Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Jeugdherinneringen

by Jan Ligthart · Dutch · Gutenberg #31107 · 474,567 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Jeugdherinneringen
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Jeugdherinneringen

Author: Jan Ligthart


        
Release date: January 28, 2010 [eBook #31107]
                Most recently updated: November 22, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/31107

Credits: Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEUGDHERINNERINGEN ***




  +--------------------------------------------------------+
  |                                                        |
  |              OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:              |
  |                                                        |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de        |
  | originele, verouderde spelling. Er is geen poging      |
  | gedaan de tekst te moderniseren.                       |
  |                                                        |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel    |
  | zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling (o. a. met    |
  | of zonder afbreekstreepje/trema) zijn behouden.        |
  |                                                        |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden  |
  | aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
  |                                                        |
  | De in het origineel als cusief weergegeven tekst is in |
  | dit e-boek weergegeven als _cursief_. Vette tekst is   |
  | weergegeven als =vet=. Uitgespatieerde tekst is        |
  | weergegeven als $uitgespatieerd$.                      |
  |                                                        |
  | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens       |
  | gebruikt. Deze zijn respectievelijk aangegeven als     |
  | »aanhalingstekens".                                    |
  |                                                        |
  | Enkele plattegronden zijn in deze tekst-versie van     |
  | het e-boek met behulp van ASCII-art weergegeven.       |
  | Deze illustraties en de foto zijn beschikbaar bij de   |
  | html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org |
  |                                                        |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de   |
  | aangebrachte correcties.                               |
  |                                                        |
  +--------------------------------------------------------+




JEUGDHERINNERINGEN.


[Illustratie: foto Jan Ligthart]




                           JEUGDHERINNERINGEN

                                  VAN

                             JAN LIGTHART.


                      ACHTSTE DRUK.--VOLKSUITGAVE.

          BIJ J. B. WOLTERS' U. M.--GRONINGEN, DEN HAAG, 1922.


                    BOEKDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.




DE BEWAARSCHOOL.


Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen
mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen
jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een
koekwinkel geboren ben--'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de
huis- en slaapkamer achter den koekwinkel--; dat ik een oude, deftige
baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam,
maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante
Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op
haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de
menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een
doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te
vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een
derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het
geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien
mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe
herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb
gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.

Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate
belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke
mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen
heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben.
En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later
in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet,
is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd
en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust
geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat
men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving
andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.

       *       *       *       *       *

Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde
jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee
bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan
voorstellen.

We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het
hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde
Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele
buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar
gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden
dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn
derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies,
dat er binnen een, naar mijn meening, _groote_ ruimte was, waar heel
veel kinderen zaten--van de banken weet ik niets meer af--en dat aan
't eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde,
waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje.
Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons
heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.

Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van
versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door
maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw
omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon:
»Smakelijk eten, juffrouw Mina!" en de juffrouw antwoordt uit haar
hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en
zeer te-gemoet-tredend van toon: »Smakelijk eten, kindertjes!" Na afloop
van het boterham-eten zeggen de kinderen: »Welvolkomen, juffrouw Mina!"
Waarschijnlijk: »Wel bekome 't u, juffrouw Mina!" Maar in mijn ooren
hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor:
»Welvolkomen, juffrouw Mina!" En daarop weer de hooge, inborend
welwillende stem van de juffrouw: »Welvolkomen, kindertjes!"

Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook
gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die
koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere
broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden
kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis
spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig
uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die
juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar
welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar
ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij
hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien
alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige
stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn,
wanneer in dat weefsel gescheurd werd.

Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de
huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de
platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die--we
woonden immers op een hoekhuis--bijna vlak voor 't huis lag. En dan
rechtsaf, de »gracht" op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij
't woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan
de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit
»aan", maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van
de gracht, rechts van de brug. Ik zie die »kleine steentjes" nog, het
voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der
huizen. De »groote steenen", de keien, lagen daarnaast, op den rijweg.
Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: »Op
de kleine steentjes loopen, hoor!" en dan liepen we, dikwijls hand aan
hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons
eerst de brug over had gebracht.

Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje
en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't
schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan,
zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor
Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft
in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.

Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door
de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams.
Maar....

Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook
thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn
herinneringen betreffende die »ziekte" vertellen. Wellicht helpt het
hen.

Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een
ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men
het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen:
»Leelijke pis-in-bed." En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.

Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als
ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter,
dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom,
dien ik nooit vergeten ben.

Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes
geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant
steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu
droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er
lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik
durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer
tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik
wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder
de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou
losbreken.

Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte
mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen
en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald
onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat
overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt.
Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen
en hoor ik den grauw van deze of gene: »Ga weg, stinkende pis-in-bed."

Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel
het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En
mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook
niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en
die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed
moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen
en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar
altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden?
Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder
schande en angst voor klappen.

Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken
avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit
haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste
zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij
neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: »Goed luisteren,
of we iets hooren." Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig,
zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje
flikkeren--een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas--en voelde
me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei
en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.

Of men--'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee
jongens in huis--of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer
naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar
op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden
had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er
bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis
in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn
oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is
deze weg mij een kruisweg geworden.

O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die
wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik _wilde_ het papier niet
op mijn rug hebben, ik _wilde_ niet. Ik worstelde tegen, huilde,
trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker
dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel
uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de
straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen
straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er
niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon
zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin
voor mijn zuster om een bedekking te hebben.

Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van
alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een
eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was
radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn
schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe
angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte
mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.

Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al,
ja misschien bovenal op een kind.

Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien
is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt
men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil
gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was
voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.

Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel
vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet
het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel
meer in me vernield, dan hersteld.

       *       *       *       *       *

Natuurlijk--dat zag ik later in--was die heele openbare vernedering
maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het
papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen
maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een
bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar
't oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.

Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens
in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs
gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den
spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de
oogen uitpikken.

Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel
voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou
naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De
mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige
slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde »bakkertjes"; de
vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes.
Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar,
in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol
verwachting in den spiegel.

Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn
slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed
Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel,
en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds
gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik
gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen,
dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en
langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.

Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet
geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak
voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: »Jan,
kijk eens achter je!" Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me
was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder,
of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn
nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: »Jan,
kijk eens achter je!" en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook
booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was
pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.

Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit
het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's
avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me
keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet
durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me
uitbrak. En toen was ik twintig.

Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan,
die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het
kindergemoed uitwerkte.

Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb
kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd
met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke
ervaring achter, en meer dan een.

Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen
leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed,
dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.

       *       *       *       *       *

De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en
ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van
Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een
oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw
Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij
was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand.
Sommige jongetjes spraken van »Schele Door", »Valsche Fie" en »Ouwe Na".
Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op.

De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der
scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw
Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje
had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons
aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat
ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait,
om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor
de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog.
Hartmemorie.

Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen
voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik
nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot
mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.

Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige
ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels,
stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand
hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een
der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken.
In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:

                  +----------------------------------+
                  |             voormuur             |
                  |deur                              |
                  |  --------------  --------------  |
                  |  --------------  --------------  |
                  |  --------------  --------------  |
                  |  --------------  --------------  |
                  |  --------------  --------------  |
                  |  --------------  --------------  |
                  |                              raam|
                  +----------------------------------+

Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen,
de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet
meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig
ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe
ik--eerzuchtig of leergierig?--mijn best deed op iedere nieuwe tafel,
totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon
lezen, was ik trotsch en gelukkig.

Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar
leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje
zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde
jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of
bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het
plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een
zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken
(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren
van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit
kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren
der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik
daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.

Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten
was afgeloopen--we bleven n.l. van 9-4 in dat lokaal opgehoopt--onder
de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen
en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen,
een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig
opgedaan uit de platen van »De aarde en haar volken", waarop mijn vader
geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er
heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw
Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas
gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.

Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn
eerste bittere ontnuchtering.

Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner
mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben,
ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik
herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met
potlood zoo iets geschreven had als: »liefe bedje mag ik je vrijjer
weese", en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond.
Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde.
Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met
een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een
minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht,
van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder
dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan
een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis _dit_ mijn geluk
was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers
zeggen: »Betje is _mijn_ meisje." Die behoorde mij toe, en niemand kan
op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.

Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn
ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op
haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de
kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk.
Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet
overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los
kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.

Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een
galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd
wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit
later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De
Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring
voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone
vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid
was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het
verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.

Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen
doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met
bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het
gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent,
de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had
ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor
mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad
voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel
van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest
van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en
getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst
gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat
het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de
groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.

Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een
portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde
ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de
hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken
tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen
olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk
mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had
het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel
het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam
het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar
mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of
aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje
door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje!
Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet
eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in
evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.

Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar
niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter
zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met
mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd
om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den
hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.

Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist.
Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of
het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden."
En ze zette het minachtend neer.

Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde
een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje.
Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me
absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien
ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.

Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden
van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet
zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de
zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te
pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.

Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik
heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde
ik liefst de dubbele waarde.




DE EERSTE LAGERE SCHOOL.


Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de
bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.

Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.

En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven
en al de andere vakken der wet.

Ik weet er niets van.

En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en
verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of
verwenschen.

't Is alles weg.

Is het er wel ooit geweest?

Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar
daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet
er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters
hebben verkeerd.

Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen
afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het
schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En
zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.

Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als
een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.

Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat _ik_ eigenlijk leefde buiten die
leerwereld. En dat _de school_ eigenlijk leefde buiten mij.

Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den
lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.

Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.

Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het
onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren
dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een
meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel
goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog
steeds zegenend gedenk, niet--men moet voorzichtig zijn--omdat hij de
bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.

Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare
groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht,
bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde
iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging
geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij
ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets
in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met
teerheid en dankbaarheid.

Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee
naast elkaar, een ter zijde, aldus:
                              +-------+
                              |   |×  |
                              |   |   |
                              +-------+
                              |   |
                              |   |
                              +---+
Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen
de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond,
bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast,
nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school.
Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde
iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte
voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me
stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als
een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt.

Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen
hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort
voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school
meezong.

Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting
van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het
praktische schoolleven, nu volgde niet--o, het is verschrikkelijk om
het te zeggen--de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de
werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk
afgrijselijke kinderellende.

Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was
hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog
vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is
geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of
een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden
gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn
horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie
smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai.
Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze
kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar
hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De
Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.

Meester Leer--zoo zal ik hem maar noemen--was harteloos. In onze klas
zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette,
gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets
misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer
hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde,
en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder
het knerpend gekraak van: »Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C.
M., zal jij...." enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.

Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten
en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar
gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij,
onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de
handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas,
machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.

Zoo werd het gebed verhoord.

Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.

Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes.
Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat
stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde.
De jongen wist ze niet, maakte althans fouten--hetgeen ik nu, uit de
verte, uit de gevolgen afleid--en kreeg daarvoor geweldige klappen om
zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten
woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al
tegen dat onze beurt aanbrak....

Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van
een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken
door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op
den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.

Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de
banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van
instemming.

Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon,
en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.

Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende
verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....

Meer weet ik niet.

Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten
vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is
gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene
uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een
momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het
grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige
ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en
alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel
springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons
in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.

Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en
ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een
anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.

       *       *       *       *       *

Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij
hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes
tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes
onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over
de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester
Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet
te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de
verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de
verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk
in list en bedriegerij.

Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten.
Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de
oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging
gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.

Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner
me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon
ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis
was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.

Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven
verlost te worden, »weg te spatten" gelijk we dat noemden. Wanneer
de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met
bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten.
Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige
oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je
kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer
in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat
was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met
zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou
hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol
nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val
had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.

Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang,
heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen.
Toen verzon ik, dat ik »naar achteren" moest. Neen, het mocht niet.
Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij
in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan
niet--'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen--dan kwam
de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer
verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te
laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe:
»Geef eerst je pet hier."

Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me
door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij.
En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog,
wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein,
waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er
ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong,
de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de
romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf
naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds
op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar
huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het
was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en
ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden,
medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat
zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.

Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt
me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn
jongensjaren--kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding--dat heele
verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn
makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan
toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering
meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik
waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig
oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het
ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou,
dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in
herleefd ziende, overtuigd uitriep: »Juist zoo, zoo is het gebeurd."
Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar
gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen
verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder
geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige
zelfverblinding.

Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid
is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg,
dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te
zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter
gelegen huis stonden.

En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit
schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en
Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit
_den schoolstrijd_--een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger
worsteling dan »de" Schoolstrijd--spreken nog luid in me, met beeld en
stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de
herinnering.

       *       *       *       *       *

Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar
ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe
waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen,
stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.

Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord.
»Je bent schoolziek," zei mijn vader, als we dreinden om thuis te
blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk,
want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de
erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den
voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den
winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik
nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn
hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn
ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en
zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. »Ga jij maar naar school,
hoor! 't Is schoolziekte." Diep neerslachtig en met slenterende beenen
sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn
kindergemoed.

Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben,
dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school
_wilt_, en niet thuisblijven _moogt_, dan schiet er ten slotte niets
over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar
zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo
vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken,
en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond,
tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een
kwartier na het eindigen van den schooltijd.

Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank
daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden
ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij
synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers
van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.

Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen
bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar
een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken
we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de
begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo
hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid
zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert
er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de
kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook
doen.

We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten,
Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten.
Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de
klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen,
kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden
en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld
wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje.
»Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was
een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als
er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen."
Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat
de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had
ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen,
daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een
dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van
haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze
Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn
onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.

Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon
ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met
nieuwsgierigheid vroeg, »hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen,"
besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar
grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een
droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde,
dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering
van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn
bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen,
springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van
schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen
reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare
onbezorgdheid te verzwakken.

Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor
pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden
dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we
een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de
kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat
zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij,
die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op
dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een
vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet
meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel
op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om
een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo
alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de
wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo
heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn
tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat
op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur.
Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we
een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet
om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien
hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel
betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét
en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van
bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden,
maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor
experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen
als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een
afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het
Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich
toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen,
ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen
kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning--lees maar in
Vondels verzen--om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een
tabakspruim--nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die
tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal
verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien,
dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En--om te
besluiten--wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige,
zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan
zijn Eva.

Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de
groote menschen na, maar _zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons
niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote
menschen_. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te
sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.

Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen
hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de
morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil
rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis
tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of
winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om
overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit
heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie
weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte
boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen
hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als
wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als
wij naar dit zalig oord terugkeerden.

Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee
we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik
me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort,
en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater
bij de houtzaagmolens lagen.

Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen
en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden
Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de
Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn
kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even
rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk,
hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk
stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar
daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden
't heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de
slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water
golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien
we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we
ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren
voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een
overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten
achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.

Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens
gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf
een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water
tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo
diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook
weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen,
zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met
het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben
gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden
we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de
gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende
kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand
aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.

In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen
altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe
harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. »Baas, magge
we d'r in, hij hèt in 't water gelege."--»Zoo, dondersche schooiers,
het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw
opdondere."--»Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn
vader."--De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons
binnen. »Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me
weer flikkert."--»Dank u wel, baas!" en we holden naar binnen. De natte
kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt
rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren
te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil
begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze
of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te
geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de
voeten kwam als er een man naderde.

De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe,
dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met
de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of
er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag,
waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen
natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in
geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in
den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had,
dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het
viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.

Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de
huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was
geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit
het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs
papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk
erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor
me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders
drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk
ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie
weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch
iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen.
'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen,
was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en
radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.

Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een
vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een
groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel
voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken
spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen
kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog
een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje
een buitengewoon genot.

Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of
half negen of negen uur--ik weet het niet precies meer--stil in mijn bed
had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer
uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand,
kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een
geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen
scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en
die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen.
Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.

Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en
veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar
hals. »Heb je er erge spijt van?"--O ja, en ik begon weer diep bedroefd
te schreien. »Zal je 't nooit weer doen?"--Neen, zeker nooit weer, en
mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar
aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een
wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van
_al_ zijn ellende. En toen zei ze: »Zou je nog graag een uurtje naar
Piet gaan?"

Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? »Graag!" zei
ik. En zij: »Kom dan maar." Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok
mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een
schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis
uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten
kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.

Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de
orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van--mijn
Moeder, tegenover--de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me
later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet
gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar _als_ hij eenmaal straft, dan
moet hij ook doorzetten; _als_ een kind eenmaal een uur nablijven moet,
dan _moet_ het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden
van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het
kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij
steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en
verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil
ik Haar--ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze--nu eens iets zeggen?
Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met
haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was _niet_
konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte
straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het
grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben
kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen
zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel
weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat
ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden
losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo
bang was, als om Moeder verdriet te doen--al deed ik het natuurlijk ook
vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige
mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.

Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de
Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de
overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen.
Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: »Wat moet
ik _doen_?" En ze moet antwoorden op de vraag: »Hoe moet ik _zijn_?"

Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij
bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn
zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.

Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken
genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En
dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.

Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik
werd opgericht--door Genade.




TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.


»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens
vol verleidingen."

Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden
als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate
gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep:
»Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je
moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte
in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven.
En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer
was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je
letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten,
om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best
een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper.
Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een
landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante
bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?

Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom,
of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't
moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in
ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was
dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze
lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de
strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school
een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was
iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in
ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water,
die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes,
waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't
glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos
met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was
iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te
worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit
steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een
magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand
der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de
winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere
kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere
politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke
schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij
vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van
»opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".

De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die
»christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd.
En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die
»christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het
verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een
dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals
zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd
verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield.
Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en
maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst.
Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen
beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden
aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in
de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't
maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij
komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd.

    Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven,
    Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_.

       *       *       *       *       *

Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met
de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens
van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.

Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar,
een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb
zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten:
steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve
liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen,
zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan,
eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele
rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met
elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging
van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw
opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op",
net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer
te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer
donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen
hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel
voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen
je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je
knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs
maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen
als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu
verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den
rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en
het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen
opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het
linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.

Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden,
afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was
gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de
ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel
bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_,
die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er
later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons
eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe
liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht,
maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals
een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten
ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo
presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van
paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter
van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in
zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die
in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en
het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_.

De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De
bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den
naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik,
wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook
de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog
mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren
kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder
oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat
ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.

Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe
belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?

       *       *       *       *       *

Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?

Het is Hendrik Busman.

En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?

Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?

Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp,
Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.

Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde
Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden
eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.

Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We
bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de
projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand
bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.

We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door
een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken
sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet
bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke
vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist.
Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer
terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de
kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer
tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de
groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun
leven waagden.

Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.

Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste
komedie.

Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er
over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of
»kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden.
We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we
dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen,
wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of
andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de
massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat
er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond
te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.

En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk
raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den
romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen
zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond
eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er
was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden
waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de
grootmoedigheid van onze boekenhelden.

Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal
overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij.
Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En
de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die
met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en
verdween, als de stormen in de atmosfeer.

Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel
duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij
betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij
voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af.
Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle
»gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig
levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!

       *       *       *       *       *

Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me
nog heel levendig.

Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten
gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we
kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's
nachts de buitenblinden moesten vasthouden.

Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke
gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak,
kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de
uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander
niet te zwaar voorwerp.

Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar
staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een
ding rinkelend om, dan holden we hard weg.

Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden
onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.

Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn
overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.

Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die
je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een
politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.

Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar,
dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij
dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een
razende vaart ontsnappen.

Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen
begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_
ons gehad.

Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en
kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die
vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende
jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen
tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle,
behalve één paar. En die waren van mij.

Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of
zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik
durfde niet door die woedende bekken heenbreken.

Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote
hoofd.

Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel.
Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met
zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.

Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een
kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield
beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte
suikerletters stond er bij te lezen:

      _Je hebt de verkeerde getrokken.
    Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._

Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.

Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me
hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!"

»Waarbij, meneer?"

»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien."

»Ik weet nergens van, meneer!"

»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?"

»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van."

Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden
gebruikten.

De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig
gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak.
Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.

Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van
mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den
hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een
rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving
volkomen beheerscht.

Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me
toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken,
dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de
dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.

»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_
slim te zijn. Of hij gaat ten onder.

Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.

Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet
uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling
instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht.
Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de
huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt,
gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.

Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds
rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.

Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze
gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens
gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals
het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs,
uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen
zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere
manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van
elkaar.

En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat
hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien
bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had
laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste
niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot
de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval
bewonderden.

Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig
zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan
de schade, die we den man berokkend hadden.

Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We
kwámen niet in zijn geval.

»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel
met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote
gebeten hebbe!"

Dat was ons medelijden.

       *       *       *       *       *

Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de
Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den
bovenmeester.

Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat
weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar
niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door,
naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.

Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend.
't Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen
huis!

Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een
looper.

Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in
een kamer.

Ik stond er, doodstil.

Wat was het hier rustig.

Wat was het hier vredig.

En zoo netjes.

Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.

Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.

En dat onder die allerstrengste straf.

Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het
blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik
doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.

Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het
keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.

Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen.
Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd
zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel
gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.

Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het
was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag
mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo
erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends
in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging
ze even naar binnen, en bracht me een boterham.

Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij,
huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het
kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet
niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet
hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.

Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve
vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.

Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_
verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding,
dat was christelijke opvoeding.

Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk
opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.

Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we
er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder
waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons
harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en
geheiligd door een teere hand.

       *       *       *       *       *

We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we
buiten staan.

't Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De
kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur
van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft
een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht
door en gaan stil naar binnen.

Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt
de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.

Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan
ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten.
Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is
een poos geen barbaar.

De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet
hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar
wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die
teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.

We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken
zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht
het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.

De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we:
»Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We
gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.

Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem
weer aan 't orgel.

Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.

Ik denk aan 't hondje.

En nu, veertig jaren later, denk ik:

Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan
zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende
jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe
dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft
gehouden. Zijn leven lang.

               *       *       *

Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook
ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld
was, maar zeker weet ik het niet.

Maar ik was blij, dat ik wegging.




IN HUIS.


Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van,
hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van
den winkel.

                    ______
                  +-======-------======-------------------+
                  |              ¯¯¯¯¯¯                   |
                  +------- -----------------------+       |
            +-----|            toonbank           |       |
            |     |                               |       |
            |stoep|             winkel            |       |
            |     |                               |       |
            |     |  deur                         |       |
            |     +-======-----+------+-----------+-------+
            |                  |      |===== trap naar den|
            |     hardsteenen  | bank |=====  kelder onder|
            |        stoep     |      |=====   den winkel |
            +------------------+------+-------------------+

Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een
groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij
van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich
wel de prachtige strofe: »Oud Amsterdam was 't kijkje waard," waarin
onze dichter verklapt: »Ter sluik werd op die bank gekust." Dat nu deden
wij nog niet.

De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil
zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid
thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep,
waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl
de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp
rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes
mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger,
hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar
dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om,
evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die
geschiedenissen.

Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen.
Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: »Christemeijer. Verhalen
uit de lijfstraffelijke regtspleging." Hoe is het mogelijk, dat ik dien
titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van »lijfstraffelijke
regtspleging." Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig
mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb
mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet
verbiedt!

Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar
van »Het huis met de hoofden." Dat stond op de Keizersgracht, een groot
heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie
van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat
gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er
heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of
vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp
broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een
kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen
baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje,
snijdt hem in één haal den kop af--we hoorden dien vallen--en trekt dan
den kerel naar binnen. »Kom maar," riep ze daarna met een gedempte
mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En
dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis
kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen
verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel
aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis,
om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel
echt zeven waren.

De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke
beteekenis het _woord_ heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en
onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant
zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van »Het huis met de
zeven hoofden".

Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet,
zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht
rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet
de verteller het dwalende kind roepen: »Mijn beentje, mijn beentje!
Wie heeft er mijn beentje?" Ademloos zaten we te luisteren naar den
grafgewelfgalm in de klanken van dat _beentje_, de donkere _ee_, gevolgd
door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens
overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de
werking van die beenderklanken hooren: »Wie h_ee_ft er mijn _beentje_?"
De _ee_ van _heeft_ werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere
grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had
gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden,
dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders,
en riep met woedend uitvallende stem: »Jij hebt mijn beentje!"

We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het
treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer
nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was
heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.

Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader
vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens
rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden
van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten
gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar
alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft
een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt.
»Slof, slof, slof, slof!" Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar
boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat
kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte,
in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader.
Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot,
en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en
sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat
zachte, maar doordringende: »Slof, slof, slof, slof." Hij stopt zijn
ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur,
maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het
eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde
aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van
angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.

Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank
of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van
't huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot.
»Wat zijn de jongens stil," zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend
hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of
beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: »Wie heeft er mijn
beentje," of het huiveringwekkende: »Slof, slof!" Die vertellingen met
zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het
liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen.
Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil
in huis en naar bed.

       *       *       *       *       *

Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons,
kinderen? Een last en een lust.

De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je
hoorde: »Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie." Die
of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap
niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat
te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende
straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn
geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier
moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van
nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte
gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet
meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben
deze--natuurlijk!--haar grenzen.

Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij
een ellende. Dan moesten we geregeld »klantenloopen". Met zware manden
sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.

Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar
centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik
nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam
zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er
zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk
wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid.
Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar
centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat
zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke
mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is _niet_
hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen
de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van
weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet
meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen
gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele
week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.

Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen
loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen,
met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in
vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der
opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende
vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven
voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een
kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote
geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel
blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres
bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel,
die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd,
niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te
hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele
bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed
heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen.
Vermoeidheid en--gemoedsstemming.

Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde--wat weet ik dat nog
goed--binnenshuis (we zeggen tegenwoordig »en pension") op den
Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg
een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude,
vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd
boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook
geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius,
den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de
brug over. Die naam Hagtingius--ik durf er op zweren--is goed gespeld,
en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en,
zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar
en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk
veel in--als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat
op straat bij ieder stuk »taalwerk" staan blijft, om het opmerkzaam te
lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders
hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien
belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.

Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de
lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde
de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het
gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den
zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden
knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel,
hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door
snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was »stelen". Den zak
openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want
je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de
winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen,
dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in
rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: »Arglistig is het hart, meer
dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?" Ons onschuldig
kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij
nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte
koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte
hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht
bij, namen als zoete jongetjes--het petje in de linkerhand--de brokken
met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand
aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en,
kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd,
want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de
straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch
eerlijk gegeven? »Arglistig is het hart, meer dan eenig ding."

En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had
een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht
begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze
ons de deur opende met haar temerig: »Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw
voetjes vegen!" Als neefjes van haar »commesales" behandelde ze ons met
voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend,
zich gansch anders uiten. »Daar komme die jongens weer met d'r vuile
poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon." Toen had ze voor goed
bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht
en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer
luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene
huichelarij.

Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze,
ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons
niemendal.

Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een
hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?

Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven.
Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch
ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de
volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf
vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met
me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene
huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan _uw_ huichelarij en
daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.

We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten.
Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en
konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes
smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden
moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het
nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en
den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het
kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in
persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons
maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker--te genieten met de
oogen dicht.

       *       *       *       *       *

De lusten van den winkel--het is droevig, dit opnieuw te moeten
belijden--bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders.
Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog
naar de huiskamer. Op mijn »kaart" is het trapje door een paar lijnen
aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus
nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den
winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen:
de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de
bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van
buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met
stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een
geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door,
zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak,
een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de
neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de
aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders--ik
beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde
van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.

En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen
twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe
kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn
doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: =DE
CONCURRENT=. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest
verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel
uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam
zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de
straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende
haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw
en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets
lager geprijsd dan bij ons.

De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons,
natuurlijk niet de »uitbrengklanten", maar de »winkelklanten", de
burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper
krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij,
die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan.
Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand.
Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan
hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te
hooren.

Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor
zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door
de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden--ik weet
nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen--en
door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak,
nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het
levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen,
om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te
behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee,
vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood
uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje
lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk
bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent.
Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met
het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed,
bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch
niet helpen kon.

Maar hoe hielp _ik_? Door----te blijven snoepen.

Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig
bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf
geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.

Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte
al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon,
waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had
bestolen?

Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende
redeneering?

O neen, 't was veel erger. Ik _voelde_ mijn misdrijf niet eens. Ik wist
het, en ik zag het toch niet.

Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een
harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo
in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat
zijn geweest!

Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze
verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze
niet als schuld in me _werkte_.

Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart
schuld_onrust_ zijn, schuld_ellende_.

Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet
met een preekje. Afkeer van het _kwaad_ is zoo moeilijk aan te brengen.
We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare _gevolgen_ van het
kwaad. Als _die_ ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel
vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige
begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die
ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die _is_ er niet. We
verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart.
Daarom is de bede om een »nieuw hart" zielkundig zoo juist en zoo
dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al
vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet
het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig
begeeren is al een bewijs van het »nieuwe leven".

Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin
ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die
dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen
zijn.

       *       *       *       *       *

Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver
zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om
er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.

De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar.
Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen
van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een
pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een
winkel--ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee
kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En
dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke
ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen
de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.

Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij
haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De
dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te
hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet
dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en
daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één
en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de
oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik
ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder
schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.

Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor
den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje,
liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het
uitgestoken handje.

Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een
blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze
smart--en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een
huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de
angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor.
Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste
kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de
verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me
heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb.
Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die
gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt
geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht
en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun
vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij
mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo
over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist
bij »ruwe jongens", maar ook bij heel »lieve en gevoelige meisjes".
Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar
dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke
en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen--de
uitzonderingen daargelaten--niet schijnen te worden gevoeld.

Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat
Zus voor »mottige" uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me
dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde
ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel
eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij
zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er
iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen
gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor
onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat
zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden _zij_ terug. Maar zulk
een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En
is er iets edeler, dan op te komen voor een »mottig" zusje? Zij kon het
toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?

Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord
dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn
vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een
onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat--als hoedanig
wij onszelf nooit beschouwden--scholden nog wel eens van: »Je ouwe
vaar, die gezete het", of, nog erger, »die gehange het". Maar werd die
smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de
gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten
zitten. »Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf
je af," luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en
aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk
verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste
zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste
eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers--hoe is 't mogelijk--die
zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me
wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te
gelooven.




IN HUIS.

(VERVOLG.)


Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de
toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en
voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de
woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen
onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer,
sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit
vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede
leerschool was.

's Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar
de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half
uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven
den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak
dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de
bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de
minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan
te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de
stoel er naast het bootje.

't Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn
gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam,
een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch
waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer.
De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld
dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen
kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders
en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.

De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de
geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane
eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden
Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte,
de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder.
Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling.
Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag
diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het
maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het
geboortebriefje in Vaders kassette.

En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en
stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat
hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht
worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan
rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de
kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking
iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting.
Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit
de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont
onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist
taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de
volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een
liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat
de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk
proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?

Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich
wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze,
waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar
uitmaken, is ja wat hatelijker.

       *       *       *       *       *

Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens
mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op,
meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.

Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig
aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren
pot op een »stookkacheltje". Het houten tafeltje, van een bizonder
model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen
ijzeren pot op drie pootjes.

De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een
paar harde turven »ingerekend". Die hadden den heelen nacht zachtjes
gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje »op te rakelen".
Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur
te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar
»doove kolen" genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur
opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker
aan den overkant, om een paar centen »doove kolen" te koopen, hij had
ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve
cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb
ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te
belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote
bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn
spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch
beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker
bekend als een brutale schooier, en thuis--ik _kon_ mijn moeder of
zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. »Jan, ga jij
eens gauw naar...."--»Moet _ik_ nu al weer?"--»Toe, Moeder wacht er
op."--En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam
was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles
van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag--en ik moest het doen.
Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend
verwijt, in mijn gemoed. Ik _moest_--niet door buitenafschen dwang,
maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en
mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo
onontvluchtbaar--vragen. Niets anders dan vragen. En die meester
op school--hij kwéékte verzet--hij máákte ongehoorzaam.

Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong
onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde.
Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten
lastige jongens van 11-13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen
zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer
onder schooltijd tegen Jan: »Zeg Jan, je moet me een beetje helpen.
Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het
nog leeren." En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan
een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.

Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de
paedagogiek noemt: »je gezag hooghouden". Maar zij _hield_ er haar gezag
mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn
eigen grootmoedige bereidwilligheid.

Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig
willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding.
Integendeel, ze wreekt zich.

Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te
winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.

Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten?
Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens
even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.

En nu weer naar den vuurhaard.

       *       *       *       *       *

Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee »talhouten" op gelegd,
zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten
breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten
tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd
er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een
cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den
muur naast den haard.

Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het
kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den
runmolen en van de run naar de leerlooierij, en _ik heb nooit geweten,
dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den
aschpot had gelegd_. Dat hoefde je ook niet te weten, als je _je les
maar kon opzeggen_. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die
opzeggerij een 9 of een 10.

Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die
vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de
geleerde schoolmeesters.

Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger
op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels.
Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren
verwijderd--hennepzaad--en de bastvezels waren los geweekt voor de
touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog
om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of
anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten
zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo
eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de
lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers
zoo'n stokkerig geknap.

»Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren," zei de
zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak
het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een
poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een
half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die
vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.

Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen
aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot,
damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn
zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan
voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel
suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij
was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit,
maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar,
dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door
den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij
háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond
het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk,
is dat niet het wezen van het christendom? »Alzoo lief...." we kennen
toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst,
als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons
reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de
eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de
lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje.
Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden.
Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als
ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en
haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.

       *       *       *       *       *

Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds.
Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we
altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden.
En dan was het: »Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje."
Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.

Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op:

    'k Leg mij om te slapen neder,
    Goede God, die altijd waakt.
    Wil mij door Uw gunst bewaren,
    Als het kwade mij genaakt.

    . . . . . . . . . . . . . . . . .
    Dan leg ik mijn hoofdje neer.
    Doe mij niet angstvallig vreezen,
    Want Gij zijt mij heil, o Heer!

    Neem mijn ouders en mijn vrinden
    In bewaring dezen nacht,
    Opdat morgen bij 't ontwaken
    U de lof zij toegebracht.
                Amen.

Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.

De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met
eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan
de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede
uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord »angstvallig",
waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. »Doe mij niet alsvalik vreezen."
Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer,
en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we
ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak
voelden we.

Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat
mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade
maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom
moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van
een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of
vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden
toegebracht? En wat dan wel?

Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht
ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n
gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen
een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig
vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes,
tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm
gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het
kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet
wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren,
nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen,
gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag,
of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de
nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd
hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.

Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in
kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel
beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te
leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt
en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen
als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke
onjuistheden te voeden. Moedermelk--de mooie vergelijking is van
Paulus--moedermelk is _dezelfde_ spijs als volwassenen ontvangen, maar
in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke
waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.

Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind
gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit
»Ot en Sien".

»Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten
is."

Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd
begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't
algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons
wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:

    Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht;
      Zy loert, zy loert, om in te vaeren.
    Sluit d'oogen, vensters van het licht,
      Indien ghy wilt uw hart bewaeren.

Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige
Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor
Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een
paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom
waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in
't zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,

                $Ook niet kijken.$

    Hij wil er maar even in kijken. Maar dan?
    Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?
    En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?
    O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?
    Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!
    Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.

Vondel zou zeggen: »Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht." Wij zeggen:
»Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!"

       *       *       *       *       *

Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn
broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten
malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen
en--in de benauwde bedstede--knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij
zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan
op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon
het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden
holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder
lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde
sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel.
Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en
in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in
gesmoord lachen.

Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de
nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen
was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we
hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden
't niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde
lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't
spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het
slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat
wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen.
Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd
aftrekken.

Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer,
om onder die omstandigheden te bidden: »Neem mijn ouders in bewaring
dezen nacht," waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost
en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't
gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon
we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met
afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op,
zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is
je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den
vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet
geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.

Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch
niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn
afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en
waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de
waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe.
We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook
volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo
zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid
gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den
volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd.
Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader
gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had
weggenomen!

Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen
denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met
zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert
in gevoelens, in neigingen--wat trouwens de volwassenen ook doen--en
onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun
willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en
dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan
redeneert men er geen opinie _in_--dan redeneert men er juist een opinie
_uit_. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De
kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen
naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.

De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde
voor hem. Maar wel aan ons respekt.

We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden
opgewekt, en--let wel--vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk,
maar in ons hart.

Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de
liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede
kussen.

Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet,
maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje
in mijn leven bezet. _Nooit_ heb ik de slaande hand gezegend. _Nooit_.
Wel--de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand
Gods--dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende
gevolgen van ons kwaad.

Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde.
En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven--en alleen
daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk
leven?--ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb
gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed.
Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit
kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar
vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs
het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren
is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet
hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten.
Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld--en dat zal wel bij meer kinderen 't
geval zijn--en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen,
dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar
voor zijn? Nooit.

Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan _niet_
vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een
gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je
zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels
hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen
je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en
de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo
veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde
een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar
dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart
gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen
tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn.
Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.

We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze
vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind
niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie _met_ klappen kan opvoeden,
kan 't ook _zonder_. En wie 't niet _zonder_ klappen kan, kan 't ook
niet _met_.

Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de
baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel
soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en--aan tijd.




NOG IN HUIS.


In de keuken sliepen we, speelden we, stoeiden we, hoorden we dreigende
bombardementen boven ons hoofd, kregen we op ons kop van een driftig,
vertoornd vader, en lagen we in alle stilte het vredig bedrijf van een
oudere zuster te bespieden. In diezelfde keuken oefende ik me ook in
mijn eersten handenarbeid en verdiepte ik mij in mijn eerste
bibliotheek.

Mijn eerste handenarbeid was schoenenpoetsen. Wie onzer huidige jeugdige
slöjdbeoefenaars wordt in dat practische werk ingeleid en er mee
vertrouwd? Ik verzeker u, dat ik mij oefende in de bekende slöjddeugden
van netheid en nauwkeurigheid, zonder dat iemand die mij als
paedagogische gewichtigheden oplegde. 't Was louter liefhebberij.

Hebt ge wel eens schoenen gepoetst? Neen, ik bedoel niet: uw schoenen
wel eens een enkel keertje glimmend gemaakt, maar den arbeid van
't schoenenpoetsen verricht. Elken Zaterdag stond een rijtje voor
me gereed. De mannen en de groote jongens droegen toen laarzen,
schoenen met vrij hooge schachten. Bottines kende men niet. Er waren
rijgschoenen, knipschoenen, en laarzen, achtereenvolgens voor kinderen
(en meisjes), jongens en mannen. De dames droegen »stoffen laarsjes"
zonder hakken, die dus nooit gepoetst behoefden te worden.

Zoo'n rijtje schoenen en laarzen was een mooi gezicht.

Eerst zette ik ze netjes naast elkaar naar de grootte, de rijglaarsjes
van mijn jongste zus aan 't eene eind, de kaplaarzen van vader of mijn
oudsten broer aan 't andere eind. 'k Weet nog heel goed, dat ik genoot
van zoo'n rij. Ik zag er ons heele huisgezin in. En dan eerst alle
afborstelen, zoodat de modder verwijderd werd, daarna alle insmeren
met schoensmeer uit een cylindervormig grijssteenen potje (doosjes
schoensmeer waren er nog niet), en eindelijk stuk voor stuk
uitborstelen. Nu kwam bij 't genot der orde ook nog 't genot van
't blinken. En als tenslotte de heele rij in dezelfde orde, maar
nu glanzend, in de keuken prijkte, stond daar vóór mij _een stuk
schoonheid_, waaraan de Vereeniging »Schoonheid en onderwijs" wellicht
nog nooit heeft gedacht. Een stuk schoonheid, waarin drie
schoonheidselementen leefden: orde, reinheid en glans.

Wie had mij voor die elementen de oogen, het hart geopend? Ik weet het
niet. Misschien de sterrenhemel? Misschien waren ze ook in mij opgerezen
zonder eenige opvoedkundige oorzaak. Als die schoonheidselementen niet
in de menschheid waren, hoe zouden ze er dan ooit uit kunnen komen?
Onlangs zag ik op een landweggetje een vijfjarig meisje uit een
woonwagen, een kermiskar, spelen met steentjes en stukjes glas, die ze
blijkbaar van den weg bijeen gezocht had. Ze legde haar schatten in
mooie rijtjes--als ik mijn schoenen--en genoot daarvan. Wie had het haar
geleerd? Als schoonheid en onderwijs 't haar maar niet verleeren. Ik
bedoel: de _lessen_ in schoonheid en alle overige onderwijzingen.

Wat deed ik mijn uiterste best, om het schoeisel tot in de puntjes
mooi te krijgen! Niet alleen om ieder plekje van het bovenleer te doen
glimmen, maar ook de hakken en ook de zoolranden, en ook--u gelooft het
niet?--ook den bocht tusschen zool en hak! Dus een ondergedeelte, dat
toch niet gezien werd en straks weer onmiddellijk vuil zou worden. Ik
gaf de schoenen niet uit mijn handen, eer ze onberispelijk waren.

       *       *       *       *       *

Er was nog een handenarbeid, waarin ik mij ijverig bekwaamde. Een
groot gezin heeft dagelijks groote hoeveelheden aardappelen noodig,
en die moeten alle stuk voor stuk geschild worden. Dat was natuurlijk
meidenwerk, en, zoo er geen meid was, dan meisjeswerk. Natuurlijk?
Waarom? Mag een jongen wel het mes hanteeren, om onnoodige doosjes
te maken, en niet om noodige aardappelen te schillen? Ik voelde dat
toentertijd niet zoo en schilde menigmaal een grooten bak vol
aardappelen.

Meen weer niet, dat mij dit altijd verdroot. Ja, als 't mooi weer was en
de andere jongens op straat speelden. Dan viel het mij wel eens hard.
Maar overigens? Er was een eigenaardig genot in, aardappel na aardappel
te schillen. Iedere aardappel was weer anders. Je had kleine en groote,
ronde en lange. Net als oliekoeken. Ze waren niet uit één vorm gekomen,
maar in vrijheid gegroeid, en ieder bracht zijn eigenaardigheden mee,
precies als de kinderen. Hoe boeiend en afwisselend was het, met die
eigenaardigheden rekening te houden. Je pakte ieder weer van een anderen
kant aan.

En dan de kunst om _dun_ te schillen. »Zal je ze dun schillen,
Jan?"--»Ja Moe."--En dit was geen ja moe, om me er af te maken, en ook
niet om in Moeders oeconomie te komen, maar de instemming van een geest,
die een probleem erkent en daarin iets aantrekkelijks voelt naderen. Met
het kleine aardappelmesje, dat met door ervaring ontwikkelde beslistheid
ergens--neen niet ergens, maar bij het rechte beginpunt, in den
aardappel werd gezet, haalde ik de schil er zoo dun mogelijk af, terwijl
de aardappel tusschen vingers en duim verstandig ronddraaide, zich
richtend naar zijn bizonderen van de natuur meegekregen vorm. En dan
werden de »pitten" er uit gehaald, de oogen. Er zijn vrouwen, die dat
altijd slordig doen. Hoe is het mogelijk! Weet je nu iets leukers, dan
om telkens met de punt van je mesje zoo'n zwart oog er uit te wippen? Je
steekt de punt in den harden aardappel, wipt, en met een knapje vliegt
hij er uit. Geen oog werd vergeten, ook niet het kleinste. Niet alleen,
omdat het een schande was, als de aardappels 's middags van den schotel
je »aankeken", maar in de eerste plaats----omdat je ze niet kon laten
zitten. Dan ware je werk niet af geweest.

Eén zonde bedreef ik nog wel eens onder 't aardappelschillen. Ik zette
den emmer met water een eind van me af, en gooide dan iederen blanken
knol, uit de verte, er in. Dat gaf een dubbel genot. Vooreerst moest je
goed mikken, en dan hoorde je telkens zoo'n heerlijken plomp. Maar 't
kwaad was, dat je den grond om den emmer heen aanhoudend bespatte.
Enfin, die zonde vergaf Moeder me. »Jongen, wat spat je weer!" Maar dit
klonk nooit als een verwijt of een verbod, maar steeds als een soort
instemming met je plezier. Dat hooren de kinderen gauw genoeg.

In plaats van oefeningen in karton en klei bestond mijn handenarbeid
dus in oefeningen met leer en knollen. Het mes en de borstels leerde ik
daarbij hanteeren. Deugden van netheid en nauwkeurigheid werden in mij
ontwikkeld. Vraag het maar aan de schoenzolen en de aardappelpitten.
Maar weet je, wat nu hard is? Terwijl ik die kunsten nu nog volkomen
meester ben, ja nu nog, kan ik er geen examen in doen. Ik moet bepaald
karton kunnen snijden en geen aardappel schillen. En zoo beteeken ik
als handenarbeider niets en zijn de anderen autoriteiten. Ook krijg ik
er geen extra geld voor. Je hebt geen schoenen- en aardappeldiploma's.
De heeren op het stadhuis geven niet om glimmende laarzen en kruimige
aardappelen. Die zijn dol op kartonnen doosjes en aardappelen,
nagebootst in klei. Daar gaat hun hart en hun beurs bij open. Daarvoor
geven ze [f]50 per jaar meer. Wat zou mijn moeder er van zeggen? »Wees
jij maar tevreden, jongen. Jij hebt je Moeder geholpen."

       *       *       *       *       *

Ik zou nog van anderen handenarbeid kunnen vertellen, maar 't is zoo
genoeg. Men heeft me wel begrepen: Ook in het schijnbaar eentonigste
werk zit genot en leering. Mijn moeder vertelde ons vaak, dat zij als
kind in de Klundertsche pastorie--Dominé van Spall had een heel groot
gezin--de meiden hielp bij 't aardappelschillen, en dan legde ze de
geschilde aardappelen netjes in rijen van zes op de rechtbank. En ze
genoot nog, als ze er ons van vertelde.

In iederen arbeid, ook in den--schijnbaar!--eentonigsten, zit genot en
leering. De kunst is echter, die er uit te halen. Het simpel aangroeien
van het resultaat is al een vreugd. Maar de opvoeders zijn zoo dom,
zoo vreeselijk dom. De doodeenvoudige, de vlak-voor-de-hand-liggende,
de spotgoedkoope voortreffelijkheden zien ze niet. En ze halen met
opoffering van geld de modedingen in, omdat die.... in de mode zijn.
Zoo laten zelfs wijze menschen zich verblinden. En dan wordt die
verblinding bewerkt door wat wetenschappelijk geleuter. 't Is altijd
de oude geschiedenis. Hier vloeien de bronnen, maar men wendt zich
van het levende water af, om zich te richten naar de »steenen bakken"
van Jeremia, »die geen water geven".

Een kind is toch met zoo weinig gelukkig!

Dit ondervond ik ook met mijn bibliotheek en mijn eigen kamertje.

Dit kamertje--doch wáár moest dit in huis te vinden zijn, daar we toch
met ons vijven in de keuken sliepen en we dus niet eens een afzonderlijk
slaapvertrek hadden?

't Was in diezelfde keuken en 't heette »het kokertje". Nú pas, bijna
een menschenleeftijd later, weet ik waaróm het zoo heette. 't Was een
lichtkokertje, en natuurlijk een horizontaal, anders had ik er niet in
kunnen kruipen en er een rustig plekje vinden.

Ge weet nog van den winkel, dat er achter de toonbank een trapje van
vier treden naar de huiskamer leidde? Tusschen de treden van dit trapje
was ruimte. Als je nu, achter de toonbank, op je hurken ging zitten, kon
je tusschen die treden door kijken, en dan zag je een ruit vertikaal.
Achter deze ruit was een kokertje, een lichtkokertje voor de keuken,
en dat was mijn kamertje. Men kan begrijpen, hoe licht het er was. Het
schemerlicht achter de toonbank, moest tusschen de schaduwende treden
heen, eer het mijn kokertje bereikte. Toch viel er, een enkelen keer,
wel eens een zonnestraal in. 't Is wonderlijk, in welke verborgen
hoekjes zonnestralen al niet weten te komen.

De toegang tot mijn heiligdommetje was in de keuken. Ik moest daar eerst
van den vloer op een kist klauteren en me in het kokertje werken. Maar
zat ik er eenmaal, dan zat ik er zoo veilig. Niemand kwam er.

't Leek net een klein kamertje: vloer, zolder en drie wanden, waarvan
een van glas. Ik denk, dat het ongeveer een meter breed en hoog was,
en niet veel dieper. 't Had tenminste iets van een liggenden, hollen,
vierzijdigen prisma, die den kubus naderde. Beknopter woon was
moeilijk te denken. En toch heb ik daar zalige uren en heele middagen
doorgebracht. Ja, zelfs heele dagen in de vacantie. Als Jan maar in zijn
kokertje zat, was hij zeker stil. En als je hem in huis niet wist te
vinden, had je maar, tusschen de treden van het huiskamertrapje, even
tegen de ruit te tikken.

Het moet in mijn eigen hokje zeker vrij schemerig zijn geweest, vooral
op regenachtige namiddagen, wanneer ik er bij voorkeur mijn toevlucht
zocht. Maar daar weet ik niets meer van. 'k Weet alleen, dat ik er
mij recht behagelijk voelde. 'k Had er al mijn schatten, netjes
gerangschikt, evenals de schoenen en laarzen, en keek door de ruit naar
de afgesneden stukken van de beenen van mijn vader, als deze achter de
toonbank stond, of anders van den winkelknecht. 't Was een misfortuin
als moeder of zuster in den winkel hielpen, want die wierpen, door haar
rokken, breede wolkschaduwen in mijn toch al donker verblijf. Maar 't
was daarentegen een voordeel, als, op een zonnigen zomerdag, de winkel
lang leeg bleef. Dan reisde er, gedurende eenigen tijd, als de zon wat
hoog stond, wel eens een heele lichtbundel mijn kokertje rond, waarin de
stofjes zoo rustig vroolijk krioelden. En als er dan in de bovenkamer
gemurmureerd werd over het wegblijven der koopers, zat daar beneden
iemand, zonder zich daarvan rekenschap te geven, in stilte heel erg te
genieten door datzelfde wegblijven. Hij was gelukkig met zijn zonnegoud.

Kinderen en volwassenen hebben zoo vaak tegenstrijdige belangen.

       *       *       *       *       *

En welke schatten waren het nu, die me zooveel genot bezorgden?

In de eerste plaats traktaatjes, die ik nooit las. Op de zondagsschool,
trouw bezocht, deelde men geregeld traktaatjes uit, sommige zelfs van
acht bladzijden, sommige van dof, andere van glanzend papier, sommige
met en andere zonder een prentje, kleine en groote.

Die traktaatjes bevatten maar zelden verhaaltjes, meestal godsdienstige
beschouwingen, en ik las ze dus nooit. Niemand las ze bij ons thuis.
Maar ik sleepte ze dadelijk naar mijn kokertje en legde ze daar op een
stapeltje, waartoe ze naar grootte, dikte, papiersoort of illustratie
behoorden. Dan werden ze genummerd en ingeschreven in mijn catalogus.
Sorteeren was mijn liefhebberij, een wetenschappelijke liefhebberij,
gelijk men haar aan de hoogeschool en in het voddenpakhuis kan vinden.
Sorteeren van planten en boeken heet echter hooger te staan dan
sorteeren van vodden.

Wanneer er een bepaald getal traktaatjes op een stapeltje lag, werd
dat met een draadje of lintje saamgebonden als dierbare brieven, die
men ook niet meer leest, en bijgezet in het mausoleum dezer soort
godsdienstigheid, dat ik mijn bibliotheek noemde. Gelijk mijn zusje
met haar poppekleeren, solde ik met mijn geschriften. Ze werden in- en
uitgepakt, opgenomen en neergelegd. Dat was het al. En zoo hebben die
traktaatjes aan mijn opvoeding meegewerkt, zij het op andere wijze dan
de vriendelijke uitdeelers bedoelden. Ze hebben me materiaal bezorgd, om
mijn ordezin te ontwikkelen. Ze hebben me bezigheid geschonken en daarin
een weldoende afleiding op donkere uren.

Meen niet, dat ik onverschillig was omtrent die drukwerken. Dat is een
kind en een wilde immers nooit omtrent een nieuw stuk voornaamheid, dat
hem vereerd wordt. Ik voelde me er zelfs rijk mee. Maar het was een
rijkdom als van den gierigaard. 't Genot zat alleen in het hebben, niet
in 't gebruiken.

Aan die traktaatjes is nog één herinnering verbonden. Men weet nog wel
van den avond, toen de kleine spijbelaar toch naar het verjaarsfeestje
mocht. Bij die gelegenheid moest hij een verjaarsgeschenk meebrengen,
want op een verjaarpartij gaan, zonder een cadeau aan te bieden, dat
was een onmogelijkheid. Hij had echter niets om aan te bieden. Toen,
eer hij in zondagsgewaad de gracht opvloog, kroop hij eerst naar zijn
kokertje. Kon Moeder geen geld missen om iets te koopen, dan moest hij
maar iets van zijn eigen schatten opofferen. En hij nam het dikste pak
tractaatjes uit zijn verzameling, om dat mee te nemen. Doch een snel
oprijzend voorgevoel waarschuwde hem, in een seconde, dat dát toch
eigenlijk te min was. Daarom nam hij nóg een pakje, en nóg een.
Eindelijk de heele verzameling. En hiermee vloog hij naar het feest.
't Was voor hem een offer. Hij heeft echter nooit kunnen merken, dat
het als zoodanig door den ander gewaardeerd werd. Voor dien ander zat
ook niet het verzamelplezier er in. En zónder dat was het heele pak
eenvoudig waardeloos.

Ik heb later wel eens in stilte gebloosd over het gekke figuur, dat
ik op dit verjaarfeest maakte met dat cadeau. Wat moet de jarige,
wat moeten zijn huisgenooten er wel van gedacht hebben. En de vraag
is meermalen in me opgerezen, of het van mijn Moeder goed was, me dus
naief er in te laten loopen. Had zij haar kind zoo aan de kritiek mogen
prijsgeven, al hoorde hij die kritiek ook niet. Mijn verontschuldiging
was--want gij weet het immers, ouders, hoe kinderen hun ouders
beschuldigen en verontschuldigen?--mijn excuus voor haar was dan, dat
ze zelf in allerlei zorg zat en op dit oogenblik zeker geen gelegenheid
wist, om gauw iets te koopen. Maar toch.... gij ouders, die niet zulke
excuses hebt, profiteert niet van de naiveteit uwer kinderen. Ze
verwijten het u later. En terecht. Behandel de dieren met zachtheid en
uw kind met ernst.

En nu denk ik ineens aan iets anders. Wellicht heeft die jarige Piet in
zijn leven meermalen de geschiedenis verteld, hoe hij als jongen--nota
bene als jongen!--voor zijn verjaardag een pak oude traktaatjes kreeg,
en niet van een ouwen sok van een catechiseermeester, maar van een
vrindje! Wie weet hoe dikwijls hij zich ten koste van mij heeft
vermaakt! Misschien, terwijl ik dit schrijf, zit hij ergens in de
wereld, midden in zijn gezin, en haalt de historie weer eens op ten
pleziere zijner haast volwassen kinderen. En ze genieten met elkaar van
mijn onnoozelheid, gierigheid, of wat het zij. Piet heeft zijn leven
lang die zaak gezien onder _zijn_ licht. En ik onder het mijne, dat zoo
heel anders was.--Denk er aan, als gij over personen en feiten oordeelt.
Gij ziet slechts _uw_ zijde van de werkelijkheid.

       *       *       *       *       *

Ik kan van mijn kokertje geen afscheid nemen, zonder een beminnelijke
zonde van mijn vader te gedenken. Die driftige, goeie man had het
zwak, moeilijk te kunnen weigeren. Daardoor kocht hij van gewetenlooze
commissionairs in zijn onnoozelheid bedorven waar. Daardoor leverde hij
aan gewetenlooze koopers zijn goederen tegen wanbetaling. En daardoor
teekende hij in--ons ten voordeele, maar Moeders beurs en humeur ten
nadeele--op alle boekwerken, die colporteurs hem aanpreekten. Ieder keer
als de rekening kwam, was hij weer kwaad, vanwege het geld, en ieder
keer als er een nieuw plaatwerk werd opgedrongen, bezweek hij weer: 't
was ook maar een dubbeltje in de week.--Jammer, dat die afleveringen
al spoedig rondzwierven. De eerste werden opengesneden en, zoo al niet
gelezen, dan toch bekeken. De latere dreven vaak onopengesneden door de
huiskamer, totdat eindelijk Moeders netheid ze bij een opruimwoede maar
telkens in een kast stopte. »Die ellendige boeken! Eerst koop je ze, en
dan lees je ze niet eens! En dan nog betalen!" Vader mopperde wat op die
verwijten, maar de gegrondheid viel niet te loochenen. Dat beseften wij,
kinderen, reeds.

Jammer van die afleveringen. En toch weer niet jammer. Want toen ik
merkte, dat er in de huiskamer geen belangstelling en ook geen ruimte
voor was, sleepte ik ze naar mijn kokertje, natuurlijk met Vaders
goedvinden en tot Moeders dankbaarheid. En daar lag ik dan, vlak bij
't lichtraam, de donkere platen te bekijken uit het »Bijbelsch Magazijn
voor alle standen" en de jachttafreelen uit »De Aarde en haar Volken".
Hoeveel stemming ik daaraan te danken heb, ik weet het niet.
Ontwikkeling waarschijnlijk niet veel, want de lektuur was er altijd
op ingericht, leesgierige menschen en kinderen af te schrikken. De
kunst om lezers te lokken, verstaan de kroegbazen in 't vak beter dan de
dominé's. Alleen de jachten in Afrika boeiden. Maar overigens niets. Ik
herinner me heel goed, dat ik het telkens probeerde, maar telkens moest
ik het weer opgeven. Toen heb ik ervaren, dat men een groot kwaad doet,
met het vrome en leerzame ongenietbaar te maken. Niet slechts--neen, dat
is nog niet het ergste--omdat men daardoor geen vat heeft met zijn brave
pogingen, maar--en dit is fataal--omdat men daarmee afkeerig maakt van
hetgeen ons juist aantrekken moest. Ga les nemen bij den duivel, als ge
uw kinderen in den hemel wilt hebben.

Later--ik weet niet hoe--zijn al die afleveringen naar zolder verhuisd.
Ik verdenk daar mijn goeie moeder van. Moeders hebben zoo'n genadeloozen
slag, om allen onpraktischen rommel (gelijk boeken! wat héb je aan die
vodden!) naar zolder te expediëeren. De zolder is rustig en ruim. Daar
liggen ze niemand in den weg. En zoo heb ik, in later jaren, daar de
schatten mijner jeugd weer ontdekt in een paar rozijnenkisten van ruw
blank hout. Toen heb ik ze me opnieuw toegeëigend. En sedert hebben
ze me niet meer verlaten. De Bijbelsche Magazijnen liet ik gaandeweg
schieten. Die waren _te_ saai. Daarvoor behelsden ze dan ook godsdienst.
Maar de gele afleveringen van »De Aarde en hare Volken" liet ik
tot boekdeelen inbinden--ondanks de verdwenen vellen--en die zeven
boekdeelen zijn met me door 't leven gereisd. Héél vaak heb ik
er in genoten. Mijn aardrijkskunde konden, dientengevolge, mijn
latere lesoverhoorders me niet heelemaal vergallen. En toen in de
Tullinghstraat de kinderen opgroeiden, zat Moeder menig, menig uur
met ze te smullen in de plaatrijke boeken. De oude verworpelingen,
zuchtend in een rozijnenkist op een kouden, stillen zolder, werden
lievelingsprentenboeken voor Grootvaders kleinkinderen in de warme
huiskamer.

Als Grootvader dát nu nog eens had kunnen bijwonen! Hoe zou hij
getriumpheerd hebben op zijn mopperende vrouw! »Zie je nou, vrouw, dat
ik nog zoo gek niet was?" En dan zou de vrouw, in wijsgeerige berusting
gezegd hebben: »Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!"

Inderdaad, als we alles maar eens vooruit wisten! Op Vaders zondig zwak,
om zonder geld te koopen, heeft--voor zoover ik zien kan--nog meer zegen
gerust, dan op de toch inderdaad heel vrome traktaatjes.

Doch laat ik nu op 't laatste oogenblik geen nieuwe onbillijkheden
begaan. »Voor-zoover-ik-zien-kan." Beseffen we wel allen de kracht van
die woorden? Wie weet, of ook zij den last hunner zending niet hebben
vervuld? Op Gods tijd. En op Gods plaats.

»Ja man, als je dat alles maar vooruit wist!"

       *       *       *       *       *

Wellicht heeft, onder 't lezen door, menigeen medelijden gevoeld met het
arme jongetje, dat zijn ontspanning moest zoeken in een benauwd hokje,
spaarzaam verlicht, en bovendien onfrisch als verzamelhoek van allerlei
keukendampen. Het spijt me wel voor de gevoeligheid, hem gewijd,
maar--dit medelijden zou absoluut misplaatst en dus overbodig zijn.
Dat jongetje voelde zich in zijn hokje zalig. Het was voor hem een
toevluchtsoord. Wanneer het hem te druk, te roezemoezig, te onrustig
werd in de wereld der volwassenen, trok hij zich terug in zijn
eenzaam verblijf, en kon daar--ver van de menschen, vrij in zijn
alleen-zijn--zoo volkómen genieten. En dan had hij toch niets, dan wat
traktaatjes, wat afleveringen, een boek, of wat eenvoudig speelgoed.

Wil ik u eens iets heel sterks zeggen? Wanneer hij later in den bijbel
las van »De Heer is mijn hoogvertrek", dacht hij altijd aan zijn
kokertje. Zóó veilig en vredig was het ook bij den Heer.

Ik geloof, dat het goed is, niet slechts voor grooten, maar ook voor
kleinen, dat ze zoo'n retraite hebben, midden in hun eigen kring. En wat
is het dan heerlijk, als de _ziel_, midden in de benauwdheid des levens,
altijd zulk een toevlucht heeft. Ja, de psalmdichters wisten het wel.

Maar nu moet ik nog iets opmerken. Over 't algemeen is het medelijden
met arme kinderen schromelijk overdreven. Natuurlijk, die kleinen moeten
gevoed, gekleed, gewarmd, gehuisvest worden. Ach, dat spreekt immers
vanzelf. Maar meen niet, dat ze zoo bar lijden onder wat kou en wat
gebrek. En dit zeg ik niet uit meedoogenlooze hardheid, maar uit
ervaring. 'k Heb zelf de armoede doorgemaakt, de fatsoenlijke armoede,
waarbij er echter ook een aanzienlijk tekort was in de eerste
levensbehoeften. Niet hier in den kruidenierswinkel, daar ging het nog
wel, maar later. 'k Heb ook in koude nachten mij onder karpetten (oude
wel te verstaan), rokken en jassen moeten warmen, omdat ik de wollen
dekens naar de bank van leening had moeten brengen. En toen was ik al
kweekeling. 'k Heb het armer gehad, dan menig kindje op mijn school,
dat thans van schoolkleeding en schoolvoeding geniet. Ontbering is mijn
jeugd niet vreemd geweest, en jaren achtereen. Maar--en hieromtrent
ben ik volmaakt zeker--nooit heeft die ontbering mij zoo schromelijk
gekweld. Daar kon ik me wonderwel in schikken. En ik herinner me zelfs
niet, dat ze me ooit diep het gemoed heeft verstoord. Neen, mijn
kinderellende kwam niet door gebrek aan eten, vuur en dekking, maar
door gebrek aan liefde. Versta mij wel: ik meen niet, dat ik daarover
te klagen had, en in huis wel het allerminst. Maar _als_ ik in mijn
kinderjaren echt leed heb gehad, was het altijd veroorzaakt door
liefdeloosheid van onderwijzers, van wantrouwende volwassenen, van
hartelooze jongens.

Ik leg hier zoo den nadruk op, omdat ik inderdaad geloof, dat--en niet
alleen voor kinderen, ook voor volwassenen--de schrijnendste pijnen
in het gemoed, en niet in de maag worden gevoeld, en dat men vooral
kinderen veel meer verkwikken kan met _in_ hen te komen, met begrijpend
meeleven, met waarlijke welwillendheid, met mild vertrouwen, dan met de
voorziening in stoffelijke behoeften.

Mijn kokertje. Hoe kan het getuigen van de geringe nooden der jeugd.
Armelijker kan het wel niet. Twee kinderen konden er niet in zitten.
Daarvoor was het te eng. Eén kind kon er zitten, als het zijn hoofd maar
steeds gebogen hield, en anders moest het er half liggen. De wanden van
het zeepvat en het vat met appelgelei, onder de toonbank, vormden het
uitzicht tusschen de treden der trap. Wandelende broekspijpen donkerden
het vale schemerlicht nu en dan tot halfduister. En toch, toch was ik
er gelukkig. Toch was het mijn hoogvertrek. Toch zweefde er, voor mij,
hemelvrede. Dat komt--de haat kon er niet komen, de hardheid het niet
bereiken, de nijd het niet bezoeken. De vernielzieke menschheid, tuk op
gemoedsverstoring, kon er de atmosfeer niet vergiftigen. En wat
beteekenden, daarbij vergeleken, de benauwde keukenluchtjes?

Een kind heeft aan weinig genoeg, mits het in een zuivere gemoedssfeer
mag ademen. En zoo kan het nooddruftige kind volkomen gelukkig zijn,
ondanks een schrale voeding. En zoo kan het rijke kind, bij overdaad,
bitter misdeeld zijn. Het eerste, wat een kind noodig heeft, is een
zuivere dampkring voor zijn gemoed. Dat beetje eten komt wel. Maar hoe
velen kunnen zulk een dampkring scheppen? Zalig dan de eenzaamheid van
mijn kokertje.

       *       *       *       *       *

Een laatste tocht naar het dak.

Ons huis was hoog, tenminste in mijn herinnering. In de
Eglantiersdwarsstraat had het een groot stuk blinden muur, waartegen we
van een onzer balspelen konden genieten. Dikwijls raakte de bal daarbij
op het dak. Maar dan bezon ik me niet lang. Ik wist den weg naar den
zolder, klom door 't dakraam, liep door de goot en haalde den verlorene.
Dat deed ik altijd zonder vragen. Niet omdat ik niet wou vragen, maar
omdat het me dan stellig geweigerd zou worden. Vader zou me nooit
veroorloofd hebben, op het dak te klimmen. Dat was veel te gevaarlijk.
Maar jongens zijn gelukkig zoo, dat ze alle uit angstvalligheid verboden
dingen toch doen. Mijn hemel, als ze eens waarlijk gehoorzaam waren, wat
zou er, bij de bekende verbiedmanie der volwassenen, dan van hen terecht
komen. Nooit werd een jongen een man. Doch nu gehoorzamen ze hun zuiver
instinkt vaak meer dan hun opvoeders, en dat is hun behoud, begrijp dat
goed, brave, dwingende, uit bestwil handelende paedagoog. De jongen is
niet ongehoorzaam uit onwil, uit boos opzet, maar omdat een wijze natuur
hem tot taak heeft gesteld, de fouten uwer domme paedagogie te
corrigeeren.

Mijn vader begreep dat maar zelden. 't Was heusch een allerbeste man,
maar het is ongelooflijk hoe conventioneel dom hij in de opvoeding was.
Net zoo dom, als tegenwoordig de overgroote meerderheid der vaders
nog is. Dan weet ge 't wel. Net zoo dom--als gij het nu nog zijt,
vriendelijke lezers. Dan weet ge 't wellicht beter. Al uw opvoedkundige
wijsheid is meestal domheid. En daaruit vloeien zooveel konflikten voort
met uw jongens.

Vader was dan een dier massa-paedagogen, die alles verbieden, toch
alles laten gaan, in drift pakken slaag toedienen, en toch veel van hun
schavuiten houden. De opvoeding is hun te machtig. En zoo gebeurde het
op een Zaterdagmiddag, dat ik weer een aframmeling kreeg voor een mooie
daad van zelfopvoeding.

Er lag voor de zooveelste maal een bal op het dak. Ik naar boven. En
gauw zat ik in de goot. Mijn makkers keken natuurlijk. Daardoor keken
ook eenige voorbijgangers, en nu hield een van hen »zijn hart daarbij
vast" en ging naar den winkel, om mijn vader te waarschuwen. Dat deed
die domoor natuurlijk weer met de allerbeste bedoelingen, maar niettemin
deed hij er gruwelijk kwaad mee.

Vader verliet snel den winkel, en zag me. Nu is het voor een vader veel
erger zijn jongen in gevaar te zien, dan voor dien bengel zelf om in
gevaar te zijn. Maar zulke kinderen móét een vader ook niet zien. Laat
hij zijn oogen dan ook thuis houden. Mijn goeie vader stond zich op te
winden van bedwongen drift bij persenden angst. Gelukkig riep hij niet,
dat ik omlaag moest komen. Niemand riep. Ze waren veel te bang, dat ik
dan schrikken en naar beneden tuimelen zou. Met starende oogen volgden
ze allen mijn kattebewegingen, in voortdurende spanning. Ze zagen,
hoe ik langs het steile randje voortschoof, hoe ik mij bukte, weer
terugschoof en door het raam naar binnen klauterde, volkomen rustig.
Geen moment was ik me iets gevaarlijks of iets verkeerds bewust geweest.
Maar o, toen ik beneden kwam. Nog eer ik gelegenheid had, mijn vriendjes
iets te zeggen, vloog mijn vader op me af, sloeg me waar hij me maar
raken kon, greep me in mijn nek, rammelde me door mekaar, en dat alles
onder toejuiching der andere vaders, die ook een stuk voldoening
eischten voor den doorgestanen angst. »Zulke beesten van jongens! Een
mensch staat doodsangsten bij ze uit! 't Is tegenwoordig dan al meer
dan erg!" Vader besefte bij die woorden te dieper zijn paedagogenplicht
en ranselde nog wat genadeloozer, om vooral te doen blijken, dat hij een
degelijke vader was, die om den drommel er niet van hield, zijn kinderen
te verwennen. _Kinderen begrijpen, heet altijd kinderen verwennen. Dat
is nu nog zoo._ En ik werd met schelden en klappen naar huis geranseld.

Wat was ik woedend. Wóédend! Ik had pas, zoo volkomen kalm, dat zware
stuk volbracht, een en al rustige beheersching. En daar werd ik zoo
getrakteerd. De menschen praten, van je vader in dank zoo'n kastijding
af te nemen. In dank? Mijn ziel was vol woede en verwijt. Ik besefte
tot in mijn fijnste vezelen, dat ik zoo'n behandeling niet verdiend
had. En dan zoo gruwelijk beleedigd te worden in tegenwoordigheid
van die vreemde straatmenschen, en van mijn makkers. Want het was een
beleediging, dat afranselen. En nog meer dat smadelijk naar huis jagen.
Ik voelde me diep gekrenkt en had zeker langen tijd noodig, om weer in
evenwicht te komen.

Krenkt uw kinderen toch niet. En vooral niet in tegenwoordigheid van
anderen. Wij, schoolmeesters, hebben daar ook zoo'n handje van. Dan
zeggen we zelfs: »Toe jongens, lach die domkop eens uit, die kent nog
niet eens de tafel van zes!" En dan geven we het domme kind prijs aan de
harde bespotting zijner medescholieren. »Die domkop!" Wie is de domste
van de twee, hij, die de tafel van zes niet kent, of wij, die het
kinderhart niet kennen?

Al mijn vergevingsgezindheid was ten slotte noodig, om mijn vader weer
in genade aan te nemen. Een vader, die zóó zijn kinderen kon offeren
aan zijn drift en zijn goeden naam bij het straatpubliek, dat was geen
vader. Maar--in zijn hart was hij toch een goeie man. Een half uur later
was hij zelf verlegen met zijn gedrag. Toen probeerde hij, tersluiks
weg, vriendelijkheden te bewijzen, de goede verhouding weer aan te
knoopen. En daartoe liet ik mij langzamerhand dan maar vinden. Ik
kon toch ook niet goed hebben, dat die groote man zich voor mij wat
vernederde. En dat deed hij toch eigenlijk met zijn er omheen gedraai.

Dit alles kon ik toen niet zoo juist formuleeren, maar ik zag het zeer
goed in. En het heeft mij altijd bevreemd, dat Vader dan niet door een
ruiterlijke spijtbekenning, met een beroep op zijn drift en andere
verzachtende omstandigheden, de zaak geheel in orde bracht. Dat gaat
juist met een kind zoo gemakkelijk. Een kind gelooft je dan op je woord
en is grootmoedig beschaamd door je zelfbeschuldiging. Maar tot zulk een
afdoend middel kon hij nooit komen. Daarvoor was hij, paedagogisch, te
dom. Domme paedagogen zien in zulk een zuivere erkenning van de waarheid
altijd een zelfvernedering, terwijl het een reusachtige zelfverhooging
is. Niets ontwapent den tegenstander sneller dan erkenning van ongelijk.
Niets wapent ons krachtiger dan de waarheid.

Ziedaar de eenige herinnering, die ik van het dak heb behouden. Ik wilde
er een bal halen, en kwam met een vroege paedagogische ervaring thuis.
Van al de ballen die ik te voren uit de dakgoot heb gehaald, weet ik
niets meer af. Al de geslaagde ondernemingen hebben geen herinnering
nagelaten. Maar die eene mislukte--is geworden tot een stuk, niet
opvoedkundige leer, maar opvoedkundige overtuiging, tot levenswijsheid.

»Zie je nou jongen," zou mijn Vader zeggen, »dat dat pak slaag nog zoo
gek niet was?"

En dan zou ik antwoorden:

»Ja vader, als je dat alles maar vooruit wist!"




STRAATJONGEN.


De straat. Dat was het terrein onzer zelfopvoeding. Daar kwamen onze
krachten los, geestelijke en lichamelijke. Daar wisten we niet van
landkaarten of andere vervelendheden, daar knelde ons geen schoolbank
en kwelde ons geen schoolmeester, daar hadden Vaders paedagogische
handgrepen geen vat op ons, daar waren we vrij.

Het is verwonderlijk, hoe een vuil stuk dwarsstraat en een brok »gracht"
naast een altijd stinkend water zooveel heerlijkheden kunnen bevatten.
Maar die heerlijkheden brachten we mee in ons eigen jongenshart. Het
vuil zagen we niet, den stank roken we niet--aan zulke nesterijen raakt
een mensch gauw gewoon--en alles lag overdekt door den glans onzer
verbeelding, de heele atmosfeer was doortrokken van gelukszon. Jeugd is
zaligheid, mits ze vrijheid hebbe. En die vrijheid hadden we, namen we,
op straat.

Daar had je »de gouden stoep". 't Was een hardsteenen stoep, drie treden
op en dan een bordesje. Langs de treden en het bordesje stonden ijzeren
paaltjes, die ijzeren leuningen droegen. En nu spreekt het vanzelf, dat
wij voor onze spelen alle stoepen naastten, dus ook deze. De straat was
te smal, om daar genoeg aan te hebben. Dan moest je wel de huizen en de
schuiten annexeeren. Bij 't krijgertje-spelen had een kameraad je veel
te gauw te pakken, maar dan vloog je een stoep op, en als hij je daar
narende, schoof je bliksemsnel onder de leuning door, de straat weer op,
vrij. Die stoepen waren inrichtingen, die je uit de benauwdheid redden.
En het was verwonderlijk, hoe we van ieder klein voordeeltje gebruik
maakten. Nood maakt vindingrijk.

De bewoners hadden daar natuurlijk wel een beetje last van, maar de
meesten berustten er in. Eén meneer echter was er, die dat gevlieg niet
hebben wou. Nauwelijks had hij in de gaten, dat zijn stoep in ons spel
was betrokken, of hij rukte de huisdeur open en joeg ons weg, soms met
een stok in de hand. Daarom heette zijn stoep »de gouden stoep", daar
mocht je niet aan komen. En nu was het gevolg van zijn grauwen en jagen,
dat we juist altijd naar zijn stoep toe gingen, en, ook zonder noodzaak
voor ons spel, er over holden en onder de leuning doorgleden. De gouden
stoep werd een apart spelletje.

»Jongens, ga je mee naar de gouden stoep?"

Aanstonds waren er een paar gereed.

»Durf jij er op?"

»Ik wel."

»Pas op, daar staat die kerel."

»Waar? Waar? Ik zie niks."

»Ja, daar achter 't gordijn. Hij schuilt weg. Hij loert op je."

»Laat hem stil loeren."

En dan opeens vloog je de stoep op, greep de leuning, gleed er onder
door, en--»Hoera!" schreeuwden de jongens. Dat was de eerste zege.

Allen stoven een eindje weg, als opgeschrikte musschen. Dan keerden ze
voorzichtiglijk terug, stapje voor stapje, totdat ze weer de stoep
omkringden.

De tweede waaghals volgde. In een oogwenk was hij naar boven en weer
op straat. Hoera! Maar nu werd het een schande, als je achterbleef. De
andere jongens hadden 't gewaagd, jij moest het ook doen. Doch 't werd
hoe langer hoe gevaarlijker. Natuurlijk had »die kerel" ons al lang in
de gaten gehad. Hij had zich zeker al staan opwinden van drift en woede.
Mogelijk had hij zijn stok al gegrepen en was hij al naar de huisgang
geslopen. Wellicht stond hij al achter de deur. Misschien had hij de
schuif al in de hand. Onmiddellijk zou de deur openvliegen, een kerel
in zijn overhemd naar buiten springen, een stok op je lijf ranselen. Je
wist dit alles niet, en toch wist je het. Niemand had iets gezien, en
toch was ieder er zeker van.

»Jongens, hij staat al in de gang, hoor! 'k Geloof, dat ik den smeerlap
gehoord heb."

Maar nu werd het pas echt. Je koos, met een fijn straatjongens-instinkt
voelend, het juiste oogenblik. Je sloop naar boven, dat hij je niet
hooren kon, en dan, ineens, met een luiden triumfkreet, onder de leuning
door. Hoeraaaa! De kerel stond zich zeker te verbijten van nijd.

De jongens die de eerste beurten gehad hadden, waren in de gunstigste
conditie geweest. Doch nu werd het gevaar hoe langer hoe grooter. De
vijand werd opgeschrikt, getergd, vol woede. De lont, door den eersten
aangestoken, naderde het kruit. Het gevaar der ontploffing was het
grootst voor de laatsten. Maar dat gevaar was toch ook weer zoo
aantrekkelijk, dat de eersten 't er nog eens op waagden.

»Daar hei je-n-em."

Ik was juist op de stoep. Teruggaan? Nooit. Dat zou een eeuwige schande
zijn geweest. Ik greep de leuning, wilde er onder door glijden, maar in
mijn verbouwereerdheid schoof ik niet laag genoeg weg, en kwam met mijn
gebit tegen de ijzeren leuning aan. Een geweldige schok, te krachtiger,
omdat ik juist zoo haastig weg moest schieten.

Of de kerel me geslagen en geraakt heeft, weet ik niet. Bij de pijn in
mijn tanden viel alles weg. 't Was of ik flauw zou vallen van de pijn.
Maar een jongen valt niet flauw. Hij maakt dat hij weg komt.

Zoo deed ook ik. Ik holde mijn makker achterna. Maar toen ik een eindje
verder stil bleef staan en tot bezinning kwam, bemerkte ik dat er van
een mijner oogtanden een stuk was afgebroken. Dat was in den strijd
gebleven.

Met een verminkten oogtand moest ik verder het leven in. En was het daar
maar bij gebleven. Zoo'n verminking schijnt echter den heelen tand aan
te tasten. Langzamerhand brokkelde hij verder af. En op 't laatst moest
ik schoolmeesteren en zelf redenaren met een leelijk gat vóór in mijn
gebit.

Zoo draagt de mensch de zonden zijner jeugd mee door 't leven.

       *       *       *       *       *

»Dat heb je er nu van. Verdiende loon."

Aldus sprak de opvoedingswijsheid van die dagen. En zoo spreekt ze nog.

»Eigen schuld. Wat deed je dien man te tergen. Loontje komt om zijn
boontje. Nu was je zeker wel wijzer geworden."

Wat dat »wijzer geworden" betreft, neen brave paedagogen, dat heb
jelui glad mis. We gingen voort, den man te tergen. Nu meer dan ooit.
Er viel nu een stuk tand te wreken. Daar zou hij voor bloeden. De
»gouden stoep" bleef een aantrekkingspunt. Heb jelui ooit gezien, dat
ontdekkingsreizigers zich door bevroren teenen en ijsberen van den pool
lieten terughouden? De pool trok ze, trok ze met onweerstaanbare kracht.
En als ze er eenmaal hun leven bij hadden verloren, waagden ze er een
tweede aan. Neen, met vloeken en stokken houd je nooit jongens van
gouden stoepen af.

Hoe dan wel?

Ik woon in een achterbuurt. Menigmaal staan er jongens en meisjes voor
ons venster. Die kijken naar binnen. En dan roepen ze tegen elkaar:
»Kijk, daar zitten ze. Ze eten. Zie je wel, sinaasappelen. Een schaal
vol. Kijk, die eene schept zijn eigen op. Zeg, wat eten ze? Kan jij het
zien?"

Dat is wel lastig, zoo'n bekijk. Je bent niet vrij. En wat doe je dan?
Dan word je kwaad, je tikt driftig tegen de ruiten en jaagt het
straatpubliek weg, liefst met booze woorden. Niet waar?

Neen, er is een betere manier. Ik denk aan mijn gouden stoep.

Ik ga naar 't venster, schuif het gordijn weg, en houd den kinderen een
sinaasappel voor: »Wil je dien hebben?"

Ze zijn op 't punt van weg te hollen. Maar ik roep ze, houd ze vast met
mijn vragende oogen, schuif het raam op, en geef ieder een sinaasappel,
ieder een heelen.

Ze nemen hem aan, krijgen een hoogroode kleur, prevelen: dank u, en gaan
weg, zonder dat ik het vraag. Een eind verder blijven ze staan, bekijken
met blijde gezichten--héérlijke gezichten--den sinaasappel, wijzen
mekaar de heerlijkheden, en trekken dan langzaam af.

»Een mooie manier!" zegt smalend de echte paedagoog. »Zoo stijf je die
brutale schooiers in hun kwaad. Welzeker, geef ze maar sinaasappelen. Ze
zullen morgen wel terugkomen. Zoo kun je aan 't geven blijven. Straks
brengen ze hun makkers mee. Dan krijg je een heele kolonie voor je
vensters. Daar valt wat te halen."

Die echte paedagoog heeft evenwel in dit geval ongelijk. Hij heeft bij
zijn beschouwing alleen zijn eigen machtsmiddelen in rekening gebracht
en geen nota genomen van dat wonderlijk gevoel in menschenzielen,
dat men een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid, beschaming
kan noemen, en dat ook in schooierszielen woont, maar door de echte
paedagogiek hardnekkig wordt kapot gestraft en aan flarden gescholden.
Die kinderen komen _niet_ terug. Ik pas die methode nu al meer dan vijf
en twintig jaar toe, dus je kan bijna zeggen, dat ik een paedaloog
ben, tenminste zoo'n soort, en volhardend experimenteer op levende
straatschooiertjes. Welnu, nooit hebben die kinderen mij in mijn
vertrouwen beschaamd. Ze kwamen niet bedelen om sinaasappelen, en keken
zelfs niet meer door de vensters.

Beredeneer dat nu maar, of--nog liever--reken het uit in een
statistiekje. Niet waar, dan alleen staat het wetenschappelijk vast.
Vóór dien tijd is het alleen maar zoo'n beetje geliefhebber. Je moet
het in cijfers voor je zien. Er moet een algemeene enquête worden
uitgeschreven over 't heele land: _a._ Hoeveel straatschooiers kijken
per jaar onbeschaamd door je vensters? _b._ Hoeveel gaan weg, als je ze
een sinaasappel geeft? _c._ Hoeveel van die komen weer terug, geenmaal,
eenmaal, tweemaal of meermalen? En als je dan bladen vol opgaven
hebt--enkel betrouwbare, o zoo betrouwbare--dan bereken je, op een
honderdste nauwkeurig, de resultaten. Dan staat de heele wereld
verslagen van je wetenschappelijkheid en word je nog dokter honoris
causa in de paedagogiek. Hoe zullen we 't in vredesnaam klaarspelen, wij
onnoozele zielen, aleer we onze wetenschappelijke zekerheid hebben.

Er is voor ons dat heerlijke Christuswoord: »Laat de kinderen tot Mij
komen, en verhinder ze niet." Indien er iets, ook maar iets van
Christus' liefde in ons woont, kunnen we ons daardoor veilig laten
leiden. Laat dan de kinderen ook tot u komen, en verhinder ze niet.
Verhinder ze niet met uw grauwen en booze blikken, niet met uw schelden
en uitjakkeren. Het is wel droevig en schandelijk, dat op tot heden
onbezochte eilanden de vogels nieuwsgierig en vertrouwend den mensch
zien naderen, en dat te midden der beschaving de vogels verschrikt
wegvliegen: »Een mensch, een mensch!" Zooals de musschen voor ons
wegvliegen, doen 't ook de kinderen. Ze weten zich bij ons niet veilig.
Verander dit. En wanneer ge twijfelt, hoe in bepaalde gevallen te
handelen, herinner u dan uw eigen jeugd. Beter leerschool voor opvoeding
is er wel niet. Herinner u, hoe uw kinderziel gereageerd heeft op de
handelingen der volwassenen. Hoe men den engel in u opriep, en hoe
den duivel. En handel dan soms, misschien zelfs heel vaak, precies
omgekeerd. Die gouden stoep heeft mij gebracht tot een open venster. De
dreigende stok tot een sinaasappel. En daar heb ik mij wel bij bevonden.
Waarschijnlijk mijn straatpubliek ook.

       *       *       *       *       *

Ik wil over deze sinaasappelmethode nog een paar ervaringen vertellen.

Er zijn in de buurt van onze school natuurlijk andere scholen, ook
christelijke en katholieke. Nu hadden sommige leerlingen van die scholen
er plezier in, ons overlast aan te doen. Ze schreeuwden onder onze
schoolvensters, scholden de onderwijzers uit die poortwacht hadden,
holden door de rij kinderen die zoo ordelijk op het trottoir bleef bij
't verlaten der school.

Klaagden we bij hun onderwijzers, dan werden we altijd heel welwillend
ontvangen en hadden het succes, dat de bengels duchtig onder handen
werden genomen. Doch hieraan was een ander gevolg verbonden, dat die
jongens n.l. nog wat vijandiger tegenover ons kwamen te staan. Hinderden
zij ons niet meer, bang voor een pak slaag, welnu, ze hadden nog
vrindjes, die niet meer op school gingen en wel als hun wrekers wilden
optreden.

Toen volgden we de sinaasappelmethode, die je heel goed kunt aanwenden
al heb je ook geen sinaasappelen. We lokten de jongens met vriendelijke
woorden, met een hand, zelf met een uitnoodiging om eens binnen te
komen, op de speelplaats naar de duiven en de bijen en de tuintjes te
kijken, in de school al de mooie platen te zien. Soms liepen we wel
met meer dan tien jongens, na schooltijd, de lokalen rond. En aardig,
ontroerend was het te zien, hoe die »schooiers" dan gaandeweg hun
schuwheid aflegden, belangstellend naar alles keken en vroegen: hoe het
kind zich in hen ontpopte, het vriendelijke kind.

»Meester, die platen hebben wij ook op school."

»Da's aardig."

»Meester, mijn vriendje gaat hier. Kent u hem?"

»Hoe heet hij dan?"

»Piet."

Daar valt een kameraad hem in de rede: »Zeg, d'r zijn zooveel Pieten in
de wereld. Je mot toch zijn achternaam noemen."

»Net zoo," zeggen wij. »Maar je bedoelt Piet Verbrugge, niet waar?"

»Zie je nou wel, dat de meester hem kent."

»Nó ja, omdat de meester hem dikwijls bij jou ziet, niet waar meester?"

»Netzoo."

Ze babbelden vrij uit, zetten uit eigen beweging de petjes af, en
bedankten ons bij 't vertrek. »Dank u wel, meester!" En--kwamen den
volgenden dag met een paar vrindjes: »Meester, of zullie ook eens magge
kijke."

»Welzeker, wat graag!"

De collega's van de bizondere school zullen me nu toch niet verdenken,
dat ik hun kinderen naar de openbare school lok? Eerlijk kan ik
verzekeren, dat we er nog nooit eentje van die gasten als leerling
hebben ingehaald. We hebben alleen wat straatvrindjes gemaakt. En als we
nu poortwacht houden, komen verschillende jongens van de broederschool
ons broederlijk de hand geven. Dat is alles.

Zullen ze niet besmet worden door zoo'n openbare-school-hand?

Kom, kom. Openbare en bizondere school moeten elkander de hand reiken.

       *       *       *       *       *

Als nu de Bond van Ned. Onderwijzers op zijn eerstvolgende Algem.
Vergadering geen motie tegen me aanneemt, wil ik ook wel mijn collega's
schoolhoofden aanraden--voor zoo ver noodig!--er wat minder gouden
stoepen op na te houden en tegenover de klasse-onderwijzers, onder hun
leiding, wat meer die sinaasappel-methode te volgen.

»Dus," zegt de strijdgrage, doch al te vaardig concludeerende
klasse-onderwijzer, »dus, wij zijn zoo iets als straatjongens, die op de
vensters van de bovenmeesters hangen, om te kijken naar hun welvoorziene
tafels, en die dankbaar wegsluipen, als ons genadiglijk een sinaasappel
wordt toegestoken? Wij danken u feestelijk voor deze genade. Wij willen
zelf om den disch zitten, en gij moogt onze vaten wasschen."

Goed, goed. Er is eenmaal een Meester geweest, die zich niet ontzag,
neen, die zijn grootheid openbaarde, door vrijwillig de minste te zijn
en zijn discipelen de voeten te wasschen. Nooit onteert het werk den
man. Wij worden alleen ontroerd door eigen onzedelijkheid. Geen
buitenafsche glans van rijkdom of rang kan wegschitteren de doffe
nevelen der innerlijke onreinheid. En alle nuttig werk kan geadeld
worden door den geest die het verricht.

Goed, goed, ik wil uw vaten wasschen, als gij op die wijze mijn gaven
het best aanwendt tot heil van allen. Maar dan zal er toch wel iemand
zijn, een uit uw midden, gelijk ook ik uit uw midden ben voortgekomen,
of anders een uit voornamer levenskring, een dokter, advokaat, officier,
in ieder geval iemand, een mensch, door u gekozen of aangesteld vanwege
de door u gekozenen, een.... medemensch, d.i. een medezondaar, aan wien
wat leiding en toezicht is opgedragen. Noem hem president en laat hem
gezag voor een bepaalde periode, gelijk ook gijzelf telkens opnieuw
gekozen wilt worden, afkeerig van stabiliteit in uw positie, of noem
hem inspecteur en gun hem bij een blijvende taak ook een blijvende
bestaanszekerheid, er zal iemand zijn, die over u en mij te zeggen
heeft. En tot dezen iemand--misschien zijt gij, Bondsman, het zelf
wel: er kunnen meer Ketelaars van klasse-onderwijzer gezagsman
worden--tot hem en zijn gelijken zeg ik: geen gouden stoepen. Reik
ons hartelijk-welmeenend als 't noodig is een sinaasappel toe. Ge zult
eens zien, hoe die ons opvoedt.

Er was eens een bovenmeester, die steeds zelf graag veel vrijheid
had genoten, en nóg genoot, en die daarom (ja daarom, en niet
desniettegenstaande) ook den onderwijzers veel vrijheid gunde en
toestond. Je kon zeggen, dat de man er voor hen heelemaal geen gouden
stoepen op nahield. Ze mochten letterlijk alles. Mits dat alles
overeenstemde met hun plicht. Ze hadden volle vrijheid om te doen,
wat hun plicht hen gebood.

Maar nu was er onder het personeel eens een jonge, al te levenslustige
vrijbuiter, die zoo nu en dan wel eens wat geholpen moest worden in
het genieten zijner vrijheid tot plichtsvervulling. Komaan, daar was
hij jong voor. Hij sprong wel eens wat buiten den, ook door hemzelf
noodzakelijk erkenden band. En dan moest natuurlijk de bovenmeester hem
vriendschappelijk daarop attent maken.

Eens bij zoo'n gelegenheid was onze vrijbuiter echter wat ál te
nonchalant. En toen de bovenmeester hem de onmisbare perken wees, maakte
de schavuit het nog erger. Wat denk je, dat hij antwoordde op de zeer
gegronde aanwijzing? »Och, stik!"

Het kwam er heel joviaal en jongensachtig uit, maar men moet erkennen,
dat het, zacht uitgedrukt, toch getuigde van wat al te weinig eerbied
voor het regelmatig gezag.

Wat deed nu de bovenmeester? Hij had dit antwoord kunnen rapporteeren,
te meer, daar het hem onder getuigen was toegevoegd. Wellicht had hij
het móéten rapporteeren, zoo niet ter wille van zijn persoon, dan toch
ter wille van zijn ambt. Hier had iemand, niet in speelsche dartelheid,
maar, althans schijnbaar, in respektlooze onbeschaamdheid, een
noodzakelijk gouden bordesje niet betreden, maar bespuwd.

Wat dééd de bovenmeester?

Hij noteerde niet en rapporteerde niet. Hij gaf niet eens een standje.
Hij zweeg. Ik denk, dat hij zich uit zijn jeugd ook herinnerde, hoe
grauwen en dreigingen averechtsche gevolgen hadden. Maar hij rekende op
iets. Hij rekende op dat »wonderlijke gevoel in menschenzielen, dat je
een mengsel van dankbaarheid, grootmoedigheid en beschaming kunt
noemen". En hij rekende niet te vergeefsch.

Den volgenden dag kwam de vrijbuiter bij zijn gezaghebber en zei, met
iets heel trouwhartigs in zijn stem, een eigenaardige tinteling in zijn
oogen, en een kleur van verlegenheid:

»Bent u boos, om wat ik gisteren gezegd heb?"

»Boos niet, maar...."

»Och," kwam het er toen innig vertrouwensvol uit, »u moet maar denken,
dat u zoo'n soort oudste broer van me bent."

Toen stak de gezaghebber zijn vrijbuiter hartelijk de hand toe, en die
twee bleven de beste vrinden, wat ze al waren, en nooit heeft in de
kranten gestaan, dat een jong onderwijzer tegenover zijn rechtmatigen
chef op een gegronde aanmerking »stik" had geantwoord. Daar is geen zaak
van gemaakt, daar is het publiek niet in gemengd, daar zijn de vakbladen
niet mee gevuld, daar zijn geen Hoofdbesturen voor opgetrommeld. En er
is geen jonge rebel gestraft. Die jonge rebel heeft sedert een mooie
carrière gemaakt.

Dit alles was te danken aan de sinaasappel-methode, ofschoon men terecht
opmerkt, dat de bovenmeester zijn onderwijzer toch geen sinaasappels
offreerde. Maar wie nu nog niet heeft begrepen, hoe het kenmerkende
dezer methode hierin bestaat, dat zij zich richt tot de _goede
eigenschappen_ der menschelijke natuur, dat zij die wekt en te hulp
roept, om het kind, het kleine en het groote, _zichzelf_ te doen
verbeteren--die is niet waard, onderwijzer of bovenmeester te zijn.

Ik zou het een groote onderscheiding achten, wanneer op een algemeene
vergadering van Paedagogen de motie werd voorgesteld en bij acclamatie
aangenomen:

»De Alg. Verg. van enz.....

gehoord enz.....

overwegende enz.....

verklaart, dat de sinaasappel-methode van Jan Ligthart de
voortreffelijkste is,

en gaat over tot de orde van den dag."




NOG STRAATJONGEN.


Volwassenen plagen--dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste
straatgenoegens.

Hoe kwamen we daartoe?

Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij
de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.

Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in
allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon
krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte,
dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde
der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.

Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden.
Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen
vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.

Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, _bij eigen ervaring_
leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan,
in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?

Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding.
Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden
absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat
onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat
ook zoo kunnen hebben.

Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en
trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat
op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug.
Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En
nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd,
ineens midden op straat.

De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of
een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er
heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar
moest.

Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.

Toen holde de »schooier" natuurlijk weg.

Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?

Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig
vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard
waren onder de bejegening van de ouderen.

Eén vriendelijk woord.

Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen,
tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de
jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat
wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of
gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een
vijandelijke partij beschouwen?

Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De
kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort
gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet
van oorlog. Aan wie de schuld?

       *       *       *       *       *

Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak
traktaatjes van me »kreeg", was een platte stoep in den vorm van een
rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren
vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen
dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor,
welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep
wierp.

We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers.
Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of
een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp
op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje
door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die,
het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te
rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven,
het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden,
sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een
gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep
gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in
van de ouderen overgenomen humor: »Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve
Heer hoort hem brommen."

Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden
we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar
dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te
gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den
belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen
daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde
dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de
bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en--'t was
koud--weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en
dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van
onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel
in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk
genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te
peuren. We hadden ook beet gehad.

Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met
een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon
echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden
we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur
naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs
geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of
te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door.
Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen
huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of
voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te
schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren
al lang verdwenen.

Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want
er was in onze streken een mooie »opklimming van moeilijkheden". De knop
van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend
genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel
vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige
pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op
_zijn_ stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo
ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden,
beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen
had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun
machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen
voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte--als
wisten we van den prins geen kwaad--het vruchteloos rukken aan te zien.
Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen
onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige
ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de
bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen
we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel
twee--links en rechts--en konden deze, plotseling naar buiten schietend,
ons insluiten. En dan zaten _wij_ in de klem. Bij al onze ondernemingen
waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen.
Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het
jongensinstinkt zit.

       *       *       *       *       *

Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke
kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn,
ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote
vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de
volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten
te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit
gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen,
als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende
hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld
worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een
paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik
heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik
geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder
geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard.
Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een
afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.

Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen
scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld
mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn
wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat
spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest
tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze
weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.

En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?

Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. »En als wij
nu ook eens drie weken spijbelden?"

Maar dan is mijn vast antwoord: »Dat doe jelui niet."

»En als we het dan tóch eens deden?"

»Jelui doet het niet."

»Hoe weet u dat?"

»Omdat je 't hier veel te goed hebt."

Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: »Haha,
te goed!"

»Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen.
En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier
onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je
verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker
van."

»Jongens, ga je mee?" roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil.
Maar halverwege keert hij lachende terug. »'k Zal maar hier blijven."

»Dat wist ik wel."

Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat
gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben
kunt.

Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen
kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had
daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu--»of de meester
ook een plaatsje voor hem had."

»Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb
ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd
geweest."

De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe
dwong--je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de
slachtoffers _dwingen_ hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door
hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op
jagen--de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een
glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.

»Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag
komen, hoor!"

Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te
doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.

»Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde."

Vier vragende oogen keken mij aan.

»Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt."

Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld
van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij.
Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten
verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar
gebleven, en heeft _nooit_ aanleiding tot eenige klacht gegeven.

Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn
klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek
zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek.
Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen:
Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit
opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat
we dit succes te danken hadden aan de methode van--toe, geef eens
een mooien naam, liefst een Griekschen--de methode van....
zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.

       *       *       *       *       *

Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als
de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een
plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen,
misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets
goeds geboren wordt.

Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en
vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en
dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond,
zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We
halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat
kuiltje

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/31107