Vergif: Een Roman uit het Noorsch
by Alexander Lange Kielland · Dutch · Gutenberg #32306 · 324,948 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Vergif: Een Roman uit het Noorsch
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Author: Alexander Lange Kielland
Translator: Margaretha Meijboom
Release date: May 9, 2010 [eBook #32306]
Most recently updated: August 1, 2010
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/32306
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team for Project Gutenberg at
http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERGIF: EEN ROMAN UIT HET NOORSCH ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team for Project Gutenberg at
http://www.pgdp.net/
Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L Simons
Alexander Kjelland
Vergif
Een roman uit het Noorsch
Vertaald door
Marg. Meyboom
Uitgegeven door de Maatschappij voor
Goede en Goedkoope Lectuur--Amsterdam
VOORWOORD
Deze roman van Kjelland is vroeger in het Nederlandsch vertaald. Maar
onder den geheel misleidenden titel: GETROUWD. De Noorsche titel GIFT
kàn wel Getrouwd beteekenen; doch hier was niet een verleden deelwoord,
doch het zelfstandig naamwoord Vergif bedoeld.
Het Vergif van de verkeerde opvoeding op school èn in huis, die de
jeugd bederft.
Deze roman is meer dan 20 jaar oud; maar hij is in zijn menschteekening
en zijn aanval op geestdoodende klassieke schoolvorming en op de, alle
nobele opwellingen smorende kleingeestige vormelijkheid, behoudzucht,
lafheid, vrees en huichelachtigheid nog even frisch als toen Kjelland
hem schreef.
In ons land is dezelfde strijd ook niet volstreden, sluimert hij
langer dan goed is voor onze jeugd. Ook daarom lijkt ons het nieuw
bekend maken van dit frissche en geestige en tegelijk zoo tragische
werk een daad om gaarne te verrichten.
Red. W. B.
EERSTE HOOFDSTUK.
Kleine Marius zat zoet en stil in de bank. Zijn te groote donkerbruine
oogen gaven zijn bleek gezichtje een uitdrukking alsof hij verschrikt
was; en als hem onverwacht iets gevraagd werd kreeg hij een kleur
als vuur en stotterde.
Kleine Marius zat in op éen na de achterste bank, met een wat krommen
rug; want er waren geen leuningen aan de banken en het was streng
verboden tegen den lessenaar van de volgende bank te leunen.
Zij hadden aardrijkskunde van elf tot twaalf uur op een warmen
Augustusdag na de vacantie. De zon scheen in den tuin van den rector
en op de vier groote appels aan zijn appelboompje. De blauwe gordijnen
waren voor 't eerste venster neergelaten, maar voor 't andere had
Abraham een vernuftig bedachte zonnewijzer van inktstrepen in de
vensterbank gemaakt. Hij telegrafeerde juist aan de vragers in de
klasse, dat het over halftwaalf was.
"Welke steden zijn er nog meer?" vroeg de leeraar van den katheder
en blies in een veeren pen. Hij was een specialiteit in 't snijden
daarvan; en in alle klassen, waar hij les gaf, lag een sierlijke
verzameling veeren pennen, die niemand anders dan de Rector gebruikte.
Toch had de leeraar, die Borring heette, moeite ze in orde te
houden. Want het gebeurde vaak, dat de een of andere ontaarde leerling
de pennen verzamelde in 't vrije kwartier, ze in een inktkoker stak
en er zoolang mee omroerde in 't zwarte sop, dat de punten naar alle
kanten uitstaken en de schachten vol inkt zaten.
Als dan daarna Borring in de klasse kwam en riep: "Neen maar, groote
hemel! wie heeft mijn pennen vernield?"--dan klonk het antwoord vast
en eenstemmig uit de heele klasse: "Meneer Aalbom!"
Want het was bekend, dat de Heeren Borring en Aalbom elkander haatten
met een innigen haat.
Borring schrapte de penneschachten af en blies de fijne, witte en de
van inkt doortrokken spiraaltjes van den katheder weg.
"Nog meer steden."--Hij mompelde even een zegenbede aan 't adres van
Aalbom, "meer steden! nog meer!"
Geen ander geluid werd in de klasse gehoord, want de achterste bank
moest vandaag een beurt hebben en daar antwoordde nooit iemand.
Dat wist ook iedereen; maar voor de orde kregen ze toch eens in de
maand een beurt, opdat ze hun 4 op de lijst zouden kunnen halen.
En de vier of vijf jongens, die daar zaten, zagen er ook niet uit
alsof ze er veel om gaven of ze àl of niet konden antwoorden. Daarom
was er niemand op de voorste banken, die lust had gevaar te loopen
door hun iets in te fluisteren.
Alleen hij, die juist een beurt had, zat onrustig aan zijn atlas te
friemelen, die dicht voor hem lag. Want onder 't overhooren moest
hij, die een beurt kreeg en zij, die naast hem zaten, hun atlassen
dicht slaan.
"Met een kaart vóór je is er geen kunst aan aardrijkskunde," zei
Borring.
Tegen zijn gewoonte in had hij een beetje geleerd, de lange Tolleiv;
't was over de steden in België; hij had zijn les thuis twee keer
overgelezen en eens in de school.
Maar die stilte, telkens als Borring weer gezegd had: "Meer steden,"
de heel vage herinneringen aan de Belgische steden, die na Brussel
kwamen, en het ongewone voor hem, dat hij antwoorden zou,--dat alles
snoerde hem den mond, hoewel hij heel zeker nog één stad wist;--hij
zat den naam in zich zelf te noemen, maar hij durfde zijn mond niet
open doen; misschien was 't wel heelemaal mis en zou hij als gewoonlijk
door allen worden uitgelachen; 't was maar 't best te zwijgen.
De anderen op de achterste bank wachtten kalm en onverschillig hun
lot af. 't Waren de grootste en sterkste jongens van de klasse;
zij dachten er over om naar zee te gaan en gaven geen steek om hun
rapport. Er was maar één van hen, die zijn aardrijkskunde-boek nam en
't onder de tafel hield om nog wat van de steden in België te leeren
en van wat daarop volgde.
Kleine Marius zat zoo zoet in zijn bank. Zijn groote oogen volgden
den leeraar oplettend, terwijl hij met iets onder den tafel bezig
was; het leek wel, dat hij ergens knoopen in legde en die met alle
macht aantrok.
De heele klasse was zoowat aan 't gonzen in dit warme middaguur;
ieder was met het zijne bezig. Enkelen deden niets, maar zaten met de
handen in den zak en staarden in de lucht; de een schreef Latijnsche
zinnen achter een hoop boeken; een ander had zijn hoofd op zijn arm
gelegd en sliep rustig; aan 't venster zat er een naar de vier appels
van den rector te kijken, terwijl hij er over fantaseerde hoeveel er
wel wezen zouden aan den anderen kant van den boom, dien hij niet
zien kon, en ook in hoever het te doen zou zijn over dien muur te
klimmen op een avond, dat het donker was.
Twee waren samen bezig met een groote kaart van Europa, waarop
ze schepen lieten zeilen van spaanders, die ze onder van de tafel
sneden. Er woei een vliegende zuidwesterstorm in 't Kanaal, zoodat
"Freya" en "De goede Hoop" om het noorden van Schotland heen moesten
varen, maar beneden bij Gibraltar lag de andere op den loer met een
lang half potlood, dat hij in een inktpot had gestopt en dat een
Algerijnsche zeeroover moest voorstellen.
"Meer steden, nog meer."
"Nameur," zeide Tolleiv plotseling.
De halve klasse keek verbaasd om, en in op één na de achterste bank
was er zelfs éen zoo onkiesch om zijn hoofd heelemaal onder tafel te
steken, om te zien of hij zijn aardrijkskundeboek niet op zijn knie
had liggen.
"Namen--niet Nameur," zei de leeraar knorrig en keek in het boek
vóór zich, "neen, dat komt nu nog niet. Er zijn...... laat eens
zien...... er zijn drie andere, die eerst komen. Welke zijn dat?--toe
nu! wat zijn dat voor steden?"
Maar nu had Tolleiv alles gezegd wat hij wist en hij verzonk in doffe
berusting, zonder op te letten, wanneer de leeraar in een penneschacht
blies en weer zei: "Welke steden zijn dat?"
Kleine Marius was zeker klaargekomen met zijn geheimzinnig werk onder
de tafel; want op eens gooide hij wat naar zijn buurman en verborg zijn
gezicht achter zijn handen, zoodat alleen zijn oogen er uit kwamen,
die van den een naar den ander gingen.
De buurman van Marius stuurde wat hij gekregen had weer naar zijn
buurman en zoo ging het de heele klasse rond. Enkelen lachten, anderen
namen het kalm op, alsof zij er al aan gewend waren; ze zonden het
door en gingen weer aan hun bezigheden--wat die ook waren.
Maar Abraham was bezig zijn zonnewijzer in de vensterbank te
verbeteren, en toen zijn buurman hem een blauwen prop toegooide, werd
hij knorrig. Hij kende die ratten wel, die Marius van zijn blauwen
zakdoek maakte en ze verveelden hem zóó, dat hij de rat opnam en die
door de klasse gooide zonder om te kijken.
Maar daardoor gebeurde het, dat de zakdoek van Marius in Spanje
neerkwam en den roover met de koopvaardijschepen op den grond sleepte,
terwijl de twee, die midden in een spannenden strijd voor Gibraltar
waren, opsprongen van hun bank.
Dat stoorde den leeraar: "Wat was dat daar?"
"Een rat," was het onmiddellijke antwoord. Maar toen nu de welbekende
rat van Marius bij zijn staart van den grond werd opgenomen, barstte
de heele klasse in lachen uit; want Marius was erkend als een meester
in 't ratten maken, vooral had hij slag om de ooren goed te krijgen.
Maar de Adjunkt werd boos: "Bah, Marius! ben je nu weer bezig met
die flauwe ratten? Me dunkt, dat je nu toch te oud wordt voor zulke
kinderachtige streken."
Marius kreeg zijn zakdoek terug en begon--erg in zijn wiek
geschoten--de knoopen weer los te maken; toch moest hij nu en dan
zijn lachen verbergen; hij vond het zoo grappig zooals Abraham die
rat weggooide.
De leeraar keek op de klok. 't Uur was bijna om; hij legde zijn
dierbare veeren pennen op zij, blies den katheder schoon, knipte zijn
mes dicht en begon weer met zijn boek.
"Nu, Tolleiv!--je weet er weer niets van. Jij weet ook nooit
wat.--Jij dan, Reinier! Kun jij me nog een stad in België noemen,
behalve Brussel?--Namen is al genoemd. Nu!... meer steden, nog
meer! Jij ook niet?--neen, natuurlijk! Jelui bent allemaal één pot
nat, daar achter. Nu jij dan,--Sörensen! meer steden in België,
behalve Brussel! toe dan!---"
"'t Is tijd," meldde de concierge aan de deur.
"Ja, kijk nu! Zoo gaat het! Hier zitten we uur in uur uit en verknoeien
onzen tijd aan de luie bengels daar, die toch niet willen leeren;
voor jelui helpt niets dan een flink pak slaag, en dat zou jelui
hebben ook, als ik mijn zin kreeg."
Toen gaf hij ze gauw allemaal een vier en schreeuwde door 't spektakel
heen, dat nu in de klasse opging: "Den volgenden keer tot aan de
rivieren in Frankrijk." No. 1 zette een streepje met den nagel in
zijn boek; Abraham legde een groote vouw in 't blad; twee broers,
die samen één boek hadden, liepen onrustig rond om precies te hooren
tot hoever ze moesten leeren.
"Tot de rivieren in Frankrijk," riep Reinier en gooide met opzet een
grooten inktmop op het blad, als teeken. Toen sloeg hij zijn boek
dicht, opdat de vlek flink op 't andere blad overdrukken zou.
Kleine Marius keek met schrik en bewondering naar hem.
Van twaalf tot één werd de klasse gesplitst.
De burgerscholieren, waartoe natuurlijk de geheele achterste bank
hoorde, bleven zitten, om Engelsche les te krijgen; de gymnasiasten
namen hun boeken en trokken naar een ander gebouw.
De lagere klassen, die daar waren, gingen om twaalf uur naar huis,
zoodat de gymnasiasten in 't laatste uur een van hun lokalen in bezit
namen. Met Abraham aan 't hoofd baande de acht à tien gymnasiasten
zich een weg door 't gewriemel van de kleine jongens, die de gang in
en den trap afstroomden.
"Fi donc!" riep Abraham, toen ze eindelijk het lokaal op de tweede
verdieping bereikten, waar ze moesten wezen, "hier mag wel eens
gelucht worden nu al die stinkers hier gezeten hebben."
Alle vensters werden opengegooid en een paar "stinkers" die
zich verlaat hadden en nog rondliepen bij hun lessenaars, werden
onbarmhartig de gang in gegooid.
Bij elken jongen, die de deur uit stoof, hieven de kleinen buiten
een wild wraakgeschreeuw aan; maar de gymnasiasten letten er niet
op; zij sloten hun poorten, en de dikke Morten, die zich geduldig
"achterblijver" noemen liet--waarom was niet juist te verklaren--werd
op de wacht gezet.
Want de overmoedige stinkers, die op hun aantal vertrouwden en op de
trap, waar langs ze konden vluchten, gooiden elkaar tegen de deur en
rammelden aan den knop.
No. 1, die altijd dappere redevoeringen hield, stelde een uitval
voor van 't vereenigde leger van de gymnasiasten; maar de stemming
was niet krijgshaftig. Abraham zat op den katheder en peuterde aan
't slot; hij had zich in 't hoofd gezet, dat hij de lijst van de
stinkers wilde zien.
Maar plotseling klonken buiten luide triomfkreten. Morten,
de achterblijver, gluurde door de deur en riep toen ontzet zijn
vrienden toe:
"Help, help! Ze hebben den rattenkoning gevangen."
Abraham vloog van den katheder, en de anderen volgden hem.--No. 1
kwam achteraan.
Kleine Marius was in handen van de stinkers gevallen.
Kleine Marius gaf den gymnasiasten veel zorg; hij was niet grooter
dan een middelsoort stinker en hij wou niet groeien; daarom was hij
altijd onder bescherming.
Maar vandaag hadden ze hem vergeten, terwijl hij zijn kostbare
aanteekeningen en thema-boeken zocht. En toen hij de trap op kwam en
naar binnen wilde gaan, werd hij bij armen en beenen gegrepen door
dertig kleine, vuile handjes en van de deur weggetrokken. En nu rolde
kleine Marius heen en weer tusschen zijn vijanden, waar hij juist
zoover boven uitstak, dat men zijn groote, wanhopende oogen kon zien
en een paar dunne armpjes, die in de lucht schermden.
Maar ze stompten hem op zijn buik en knepen hem in zijn rug, trokken
hem aan haar en ooren, en gooiden hem zijn eigen boeken naar zijn
hoofd, terwijl zijn dierbare aanteekeningen en themaboeken door de
lucht stoven als losse bladen.
Aan dat spelletje werd plotseling en met geweld een eind gemaakt,
toen de gymnasiasten naar buiten stormden; de kleintjes werden op
zij gegooid en verdwenen achter deuren en langs de trappen, terwijl
de bevrijde Marius bij de gymnasiasten werd binnen gebracht. Maar
nauwelijks hadden deze hun poorten gesloten of de gang was weer
propvol van jubelende stinkers.
"Wraak!" riep Abraham.
"Ja, wraak! wraak!" herhaalde No. 1 en trok zich terug.
"Jij moet de vertoornde Achilles zijn!"
"Ja!" antwoordde kleine Marius met fonkelende oogen.
Als Marius de vertoornde Achilles was, zat hij op Abraham's schouders,
en sloeg van daar zijn doodsvijanden onbarmhartig op 't hoofd met
'n lang lineaal.
De gymnasiasten grepen naar hun wapens. Uit de lessenaars werden
de linealen gehaald; slingeraars en boogschutters voorzagen zich
van stukken krijt uit de kist bij 't bord; zelfs nam No. 1 een heel
klein lineaaltje en liep er mee te zwaaien, terwijl hij de strijders
vurig aanmoedigde--heelemaal aan 't andere eind van de kamer, achter
den katheder.
Abraham zette haastig zijn plan uiteen! zoodra de vertoornde Achilles
het sein gaf, zouden ze het krijgsgeschreeuw aanheffen.
Morten, de achterblijver, zou de poort open gooien, de boogschutters
en de slingeraars zouden een regen van pijlen en steenen uitzenden,
terwijl de ruiterij, gevolgd door de zwaar gewapende hoplieden, zich
op den vijand zouden werpen, om hun den weg naar de groote trap af
te snijden. Daarna konden ze dan op hun gemak de verspreide stinkers
vangen en ze elk afzonderlijk afmaken.
Alles was klaar; en 't was heel stil geworden in de gang. De
vertoornde Achilles steeg te paard en plotseling werd het
vervaarlijk oorlogsgeschreeuw der gymnasiasten aangeheven. Morten,
de achterblijver, rukte de poort open, een regen van projectielen
verduisterde de lucht; "astati" en "principes" rukten in volle vaart
aan, maar heel vooraan in den strijd stormde de vertoornde Achilles
op zijn paard; en zwaaide zijn geweldige lans.
Maar een stilte--plotseling--de lucht doorklievend als een
bliksemstraal uit den hemel--diep en onheilspellend als steeg ze
op uit Hades [2]--doofde het woeste wapengekletter en nagelde de
overwinnende schare der gymnasiasten aan den grond vast.
Want midden in de wijd open deur stond een kleine, dikke man, met
een dichtgeknoopte grijze jas aan, een groene muts met oorkleppen
op. Midden op zijn buik was een groote krijtvlek, die getuigde van
een welgemikten worp.
Sprakeloos staarde hij van den een naar den ander. No. 1 zat
al lang met zijn rug naar 't geheele tooneel en zijn neus in een
grammatica. De slingeraars lieten hun stukken krijt vallen, de zwaar
gewapende hoplieden hielden hun linealen op den rug; maar de vertoornde
Achilles trok de beenen op, schrompelde heelemaal in elkaar en gleed
als een aal langs den rug van Abraham naar beneden.
"Ja, ik zal jelui leeren," riep eindelijk de rector, toen hij zijn
stem weer meester was. "Ik zal jelui leeren zoo'n lawaai en zoo'n woest
spektakel te maken! Wat is dat hier? Wie heeft er meê gedaan? Dit moet
eens voorbeeldig gestraft worden! Jij Broch, deedt zeker niet meê?"
"Welneen," antwoordde No. 1 met een onschuldigen glimlach.
"Maar Marius!--Marius, jij deedt meê," riep de rector bitter, want
kleine Marius was zijn lieveling; "hoe kwam je daar toch bij? op
Abraham's rug? Wat moest je daar uitvoeren?--Nou...?"
"Ik moest de vertoornde Achilles wezen," antwoordde kleine Marius
met bevende lippen en keek op met zijn verschrikte oogen.
"Zoo moest je dat? Hum... moest jij de vertoornde Achilles wezen; ja,
daar lijk je nog al op; precies zoo heb ik hem me altijd voorgesteld."
De rector moest naar het venster gaan om zich ernstig te houden;
maar de heele klasse begreep wel, dat de storm voorbij was.
Toch stonden allen met diep berouwvolle gezichten naar het standje te
luisteren, dat de rector hun gaf, vóor hij den leeraar ging opzoeken,
die surveillance had. Want dit was duidelijk, dat zulk een wanorde
alleen ontstaan kon, doordat de surveilleerende leeraar zijn plicht
verzuimde.
En wat was het voor den leeraar Borring niet een genot en een vreugd
den rector te kunnen melden, dat Mijnheer Aalbom surveillance had en,
voor zoover hij wist, naar het Athenaeum gegaan was om de courant
te lezen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Kleine Marius was de beste vriend van Abraham en Abraham was het
ideaal van kleine Marius.
Ze maakten gewoonlijk samen hun werk op Abraham's kamer en 't zou
moeilijk te zeggen zijn hoe kleine Marius zich op school gered zou
hebben, zonder dien steun. Want hij was slecht in alle vakken--behalve
in 't Latijn.
Maar dat was zijn vak. Latijn kon hij! Er was geen hoofdvorm, geen
bijvorm, geen onregelmatigheid, en geen regel, geen uitzondering
in het uiterste plooitje van Madvigs [3] wijden geplooiden omslag
verborgen,--als je maar bij kleine Marius kwam, hij wist het allemaal.
Van den eersten dag af, dat de rector hen "mensa" [4] liet verbuigen,
had Marius zich onderscheiden.
Want de rector was zelf bij zijn moeder geweest en had gezegd, als
kleine Marius goed oppassen wou, dan zou hij mogen studeeren. De rector
zou hem een vrijplaats aan de school bezorgen en hem later ook wel in
't oog houden.
Dat was een geluk en een groote steun voor de moeder van Marius. En
ze prentte hem dan ook in wat een gunst het was van den rector, dat
hij zou mogen studeeren, als hij knap in het Latijn werd; want dat
was de bedoeling.
En daarom ging ieder woord uit den mond van den rector regelrecht in 't
hoofd van Marius en zette er zich zoo vast als een spijker in een muur.
Maar hoewel zijn hoofd ruim was en eigenlijk te groot voor zijn klein
lichaam, was er toch ten slotte geen plaats genoeg voor het andere,
dat toch ook geleerd moest worden.
Het Latijn van den rector overstemde alles, legde beslag op heel
zijn vermogen om in zich op te nemen; verbruikte alles wat hij
aan geheugen had en groeide als de dokkebladen in 't sprookje van
Andersen (De gelukkige familie) over alles heen, zoodat al wat anders
misschien in hem zou ontkiemd zijn aan belangstelling, leerlust of
nieuwsgierigheid, geheel verstikte en hij werd, zooals de rector met
trots zei, een volbloed Latijner.
De rector liep heen en weer voor de klasse en wreef zich stralend van
verrukking in de handen, terwijl kleine Marius onvervaard voortging met
lange vormen en uitgangen, die haast niet uit te spreken waren; nooit
een fout, nooit een aarzeling. Met de oogen stijf op den rector gericht
en de vingers bezig met de wonderlijkste rattenknoopen in den zakdoek:
"Monebor,
Moneberis,
Monebitur,
Monebimur,
Monebimini,
Monebuntur."
"Goed zoo, mijn jongen, heel goed," zei de rector; en hij kon niet
begrijpen, dat het in andere vakken zoo slecht ging met kleine Marius.
Alle leeraars klaagden, en de rector moest nu en dan streng voor
zijn lieveling zijn, en hem berispen, ja, hij had zelfs een paar
keer gedoeld op de vrijplaats, die Marius had en die hij niet moest
verspelen.
Maar alles was vergeten, als Marius weer een moeilijke verbuiging kreeg
om op te zeggen, en dan legde de rector hem de hand op 't hoofd: "Nou,
nou, kleine Marius, 't zal wel gaan met de wiskunde en al dat andere,
als je maar wat grooter wordt en wat vleesch op je botten krijgt. In
't Latijn ben je een heele professor."
't Was werkelijk een eerzuchtige droom van den rector om kleine
Marius tot iets groots, iets geleerds te maken, zooiets als Madvig;
zelf zou hij dan al tevreden zijn met genoemd te worden als degene,
die de eerste schreden van 't kind of den jongeling naar den Parnassus
[5] geleid had.
Kleine Marius ging meê zonder er veel over te denken waar dit op
uit moest loopen. Hij was naar het oordeel van alle leerlingen en
kameraden vreeselijk kinderachtig; en als 't niet om 't Latijn was,
had hij nooit in zoo'n hooge klasse moeten zitten.
Daarom was hij bijna een soort van zondenbok in de klasse geworden,
tot Abraham zich over hem ontfermde. Abraham was sterk en nog al knap,
en daarbij had hij een zekere positie in de school als de zoon van
Professor Lövdahl.
Marius had Abraham altijd uit de verte vereerd; maar toen ze nu groote
vrienden werden, was hij uitgelaten van blijdschap. Als hij bij zijn
moeder thuis kwam, praatte hij onophoudelijk over Abraham, en als ze
samen hun werk zaten te maken, was hij voortdurend in één verrukking.
De reden waarom Abraham zich over hem ontfermde was, dat Mevrouw
Lövdahl eens gezegd had, dat de moeder van kleine Marius heel
ongelukkig was: eenzaam en verlaten in de wereld. De woorden haakten
zich in zijn geest vast en toen hij weer eens zag hoe Marius door
zijn kamaraden geplaagd werd en door de stinkers vervolgd, wierp hij
zich plotseling op als zijn verdediger; en toen duurde het niet lang
of ze waren onafscheidelijk.
Abraham had niets tegen die stille aanbidding, en dan was het ook
voor hem, die al een half jaar hopeloos verliefd was, een groote
troost zijn verlangen, zijn klachten, zijn hoop en zijn wanhoop te
kunnen uitstorten in het hart van kleine Marius.
Kleine Marius zat te luisteren met open mond. Wel had hij hoog tegen
Abraham opgezien, maar dat hij zóó groot, zóó verheven was--verliefd,
werkelijk ongelukkig verliefd--dat ging boven Marius' begrip en bracht
hem in een nóg grooter bewondering.
't Was hem alsof hij zelf groeide door 't meê dragen van dat
noodlottig geheim; en als hij haar op straat tegenkwam--het was een
van de volwassen dochters van Proost Sparre--dan zag hij haar met
zijn groote, bruine oogen half verwijtend, half met een uitdrukking
van geheimzinnig mede-weten aan.
Marius kwam op een middag om zijn werk te maken. Abraham zat met het
hoofd in de handen, staarde op het tafelblad en scheen niet te merken,
dat er iemand binnenkwam.
Kleine Marius ging toen voorzichtig naar hem toe en legde de hand op
zijn schouder.
Abraham schrikte op--in de war--zonder zijn gedachten nog bij elkaar te
kunnen krijgen. Maar toen zag Marius hem zóó deelnemend aan met zijn
groote, vochtige oogen, dat het den ongelukkige, met zijn hopelooze
liefde, goed deed.
"Heb je haar vandaag gezien?"
"Spreek niet over haar!--Noem nooit haar naam meer, versta je,
Marius!--Als je mijn vriend bent, zweer me dan, dat je nooit haar
naam meer noemen zult, zweer me dat!"
"Dat zweer ik," fluisterde kleine Marius bewogen.
Dat kalmeerde den andere. Hij ging weer zitten, verborg zijn gezicht
in de handen en zuchtte. Zoo zaten zij een paar minuten.
Eindelijk zei Abraham met een doffe, griezelige stem en zonder op
te zien: "Ze heeft me trouweloos verlaten; alles is voorbij,--ze
is verloofd!"
Marius gaf een gilletje; maar hij mocht niets vragen om zijn eed van
daar straks.
Weer na een stilte voegde Abraham er mat en met een klanklooze stem
bij. "Met Erichsen, den telegrafist."
"Met hem!" riep Marius uit. "Hij heeft twee keer toelatingsexamen
voor de universiteit gedaan, maar zakte allebei de keeren met glans!"
"Is dat waar?--Marius?"
"Zoo waar als ik hier zit. Moeder heeft het me zelf verteld. Zij
kent hem."
Abraham glimlachte honend.
"Ik zal hem niet vermoorden, Marius."
"Heb je daaraan gedacht?"
"Mijn eerste gedachte was: bloed! Hij of ik. Maar nu zal ik me op
een andere manier wreken."
Hij streek zijn haar op, nam de boeken van de plank en gooide ze
op tafel.
"Nu beginnen wij aan onze wiskunde. Geen woord meer over dat andere."
Nu werkten ze samen wiskunde op deze manier: Abraham, die de bewijzen
begreep, liep ze door en verklaarde ze, en telkens vroeg hij: "Begrijp
je?" en dan antwoordde Marius: "Ja." Maar dat was een leugen; hij
had nooit een woord van wiskunde begrepen en allerminst vandaag.
Toen zij klaar waren met alle lessen voor den volgenden dag, sloeg
Abraham zijn laatste boek dicht en zei: "Zóó zal ik me wreken."
Marius keek verwonderd naar hem en naar 't boek.
"Door te werken, begrijp je? en als ik dan van de universiteit komt met
'laud,' of misschien met 'prae ceteris,' en haar tegenkom met haar
ellendigen telegrafist, dan zal ik haar aankijken--zooals je weet,
dat ik kijken kan,--en dat zal mijn wraak zijn."
Abraham fronste de wenkbrauwen, zoodat ze ineen liepen en staarde
Marius aan; en hij voelde dat dit de vreeselijkste wraak wezen zou.
"Daar komt Moeder aan," zei Abraham; hij hoorde de deur van de kamer
van zijn ouders, van de zijne gescheiden door een smalle gang die
naar de keuken liep.
Mevrouw Lövdahl kwam binnen met een schaal appelen en noten.
"Goedenavond lieve Marius, hoe maakt je moeder het?"
"Heel goed, dank u!" antwoordde hij en stond wat verlegen op.
"Alstjeblieft jongens, neem hier eens wat van! Ik dacht, dat jelui
wel een verfrissching noodig zoudt hebben na al die droge geleerdheid,
die je in je arme hoofden hebt gestopt."
Ze sprak vlug en melodieus Bergensch [6] en glimlachte, terwijl ze
Abraham's haar glad streek, dat nog wat aan zijn ongelukkige liefde
deed denken.
Mevrouw Lövdahl was heel mooi en zag er zoo jong uit, dat het altijd
een vermaak voor haar was haar grooten zoon van 14 à 15 jaar aan
vreemden voor te stellen. Toen Carsten Lövdahl uit Parijs terug kwam
met de schitterendste getuigschriften van oogartsen en met zijn
europeesche beschaving, trouwde zij dadelijk met hem, voor ze nog
twintig jaar werd; hij was een jaar of vijf ouder.
Mevrouw Lövdahl ging tusschen de jongens in zitten en begon aan
een appel.
"Wat is dat nu voor gedoe, wat jelui voor morgen leeren moet?"
Abraham telde 't op: "Grieksch, Latijn, Wiskunde......"
"Bah!" zei Mevrouw Lövdahl, "Grieksch! dat is zeker wat akeligs."
"Dat is de Ilias van Homerus; over de Grieksche helden voor Troje,"
zei kleine Marius snel, hij was niet gewend zoo over de studie der
klassieken te hooren spreken.
"Meen je, dat Moeder niet weet, wat de Ilias is?" zei Abraham, en
Marius kreeg een kleur als vuur.
Maar Mevrouw Lövdahl keek haar zoon aan en deed alsof zij niet merkte,
dat Marius verlegen werd.
"Waar is dat nu goed voor?" ging ze voort, "dat jelui maar aldoor
van die Grieken leert? Ja, ik weet het niet hoe het er in dien ouden
tijd voor Troje uitzag. Maar dat heb ik dan wèl dikwijls gehoord van
schippers, thuis bij Vader, dat Grieken de grootste bedriegers zijn,
die er bestaan. Net alsof wij niet even groote helden hadden in den
ouden tijd,--en nog betere? Waar is Snorre?" [7]
"Achter u, op de plank."
"Heb je Snorre nu heelemaal uitgelezen!"
Abraham hief de armen op, alsof hij zich tegen een pak slaag verweren
wou.
"Ja, ik zal je krijgen, jou ellendige Griek," riep Mevrouw Lövdahl,
en wierp zich op hem, om hem aan zijn haar te trekken; maar Abraham
verweerde zich met armen en beenen, en kleine Marius lachte, tot hij
bijna onder de tafel rolde.
De strijd eindigde, toen Mevrouw Lövdahl haar mooie blonde haar over
de ooren en oogen had hangen, haar broche op den grond lag en haar
manchetten gekreukeld waren. Abraham triomfeerde openlijk, Marius
in stilte.
"Kom," zei Mevrouw Lövdahl, toen ze zich weer opgeknapt had, "nu zul
jelui eens een echt bad in de oude Noorsche sagen hebben."
"Och neen, Moeder, spaar ons!"
"Ja, dat zul je! voor je straf; omdat je Snorre verwaarloost zul je
nu eens hooren wat 'n meester hij is."
En ze begon hun voor te lezen, en ze las uitstekend; want ze kende de
Saga-stijl en ze had dien lief. Aan huis bij haar vader--den rijken
Abraham Knorr in Bergen--was in haar jeugd alles bijeengekomen wat
Noorsch, echt oer-Noorsch gebleven was onder de opkomende, blauwachtig
gele reactie.
Daar kwamen de stoere schippers en de nationale genieën--een echt
mengsel van allerlei soort--maar allemaal echt Noorsch; en daar kwamen
de eerste landstaalmannen [8]--enthousiast en zwijgend, stijve halzen
met weêrbarstige boorden, baaien broeken met hoornen knoopen--Noorsche
hoornen knoopen!
Er kwamen maar weinig woorden over hun lippen, maar 't waren
orakelspreuken vol inhoud en moeilijk te verstaan, opkomend diep
uit het volk. Want in hun volle harten brandde de liefde voor hun
vaderland, de vrijheid en hun volk;--die brandde daar met den altijd
wakenden twijfel van een half begrepen liefde. Ze waren verstokt en
onverzoenlijk, omdat ze er nooit zeker van waren, dat ze het rechte
gegrepen hadden; maar ze waren standvastig en trouw, omdat iets diep
in hun ziel zei, dat het zaak was vol te houden.
Tusschen zulke mannen groeide Wenche Knorr op en ze was voor hen
als een Valkyrie [9], en nog veel meer. Haar familie was een oude
Bergensche en van geslacht tot geslacht ging een liefde voor het
vaderland, een nationaal voelen, vol kracht en strijdlust, zooals
men meestal vindt waar 't vreemde bloed overwonnen is.
Wenche Knorr was vol geestdrift voor het nationale; ze was bereid tot
ieder offer voor de vrijheid en het volk. Ze kleedde zich in stoffen,
die in Noorwegen geweven waren en ze kende de landstaal. Ze was er
maar bedroefd om, dat er niet meer van haar werd geëischt.
En toen ging ze op een schoonen dag heen en verloofde zich met den
nieuwen professor Carsten Lövdahl, die ten eerste tot een oude,
stokstijve, Deensche ambtenaarsfamilie behoorde en waarvan men bijna
niets anders wist, dan dat hij aan de universiteit voortgeholpen was
en zeer gezien was geweest in de conversatie in de hoofdstad.
Ach, wat een verdriet en teleurstelling gaf dat!
't Was een nederlaag voor de zaak van 't volk. De meest enthousiasten
noemden het een nationale ramp. En hoe graag ook elk ongetrouwde onder
de landstaal- en vrijheidsmannen haar zelf de zijne had willen noemen,
toch had hij aan wie ook onder zijn kameraden die Valkyrie liever
gegund, dan aan zoo'n fat, zoo'n kwast als Carsten Lövdahl.
En die stemming was ook duidelijk te merken in zes van de
een-en-twintig liederen aan Wenche Lövdahl, die nauwgezet werden
uitgezongen aan het bruiloftsmaal.
Maar, dat ze hem genomen had, kwam zóó. Zij was een jaar in 't deftige
gedeelte van Christiania geweest; dien winter was zelfs 't hof daar
en er waren veel Zweden.
En toen nu Carsten Lövdahl thuis kwam, midden in dien kring--mooier,
eleganter en interessanter dan al die anderen en bovendien nog
Noorsch--met zijn Noorschheid opgefrischt door een lang verblijf in
het buitenland--toen vond Wenche Knorr in hem de schoonste vereeniging
van datgene, wat ze van huis uit had liefgehad, en het Europeesche
beschaafde, waarvoor ze oog had gekregen in de hoofdstad. En zoo
raakten zij verloofd en trouwden.
Maar 't duurde niet lang, voor ze haar vergissing merkte. De oude
vrienden hadden niet meer hetzelfde vertrouwen in haar, hoewel zij in
haar hart niet veranderd was--even Noorsch, even onvervaard vrijzinnig;
en 't werd nog erger toen zij naar dit ouderwetsche stadje verhuisde,
waar zij alleen stond tusschen de vrienden van haar man.
Maar vooral, wanneer zij, zooals op dezen avond, iets las, dat haar
zoo levendig aan den gedachtenkring van haar jeugd herinnerde, kon er
iets gedrukts over haar komen,--als een voorgevoel, dat die tweespalt
in haar leven niet tot iets goeds leiden kon.
Abraham zat eerst gezichten tegen Marius te trekken, maar verviel
spoedig in gedachten over zijn droevig lot. Marius daarentegen
luisterde; en het begon hem belang in te boezemen, al dat houwen en
slaan naar links en rechts, al die oneenigheid met 't zwaard in den
vuist,--precies als zijn eigen leven onder de stinkers.
"Daar is Vader," viel Abraham zijn moeder in de rede.
Zij hield met voorlezen op, toen hij binnen kwam; maar las toch het
hoofdstuk voor zich zelf uit, eer zij het boek sloot.
De professor was in zijn overhemd met opgeslagen manchetten; hij liep
zijn handen af te drogen aan een handdoek.
"Goeienavond, jongens! Wat lees je hun voor, Wenche?"
"Snorre," antwoordde Abraham en glimlachte tegen zijn vader.
"Bah!--dat dacht ik wel. Is dat nu iets om aan beschaafde jonge
menschen voor te lezen?"
"De heldendaden van onze dappere voorvaderen?" antwoordde Mevrouw
Wenche strijdvaardig.
"Helden--bah! Sluipmoordenaars, roovers, moordenaars en
brandstichters--dat waren ze! Neen, dan wil ik liever hooren van den
rappen Achilles of van Hector, die de zware lans zwaait. Niet waar,
jongens?"
"Ja," riep Abraham, en Marius deed meê.
"Och, ik heb geen lust jelui te antwoorden," zei Mevrouw Wenche
gemelijk en zette Snorre weer op zijn plaats.
De professor bleef heen en weer loopen tusschen zijn kamer en die
van Abraham over de kleine gesloten gang; hij liep wat te praten en
te schertsen, zooals gewoonlijk terwijl hij zich verkleedde.
Toen Mevrouw Wenche wegging, zeide ze:
"Kom je nu gauw bij mij binnen, Abraham? Nacht Marius, groet je moeder
van mij."
Toen Marius ook was heengegaan, zeide de professor: "Een aardige
jongen, die kleine Gottwald. 't Is wel erg 'chaud' tusschen jelui in
den laatsten tijd."
"Hij is mijn beste vriend," zei Abraham wat onzeker.
"Beste vriend," herhaalde de vader en glimlachte. "Die soort
van vriendschap voor leven en dood, die je zoo gauw sluit in je
jongensjaren. Ja, daar weet ik alles van. 't Is een geluk, dat er in
den regel zoo weinig van overblijft. Dat is een geluk--zeg ik--want
't zou immers heel lastig zijn--vooral voor hen, die vooruit moeten
in de wereld, als zoo'n jongensvriendschap wezenlijk verplichtingen
zou opleggen voor leven en dood."
Abraham keek naar buiten, alsof hij zijn vader niet goed begreep,
en deze ging voort: "Zie je, schooljongens zijn gelijk, ten minste
zoo ongeveer; maar als de school ze loslaat, worden ze door het leven
verspreid en 't leven maakt ze al heel gauw ongelijk. Denk nu maar zelf
eens na hoe onmogelijk het voortzetten van zoo'n jongensvriendschap
wordt, als bijv. de een opklimt in de maatschappij, terwijl de ander
daalt, of blijft staan waar hij is. Zie je, daarom is 't zoo goed
ingericht, dat 't leven zelf er voor zorgt, dat zulke vriendschappen
niet langer duren dan zoolang ze onschadelijk zijn."
"Ja, maar Marius zal immers studeeren," viel Abraham in.
"Ja zeker, ja zeker, maar daar zit het hem niet in; ik dacht ook niet
aan Marius. Hij kan immers niet helpen--dat wil zeggen--er is iets met
hem, wat je nog niet begrijpen kunt, en waar je je ook niet om hoeft te
bekommeren. Hij is zeker een beste, brave jongen, waar je gerust meê
kunt omgaan. Dat komt wel terecht. Ik wou je alleen maar waarschuwen
voor zoo'n sentimenteele vriendschap voor leven en dood. Je weet,
ik houd niet van sentimentaliteit. Dat past niet voor ons, mannen."
Abraham voelde zich altijd gevleid, als zijn vader hem zoo als een
jongeren vriend behandelde; vooral vond hij het prettig zoo meêgerekend
te worden tot "ons mannen." De toespeling op iets met Marius wekte
zijn nieuwsgierigheid; maar hij zag aan 't gezicht van zijn vader,
dat hij er niet naar moest vragen.
Professor Lövdahl was nu klaar met zijn toilet. Hij nam een schoonen
zakdoek en ging neuriënd heen om een uur voor 't avondeten in de club
door te brengen. Hij leefde heel geregeld, zijn uiterlijk was mooi en
goed verzorgd en al zijn opinies waren klaar en sierlijk gerangschikt
in zijn goed hoofd.
Hoewel hij in werkelijkheid niet veel ouder was dan zijn vrouw, scheen
de afstand tusschen hen veel grooter. Want hij had van jongs af aan
zijn best gedaan er waardig uit te zien; hij hield van het oude, wat
zeker was en vast stond; zij dweepte met het nieuwe, dat vol hoop was
en in snellen groei. Daarom werden zij langzamerhand zoo door en door
verschillend van elkaar.
Wanneer iemand hem vroeg, waarom hij toch de hoofdstad en zijn
eervolle betrekking als professor verlaten had, die hem al zoo jong was
aangeboden, om zich in dit weinig wetenschappelijk stadje te begraven,
vertelde Professor Lövdahl meestal een verhaal uit de eerste jaren
van zijn huwelijk.
"Mijn vrouw is, zooals u weet, een Bergensche--een Bergensche met
hart en ziel. Zij heeft dat lichte enthousiaste gemoed, dat behoefte
heeft aan den omgang met sterk bewogen en licht beweeglijke menschen;
en daarom kunt u wel begrijpen, dat Christiania geen stad voor haar
was. Ik, van mijn kant, ben, zooals u weet, een Europaeer; ik kan
zoowat overal leven,--alleen niet in Bergen, neen! dat verklaar ik u,
niet in Bergen! Welnu, zij wilde voor geen geld in Christiania blijven
en ik wilde voor geen geld naar Bergen. Toen kwamen we elkaar tegemoet
en--we ontmoetten elkaar in deze stad."
Die geschiedenis was bijna waar, en als hij andere redenen voor deze
verhuizing had, was dat in ieder geval zijn geheim. Maar booze tongen
beweerden, dat Carsten Lövdahl nooit de universiteit zou hebben
verlaten, als zijn positie hem volkomen voldoening gegeven had. 't
Zou zeker wel 't geval zijn, dat zijn kennis vrij hol was, zoodat de
jongere assistenten hem nu en dan ernstig vast dreigden te zetten.
Niettegenstaande hij dus de beste protectie had en volgens zijn
levensopvatting geheel in overeenstemming was met den geest, die den
boventoon voerde aan de universiteit, was hij wijs genoeg om op de
teekenen des tijds te letten. Hij ging heen terwijl alles nog in de
beste orde was: hij ging heen met den onbesproken naam als de eerste
oogenspecialiteit van het land.
In 't stadje, waar hij woonde, had hij praktijk als huisdokter,
zooals hij dat wenschte. Hij werkte nog slechts bij uitzondering in
zijn specialiteit en hield zijn wetenschappelijken roem boven water
door kleine, voorzichtige artikelen in binnen- en buitenlandsche
tijdschriften.
Het groote vermogen van zijn vrouw verzekerde hem een onbezorgd leven
in den overvloed, waaraan hij behoefte had. Een man, wiens naam wat
beteekende in de wetenschap, die schreef en dat nog wel in 't Fransch,
en die niettegenstaande dat niet arm of haveloos was, maar zelfs tegen
den besten koopman in weelde en conversatie op kon,--zoo'n man moest
natuurlijk een hooge en eervolle positie in 't stadje hebben.
Dat had Professor Lövdahl dan ook; zijn invloed was bijna onbegrensd;
daarbij was hij door ieder geacht en bemind--door vrouwen en mannen;
en 't eenige, waar men een beetje om lachte, was zijn lust om alleen
aan 't woord te komen en lang en sierlijk op een onderwijzenden toon
te spreken.
Onder het avondeten vertelde Marius Gottwald onophoudelijk van Abraham;
maar zijn moeder kon niet begrijpen, hoe Mevrouw Lövdahl met haar
zoon kon vechten.
"Och, u kunt toch wel begrijpen, dat het gekheid was, Moeder," riep
Marius beleedigd, "u begrijpt toch wel, dat het voor de grap was."
"Ja, ja, natuurlijk," antwoordde Mevrouw Gottwald, om hem te kalmeeren;
maar ze kon zich toch maar niet voorstellen hoe zij ooit met kleine
Marius zou kunnen vechten, al was 't dan tienmaal voor de grap. Mevrouw
Gottwald, zooals ieder in de stad haar uit beleefdheid noemde, hoewel
ieder wist, dat zij nooit getrouwd was geweest, was voor een paar
jaar van den Oostkant van 't land gekomen met een kleinen jongen en
vrij wat geld. Professor Lövdahl, aan wien zij door een collega was
aanbevolen, zette haar in een modezaakje, dat Mevrouw Lövdahl met
alle macht steunde.
Achter den winkel had zij haar huiskamertje en daarnaast was de
slaapkamer van haar en Marius. 't Overige gedeelte van 't huis werd
ingenomen door de keuken en de vestibule; op de verdieping daarboven
had zij een paar commensaals.
Zoodra Marius gegeten had, zei hij: "Leg u nu dien hoed neer, Moeder,
wij moeten met kracht aan het werk."
"Moet je nog meer werken vandaag, mijn jongen? Je hebt den heelen
middag gewerkt; laten we nu uitscheiden voor vandaag; 't is bij
negenen."
"Maar Moeder, u lijkt wel dwaas! U weet toch wel, dat ik werken moet?"
"Ja maar wat heb je dan den heelen avond bij Abraham gedaan?"
"We hebben alle andere lessen geleerd, alleen het Latijn--"
"Leer jelui dan je Latijnsche les ook niet samen?"
"Jawel, ziet u--die leeren we wel; maar Abraham heeft geen lust zoo
nauwkeurig te analyseeren;--dat hoeft hij ook niet, want hij weet
het toch wel. Maar ik moet harder werken, anders wordt Aalbom kwaad
en klaagt bij den rector."
"Toe, werk nu niet meer, lieve jongen,--'t is heelemaal niet goed
voor je," ze wilde hem naar zich toe trekken, maar hij had geen tijd
voor zulke dingen, rukte zich los en greep het boek.
"Ziezoo, nu beginnen we, Moeder: tum vero Phaeton--nu moet u mij elk
woord vragen."
De arme Mevrouw Gottwald had werkelijk geleerd hoe ze vragen moest;
maar daar ze toch geen syllabe van de antwoorden begreep, was dit
voor haar een tamelijk vermoeiend slot aan haar werkdag; en zelfs
haar bewondering voor de geleerdheid van haar zoon kon niet altijd
haar oogen open houden.
Intusschen noemde zij de Latijnsche woorden, waarna Marius onmiddellijk
alles zei, wat er van dat woord te zeggen was; en dan weer 't volgende!
"Candescere," las Mevrouw Gottwald slaperig.
"Candescere, candi, candes, can......"
Kleine Marius werd vuurrood, en zijn vingers, die tot nu toe vreedzaam
met zijn zakdoek bezig waren geweest, vlogen nu naar de boeken,
terwijl hij wanhopend naar zijn Madvig zocht.
Maar Mevrouw Gottwald was opeens klaar wakker; zij kende die aanvallen.
Plotseling kon bij hem alles stilstaan; en dan was 't alsof hij zijn
verstand verloren had. En daar was niets aan te doen, dan hem hoe
eer hoe beter naar bed te brengen.
Ze greep daarom stevig zijn beide handen.
"Neen, lieve Marius, nu mag je volstrekt niet langer werken; kom,
nu moet je gaan slapen; dan weet ik zeker, dat je morgen je les kent."
"Neen, neen, Moederlief; laat me los; ik moet het opzoeken, maar één
oogenblik. Ik weet waar het staat, toe, laat u me los!"
Hij smeekte zoo innig, met zijn groote verschrikte oogen, maar zij
hield zich dapper en kreeg hem half door trekken en half door lokken
in de slaapkamer.
Maar aldoor onder het uitkleeden, hoorde ze hem Latijnsche woorden
mompelen; en lang nadat hij in slaap gevallen was, schokte plotseling
zijn hand, die ze vasthield en zijn hoofd was heet en droog.
Zoo zat ze lang. En sombere gedachten aan schande, berouw en
vernedering kwamen als gewoonlijk binnen en zetten zich als stamgasten
om dat kleine bedje en staarden haar aan.
Maar dien avond lette ze niet op hen; haar oogen weken niet van dat
bleeke gezichtje, met dat pijnlijke trekken om den mond en de blauwe
kringen onder de oogen.
Ja,--ze had al eens geprobeerd het tegen den rector te zeggen. Maar
't was niet zoo gemakkelijk voor een vrouw alleen in haar positie,
en de rector hield zooveel van hem, juist om dat Latijn.
En Dr. Bentzen was uit principe een tegenstander van dat moderne
gepraat over overlading bij 't onderwijs aan kinderen in de school;
als ze maar zooveel Latijn leerden en zoo vaak een pak slaag gekregen
als in zijn jeugd; maar nu was het maar verwennen en oppassen aan
alle kanten. 't Was om je dood te ergeren.
Kleine Marius moest maar flink eten en buiten in de frissche lucht
spelen.--En dan hoefde hij zich toch niet dood te werken!
Ja, dat was nu alles goed en wel; iedereen was zoo vriendelijk voor
haar. Maar zie toch eens hoe wonderlijk hij aan zijn slapen ligt
te wrijven.
DERDE HOOFDSTUK.
Bij 't halfjaarsexamen kwam Abraham een paar nummers naar boven; maar
al 't Latijn van Marius kon niet beletten, dat de kleine professor
heelemaal naar beneden zakte, zelfs voorbij Morten, den achterblijver,
en de laatste van de klasse werd.
De leeraar in wiskunde zei dan ook, dat als hij niet in het volgend
halfjaar heel buitengewone vorderingen maakte, hij zeker zou blijven
zitten en niet in de vierde klasse komen.
Abraham was lang niet vlijtig; maar 't hielp dat hij zich had
voorgenomen Marius op sleeptouw te nemen; en doordat hij gemakkelijker
leerde, was het voor hem genoeg, dat hij de lessen éénmaal met Marius
doorwerkte. Marius daarentegen moest werken van dat hij uit school
kwam, tot hij naar Abraham ging en dikwijls ook nog daarna.
Hun klassieke opvoeding was nu zoover gekomen, dat ze negen uur
Latijn en vijf uur Grieksch in de week hadden. Ze hadden Faedrus en
Caesar verlaten om hun geest te verfrisschen met Cicero's rede over
den ouderdom. En nadat hun jonge tongen gebogen waren voor de tweede
klasse van de werkwoorden op mi volgens Curtius, schreden zij voort
met Xenophon, 5 kleine mijlen per week, het goddelijke Hellas binnen.
't Breidde zich uit, het bosch van de dokkebladeren in de jonge
hoofden. Langzamerhand werd het verschil uitgewischt tusschen
wat prettig was te leeren, en wat een plaag was. Alles werd bijna
even onverschillig, alleen gewaardeerd naar wat op school als het
gewichtigste vak gerekend werd.
Alles wat in het onderwijs hier en daar voorkwam, dat direct in verband
stond met het leven en de wereld, zooals die werkelijk zijn, daalde
vrij sterk. En bovenaan kwamen lange rijen doode woorden over doode
dingen, regels en zinnen, die in hun weeke hersens gepompt werden;
vreemde geluiden uit een vreemd leven; eeuwenoud stof, dat plichtmatig
overal gestrooid werd, waar 't sappige jeugdige leven een vochtige
plek toonde, waar 't stof aan kon blijven hangen.
't Is een moeilijke tijd--de leeftijd van Abraham en Marius--van
veertien tot vijftien jaar. De oogen open, een vraagzucht even
onverzadelijk als de jongenseetlust, die erger jeukt dan de mazelen;
een ontwakend vermogen en de lust om alles te begrijpen; een brandende
begeerte om de wereld te veroveren èn dat wat achter de wereld en
wat daar weer achter ligt......
En dan stof, eeuwenoud, buitengewoon fijn stof, in elke vochtige
porie gestrooid, over elke opkomende vraag, over elke levenskiem,
die niet juist de kiem van dokkebladeren is.
Maar dat gaat over; al op 't zestiende of zeventiende jaar is het
stof goed ingedroogd. De nieuwsgierigheid is dood; de jonge mensch
heeft geleerd, dat het er maar op aankomt gevraagd te worden, niet
te vragen. En hij begint ook te begrijpen wat de bedoeling met die
dokkebladeren is; hij krijgt een duister gevoel, dat ze om zijnentwille
bestaan, en dat hij bij geluk een van de bevoorrechte slakken in die
maatschappij is.
Kleine Marius in een regenjas op een guren wintermorgen, in Zuidenwind
en regen, vóór achten. 't Is halfduister, koud en nat;--'t is niet
bizonder prettig zich om den hoek te werken in een vliegenden storm,
natte voeten te krijgen en vochtige knieën.
Toch denkt hij er 't meest aan hoe hij zijn dierbare stapel boeken
tegen den regen zal beschermen; hij had ze onder zijn oliejas,
zoodat hij veel op dat soort van koeien leek, die hun maag aan één
kant hebben.
In de school was het donker en kil, zooals gewoonlijk vroeg in
den morgen. Morten, de achterblijver, propte de kachel vol hout;
de andere jongens stonden er om heen om zich te warmen;--nat en koud
waren ze allemaal. Maar 't was Zaterdag; en hoe guur 't dan ook is,
toch ligt er iets feestelijks over alles, wat door geen regen of kou
heelemaal te bederven is.
Marius droogde eerst zijn boeken en toen zich zelf af, zoo goed het
ging met zijn blauwen rattenzakdoek.
Abraham Lövdahl deed den rector na, terwijl hij de opgegeven paragrafen
uit de "regels" voor de school voorlas, die op een stuk karton geplakt
en met een lichtgroenen rand er om aan den muur hingen.
"Paragraaf vier," las Abraham, en deed alsof hij zijn neus vol snuif
stopte: "De leerlingen moeten altijd schoon en netjes in de school
komen. Jassen, mutsen, enz. moeten ze op de daarvoor bestemde
toestellen hangen met inachtneming van orde en voorzichtigheid
en Dezelve weer meênemen... Dezelve--met een hoofdletter--wat is
dat?" riep Abraham.
"De toestellen," stelde Morten voor.
Een ander beweerde dat het op orde en voorzichtigheid doelde, en
daarover ontstond een taalkundig dispuut.
Kleine Marius luisterde niet; want hij zat verbuigingen te mompelen
met zijn neus in Curtius; 't was bijna donker op zijn plaats--de
laagste van de klasse.
't Rooster voor Zaterdag was:
van 8 tot 9 Grieksch.
,, 9 ,, 10 Geschiedenis.
,, 10 ,, 11 Noorsch opstel.
,, 11 ,, 12 rekenen.
,, 12 ,, 1 Latijn.
,, 1 ,, 2 ,,
's Zaterdags moesten zij tot twee uur blijven, anders kwamen zij er
om één uur al uit.
Eindelijk kwam de oude onderdirecteur Bessesen aan, bezig met
overschoenen, regenjas, parapluie, handschoenen en polsmofjes. Zijn
binnenkomen in de klasse maakte niet den minsten indruk. Abraham zei
alleen heel kalm: "Ziezoo--daar hebben we nu het oude stekelvarken,"
en Morten bleef aan 't werk met de kachel.
Eerst toen de onderdirecteur zich afgepeld had en op den katheder
gekomen was, maakten de jonge heeren aanstalten om naar hun plaats
te gaan en het onderwijs te beginnen.
"Wil jij maar beginnen, Abraham Lövdahl," zei het stekelvarken,
na in zijn zakboekje gekeken te hebben, waarin hij de cijfers noteerde.
"Ik had gisteren zoo'n hoofdpijn, dat ik mijn Grieksch niet leeren
kon," antwoordde Abraham met een uitdrukking van spijt, maar vrijmoedig
en oprecht.
Marius zette groote oogen op.
De oude glimlachte en bewoog zijn hoofd wat heen en weer. Toen zocht
hij een ander uit om te overhooren.
De oude heer Bessesen had trouw stof gestrooid, jaren lang, en hield
al lang geleden zijn 25-jarig jubileum. Zijn veld was niet groot,
maar daar stond hij ook zoo vast als een muur.
Hij wist op een prik wat er van het Grieksch op het toelatingsexamen
werd gevraagd; hij kon van te voren zeggen, welke vragen de
examinandus krijgen zou bij elk stuk, dat hij lezen moest van de
eenmaal vastgestelde schrijvers.
En dat bracht hij langzaam, maar zeker zijn beste leerlingen bij;
de andere kwamen er niet zooveel op aan, omdat zij toch de heele
school niet afliepen.
Hij zat daar zoo klein en verschrompeld, dat hij bijna verdween
in zijn eigen jas. Zijn kin dook heelemaal in zijn boek weg, en 't
kortgeknipte, geelroode haar stak naar alle kanten uit, terwijl hij
een enkelen keer de oogen, met roode randjes, van den katheder ophief.
Want hij was een vreedzaam leeraar. Of ook iemand een vertaling
naast zich had en die voorlas;--of er voorgezegd of geknoeid werd,
dat het een aard had--hij zag of hoorde 't niet. De ervaring van een
lang leven had hem geleerd, dat het de moeite niet loont over zoo
iets drukte te maken, en het ging ook zooveel makkelijker, als de
slechte leerlingen wat geholpen werden.
Hij was intusschen in 't geheel niet suf; de minste fout of onzekerheid
trof zijn oor; hij sprong op, alsof hij geprikt werd, als iemand zich
vergiste in de imperfectum of aoristus [10] maar behalve dat mocht
er allerlei leven en beweging in de klasse zijn, als 't maar niet te
erg werd.
Zoo leidde hij den tocht der tienduizenden--een kleine mijl per
dag; en alle jonge menschen, die in den loop der jaren hem als hun
aanvoerder gevolgd hadden, waren allen met dezelfde regelmatigheid,
met dezelfde kleine dagmarschen door Xenophon, Homerus, Sofokles,
Herodotus en Plutarchus heengekomen. 't Ging alles op dezelfde
manier, zonder verandering of ommekeer. Zoowel in verzen als in
proza was er dit zeer gewichtig verschil tusschen imperfectum en
aoristus; en mocht het gebeuren, dat hij, die aan het vertalen was,
begon te lachen om een grappige anekdote van Herodotus--dan keek het
stekelvarken verbaasd op. Zooiets kon hij niet begrijpen.
Daarom ging de grauwe morgen eentonig en kalm voorbij. Zij, die
geen lust hadden om overhoord te worden, hadden hoofdpijn of hadden
hoofdpijn gehad, en dan moest het stekelvarken een ander zoeken,
die bereid was een slag te wagen en klaar zat met de vertaling aan
de eene zij, de zinnetjes en de aanteekeningen aan de andere.
Om negen uur pakte het stekelvarken al zijn zaken bijeen en wandelde
verder naar de volgende klasse.
Het geschiedenis-uur van 9-10 ging ook vredig voorbij. Toen was
Borring met zijn veeren pennen in de klas; en omdat er nu alleen
Latijnen waren--Tolleiv en Reinert waren op zee, en de anderen
waren weg--hielpen de leerlingen zichzelf en elkaar met afkijken
en voorzeggen.
Als Marius zijn geschiedenis kennen zou, moest hij absoluut "op glee"
geholpen worden; maar dat klopte niet altijd met de methode van
den leeraar. Vandaag vroeg hij bijv.: "En wanneer nam het geluk een
keer?" en daarop begon hij aan zijn veeren pennen; kort daarna zei hij:
"Nu, wanneer nam het geluk een keer?" blies in een pen en sneed voort.
Marius kende 't heele dreuntje over Karel XII, maar hij wist niet,
dat het geluk een keer nam in 1708. Abraham moest het hem influisteren.
Daardoor kwam Marius gelukkig op het dreuntje: "Maar in het jaar 1708
nam het geluk een keer," en toen ging het van een leien dakje.
Nu had Morten de achterblijver eindelijk de kachel roodgloeiend
gekregen, en 't was zoo warm, dat men in 't vrije kwartier alle
vensters open moest zetten.
"Wie heeft de kachel opgestookt?" vroeg de rector ook dadelijk,
toen hij met de cahiers onder den arm in de klas kwam.
Geen antwoord: maar toen hij 't weer vroeg, op strenger toon,
antwoordde No. 1 van de klasse.
"Ik geloof, dat Morten Kruse het gedaan heeft."
"Zoo, deed jij dat--Morten! doe jij zulke dingen? Kom eens hier en
zoek eens naar de paragraaf in 't reglement waarin staat, dat de
leerlingen zelf voor 't verwarmen van de school moeten zorgen."
Morten ging onwillig voor het reglement staan en staarde naar boven.
"Nu jongetje!--kun je die paragraaf ook haast vinden? of moet ik je
een handje helpen?" vroeg de rector en trok hem aan 't oor met de
eene hand, terwijl hij met de andere op het reglement wees, "zie je
paragraaf 5 niet? Lees die eens voor: hardop en duidelijk!"
"Paragraaf 5," begon Morten met een zware stem, "in de school moeten
de leerlingen dadelijk naar hun plaats gaan en nooit leven maken
of onordelijk zijn. Zij mogen ook nooit hun plaats verlaten zonder
uitdrukkelijke toestemming."
"Nu, jongetje! zie je nu hoe een leerling zich in de klasse gedragen
moet, hè? Vind je, dat er iets staat over 't volproppen van den kachel,
hè?--vind je dat? Hè?"
Bij elke vraag trok hij 't oor van den jongen meer naar boven, totdat
Morten op zijn teenen stond.
De heele klasse lachte en Morten sloop naar zijn plaats.
Intusschen had No. 1 de cahiers uitgedeeld, na ze alle ingekeken te
hebben om de cijfers na te zien.
Marius had 4 1/2, wat iets slechter was dan gewoonlijk, en dat was
eigenlijk een teleurstelling, hij had het onderwerp zoo prettig
gevonden, omdat het zoo lang was, dat 't bijna een kwart pagina
vullen kon, als je wijd uit elkaar schreef; en hij vond het altijd
zoo moeielijk om zijn opstellen lang genoeg te maken.
Het onderwerp was: "Vergelijking tusschen Noorwegen en Denemarken,
met het oog op de natuur van de landen en het karakter en bedrijf
van het volk."
De rector begon van onder op: "Je maakt slechte opstellen,
Marius! wat is dat nu voor een ratjetoe, wat je vandaag bij
elkaar gehaald hebt! luister nu zelf eens: Als men Noorwegen met
Denemarken vergelijkt, dan ziet men een groot verschil tusschen
deze landen. Noorwegen is een bergland, Denemarken daarentegen
een vlak land. Noorwegen heeft, daar het een bergland is, mijnen,
wat Denemarken niet heeft omdat er geen bergen zijn. Ook heeft een
bergland altijd dalen...... Ach ja Marius, dat is zoo waar...... zoo
waar, maar meen je nu, dat het noodig is ons dat te vertellen? 't
is zoo onrijp... zoo treurig onrijp," hernam de rector bekommerd en
liep een poos in gedachten verdiept op en neer. Marius begreep best,
dat hij aan het overgaan tegen de groote vacantie dacht.
"Maar, goeie hemel! wat een hitte! bah!" riep de rector en gaf Morten
een draai om zijn ooren, toen hij hem voorbij ging.
Toen begon hij weer aan 't opstel van Marius:
"Noorwegen heeft een goed verweermiddel in het Kjölengebergte; en als
er oorlog kwam, dan zou men daar moeilijk met kanonnen over kunnen
komen, vooral in den winter......
"Wat ben je oorlogszuchtig Marius. 't Is een wonder! Wie zou
er nu over het Kjölengebergte willen trekken met kanonnen in den
winter? De Zweden zijn immers onze goede vrienden en broeders. Neen,
dan is het beter, wat een ander heeft geschreven, dat men nu liever
het Kjölengebergte weg moest wenschen, zoodat de broedervolken zich
geheel konden vereenigen. Wie heeft dat ook weer...?"
"Ik," zei No. 1 bescheiden.
"Juist! dat heb jij, Broch, ja, dat is heel goed. Marius daarentegen
ziet alles van een oorlogszuchtig standpunt; luister nu maar verder:
Als men de volken vergelijkt, vindt men dat de Denen weeker zijn dan de
Noren. Ja, wat beteekent dat nu eigenlijk?" riep de rector knorrig en
krabde zich het haar; hij werd hoe langer hoe heeter, 't was zeker
ongeveer 85 graden, "hier zijn er meer in de klasse, die over die
weekheid van de Denen geschreven hebben, waar dient dat voor? 't
Is heel braaf zijn vaderland lief te hebben; maar vaderlandsliefde
wordt een groote fout, als 't nationale hoogmoed wordt, dan ziet
men op andere naties neer en roemt alleen zijn eigen. Vooral is 't
belachelijk voor een klein, arm volk, als het onze, dat zoowaar niet
veel heeft om trotsch op te zijn."
Broch's uitstekend opstel werd niet voorgelezen; want de warmte werd
eindelijk zóó erg, dat de rector in wanhoop order gaf om deuren en
vensters open te zetten en daar er toen een vliegende tocht in de
kamer kwam, zond hij alle jongens naar de plaats. Alleen Morten Kruse
moest voor straf binnen blijven.
't Regende niet meer; maar de wind was koud en 't was modderig op
de plaats, zoodat ze niet veel pleizier hadden van dit lange vrije
kwartier. Marius liep te rillen van angst voor de rekenles, want
volgens alle menschelijke berekening zou hij vandaag een beurt krijgen.
Abraham had hem geholpen, en kleine Marius had gezegd, dat hij
't begreep. Hij had werkelijk van een en ander een beetje begrip
gekregen. Maar hij wist wel bijna zeker, dat hij, als hij voor 't
bord stond, niet zou weten wat 1/2 × 1/2 was.
De onderdirecteur Abel kwam binnen huppelen en de vensters werden
gesloten. Hij had zijn nieuwe regenjas over den arm en neuriede,
wat altijd beteekende, dat hij in zijn humeur was.
Dat troostte Marius intusschen niet erg, want als de onderdirecteur
in een goede bui was, dan kon hij de jongens zoo leelijk voor den
gek houden.
De onderdirecteur Abel was ongetrouwd en de kwast onder de leeraars. 't
Was zijn trots, zijn schunnig gekleede collega's met hun gele boordjes
te verrassen met nieuwe en bizondere kleedingstukken--nu eens een
das met roode moezen, dan een lichten broek; nu was een gutta-percha
regenjas aan de orde.
Allen hadden er in geknepen en er aan geroken; allen hadden naar den
prijs gevraagd en allen hadden dien gehoord.
Als leeraar had hij dit principe: "De menschen kunnen worden verdeeld
in twee soorten: Zij, die wiskunde kunnen leeren, en zij, die het in
't geheel niet kunnen. En ik neem op me binnen een maand uit te maken
of een jongen wiskunde leeren kan of niet."
En op grond van die theorie bracht hij de knappe jongens heel ver;
en liet de anderen zonder gewetensbezwaar links liggen.
De leeraar sloeg het stof van den katheder met zijn zijden zakdoek,
vóór hij plaats nam. Marius zat in stilte te beven, terwijl hij in
zijn zakboekje keek.
Maar Broch werd opgeroepen. Marius kon zijn geluk haast niet gelooven;
't scheen wel alsof Abel van boven af begon, en dan kwam hij misschien
vandaag weer vrij.
Ze waren pas begonnen met vergelijkingen van den eersten graad met
een onbekende, en kleine Marius had geduldig allerlei voorbeelden
gevolgd van manieren om die x te vinden.
Hij had hooren zeggen, dat die gevonden was en 't voorbeeld zien
uitvegen, ja, wat meer was, hij had zelf alle voorbeelden in zijn boek
opgeschreven; en toch bleef die eene onbekende hem even ver en vreemd.
Hij hield die x in 't oog; hij schreef trouw op hoe die als een haas
van de eene lijn naar de andere gejaagd werd met vermenigvuldigingen,
verkortingen, breuken en al zulke duivelsche dingen achter zich aan
tot het arme, uitgeputte dier eindelijk alleen aan den linkerkant
stond;--en dan bleek het, dat die vreeselijke x niet anders dan een
heel goedig getal was,--bijv. 28.
Marius kon langzamerhand desnoods begrijpen, dat x een verschillende
waarde had in de verschillende voorbeelden. Maar wat wou men toch
met die x? waarom al die omslag--waarom moest er over het heele
bord over stok en steen op die eene onbekende gejaagd worden, als
die toch niet anders was dan bv. 28, of misschien maar 15?--neen,
dat kon Marius wezenlijk niet begrijpen.
Toch nam hij zijn boekje en schreef zorgvuldig de som op, die Broch
moest uitrekenen:
Aan Pythagoras werd gevraagd hoeveel leerlingen hij had.
De wijze man antwoordde: "De helft studeert philosophie, het derde
gedeelte wiskunde, en de overige, die zich in het zwijgen oefenen,
maken met de drie, die ik onlangs kreeg, het vierde gedeelte uit
van hen, die ik vroeger had." Hoeveel leerlingen had Pythagoras,
vóór hij er de drie laatste bij kreeg?
"Ja, dat is niet zoo gemakkelijk om daar achter te komen," dacht
kleine Marius verheugd, omdat hij veilig op zijn plaats zat. En
terwijl Broch daar in de verte op 't bord dadelijk met 1/2 x en 1/3
x begon om te springen, verdiepte Marius zich in overpeinzingen over
dit ingewikkeld vraagstuk. Vooral liep hem alles door elkaar als hij
aan dat "vroeger" dacht; want dan was 't toch finaal onmogelijk daarop
te antwoorden. En dan gingen zijn gedachten vol medelijden naar dat
arme derde gedeelte, dat wiskunde studeerde en hij werd het er met
zich zelf over eens, dat hij zich zeer zeker 't allerliefst bij "de
overigen, die zich oefenen in 't zwijgen," zou aansluiten. Hij werd
uit zijn overpeinzingen gewekt doordat hij opgeroepen werd.
Of de leeraar had gemerkt, dat hij zat te soesen, óf hij had in zijn
boekje gezien, dat het lang geleden was, dat Gottwald een beurt had
gehad. Hij liet Broch naar zijn plaats gaan midden in de som,--die
ook al te gemakkelijk voor hem was--en toen Marius half suf voor
het bord kwam, stonden daar een paar rijen getallen en x-en, waar
hij geen zier van begreep;--alleen zweefde hem flauw iets voor den
geest toen hij ergens 1/3 zag staan, dat dit zeker betrekking had op
dat rampzalige derde gedeelte, dat wiskunde studeerde.
"Nunc--parvulus Madvigius! qvid tibi videtur de matrimonio?" riep
Abel en zwaaide zijn lorgnet. "Voor jou is het maar een kleinigheid
dit sommetje uit te werken; jij kent immers je Pythagoras--niet
waar? Madvigius! Pythagoras, qvi, dixit, se menimisse, gallum
fuisse. Alsjeblieft, Mijnheer de professor! ga voort, geneer je
niet. Ja, want zooals je ziet, de som is haast af. Broch heeft immers,
vóór hij naar zijn plaats ging, gezegd, wat er verder gedaan moest
worden. Of had de professor misschien wat anders te doen dan te
luisteren? Kleine Gottwald moest er liever aan denken dat hij moest
overgaan voor de groote vacantie en zijn moeder geen verdriet doen."
Marius stond met het gezicht naar het groote zwarte bord gekeerd,
dat op een ezel stond midden op de vloer, en hij voelde 't lachen en
spotten van de heele klasse als steken in den rug. Maar toen zijn
moeder genoemd werd, voelde hij de oogen vol warme tranen komen,
de krijtfiguren liepen in elkaar en hij gaf het op.
De heele klasse--d. w. z. zij, die wiskunde leeren konden--, amuseerde
zich kostelijk. De onderdirecteur was onweerstaanbaar geestig, als
hij de "sprakeloozen" een beurt gaf. Zóó noemde hij hen, die geen
wiskunde konden leeren.
Alleen Abraham zat zich te ergeren, omdat het zijn vriend gold,
maar ook omdat Marius zoo'n stoffel was; soms moest hij wel meêlachen.
"We moeten hem een hulpprofessor geven," zei Abel, en zette zijn
lorgnet op. "Jij, Morten, met je mooien bijnaam. Sta op en sta je
broeder in den geest bij."
Morten stond onwillig op; er was een stil verzet in hem, dat toch
nooit verder kwam dan tot gemompel en 't trekken van een zuur gezicht;
hij was niet knapper dan Marius en de groote en de kleine leerling
zagen er even dom uit, zooals ze daar naar het bord stonden te staren.
Toch ging er een schemerachtig licht voor Morten op; hij deed een
greep in de krijtdoos om wat op te schrijven en vergat, dat hij al
een groot stuk krijt in de hand had.
"Ja, flink zoo Morten!" riep de leeraar, die het opmerkte. "Krijt moet
er bij, man! als 't goed zal worden. Zou je de krijtdoos niet onder
je arm nemen? En de spons in je zak steken, 't lineaal tusschen je
beenen, dan ben je goed toegerust! Ach, Morten, Morten! Je bent dom
en wordt elken dag dommer."
De schemering bij Morten was al weer weg, hij stond te vloeken,
zoodat Marius het kon hooren. De klasse amuseerde zich, en No. 1 van
de klasse was slap van lachen en zag bewonderend op naar den katheder.
"Nu moeten we nog een laatste poging wagen," meende de leeraar, en riep
vier anderen van de "sprakeloozen" op, die geen wiskunde konden leeren.
Met vereende krachten kregen ze eindelijk het vraagstuk opgelost van
de vroegere leerlingen van Pythagoras; en Marius, die heelemaal op zij
geduwd was, moest voor het bord komen en het heele stuk weer oplezen;
en verklaren, dat deze keer x gelijk aan 72 was.
"Ziezoo!" riep Abel vrolijk, "nu zullen wij met de massa gaan werken,
zooals Napoleon. Hier is de keurbende verzameld! In waarheid een
fiere schare! 't Is precies als in de comedie van Cortes, als Jörgen
Tambur en de twee getuigen den bloem van Frankrijk's adel moeten
voorstellen. Goeiemorgen jelui ganzen----"
"We zijn geen ganzen," bromde Morten.
"Goeiemorgen jelui ganzen, alle twintig," zei de Vos. "We zijn niet
met ons twintigen; maar als er zooveel bij kwamen, als er nu zijn
en nog half zooveel, en dan nog anderhalve gans en een ganzerik--dan
waren we met ons twintigen. Hoeveel ganzen waren er dus? O Morten!"
Maar noch Morten, noch een van de andere sprakeloozen deed zelfs
een poging om aan die ganzen te beginnen; en toen Abel vond, dat die
comedie lang genoeg geduurd had, riep hij:
"Ga naar huis en begeef u ter ruste en hef het oude lied aan:
"Ga in, o burger, tot de welverdiende rust!"
"Jelui krijgt alle broederlijk, zonder aanzien des persoons jelui
zesje. En als je verlangt mijn meening te hooren over jelui toekomst
hier op aarde, dan is die deze: dat ik niet geloof, dat jelui voor
iets anders gebruikt kunnen worden dan om eieren uit te broeden;
jij... Morten, met je mooien bijnaam, jij kunt 't misschien brengen
tot den jongen van den knecht van den koster. Abraham Lövdahl kom
eens voor het bord."
Toen Marius op zijn plaats teruggekomen was, zag hij hoe Abraham in een
wip het ganzenvraagstuk had opgeschreven: 2x + 1/2x + 2 1/2 = 20; maar
hij was te moe om er verwonderd over te wezen, te veel gebukt onder
de nieuwe zessen, die, zooals hij wel wist, het overgaan voor hem nog
onzekerder zouden maken; maar vooral veel te moedeloos bij de gedachte
aan dien trek om Moeders mond, als ze weer een 6 op zijn rapport zag.
't Was twaalf uur, en de oude vrouw, die krakelingen en stroopkoeken
aan de gymnasiasten verkocht, stond al bij de stoep.
De jongens van de vierde klasse, met jassen aan, liepen op en neer
op hun vaste plaats; die van de derde, nog met buisjes aan, stonden
in groepjes te eten; terwijl de gelukkige kleintjes, die om twaalf
uur vrij kwamen, de poort uit stoven met Zaterdagsche vaart.
De lucht klaarde op. De wind draaide naar 't westen, 't zou best
mogelijk zijn, dat hij heelemaal naar het Noorden omsloeg tegen den
nacht; dan kwam er vorst, en dan kon 't ijs toch misschien morgen al
goed zijn.
Kleine Marius stond alleen zijn stroopkoek te eten, zonder er
op te letten, dat de stinkers, die hem voorbij liepen, hem voor
"Rattenkoning" en allerlei ander moois uitscholden; hij had een gevoel,
alsof zijn heele hoofd leeg en hol was,--en nu moesten er nog twee
uren komen!
Hij had nu wel in die beide uren Latijn, waar hij minder bang voor was;
maar dat laatste wiskunde-uur had hem zoo vermoeid.
't Was heel iets anders met den dikken Morten en de andere
"sprakeloozen." Zij gaven geen zier om den spot van den
onderdirecteur. Maar kleine Marius was heel gevoelig voor hoon;
soms had hij zijn vijanden zijn moeder hooren mengen in beleedigende
uitdrukkingen, die hij niet begreep, maar die toch zijn bloed deden
koken.
"Wat is dat toch voor een aap, die de kachel heeft opgestookt,
hè?" begon Aalbom, zoodra hij in de klas kwam. 't Was heelemaal niet
warm meer, maar hij had den rector gesproken. "Dat heb jij zeker
gedaan, Kruse! Jou, dikke ezel! Bah! Waar moeten we beginnen? Vers
122: qvas deas,--lees op--Gottwald, hardop! Och nonsens! Is dat nu
hardop lezen? qvas deas per terras! doe toch je bek open, hè? die
luie Westlanders kunnen niet eens hun tanden van elkaar krijgen,
zit toch niet te mompelen of je een aardappel in je mond hebt, uil
die je ben, hè!"
Dit was zoo zijn manier om de les te beginnen; vooral in de laatste
uren, als hij zelf zenuwachtig en knorrig was, na van 8 uur 's morgens
gebromd en gescholden te hebben.
De klasse boog 't hoofd onder den storm, ofschoon zij er aan gewend
was; maar kleine Marius ging bevend voort met lezen en kreeg heel
veel knorren omdat hij niet hard genoeg sprak.
't Was niet gunstig voor Marius, dat de rector in de twee lagere
klassen Latijnsche les gegeven had; want nu wilde Aalbom nooit
toegeven, dat de rector den kleinen Gottwald zoo heel ver had
gebracht; maar aan den anderen kant was hij bang, dat de rector zou
willen beweren, dat zijn lieveling achteruit was gegaan, sinds hij
bij Aalbom in de klasse gekomen was.
Daarom eischte hij alles van Marius, maar had nooit een woord van lof
voor hem. De leeraar liep op en neer voor de klasse, als een roofdier
loerende op een fout om er op aan te vliegen; hij was buitengewoon
lang en mager en daarenboven bijziende, waarom zijn lieve leerlingen
hem nooit anders dan "de blinde darm" noemden.
Marius spande zich in en kwam er goed af; maar daarna was hij ook
zoo uitgeput, dat hij bijna sliep.
't Uur ging voorbij met knorren en rumoer en toen was er nog maar één
over. Het laatste uur werd voor een Latijnsche thema gebruikt. Aalbom
gaf hun een van de stukken in het boek van Henrichsen op en ging op
den kruk in den katheder zitten, om zijn beenen te laten bengelen en
in de lucht te kijken.
Er was niet veel meer in een van de leerlingen overgebleven om een
Latijnsch opstel van te brouwen; de meesten schreven er maar op los,
en Marius ook,--dus dat werden prachtige opstellen!
Maar toen was eindelijk de school uit, en zelfs de bleekneuzige
Latijnen waren wat levendiger toen ze over de plaats liepen, want
het was Zaterdag.
Haring, zoete soep en pannekoeken--er bestond niets lekkerders in de
heele wereld; want dat was 't Zaterdagsmaal in de heele stad.
't Klaarde werkelijk op en 't werd een heldere vorstavond met
maneschijn, zoodat de vierde klasse met de bakvischjes ging wandelen,
terwijl de jongere kameraden in groepjes liepen te zingen en elkaar
tegen de jonge paartjes aan duwden als ze voorbij kwamen. Maar
Abraham en Marius wandelden arm in arm en zagen van uit de hoogte op
dat alles neer; nu en dan hief Abraham zijn gebalde vuist op tegen de
vreedzame woning van Proost Sparre, waar hij wist, dat de telegrafist
zijn vroeger geliefde een bezoek bracht.
's Avonds was Marius bij Abraham gevraagd, de professor en zijn vrouw
hadden gasten. Zij hadden alle kamers tot hun beschikking en 's avonds
kregen zij een warm souper. En niets te doen voor morgen! Niets te
leeren! als een vrij man te slapen tot tien uur! En toch werd nog de
een of andere Zondagmorgen in bed in zijn gedommel gekweld door de
gedachte: nu gauw opstaan en naar school hollen!
Brr, koud in de slaapkamer,--halfdonker--een massa boeken... hij kent
er geen steek van...
Eindelijk overeind!--En dan was het Zondag! pardoes weer onder
de dekens!
Zou iemand wel ooit vergeten, hoe zalig dat was?
VIERDE HOOFDSTUK.
Er was allang sprake geweest van een fabriek, die in de buurt van de
stad zou gebouwd worden. Het heette, dat het een filiaal zou zijn van
een groote Engelsche zaak in kunstmeststoffen. Maar de ondernemers
wilden er ook graag kapitaal uit de stad in hebben en daar men in de
stad niet veel verstand van zulke zaken had, kwam er een deskundige,
om met de menschen te spreken, te verklaren wat men kon verwachten,
dat er verdiend zou worden, een geschikt terrein te koopen, dat
al was uitgezocht en naar aanleiding daarvan waren er gasten bij
professor Lövdahl.
De deskundige in quaestie, die Michal Mordtmann heette, was als
de meeste vreemden aan Professor Lövdahl aanbevolen. Trouwens,
de professor kende hem nog wel van de universiteit. Mordtmann was
indertijd begonnen in de medicijnen te studeeren. Maar toevallig
was hij in Engeland gekomen, waar hij door connecties van zijn vader
kennis maakte met een familie, die scheikundige fabrieken had.
Geheel onverwacht kreeg hij een aanbod van een mooie betrekking daar;
de lust bekroop hem eens te probeeren verscheiden jaren in Engeland
te blijven. Maar langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat deze
verandering in zijn levensrichting niet zoo toevallig was als hij
zelf wel meende.
Zijn vader--Isac Mordtmann en Co., in Bergen, dreef een groote zaak
en had een goeden omzet; maar wat hij aan vast vermogen bezat wist
niemand.
't Was een ondernemend, levendig handelsman, die er heelemaal niet
blij om was, dat zijn eenige zoon absoluut dokter wilde worden. Maar
Isac Mordtmann en Co. had geleerd geduld te oefenen en het geschikte
oogenblik aan te grijpen. Zoo liet hij zeer in der minne zijn zoon doen
wat hij wilde, tot hij zelf die reis naar Engeland in orde gemaakt
had. 't Aanbod van de betrekking aan de Engelsche fabriek kwam ook
door hem, en nu had hij het in zoo verre gewonnen, dat de zoon een
practisch scheikundige geworden was en niet een arme dorpsdokter,
Joost weet waar, ergens op de rotsen.
De bedoeling was nu, dat Michal de nieuwe fabriek zou aanleggen en
besturen. Maar Isac Mordtmann en Co. hadden geen groot kapitaal om
er in te plaatsen; de Engelsche firma, die in het prospectus als de
"Moeder-zaak" werd voorgesteld, nam een voorzichtige houding aan;
dus moest het grootste gedeelte van het kapitaal in de stad zelf
opgenomen worden, waar het bizonder gunstig gelegen terrein gevonden
was en al half en half gekocht.
Dit was dus de taak van Michal Mordtmann en hij toonde al dadelijk,
dat hij er voor bekwaam was. Hij had het stijve Engelsche over zich,
dat hem iets solieds, iets betrouwbaars gaf, en maakt, dat velen lust
kregen hun geld in deze onderneming te steken, hoewel ze er geen zier
van begrepen.
Professor Lövdahl was zeer voorzichtig met zijn geld. Hij kocht liefst
buitenlandsche effecten en staatspapieren in Kopenhagen en Hamburg;
maar hij stak zoo min mogelijk van 't vermogen van zijn vrouw
in ondernemingen binnen de stad. Er waren te veel wederzijdsche
verplichtingen tusschen de kooplieden van leenen en helpen, en
onderteekeningen en borgstellingen, dan dat de professor zou wenschen
meê te doen in de handelswereld.
Daarom begeerde hij de hooge positie onder de groothandelaars niet,
die hij zonder twijfel zou hebben ingenomen, wanneer het groote
vermogen van zijn vrouw in de stad zelf geplaatst was.
Hij trok zijn rente en knipte in alle stilte zijn couponnetjes;
men wist zoo ongeveer wat hij van den ouden Abraham Knorr had geërfd
en dat hij zijn geld uit Bergen kreeg; maar velen peinsden er over,
wat hij er dan meê deed.
Daarom had ook Michal Mordtmann moeite met den professor. De
onderneming had immers een wetenschappelijk tintje, zooiets van
scheikunde en geneeskunde; er was ten minste niemand in de stad,
die iets van die analyses en al dat gepraat over fosforzuur begreep,
behalve professor Lövdahl. En zoolang hij zich achteraf hield, vlotte
het niet recht.
Intusschen kwam Mordtmann voortdurend als gast daar aan huis; en toen
hij een veertien dagen in de stad geweest was, gaf de professor een
groote partij voor hem.
Mevrouw Lövdahl was zeer teleurgesteld in Mordtmann. Hij was een jaar
of vier jonger dan zij; maar zij kon hem zich nog heel goed herinneren
uit Bergen, als een levendig jong mensch, een enthousiast taalman,
met toasten op de vrouw, het volk en al wat het volk betrof. Nu
kwam hij terug als een stijve Engelschman en praatte met vervelende
menschen over soda en beendermeel. Ze had bijna geen tien woorden
met hem gewisseld en Mevrouw Wenche vond, dat hij voor zijn ouderdom
buitengewoon vervelend was.
Eerst dien avond viel het haar op, dat hij met zijn Engelsche kleeding
en manieren goed uitkwam tusschen al die alledaagsche menschen,
die zij van buiten kende.
't Diner was niet geanimeerd geweest; er waren enkel heeren en
gedeeltelijk een soort van heeren, die anders niet bij de Lövdahls
aan huis kwamen, maar wier kennismaking voor den jongen Mordtmann
van belang kon wezen.
De professor was levendig en beminnelijk geweest, zooals altijd. Hij
dronk op den eeregast, wenschte hem allen mogelijken voorspoed met
zijn onderneming en de stad geluk met een zoo groot en zonder twijfel
voordeelig bedrijf.
Maar 't zat toch in de lucht, dat de professor zelf nog geen enkel
aandeel genomen had in deze ongetwijfeld voordeelige zaak, die hij
aanprees en waar hij op dronk.
Michal Mordtmann voelde dat ook. In zijn antwoord had hij geprobeerd
te schertsen over de langzaamheid en de overdreven voorzichtigheid
van de Westlanders; maar tegelijk was hij geëindigd met te zeggen,
dat als ze eens begonnen, dan ging het ook met stoom. Hij hoopte dan
nu ook maar, dat het in dit geval... enz.
't Was een toast, die uitstekend geweest zou zijn in Bergen;
mevrouw Wenche lachte ook een paar keer, maar zij stond bijna alleen:
deze vroegere schipper en oude haringkakers--gedeeltelijk Haugianen
[11]--waren in het geheel niet geschikt voor dit soort van humor en
zagen elkaar aan.
Michal Mordtmann kwam in een kregele stemming van tafel; hij voelde,
dat hij grond verloren had.
Als hij rondging bij deze menschen en onder vier oogen met hen sprak
in een donker kantoor, zoo groot als een kleerenkast, werd hij zelf
ernstig en sprak ook ernstig. Maar nu hij aan een feestelijken disch
aanzat en wijn dronk, was zijn licht Bergensch bloed in beweging
gekomen; hij improviseerde zijn amusante toespraak. Maar later begreep
hij, dat hij liever een droge en fosforzure speech had moeten houden,
zooals hij zich oorspronkelijk ook had voorgesteld.
't Huis, waarin Professor Lövdahl woonde, was heel groot en ouderwetsch
met een tuin aan den achterkant; hoewel het midden in de stad lag. Hij
had het gekocht van de gemeente, die vroeger het huis als feestlokaal
gebruikt had, of om er een koning of prins die door het land trok,
onder dak te brengen.
't Waren groote en hooge kamers, waar het ietwat ouderwetsche
ameublement, dat Mevrouw Wenche meêbracht, goed in paste.
Dien avond was de geheele woning in gebruik genomen--er waren een
vijftig heeren. Ze zaten tot in de wachtkamer van den professor. Hier
begon de tabak en die vulde langzamerhand de andere kamers, maar
bleef hangen bij de portière van 't boudoir van de huismoeder zelf,
die daar koffie zat te schenken.
Er waren verscheidene speeltafeltjes en bij de toddy, die al dadelijk
na het maal rondgediend werd, verzamelden zich groepjes, die de vracht
en den prijs van het zout bespraken of de hoofden bijeen staken over
de nieuwe fabriek.
Michal Mordtmann liep zich te ergeren; overal scheen hij te merken,
dat hij een bok geschoten had; en toen hij zich dat eenmaal in het
hoofd gezet had, werd het natuurlijk erger dan het was.
Maar het ging hem werkelijk zeer aan 't hart. Een paar dagen geleden
had hij nog aan zijn vader geschreven, dat hij alle hoop had. Zou
hij nu moeten bekennen, dat hij zich op een diner verpraat had en de
menschen afgeschrikt?
Gedurende zijn verblijf in Engeland was hij met hart en ziel
handelsman geworden. Hij lachte, als hij er aan dacht, dat hij eens
een enthousiast taalman was en dat het zijn ideaal geweest was in,
voor en met het volk te leven.
Het Engelsche welvaren met het voortdurend baden en wasschen en
het schitterend witte linnen hadden zijn smaak veranderd en hem van
het volk gescheiden. En wat er aan leven en geestdrift in zijn ziel
geweest was, had zich--als bij zijn vader--omgezet in een sterken
lust in speculeeren, in vooruit komen, in veel te besturen hebben.
En aan den anderen kant had de omstandigheid, dat hij reeds nu zoo'n
diepe verachting voelde voor datgene, waar hij toch tot zijn vijf en
twintigste jaar zoo meê gedweept had--hem een wantrouwen gegeven in
sterke hartstochten over 't algemeen; het had hem ook tegenover vrouwen
voorzichtig en koud gemaakt--wat hem zeer ten goede gekomen was.
Met zijn vader stond hij nu op een bizonder vertrouwelijken voet. Samen
hadden zij dit plan van de fabriek gemaakt: de zoon directeur, de
vader handelsdirecteur en behalve dat commissionnair agent, voor het
Engelsche huis; daar was allerlei kans op goede winst, en in geval
van tegenspoed was het bijna uitsluìtend aandeelhoudersgeld, dat er
bij inschieten zou.
Maar als dat geld nu niet kwam!
Michal Mordtmann wierp zijn sigaar weg, dronk een glas grog en ging
in de kamer van Mevrouw Lövdahl.
De koffie was rondgediend en 't dienstmeisje was aan het afnemen. Om
Mevrouw Wenche heen stonden eenige heeren, die niet rookten of
toevallig met haar waren blijven praten. 't Waren meest ambtenaars
en enkele van de huisvrienden, die zich in dit gemengd gezelschap
niet erg thuis voelden.
"Ik dank u voor uw toast, Mijnheer Mordtmann," riep Mevrouw Wenche
vriendelijk.
Hij boog stijf en zag haar wantrouwend aan.
In een hoek van de ruime zaal zocht hij een plaatsje achter een
étagère, waar hij in albums begon te bladeren, terwijl het gesprek
in den kring om de vrouw des huizes heen weer vlot werd.
"Ja, ik kan op dit punt niet toegeven, Mijnheer de rector," zei Mevrouw
Wenche; "u zegt, dat ik me maar kalm moet houden en hopen......"
"Neen, pardon Mevrouw! zóó zei ik het niet. Ik zei, als het onderwijs
en de geestelijke ontwikkeling van een kind is overgelaten aan mannen,
die kennis van zaken en ervaring vereenigen met een goeden wil, dan
moeten de ouders hopen en vertrouwen, dat hun kind met Gods hulp wel
bewaard is."
"Ja, maar wie staat mij in voor dien goeden wil en al dat andere?"
"De staat, het ministerie van onderwijs, een zorgvuldige
regeering. Gelooft u mij, Mevrouw, ons onderwijs kan zich meten
met dat van welk land ook in Europa en 't staat wat godsdienst en
zedelijkheid betreft boven dat van de meeste landen."
"Ja, maar als ik nu met mijn eigen oogen zie, dat het verkeerd gaat,
dwars en glad verkeerd! Wat moet ik dan doen?"
Zij lachten allen goedig om het geänimeerde vrouwtje. En zij lachte
meê, ofschoon het voor haar hooge ernst was.
"U is--hm... U is een heele strenge dame," zei de rector glimlachend,
terwijl hij zijn grooten neus met snuif vulde. "Hier zijn juist
verscheiden mannen van 't onderwijs. Wij moeten ons wel heel schuldig
gevoelen."
"O neemt me niet kwalijk, heeren! daar dacht ik niet aan. Dat weet
u toch allemaal wel, niet waar?" Zij zag met haar open glimlach
van den een naar den ander. "Dat is mijn ongelukkig Bergensch
temperament--zooals Carsten zegt. Als ik eenmaal een overtuiging heb,
moet ik die uitspreken, ronduit. En nu heb ik al lang een duister
gevoel gehad, dat het heelemaal mis is met ons schoolonderwijs."
Behalve de rector was de onderdirecteur Abels ook in de kamer;
(hij vond het bizonder aangenaam, dat de menschen zeiden, dat hij
Mevrouw Wenche het hof maakte;) ook was de directeur van de lagere
school Klausen er en later kwam ook Aalbom binnen.
"Zoudt u niet zoo vriendelijk willen zijn ons te zeggen wat er mis
is, Mevrouw?"
"Alles!--Alles. Van 't begin tot 't einde?"
"Meent u dat ook van de lagere school, Mevrouw?" vroeg meester Klausen.
"Die ken ik niet; maar ik ben er zeker van, dat als de school voor
de kinderen van de welgestelden zoo slecht is, die voor de kinderen
van de armen natuurlijk nog slechter moet zijn."
't Waren harde woorden, die Mevrouw Wenche dien avond sprak; harder
nog dan gewoonlijk. En de heeren zagen elkaar aan. Maar de goedige
en wat politieke glimlach van den rector zegevierde en beheerschte
eindelijk de stemming: op stuk van zaken was 't toch maar een dame!
"Ik geloof wel, dat ik ten minste één ding weet, dat Mevrouw wat
irriteert," begon de oude rector handig.
"En dat is?"
"Dat u met uw mooie, krachtige handjes niet kunt ingrijpen, dat u
niet eens redderen kunt onder de leeraren en den rector zelf niet
wat aan den band houden."
"Ja, juist," riep Mevrouw Wenche, "dàt is het! Ik zie wel, dat jelui
allen lachen; maar ik meen het in ernst; dat is het juist, dat ik
niets--niets meer voor mijn zoon kan doen, terwijl ik toch duidelijk
zie, dat hij bedorven wordt en zijn krachten verspild worden."
"Nu, nu, lieve Mevrouw. Zóó erg willen we hopen dat het niet is. Maar
hebt u wel gelijk als u zegt, dat u niets meer voor uw zoon kunt
doen, als u vindt, dat de school in een of ander opzicht verkeerd
doet? Iedere opmerking......"
"Ach, lieve Mijnheer de rector, hoe kunt u mij toch op dit punt
tegenspreken. U weet toch zelf wel, dat een kind op de openbare school
achter driedubbele muren zit, en wee den vader--en nog meer wee de
moeder, die de hand in dat wespennest steekt."
"Hm, ik kan u zeggen, Mevrouw Lövdahl," viel meester Klausen in,
"dat er bijna geen dag omgaat, dat ik niet vier of vijf oude wijfjes
op mijn dak krijg, die een mondje open komen doen over een of ander
wat met hun lieve bengels gebeurd is."
"Pardon, Mijnheer Klausen! die oude wijfjes--zooals u ze verkiest te
noemen--hebben met veel pijnen hun kinderen het leven gegeven--wat ik
nog nooit van een hoofd van een school gehoord heb; en al daarom alleen
hebben ze het recht naar hun beste weten het oog op haar bengels te
houden, (die voor haar even lief zijn als de onzen voor ons) wanneer
ze gedwongen zijn hen aan wildvreemde menschen over te geven."
"Ja, dat zou me een lieflijke optocht van moeders geven, als je al hun
praatjes aan wou hooren!--Dat zou 't hoofd van een school eenvoudig
't leven onmogelijk maken."
"Dat kan me heelemaal niet schelen," antwoordde Mevrouw Wenche
droog. "Moeders hebben het recht en den plicht hun kinderen op den voet
te volgen, zoover ze maar kunnen;--en God gave, dat ze 't allen deden,
al zouden dan ook ontelbare schoolmeesters sterven. Met uw welnemen,
Mijnheer Klausen."
"Neen maar... maar lieve, beste Mevrouw Wenche!" riep de rector en
stak smeekend de handen naar haar uit. "U kunt toch niet bedoelen,
dat vaders en moeders iederen keer bij troepen moesten komen aanzetten
als..."
"Neen, neen, beste vriend," viel Mevrouw Lövdahl hem lachend in de
rede en greep vriendschappelijk zijn hand; "ik bedoel alleen, dat
ik wou, dat er zooveel belangstelling voor de kinderen was onder ons
ouders. Dan zou de belangstelling, zoodra ze sterk en levendig genoeg
was, wel een of anderen vorm vinden om zich in te uiten, zoodat wij,
die toch zelf het onderwijs betalen, ook wat invloed en wat controle
zouden krijgen op wat daar achter die dikke schoolmuren gebeurt."
De zaakwaarnemer Kahr had vreedzaam in een hoekje gezeten onder den
invloed van het digestieproces na tafel; en de levendige discussie
tusschen zulke volkomen onjuridische personen amuseerde hem zeer.
Nu vond hij, dat er langzamerhand zóóveel menschen in de kamer van
Mevrouw Lövdahl bijeen gekomen waren, dat het tijd werd een beetje
logica en methode in het gesprek te brengen.
"Er was iets in het laatste wat Mevrouw zei, dat mij aanleiding
geeft tot een vraag," begon hij met humoristischen ernst op zijn rood
glimmend gezicht,--'t was immers maar een dame--; "zei u niet, geachte
Mevrouw, dat de belangstelling van de ouders voor hun kinderen een
uiting vinden moest door feitelijken invloed op het werken en het
wezen der school."
"Ja, juist."
"Een vertegenwoordiging--of zoo iets--van de belangstelling der
ouders."
"Ja, zoo iets wilde ik hebben."
"Maar...... ja, pardon, Mevrouw!" zei Mr. Kahr en deed alsof hij heel
verlegen was, "maar zooiets hebben we immers."
"Ja?--daar weet ik niets van," antwoordde Mevrouw Wenche en kreeg
een kleur; het gebeurde nu en dan in gesprekken als dit, dat zij haar
hoofd stootte aan dingen, waar ze 't bestaan niet van vermoedde.
"Dat verwondert mij, Mevrouw!--U schijnt u toch in dat soort van
zaken ingewerkt te hebben... of ten minste er zoo warm belang in te
stellen. Wij hebben immers juist een vorm gevonden voor de gedachte,
dat de ouders ook in de staats-scholen vertegenwoordigd moeten worden;
dat hebben wij immers: in 't Ephoraat, het Ephoraat van de school."
"Ephoraat?" vroeg Mevrouw Wenche onzeker.
Maar vóór Kahr of een van de anderen partij konden trekken van deze
overwinning, vroeg een droge, heldere stem:
"Pardon ... heeft ooit een van de heeren een levenden Ephor gezien?"
Aller oogen wendden zich naar Michal Mordtmann, die korrekt en innemend
bij de étagère stond; maar toen Mevrouw Wenche en hij elkaar aanzagen,
barstte zij uit in haar gewoon vroolijk lachen.
"Ik dank u, Mijnheer Mordtmann, dank u voor uw hulp!--Ja, nu vraag
ik ook: wat is een Ephor voor een ding?--wie zijn Ephoren hier aan
de school?"
"Maar Mevrouw," riep de rector heelemaal verbluft, "weet u werkelijk
niet, dat Professor Lövdahl een van de Ephoren aan de school is?"
"Carsten!--mijn man!--neen, dat is prachtig! Ach, Mijnheer Abel! Wilt
u mijn man even roepen? Ik moet hem toch eens zien als Ephor!"
De onderdirecteur vloog als een pijl uit den boog door de portière
en kwam met den professor terug, die kaarten in de hand had.
"Wat is er voor een grap, Wenche?" vroeg hij vroolijk.
"Een kostelijke grap!--Ze zeggen dat je een Ephor bent--Carsten!"
"Ja zeker ben ik een Ephor..."
"En dat jij de uiting bent van de belangstelling der ouders in de
schoolkinderen..."
"Ja zeker. Heb je me dan niet vooraan zien zitten op zoo'n stoel
met een hoogen rug naast den burgemeester op examenfeesten?" zei de
professor onvoorzichtig, "maar nu moet je me met rust laten; ik heb
de hand vol troeven."
De andere heeren dachten in stilte, dat, als Professor Lövdahl het
gesprek gevolgd had, hij zeker anders zou hebben geantwoord. Maar
Mevrouw Wenche was op eens ernstig geworden:
"Ja zie je, daar heb je 't weer! Als ik niet juist op 't goede
oogenblik dit groote woord in gelach gesmoord had, zooals het
verdient--dan zou ik me nu, zooals veel andere menschen verbeeld
hebben, dat ook op dit punt alles zoo goed en wijs is ingericht door de
autoriteiten, dat wij eenvoudigen en vrouwen maar te zwijgen hebben,
en alles zijn gang moeten laten gaan. Maar nu zal niemand--ik dank
u nog eens voor uwe hulp, Mijnheer Mordtmann--nu zal niemand me meer
overbluffen met groote woorden. Als Carsten Ephor is, dat weet ik wel,
dat het Ephoraat niets anders is dan een schakel in den ketting van
administratief gedoe, dat ons allen smoort en steeds dommer maakt."
"Zacht wat, zacht wat, lieve Mevrouw!" begon de rector weer. "Er moet
toch een bestuur zijn! wij kunnen toch niet allen regeeren."
"Dat verlang ik ook niet; maar in iedere zaak moeten zij besturen,
die feitelijk de verantwoordelijkheid hebben; en in de zaak:
kinderbehandeling hebben die menschen de verantwoordelijkheid, die
de vrijheid namen kinderen in 't leven te roepen. Maar in plaats van
een wezenlijk deelnemen aan den arbeid in de school in verhouding
tot die verantwoordelijkheid, hebben we de comedie van een Ephoraat,
dat bestaat in 't zitten op een stoel met een hoogen rug naast den
burgemeester. En dat past... ja, wat past dat niet prachtig in 't heele
gedoe van ons land. De verantwoordelijkheid wordt zóó van de een op de
ander geschoven tusschen groote woorden en prachtige titels, dat het
niet mogelijk is ze zelfs met kaarsen en lantarens weer te vinden. Maar
de onverantwoordelijkheid bouwt zich een veilige piramide, die in een
punt uitloopt; en die is zoo onverantwoordelijk, dat ze heilig wordt."
"Kalm wat, mijn beste Mevrouw," riep Mr. Kahr. Ze lachten nog!--'t Was
immers maar een dame. Maar zulke woorden moesten toch niet gesproken
worden in het huis van een man met zoo'n positie.
Daar dacht Mevrouw Wenche heelemaal niet aan; zij was gewend in haar
kamer vrijuit te spreken; en haar man had het niet verder gebracht,
dan zooveel hij kon te kalmeeren en te verzachten.
Michal Mordtmann had een poosje naar Mevrouw Lövdahl geluisterd
en langzamerhand kreeg hij een onbedwingbaren lust om meê te
doen. Wonderlijk gestemd en moedeloos als hij was, omdat de koopman in
hem een nederlaag geleden had, voelde hij behoefte den taalman los te
laten--den ouden vrijheidsman--en een oogenblik den Engelschen dwang
af te werpen; zijn zaak was toch hoogstwaarschijnlijk al bedorven.
Hij trad wat naderbij en zei met zijn mooie, zuivere manier van
spreken, en met een kalmte, die de anderen, en vooral Aalbom zeer
irriteerde.
"Ook mij is het steeds verkeerd voorgekomen, ja, eigenlijk schandelijk,
dat juist de school en alles wat daartoe behoort, als een gesloten
arena is ingericht, waar alleen de meest voortreffelijke geleerdheid
en kunde worden toegelaten; terwijl er voor de vaders en de moeders,
die toch het kostbaarste inzetten bij dit spel, niets meer dan een
bescheiden plaatsje onder de toeschouwers buiten wordt overgelaten,
vanwaar zij het philologische stof, dat in den strijd wordt opgejaagd,
mogen waarnemen."
"Bravo! Bravo!" riep Mevrouw Wenche verrukt en reikte hem haar beide
handen. "Wie zou dat van u gedacht hebben? Mijnheer Mordtmann! Ik
dacht eerlijk gezegd, dat... maar het doet er niet toe, wat ik dacht;
ik ben blij, dat ik me vergiste. Maar komt u nu hier; wij tweeën
moeten ons bij elkaar aansluiten. U ziet, dat de vijand ons aan alle
kanten omringt."
In werkelijkheid waren er veel heeren binnengekomen, zoodat er
niet alleen een groep om Mevrouw Wenche heen stond, maar 't werd
langzamerhand bijna vol in de kamer; en velen van de kleine kooplieden,
menschen, die niet gewend waren op groote partijen te komen, slopen
naar binnen en namen plaats langs de muren.
Het levendige gesprek interesseerde hen veel meer dan het kaartspel,
voor velen was het al een ergernis dat te moeten aanzien.
"Maar als u nu niet tevreden is met de manier, waarop nu het onderwijs
is ingericht,"--Mr. Kahr wendde zich uitsluitend tot Mevrouw Lövdahl,
zonder op Mordtmann te letten; maar zijn toon was toch iets meer
formeel dan vroeger; 't werd nu heel wat anders, nu een man--een aan de
universiteit gevormd man--meêging met zulke verreikende denkbeelden;
"als u zoo ontevreden is, Mevrouw, bijv. met dat ongelukkig Ephoraat,
wilt u ons dan niet eens de praktische manier uitleggen, waarop u
zich hadt voorgesteld de ouders aan het werk in de school te laten
deelnemen?"
"Ja zeker, met alle genoegen," antwoordde Mevrouw Wenche vrijmoedig;
"eerst zou ik willen, dat alle vaders en moeders van kinderen uit
dezelfde school een groote vergadering hielden om te bespreken wat..."
"Pardon Mevrouw, neemt u mij niet kwalijk, dat ik u in de rede val,"
zei Mordtmann onrustig, "maar nu u zelf zoo vriendelijk is een verbond
tusschen ons beiden voor te stellen, moet ik u als uw bondgenoot
ten sterkste afraden praktische voorstellen met betrekking tot de
hervorming te doen."
"En waarom mag Mevrouw dat niet, als ik vragen mag?" De jurist wendde
zich voor het eerst regelrecht tot Mordtmann.
"Omdat iemand, die een ingrijpende hervorming verlangt, er zich wel
voor moet wachten met praktische voorstellen aan te komen. Want onder
de groote menigte, die zich altijd tegen iedere hervorming verzet,
zal er altijd wel een of ander zijn, die zoo'n praktisch voorstel
verdraait, zoodat het belachelijk wordt, een karikatuur van wat er
bedoelt wordt, en dan meent men, bewezen te hebben, dat de tijd voor
de hervorming nog niet gekomen is."
"U zegt, men meent dat bewezen te hebben," riep de jurist uit de
hoogte, "maar ik ben ook zoo vrij te meenen, dat de ontijdigheid
van een hervorming voldoende bewezen is, als de practische
onuitvoerbaarheid in confesso is."
"Ja, natuurlijk! De theorie kan schoon zijn, watte? Maar houd u aan de
praktijk... aan de praktijk, jonge man!" Dat was de "blinde darm," die
eindelijk losbarstte; hij was als altijd razend van verontwaardiging,
als hij iets hoorde, dat op oppositie leek.
Michal Mordtmann keek naar het opgewonden gezicht van den leeraar
met zijn Engelsche kalmte en wendde zich daarna weer tot den jurist.
"Bij hervormingen van dien aard, waar hier over gesproken wordt,
is de praktische uitvoering een bijzaak en betrekkelijk van weinig
gewicht en wie zich daarmeê 't eerst bezig houdt, begint van achter
af en doet vergeefsch werk. Maar als u daarentegen de gedachte,
die aan de hervorming ten grondslag ligt, tot de publieke opinie
van uw tijd kunt maken,--als het in dit geval gelukt bij de ouders
die sterke belangstelling voor de school te wekken,--ja, dan zal die
belangstelling haar uitdrukking in de praktijk vinden,--gemakkelijk,
natuurlijk, als van zelf. Maar zoolang die belangstelling niet
opgewekt is, geeft het niets of men over de praktische moeielijkheden
disputeert; en zoodra die gewekt is, zijn er geen practische
moeielijkheden meer."
"Ach--dat is echt jeugd--watte?" schreeuwde de blinde darm; "alleen
maar alles afbreken en niets opbouwen--watte? Neen, daar doen ze
niet aan; want dat kunnen ze niet! dat moeten wij doen,--of de
toekomst! maar afbreken--ja, dat is makkelijk, watte?"
"Ja," antwoordde Michal Mordtmann, "flinkweg iets afbreken, b.v. de
jeugd, dat is zeker heel gemakkelijk. Maar zóó afbreken, dat er
werkelijk wat valt, dàt is, zoover ik weet, minstens even moeielijk als
opbouwen. Alles af te breken wat Mevrouw Lövdahl's schoolhervorming
in den weg staat--aan de eene kant luiheid en onverschilligheid en
aan den anderen kant hoogmoed en betweterij--zie, dat is zeker een
heel inspannend en moeilijk werk, en ik kan wel berekenen, dat u en
ik al lang ter ruste zullen gegaan zijn eer dat gebeurd is. Maar dat
is toch mijn overtuiging--en mijn hoop, dat dit afbrekingswerk gedaan
zal worden."
"Ja, afgebroken zal dat alles worden!" riep Mevrouw Wenche warm,
"er moet een tijd komen, dat allen 't inzien, hoe gewetenloos het is
't eene geslacht na het andere aan oude vooroordeelen en versteende
leerstellingen op te offeren."
"Hm," antwoordde Mr. Kahr, "wij hebben nu veel schoone en gevleugelde
woorden gehoord en het zal zeker wel niet baten een kleine, praktische
vraag te doen, te meer omdat het praktische juist niet aan de orde
schijnt te zijn..."
"Kom, niet zoo scherp, heer jurist! Kom u maar met uw praktische vraag;
als ik Mijnheer Mordtmann aan mijn kant heb, ben ik nergens bang voor."
"Nu dan, kort en goed. Waarom zendt u uw kind naar school! Wat wilt
u dat hij leeren zal?"
"Daar zal ik u met genoegen op antwoorden, en ik zal dat zoo bezadigd
doen, dat mijn kompagnon heel kalm blijven kan, want daar heb ik zelf
zoo dikwijls over gedacht. Als wij--vaders en moeders--die zelf gevoeld
hebben hoeveel er noodig is, hoeveel men weten moest, alleen maar om
eenigszins zijn tijd, zijn plaats in het leven te begrijpen,--als
wij onze kinderen naar school sturen, doen we dat natuurlijk omdat
we willen, dat zij op tijd die kundigheden zullen verwerven, die wij
nu door eigen dure ervaring weten, dat het leven eischt."
"En u vindt niet, dat de school in die richting werkt?"
"Neen, daar is 't ver--heel ver vandaan! Zie nu b.v. mijn Abraham
eens... Maar waar is de jongen toch?"
De professor, die juist was binnengekomen vertelde, dat hij Abraham
naar bed gezonden had; "Hij vroeg of je hem goeden nacht kwam zeggen."
"Ja, ik kom dadelijk. Arme jongen! Ik heb hem heelemaal vergeten!--Maar
wat ik zeggen wou: zie nu eens naar Abraham; hij is nu volle negen jaar
op die gezegende geleerde school geweest. In 't begin ging het goed;
maar in de laatste jaren wordt hij, voor zoover ik zien kan, steeds
dommer, steeds meer zonder belangstelling. Zoodra hij zijn mond open
doet, toont hij de grootste onwetendheid in de meest alledaagsche
dingen. En 't ergste van alles is, dat hij er bijna op neerziet,
als men iets verstandigs weet van de wereld zooals die is."
"Ja Mevrouw," sprak Mordtmann, "uw zoon leeft in de wetenschappelijke
wereld. Hij schrijdt voort naar den hoogen Parnassus der groote
geesten! Ik ken dat. Ik heb zelf den omweg over den Parnassus gemaakt."
"Wat meent u daarmeê,--watte?" vroeg Aalbom.
"O, dat kan ik u wel uitleggen! Ik ruik lont," zei Mr. Kahr. "De heer
Mordtmann hoort zeker tot de moderne tegenstanders van de klassieke
opvoeding. Ik wed, dat hij een hekel aan het Latijn heeft."
"Ja, dat heb ik zeker!"
Verscheidenen wilden tegelijk spreken, maar Professor Lövdahl behield
het woord:
"U zult toch niet willen ontkennen, dat de studie van die heerlijke
taal in buitengewoon hooge mate bij de jongelui het vermogen tot
streng en logisch denken ontwikkelt?"
"Ik heb maar één ding opgemerkt, Professor, wat 't Latijn bij ons
allen uitwerkt; en dat is, dat het ons buitengewoon pedant maakt."
"Sommigen onder ons, misschien," merkte de jurist op met een beetje
boosaardigheid. Maar Mevrouw Wenche lachte vergenoegd.
"Ja, u hebt gelijk. Al toen ik klein was ergerde 't me, als mijn groote
neven met Latijnsche zinnetjes aankwamen. Ik ben er van overtuigd,
dat er geen slot of zin aan was. En zelfs nu erger ik me, als de oude
heeren elkaar zoo beteekenisvol toelachen en met een paar Latijnsche
woorden aankomen."
"Neen, maar dat is toch een onschuldig genoegen, lieve Mevrouw!" riep
nu de oude rector. Hij had zich wat teruggetrokken. Het gesprek
werd hem te heftig. "Wij mogen toch wel plezier hebben in ons
gemeenschappelijk eigendom. Dat is een soort van vrijmetselarij."
"Ja juist," antwoordde Michal Mordtmann, die zich scheen te
hebben voorgenomen, tot het uiterste toe tegen te spreken; "dat is
karakteristiek voor de beschaving van den ouden tijd. Er was iets heel
pikants aan geleerdheid, n.l. dit: dat ze was beperkt tot een kleinen
kring;--dat het genot, het geluk geleerd te hebben, niet bestond in
iets te weten, maar in iets te weten, wat anderen niet wisten. Maar
nu zijn er gelukkig niet veel menschen, die hun kinderen naar school
zenden, om ze op die manier geleerd te maken."
In de pauze, die hierop volgde, stond Mevrouw Wenche op om haar zoon
goedennacht te gaan zeggen. Men moest ook aan tafel gaan: het was
laat geworden.
Onder de geleerden heerschte een niet geringe opgewondenheid; terwijl
daarentegen een paar oude kooplieden elkaar in stilte toeknikten.
"Ja, als U heengaat, Mevrouw," zei de jurist, die eindelijk ook
geanimeerd geworden was, "dan loopt dit interessante gesprek zeker
dood. Jammer, dat u zich niet hebt laten overhalen over de praktische
dingen te spreken: wat er geleerd moet worden, b.v. zoudt u mij niet
een paar vakken kunnen opnoemen?"
"Wel," antwoordde Mevrouw Wenche snel, "ze moesten natuurlijk historie
leeren, geneeskunde, rechtsgeleerdheid, sterrekunde..."
"Ik dacht, dat je geneeskunde noemde, Wenche?"
"Ja, natuurlijk. Kennis van hun eigen lichaam, van ziekten en
geneesmiddelen."
"Neen maar Wenche, hoe kun je je nu verbeelden......?"
"Maar zeg je niet telkens zelf, Carsten! wel honderdmaal in een jaar:
'Ja, had dat mensch in zijn jeugd op zijn oogen gepast, dan zou hij
nu niet als een half blinde stakker rondloopen.' Maar hoe zullen ze
leeren op hun oogen te passen, als ze daar niet anders van leeren dan:
'indien uw oog u ergert, ruk het uit,' of voor hun lichaam zorgen,
waar ze van leeren, dat het een ellendig en onwaardig omhulsel voor
de onsterfelijke ziel is."
"Maar rechtsgeleerdheid... watte? Jura! moeten de jongens ook dat
wettengedoe in de school leeren?" riep de blinde darm; zijn nijdigheid
steeg naarmate het gesprek werd voortgezet, zonder dat hij iets vond
om op aan te vallen.
"Ja, natuurlijk moeten ze op de hoogte zijn van de wetgeving in hun
land; hoe en door wie het recht en orde gehandhaafd worden. Maar
vraag b.v. mijn Abraham, die toch anders een knappe jongen is, wat
een arrondissements-rechtbank is. Hij heeft er geen flauw begrip van."
"Maar vraag hem naar curules, aediles, tribuni plebis en zulke dingen,
dan kent hij ze op zijn duim," zei Mordtmann.
"Ja, ziet u, zulke ouderwetsche onzin, daar heeft hij zijn hoofd vol
van, de stakker. Maar van zijn eigen vaderland, de staatsinrichting
daar, de strijd om de vrijheid..."
"Politiek! Politiek! Moeten de jongens ook al politiek leeren?" klonk
het van alle kanten en een nieuwe koortsachtige agitatie overviel
allen.
"Natuurlijk! Ja zeker, moeten ze politiek leeren," antwoordde Michal
Mordtmann onvervaard.
Er ontstond een sterke beweging en algemeene verontwaardiging; zelfs
Mevrouw Wenche keek bedenkelijk. Maar boven alles uit schreeuwde de
blinde darm in de hoogste discant:
"Neen, maar...! God beware ons! Watte? Zullen we nu ook nog de
scènes beleven, dat kleine jongens over politiek debatteeren, alsof
ze volwassenen waren."
"Vindt u ze zooveel beter, de scènes, die niet zoo zeldzaam zijn, dat
volwassenen over politiek debatteeren, alsof ze kleine jongens zijn?"
Mevrouw Wenche zag den jongen man aan en glimlachte; toen haastte
ze zich naar haar zoon. Maar de strijdlustige stemming verdeelde het
gezelschap en allen verspreidden zich door de verschillende kamers,
waar ze de vreedzame kaartspelers een doodschrik op het lijf joegen,
door in groepen midden op den vloer te gaan disputeeren, terwijl ze
in de hoeken hier en daar, twee aan twee elkaar bij de knoopsgaten
vasthielden als twee aan den gordel samengebonden worstelaars en als
hanen stonden te kraaien, met de neuzen vlak bij elkaar, met vuurroode
gezichten en het haar in vlokken bijeen.
Misschien was er wel niemand, die heelemaal meêging met de oproerige
ideeën van Mevrouw Wenche en dien vreemde; maar velen vonden toch,
dat er wel iets van aan was. En al de geleerden streden als razenden,
geheel niet gewend aan, en verbitterd over het feit, dat een uit hun
eigen leger zijn afvalligheid geopenbaard had voor de oogen van al
die haringschippers en kruideniers.
Aan het souper ging het voortdurend warm toe, en zelfs toen de gasten
het huis verlaten hadden hoorde men in de straten, door den stillen
nacht: "Hervorming--Latijn--Ephor--politiek--watte?"
Toen Michal Mordtmann zijn gastvrouw goedennacht zei, reikte ze hem
weer haar beide handen, terwijl ze hem hartelijk en vroolijk bedankte
voor zijn goede hulp. Hij antwoordde met een paar beleefde woorden,
maar zag haar tegelijk diep in de oogen. En zij, die in lang niet
zulk een blik ontmoet had, liet hem los en wendde zich tot de anderen.
Maar toen alle gasten weg waren, en haar man rustig was gaan zitten
om de couranten te lezen, zei Mevrouw Wenche:
"Neen maar, wat was ik verrast door den jongen Mordtmann. Ik had
er geen flauw vermoeden van, wat er in hem zat. We moeten hem toch
dikwijls vragen, dat is nu eindelijk eens iemand, daar ik meê praten
kan."
"Och, me dunkt waarachtig, dat jij met alle menschen wel praten kunt,"
antwoordde haar man knorrig; hij was er eindelijk achter gekomen,
welke weinig correcte dingen er in zijn huis gezegd waren.
"Nu, nu, Mijnheer de Ephor," zei Mevrouw Wenche, terwijl ze de
haarspelden uit haar dik haar nam; maar door 't noemen van het woord
"Ephor" moest ze weer lachen en lachend ging zij in haar slaapkamer.
Professor Lövdahl sprong op; maar ze was al weg; hij mompelde een
paar woorden, maar ging toen weer zitten.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De uilen woonden in het gebeeldhouwd lofwerk om de hooge
spitsboog-vensters van de Domkerk en in de vierkante openingen in
den muur boven in de torens.
Geluidloos hadden ze zeshonderd jaar lang tusschen kerk-
en kloostervensters heen en weer gevlogen, van schoorsteen tot
schoorsteen, door poorten en gaten en in lange nauwe gangen, waar ze
geleerde mannen tegenkwamen op pantoffels, met boeken en perkamenten.
In storm en donkere nachten hadden zij op de steenen voor het kleine
boogvenster gezeten, waar een lichtstreep viel; en hun wilde kreten
hadden den bleeken man daar binnen er toe gebracht een kruis te slaan
en de oogen op te heffen van de duistere plaats in Tacitus naar het
crucifix aan den witten wand.
Maar het crucifix werd afgerukt en in een zak gestopt; in de lange
gangen en naar boven vluchtten de bange monniken en naar binnen
stormden de in dierenhuiden gekleede mannen met bebloede bijlen,
doorzochten kisten en banken tot in alle hoeken, haalden de monniken
te voorschijn en pijnigden ze tot ze de schatten van het klooster gaven
en joegen den bisschop door zijn heele huis, door de geheime gang--tot
heel voor het hoogaltaar en hieuwen hem neer, zoodat zijn bloed over de
steenen in het koor stroomde. En het visschersdorpje, dat zich schuw
tegen de kloostermuren aandrukte, met nauwe straten en houten huizen,
brandde in een oogenblik af en het vuur teisterde kerken en kapellen.
Maar langzamerhand groeiden de houten huisjes weer op; zware boeken
en rijke geschenken stroomden het huis van den bisschop binnen,
het tiende van wat zee en land opbrachten en de bekoorlijke zilveren
daalders moesten denzelfden weg op en 't wemelde van vreemde monniken
en kanunniken, zoowel dikke sterke Engelschen als zwartharige
geestelijken uit het Zuiden met fijn besneden gezichten.
Macht en geleerdheid bouwden muren en torens, en wierook vulde de
prachtige kerk, waar de geestelijken zongen voor de visschers en
boeren, die met het hoofd op den grond gebogen lagen en mompelden
wat zij niet begrepen.
Er kwamen vreemde schepen aan de steigers en brachten met goud bewerkte
miskleeden, kerkklokken en wierookvaten en sterken wijn voor de koele
kelders in de kloosters.
Maar in de nauwe straten en schuilhoeken achter den boomgaard--daar
lagen de monniken op de meisjes te loeren; en terwijl ze boven in
de kerk de mis hielden en zongen, brandden er een paar lampen in den
gewelfden kelder onder de kapel van den bisschop; en daar zongen ze
ook, terwijl 't wijnvat klokte en de meisjes lachten; en daar dansten
de monniken, zoodat hun pijen rondzwierden. Maar aan den dans kwam
een eind en die heerlijkheid verging en de meisjes werden met rust
gelaten door de woeste geestelijken.
Op een grooten brandstapel werden alle documenten van het domkapittel
verbrand, alle papieren en boeken in goudleer en wit kalfsleer
gebonden; maar alles wat op zilver en goud leek, werd verzameld,
afgehouwen, afgerukt, afgeschrapt tot het laatste korreltje, dat
glinsterde, toe en in plaats daarvan kwam kalk, van binnen en van
buiten,--overal kalk, doodsch wit, droog en koud.
Nu kwam de beste tijd voor de uilen, terwijl kloosters en kapellen
langzaam tot ruïnen vervielen; en wat de tijd bij kleine beetjes deed,
volbrachten de menschen in 't groot.
Spoedig werden de muren en de oude boomgaarden geslecht om plaats te
maken voor een nieuwe straat; 't volgend jaar werd de sierlijke capella
domestica van den bisschop afgebroken, omdat de vrouw van den proost
van het materiaal een nieuw varkenshok wilde laten inrichten en ten
slotte stond de Domkerk daar nog maar alleen--geheel bouwvallig, in
haar kleed van kalk, met domme kleine huisjes er om heen en van al de
paapsche heerlijkheid bleef niets over,--geen steen en geen perkament.
Alleen één ding bleef over achter op het oude terrein--behalve
de uilen.
De macht was verdwenen. De geleerdheid was verdwenen; de kalk had
alles wat er nog aan schoonheid over was, begraven; maar het Latijn
was blijven zitten--de Latijnsche school--de plak en 't Latijn.
De koorknapen werden scholieren, kostersjongens en eindelijk gewone
leerlingen; zij verhuisden van één kamer, naar twee kamers, die
aan de oude kloostermuren werden vastgeplakt, tot ze in een nieuwe,
vierkante schoolkist werden gestopt, met kale muren en vensters van
matglas; de plak en 't Latijn verhuisden meê.
En als de uilen, die ook trouw waren meêgegaan, in de groote
beukenboomen voor de studeerkamer van den rector zaten, kromp hij ook
ineen bij hun woeste kreten en hief zijn oogen op van Tacitus,--'t
was dezelfde interessante, maar duistere plaats.
Want in de vele honderde jaren, waarin alle geleerdheid in die schoone,
ontwikkelende taal geleefd had, was er--wonderlijk genoeg--niets
voortgebracht, waard om in het Latijn gelezen te worden. Nu--als
voor zeshonderd jaar--zaten de geleerde bollen en braken hun hoofd
met deze interessante, maar duistere plaats in Tacitus.
En voortdurend ging geslacht na geslacht op naar "mensa rotunda,"
waar de plak en de gramatica het offer van tijd en vlijt van de jeugd
aannamen, om tot belooning de knapsten onder hen zoover te brengen,
dat zij hun hoofd konden breken met Tacitus.
De beukenboomen waren niet oud in vergelijking met de ruïnen, waarbij
ze waren opgegroeid. Maar ze hadden toch meer dan honderd jaar lang
hun kronen over 't lage houten stadje verheven en zich ver over de
ruime schoolplaats uitgebreid.
En onder de takken had het vroolijk geluid geklonken van jonge
geslachten, die kwamen en gingen: overdag het aanhoudend wisselen
van de stilte in de lessen en 't uitgelaten gedruisch in 't vrije
kwartier, als honderd kleine voeten op den grond trappelden en er
kreten door de lucht klonken als van wilde vogels. Maar als de dag
voorbij was en de leeraren al hun tyrannie en al hun verveling mee
naar huis hadden genomen, dan werd de schoolplaats vol van den vrijen
arbeid der gepijnigde jeugd.
Alles wat er te vinden was aan gebouwen, boomen, trappen en
poorten kreeg leven en namen. En na het doode spel van den dag
met doode namen en levenlooze vormen, speelde de levende jeugd een
fantastisch leven vol namen met klank, die weerklank vonden in hun
uitgedroogde hoofdjes. Dan zeilden zij om de aarde en de kapers
schoten te voorschijn van achter de boomen en de hoeken van huizen,
of roovers lagen op den loer onder de trap. En naarmate het licht
afnam en de schemering de herinnering aan de harde dressuur van den
dag uitwischte, ontwaakten en groeiden de ongebruikte en verspilde
krachten. En ridderlijkheid, onverbreekbare vriendschap en heldenmoed
vlamden op in de kleine woeste vechtpartijen en quaesties, die nooit
vergeten werden.
Maar in de stille herfstavonden, als 't beukenloof dicht onder
de boomen lag, vóór de storm het nog had weggezweept, of de pedel
't onder in zijn kelderkamer bijeengegaard had, kwamen Indianen en
stroopers in de schaduwen aansluipen,--of het was de praetendent,
de ongelukkige Stuart--, die voortworstelde door storm en onweer naar
de hut van Betty Flanagan.
En als de deur van de kelderkamer van den pedel openging, zoodat het
roode licht in streepen in 't donker onder de boomen viel, dan zaten
er veel rondkoppen dicht bijeen om 't vuur, met zware laarzen aan,
met korte, ronde mantels en ijzeren sporen; hun mantels hingen bij den
schoorsteen te drogen en hun lange zwaarden met een kruis aan 't heft,
stonden tegen den wand. De oude Betty hief het ronde houten deksel
op--zwart verbrand aan den kant, en uit de geweldige pan steeg de
sterke lucht op van schapenvleesch, kool, aardappels en kruiderij, die
door elkaar gekookt werden,--het lievelingsgerecht van de Hooglanders!
In de kelderkamer en onder het heele schoolgebouw door liepen
verborgen gangen en geheime openingen tussen de oude onvergankelijke
kloosterkelders, waarin de moedigsten doordrongen, en van waar zij
met stof en kalk overdekt terugkwamen.
En wat zij vertelden ging van de eene klasse naar de andere, en
legde onder de gehate school een griezeligen ondergrond van oude,
gruwelijke kloostergeschiedenissen, van geheimzinnig verkeer met
doode monniken, die daar spookten, vensters met lage bogen, lange
strepen van doodsbleek maanlicht.
En zelfs het spel hield op, als het goed donker werd en de katuilen
begonnen te schreeuwen. Dan gingen ze in dichte groepen bijeen staan en
maakten elkaar bang met witte gestalten, die ze in de schaduwen zagen;
en uit de zwarte kelders van de monniken kwam er zóóveel akeligs en
griezeligs, dat ze naar huis draafden om hun lessen te leeren.
't Waren hooge, mooie boomen, de beukenboomen op de schoolplaats. Maar
op eens begon de 't meest naar 't Noorden staande te kwijnen en
't volgend jaar ging hij dood; hier en daar in de rij werd een boom
ziek; zware takken--van binnen vergaan--vielen 's winters af, als
't waaide. Allen, die verstand van boomen hadden, kwamen in beweging;
en men kwam met velerlei vermoedens en voorstellen aan.
Sommigen meenden, dat de aarde om de wortels te vast ineengetrapt
was, en wilden, dat men die wat los zoude maken; anderen wilden de
stammen afkrabben; en enkelen vermoedden, dat er geen licht genoeg
tusschen de takken doorkwam en wilden, dat de kronen zouden worden
uitgekapt. Niemand scheen te willen begrijpen, dat de grond zuur was,
de boomen oud en vergaan, zoodat geen kunst verhinderen kon, dat ze
verdorden en doodgingen.
Maar zooals de boomen kwijnden, zoo was het ook, alsof er een druk
kwam over de school zelf en de jeugd, die zij beschaduwden.
De plak danste niet langer lustig met de grammatica,--die was
weggelegd. En na die scheiding scheen de grammatica weg te kwijnen
als een weduwe, die haar beter ik verloren heeft. Het Latijn wilde
niet recht groeien, niettegenstaande alle mogelijke moeite: niemand
kon er blind voor zijn, dat de kennis van die heerlijke taal van jaar
tot jaar afnam.
En niettegenstaande zij niet half zooveel Latijn leerden als voor
dertig jaar, zag de jeugd er toch bleek en overspannen uit. 't Was
ellendig de bleekneuzige dwergjes te zien, die zich nu met moeite door
de allereenvoudigste thema's heen worstelden op 't admissie-examen,--en
als men dan eens dacht aan de flinke kerels, die vroeger examen deden.
De leeraars liepen rond, alsof ze spoken waren. Een dor, knorrig
troepje mannen, die in den loop der jaren hun eigenaardigheden tot het
karikatuur ontwikkelden; omdat hun eenzaam leven bestond in het zitten
op een katheder en stof strooien op een jeugd die zij niet begrepen.
Maar velen merkten het verkwijnen van de geleerde scholen. Van
het heele land kwamen dezelfde waarnemingen en klachten en alle
onderwijs-mannen kwamen in beweging, staken hun neus in de papieren
en joegen wolken extra-fijn philologisch stof op.
Sommigen meenden, dat het weer in orde zou komen als de leerlingen
afzonderlijke lessenaars kregen en groen geschilderde kokers; anderen
riepen om een nieuw en beter ventilatie-systeem; enkelen beloofden
een nieuw opbloeien van geleerdheid en gezondheid voor de lieve jeugd,
als het zwaartepunt in het onderwijs van het Latijn naar het Grieksch
werd verlegd.
Niemand scheen te willen begrijpen, dat het systeem verouderd was
en de geleerdheid zelf vergaan, zoodat geen kunst langer vermocht te
verhinderen, dat het doode het levende vergiftigde.
De rector zuchtte menig avond, als de maan over de schoolplaats scheen
en ver over de stad, die op haar manier groeide en tierde. De school
tierde niet: ieder jaar vond hij minder hoopvolle leerlingen voor
de Latijnsche afdeeling; terwijl er flinke jongens genoeg waren,
die het al vroeg opgaven en naar zee gingen of naar het buitenland,
om voor den handel te worden opgeleid.
Hij wendde zich af en ging in den grooten ouden tuin aan de andere
zijde van het huis. Hier had hij een vredig plaatsje onder een
stokouden perenboom, waar hij 's zomersavonds nadenkend zat te
snuiven. Maar ook hier, ver van de stad en de geheele wereld, achter
den hoogen kerkhofmuur--ook hier lieten de onrustige gedachten hem
niet met vrede.
Hoe onsympathiek was hij hem--heel die nieuwe drukke tijd,--en hoe
ongerust maakte hem die minachting voor de klassieke studiën, die
zich overal begon te vertoonen! oprecht ongerust: hij voelde die als
een stap terug naar de barbaarschheid.
Maar hij wilde den moed niet verliezen: nog stonden ze
daar--Goddank!--de oude klassieken, door niet één van de mannen uit
later tijd overtroffen, hoog uitstekende boven alles, zooals die
mooie kerk, met zijn nobele, ernstige lijnen, uitstak boven 't domme
bekrompen visschersdorpje. En 't was alsof er van de kerk een zweem
van verheffing uitging over de school en over hem zelf, terwijl hij
van de bank opstond. Gesterkt als na een gebed ging hij vol kracht en
vertrouwen naar zijn studeerkamer om zijn hoofd te breken met Tacitus.
En de uilen stoorden hem niet. De school en het dorp waren hun te
groot en te druk geworden, ze verdwenen op eens en kwamen niet terug.
ZESDE HOOFDSTUK.
Michal Mordtmann werd zeer verrast in de eerste dagen na dien avond
bij Professor Lövdahl.
Den volgenden morgen meldde hij alvast aan zijn vader, dat de
vooruitzichten voor hun plan niet heel schitterend waren. Toen dat
gedaan was troostte hij er zich meê, er aan te denken, hoe hij de
oude katuilen had opgeschrikt en hoe uitstekend Mevrouw Wenche zich
gehouden had.
Ze was ook mooi en zoo wonderlijk jong. Daar hij wel vooruit kon zien,
dat zijn verblijf in de stad nu niet zoo heel lang duren zou, besloot
hij haar dikwijls te bezoeken;--als hij nu zijn fabriek moest opgeven,
zou hij in elk geval van de genoegens profiteeren, die 't vervelende
plaatsje kon opleveren.
Maar toen hij tegen den middag naar de club ging, waar hij gewoonlijk
at, kwam de dikke Jörgen Kruse naar hem toe, midden op straat, drukte
hem de hand en zei: "Ik dank u, Mijnheer Mordtmann, ik dank u wel,
voor wat u gisteren avond zei. U hebt dien geleerden heeren eens flink
de waarheid gezegd, en het was zooals ik 't zelf had willen zeggen,
dat was het, wat Mevrouw Lövdahl zei van de jongens op de Latijnsche
school. Want zie nu mijn Morten eens. Hij was waarachtig even flink
als de anderen, toen hij nog klein was, hij hield zijn centen bij
elkaar en hielp in den winkel. Maar nu--hij is waarachtig bijna
zestien jaar--nu al die Latijnsche geleerdheid in hem gevaren is,
nu is hij zóó dom geworden, man! dat ik hem den winkel geen half
uur zou durven toevertrouwen--ja, en hij zou er ook niet wezen. Nu,
in dat Latijn heb ik niet veel vertrouwen en was het niet om zijn
moeder, dan nam ik hem morgen van school."
Michal Mordtmann wist heelemaal niet wat hij antwoorden moest; en
toen wat verder in de straat de onderdirecteur Aalbom hem neuriënd
voorbij liep, zonder hem te willen zien, begreep hij dat veel beter.
Maar niet alleen de dikke Jörgen Kruse dacht zoo; verscheidene van de
welgestelde kleine kooplieden lieten hem min of meer ronduit merken,
dat zijn optreden in het huis van den professor hun bizonder goed
was bevallen.
En langzamerhand werd het hem duidelijk, dat het een soort van feest
was geweest voor al die menschen, die al zoo dikwijls gehoord hadden,
dat ze niets wisten en nergens verstand van hadden, dan van geld
bijeen te schrapen--dat uit den kring van de geleerden zelf zich
iemand tegen die hooge, trotsche mannen keerde.
"Never mind," dacht Michal Mordtmann, "willen ze niets anders--mij
is 't goed." Het kapitaal is de hoofdzaak, en daarvoor kon hij toch
niet veel verwachten van ambtenaren en schoolmeesters; als hij zijn
plan zou volbrengen en vrij komen van een vernederenden terugtocht,
dan moest hij ook niet tegen wat moeite opzien.
Hij liep daarom met vernieuwden moed rond en sprak over fosforzuur
in de donkere kantoren, en de kooplieden mochten hem graag; maar als
hij tot het groote punt kwam,--het nemen van aandeelen, dan stootte
hij altijd op een verhindering, op een bepaalden steen des aanstoots,
en dat was de professor.
Zoolang Professor Lövdahl zich achteraf hield, bleef het bij enkel
praten. Hij was toch de eenige, die verstand van de zaak had. Geleerd
was hij, en rijk--en als hij niet meê wou doen, was er zeker een
luchtje aan de zaak, hoe schitterend ze ook leek.
"Als eerst Professor Lövdahl teekent dan doe ik meê en velen met mij,"
zei Jörgen Kruse.
De vlugge kop van Michal Mordtmann had niet lang werk met dat
bezwaar. Hij knoopte zijn lange jas dicht en ging Mevrouw Wenche een
visite maken.
"Eindelijk!" riep ze, toen hij binnenkwam.
"Pardon, Mevrouw!--ik had zeker al eerder u een bezoek moeten brengen,
om u te danken..."
"Neen, dank u, hooggeëerde heer! Van dien toon moet ik niets meer
hebben! U hebt nu eens en voor altijd uw recht verbeurd om den
Engelschman te spelen tegenover mij. Ga zitten als 't u belieft, maar
als oud taalman en eerlijk radikaal. Kunt u de andere vertoornde goden
verzoenen met uw afschuwelijke soda, dan om mij met alle genoegen. Maar
hier is u mijn man... mijn landgenoot en al uw correct optreden is
vergeefsche moeite, dat verzeker ik u, heelemaal vergeefsch!"
"Ik kom, Mevrouw...;" maar hij kwam niet verder, want zijn gastvrouw
en hij barstten beiden zoo hartelijk in lachen uit, toen ze dachten
aan hun laatste samenzijn en aan zijn mislukte poging om vormelijk te
zijn, dat ze eindelijk elkaar hartelijk de hand schudden, en in een
oogenblik waren zij zóó vertrouwelijk, als ze anders in een langen
omgang met elkaar zeker niet zouden zijn geworden.
"U was onbetaalbaar Dinsdagavond," zei Mevrouw Wenche en nam
haar naaiwerk weer op; hij zat in een laag stoeltje vlak bij haar
naaitafeltje; "U kunt u niet voorstellen wat dat voor me is, eindelijk
eens iemand te ontmoeten, die denkt zooals ik en den moed heeft dat
uit te spreken. Hier is wel een enkele--de onderdirecteur Abel--die
zich zoowat met nieuwe vrijzinnige ideeën bezighoudt--maar in stilte,
alsof 't gevaarlijke, ontplofbare stoffen zijn......"
"Dat zijn 't trouwens ook, Mevrouw! U zaagt 't immers zelf, hoe de
bom barstte vlak voor den neus van de geleerde heeren."
"Ja, 't is waar! Nooit in mijn leven vergeet ik het gezicht van
Aalbom. Ik was bijna bang, dat hij stikken zou. Maar à propos! Hebt
u wel over de gevolgen van uw overmoedig optreden op dien avond
nagedacht. U moet weten, dat men hier in 't stadje zooiets niet
verdragen kan. Met mij is 't wat anders; ik hoor nu eenmaal hier
thuis, en ze weten allemaal, dat ik onverbeterlijk ben. En dan ben
ik ook maar een dame! Maar voor u..."
"Och--ik stel ook niet zooveel prijs op de publieke opinie hier in
de stad."
"Maar, lieve hemel, voor u moet het toch van het grootste belang zijn,
dat u een goeden indruk maakt."
"Ja--in zooverre, dat men liefst altijd een goeden......"
"Neen, neen--begrijpt u niet, dat ik aan de soda denk--en al die
andere stinkstof, die u maken wilt."
"O zoo! U denkt aan de plannen voor de fabriek; maar daar zal vooreerst
wel niets van komen."
"Zoo?--dat is toch jammer voor u. Carsten zei laatst, dat hij meende,
dat de stemming onder de kooplui gunstig was."
"Meende de professor dat?--ik ben helaas tot een ander resultaat
gekomen, in ieder geval ben ik van plan binnenkort te vertrekken."
"Vertrekken?--Hier vandaan?"
"Ja, terug naar Engeland."
"Geeft u de fabriek op?"
"Ja, voorloopig ten minste; ik kan hier niets doen."
"Maar daar ben ik volstrekt niet mee gediend!" riep Mevrouw Wenche
uit. "Eindelijk heb ik een fatsoenlijk mensch gevonden, waar ik mee
praten kan en nu gaat hij weer weg. Dat gaat niet aan! Vertel me ten
minste, wat er aan hapert; waarom moet u 't opgeven? Zijn ze bang
voor hun dubbeltjes--de haringkoninkjes?"
"De kleinen zijn niet de ergste."
"Zijn 't dan de groote huizen, die niet mee willen doen? With, of
Garman en Worse?"
"Nog hooger op Mevrouw. Zal ik u in vertrouwen zeggen op wie mijn
fabriek schipbreuk lijdt?"
"Ja zeker, en gauw ook."
"Op uw man."
"Op Carsten? De Ephor! Maar lieve hemel, hij interesseert zich immers
warm voor u."
"Ja, 't is zonde! De professor is allervriendelijkst voor me geweest;
maar......"
"Nu dan! maar......"
"Aandeelen wil hij niet nemen."
"Zoo?--Dat is toch vreemd. Ik hoor anders altijd, dat Carsten zoo knap
en voorzichtig in geldzaken is. Hoor u eens. Zeg me eens oprecht--zoo
onder vier oogen--gelooft u zelf in uw onderneming?"
"Wil Mevrouw het prospectus zien?" vroeg Mordtmann en greep in
zijn zak.
"Neen, natuurlijk niet, maar antwoord u me eens.--Gelooft u zelf......"
"Hier hebben we," viel hij haar in de rede op zijn ernstigen zakentoon,
"zooals u ziet een heele reeks analyses......"
"Schei toch uit met uw akelige analyses," lachte Mevrouw Wenche.
"--en verder een gespecificeerd overzicht, met een berekening," ging
Mordtmann voort; en nu was het niet mogelijk een ernstig woord uit hem
te krijgen, hij amuseerde haar nog een poos met zijn zakentoon en met
tooneeltjes op te voeren van zijn bezoeken bij de burgers in de stad,
tot hij opstond en afscheid nam.
Maar toen hij weg was dacht Mevrouw Lövdahl over alles na. 't Zou
toch àl te ergerlijk zijn als hij nu heenging. Zij zou toch Carsten
eens vragen, waarom hij niet een paar aandeelen kon nemen, als nu
alles op hem vast zat.
De professor antwoordde--'t Gesprek begon aan tafel,--dat hij uit
principe niet graag geld stak in ondernemingen in de stad.
"Maar dit is toch zeker heel voordeelig?"
O ja, 't kon best zijn dat dit een goede zaak werd.
"Ja, antwoord mij nu eens, Carsten! Je heb immers wat verstand van
die zaak, zegt men, heb je vertrouwen in die fabriek?"
"Eerlijk gezegd: neen; en dat--omdat ik weinig of niet van practische
chemie weet, en de anderen, die geld moeten geven, weten er nog minder
dan niets van, en uit zooiets komt meestal geen goede zaak tot stand."
"Maar lieve hemel! Mordtmann zal immers directeur worden. En hij
heeft er immers verstand van,--niet waar?"
"'t Kan zijn van wel, maar 't kan ook wel zijn van niet. Het
Engelsche huis, waar altijd over gepraat wordt, heeft nog geen
aandeelen genomen."
"Ja, maar je bedenkt niet alle voordeelen, die er aan verbonden zijn;
Mordtmann, die zelf zoo'n inrichting in Engeland bestuurd heeft
en die......"
"Heb je pas den jongen Mordtmann hierover gesproken?"
"Ja, hij maakte hier van morgen een visite. En toen vertelde hij me,
dat 't hem niet mogelijk was aandeelen te plaatsen, omdat jij niet
wou voorgaan."
"O! nu gaat me een licht op! en toen was Mijnheer Mordtmann zoo
uitgeslapen slim......"
"Bah, Carsten! Jij denkt altijd, dat alle menschen zoo berekenend zijn
als jij zelf bent. Hij zat me hier alles heel gewoon te vertellen en 't
kwam in ons geen van beiden op, dat ik me met die dingen bemoeien zou."
"Nou...... Michal Mordtmann--hij is nu......"
"Ik kan wel aan je zien, dat je zeggen wilt: 'een uit Bergen,' zei
Mevrouw Wenche wat bitter.
"Ja, zoo iets," antwoordde de professor; "maar als je graag aan die
onderneming wilt meêdoen, ja lieve hemel! ik wil met alle pleizier
zooveel aandeelen nemen als je maar wilt, 't is immers jouw geld."
"Foei toch, Carsten!...... Je weet wel, dat ik niet wil, dat je daar
mee aankomt; ik wil volstrekt niet hebben, dat je aandeelen neemt
voor mijn pleizier."
Mevrouw Wenche werd gauw heftig in 't gesprek; maar dan werd haar
man altijd kalmer.
"Ja zeker zul je aandeelen hebben, lieve Wenche. Ik zie wel, dat je er
lust in hebt. Dan houden we ook dien aardigen Mijnheer Mordtmann hier."
Abraham zat in stilte van de een naar den ander te kijken. Hij begreep
niet wat er gebeurde, maar hij zag, wat hij al zoo dikwijls gezien
had, dat zijn moeder heftig was en zijn vader zacht en vriendelijk. Na
't eten zou hij, als gewoonlijk, met Marius werken; maar hij had er
zoo weinig lust in. 't Was in de eerste dagen van Mei, en zij hadden
repetities in alle vakken voor dat vreeselijke overgangsexamen,
dat over 't lot van kleine Marius beslissen zou.
Daarom zat hij vlijtig in zijn boeken; maar Abraham had zoo weinig
lust. De zon scheen op 't jonge groen aan de kruisbessenstruiken in
den tuin en boven aan den hemel was geen enkel wolkje.
Abraham zat maar gekheid te maken over Grieksch en wiskunde, tot
grooten schrik van Marius. Eindelijk begon hij te preeken uit een
stichtelijk boek, dat zij bij het godsdienstonderwijs op school voor
de zevende of achtste maal weer doorwerkten. Marius lachte nu eens
en smeekte hem dan weer om op te houden: maar Abraham was in een
uitgelaten stemming: hij slingerde alle boeken op zijn bed en riep:
"Kom laten we gaan roeien en visschen."
Ja--kleine Marius was zwak. En ze roeiden in de baai en vischten
kleine kabeljauwtjes in den stillen mooien lenteavond.
Maar 't gevolg was, dat het met Marius den dag daarna slecht
ging. Alleen al 't gevoel, dat hij niet zooveel en zoo goed geleerd
had als anders, maakte hem verward en onzeker in de eenvoudigste
dingen. Daarenboven wilde het ongeluk, dat de rector binnenkwam onder
de Latijnsche les van Aalbom, om te luisteren, zooals hij nu en dan
deed, als hij tijd had.
Nu kwam het er voor Aalbom op aan tegen 't eind van 't jaar den rector
te toonen hoever zijn lieve leerlingen onder zijn leiding gekomen
waren, en daarom nam hij eerst No. 1 van de klasse en toen Marius.
Abraham zat op spelden; hij kende Marius immers door en door en
hij wist hoe licht alles in dat groote hoofd onherroepelijk door
elkaar liep, als hij eenmaal in de war kwam. 't Was in 't vorige uur
al verkeerd gegaan met het Grieksch; maar het stekelvarken had met
groote liberaliteit toegelaten, dat Abraham hem alles over de tafel
heen had ingefluisterd.
In 't vrije kwartier had kleine Marius gezegd:
"Je hadt me niet moeten overhalen om te gaan visschen, Abraham! Nu
ken ik geen woord van mijn lessen en ik krijg zeker bij alles een
beurt. Dan krijg ik zessen en ga niet over met de vacantie."
Abraham begon te begrijpen, wat dat zeggen wou voor kleine Marius;
hij had daar eigenlijk nooit ernstig over nagedacht. Maar toen
kleine Marius nu met veel fouten een Ode van Horatius ging voorlezen,
zat hij er aan te denken, hoe volkomen hulpeloos zijn beste vriend
worden zou, als hij moest blijven zitten met nieuwe kameraden;
terwijl hij,--Abraham zelf--natuurlijk overging naar de vierde klasse.
"Neen, neen, Gottwald! je verspreekt je," zei Aalbom poeslief;
want Marius maakte de eene fout na de andere, maar hij durfde niet
in scheldwoorden uit te barsten om den rector; "--denk nu eens na,
mijn jongen--watte?--'falls, fefelli' zeg je; dat is heel goed;
maar nu de supinum [12]--de supinum, mijn beste jongen."
"... fe... fe... fe..." stamelde Marius, totaal hulpeloos: hij had
niet één heldere gedachte meer in zijn hoofd.
"Neen maar! Groote goden! Wat wil je nu met die reduplicatie in
de supinum?" riep Aalbom; maar een blik van den rector trof hem:
"denk nu eens na, Gottwald! je kent die werkwoorden zoo goed, als je
maar even nadenkt, er zijn er maar een stuk of vier zoo; je weet wel:
pello, pepuli, pulsum--dus fallo, fefelli... nu?"
"---- pulsum," antwoordde Marius en rukte den blauwen zakdoek om
zijn vingers.
"Onzin Gottwald! Houd je me voor den gek?--Ja zeker, Mijnheer de
Rector, U hebt gelijk, laten we 't kalm opnemen, watte? kalm aan maar,
mijn jongen, dan kom je er wel. Dus nu beginnen we met het begin--met
dingen, die je wel droomen kunt, kalm aan maar, watte? mijn jongen,"
zijn stem beefde van nijdigheid, "dus amo, amavi--nu 't supinum?--ama."
"... Ama..." herhaalde Marius en liet zijn zakdoek vallen.
"Nu, dat gaat te ver"--schreeuwde Aalbom en vergat den rector
heelemaal, "ben je dwars, jou lummel! wat is: de ronde tafel in
't Latijn?--de ronde tafel?--nu, wil je wel eens antwoorden?"
Maar kleine Marius gaf geen geluid en de leeraar vloog op hem toe,
alsof hij hem slaan wou--niettegenstaande de tegenwoordigheid van den
rector. Maar hoe dat ook zij--Marius viel neer tusschen de tafel en
de bank, vóór de leeraar bij hem was.
"Viel hij?" vroeg de rector en kwam op Aalbom toe, die over de tafel
gebogen stond en neerkeek op Marius.
Maar op dat zelfde oogenblik klonk een stem door de klasse, trillend
van gemoedsbeweging en afgebroken als door schreien.
Allen keerden zich om en zagen Abraham Lövdahl; hij stond overeind,
doodsbleek met vertrokken gezicht: "'t Is schande! 't is een groot
schandaal"--zei hij weer en hief zijn gebalde vuist tegen Aalbom op.
"U is een... U is een duivel," bracht hij er eindelijk met moeite
uit en hield zich vast aan den rand van de tafel.
"Maar...... maar Abraham! Abraham Lövdahl, ben je stapelgek geworden,
jongen," riep de rector. Nooit in heel zijn pedagogische werkzaamheid
was hij zóó verschrikt geworden. Zelfs Aalbom stond als versteend
en vergat bijna kleine Marius, die daar op den grond lag zonder zich
te bewegen.
Maar Morten de achterblijver trok met tegenwoordigheid van geest de
bank van de tafel weg en lichtte Marius op. Hij was bleek en zijn
oogen waren gesloten.
"Haal wat water," zei Morten op zijn toon van verzet; terwijl hij
Marius ophield.
"Ja, water--watte!" begon nu de leeraar; "Gottwald is ziek;--'t is
een schande den jongen naar school te sturen, als hij ziek is!--watte?"
Onder dit alles stond de rector vlak voor Abraham en keek hem strak
aan; eindelijk zei hij kalm en streng: "Ga naar huis--Lövdahl!--ik
zal met je ouders spreken."
't Was doodstil in de klasse, toen Abraham zijn boeken opnam en
heenging. De verbittering, die in hem kookte, terwijl de leeraar Marius
pijnigde, zakte zoo wonderlijk gauw; en toen hij alleen wegging over
de schoolplaats,--'t was midden onder de les,--begon hij er aan te
denken wat hij gedaan had en wat zijn vader wel zeggen zou.
Hij durfde niet direct naar huis gaan, maar bracht zijn boeken bij den
bakker, die hij kende en deed een lange wandeling door 't oostelijk
gedeelte van de stad, waar hij niet veel kans had zijn vader tegen
te komen.
Intusschen kwam kleine Marius bij, toen hij het koude water in zijn
gezicht kreeg; hij lag een half uur op de sofa in de huiskamer van
den rector, waar zij hem Hoffmansdroppels gaven, tot hij zoo veel
beter was, dat de Pedel hem naar huis kon brengen.
Mevrouw Gottwald woonde dicht bij.
Kleine Marius verliet de school--bleek en half bewusteloos, leunend
op den pedel, die al zijn boeken droeg. De stinkdieren stroomden samen
en liepen voor hem uit, om hem in 't gezicht te zien. Sommigen wilden
den ratten-koning bespotten; maar een van de grooten zei: "Laat hem
loopen, hij is ziek." En zoo kwam hij voor 't eerst tusschen zijn
vijanden door, zonder geplaagd te worden.
De rector zou zich heel wat meer met zijn kleinen professor hebben
beziggehouden, als niet dat geval met Abraham zijn gedachten heelemaal
had ingenomen.
Dat een leerling onder de les ziek werd, was immers iets wat
gemakkelijk gebeuren kon; kleine Marius was zeker den heelen dag
al niet wel geweest; men kon 't al merken toen hij een beurt kreeg;
hij had zelfs metrische fouten bij 't lezen gemaakt, iets wat Marius
anders nooit kon overkomen. En de rector moest bijna Aalbom gelijk
geven, als hij steeds herhaalde, dat het een schandaal was zieke
kinderen naar school te zenden.
Maar Abraham--Abraham Lövdahl--brutaal--oproerig, openlijk in
verzet! daar kon men zich niet in vergissen; die jongen verborg onder
een welopgevoed en vrijmoedig uiterlijk de allergevaarlijkste kiemen.
Was het nog de zoon van ruwe, onbeschaafde ouders geweest--zooals
er helaas zoo veel zijn--maar een zoon van Professor Lövdahl!--een
man zoo welgemanierd, zóó humaan, zóó door en door beschaafd! en dat
zich dan bij zijn eenigen zoon zoo plotseling een afgrond van verzet
en een oproerige geest openbaren moest!
"Zijn moeder heeft een sterk oppositioneel karakter," bracht Aalbom
voorzichtig in het midden; hij wist hoe hoog Mevrouw Wenche bij den
rector stond aangeschreven.
Maar de ander wendde de oogen af en antwoordde niet. Hem kwam het
laatste gesprek op dien avond bij professor Lövdahl in de gedachte.
Daarom ging hij ook niet zelf naar de Lövdahls, zooals hij eerst had
willen doen; maar hij schreef een ernstigen brief aan den professor,
legde de zaak uit en sprak zijn overtuiging uit als pedagoog en oud
vriend van den huize: dat men enkel door de grootste gestrengheid en
door dit zoo ernstig mogelijk op te nemen nog de booze kiemen van
kwaad kon onderdrukken, die helaas in het karakter van hun lieven
Abraham aan den dag waren gekomen.
Professor Lövdahl kreeg dien brief in zijn spreekuur van 12-1;
en hij werd zóó verschrikt, dat hij dadelijk de patiënten wegzond,
die nog konden wachten tot den volgenden dag en zich haastig van de
anderen afmaakte.
't Was hem nooit in de gedachten gekomen, dat zijn zoon zich zóó
kon gedragen. Zelf was hij welopgevoed en correct door het leven
gekomen. Verootmoedigd had hij zich eigenlijk nooit--dat kon niemand
van hem zeggen. Integendeel: hij had de menschen op een afstand weten
te houden. Maar nooit was hij in botsing gekomen met een van zijn
superieuren, nooit was in zijn ziel iets opgekomen, wat op een geest
van oproer leek.
Hij kon eerst zelfs niet begrijpen wat Abraham bezielde; en bovendien
was het ook iets, dat hem in 't geheel niet aanging. Of nu de
leeraar misschien ook wat driftig tegen Gottwald was--daarom hoefde
Abraham toch zoo niet uit te varen en 't er op te wagen de grootste
onaangenaamheden te krijgen ter wille van een ander.
Maar dat was die dwaze jongensvriendschap, die overspannen ideeën
van moed en trouw, waarvan de professor de bron maar al te goed kende.
Al sinds lang had hij een beslissenden strijd met zijn vrouw om
zijn zoon voorzien. Hij had dien voortdurend ontweken en uitgesteld,
want hij haatte strijd en oneenigheid in huis.
Maar veel scheen er nu op te wijzen dat het beslissend oogenblik
naderde. 't Gesprek, dat op dien avond met de gasten in de kamer van
zijn vrouw gevoerd was, had men zóó besproken en met commentaren
voorzien, dat het al een gewichtig gedeelte van de inwendige
geschiedenis van de stad geworden was, en veel had de professor
moeten verdragen van vrienden en vriendinnen, omdat in zijn huis
plaats geweest was voor iets wat zooveel op een schandaal leek.
Behalve dat was er een onuitgesproken gevoel van oneenigheid tusschen
hem en zijn vrouw, sinds zij gisteren over de aandeelen in de fabriek
gesproken hadden.
De professor was regelrecht naar de Handelsvereeniging gegaan, waar
de leege lijst langen tijd als een vreemd wit ding gelegen had. Hij
had tien aandeelen genomen van 500 rijksdaalders.
Later had hij toch zelf gevonden, dat het veel was; maar dat was
overeenkomstig de methode, die hij tegenover zijn vrouw volgde.
Nu--na die historie met Abraham--was hij er heelemaal weer boven
op. En hoe het hem ook hinderde, ja bedroefde--wat nu met den jongen
gebeurd was--hij kon toch niet anders dan met een zeker genoegen
denken aan alle scherpe woorden, die hij nu tegenover zijn vrouw zou
kunnen gebruiken.
Jaren lang was hun huwelijk stil en dor geweest: zij geneigd tot
heftigheid, hij altijd kalm, bereid haar onregelmatigheden te bedekken;
langzamerhand voelde ze een beetje verachting voor hem, terwijl hij,
die dat dadelijk voelde, verteerd werd van verlangen haar te overwinnen
en haar te dwingen door zijn oogen te kijken.
"Daar hebben we nu de gevolgen van je methode," begon hij dus, toen
hij met den brief in de hand de huiskamer binnentrad: "Ik heb altijd
gezegd dat je den jongen bedierf met je overspannen ideeën, en nu is
't zoover. Hier is een brief van den rector: 'Abraham heeft oproer
op school gemaakt.'"
"Maar--Carsten! Wat zeg je daar!"
"Hij heeft zich tegen zijn leeraars verzet, met gebalde vuisten
gedreigd en leeraar Aalbom een duivel genoemd."
"O Goddank, anders niet!" zei Mevrouw Wenche verlicht.
"Anders niet, anders niet! Ja, dat lijkt jou! Jij kunt bijna voor
niets anders meer sympathie hebben, dan voor oproer en verzet tegen
alles en allen. Maar nu wou ik je één ding zeggen--waarde Mevrouw--nu
is mijn geduld uit. De jongen is ook van mij, en ik wil niet, dat
hij een radikale warkop wordt, een uitschot in de maatschappij, tot
schande en verdriet van zijn familie. Nu heb ik lang genoeg toegezien,
dat je hem volpropte met je dwaze ideeën en nu heeft dat zijn vruchten
gedragen. Maar nu moet je me ook niet kwalijk nemen, dat ik als vader
mijn macht gebruik om te redden wat nog te redden is. Is hij thuis?"
"Ik heb hem niet gezien."
Mevrouw Wenche wist niet recht hoe ze zich houden moest tegenover
haar man; zij wist ook niet precies wat Abraham gedaan had; en zij
wilde niet vragen, zoolang haar man haar op deze manier behandelde.
Maar toen Abraham eindelijk moe en hongerig thuis kwam en bleek en
ter neer geslagen de huiskamer binnensloop, zei ze: "Maar Abraham,
wat hooren we toch van je? Wat heb je gedaan?"
Abraham staarde haar aan; zijn eenigste hoop was op zijn moeder
geweest; maar vóór hij nog antwoorden kon, deed de professor zijn
deur open en riep hem binnen.
Mevrouw Wenche hoorde hem aanhoudend spreken met een strenge stem;
ze kon het niet uithouden. Ze wilde ook niet nu naar binnengaan. Ze
ging naar de eetkamer.
"Hoe kon je me toch zoo'n groot verdriet doen, Abraham!" begon de
professor ernstig, bijna bedroefd. "Ik had zoo stellig gehoopt een
braaf en nuttig burger van je te maken, een zoon waar ik blij mee en
trotsch op zijn kon. En in plaats daarvan begin je al nu, in je jeugd,
neigingen te toonen, die je zoo zeker als iets in 't verderf zullen
storten. Want luiheid, jeugdige lichtzinnigheid en wildheid--dat wordt
beter met de jaren en door een verstandige behandeling; maar een geest
van oproer is iets, dat bijna altijd toeneemt, als het eens wortel
geschoten heeft. Je begint met je tegen je leeraren te verzetten en ze
te honen, dan groei je je vader en moeder over 't hoofd en eindelijk
wil je je niet meer buigen voor onzen lieven Heer zelf! Maar weet
je wat dat voor soort menschen worden,--die dat doen? Ja, dat zijn
de misdadigers, dat is het uitschot van de maatschappij, die de
wetten trotseeren en onze gevangenissen vullen. Wat vandaag met jou
is gebeurd, heeft me meer geschokt dan ik je zeggen kan; ik kan niet
op je knorren, of je straffen. Ik weet niet eens, of ik zulk een zoon
in mijn huis houden kan."
Met die woorden ging hij de kamer uit. Dit was een wel doordachte
toespraak van den professor en die werkte sterk.
Van alles had Abraham zich voorgesteld op zijn eenzame wandeling,--al
het ergste wat hij maar kon bedenken aan knorren en straf; maar dit
was toch erger dan dat alles.
Die treurige, bedroefde toon; die harde woorden en dan eindelijk die
vreeselijke mogelijkheid, dat hij misschien het huis uit zou worden
gestuurd, van zijn moeder weg--eerst toen kreeg hij zijn gedachten
in zoover bij elkaar, dat hij in tranen uitbarstte en lang op de sofa
lag te schreien. Hoe onbegrijpelijk kwam 't hem nu voor wat hij gedaan
had. Wat moest er toch van hem worden!
Lang daarna deed de professor de deur open en riep hem aan tafel.
Mevrouw Wenche had nog altijd niet heelemaal gehoord wat er gebeurd
was; maar te oordeelen naar wat ze te weten kwam, moest ze toegeven,
dat Abraham zich hoogst ongepast gedragen had. Maar toch verwonderde
ze er zich over, dat die kleinigheid--want eigenlijk was het toch
zoo erg niet--haar zoo door en door kon ontstemmen. Zij voelde zich
zoo somber, zoo onuitsprekelijk ongelukkig en ze had het meest lust
de armen om Abraham heen te slaan en uit te schreien.
Maar aan tafel werd geen woord gesproken.
Abraham boog zich geheel door berouw verslagen over zijn soep. En op
dat oogenblik leek hij weinig op dien bleeken held, die met gebalde
vuist tegenover den leeraar stond en hem een duivel noemde.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Het groote feit van den dag in de stad was, dat Professor Lövdahl
tien aandeelen in de fabriek genomen had, en het ging zooals
Jörgen Kruse voorspeld had. Allen tegelijk wilden op de lijst in de
Handelsvereeniging teekenen; ja, er ging een paar dagen als 't ware
een zweem van speculatiekoorts door 't anders zoo doode en trage
handelsleven.
Na veertien dagen telegrafeerde Michal Mordtmann aan zijn vader,
dat er voor 96,000 rijksdaalders aan aandeelen genomen was.
De jonge Mordtmann straalde van geluk,--hij was blij met het
vooruitzicht aan 't hoofd te komen van zoo'n prachtige zaak en er
niet weinig trotsch op, dat hij zoo fijn gespeeld had.
De booze gezichten van de Latijn-aanbidders raakten zijn koude kleeren
niet; 't was de handelswereld, de wereld van de burgerschool, die
hij moest veroveren en dat had hij gedaan.
Hij kreeg ook een erkentelijk schrijven van de firma Isac Mordtmann
en Co., en andere instructie betreffende de directie, die gekozen
moest worden; Professor Lövdahl moest er absoluut in komen.
Michal Mordtmann bracht dit den volgenden Zondag ter sprake bij
Professor Lövdahl aan huis,--hij kwam daar geregeld elken Zondag eten;
't was er nu wel wat somber aan huis na die quaestie met Abraham,
die voortdurend door zijn vader's koelheid in de pijnlijkste spanning
gehouden werd.
De professor sloeg eerst het eervolle aanbod van een plaats in de
directie af. Hij had geen tijd door zijn praktijk en hij was ook
niet geschikt voor zooiets. Hij hield zich immers juist uit principe
buiten zaken.
Eigenlijk was het maar om den naam te doen, meende Mordtmann, van
eigenlijk werk was geen sprake. De chef van de bank: Christensen,
zou administreerend directeur worden; 't was er maar om te doen,
den naam van Professor Lövdahl in de directie te hebben.
"Kunt u mij niet helpen, Mevrouw, om uw man over te halen?"
"Neen, mijn man gaat zijn eigen weg in al zulke dingen," antwoordde
Mevrouw Wenche zonder op te zien.
"Als je 't graag hebt, lieve! dan wil ik graag in de directie komen,"
zei de professor vriendelijk.
"Ik 't graag hebben? maar wie zegt dat? hoe kom je er bij?" zei
Mevrouw Lövdahl zenuwachtig.
"Nu, nu! je interesseert je toch warm voor de fabriek van Mijnheer
Mordtmann; en ik wil onzen jongen vriend ook graag een dienst
bewijzen. Dus ik ben bereid om in 't bestuur te komen, Mijnheer
Mordtmann."
"Hartelijk dank!" antwoordde deze, en in zijn blijdschap lette
hij niet op de uitdrukking op 't gezicht van de vrouw des huizes;
hij hief zijn glas op: "Ja, dan is dus alles in orde; nu beloof ik,
dat het niet lang zal duren of de fabriek staat er."
Mevrouw Wenche was niet op haar gemak. De vertrouwelijkheid, die zoo
snel was ontstaan tusschen haar en Mordtmann begon haar te hinderen;
zij zag heel goed, dat haar man op elk woord en elken blik lette en
ze wist, dat hij dacht, dat zij in die zaak met de fabriek met den
jongen man had samengewerkt.
En dat ergerde haar, want het was immers niet waar. Maar ze voelde,
dat, als zij zich probeerde te verdedigen, haar eerlijkheid te kort
zou schieten tegenover het wantrouwen van haar man en dat de verwarring
daardoor maar grooter zou worden.
Daar kwam bij, dat zij in deze dagen voor 't eerst gevoeld had,
waar ze zoo dikwijls grooten angst voor had gehad; dat haar zoon
van haar vervreemden kon of ten minste, dat er iets tusschen hen zou
kunnen komen en de onbegrensde vertrouwelijkheid zou kunnen breken,
waarin ze tot nu toe geleefd hadden.
Toen ze eindelijk de heele historie van Marius en Aalbom van Abraham
zelf hoorde,--hij vertelde 't met neergeslagen oogen en was nog
heelemaal onder den indruk van wat hij gehoord had,--toen nam de
moeder hem in haar armen en riep: "Neen maar... lieve Hemel!--hebben
ze daarom op je geknord? moest je dan blijven zitten en 't aanzien
hoe je beste vriend gepijnigd werd?--'t was flink van je, Abraham!"
Maar hij zag schuw naar haar op en voor 't eerst voelde zij tot haar
smart, dat hij haar niet ten volle vertrouwde.
Op 't zelfde oogenblik kwam ook de gedachte bij haar op, dat 't wel
eigenaardig was haar man ronduit tegen te werken,--den zoon te leiden
vierkant tegen den vader in; hem te prijzen voor iets wat ze wist,
dat haar man verschrikt en bedroefd had.
Mevrouw Wenche had er vaak over gedacht, dat de tijd komen zou, dat
de zoon de groote klove in 't oog zou krijgen, die er in de ernstigste
zaken tusschen zijn vader en zijn moeder was.
Maar ze had aan de groote godsdienstige quaesties gedacht en daar was
ze op voorbereid. Zij had zich voorgenomen als Abraham zoo oud werd,
dat hij verlangde daarover ingelicht te worden, hem open en eerlijk te
zeggen, dat ze volstrekt niet aan alles geloofde waar andere menschen
aan gelooven.
Dat was al begonnen, en ze had verscheiden keeren met hem over zulke
onderwerpen gesproken. Moeilijk was het; maar ze hoopte toch altijd,
dat ze door groote eerlijkheid van haar kant hem duidelijk zou kunnen
maken, dat hij in alles volkomen op haar vertrouwen kon, al geloofde
ze nu ook niet precies als andere menschen. 't Kwam haar voor, dat
het niet goed was hem op allerlei huichelarij te wijzen, die ze om
zich heen zag en waar ze in leven moest. De professor nam Abraham
mee naar de kerk, sprak nu en dan eens van "Onzen lieven Heer," en
zooiets; maar ze wist immers vast en zeker, dat er geen spoor van
echt christendom in hem te vinden was.
Dat kon ze haar zoon immers niet uitleggen, en dat was en bleef
een groote moeilijkheid, wat het godsdienstige betreft. Wel scheen
Abraham ook niets anders voor godsdienst te gevoelen, dan dat hij er
als voor elk ander schoolvak, goed voor werken moest, en dat bij het
kerkgaan een bepaald soort van gezicht en een bepaalde manier van
spreken hoorde.
Maar alleen dit b.v. dat ze hooren kon, als hij vroeg: "Waarom gaat
u nooit naar de kerk, Moeder?"--dat die vraag niet uit hem zelf kwam;
ze voelde dat anderen--wie, wist ze niet--hem op zulke dingen in haar
opmerkzaam maakten.
En toch had ze altijd de hoop behouden dat het wel gaan zou. Ja 't
kwam haar soms voor, dat het wel goed voor Abraham wezen zou, als hij
den onvermijdelijken tijd van twijfel doormaken moest, zijn moeder
onder de menschen te weten, die niet geloofden;--dat moest--meende
zij--hem aansporen tot een ernstige keus en hem er voor bewaren,
laf weg te kruipen onder de groote menigte huichelaars.
Maar nu,--die schoolquaestie, zoo klein in verhouding tot gewichtiger
dingen, maar zoo veelbeteekenend, omdat die zoo scherp de klove deed
uitkomen tusschen de twee, die samen dien éénen zoon bezaten,--hoe
moest ze die oplossen? In haar hart vond ze, dat 't flink geweest
was van Abraham, en dat ze daarom nog meer van hem hield; maar ze kon
toch niet vierkant tegen zijn vader en de heele school in hem prijzen,
omdat hij Aalbom voor een duivel had uitgescholden. Als 't maar niet
eerst zoo ernstig was opgenomen, was ze er misschien gemakkelijker
mee klaar gekomen door hem eens aan zijn haar te trekken en hem tot
wat meer bezonnenheid te vermanen.
Maar zooals 't nu geloopen was, was 't een ernstige quaestie geworden
en ze kon er geen oplossing voor vinden.
Intusschen stond Abraham voor haar en begreep, dat zijn moeder in
gedachten verdiept geraakt was; en toen ze eindelijk--zelf niet wetend
wat ze doen moest, weer tot zich zelf kwam, en den jongen even angstig
en onzeker voor zich zag staan,--toen wist ze niet beter te doen dan
haar armen om hem heen te slaan en hem heen en weer te wiegen, zooals
ze placht te doen en hem toe te fluisteren. "Och jij arme kleine Abby,
wat moet er van je worden."
Hierdoor nog meer verward, bleef Abraham in één spanning. Op school
werd hij behandeld als een gevaarlijk misdadiger, dien men toch door
een zachte behandeling wilde probeeren te redden. Zelfs Aalbom was
zoo vriendelijk dat Abraham er van rilde.
Eerst prezen zijn kamaraden hem en voorspelden hem de vreeselijkste
straffen. Maar toen alles in stilte afliep en de leeraren even
vriendelijk tegen hem bleven, kwamen zij tot de conclusie, dat je
gemakkelijk moedig wezen kon, als je de zoon van Prof. Lövdahl was.
Had hij maar straf gekregen--dacht Abraham zelf; maar die gedempte,
plechtige ernst, die wonderlijke vriendelijkheid van alle kanten,
brachten hem ten laatste op 't idee, dat hij toch zeker tot het
uitvaagsel behoorde, en dat men er over dacht hem naar de een of andere
inrichting te zenden. Hij werd bang en schuw en zocht de eenzaamheid.
Zijn beste vriend--kleine Marius--was trouwens ook ziek; hij had
hersenontsteking. De goede rector bezocht hem bijna dagelijks en was
innig bezorgd over zijn kleinen Professor.
Maar iederen keer als onder de les zijn oogen op Abraham Lövdahl
rustten, stond dat tooneel weer zoo levendig voor hem: Abrahams
grenzelooze brutaliteit was zóó nauw aan die ongelukkige ziekte van
kleine Marius verbonden, dat het eindelijk op hem den indruk maakte,
alsof dat alles de schuld van Abraham Lövdahl was. Hij sprak bijna
nooit met hem.
De professor lette in stilte nauwkeurig op zijn zoon en overtuigde
er zich van dat de behandeling, die hij in overleg met de school
gekozen had, ook goed werkte. Dikwijls als Abraham bleek en schuw
voorbij hem 't huis in sloop had hij zoo'n innig medelijden met hem;
maar hij bedwong zich een langen tijd, tot hij vond dat het genoeg was.
Toen zei hij eindelijk: "Wij hebben nu de zaak overwogen; wij--je
ouders en de school; en we zijn tot het besluit gekomen, dat we zullen
probeeren je hier te houden en misschien nog eens een goed en bruikbaar
mensch van je te maken."
Abraham wierp zich in de armen van zijn vader en schreide luid. Ze
hadden hem eindelijk buiten zich zelf van angst gemaakt. Hij had
gedacht, dat hij zou worden weggezonden naar vreemden, hij had gedacht,
ja, wat voor vreeselijke dingen had hij al niet gedacht in die uren,
als hij wakker in bed lag. En nu,--nu hij blijven mocht--vond hij,
dat zijn vader overstelpend genadig en zacht was.
De professor liet hem den tijd dien indruk goed in zich op te nemen,
en zei toen: "Ja, laat ons hopen, met de hulp van onzen lieven Heer,
dat je ons niet weer zulk een groot verdriet doet."
Neen, dat zou Abraham zeker niet! hij voelde zich zóó gebroken, zoo
verbrijzeld en zoo dankbaar voor de vergiffenis; er zou zeker nooit
meer een sprank van verzet in hem opkomen.
--Maar in de kleine kamers van 't huis van Mevrouw Gottwald was het
stil en treurig; de bel was omwikkeld en ze had een juffrouw genomen
voor hulp in den winkel.
Want kleine Marius werd erger. Dokter Bentzen had aan professor
Lövdahl gezegd, dat men maar hopen moest, dat de jongen sterven zou:
hij zou nooit zijn volle verstand terugkrijgen.
Dat wist Mevrouw Gottwald niet. En nacht en dag herhaalde ze in zich
zelf: "Hij mag niet sterven, hij mag niet sterven!" 't Was immers
onmogelijk, ondenkbaar, dat het eenigste, wat ze had, haar zou worden
ontscheurd! Ze had al zóóveel geleden.
Kleine Marius lag rattenknoopen in zijn laken te leggen, met een
heet hoofd en half gesloten oogen. Hij mompelde bijna onafgebroken
verbuigingen en vervoegingen, en regels en uitzondering,--zijn arme
hersens waren heelemaal omsluierd door Madvigs wijden plooienmantel,
en hij tastte angstig rond in het duister.
't Waren mooie, lichte lentedagen; juist weer om te hopen. En Mevrouw
Gottwald liep heen en weer en wilde aldoor een teeken van beterschap
zien.
Maar op een avond werd het haar duidelijk, dat het eind naderde. Kleine
Marius werd onrustig en mompelde al sneller en sneller.
"Lieve Marius,--lieve kleine Marius! Je mag niet sterven en je moeder
alleen laten; je mag niet, want je weet niet half, wat je voor je
moeder bent, toe zeg me, dat je niet van me weggaat, zeg me dat!"
"Monebor
Moneberis
Monebitur
Monebimur
Monebimini
Monebuntur" antwoordde kleine Marius.
"Ja, je bent een flinke jongen! Je bent de knapste van de heele klasse
in 't Latijn, dat zei de rector vandaag weer, toen hij hier was. Maar
je kende hem niet. Maar mij ken je wel, niet waar, lieve Marius? Je
kent Moeder wel, is 't niet? Je kent me wel?"
"Ad, adversus, ante, apud, circa, circiter," begon kleine Marius.
"Neen, neen lieve jongen! geen Latijn, dan ben je lief. Ik weet wel
hoe knap je bent en ik ben zoo dom, weet je? Maar zeg me alleen maar,
dat je me kent, dat je van me houdt, dat je niet van me zult weggaan,
dat ik je lieve moeder ben. Zeg dat alleen maar. Zeg maar: Moeder."
"--fallo, fefelli, falsum," antwoordde kleine Marius.
"O God! mijn God, die vreeselijke taal! Wat hebben ze toch met mijn
armen jongen gedaan--hij zal nog sterven zonder zijn moeders naam
genoemd te hebben. Zijn ellendige, ijdele moeder, die hem vermoord
heeft met die vervloekte geleerdheid!"
Ze vloog de gang in; ze hoopte daar den dokter te vinden, maar 't
was maar een van de pensionnaires van boven, die thuiskwam.
Ze ging weer terug in de slaapkamer, maar in de deur sloeg ze de
handen in elkaar en riep vol vreugd:
"O Goddank! nu ben je zeker veel beter, lieve Marius! Je lacht zoo
tevreden!"
"Mensa rotunda," antwoordde kleine Marius--en stierf.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Michal Mordtmann had zich aangewend even bij Mevrouw Wenche binnen
te loopen als hij om twaalf uur uit de fabriek kwam.
Er was een groote groep arbeiders aangenomen voor de veelomvattende
werkzaamheden om het terrein in orde te maken. Er moesten solide
steenen kaaien langs het strand gelegd worden, de fondamenten voor
de ontelbare gebouwen moesten worden gelegd en de schoorsteenen
opgetrokken.
De maatschappij op aandeelen was gevormd met een grondkapitaal van
100,000 rijksdaalders en de stad was ten slotte zoo moedig geworden,
dat men had besloten het Engelsche huis niet uit te noodigen tot het
nemen van aandeelen, nu het zich zoo voornaam had teruggetrokken.
't Heele kapitaal werd dus in de stad geplaatst en de fabriek
"Fortuna," zooals ze in veel champagne gedoopt was, werd de trots en
de lieveling van 't stadje.
Mordtmann was blij en vol hoop. Nooit was hij zóó tevreden over zich
zelf en alle andere menschen geweest. Van een ondergeschikte in een
vreemd land, was hij nu de eerste in een nieuwe onderneming geworden,
die hij zelf van den beginne af zou leiden.
Daar noch de directeur, noch de aandeelhouders een flauw begrip van
de zaak hadden, werd hij al gauw een orakel; en hij werkte sterk op
't effect! Waar zijn kennis hem in den steek liet, was hij er niet
bang voor te schermen met groote woorden, die allen volkomen dupeerden.
Een massa arbeiders kregen vast werk; hij betaalde Zaterdags de loonen
uit; de vrouwen kwamen bij hem om voorschot; en hij werd in korten tijd
bekend en bemind bij groot en klein. Alleen in de ambtenaarskringen
en in enkele oude stijf conservatieve huizen bleef men een diepen
afkeer tegen hem koesteren en dààr beklaagde men Professor Lövdahl,
omdat zijn vrouw zulke menschen ontving.
Maar Mordtmann stoorde er zich niet aan, hij voelde zich vroolijk en
gezond als hij 's morgens vroeg in de mooie zomermaanden naar zijn
fabriek ging,--dicht buiten de stad. De arbeiders waren niet als
de Engelsche, die alleen aan hun werk denken. Hier namen ze de pet
af en zeiden "Goeden morgen," en namen den tijd voor een praatje,
als hij dat wilde.
't Was ook iets om trotsch op te wezen, dit alles op te zien groeien
en te zien schikken volgens zijn eigen plan; de vele zonderlinge
gebouwen, die door de stad als wonderen van zijn vernuft werden
beschouwd; heel dien grootschen aanleg met onbeperkt opperbevel en
geld in overvloed--'t was wel iets voor een jong werklustig man om
met vreugde onder handen te nemen.
En toch was er iets anders, dat langzamerhand hem liever werd dan al
het andere;--dat waren de bezoeken bij Mevrouw Wenche.
Hij had niet met veel dames in de stad kennis gemaakt; zijn zaak
had hem van den beginne aan alleen met mannen in aanraking gebracht,
en nu hij werkelijk zoo veel te doen had, dat zijn dag er geheel door
was ingenomen, had hij geen aanleiding of behoefte om meer conversatie
te zoeken dan de club en de familie Lövdahl.
Maar des te meer kwam hij bij den professor aan huis. Men had hem eens
vooral gezegd, dat hij daar ten allen tijde welkom was en Mordtmann
had alle reden te vermoeden, dat dit oprecht gemeend was; de professor
was altijd even beminlijk en voorkomend.
Toch was het duidelijk, dat zijn bezoeken de vrouw des huizes golden,
en zij voelde dat zelf.
Elken dag tusschen twaalf en één wachtte zij hem met een glas wijn,
dat hij opdronk, terwijl ze een half uurtje vroolijk babbelden.
Maar als het regende en slecht weer was kwam hij alleen maar voor
't raam en liet haar zijn modderige laarzen en zijn natte jas zien,
en dan spraken ze gewoonlijk af, dat hij 's avonds zou komen.
Mevrouw Wenche had de zaak zoo opgenomen, dat ze hem een beetje
moederlijk behandelde, wat haar door haar positie gemakkelijk
afging, al was het verschil in ouderdom tusschen hen eigenlijk niet
noemenswaard.
Hij vond dat niet prettig, maar had geen moed een verandering voor te
stellen; en zij hield hem in een schertsenden toon, die menig woord
en menig blik voor minder kon laten doorgaan dan ze werkelijk waren.
Zij had te veel sympathie voor hem en ze stelde zijn gezelschap te
veel op prijs om te willen begrijpen, dat hij haar het hof maakte. Had
ze niet nu al jaren lang den onderdirecteur Abel om zich heen zien
smachten; en hij had haar wezenlijk in 't minst niet gehinderd.
Mordtmann was nu wel heel anders dan Abel, maar toch, zij was waarlijk
niet bang, noch voor wat ze zelf deed, noch voor wat anderen er
van zeiden.
Ook tegenover haar man vond zij er geen bezwaar in; hij had nooit een
zweem van jalouzie getoond. Van het oogenblik af, dat zij getrouwd
waren, was Carsten Lövdahl een en al beminnelijkheid geweest tegenover
de jonge mannen, die haar naderden--aangetrokken door haar schoonheid
en levendigheid.
Een enkelen keer had Mevrouw Wenche gevonden, dat hij in deze liberale
houding wel wat ver ging; maar later had ze steeds moeten erkennen,
dat zijn verstandig en kalm gedrag veel weer in orde gebracht had
wat anders moeilijk genoeg had kunnen worden.
Zelf was ze nooit ernstig bewogen geworden, misschien juist wel omdat
alles zoo kalm en vrij toeging. En dat, niettegenstaande ze niet lang
getrouwd was geweest met Carsten Lövdahl, vóór ze merkte in hoe weinig
zij harmonisch dachten.
Hij was zoo voorzichtig, zoo irriteerend, door altijd in den vorm
te blijven dat ze vaak vond, dat hij laf en onvertrouwbaar was. Maar
er was toch ook iets beschaafds en ridderlijks in zijn karakter, dat
hem altijd in haar achting staande gehouden had. En al stelde zij hem
niet zoo bizonder hoog, en al was hij niet zoo heel veel voor haar,
er was daarentegen toch nooit zulk een groote leegte gekomen in haar
hart, dat zij zich geheel van hem afwendde.
En nu was ze immers oud, met een halfvolwassen zoon; een vrouw
van ervaring, een gezeten burgeres, waarom zou ze gemoedsbezwaren
hebben?--was het niet eerder belachelijk van haar, dat ze zich nog
verbeeldde zoo gevaarlijk te zijn?
Ze liet dus de menschen praten,--(en dat deden ze) en gaf zich zonder
bedenking over aan het aangename gevoel dagelijks als vriend een knap,
beschaafd man, die vrij van vooroordeelen was, om zich heen te hebben,
die met bewondering luisterde naar alles wat haar man "overspannen
ideeën" placht te noemen.
Maar daardoor deed ze Abraham te kort, zonder dat zij het wist. Ze
voelde dat nog minder nu het samenviel met een verandering, die in
den knaap zelf had plaats gevonden. Hij kwam niet langer met honderd
vragen, begeerde ook niet meer, dat ze met hem stoeien of damspelen
zou; en bovendien had zij het gevoel van onzekerheid tegenover hem
nog niet overwonnen, zoodat ze hem misschien een beetje minder vrij
en vroolijk tegemoet kwam.
Bij de begrafenis van kleine Marius had Mevrouw Gottwald den wensch
uitgesproken, dat Abraham vlak achter de kist, naast den predikant
zou loopen, hij was de beste vriend van kleine Marius; en hij had
immers in 't geheel geen familie.
Maar de rector had er zich tegen verzet. Abraham mocht alleen in den
stoet met zijn kamaraden meegaan; en hij moest nog blij toe zijn,
dat hij dat mocht.
Eindelijk kwam het zoover, dat de heele school en daardoor een groot
gedeelte van de stad een vagen indruk hield, dat er iets niet in den
haak was met Abraham Lövdahl.
De professor moest zich geweld aandoen, om zijn zoon niet te vroeg te
vergeven; hij was er zoo blij om, dat zijn methode zoo goed gewerkt
had, en in zijn hart had hij zoo'n medelijden met den armen jongen, die
daar zoo alleen rondliep met aller oogen op zich gericht. Eindelijk kon
hij het niet langer uithouden en begon met glimlachjes en vriendelijke
woorden.
Deze eerste glimlachjes! Zij daalden op Abraham neer als een regen
van zaligheid. Er was toch niemand op de wereld als zijn vader;
en minder dan ooit kon hij begrijpen, hoe hij zulk een vader zóó'n
groot verdriet had kunnen doen.
Nu begon hij tot in de kleinste kleinigheden er naar te streven
geprezen te worden; hij werd attent en gedienstig aan tafel, zette
's avonds de pantoffels van den professor klaar, en nu het tegen het
eind-examen liep, werkte hij harder dan ooit.
Mevrouw Wenche placht altijd meê te gaan naar het plechtige
examenfeest. Van den tijd af dat haar zoon nog klein was, had ze het
een genoegen gevonden op 't noemen van zijn naam te zitten wachten,
hem naar den katheder te zien gaan, zijn groot rapport aannemen en
een buiginkje maken, waarbij zij altijd onwillekeurig even meê boog
met haar hoofd.
Maar toen ze dit jaar haar man zijn witten das zag aandoen--om Ephor
te wezen--(vroeger had ze altijd gemeend, dat hij even als zij meêging
uit belangstelling voor hun kleinen Abraham)--toen kwam het haar zoo
akelig voor, dat de ouders dien eenen keer op het slotfeest kwamen,
terwijl zij 't heele jaar hun arme kinderen aan hun lot overlieten.
Ze wilde niet langer meêdoen aan die comedie--haar man op een hoogen
stoel naast den burgemeester te zien zitten als een vertegenwoordiger
van de deelneming der ouders in de school; ook wilde ze haar tranen
niet vermengen met die van de vele gedachtelooze moeders, die over de
mooie woorden van den rector zaten te schreien, als hij aandoenlijk
sprak over de school, en het huis, en het tehuis hier boven.
Daarom liet zij den professor alleen met Abraham gaan, zonder de
reden op te geven; maar de professor begreep het en vroeg daarom niet.
Intusschen dreigde haar morgen bizonder vervelend te worden; ze had
toch wel lust om naar 't schoolfeest te gaan; maar ze had zich nu
eenmaal voorgenomen het niet te doen. Eindelijk nam ze haar hoed en
parasol, om een groote wandeling te doen; 't was de eerste Juni en
helder, frisch zomerweer met noordenwind.
Ze ging den kant uit naar de nieuwe fabriek. Michal Mordtmann had
haar zoo dikwijls gevraagd daar eens te komen, zoodat hij haar al
zijn heerlijkheden kon laten zien.
Zij ging er heen zonder bekommering; 't was immers een eerlijke zaak;
alle menschen waren er geweest en bovendien--wat gaf ze daarom?
Toch was ze niet heelemaal vrij van wat hartklopping toen ze op de
hoogte stond en in het kleine dal tusschen de heuvels neer zou gaan,
waar de nieuwe gebouwen waren opgetrokken.
Ze ontdekte hem al in de verte. Hij stond heel beneden bij de kade op
een zwaar gehouwen blok graniet; in de eene hand hield hij een rol
teekeningen, met de andere wees hij, terwijl hij orders gaf aan de
arbeiders, die bezig waren ijzeren platen uit een boot op te hijschen
met de nieuwe kraan.
Het grijze zomerpak zat strak om zijn slank lichaam; op 't hoofd
had hij een onmogelijken Engelschen hoed, die hem uitstekend stond;
hij had een korte broek aan en in plaats van de groote laarzen droeg
hij om het warme, droge weer, linnen schoenen met gele riemen.
Men kon zich "de arbeid" niet in eleganter vorm voorstellen; en zooals
hij daar stond op dat solide voetstuk, zoo intelligent en zelfbewust,
met zijn rol teekeningen zag hij er juist uit, zooals het voor een
ingenieur van onze dagen past.
Toen hij haar voor de tweede maal zag, sprong hij van den steen;
want toen hij haar voor 't eerst ontdekte--boven op den heuvel, was
hij op den steen gesprongen. Hij snelde haar tegemoet en heette haar
vroolijk welkom in zijn koninkrijk; en dadelijk wilde hij beginnen
met haar alles te laten zien.
"Maar ik dacht, dat u het druk hadt; kunt u zoo maar van 't werk
weggaan? U moet heusch niet om mij----"
"Ach...... dat is zoo erg niet; nu ik ze aan den gang geholpen heb
kunnen ze wel voort zonder mij."
Ja--dat was een waar woord! dachten de arbeiders; zij hadden niet
begrepen waarom de chef--zoo wilde hij genoemd worden--op eens op
den steen sprong en begon te roepen en te commandeeren; maar toen
zij die dame zagen, begrepen ze 't allemaal wel.
Zij gingen samen--Mordtmann en Mevrouw Lövdahl, tusschen de gebouwen
door en hij begon te verklaren. Zij had plezier in al die wonderlijke
inrichtingen en hij had buitengewoon veel plezier in haar onhandige
vragen.
Zij lachten dikwijls en kwamen in een vroolijke ongedwongen stemming
aan het kantoor, waar hij haar overhaalde om binnen te komen en zijn
port te proeven.
De bel van de fabriek had intusschen twaalf uur geluid; en de arbeiders
gingen in groepen naar de stad of naar het arbeidersgebouw, waar een
eetlokaal was.
't Kantoorpersoneel was ook verdwenen toen de chef en Mevrouw Wenche
aan het kantoor kwamen. De gang, die naar de kamer van den chef
leidde, was half versperd door veel stukken van machines, van staal
en glimmend koper, die voorloopig daar waren neergezet, om niet in
den weg te staan en goed bewaard te worden.
Mordtmann maakte excuses, omdat het er zoo nauw was.
't Kantoor van den chef was het eenigste in de fabriek, dat heelemaal
afgewerkt scheen te zijn. Het was Engelsch: gezellig en mooi ingericht.
Toen Mevrouw Wenche in de groene, met leer overtrokken sofa ging
zitten, voelde zij zich toch niet geheel op haar gemak. 't Was zoo stil
geworden; geen mensch in den omtrek, geen gedruisch van ijzeren platen
of hamerslagen, geen stemmen,--alleen enkele haastige voetstappen
van iemand, die vlug naar zijn middagmaal ging.
"Ik moet trouwens gauw weg," zeide zij en maakte haar hoed los. Het
was warm.
"O, goede hemel! wij hebben allen tijd: 'Uw man wacht u zeker niet
thuis vóór 't eten.'"
"Neen,--Carsten is ook Ephor vandaag," antwoordde ze vroolijk; maar had
er onmiddellijk spijt van, want ze zag, dat hij dat dadelijk opvatte
als iets van haar man, waar zij samen gewoonlijk om lachten. En dat
was haar bedoeling niet.
"Uw man is zeker over 't algemeen meer in touw, dan hij eigenlijk
wezen moest."
"Meer--in touw?"--
"Ik bedoel,--als men een vrouw heeft als u--Mevrouw Wenche!--de man,
die zoo gelukkig is, heeft, dunkt me--de verplichting..."
"Nu, nu! Mr. Mordtmann! U weet het--correct!"
"En u is het juist, die niet hebben wilt, dat ik correct ben, Mevrouw."
"Ja, maar nu wil ik het,--op dat ééne punt begrijpt u?"
"Ik begrijp het niet, maar ik gehoorzaam. Er is trouwens niets--wat
een woord van U......"
"Spaar uw woorden. Drink liever uw wijn uit."
"Voor liefde is wijn maar een slecht geneesmiddel, Mevrouw Wenche!"
"Bah"--antwoordde ze en ontweek zijn oogen, terwijl ze haar hoed
terecht zette.
"Gaat u heen?--Is u boos op me?"
"Neen, dat ben ik niet; maar ik ben bang dat ik het gauw worden zal."
"Maar waarom?--U kunt me toch niet verbieden--van u te houden--"
"Mijnheer Mordtmann! Wat is dat leelijk van u! En hoe dom van u onze
vriendschap te bederven.--Wilt u mij uitlaten?"
"Ik heb niet anders gezegd, dan wat u al wist," antwoordde hij
eerbiedig en neerslachtig, terwijl hij de deur voor haar openmaakte;
"mag ik u naar de stad brengen?"
"Neen," antwoordde Mevrouw Wenche, en ging hem voorbij; maar in haar
pogingen om boos te kijken en gauw weg te komen, stootte ze tegen de
stukken van machines, die in den gang stonden; een geraas volgde,
alsof er iets dreigde om te vallen en plotseling greep hij haar om
het middel en rukte haar terug in de kamer; op 't zelfde oogenblik
viel er een zwaar stuk metaal--naar binnen op den drempel.
"Pardon," zeide hij kalm en zette het zware ding weer overeind tegen
den muur; "'t Is eigenlijk te dwaas, dat die dingen hier staan;
wees u nu voorzichtig, Mevrouw, en loop nu vlak langs deze muur."
"Maar lieve hemel!" riep Mevrouw Wenche nog heelemaal verschrikt en vol
respect voor zijn kalmte: "ik had hier wel dood kunnen blijven!--het
is hier een gevaarlijk huis!"
"En dit was een hoogst ongelukkig bezoek," voegde hij er bij met een
buiging, toen zij de huisdeur uitging.
"Nu? hoe zal het gaan?" vroeg ze zonder om te zien. "Gaat nu meê naar
de stad of niet?"
"Maar u zei immers zelf......"
"Ja, maar daarna hebt u mijn leven gered," antwoordde ze lachend:
"en dan ook: natuurlijk geen woord meer daarover!"
Hij beloofde alles en liep vlug weg om zijn hoed te halen.
Hij hield zijn woord--tot haar groote verwondering. Hij sprak vroolijk
en natuurlijk zonder ook maar op eenige manier ergens den nadruk op
te leggen; zelfs in zijn oogen was niets, dat pijnlijk voor haar zou
kunnen zijn, toen zij afscheid namen.
Mevrouw Wenche was heel tevreden over zich zelf. Nu had ze hem eens
voor al op zijn plaats gezet. En ze was ook over hem tevreden.
Hij had begrepen, dat dit niets baatte. En zoo wilde ze hem houden,
rustig, op die vrije, prettige manier, zonder dien voortdurenden angst,
dat hij te ver zou gaan.
Ze kwam bizonder opgewekt thuis. In lang had ze zich niet zoo blij
en jong en licht van binnen gevoeld;--haar geweten was ook verlicht,
omdat ze hem de waarheid had gezegd: die zaak was nu in orde.
Ze ging voor de piano zitten, terwijl ze op den professor en Abraham
wachtte; maar ze stond weer op en maakte haar haren wat in orde voor
den spiegel--al neuriënde.
--Intusschen had Abraham wat gedrongen gezeten tusschen zijn kamaraden,
en de professor naast den burgemeester. De groote feestzaal van de
school was propvol kinderen en volwassenen. Er was een onverdragelijke
warmte, vol gemengde geuren.
De onvermoeide rector stond op den katheder en deelde de rapporten uit,
alle jongens oproepende in de volgorde, waarin zij nu geplaatst waren.
Eerst kwamen er een paar voorloopige woorden over hen, die naar de
universiteit zouden gaan; daarop volgde de hoogste afdeeling van de
vierde klasse en dan de laagste--zij, die uit de derde klasse waren
overgegaan in de vierde.
"Hans Egede Broch!" riep de rector; dat was No. 1; maar de volgende
was Abraham Knorr Lövdahl! [13]
Abraham sprong op; hij had zelfs niet durven denken No. 2 te worden,
ofschoon zijn examen goed geweest was. 't Duurde een poosje voor hij
uit de bank komen kon. De professor volgde hem met de oogen om hem
toe te knikken, maar Abraham keek niet op.
De rector gaf hem het rapport met de woorden:
"Je bent vlijtig geweest, Abraham! en daarom is ook je examen zoo goed
gegaan. We hopen, dat wij,--je leeraren--ook in andere opzichten over
je tevreden zullen zijn in 't volgend jaar,--tevredener dan vroeger."
Al Abrahams vreugde was voorbij! hij ging onzeker en onhandig naar zijn
plaats terug; en 't was hem, alsof 't heel koud en doodstil in de zaal
werd door al die koude oogen, die op zijn zondig hoofd waren gericht.
Professor Lövdahl kuchte wat scherp; nu was het wel genoeg; het stond
hem niet aan, dat zijn zoon zoo openlijk gesignaleerd werd.
Het opnoemen van de nummers ging voort. Vaders en moeders luisterden
gespannen tot hij kwam--de naam, waar zij op wachtten. Dan
kwam er een oogenblik leven op hun gezicht, als hun lieve zoon
voor den katheder stond, maar daarna zonken allen weer weg in hun
onverschilligheid--warm,--onaangenaam te moede;--was 't nu maar klaar,
zoodat de rector zijn toespraak kon houden!
Maar voor de kleinen was dat opnoemen van nummers heel wat
anders. Eergierigheid, ijdelheid, teleurstelling en wanhoop tot
gevoelloosheid toe; wangunst en haat, hoogmoed en vreugd over 't leed
van anderen--tot wraakzucht toe, dat alles ging door de rijen dicht
opeengepakte hoofden. 't Was een heele oefening om zich in 't leven
vooruit te dringen, boven elkaar te komen, al was 't maar één nummer;
gelijkheid en kameraadschap moesten vergeten worden, om hen er aan te
wennen zich met anderen in strijd te voelen om rang en roem; ze leerden
benijden wie boven hen stonden, en verachten wie beneden hen waren.
En terwijl er 't heele jaar door niets gezegd of gedaan was om het
moeilijke verwerven van kennis tot een gemeenschappelijken arbeid in
broederschap en vreugd te maken, zoo werd ook nu aan het slot geen
woord gesproken over kennis, die gelijkheid en broederzin brengt; maar
die kennis zelf werd zorgvuldig gebruikt om hen allen te nummeren,
te rangschikken--naar boven en naar beneden.
Eindelijk waren de 319 rapporten voorgelezen en uitgedeeld. De rector
veegde zijn kaal voorhoofd af en beloonde zich zelf met een half
lood snuif in ieder neusgat. Daarop begon hij zijn lange toespraak
met afscheid te nemen van hen, die de school hadden afgeloopen: vier
lange, bleeke jongelingen in vier lange jassen, die er uitzagen,
alsof ze in een stijve zwarte stof waren uitgehouwen.
Als het waar is, dat men den boom kent aan zijn vruchten, kon het
wat vreemd schijnen, dat dit groote geleerde toestel met die vele en
overvolle klassen niet meer dan deze vier specimina aan de eerwaarde
Universiteit afleverde; maar de reis naar den Parnassus is lang en
moeilijk. Onderweg vallen er zoo velen af; maar daarom zijn 't ook
de buitengewoon krachtigen, die het doel bereiken.
De rector hoopte, dat deze vier specimina de school eer zouden
aandoen, maar vóór alles wilde hij hun smeeken den kinderzin en het
kinderlijk geloof te bewaren, die zij van de school meêbrachten. Dan
ontwikkelde hij het begrip "school" en koos daarvoor als uitgangspunt
de oorspronkelijke beteekenis van het woord. "Een school," zei hij,
"werd de naam van de veilige plaats, waar de jeugd,--nog niet bereikt
door de zorgen des levens..."
"Een verduiveld veilige plaats, zeg" mompelde Morten Kruse, en stootte
Abraham aan,--maar deze verroerde zich niet en vertrok geen spier;
hij was zoo bang, dat iemand zou denken, dat hij niet stil zat. Nu
dacht Abraham er 't meeste aan, dat hij No. 2 was. Zoo hoog had hij
nog nooit gezeten; en intusschen ging de rector voort te verklaren
hoe de school een voorbereiding voor het leven, en vooral een vorming
tot zedelijkheid was.
"Deze uitdrukking," ging hij voort, "die zoo als bij onze oude
leermeesters--de Grieken en de Romeinen, het hoogste en edelste uit de
beschaving beteekent, is maar een zwakke aanduiding voor het einddoel
van de beschaving, dat wij voor oogen moeten hebben. Want over ons
straalt de zon der openbaring; wij onderscheiden niet alleen door de
nevelen van dit aardsche bestaan een hooger leven aan gene zijde van
het aardsche; maar voor ons is een uitzicht geopend, licht en vrij
en heerlijk! op een hemelsch Vaderland. Dus niet alleen tot burgers,
niet alleen tot menschen, maar voor en boven alles tot christenen
moeten onze jongelieden gevormd worden. Het licht van den godsdienst
moet de wetenschap bestralen, haar waarheden zullen allen in dat
licht hun uitgang, hun beteekenis en hun einddoel vinden."
De kleinen sliepen in door de warmte en door die lange toespraak,
die even vervelend was als een preek. De zomerzon scheen dwars door
de dunne, blauwe gordijnen, zoodat een bleek lijkachtig licht over de
zwarte groep leeraren viel, die links van den katheder bijeen stonden.
Het stekelvarken stond overeind te slapen. 't Was een overlevering op
school, dat hij dat kon; de onderdirecteur Abel keek door zijn lorgnet
naar de dames; de adjunct Borring had zich in een hoek teruggetrokken
en nam stilletjes de kans waar een veeren pen te snijden; maar de
blinde darm stond in gedachten de vreeselijkste gezichten te trekken,
wat zijn lieve discipelen ten zeerste vermaakte.
Maar allen zagen er uit, alsof het geheel hen innig verveelde en zij
naar het eind van die comedie verlangden.
"En gij, mijn geliefde medearbeiders!" zei de rector met bewogen stem,
"gij, die u aan de moeilijke, maar schoone roeping gewijd hebt, de
jeugd in kennis en zedelijkheid in dezelfden christelijken geest te
leiden, moge de Almachtige u steeds kracht verleenen om met dezelfde
toewijding, met denzelfden ernst, met dezelfde liefde aan uw levenstaak
vol verantwoording te arbeiden. Ontvangt mijn dank en die van de school
voor het afgeloopen jaar; en geve God, dat wij hier weer gezond en
frisch mogen bijeenkomen om weer in Jezus' naam ons werk ter hand
te nemen."
Daarop wendde hij zich tot de kleinen en smeekte hen zoo vurig zich
toe te leggen op alle christelijke deugden en te arbeiden in dienst
van het goede, zooals het kinderen des lichts betaamt.
Hier begonnen vooral de moeders te schreien en de goede rector sprak
voort over het kind, over 't kinderhart en het kinderlijk geloof. Na
een warm nagebed stond de geheele school op en zong:
"Zie op ons werk met Vaderoogen
Gij die het Al geschapen hebt,"
waarop de rector nog een "Onze Vader" bad en toen was het feest
eindelijk voorbij.
't Gedrang was groot bij het uitgaan; want niets of niemand kon de
jongens terughouden.
Hoewel de regel was, dat de leerlingen wachten moesten, tot de dames
en de toehoorders de zaal verlaten hadden en eerst dan in goede orde
heengaan, klasse voor klasse, liepen toch steeds meer van hun plaats,
drongen tusschen de dames door en verdwenen.
Warm en met beschreide gezichten stroomden de moeders eindelijk naar
buiten--er waren maar heel weinig vaders; het deed haar zoo goed de
jeugd zoo bijeen te zien, en hoe heerlijk en ernstig had de rector
gesproken.
Hij had trouwens die toespeling aan het slot wel achterwege kunnen
laten, die opmerking, dat er vrij wat onverschilligheid onder de ouders
heerschte voor het werk van de school. Dat was tenminste iets, dat niet
op een van hen van toepassing was; dat had hij liever aan de ouders
moeten zeggen, die niet gekomen waren, ... b.v. aan Mevrouw Lövdahl!
Dat was toch al te erg, en dat nog wel terwijl haar man Ephor was! Maar
zij kwam nooit, waar men Gods woord hooren kon.
Kinderen en volwassenen stroomden naar de schoolplaats; zoete jongens
liepen netjes naast hun ouders met het rapport opgevouwen in de hand,
anderen gingen achter het gebouw en scheurden het hunne in stukken
en vertrapten het; anderen stoven weg met Indianengeschreeuw en
vroolijke sprongen; maar de vier stijve, zwarte jassen wandelden
achter de leeraren aan om een glaasje wijn in de huiskamer van den
rector te drinken.
Abraham ging naar huis met zijn vader.
Professor Lövdahl was bewogen. Terwijl ze naast elkaar liepen;
zei hij tot hem: "Je bent flink geweest Abraham! En ik zie daarin,
dat je je best doet weer in orde te maken, wat je verkeerd gedaan
hebt. En nu spreken we daar niet meer over. Ik zal er ook met den
rector een woordje over spreken, dat hij die zaak niet meer aanroert."
Abraham stormde de kamer in en riep: "Moeder, Moeder! Ik ben No. 2!"
Mevrouw Wenche kwam hem even stralend van geluk tegemoet loopen,
ze nam hem in haar armen, kuste hem en danste met hem; en toen de
professor binnenkwam met het gewone: "Stil--kinderen" lachte ze maar,
nam den arm van haar zoon en ging aan tafel.
De professor wilde wijn aan tafel hebben, en 't werd een
familiefeestje. Abraham voelde zich zoo licht als een vogel; en toen
de professor met hem klonk, vond hij, dat zijn vader toch de beste,
de grootste man van de wereld was.
Maar dezen dag voelde hij zich ook zoo tot zijn moeder aangetrokken. In
lang had hij dat gevoel niet gehad.
Eigenlijk hield hij toch evenveel van beide en hij was als in een
roes van zaligheid, terwijl dat wat hij had doorgemaakt een sombere
herinnering werd, die hij liefst vergeten en uitwisschen wou.
"Ja, is 't nu niet zooals ik zei?" riep de professor uit, toen zij
vertelde, waar zij geweest was. "Voor die fabriek heb je toch een
warme belangstelling."
Ze lachte maar en sprak hem niet tegen. Vandaag voelde ze zich zoo
wonderlijk licht te moede, zoo heel gelukkig.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Abrahams aanneming was steeds uitgesteld of liever; er was nooit
over gesproken.
Want de professor wist maar al te goed, dat Mevrouw Wenche er zich
met alle macht tegen verzetten zou; reeds van af den tijd, dat haar
zoon klein was, had ze gezegd: "Aangenomen zal hij niet worden."
Haar man had gezwegen en de quaestie ontweken. Hij had gedacht:
"die dan leeft, die dan zorgt." En het was zijn gewoonte niet,
iets onaangenaams aan te pakken, zoolang hij het ook maar eenigszins
vermijden kon. Daarom had hij de zaak laten rusten, tot Abraham zijn
16de jaar intrad en dat was vrij laat voor de aanneming, volgens
't gebruik in de stad.
Maar nu in 't najaar moest hij worden ingeschreven; want aangenomen
zou hij worden--dat stond even vast bij den professor, als het
tegenovergestelde bij zijn vrouw.
Op een morgen, terwijl zij zich kleedden,--Abraham was juist naar
school gegaan,--begon de professor kalm en alsof het van zelf sprak.
"Ja, nu denk ik er over om Abraham in de volgende maand bij proost
Sparre te laten inschrijven."
"Inschrijven?...... bij Sparre?...... wat in de wereld zeg je
toch?" Mevrouw Wenche keerde zich haastig op haar stoel om; zij zat
voor den spiegel haar lang haar op te maken.
"Voor 't aannemen, kind."
"Je denkt er zeker niet aan, dat we aldoor afgesproken hebben, dat
Abraham niet aangenomen zal worden."
"Afgesproken?--Neen Wenche, dat hebben we nooit."
"Maar heb ik dan niet honderdmaal gezegd: hij zal niet aangenomen
worden."
"Ja, maar dat is geen afspraak."
"Maar je bent het toch met me eens geweest. Je hebt er nooit een
woord tegen gezegd."
"Ik heb er geen woord van gezegd, zoolang de zaak niet aan de orde
was. Maar van jouw kant moet je toch toegeven, dat je voor zoover
je mij kent er toch volkomen van overtuigd kon zijn, dat ik wilde,
dat de jongen aangenomen zou worden, zooals de gewoonte is."
"Hoe kun je nu met 'de gewoonte' aankomen, Carsten! In zoo'n ernstige
zaak!"
"Laten we nu eens probeeren over deze ernstige zaak te spreken zonder
heftig te worden, lieve Wenche! want uit heftigheid komt nooit iets
goed voort. Denk er nu eens over na, of je 't recht hebt je zoon in
een heel anderen toestand te brengen dan alle anderen, wat hem in
zijn leven bemoeilijken en aan alle kanten belemmeren kan."
"Dat is juist de groote weldaad, die ik mijn zoon bewijzen wil: hem tot
een uitzondering te maken tusschen al die huichelaars en leugenaars."
"Groote woorden--Wenche! 't Is alsof je meent dat je zoon niet anders
kan zijn en nooit wat anders worden, dan wat je zelf bent."
"Wat bedoel je?"
"Heb je nooit over de mogelijkheid gedacht, dat Abraham een christen
kon worden? Ja--ik weet wel, wat je zeggen wilt. Je hebt nu eenmaal
niet veel vertrouwen op mijn christendom; maar kun je je niet
voorstellen, dat Abraham misschien een oprecht christen zou kunnen
worden?"
"Jawel," antwoordde Mevrouw Wenche in gedachten en keek voor zich
uit. "Daar heb ik dikwijls over gedacht. En je moet niet denken; dat
ik dat zou tegengaan, of het als een ongeluk beschouwen voor hem of
voor ons. Dat is het juist. Oprechtheid is alles voor me. Halfheid,
leugen en huichelarij--dàt is 't wat ik uit het leven van mijn zoon
houden wil."
"Ja, maar als je volkomen oprechtheid wilt, moet je ook volle vrijheid
toestaan."
"Dat doe ik ook; hij mag gerust kiezen."
"Neen, pardon! Je geeft hem geen volle vrijheid om te kiezen, als
je hem buiten iets houdt--of hem een trap van ontwikkeling laat
overspringen, die al de andere jonge menschen doormaken."
"Maar juist die trap van ontwikkeling--zooals jij 't noemt, die is
juist de poort tot den leugen,--dat is mijn vaste overtuiging!"
"Daar twijfel ik niet aan, Wenche! er kan zeker ook allerlei tegen
het aannemen worden gezegd; maar hier is nu geen sprake van wat jij
gelooft of wat ik geloof, maar van Abraham's geloof. 't Is niet,
omdat ik zelf--hm"--hun oogen ontmoetten elkaar in den spiegel,--"nu,
ik ben nu eenmaal niet godsdienstig aangelegd, zooals jij, en 't is
dus niet om die reden, dat ik mijn zoon in de christelijke leer wil
laten opvoeden. Maar naar mijn meening hebben noch jij, noch ik het
recht om hem iets te onthouden, wat hem kan helpen bij die keus, of
hem tot iets te dwingen, wat het hem onmogelijk maakt te kiezen. Hoe
kunnen we nu eerlijk tegenover onzen zoon staan, als we niet tegen
hem zeggen: Wil je dezen proef met jezelf nemen? Of heb je al van te
voren gekozen?"
"Nu verdraai je de boel, Carsten."
"Neen, dat doe ik niet. Abraham is oud genoeg om te begrijpen waar
het om gaat; daarom heb ik zoolang gewacht; laat hem zelf kiezen of
hij wil worden aangenomen of niet. Dat dunkt mij, dat jij, met je
sterk gevoel voor vrijheid en rechtvaardigheid goed moet vinden."
"Nu goed, laat hem kiezen!" riep Mevrouw Wenche; maar dadelijk liet
zij er op volgen: "Ach neen,--wat geeft dat? zoo'n jongen!--hij kiest
natuurlijk te zijn als alle anderen--om rust te hebben. Neen, neen
Carsten! 't is zonde om hem met open oogen in leugen en knoeierij
te zenden."
"Zeg eens, Wenche! Hoe lang heb je je voorgesteld voor je zoon te
kiezen? Wil je mettertijd ook een vrouw voor hem kiezen?"
"Dat is onzin, Carsten. Ik ben het immers, die er altijd op sta,
dat hij zijn vrijheid hebben moet."
"Dat is een wonderlijk soort van vrijheid! Als Abraham nu wezenlijk
kiest om aangenomen te worden--"
"Dan is 't alleen, omdat hij nog niet wijzer is op dit oogenblik.
"En als hij nu over een paar jaar niet wijzer is en een vrouw wil
nemen, waarvan je vast en zeker overtuigd bent--zooals je gewoonlijk
bent,--dat ze je zoon grenzenloos ongelukkig zal maken, wat dan?"
"'t Is wezenlijk een ellende met je te praten--Carsten! want je haalt
alles door elkaar."
"Laat ons nu niet heftig worden, want dat dient nergens voor. Ik vond
juist, dat we hier zoo kalm en goed over praatten. Zou ik het nu wel
zijn, die alles door elkaar haalt? Zou jij 't niet eerder zijn, die
in je groote liefde voor Abraham onwillekeurig wat van de tyrannie
mengt, ... pardon! die onafscheidelijk is van alle liefde? Zou jij
niet, in je ijver om hem 't beste te bezorgen, voortdurend voor hem
willen kiezen? terwijl je toch zoo dikwijls gezegd hebt, dat het
't beste is, dat een mensch zelf kiest."
"Ik wil graag kalm zijn--Carsten! en 't is niet om onvriendelijk
te zijn, dat ik het zeg; maar 't is heusch gevaarlijk om met je te
praten; want je draait me rond en zet alles ondersteboven. Nooit zou
ik geloofd hebben, dat ik gewillig mijn zoon voor het aannemen zou
zien voorbereiden; maar nu komt het me bijna voor, dat er iets van
aan is wat je zegt."
"Ja, ik geloof, dat ik dezen keer 't meest in overeenstemming met je
principes ben," antwoorddde de professor, die nu geheel gekleed was
en wilde heengaan.
"Maar dat zeg ik je," riep plotseling Mevrouw Wenche, toen hij al
op den drempel stond, "op den morgen, dat Abraham naar de kerk moet
om die ongelukkige belofte af te leggen, wil ik als zijn moeder het
recht hebben hem te vragen of hij weet wat hij doet. En is hij dan niet
volkomen oprecht en eerlijk, dan zal noch jij noch eenig dominé in de
wereld het gedaan krijgen, dat mijn zoon heengaat en een leugen zegt!"
"Dat mag je doen, zoo als je zelf wilt," antwoordde haar man en
ging heen. "Die dan leeft, die dan zorgt"--Voorloopig had hij gedaan
gekregen wat hij verwachten kon.
Maar Mevrouw Wenche was onrustig en ontstemd; zij had een pijnlijk
gevoel, dat haar man haar listig haar toestemming tot het aannemen
ontlokt had--dat aannemen--de walgelijkste comedie, die ze kende.
Ze sprak er met Mordtmann over, en hij gaf haar in alles volkomen
gelijk; hij was nog heftiger in zijn uitdrukkingen. Maar overigens
interesseerde de quaestie hem niet zoo sterk.
Toen nam ze Abraham bij zich en sprak ernstig met hem op een avond,
dat de professor in de club was.
Ze legde hem uit, zoo duidelijk en openhartig als zij kon, wat ze
van dit dominé's verzinsel:--het aannemen, dacht.
Ze liet hem zien dat die belofte, die ze eischten en aannamen van
minderjarige kinderen [14] niets anders was dan het vreeselijkste
spelen met het ernstigste; dat het niet anders zijn kon--absoluut niet
anders--in aanmerking genomen de eischen, die het ware christendom
aan de menschen stelde--dan dat de jonge menschen bij troepen het
leven ingeleid werden door een grooten leugen heen, erger dan een
meineed. Wilde hij dat met open oogen meêdoen? of had hij gekozen?
Als hij zonder vrees voor de menschen kon besluiten voort te werken,
zonder die verbintenis, die alleen bestond om verbroken te worden,--kon
hij dat, dan zou ze hem trouw helpen.
Abraham zat met neêrgeslagen oogen zonder te antwoorden, zonder haar in
de rede te vallen. 't Was hem altijd pijnlijk, als iemand met hem over
godsdienst sprak. Op school leerde hij godsdienst als ieder ander vak;
en alleen de rector in zijn redevoeringen, of als er iets niet in den
haak was, sprak met nadruk over God; de professor kon zoo nu en dan
een uitdrukking doen als b.v. "Je mag onze Lieve Heer wel bidden je
daarvoor te bewaren," of iets dergelijks.
Abraham wist wel hoe hij moest staan kijken, als zooiets gezegd werd,
en kon ook wel een antwoord mompelen op den juisten toon; maar akelig
vond hij het toch.
En nu met zijn moeder was het nog erger; want het hielp niet of hij
bij haar met de gewone zinnetjes aankwam;--en den juisten toon wilde
zij precies niet hebben; en hoe zou hij toch in ernst op haar vraag
kunnen antwoorden?
Ja,--natuurlijk wou hij aangenomen worden, zooals alle anderen; 't
was hem al lang een ergernis geweest, dat hij de laatste was van alle
jongens, die even oud waren als hij. Dat sprak immers van zelf. En nu
kwam zijn moeder en maakte het tot zooiets verschrikkelijk gewichtigs,
alsof 't een keerpunt in zijn leven was.
En terwijl ze tegen hem bleef spreken, zoo ernstig en met een zachte
stem over waar en eerlijk wezen, in welk geloof het dan ook was,
zat hij er aan te denken hoe wonderlijk het toch was, dat juist zij
zoo sprak. Dat was toch de verkeerde wereld!
De rector, waarvan nu toch iedereen wist, dat hij een buitengewoon
godvruchtig man was, en zijn eigen vader, die ook godsdienstig was--zoo
matig,--juist genoeg, vond Abraham--die alle twee, en behalve dat,
alle christenmenschen in de stad, hielden het aannemen in eere, ja zij
zouden een woord tegen die heilige handeling voor Godslastering houden.
Maar zijn moeder, die zelf dikwijls gezegd had dat 't met haar
geloof niet zoo heelemaal in orde was,--en Abraham had van buitenaf
toespelingen gehoord op erger dingen--dat zij nu dat alles, waar
ze zelf niet aan geloofde, en wat ze dus ook niet echt begrijpen
kon--dat zij het aannemen ernstiger, plechtiger opnam dan de geloovigen
zelf--dat vond hij al héél vreemd; en terwijl hij daaraan dacht werd
hij onwillekeurig een beetje ongeduldig. Hoe kon zij, die zelf niet
geloofde, hooger eischen stellen dan de geloovigen! Zelf werd zij
tenslotte ook ongeduldig toen zij den jongen daar zag zitten als een
stok: stijf en stom.
"Antwoord me nu, Abraham!--wat kies je? Wil je aangenomen worden?--of
wil je het niet?"
"Ik weet het niet", antwoordde Abraham.
"Ja, maar dat moet je toch weten. Je ben nu groot genoeg om te weten,
dat je zelf moet kiezen. Denk er nu maar eens een paar dagen over na;
maar dàt wil ik je zeggen, wat ik van morgen tegen je vader gezegd heb:
op den dag, dat je naar de kerk gaat zul je eerst bij mij biechten;
en kun je dan niet naar waarheid tegen mij--je moeder--zeggen: 'Ik
wil en kan die belofte afleggen' dan zul je niet naar dat leugenfeest
gaan, zoo waarachtig als ik Wenche heet."
Een poos later kwam de professor thuis; ze gebruikten het avondeten en
er werd over andere dingen gesproken. Maar Abraham liep verscheidene
dagen rond met dat pijnlijk gevoel van te moeten kiezen.
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/32306