Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #33075 · 457,931 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2)

Author: Jules Verne


        
Release date: July 4, 2010 [eBook #33075]
                Most recently updated: January 9, 2023

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/33075

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET STOOMHUIS: DE IJZEREN REUS (1/2) ***




                             Wonderreizen.


                              Jules Verne.


                             Het Stoomhuis.

                            De IJzeren Reus.



                     Rotterdam.--Jacs. G. Robbers.






                   Gedrukt bij G.J. Thieme te Arnhem.






I.

EEN VOGELVRIJVERKLAARDE.


»Eene belooning van duizend gulden aan hem, die dood of levend een
der oude hoofden van den opstand der Sipayers uitlevert, gezien in
het presidentschap van Bombay, den nabob [1] Dandou-Pant, meer bekend
onder den naam van...."

Dit was de bekendmaking, die de inwoners van Aurungabad konden lezen
in den avond van den 6n Maart 1867.

De laatste naam,--door sommigen verfoeid en voor altijd vervloekt,
door anderen in het geheim bewonderd,--ontbrak aan de afkondiging,
die voor korten tijd was aangeplakt op den muur van een bouwvalligen
bungalow, aan den oever der Doudhma.

Die naam ontbrak, omdat de onderste hoek van het aanplakbiljet,
waar hij in groote letters gedrukt stond, was afgescheurd door de
hand van een fakir (Mohamedaanschen bedelmonnik), die dit op den
toen verlaten oever onopgemerkt had kunnen doen. Tegelijk met dien
naam was ook de naam verdwenen van den gouverneur-generaal van het
presidentschap van Bombay, die met den onderkoning van Indië de
afkondiging onderteekend had.

Wat zou den fakir toch tot deze handeling bewogen hebben? Hoopte
hij door het verscheuren van deze bekendmaking, dat de opstandeling
van 1857 aan de algemeene vervolging en bestraffing van zijn persoon
zou ontsnappen? Kon hij werkelijk gelooven, dat zulk een vreeselijke
beroemdheid met de verscheurde stukjes van dat papier in het niet
zou verdwijnen?

Dat ware dwaasheid geweest, want andere aanplakbiljetten in menigte
verspreid, prijkten overal op de muren der huizen, der paleizen, der
moskeeën, der hotels van Aurungabad. Daarenboven liep een omroeper
door de straten der stad en las met luider stemme het besluit van
het gouvernement. De bewoners der geringste gehuchten in de provincie
wisten reeds, dat een gansch fortuin was toegezegd aan hem, die dien
Dandou-Pant in handen van het gerecht zou stellen. Zijn naam was
nutteloos vernietigd en zou, voordat er twaalf uren verloopen waren,
de rondte van het geheele presidentschap gemaakt hebben. Indien de
inlichtingen juist waren, indien de nabob werkelijk een schuilplaats
in dit gedeelte van Hindostan gezocht had, leed het geen twijfel of
hij zou weldra in de handen vallen van hen, die er groot belang bij
hadden hem te vangen.

Welk gevoel had dien fakir dan toch wel bezield bij het verscheuren
van een aanplakbiljet, waarvan reeds verscheidene duizenden exemplaren
getrokken waren?

Een gevoel van toorn zeker,--misschien ook had hij toegegeven aan
een opwelling van minachting. Hoe het zij, na de schouders te hebben
opgehaald, drong hij door tot het volkrijkste, maar armoedigst bewoonde
kwartier der stad.

Men noemt Dekan het uitgestrekte gedeelte van het Indische
schiereiland, dat begrepen is tusschen de westelijke Ghatta (passen
of gassen, straten) en de Ghatta van de golf van Bengalen. Dit is
de naam, die gewoonlijk aan het zuidelijk gedeelte van Indië, aan de
andere zijde van den Ganges, gegeven wordt. Dit Dekan, waarvan de naam
in het Sanskriet »Zuid" beteekent, telt in de presidentschappen van
Bombay en Madras, een zeker aantal provincies. Een van de voornaamste
is de provincie van Aurungabad, welker hoofdstad eertijds die van
geheel Dekan was.

In de XVIIe eeuw bracht de beroemde Mongoolsche keizer Aureng-Zeb zijn
hof in die stad over, welke in de vroegste tijden van de geschiedenis
van Hindostan onder den naam van Kirkhi bekend was. Zij had toen
eene bevolking van honderd duizend inwoners. Tegenwoordig bezit
zij er slechts eene van vijftig duizend, onder de heerschappij
der Engelschen, die haar besturen uit naam van den Nizam (een
vorstentitel) van Hyderabad. Toch is het een der gezondste steden
van het schiereiland, tot nog toe gespaard door de zoozeer gevreesde
Aziatische cholera en die zelfs nooit bezocht was geweest door de in
Indië zoo geduchte koortsen.

Aurungabad heeft prachtige overblijfselen van haar vroegeren luister
overgehouden. Het paleis van den grooten Mogol, aan den rechteroever
van de Doudhma, het praalgraf van de begunstigde sultane van Shah
Jahan, vader van Aureng-Zeb, de moskee, gebouwd volgens den sierlijken
Tadje d'Agra, die zijn vier minarets rondom een bevallig geronden
koepel ten hemel richt, nog andere monumenten, kunstig gebouwd, rijk
versierd, getuigen van de macht en de grootheid van den beroemdsten
overwinnaar van Hindostan, die dit koninkrijk, waarbij hij Kaboel en
Assam voegde, tot een ongekenden trap van grootheid bracht.

Alhoewel de bevolking van Aurungabad, zooals wij reeds zeiden, sterk
verminderd was, kon toch een man te midden van de zoo verschillende
typen, waaruit zij was samengesteld, zich nog gemakkelijk verborgen
houden. De fakir, hij mocht dan waar of valsch zijn, onderscheidde
zich in niets van die volksmassa. Het krioelt van zijne gelijken in
Indië. Zij maken met de »Sayeds" (muzelmannen uit het geslacht van
den profeet) een lichaam uit van de godsdienstige bedelaars, die te
voet of te paard een aalmoes vragen en deze weten te eischen, als men
haar niet goedschiks geeft. Zij versmaden ook de rol van vrijwillige
martelaars niet en genieten in de lagere rangen van het Hindoesche
volk een groot vertrouwen.

De fakir, van wien hier sprake is, was een rijzig man van vijf
Engelsche voeten negen duim. Indien hij ouder dan veertig was, bedroeg
dit op zijn hoogst een paar jaar. Zijn gelaat herinnerde aan de schoone
Mahratten-type, vooral door den glans zijner zwarte, levendige oogen;
maar moeielijk zou men anders op dat door de kinderpokken vreeselijk
geschonden gelaat de fijne trekken van zijn ras herkend hebben. De
man was overigens in de kracht van zijn leven en vlug en sterk. Als
kenmerkend teeken ontbrak hem een vinger aan de linkerhand. De haren
rood geverfd, ging hij half naakt, barrevoets, een tulband op het
hoofd, nauwlijks bedekt met een versleten, gestreept wollen hemd,
om het middel toegehaald. Op zijn borst waren in levendige kleuren de
zinnebeelden te zien van de twee behoudende en verwoestende beginselen
der Hindoesche godenleer, de leeuwenkop van de vierde incarnatie
(vleesch-mensch-wording) van Vishnoe, de drie oogen en de symbolische
drietand van den woesten Çiva.

Evenwel heerschte er in de straten van Aurungabad een licht te
begrijpen drukte, meer bijzonder in die waarin de cosmopolitische
bevolking der geringe wijken zich samendrong. Daar krioelde het
buiten de armzalige stulpen, die haar tot woning strekten. Mannen,
vrouwen, kinderen, grijsaards, Europeanen of inboorlingen, soldaten der
koninklijke of inlandsche regimenten, allerlei soorten van bedelaars,
boeren uit den omtrek, ontmoetten elkander, praatten, gesticuleerden,
behandelden de afkondiging en berekenden de kansen om de énorme som,
door het gouvernement uitgeloofd, te winnen. De opgewondenheid der
gemoederen zou niet grooter hebben kunnen zijn bij het rad eener
loterij, waarvan de grootste prijs duizend gulden zou bedragen
hebben. Men kan er zelfs nog bijvoegen, dat er ditmaal niemand was,
die niet een goed briefje kon nemen: dit briefje namelijk was het
hoofd van Dandou-Pant. Het is waar, dat men al zeer gelukkig moest
zijn om den nabob te ontmoeten en daarenboven stoutmoedig genoeg om
zich van hem meester te maken.

De fakir,--blijkbaar de eenige, die niet door de hoop bezield werd de
uitgeloofde belooning te winnen,--bewoog zich te midden der groepen,
bleef tusschenbeiden eens staan om te hooren wat men zeide, als iemand,
die er misschien zijn voordeel mede kon doen. Maar hij mengde zich
niet in de gesprekken, die gevoerd werden en, mocht zijn mond al stom
blijven, zijn oogen en ooren liet hij niet ongebruikt.

»Duizend gulden om den nabob op te sporen!" riep er een uit, zijne
kromme vingers ten hemel heffende.

»Niet om hem op te sporen," antwoordde een ander, »maar om hem te
vatten, dat een groot verschil maakt!"

»Dat zal waar zijn, want 't is geen man om zich maar zoo weerloos te
laten gevangen nemen."

»Maar vertelde men onlangs niet, dat hij in de jungles van Népaul
aan de koorts gestorven was?"

»Daar is niets van waar! De slimme Dandou-Pant heeft zich voor dood
laten doorgaan, om met meer zekerheid in 't leven te kunnen blijven!"

»Er had zelfs een gerucht geloopen, dat hij te midden van zijn kamp
aan de grenzen begraven was!"

»Valsche lijkdienst om iedereen om den tuin te leiden!"

De fakir had geen spier van zijn gelaat vertrokken, toen hij dit
laatste feit hoorde bevestigen op een wijze, die geen den minsten
twijfel overliet. Doch wel rimpelde zich onwillekeurig zijn voorhoofd,
toen hij een van de luidruchtigste Hindoes van de groep, waarbij
hij zich gevoegd had, de volgende bijzonderheden hoorde vermelden,
bijzonderheden, die al te juist waren om niet waar te zijn.

»Dat is zeker," zeide de Hindoe, »dat in 1859 de nabob met zijn broeder
Balao Rao en den ex-rajah van Gonda, Debi-Bux-Singh de wijk genomen
had in een kamp, aan den voet van een der bergen van Népaul. Toen de
Engelsche troepen hen aldaar te dicht op de hielen zaten, besloten ze
alle drie de Indisch-Chineesche grens te passeeren. Doch, alvorens
deze over te gaan, hebben de nabob en zijn twee metgezellen, om het
gerucht van hun dood des te beter ingang te doen verschaffen, hunne
eigen begrafenis bezorgd; maar 't eenige wat men van hen begraven
heeft, is een vinger van de linkerhand geweest, die ze zich op het
oogenblik der plechtigheid hebben afgehouwen."

»En hoe weet je dat?" vroeg een der toehoorders dien Hindoe, die met
zooveel zekerheid sprak.

»'k Was tegenwoordig bij de begrafenisplechtigheid," antwoordde de
Hindoe. »De soldaten van Dandou-Pant hadden me gevangen genomen en
eerst zes maanden later heb ik kunnen ontvluchten."

Terwijl de Hindoe dit met allen schijn van waarheid vertelde,
verloor de fakir hem geen oogenblik uit het gezicht. Zijn oogen
schitterden. Hij had zijn verminkte hand voorzichtig onder de wollen
lap verborgen, die hem de borst bedekte. Hij hoorde toe zonder een
woord te zeggen, maar zijn lippen trilden en lieten zijne scherpe
tanden bloot.

»Dus ken je den nabob?" vroeg men den ouden gevangene van Dandou-Pant.

»Ja," antwoordde de Hindoe.

»En zou je 'm dadelijk herkennen, als het toeval je eens met hem
samenbracht?"

»Zoo zeker als ik me zelven zou herkennen!"

»Dan heb je wel eenige kans om den prijs van duizend gulden te
winnen!" antwoordde een der omstanders, niet zonder een gevoel van
kwalijk verborgen spijt.

»Misschien...." hernam de Hindoe, »als het althans waar is, dat de
nabob de onvoorzichtigheid gehad heeft zich tot in het presidentschap
van Bombay te wagen, 't geen me zeer onwaarschijnlijk voorkomt!"

»Wat zou hij er ook doen!"

»Zeker een nieuwen opstand trachten te bewerken," zei een van de
personen uit de groep, »zooal niet onder de Sipayers, dan toch onder
de bevolking van de middenstaten."

»Omdat het gouvernement verzekert, dat zijn tegenwoordigheid in de
provincie gesignaleerd is," hernam een der sprekers, tot die klasse
van menschen behoorende, die meenen dat de overheid zich nooit kan
vergissen, »moet het gouvernement in dit opzicht goed ingelicht zijn!"

»Welnu!" antwoordde de Hindoe. »Brahma (Brahmanen zijn de halfvergode
priesters en wetgevers bij de Indiërs) geve dat Dandou-Pant mijn weg
kruise, en mijn fortuin is gemaakt!"

De fakir trad eenige schreden terug, maar hij verloor den ex-gevangene
van den nabob niet uit het oog.

Het was nu volkomen duister geworden, en toch verminderde de woeligheid
in de straten van Aurungabad niet. Nog drukker deden de praatjes over
den nabob de rondte. Hier zeide men, dat hij in de stad zelve gezien
was, daar, dat hij reeds ver weg was. Men verzekerde ook, dat een
renbode uit het noorden der provincie, den gouverneur de tijding van
de inhechtenisneming van Dandou-Pant was komen berichten. Ten negen
ure 's avonds hielden de best ingelichten vol, dat hij reeds in de
gevangenis zat in gezelschap van eenige Thugs, die er reeds langer
dan dertig jaren wegkwijnden, en dat hij den volgenden dag, met het
opgaan der zon zou gehangen worden, met niet meer formaliteiten dan
dit met Tantia-Topi, zijn beruchten medeopstandeling geschied was,
op het plein van Sipri. Doch, te tien uur, een andere tijding, geheel
in strijd met de eerste. Het gerucht verspreidde zich namelijk, dat
de gevangene bijna dadelijk had kunnen ontsnappen, hetgeen de hoop
verlevendigde van allen, wien de premie van duizend gulden toelachte.

Werkelijk waren al die verschillende geruchten slechts praatjes. De
best ingelichten wisten er niets meer van dan zij, die niet zoo goed
of slecht op de hoogte waren. Het hoofd van den nabob was nog altijd
den uitgeloofden prijs waard, het was nog altijd een benijdenswaardige
buit.

Intusschen was de Hindoe, door het feit dat hij Dandou-Pant persoonlijk
kende, beter dan iemand anders in staat de uitgeloofde belooning te
winnen. Weinigen slechts, vooral in het presidentschap van Bombay,
waren in de gelegenheid geweest het woeste opperhoofd van den grooten
opstand te ontmoeten. Meer noordelijk en meer in het midden, in
Scindia Bundelkund, in Oude, in de omstreken van Agra, van Delhi,
van Cawnpore, van Lucknow, op het voornaamste tooneel der op zijn
bevel bedreven wreedheden, zou de geheele bevolking zich tegen hem
verzet en hem aan de Engelsche rechtspleging overgeleverd hebben. De
bloedverwanten zijner slachtoffers, echtgenooten, broeders, kinderen,
vrouwen, beweenden nog steeds hen, die de nabob bij honderden had doen
ombrengen. Een tijdvak van tien jaren was niet voldoende geweest om
de rechtmatigste gevoelens van wraak en haat uit te dooven. Het was
dan ook niet mogelijk, dat Dandou-Pant onvoorzichtig genoeg geweest
was zich juist in die provincie te wagen waar zijn naam door iedereen
verfoeid werd. Indien hij dus, zooals men zeide, de Indisch-Chineesche
grens weder was overschreden, indien een of andere onbekende drijfveer,
zooals plannen van oproer of andere, hem bewogen hadden de veilige
schuilplaats te verlaten, waarvan het geheim door de Engelsch-Indische
politie nog niet ontdekt was, dan waren het alleen de provincies van
Dekan, die hem een soort van veiligheid konden verschaffen.

Men ziet evenwel, dat de gouverneur de lucht van zijn verschijning
in het presidentschap verkregen en dadelijk een prijs op zijn hoofd
gesteld had.

Nu moeten wij echter doen opmerken, dat de leden der hoogere klassen,
overheidspersonen, officieren, ambtenaars, de inlichtingen, door
den gouverneur ingewonnen, wel eenigszins betwijfelden. Reeds zoo
dikwijls was het gerucht verspreid geworden, dat de moeielijk te vatten
Dandou-Pant gezien en zelfs gevangen was! Zoovele valsche tijdingen
hadden ten zijnen opzichte de rondte gedaan, dat er een soort van
legende in omloop was over de gave van alomtegenwoordigheid van den
nabob en over zijn behendigheid om de bekwaamste agenten van politie
om den tuin te leiden; maar onder het volk twijfelde men niet.

Onder de minst ongeloovigen bevond zich natuurlijk de oud-gevangene van
den nabob. Die arme duivel van een Hindoe, uitgelokt door de belooning
en daarenboven bezield door een behoefte aan persoonlijke wraak, dacht
nergens aan dan om de campagne te beginnen en beschouwde zijn succes
bijna als verzekerd. Zijn plan was zeer eenvoudig. Den volgenden
dag reeds, stelde hij zich voor den gouverneur zijne diensten aan
te bieden; daarna, na nauwkeurig vernomen te hebben waarop de in de
afkondiging vermelde inlichtingen berustten, was hij van plan zich
naar de plaats zelve te begeven waar de nabob gezien was.

Tegen elf uren 's avonds, na zooveel verschillende praatjes gehoord
te hebben, die weliswaar zijn denkvermogen in de war brachten, maar
hem in zijn voornemen versterkten, dacht de Hindoe er eindelijk aan
eenige rust te nemen. Hij had geen andere woning dan een schuit aan
een der oevers van de Doudhma vastgelegd en hij richtte zich naar
dien kant, droomende, met de oogen half gesloten.

Zonder dat hij er iets van merkte, had de fakir hem niet verlaten;
hij zette hem na zonder zijn aandacht te wekken en volgde hem slechts
in de schaduw.

Aan het einde van de volkrijke buurt van Aurungabad, waren de straten
om dezen tijd minder druk. De voornaamste uitgang dezer buurt eindigde
in eenige ledige terreinen, waarvan de eene zijde gevormd werd door
een der oevers van de Doudhma. Het was een soort van woestijn, aan het
uiteinde der stad. Zij werd slechts bezocht door eenige achterblijvers,
die haar haastig doorliepen om zich naar de meer bezochte wijken te
begeven. Weldra liet zich het geluid der laatste voetstappen hooren,
maar de Hindoe merkte niet op, dat hij niet de eenige was, die langs
den oever der rivier liep.

De fakir volgde hem altijd en koos de donkere plekken van het terrein,
hetzij onder bescherming der boomen, hetzij dicht langs de sombere
muren der hier en daar verspreide in puin gevallen woningen.

De voorzorg was niet overbodig. De maan was zooeven opgekomen en
verspreidde een onzeker licht. De Hindoe zou dus hebben kunnen zien,
dat hij bespied en zelfs dicht achtervolgd werd. De schreden van den
fakir te hooren, ware onmogelijk geweest. Deze gleed op zijn bloote
voeten voort eerder dan hij liep. Niet het geringste geluid verried
zijn tegenwoordigheid aan den oever van de Doudhma.

Vijf minuten waren op deze wijze verloopen. De Hindoe bereikte als
werktuiglijk de armzalige schuit, waarin hij gewoon was den nacht
door te brengen. De richting, die hij volgde, was voor geen andere
uitlegging vatbaar. Hij liep als iemand, die gewoon was elken avond
deze verlaten plaats te bezoeken; hij was geheel verdiept in de
gedachte van den stap, dien hij den volgenden dag bij den gouverneur
ging doen. De hoop zich op den nabob te wreken, die zijne gevangenen
nooit bijzonder zacht behandeld had, gevoegd bij de hevige begeerte
den uitgeloofden prijs te winnen, maakte hem blind en doof.

Hij had dan ook niet het minste bewustzijn van het gevaar, dat hij
door zijn onvoorzichtig gebabbel liep.

Hij zag niet, dat de fakir hem langzamerhand naderde.

Maar plotseling sprong als een tijger een man op hem toe, met iets
bliksemends in de hand. Het was het maanlicht, dat het lemmer van
een maleischen dolk bescheen.

De Hindoe viel, in de borst getroffen, met een doffen slag op den
grond.

Evenwel was de ongelukkige, hoewel de stoot met een zekeren arm was
toegebracht, niet dood. Eenige half uitgesproken woorden ontsnapten
met een golf bloeds zijne lippen.

De moordenaar bukte zich naar den grond, pakte zijn slachtoffer aan,
lichtte het in de hoogte, en, zijn eigen gelaat door het volle licht
der maan latende beschijnen, zeide hij:

»Herkent ge me?"

»Hij!" prevelde de Hindoe.

En de vreeselijke naam van den fakir zou zijn laatste woord zijn,
toen hij plotseling stikte en den laatsten adem uitblies.

Een oogenblik later verdween het lijk van den Hindoe in den stroom
der Doudhma, die het nooit zou teruggeven.

De fakir wachtte totdat de rimpels aan de oppervlakte des waters
verdwenen waren. Daarna trad hij terug, ging de ledige terreinen weder
over, vervolgens door de wijken waar de stilte begon en richtte zich
met snelle schreden naar een van de poorten der stad.

Doch juist op het oogenblik dat hij daar aankwam, had men de poort
gesloten. Eenige soldaten van het koninklijke leger bezetten de wacht,
die den toegang verdedigde. De fakir kon Aurungabad niet meer verlaten,
zooals hij van plan geweest was.

»Ik moet er toch uit en dezen nacht nog.... of ik zou er nooit meer
uit komen!" mompelde hij.

Hij keerde dus op zijne schreden terug, liep den muur van binnen langs
en beklom twee honderd passen verder het talud, ten einde boven op
de borstwering te komen.

Deze borstwering verhief zich een vijftig voet boven het niveau van
de gracht, die tusschen de escarp en contrescarp gegraven was. Het
was een loodrechte muur, zonder eenig uitsteeksel om tot steunpunt
voor den voet te dienen. Ook was het ten eenemale onmogelijk, dat
iemand zich langs de bekleeding kon laten afglijden. Met een touw
was de nederdaling ongetwijfeld te beproeven geweest, maar de gordel
om de lendenen van den fakir was nauwlijks eenige voeten lang en dus
niet voldoende om hem aan den voet van het talud te brengen.

De fakir bleef een oogenblik staan, sloeg een blik in het rond en
dacht na over hetgeen hem nu te doen stond.

Boven de borstwering stak een donker koepeldak van gebladerte uit,
gevormd door het loof der groote boomen, die Aurungabad als in een
groene lijst omvatten. Van dit koepeldak bogen lange buigzame en
sterke takken naar buiten uit, waarvan men misschien gebruik zou kunnen
maken om, niet zonder groot gevaar, den bodem der gracht te bereiken.

Nauwlijks was dit denkbeeld bij den fakir opgekomen of hij aarzelde
niet. Hij begaf zich onder een dezer koepeldaken en kwam weldra buiten
den muur weder te voorschijn, aan het uiteinde van een langen tak
hangende, die allengs onder zijn gewicht boog.

Zoodra de tak genoeg gebogen was om den bovensten zoom van den muur
even aan te raken, liet de fakir zich langzaam zakken, alsof hij een
touw met knoopen tusschen de handen had. Hij kon op die wijze tot de
halve hoogte van de inwendige escarp afdalen, doch hij bevond zich
nog op een hoogte van dertig voet boven den grond, dien hij moest
bereiken om te kunnen ontvluchten.

Hij hing dus te slingeren tusschen hemel en aarde en zocht met den voet
een of andere ongelijkheid, die hem tot steunpunt kon verstrekken.....

Eensklaps schitterde geweervuur in de duisternis en deden zich
losbarstingen hooren. De soldaten der wacht hadden den vluchteling
opgemerkt en op hem gevuurd, doch zonder hem te raken. Toch trof een
kogel den tak waaraan hij hing, twee duim boven zijn hoofd.

Twintig seconden later brak de tak en viel de fakir in de droge
gracht.... Een ander ware dood geweest, maar hem deerde niets.

Op te staan, te midden van een kogelregen, waarvan geen een hem trof,
tegen het talud van de escarp op te klauteren en in de duisternis
weg te sluipen, was voor den vluchteling slechts spel.

Twee mijlen verder passeerde hij ongezien het kantonnement der
Engelsche troepen, die buiten Aurungabad gelegerd waren.

Een paar honderd schreden verder bleef hij staan, keerde zich om,
stak zijn verminkte hand naar de stad uit en uitte deze woorden:

»Wee hen, die nog in de handen zullen vallen van Dandou-Pant! Gij
Engelschen, uw rekening met Nana Sahib is nog niet vereffend!"

Nana Sahib! Nogmaals had de nabob dien naam, den geduchtsten onder al
de namen, die in den opstand van 1857 zulk een bloedige vermaardheid
verwierven, den veroveraars van Indië als een laatste uitdaging voor
de voeten geworpen!






II.

DE KOLONEL MUNRO.


»Komaan, mijn waarde Maucler," voerde de ingenieur Banks mij te gemoet,
»je vertelt ons niets van je reis! 't Is alsof je Parijs nog niet
verlaten hebt! Hoe bevalt het je in Indië?"

»Indië!" antwoordde ik, »wel, om er goed over te oordeelen, zou ik
het althans eerst moeten zien."

»Die is goed!" hernam de ingenieur, »heb je niet pas het geheele
schiereiland doorkruist, van Bombay naar Calcutta, en als je niet
blind zijt...."

»'k Ben niet blind, mijn waarde Banks, maar op dien tocht was ik
verblind...."

»Verblind?...."

»Ja! verblind door den rook, door den stoom, door het stof, en
vooral door de snelheid van het vervoer. Hoor eens! 'k Wil geen kwaad
van de spoorwegen spreken, omdat het tot je vak hoort ze te maken,
mijn waarde Banks, maar om zich in een wagon te laten opsluiten, met
niets anders tot gezichtsveld dan het raampje van het portier, dag
en nacht door te sporen met een gemiddelde snelheid van tien mijlen
per uur, nu eens over bergen, in gezelschap van arenden of gieren,
dan weder door tunnels, in gezelschap van ratten of muizen, slechts
op te houden aan de stations die allen op elkaar gelijken, van de
steden niets anders te zien dan de muren of de spitsen der minarets,
een tijd achtereen gedoemd te zijn te verkeeren in het onophoudelijk
rumoer van het zuchten der locomotief, van het gefluit der stoomketels,
van het geknars der rails en het dreunen der wielen, is dat reizen!"

»Goed gesproken!" riep kapitein Hod uit. »Zeg daar eens wat tegen,
als je kunt, Banks! Wat zegt u er van, kolonel?"

De kolonel tot wien kapitein Hod zich wendde, knikte even met het
hoofd, en vergenoegde zich met te zeggen:

»'k Zou wel eens willen weten wat Banks er den heer Maucler, onzen
gast, op zou kunnen antwoorden."

»Dat brengt me volstrekt niet in verlegenheid," antwoordde de ingenieur
en 'k moet zeggen, dat Maucler volkomen gelijk heeft."

»Als dat dan zoo is," riep kapitein Hod uit, »waarom maak je dan
spoorwegen?"

»Om u, als u haast hebt, kapitein, instaat te stellen u binnen zestig
uren van Calcutta naar Bombay te begeven."

»'k Heb nooit haast!"

»Welnu, volg dan den Great Trunk road," antwoordde de ingenieur. »Volg
hem, Hod, en ga te voet!"

»Dat denk ik ook stellig te doen!"

»Wanneer?"

»Zoodra mijn kolonel er in toestemt een wandelingetje door het
schiereiland met me te maken van een acht of negen honderd mijlen!"

De kolonel vergenoegde zich met te glimlachen en verviel al weder
spoedig in een van die langdurige droomerijen, waaruit zelfs zijne
beste vrienden, zooals de ingenieur Banks en kapitein Hod zooveel
moeite hadden hem te wekken.

Ik was nog slechts sedert een maand in Indië, en daar ik met den Great
Indian Peninsularspoorweg, die Bombay met Calcutta over Allahabad
verbindt, gekomen was, kende ik tot nog toe niets van het schiereiland.

Maar het was mijn voornemen eerst het noordelijk gedeelte te
doorreizen, aan de andere zijde van den Ganges de groote steden te
bezoeken, de voornaamste gedenkteekenen te bestudeeren en aan dezen
tocht al den tijd te wijden, die noodig was om alles goed te zien en
te onderzoeken.

Ik had te Parijs den ingenieur Banks leeren kennen. Sedert eenige
jaren reeds hadden wij vriendschap gesloten en een meer innige
vertrouwelijkheid had dezen vriendschapsband slechts versterkt. Ik
had beloofd hem te Calcutta te bezoeken, zoodra de voltooiing van
het gedeelte Scindia Pendjab en Delhi, waarmede hij belast was, hem
den tijd zou geven. Nu waren die werkzaamheden werkelijk voltooid
en Banks had daardoor recht op een rust van verscheidene maanden,
zoodat ik hem was komen vragen te rusten door zich te vermoeien met
Indië te doorkruisen. Het spreekt van zelf, dat hij mijn voorstel
met geestdrift had aangenomen. We zouden dan ook binnen eenige weken
vertrekken, zoodra het seizoen gunstig zou geworden zijn.

Bij mijn komst te Calcutta, in Maart 1867, had Banks mij in kennis
gebracht met een zijner goede kameraden, den kapitein Hod; daarna had
hij mij voorgesteld aan zijn vriend, den kolonel Munro, bij wien we
den avond doorbrachten.

De kolonel, toen zeven en veertig jaar oud, bewoonde een alleenstaand
huis in de Europeesche wijk, en bijgevolg buiten de drukte en
beweging, welke die handelsstad, de hoofdstad van Indië, met hare
uitsluitend zwarte bevolking, kenmerkt. Deze wijk is somwijlen
de »Stad der paleizen" genoemd en inderdaad is er geen gebrek aan
paleizen, indien men althans die benaming mag toepassen op woningen,
die van paleizen niets anders hebben dan de open arcadengalerijen,
de zuilen en de terrassen. Calcutta is de verzamelplaats van al de
bouworden, die de Engelsche smaak in de steden der oude en nieuwe
wereld gewoonlijk in praktijk brengt.

Wat de woning van den kolonel betreft, deze was de »bungalow" in al
zijn eenvoudigheid, een gebouw, opgericht op een grondmuur van steen,
met een verdieping gelijkvloers, bedekt door een dak, dat in een
pyramide uitloopt. Een veranda, gedragen door lichte kolommetjes, omgaf
het geheele gebouw. Aan de zijden vormden de keukens, de koetshuizen,
het verblijf der dienstboden, twee vleugels. Het geheel was bevat in
een tuin met schoone boomen beplant en omringd door lage muren.

Het huis van den kolonel was dat van een zeer gegoed man. Zijn
dienstbodenpersoneel was talrijk, zooals de bediening
in de Indisch-Engelsche families het medebrengt. Meubelen,
levensbenoodigdheden, huiselijke beschikkingen, alles was goed en
deftig ingericht. Men gevoelde, dat de hand eener verstandige vrouw
daar geordend en ook voor de toekomst gezorgd had, maar men gevoelde
ook, dat die vrouw er niet meer was.

Het bestuur over zijne dienstboden, de algemeene leiding van zijn huis,
had de kolonel geheel overgegeven aan een zijner krijgskameraden,
een Schot, den sergeant Mac Neil, met wien hij al de veldtochten
van Indië had medegemaakt, een van die edelaardige karakters,
die hun leven veil hebben voor hem, dien ze hun vriend noemen. Het
was een man van vijf en veertig jaar, krachtig, groot, met langen,
vollen baard, als de Bergschotten. In zijn voorkomen, zijn gelaat,
zoowel als door zijn costuum op de overlevering gegrond, was hij met
hart en ziel hooglander gebleven, alhoewel hij tegelijk met kolonel
Munro den militairen dienst verlaten had. Beiden hadden in 1860 hun
ontslag genomen. Doch inplaats naar hunne bergen, te midden hunner
voorvaderlijke klans terug te keeren, waren zij in Indië gebleven
en woonden zij te Calcutta, in een soort van afzondering, waarvoor
redenen bestonden.

Voor dat Banks mij aan kolonel Munro voorstelde, gaf hij mij onder
vier oogen de volgende aanbeveling:

»Spreek niet over den opstand der Sipayers, en noem vooral nooit den
naam van Nana Sahib!"

Kolonel Edward Munro behoorde tot een oude Schotsche familie, wier
voorvaderen in de geschiedenis van het Vereenigd Koninkrijk een
schitterende rol gespeeld hadden. Hij telde onder zijne voorvaderen
Sir Hector Munro, die in 1760 het leger van Bengalen aanvoerde en die
juist een oproer moest dempen, dat de Sipayers een eeuw later zouden
herhalen. Majoor Munro onderdrukte den opstand met meedoogenlooze
gestrengheid,--en aarzelde niet dienzelfden dag acht en twintig
opstandelingen voor den mond der kanonnen te laten binden,--een
vreeselijke strafoefening, die gedurende den opstand van 1857 telkens
herhaald werd en waarvan die voorvader van den kolonel misschien de
wreede uitvinder was.

Ten tijde dat de Sipayers opstonden, kommandeerde kolonel Munro het 93e
regiment Schotsche infanterie. Hij maakte bijna den geheelen veldtocht
mede, onder de bevelen van Sir James Outram, een der helden van dien
oorlog, hij die den naam verwierf van »Bayard van het Indische leger",
zooals Sir Charles Napier het bij proclamatie bekend maakte. Met
hem was kolonel Munro dan ook te Cawnpore; hij maakte den tweeden
veldtocht mede onder Colin Campbell; ook was hij bij het beleg van
Lucknow en verliet dezen beroemden soldaat niet eer dan toen Outram
tot lid van den raad van Indië te Calcutta benoemd was.

In 1858 was kolonel sir Edward Munro ridder-kommandant van de Ster van
Indië, »the Star of India" (K. C. S. I.). Hij werd tot baronet verheven
en zijn echtgenoote zou den titel van lady Munro [2] verkregen hebben,
indien de ongelukkige den 27n Juni, 1857 niet omgekomen was in den
vreeselijken moord van Cawnpore, een moord op bevel en onder de oogen
van Nana Sahib volbracht.

Lady Munro.--de vrienden van den kolonel noemden haar nooit
anders,--werd door haren man aangebeden. Zij was nauwelijks zeven
en twintig jaar oud, toen zij met de tweehonderd slachtoffers dier
afschuwelijke slachterij verdween. Mistress Orr en miss Jackson,
wonderdadig gered na de inneming van Lucknow, hadden hun man en
hun vader overleefd. Wat Lady Munro betreft, zij kon haren man niet
teruggegeven worden. Het was onmogelijk geweest hare overblijfselen,
onder die van zoovele slachtoffers in den put van Cawnpore, weder te
vinden en ze een christelijke begrafenis te bezorgen.

Sir Edward Munro was wanhopig en had van dat oogenblik af slechts eene
gedachte, eene enkele slechts, die van Nana Sahib weder te vinden,
dien het Engelsche gouvernement overal deed opsporen en met zijn
wraak een soort van dorst naar recht te stillen, die hem verteerde. Om
vrijer in zijne handelingen te zijn, nam hij zijn ontslag.

Mac Neil volgde hem op al zijn schreden. Deze twee menschen, door
denzelfden geest bezield, eene zelfde gedachte met zich omdragende,
slechts hetzelfde doel beoogende, trachtten als speurhonden hem op het
spoor te komen, maar zij waren niet gelukkiger dan de Engelsch-Indische
politie. De Nana wist aan alle nasporingen te ontkomen en na drie jaren
van vruchtelooze pogingen, moesten de kolonel en de sergeant hunne
nasporingen voorloopig staken. Daarenboven had zich omstreeks dezen
tijd het gerucht van den dood van Nana Sahib door Indië verspreid en
ditmaal met zulk een schijn van waarheid, dat er geen reden was het
te betwijfelen.

Sir Edward Munro en Mac Neil keerden naar Calcutta terug, waar zij zich
in dien afgelegen bungalow vestigden. Daar, geen boeken noch dagbladen
lezende, die hem het bloedige tijdperk van den opstand in het geheugen
hadden kunnen terugroepen, nooit zijn woning verlatende, leefde de
kolonel als iemand wiens leven verder doelloos is. Nooit evenwel was
de vrouw, die hij eenmaal zoo liefhad, uit zijne gedachten. Het scheen
zelfs, dat de tijd niet vermocht zijn smart te lenigen.

Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de mare der wederverschijning van
den Nana in het presidentschap van Bombay,--de tijding, die sedert
eenige dagen in omloop was,--niet ter oore van den kolonel gekomen
was. En dat was gelukkig, want hij zou onmiddellijk den bungalow
verlaten hebben.

Dit had Banks mij medegedeeld, alvorens mij in deze woning voor te
stellen, waar de vreugde voor altijd verbannen was en ziedaar ook
de reden waarom elke zinspeling op den opstand der Sipayers en den
wreedsten hunner aanvoerders, Nana Sahib, moest vermeden worden.

Slechts twee vrienden,--twee beproefde vrienden,--bezochten ijverig het
huis van den kolonel. Het waren de ingenieur Banks en de kapitein Hod.

Banks had, zooals ik gezegd heb, juist de werkzaamheden voltooid,
waarmede hij belast was geweest ter vestiging van de »Great Indian
Peninsular" spoorbaan. Hij was een man van vijf en veertig jaren, in
de volle kracht des levens. Hij moest ook een werkzaam deel nemen aan
het leggen van den Madras-spoorweg, die bestemd was om de Arabische
golf in gemeenschap te brengen met de baai van Benguela; maar het was
niet waarschijnlijk, dat de werkzaamheden voor een jaar een aanvang
konden nemen. Hij rustte dus uit te Calcutta, zich bezig houdende
met verschillende onderwerpen van werktuigkunde, want het was een
werkzame en vruchtbare geest, die altijd op nieuwe uitvindingen uit
was. Buiten zijne bezigheden, wijdde hij al zijn tijd aan den kolonel,
met wien hij door een vriendschap van twintig jaren verbonden was. Ook
bracht hij al zijne avonden door onder de veranda van den bungalow,
in gezelschap van sir Edward Munro en van kapitein Hod, die juist
een verlof van tien maanden verkregen had.

Hod behoorde tot het 1e escadron karabiniers der koninklijke armée
en had den geheelen veldtocht van 1857-58 medegemaakt, eerst met sir
Colin Campbell in Oude en Rohilkhande, daarna met sir Hugh Rose,
in Centraal-Indië,--een veldtocht, die eindigde met de inneming
van Gwalior.

Kapitein Hod, een leerling uit de harde school van Indië, een
der voortreffelijke leden van de Club van Madras, roodblond van
haren en baard, was niet ouder dan dertig jaren. Ofschoon hij tot
het koninklijke leger behoorde, zou men hem voor een officier der
inlandsche armee gehouden hebben, zoo had hij zich gedurende zijn
verblijf op het schiereiland »geïndianiseerd." Al was hij werkelijk
in Hindostan geboren, kon hij niet meer Hindoe geweest zijn. Voor
hem was Indië dan ook het land bij uitnemendheid, het beloofde land,
het eenige land waar een mensch leven kon. Daar inderdaad kon hij
aan al zijne neigingen voldoen. Soldaat van inborst, hernieuwden zich
onophoudelijk de gelegenheden om te strijden. Was hij, de uitmuntende
jager, niet in het land waar de natuur al de wilde dieren der schepping
scheen vereenigd te hebben, en al het behaarde en gevederde wild der
oude en nieuwe wereld? Had hij, de moedige bergbeklimmer, niet de
ontzagverwekkende bergketen van Thibet bij de hand, die de hoogste
toppen van den aardbol telt? Wie belette hem, den stoutmoedigen
reiziger, den voet te zetten op plekken, nog nooit door iemand
betreden, in de ontoegankelijke streken namelijk van het Himalaya
gebergte. Had hij niet, als hartstochtelijke wedrenner, de renbanen
van Indië, die in zijne oogen konden opwegen tegen die van La Marche
of Epsom? Op dit punt, waren Banks en hij het zelfs geheel oneens. De
ingenieur stelde in zijne hoedanigheid van volbloed werktuigkundige
slechts een zeer middelmatig belang in de heldendaden der Gladiators
en Filles-de-l'air.

En zelfs toen kapitein Hod het hierover met hem had, antwoordde Banks
hem, dat de wedrennen naar zijne meening slechts op eene voorwaarde
werkelijk merkwaardig zouden zijn.

»En op welke?" vroeg Hod.

»Dat er bepaald moest worden," antwoordde Banks ernstig, »dat de
jockey, die het laatst aankomt, op staanden voet aan den eindpaal
moet opgehangen worden!"

»Dat is nog zoo'n kwaad idée niet!...." antwoordde kapitein Hod
eenvoudig.

En hij zou ongetwijfeld in staat geweest zijn, die kans in eigen
persoon te wagen!

Zoodanig waren de twee ijverige bezoekers van den bungalow van sir
Edward Munro. De kolonel mocht hen gaarne over alle dingen hooren
redetwisten en zelfs brachten hunne eeuwige woordenwisselingen somtijds
een soort van glimlach op zijn lippen.

Eén wensch hadden de beide kameraden gemeen, den kolonel namelijk over
te halen tot een reis, die hem kon verstrooien. Meermalen reeds hadden
zij hem voorgesteld met hen naar het noorden van het schiereiland
te vertrekken en eenige maanden te gaan doorbrengen in de omstreken
van een van die sanitariums, waar de rijke Engelsch-Indische wereld
gedurende het heete seizoen gaarne een toevlucht zoekt, maar de
kolonel had altijd geweigerd.

Wat betreft de reis, die Banks en ik wenschten te ondernemen, hadden
wij hem reeds gepolst. Dienzelfden avond kwam de zaak opnieuw op
het tapijt. Men heeft gezien, dat kapitein Hod maar eventjes plan
had gemaakt te voet een grooten tocht in het noorden van Indië te
ondernemen. Mocht Banks niet op paarden gesteld zijn, Hod hield van
geen spoorwegen. Wat de eene niet wilde, wenschte de andere.

Nu hadden zij er dat op kunnen vinden, dat ieder op zijne wijze, om
beurten, hetzij per rijtuig, hetzij per palankijn reisde,--hetgeen
op de goed aangelegde en goed onderhouden wegen van Hindostan vrij
gemakkelijk is.

»Spreek me toch niet van je wagens met bultossen bespannen!" riep Banks
uit. »Als wij er niet voor gezorgd hadden, behielp je je nog altijd
met die primitieve voertuigen, die men in Europa voor vijfhonderd
jaren al afgeschaft heeft!"

»Nu, Banks," antwoordde kapitein Hod, »die zijn licht zoo goed als je
met kussens voorziene waggons en je Cramptons! Die groote, witte ossen,
die steeds in galop blijven en om de twee mijlen aan de poststations
verwisseld worden...."

»En die een soort van tartanen op vier wielen voortsleepen, waarin
men ruwer heen en weer geschud wordt dan de visschers in hunne booten
op een onstuimige zee!"

»'k Moet je dat gedeeltelijk toestemmen, Banks," antwoordde kapitein
Hod. »Maar hebben we niet onze rijtuigen met twee, drie en vier
paarden, die in spoed kunnen wedijveren met je »treinen", veel
gelijkende op een lijkstatie! Dan vind ik den eenvoudigen palankijn
nog beter...."

»Je palankijnen, kapitein Hod, echte doodkisten, zes voet lang,
vier breed, waarin men als een lijk ligt uitgestrekt!"

»Goed, Banks, maar geen schokken, men kan lezen, schrijven en gerust
slapen, zonder bij elk station wakker te worden! Met een palankijn met
vier of zes Bengaalsche Gamals [3] maakt men nog vier en een halve
mijl [4] per uur en, zooals dat met je geweldige sneltreinen het geval
is, waagt men althans niet om aan te komen, voordat je nog goed en wel
vertrokken zijt.... als men aankomt.."

»Het best," zei ik daarop, »zou zeker zijn zijn huis met zich mede
te kunnen nemen!"

»Als een slak!" riep Banks uit.

»Mijn vriend," antwoordde ik, »een slak, die zijn huisje kan
verlaten en er naar goedvinden weer in kan komen, is misschien niet
zoo bijzonder te beklagen! Met in zijn huis, een beweegbaar huis,
te reizen, zal waarschijnlijk het laatste woord gezegd zijn van den
vooruitgang in het reizen!"

»Misschien," zei daarop kolonel Munro; »thuis blijvende zich te
verplaatsen, zijn thuis en al de herinneringen daaraan verbonden, mede
te kunnen nemen, zijn horizont af te wisselen, zijn gezichtspunten,
zijn klimaat te wijzigen, zonder zijne dagelijksche gewoonten te
veranderen.... ja.... misschien!"

»Geen bungalows meer dus voor de reizigers!" antwoordde kapitein Hod,
»waar voor de geriefelijkheden des levens altijd iets te wenschen
zal overblijven en waarin men zonder toestemming van de plaatselijke
overheid niet mag wonen!"

»Geen ellendige herbergen meer, waarin men naar ziel en lichaam op
alle mogelijke manieren gevild wordt!" deed ik niet zonder eenige
reden opmerken.

»Het rijtuig der goochelaars dus!" riep kapitein Hod uit, »maar
ingericht naar den tijd waarin we leven. Welk een droom nog! Op
te houden als men wil, te vertrekken naar goedvinden, te stappen
of in galop voort te snellen naar den luim van het oogenblik,
niet alleen zijn slaapkamer met zich te voeren, maar zijn salon,
zijn eetzaal, zijn rookvertrek en vooral zijn keuken en zijn kok,
dat noem ik je vooruitgang, vriend Banks! Dat is honderdmaal beter
dan spoorwegen! Durf me dat eens tegenspreken, gij, ingenieur!"

»Wel! vriend Hod," antwoordde Banks, »'k zou 't volkomen met je eens
zijn, als...."

»Als?...." vroeg de kapitein, het hoofd schuddende.

»Als in de vlucht naar vooruitgang, je niet plotseling onderweg waart
blijven stilstaan."

»Zou er dan nog iets beters te doen zijn?"

»Oordeel zelf. Je stelt het rollende huis ver boven den waggon, zelfs
boven het salonrijtuig, zelfs boven den slaapwaggon der spoorwegen. Je
hebt gelijk, kapitein, als men tijd te verliezen heeft, als men voor
zijn pleizier en niet voor zaken reist. 'k Geloof dat we 't allen in
dit opzicht geheel eens zijn?"

»Allen!" antwoordde ik.

Kolonel Munro boog het hoofd, bij wijze van goedkeuring.

»Toegestemd dus," antwoordde Banks. »Goed! 'k Vervolg. Je hebt je
gewend tot een rijtuigmaker, die den raad van een architect heeft
ingewonnen en hij heeft je een rollend huis gemaakt. Het is sterk, goed
ingericht en voldoet aan al de eischen van gemak en weelde. Het is niet
te hoog, waardoor het niet licht kan ombuitelen, het is niet te groot,
zoodat het alle wegen kan begaan; het is vernuftig opgehangen, zoodat
het gemakkelijk en zacht rijdt. Uitstekend! Uitstekend! 'k Veronderstel
dat het vervaardigd is voor onzen vriend den kolonel. Hij ontvangt er
ons gastvrij. We gaan, als je wilt, de noordelijke streken van Indië
bezoeken, weliswaar op de wijze van slakken, maar als slakken, wier
staart niet onafscheidelijk aan hunne schelpen vast zitten. Alles is
gereed. Men heeft niets vergeten.... zelfs niet den kok en de keuken,
die de kapitein zoo lief heeft. De dag van het vertrek is gekomen,
men gaat werkelijk vertrekken! Alles is in order!.... En wie zal het
voorttrekken, uw rollend huis, mijn beste vriend?"

»Wie?" riep kapitein Hod uit! »wel, muilezels, ezels, paarden,
ossen!..."

»Bij dozijnen?" zei Banks.

»Olifanten!" antwoordde kapitein Hod, »olifanten! Dat zou trotsch en
statig zijn! Een huis voortgetrokken door een bespanning olifanten,
goed gedresseerd, met fieren gang, die draven en galoppeeren als de
beste koetspaarden van de wereld!"

»Dat zou prachtig zijn, kapitein!"

»Een rajah-trein te velde, ingenieur!"

»Ja, maar...."

»Maar.... wat? Is er nog een maar?" riep kapitein Hod uit.

»Een groote maar!"

»Die ingenieurs! overal zien ze moeielijkheden in!..."

»Die ze weten te overwinnen, als ze niet onoverkomelijk zijn,"
antwoordde Banks.

»Welnu, geef dan raad!"

»Wat is het geval, mijn waarde Munro. Al die trekdieren, die de
kapitein opsomde, dat loopt, dat trekt, dat sleept, maar dat vermoeit
zich ook. Daarenboven zijn ze koppig, weerspannig en hebben vooral veel
voedsel noodig. Zoodra nu de weiden ontbreken en men geen vijfhonderd
bunders weiland op sleeptouw kan nemen, staat de bespanning stil, put
zich uit, valt, sterft van honger, het rollende huis rolt niet meer
en blijft even onbeweeglijk als de bungalow waar we op dit oogenblik
zitten te praten. Er volgt dus uit, dat het genoemde huis dan eerst
praktisch bruikbaar zal zijn als het een stoomhuis zal zijn."

»Dat op rails zal loopen!" riep de kapitein uit, de schouders
ophalende.

»Neen, op wegen en getrokken door een tot volkomenheid gebrachte
weglocomotief."

»Bravo!" juichte de kapitein, »bravo! zoodra je huis geen spoorweg
noodig heeft en zich naar willekeur kan richten, zonder genoodzaakt
te zijn een ijzeren spoor te volgen, ben ik je man."

»Maar," deed ik Banks opmerken, »als muilezels, ezels, paarden, ossen,
olifanten eten, een machine eet ook, en uit gebrek aan brandstof zal
je ook onderweg blijven staan."

»Een stoompaard," antwoordde Banks, »staat in kracht gelijk met drie of
vier gewone paarden en dit vermogen kan nog toenemen. Een stoompaard
is niet aan vermoeienis noch aan ziekte onderhevig. Ten allen tijde,
onder alle breedten, in de zon, in den regen, in de sneeuw, altijd
gaat het voort, zonder ooit uitgeput te raken. Het behoeft zelfs
de aanvallen der wilde beesten niet te vreezen, noch den beet der
slangen, noch den steek der horzels en andere geduchte insecten. Het
heeft noch den prikstok der ossendrijvers, noch de zweep der geleiders
noodig. Rust is overbodig en slaap kan het missen. Het stoompaard,
door de hand van den mensch vervaardigd, is, met het oog op zijne
bestemming en bij de onmogelijkheid dat het eenmaal tot voedsel zal
verstrekken, te verkiezen boven al de trekdieren, die de Voorzienigheid
ter beschikking van den mensch gesteld heeft. Een weinig olie en
vet, een weinig steenkolen of hout, is alles wat het verteert. En,
ge weet het, mijne vrienden, aan bosschen is geen gebrek op het
Indische schiereiland en het hout is er het eigendom van iedereen.

»Goed gesproken!" riep kapitein Hod uit. »Hoera voor het stoompaard! 'k
Zie reeds in mijne verbeelding het rollende huis van den ingenieur
Banks, in beweging op de groote wegen van Indië, door de wilde
kreupelbosschen zich een weg banende, doordringende onder de boomen
van het woud, zich wagende tot in de holen der leeuwen, der tijgers,
der beeren, der panters, der luipaarden, en wij achter zijne muren
verscholen, een slachting makende onder de wilde dieren om al de
Nimrods, de Andersons, de Gérards, de Pertuisets, de Chassaings
van de wereld van ergernis te doen barsten! Zeg, Banks, 'k moet er
van watertanden en je doet het me bitter betreuren, dat ik niet een
vijftig jaren later geboren ben!"

»En waarom dat, kapitein?"

»Omdat je droom over een vijftig jaar zal verwezenlijkt worden en
eerst dan het stoomrijtuig zal gereed zijn."

»Het is gereed," antwoordde eenvoudig de ingenieur.

»Gereed! en door u vervaardigd misschien?...."

»Door mij, en om de waarheid te zeggen vrees ik maar eene zaak,
dat het je verwachting overtreft."

»Op weg, Banks, op weg!" riep kapitein Hod uit, die zich oprichtte
als door den schok eener electrische ontlading. Hij was gereed om
te vertrekken.

De ingenieur bracht hem tot bedaren; daarna, op ernstiger toon zich
tot sir Edward Munro wendende, zeide hij:

»Edward, als ik een rollend huis ter uwer beschikking stel, als ik
over een maand, zoodra het seizoen er geschikt toe is, je kom zeggen:
Daar is je kamer, die zich zal verplaatsen en gaan zal waarheen je
wilt, daar zijn je vrienden, Maucler, kapitein Hod en ik, die niets
liever willen dan je vergezellen op een tocht door het noorden van
Indië, zal je me dan antwoorden: Laten we vertrekken, Banks, laten
we vertrekken, en dat de God der reizigers ons bescherme!"

»Ja, mijne vrienden," antwoordde kolonel Munro, na een oogenblik
nagedacht te hebben. »Banks, beschik over het noodige geld. Doe,
wat je belooft. Breng ons dat ideale stoomhuis, dat de stoutste
verwachtingen zou overtreffen en we zullen geheel Indië doorkruisen!"

»Hoera! Hoera! Hoera!" juichte kapitein Hod, »en wee de wilde dieren
op de Népaulsche grenzen!"

Op dit oogenblik verscheen sergeant Mac Neil, aangetrokken door de
hoera's van den kapitein, aan de deur der woning.

»Mac Neil," zei kolonel Munro tot hem, »we vertrekken binnen een
maand naar het noorden van Indië. Je maakt immers de reis mee?"

»Natuurlijk, kolonel, omdat u gaat!" antwoordde sergeant Mac Neil.






III.

DE OPSTAND DER SIPAYERS.


Eenige weinige woorden zullen voldoende zijn om den toestand van
Indië te doen kennen ten tijde van de voorvallen, die in dit verhaal
voorkomen en meer bijzonder van het geduchte oproer der Sipayers,
waarvan we hier de voornaamste feiten in het geheugen willen
terugbrengen.

Het was in 1600, onder de regeering van Elisabeth, op den gewijden
grond van Aryavarta, te midden eener bevolking van twee honderd
millioen bewoners, waarvan honderd twaalf millioen den Hindoeschen
godsdienst beleden, dat de zeer achtbare Oost-Indische Compagnie
gesticht werd, bekend onder den echt Engelschen bijnaam van »Old
John Company."

Het was in het begin een eenvoudige »vereeniging van kooplieden,
die handel op Oost-Indië dreven" en aan welker hoofd de hertog van
Cumberland geplaatst werd.

Omstreeks dezen tijd was de Portugeesche macht, die groot in Indië
geweest was, reeds aan het afnemen. Ook namen de Engelschen, van dezen
toestand gebruik makende, een eerste proef van politiek en militair
bestuur in het presidentschap van Bengalen, waarvan de hoofdstad,
Calcutta, weldra het middelpunt der nieuwe regeering zou worden. Al
dadelijk kwam het 39e regiment der koninklijke armée, uit Engeland
afgezonden, de provincie bezetten. Van daar de zinspreuk, die het
nog altijd in zijn vaandel draagt: Primus in Indiïs.

Intusschen had zich ongeveer terzelfder tijd, onder bescherming van
Colbert een Fransche Compagnie gevestigd. Zij had hetzelfde doel
als de Compagnie van de Londensche kooplieden. Wat wonder dat uit
die mededinging een strijd van belangen geboren werd. Er volgde een
langdurige met afwisselend geluk gevoerde worsteling uit, die de
namen van Dupleix, Labourdonnais en Lally-Tollendal beroemd maakte.

Eindelijk moesten de Franschen voor de overmacht bukken en Carnatië,
dat gedeelte van het schiereiland, dat een gedeelte van zijn oostelijke
grens bevat, verlaten.

Lord Clive, zonder concurrenten voortaan, niets meer van Portugal
noch van Frankrijk te vreezen hebbende, ondernam toen de verovering
van Bengalen, waarvan lord Hastings tot Gouverneur-generaal
benoemd werd. Door een bekwaam en volhardend bestuur kwamen
heilzame hervormingen tot stand. Maar van dien tijd af aan werd
de Oost-Indische Compagnie, eens zoo machtig, rechtstreeks in hare
dierbaarste belangen getroffen. Eenige jaren later, in 1784, bracht
Pitt nogmaals wijzigingen in de oorspronkelijke oorkonde. Haar schepter
moest overgaan in de handen van de raadslieden der Kroon. Het gevolg
van dezen stand van zaken was, dat in 1813 de Compagnie het monopolie
van den Indischen handel en in 1833 het monopolie van den handel met
China ging verliezen.

Al had nu evenwel Engeland niet meer te strijden tegen de vreemde
maatschappijen op het schiereiland, moest het toch moeielijke oorlogen
voeren, hetzij tegen de oude bezitters van den grond, hetzij tegen
de laatste Aziatische veroveraars van dit rijke grondgebied.

Onder lord Cornwallis, in 1784, was het de strijd met Tippo Sahib,
gedood den 4n Mei 1799, bij de laatste bestorming van Seringapatam
door generaal Harris. Het was de oorlog met de Mahratten, dat volk
van voornaam ras, zeer machtig in de XVIIIe eeuw, en de oorlog
met de Pindaris, die zich zoo moedig verdedigden. Het was nog de
oorlog met de Gourgkhas van Népaul, de stoutmoedige bergbewoners,
die in de gevaarlijke beproeving van 1857 de getrouwe bondgenooten
der Engelschen zouden blijven. Eindelijk was het de oorlog tegen de
Birmanen, van 1823 tot 1824.

In 1828 waren de Engelschen meester, direct of indirect, van een
groot gedeelte van het grondgebied. Met lord William Bentinck begon
een nieuw tijdperk van bestuur.

Sedert de regeling der militaire macht in Indië, had het leger altijd
twee zeer onderscheiden contingenten geteld, het Europeesche en het
inlandsche contingent. Het eerste vormde het koninklijke leger,
samengesteld uit regimenten cavalerie, bataillons infanterie en
bataillons Europeesche infanterie in dienst van de Oost-Indische
Compagnie; het tweede vormde het inlandsche leger, bevattende
bataillons infanterie en bataillons geregelde, maar inlandsche
cavalerie, gekommandeerd door Engelsche officieren. Daarbij kwam
een artillerie, waarvan het personeel, tot de Compagnie behoorende,
met uitzondering van eenige batterijen, uit Europeanen bestond.

Welk was het effectief dezer regimenten of bataillons, die
onverschillig op deze wijze in het koninklijk leger genoemd worden? Wat
de infanterie aangaat, elfhonderd man per bataillon in het leger van
Bengalen en acht à negen honderd in de legers van Bombay en Madras;
wat de cavalerie betreft, zeshonderd paarden in ieder regiment der
twee legers.

In het geheel kon men in 1837, zooals het door de Valbezen in zijne
Nieuwe studieën over de Engelschen en Indië, een zeer merkwaardig werk,
met groote nauwkeurigheid wordt vastgesteld, de gansche macht der
drie presidentschappen, schatten op twee honderd duizend inlandsche
troepen en op vijf en veertig duizend Europeesche.

Nu maakten de Sipayers wel is waar een geregeld corps uit, door
Engelsche officieren gekommandeerd, maar zij koesterden toch altijd een
stille neiging om het harde juk der Europeesche discipline, hun door
de veroveraars opgelegd, af te schudden. Reeds had in 1806, misschien
zelfs op aanstoken van den zoon van Tippo Sahib, het garnizoen van het
inlandsche leger van Madras, gekantonneerd te Vellore, de hoofdwacht
van het 69e regiment der koninklijke armee vermoord, de kazernen in
brand gestoken, de officieren en hunne families omgebracht en de zieke
soldaten tot in het hospitaal doodgeschoten. Wat was de oorzaak van
dezen opstand geweest,--de schijnbare oorzaak, althans? Een voorgewende
quaestie van knevels, van kapsel en oorringen, maar eigenlijk was
het de haat der veroverden tegen de veroveraars.

Deze eerste opstand werd spoedig in de geboorte gestikt door de
koninklijke troepen, die te Ascot gekantonneerd waren.

Een dergelijke reden,--ook een voorwendsel,--was evenzeer de aanleiding
tot de eerste oproerige beweging van 1857,--een nog veel geduchter
opstand, die voor altijd de Engelsche macht in Indië zou vernietigd
hebben, indien de inlandsche troepen van de presidentschappen van
Madras en Bombay er aan deel hadden genomen.

Alvorens evenwel verder te gaan, moet vermeld worden, dat deze
opstand niet nationaal was. De Hindoes van het land en der steden,
dat is zeker, stelden er niet het minste belang in. Bovendien bepaalde
hij zich tot de half onafhankelijke Staten van Centraal-Indië, tot
de provincies van het noordwesten en het koninkrijk Oude. Pendjab
bleef den Engelschen getrouw met zijn regiment van drie escadrons
uit den Indischen Caucasus. Ook de Sikhs, deze werklieden van lagere
kaste, die zich inzonderheid bij het beleg van Delhi onderscheidden;
getrouw ook de Gourgkhas, ten getale van twaalfduizend naar het beleg
van Lucknow gevoerd door den rajah van Nepaul, getrouw eindelijk
de Maharajahs van Gwalior en van Pattyalah, de rajah van Rampore,
de Rani van Bhopal, getrouw aan de wetten van de militaire eer en
om de gewone uitdrukking, in zwang onder de inboorlingen van Indië,
te gebruiken »getrouw aan het zout."

Bij den aanvang van den opstand, bevond lord Canning zich aan het hoofd
van het bestuur in hoedanigheid van gouverneur-generaal. Misschien
had die staatsman zich verkeerde voorstellingen gevormd aangaande de
strekking der beweging. Reeds sedert eenige jaren was de ster van
het Vereenigde Koninkrijk zichtbaar verbleekt aan den Hindoeschen
hemel. In 1842 had de terugtocht van Kaboel het prestige der
Europeesche veroveraars doen afnemen. De houding van het Engelsche
leger gedurende den Krimoorlog was in sommige opzichten beneden de
militaire faam gebleven. Ook was er een oogenblik dat de Sipayers,
die zeer op de hoogte waren van hetgeen er voorviel op de oevers
van de Zwarte zee, dachten dat een opstand der inlandsche troepen
misschien zou gelukken. Er was trouwens slechts een vonk noodig om
de behoorlijk voorbereide gemoederen, die de barden, de Brahmanen,
de »moulvis" door hunne redevoeringen en gezangen aanvuurden, in
lichtelaaie vlam te brengen.

Deze gelegenheid bood zich aan in het jaar 1857, toen, tengevolge
van buitenlandsche aangelegenheden, het contingent van het koninklijk
leger noodzakelijk had moeten verminderd worden.

In het begin van dit jaar had Nana Sahib, anders genoemd de nabob
Dandou-Pant, die bij Cawnpore zijn verblijf hield, zich naar Delhi
en daarna naar Lucknow begeven, met het doel ongetwijfeld de sedert
lang voorbereide omwenteling te bevorderen.

En werkelijk barstte korten tijd na het vertrek van den Nana de
oproerige beweging los.

Het Engelsche gouvernement had voor korten tijd in het inlandsche leger
de Enfield-karabijn ingevoerd, die het gebruik noodzakelijk maakt van
met vet bestreken patronen. Zekeren dag verspreidde zich het gerucht,
dat dit vet of rundervet of varkensvet was, al naardat de patronen
bestemd waren voor de Hindoesche of Mohamedaansche soldaten van het
inlandsche leger.

In een land nu waar zelfs het volk weigert zeep te gebruiken, omdat
zij kan vervaardigd zijn van het vet van een heilig of onrein dier,
moest het gebruik van patronen met deze stof besmeerd,--patronen die
met de tanden moeten afgebeten worden en met de lippen in aanraking
komen,--de algemeene ontevredenheid opwekken. Het gouvernement gaf
gedeeltelijk toe aan de bezwaren, die hiertegen gemaakt werden, maar
het mocht de behandeling der karabijn al wijzigen, verzekeren dat
het vet in quaestie niet diende tot de vervaardiging der patronen,
toch bevredigde en overtuigde het niemand in het leger der Sipayers.

Den 24n Februari, te Berampore, weigert het 34e regiment de
patronen. In het midden van Maart wordt een adjudant vermoord en zal
weldra het afgedankte regiment, na de straf der moordenaars, in de
naburige provincies nog vruchtbaarder zaden van muiterij verspreiden.

Den 10n Mei komen te Mirat, iets ten noorden van Delhi, het 3e, 11e
en 20e regiment in opstand, dooden hunne kolonels en verscheidene
officieren van den grooten staf, geven de stad aan plundering over
en trekken naar Delhi terug. Daar voegt de rajah, een afstammeling
van Timour, zich bij hen. Het arsenaal valt in hunne handen, en de
officieren van het 54e regiment worden omgebracht.

Den 11n Mei, te Delhi, worden majoor Fraser en zijne officieren
meedoogenloos vermoord door de opstandelingen van Mirat tot in
het paleis van den Europeeschen kommandant en den 16n Mei vallen
negen-en-veertig gevangenen, mannen, vrouwen en kinderen onder de
bijl der moordenaars.

Den 20n Mei doodt het 26e regiment, bij Lahore gekantonneerd, den
havenkommandant en den Europeeschen sergeant-majoor.

De eerste stoot was nu eenmaal tot die afschuwelijke slachterijen
gegeven.

Den 28n Mei, te Nourabad, nieuwe slachtoffers onder de
Engelsch-Indische officieren.

Den 30n Mei, in de kantonnementen van Lucknow, moord van den
brigadier-kommandant, van zijn adjudant en van verscheidene andere
officieren.

Den 31n Mei, te Barreilli in Rohilkhande, moord van eenige officieren,
die overvallen werden en zich zelfs niet kunnen verdedigen.

Op denzelfden datum, te Schajahanpore, moord van den ontvanger en van
een zeker aantal officieren door de Sipayers van het 38e regiment,
en den volgenden dag, aan de andere zijde van Barwar, dood van de
officieren, vrouwen en kinderen, die op weg waren gegaan om het
station van Sivapore, op een mijl van Anrungabad te bereiken.

In de eerste dagen van Juni, te Bhopal, moord van een gedeelte van de
Europeesche bevolking en te Jansi, op aanstoken van de vreeselijke,
afgezette Rani, een bloedbad, met verfijnde wreedheid aangericht,
onder de op het fort gevluchte vrouwen en kinderen.

Den 6n Juni, vallen te Allahabad acht jonge vaandrigs onder het lood
der Sipayers.

Den 14n Juni, te Gwalior, muiterij van twee inlandsche regimenten en
moord der officieren.

Den 27n Juni, te Cawnpore, eerste hecatombe van slachtoffers van
iederen leeftijd en sekse, doodgeschoten of verdronken,--voorspel van
het afschuwelijk treurspel, dat eenige weken later zou plaats hebben.

Te Holkar, den 1n Juli, moord van vier-en-dertig Europeanen,
officieren, vrouwen en kinderen, plundering, brandstichting, en te
Ugow, denzelfden dag, moord van den kolonel en den adjudant van het
23e regiment der koninklijke armée.

Den 15n Juli, tweede moord te Cawnpore. Dien dag, worden vele honderden
kinderen en vrouwen,--en onder deze lady Munro,--met ongehoorde
wreedheid op bevel van den Nana zelven omgebracht, die de muzelmansche
slachters der openbare slachtplaatsen te hulp riep. Verschrikkelijke
slachting, na welke de lijken in een put geworpen werden, die voor
altijd berucht gebleven is.

Den 26n September, worden op een plein van Lucknow, tegenwoordig
»square der draagbaren" genoemd, talrijke gewonden neergesabeld en
nog levend in de vlammen geworpen.

En eindelijk nog zooveel andere afzonderlijke moorden in de steden
en op het land, die aan dezen opstand een karakter van gruwzame
wreedheid verleenden.

De Engelsche generaals beantwoordden trouwens deze moorden dadelijk
met weerwraak, die wel is waar noodzakelijk, omdat zij een heilzame
vrees onder de opstandelingen verspreidde, maar die niettemin
verschrikkelijk was.

In het begin van den opstand hadden de opperrechter Montgomery en
de brigade-generaal Corbett, te Lahore, zonder bloed te vergieten,
voor den mond van twaalf stukken geschut, met brandende lont, het 8e,
16e, 26e en 49e regiment van het inlandsche leger kunnen ontwapenen. Te
Moulton hadden het 62e en 29e inlandsche regiment ook de wapenen moeten
nederleggen, zonder ernstigen tegenstand te kunnen bieden. Evenzeer
werden te Peschawar het 24e, 27e en 51e regiment ontwapend door den
brigade-generaal S. Colton en den kolonel Nicholson op het oogenblik
dat het oproer zou uitbarsten. Maar toen eenige officieren van het
51e regiment in de bergen gevlucht waren, werd een som op hun hoofd
gezet en werden weldra allen door de bergbewoners teruggebracht.

Dit was het begin der wederwraak.

Nu werd een legerafdeeling, onder kolonel Nicholson, tegen een
inlandsch regiment aangevoerd, dat naar Delhi marcheerde. De
opstandelingen werden weldra bereikt, geslagen, verspreid en honderd
twintig man gevangen genomen en te Peschawar binnengebracht. Allen
werden ter dood veroordeeld, maar een op de drie man zou werkelijk
ter dood gebracht worden. Tien kanonnen werden op het exercitieveld
in slagorde gesteld, een gevangene voor elk hunner monden gebonden
en vijfmaal gaven de tien kanonnen vuur, het plein met vormlooze
overblijfselen bedekkende, te midden van een ondraaglijke lucht van
verbrand vleesch.

Deze slachtoffers stierven, volgens de Valbezen, bijna allen met
de heldhaftige onverschilligheid, die de Indianen met den dood voor
oogen, zoo goed weten te bewaren. »Mijnheer de kapitein," sprak tot
een der officieren, die de terechtstelling kommandeerden, een schoone
Sipayer van twintig jaar, in een bevallige houding tegen het moordtuig
aangeleund, »mijnheer de kapitein, 't is niet noodig me vast te binden,
'k ben niet van plan te vluchten."

Dit was de eerste van een talrijke reeks van vreeselijke
terechtstellingen.

Ziehier overigens de dagorder, die op dienzelfden datum te Lahore de
brigade-generaal Chamberlain, na de terechtstelling van twee Sipayers
van het 55e regiment, ter kennisse bracht van de inlandsche troepen.

»Gij hebt twee uwer kameraden levend voor den mond der kanonnen zien
vastbinden en in stukken schieten; deze kastijding zal het lot zijn
van alle verraders. Uw geweten zal u zeggen welke straffen zij in de
andere wereld zullen ondergaan. De twee soldaten zijn door het kanon
en niet aan de galg ter dood gebracht, omdat ik hun de bezoedeling
van de aanraking des beuls heb willen besparen en daardoor heb willen
bewijzen dat het gouvernement, in deze dagen van spanning, niets wil
doen om hen in hun godsdienst of kaste te krenken."

Den 30n Juli vielen twaalfhonderd zeven en dertig gevangenen
achtereenvolgens voor het peleton, dat met de terechtstelling belast
was en vijfhonderd anderen ontsnapten slechts aan de uitvoering van
het doodvonnis om van honger en gebrek aan lucht te sterven in de
gevangenis waar men hen had opgesloten.

Den 28n Augustus werden van de achthonderd zeventig Sipayers, die
Lahore ontvluchtten, zeshonderd negen en vijftig meedoogenloos door
de soldaten van het koninklijk leger vermoord.

Den 23n September, na de inneming van Delhi, gaven zich drie prinsen
van de familie des konings, de vermoedelijke erfprins en zijne twee
neven, onvoorwaardelijk aan generaal Hodson over, die hen medevoerde
met een geleide van slechts vijf man te midden van een dreigenden
hoop van vijfduizend Hindoes,--een tegen duizend. En evenwel liet
Hodson halfweg de kar met de gevangenen stilhouden, klom bij hen,
beval hun zich de borst te ontblooten en doodde hen alle drie met
revolverschoten. »Deze bloedige terechtstelling, door de hand van een
Engelsch officier," zei de Valbezen, »moest in Pendjab de grootste
bewondering wekken."

Na de inneming van Delhi, kwamen drieduizend gevangenen door het kanon
of de galg om, waaronder negenentwintig leden van de koninklijke
familie. Het beleg van Delhi, wel is waar, had den belegeraars
tweeduizend eenenvijftig Europeanen en zestienhonderd zesentachtig
inboorlingen gekost.

Te Allahabad hadden vreeselijke menschenslachtingen plaats, niet
alleen onder de Sipayers, maar in de rangen van de lagere volksklasse,
die door de dweepers bijna onwetend tot plundering waren medegesleept.

Te Lucknow bedekten twee duizend gedoode Sipayers met hunne lijken
een oppervlakte van honderdtwintig vierkante meters.

Te Cawnpore verplichtte kolonel Neil de veroordeelden, alvorens hen
aan de galg over te leveren, naar gelang van hun kasterang, met de
tong alle bloedvlekken af te likken en schoon te maken, die in het
huis waar men de slachtoffers had omgebracht, waren overgebleven. Dit
was voor deze Hindoes den dood door de schande doen voorafgaan.

Gedurende den tocht door Centraal-Indië, hielden de terechtstellingen
der gevangenen aanhoudend aan, en werden »muren van menschenvleesch
door geweervuur omvergeworpen!"

Den 9n Maart 1858, bij den aanval van het Gele Huis, ten tijde van
het tweede beleg van Lucknow, na een vreeselijke slachting onder de
Sipayers, schijnt het boven allen twijfel verheven, dat een dezer
ongelukkigen, onder de oogen der Engelsche officieren zèlven, levend
door de Sikhs gebraden werd.

Den 11n vulden vijftig lijken van Sipayers de grachten om het paleis
der Begoem te Lucknow, zonder dat een enkele gewonde was gespaard
geworden door soldaten, die geen meester van zich zelven meer waren.

Eindelijk stierven in twaalf dagen van strijd, drie duizend
inboorlingen door het koord of door den kogel en onder hen, drie
honderd tachtig vluchtelingen, opgehoopt op het eiland Hydaspes,
die zich tot in Kasjmir gered hadden.

Om kort te gaan, zonder het aantal Sipayers mede te rekenen, die
gedurende deze meedoogenlooze fnuiking van den opstand,--eene fnuiking,
die geen gevangenen duldde omkwamen, telt men alleen in den veldtocht
van Pendjab, niet minder dan zes honderd acht en twintig op bevel
der militaire autoriteit doodgeschoten of voor den mond der kanonnen
vastgebonden inboorlingen, dertien honderd zeventig op bevel van de
burgerlijke autoriteit, drie honderd zes en tachtig gehangen op bevel
der beide autoriteiten.

In het geheel dus schatte men in het begin van het jaar 1859 op meer
dan honderd twintig duizend het aantal officieren en inlandsche
soldaten die omkwamen, en op meer dan twee honderd duizend dat
der burgerlijke inboorlingen, die met hun leven hunne dikwijls
twijfelachtige deelneming aan dezen opstand boetten. Verschrikkelijke
weerwraak, waartegen Gladstone, misschien niet zonder reden in het
Engelsche parlement, met kracht opkwam.

Het was voor het verhaal dat volgt, van belang van weerszijden de
balans van dit doodregister vast te stellen. Dit moest, om den lezer
te doen begrijpen, welk een onvoldane haat, zoowel in het hart der
naar wraak dorstende overwonnelingen, als in dat der overwinnaars,
die tien jaar later rouwden over de slachtoffers van Cawnpore en
Lucknow, moest zijn overgebleven.

Wat de zuiver militaire feiten van den geheelen veldtocht tegen de
oproerlingen betreft, zij bestaan uit de volgende expedities, die
hier kortelijk vermeld zullen worden.

Het is vooreerst de eerste veldtocht van Pendjab, die aan sir John
Laurence het leven kostte.

Daarna volgt het beleg van Delhi, de hoofdstad van den opstand,
versterkt door duizenden vluchtelingen en gedurende welk Mohammed
Schah Bahadour tot keizer van Hindostan werd uitgeroepen. »Maak het
uit met Delhi!" had de gouverneur-generaal in een laatste dépêche aan
den opperbevelhebber verordend en het beleg, in den nacht van 13 Juni
begonnen, eindigde den 19n September, na het leven gekost te hebben
aan de generaals sir Harry Barnard en John Nicholson.

Ter zelfder tijd, nadat Nana Sahib zich tot Peïschwah had laten
benoemen en in het versterkte kasteel Bilhour had laten kronen,
marcheerde generaal Havelock naar Cawnpore. Hij kwam er den 17n Juli
binnen, maar te laat om den laatsten moord te beletten en zich van
den Nana meester te maken, die met vijf duizend man en veertig stukken
geschut kon ontvluchten.

Daarna ondernam Havelock een eersten veldtocht in het koninkrijk Oude,
en trok den 28n den Ganges over met slechts zeventien honderd man en
tien kanonnen, zich naar Lucknow richtende.

Nu verschenen sir Colin Campbell en de generaal-majoor sir James
Outram op het tooneel. Het beleg van Lucknow zou zeven en tachtig
dagen duren en het leven kosten aan sir Henri Lawrence en generaal
Havelock. Vervolgens maakte Colin Campbell de toebereidselen voor
een tweeden veldtocht, na gedwongen te zijn zich op Cawnpore terug
te trekken, waarvan hij zich eindelijk meester maakte.

Gedurende dien tijd ontzetten andere troepen Mohir, een stad van
Centraal-Indië en maakten een expeditie door Malwa, waardoor het
Engelsche gezag in dit koninkrijk hersteld werd.

In het begin van het jaar 1858, ondernamen Campbell en Outram
een tweeden veldtocht in Oude, met vier divisies infanterie,
aangevoerd door de generaals sir James Outram, sir Edward Lugar en
de brigade-generaals Walpole en Franks. De kavalerie stond onder de
bevelen van sir Hope Grant, de andere wapens onder Wilson en Robert
Napier,--uitmakende ongeveer vijf en twintig duizend strijders, die de
maharajah van Nepaul met twaalf duizend Gourgkhas ging versterken. Doch
het oproerige leger van de Begoem telde niet minder dan honderd
twintig duizend man, en de stad Lucknow zeven- à acht honderd duizend
inwoners. De eerste aanval had plaats den 6n Maart. Den 16n Maart, na
een reeks van gevechten, waarin de kapitein ter zee sir William Peel
en majoor Hodson sneuvelden, kwamen de Engelschen in bezit van het aan
de Goumti gelegen gedeelte der stad. Niettegenstaande deze voordeelen,
boden de Begoem en haar zoon nog wederstand in het paleis van Mousa
Bagh, aan het noord-westelijk uiteinde van Lucknow en de Moulvi,
een muzelmansch opperhoofd van den opstand, die in het midden der
stad zelve de wijk genomen had, weigerde zich over te geven. Den 19n
verzekerde een aanval van Outram en den 21n, een gelukkig gevecht,
den Engelschen eindelijk het volle bezit van dit geduchte bolwerk
van den opstand der Sipayers.

Met de maand April trad de opstand in zijn laatste tijdperk. Er
werd een veldtocht beraamd en uitgevoerd in Rohilkhande, waarheen
voortvluchtige opstandelingen zich in grooten getale begeven
hadden. Bareilli, de hoofdstad van het koninkrijk, was het
punt waarheen de opperhoofden der Engelsche armee zich het eerst
richtten. Het begin was niet gelukkig. De Engelschen leden een soort
van nederlaag te Judgespore. De brigade-generaal Adrien Hope werd
gedood. Doch, tegen het einde van de maand snelde Campbell te hulp,
hernam Schah-Jahanpore, schoot, den 5n Mei Bareilli aanvallende,
de stad in brand en nam haar in, zonder te kunnen beletten, dat de
opstandelingen haar eerst ontruimden.

Gedurende dien tijd werd in Centraal-Indië de veldtocht van sir
Hugh Rose geopend. Deze generaal marcheerde in de eerste dagen van
Januari 1858 op Saungor, door het koninkrijk Bhopal, ontzette er het
garnizoen den 3n Februari, nam tien dagen later het fort Gurakota,
maakte zich met geweld meester van den Mandapore-pas van de keten der
Vindhyas, stak de Betwa over, verscheen voor Jansi, verdedigd door
elf duizend opstandelingen, onder bevel der woeste Rani, sloot de
stad den 22n Maart onder een verzengende hitte in, detacheerde twee
duizend man van zijn leger om twintig duizend man van het contingent
van Gwalior af te snijden, aangevoerd door den befaamden Tantia-Topi,
wierp dit oproerige opperhoofd overhoop, bestormde de stad den 2n
April, overweldigde den muur, nam de citadel, waaruit het de Rani
gelukte te ontsnappen, hernam de operaties tegen het fort Calpi,
waar de Rani en Tantia-Topi besloten hadden te sterven, bemachtigde
het den 22n Mei, na een heldhaftige bestorming, zette den veldtocht
voort met de vervolging van de Rani en haren metgezel, die zich
in Gwalior geworpen hadden, vereenigde er den 16n Juni zijne beide
brigades, versterkt door een macht onder den brigade-generaal Napier,
verpletterde de opstandelingen te Morar, veroverde de plaats den 18n
en kwam na een zegevierenden veldtocht te Bombay terug.

Het was in een voorposten-gevecht, voor Gwalior, dat de Rani
sneuvelde. Deze geduchte koningin, met hart en ziel gehecht aan den
nabob, wiens getrouwe gezellin zij gedurende den opstand geweest
was, werd gedood door de eigen hand van sir Edward Munro. Nana Sahib
over het lijk van lady Munro te Cawnpore, de kolonel over het lijk
van de Rani te Gwalior, waren twee mannen die den opstand en zijne
onderdrukking vertegenwoordigden, wier bittere haat jegens elkander
vreeselijke gevolgen zoude hebben, indien zij elkander ooit van
aangezicht tot aangezicht weder mochten ontmoeten!

Op dit oogenblik kon men den opstand als bedwongen beschouwen,
uitgenomen misschien in eenige gedeelten van het koninkrijk
Oude. Campbell opent dus den 2n November een nieuwen veldtocht,
maakt zich van de laatste stellingen der opstandelingen meester en
verplicht eenige voorname opperhoofden zich te onderwerpen. Evenwel is
er een van hen, Beni Madho, die nog altijd niet gevat is. Men verneemt
in December, dat hij in een aangrenzend distrikt van Nepaul de wijk
genomen heeft. Men verzekert dat Nana Sahib, Balao Rao, zijn broeder,
en de Begoem van Oude met hem zijn. Later, gedurende de laatste dagen
van het jaar, loopt er een gerucht, dat zij een schuilplaats gezocht
hebben aan de grens der koninkrijken Nepaul en Oude. Campbell zit hen
dicht op de hielen, maar zij gaan over de grens. Het was eerst in de
eerste dagen van Februari 1859, dat een Engelsche brigade, waarvan
een der regimenten onder bevel stond van den kolonel Munro, hen tot
in Népaul kon vervolgen. Beni Madho wordt gedood, de Begoem van Oude
en haar zoon worden gevangen genomen en verkrijgen vergunning in de
hoofdstad van Nepaul te wonen. Wat Nana Sahib en Balao Rao betreft,
geruimen tijd meende men dat zij dood waren en toch was dit niet
het geval.

Hoe het zij, de geduchte opstand was gefnuikt. Tantia-Topi,
overgeleverd door zijn luitenant Man-Singh en ter dood veroordeeld,
stond den 15n April te Sipri te recht. Deze oproerling, »deze inderdaad
merkwaardige figuur uit het groote treurspel van den Indischen
opstand," zegt de Valbezen, »en die bewijzen gaf van een staatkundig
genie vol berekening en overleg," stierf moedig op het schavot.

Toch moest het einde van dezen opstand der Sipayers, die den Engelschen
misschien Indië zou gekost hebben, indien hij zich over het geheele
schiereiland had uitgestrekt, en vooral indien de beweging nationaal
geweest was, den val van de achtbare Indische Compagnie na zich
sleepen.

Inderdaad werd met het einde van het jaar 1857 het Hof der Direkteurs
door lord Palmerston met ondergang bedreigd.

Den 1n November 1858, verkondigde een proclamatie, in twintig talen
uitgevaardigd, dat Haar Majesteit Victoria Beatrix, koningin van
Engeland, den schepter van Indië in handen nam, waarvan zij eenige
jaren later tot keizerin zou gekroond worden.

Dit was het werk van lord Stanley. De titel van gouverneur,
vervangen door dien van onderkoning, een secretaris van Staat en
vijftien leden, de centrale regeering uitmakende, de leden van den
raad van Indië buiten den Indischen dienst benoemd, de gouverneurs
der presidentschappen van Madras en Bombay, door de koningin gekozen,
de leden van den Indischen dienst en de hoofdkommandanten gekozen door
den secretaris van Staat, zoodanig waren de voornaamste beschikkingen
van het nieuwe gouvernement.

Wat de militaire macht betreft, het koninklijk leger telt tegenwoordig
zeventien duizend man meer dan voor den opstand der Sipayers,
namelijk twee en vijftig regimenten infanterie, negen regimenten
fuziliers en een aanzienlijke artillerie, met vijf honderd man per
kavallerie-regiment en zeven honderd man per infanterie-regiment.

Het inlandsche leger bestaat uit honderd zeven en dertig regimenten
infanterie en veertig regimenten kavalerie; maar de artillerie is
Europeesch, bijna zonder uitzondering.

Zoodanig is tegenwoordig de toestand van het schiereiland uit een
administratief en militair oogpunt, zoodanig is het effectief der
gewapende macht, die een grondgebied moet beschermen van vier honderd
duizend vierkante mijlen.

»De Engelschen," zegt terecht Grandidier, »zijn gelukkig geweest in
dit groote en prachtige land een zacht, schrander, beschaafd volk
aan te treffen, dat van ouds geleerd heeft zich te onderwerpen. Doch,
zij mogen op hun hoede zijn, de zachtheid heeft hare grenzen en moge
het juk niet te zwaar zijn, of eenmaal richten de hoofden zich op en
verbreken het."






IV.

IN DE GROTTEN VAN ELLORA.


Het was maar al te waar. De mahratten-prins Dandou-Pant, de aangenomen
zoon van Baji-Rao, Peïschwah van Pounah, in een woord Nana-Sahib,--op
dit oogenblik misschien de eenige overlevende van de hoofden der
omwenteling der Sipayers,--had zijne ongenaakbare schuilhoeken in
Nepaul kunnen verlaten. Dapper, stoutmoedig, gewoon allerlei gevaren
te trotseeren, bekwaam in de kunst zijn vervolgers het spoor bijster
te doen worden, buitengewoon listig, had hij zich tot in de provincie
van Dekan gewaagd, onder de nooit sluimerende inblazingen van een
haat, dien de vreeselijke weerwraak van den opstand van 1857 slechts
vertienvoudigd had.

Ja! het was een doodelijke haat, dien de Nana den bezitters van
Indië gezworen had. Hij was de erfgenaam van Baji-Rao en, toen de
Peïschwah in 1851 stierf, weigerde de Compagnie hem voortaan het
pensioen van acht lakhs ropyen (een millioen gulden) uit te keeren,
waarop hij recht had. Dit was een der oorzaken van dien haat, die
tot de grootste buitensporigheden zou leiden.

Maar wat hoopte Nana Sahib dan? Sedert acht jaren was de opstand der
Sipayers volkomen gedempt. Het Engelsche gouvernement was allengs in
de plaats getreden van de achtbare Indische Compagnie en hield het
gansche schiereiland onder vrij wat strenger bestuur dan dat van de
vereeniging der kooplieden. Er was geen spoor van den opstand meer
overgebleven, zelfs niet in de rangen van het inlandsche leger, dat
ook geheel gereorganiseerd was. Had de Nana dan kans van slagen in
zijne pogingen om onder de lagere klassen van Hindostan een nieuwe
beweging aan te stoken? Zijne plannen zullen weldra bekend zijn. Eene
zaak wist hij, dat namelijk zijne tegenwoordigheid in de provincie
Aurungabad gesignaleerd was geworden, dat de gouverneur-generaal er
de onderkoning te Calcutta van verwittigd had en dat er een prijs op
zijn hoofd gesteld was. Zeker was het dat hij overijld op de vlucht had
moeten gaan en zich op nieuw in zulk een goed verborgen schuilplaats
had moeten verbergen, dat hij aan de nasporingen van de agenten der
Engelsch-Indische politie kon ontsnappen.

De Nana verloor in den nacht van den 6n op den 7n Maart geen uur. Hij
kende het land volkomen en besloot Ellora te bereiken, gelegen op
vijf en twintig mijlen van Aurungabad, om zich daar bij een zijner
medeplichtigen te voegen.

De nacht was donker. De gewaande fakir richtte zich, na zich
overtuigd te hebben dat hij niet vervolgd werd, naar het praalgraf,
op eenigen afstand van de stad opgericht ter eere van den mohamedaan
Sha-Soufi, een heilige wiens reliquiën den naam hebben genezingen
te volbrengen. Maar alles sliep toen in het praalgraf, priesters en
bedevaartgangers, en de Nana kon zich bewegen zonder door lastige
vragen verontrust te worden.

Evenwel was het niet zoo duister, dat dit granietblok, het onneembare
fort van Daoulutabad dragende en zich midden in eene vlakte tot eene
hoogte van twee honderd veertig voet verheffende, zijn ontzaglijk
schaduwbeeld aan de blikken kon onttrekken. Toen de nabob het
zag, herinnerde hij zich dat een der keizers van Dekan, een zijner
voorouders, zijn hoofdstad had willen maken van de uitgestrekte stad,
die vroeger aan den voet van het fort gebouwd was. En werkelijk
zou het een onverwinlijke positie geweest zijn, zeer geschikt om in
dit gedeelte van Indië het middelpunt eener oproerige beweging te
worden. Doch Nana Sahib wendde het hoofd om en had slechts een blik
vol haat over voor die sterkte, nu in de handen zijner vijanden.

Op deze vlakte volgde een meer afwisselend terrein. Het waren de eerste
oneffenheden van den bodem, die weldra bergachtig zou worden. De Nana,
nog in de volle kracht des levens, vertraagde zijne schreden niet,
toen hij reeds vrij steile hellingen moest beklimmen. Hij wilde dien
nacht vijf en twintig mijlen maken, dat is den afstand afleggen,
die Ellora van Aurungabad scheidt. Eenmaal daar, hoopte hij in
veiligheid te kunnen uitrusten. Ook hield hij zich niet op, noch in
een karavansera, voor iedereen open, die men op weg ontmoette, noch
in een half vervallen bungalow, waar hij in een afgezonderd gedeelte
van den berg een paar uur had kunnen slapen.

Bij het opgaan der zon ging de vluchteling om het dorp Ranzah heen,
dat het zeer eenvoudige graf bezit van den grootsten Mongoolschen
keizer, Aureng-Zeb. Eindelijk had hij de beroemde groep holen bereikt,
die hun naam ontleend hebben aan het kleine dorp bij Ellora.

De heuvel, waarin die holen ten getale van een dertigtal gegraven
zijn, heeft de gedaante van een halve maan. Vier tempels, vier en
twintig bouddhisten-kloosters, eenige minder belangrijke grotten,
zijn de monumenten van de groep. De basaltgroeve is rijkelijk
door menschenhanden geëxploiteerd. Maar niet om de kunststukken,
hier en daar over de onmetelijke oppervlakte van het schiereiland
verspreid, hebben de hindostansche bouwkundigen in de eerste eeuwen der
christelijke jaartelling er de steenen uitgegraven. Neen! die steenen
zijn alleen daarom weggenomen om ledige ruimten in de hoofdmassa
te maken en het zijn deze ruimten, die, al naar hunne bestemming,
»chaityas" of »viharas" geworden zijn.

De zonderlingste dezer tempels is voorzeker die der Kaïlas. Men stelle
zich een blok voor van honderd twintig voet hoog, bij een omtrek
van zes honderd voet. Dit blok heeft men stoutweg in den berg zelven
uitgesneden en te midden van een plein van drie honderd zestig voet
lang en honderd zes en tachtig breed afgezonderd,--een plein, verkregen
ten koste van de basaltmassa. Toen nu eenmaal dit blok op deze wijze
was vrijgemaakt, hebben de architecten het uitgehouwen, evenals een
beeldhouwer een stuk ivoor. Uitwendig hebben zij kolommen uitgesneden,
kleine pyramiden gebeeldhouwd, koepels vervaardigd, zooveel van de
rots gespaard als noodig was om de bas-reliefs goed te doen uitkomen,
meer dan levensgroote olifanten voorstellende, die het geheele gebouw
schijnen te dragen; inwendig hebben zij een groote zaal uitgehouwen,
omgeven met kapellen en waarvan het gewelf op kolommen rust, die
van de geheele massa zijn afgezonderd. Eindelijk hebben zij van dit
uit één steen gemaakte kunstwerk een tempel vervaardigd, die in de
eigenlijke beteekenis van het woord niet »gebouwd" is geworden, maar
een tempel eenig op de wereld en die waardig is mede te dingen met de
bewonderenswaardigste gebouwen van Indië en zeer goed de vergelijking
kan doorstaan met de onderaardsche begraafplaatsen van het oude Egypte.

Deze tempel, nu bijna verlaten, is als alle aardsche dingen, niet
door den tijd gespaard. In sommige gedeelten begint hij reeds
te vervallen. Zijne bas-reliefs slijten af als de wanden van de
steenen massa, waaruit men ze vervaardigd heeft en toch bestaat dit
kunstgewrocht nog slechts duizend jaren. Maar wat in de werken der
natuur nog nieuw is, is dikwijls reeds oud en vervallen in den arbeid
der menschen. In den zijdelingschen grondmuur links waren eenige diepe
scheuren gekomen, en het is door een dezer openingen, die half door het
kruis van een der torschende olifanten verborgen waren, dat Nana Sahib
weg sloop, zonder dat iemand zijn komst te Ellora had kunnen vermoeden.

De scheur kwam uit in een donkeren gang, die door den grondmuur liep en
zich in de diepte tot onder den bodem des tempels uitstrekte. Daar had
men een soort van onderaardsche kapel of put, nu droog, uitgegraven,
die tot vergaarbak van het regenwater diende.

Zoodra de Nana in den gang was gekomen, deed hij een zeker gefluit
hooren, dat door een gelijk gefluit beantwoord werd. Het was geen
echo. Weldra werd de duisternis verlicht door een Hindoe, die een
kleinen lantaren in de hand droeg.

»Geen licht!" zei de Nana.

»Ben jij het, Dandou-Pant?" antwoordde de Hindoe, die dadelijk zijn
lantaren uitdoofde.

»Ik, broeder!"

»Is.....?"

»Eerst iets te eten," antwoordde de Nana, »dan zullen we praten. Maar
noch om te praten, noch om te eten heb ik licht noodig. Neem mijn
hand en geleid me."

De Hindoe greep de hand van den Nana, nam hem mede naar de enge
kapel en liet hem zich uitstrekken op een hoop drooge kruiden, dien
hij zooeven verlaten had. Het fluiten van den fakir had hem uit zijn
laatsten slaap gewekt.

Deze man, gewoon zich in deze donkere schuilplaats te bewegen, had
spoedig eenig voedsel gevonden, brood, een soort van pastei, bereid van
kippenvleesch, dat veel in Indië gegeten wordt, en een kalbasflesch
met een halve pint met die sterke likeur, bekend onder den naam van
»arak," verkregen door de distillatie van het sap van den kokosnoot.

De Nana at en dronk zonder een woord te spreken. Hij bezweek bijna
van honger en vermoeienis. Zijn geheele leven concentreerde zich
toen in zijne oogen, die in de duisternis vuur schoten als de oogen
eens tijgers.

De Hindoe wachtte zonder zich te bewegen totdat de nabob goedvond om
te spreken.

Die man was Balao Rao, de eigen broeder van Nana Sahib.

Balao Rao, oudere broeder van Dandou-Pant, doch nauwlijks een jaar,
geleek hem lichamelijk sprekend, maar ook geestelijk was het Nana Sahib
volkomen. Dezelfde haat jegens de Engelschen, dezelfde sluwheid in
zijne plannen, dezelfde wreedheid in de uitvoering, dezelfde ziel in
twee lichamen. Gedurende den geheelen opstand hadden de twee broeders
elkander niet verlaten. Na de nederlaag had hetzelfde kampement
aan de grenzen van Nepaul hun een schuilplaats verleend. En nu,
door een zelfde gedachte bezield de worsteling op nieuw te beginnen,
waren zij beiden gereed te handelen.

Toen de Nana, door den haastig verslonden maaltijd verkwikt, zijne
krachten had terug erlangd, bleef hij eenigen tijd met het hoofd
in de handen geleund zitten. Balao Rao, meenende dat hij zich door
eenige uren slaap wilde versterken, bewaarde altijd het stilzwijgen.

Doch Dandou-Pant, het hoofd oprichtende, vatte de hand van zijn
broeder en zeide met doffe stem:

»'k Ben gesignaleerd in het presidentschap van Bombay! De gouverneur
van het presidentschap heeft een prijs op mijn hoofd gesteld! Hij heeft
duizend gulden uitgeloofd aan hen, die hem Nana Sahib zal overleveren!"

»Dandou-Pant!" riep Balao Rao uit, »je hoofd is meer waard! Dat zou
nauwlijks de prijs van het mijne zijn en na drie maanden zouden ze
maar al te gelukkig zijn ze beiden voor tien duizend gulden te hebben!"

»Ja," antwoordde de Nana, »over drie maanden, den 23n Juni, is het
de verjaardag van den veldslag van Plassey waarvan de honderdste
verjaardag, in 1857, het eind van de Engelsche heerschappij en de
vrijmaking van het zonneras moest zien! Onze profeten hadden het
voorzegd! Onze barden hadden het bezongen! Binnen drie maanden,
broeder, zullen honderd negen jaren verloopen zijn en nog altijd is
de vreemdeling heer en meester over Indië!"

»Dandou-Pant," antwoordde Balao Rao, »wat in 1857 niet gelukt is,
kan en moet tien jaren later gelukken. In 1827, in 1737, in 1847
hebben er oproeren in Indië plaats gehad! Om de tien jaar worden de
Hindoes door de omwentelingskoorts aangetast! welnu, dit jaar zullen
ze zich genezen door zich in golven Europeesch bloed te baden!"

»Dat Brahma ons geleide," zeide Nana zacht, »en dan oog om oog, tand
om tand! Wee den aanvoerders van het koninklijke leger, die onder de
slagen onzer Sipayers niet gevallen zijn! Laurence is dood, Barnard
is dood, Hope is dood, Napier is dood, Hodson is dood, Havelock is
dood! Maar eenigen hebben het overleefd! Campbell, Rose leven nog,
en onder hen hij, dien ik het meest van allen haat, die kolonel Munro,
die afstammeling van den beul, hij, die met eigen hand mijn gezellin,
de Rani van Jansi gedood heeft! Als hij in mijn handen valt, zal hij
zien of ik de gruwelen van den kolonel Neil, de moorden van Sekander
Bagh, de slachtingen van het paleis der Begoem, van Bareilli, van
Jansi en van Morar, van het eiland Hydaspes en van Delhi vergeet! Hij
zal zien of ik vergeten heb, dat wij elkander's dood gezworen hebben!"

»Heeft hij zijn ontslag niet uit den dienst genomen?" vroeg Balao Rao.

»O! wat dat aangaat!" antwoordde Nana Sahib, »bij de eerste beweging
treedt hij weder in dienst! Maar wordt ook deze opstand onderdrukt,
dan zal ik hem opsporen tot in zijn bungalow van Calcutta en hem
daar dooden!"

»Goed, maar nu?...."

»Nu, het eenmaal begonnen werk moet voortgezet worden. De beweging
zal dezen keer nationaal zijn. Als in de steden en buiten op het
land de Hindoes opstaan, zullen de Sipayers spoedig gemeene zaak
met hen maken. Ik heb het midden en noorden van Dekan doorgetrokken
en overal heb ik de gemoederen geneigd tot den opstand gevonden. Er
zijn geen steden, noch gehuchten, waar we geen aanvoerders hebben,
gereed om dadelijk te handelen. De Brahmanen zullen het volk
opwinden. De godsdienst zal ditmaal de volgelingen van Çiva en van
Vishnoe medesleepen. Op het vooraf beraamde tijdstip, zullen bij het
overeengekomen signaal, millioenen Hindoes opstaan, en de koninklijke
armee zal vernietigd worden!"

»En Dandou-Pant?...." vroeg Balao Rao, de hand van zijn broeder
grijpende.

»Dandou-Pant," antwoordde de Nana, »zal niet slechts zijn de op
het sterke kasteel Bilhour bekroonde Peïschwah! Hij zal dan zijn de
souverein van het heilige land der Indiën!"

Na deze woorden gesproken te hebben, bleef Nana Sahib, de armen
gekruist, met den droomenden blik van hen, die niet het verledene of
het tegenwoordige, maar de toekomst gadeslaan, in stilte verzonken.

Balao Rao wachtte zich wel hem te storen. Liever liet hij deze
ongetemde ziel zich door haar eigen vuur ontvlammen en des
noods was hij immers daar om het vuur dat in hem smeulde, aan te
blazen. Nana Sahib kon geen medeplichtige hebben, inniger aan zijn
persoon verbonden, geen vuriger raadsman om hem zijn doel te doen
bereiken. Het is reeds gezegd, het was zijn ander ik.

Na eenige minuten van stilte, richtte de Nana het hoofd op en kwam
tot den tegenwoordigen toestand terug.

»Waar zijn onze metgezellen?" vroeg hij.

»In de grotten van Adjuntah, waar ze ons volgens afspraak zouden
wachten," antwoordde Balao Rao.

»En onze paarden?"

»'k Heb ze een eind van hier op den weg van Ellora naar Boregami in
bewaring gegeven."

»Bij Kâlagani immers?"

»Juist, broeder. Ze worden daar goed verzorgd en staan gereed om
te vertrekken."

»Laten we dan vertrekken," antwoordde de Nana. »We moeten voor het
aanbreken van den dag te Adjuntah zijn."

»En waarheen dan verder?" vroeg Balao Rao. »Heeft deze overhaaste
vlucht je plannen niet tegengewerkt?"

»Neen," antwoordde Nana Sahib. »We zullen de Sautpourrabergen bereiken,
waarvan ik al de passen ken en waar ik de nasporingen van de Engelsche
politie kan trotseeren. Daar ook zullen we op het grondgebied zijn
der Bhîls en der Gounds, die onze zaak getrouw zijn gebleven. Daar
zal ik dan het gunstige oogenblik kunnen afwachten, te midden van
de bergachtige streek der Vindhyas, waar de gemoederen altijd in
gisting verkeeren!

»Op marsch!" antwoordde Balao Rao. »Welnu, ze hebben duizend gulden
uitgeloofd aan hem, die je vangt. Maar, 't is niet voldoende om een
prijs op je hoofd te stellen, 't moet genomen worden ook!"

»Ze krijgen 't niet," antwoordde Nana Sahib. »Kom, zonder een oogenblik
te verliezen, broeder, kom!"

Balao Rao liep met zekeren tred door den nauwen gang, die naar deze
donkere schuilplaats, onder den vloer van den tempel gegraven,
geleidde. Aan de opening gekomen, door het kruis van den steenen
olifant verborgen, stak hij voorzichtig het hoofd naar buiten, keek
rechts en links, verzekerde zich dat de toegangen vrij waren en waagde
zich buiten. Uit overmaat van voorzorg, liep hij een twintig schreden
ver in de laan, die de richting volgde van de as des tempels, doch
niets verdachts opmerkende, liet hij een gefluit hooren, om Nana te
waarschuwen dat de weg vrij was.

Eenige oogenblikken later, verlieten de beide broeders de een halve
mijl lange, kunstmatige vallei, waarin een menigte galerijen, gewelven,
uitdiepingen, op zekere plaatsen tot een groote hoogte trapsgewijze
boven elkander zijn uitgehouwen. Zij vermeden het mohamedaansche
praalgraf, dat tot bungalow dient voor de bedevaartsgangers of de
nieuwsgierigen van allerlei landaard, aangetrokken door de wonderen
van Ellora; eindelijk, na het dorp Ranzah te zijn omgegaan, bevonden
zij zich op den weg, die Adjuntah met Boregami verbindt.

De afstand van Ellora naar Adjuntah bedroeg vijftig mijlen (80
kilometers ongeveer); doch de Nana was nu niet meer de vluchteling, die
te voet en zonder middel van vervoer uit Aurungabad ontsnapte. Zooals
Balao Rao gezegd had, wachtten hun drie paarden op den weg op,
onder de hoede van den Hindoe Kâlagani, een getrouwen dienaar
van Dandou-Pant. Deze paarden waren verborgen geweest in een dicht
bosch, een mijl van het dorp af. Het eene was bestemd voor den Nana,
het andere voor Balao Rao, het derde voor Kâlagani en even daarna
galoppeerden alle drie in de richting van Adjuntah. Niemand trouwens
zou er zich over verwonderd hebben een fakir te paard te zien, want
inderdaad vragen deze brutale bedelaars dikwijls te paard zittende
een aalmoes.

Daarenboven was de weg in dezen voor de bedevaarten minder gunstigen
tijd van het jaar, niet druk bezocht. De Nana en zijne beide
metgezellen reden dus snel, zonder vrees dat iets hen kon hinderen
of ophouden. Zij namen er den tijd van af om hunne dieren te laten
uitblazen, en op deze korte halten, putten zij uit den voorraad, dien
Kâlagani aan den zadelknop had opgehangen. Zij vermeden zoodoende de
meer bezochte gedeelten der provincie, de bungalows en de dorpen, onder
anderen het gehucht Roja, een ellendige hoop zwarte huizen, zooals
de door den rook zwart geworden sombere woningen van Cornonailles en
Pulmary, een klein, verlaten gehucht in een woeste landstreek.

De bodem was gelijk en vlak. In alle richtingen strekten zich
heidevelden uit, overal met dichte jungles bezet. Doch in de nabijheid
van Adjuntah werd de landstreek meer oneffen.

De prachtige grotten van dien naam, mededingsters der wondervolle
grotten van Ellora, en in hun geheel misschien schooner, nemen het
lagere gedeelte eener kleine vallei in, een halve mijl ongeveer van
de stad af.

Nana Sahib behoefde dus niet door Adjuntah te gaan, waar de afkondiging
van den gouverneur reeds aangeplakt moest zijn. Bijgevolg bestond er
voor hem geen vrees herkend te worden.

Vijftien uren dus na Ellora verlaten te hebben, drong hij met zijne
metgezellen door een nauwen bergpas, die naar de beroemde vallei
geleidde, waarvan de zeven en twintig tempels, in de rotsachtige
massa zelve uitgehouwen, over duizelingwekkende afgronden hangen.

Het was een prachtige nacht, met een schitterenden sterrenhemel,
doch zonder maan. Hooge vijgeboomen en eenige »bars," die onder
de reuzen der Indische flora geteld worden, teekenden zich zwart
tegen den met sterren bezaaiden hemel af. Geen windje verstoorde de
kalmte van den dampkring, geen blaadje bewoog zich, niet het minste
geluid deed zich hooren, of het moest het zacht geruisch zijn van
een bergstroom, die eenige honderden schreden verder in een diepe
kloof vloeide. Doch dit geruisch nam toe en werd een waar geloei,
toen de paarden den waterval van den Satkhound bereikt hadden, die
van een hoogte van vijftig vademen valt, gebroken en verscheurd door
de scherpe rotsen van kwarts en basalt. Vloeibaar stof dwarrelde in
den bergpas rond en zou, zoo de maan in dien schoonen lentenacht den
horizont verlicht had, het prachtige schouwspel hebben opgeleverd
van de zeven kleuren van den regenboog.

De Nana, Balao Rao en Kâlagani vertoonden zich nu in den bergpas,
die op deze plaats een scherpe kromming maakt en een prachtig uitzicht
geeft op de vallei, verrijkt door de meesterstukken der boeddhistische
bouwkunst. Daar, op de muren dier tempels, rijkelijk met zuilen,
rozetten, arabesken, veranda's versierd, bevolkt met kolossale
figuren van fantastisch gevormde dieren, voorzien van in de rotsmassa
uitgeholde sombere cellen, eertijds door priesters, de bewaarders
dezer heilige verblijfplaatsen bewoond, kan de kunstenaar ook nog
eenige fresco's bewonderen, die eerst gisteren geschilderd schijnen
te zijn en die koninklijke plechtigheden, godsdienstige processies,
veldslagen voorstellen waarin al de wapenen van dien tijd voorkomen,
zooals ze in de eerste tijden van de christelijke jaartelling in het
prachtige land van Indië in zwang waren.

Nana Sahib kende al de geheimen dezer onderaardsche verblijven. Meer
dan eens hadden zijne metgezellen en hij, door de koninklijke
troepen in 't nauw gebracht, er in de kwade dagen van den opstand
een schuilplaats gevonden. De onderaardsche galerijen, die ze met
elkander verbonden, de nauwste tunnels in de kwartsachtige rotsmassa
uitgegraven, de bochtige gangen, die elkaar in alle richtingen
kruisten, de duizend vertakkingen van dien doolhof, die den geduldigste
wanhopend zouden gemaakt hebben, alles was hem gemeenzaam. Hij kon er
niet verdwalen, zelfs al verlichtte geen fakkel hunne donkerste hoeken.

De Nana ging als iemand, volkomen zeker van zich zelven, recht naar
een van de minst belangrijke holen der groep. De opening was verborgen
door dicht struikgewas en een hoop groote steenen, afkomstig van een
oude instorting, tusschen de struiken van den bodem en de planten,
die tusschen de spleten van de rots groeiden.

Een licht tikje op den wand was den nabob voldoende om zijne
tegenwoordigheid aan de opening van het hol te kennen te geven.

Dadelijk kwamen twee of drie hoofden van Hindoes tusschen de takken
te voorschijn, daarna tien, twintig en weldra vormden die hoofden,
door lichamen gevolgd, als slangen tusschen de steenen doorkruipende,
een groep van een veertigtal goed gewapende mannen.

»Op marsch!" zeide Nana Sahib.

En zonder eenige verklaring te vragen, zonder te weten waarheen
hij hen leidde, volgden hem de getrouwe metgezellen van den nabob,
gereed zich op een teeken van hem te laten dooden. Zij waren te voet,
maar hunne beenen konden in snelheid wedijveren met die van een paard.

De kleine troep drong door den bergpas, die langs den rand van den
afgrond in de richting van het noorden liep en ging om den top van den
berg heen. Een uur later had hij den weg van den Kandeisch bereikt,
die zich verliest in de bergpassen der Sautpourrabergen.

Met het aanbreken van den dag passeerden zij den tak op Nagpore van
den spoorweg van Bombay op Allahabad en even later den weg zelven,
die naar het noordoosten loopt.

Op dit oogenblik bruiste de sneltrein van Calcutta voorbij, en
liet zijn witten rook in de toppen der trotsche vijgeboomen langs
den weg hangen, terwijl de roofdieren der jungles verschrikt op de
vlucht joegen.

De nabob hield zijn paard in en riep met luide stem, de hand naar
den voortsnellenden trein uitgestrekt:

»Ga en zeg den onderkoning van Indië, dat Nana Sahib nog altijd in
leven is en dat hij dezen spoorweg, dat vervloekte gewrocht hunner
handen, in het bloed der veroveraars zal verdrinken!"






V.

DE IJZEREN REUS.


Wie beschrijft de verbazing der mannen, vrouwen en kinderen, van
Hindoes zoowel als van Engelschen, op den grooten weg van Calcutta
naar Chandernagor, toen zij in den vroegen morgen van den 6n Mei uit
een der laatste voorsteden van de hoofdstad van Indië, tusschen twee
dichte rijen nieuwsgierigen een vreemde equipage zagen te voorschijn
komen,--indien men althans dien naam kan geven aan den zonderlingen
toestel, die zich langs den oever der Hoogly voortbewoog.

Aan het hoofd en als de eenige beweegkracht van den trein, stapte
een reusachtige olifant, van twintig voet hoog, dertig lang en breed
naar evenredigheid, bedaard en geheimzinnig voort. Zijn snuit was half
omgebogen, als een énorme hoorn van overvloed, met het uiteinde in de
lucht. Zijne vergulde slagtanden staken buiten zijn ontzaglijk kakebeen
uit, gelijk aan twee dreigende zeisen. Over zijn donkergroen lichaam,
zonderling gevlekt, was een in ruime plooien afhangend kleed van
schitterende kleuren geslagen, afgezet met goud- en zilverdraadwerk,
omgeven door groote eikels van gedraaide franje. Zijn rug torste
een soort van prachtig versierd torentje, bekroond met een op de
Indische wijze rond koepeldak en welks wanden voorzien waren van
groote lensvormige glazen, veel gelijkende op de patrijspoorten
eener scheepskajuit.

Wat nu die olifant voorttrok, was een trein van twee énorme wagens,
of liever twee werkelijke huizen, een soort van rollende bungalows,
elk op vier raderen met sierlijk gebeeldhouwde naven, speken en
velgen. Deze wielen, waarvan men slechts het onderste segment zag,
bewogen zich in kasten, die half door het onderstel dezer énorme
bewegingstoestellen verborgen waren. Een van scharnieren voorzien
smal brugje, dat zich naar de beweging der wielen schikte, verbond
het eerste voertuig met het tweede.

Hoe kon nu een enkele olifant, hoe sterk ook, schijnbaar zonder
de minste moeite, deze twee zware gevaarten trekken? Hij deed het
evenwel, het wonderdier! Zijne dikke pooten lichtten zich op en
daalden automatisch neder met een echt mechanische regelmaat en hij
ging onmiddellijk van den stap in den draf over, zonder dat noch de
stem, noch de hand van een »mahout" zich deed hooren of zien.

Dat was voorzeker iets waarover de nieuwsgierigen zich moesten
verwonderen, indien zij zich althans op eenigen afstand hielden,
want, als zij dichter bij den kolos kwamen, ontdekten zij het geheim
en week hunne verbazing voor bewondering.

En inderdaad werd het oor onmiddellijk getroffen door een soort van
op de maat afgepast geloei, dat zeer veel overeenkomst had met het
eigenaardig geschreeuw van die reuzen der Indische fauna. Daarenboven
ontsnapte er in kleine tusschenpoozen uit de naar den hemel gerichte
tromp een schitterende rookwolk.

En toch was het zeer zeker een olifant! Zijn met vouwen en rimpels
bedekte, zwartachtig groene huid hield ongetwijfeld een dier machtige
beenderengestellen verborgen, waarmede de natuur de dikhuidigen
begiftigd heeft! Zijne oogen schitterden met een levendigen glans! Zijn
leden waren met beweging begaafd!

Doch, zoo de een of andere nieuwsgierige het gewaagd had de hand op het
ontzaglijke dier te leggen, was alles helder voor hem geworden. Het
was slechts een bewonderenswaardige oogbedrieger, een verrassende
navolging, met al de uiterlijke kenteekenen van het leven, zelfs
van dichtbij.

Werkelijk was die olifant van plaatijzer en hield inwendig een
weglocomotief verborgen, en wat den trein, het »Stoomhuis" betreft,
om de benaming te gebruiken, die hem toekomt, het was de door den
ingenieur beloofde rollende woning.

De eerste wagen of liever het eerste huis, diende tot woning voor
kolonel Munro, kapitein Hod, Banks en mij.

Het tweede huisvestte sergeant Mac Neil en de lieden, die het personeel
van den tocht uitmaakten.

Banks had zijne belofte gehouden, kolonel Munro de zijne en ziedaar
hoe men in den morgen van den 6n Mei, in die buitengewone equipage
vertrokken was om de noordelijke streken van het Indische schiereiland
te bezoeken.

Doch waartoe zulk een kunstmatige olifant? Waarom die fantasie,
in strijd met den praktischen geest der Engelschen? Tot nog toe was
het nooit bij iemand opgekomen om aan een locomotief, bestemd om,
hetzij op de groote straatwegen of op de rails der spoorbanen, te
circuleeren, de gedaante van een viervoetig dier te geven!

Het valt niet te ontkennen, dat we, voor 't eerst de wonderlijke
machine ziende, ten hoogste verbaasd stonden te kijken. Er kwam geen
einde aan de vragen, die onzen vriend Banks ten opzichte der machine
gedaan werden. Volgens zijne plannen toch en onder zijne leiding was
deze weglocomotief vervaardigd. Wie had hem de zonderlinge gedachte
ingeblazen haar tusschen de ijzeren wanden van een mechanischen
olifant te verbergen?

»Mijne vrienden," vergenoegde Banks zich zeer ernstig te antwoorden,
»kent ge den rajah van Bouthan?"

»Ik ken hem," antwoordde kapitein Hod, »of liever, ik kende hem,
want hij is nu sedert drie maanden overleden."

»Welnu, voor hij stierf," antwoordde de ingenieur, »was de rajah
van Bouthan niet alleen in leven, maar hij leefde heel anders
dan een ander. Hij was zeer op pracht gesteld, onder welken vorm
ook. Hij weigerde zich niets, niets namelijk van 't geen hem in
zijn hoofd opkwam. Hij bedacht het onmogelijke en indien zijn
beurs niet onuitputtelijk geweest ware, had zij werkelijk kans
gehad uitgeput te worden in de verwezenlijking zijner weelderige
fantasie. Hij was rijk als de nabobs van vroegere tijden. Zoo hij
ooit door eenige zorg gekweld werd, dan was het door de zorg hoe
zijne schatten iets minder alledaags te verteren dan zijne millioenen
rijke medebroeders. Nu kwam er eens een gedachte bij hem op, die zich
zoodanig van hem meester maakte, dat hij er niet meer van kon slapen,
een gedachte waarop Salomo trotsch zou geweest zijn, en die hij zeker
verwezenlijkt zou hebben, als hij den stoom gekend had: de gedachte
namelijk om op eene tot nog toe geheel nieuwe wijze te reizen, met
een equipage zooals nooit iemand er een had kunnen droomen. Hij
kende mij, liet mij aan zijn hof komen en teekende mij zelf het
plan van zijn voertuig. En als ge nu denkt, mijne vrienden, dat ik
in lachen uitbarstte bij het voorstel van den rajah, dan bedriegt ge
u! Ik begreep volkomen dat dit grootsche idée slechts in de hersenen
van een Hindoeschen souverein had kunnen opkomen, en 'k had van dat
oogenblik af slechts ééne begeerte, het zoodra mogelijk uit te voeren
op eene wijze, die mijn dichterlijken cliënt en mij zelven het best
kon bevredigen. Een ingenieur is niet alle dag in de gelegenheid
zijne krachten aan fantastische voorstellingen te beproeven en de
fauna der Apocalypsis of de schepping der Duizend en een Nacht met
een dier van eigen vinding te verrijken. En toch, de fantasie van den
rajah was uitvoerbaar. Ge weet wat men in werktuigkunde al doet, wat
men al kan doen en wat men eenmaal zal doen. Ik zette mij dus aan den
arbeid en in dit omhulsel van plaatijzer, dat een olifant voorstelt,
gelukte het mij den stoomketel, met het mechanisme en den tender van
een weglocomotief met zijn geheele toebehooren in te sluiten. De
gelede tromp, die naar goedvinden kan opgeheven en neergedrukt
worden, diende mij tot schoorsteen; door middel van een excentriek [5]
kon ik de beenen van mijn dier aan de wielen van mijn toestel
spannen; ik richtte de oogen in als de lensglazen van een vuurtoren,
teneinde op die wijze twee stralen electrisch licht te verspreiden
en daarmede was de kunstmatige olifant voltooid. Ik had meer dan eene
moeielijkheid moeten overwinnen, die niet dadelijk was opgelost. Het
gevaarte kostte mij vrij wat slapelooze nachten, zoodat mijn rajah,
die hoogst ongeduldig was en den meesten tijd van zijn leven in mijn
werkplaats doorbracht, kwam te sterven, voordat mijn olifant zijne
wandeling op de groote wegen van Indië kon beginnen. De ongelukkige
had den tijd niet gehad de proef van zijn rollend huis te nemen. Maar
zijn erfgenamen, minder fantastisch dan hij, beschouwden den toestel
met schrik en bijgeloof, als het werk van een krankzinnige. Zij
haastten zich dus er zich tegen een lagen prijs van te ontdoen en
daarom kocht ik alles voor rekening van den kolonel. Ge weet nu, mijne
vrienden, hoe en waarom wij alleen op de wereld, ik sta er voor in,
kunnen beschikken over een stoomolifant van tachtig paardenkracht,
of liever van tachtig olifanten van drie honderd kilogrammeters!"

»Bravo! Banks, bravo!" riep kapitein Hod uit. »Een ingenieur, die
daarenboven kunstenaar is, een dichter in ijzer en staal, dat mag
een witte raaf genoemd worden!"

»Toen nu de rajah dood was," antwoordde Banks, »en zijn equipage
teruggekocht, had ik den moed niet mijn olifant te vernietigen en
den locomotief zijn gewonen vorm terug te geven!"

»En je hebt volmaakt goed gehandeld!" hernam de kapitein. »Onze olifant
is prachtig! En wat zullen we een effect met dat reusachtige dier
maken, als het ons over de vlakten en door de jungles van Hindostan
voert! Een dergelijk denkbeeld kon alleen bij een rajah opkomen! Welnu,
wij zullen dat idée in praktijk brengen, niet waar, kolonel?"

Kolonel Munro had bijna geglimlacht. Dat stond gelijk met een volslagen
goedkeuring van de woorden des kapiteins. De reis werd dus vastgesteld
en dat was de reden, waarom een ijzeren olifant, eenig in zijn soort,
een kunstmatige Leviathan er toe gebracht werd de rollende woning te
trekken van vier Engelschen, inplaats van in groote staatsie een der
rijkste rajahs van het Indische schiereiland rond te leiden.

En hoe is nu deze weglocomotief ingericht, waaraan Banks vernuftig
al de verbeteringen der moderne wetenschap had aangebracht?

Tusschen de vier wielen strekt zich het geheele mechanisme,
cilinders, stangen, stoomschuiven, voedingspomp, excentrieken,
in het lichaam van den stoomketel geborgen, uit. Deze pijpketel
heeft zestig vierkante meters verwarmend oppervlak. Hij is geheel
bevat in het voorste gedeelte van het lichaam des olifants, welks
achterste gedeelte den tender verbergt, bestemd om het water en
de brandstof mede te voeren. De stoomketel en de tender, beiden op
hetzelfde gestel geplaatst, zijn alleen van elkander gescheiden door
een tusschenruimte voor den stoker. De machinist houdt zijn verblijf
in den toren, bestand tegen de kogels, welke toren boven het lichaam
van het dier uitkomt en waarin, in geval van een ernstigen aanval,
al onze manschappen zich zullen kunnen verschuilen. Onder de oogen van
den machinist bevinden zich de veiligheidskleppen en de manometer, die
de spanning van den stoom aangeven; binnen zijn bereik de regulator en
de gangkruk die hem dienen, de een om den aanvoer van stoom, de andere
om de beweging der stoomschuiven te regelen en bijgevolg den gang naar
voren of achteren van den toestel te bepalen. Uit dit torentje kan
hij door dikke lensvormige glazen den weg waarnemen, dien zij gaan,
terwijl een pedaal, die met de voorwielen in verband staat, deze
verstelt en het gevaarte de scherpste bochten en krommingen doet maken.

Veeren van het beste staal, aan de assen bevestigd, torsen den ketel
en den tender, om de schokken door de ongelijkheden van den grond
teweeggebracht, te temperen. Wat de wielen betreft, van beproefde
sterkte, zij zijn aan den omtrek van tanden voorzien, die in den
grond ingrijpen, hetgeen het slijten of doorslaan belet.

Zooals Banks ons mededeelde, is de nominale kracht der machine
tachtig paarden, die men evenwel tot honderd vijftig effectieve
kracht kan opvoeren, zonder vrees voor ontploffing. Deze machine,
samengesteld volgens de beginselen van het »stelsel Field," is
met dubbelen cilinder en veranderlijke uitzetting. Een hermetisch
gesloten omhulsel beveiligt het geheele mechanisme voor het stof der
wegen, dat het anders spoedig zou bederven. De voortreffelijkheid
dezer machine bestaat vooral hierin, dat zij weinig verbruikt en veel
voortbrengt. Inderdaad is het gemiddelde verbruik, in verhouding tot de
verkregen trekkracht, even voordeelig, hetzij men kool of hout stoke,
want de rooster van den vuurhaard is zoo ingericht, dat alle soorten
van brandstof kunnen gebruikt worden. Wat de normale snelheid van
dezen weglocomotief betreft, deze wordt door den ingenieur geschat
op vijf en twintig kilometers per uur, maar op een gunstig terrein,
zal hij het tot veertig brengen. De wielen kunnen, zooals wij zeiden,
niet gemakkelijk doorslaan, niet alleen door het ingrijpen hunner
vellingen in den grond, doch ook omdat de ophanging van den toestel
op veeren van uitstekende hoedanigheid, volkomen is en het gewicht,
dat door de schokken telkens ongelijk zou worden, daardoor overal
gelijkelijk verdeeld blijft. Daarenboven kunnen deze wielen gemakkelijk
vastgezet worden door een remtoestel met samengeperste lucht, die
het voertuig òf langzamerhand, òf bijna plotseling doet stilstaan.

Wat het vermogen der machine aangaat om tegen hellingen op te gaan,
dit is werkelijk merkwaardig. Banks heeft inderdaad de schoonste
resultaten verkregen door rekening te houden met het gewicht en het
voortdrijvend vermogen, op elken zuiger van zijn locomotief. Ook kan
hij gemakkelijk hellingen bestijgen van tien à twaalf centimeters
per meter,--'t geen aanzienlijk is.

Overigens zijn de wegen, door de Engelschen in Indië aangelegd en
die een net uitmaken van verscheidene duizenden mijlen, wezenlijk
prachtig. Zij leenen zich uitstekend voor deze soort van vervoer. Om
van geen anderen weg te spreken dan van den »Great Trunk Road", die
het geheele schiereiland doorsnijdt, deze strekt zich onafgebroken
twaalf honderd mijlen, of bij de twee duizend kilometers ver uit.

En nu, laat ons een en ander vertellen van het Stoomhuis, dat de
kunstmatige olifant voorttrok.

Banks toch had van de erfgenamen van den nabob, voor rekening van
kolonel Munro niet alleen den weglocomotief gekocht, maar ook den
trein, dien hij voorttrok. Wien zal het verwonderen, dat de rajah
van Bouthan hem geheel naar eigen vinding en in Hindoeschen trant had
laten vervaardigen? Ik noemde hem reeds een rollenden bungalow; hij
verdient dien naam ten volle en inderdaad mogen de twee wagens, waaruit
de trein bestaat, een wonder van de bouwkunst des lands genoemd worden.

Men stelle zich twee soorten van pagoden zonder minarets voor, met hare
dubbele, dikbuikige, ronde koepeldaken, hare uitstekende vensters, door
vierkante, platte, gebeeldhouwde zuilen gedragen, haar versiering in
veelkleurig lofwerk van kostbare houtsoorten, hare bevallig geteekende,
sierlijk gebogen omtrekken, de rijk aangebrachte veranda's, waarin
zij van voren en achteren uitloopen. Men zou gezegd hebben, dat het
twee aan den heiligen heuvel van Sonnaghur ontleende pagoden waren,
die, met elkander verbonden, door dien ijzeren olifant op sleeptouw
genomen, de groote wegen van Indië gingen bewandelen!

En, opdat er toch niets aan dit wonderbaarlijke voertuig zou ontbreken,
moet nog vermeld worden, dat het drijven kon. Het benedengedeelte toch
van het lichaam des olifants, de buik in een woord, die de machine
bevat, zoowel als het onderstel der twee rollende huizen, vormden
vaartuigen van licht plaatijzer. Deed er zich nu een stroom op zijn
weg voor, dan trad de olifant er in, de trein volgde hem en de pooten
van het dier, door de drijfstangen als schoepen in beweging gebracht,
sleepte het geheele stoomhuis over de rivieren en stroomen voort. Een
onschatbaar voordeel voorzeker in het uitgestrekte land van Indië,
door zooveel stroomen doorsneden, waarover de bruggen nog moeten
gelegd worden.

Zoodanig was dus die trein, eenig in zijn soort en zoodanig had de
zonderlinge rajah van Bouthan hem gewild. Maar, mocht Banks al aan de
fantasie van den rajah hebben toegegeven, die aan de beweegkracht den
vorm van een olifant en aan de rijtuigen de gedaante van pagoden gaf,
het inwendige had hij gemeend naar den Engelschen smaak te moeten
inrichten en daarbij in het oog gehouden, dat het een reis van langen
duur zou zijn. En hierin was hij volkomen geslaagd.

Het Stoomhuis bestond, zooals ik gezegd heb, uit twee wagens, die
inwendig niet minder dan zes meters breed waren. Zij overschreden
bijgevolg de assen der wielen, die slechts vijf meters breed waren. Op
zeer lange en buitengewoon buigzame veeren rustende, hadden zij evenmin
van schokken te lijden als de wagens op een goed aangelegden spoorweg.

De eerste wagen had een lengte van vijftien meters. Van voren
overschaduwde een sierlijke veranda, op lichte zuilen rustende, een
ruim balkon, dat gemakkelijk een tiental personen kon bevatten. Twee
vensters en een deur kwamen op het salon uit, daarenboven verlicht
door twee zijvensters. Dit salon, gemeubeld met een tafel en een
bibliotheek, in zijn geheele breedte voorzien van zachte divans, was
smaakvol versierd en met rijke stoffen behangen. Een dik Smyrna's
tapijt bedekte den vloer. »Tatti's," een soort van lichtschermen
van met bloemen versierd rietgras, voor de vensters gehangen en
onophoudelijk met welriekend water besproeid, onderhielden een
aangename frischheid, zoowel in het salon als in de kleinere
vertrekken. Aan de zoldering hing een »punka," die, terwijl de
trein op weg was, automatisch bewogen of gedurende de halten door
een dienaar heen en weder gezwaaid werd. Moest men niet met alle
mogelijke middelen het onaangename bestrijden eener temperatuur,
die gedurende zekere maanden van het jaar, in de schaduw boven vijf
en veertig graden C. rijst?

Achter in de zaal verleende een tweede deur, van kostbaar hout,
tegenover de deur der veranda, toegang tot de eetzaal, die haar licht
niet alleen ontving van de zijvensters, maar ook van een plafond
van mat glas. Rondom de in het midden geplaatste tafel, konden acht
gasten plaats nemen. Wij waren slechts met ons vieren en zouden het
dus ruim genoeg hebben. Buffetten en kredenstafeltjes, beladen met al
de weelde van zilverwerk, glazen en porceleinen voorwerpen, door het
Engelsche comfort vereischt, meubelden deze eetzaal. Het spreekt van
zelf, dat al de licht breekbare voorwerpen, half in bijzonder daartoe
vervaardigde inkervingen gevat, evenals dit aan boord van schepen
geschiedt, voor de schokken bewaard bleven, zelfs op de slechtste
wegen, ingeval onze trein ooit genoodzaakt werd zich op dezen te wagen.

De deur, achter in de eetzaal, kwam uit op een gang, die uitliep
op een achterbalkon, mede bedekt door een veranda. Langs dezen gang
bevonden zich vier kamers, zijdelings verlicht, een bed, een toilet,
een kleerkast, een divan bevattende en ingericht als de kajuiten van
de rijkste transatlantische paketbooten. De eerste kamer links werd
bewoond door kolonel Munro, de tweede rechts, door den ingenieur
Banks. Dan volgde rechts, op de kamer van den ingenieur, die van
kapitein Hod en de mijne links op die van kolonel Munro.

De tweede wagen, twaalf meters lang, bezat evenals de eerste, een
balkon met veranda, dat uitkwam op een groote keuken, aan iedere zijde
geflankeerd door twee provisiekamers, en natuurlijk voorzien van de
noodige keukengereedschappen. Deze keuken stond in verbinding met een
gang, die zich in het midden tot een vierkant vertrek verwijdde en
voor het personeel der expeditie een tweede eetzaal vormde, verlicht
door een vallicht in de zoldering. Aan de vier hoeken bevonden zich
vier kleine vertrekken, bewoond door sergeant Mac Neil, den machinist,
den stoker en den ordonnans van kolonel Munro; vervolgens waren er van
achteren nog twee andere vertrekjes, het eene bestemd voor den kok,
het andere voor den oppasser van kapitein Hod; eindelijk nog andere
vertrekken, die dienden tot berging van wapenen, tot ijskelder,
bagagekamer, enz., en allen uitkwamen op het verandabalkon van
achteren.

Men ziet dat Banks de twee rollende woningen van het Stoomhuis
doelmatig en gemakkelijk had ingericht. Zij konden 's winters
verwarmd worden door een toestel, waarvan de verwarmde lucht, door de
machine verschaft, door de kamers circuleerde, behalve twee kleine
schoorsteenen, die in het salon en de eetzaal geplaatst waren. Wij
waren dus in staat het barre jaargetijde te trotseeren, zelfs aan
den voet van de bergen van Thibet.

De belangrijke vraag der levensmiddelen was natuurlijk niet verzuimd en
we namen zooveel fijne verduurzaamde spijzen van allerlei aard mede,
dat het geheele personeel der expeditie er een jaar lang genoeg aan
zou gehad hebben. Het overvloedigst waren wij voorzien van vleesch
in blikken bussen van de beste merken, vooral gekookt en gestoofd
ossenvleesch, en van kippenpasteiën, waarvan het gebruik in Indië
zoo algemeen verspreid is.

Ook aan melk zou het ons niet ontbreken voor het ontbijt in den
vroegen morgen, dat het eigenlijke ontbijt voorafgaat, ook niet
aan bouillon voor de »tiffin," (het tweede ontbijt) die het diner
des avonds voorafgaat, dank zij de nieuwe toebereidingen, die het
mogelijk maken, dat men ze geconcentreerd op reis medeneemt.

Na de melk tot deegachtige consistentie uitgedampt te hebben,
wordt zij in hermetisch dichte bussen gesloten van vier honderd
vijftig gram inhoud, die drie kan vloeistof kunnen opleveren
door de bijvoeging van het vijfvoudig gewicht aan water. In dezen
toestand komt zij in samenstelling overeen met normale melk van goede
hoedanigheid. Hetzelfde resultaat wordt verkregen met den bouillon,
die, na op dezelfde wijze geconserveerd en tot tabletjes gevormd te
zijn, opgelost uitmuntende soepen geeft.

Wat het ijs aangaat, zoo nuttig in die heete luchtstreek, het was
ons gemakkelijk het in weinige oogenblikken te maken, door middel
van den toestel van Carré, die de verlaging der temperatuur door
de verdamping van vloeibaar ammoniakgas bewerkt. Een der kleinere
vertrekken van achteren was zelfs tot ijskelder ingericht en hetzij
door de verdamping van den ammoniak, hetzij door de vervluchtiging van
den methylether, kon de opbrengst onzer jachten onbepaald geconserveerd
worden, dank zij de toepassing der methode van een Franschman,
mijn landgenoot Ch. Tellier. Men zal moeten toestemmen, dat dit een
kostbare hulpbron was, die in alle omstandigheden levensmiddelen van
de beste hoedanigheid ter onzer beschikking stelde.

Wat de dranken betreft, ook hiervan was de kelder goed
voorzien. Fransche wijnen, verschillende soorten van bier, brandewijn,
arak, hadden allen afzonderlijke plaatsen en waren in voldoende
hoeveelheid voorhanden voor de eerste behoeften.

Wij moeten overigens opmerken, dat onze reisweg ons niet belangrijk van
de bewoonde provinciën van het schiereiland zou verwijderen. Men stelle
zich ook vooral Indië niet als een woestijn voor. Mits men de ropijen
niet spaart, kan men er zich niet alleen het noodige, maar meer dan
dat verschaffen. Het zou kunnen zijn dat, als wij in de noordelijke
streken, aan den voet van het Himalaya-gebergte overwinteren, we aan
onze eigen hulpmiddelen zullen overgeleverd zijn. Doch ook in dat
geval zouden we aan al de behoeften van een comfortable levenswijze
kunnen voldoen. De praktische geest van onzen vriend Banks had alles
voorzien, en men kon zich voor de zorg ons onder weg te proviandeeren,
gerust op hem verlaten.

Ziehier nu het plan dezer reis,--een plan, dat in beginsel werd
vastgesteld, uitgenomen de weinige wijzigingen, die onvoorziene
omstandigheden er in konden brengen:

Te vertrekken van Calcutta langs de vallei van den Ganges naar
Allahabad; door het koninkrijk Oude in de richting van het noorden
verder te gaan, teneinde de eerste berghellingen van Thibet te
bereiken, gedurende eenige maanden nu eens hier, dan weder daar te
kampeeren, het daarbij kapitein Hod gemakkelijk makende zijne jachten
te organiseeren, om vervolgens weder naar Bombay af te zakken.

Dat was bijna negen honderd mijlen af te leggen. Doch ons huis en
zijn geheele personeel reisden met ons. Wie zou er iets tegen hebben
om onder dergelijke omstandigheden meermalen de reis om de wereld
te maken?






VI.

EERSTE HALTEN.


Den 6n Mei had ik met het aanbreken van den dag het hotel Spencer
verlaten, een der beste van Calcutta, alwaar ik sedert mijn komst in de
hoofdstad van Indië mijn verblijf had gevestigd. Deze groote stad had
nu voortaan geene geheimen meer voor mij. Morgenwandelingen, te voet,
gedurende de eerste uren van den dag, avondwandelingen, per rijtuig,
in het Strand, tot het voorplein van het fort William, te midden van
de prachtige équipages der Europeanen, die de niet minder prachtige
rijtuigen der dikke, vette inlandsche baboes (Bengaalsche burgers)
vrij minachtend kruisen; tochten door de merkwaardige neringdoende
straten, die zeer juist den naam van bazars dragen; bezoeken aan de
velden waar de dooden tot asch verbrand worden, aan de oevers van den
Ganges, aan de botanische tuinen van den natuurkundige Hooker, aan
»mevrouw Kâli", de vreeselijke vrouw met vier armen, de wreede godin
des doods, die zich in een kleinen tempel van een der voorsteden
verbergt, waar de moderne beschaving hand aan hand gaat met de
inlandsche barbaarschheid. Het paleis beschouwen van den onderkoning,
dat juist tegenover het hôtel Spencer gelegen is; het zonderlinge
paleis bewonderen van Chowringhi Road en den Town-Hall, gewijd aan
de herinnering der groote mannen van onzen tijd; in bijzonderheden
de belangwekkende moskee van Hoogly bestudeeren; langs de haven te
wandelen, bezaaid met de schoonste koopvaardijschepen der Engelsche
marine; afscheid te nemen eindelijk van de arghila's, adjudanten of
wijsgeeren,--die vogels hebben zooveel namen!--die belast zijn met
het schoonhouden der straten en met de openbare gezondheid der stad,
dat alles was verricht en mijn vertrek was bepaald.

Dien morgen dus kwam een palki-ghari, een soort van slecht rijtuig met
twee paarden en op vier wielen,--dat onder de fraaie en gemakkelijke
producten der Engelsche rijtuigfabrieken onwaardig was zich te
vertoonen,--mij op het plein van het Gouvernement afhalen, om mij even
daarna aan de deur van den bungalow van kolonel Munro af te zetten.

Een honderd schreden verder buiten de voorstad, stond onze trein
ons af te wachten. We hadden alleen nog maar te verhuizen,--in de
eigenlijke beteekenis van het woord.

Het spreekt van zelf, dat onze bagage vooraf in de daartoe afzonderlijk
ingerichte bergplaats was overgebracht. We namen trouwens niets dan
het hoognoodige met ons. Wat evenwel wapens aangaat, had kapitein
Hod gemeend het met niet minder dan met vier Enfield-karabijnen, met
ontplofbare kogels, vier jachtgeweren en twee eendenroeren te kunnen
stellen, behalve nog een zeker aantal geweren en revolvers,--genoeg
om al onze lieden te wapenen. Al die oorlogswapenen bedreigden meer
de wilde dieren dan het eenvoudige wild voor de keuken, doch men zou
dit den Nimrod onzer expeditie niet gemakkelijk aan zijn verstand
hebben kunnen brengen.

Kapitein Hod was overigens verrukt! Het pleizier zijn kolonel aan
zijne eenzame levenswijze te ontrukken, de vreugde naar de noordelijke
provinciën van Indië te vertrekken, in een equipage zonder weerga,
het vooruitzicht van buitengewone jachtoefeningen, jachttochten,
jachtavonturen in het Himalaya-gebergte, dit alles lachte hem toe,
wond hem op en uitte zich door onophoudelijke uitroepen en stevige
handdrukken.

Het uur van vertrek had geslagen. De stoom had de noodige drukking, de
machine stond gereed om dienst te doen. De machinist was op zijn post,
met de hand op den regulateur. De gewone stoomfluit deed zich hooren.

»Vooruit!" riep kapitein Hod, zijn hoed zwaaiende. »IJzeren Reus,
vooruit!"

De IJzeren Reus, waarmede onze opgewonden vriend,
de bewonderenswaardige beweegkracht van onzen trein bestempelde,
verdiende dien naam terecht en bleef haar bij.

Een woord over het personeel der expeditie, dat het tweede rollende
huis bewoonde:

De machinist Storr, een Engelschman, behoorde tot de Compagnie van
den »Great Southern of India," die hij nog maar sedert weinige maanden
verlaten had. Banks kende hem als zeer bekwaam en had hem in den dienst
van kolonel Munro doen overgaan. Het was een man van veertig jaar,
handig werkman, zeer op de hoogte van alles wat zijn vak betrof,
en die ons groote diensten zou bewijzen.

De stoker heette Kâlouth. Hij behoorde tot de door de
Spoorwegcompagnieën zoo gezochte klasse van Hindoes, die ongestraft
de tropische hitte van Indië, nog verhoogd door de hitte van hun
stoomketel, kunnen verdragen. Ditzelfde is het geval met de Arabieren
waaraan de Compagnieën van zeetransporten op den tocht door de
Roode Zee den dienst als stoker toevertrouwen. Deze goede menschen
vergenoegen zich met zich slechts te laten koken, waar de Europeanen
in eenige oogenblikken zouden braden. Ook dit was een goede keus.

De ordonnans van kolonel Munro was een Hindoe van vijf en dertig
jaar, van het ras der Gourgkhas, Goûmi genaamd. Hij behoorde tot het
regiment, dat als een bewijs van goede discipline, het gebruik der
nieuwe munitie aannam, die aanleiding gaf of althans het voorwendsel
was van de omwenteling der Sipayers. Klein, vlug, welgemaakt,
van beproefde getrouwheid, droeg hij nog de zwarte uniform van de
»riflebrigade", waaraan hij gehecht was als aan zijn eigen huid.

Sergeant Mac Neil en Goûmi waren met ziel en lichaam gehecht aan
kolonel Munro.

Na in al de oorlogen van Indië aan zijne zijde gestreden te hebben,
na hem te hebben bijgestaan in zijne vruchtelooze pogingen om Nana
Sahib weder te vinden, hadden zij hem in zijne afzondering gevolgd
en zouden hem nimmermeer verlaten.

Was Goûmi de ordonnans van den kolonel, Fox,--een echte Engelschman,
zeer vroolijk, zeer spraakzaam,--was de oppasser van kapitein Hod,
en niet minder hartstochtelijk jager dan hij. De goede jongen had
zijn betrekking voor geen andere, welke ook, willen verruilen. Zijn
slimheid maakte hem den naam dien hij droeg waardig. Fox! Vos! maar
een vos, die zeven en dertig tijgers gedood had,--drie minder dan
zijn kapitein. Hij dacht het er trouwens niet bij te laten.

Om van het geheele personeel der expeditie een woord te zeggen, mogen
we onzen kok niet onvermeld laten, die tusschen de twee provisiekamers,
in het voorste gedeelte van het tweede huis, het bevel voerde. Hij
was een neger van Franschen oorsprong en had reeds onder alle
breedten gebraden en gestoofd. »Monsieur Parazard" verbeeldde zich
geen alledaagsch bedrijf, maar een ambt van het grootste gewicht uit
te oefenen. Met de deftigheid van een paus stapte hij van het eene
fornuis naar het andere en bestrooide met de nauwkeurigheid van een
scheikundige, zijne spijzen met peper, zout en de andere specerijen,
die den smaak zijner geleerde preparaten moesten verhoogen. Maar,
»monsieur Parazard" was bekwaam en zindelijk en daarom vergaf men
hem gaarne deze keukenijdelheid.

Dus bestond de expeditie, die de IJzeren Reus met zijn uit twee
rollende huizen bestaanden trein naar het noorden van het schiereiland
medevoerde, uit de heeren sir Edward Munro, Banks, kapitein Hod en mij
van de eene zijde en Mac Neil, Storr, Kâlouth, Goûmi, Fox en »monsieur
Parazard" van de andere,--te zamen dus uit tien personen. Men vergete
daarbij niet de twee honden Phann en Black, wier hoedanigheden de
kapitein op de jacht van allerlei wild niet genoeg kon roemen.

Bengalen is misschien, zooal niet het belangrijkste, dan toch zeker
het rijkste presidentschap van Hindostan. Het is het eigenlijke
land der rajahs niet, hetgeen meer bijzonder het middelpunt van dit
uitgestrekte Koninkrijk uitmaakt; doch deze provincie beslaat een
zeer bevolkt grondgebied, dat misschien beschouwd kan worden als
het ware land der Hindoes. Zij strekt zich ten noorden uit tot de
ontoegankelijke grenzen van het Himalaya-gebergte en onze reisweg
zou haar in schuinsche richting doorsnijden.

Na over de het eerst te houden halten beraadslaagd te hebben, waren
wij het allen omtrent dit punt eens geworden: gedurende eenige mijlen
langs den oever der Hoogly, een arm van den Ganges, waaraan Calcutta
gelegen is op te klimmen, de Fransche stad Chandernagor rechts te laten
liggen, van daar langs den spoorweg tot Burdwan te gaan, daarna schuins
Béhar te doortrekken, om den Ganges later te Bénares weder te vinden.

»Mijne vrienden," had kolonel Munro gezegd, »ik laat het geheel aan
u over welken weg wij nemen zullen.... Laat mij er buiten. Handelt
daaromtrent zooals gij goedvindt."

»Maar mijn waarde Munro," antwoordde Banks, »ge moest ons althans
ook uw meening zeggen...."

»Neen, Banks," hernam de kolonel, »'k ben volkomen onverschillig
daaromtrent en heb waarlijk niet de minste voorliefde tot het bezoeken
van de eene provincie boven de andere. Eén vraag evenwel: welke
richting denkt ge te nemen, als we Bénares zullen bereikt hebben?"

»De richting naar het noorden!" riep kapitein Hod onstuimig uit,
»den weg, die rechtstreeks door het koninkrijk Oude naar den voet
der Himalaya voert!"

»Welnu, mijne vrienden, op dit oogenblik...." antwoordde kolonel
Munro, »zal ik u misschien vragen om.... Doch, we zullen er over
spreken als het tijd zal zijn. Gaat vooreerst, zooals het u goeddunkt!"

Dit antwoord van Sir Edward Munro verwonderde mij wel eenigszins. Wat
meende hij toch? Had hij slechts toegestemd om die reis te ondernemen
met de gedachte, dat het toeval hem misschien beter zou dienen dan
zijn wil het vermocht had? Zeide hij bij zich zelven dat, indien Nana
Sahib niet dood was, hij hem misschien zou kunnen wedervinden in het
Noorden van Indië? Hoopte hij nog altijd zich te kunnen wreken? Wat
mij aangaat, ik had als een voorgevoel dat een verborgen gedachte den
kolonel Munro bezielde en het scheen me toe dat sergeant Mac Neil in
het geheim van zijn meester moest zijn.

Gedurende de eerste uren van dezen morgen, waren wij bijeen in het
salon van het Stoomhuis. De deur en de twee vensters der véranda
waren geopend en de punka, de lucht in beweging brengende, maakte de
temperatuur draaglijker.

De IJzeren Reus werd door den regulateur van Storr zoodanig in bedwang
gehouden, dat men niet sneller ging dan een kleine mijl per uur en
dit was op het oogenblik snel genoeg voor reizigers, die gaarne het
land wilden zien, dat zij doorreisden.

Bij het verlaten der voorsteden van Calcutta, werden wij gevolgd door
een zeker aantal Europeanen, die onze equipage verbaasd opnamen en
door een menigte Hindoes, die haar met een soort van bewondering, met
vrees gemengd, aanstaarden. Deze menigte was gaandeweg verminderd,
maar wij ontsnapten niet aan de bevreemding der voorbijgangers,
die hunne bewonderende wahs! wahs! uitten. Het spreekt van zelf dat
al deze uitroepen minder de twee prachtige wagens golden dan den
reusachtigen olifant, die ze trok, onder het onophoudelijk uitbraken
van wolken stoom.

Te tien uur werd de tafel aangerecht in de eetzaal en deden wij eer aan
het ontbijt van »monsieur Parazard," minder geschud voorzeker dan we
't zouden geweest zijn in een wagon-salon eerste klasse.

De weg, dien onze trein volgde, liep toen langs den linkeroever
der Hoogly, de meest westelijke der talrijke armen van den Ganges,
die te zamen het warnet vormen van den delta der Sunderbunds. Dit
geheele gedeelte van het grondgebied is van alluviaal-formatie.

»Wat ge daar ziet, mijn waarde Maucler," zei Banks tot mij, »is
een verovering van den heiligen stroom op de niet minder heilige
Bengaalsche golf. Een quaestie van tijd. Er is misschien geen enkel
deeltje van dezen grond, dat niet van het Himalaya gebergte gekomen is,
overgebracht door den Gangesstroom. De stroom heeft allengs den berg
afgekabbeld om er den bodem dezer provincie mede samen te stellen,
waar hij zich een bedding gevormd heeft...."

»Die hij dikwijls verlaat voor een ander!" voegde Kapitein Hod er
bij. »Ja, hij is luimig, fantastisch, wonderlijk, die Ganges! Men
bouwt een stad aan zijn oevers en eenige eeuwen later, is de stad
midden in een vlakte gelegen, zijn de kaden droog en is de stroom
van richting en van monding veranderd! Zoo ging het met Rajmahal,
zoo met Gaur, die beiden vroeger door den ongetrouwen stroom bespoeld,
nu te midden van de dorre rijstvelden der vlakte van dorst omkomen!"

»En!" antwoordde ik, »moet men niet vreezen dat ook Calcutta een
dergelijk lot beschoren is?"

»Wie weet?"

»Wel! zijn wij er dan niet?" antwoordde Banks. »'t Is maar een quaestie
van dijken! Als 't noodig is, zullen de ingenieurs de overstroomingen
van dien Ganges wel weten te bedwingen! Men zal hem het dwangbuis
aantrekken!"

»Gelukkig voor u, waarde Banks," antwoordde ik, »dat de Hindoes u
zoo niet hooren spreken over hun heiligen stroom! Ze zouden het u
nooit vergeven!"

»Werkelijk," antwoordde Banks, »is de Ganges een zoon van God, als
hij God zelf niet is, en niets van 't geen hij doet, is kwaad in
hunne oogen!"

»Zelfs de koortsen, de cholera, de pest niet, die hij in endemischen
toestand onderhoudt!" riep kapitein Hod uit. »Het is waar, dat de
tijgers en de krokodillen, waarvan het in de Sunderbunds krioelt, er
niet te slechter om varen. Integendeel? Men zou waarlijk zeggen, dat
de verpeste lucht die dieren goed doet, als de zuivere lucht van ons
sanitarium de Engelsch-Indiërs gedurende het warme jaargetijde. O! die
roofdieren!--Fox?" zei Hod, zich naar zijn oppasser omkeerende,
die de tafel afnam.

»Kapitein?" antwoordde Fox.

»Heb je daar je zevenendertigste niet gedood?"

»Ja, kapitein, twee mijlen van de haven van Canning," antwoordde
Fox. »'t Was op een avond...."

»Genoeg, Fox!" hernam de kapitein, een groot glas grog ledigende,
»'k ken de geschiedenis van den zevenendertigsten. Die van den
achtendertigsten zou me meer belang inboezemen!"

»De achtendertigste is nog niet dood, kapitein!"

»Je zult hem dooden, Fox, zooals ik mijn eenenveertigsten!"

Men ziet dat in de gesprekken van kapitein Hod en zijn oppasser het
woord »tijger" nooit werd uitgesproken. Het was onnoodig, de twee
jagers begrepen elkander.

Intusschen versmalde zich de bedding der Hoogly, die bij Calcutta
bijna een kilometer breed is, al naarmate wij verder gingen. Boven
de stad zijn de oevers vrij laag en heerschen er maar al te dikwijls
geduchte cyclonen, die hunne verwoestingen over de geheele provincie
uitstrekken. Geheele wijken worden vernietigd, honderden huizen
verpletterd, onmetelijke bebouwde velden verwoest, duizenden lijken
bedekken steden en velden; dat zijn de rampen, die deze onweerstaanbare
natuurverschijnselen na zich sleepen en waarvan de cycloon van 1864
een der noodlottigste voorbeelden opleverde.

Men weet dat het klimaat van Indië drie seizoenen bezit: het
regenseizoen, het koude en het heete jaargetijde. Dit laatste is
het kortste, maar ook het moeielijkst te verdragen. Maart, April en
Mei zijn bijzonder ongunstige maanden. Onder allen is Mei de heetste
maand. Door in dezen tijd gedurende zekere uren van den dag de zon
te trotseeren, waagt men zijn leven,--althans de Europeanen. Het
is inderdaad niet zeldzaam dat de thermometer, zelfs in de schaduw,
tot honderd zes graden Fahrenheit (ongeveer 41° C) rijst.

»De menschen," zegt de Valbezen, »blazen dan als droezige paarden
en gedurende den oorlog tegen de rebellen, moesten officieren en
soldaten hun toevlucht tot stortbaden op het hoofd nemen ten einde
congestie te voorkomen."

Nochtans hadden we, dank zij den snellen gang van het Stoomhuis,
de door het zwaaien der punka in voortdurende beweging verkeerende
lucht, den vochtigen dampkring, die door de telkens besproeide
lichtschermen van rietgras circuleerde, niet al te veel van de warmte
te lijden. Daarenboven was het regenseizoen, dat van de maand Juni tot
de maand October duurt, niet ver meer verwijderd en het was te vreezen,
dat het onaangenamer zou zijn dan het heete jaargetijde. Doch, alles
wel beschouwd, hadden we in de omstandigheden waaronder onze reis
zich voordeed, niets ernstigs te vreezen.

Tegen een uur 's namiddags, kwamen we na een heerlijk niet al te snel
ritje te Chandernagor aan.

Ik had dit hoekje land,--het eenige in het presidentschap Bengalen,
dat nog aan Frankrijk behoort, reeds vroeger bezocht. Deze stad,
waar nog altijd de driekleur woei en die het recht niet heeft
meer dan vijftien soldaten voor hare bewaking te houden, deze oude
mededingster van Calcutta gedurende de worsteling in de XVIIIe eeuw,
is tegenwoordig zeer van hare grootheid vervallen, zonder nijverheid,
zonder handel, de bazars verlaten, haar fort ledig. Misschien ware
Chandernagor er een weinig boven opgekomen, zoo de spoorweg van
Allahabad de stad doorkruist of althans langs hare muren geloopen
had; doch bij al de moeilijkheden door het Fransche gouvernement
de Engelsche compagnie in den weg gelegd, heeft deze den weg een
schuinsche richting moeten geven, teneinde ons grondgebied om te gaan
en daardoor heeft Chandernagor de eenige gelegenheid verloren eenig
commercieel gewicht te herwinnen.

Onze trein kwam dus de stad niet binnen. Hij hield op drie mijlen van
daar, op den weg, bij den ingang van een bosch van waaierpalmen. Toen
het kamp geheel was ingericht, zou men gezegd hebben dat er een
begin van een dorp op deze plaats in aanbouw was. Maar het dorp
was beweeglijk en hernam den volgenden dag, 7 Mei, den afgebroken
marsch, na een rustigen nacht in onze gemakkelijke en goed ingerichte
vertrekken te hebben doorgebracht.

Gedurende deze halt had Banks de brandstof laten hernieuwen. Alhoewel
de machine weinig verteerd had, was hij er op gesteld dat de tender
altijd zijn vollen last inhield, namelijk water, hout of kolen genoeg
om zestig uren achtereen te stoomen.

Dezen regel bleven kapitein Hod en zijn getrouwe Fox niet in gebreke
op zichzelven toe te passen en hun vuurhaard,--ik meen hun maag,
die een groote verwarmingsoppervlakte aanbood,--was steeds voorzien
van de stikstofrijke brandstof, onmisbaar om de menschelijke machine
goed en lang te laten loopen.

Dezen keer moest de halt langer duren. We zouden twee dagen reizen
en twee nachten rusten, teneinde den 9n Burdwan te bereiken en deze
stad dien dag te bezoeken.

Ten 6 ure 's morgens liet Storr met een scherp, doordringend gefluit
eenigen stoom ontsnappen en den IJzeren Reus een snelleren gang
aannemen dan den vorigen dag.

Gedurende eenige uren hadden wij langs den spoorweg gereden, die
over Burdwan te Rajmahal naar de vallei van den Ganges loopt, dien
hij dan tot aan de andere zijde van Bénares volgt. De trein van
Calcutta kwam in volle vaart voorbij. Hij scheen ons uit te dagen
door de bewonderende uitroepen der reizigers. Wij beantwoordden hunne
uitdaging niet. Zij mochten sneller gaan dan wij, gemakkelijker en
aangenamer voorzeker niet!

Het land, dat gedurende die twee dagen doorkruist werd, was
onveranderlijk vlak en daardoor vrij eentonig. Hier en daar werd de
eentonigheid afgebroken door eenige buigzame kokosboomen, die, aan de
andere zijde van Burdwan, eindelijk ook achterbleven. Deze boomen,
tot de groote familie der palmboomen behoorende, bevinden zich bij
voorkeur in de nabijheid der kust en ademen gaarne de zeelucht in,
zoodat men ze in Centraal-Indië te vergeefs zal zoeken. Doch de flora
van het binnenland is er niet te minder belangrijk en rijk om.

Aan elken kant van den weg was het in den eigenlijken zin des woords
slechts een onmetelijk schaakbord van rijstvelden, die zich in het
verre verschiet verloren. De bodem was verdeeld in vier hoeken als de
zoutmoeren of de oesterparken eener kuststreek. Doch de groene kleur
had de overhand en de oogst beloofde rijk te zijn op dien vochtigen,
warmen bodem, die van een verbazende vruchtbaarheid getuigde.

Den volgenden avond hield het gevaarte met de grootste nauwkeurigheid,
op het vooraf bepaalde uur voor de poorten van Burdwan op.

Uit een administratief oogpunt is deze stad de hoofdplaats van
een Engelsch distrikt, maar het distrikt is het eigendom van een
maharajah, die niet minder dan tien millioen aan belasting aan de
regeering betaalt. De stad bestaat grootendeels uit lage huizen,
van elkander afgescheiden door fraaie lanen van boomen, kokosboomen
en pinangpalmen. Deze lanen waren breed genoeg om door onzen trein
bereden te kunnen worden. We sloegen dus op een bekoorlijke plek,
waar het schaduwrijk en frisch was, ons kamp op. Dien avond telde de
hoofdstad van den maharajah een kleine wijk te meer, ons draagbaar
gehucht namelijk, ons dorp van twee huizen en we zouden het niet
geruild hebben tegen het geheele kwartier waar het prachtige paleis
van Engelsch-Indische bouwkunst van Burdwan's souverein zich verheft.

Men kan zich voorstellen, dat onze olifant daar de gewone uitwerking
had, namelijk die van een soort van bewondering met schrik gemengd;
van alle kanten kwamen de goede Bengaalsche burgers aangeloopen,
blootshoofds, de haren geknipt à la Titus en niets anders voor kleeding
dan, de mannen een schortje om de lendenen, de vrouwen een wit hemd,
waarin zij van het hoofd tot de voeten gehuld waren.

»'k Heb slechts eene vrees!" zei kapitein Hod, »dat de maharajah onzen
IJzeren Reus zal willen koopen en er ons zulk een buitensporigen
prijs voor biedt, dat we wel verplicht zijn hem aan zijn Hoogheid
te verkoopen!"

»Nooit!" riep Banks uit. »'k Zal hem een anderen olifant maken, als
hij wil, en dan zoo énorm, dat hij zijn heele hoofdstad van 't eene
einde van zijn land naar 't andere zal kunnen medenemen! Maar den onzen
verkoopen we niet, al biedt hij er nog zooveel voor, niet waar, Munro?"

»Al wil hij er nog zooveel voor geven!" antwoordde de kolonel op den
toon van iemand, dien het aanbod van een millioen niet zou kunnen
overhalen.

Gelukkig evenwel behoefde er over den aankoop van onzen kolos niet
beraadslaagd te worden. De maharajah was niet te Burdwan. Het eenige
bezoek, dat we ontvingen was dat van zijn »kâmdar," een soort van
geheim-secretaris, die onze equipage eens kwam bekijken. Toen dit
afgeloopen was, bood dit personage ons aan,--en dit aanbod werd gaarne
aangenomen,--de tuinen van het paleis te gaan zien, beplant met de
heerlijkste planten der tropische gewesten, besproeid door het water
uit vijvers of uit beken, die in alle richtingen heen liepen, het
park te bezoeken, versierd met hier en daar schilderachtig geplaatste
kiosken, bekleed met groene grasperken, bevolkt door reeën, herten,
olifanten, vertegenwoordigers der huisdieren, en door tijgers, leeuwen,
panters, beren, vertegenwoordigers der wilde dieren, die in prachtige
menagerieën verblijf hielden.

»Tijgers in kooien als vogels, kapitein!" riep Fox uit. »Hoe treurig
toch!"

»Ja, Fox!" antwoordde de kapitein. »Als men hen ondervroeg, die
goede beesten, zouden ze liever in de jungles rondzwerven.... zelfs
op geweerschots afstand!"

»Of ik dat begrijp, kapitein!" antwoordde de oppasser, een zucht
loozende.

Den volgenden morgen, 10 Mei, verlieten we Burdwan. Het Stoomhuis,
goed van alles voorzien, ging weder op weg, dwars de rails over, in
rechtstreeksche richting naar Ramghur, eene stad op vijf en zeventig
mijlen ongeveer van Calcutta gelegen.

Wel is waar liet deze reisweg rechts de belangrijke stad Mourchedabad
liggen, die noch in haar Indisch, noch in haar Engelsch gedeelte iets
bijzonders aanbiedt; Monghir, een soort van Birmingham in Hindostan,
op een voorgebergte genesteld, dat den heiligen stroom bestrijkt;
Patna, de hoofdstad van het koninkrijk Béhar, dat we schuins zouden
doortrekken, een rijke stapelplaats voor het opium en die dreigt
te verdwijnen onder den rijkdom van klimplanten, waarvan de flora
krioelt. Doch het kwam ons beter uit een meer zuidelijke richting te
volgen, twee graden beneden de vallei van den Ganges.

Op dit gedeelte van de reis, werd de IJzeren Reus iets meer aangezet
en in een lichten draf gebracht, waaruit wij de uitmuntende inrichting
onzer opgehangen huizen leerden op prijs stellen. De weg was overigens
best en leende zich goed tot de proefneming. Zouden de roofdieren
verschrikt geworden zijn bij de passage van den reusachtigen olifant,
rook en stoom uitbrakende? Mogelijk wel! Zeker is het, dat we tot
groote verbazing van kapitein Hod er te midden der jungles dezer streek
geen een zagen. Doch het was in de noordelijke streken van Indië en
niet in de provincies van Bengalen, dat hij zijn lust tot jagen wilde
botvieren en hij dacht er daarom nog niet over zich te beklagen.

Den 15n Mei bevonden wij ons bij Ramghur, op vijftig mijlen omstreeks
van Burdwan verwijderd. De gemiddelde snelheid was vijftien mijlen
op de twaalf uren geweest, niet meer.

Drie dagen later, den 18n, hield de trein honderd kilometers verder,
bij de kleine stad Chittra stil.

Geen enkel bijzonder toeval had dit gedeelte van de reis gekenmerkt. De
dagen waren warm, maar hoe heerlijk was de siesta onder beschutting
der veranda's! Wij brachten er de heetste uren van den dag in een
aangenaam farniente door.

Des avonds hielden Storr en Kâlouth onder toezicht van Banks zich bezig
met het schoonmaken van den stoomketel en het onderzoeken der machine.

Gedurende dien tijd gingen kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox,
Goûmi en de twee staande honden, in den omtrek van het kamp jagen. Dit
betrof alleen nog maar het kleine wild, doch al trok de kapitein er
als jager zijn neus voor op, als lekkerbek kon hij er zich goed mede
vereenigen en den volgenden middag telde het menu van den maaltijd tot
zijn groot genoegen en niet minder tot dat van »monsieur Parazard" een
paar smakelijke schotels meer, die onze verduurzaamde levensmiddelen
bespaarden.

Soms ook bleven Goûmi en Fox achter om als houthakkers en waterdragers
dienst te doen. Men moest immers den tender van nieuwen voorraad
voorzien voor den volgenden dag. Ook koos Banks zooveel mogelijk de
halten aan den oever van de beek en in de nabijheid van een bosch. Deze
noodzakelijke proviandeering had plaats onder het toezicht van den
ingenieur, die geen enkele bijzonderheid verzuimde.

Wanneer dan alles in orde was, staken we onze sigaren aan,--uitmuntende
»cherouts" van Manilla,--en rookten we, steeds over het land pratende,
dat Hod en Banks tot in de minste bijzonderheden kenden. Wat den
kapitein betreft, hij versmaadde de nietige sigaar en haalde met zijne
krachtige longen, door een twintig voet lange buis, den aromatischen
rook op van een zorgvuldig door de hand van zijn oppasser gestopten
»houka."

We zouden zeer gaarne gezien hebben, dat kolonel Munro ons op die korte
tochten in den omtrek van het kamp vergezeld had. Nooit verzuimden
we 't dan ook het hem op het oogenblik van ons vertrek te vragen,
doch even standvastig wees hij ons aanbod van de hand en bleef met
sergeant Mac Neil achter. Beiden wandelden dan op den weg een honderd
passen heen en weder. Zij spraken weinig, maar zij schenen elkander
opperbest te verstaan en behoefden geene woorden te wisselen om
gedachten te wisselen. Zij waren beiden geheel verdiept in noodlottige
herinneringen, die door niets konden uitgewischt worden. Wie weet zelfs
of die herinneringen zich niet verlevendigden, naarmate sir Edward
Munro en de sergeant het tooneel van den bloedigen opstand naderden.

Blijkbaar had de een of andere gedachte, die wij eerst later zullen
leeren kennen en niet de eenvoudige begeerte zich niet van ons te
scheiden, den kolonel Munro overgehaald zich bij deze expeditie
in Noord-Indië aan te sluiten. Banks en kapitein Hod deelden mijne
zienswijze ten dezen opzichte. Ook vroegen wij ons niet zonder eenige
ongerustheid in de toekomst af of die ijzeren olifant op zijn tocht
door de vlakten van het schiereiland geen treurspel met zich voerde.






VII.

DE BEDEVAARTGANGERS VAN DEN PHALGOU.


Béhar vormde in vroegere eeuwen het rijk van Magadha. Het was een soort
van heilig grondgebied ten tijde der Bouddhisten en nog heden is het
bedekt met tempels en kloosters. Doch sedert lang hebben de brahmanen
de priesters van Bouddha opgevolgd. Zij hebben zich meester gemaakt
van de »viharas," zij exploiteeren ze, zij leven van de opbrengst
van den eeredienst; van alle kanten stroomen de geloovigen naar hen
toe; zij concurreeren met de heilige wateren van den Ganges, met de
pelgrimstochten van Bénares, met de plechtigheden van Jaggernaut,
in een woord, men kan gerust zeggen, dat het land hun toebehoort.

Het is een rijk land met zijn onmetelijke smaragd-groene rijstvelden en
zijn uitgestrekte vlakten met maankop, met zijn talrijke gehuchten,
verloren in het groen, beschaduwd door palmboomen, mangoboomen,
dadels, taras, waarover de natuur een niet te ontwarren net van lianen
geworpen heeft. De wegen, door het Stoomhuis bereden, vormen zoovele
dichte, overdekte lanen, waarvan de vochtige bodem de frischheid
onderhoudt. Wij gaan vooruit met de kaart voor ons, zonder ooit te
vreezen te verdwalen. Het gebriesch van onzen olifant vermengt zich
met de oorverdoovende concerten van het gevogelte en het wanluidende
geschreeuw der talrijke apensoorten. Zijn rook verliest zich in het
dichte gebladerte dier feniksen der velden, de bananen, waarvan
de gouden vruchten nedervallen als sterren te midden van lichte
wolkjes. Bij zijn passage vliegen troepen teere rijstvogeltjes op,
wier wit gevederte zich vermengt met de witte stoomspiralen. Hier
en daar teekenen zich groepen vijgeboomen, boschjes pampelmoezen,
bedden met »dalhs," een soort van boomvormige erwten, gedragen door
een steel van een el hoog, scherp tegen den wolkeloozen hemel af en
vormen den voorgrond van het onvergelijkelijk schoone landschap.

Maar welk een hitte! Nauwlijks dringt een weinig vochtige lucht door de
lichtschermen van rietgras onzer vensters. De heete winden, bezwangerd
met de warmtestof der uitgestrekte pleinen van het westen, strijken
met hun vurigen adem over de velden. Het is tijd, dat de moesson van
Juni den toestand van den dampkring komt veranderen. Niemand zou die
gloeiende zonnestralen kunnen verdragen, zonder met een doodelijke
stikking bedreigd te worden.

Het landschap is dan ook verlaten. Zelfs de »raïots," hoe gehard ook
tegen deze brandende zon, zouden zich niet met den veldarbeid kunnen
bezighouden. Alleen de schaduwrijke weg is begaanbaar en dan nog alleen
in onzen rollenden bungalow. De stoker Kâlouth moet wel, 'k zal niet
zeggen van platina zijn, want platina zou smelten, maar van zuiver
koolstof, om de brandende hitte van het vuur te kunnen weerstaan. Maar
de brave Hindoe biedt krachtig weerstand. Hij heeft het zich bij
zijn leven op de locomotieven der spoortreinen van Centraal-Indië,
tot een tweede natuur gemaakt, zulk een temperatuur te verdragen!

De thermometer, aan den wand der eetzaal, staat den 19n Mei op
honderd zes graden Fahrenheit (41,11° C.) Dien avond, hebben we onze
hygiénische wandeling om na de verstikkende hitte van een tropischen
dag een weinig lauwe en zuivere lucht in te ademen, niet kunnen
maken. Dezen keer was de dampkring werkelijk verschroeiend.

»Mijnheer Maucler," richtte zich de sergeant Mac Neil tot mij, »dat
doet me denken aan de laatste dagen van Maart, toen sir Hugh Rose,
met een batterij van slechts 2 stukken, bres trachtte te schieten in
de omheining van Lucknow. Er waren zestien dagen verloopen, sedert we
de Betwa waren overgestoken en sedert zestien dagen waren de paarden
geen enkele maal onttoomd geweest. We streden tusschen énorme muren
van graniet, dat zooveel beteekende als tusschen de steenen wanden
van een hoogoven. »Chitsis" met emmers water, doorliepen onze rangen
en terwijl we onze geweren afschoten, goten ze water op onze hoofden,
daar we anders neergevallen zouden zijn. 'k Zal 't nooit vergeten. Ik
kon niet meer, mijn hoofd zou bersten en 'k was op het punt neer te
slaan.... Kolonel Munro ziet het en den emmer uit de handen van een
chitsi rukkende, stort hij hem over mij uit.... 't was de laatste,
dien de dragers zich hadden kunnen verschaffen!.... Ziet u, dat zal
ik niet licht vergeten! Neen! een druppel bloed voor een druppel
water! Al had ik al het mijne voor mijn kolonel gestort, zou ik nog
zijn schuldenaar zijn!"

»Sergeant," vroeg ik, »vindt ge niet dat de kolonel sedert ons vertrek
er bezorgder uitziet dan gewoonlijk? Hij schijnt elken dag...."

»Ja, mijnheer," antwoordde Mac Neil, die me vrij driftig in de rede
viel, »maar dat is zeer natuurlijk! De kolonel komt elken dag dichter
bij Lucknow, bij Cawnpore, waar Nana Sahib zijn vrouw.... O! ik kan
er niet van spreken of het bloed stijgt me naar 't hoofd! Misschien
zou 't beter geweest zijn onze reis anders te nemen en de provincies
niet door te trekken, die door den opstand verwoest zijn! 't Is nog
te kort geleden, dat die vreeselijke gebeurtenissen plaats hadden en
ze zijn nog te versch in 't geheugen!"

»Waarom zouden we onzen weg dan niet veranderen!" zei ik daarop. »Als
ge wilt, Mac Neil, zal ik er met Banks, met kapitein Hod over
spreken...."

»'t Is te laat," antwoordde de sergeant. »'k Heb alle reden, trouwens,
om te gelooven, dat de kolonel misschien een laatste maal, het tooneel
van dien vreeselijken oorlog wil weerzien, dat hij de plek wil bezoeken
waar lady Munro den dood en welken dood, gevonden heeft!"

»Als ge dat denkt, Mac Neil," antwoordde ik, »is het beter kolonel
Munro te laten begaan en niets aan onze plannen te veranderen. 't Is
dikwijls een troost en een verzachting voor onze smart, hen die we
liefhebben op hun graf te gaan beweenen...."

»Op het graf, ja!" riep Mac Neil uit. »Maar is dat dan een graf,
die put van Cawnpore, waar zoovele slachtoffers op en onder elkander
zijn neergesmeten! Is dat een graftombe, die te midden van bloemen,
in de schaduw van statig geboomte, met een enkelen naam, den naam
van hem, die niet meer is, en dien we zoo innig lief hadden, de
herinnering levendig houdt! O mijnheer! ik vrees maar al te zeer,
dat de smart van mijn kolonel onherstelbaar is! Maar, nogmaals,
het is nu te laat om hem een anderen weg te doen inslaan. Wie weet
of hij dan niet weigeren zou ons te volgen! Kom! laten we de zaken
haar loop hebben en dat God ons geleide!"

Blijkbaar wist Mac Neil, toen hij zoo sprak, waaraan zich te houden
ten opzichte van de plannen van Sir Edward Munro. Doch, zeide hij
mij wel alles en was het slechts het plan Cawnpore weder te zien,
dat den kolonel had doen besluiten Calcutta te verlaten? Wat er van
zij, het was nu alsof een zeilsteen hem naar de plek trok waar de
ontknooping van dit noodlottige treurspel had plaats gehad!.... Men
moest hem zijn gang laten gaan!

Ik kwam toen op het denkbeeld den sergeant te vragen of hij voor zich
alle idée van wraak had opgegeven, in een woord, of hij meende dat
Nana Sahib werkelijk dood was.

»Neen," antwoordde Mac Neil mij onbewimpeld. »Ofschoon ik geen
enkel bewijs voor mijne meening heb, geloof ik niet en kan ik
niet gelooven, dat Nana Sahib gestorven is zonder gestraft
te zijn voor zooveel misdaden! Neen! En toch, ik weet niets
en heb ook niets vernomen!... Het is alsof een instinct mij
drijft!.... O! mijnheer! zich tot doel een wettige wraak te stellen,
zou iets zijn in het leven! Geve de hemel dat mijne voorgevoelens
mij niet bedriegen en dat eenmaal...."

De sergeant eindigde niet.... Een gebaar gaf te kennen, wat zijn mond
niet had willen zeggen. De dienaar was het eens met den meester!

Toen ik Banks en kapitein Hod den inhoud van dit gesprek mededeelde,
waren beiden het er over eens, dat het reisplan niet mocht en kon
veranderd worden. Trouwens was er nooit sprake van geweest de reis over
Cawnpore te nemen en na eenmaal den Ganges te Bénares overgestoken
te zijn, zouden we ons rechtstreeks naar het noorden richten door
het oostelijk gedeelte van de koninkrijken Oude en Rohilkhande. Wat
ook Mac Neil mocht denken, het was niet zeker dat Sir Edward Munro
Lucknow of Cawnpore wilde terug zien, plaatsen, die hem zoovele
vreeselijke herinneringen in het geheugen zouden terug roepen; maar,
als hij het wilde, zoude men hem op dit punt niet tegenwerken.

Wat Nana Sahib betreft, hij was zoo bekend, dat, indien de afkondiging,
die zijne wederverschijning in het presidentschap van Bombay, waarheid
sprak, wij er op nieuw iets van hadden moeten vernemen. Maar, bij ons
vertrek van Calcutta was er reeds geen sprake meer van den nabob en
de onderweg verkregen inlichtingen gaven aanleiding tot het vermoeden,
dat de overheid op een dwaalspoor gebracht was.

In alle geval, indien er mogelijk iets van aan ware, indien kolonel
Munro een geheim plan had, dan mocht het werkelijk verwonderlijk
schijnen dat Banks, zijn intiemste vriend, niet in zijn vertrouwen
deelde, eerder dan de sergeant Mac Neil. Doch dit kwam zeker
daarvandaan, zooals Banks zeide, dat hij alles gedaan had om den
kolonel terug te houden zich in gevaarlijke en nuttelooze nasporingen
te begeven, terwijl de sergeant hem er zeker toe aanzette!

Den 19n Mei, tegen twaalf uren hadden wij het gehucht Chittra achter
den rug. Het Stoomhuis bevond zich nu honderdvijftig kilometers van
zijn punt van uitgang verwijderd.

Den volgenden dag, 20 Mei, kwam de IJzeren Reus, bij het vallen van
den nacht, na een buitengewoon heeten dag, in de omstreken van Gaya
aan. Aan den oever eener heilige rivier, de Phalgou, zeer bekend bij
de bedevaartgangers, werd halt gehouden. De twee huizen hielden stand
op een fraaie plek, aan den steilen oever, beschaduwd door schoone
boomen, op twee mijlen ongeveer van de stad af.

Ons voornemen was zesendertig uren op deze plaats te vertoeven,
namelijk twee nachten en een dag, want de plek bood veel
bezienswaardigs aan, zooals ik reeds vroeger gezegd heb.

Den volgenden dag begaven Banks, kapitein Hod en ik te vier uur
's morgens, teneinde de middaghitte te vermijden, na afscheid van
kolonel Munro genomen te hebben, zich naar Gaya.

Men verzekert dat jaarlijks honderdvijftig duizend geloovigen naar dit
middelpunt der Brahmaansche vestigingen stroomden. En inderdaad waren
bij de toegangen tot de stad de wegen bezaaid met een ontelbaren stoet
mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen. Al die menschen gingen bij
wijze eener processie door het veld, na de duizend vermoeienissen van
een langen pelgrimstocht getrotseerd te hebben ter vervulling hunner
godsdienstige plichten.

Banks had reeds vroeger dit grondgebied van Béhar bezocht tijdens
hij opmetingen deed voor een spoorweg, die nog niet tot uitvoering
gekomen was. Hij kende dus het land en we konden geen beteren gids
hebben. Hij had overigens kapitein Hod verplicht al zijn jachttuig
in het kamp te laten en men had dus niet te vreezen, dat onze Nimrod
ons onderweg verlaten zou.

Even voor in de stad aan te komen, waaraan men met recht den naam van
heilige stad kan geven, deed Banks ons stil houden voor een heiligen
boom, waaromheen pelgrims van allerlei leeftijd en van beide seksen
in aanbidding waren neergezonken.

Deze boom was een »pipala," met een énormen stam; maar, hoewel de
meeste takken reeds van ouderdom waren afgevallen, kon hij toch
niet meer dan twee of driehonderd jaren levens tellen. Dit zou ook
twee jaren later bevestigd worden door Louis Rousselet, op zijn
belangwekkende reis door het Indië der Rajahs.

De boom Boddhi, was de godsdienstige naam van dezen laatsten
vertegenwoordiger van het geslacht van pipala's, die gedurende
een lange reeks van eeuwen deze plek beschaduwden en waarvan de
eerste vijf honderd jaar voor de christelijke jaartelling gepoot
werd. Waarschijnlijk was het voor de geknielde dweepers aan zijn voet,
de boom zelf, door Bouddha op deze plaats gewijd. Hij verheft zich
nu op een bouwvallig terras, zeer nabij een steenen tempel, welks
oorsprong blijkbaar zeer oud is.

De tegenwoordigheid van drie Europeanen, te midden dier duizenden
Hindoes, werd met geen goede oogen aangezien. Men sprak echter niet
tot ons, doch we konden niet bij het terras komen, noch doordringen
tot de bouwvallen van den tempel. Overigens werden wij zoo dicht door
de bedevaartgangers omringd, dat het moeielijk geweest zou zijn zich
een weg tusschen hen door te banen.

»Zoo daar een Brahmaan geweest was," zei Banks, »zouden we meer
pleizier van ons bezoek gehad hebben en het gebouw misschien tot in
zijn diepste schuilhoeken hebben kunnen bezoeken."

»Wat!" antwoordde ik, »zou een priester minder streng geweest zijn
dan zijn eigen geloovigen?"

»Mijn waarde Maucler," antwoordde Banks, »er is geen gestrengheid
bestand tegen het aanbod van eenige ropyen en de brahmanen moeten
immers toch ook leven!"

»'k Zie er de noodzakelijkheid niet van in," antwoordde kapitein
Hod, die het zwak had voor de Hindoes, hunne zeden, vooroordeelen,
gewoonten en de voorwerpen hunner vereering, de verdraagzaamheid te
gevoelen, die zijne landgenooten hun met alle recht verleenen.

Voor het oogenblik was Indië voor hem slechts een uitgestrekt
jachtgebied en gaf hij onbetwistbaar boven de bevolking van de steden
en het land de voorkeur aan de woeste roofdieren der jungles.

Na een behoorlijk poosje aan den voet van den heiligen boom
vertoefd te hebben, geleidde Banks ons op den weg in de richting
van Gaya. Naargelang wij de heilige stad naderden, nam de toevloed
der pelgrims steeds toe. Weldra deed zich door een open plek in het
groen Gaya aan ons voor op den top van de rots, die zij met hare
schilderachtige bouwwerken bekroont.

Wat vooral de aandacht der toeristen op deze plaats wekt, is de tempel
van Vishnoe in eigen persoon achtergelaten, toen hij zich verwaardigde
op de aarde neder te dalen om met den demon Maya te worstelen. Nu kon
de worsteling tusschen een god en een duivel niet lang twijfelachtig
zijn. De duivel delfde het onderspit en een steenen blok, zichtbaar in
de omheining zelve van Vishnoe-Pad, getuigt door de diepe indrukselen
van de voeten zijns tegenstanders, dat de duivel het hard genoeg te
verantwoorden had.

Ik zeg »een blok van steen, dat zichtbaar was," en ik haast mij er
bij te voegen »zichtbaar alleen voor de Hindoes," want geen Europeaan
is het vergund deze goddelijke voetstappen te aanschouwen. Misschien
moet men, om ze goed op den wonderdadigen steen te onderscheiden, een
sterk geloof hebben, dat men niet meer aantreft bij de geloovigen der
westelijke volkeren. Hoe dit zij, Banks bood dezen keer te vergeefs
zijne ropijen aan. Geen priester wilde aannemen wat de prijs van een
heiligschennis zou geweest zijn. Ik zou niet durven beslissen of de
som niet groot genoeg was voor het geweten van een brahmaan. Zeker
is het, dat we niet tot in den tempel konden doordringen en ik heb er
niet achter kunnen komen, wat er eigenlijk van is, van dat zachte en
schoone jonge mensch, hemelsblauw gekleurd, gekleed als een koning
uit ver vervlogen tijden, beroemd door zijne tien incarnaties [6],
die het behoudend beginsel vertegenwoordigt, in tegenoverstelling met
Çiva, het woeste zinnebeeld van het vernietigend beginsel en dien de
Vaichnavas, de aanbidders van Vishnoe erkennen als den eerste der
drie honderd dertig millioenen goden, die hunne bij uitnemendheid
polytheïstische mythologie bevolken.

Toch hadden wij geen reden spijt te gevoelen over onzen tocht naar
de heilige stad, noch over dien naar Vishnoe-Pad. Het zou onmogelijk
zijn den verwarden hoop tempels, de reeks pleinen, de ophooping van
viharas, die we moesten omgaan of doorkruisen om tot hem te komen,
te beschrijven. Theseus zelf met den draad van Ariadne in de hand,
zou verdwaald zijn in dien doolhof! Wij daalden dus van de rots van
Gaya weder naar omlaag.

Kapitein Hod was woedend en had den Brahmaan, die ons den toegang
tot Vishnoe-Pad weigerde, wel te lijf gewild.

»Ben je niet wijs, Hod?" zei Banks tot hem, hem terughoudende. »Weet
je niet dat de Hindoes hunne priesters de brahmanen niet alleen
beschouwen als wezens van aanzienlijken bloede, maar ook als wezens
van een hoogeren oorsprong?"

Toen wij bij dat gedeelte der Phalgou-rivier aangekomen waren, dat
de rots van Gaya bespoelt, breidde zich de verbazende ophooping van
bedevaartgangers voor onze blikken uit. Daar verdrongen zich in een
verward mengelmoes door elkander, mannen en vrouwen, grijsaards en
kinderen, stad- en landbewoners, rijke Bengaalsche burgers en arme
mannen van het volk, van de minste soort, Vaïchyas, kooplieden
en boeren, Kchatryas, fiere krijgslieden, Sudras, armzalige
handwerkslieden van verschillende secten, parias, die buiten de
wet gesteld zijn en wier oogen de voorwerpen bezoedelen, die ze
beschouwen,--in een woord alle klassen of alle kasten van Indië,
de krachtige Radsjpoet den zwakkelijken Bengali op zijde dringende,
de lieden van Pendjab tegenover de mohamedanen van Scinde. Dezen
zijn in palankijns gekomen, genen in rijtuigen, getrokken door
groote bultossen. Dezen liggen uitgestrekt bij hunne kameelen, genen
hebben den weg te voet afgelegd en nog altijd stroomt het toe van alle
gedeelten van het schiereiland. Hier en daar worden tenten opgeslagen,
hier en daar ziet men uitgespannen karren, hier en daar hutten van
takken, die tot voorloopige woning van al die menschen dienen.

»Welk een gedrang!" zei kapitein Hod.

»Het water van den Phalgou zal van avond niet lekker zijn!" deed
Banks opmerken.

»En waarom niet?" vroeg ik.

»Omdat dat water heilig is en die heele verdachte troep er zich in
gaat baden, zooals de Gangisten in de wateren van den Ganges."

»Zijn we dan hier benedenwaarts van den stroom?" riep Hod uit, de
hand naar ons kamp uitstrekkende.

»Neen, kapitein, wees gerust," antwoordde de ingenieur, »we zijn
stroomopwaarts."

»Opperbest, Banks, want we moeten onzen IJzeren Reus zijn dorst aan
deze onzuivere bron niet laten lesschen!"

Intusschen vervolgden wij onzen weg te midden van die duizenden
Hindoes, in een betrekkelijk kleine ruimte opgehoopt.

Het oor werd getroffen door een wanluidenden klank van kettingen
en schelletjes. Het waren bedelaars, die de openbare liefdadigheid
inriepen.

Het wemelde namelijk van allerlei soorten van dat landloopers
gilde, over het geheele Indische schiereiland verspreid. De meesten
vertoonden valsche wonden en gebreken, als de Clopin-Trouillefous der
middeleeuwen. Doch, mogen de bedelaars van bedrijf meestal voorgewende
gebrekkigen zijn, met de dweepers is dit niet het geval. En inderdaad
zou het moeielijk geweest zijn voorbeelden te vinden van inniger
overtuiging.

Er bevonden zich daar fakirs, goussaïns, bijna naakt, met asch bedekt;
hier een met een stijven arm door hem voortdurend uitgestrekt gehouden
te hebben, daar een ander de hand doorboord met de nagels zijner
eigen vingers.

Anderen hadden zich tot voorwaarde gesteld den geheelen door
hen afgelegden weg met hun lichaam te meten. Zich op den grond
uitstrekkende, zich weder oprichtende, zich opnieuw uitstrekkende,
hadden zij op deze wijze honderden mijlen afgelegd, alsof zij tot
meetketting van een landmeter gediend hadden.

Hier waren geloovigen, bedwelmd door het gebruik van »bâng,"--een
drank van opium met een infusie van hennip gemengd,--met boomtakken
verbonden door in hunne schouders geslagen ijzeren haken. Op deze
wijze opgehangen zwaaiden zij zoolang heen en weder, tot eindelijk
hun vleesch begon mede te geven en zij in de wateren van den Phalgou
vielen.

Daar waren nog anderen, die ter eere van Çiva, de beenen doorboord, met
doorstoken tong, en pijlen, die hen eveneens het lichaam doorboorden,
het bloed, dat uit hunne wonden vloeide, door slangen lieten oplikken.

Dit geheele schouwspel moest voor een Europeaan iets terugstootends
hebben en daarom haastte ik mij ook het te ontvlieden toen Banks mij
tegenhield en zeide:

»Het biduur!"

Op dit oogenblik verscheen een Brahmaan te midden der menigte. Hij
hield de rechterhand opgeheven en richtte haar naar de zon, die tot
nog toe door de rots van Gaya verborgen was gehouden.

De eerste straal der dagvorstin was het teeken. De genoegzaam naakte
menigte trad in het heilige water. Vooreerst waren het eenvoudige
indompelingen, zooals in de eerste tijden van den doop; doch weldra
ging dit over in werkelijke onderdompelingen, waarvan het godsdienstig
karakter moeielijk te vatten was. Ik weet niet of de ingewijden,
bij het reciteeren der »slocas" of verzen, die de priesters hun
tegen een vastgestelden prijs vóórzeiden, er meer aan dachten hun
lichaam dan wel hun ziel te wasschen. Zeker is het dat, na water in
het holle van de hand geschept te hebben, na er de vier hoofdstreken
mede besproeid te hebben, zij er zich eenige druppels van in het
gelaat wierpen, evenals baders die zich in de eerste golven van een
zeebadstrand verlustigen. Ik moet er overigens nog bijvoegen, dat zij
niet vergaten zich althans één haar uit te trekken voor elke zonde,
die zij bedreven hadden. Hoevelen waren er onder hen, die verdiend
hadden kaal uit de wateren van den Phalgou te treden!

En zulk een beweging maakten die geloovigen, nu eens plotseling
onderduikende, dan het water pijlsnel doorklievende, dat de verschrikte
krokodillen naar den tegenovergestelden oever vluchtten. Van daar
keken zij met hunne groene oogen, op een rij geschaard, naar die
luidruchtige menigte, de lucht met het geklapper hunner geduchte
kakebeenen doende weergalmen. De pelgrims stoorden er zich trouwens
niet meer aan, dan of het onschadelijke hagedissen waren.

Het was tijd deze zonderlinge vromen zich in staat te laten stellen
in den Kaïlas te komen, die het paradijs van Brahma is. Wij begaven
ons dus langs het strand van den Phalgou naar het kamp terug.

Het ontbijt vereenigde ons allen aan tafel en het overige van dien dag,
die buitengewoon warm geweest was, ging zonder bijzondere toevallen
voorbij. Kapitein Hod doorkruiste tegen den avond de omringende vlakte
en bracht eenig klein wild mede. In dien tijd hernieuwden Storr,
Kâlouth en Goûmi den voorraad water en brandstof want het plan bestond
om den volgenden morgen met het krieken van den dag te vertrekken.

Ten negen ure 's avonds hadden wij allen onze kamers bereikt. Een
zeer kalme, maar vrij donkere nacht was in aantocht. Dikke wolken
hielden de sterren verborgen, en maakten den dampkring zwaar. Het
was nog even warm, zelfs met het ondergaan der zon.

De temperatuur was zoo drukkend, dat ik eenige moeite had om in te
slapen. Door mijn opengelaten venster drong een heete lucht naar
binnen, die mij zeer ongeschikt toescheen voor de geregelde werking
der longen.

Het was middernacht en ik had nog geen oogenblik rust genoten; toch
had ik het stellige plan gemaakt drie of vier uren voor ons vertrek te
slapen, maar ik was ook zoo dwaas den slaap te willen dwingen en juist
daarom ontvlood hij mij. De wil kan er niets aan doen, integendeel.

Het zal omstreeks één uur van den morgen geweest zijn, toen ik een
dof geruisch meende te hooren, dat zich langs de oevers van den
Phalgou verspreidde.

Eerst kwam de gedachte bij mij op dat, onder den invloed van een zeer
met electriciteit verzadigden dampkring, een stormwind in het westen
begon op te steken. Ook deze wind zou zeker wel brandend zijn, maar
hij zou misschien toch de luchtlagen verplaatsen en misschien eenige
koelte verspreiden.

Ik bedroog mij. De takken der boomen, die het kamp beschutten, bleven
volkomen onbeweeglijk.

Ik stak het hoofd buiten mijn venster en luisterde. Het verre
geruisch deed zich opnieuw hooren, maar ik zag niets. Het watervlak
van den Phalgou was volkomen duister, zonder een van die trillende
lichtpuntjes, die de minste beweging aan de oppervlakte gewoonlijk
doet ontstaan. Het geruisch kwam noch van het water noch uit de lucht.

Intusschen merkte ik niets verdachts op. Ik ging dus weder naar bed en
door vermoeienis overmand, viel ik in een lichte sluimering. In zekere
tusschenpoozen kwamen nog eenige windvlaagjes met dat onverklaarbaar
geruisch tot mij, maar eindelijk sliep ik voor goed in.

Twee uren later, op het oogenblik dat de eerste lichtflikkering van
den aanbrekenden dageraad zich een weg baande door de duisternis,
werd ik eensklaps wakker.

Men riep den ingenieur.

»Mijnheer Banks?"

»Wat is er?"

»Kom eens hier."

Ik had de stem van Banks en die van den machinist herkend, die zooeven
den gang was binnengetreden.

Ik stond dadelijk op en ging mijn kamer uit. Banks en Storr waren
reeds onder de voorste veranda. Kolonel Munro was er mij voorgegaan
en weldra voegde ook kapitein Hod zich bij ons.

»Wat gebeurt er?" vroeg de ingenieur.

»Zie eens, mijnheer," antwoordde Storr.

Bij het eerste licht van den aanbrekenden dag kon ik de oevers van
den Phalgou en een gedeelte van den weg, die zich verscheidene mijlen
voor ons uitstrekte, onderscheiden. Hoe groot was onze verbazing,
toen wij verscheidene honderden Hindoes bij groepen aan den kant van
den weg zagen liggen.

»Dat zijn onze bedevaartgangers van gisteren," zei kapitein Hod.

»Wat doen ze daar?" vroeg ik.

»Ze wachten zeker tot de zon opkomt," antwoordde de kapitein, »om
zich in de gewijde wateren te storten!"

»Neen," antwoordde Banks. »Kunnen ze hunne reiniging niet te Gaya
zelve volbrengen? De reden waarom ze hier gekomen zijn, is om...."

»Omdat onze IJzeren Reus zijn gewone uitwerking heeft gedaan!" riep
kapitein Hod uit. »Ze zullen teweten gekomen zijn, dat een reusachtige
olifant, een kolos, zooals zij er nooit een gezien hebben, in de
nabuurschap was, en ze komen hem nu bewonderen!"

»Als het maar bij bewonderen blijft!" antwoordde de ingenieur, het
hoofd schuddende.

»Wat vrees je dan toch, Banks?" vroeg kolonel Munro.

»Wel, 'k vrees, dat die dweepers ons den weg zullen versperren!"

»Wees in alle geval voorzichtig! Met zulke vromen kan men niet te
veel voorzorgen nemen."

»Inderdaad," antwoordde Banks.

Daarna riep hij den stoker en vroeg dezen of alles gereed was.

»Ja, mijnheer."

»Welnu, steek aan."

»Ja, steek aan, Kâlouth!" riep kapitein Hod. »En stook op, Kâlouth,
laat onzen olifant zijn rook en stoom in het gelaat van al die
pelgrims spuwen!"

Het was toen drie en een half uur 's morgens. Hoogstens over een
half uur, kon de machine de noodige drukking hebben. De vuren werden
dadelijk aangestoken, het hout knapte in den vuurhaard en weldra
ontsnapte een zwarte rook uit den reusachtigen snuit van den olifant,
waarvan het uiteinde zich in de takken der hooge boomen verloor.

Op dit oogenblik kwamen eenige groepen Hindoes naderbij. Er had een
algemeene beweging in de menigte plaats. Men verdrong zich om onzen
trein. In de eerste rangen dezer pelgrims, lichtte men de armen in
de hoogte, men strekte ze naar den olifant uit, men bukte zich, men
knielde neder, men kroop tot in het stof. Het was duidelijk aanbidding
tot haar hoogste punt gevoerd.

Wij zagen van onder de veranda dat schouwspel aan, kolonel Munro,
kapitein Hod en ik, niet zonder bezorgdheid waarop deze dweeperij zou
uitloopen. Mac Neil had zich bij ons vervoegd en zag in stilte toe. Wat
Banks aangaat, hij was met Storr in den toren, dien het enorme dier
droeg, gaan staan en van waar hij het naar goedvinden kon besturen.

Te vier uur bromde de stoomketel reeds. Dit helderklinkend gesnor
moest door de Hindoes gehouden worden voor het vertoornde gebrom van
een bovennatuurlijken olifant. Op dit oogenblik wees de manometer
een drukking aan van vijf atmosferen, en Storr liet den stoom door
de veiligheidskleppen ontsnappen, alsof hij door de huid van het
reusachtige dikhuidige dier uitzweette.

»We zijn gereed, Munro!" riep Banks.

»Vooruit, Banks," antwoordde de kolonel, »maar voorzichtig en laten
we niemand verpletteren!"

Het was toen bijna dag. De weg langs den oever van den Phalgou was
geheel bedekt met geloovigen, weinig geneigd, naar het scheen, om
plaats te maken. In die omstandigheid was het geen gemakkelijke zaak
voorwaarts te gaan en niemand te verpletteren.

Banks liet twee- of driemalen fluiten, hetgeen door de bedevaartgangers
met een uitzinnig gehuil beantwoord werd.

»Op zij! Op zij!" riep de ingenieur, den machinist bevelende den
regulateur een weinig te openen.

Het geloei van den stoom, die zich in de cilinders stortte, deed zich
hooren. De machine stelde zich langzaam in beweging. Een machtige
kolom van witten rook werd met kracht uit den snuit gestooten.

De menigte was in een oogenblik uiteengeweken. De regulateur werd
toen half geopend. Het gebriesch van den IJzeren Reus nam toe en onze
trein begon zich tusschen de dichte rangen der Hindoes te bewegen,
die geen plaats schenen te willen maken.

»Banks, pas op!" riep ik eensklaps uit.

Toen ik mij voorover buiten de veranda boog, had ik gezien dat er
zich een twaalftal van die dweepers op den weg geworpen hadden,
met den vasten wil zich onder de raderen van het zware gevaarte te
laten verpletteren.

»Geeft acht! geeft acht! Terug," riep kolonel Munro, die hen beduidde
zich op te richten.

»Die onnozelen!" riep op zijn beurt kapitein Hod. »Zij houden ons
voertuig voor de kar van Jaggernaut! Zij willen zich onder de pooten
van den heiligen olifant laten verpletteren!"

Op een teeken van Banks, sloot de machinist den stoom af. De
bedevaartgangers, dwars over den weg uitgestrekt, schenen besloten
niet op te staan. Om hen heen gilde de dweepende menigte het uit en
moedigde ze met gebaren aan.

De machine stond stil. Banks was ten einde raad en wist wezenlijk
niet wat te doen.

Plotseling komt er een idée bij hem op.

»We zullen eens zien!" zeide hij.

Hij opende oogenblikkelijk de stoomkraan en krachtige stoomstralen
sisten langs den grond, terwijl de lucht van een scherp gefluit
weerklonk.

»Hoera! hoera! hoera!" riep kapitein Hod uit.

»Geesel ze, vriend Banks, geesel ze!"

Dit middel baatte. De dweepers, door de stoomstralen getroffen,
vlogen op onder een oorverdoovend geschreeuw. Zij konden zich wel
laten verpletteren, maar zich te laten verbranden, dat nooit!

De menigte week terug en de weg was open. Nu werd de regulateur geheel
geopend en sloegen de wielen diep in den grond.

»Vooruit! vooruit!" riep kapitein Hod uit, die in de handen klapte
en hartelijk lachte.

En nu ijlde de IJzeren Reus, het midden van den weg houdende, snel
voort en was weldra uit het oog der verbaasde menigte verdwenen,
als een fantastisch dier in een wolk van stoom.






VIII.

EENIGE UREN TE BÉNARES.


De groote weg lag nu voor het Stoomhuis open, de weg, die over
Sasserâm, naar den rechter oever van den Ganges tegenover Bénares liep.

Een mijl voorbij het kamp, nam de machine een meer gematigden gang aan,
zoo omstreeks twee en een halve mijl per uur. Het plan van Banks was,
dien zelfden avond op vijf en twintig mijlen van Gaya te kampeeren
en den nacht rustig door te brengen in de omstreken van de kleine
stad Sasserâm.

In het algemeen vermijden de Indische wegen zooveel mogelijk de
stroomen, die bruggen noodzakelijk maken, daar het leggen van dezen
op die alluviale gronden zeer kostbaar is. Ook moeten ze op vele
plaatsen, waar het niet mogelijk geweest is een rivier of een stroom
te beletten den weg te versperren, nog gelegd worden. Wel is waar is
de oude, primitieve pont nog in werking, die evenwel om onzen trein
over te brengen zonder twijfel onvoldoende zoude geweest zijn. Zeer
gelukkig konden wij er buiten.

Juist moesten wij dien dag een belangrijke rivier oversteken, de
Sône. Deze rivier boven Rhotas gevoed door twee andere, den Coput en
den Coyle, vloeit in den Ganges, nagenoeg tusschen Arrah en Dinapore.

Niets gemakkelijker dan deze overtocht. De olifant daalde langs een
zachte helling den steilen oever af, trad in den stroom, bleef op de
oppervlakte en trok, het water met zijn dikke pooten als de schoepen
van een drijfrad slaande, den trein zacht voort.

Kapitein Hod gaf luide zijne verrukking te kennen.

»Een rollend huis!" riep hij uit, »een huis dat tegelijk een rijtuig
en een stoomboot is. De vleugels ontbreken er nog maar aan om zich
in een vliegtoestel te herscheppen en de ruimte te doorklieven!"

»Dat zal den een of anderen dag ook nog wel eens gebeuren, vriend Hod,"
antwoordde de ingenieur ernstig.

»Ik weet het, vriend Banks," antwoordde niet minder ernstig de
kapitein. »Alles zal gebeuren! Maar wat toch niet gebeuren zal,
is, dat we over twee honderd jaar in leven zijn om die wonderen te
zien! Het leven is alle dag wel niet even vroolijk en toch zou ik
gaarne tien eeuwen wenschen te leven, enkel uit nieuwsgierigheid!"

Dien avond kampeerden wij, na onder de prachtige brug, die den spoorweg
draagt, gegaan te zijn, op tachtig voet boven de bedding van de Sône,
op twaalf uren afstand van Gaya, in de omstreken van Sasserâm. We
zouden ons hier slechts een nacht ophouden om ons van hout en water
te voorzien en met den dageraad weder vertrekken.

Dit programma werd in alle deelen gevolgd en den volgenden morgen 22
Mei, vóór de brandende uren, die de gloeiende middagzon ons bezorgde,
waren wij weder op reis.

Het land was overal hetzelfde, namelijk zeer rijk, zeer
bebouwd. Zoodanig doet het zich voor bij het naderen van de
prachtige vallei van den Ganges. Ik zal hier niet spreken van de
talrijke dorpen, die zich verliezen te midden van de onmetelijke
rijstvelden, tusschen de groepen van tara-palmboomen met hun dicht
gewelfd bladerdak, in de schaduw der mangoboomen en ander weelderig
opschietend geboomte. Overigens hielden wij ons niet op en indien
somtijds de weg door een wagen, langzaam door zebus voortgetrokken,
gestremd werd, deed een twee of driemalig fluiten hem op zijde gaan,
waarna dan onze trein tot groote verbazing der raïots doorging.

Op dien dag, had ik het pleizier een groot aantal rozenvelden te
zien. En geen wonder, want wij waren niet ver verwijderd van Ghazipore,
het groote middelpunt der fabricatie van het water of liever van de
olie, uit deze bloemen vervaardigd.

Ik vroeg Banks of hij mij eenige inlichtingen betreffende dit zoo
gezochte voortbrengsel kon geven, dat het toppunt schijnt te zijn
der kunst op het stuk van parfumerie.

»Hier zijn cijfers, waarde vriend," gaf Banks mij ten antwoord,
»en ze zullen u toonen hoe kostbaar deze bereiding is. Veertig pond
rozen worden vooraf aan een soort van langzame distillatie over een
zacht vuur onderworpen en geven ongeveer dertig pond rozenwater. Dit
water wordt op een nieuw pak bloemen van veertig pond gegoten,
waarvan men de distillatie voortzet totdat het mengsel twintig pond
bedraagt. Men stelt dit mengsel gedurende twaalf uren bloot aan de
frissche nachtlucht en den volgenden dag vindt men de oppervlakte
van het mengsel bedekt met hoeveel? een ons welriekende olie. Dus
heeft men uit tachtig pond rozen--eene hoeveelheid die niet minder
dan twee honderd duizend bloemen telt,--ten slotte slechts een ons
vocht getrokken. Het is een wezenlijke moord! Het is dan ook niet
te verwonderen, dat zelfs in het land der bewerking, de rozenolie
veertig ropijen of honderd franken het ons kost.

»Nu," antwoordde kapitein Hod, »als men om een ons brandewijn te
fabriceeren, tachtig pond druiven noodig had, zouden de grogjes fameus
duur worden!"

Op dien dag, moesten we ook de Karamnaca, een der takken van den Ganges
nog overtrekken. De Hindoes hebben van die onschuldige rivier een soort
van Styx gemaakt, waarop het niet goed is te varen. Hare oevers zijn
niet minder vervloekt dan de oevers van den Jordaan of van de Doode
Zee. De lijken, die men haar toevertrouwt, brengt zij regelrecht naar
de Brahmaansche hel. Ik wil over deze geloofsleer niet redetwisten,
doch ik protesteer tegen de algemeen verspreide meening dat het water
dezer diabolische rivier onaangenaam smaakt en slecht voor de maag
zou zijn. Het is overheerlijk.

Na een weinig heuvelachtig land te zijn doorgetrokken, tusschen de
onmetelijke velden met slaapbollen en het uitgestrekte dambord der
rijstvelden, kampeerden wij op den rechteroever van den Ganges,
tegenover het antieke Jeruzalem der Hindoes, de heilige stad Bénares.

»Vierentwintig uren halt!" zei Banks.

»Hoever zijn we nu nog van Calcutta?" vroeg ik den ingenieur.

»Nog driehonderdvijftig mijlen ongeveer," antwoordde hij mij, »en
ge zult me moeten bekennen, waarde vriend, dat we tot nog toe niet
den minsten last gehad hebben noch van den langen weg, noch van de
vermoeienissen der reis!"

De Ganges! Is er een stroom waarvan de naam dichterlijker legendes
voor onze verbeelding toovert en is het niet alsof gansch Indië in hem
opgaat? Bestaat er op de wereld een vallei, te vergelijken met die,
welke tot richting van zijn trotschen loop, zich vijfhonderd mijlen ver
uitstrekt en niet minder telt dan honderd millioen bewoners? Is er een
plek op den aardbol waar sedert de verschijning der Aziatische rassen
meer wonderen zijn opgehoopt? Wat zou Victor Hugo, die zoo trotsch
den Donau bezongen heeft, wel van den Ganges gezegd hebben! Want even
als de zee heeft de Ganges zijn deining, zijne cyclonen, vreeselijker
dan de orkanen van den Europeeschen stroom! Als een slang ontrolt hij
zich in de meest dichterlijke streken der wereld! Ook hij stroomt van
het westen naar het oosten! Doch aan geen onaanzienlijke heuvelreeks
ontleent hij zijn oorsprong! Neen, van de hoogste bergketen des
aardbols, van de bergen van Thibet stort hij naar beneden en neemt
onderweg al de schatplichtige stroomen op. Zijn plaats van oorsprong
is het Himalaya gebergte!

Den volgenden dag, 23 Mei, bij het opgaan der zon, lag het zich in
hare stralen afspiegelende watervlak voor onze blikken uitgespreid. Op
het witte zand schenen eenige troepen krokodillen, groot van stuk,
het eerste daglicht met volle teugen in te zwelgen. Zij lagen daar
onbeweeglijk, naar de zon gekeerd, alsof zij de getrouwste aanhangers
van de leer van Brahma geweest waren. Maar eenige voorbij drijvende
lijken ontrukten hen aan hunne aanbidding. Men heeft wel eens beweerd,
dat de lijken, door den stroom medegevoerd, op den rug drijven als
het mannen zijn en op den buik van vrouwen. Ik kon mij nu verzekeren,
dat er niets waar is van deze opmerking. Een oogenblik later wierpen
de monsters zich op hun prooi, die hun dagelijks door de rivieren van
het schiereiland verschaft wordt en oogenblikkelijk door hen naar de
diepte wordt gesleurd.

De spoorweg van Calcutta volgt, alvorens zich te Allahabad te vertakken
om naar Delhi ten noordwesten en naar Bombay ten zuidwesten te loopen,
voortdurend den rechter oever van den Ganges, waarvan hij door zijn
rechtlijnige richting de talrijke bochten bespaart. Aan het station
van Mogul-Seraï, waarvan wij slechts eenige mijlen verwijderd waren,
scheidt zich een kleine tak af, die over den stroom naar Bénares
loopt en door de vallei van de Goûmti een zestig mijlen ver naar
Jaunpore gaat.

Bénares is dus aan den linkeroever gelegen. Doch op deze plaats
zouden wij den Ganges niet oversteken, dat zou eerst te Allahabad
geschieden. De IJzeren Reus bleef dus in het kamp, dat den vorigen
avond, 22 Mei gekozen was. Er lagen gondels aan den oever gereed
om ons naar de heilige stad over te brengen, die ik met eenige zorg
wenschte te bezoeken.

Wat kolonel Munro betreft, voor hem had het bezoek dezer steden, waar
hij zoo vaak geweest was, niets vreemds of verrassends en toch dacht
hij er dien dag een oogenblik over ons te vergezellen; doch, na rijpe
overweging besloot hij een tocht langs de oevers van den stroom te
maken, in gezelschap van sergeant Mac Niel. Werkelijk verlieten beiden
het Stoomhuis, zelfs voordat wij nog vertrokken waren. Kapitein Hod,
die reeds in garnizoen te Bénares geweest was, had het plan gevormd
eenigen zijner kameraden te gaan zien. Banks en ik dus,--de ingenieur
had mij tot gids willen verstrekken,--wij waren de eenigen, die uit
een gevoel van belangstelling de stad wilden bezoeken.

Als ik zeg, dat kapitein Hod te Bénares in garnizoen geweest was,
moet men weten, dat de troepen der koninklijke armée gewoonlijk
niet in de Hindoesche steden wonen. Hunne kazernen zijn te midden
van »kantonnementen" gelegen, die inderdaad echte Engelsche steden
worden. Dit is met Allahabad, met Bénares het geval, evenals op
andere punten van het grondgebied, waar niet alleen de soldaten,
maar de ambtenaren, de kooplieden, de renteniers zich bij voorkeur
groepsgewijze vereenigen. Ieder dezer groote steden is in tweeën
verdeeld, het eene gedeelte met al het comfort van het moderne Europa,
terwijl het andere de gewoonten van het land en de Hindoesche gebruiken
in al hunne oorspronkelijkheid bewaard heeft!

De Engelsche stad, met Bénares vereenigd, is Sécrole waarvan de
bungalows, de wandeldreven, de christelijke kerken zeer weinig
belangstelling inboezemen. Daar bevonden zich ook de voornaamste
hôtels, door toeristen bezocht. Sécrole is een van die steden, gereed
om door de toeristen van het Vereenigd Koninkrijk ingepakt en verzonden
te worden en die men dadelijk weer kan opslaan. Zij bieden dus niets
bijzonders ter bezichtiging aan. Nadat Banks en ik dus in een gondel
plaats hadden genomen, staken wij den Ganges schuins over, teneinde
eerst het prachtige schouwspel, dat Bénares, amphiteatersgewijze
tegen den steilen oever gelegen, aanbiedt, in zijn geheel te overzien.

»Bénares," zeide mij Banks, »is bij uitnemendheid de heilige stad
van Indië. Het is het Hindostansche Mecca en iedereen, die er,
al is het slechts vierentwintig uren, gewoond heeft, is verzekerd
de eeuwige zaligheid deelachtig te worden. Men begrijpt dus welk
een toevloed van bedevaartgangers zulk een geloof kan uitlokken, en
welk een aantal inwoners een stad moet tellen waaraan Brahma zulke
belangrijke voorrechten verleend heeft."

Men kent aan Bénares meer dan dertig eeuwen bestaan toe. Zij zou
dus gesticht zijn geworden nagenoeg ten tijde van de verwoesting van
Troje. Na altijd een grooten, geen staatkundigen, maar geestelijken
invloed op Hindostan gehad te hebben, was zij het meest bekende centrum
van den bouddhistischen godsdienst tot de negende eeuw. Er had toen
een godsdienstige omwenteling plaats. Het Brahmanisme vernietigde
den ouden eeredienst. Bénares werd de hoofdstad der brahmanen,
het middelpunt van aantrekking voor de geloovigen en men verzekert,
dat driehonderdduizend bedevaartgangers haar jaarlijks bezoeken.

De metropolitaansche overheid heeft voor de heilige stad haar
rajah weten te bewaren. Deze vorst, die vrij zuinig door Engeland
bezoldigd werd, bewoont een prachtige residentie te Ramnagur, aan
den Ganges. Hij is een wettige afstammeling van de koningen van Kaci,
den ouden naam van Bénares, maar hij heeft niet den minsten invloed
meer en zou zich dit laten welgevallen, indien zijn pensioen niet een
lakh ropyen--honderdduizend ropyen, of honderd vijfentwintig duizend
gulden ongeveer verminderd was, een som, die nauwlijks het zakgeld
van een nabob van weleer bedroeg.

Ook Bénares deelde, zooals bijna al de steden van de vallei van
den Ganges, een oogenblik in den grooten opstand van 1857. Destijds
bestond haar garnizoen uit het 37e regiment inlandsche infanterie,
een corps ongeregelde kavallerie en een half regiment sikhs. Van
koninklijke troepen bezat zij slechts een halve batterij Europeesche
artillerie. Men kon niet verwachten, dat deze handvol mannen
de inlandsche soldaten zou ontwapenen. Ook wachtte de overheid,
niet zonder ongeduld, de aankomst af van kolonel Neil, die zich
met het 10e regiment van de koninklijke armée naar Allahabad op
weg had begeven. Kolonel Neil trad Bénares binnen met slechts twee
honderd vijftig man en gaf bevel tot het houden eener parade op het
exercitieveld.

Toen de Sipayers vereenigd waren, gelastte men hun de wapenen neder te
leggen. Zij weigerden en dadelijk begon er een worsteling tusschen hen
en de infanterie van kolonel Neil. Bijna onmiddellijk daarop voegden
zich de ongeregelde kavallerie en daarna de sikhs, die zich verraden
waanden, bij de opstandelingen. Doch toen opende de halve batterij
haar vuur, beschoot de opstandelingen met schroot en niettegenstaande
hunne dapperheid, niettegenstaande hunne verwoedheid, werden allen
op de vlucht gedreven.

Dit gevecht werd buiten de stad geleverd. Binnen had er slechts een
eenvoudige poging tot opstand der muzelmannen plaats, die de groene
vaan opstaken--eene poging, die dadelijk mislukte. Sedert dien dag
werd Bénares, zelfs ten tijde toen de opstand in de provincies van
het Westen scheen te zullen zegevieren, niet meer verontrust.

Banks had mij deze bijzonderheden medegedeeld, terwijl onze gondel
langzaam over de wateren van den Ganges gleed.

»Mijn waarde vriend," zei hij, »we gaan Bénares opzoeken, goed! Maar,
hoe oud deze hoofdstad ook zij, zult ge er geen enkel monument vinden,
dat meer dan drie honderd jaren oud is. Verwonder er u niet over. Dat
is het gevolg der godsdienstige worstelingen, waarbij het vuur en het
zwaard een maar al te treurige rol hebben gespeeld. Toch is Bénares
een merkwaardige stad en ge zult u uw wandeling niet berouwen!"

Weldra hield onze gondel op zekeren afstand stil, teneinde op
den achtergrond eener baai, blauw als de golf van Napels, de
schilderachtige, amphiteatersgewijze tegen den heuvel oploopende
huizen en de opeenstapeling van paleizen te bewonderen, waarvan een
groot blok dreigt in te storten ten gevolge van een verzakking van den
grond, ondermijnd door het water der rivier. Een nepaulsche pagode,
van Chineeschen bouw, gewijd aan Bouddha, een woud van torens,
spitsen, minarets, kleine piramiden, die zich van de moskeeën en
tempels verheffen, beheerscht door de gouden naald van den lingam
van Çiva en de twee magere torenspitsen van de moskee van Aureng-Zeb,
bekroont dit bewonderenswaardig panorama.

Inplaats van onmiddellijk aan een der »ghâts" of trappen, die de
boorden in gemeenschap stellen met het bovenvlak der steile oevers,
af te stappen, liet Banks den gondel bij de kaden aanleggen, waarvan
de grondlagen door den stroom bespoeld worden.

Ik vond daar het tooneel van Gaya terug, maar in een ander
landschap. In plaats van de groene wouden van den Phalgou, werd nu
de achtergrond der schilderij ingenomen door de heilige stad. Wat
het onderwerp betreft, het was nagenoeg hetzelfde.

Werkelijk bedekten duizenden bedevaartgangers den steilen oever, de
terrassen, de trappen en kwamen zich in drie- of vierdubbele rijen
in den stroom dompelen. Men meene daarom niet dat dit bad kosteloos
genoten werd. Bewaarders met rooden tulband op het hoofd, de sabel op
zijde, namen de onderste treden der ghâts in, vorderden de schatting,
in gezelschap van nijvere brahmanen, die rozenkransen, amuletten of
andere vroomheidsmiddelen verkochten.

Bovendien waren er niet alleen bedevaartgangers, die voor eigen
rekening baadden, maar ook handelaars, die niets anders deden dan het
heilige water in flesschen te putten om het tot in de meest verwijderde
streken van het schiereiland rond te venten. Als bewijs van echtheid
wordt elke flesch met het zegel der brahmanen verzegeld. Men moet
evenwel aannemen, dat op uitgebreide schaal bedrog hiermede gepleegd
wordt, zoo aanzienlijk is de uitvoer van deze wonderdadige vloeistof
geworden.

»Misschien wel," zei Banks, »zou al het water van den Ganges niet
aan de behoeften der geloovigen voldoen!"

Ik vroeg hem toen of die badkuren niet dikwijls ongelukken
veroo

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/33075