. Hij was wachtmeester en eischte
ham!
Ham aten zij nooit, zei de man.
Ja, dat kon hèm wat schelen! Maar met vet was hij niet tevreden en hij
zou dan zelf maar eens kijken of hij niet wat beters vinden kon.
Weldra kwam hij met twee hammen terug, die hij lachend en triomfantelijk
in de hoogte hield.
Daarop bediende hij er zich van en deed de rest in zijn knapzak voor
later.
De boerin begon te schreien. Het waren hun beide laatste hammen,
snikte ze, en zij hadden die morgen aan een herbergier in Thorn moeten
bezorgen. Hoe zouden zij kunnen leven, als er door de soldaten, geregeld
maar, zóó met hen gehandeld werd? Hadden de huzaren hun rieten schuurdak
niet gebruikt om hun paarden er mee te voederen? Had niet gisteren een
andere bende ruiters daarvoor het onrijpe koren afgesneden? Wáár moest
het heen als dat zoo doorging? Zouden ze dan niet van honger en ellende
moeten omkomen?
Jakob kreeg medelijden met de arme menschen.
»Kom," zei hij tegen Reinier, »ik zou dan die eene ham ten minste
maar terug geven. Stel je voor, als andere soldaten zoo eens bij
jullie thuis deden en het laatste pakje thee wederrechtelijk gebruikten
terwijl jullie zelf toch op gewone dagen nooit anders dan aftreksel van
morellebladeren drinkt? Dat zou je toch ook niet goed vinden, is 't wel?
En is het hier eigenlijk nog niet erger? Geldt het hier niet een
bestaansmiddel van die menschen?"
Reinier gevoelde nu plotseling al het leelijke van zijn daad, schoon
hij volstrekt niet verder was gegaan dan hetgeen hij dagelijks door
anderen had zien doen. De transportwagens met levensmiddelen konden,
door allerlei omstandigheden, onmogelijk het voorttrekkende leger snel
genoeg volgen, en men voorzag zich dus van voorraad, terwijl men voort
marcheerde. Daar het land vruchtbaar was, werden paarden, wagens,
beesten, levensmiddelen van allerlei soort ontvoerd: men sleepte alles
mee, ook de benoodigde inwoners om heel dien voorraad aan te voeren.
Met dergelijke voorbeelden iederen dag voor oogen, had Reinier er niet
zooveel kwaad ingezien, zich zelf eens wat beter te doen onthalen dan
de anderen. Wel voelde hij, na Jakobs redeneering, hoe leelijk hij
eigenlijk had gedaan, maar dit nobele gevoel werd in 't zelfde oogenblik
door valsche schaamte overwonnen. Het ergerde hem, in tegenwoordigheid
van die anderen zoo terecht gezet te worden. Wat drommel, wat verbeeldde
Jakob Stargardt zich wel? Hij, Reinier, was toch wachtmeester, en wáár
zou het met zijn prestige naar toe, als vriendschap het recht gaf hem
een zedepreek te houden in het bijzijn van »minderen"!
Hij stoof dus geweldig op, Jakob bleef hem het antwoord niet schuldig en
het gevolg was, dat beiden, na een heftige woordentwist, met heete
hoofden ter rust gingen.
Den volgenden morgen scheen de oude verstandhouding weer volkomen
hersteld. Toch had het voorgevallene bij Reinier een zekere vervreemding
bewerkt, die hij gaandeweg al minder te verbergen wist.
Jakobs voortdurend bijzijn, gepaard met dien vrijmoedigen omgang waar
hun vriendschap recht op gaf, begon de jonge wachtmeester met den dag
meer te gevoelen als iets hinderlijks, iets dat hem belemmerde in zijn
gedragingen, terwijl aanhoudend de vrees hem verontrustte, dat die
familjare omgang nadeel doen mocht aan het ontzag, dat zijn overige
manschappen toch voor hem dienden te hebben.
Voor Jakob Stargardt kon het natuurlijk niet verborgen blijven, dat
Reinier steeds gedwongener jegens hem werd, en daar het niet in zijn
karakter lag om zich ook in 't minst maar op te dringen, werd hun
omgang, schoon naar het uiterlijk nog precies dezelfde gebleven, toch
gaandeweg al minder vertrouwelijk.
Na met korte dagmarschen van dorp tot dorp getrokken te zijn, kwamen de
troepen waartoe ze beiden behoorden, in en om Koningsbergen in kwartier.
Hun regiment zou weldra worden ingedeeld bij het derde legercorps, onder
maarschalk Ney. Te Nogarisky moest dit corps zich met de regimenten van
den Koning van Napels, Davoust, Bessières en Oudinot vereenigen, waarna
deze verzamelde legermacht onder de persoonlijke leiding van Napoleon
zou komen te staan.
De bierbrouwerijen en herbergen in de stad waren aanhoudend overvuld van
militairen en dit jongste legernieuws werd er dus overal levendig
besproken.
Reinier Vermaat zat met een groepje van andere onderofficieren voor
de »_Bonte Os_." Ook oudgedienden waren daar bij, aan de hachelijkste
omstandigheden gewoon, kerels die door niets meer werden afgeschrikt.
Men herkende ze dadelijk aan hun krijgshaftige houding en aan hun
gesprekken. Zij hadden geen herinneringen dan aan den oorlog, voor hen
was geen toekomst dan in den krijg; over niets anders spraken zij.
Tegenover de jongeren snoefden die gebronsde kerels over hun groote
daden in den slag bij de Pyramiden, dien van Marengo, van Austerlitz,
van Jena of Friedland, zij stroopten hun mouwen op of ontblootten hun
breede borsten om te pronken met de litteekens hunner wonden; en daar
zij intusschen met woord en daad voortdurend tot drinken aanspoorden,
werden ook de nieuwelingen hoe langer hoe opgewondener.
»Neen, dit," zeiden de oude ijzervreters, »werd een veldtocht, grooter
dan zij ooit beleefd hadden!" De goede uitslag er van scheen zeker; het
zou een militaire marsch wezen tot aan Petersburg en Moscou toe. Nog
déze poging, en alle krijg zou misschien voor goed geëindigd zijn; dit
was een laatste gelegenheid, meenden zij, om zich nog eens roemvol te
onderscheiden.
Een der nieuwelingen verklaarde dat hij, om de risico van den krijg,
toch net zoo lief van deelname aan dezen veldtocht verschoond was
gebleven.
»Och wat," zei een grijze snorrebaard, »dacht je dan, dat je daardoor
aan den oorlog ontkomen zou? Die is immers overal! Wees dus liever blij,
dat je zoo'n buitenkansje hebt! Want slagveld of slagveld, dat is lang
niet onverschillig! In Rusland zal de Keizer zèlf het bevel voeren,
terwijl je in een ander land wel voor dezelfde zaak, maar onder een
ander opperhoofd zou moeten strijden. En het is genoeg bekend, dat
Napoleon nu eenmaal zijn gunsten het overvloedigst uitdeelt aan _die_
soldaten, wier roem aan _zijn_ roem herinnert.
Vooral jij, Vermaat," wendde hij zich nu meer in 't bijzonder tot
Reinier, »moogt wel van geluk spreken. Kijk, _wij_ zijn maar domme
kerels, die als kind niets geleerd hadden, maar help eens kijken, _jij_
zult fortuin maken in dezen veldtocht! Als majoor zie ik je nog terug
komen! Nu ja,--mits je moedig bent natuurlijk!"
Reinier's ijdelheid was niet weinig gestreeld. Hij verklaarde, dat het
hem aan moed niet zou ontbreken. Daarop liet hij, op zijn kosten, de
glazen nog eens vullen en hield een opgewonden toost op den roem en den
voorspoed van het Groote Leger, die met daverende toejuichingen werd
beantwoord.
Juist in dit oogenblik kwam Jakob uit de verte aan.
»Daar komt je trouwe vriend, de timmerman!" zei een der jonge
onderofficieren plagend.
»Hm!... Vriénd?!" zei Reinier, »nou ja, omdat we vroeger kennissen
waren loopt hij me nog altijd na als een hondje..."
»Begrijpt zoo'n jongen dan niet, dat jullie verhouding nu toch heel
anders geworden is," vroeg een tweede.
Reinier, geërgerd, haalde de schouders op.
»'t Schijnt van niet!" zei hij kregel.
»Maar dan zou ik zelf daar toch een eind aan maken!" adviseerde een
ander. »Hij zou je waarachtig zijn kameraadschap nog wel kunnen
opdringen als je al lang en breed majoor was!"
Daar had Jakob eindelijk Reinier in 't oog gekregen, die zich echter
hield, of hij hem in 't geheel niet zag.
Jakob Stargardt had juist een brief met de veldpost ontvangen, een brief
van zijn moeder, waarin ze hem meldde, dat zij marketentster geworden
was en zich voorloopig bij de voortrukkende Westfaalsche troepen had
aangesloten, maar toestemming bezat, om zoo spoedig mogelijk bij het
elfde regiment huzaren, _zijn_ regiment, over te gaan. Al binnen enkele
dagen konden zij dus reeds bij elkander wezen.
Jakob brandde van begeerte om die heugelijke tijding zoo gauw mogelijk
aan Reinier mee te deelen. Wel was hun vriendschap niet meer dàt, wat
zij te voren was geweest, maar toch gingen zij nog veel te dikwijls met
elkander om dan dat hij zijn heerlijk nieuws niet in de eerste plaats
aan Reinier zou verteld hebben.
Nauwelijks kreeg hij dezen dus in 't oog, of hij stapte haastig op hem
toe, vol blijdschap vertellend, waar hij zelf zoo vol van was.
Reinier zag hem spottend aan:
»Ei zoo, had het jongentje soms gevraagd of zijn moesje op hem wou komen
passen?" vroeg hij ironisch. »En zal moesjes schort nu straks de kogels
voor hem moeten opvangen?"
Hij had meer gedronken dan hij verdragen kon en zei nu woorden, die hij
zich in normalen toestand zou geschaamd hebben.
Jakob werd rood van verontwaardiging.
»Bah, wat laag, wat vreeselijk laag van je," riep hij driftig, »om
mij als een lafaard voor te willen stellen, die bloôhartig de kogels
ontvluchten zou! Want zoo iemand, dan moest _jij_ beter weten!"
Hij doelde op het feit, dat hij indertijd zichzelf in de plaats van zijn
vader had aangeboden.
»'t Is waar, ik vergat een oogenblik dat het bij jullie een soort van
familiekwaal lijkt, om zich te laten doodschieten--al is het dan ook
maar wegens majesteitsschennis!..."
't Werd eensklaps doodstil. Allen begrepen, dat een van Jakob's
bloedverwanten wegens majesteitsschennis gefusilleerd moest zijn en hem
dit nu op de meest grievende wijze werd herinnerd. De gezichten, zoo
even nog glinsterend van opgewektheid en genoegen, waren alle strak en
ernstig.
De armen over elkaar gekruist, doodsbleek, met vlammenden blik, stond
Jakob Stargardt tegenover zijn beleediger, als een onheilspellende
verschijning, die eensklaps uit den grond was opgerezen. Enkele schreden
verder stond een oude huzaar, die met Jakob opgeloopen was en tot
hetzelfde escadron behoorde. 't Was een brave, oppassende kerel, maar
zóó gering van aanleg, dat hij het, spijt al zijn dienstjaren, nooit
verder dan gewoon soldaat had kunnen brengen. Maar zoo klein zijn
verstand mocht wezen, zoo nobel was zijn inborst. Die oude krijger zag
dan ook even bleek als zijn jeugdige makker. Zwervend en onrustig ging
zijn blik; want evenals al de aanwezigen duchtte ook hij ieder oogenblik
een uitbarsting.
»Kom!"--zei de oude huzaar, Jakob bij de mouw trekkend,--»kom,--we
moeten weer naar ons kwartier!"
Maar Jakob verroerde zich niet en zag Reinier nog altoos woest-dreigend
aan.
Reinier was eerst onthutst: maar hij herstelde zich spoedig en eveneens
de armen kruisend, mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden
blik.
»Wat wil je?" vroeg hij barsch.
»Wat ik wil," antwoordde Jakob schijnbaar kalm, »is licht te begrijpen;
wat elk ander soldaat je in mijn plaats vragen zou: Een kans om mij te
wreken!"
»Het spijt me," antwoordde Reinier met een sarrend-hatelijk lachje, »dat
ik je die voldoening niet geven mag, maar een wachtmeester duëlleert nu
eenmaal niet met zijn minderen."
»Welnu dan, ik zweer je, dat ik met mijn eischen bij je terug zal komen,
meneer de wachtmeester, al is het ook over twintig jaar!"
»Dan ben _ik_ generaal en _jij_--timmermansbaas!" zei Reinier spottend.
»We zullen dus moeilijk met elkander tot vereffening kunnen komen."
»Of _ik_ ben majoor en jij nog niet: Ik zal dan evenwel minder
hooghartig wezen dan jij. Wees in ieder geval verzekerd, dat uitstel
geen afstel is: Binnen een jaar zijn we gelijk in rang en dàn--geloof
me, dan zal ik je toonen met wien je te doen hebt!"
Reinier Vermaat werd woedend van schaamte en ergernis. Hoe grievend hij
Jakob ook had bejegend, zijn ijdele inborst kon niet dulden, dat hij
als een schuldige tegenover een »mindere" stond,--en vooràl niet,
dat die mindere hem zijn schuld zoo vernederend deed gevoelen in
tegenwoordigheid van mannen wier achting hij zoozeer op prijs stelde.
»Huzaar Ros!"--beval hij den oudgediende met wien Jakob gekomen
was,--»breng den kerel onmiddellijk in arrest!"
»Dank u, wachtmeester," antwoordde de brave krijgsman,--»ik heb geen
lust om een kameraad te arresteeren, alleen omdat zijn chef hem
beleedigde en hij de vrijmoedigheid had, hém dat te verwijten. U kunt
me straffen zoo zwaar u wil, maar een schelm hoop ik nooit te worden!"
Hij maakte rechts-omkeert en wilde gaan.
»Wacht, Ros, ik ga met je mee," zei Jakob, »ik zal me zelf in arrest
begeven; wachtmeester Vermaat, tot ziens!"
»Dat zal ik je beiden inpeperen!" gromde Reinier, bleek van wraakzucht.
[Illustratie: ... mat hij den verontwaardigden jongeling met tergenden
blik.]
Maar tot zijn spijt werd hij reeds den volgenden morgen naar een nog
onvolledig regiment overgeplaatst.
Achtste Hoofdstuk.
De opmarsch.
Moeder Jane had zich bij het regiment van haar zoon aan kunnen sluiten,
nog vóór dit Koningsbergen verliet, maar reeds den 22sten Juni lag
geheel het Fransche leger op den linkeroever van den Niemen.
Napoleon, die tot hiertoe in een rijtuig gezeten had, wierp zich 's
morgens om twee uur in het zadel, om dien Russischen grensstroom te
verkennen. Toen hij aan de rivier kwam, struikelde eensklaps zijn paard
en wierp hem in het zand.
»Een slecht voorteeken!" klonk het. »Een Romein zou terug keeren!"
Of hij zelf het was of iemand van zijn gevolg, die deze woorden sprak,
is niet bekend.
Napoleon echter steeg kalm weer te paard om zijn onderzoek voort te
zetten.
Toen de verkenning afgeloopen was beval hij, dat er tegen het vallen
van den avond drie bruggen over de rivier zouden gelegd worden. Daarop
begaf hij zich naar zijn legerplaats, waar hij den geheelen dag nu eens
in zijn tent, dan weer in een Poolsch huis doorbracht, machteloos
neerliggend onder de zwoele, drukkende hitte en vergeefs naar rust
zoekend.
Zoodra de avond echter gevallen was naderde hij opnieuw de rivier, waar
sappeurs reeds met het leggen der bruggen waren begonnen. Drie
compagnieën soldaten moesten hen beschermen.
Eenige sappeurs steken met een schuitje de rivier over. Tot hun
verwondering komen zij zonder hindernis aan den Russischen oever. Alles
is rustig op dien vreemden grond, dien men hun als zoo dreigend heeft
afgemaald.
Spoedig echter zien zij een kozakkenofficier aan het hoofd eener kleine
patrouille. Hij is alleen, hij schijnt zich in vollen vrede te wanen en
niet te weten, dat geheel Europa gewapend tegenover hem staat. Hij
vraagt aan de vreemdelingen wie zij zijn.
»Franschen!" antwoorden zij hem.
»Frànschen?!" vraagt de Officier. »Maar wat komt ge dan in Rùsland
doen?"
Een der sappeurs zegt hem op barschen toon:
»U beoorlogen! Wilna innemen! Polen bevrijden!"
Zonder eenig antwoord te geven wendt de kozakkenofficier zijn paard en
rent met de zijnen het bosch in, waarop drie sappeurs, in overdreven
ijver, hun geweren lossen.
Zoo werd het zwak gerucht van drie schoten, welke onbeantwoord bleven,
het sein, dat er een nieuwe veldtocht geopend en een groote vijandelijke
inval begonnen was.
Een compagnie soldaten kreeg terstond bevel de rivier over te varen, om
de plaatsing der bruggen te beschermen.
Weldra kwamen al de Fransche colonnes uit de bosschen en van achter
de heuvelen te voorschijn. Zij trokken, begunstigd door een dichte
duisternis, stilzwijgend tot bij de rivier. Geen wachtvuren mochten
ontstoken, geen vonken zelfs gezien worden. De groene en door een zwaren
dauw bevochte rogge strekte de menschen tot bed, de paarden tot voedsel.
't Was de eerste keer dat Jakob Stargardt, evenals zoo menig ander jong
soldaat, in de open lucht, en dat zonder bivakvuur, zou vernachten.
Hij bleef aarzelend nog wat staan.
»Leg je hoofd maar gerust op je ransel neer, kameraad!" zei Ros, »je
bent jong en sterk, het zal-je geen kwaad doen."
Jakob deed het, en onderwijl was het hem aangenaam te bedenken, dat ten
minste zijn moeder in haar wagen een vrij wat beter nachtverblijf had.
Maar och, wat zou zoo'n enkele slechte nacht, meende hij, als over
weinige uren de zon toch al weer opging.
Zoodra de dag aanbrak, richtte hij zich op en tuurde de rivier over,
naar het Russische grondgebied. Hij zag niets dan somber-donkere wouden
en kaal, dor zand. Op een driehonderd schreden van de rivier ontdekte
hij de tent van den Keizer, die men in den nacht op den hoogsten heuvel
geplaatst had. Daaromheen zag hij alle heuvelhellingen en dalen bedekt
met menschen en paarden, die plotseling in beweging kwamen nu de
reveille klonk.
Moeder Jane stond met tal van anderen--kooplieden, marketentsters en
zoetelaars,--alle tot den nasleep van het leger behoorend, op een
heuveltop naar de eerste bewegingen van de groote armée te kijken.
Zij zag een luisterrijken stoet van maarschalken en generaals Napoleons
tent omstuwen... Daar trad de Keizer zelf naar buiten... Hij groette en
besteeg zijn Arabischen schimmel...
Dan weerklonk het sein... Opeens was het of de gansche landstreek woelde
en golfde... En boven die bewegende donkere massa's flikkerden en
wemelden de wapens in de gloeiende morgenzon als flitsende stralen en
spattende zilvervonken...
Arm Rusland! dacht moeder Jane bij den aanblik van die ontzettende
strijdkrachten.--In drie breede stroomen zag zij den zwarten vloed
over de gele zandvlakte naar de drie bruggen voortrollen... Zij zag ze
kronkelend naar den oever afdalen, de bruggen naderen, zich uitstrekken
en inéénkrimpen om die over te gaan en eindelijk den vreemden grond
bereiken, dien zij gingen verwoesten en verderven.
Napoleon haastte zich, om den voet op vijandelijken bodem te zetten.
Zonder aarzelen deed hij dien eersten stap tot zijn verderf. In het
begin hield hij zich dicht bij de bruggen op, de soldaten met zijn
tegenwoordigheid aanmoedigend, die hem, als steeds, begroetten met hun:
»Leve de Keizer!"
Eindelijk werd hij ongeduldig en rende het bosch in, maar schoon hij er
meer dan een mijl ver in dóórdrong--tot zijn verwondering zag hij geen
vijand.
Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort; met een zekere
beklemdheid spraken de soldaten over het zonderlinge feit, dat hun die
voortgang in 't minst niet door den vijand betwist werd.
»Daar hoor ik in de verte toch kanonschoten," zei Jakob tegen Ros, die
naast hem reed.
De oude krijgsman luisterde...
Opnieuw klonk een dof gedreun...
Ros schudde het hoofd: »Dat zijn geen kanonnen," zei hij, »maar een
opkomend onweer."
Inderdaad werd de lucht met ieder oogenblik duisterder. Donder en
bliksem volgden weldra elkander rusteloos op, tot ontsteltenis van vele
soldaten, die van »een slecht voorteeken" begonnen te mompelen.
Het duurde niet lang, of de zwaarbetrokken lucht ontlastte zich in
een geweldigen plasregen. Wegen en velden werden overstroomd en de
ondraaglijke hitte werd eensklaps vervangen door een onaangename koude.
De Keizer zocht een schuilplaats in een naburig klooster. Maar de arme
soldaten waren zonder eenige beschutting aan het vreeselijke weer
blootgesteld. Tienduizend paarden en vele menschen kwamen bij de daarop
volgende marschen om, tal van voertuigen bleven in het zand zitten.
Trouwens, door zijn vervaarlijke menigte reeds, was het Groote Leger
verderfelijk voor zichzelf. Verscheidene behoeften vonden geen
bevrediging. Al bij het bezetten der eerste stad, Kowno, heerschte
gebrek aan levensbenoodigdheden en toen Napoleon de veste binnentrok,
vond hij er de grootste wanorde.
Dit gebrek en die wanorde vermeerderden, naarmate de Keizer dieper
doordrong. Hij ondervond, dat het Russische volk, wild en woest als
Rusland zelf, den oorlog beschouwde als een heilige zaak, waarvoor het
alles moest opofferen om zijn tegenpartij te verdelgen. Overal ontmoette
hij asch en puinhoopen, in plaats van kwartieren om uit te rusten;
overal honger en ziekten, in plaats van den buit en den roem, dien hij
verdeelen wilde.
Zich alleen tot verdediging hunner strijdkrachten beperkend, trokken de
Russische veldheeren Barclay de Tolly en Bagration van de eene stelling
naar de andere. Nergens vonden de Franschen levensmiddelen! allen
voorraad had de vijand zorgvuldig vernield, onderwijl hij aanhoudend
achterwaarts trok.
Daar was voor het Fransche leger iets onheilspellends in, dat ze in het
vijandelijke land nergens een vijand vonden. Napoleon had gehoopt, dat
de Russen hem ten minste Wilna zouden betwist hebben; maar hij vond de
stad open en onverdedigd.
In Pruisen had de Keizer zijn leger slechts voor twintig dagen
levensmiddelen doen meenemen. Dat was genoeg om Wilna met één veldslag
te winnen; maar Wilna behóefde niet veroverd te worden. En--voorwaarts
ging het weer, met snelle marschen den vijand achterna, zoodat de
onafzienbare toevoer van levensmiddelen onmogelijk kon volgen.
Uitgehongerd kwamen de soldaten aan kasteelen en woningen, waar ze geen
voedsel vonden en die ze uit wraak verwoestten en uitplunderden. Ja er
waren er reeds, die door zelfmoord een eind aan hun leven maakten. En
toch moest het leger maar immer voort...
Als wilden de Russen Napoleon's verlangen om tot een beslissenden strijd
te komen prikkelen, hem dieper naar het hart van Moskovië lokken,
streelden ze hem soms met de hoop op een veldslag, doch wanneer Napoleon
den volgenden morgen den vijand zocht, was hij in de duisternis van den
nacht weer verder getrokken.
Niet dan te Smolensk hielden de Russen stand, waar zij de versterkte
stad bezetten. Den 17den Augustus werd zij krachtig door de Franschen
aangegrepen. Hevige aanvallen volgden en werden besloten met een
vernielend bombardement, hetwelk tot in den nacht aanhield.
Napoleon zat voor zijn tent.
Plots zag hij op verscheidene punten dikke en zwarte rookwolken
opstijgen... Zij werden, bij tusschenpoozen, door flauwe schijnsels en
daarna door vonken verlicht... Eindelijk stegen er hooge vuurkolommen
van alle kanten op... Het was als een menigte van verschillende groote
branden... De Keizer zag dit afgrijzelijk schouwspel met somber
stilzwijgen aan... Dat kon onmogelijk de uitwerking der granaten zijn...
Langzamerhand vereenigden zich die onderscheidene branden tot één groote
vlam, die zich kronkelend ten hemel hief en heel Smolensk als in zich
opnam: Er was geen twijfel meer aan of de Russen zelf hadden Smolensk,
de Heilige stad, in brand gestoken.
Omstreeks drie uur in den morgen sloop een onderofficier van Davoust tot
aan den muur en waagde het, dien voorzichtig te beklimmen. Aangemoedigd
door de stilte die er rondom hem heerschte, drong hij dieper de stad in.
Zij bleek ledig en door de Russen verlaten.
Nadat de Keizer hiervan kennis gekregen had rukte het leger op zijn
gewone wijze de poorten binnen: met krijgsmuziek en oorlogspraal trok
het over de rookende en bloedige ruïnen voort; zegevierende over die
verlaten puinhoopen en slechts zichzelf tot getuige hebbend van zijn
roem. Schouwspel zonder aanschouwers, overwinning bijna zonder winst,
bloedige roem, waarvan de rook die het Fransche leger omringde, het
treffendste zinnebeeld was.
Weer bleek dus de beslissende veldslag, dien Napoleon zoo vurig
begeerde, hem als een schaduw ontglipt.
Barclay, die in den nacht den weg naar Moscou was ingeslagen, werd
echter door maarschalk Ney achterhaald. De Russen begrepen, wilden zij
een veiligen aftocht hebben, dat hun achterhoede diende stand te houden,
daar anders de Franschen hun den pas zouden afsnijden.
Bij Walutina had daarop een treffen plaats. Napoleon hield het er
voor, dat het niet meer dan een schermutseling worden zou. Hij zond
den maarschalk dus enkel generaal Gudin ter hulp, terwijl hij zelf
binnen Smolensk bleef. Maar de schermutseling werd een kleine veldslag.
Achtereenvolgens werden er van weerskanten dertig duizend man in
betrokken. Vreeselijk was de verwoedheid, waarmee men aan beide zijden
vocht en waaraan zelfs de invallende duisternis geen eind maakte.
Eindelijk meester van de bergvlakte en uitgeput van bloedverlies,
gaf Ney, die zich door dooden en stervenden omringd zag, bevel om met
schieten op te houden. De Russen maakten van de duisternis van den nacht
gebruik, om hun aftocht te bewerkstelligen. Zij oogstten evenveel roem
met dien aftocht in, als de Franschen met hun zegepraal: want geen
enkelen gewonde, geen enkel stuk geschut lieten zij achter.
Gudin werd zwaar gekwetst binnen Smolensk gebracht, waar hij, ondanks de
zorgen des Keizers, weldra aan zijn wonden stierf. De overwinning bij
Walutina was duur gekocht.
Den volgenden dag verscheen Napoleon zelf op het slagveld. Hij vond
er de soldaten van Ney en die van de afdeeling Gudin, geschaard bij de
lijken hunner makkers en die der Russen, omringd door half afgebroken
boomen, op een door de strijders platgetreden en door kanonkogels
geploegden grond, overdekt met overblijfsels van wapens, verscheurde
kleederen, militaire gereedschappen, omvergeworpen wagens en verspreide
ledematen. Want dit zijn de zegeteekenen van den oorlog! dit is de
schoonheid van het veld der overwinning!
De bataljons van Gudin schenen niet veel meer dan pelotons te zijn; zij
toonden zich echter te hoogmoediger naar zij te meer verminderd waren;
bij hen ademde men de lucht nog in der afgeschoten patronen en van het
kruit, waarvan de grond doordrenkt, waarvan hun kleeren doortrokken en
hun gezichten nog geheel zwart waren. De keizer kon hun gelederen niet
langs gaan, zonder lijken te vermijden, of over te stappen; door de
hevigheid van den schok bij den aanval, waren verscheidene bajonetten
gekromd.
Maar al deze afgrijselijkheden bedekte hij met roem. Zijn erkentenis
herschiep dit veld des doods in een veld van zegepraal, waar, gedurende
eenige uren, slechts aan roem en voldane eerzucht werd gedacht.
Hij gevoelde, dat het tijd was om zijn soldaten met zijn woorden
en belooningen op te monteren. Nooit waren dan ook zijn blikken
vriendelijker geweest; in zijn toespraak noemde hij dit gevecht het
schoonste wapenfeit uit Frankrijks militaire geschiedenis; de soldaten,
die hem aanhoorden, waren mannen, met wie men de wereld kon veroveren;
de gesneuvelden heetten oorlogshelden, die een onsterfelijken dood
gestorven waren. Aldus sprak hij, wel wetend dat, in het midden van die
verwoesting, woorden over onsterfelijkheid indruk zouden maken.
Glansrijk waren de belooningen, welke hij daarop uitdeelde.
Zeven-en-tachtig bevorderingen en eereteekenen ontvingen de troepen van
Gudin; het 127ste regiment dat nog geen standaard had, omdat men zijn
vaandels op het slagveld moest verdienen, kreeg er een; eigenhandig
reikte de Keizer het over. Ook het corps van Ney werd bedacht.
Jakob Stargardt, wiens regiment tot dit legercorps behoorde en die te
Wilna reeds korporaal geworden was, ontving den graad van wachtmeester.
Thans stond hij met Reinier Vermaat dus gelijk in rang; thans zou zijn
beleediger, wanneer hij dezen nog eens ontmoeten mocht, het recht niet
langer hebben hem zijn eisch te ontzeggen.
Maar op 't oogenblik dacht Jakob Stargardt daar slechts vluchtig aan:
Ondanks zichzelf was de jonge Hollander door de eerzucht-prikkelende
toespraak des Keizers, diens erkentelijkheid jegens zijn dapperen, den
vorm vooral waarin zij werd geopenbaard, geheel onder de betoovering van
Napoleons machtige persoonlijkheid gekomen.
De Keizer toch wist aan zijn belooningen, op zichzelf reeds groot, nog
een hoogere waarde te geven, door de wijze waarop hij ze verleende:
Hij liet zich achtereenvolgens van ieder regiment omringen als van een
familie. Dan sprak hij met luider stem de officieren, onderofficieren
en soldaten aan, hun naar de dappersten uit al die dapperen vragend om
die terstond te kunnen beloonen. De officieren wezen aan, de soldaten
bevestigden, de Keizer keurde goed: aldus werden de verkiezingen
oogenblikkelijk gedaan en met toejuichingen door de troepen bevestigd.
Deze vaderlijke manieren, ze verrukten Jakob. Bovendien, nooit leverde
een veld van overwinning een schouwspel op, dat meer geschikt was om
in geestdrift te brengen: het geschenk van dien zoo wèl verdienden
standaard, de praal van die bevorderingen, de vreugdekreten, de roem
van die oorlogshelden, welke op de plaats zelf, waar hij behaald was,
werd beloond, dat alles te zamen bracht Jakob Stargardt in een wondere
geestvervoering.
Maar die bedwelming hield spoedig op, toen de troepen van Ney weer
naar Smolensk terug keerden. De weg toch werd hun bemoeilijkt door
de tallooze overblijfselen van het gevecht; telkens ondervonden zij
vertraging door de lange reeksen van gewonden, die zich voortsleepten of
stadwaarts werden gedragen; en in Smolensk zelf ontmoetten zij karren
vol afgezette ledenmaten, welke men ergens buiten de stad ging
wegwerpen.
Al die afgrijselijkheden van den oorlog ontnuchterden, bedroefden, ja
verbitterden hem. Smolensk was slechts een reusachtig hospitaal en het
hevig gekreun dat er uit opsteeg was sterker dan de jubelkreten om den
behaalden roem, die in de velden van Walutina waren opgegaan.
Door zijn moeder, die een half verwoest huis tot cantine had ingericht,
werd hij met ontstuimige blijdschap ontvangen. Zij had reeds gehoord,
dat er den vorigen dag bloedig gevochten was en ieder oogenblik
gevreesd, het bericht van zijn dood te vernemen.
't Was er druk, in de cantine van moeder Jane, maar de kortstondige
opwinding over de zegepraal bij Walutina was reeds voorbij en schier
over niets werd gesproken dan over de ellende van het leger.
»Mijn compliment, moeder Jane," zei de oude Ros: »dat is andere
brandewijn dan het bocht, dat ze hier te lande stoken."
»Geen wonder," zei een grenadier, »ze stoken het uit graan, met
verdoovende planten vermengd. 'k Heb jonge soldaten gezien, totaal òp
van honger en vermoeienis, die dachten dat dit goedje hen weer wat zou
opmonteren. Maar wat wàs het? Krek de laatste fut ging er nog uit en
slap, als verlamd, vielen zij neer."
»Dat waren dan misschien nog de matigsten,--of de zwaksten!"--zei Ros.
»Ik heb er ten minste gezien wie dat ontuig nog vrij wat slechter
bekwam. Ze kregen oogenblikkelijk duizelingen, of raakten zóó verdoofd,
dat ze niet meer stáán konden zelfs! In greppels en aan den wegkant
gingen zij zitten, totaal versuft... En dan zàg je als 't ware de dood
over ze komen... zoo in ééns maar, zonder gekreun, zonder een zucht....
ffúút!!.... 't was gebeurd!..."
Toen kwam het gesprek op het groot aantal gekwetsten.
»Eén ding helpt," zei de grenadier: »er is hier ten minste geen gebrek
aan hospitalen, zooals in Wilna."
»Neen," bevestigde moeder Jane, »vijftien steenen gebouwen, die niet
verbrand waren, hebben ze daarvoor ingericht; zelfs Fransche brandewijn,
wijn en geneesmiddelen zijn er gevonden..."
»Nu ja, dat mag zoo wezen," meende een lansier, »maar toch is er van
niets genoeg! Zóóveel geblesseerden, daar is dan ook geen helpen aan! De
wondheelers werken dag en nacht door, maar verbeeld je, met den tweeden
nacht al was er niets meer over om de gekwetsten te verbinden! In plaats
van linnen gebruikten ze toen maar de perkamenten uit de archieven tot
spalken en verbanden; en als pluksel namen zij uitgeplozen touw."
»En dan moet je nog weten," zei een korporaal die juist binnen gekomen
was, »dat ze een geheel hospitaal drie dagen lang vergeten hadden!
Toevallig heb ik het van morgen ontdekt, doordat ik van 't eene
hospitaal in het andere naar een vermisten vriend liep te zoeken.
Eindelijk vond ik hem dáár, half uitgehongerd, te midden van stervenden
en dooden, in een afschuwelijken stank. Aan maarschalk Rapp, dien ik
toevallig tegenkwam, heb ik dadelijk mijn ontdekking verteld en toen is
er onmiddellijk verpleging gekomen. De Keizer stuurde zelfs zijn eigen
wijn, om onder die ongelukkige stakkers uit te deelen, voor zoover ze
ten minste nog niet bezweken waren."
»'t Is de ellendigste oorlog dien ik ooit meegemaakt heb," zuchtte Ros:
»Lijken en gewonden bij duizenden en toch geen enkele groote veldslag!"
»Neen," gromde een andere oudgediende, »we hebben nog niets veroverd dan
verbrande en leeggeplunderde steden en dorpen. Van buit is geen sprake!
We bezitten op 't oogenblik niets dan wat we zelf hebben meegebracht!"
»Maar als we dan tòch alles uit Frankrijk naar Rusland moesten sleepen,"
zei de grenadier, »waarom ons dan maar niet liever in Frankrijk
gelaten?"
»Acht honderd mijlen hebben ze ons nu al af laten leggen," verklaarde de
korporaal; »en dat waarvóór? Om ten leste niets anders te vinden dan
modderig water, hongersnood en bivakken op asch en puin!"
In dien geest werd niet enkel in de cantine van moeder Jane, maar schier
overal onder de soldaten geprutteld.
Doch ook verscheidene generaals waren reeds ontevreden.
»Wat geeft het," morden zij, »dat de Keizer ons rijk gemaakt heeft, als
we er tòch geen genot van kunnen hebben; dat hij ons uitgehuwd heeft,
als we verwijderd van onze vrouwen moeten leven; dat hij ons paleizen
heeft geschonken, als we toch ver van ons land, op den blooten grond
moeten huizen en vernachten? Welhaast zal Europa niet meer voldoende
zijn voor zijn heerschzucht en zal hij ons naar Azië laten trekken!"
Napoleon zelf was al evenmin goed gestemd.
Op het slagveld scheen de vervoering zijner soldaten hem te hebben
meegesleept. Doch van Walutina weer naar Smolensk terugkeerend onder een
steeds drukkender hitte, terwijl zijn rijtuig door het schrikwekkend
aantal gewonden slechts langzaam voort kon gaan, was spoedig de
ontgoocheling gevolgd. Toen hem daarop weldra bleek, dat het Russische
volk, door zijn overheden en priesters misleid, den brand van Smolensk
aan hèm toeschreef en overal met het wijkende leger meevluchtte, begon
de Keizer te weifelen in zijn besluit, om den veldtocht voort te zetten.
Doch de hoop, door de verovering van Moscou Keizer Alexander tot den
vrede te dwingen, dreef Napoleon, na een verblijf van zeven dagen, ook
weer uit Smolensk, verder en verder, zijn verderf te gemoet.
Moeilijk bleek de weg, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging
in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten, welke het Fransche
leger thans door moest. Ontzettend was dan ook de ellende, geleden door
mensch en dier. En dan de steden die werden gepasseerd! Ze bleken alle
grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen
veranderd.
Toch werd de marsch onafgebroken voortgezet, en tegen den 5den September
naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht het dorp Borodino, aan
den grooten weg naar Moscou.
Alles wees er op, dat het hier eindelijk tot een grooten slag zou komen.
Bij het Russische volk had de oorlog, zooals Alexander's veldheeren
dien voerden, een algemeene ontevredenheid verwekt. Het welberekend
terugtrekken kwam de menigte voor als een smadelijke, doemwaardige
vlucht, inzonderheid omdat daardoor de heilige stad Moscou van dag tot
dag grooter gevaar liep, den vijand in handen te vallen. Om het volk tot
nog grootere opofferingen bereid te maken, snelde Keizer Alexander zelf
naar de Czarenstad en sprak van het Kremlin zijn verzamelde onderdanen
toe, die, door zijn treffende woorden ontvlamd, de duurste eeden
zwoeren, dat zij alles geven, alles verlaten, alles ten offer brengen
zouden om »den tiran der volken en van den godsdienst" te vernietigen.
Tegelijkertijd werd de oude veldmaarschalk en lieveling des volks,
de sluwe en vaderlandslievende Kutusof met het legercommando belast,
daar Barclay de Tolly het algemeen vertrouwen had verloren. Kutusof
gehoorzaamde de stem der natie en van zijn Keizer en besloot, ten einde
Moscou te behouden, een veldslag te wagen. Bij Borodino zouden alzoo de
Russen, met den moed der vertwijfelde vaderlandsliefde, den toegang tot
hun hoofdstad verdedigen. Langs de steile hellingen van het riviertje
dat zich door het landschap kronkelde, tegen de heuvelranden, tusschen
de boomgroepen en in de vlakte, overal wierpen zij hun verschansingen op
en maakten zich tot verdediging tegen den aanval der Fransche armee
gereed.
De veldslag die hier den 7den September plaats had, was dan ook een der
bloedigste in de gansche wereldgeschiedenis.
Negende Hoofdstuk.
Afgunst en wrok.
Napoleon had de overwinning behaald. Maar welk een overwinning! Te duur
gekocht, om zoo onvolledig te zijn. In de naaste omgeving des Keizers
betreurde ieder den dood van een vriend, een bloedverwant, een broeder:
want de aanzienlijksten waren gevallen. Drie-en-veertig generaals waren
gesneuveld of gekwetst. Meer dan zeventigduizend man van beide kanten,
dood of gewond, bedekten het slagveld. Op de veroverde schansen lagen
meer dooden dan er levenden stonden. Allen die de Keizer bij zich had
laten roepen, hoorden hem over de overwinning spreken--en zwegen. Maar
hun houding, hun naar den grond gerichte oogen, hun stilzwijgen waren
niet sprakeloos.
De Russen bleken in den nacht te zijn afgetrokken. Kutusof was tot de
inzichten van Barclay overgegaan en had de verdediging van Moscou
opgegeven, overtuigd dat de oude Czarenstad het graf van het Fransche
leger worden zou en dat hij heel wat bloed zou gespaard hebben, wanneer
hij van den aanvang af Barclay's raad gevolgd had.
Den volgenden morgen bezocht Napoleon het slagveld. Nooit wellicht was
er een, dat afgrijselijker gezicht opleverde. Alles liep te zamen: een
donkere lucht, een koude regen, een hevige wind, de omliggende woningen
in asch, een verwoeste vlakte bedekt met overblijfselen en puin, aan den
gezichteinder het sombere groen der denneboomen, overal soldaten die
tusschen de lijken dwaalden en eenig voedsel zochten, tot zelfs in de
ransels hunner gesneuvelde metgezellen; doodsche bivakken; geen gezang
meer, geen verhalen; een treurige stilzwijgendheid.
Bij de monstering zijner troepen zag de Keizer het overschot der
officieren en onderofficieren en eenige soldaten rondom de standaarden,
nauwelijks genoeg om het vaandel te beschermen. Hun kleeren waren met
bloed bevlekt, verscheurd door de verwoedheid van den strijd en zwart
van den kruitdamp. Een enkele maal hoorde men het oude »Leve de
Keizer!"--; echter zeer zeldzaam en zonder gloed.
In en bij de schansen lagen de dooden op hoopen! Men begon de gekwetsten
op te nemen en ze te vervoeren naar het groote klooster van Kolotskoï.
Er waren er twintig duizend. Men vond ze vooral in de diepten der droge
stroombeddingen, in welke de meeste der Franschen waren neergestort en
waar verscheidene zich naar toe gesleept hadden om meer beveiligd te
zijn voor den vijand en voor de stormvlagen. Sommigen spraken kermend
den naam van hun vaderland uit of van hun moeder; dit waren de jongsten.
De oudsten wachtten den dood met een gevoelloos of stuiptrekkend gelaat,
zonder te klagen of om hulp te roepen; anderen verzochten, dat men hen
oogenblikkelijk doodde; maar men ging die ongelukkigen haastig voorbij,
terwijl men noch het nuttelooze medelijden had hun bijstand te bieden,
noch het wreede mededoogen hen af te maken.
De opperste heelmeester, dokter Larray, had uit alle regimenten
helpers betrokken. De veldhospitalen waren aangekomen, maar alles
was ontoereikend. Daarbij had hij hoegenaamd geen troepen om de
hoogstnoodzakelijke dingen uit de omliggende dorpen te gaan halen.
Zóó verwoed was er aan beide zijden gevochten, dat men niet meer dan
achthonderd gevangenen had gemaakt.
Het Hollandsche regiment huzaren waar Jakob Stargardt toe behoorde,
op een onverantwoordelijke wijze zonder ondersteuning aangevoerd
tegen de batterijen der Russische achterhoede en door drie regimenten
vijandelijke ruiterij omsingeld, was versmolten tot zes-en-veertig
weerbare manschappen. Een paar dagen later werd het weer wat aangevuld
door een gedeelte der versterkingstroepen van den linkervleugel, welke,
na den overtocht van den Niemen, tot de Duna was voortgedrongen.
Jakob Stargardt had, bij deze reorganisatie, zijn aanstelling tot
ritmeester ontvangen.
Na aan zijn escadron voorgesteld te zijn trad hij op den pas
gearriveerden wachtmeester toe, teneinde nader kennis te maken.
Eensklaps deed hij een stap achteruit. Ook de ander deed een stap
achterwaarts. Het bleek Reinier Vermaat, die met een gezichtsuitdrukking
vol haat en afgunst tegenover hem stond.--Een oogenblik staarden beiden
elkander diep in de oogen; toen ging ritmeester Stargardt met een lichte
buiging voorbij.
Nog dienzelfden morgen kwamen beiden opnieuw met elkander in aanraking.
»Ik had niet gedacht, dat het noodlot ons zoo spoedig en op deze manier
bij elkaar zou brengen, mijnheer," begon de ritmeester.
»De _surprise_ is stellig voor u aangenamer dan voor mij, ritmeester,"
antwoordde Reinier stug.
»U vergist u, mijnheer!--de _surprise_ is mij volstrèkt niet aangenaam:
de veete die tusschen ons bestaat, maakt _mijn_ positie onaangenamer dan
de uwe."
De ander haalde de schouders op.
»Luister! mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt. »Wanneer u even aan
ons laatste onderhoud te Koningsbergen terug wilt denken dan zult u
weten, dat u mij bij die gelegenheid allergrievendst beleedigd heeft
en het nog erger maakte, door spottend mijn uitdaging van de hand te
wijzen. Ik zwoer toen, nietwaar?--mij te zullen wreken en het was mijn
vaste voornemen, eenmaal met u gelijk te worden en dan een bloedige
voldoening van u te eischen. Ik heb mijn doel al voorbij gestreefd: het
lot heeft mij op een zonderlinge manier begunstigd. De rollen zijn nu
omgekeerd,--maar de enkele maanden van dezen rampzaligen veldtocht, al
de jammer en ellende die ik van Wilna tot Borodino om mij heen heb
gezien, hebben mij tot andere en betere gedachten gebracht.----De
haat en de wraakzucht zijn verdwenen. Wel zwoer ik mij te zullen
wreken,--maar het _schènden_ van zoo'n eed is, geloof ik, beter en
christelijker dan dien nà te komen. Daarom, laat ons trachten het
gebeurde te vergeten,--laat ons weer vrienden zijn."
De ritmeester maakte een beweging om den ander de hand te reiken, maar
deze verried niet de minste gezindheid om dat verzoeningsblijk te
beantwoorden. Hij bleef met strakken blik zijn chef aanstaren en trok
zoo mogelijk zijn stuursch gelaat in nog stuurscher plooi.
»Het schijnt," zei de ritmeester, terwijl zijn gezicht opeens vuurrood
werd,--»het schijnt dat _ik_ de beleediger was en dat _u_ het recht hebt
voldoening te eischen."
»Ritmeester, u heeft me indertijd bedreigd, en dien blaam mag ik niet
op mij laten rusten. Wat zouden mijn kameraden van mij denken als zij
morgen hoorden, wat er vroeger tusschen ons is voorgevallen,--wat u toen
tegen mij gezegd hebt--en hoe wij nu die zaak bijgelegd hebben? Neen, ik
ben u voldoening verschuldigd, dus zal ik u die geven..."
»Genoeg, mijnheer,--ik begrijp u volkomen. Ik zal u daarom een pijnlijke
bekentenis sparen en u ronduit zeggen wat er in u omgaat: 't Is enkel
_wangunst_ dat u zoo kunt spreken! _Ik_, uw vroegere ondergeschikte, ben
thans uw ritmeester, en dàt, nietwaar mijnheer, dat stéékt u! _U_ had
ritmeester moeten zijn, of hóóger liefst! Het spijt me voor u--maar, het
_is_ nu eenmaal niet anders."
»Niet onmogelijk, dat u de waarheid spreekt," antwoordde Vermaat,--»de
Keizer schijnt nu eenmaal meer op te hebben met zoons van marketentsters
en zoetelaars dan met jonge mannen uit den koopmansstand..."
»Foei, mijnheer Vermaat," zei Jakob Stargardt, »schaam u! Ik dacht dat
een braaf en fatsoenlijk Amsterdammer zich nooit zóó ver door wangunst
kon laten meesleepen! Maar omdat het dienen onder den _zoon van een
marketentster_, in wien u tevens uw vijand ziet, u stellig bijzonder
zwaar moet vallen, raad ik u ernstig aan, om overplaatsing naar een
ander escadron te vragen;--ik zal uw verzoek ondersteunen."
»Men zou kunnen denken dat ik u vrees," antwoordde de onhandelbare
Reinier,--»dáárom wilde ik liever blijven,--hoewel ik om de eer blijf
solliciteeren, die u mij hebt toegezegd toen ik nog uw wachtmeester
was:--U herinnert u?..."
»Zeer goed!" zei de ritmeester koel.--»Maar die eer kan ik u op 't
oogenblik niet bewijzen. We staan tegenwoordig aanhoudend tegenover
den vijand: wij kunnen er nu niet aan denken, personeele veeten te
vereffenen. Na den veldtocht ben ik tot uw dienst."
»Dus zal ik eerst nog de eer genieten, gedurende de campagne door u
gekommandeerd te worden? Dat zal een voordeelige campagne voor mij
zijn!"
»Ei zoo, mijnheer!--Gelooft u, dat ik mij wreken zou door u onrecht te
doen?"
»Zoo'n gemakkelijke gelegenheid om u te wreken zou u voorbij laten
gaan?" zei Reinier met een medelijdend lachje.
»Naar welken maatstaf beoordeelt u zoons van marketentsters, mijnheer
Vermaat?" vroeg de ritmeester, hem strak in de oogen ziend. »Niet naar u
zelf, is 't wel? Want de familie Vermaat bleek mij altoos veel te nobel
om lafhartig wraak te kunnen uitoefenen."
Reinier beet zich op de lippen. Hij wist niets te antwoorden en maakte
zich gereed om heen te gaan.
»Ik twijfel niet, mijnheer," zei de ritmeester ten slotte,--»of u zult
u in den dienst niet over mij te beklagen hebben. En evenzeer staat het
bij mij buiten twijfel, of _ik_ zal ten opzichte van _u_ even tevreden
zijn."
Hij boog, en Reinier vertrok.
Niet lang daarna kreeg de koning van Napels, Napoleons zwager, Murat,
eindelijk verlof om met de cavalerie den terugtrekkenden vijand na te
zetten.
Tot bij Mohaisk werd de Russische achterhoede vervolgd. Toen Murat
Mohaisk zag, waande hij zich er meester van en zond zijn adjudant
naar den Keizer, om hem te zeggen, dat hij er kon overnachten. Maar
de Russische achterhoede had stand genomen voor de muren van die stad,
waarachter men het geheele overschot van het vijandelijke leger op
een hoogte bespeurde. Een schermutseling kostte den Franschen weer
eenig volk; ook een hunner generaals werd gekwetst. Men durfde, om de
nabijheid van het Russische leger, niet verder te gaan en Murat was
genoodzaakt, vóór de stad te overnachten.
Hij had zijn volk kunnen sparen, want den volgenden morgen vond hij
de poorten open en de Russische achterhoede, die de stad verlaten had,
op de hoogten. Hij trok Mohaisk binnen, maar vond er inwoners noch
levensmiddelen; wèl dooden, die men uit de vensters wierp, om er zelf
te kunnen verblijven, en gekwetsten, die men op één plaats bij elkander
bracht. Terwille van die gekwetsten hadden de Russen de houten stad niet
durven verbranden, maar nauwelijks trokken de Franschen binnen, of ze
werden door den vijand met eenige granaten ontvangen, die een gedeelte
der huizen, met de ongelukkigen die er in waren achter gelaten,
vernielden.
Reeds den anderen morgen werd de vervolging van den vijand weer
voortgezet en te Krimkoïé viel Murat verwoed op het leger van Kutusof
aan, waarbij hij echter, geheel noodeloos, twee duizend man verloor.
Ook bij Zelkowo had het maar weinig gescheeld of het Fransche leger
zou opnieuw een gevoelig verlies geleden hebben. Hier echter redde
het elfde regiment huzaren, door zijn moedig stand houden onder het
moorddadig vuur des vijands, de brigade waartoe het behoorde, toen deze
plotseling volkomen door het Russische leger omsingeld bleek geraakt.
't Was op een der volgende dagen, even na zonsondergang, dat een groepje
van vier personen zich gezellig bij elkander had gevoegd onder een afdak
van stroo, opgezet in de luwte van enkele zware boomen. Een hunner
haalde van onder een strooleger een kleine mand te voorschijn, waarvan
hij den inhoud op den grond uitstalde.
»Te deksel!"--zei een oude wachtmeester met het eerelegioen,--»zouden
we den Keizer niet te dineeren vragen!--'t Is een waar feestmaal, dat
Vermaat voor ons aanricht. Hoe ter wereld kom je aan al die heerlijke
zaken: ham, brood, worst?--En die flesschen zien er zoo eerwaardig uit
als hadden ze hun honderdsten verjaardag gevierd... Zeg Vermaat, wie is
je leverancier?"
»Dat is de bewaarder van het halfverwoeste kasteel daarginds;--maar de
goeie man is mijn leverancier geweest tegen wil en dank, natuurlijk.
Maar oneindig veel meer heeft hij aan den Keizer moeten afstaan."
»Dan behoeven we Zijne Majesteit niet te inviteeren," zei een jonge
korporaal,--»maar we konden toch wel iemand anders
noodigen--bijvoorbeeld den ritmeester."
»Ja, dat moesten we doen!" riepen de anderen, behalve Vermaat.
»Wat zegt de gastheer ervan?" vroeg de oude wachtmeester.
»Ik ben er tegen," antwoordde Vermaat.
»Je bent de eenige van het geheele escadron, die niet met onzen chef is
ingenomen,--wat heb je toch tegen hem?" vroeg een fourier, de vierde van
het clubje.
»Vraag dat maar eens aan de anderen;--ik heb het hun verteld,"
antwoordde Vermaat, terwijl hij een flesch open trok.
»Och, oude nesterijen!" zei de grijze wachtmeester schouder-ophalend.
»Maar de ritmeester handelt verstandiger dan jij, Vermaat;--hij toont,
dat hij 't geen vroeger tusschen jullie is voorgevallen, vergeten en
vergeven heeft."
»Wie zègt je, dat hij vergeten heeft?" vroeg Reinier.
»Hij is toch immers altijd even beleefd tegen je."
»Dat bewijst niemendal! Ik heb de overtuiging, dat die beleefdheid maar
een masker is. 'k Wou de rapporten wel eens zien, die hij over mij
uitbrengt."
»Hij kan niet anders dan goeds van je zeggen."
»Weet jij, wat een ander achter je rug van je zegt?" vroeg Reinier
eenigszins bits.
»De ritmeester is de man niet om u iets na te geven, dat hij u niet
in 't gezicht durft zeggen," bracht de jonge korporaal, die bij
ondervinding sprak, in het midden.
»Nieuwe bezems vegen schoon," zei Reinier met een medelijdend
schouder-ophalen.--»Wij zullen zien, mijneheeren."
Reinier wilde juist zijn glas aan de lippen brengen, toen Ros, die
Stargardts oppasser geworden was, aankwam en zich, salueerend, tot den
gastheer richtte met de boodschap:
»Commandant, de ritmeester wou u graag even spreken."
»Verduiveld!..." riep Reinier, niet in staat een opwelling van drift
te bedwingen.--»'t Is goed!" zei hij tegen den huzaar, die daarop
rechtsom-keert maakte en aftrok.
»Mijneheeren,--gaat uw gang!--Ringsma,"--dit gold den korporaal, »wil
jij de _honneurs_ voor mij waarnemen? Ik kom zoo spoedig mogelijk
terug."
Na verloop van een klein half uur kwam Reinier weer bij het drietal en
ging, zonder een woord te spreken, zijn plaats weer innemen.
»Te deksel--wat zie ik?" riep eensklaps de oude wachtmeester.
De anderen keken op en deden gelijktijdig een uitroep van verrassing.
Vermaat zat ernstig en bleek voor zich te staren: op zijn borst prijkte
het vijf-armig kruis van het eere-legioen.
Allen reikten den nieuwen legionaris de hand, om hem geluk te wenschen;
maar Reinier Vermaat bleef ernstig, zelfs somber, voor zich zitten
staren.
»Het schijnt, amice, dat je niet bijzonder opgewonden bent," sprak de
fourier, wiens grootste illusie het was, gedecoreerd te worden.
»Dat ik het aan hèm te danken heb--dat hindert me," zei Vermaat en
schonk zijn glas vol, dat hij vervolgens in één teug ledigde.
»Je ziet nu, dat je den man ten onrechte verdacht hebt," sprak de oude
wachtmeester.--»Hij heeft op een ridderlijke manier jullie wederzijdsche
rekening vereffend."
Reinier schonk zich opnieuw in, dronk wéér zijn glas in één teug leeg en
schoof toen de flesch verder.
»De gezondheid van den nieuwen legionaris!" riep de wachtmeester, zijn
glas opheffend.
Gedurende een half uur werd er nu niet veel anders gedaan dan gegeten en
gedronken; vervolgens werden de pijpen opgestoken, terwijl de flesch
bleef rondgaan.
»En vertel ons nu eens, Vermaat, hoe de ritmeester je het kruis heeft
overhandigd;--heeft hij niets gesproken?" vroeg de fourier.
»Dat wil ik jullie in een paar woorden wel even zeggen. Toen ik
binnenkwam wees hij me met een vrij stuursch gezicht een stoel en ging
tegenover mij zitten. »Mijnheer," zei hij,--»ik heb een aangename
tijding voor u."
Ik boog; maar ik was al dadelijk hoogstverwonderd.
»De Keizer heeft u benoemd tot ridder van het legioen van eer. Mag
ik u geluk wenschen en u meteen de insigniën der orde overhandigen. De
omstandigheden laten niet toe, dit op 't oogenblik met de gebruikelijke
ceremoniën te doen: u had de decoratie moeten ontvangen te gelijk met
de anderen, maar een verzuim aan het hoofdkwartier is de reden, dat het
achteraan komt."
»Is het mij vergund u te vragen, aan wien ik die onderscheiding
verschuldigd ben?" zei ik.
»Aan u zelf, mijnheer," was zijn antwoord.
»Maar ù hebt me toch zeker voorgedragen, ritmeester."
»Natuurlijk--wie anders?"
»Maar ik dacht dat we vijanden waren?"
»Ik weet ook niet beter, maar wat doet dit tot uw voordracht af?"
»Zóóveel," antwoordde ik, »dat ik zeer verwonderd ben; ik had mij iets
heel anders voorgesteld."
»U schijnt teleurgesteld," zei hij.
»Ik ben thans uw schuldenaar,--en dat hindert me."
»U vergist u,--u bent mijn schuldenaar volstrekt niet, ik ben in zeker
opzicht de uwe, daar u het mij zoo gemakkelijk gemaakt heeft u te
toonen, dat ik jegens u de billijkheid niet uit het oog zou verliezen.""
»Nobele kerel!" riep de fourier enthousiast.
»Maar, mijneheeren--wat moet ik nu doen?" riep Reinier, die tamelijk
veel had gedronken en op wien de wijn nimmer een vervroolijkenden
invloed uitoefende.--»Wat moet ik doen? Want ronduit gezegd,--nu voel ik
pas, dat ik den man, die mij in mijn eigen oogen vernederd heeft, meer
haat dan ik ooit gedaan heb."
»Kom, kom!" zei de oude wachtmeester afkeurend.
»Je weet niet wat het is," riep Vermaat driftig,--»op die manier te
worden getergd en geprikkeld; ik was veel liever met arrest
gestraft--dan had ik ten minste mij kunnen beklagen, terwijl hij mij nu
den mond gestopt heeft..."
»St! St!" klonk het afkeurend van de anderen.
»Wat!" riep de legionaris, zich al meer opwindend, »wat!--die
decoratie!--ze heeft voor mij geen waarde...!"
Allen sprongen overeind, en tegelijk verscheen aan den ingang van de
hut--ritmeester Stargardt.
Een poos stonden de vier krijgslieden zwijgend bij elkaar. De maan
scheen helder aan den met sterren bezaaiden hemel, zoodat zij elkanders
gelaatstrekken even duidelijk konden waarnemen als was het helder dag.
De ritmeester zag ernstig en nadenkend. Vermaat, zoo meteen nog rood
en opgezet, van drift niet minder dan van den wijn, was nu bleek en
er lag iets zorgelijks in zijn trekken. Had zijn vijand zijn uitroep
gehoord?--Dan was zijn loopbaan misschien voor altijd bedorven: de
Keizer vergaf zoo iets nooit.
»Goeden avond, heeren!" groette de ritmeester. »Neem me niet kwalijk,
dat ik u een oogenblik stoor. Maar, wachtmeester Vermaat, zou ik u nog
éven mogen spreken?"
Reinier volgde zijn chef, die zich enkele schreden buiten het afdak met
hem verwijderde.
»U bent onvoorzichtig geweest," fluisterde hij toen zacht. »U spreekt
te hard, en er zijn daar geen muren waarbinnen het geluid blijft
opgesloten. U weet heel goed, dat uw ondoordachte woorden u groote
onaangenaamheden zouden kunnen bezorgen;--maar wij zijn vijanden--daarom
moet ik in dit geval doen, als had ik _niets_ gehoord."
Hij groette en vervolgde zijn wandeling.
»Dat is nu zeker, wat ze, geloof ik, een »edelmoedig vijand" gelieven te
noemen," mompelde Vermaat woedend. »Bah, wat een onverdrágelijk ras!"
Tiende Hoofdstuk.
In de oude hoofdstad der Czaren.
Den 14den September was Napoleon met de voorhoede van zijn leger tot op
weinige mijlen het groote Moscou genaderd.
Hij reed langzaam en met omzichtigheid voort. Alle bosschen en ravijnen
voor zich uit liet hij onderzoeken, de toppen van alle heuvels deed hij
bestijgen, of men het vijandelijke leger ook ontdekken mocht. Hij
verwachtte een veldslag: de grond was er geschikt voor; er bleken zelfs
verschansingen op afgeteekend, maar alles was blijven liggen en men
ondervond niet den geringsten tegenstand.
Eindelijk kwam men aan de laatste hoogte. Het was de Berg der
Begroeting, aan Moscou grenzend en zoo genoemd, omdat de inwoners, van
zijn kruin hun heilige stad ziende, zich knielend nederbogen en een
kruis maakten.
Spoedig waren de scherpschutters op den top en daar zagen zij Moscou
aan hun voeten; Moscou, de stad der gulden koepeldaken, onmetelijke
verzameling van tweehonderd vijf-en-negentig kerken en vijftien honderd
kasteelen, met hun tuinen en bijgebouwen, zonderling vermengd met houten
huizen en hutten zelfs, alles over een oneffen grond verspreid. Zij
vormden een groep rondom een hooge citadel van een halve mijl in omtrek,
die zelf weer verscheidene paleizen, verscheidene kerken en onbebouwde
tusschenruimten in zich besloot, met daar omheen een onmetelijke
bazaar, stad van kooplieden, waarin de vereenigde rijkdommen van vier
werelddeelen schitterden. Die gebouwen, die paleizen, ja die winkels,
waren alle met gepolijst en gekleurd ijzer bedekt en de kerken hadden
platte daken en onderscheidene torens, uitloopend in vergulde bollen, al
hetwelk aan de stad een Oostersch voorkomen gaf.
Het was twee uur in den middag; de zonnestralen deden de oude Czarenstad
glanzen en schitteren van duizenden kleuren.
»Moscou! Moscou!" jubelden de soldaten, en verrukt bleven zij staan,
want het was hun, of daar een Koningsstad uit een sprookje aan hun
voeten lag, of een der wonderen uit de »Duizend en één Nacht," die zij
in hun kindsheid gelezen hadden, plotseling voor hun verbaasde oogen tot
werkelijkheid was geworden.
Toen verhaastte een ieder zijn marsch, ijlde in wanorde aan en juichend
herhaalde heel het leger: »Moscou! Moscou!" zooals voor eeuwen de
Kruisvaarders onder Godfried van Bouillon »Jeruzalem! Jeruzalem!"
hadden uitgeroepen.
Ook Napoleon zelf was toegesneld, ook hem trof dat gezicht.
»Ziedaar dan eindelijk die vermaarde stad!" riep hij verheugd. Maar
onmiddellijk liet hij er op volgen: »Het werd tijd!"
Doch heerlijk mochten de vergulde koepeldaken in het zonlicht flonkeren,
verrukt mocht de Keizer dit panorama der uitgestrekte, half Oostersche
hoofdstad overzien, tevergeefs wachtte hij op het openen der poorten, op
de komst van afgevaardigden, die de bevolking, den senaat, den adel met
hun schatten aan zijn voeten zou voeren.
Een zekere ongerustheid begint hem te kwellen. Reeds ziet hij, op zijn
linker- en rechtervleugel, prins Eugenius en Poniatowsky ongedeerd de
vijandelijke stad omtrekken. Murat bereikt reeds haar poorten en nòg
geen ambassade; slechts een Russisch luitenant, die hem op hoogen toon
dreigt, dat zijn generaal de stad in brand zal steken, wanneer men aan
de achterhoede den tijd niet laat, om haar te ontruimen.
Napoleon staat alles toe.
De voorhoede van het Fransche leger en de achterhoede van het leger
der Russen ontmoeten elkander zonder het lossen van ook maar een
enkel schot. Ondertusschen loopt de dag ten einde en Moscou blijft
somber, stilzwijgend en als levenloos; in de vlakte vóór de poort van
Dorogomilow vereenigt zich een groot gedeelte van het Fransche leger;
een bivakvuur wordt voor den Keizer aangelegd en men ziet hem wel twee
uur lang onrustig heen en weer loopen. Hij wacht nog steeds het
gezantschap dat hem de sleutels zal komen aanbieden.
Eenige officieren zijn tot in het binnenste der stad door gedrongen. Zij
brengen den Keizer de boodschap: »Moscou is ledig!"
Napoleon gelooft het niet, wordt zelfs boos bij dat bericht--en wacht.
Daar brengt Murat dezelfde tijding, hem aansporend, de stad maar in te
trekken.
Nòg kan hij het niet aannemen. »Ga er weer heen," beveelt hij, »en zorg
voor de strengste orde!" Hij hoopt nog.--»Misschien," zegt hij, »weten
de inwoners niet hoe zij zich moeten overgeven; want hier is alles
nieuw, zij voor ons, en wij voor hen."
Maar weldra volgt het eene bericht het andere; en alle komen overeen.
Eenige Franschen, inwoners van Moscou, hebben het gewaagd uit de
schuilplaats te komen, die hen, sedert eenige dagen, voor de volkswoede
verborg. Zij bevestigen de noodlottige tijding.
De Keizer laat Daru, den kwartiermeester-generaal bij zich komen en
zegt: »ze vertellen, dat Moscou ledig is! welk een onwaarschijnlijke
gebeurtenis! Ga er heen en breng mij de raadsheeren hier."
Hij denkt dat die menschen, òf uit hoogmoed, of van schrik, in hun
woningen blijven. Het schijnt hem nu eenmaal onmogelijk dat men die
prachtige paleizen, die schitterende kerken, die rijke magazijnen zou
verlaten hebben, evenals die eenvoudige hutten, welke hij was
voorbijgetrokken.
Ondertusschen is Daru's poging mislukt. Er vertoont zich hoegenaamd geen
Moscoviet; er verheft zich hoegenaamd geen rook uit eenig huis; men
hoort niet het minste gerucht uit die reusachtige en volkrijke stad
komen; haar driemaal honderdduizend inwoners schijnen als met verlamming
en stomheid geslagen; het is de stilte eener woestijn!
Maar nog is Napoleon ongeloovig, nòg blijft hij wachten.
Eindelijk begeeft zich een officier in de stad, laat vijf of zes
landloopers oppakken en drijft ze voor zijn paard uit, naar den Keizer,
als was dat een gezantschap. Bij het eerste antwoord reeds dat die
mannen hem geven bemerkt Napoleon, dat hij slechts ongelukkige
daglooners voor zich heeft.
Nu kan hij wel niet langer aan de volslagen ontruiming van Moscou
twijfelen. Hij trekt de schouders op en zegt met die minachtende
beweging waarmee hij alles bejegent wat zijn wenschen tegenstaat: »O, de
Russen weten nog niet welk gevolg het innemen van hun hoofdstad voor
hen zal hebben!"
Het was een treurige intocht dien Murat met zijn lange, ineengedrongene
colonne ruiterij in de groote stad deed. Het was, of zij in de stad der
dooden reden. Met huivering hoorden de krijgslieden alleen de stappen
hunner paarden tusschen die verlaten paleizen weergalmen. Somber en
zwijgend reden zij voort, als gingen zij over een met lijken bezaaid
slagveld of over een reusachtig kerkhof...
Na aldus eenige uren de stad verkend te hebben gingen de troepen
voorloopig op de straten en pleinen bivakkeeren.
Eerst in den nacht kwam Napoleon zelf Moscou binnen, waar hij een der
eerste huizen in de voorstad Dorogomilow betrok. Hier stelde hij
maarschalk Mortier tot bevelhebber der stad aan, met de bijvoeging: »Met
uw hoofd blijft ge mij borg, dat er niet geplunderd wordt! Verdedig
Moscou tegen allen!"
Omstreeks twee uur in den morgen, vernam de Keizer eensklaps, dat er
brand was uitgebroken. De handelsbeurs, in het rijkste kwartier der
stad, stond in lichter laaie. Oogenblikkelijk gaf Napoleon zijn orders
tot blusschen en toen de dag aanbrak, begaf hij zelf zich er heen,
uitvarend tegen de jonge garde en Mortier, wijl hij meent, dat de brand
door onvoorzichtigheid der soldaten is veroorzaakt. Mortier toont hem
echter, dat de huizen nog altoos gesloten zijn en er geen enkel soldaat
binnen geweest is.
De Keizer rijdt daarop naar het Kremlin, het oude paleis der Czaren. Een
gevoel van hoogmoed en trots bevangt hem, als hij dat eerwaardige gebouw
binnentreedt.
»Eindelijk dan te Moscou," zegt hij. »Eindelijk dan toch in het
Kremlin!"
Door Mortier's zorg was de brand in den loop van dien dag gebluscht
en nu werd de stad onder de verschillende legercorpsen ter bezetting
verdeeld. Aan de officieren van het elfde regiment huzaren was een
prachtig paleis toegewezen, dat zij nog dienzelfden dag betrokken.
Moeder Jane, die een der vertrekken tot gebruik bekomen had, zou voor
tafel en keuken zorgen.
Blijkbaar hadden de bewoners in allerijl het huis verlaten; de zalen en
vertrekken zagen er uit, alsof ze gisteren nog bewoond waren. Kristallen
spiegels, rijk gesneden mahoniehouten meubelen, kostbare divans waarop
de vermoeide officieren zich behagelijk neervleiden, de breede marmeren
gangen en met zachte loopers belegde trappen, alles bewees dat de
aanzienlijke bewoners van het gebouw niet den tijd of de gelegenheid
hadden gehad, de meubelen te vervoeren of hun overige bezittingen mee te
nemen.
Slechts levensmiddelen bleken schaarsch aanwezig, doch voorloopig werd
er toch een voldoende hoeveelheid gevonden, om een behoorlijken maaltijd
aan te richten.
Toen de officieren van tafel gingen was het reeds avond geworden en de
marketentster stak een lamp op, om in de keuken nog het een en ander te
beredderen.
Tot haar verbazing vond ze het haardvuur geheel uit elkander geworpen en
sterk verminderd; asch en stukken half verkoold vuur lagen tot midden op
den steenen vloer. Zóó had zij de keuken niet verlaten...
Daar ziet ze een koperen tabaksdoos op de tafel liggen... Geen twijfel
meer, er moest hier iemand geweest zijn!...
Een hevige ontroering bevangt haar, nu zij de doos opneemt. Want zij
herkent die aan het inschrift:
»Voor Willem Stargardt, op zijn 18den verjaardag."
»Hemel, hoe komt die doos hier, in het hartje van Rusland? Willem, als
hij nog leefde, moest nu immers in Engeland zijn?"
»Stom voorwerp," prevelde zij, »kon je nu maar praten! Kon je nu maar
antwoord geven!" Zij keek en keek naar dat zwijgende, koperen ding,
draaide het in haar vingers rond, opende doelloos het deksel...
Dáár zag zij een met potlood beschreven briefje liggen! Willems naam
stond er onder! En zenuwachtig doorvloog zij den inhoud.
»Lieve moeder," las ze, »ik schrijf dit in groote haast. Hoe ik
hier in Rusland gekomen ben kan ik u dus niet uitleggen, daarvoor
zou veel meer tijd noodig zijn. Maar ik heb u beiden heimelijk
kunnen zien, u en Jakob, en ik moet u dringend waarschuwen, dit
gebouw onmiddellijk te verlaten, want binnen korten tijd zal het
in brand staan en in de lucht vliegen.
Uw liefhebbende zoon
Willem."
Als in een droom bevangen, bleef de ontstelde marketentster op die
enkele regels staren, zoo schrikwekkend en duidelijk van _inhoud_, zoo
raadselachtig wat hun hèrkomst betrof. Dan begrijpt ze, onmiddellijk
Jakob met haar vondst in kennis te moeten stellen. Zij vindt hem echter
niet. Van zijn oppasser verneemt ze, dat hij wegens dienstzaken de stad
is ingegaan. Zij laat nu den ouden Ros het briefje lezen. Maar de
veteraan schudt glimlachend het hoofd:
»Ze hebben je bang willen maken, moeder Jane. Een misselijke laffe
streek, da's zeker! Maar--maak je nou heusch toch niet zoo ongerust. Dit
huis is immers onbewoond; wie zou het dan in de lucht laten vliegen, als
we het zèlf niet deden?... Nou ja, misschien lijkt het schrift een
beetje op dat van je zoon..."
»Dat weet ik niet--want hij was bij ons thuis en schrijven kwam dus zoo
niet voor..."
»Wel, kijk nou 'ereis aan! Dus enkel om dat de een of andere miserabele
vent wat bangmakerij op zoo'n vodje neerkrabbelt, zou je dwaas genoeg
zijn, je zoo van streek te laten brengen?"
»Maar--die dóós, hoe komt die doos daar dan?" vroeg zij gejaagd en zij
haalde de tabaksdoos uit haar zak, vertellend dat die van haar Willem
was.
De oudgediende begon de zaak nu toch wat ernstiger in te zien.
»Te deksel! Dat is een vreemde historie!" gromde hij, bedenkelijk aan
zijn knevel trekkend.
»En kom dan eens mee naar de keuken!" drong de marketentster opgewonden,
»dan zal ik je nog vreemder dingen laten zien!"
De oude Ros ging begrijpen, dat hij mogelijk wijs zou doen, een
onderzoek in te stellen om te kunnen beoordeelen, of allicht de
aanwezige officieren moesten gewaarschuwd worden.
Onderweg kwamen zij nog twee andere oppassers tegen.
»Jongens, ga eens even mee!" zei Ros. »Moeder Jane schijnt onraad
ontdekt te hebben!"
Met hun vieren kwamen zij in de keuken. Daar toonde de marketentster aan
de soldaten het verspreide haardvuur, hun vertellend hoe zij het geheel
anders verlaten had. Ook wees zij de asch en stukken houtskool op den
vloer.
»Da's verdacht!" zei Ros.--Met aandacht volgde hij het spoor, dat de
gemorste asch met vrij groote duidelijkheid afteekende. Het liep tot aan
een der wanden. Hij bekeek dien met aandacht, klopte er tegen, tuurde
nog eens onderzoekend langs het eikenhouten beschot en trok vervolgens
zijn sabel.
»Hier vind ik wat!" zei hij zacht. Toen stak hij de punt van het staal
wrikkend in een naad van den wand en peuterde, na eenig tobben, een door
niemand verwachte deur open.
Allen drongen haastig naderbij! Een kille kelderlucht kwam hun tegen;
maar het was volslagen donker in die ruimte, daar voor hen. Alleen de
bovenste treden van een steenen trap waren zichtbaar.
De marketentster stak een kaars aan.
»Heb jullie wapens?" vroeg Ros aan zijn makkers.
De een greep zijn pistool, de ander trok zijn sabel.
Ros, met de brandende kaars in zijn linker, en zijn zwaard in de
rechterhand, daalde behoedzaam de trap af. De kameraden volgden hem.
»Hm, wat een scherpe, prikkelende lucht!" gromde Ros. »Ruik jullie
niets?"
»Nou, òf ik!" kuchte zijn eerste volger. »Me dunkt, daar smeult hier het
een of ander!"
De trap kwam op een breede dwarsgang uit. Ook dáár was het donker; maar
ze vernamen een zacht gepraat dat zich meer en meer verwijderde. Dra
hoorden zij niets meer.
»Daar dienen we meer van te weten!" fluisterde Ros. »Die schelmen
voerden hier stellig niet veel goeds uit..."
Nauwelijks echter waren zij een tiental schreden gevorderd, of een
dichte, zwavelachtige damp sloeg hun tegen. De kaarsvlam gloeide op
eenmaal blauwachtig-rood.
»We moeten teruggaan!" waarschuwde de achterste.
»Ja, 't wordt hier onsecuur!" meende de ander.
»Kom, kom," zei Ros, »de terugweg blijft toch immers nog altoos vrij!"
Weer gingen zij eenige schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en
dichter; het ademhalen ging moeilijker bij iederen stap. Plotseling woei
hun een koelte tegemoet, of opeens de wind ergens een vrijen doortocht
gekregen had. Op 't zelfde oogenblik was de kaars uit.
Terwijl zij besluiteloos in 't donker stonden, dreunde een doffe knal,
die het gansche gebouw deed sidderen...
»Dat was een mijn!" riep een der soldaten. »We moeten onmiddellijk
terug!"
Ook Ros begreep, dat verder voortgaan dolzinnig zou wezen.
Zij keerden dus om, tastend langs den muur van het gewelf, om de trap
weer te vinden. Het gelukte. Maar zij voelden zich steeds dichter
omwolkt van een verstikkenden walm en een verzengenden gloed. Met
beklemden adem repten zij zich de trap op en stormden de keuken binnen.
Maar ook dáár vonden zij reeds alles met rook en smook vervuld. Ros
stiet met zijn sabel eenige ruiten stuk; kletterend rinkelden zij op
straat... Nu kregen zij lucht en konden weer onbelemmerd ademhalen.
»Brand! Brand!" klonk het opeens van buiten. Bijna te zelfder tijd
roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak, onder
de vensters... Officieren, soldaten, alles vloog langs de breede
marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/33284