De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2
by Multatuli · Dutch · Gutenberg #30751 · 878,602 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2
Author: Multatuli
Editor: Jeanette van den Bergh van Eysinga-Elias
Release date: December 24, 2009 [eBook #30751]
Most recently updated: December 17, 2022
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/30751
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE, DEEL 2 ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Multatuli
De Geschiedenis van Woutertje Pieterse
Opnieuw verzameld uit de "Ideen"
Door
Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias
Tweede Deel
Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921
N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam
Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de
"massa." Catapultische inspatting van de "massa." Où peut-on être
mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z'n
held, en bevreesd dat dit wel 'ns meer zal gebeuren.
Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing "in den
handel" vooraf ging, werd-i door 'n drie- viertal ontmoetingen zoo
vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel
moeite had om z'n hoofdje heel te houden.
En z'n hart ook!
't Was donderdag. Stoffel kwam thuis met 'n belangryk bericht. De
Koning--ik weet weer niet welke koning--was onverwachts in stad
gekomen, en zou den volgenden avend of 'n dag later den Schouwburg
bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen
hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte.
Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks
ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten--waaronder
zelfs 'n Keizer--Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z'n
residentie--Utrecht? 's-Gravenhage? Haarlem?--zouden die aanzienlyke
vreemdelingen 't Hof naar Amsterdam volgen. 't Was dus deze keer
'n praal mit Umstände, met 'n sleep.
Het republikeinsche Volk zou niet alleen 't aangezicht te zien
krygen--of 'n slip van den rok--des tirans, maar tevens aangezichten
en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van
tiranninnen.
De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam--'n
pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren
als markt--dreigden de stad met 'n proces.
't Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen
open-luchtgebruik te betalen voor de kans om 'n paar oliekoeken te
slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat
Z. M. zich aan "het Volk" zou vertoonen op 't balkon van het gewezen
stadhuis.
Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie 'n
geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie?
Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was
ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z'n majesteit? Dit
zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben.
Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde
industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de
menigte te dringen, die straks roepen zou: "leve... dit of dat!" naar
den eisch van 't oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook.
't Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat's schynen
niets uittewerken.
De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de
vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid
vergezelden.
Daar was--naar men uit de couranten vernam--de prins van Caramanie,
die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men
had uitgerekend dat een van z'n voorouders kapitein was geweest
in Staatschen dienst, en dus... z'n bloed had vergoten voor de
Nederlandsche vryheid.
Dit bloed--en misschien ook de vryheid--was 'n krantenverzinsel. Maar
dat onze prins 'n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was
waar. En op z'n hoofd had-i 'n byzonder grooten steek. Men kon dus
by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen:
Leve de prins van Caramanie!
Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog
die uit z'n land was gejaagd wegens z'n deugden. De man was spaarzaam
en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door
't dom gepeupel onttroond, en met 'n schepel diamanten over de grenzen
gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam 'n paar dozyn laten
zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De
couranten vermaanden dus 't Volk tot den allerwelstgemeenden roep:
Leve de Hertog met z'n diamanten!
Prinses Erika was 'n nicht van den Koning, en bestemd voor den
troonopvolger van 'n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus
aan Nederland z'n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche
staatsschuld betalen--zoo verzekerden eenstemmig de kranten--als men
nu maar braaf schreeuwde:
Leve prinses Erika!
De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren
ridder die z'n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten
betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval
bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen
nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men
moest dus roepen:
Leve de Paltsgravin van Aetolie!
De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon
van 'n kroeghouder. Z'n verdiensten waren drie krantkolommen
lang... brevier-letter, en nauw gezet. 't Volk moest dus even nauwgezet
wezen in 't waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon
zelfs--met 'n beetje inspanning, nu ja--hy kon z'n naam zetten. Langs
'n oceaan van afgronden--zoo zei de krant--had-i zich vervolmaakt
tot zwager van 'n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als 'n
koorddanser. Wie dus 't belang des Vaderlands op 't onbesmet harte
droeg--zoo zei de krant--kon niet laten uit zeer onbeklemde borst
meeteschreeuwen:
Leve de Groothertog van Ysland!
Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam
vereerden met 'n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk:
"la Venise du Nord" heette, en... interessant was, zeer interessant!
En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er
niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn.
En de hollandsche schilderschool! "Rambrànn... magnifique!"
Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met
neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend.
--Il paraît qu'un certain Wondèle a écrit des choses, des
choses... mais des choses... passablement bien!
En de dyken! De Katwyksche sluis...
Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag!
...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in
de snipperuren die 'r overblyven na 't haringkaken en kaasmaken,
by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met
schaatsryden en harddraven 't meest geliefd--geliefkoosd, zeiden
de kranten--volksvermaak.
Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met
minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft.
De eenige persoon die 'n gansch anderen--doch daarom geenszins
tegenovergestelden--indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m'n Wouter
niet vooruitspringen. Ook 'n schryver heeft z'n plichten.
Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd
vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk
verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend
vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den
naam... in den naam van wàt eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wàt?
Nu, dit is 'n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er
was drukte. 't Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in
'n verhuisboel, in 'n sterfgeval, in 'n brand, in alles wat hurry en
bereddering veroorzaakt.
Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte
zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk
is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder
acht te slaan op de leegte van die praatjes.
--Nou, dat 's me 'n ook 'n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo'n
groot huis!
--Twaalf! riep 'n ander.
--Né, negen!
--Twaalf!
--Negen!
--Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat's twaalf, of ik heb
't mis!
--Né, die drie hooren er niet by. Dat's van de verdieping, weetje? Want
de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik.
--O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf
is. Wat zeg jij, Hannes?
Hannes vond het ook. Enz.
--Tot hoe lang zouden die pitjes branden?
--Wel tot... één uur.
--Dat geloof ik niet.
--Ik wel!
--Ik niet! Enz.
--Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht?
--Och, 't is er niet mooi.
--Nou, mooier als hier!
--Ja.
--Neen. Enz.
--Zeg, dring zoo niet!
--Ik kan 't niet helpen. Ze dringen my ook.
--De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo.
--Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de
kalverstraat eens zoo breed wezen moest.
--Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat
is het!
--Ja, hy is te smal.
--En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz.
Wouter's eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren
aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom
vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien
van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als
z'n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in
lompen gekleed.
Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen,
zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den
tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke
armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen?
Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze
schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan
modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.
Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... "de menschen drongen
zoo!"
Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i
niet: "massa" op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg,
hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.
Maar: "de menschen drongen zoo!"
Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer.
Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder
dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n
Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen
die veel grooter waren dan hy.
--Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar
heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er
óók een!
Dit "ook" heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt,
ziehier 'n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die
ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig,
vreemd en belangryk vindt...
't Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen
nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te
komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon "aangegeven"
worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken.
Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met
dringen en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning!
Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat
"dringen" 't prettigst van de zaak.
Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men
ze alle tweehonderd veertig duizend--er waren er 'n paar uitgewaaid
sedert zoo-even--op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje!
Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n
medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la
masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft,
zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv.
Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens
liep hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit
gedoogt de "massa" niet. Gedrukt wil ze wel worden--daar is ze
voor--maar wie zich aan haar wil vasthouden...
Krak!
Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte
had de dubbeldeur van 'n koffiehuis verkracht. De inbersting was
vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en
vulde den krater waarin onze held--na 't beschryven van den bekenden
bruinvisch-parabool--vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land
kwam op 'n tafeltje...
--Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat.
--Heb je je zeer gedaan, Wouter?
Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z'n
verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't neerkomen op
en onder allerlei glaswerk, en eindelyk--dit was 't minst verrassende
niet!--omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed
bekende familie Holsma.
't Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.
"Gods vinger" had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was
heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling
schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te
smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend...
Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak
had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood
iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte. De kastelein--op
doordringen was geen kans--schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene
moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk
gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de
massa's er by.
--Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als
om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp.
En oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog.
--O God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat
betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder...
In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.
--Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar
anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust...
Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede
der Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan
van 'n zyweg zich onttrokken had aan de "massa" verklaarde hy ronduit
dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen
te zien, na zóó'n schandaal!
--'t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel
zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de
kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je
daar bekomen van den schrik.
De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter
tot bedaren te brengen voor 't gezelschap daar aankwam.
--M'n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy.
Holsma stelde hem gerust. Er zou 'n boodschap naar z'n huis worden
gezonden, om z'n familie te doen weten waar-i was.
De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in 'n kamer naast
die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat
de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde.
Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat 'm verboden was,
zette zich in den hoek van 'n sofa, en viel in slaap.
Of 't in het algemeen nuttig is, na 'n schrik in beweging te blyven,
kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen
altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit
middel--de natuur wees het hem aan--meermalen 't verbroken evenwicht
herstelde. Misschien ook was 't geen eigenlyk slapen dat hem by zulke
gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde.
Er was weer de oude hoogheid in z'n droom. Maar met 'n schok viel-i
telkens neer.
En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de
wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen 'n eind aan
z'n zweven.
Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit,
en de massa droeg hem, tot 'n man hem in de hand beet...
Hy schaafde namelyk zyn pols aan 'n ongedresseerd paardehaartje dat
bezig-was z'n dienst optezeggen by 't vulsel van de rustbank.
...tot 'n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de
massa? Ziedaar!
En men smeet hem neer.
Gelukkig kwam z'n hoofd te-recht in Sietske's schoot, zonder 't
minste glaswerk.
En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z'n ziel omhoog. Hy
voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten,
hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem,
en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch...
--Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt 'n plaatsjen open,
waar ik staan kan, staan op m'n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand
hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet
handelen naar z'n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie
kan denken als er geen plaats is om te staan?
Weer schuurde z'n hand langs 't weerspannig paardehaartje. Hy verzette
zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen...
Daar klonk op-eens 'n stem...
Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke...
Wel zeker, er moest in z'n droomen iets van Femke! Waar bleef ze
zoo lang?
't Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De
man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde
aan de sterren z'n kostuum: 'n onderbroek... die door háár versteld
was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet.
--Heb je 't zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast
hem. Jyzelf, of kon je 'r niet dóór?
--Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb 't den kruier opgedragen.
Wàt? In-godsnaam, wàt?
Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer
ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme "massa" maar... die
stem?
Die stem klonk nog!
En ze klonk weer:
--Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! 't Is 'n lief jongetje! Dàt
hoorde hy Femke zeggen!
Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma's in, zag nog even
het driehoekje van 't gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad
en sloot...
Hy had den moed niet--of wat ànders was daartoe noodig?--om te vragen:
--Heet dat dienstmeisje... Femke?
Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid!
Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy
voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk.
Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde
geweest was...
Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de
Holsma's! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar
spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen
van Willem die hem zoo plaagde met z'n hoogmoedig latyn...
Dan... dan... o zeker!
Dàn!
Maar nu! Maar hier!
Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook 't eenige
wat ik in z'n voordeel zeggen kan.
Overigens...
Alas, poor mankind!
Wat beteekende de dolfyn-parabool op 't koffihuistafeltje, by
zóó'n val?
Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd!
Over de zedelyke strekking van 't kleerborstelen. Onridderlyke
verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede
editie. De eigenaardige kalmte van 'n kwaad geweten. Iets
over driehoeksmeting in 'n bedstee, en maagdeperen in den
Jodenhoek. Hm... zy weer!
Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de
boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden
hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs
gezocht had naar 't ware adres.
--Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar
ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld
hebben dat de jongeheer--want "jongeheer" zeid-i--by dokter Holsma
leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo'n man praat
altyd. Die soort van menschen doen niets als praten.
Nu, ieder mag 't weten. 't Is maar om te zeggen dat de menschen altyd
zoo praten, en zulke kruiers...
Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de
familie meeging? 't Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch
'n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel?
Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden
dienst deed als: "ja nogal!" Of: "ik zal er me op beslapen." Of:
"daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!" Enz.
--Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de
kalverstraat.
Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma's in de
kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan 't
getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen
modus quo?
Och!
--Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor
het "lakensche goed."
De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde
eenstemmig dat Wouter's rug zich had schuldig gemaakt aan 't inzuigen
van allerlei vloeistoffen.
--'t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui.
--Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude!
--Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het
zoo...
--Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder.
--En naar wyn!
--En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest,
jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite
te komen--ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?--en
je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! 't Is 'n
ware schande!
--'t Was zoo erg vol op straat, moeder!
--Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En
geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui?
De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet
voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook
niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als 'n verstopt
slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige
ondervinding, en liet moedeloos den storm over z'n hoofd waaien, die
toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf
iets verstopt, en dus bedorven was. 't Hoog gevoel dat hem gewoonlyk
bezielde, was geknakt.
Hy had 'n laagheid begaan!
Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon 't wegpreeken! Ja, God-zelf
niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de
andere...
Die andere!
Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op 'n
beetje staal in 't mengsel waaruit Wouter's ziel gegoten werd?
--Maar... als 't Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo
beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, 't is wel
waar dat ik 'n ellendeling ben, 'n brok massa, te dom en te laf om
verantwoordelyk te wezen voor m'n laffe domheid. Maar... zóó heeft
God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk.
Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z'n
overtuiging.
Waartoe zou 'n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op
God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: "ieder moet handelen naar Gods
overtuiging!" En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen!
Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten.
Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was!
Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik
ben minder dan 'n hond!
Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of...
O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!...
...of zou 't misschien 'n ander geweest zyn? 't Kan heel best 'n
ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen!
Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei
ze dat niet met de stem die my 'n lieven jongen noemde toen ze my
dien kus gaf by 't brugje?
Ze heeft my gekust en 'n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet
dat ik 'n ellendige bloodaard ben, zonder hart!
O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis
overal en tegen ieder zeggen: "dat is Wouter, die m'n vrindje... was,
en dien ik eens 'n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen
de jongens die steenen wierpen op m'n bleek!"
En ik... o God!
Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik
niet leven!
Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht
van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z'n wanhoop de
duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen 'n eind
te maken aan z'n onwaardig bestaan.
Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na 't ontbyt aan 'n bezigheid
gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen.
Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z'n
jasje--een vonnis dat m'n volkomen goedkeuring wegdraagt--en hy spande
zich zóó in, dat-i na 'n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid
naar z'n moeder liep, en juichend uitriep:
--Kyk, moeder, er is niets meer van te zien!
't Onnoozel triumfjen over 'n kleine moeielykheid joeg de wolken voort,
die z'n gemoed beneveld hadden.
Men zou voor z'n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig
de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van 'n paletootje.
De ongelukkige die nooit z'n eigen kleeren borstelde, kent het
leven niet.
--Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter.
En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z'n gemoed
beroerd had, geheel neder.
"Oneerlyk" noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by
anderen, maar by zichzelf. Wie met 'n uitgesproken klank tevreden is,
wie z'n geweten meent te kunnen paaien met 'n kwitantie van schuld,
geteekend door 'n ander...
Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis
en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar
niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien
vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden,
en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon!
Maar eerst moet ik nog iets zeggen over 't ellendig gehalte van
Wouter's schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na 'n beetje
getob zou Femke zeggen--precies als in Kotzebue's Menschenhaat--"ik
verrrgeef het u!"
En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd.
Hoe sneller hoe beter dan!
Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond!
Wouter's last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog 'n tydje
te blyven dragen.
De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de
Holsma's. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen 't
gek vinden!
Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag!
't Kon immers best wachten tot-i eerst 'n paar dagen... "in den handel"
geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen...
Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke "heusch" verzekeren...
De uitvinding van dit "heusch" was zoo kwaad niet. By lamlendige
beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze
misdadiger dit geleerd?
Hy zou haar verzekeren...
Wàt?
Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier "handel"
hy nu was aangeland...
Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd &
Kopperlith en hun "handel."
Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere.
Misschien zou z'n nieuwe chef hem pryzen over... z'n krulletters! Of
over z'n aardrykskunde! Of over z'n strabbische uitgeleerdheid! En
dan kon-i tegenover Femke z'n schande hullen in 'n wolkje van
allervereerendste byzaakjes. 't Meisje zou verbaasd staan over z'n
knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid
dat ze zich had laten verloochenen door zóó'n handels-fenomeen!
Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z'n
onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem--wat dan ook!--dat
voorwendsel en verschooning leverde voor 't niet doen van z'n plicht.
Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet!
Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed.
Aanschellen? Goed.
Maar... wat dàn?
De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd
uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den
wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid?
De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat
zoud-i zeggen? Iets als:
"Vryster, ik moet Femke spreken, 't adjunkt-kindermeisje?"
Daar hoort wat toe, waarachtig!
En dàn?
In de gang... 'n knieval doen? Of zelfs--o gruwel!--in de keuken?
Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z'n boeken daarvan
zeggen!
Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig
maakte aan zoo'n dorperheid?
Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven--en de Afrikanen
geen kroon!--als-i...
Zou Ivanhoe 't gedaan
hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De "Eduards" van
Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken
van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid
voor. Maar... ze staan in 'n boek, en de lezer kykt er naar, en zal
't weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote
daden geschieden in 'n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het
boekeheldje kampt onder de oogen van 'n publiek.
Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor 't grandioze van
de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de
vloermat? Zoo'n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder
slaat acht op z'n prouesses, en weet ze te schatten.
--Welnu, dacht Wouter, ik zàl m'n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar
eerst "in den handel" en bovendien...
Een nieuw duiveltje bekroop z'n gemoed. Wie weet of Femke niet
spoedig de Holsma's verlaten zou, en terugkeeren naar 't huisje by
de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de "paden"... of by 't
brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van
Kaatje's fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem's onmenschelyk
latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens...
De lezer gelieve optemerken dat er 'n leelyk deficit bestond in
Wouter's gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan
't reinigen van 'n bemorst jasje.
Dat overigens 't verloop van z'n... liefde voor 't meisjen, 'n geheel
andere richting insloeg dan z'n onschuld...
Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg!
...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn,
en Wouter was niet goed op dien vrydag!
Nu komt de "vinger Gods" die hem straffen zou. Dit goddelyk
lichaamsdeel lei 't zonderling aan.
De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z'n
nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy
had zelfs geen lust in 't kibbelen met Laurens, die altyd--zonder
pretentie op 't konstrueeren van 'n meetkunstig werkstuk--de diagonaal
beschreef.
Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z'n inslapen te doen
voorafgaan door 't overdenken van de voorvalletjes die gedurende den
afgeloopen dag aan de orde waren geweest.
Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf,
wat anders z'n gewoonte was.
Zekere prins had geld onder 't volk gestrooid...
--Hé... als ik zoo'n prins was!
Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in
zoo'n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen!
De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb
geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. 't Mensch was in
't Trippenhuis geweest, en daar--volgens de couranten--minzaam,
zeer minzaam...
--Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat
is dat toch voor 'n betrekking?
De Koning had audiënties en 'n diner gegeven, en gezegd... och, de
gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het
welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit
belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In
Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad...
Neen, weg met Afrika!
Hy smeet z'n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den
sport van 'n stoel slingerde als 'n stervende paling.
Weg met Afrika! Want...
Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar
plaats verbeurd had op dien troon? En of ze...
Weg met Afrika!
Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze
huwen moest met 'n grootvorst, maar... geweigerd had.
Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of 't niet
'n malle koppigheid was van prinses Erika.
Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken
in de hoogheid van haar stand...
Wouter trok z'n tweede kous uit, en keurde 't af dat prinses Erika
geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen
ruilen? Hy: prins Erik. En zy...
Zou ook zy 's nachts zoo'n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht
Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. 't Is waarlyk zonde
en jammer dat zoo'n schepsel haar geluk niet waardeert!
En dit scheen toch 't geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het
Trippenhuis kwam--waar ze minzaam geweest was--had ze geweigerd
terstond mee terug te ryden naar 't paleis. Ze wou den "amsterdamschen
Jodenhoek" zien, en nam flinkweg 'n kamerheer onder den arm, die
haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle
moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in 't hartje! En zie, hy
droeg 'n korte broek--gelyk byna iedereen, in Wouter's tyd--en zyden
kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om
gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort...
Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van
de minzaamheid.
Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of
zelfs meer dan minzaam. Ze had 'n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg
gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot.
Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet
hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en
bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had
ieder er van gehoord, al wist men dan niet of 't waar was. Duizenden
schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde:
"wezenlyk!" Daarop dat het 'n verzonnen praatjen, niet geschied was:
"wat ik je zeg!" Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet
geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel 'ns op 'n anderen
keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te
weten wàt geschied was, en wat niet.
Dit vind ik ook.
Prinses Erika...
Wouter blies z'n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling
genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen
had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize
Pieterse: beroering!
't Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja
gebengeld. Brand?
Hm! Zou 't misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen?
Och neen, 't was juffrouw Laps.
Ruilen kwam ze niets.
Maar wat dàn, zoo laat op den avend?
Wouter trok z'n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde.
Wy ook!
Zelfs juffrouw Laps zegt soms 'n waarheid die 't overdenken
en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake:
menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels
en... Fancy.
Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven
de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en
moesten uit kiesheid altyd 'n kwartiertje vroeger slaap voelen dan
die jonge-juffrouwen.
Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier
jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet
te stikken. Maar benauwd wàs 't in dat hokje! Soldaten zouden
"gereklameerd" hebben.
In 'n ander lokaaltje had 'n soortgelyke verdeeling van engte plaats,
en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald
door gelyke wetten van kiesheid.
Met 'n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat
de oorzaak was dat 'n gedeelte van den grooten staf der Pietersens--en
wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde--nog
altyd in de huiskamer by-een zat, op 't oogenblik toen Wouter zich
voordroomde dat die gekke prinses Erika wel 'ns in 't hoofd kon krygen
met hem te komen ruilen van pozitie.
In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die
als 'n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend
en huilend het huisvertrek binnenstormde.
De gewone tusschenwerpsels van: "mensch, wat is er?" en: "goeie god,
wat is er gebeurd?" waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het
traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens
hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om
"te bedaren." Een zonderling voorstel altyd.
Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering
dat het haar onmogelyk was 'n woord uittebrengen.
De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z'n eene kous weer aan om
beter te kunnen luisteren.
--Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet
spreken kan van schrik en alteraasie.
--Gut, mensch!
--Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar
bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog 'n glas water,
Trui! Hoor 'ns hoe ik bibber... 'n mensch klappertandt van schrik,
niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel?
--Wel, mensch, die kleedt 'm uit. Hy gaat me vóór, my en Petró.
Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen...
anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom
kleedt Stoffel 'm uit, en dan sluit-i z'n gordyntje, weetje, als-i
ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an?
--Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg,
heel erg! En is... Laurens ook al naar bed?
--Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z'n drukkery
wezen. Maar...
--Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als 'n ongeluk langs de straat,
als 'n mal mensch--van schrik, weetje!--en weet niet waar ik belanden
zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed...
--Maar wat is er dan toch gebeurd?
--Ik zal 't je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik
geschrokken ben! Verbeelje...
Wouter trok uit 'n akoustisch beginsel z'n tweede kous aan.
--Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt?
--O ja, maar...
--En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter
komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw
en haar dienstmeid, in de Lommerstraat...
--Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil
je meer?
--'t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat
gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons 'n doekie voor de
oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient
de jistiessie, zieje! De luî die 't gedaan hebben, willen wel zoo, en
hebben al den tyd om op 'r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje
wat ik altyd zeg... ik zeg dat 'n gemeene kerel die 'n moord doet,
en veel geld steelt, z'n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En
al dat geld ook niet!
Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z'n
buren kennen z'n buizen en broeken van-buiten. 'n Kast waarin-i
wat kan wegstoppen, heeft zoo'n man niet. Verstand van effekten
of obbeligaassies ook niet! En den weg naar 't buitenland weet-i
ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z'n boeltjen
aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... 'n
moord of 'n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet
terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door
'n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies
heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden
onder bankiers, zieje, die 'm afhelpen van z'n obbeligaassies. 'n
Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z'n broodkast leggen,
en daar vinden 't de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui?
Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren
grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord,
schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z'n broek aantetrekken.
--Maar, hoorde hy op-nieuw z'n moeder vragen, wat is er dan toch met
je gebeurd?
--Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De
stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse!
--Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen?
--Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken,
en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens,
en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog
bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m'n huis durf te gaan?
--Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen?
--Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die
ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond--gister by
de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!--en de
policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand 'n vloerkleed
uitklopt na tienen 's morgens... dàt doet de policie! Maar al die
moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik!
--Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze
kent! Dat 's je plicht, mensch!
Wouter trok z'n vest aan, en deed 'n dasjen om.
--Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m'n eigen huis! Is 't erg of
niet? Ik ben van middag uit geweest, om 't hardzeilen op den Amstel
te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En 't was
heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die
koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje,
en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om
'n koning geef, gut né! Want hy is 'n wurm in Gods hand, net als
jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al 't aardsche is
maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de
koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al 't volk... dat er naar
keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m'n
aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik
aardappelen over heb, bak ik ze 's avends altyd op, weetje. En er was
groot gedrang by den Amstel, en 't speet ieder zoo dat er geen wind
was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat
des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja
dacht ik, 't wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt,
en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen,
dacht ik, maar Hy wacht z'n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt
doet-i altyd. Eén dame--'t mensch had roode puisten in 't gezicht,
en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!--wat denk je dat ze-n-op
't hoofd had? 'n Tulleband, mensch! En ze zat in 'n koets met vier
paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze
speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te-paard naast haar koets
kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal
op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En
wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt...
--Maar... wat is je dan toch overkomen?
--Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar
ik beef nog zoo. Ik had m'n aardappelen aan schyfjes gesneden, en
op 'n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis
kom, kan ik terstond aan 't bakken gaan, want ik hecht niet aan
wereldsche dingen--want ik heb de genade, weetje--want ik dacht zoo
by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut,
juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat
me-n-overkomen is.
Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had
geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel's
opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om 't
spannend verhaal wat meer op z'n gemak aantehooren dan door de porien
van z'n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i
niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z'n nachtpon. Hy nam nu
waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na
den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van 't
bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef?
Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z'n neusgaten de demonstratie
van 't pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo
aanschouwelyk voorstelde.
Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze
't geweten had. Ze wist alleen--en 't hinderde haar erg, naar 't
scheen--dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor.
Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest
juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de
uitbersting? Waarom toch?
--Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en
dieven is?
Stoffel zoog z'n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de
punt van z'n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen
mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde
methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet
antwoordde op deze vraag.
Juffrouw Laps hield zich of ze "ja!" verstond, omdat het zoo in haar
kraam te-pas kwam. En dus:
--Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en
moordenaars, en... 'n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z'n eentje
naar bed gaan. Dat zeg ik!
--Maar... juffrouw...
--De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet
op God vertrouwt? Dàt 's 't ware! En wie dàt niet doet, is
verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens
altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is
zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder
z'n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar
huis durf, en...
Hier vertoonde zich weer 'n "vinger!" Wouter's nieuwsgierigheid was
ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte
houding, en leunde met één hand op den rug van 'n stoel. Z'n steunpunt
kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte 'n
ander meubel...
--Heere-jesis-kristis, wat 's dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy
't, Laurens?
Wouter piepte verlegen terug, dat het: "ik" was. Uit deze stoornis
vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke
belangwekkende dingen werden verhandeld.
Z'n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste
omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i "nog" niet uitgekleed
was, en...
--Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?" riep de moeder.
Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z'n slaapmuts! Hy
meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl 't andere gemist,
dan dat eene te hebben!
--En... wat heb je dáár?
Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te
maken met 'n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met
den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z'n vader gebruikt
werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende 't begin van 't lapsisch
verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy...
Nu ja, hy verstond iets van 't oude: "waar blyft Wouter?" Uit den mond
der spreekster niet, o neen--'t waren immers juist de woorden die
ze by-voorkeur niet uitsprak!--maar... hy meende ze toch te hooren,
al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant.
Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam,
maar... hy bleef nog altyd Wouter!
Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, 'n dame--ze heette Laps,
godbetert!--wat anders kon daarop volgen, dan:
--Ce sera moi, Nassau!
en..:
--God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe
was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog
altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de
slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor
gevaar, al was dan z'n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat.
Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn.
In zóó'n stemming had Wouter--hy scheen niet te weten dat ook z'n eigen
felonie voortkwam uit lafheid!--tusschen z'n tweede kous en z'n broek
in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de
hand, toen er door zoo'n zonderlingen samenloop van omstandigheden
'n welgelukt beroep werd gedaan op z'n moed.
O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch
altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen
ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te
ontdoen van z'n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in
billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder
wat? Den een de muts, den ander 't wapen? Of, beter nog, waarom niet
Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens
by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat
kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z'n bed!
Maar... 'n held, 'n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy
beschermen zal!
Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó'n helm!
Wouter was woedend.
En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de
boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden,
en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor
'n stalen helm aan, en hun hemd voor 'n schubbejak.
Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben,
indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om 'n
andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin 'n braaf ridder
zich niet màg leeren schikken.
Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en
te èrkennen. En... z'n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op 'n
roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid!
Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom
van z'n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door
't gemeene. Is 't niet treurig?
Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van
hun pluimmutsen over 't hoofd zien--lafaards wachten zich wel
voor zulke gekheid!--is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie--en
op-den-duur--genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke
logika, met het tragisch-heterogeene...
't Huwelyk van rapier en muts was maar komisch!
... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is
verloren! Hoogstens kan er 'n rykworder uit hem groeien, 'n schoonzoon
van Kappelman, of zoo-iets.
Goddank, Wouter zou 't leeren inzien. De zeer intelligente lezer
begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy
was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben
tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i
met driftig gebaar z'n wapen kletterend op den grond smeet, en z'n
muts--flap!--op de tafel.
Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z'n
moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in 't welzyn van
z'n zieltje: "of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?" 't
Had er veel van.
De "vinger" van zoo-even zal wel weer de klauw van 'n duivel geweest
zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer.
--Ik zeg dat jelui 't kind niet zoo moet versagrineeren, zei de
bibberende bezoekster.
--Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder.
--Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw
Pieterse, van m'n aardappelen...
Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene
nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z'n blyven
hoognoodig voor de ekonomie van m'n vertelling.
...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet
eer, om de drukte, weetje--anders... ik houd niet van remoerigheid,
dat weetje wel--nu, toen ik thuis kwam--de stad is vol moordenaars
en dieven, dit moet je wèl in 't oog houden!--toen waren m'n
aardappelen... waar denk ie dat m'n aardappelen waren? Ze waren... weg!
--Weg?
--Weg!
--Heelemaal weg?
--Heelemaal... wèg!
--Je aardappelen weg?
--M'n aardappelen... heeeeelemaal... wèg!
--Maar...
--En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er
zyn moordenaars op m'n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf
niet alleen thuiskomen...
Wouter's oogen flikkerden.
...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel...
Stoffel zette 'n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars
uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het 'n geruststelling bevatte
voor de toekomst van 't métier.
--Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis?
--Een kat? Ben je mal? 'n Kat tegen moordenaars?
--Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar 'n kat die misschien je
aardappels heeft opgegeten?
--Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat
de menschen vermoordt zonder dat er 'n haan na kraait! Niet dat ik om
m'n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept,
zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M'n oogen hebben
je heerlykheid gezien! En dan...
--Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder
je bed?
--Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is
wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m'n zolder
ga ik niet, en onder m'n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch
goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen
of... je zoon... Stoffel... of--als Stoffel geen senie heeft--byv. je
zoon... Laurens, of...
--Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen,
juffrouw?
Aldus sprak Stoffel.
--De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft
geen schoothondjen aan, laat staan, 'n moordenaar! En naast me woont
er een die... wat zal ik je zeggen, 't is 'n jonkman, en je weet dat
ik me niet graag in opspraak breng. Want... 'n mensch moet zorgen
voor z'n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel.
Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan
voor 'n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien "door z'n school"
boven wereldsche verdenking verheven zyn?
--En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen
kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor 'n dief, als de
dood. Verleje week stond er 'n brittale bedelkerel in 't pertaal,
en de vent wou niet weg. Denk je dat ze 'm aandurfden? Maar ik,
ik pakte hem flink beet, en...
Ze versprak zich, en bemerkte het:
... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet 'n vrouw was
geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat
stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m'n kamer,
zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet!
"Al die manlui!"
Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust,
of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke
"manluî." Juffrouw Laps merkte 't wel.
--Nu, als Stoffel 't niet graag doet...
--Om je de waarheid te zeggen, ik...
... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft...
Ze stond op.
... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m'n eentje... maar griezelig
is 't voor 'n vrouw alleen!
Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze
sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over 't hoofd gezien, en
daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de
ridderschap van den huize.
... als dan hier niemand is, die durft...
--Ik durf, juffrouw!
Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders
verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden
als de rest.
--Jy?
--Jy, Wouter?
--Jongen, ben je gek? Jy?
--Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend
onder je bed!
Hm, zoo'n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had 'n
God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van 'n paar
keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze
Wouter--zònder keurvorsten!--trok als 't ware ten-stryde tégen den
god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder
't dak en bed van juffrouw Laps konden zitten.
--Maar, jongen!
--Ik durf!
--Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is
altyd 'n gezelligheid voor me, zoo'n kind by me te hebben! Zieje,
dan griezelt het me minder, als er misschien 'n moordenaar op zolder
zit. 'n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar?
Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z'n
nachtpon en bakkersmuts in 'n pakjen onder den arm, verliet hy
't huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps
verzekerde dat zy 'n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen
waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos.
De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter's
benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde
het geen der leden van 't koncilie goed, dat de jongen meeging met
juffrouw Laps, maar de familie was groots op z'n moed. De zaak zou
bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen
dat er bygevoegd werd:
--'t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by
dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal.
"Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw
Pieterse!" zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden.
En zoo-iets hoort men graag.
Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin.
Maar... Fancy?
Preutsch was ze niet!
Dat verloochenen van Femke vond zy èrger!
Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist,
alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis.
Niet tevreden--o neen!--maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging
ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat,
toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der
oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door
Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag
des jongelings die op 't schaakbord z'n ziel aan den duivel verspeelt.
Hm... in één party?
Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez
la Reine?
Waarachtig niet!
Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren
gaan!
Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk?
Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen
voeren, en na 'n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd,
is er nog 'n byzondere genade noodig om in den hemel te komen?
Dit moet 'n dwaling zyn! Maar... 'n dwaling die 't verklaart, waarom
de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel
speciaal-kunsten worden uitgevonden om God 'n beetje te helpen in
z'n ál te ongelyke kans.
Dit hoeft niet!
Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte
met haar vleugel.
Ze laat hem begaan, en doet--als ik!--haar werk. En:
... doet, als ik, haar werk!
En spint den vlok tot draad, en weeft den draad
Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend,
Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft.
En wie 't verband ontkent, is schuldig blind,
Ter nauwernood onschuldig wie 't niet kent!
Van dit alles wist Wouter niets. Z'n onkunde mag wel een der oorzaken
geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps
de trap van haar woning opging.
't Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken
aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars.
Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met
Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag,
of z'n--ongeoefende!--moed niet op 't beslissend oogenblik in de
schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan
toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken...
Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die
walgelyke vrindelykheid--wat ranser was wist-i niet!--daar hoort
méér toe!
Hy voelde berouw over z'n veronderstelden moed, en begreep niet
hoe hy z'n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de
onvermydelyke byzaken.
Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen,
die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te
stellen.
De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders
van deze eeuw. "En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn
knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan
hem uit." Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd
werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van
beschermengelen.
--Tast jy maar gerust toe, m'n jongen, en seneer je niet! Of wil je
misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht
hier blyft, zieje, om op me te passen...
Wouter hield z'n jasje voorloopig aan.
En... 'n lekker likeurtje heb ik ook voor je... 't is beste! Van
Fockink, weetje, die z'n fabriek heeft in... die nauwe straat, je
weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene
vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat 's niet goed voor
'n jonkman als jy.
De "jonkman" Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei
dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid
hem 'n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z'n
eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot
jonkman was streelender nog dan 't "in den handel" zyn.
Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z'n nieuwbakken
hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze
verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort
worden toegemeten.
--Wel wis en zeker, Wouter, je bent 'n jonkman, wist je dat niet? 't
Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat
je-n-'n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik
zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt
niet! In 't geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-'n pyp
rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet
'n pypie rooken, net als andere mannen?
"Mannen!"
Help, Fancy!
Wouter antwoordde dat-i "nog niet" rooken kon. 't Kostte hem moeite
dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar
hy moest wel oprecht zyn omdat 'n eerste poging om Stoffel natedoen
in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen
dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.
--Zóó? Rook je niet...
Ze liet het, "nog" weg.
...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is 't 'n verkeerde gewoonte
van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet
rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel--hy is zoo oud als jy, maar
wat kleiner, en vryt met 'n nichtje van me--die rookt ook niet.
Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan "vryen" deed:
help, Fancy!
--Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet
wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat
je-n-'n effetieve jonkman bent. 't Is heel mal dat ze je-n-altyd
behandelen als 'n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je
moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om 'reis te noemen... zooeven
op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar 'n zwakke vrouw ben,
weetje? En 't was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen
jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon
dat ik 'n manspersoon by me had. Ik had je best 'n arm kunnen geven--je
bent heusch grooter dan ik--maar ik deed het niet, omdat je-n-'n pakje
droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht
had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik
's nachts met 'n heer liep.
"Met 'n heer!"
Fancy!
--Want 'n mensch moet altyd zorgen voor z'n fatsoen! Hier
binnen'skamers is 't wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel
dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie 'n vrouw bekladt, is
geen ware man, dit weet je-n-ook wel.
Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z'n besef van loyauteit,
dan helderheid in 't begrip van: "bekladden." Hy vertaalde juffrouw
Laps' maxime in z'n boekentermen, en las voor: "vrouw" en: "man"
de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder.
't Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten
of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest
over de likeur--par impossible, want ze was van Fockink--of dat
de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had
gesmaakt--onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel
slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie
meebrengt--jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van
gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps
zou hebben geschandvlekt? Nooit... "by m'n zwaard!"
De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien,
of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor
iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was 't
inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om
de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou
geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan
had ze tevens--door geestelyke oefening veredeld!--geen lust gevoeld in
zulke krygstochtjes en dus 't heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals
nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde,
maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar 'n
mikroskopisch doeltje.
Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen
die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer
op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de
wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen
dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou
geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op 't zielkundig
terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens
't hare was. Want--wie zal dit begrypen?--haar scherpzinnigheid was
minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou 'n man--overigens gelyk
begaafd--uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó
praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En,
omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd,
wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met
verwrongen geslachtsdrift.
Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te
kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van 'n paar
gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand
verdediging mogelyk was?
En... Fancy? Wendde ze treurig 't hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze
te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?
Teekent haar de artist--die m'n werken illustreeren... zou, als ik
't geluk had geen Hollander te zyn--wordt ze hier door den schilder
voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?
Vlucht ze heen?
Wat toch doet hier onze Fancy?
Komaan, artisten--die m'n werken niet illustreert, omdat ik maar
'n Hollander ben, in-plaats van 'n zevende-klas buitenlandsche
beroemdheid!--komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy's
wangen...
Een geest weent niet om zoo weinig...
Weg met die geknakte gestalte...
Geesten bukken niet onder zoo geringen last!
Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van
dit alles!
Kalm en ernstig--'n glimlach misstond er niet by!--zette zy haar
kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer
iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!
Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...
Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de
natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort
komen omdat haar feiten òpraken.
Aventuur op aventuur! Is 't u te veel? Ei, ziedaar... 'n nieuwen schok!
Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn 'n nieuwen
takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen,
en knappen zal ze niet!
Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst
met 'n orkaan!
En ze glimlacht!
Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet
B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!
Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.
Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al
gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe
vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den
adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.
De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde
voor 't gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En
ik verzoek hem uit-bestwil, z'n deel te nemen van die kalmte.
Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!
Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was
't slagen zéker?
Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor 't goede dan de
verleidbaarheid van 'n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de
zoetigheid van Fockink's likeurtjes, en de nog zoeter drang van
gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!
Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden "val"--och, arm!--blyft
het misschien de vraag, of 't Fancy de moeite waard wezen zou de
wapens aantegorden in 'n stryd van zoo weinig belang? Dat... "booze"
was maar ordinair.
Wanneer ze 't doet, geschiedt het waarschynlyk uit luim
alleen. Want... luimig is ze. Luimig als 't spel, als 't weder,
als de wereldgeschiedenis, als alles wat òns luimig toeschynt omdat
ze dom zyn, beginnertjes maar in de moeielyke studie van 't rerum
cognoscere causas! [1]
En àls nu eens onze Fancy--uit zoogenaamden luim dan!--mocht blyven
versmaden 't belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...
Juffrouw Laps was 'n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me,
lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan
volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling
ligt aan de vermeende eischen van 't boekmakers-ambacht. Sedert
onheugelyke tyden gebruiken de heeren van 't métier, dergelyke
zaakjes als hoofd-katastroof. 't Afgezaagd: "en ze viel!" is de
lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.
Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de
daaruit voortspruitende behoefte aan 'n "fatsoenlyk huwelyk"--ik erken
volmondig die behoefte, doch alleen: "omdat uwe harten boos zyn"--is
't vallend voorwerp gewoonlyk 'n stumperige "zy."
Welnu, die "zy" begaat 'n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al
vinden de lezers--die de zaak hardschreeuwend afkeuren!--zoo'n "val"
allerplezierigst, en 't onmisbaar element in 'n "mooi" boek: men moet
niet vallen!
En wanneer by uitzondering de valler 'n "hy" is ...
Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan 't
wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter
voor den "handel" geworden zyn wanneer-i z'n jasje had uitgetrokken,
en z'n... vestjen er by!
... als er 'n "hy" valt...
Wèl, dan heeft-i 'n fout begaan, 'n Mensch moet niet vallen. Hy heeft
beter dingen te doen.
Doch--"hy" of "zy" dan--leugen is 't, zulke nietigheidjes voortestellen
als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!
Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.
Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in
de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen,
de oude stumpert!
Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van 't kwade. Zoo
overdryven kwakzalvers 't gevaar van 'n lichte ongesteldheid, om hun
poeiertjes aan-den-man te brengen.
En leugen is 't ook uit 'n aesthetisch oogpunt, als men van zulke
armzalige gegeventjes alleen, 't zedelyk schoon of de leelykheid
eener figuur wil laten afhangen.
Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps 'n handje te helpen in
haar plannetjes--'t staat aan my!--om te doen in 't oog springen
dat m'n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan
worden gebracht. Maar ik heb 't recht niet, m'n Fancy vóórtegrypen,
die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook,
dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen
dat zulke valgeschiedenissen...
Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.
En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!
Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste
afwyking van de wetten der zedelyke logika...
Zóó immers wordt "deugd" by denkers genoemd?
Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde
machtsverheffing van 'n zweertje tot kanker.
't Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in 't
vermyden van zulke mis... greepjes.
En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour
si peu!
Goddank, er zyn--'t geringe niet minachtend--verhevener dingen
te bejagen!
Goddank, er zyn--zonder de minste vergoelyking van
pekelzondjes--vreeselyker zaken te vermyden!
De te grypen eerekroon in 't strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En
wel is 't jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door
de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys
dien ze deelen met 'n eunuuk.
Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en
onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!
Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht,
of al wàre ze 's morgens ontmoedigd weggeklept naar 't hof van
Wouter's moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon
gestruikeld was...
Zou ze niet met 'n strenge vermaning zyn teruggezonden naar 't
zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar--zyzelf nu, de
wachtster!--veranderd te worden in 'n zandkorrel, wegens al te grove
miskenning van haar plicht?
Er hoorde moed toe--krankzinnigheid liever!--dáár aantekomen met
de boodschap:
Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:
't Hemelsche Ryk heeft 'n eind ... maak voor uw meerdere plaats!
Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,
Met 'n compositum mixtum. [2] van vleipraat en Fockink's likeur!
Wat de geesten zouden gelachen hebben!
Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element
van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De
fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter
was inderdaad opweg om 'n jonkman te worden. Misschien wàs-i 't
al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z'n bovenlip
begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.
--Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als
je-n-'n kind was, zou 't geen kwaad kunnen, want 'n kind heeft geen
erg. Maar jy!
Zeker, hy moest "erg" hebben! En z'n jeugdig kneveltje was er volstrekt
niet tegen om "erg" te krygen. "Al wat van zelven wast, behoeft men
niet te zaaien!" zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop
niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig
van 't begieten.
--Laat my je nu reis inschenken...
Wouter dronk.
En ... Fancy?
Ze glimlachte!
Allerlichtzinnigst voor 'n hofdame uit het gebied der geesten?
Toch niet!
--Hoe vind je nu dàt likeurtje?
Wouter erkende...
Fancy, Fancy!
Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg
die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich
welstaanshalve te onthouden van "erg".
En 't winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren
zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote
noten dan.
--En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen--gut, ik
heb altyd zooveel van je gehouden--dat 's zoo gezond by 'n likeurtje!
God-vergeef-'m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog 'n oogenblik,
en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!
Fancy, ben je blind?
--En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken,
we zyn hier onder ons beidjes.
Een koninkryk voor 'n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok
waarachtig z'n jasjen uit!
Fancy!
--Heelemaal met ons beidjes, zieje!
Fancy, ben je doof?
--En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve
beste jongen bent...
Fancy... deern!
Wouter schikte by.
Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!
Och neen!
Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond
voor z'n hoop!
"Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i,
zal-i-niet-litteratuur!"
Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens?
Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden
langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?
Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder
zou kunnen innemen zonder in 't leger der Menschheid als rekruut te
hebben dienst gedaan van de patroontasch af?
Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy's leiding,
dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie 't loochent,
liegt even misdadig als de miskenner van 't hoogere, van 't goede,
want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.
Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in
't sierlyk aankleeden van 't gemeene, en vooral in 't belangryk maken
van onnoozele lapsische platheid.
Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over 't
veldtochtje van haar stumperige vyandin?
De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo'n wyf niet. En ook
onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was,
zelfs aan de nuchterheid van 'n kind.
Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt
in z'n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond
op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd
hebben, als-i genoopt ware geworden z'n indruk te vertolken in
'n woord.
Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig,
niet tot 'n wereldberoerende kalamiteit, tot 'n casus diluvii! Och, wat
zouden we weinig droge jaren hebben als er 'n god was die regenplassend
toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!
Nogeens, juffrouw Laps wàs 'n slecht schepsel. Om 't beoogde feit
niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen
omdàt ze nu eenmaal 'n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging,
zittende levenswys, en 'n tal van dusdanige ziekten meer, zouden
kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs
'n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd
tot finale vryspraak.
Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was
inderdaad 'n slecht schepsel, en daarmee voor 't oogenblik: uit! Of
zou men misschien...
Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer
buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten,
noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen
hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...
Och, in myn oog zou 't mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te
hebben op 'n goedig: "uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!"
Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke
afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk
is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.
Misschien had juffrouw Laps de "deugd" van ons kereltje met rust
gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische
theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen,
schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, 't verstellen der onderbroeken
van 'n pastoor.
Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben
toegeschenen aan besmette zieken!
Ziek, ziek ... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek!
Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam
van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van
me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof
ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd
ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten
leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk
allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van 'n aard, dat men byna
achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers
opgemerkt dat ze haar "God" wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit
schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis
van 't gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees
alzoo voor--vermeenden--wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had
het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er
niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of
genen "Heer" 'n pleizier deed door 't uittrekken van z'n jasje. Dit,
of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat
ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk
tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer
in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes,
huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!
Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou
'r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den
hoogstberoemden Nederlander Fockink nog 'n graad of wat sterker
geweest.
Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong
zich nog altyd de handen in 't minst niet, zy die toch blyk gaf van
strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter's félonie van
den vorigen dag!
Fancy was, en is... liberaal!
Te liberaal?
Voyons!
Beste lezer--ik bedoel: gy die onder al m'n lezers de minst onoprechte
zyt--stel u eens op 'n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En
houd boek!
Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers
langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de
dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de
legioenen opengereten boezems...
Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich
op 't hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die
eenmaal voor elk hunner de traditioneele "eerste" was...
Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al 't geween, 'n de profundis uit
het gekners der tanden...
Bevolk 'n zoölogisch muzeum met al de wurmen die 't gezelschap
inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...
En dan...
Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de
statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als 'n vóórhel? Als
'n pleisterplaats van verdoemden?
Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts
gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd,
van krizes als waaraan hy was blootgesteld.
Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den
aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen--'t kinderachtig
wègdenken helpt niet!--als 'n atoom of 'n zon. Zoomin loochenen als
wiskunstige waarheid.
Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet
ontwaart, wie niet stuit op de sporen die "zonde" nalaat, op zùlke
sporen van zùlke zonden...
Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen
mag, helaas!
Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes
optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel
zetten van 'n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.
Onder ons gezegd--en niet gebleven, naar ik hoop!--het komt me voor,
dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het
z'n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.
Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!
En dat Wouter er meer van dronk dan goed was--voor z'n maag vooral!--is
ook waar.
Hy verloor dan ook iets van z'n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander
op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik
was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit
denzelfden sleutel zongen.
Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.
Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst,
of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen
alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en
spreidde by Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon,
die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.
't Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n
aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht gezelschap.
--Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw
Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de
heele wereld niet! Ik zou ze...
Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen.
Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel
kind.
--Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil
laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen ... dat nooit! Wie aan
jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!
En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom
ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't donker
alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren
omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille
te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en
wering zoeken onder haar voorschoot.
--Maar, juffrouw ...
--Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien
tegen me zeggen.
Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.
--Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?
--Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak
was dat je hier zou blyven... ontbyten.
Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n
uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om
te rillen!
--Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje
voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen
ben--ik, als vrouw, weetje--met al die dieven en moordenaars, dan
wordt ik zoo... griezelig.
Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend
gelast werd...
Hy weifelde...
Zy hield aan...
Hy begon...
Men bedenke dat het kind beneveld was!
O Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende
statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan
zou al...
Maar toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen?
Dit hoofdstuk is gekopieerd uit 'n oud Register der handelingen
en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De
lezer kan staatmaken op meer.) 't Verhaal van Klaas Verlaan,
den "Amstelhavenknecht." Geleerde verhandeling over
voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt.
Om van Fancy's spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is
't noodzakelyk eenige uren terug te gaan.
De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van
de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met 'n bezoek, 'n
hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds
de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat
de zaak mislukt was door 'n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de
waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige
gevolgen moge gehad hebben voor 't evenwicht van haar ziel.
Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van 't vak beweerden
"dat er geen zuchtjen aan de lucht was." Wie zich anders uitdrukte,
werd voor 'n landkrab gehouden.
Het plezier-roeien was nog niet in de mode--de mode had ongelyk,
want het is 'n flinke mannelyke oefening--doch al ware dit anders
geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere
geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van
't gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.
In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger
fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo'n matrozige
inspanning 'n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor
deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze
als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in 'n stuurstoel
lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen,
en had dus eigenlyk alleen aanspraak op 't plezier.
Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z'n werk niet. Hy scheen elders
bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters 'n spotdeuntje voor,
op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam
heen-en-weer pauwden in stof en hitte.
Ja, 't was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als
menschen. De joujoux de Normandie--'t speel- en groettuig der
beau-monde van dien tyd--klommen al trager en trager by hun koordjes
op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor,
dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite
hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets,
heette: morbidezza. De beweging der vingers, die 't kleine rukje
moest meedeelen waardoor 't stygen werd te-weeg gebracht, behoorde
onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand,
en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.
Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin
'n groot gedeelte van 't prestige in hofkringen, dat haar inderdaad
niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee
ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill
was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en
't is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in 't bezit was van
't geheim om 't belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen,
en zeer langzaam te laten dalen langs de door 'n onnaspeurlyke oorzaak
gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart
Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft
voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is
dus afgesneden.
Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan
den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven--op één na,
want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!--mag waar zyn, maar
toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak.
En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men 't
helpen kan--dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval
geweest--terwyl er tot het wel besturen van 'n paar palmhouten schyfjes
aan 'n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen
weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor
'n koning zeggen:
Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas
me faire l'amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que
mon diable d'... allié vient de loger dans ma capitale?
Of:
Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und
nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter
mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest
und chouchouirtest?
Nu spreekt 'n prinsje:
--Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt
widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave
zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein
Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke
den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in
den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute
Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken,
verehrungswürdigste Parke Durchlaucht!
Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en
heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is
hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren
personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen,
en toch de moeite van 't aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs
sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo'n leegte. Ik heb kooplieden
gekend jazelfs werkluî, die praten konden als 'n... prins nà den bloei
van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:
Een prinsesje spreekt:
--Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da
gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend
fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe
zusammen fischen, Cousine!
'n Sterveling van lager soort:
--Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn
Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde
sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit
geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche
Hoheit's göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine
Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste
Wahrheit.
Enz. Enz.
Al deze menschen logen 'n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom
dan 'n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls
hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad 'n aanstelling by
'n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer?
Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou 'n blyk
van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den
lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel--men
weet reeds dat ze roode puistjes in 't gezicht had, en ik voeg er nu
by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen:
dit is iets!--welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten
dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn
op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen
zyn wanneer ik m'n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk,
of als bekwaam in belangryker zaken dan 't op-en-neerwippen van
'n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.
Een ruiter naderde haar koets.
--Eh bieng, zjefalier, n'est-ze-pas qu'il fait affreussemang chaud
dang ze pays?
--Wie K. K. Hoheit befehlen.
--Ch'étouve!
--Zu dienen.
--Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist
sie vor? Wo ist sie?
De "chevalier" werd door 'n toedringende volksmenigte van de koets
gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en
hy durfde zich niet wagen aan 't duitsche hoffransch van de Palatine,
waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine
van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de "wilde
kat." Dit katje namelyk was 'n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De
halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld
werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een
groep welwillende zangers kwam z'n verschrikte diplomatie te-hulp:
"Amour à la plus belle,
Honneur au plus vaillant...
Ja, ja, lezer, er is 'n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche
jenever--amsterdamsche proef--zich openbaarde in fransche romances. Of
onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de
bedoeling van den auteur, van de auteur, liever...
De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy 'n
zeer elegant jongmensch van 'n jaar of achttien tot zich; dien zy
in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig
met z'n karwats terug, en drong door de menigte heen.
--Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh,
mong Dié, quelle pronongziaziong!
--Vous avez l'oreille si délicate, ma Cousine!
--Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir 'nmal, wo ist denn Ihre
Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?
--Ma foi il y a plus d'une heure que je ne l'ai vue! Elle s'amuse
peut-être là-bas, au village d'Awercric. Qui sait si elle n'a pas passé
l'eau. Vous savez, Palatine, qu'elle n'a pas l'habitude de se gêner...
Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had
het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets
van te zien krygen, parole d'honneur!
Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer 'n troep al te
opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw 'n oogenblik
onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen
"kavalier" naar zich toe, en knoopte dan 'n gesprek aan, dat echter
telkens door de volte werd afgebroken.
Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van
't woord "kavalier" te rymen op: "duitsche manier" in welk geval 't
niet "ruiter" beteekent, maar 'n "heer van den hove" 'n hoffähiger
gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: 'n edelman. Niet zonder
deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen
dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy 't dan dat in
dit geval de "kavaliere" werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan
't uitleggen ben... 't woord: "harken" is van my. Ik nam de vryheid
daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp
met den joujou.
De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het
kon niet anders, om de volte.
Bovendien, de souvereinen verkeerden in 'n ziekelyke bui van
"Volksthümlichkeit." De mode van den dag bracht 'n misselyke
neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven
de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat
vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of
chignons. Rousseau--die beter wist, of althans beter weten kon--had
de afgezaagde theorie van "ce bon peuple" op frazen gezet, en wie
te arm was om gedachten te bezitten op z'n eigen hand, neuriede die
frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En
dit is nòg zoo.
't Spreekt vanzelf dat dit instemmen met den deun van den dag,
gewoonlyk ver van oprecht was. Binnen de wanden der staatsie-koetsen
heette dat "goede Volk" zeer dikwyls doodeenvoudig: la canaille,
'n kwalificatie die wel niet geheel juist was, maar toch niet verder
van de waarheid afweek dan de zoetemelks-praatjes van Rousseau. [3]
Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde
betreft, vergeten we nooit dat ook "ce bon peuple" geen grein oprechter
is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van 't Volk zeggen
kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt "vivat!" en
denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.
By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met
m'n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan
'n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand
strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin
was de laatste die op 't denkbeeld komen zou--'t was zoo warm!--dat
deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.
Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van
zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door
'n lakei op 'n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z'n zuster--'t
Waldkätzchen?--hem 'n boodschap had gezonden uit "Awercric." En:
--Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics
à me prêter? vroeg hy.
--Che parie que z'est pour elle!
--Si!
--Elle fait donc angcore l'angrachée, che pangse!
--C'est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans
l'embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je
n'ai qu'une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!
Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad
te-boven in K. K. Hoogheid. En 't "boschkatje" was de verloofde van 'n
Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien
hebben zou. De Paltsgravin--"Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!"--was dus wel
genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik 'n goudbeursjen
overtereiken. Deze gaf 't den lakei, die 'r mee wegreed zoo snel de
volte gedoogde.
Prins Erik's zuster had inderdaad geld noodig. Ze speelde
Voorzienigheidje. Wat zy eigenlyk met de geleende som uitvoerde, weet
ik niet, maar zeker is 't dat de dankbaarheid--d. i. de betuiging
van die aandoening--haar wat druk werd. Ook drongen er zeer veel
menschenvrienden toe, die haar ruimer gelegenheid wilden verschaffen
tot het voortzetten van haar liefhebbery, dan goudbeursjen en gezond
verstand toelieten.
We zullen maar aannemen dat er den vorigen dag te Ouwerkerk 'n
zware brand was geweest--men assureerde niet in die dagen--of... 'n
landman had al z'n koeien verloren aan de veepest--Thorbecke was nog
niet geboren om die onaangenaamheid uitteroeien--of... 'n ongehuwde
kraamvrouw kon geen plaatsje krygen om uitterusten van haar zondige
verlossing--de zedekundige lezer weet misschien dat de "deugd" dit
niet gedoogde in Wouter's tyd--of...
Hoe 't zy, Prinses Erika had de een-of-andere weldadige gekheid
uitgericht, 'n soort van débauche waaraan ze zich zeer dikwyls
tebuiten ging. Goed was 't zeker niet, maar er zyn erger ondeugden,
en ik ken velen die 't recht niet hebben zulke karakterfouten te
laken. Voorloopig hebben de moralisten dringender arbeid dan 't
waarschuwen tegen fouten als die welke den hoofdtrek uitmaakten in
't karakter van prinses Erika.
By deze gelegenheid dan had ze haar koets verlaten, en was van haar
gevolg afgeraakt. Om de menigte te ontwyken, die--juichend, dankend
en... vooral lastig--op haar toedrong, was zy in 'n roeischuitje
gesprongen, dat aan 'n steiger lag, en waarin 'n man zat te
slapen of nagenoeg. 't Was zoo warm! Het was Klaas Verlaan, de
"Amstelhavenknecht."
De bons van den sprong deed hem ontwaken, en al de toeschouwers
berstten in lachen uit om 't malle gezicht dat-i zette.
Er was waarlyk reden toe! Prinses Erika droeg 'n vuurrood satynen kleed
met 'n langen sleep dien zy echter--zoo-even reeds by den brand zeker,
of by de kraamvrouw, of by de koeien--had opgeg...
--Opgegeid, noemde 't Klaas Verlaan vele jaren daarna, als-i de
historie vertelde aan z'n kleinkinderen.
't Was de pièce de résistance van z'n ondervinding. Nu, sommigen
hebben minder beleefd!
--Se sag er uit as 'n fonk, zeid-i, en ik doch werachtich dat er
'n ster in m'n jol was gefalle, so flamde ze!
Komaan, we zullen Klaas Verlaan 't woord geven, maar ik heb geen lust
z'n spelling te volgen. De lezer zal wel ongeveer weten hoe de man
moet gesproken hebben.
--Zóó vlamde ze! Aan de armen droeg ze witte leeren handschoenen
tot den schouder toe. Eén er van ligt nog altyd in 'n doosje by de
Staten-overzetting. 't Lykt wel 'n kinderkousje. Want haar vingers
waren klein, maar ... kracht had ze daarin, kyk! En op 't hoofd 'n
toren van poeier ... net 'n grooten sneeuwbal! Maar 't gezichtje was
lief, dat moet ik zeggen!
En ik was 'n beetje... bedonderd, omdat ze zoo glom. Ik wist
waarachtig niet wat ik in m'n schuit had, en of ik moest vloeken of
siveplé-spelen. Maar ze wachtte daar niet op, en voor ik recht wist
hoe ik 't had, pakt ze me-n-'n-riem, en zet m' flink tegen den wal, en
zet af. Ik dacht dat ze buitelen zou by 't uithalen, want het ding zat
wel half-blads in den modder, en 't zóóg als de bliks... lager. Maar ze
liet 'm steken, en viel op den doft neer, en lachte. En daar dreven we!
Maar ik was kwaad as 'n spin, en zei--met 'n vloek, want ik vloekte
nog in dien tyd--dat ik baas op m'n jol was. Ja, dat zei ik.
--Ich rudern! riep ze. Want, kinderen, haar hollandsch was
miserabel. En ze greep naar m'n anderen riem. Maar dáár was ik als
de kippen by!
--Houd je gemak! riep ik. Ken je wrikken?
Dit verstond ze weer niet. En ze wou me den riem uit de handen nemen,
maar weetje wat ik zei? Ik zei: m'n vader is geen breeuwer, zei ik,
en ik hou m'n riem!
Want ik bedankte-n-er voor, om daar op den Amste! te liggen draaien
als 'n tol! Alle menschen keken er naar. Ze liet den riem los, en
grabbelde-n-in haar tasch--'n fluweelen ding met gouden knip, dat met
'n haak in haar middel zat--en ze haalde-n-er 'n stuk geld uit, en
wees het me. Toen gaf ik haar den riem... om 't geld, weetje, dat ze
me wees, want, dacht ik, wat kan 't my schelen of de menschen lachen
aan-wal? 't Kon m'n dag nog goedmaken, als ik dat geld kreeg. 't Zag
er uit als 'n dukaat, maar 't ding was meer waard. Dat heb ik later
gemerkt toen ik 't wisselde op den Vygendam... met al de anderen,
want ik kreeg er meer. Dat zal jelui hooren.
Ja, niet waar, wat zou ik doen? Aan zeilen kon niet meer gedacht
worden, en aan roeien ook niet, en aan fooien ook niet. Dus... ik
liet haar begaan, maar zei dat ze wrikken moest.
--Rücken? riep ze.
--Wrikken, riep ik. Kyk... zóó!
En ik wou 't haar wyzen.
Maar 't ging niet. Want... dit weet jelui ook wel, er zyn altyd tien
roeiers te krygen tegen één wrikker.
Ik wees haar hoe ze d'r beenen moest zetten. Ze had wit-satynen
schoentjes aan, en voetjes niet grooter dan 'n vuist, maar ze liep
er goed op. Dat heb ik later gezien. Ze was als 'n kievit zoo vlug.
Maar wrikken kon ze niet! Ik was beschaamd voor den wal, want ieder
kende de jol van de Jachthaven, dat begryp jelui wel. En als ik m'n
hand aan den riem sloeg, werd ze kwaad, en wou me wegdringen. Gut,
op vechten af!
Waar ze-n-eigenlyk heen wou, begreep ik niet. Als ik 't vroeg, riep ze:
"rücken, rücken!"
Ja, dacht ik, ruuken, ruuken, dat geeft wat! 'n Mensch moet toch
weten waar-i heen wil!
We sukkelden stroom-af--meest gatje-voor!--en naderden de
Jachthaven. Goddank, dacht ik, straks kryg ik m'n dukaat, en de grap
is uit. Maar jawèl!
Op-eens houdt ze met wrikken op--'t zweet liep haar by droppels van 't
gezicht!--en leî den riem op den doften. Toen wou ik 't ding grypen,
omdat ik 'n eind aan de zaak maken wou. Maar dat verkoos ze-n-ook
alweer niet. Wat ze dan eigenlyk wèl wou, kon ik eerst niet begrypen
... ik zal 't jelui maar zeggen, ze wou te-water!
Ik schrok er van! 't Mensch was dóór en dóór van zweet. Maar... ze
wou! Er was niets aan te doen. En ze hield weer zoo'n moffendukaat in
de hoogte. Op den Vygendam by Everts kreeg ik drie ryers voor 't stuk,
en de man zei, als ik er meer had, kon ik altyd by 'm te-recht. Dáárvan
is 't zilver beslag op de Staten-Overzetting. Jelui ziet dat ik de
waarheid vertel. Ook 't gouden ooryzer van m'n oudje--dat nu jeluî
Grietje-meu draagt--is van dien tyd.
Zoodat ik zei, ga jy je gang! Als je dan asseluut ziek worden wilt,
of sterven, of rimmetiek krygen...
Ze trok 'r schoentjes uit, en 'r satynen kleed, en meer nog. Maar ze
hield wat ondergoed aan, dat moet ik zeggen. En ze gooide haar pruik
af, en dit mocht wel want ze had eigen haar genoeg, en ze schudde-n-'t
hoofd als 'n paard dat de wei ruikt. En ze sprong... kyk! ik had
nog nooit zoo-iets gezien... van 'n vrouwmensch, weet jelui? Flink
koppie-over!
Eerst was ik bang voor 'n ongeluk. Want, dacht ik, zwemmen kan ik niet,
en als 't mensch koppie-onder gaat... wat zal ik doen? Maar 't hoefde
niet, want zy zwom wel. Als 'n eend! Of liever als 'n paling, want
ze kronkelde-n-onder m'n jol door, en schoot weer op aan de-n-andere
zy... als 'n dobber hoor! 't Speet me toch evel dat ik niet ook zoo
thuis was in 't water, maar jelui weet, dat is by ons in Holland zoo
de gewoonte niet. Zy was zeker uit 'n land waar de menschen niet zoo
zindelyk zyn als by ons, en daarom alle dagen te-water moeten gaan.
Maar dat tot dááraan toe! De jol dreef tegen de jachthaven, en zy
was er ook. Ik hielp haar op den steiger, en er stond veel volk te
kyken. Dit beviel haar niet. Ze greep m'n pyjekker die in de jol lag,
en sloeg zich 't ding om de schouders. Toen keek ze-n-even rond, zag
'n open deur van een der jachthuisjes, en vloog er in. Net'n wilde kat.
Ik pakte haar spullen by-elkaar, en wou haar die brengen. Maar
ik durfde niet binnengaan, omdat het 't huisje was van m'nheer
Kopperlith op de Keizersgracht, weet jelui? Die zou 't heel kwalyk
hebben genomen dat ik met zoo'n vreemd schepsel in z'n jacht-huisje
gekomen was. Want, dacht ik, dat je nu met my zoo familjaar omgaat,
dat kàn--om den dukaat, weetje--maar... m'nheer Kopperlith woont op de
Keizersgracht. Dàt scheen ze niet eens te weten. Hoor eens, kinderen,
wat opvoeding en fatsoen aangaat ... geen land boven Holland, dat's
maar zeker!
Maar ... binnen wàs ze! En ik durfde-n-'t bruggetje niet over,
met haar satynen japon op den arm, en al de andere japonnen, en die
fluweelen tasch, en haar schoentjes, en haar witte pruik.
En daar stond ik!
De menschen van de brug riepen: "dat is 't huisje van m'nheer
Kopperlith, denk er om!"
Ja, dacht ik, daar denk ik wèl om, maar wat zal ik doen? Juist begon
ik me te bezinnen om de policie te roepen, toen m'n dochter Geert
kwam aanloopen, jelui Geertje-meu, weetje, die ook al dood is...
Maar toen was ze-n-'n knappe jonge meid van zoowat achttien. En ze zei:
--Vader, laat 'r in òns huuske! Daar kan ze zich klaren.
Hieraan had ik ook wel gedacht, maar ik was bang voor de Direktie
van de Jachthaven. 't Kon my m'n ontslag kosten als ik rare dingen
deed. Want de heeren houden niet van vreemdigheid in de huisjes.
Terwyl ik hierover zoo nadenk, krygt onze bruinvisch die me-n-al lang
had staan wenken om haar kleeren, onze Geertje-meu in 't oog. Ze vliegt
't huisjen uit, pakt Geert by den arm, en loopt met 'r heen.
Ik achterna met de plunje, dat begryp je! Onze Geert bracht haar by
moeder, en ik dacht: in godsnaam! Ja, wat zou ik doen, niet waar?
Maar... 'n rare dag wàs het! O, ik ben nog lang niet klaar! Weet
jelui wat ik altyd zeg? Ik zeg altyd: niemand weet of z'n dag goed is,
voor bedtyd!
Zoo eindigde Solon Verlaan 't eerste hoofdstuk van z'n verhaal. Het
tweede en laatste zal ik vertellen, of vanzelf laten spreken. We laten
dus 't boschkatje voor 't oogenblik onder de hoede van de aanstaande
Geertje-meu die op zich genomen had haar, of de zaak, te "klaren". Nu,
dit deed ze. Sint Maarten was er niets by.
Op den ryweg langs den Amstel joelde 't Volk maar altyd
voort. Van-lieverlede verdwenen de koetsen van de hooge
heerschappen. Ook de ruiters verveelden zich, en zochten vryer
plaats dan die buurt op dat oogenblik kon aanbieden. De menigte
drong, zong, schreeuwde en dronk. Om zich schadeloos te stellen voor
't mislukte hardzeilen, begon men hier-en-daar zich te vermaken met
het afsteken van vuurpylen, die den volgenden dag in de couranten
tot getuigen werden geroepen van de ontzaggelyke liefde des Volks
voor alle mogelyke prinsen en prinsessen.
Dit was onjuist. Het Volk houdt van vuurpylen omdat ze blazen en
proesten en sissen en glinsteren.
Ook zwermers--de Amsterdammers noemen ze "voetzoekers." Wie kan me
zeggen: waarom?--ook zwermers werden aangevoerd als bewyzen voor de
zeer byzondere gehechtheid des Volks aan alle Souvereinen...
De Paltsgravin gelóófde het. Heusch!
Maar ze had ongelyk, precies als die kranten.
Want, lezer, de menigte houdt van voetzoekers, omdat ze sissen,
en vuur spuwen, en 'n harden klap geven. Dàt is de zaak! Men kan
er gerust alle grieksche wysgeeren op nalezen, op Solon Verlaan na,
die z'n heele wysheid heeft opgemaakt aan 't bedenken der diepzinnige
spreuk van zoo-even.
Ook de zevenklappers... klapten. Ze spraken en getuigden van dynastieke
opwinding, en alle Souvereinen zaten met zevenvoudige gerustheid op
hun tronen...
Maar de Souvereinen waren wat voorbarig in die gerustheid. Want 'n
zevenklapper maakt wel veel geraas, maar bewyst niemendal. Het volk
steekt ze niet af om trouw te zweren, maar omdat die dingen zoo grappig
heen-en-weer springen, en by elken sprong zoo'n knetterend geluid
geven. Al zeggen nu hierover de grieksche wysgeeren geen woord--zeker
omdat ook zy nu uitgeput zyn na de inspanning hunner denkvermogens
over de ware beteekenis van 'n voetzoeker--toch is het zoo!
Veracht me niet te zeer, lezer, als ik u betuig dat de ware vreugd
die er uit vuurwerk te halen is, in 't afsteken--zèlf afsteken!--van
zevenklappers en voetzoekers bestaat. Een "groot vuurwerk" is 'n
ellendig ding, 'n menschonteerende foppery. Eigenlyk 'n schimp,
'n beleediging, 'n laesio dignitatis generis humani! [4]
Om dit intezien, behoeft men zich maar 'n oogenblik te verbeelden
zoo'n vertooning bytewonen...
In eenzaamheid! Want als u iemand betrapt in de autopsie die ik
voorsla, zyt ge in zyn opinie 'n reddeloos verloren mensch. Uw vrouw
kon echtscheiding aanvragen, en zeker zou ze 't proces winnen voor
elken rechter die verstand heeft van menschenwaarde.
Verbeeld u dan dat gy, in uw binnenkamer en alleen, zoo'n vuurwerk
aanschouwt. Roep, zeg, mompel of fluister--ingodsnaam zóó zacht dat
gyzelf uw eenige hoorder zyt--fluister 't onvermydelyke: hè...è...è...
En houd u 'n spiegeltje voor!
Dan, lezer--al waart gy de verfoeielykste atheïst--ontsnapt u de
verontwaardigd-religieuze verzuchting: God, myn God ... hebt ge my
dáártoe geschapen?
En by zoo'n gelegenheid voelt men--tenzy men onvatbaar werd voor
èlke gewaarwording--yverzucht op de intelligentie van z'n paraplui
of laarzentrekker!
Maar ... voetzoekers, zevenklappers! Men staat er niet by met den open
mond die by elke teekenoefening den leerling wordt aangeprezen als
de uitsluitende vertegenwoordiger van wèl geopenbaarde bêtise! Men
is handig by 't aansteken. Er is gevaar als ze haperen. Men werpt
ze! En... snel, snel ... één sekonde te laat, ze bersten in de
hand! Allergevaarlykst!
Eens namelyk heeft de traditioneele "iemand" die de hoofdpersoon is
van alle volks-akeligheden, zich door het te lang tusschen de vingers
houden van 'n zwermer, 't even traditioneele "groot ongeluk" op den
... hals gehaald, dat ... enz.
Och, hoe prettig is die angst. Hoe allerakeligst vermakelyk!
Helaas, pret en vermaak zyn afgeschaft! De stedelyke Regeeringen
verbieden zulke ruwe vermaken ... om 't brandgevaar, sedert alle huizen
met pannen gedekt zyn. In den tyd der stroodaken kon die vreeselyke
losbandigheid oogluikend worden geduld. Maar nu?
En de andere gevaarplezieren! Hoe menige juffer kwam thuis--byna
zelfs kwam ze niet thuis--met 'n verbrande jurk! Gilde ze niet van de
pret? En 'n jongen--altyd "de jongen die ook overal met z'n neus by
moet wezen"--had-i niet eens--byna, alweer--'n volle lading in 't
gezicht gekregen? Was er niet gevaar geweest--nogeens: byna--dat
z'n oogen 't gelag te betalen kregen van die onbescheiden neus?
En... 't mikken met zoo'n aangestoken voetzoeker! Dàt is wat ànders
dan 'n joujou de Normandie!
Ik weet--en betreur het van-harte!--dat er nog altyd hier-en-daar
menschen worden gevonden, die meenen zich te vermaken met
schyfschieten, 't ouwevrouwigste plezier dat men kan uitdenken, 'n
naaischoolige parodie op ridderlyke wapenoefening. 't Is waarachtig
niet dáármee, dat men op Scyros zou hebben uitgemaakt of Achilles
'n jongetje was, en of-i z'n opvoeding ontving in 't pensionaat
van Chiron!
Zündnadels, Beaumonts, Chassepots zyn verachtelyke voorwerpen. Ze
spreken niet mee. De kogel die zich zoo onnoozel laat voortdryven
uit de buis van die dingen, is eigenlyk te dwaas om in z'n eentje de
parabool te beschryven die de artilleristen van hem vorderen. Men
zegt dat er projektilen geweest zyn die hun weg vergaten, en zoo
slaafs zich hielden aan de routine die ze meenamen uit den loop ...
Sakkerloot, ziedaar 't geheim opgelost van de verregaande
ongekwetstheid en welvarendheid der geslagen legers! Die menschlievende
kogels zyn op-reis in den... aether, en willen aërolith spelen op
deze of gene planeet, waar men nog dom genoeg is aan "aërolithen" en
"aether" te gelooven.
De voetzoeker--hoeden af, lezer!--geeft den drommel van zoo'n bekrompen
loops-opvatting. Hy heeft karakter, en volgt z'n eigen senie... zou
juffrouw Pieterse zeggen. Hy leeft, en kiest z'n weg. Hy spuwt
vuur, en deinst voor 't recul van z'n eigen strydlust. Hy kampt om
't verloren terrein te herwinnen, en wisselt van zwaartepunt, en
wendt z'n grilligen loop, en kronkelt als 'n vliegende lintwurm. Hy
schryft z'n naam in gloeiende krullen, en vecht tegen den luchtdruk, en
sliert al duiklend voort, en braakt arebesken. En waar-i was, keert-i
weer, als iemand die nog wat te zeggen heeft. En waar-i niet was,
komt-i aanrollen, blazend, blakend, brandend, schroeiend, sissend,
schetterend ... altyd verrassend door nieuw-uitgedachte huppeling,
altyd verschrikkend door vreemdluimigen sprong, altyd boodschapper van
't onverwachte, maar altyd de drager ook van 'n herhaalde opwekking
tot gillend plezier.
En de zevenklappers! 't Is waar, ze vuurden niet zoo prettig, en
gingen aanvankelyk bedaarder hun weg. Maar men was zekerder van
z'n worp! En ... éénmaal 'n openstaand venster ingekeild, werden
ze wakker en roerig. Dan klapten zy, en sloegen, en sprongen als
toornige duiveltjes, voltigeerden links-rechts op-en-neer door de
kamer, kris-kras-kruis op de tafel, tegen den spiegel, achter de
schilderyen, tusschen de stoelen, onder bed en sofa. Ja, soms dansten
ze--sarkastische demonen!--de kaars uit...
De Archimedes die de evolutien van 'n rechtgeaarden zevenklapper
weet te berekenen, moet nog geboren worden. Dit spyt me niet erg,
omdat ik voor ditmaal aan 't zeer byzonder effekt van 'n eerste
uitbersting genoeg heb. Ze had plaats naby Wouter's linkerwang, juist
op 't oogenblik toen juffrouw Laps hem daarop een kus wilde geven:
haar Rubicon!
Heel aangenaam zou 't Wouter nog altyd niet geweest zyn wanneer 't haar
gelukt was die omineuze rivier overtesteken, maar 't blyft de vraag
of-i daarna kracht, besef of afkeer genoeg zou hebben overgehouden
om zich te verzetten tegen finale verovering.
De geestige zevenklapper won hem den gevaarlyken tweestryd uit. Wat
die prinses Erika mikken kon!
Juffrouw Laps had haar zondige lip gebrand, en riep:
--Heere Krrristis, wat's dàt?
Heel veel anders viel er dan ook by die malle gelegenheid niet
te vragen.
Wat het wàs?
Wèl... 'n brokstuk uit het "Register der Handelingen en Besluiten"
van Fancy. Ze hield zich bezig met het verevenen van kansrekening, en
de lezer wordt uitgenoodigd, als by 'n vuurwerk, te blazen: hè...è...è!
De leer der doeleinden duidelyk gemaakt door 't
achterste-voor zetten van omdatten en opdatten. Hossen! Arme,
arme, arme, Laps! Mysterieus standbeeld in de "Gekroonde
Jeneverbes." Republikeinen in konflikt met de Keizersgracht. Wouter
krygt 'n zusje.
Fancy is groot, en wy beginnen haar eenigszins te begrypen. Dit heeft
ze op sommige andere godheden voor, want onbegrepen grootheid baat
niet veel, en kon eigenlyk zonder schade gemist worden.
Ja, ze was groot, en ... praktisch!
O, verrukkelyke teleologie van den romanschryver ... juffrouw Laps
mocht haar "sinnigheid" niet krygen!
En dáárom was 't zoo warm, dien dag! En dáárom had ze haar venster
moeten opschuiven, wat anders 'n fatsoenlyk nederlandsch mensch--liever
stikken!--niet doet. Dáárom bleef de hardzeilery in den steek! Dáárom
verveelde zich Prinses Erika! Dáárom beging ze weldadighedens tot
tydverdryf! Dáárom kreeg ze lust in baden! Dáárom joelde al dat
volk--en zy mee!--met voetzoekers en sissers de stad in, Weesper-
en Amstelstraten door, naar de Botermarkt...
Want op dat plein woonde de Caesarine Laps die 'n zevenklapper in 't
gezicht moest krygen juist toen ze bezig was met haar alleraardigst
venit, tetigi, en... "heere-krrristis wat is dat?"
Wat dit is, juffrouw Laps? Wèl, 't is fantastische doeleindenleer. Al
die koningen, prinsen, prinsessen--en zelfs de Paltsgravin met haar
puistjes, joujou en hooge geboorte--zyn op dien warmen dag door 'n
hooger Wezen in de stad gezonden om u in de wielen te ryden. Het is
uw plicht dit te gelooven... o, geloofster!
Ze geloofde het niet! En ze kòn het niet gelooven, want ze wist er
nog minder van, dan van al de andere dingen die ze voorgaf zonder
bezwaar te slikken. Het onweer op Sinaï was door den "Heer" beschikt
om de Joden aan 'n behoorlyke reglement van policie te helpen, maar
die nydige zevenklapper...
Ze vloog naar 't venster. Wouter ook. Er bleek nu dat de bedoeling
van den haar en hem onbekenden artillerist niet boos geweest was,
want niemand lette op de nieuwe toeschouwers. Bovendien, ook andere
vensters raakten gaandeweg open en bezet, waardoor de aandacht van
't straatpubliek verdeeld werd. Er bleek uit niets dat men zich
om juffrouw Laps of haar gast meer bekommerde dan om elk ander
die toekeek. Zonder erg werd er rechts en links gebombardeerd,
en onze beide heldjes konden in alle kalmte waarnemen wat er op de
straat voorviel. Juffrouw Laps kwam de zeer gewenschte vergetenheid
nog te-hulp, door 't licht uitteblazen--'n voorzorg die door
den overigens zoo byzonder intelligenten zevenklapper schandelyk
verzuimd was--en Wouter vermaakte zich kinderlyk by 't aanzien van
de pret. Hy vergat z'n buurvrouw en haar opdringende vriendelykheid,
om naar 't gewoel der menigte te kyken. Het meedeelen van de hieruit
voortvloeiende opmerkingen werkte op hem ontnuchterend, en ook zy vond
er onwillekeurig aanleiding in om zich wat eenvoudiger voortedoen dan
ze gewoon was. Ze praatte ditmaal zonder "Heer" en liet de "genade"
wat rusten. Zelfs scheen ze--voor 'n oogenblikje maar, denk ik--haar
plannetjen optegeven. De nacht was nog lang, dacht ze misschien. [5]
--Gut, hoe gek toch, dat al die menschen daar zoo heen-en-weer dringen,
zonder zelf te weten waarom, zeide hy.
--Och, ze hebben plezier in 't zingen en joelen, en in de voetzoekers
... kyk, daar vliegt er weer een, paf!
Klik-klik! antwoordde hierop 'n zevenklapper die z'n domicilie koos
tusschen 'n troep meisjes. Het gezelschap vloog met vermakelyken
schrik uit elkaar. Wel zeker, voor wat anders waren die meiskes daar?
--Al dat volk is dronken, zei juffrouw Laps, en ik wou dat ze
naar-huis gingen. Ik begin slaap te krygen... 't is twee uur in den
nacht, weetje!
--Och, nog 'n oogenblikje! verzocht Wouter. Ik heb geen
slaap. Volstrekt niet! heusch niet!
Hy begon weer angstig te worden voor haar vriendschap, en hoopte
onwillekeurig dat uitstel hem de bondgenootschap van 't onverwachte
brengen zou.
--Ik ben maar zoo bang, m'n lieveling, dat je kou vat aan 't
venster. Dàt is het maar! Want de nachtlucht, zieje, na zoo'n
heeten dag...
Volgt: al de bekende burgerluîs-praatjes over nachtlucht, verkoudheid,
rhumatiek en subietelyk doodgaan. Ze hadden nu evenwel dit goede
gevolg, dat Wouter z'n jasje weer aankreeg, 'n verbetering van pozitie
die hem straks zou te-pas komen. O, die voorzienige Fancy!
--En zet ook je petjen op, m'n beste jongen. Ik wou voor alle
wereldsch goed niet, dat de nachtlucht je-n-in 't hoofd sloeg,
want... dat doet-i soms. Kyk, daar vliegt er weer een!
"Amour à la plus belle,
Honneur au plus vaillant...
--Waarom zingen ze niet liever hollandsch! Wat hebben wy aan dat
vreemde geseur? Begryp jy er wat van?
Wouter wist iets van de historie, en vertelde wat-i kon van den
"schoonen Dunois" die zoo byzonder veel Saraceenen doodsloeg, en ter
belooning trouwen mocht met de dochter van: "le comte son seigneur!"
Dat was toch plezierig in ouden tyd! Maar hoe beloonde men de ridders
die al eenmaal beloond waren? En kregen ze in die dagen nog ander
traktement dan 'n bruid? En hoe maakten 't de seigneurs die geen
dochter te begeven hadden? Welke seigneursdochter moest genoegen
nemen met 'n ridder die maar 't meest Saraceenen had doodgeslagen,
op één na?
Wat al moeielyke vragen!
Juist begon hy z'n gastvrouw om wat inlichting over dit alles te
verzoeken, toen beider aandacht werd getrokken door zeker roepen,
schreeuwen en schelden dat van andere stemming getuigde dan de
in-eensmeltende geluiden van 't gejoel. Er was "ruzie." In een der
groepen werd niet meer gehost, maar gevochten. Men verstond duidelyk
de by zulke gelegenheden gebruikelyke vloeken en verwenschingen.
Een verwarde kluw menschen, dichter op-elkaar gepakt dan de overigen,
schoof en seulde heen-en-weer al naarmate een der beide partyen
aan de winnende hand was. Vreedzame hossers golfden zingend voorby
de plek waar gevochten werd. De deelnemers aan den stryd werden van
liever-lede ter-zy gedrongen, en wel in de richting van een der vele
kroegen die de buurt zoo aantrekkelyk maakten voor 'n publiek dat
z'n verdriet over de mislukking der hardzeilery wou verzetten.
De twistenden, zelf gedrongen, drongen op hun beurt anderen. Men hoorde
hier-en-daar gillen en om hulp roepen. De nooit ontbrekende zwangere
vrouwen, en moeders met zuigelingen lieten haar angst niet onbetuigd.
Het gedrang werd nu byzonder sterk in zekeren hoek, waar drie stroomen
dood-liepen en 'n vreeselyke botsing te-weeg brachten. Daar namelyk
lag 'n zeer populaire herberg, die 't doelwit scheen van 'n hossende
volksverhuizing uit de Amstelstraat. De tweede stroom vloeide uit de
Utrechtsche straat op dezelfde kroeg toe. En de sterkste persing ging
uit van den vechtenden troep die, op-zy geschoven door voorbytrekkende
benden, almede in dezelfde engte gedreven werd.
By ondervinding van zeer jongen datum wist Wouter wat het beteekende
zich in zoo'n gedrang te bevinden. Wie op den grond raakte, werd
vertreden. Wel was de kans hierop zoo byzonder gevaarlyk niet in de
kern der samenpakking--'t vallen was onmogelyk--maar des te grooter
aan den rand, waar kelders en holen zich gapend gereed toonden alles
inteslikken, wat hun in de kaken werd gedrongen. Dáár kon men hals en
beenen breken of liggend vertrapt worden, in 't midden slechts staande
gesmoord. O zeker, die opstopping naby de herberg was gevaarlyker
nog dan die van den vorigen avend in de Kalverstraat! Bovendien,
daar was maar drukte, er werd niet gevochten. En hier ...
--Krrristenzielen, riep juffrouw Laps, ik word er puur akelig van!
Dit scheen ook met Wouter 't geval. Op-eens greep hy haar arm, en
meende iets te zien, dat... iemand, die...
--Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! 't Is daar, zoo zondig
als ik hier sta--'t eedsformulier was zoo gek niet--'t is daar moord
en doodslag in dien hoek!
Wouter sprak niet. Ook had-i geen besef zich te verzetten tegen de
overweldiging van z'n ... verleidster, of hoe moet het heeten? 't
Scheen nu wel of Afrika voor 't caesarinnetjen openlag...
--Is 't niet of ze dol zyn? Houd jy je maar goed aan me vast, en denk
maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou!
Och, hy had juist wat anders te denken gekregen dan aan z'n "eigen
Kristien!" Juffrouw Laps was eenige graden minder gelukkig dan ze zich
verbeeldde. Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...
--Wees jy maar gerust ... och, lieve jesis, 't kind is er zoo ontsteld
van! Aan jou zullen ze niet raken zoolang je hier bent ... by my,
weetje!
Hy kneep haar boven z'n kracht in den arm, en geen ander blyk van
leven gevende, stond-i overigens als versteend. En altyd die ééne
onverzettelyke blik, dat schynbaar wezenloos staren op één punt...
--Trek 't je niet zoo aan, m'n lieveling! Maar... akelig is 't! Zie je
daar die meid wel, met 'r noordhollandsche kap? Ik wou niet graag in
'r plaats wezen! En jy?
--Zy is het ... Femke! O God, o God, het is Femke!
En, Laps van zich afslingerend, die hem weerhouden wilde, vloog hy
de trap af, en stond weinig oogenblikken daarna in den diksten drom
vlak voor de herberg.
Hoe hy zoo spoedig dáár kwàm? Ei? En Fancy dan, zyn ... fancy?
Had ze niet ook gezorgd dat-i by-tyds z'n jasjen aanhad? Wat 'n gekke
historie immers, als-i dat had achtergelaten by juffrouw Laps! Hoe
zoud-i zoo'n onhuishoudelykheid hebben verantwoord by z'n moeder?
De zaak is dat-i lichaamskracht borgend van z'n gemoed--en was zy
dit niet?--zich als 'n razende door de menigte wist heenteslaan.
Maar de plek bereikende die hy bereiken wilde, zag-i Femke niet! Wel
den man met den bonten muts en 't schippersbuis, die hem vanboven
gezien had toegeschenen haar begeleider te wezen. Althans hy meende
bemerkt te hebben dat ze met dien man gearmd uit de Amstelstraat
gekomen was. En dit was ook zoo, maar:
--Is hier geen meisje met 'n noordhollandsche kap? vroeg hy zoo
duidelyk de vreeselyke drukte toeliet.
De man, stuwend, vechtend, stompend tegen iedereen--dit deed "iedereen"
ook, en Wouter moest wel meedoen: 't was 'n gezelschap Kaïns op
groote schaal!--de man kon niet antwoorden. Maar Wouter bemerkte
dat-i zich moeite gaf de herberg te bereiken, en maakte hieruit op
dat z'n dame daarin gevlucht, of althans, met of tegen haar wil dan,
daar binnengestuwd was.
Hy raadde juist. En, zich niet meer bekommerende om de slagen en
stompen die hy ontving, deelde hy daarvan juist genoeg uit om weldra
't jeneverzaaltje te bereiken, waar de volte wel niet minder was dan
buiten, maar er werd niet gevochten. Dit was iets!
Ziedaar, lezer, 't waar en onvervalscht relaas van de oorzaken die
Wouter heel in 't begin van z'n loopbaan maakten tot 'n kroeg-
en koffihuislooper. Gister in "Polen", heden in "de gekroonde
Jeneverbes"... daar gesmeten, hier vechtend, in beiden door 't
een-of-ander geperst... 't is te veel!
Maar hy wàs er nu eenmaal, en keek rond naar Femke.
Hy meende haar te ontdekken heel achter in 't niet groote vertrek,
op 'n tafeltje dat in 'n hoek stond. Zwygend, met styftoegeknepen
lippen, de armen over elkaar geslagen, en met iets als uittarting in
haar trekken, zag 't meisjen op de menigte neer. De kant van haar kap
hing haar aan flarden in den nek--zy, zoo net altyd!--en, erger nog,
Wouter meende te bespeuren dat haar gezicht bebloed was, het lieve,
lieve, lieve gezicht van Femke!
Uitgeput, had-i de kracht niet meer, tot haar te gaan. En dit behoefde
ook niet. Ze stond daar ongemoeid en veilig op haar tafeltje. Hy riep,
maar ze hoorde niet.
Met onderzoekende scherpte liet ze haar blikken dwalen over de
aanwezenden. Toen haar oog dat van Wouter ontmoette, kromp hy in-een:
ze wilde hem niet kennen!
--O God, o God, ze veracht me, snikte hy. Dàt heb ik verdiend voor
m'n lafheid by de Holsma's!
--Jongetje, gehuild wordt hier niet, zei de waardin. Als je huilen
wilt, ga dan na je moeder!
Makkelyker gezegd dan gedaan. Wouter kon in die volte geen voet
verzetten. De aandrang by 't buvet waar-i stond, klemde hem tegen
de jenever-toonbank. Het gelukte hem niet eens, Femke gedurig in
't oog te houden, schoon ze boven allen bleef uitsteken. Tranen van
wrevel en smart vloeiden hem over de wangen.
--Wat doe ie dan in de drukte, zei 't jeneverwyf, as je d'r niet
tegen ken? Heb je je bezeerd? Grienen wordt hier niet getapt. Zet 'r
'n borrel op, jongen, of ga heen!
Lust of niet, hy had heel graag 'n "borrel" besteld om z'n plaats te
betalen. Maar--"daar-i thuis altyd alles kreeg wat-i noodig had"--hy
bezat geen duit, en liep nu gevaar de deur te worden uitgeworpen
wegens overmaat van matigheid. Doch ook dit kon niet, want de persing
aan de deur bleef nog altyd even groot. Bovendien werd de aandacht
der waardin afgeleid door de drukte van 't gevecht, dat al nader en
nader kwam, en weldra dreigde de kroeg te kiezen tot "operatie-bazis"
zooals dit in 't jargon der krygskunde genoemd wordt. De ware reden
was dat elk der strydenden in 't byzonder zich aan de slagen van z'n
tegenparty wou onttrekken door in de kroeg te vluchten. De meeste
"krygskundige evolutien" hebben van ouds-her geen anderen grond.
Nog altyd stond het meisje met gekruiste armen op die tafel. En nog
altyd lag er dat spottende op haar gelaat; alsof ze zeggen wilde:
wie durft?
Maar hierop sloeg Wouter geen acht, of liever hy zag daarin niets dan
'n verwyt aan hèm. Femke wilde hem niet kennen. Meer of iets anders
voelde hy niet!
Och, hoe gaarne had hy in 't bywezen van al die menschen de zolen
van haar schoeisel gekust, om iets te verdienen van de vergiffenis,
waarop-i wel geen aanspraak had--naar-i meende--maar zonder welke hy
niet leven kon!--
--Femke! riep hy, als 't roepen heeten mocht, want het geschiedde zoo
zacht dat z'n stem onmogelyk tot het meisje kon doordringen. Immers,
er mocht eens blyken dat ze hem niet wilde hooren ook, zy die
zoo... wreed--nu ja, maar rechtvaardig toch--had blyk gegeven van haar
tegenzin om hem te zien! Hy durfde de proef niet nemen, en nogeens
riep hy, maar 't was weer fluisterend:
--Femke! Femke!
Daar vertoonde zich de man met den bonten muts en 't schippersbuis
aan de deur. Hoewel-i aanvankelyk niet behoorde tot de strydvoerende
mogendheden, bleek er toch uit den gehavenden toestand van z'n
kleeren, dat-i ruimschoots gedeeld had in de bekende voorrechten der
neutraliteit: hy was geranseld door beide partyen tegelyk.
Of ook hy tot eigen lyfsbehoud zich trachtte te bergen in de kroeg,
dan wel of-i zich zedelyk verplicht achtte, z'n dame die vóór hem
dat heiligdom bereikt had, niet in den steek te laten, was Wouter
niet duidelyk. Er bestond 'n tertium dat hy niet raden kon, maar
dat volkomen bekend is aan den alwetenden schryver die zich bereid
verklaart straks den lezer deelgenoot te maken van 't geheim.
Hoe dit zy, de man wilde volstrekt binnen wezen, en verwaarloosde
zelfs 't verevenen van de hem toegebrachte stooten en stompen, om
zich vastteklemmen aan den deurpost. Twee, driemaal werd-i van z'n
steunpunt afgerukt, want waar velen 't zelfde begeeren, is 't verkrygen
moeielyk. Toch bleek zyn wil sterker dan die van de anderen, omdat zy
slechts betrekkelyke veiligheid zochten--en jenever misschien--terwyl
hy werd aangespoord door... nu ja, 't nog altyd onbekende tertium.
Wouter hoopte hartelyk dat de man slagen mocht. Dan immers, dacht-i,
zou Femke niet zoo geheel alleen staan temidden van dien razenden
troep. Want... hy, hyzelf, wat kon-i doen? En al ware hy sterker
geweest, wat hielp het: zy verachtte hem! Zou ze hem niet wegschoppen,
zooals ze daar straks den dronken kwajongen gedaan had, die de hand
durfde slaan aan haar vries-bont voorschoot?
Op 'n oogenblik dat de schippersgezel zich weer vertoonde voor
de geopende deurruimte, scheen het meisje haar redder in 't oog te
krygen. Als om den man moed intespreken, knikte ze hem vriendelyk toe,
Misschien ook wilde ze hem dank-zeggen voor z'n pogingen om tot haar
doortedringen. Ook kon haar lachje worden opgevat als 'n verzekering
dat ze ongedeerd was, en niet bevreesd. Inderdaad, ze stond daar als
'n godin der kalmte, of althans als 'n standbeeld dat vastberadenheid
kon voorstellen. Die gekruiste armen getuigden van de meening dat er
geen byzondere behoefte was aan voorbereiding tot het uitdeelen van
den oorveeg dien haar saamgeknepen lippen beloofden aan ieder die
haar te na mocht komen.
En die glimlach! Over Wouter's hoofd heen had de wreedaard z'n weg
genomen naar de deur, en daar den gelukkigen schipper bereikt. Want
de man knikte terug...
--Hy heeft haar zeker nooit verloochend, dacht ons Petrusje. 't Is
toch wel wezenlyk waar, dat God rechtvaardig is en alle zonden straft.
Op dit oogenblik kreeg 't wyf dat de kroeg hield, den worstelenden
schipper in 't oog. Er bleek dat-i 'n goede bekende was, want ze
schreeuwde van achter de toonbank:
--Zoo Klaas, ben jy daar ook? Geen wind, hè?
En met huisheerlyk gezag gebood zy, hem binnen te laten. Toen men
niet spoedig genoeg gehoorzaamde, waagde zy zich 'n paar stappen
buiten haar cel, smeet eenige struikelblokken op-zy, en maakte plaats
voor... Klaas Verlaan, den Amstelhavenknecht, die nu niet ver van
Wouter, in de nabyheid van 't buvet te staan kwam.
--Nou, man, ze hebben je mooi beet gehad!
't Was de waarheid! Wel mocht onze brakwater-filozoof zeggen
dat niemand zeker van z'n dag is voor bedtyd! Dit had ook Wouter
ondervonden, en niet minder zy die daar nog altyd op haar tafeltjen
in den hoek geblokkeerd stond.
--Hebje-n-'n goeien dag gehad, vroeg 't wyf. Met de zeilery was
't miesserabel, hè?
Klaas lei den vinger op den mond, en scheen haar iets te willen
toefluisteren dat de omstanders niet hooren mochten, iets zeer
byzonders.
--'n Glas klare?
Dit voorstel kon eigenlyk niet dan met verkrachting van alle
gezonde systeembegrippen gerangschikt worden in de klasse der
zeer byzondere. 't Wyf had dan ook terdeeg misgeraden, en was niet
gelukkiger toen ze 't onderzoek naar Verlaan's wenschen voortzette:
--Skille?
Ook niet!
--Rooie dan?
Klaas scheen dien nacht byzonder kieskeurig in 't bepalen van de
soort der verversching die hy noodig had. Gedurig schudde hy 't hoofd,
en deed moeite om met de waardin in vertrouwelyker gesprek te komen
dan de drukte toeliet.
"Amour à la plus belle!" galmde het buiten de deur, en eenige heesche
keelen binnen de kroeg trachtten meetezingen.
--Weg met die moffeliedjes! schreeuwde een der gasten. We
benne-n-ommers hier allemaal Hollanders onder mekaar!
"Wel ja, we benne Hollanders...
"En al is ons Prinssie...
"Sjt!"
--Ik verkies nu te zingen: al is ons Prinssie! En wie niet mee-doet...
De prinsman sloeg op z'n vry ongekleede borst. Zóó, denk ik, zoud-i
ieder slaan die niet meezong: "al is ons prinssie."
Misschien volgens de theorie van 't onbewuste meegaan--Wouter
maakte weer bespiegelingen over "massa"--de meerderheid werd op
eenmaal hollands- en zelfs prinsgezind. Met het verschil tusschen
patriottery en keezigheid, nam men 't nu zoo nauw niet. Hoofdzaak
scheen dat men zich op eenmaal Hollander voelde, of goedvond zich
zoo aantestellen. Het "Prinssie" liep behoorlyk van stapel. Een
der gasten ging verder, en stelde 'n soort van toost in, op de zeer
vervroegde en buitengewoon langdurige ongelukzaligheid van "al die
fransche flikkers!" Met andere woorden, hy wenschte ze zonder uitstel
de bekende "eeuwige verdommenis" toe.
"Hoerah!"
--Ja, zieje, toen we nog Hollanders waren ...
"Ja, toen we nog Hollanders waren!"
--En onder de Republiek ...
"Leve de Republiek!"
--Toen had je-n-'ns 'n hardzeilery moeten zien! Maar nou!
"Al is ons Prinssie!" en: "Leve de Republiek!"
--Onder de Republiek waren alle menschen gelyk!
"Allemaal gelyk!"
--Zoo'n koning, zoo'n prins, al die tirannen...
"Weg met die tirannen!"
--Ze benne geen haar beter als wy!
"Dat's waar! Ze benne geen haar beter!"
--En ze zuigen 't arme Volk uit!
"Ja, ze zuigen 't Volk uit!"
--En weetje waarom? Omdat jeluî--om nou 'reis de gulle waarheid te
zeggen--allemaal lamme... enz. bent!
"Ja, ze benne-n-allemaal lamme... enz."
--Jelui buigt je nek onder 't juk...
"Juist! "Ze" buigen den nek onder 't juk!"
--Als 'r 'n koning komt, of 'n keizer, of 'n prins, dan slaat
de-n-angst jelui in de buik als seneblade!"
"Ja, de-n-angst slaat ze-n-in de buik as seneblade!"
--En, als jelui kerels was...
"Precies, as "ze" kerels wasse...
--Dan zou jelui...
"Ja, dan zouwen "ze"...
--'n Mensch is vry gebore...
"We benne vry gebore!"
--En 't hollandsch hart... wàt zeg je daar, vrouw Gooremest? Wàt? 'n
dochter van... m'nheer...
Een allervreeselykst woord scheen den volksredenaar op de lippen te
besterven. Hy werd bleek.
--'n Dochter van... m'nheer...
--Wel zeker! Vraag jy 't maar aan Verlaan.
De ontstelde jenever-Gracchus wendde zich vragend tot den
schipper. Deze knikte toestemmend.
--Is 't waarachtig waar, Klaas? Wis en waarachtig? En waarom heeft
ze zich dan zoo... angekleed als 'n gemeene meid?
--Och, 't benne de spulle van m'n dochter Geert, zieje. 't Is 'n
rykeluîs grap...
--Ah! Jongens... er uit, er uit! Moeder Gooremest wil slapen,
'n Mensch is niet van steen of yzer. Er uit, allemaal!
"Weg met de tirannen!" "'n Mensch is vry geboren!" "Alle menschen
zyn gelyk!" "Het hollandsch hart"... enz.
--Sjt! Er uit, zeg ik je, er uit! Die... jongejuffrouw...
"Wàt? Die meid? Wat zou ze?"
"Sjt! Ze is de dochter van--maar mondje toe,
hoorje!--van... m'nheer--ja, hoe donder is 't mogelyk, niet waar?--de
dochter van m'nheer... Kopperlith!"
"Op...de...kei...zers...gracht? Man, wat zeg je? Van
m'nheer... Kop...per...lith? Op de kei... zersgracht?"
--Ja, wis en bliksems! Er uit! Er uit!
"Z'n... eigen dochter?"
Alsof 'n behuwd-hoedanigheid de zaak minder verpletterend gemaakt had!
--Z'n bloed-eigen dochter, zeg ik je! Maar... mondje toe, dit begryp
jelui! Er uit, er uit!
De hollandsche harten, onbuigzame republikeinen, onkreukbare karakters,
vrygeboren menschen met nooit gebogen nekken ... slopen als geranselde
honden de kroeg uit.
De uitvinding om z'n beschermeling te verheffen tot 'n bewoonster
van de Keizersgracht, bracht Klaas Verlaan meer "moffedukaten" op,
dan-i liefst aan z'n kleinkinderen verantwoordde. En tevens komt ze
den lezer te-hulp by 't zoeken naar zeker tertium, naar de oorzaak die
den Amstelhavenknecht zoo koppig maakte in 't bestormen van die kroeg.
Wouter begreep minder van de zaak dan ieder ander, juist omdat hy in
den waan verkeerde zooveel meer dan anderen te weten van 't meisje
dat daar op tafel stond. Toen-i den... gladgeschuurden duit zag,
dien Verlaan in de hand der kroeghoudster gedrukt had, en later
'n dergelyke manoeuvre met den Republikein...
Kopperlith? Kopperlith? Op de Keizersgracht? Femke op de
Keizersgracht? Maar juist by dien hoogen heer Kopperlith immers zou
hy overmorgen...
Z'n hoofd dreigde te bersten. Als-i op dàt oogenblik...
Neen, denken kon-i niet. Misschien bleef hem nog eenig besef dat
hyzelf Woutertje Pieterse was, maar heel zeker is 't niet. Voor-i
hieromtrent tot 'n onherroepelyk eindbesluit was gekomen, werd hy in
één greep met 'n paar anderen de deur uitgeworpen door Klaas Verlaan
en den hollandschen Republikein.
Wel zeker! Hy was niet beter dan andere stervelingen, en moest dus
plaats-maken voor de "bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith op
de Keizersgracht.
De volte op straat was zeer gedund. Wouter bleef in de buurt van
de herberg die hem tot 'n tempel was geworden, om te zien waar z'n
godinnetje belanden zou. De braking was aan 't bedaren. Nog altyd
evenwel werd er van-tyd tot-tyd iemand buiten de deur gezet die,
belust op de vreemdheid van 't geval, nog zoo graag 'n beetje had
willen blyven om 't wonder te zien. Men krygt niet elken dag 'n
"bloed-eigen" dochter van m'nheer Kopperlith te aanschouwen.
Sommigen dan wilden zich aansluiten by 't driemanschap Verlaan,
Republikein & Gooremest, om mee-opgenomen te worden in aanspraak op
de baten der veelbelovende ruwaardy. Maar ons trium-viraat voelde
zich sterk genoeg, en vond geen reden om 't aantal deelhebbers in de
vermoedelyke vruchten van den arbeid, grooter te maken dan noodig
was. Menigeen die mee-schreeuwde: "er uit! er uit!" ontving zelf
'n handtastelyke vermaning om 't voorbeeld by de les te voegen.
Eindelyk hield het uitwerpen van overbodige getuigen geheel op. Juist
toen Wouter zich verstouten wilde om door 'n spleet te gluren van de
gordyn aan de glasdeur, werd deze geopend, en de Republikein trad er
uit. Hy hoorde hoe Verlaan hem nariep:
--Dáár ergens op 'n hoek in de Paardenstraat, weetje! Kyk nu maar
eens niet op 'n daaldertje... en klop ze maar flink op, en zeg aan
den sleeper ...
Het woord: "sleeper"--een nu verouderd amsterdamismus voor
wagenverhuurder of huurkoetsier--gaf Wouter 'n licht van betwistbare
helderheid. Dat de Republikein 'n rytuig bestellen moest, was duidelyk,
maar... Femke in 'n koets of brommer? Of ... al was 't maar in 'n
sleê... zy?
Hy wachtte. Op bespieden van het inwendige der kroeg, was geen kans
meer. Vrouw Gooremest had de blinden gesloten. Zou er nu 'n bruikbaar
licht over deze zaak opgaan uit die Paardenstraat?
Na lang wachten kwam er 'n rytuig aanrollen. De Republikein sprong
er uit. De deur van de kroeg werd geopend, en Klaas Verlaan vertoonde
zich met z'n vermeende juffer Kopperlith op den dorpel...
--Femke, ik ben hier! riep Wouter, wild toeschietend, ik ben hier! O
God, o God, Femke, ga niet mee met die vreemde mannen!
--Wat bliksem is er dàt nou weer voor een! schreeuwde Verlaan, die
Wouter by den kraag pakte en naar binnen trok. Wat mot jy? Wat ben
jy? Wat wil jy?
--Femke, ga niet mee met die vreemde mannen. Ik zal je thuis brengen,
ik, Wouter!
--Die jongen is niet wys, zei Vrouw Gooremest, laat 'm los. Hy heeft
hier al den heelen avend staan huilebalken als 'n kalf, en geen duit
verteerd. Nou dáárom niet... ik wil maar zeggen dat-i niet wys is.
Wouter trachtte de hand van 't meisje te vatten, en bemerkte nu dat
ze allerzonderlingst was toegetakeld. Van gelaat, hoofd, schouders
en gestalte, was niets te zien. Waarschynlyk had de gastvrye Vrouw
Gooremest haar familie-mantel voor dit doel afgestaan. Men doet zoo
veel voor 'n bloed-eigen dochter van m'nheer Kopperlith! Toch was de
edelmoedigheid van de ekonomische jeneverprinses niet zóó ver gegaan,
dat ze meer dan één kaarsje had aangelaten, na 't sluiten van de
eigenlyke nering. Dat armzalige nachtpitje had juist even genoeg licht
verspreid, om niet dezen of genen aan den misgreep bloottestellen
'n tafel of stoel in-plaats van overtollige gasten buiten de deur te
werpen. En nu...
Nu vlamde het zoo zonderling, en zoo onwillig, en zoo fantastisch! En
ook zyzelf stond daar zoo vreemd! En zoo spookachtig trilden de
omtrekken van die gestalte...
--Bist du es, Erich?
--Femke, Femke, ik smeek je-n-om-godswil, ga niet met die vreemde
mannen mee!
En, zich losworstelend uit den greep van Verlaan, wierp hy zich voor
haar neder, rukte den mantel open, greep hare hand, en bedekte die
met tranen en kussen...
--Wat ik je zei, riep Vrouw Gooremest, de jongen is stapelgek!
--Femke, nooit zal ik je weer verloochenen! Schop me, trap me, dood
me, maar... ga niet mee met die vreemde mannen!
--Licht! riep 't meisjen op zeer gebiedenden toon, en met vreemden
tongval.
De Republikein nam 't smeerkaarsje van de toonbank, en hield het by
de groep, zoodat de knielende gestalte van Wouter nagenoeg zichtbaar
werd. Het meisje staarde door 'n spleet van haar mantelkap op hem neer,
en zweeg, en verroerde zich niet, en scheen natedenken, en trok de
hand niet terug, die Wouter aan z'n lippen geklemd hield...
Verlaan maakte een beweging als om den indringer wegterukken...
Maar zy, den vryen arm uitstrekkend boven Wouter's hoofd, wees den
schipper terug, en zeide:
--Mein Bruder!
--Ook alweer 'n bloed-eigen zoon dus van m'nheer Kopperlith, mompelde
de republikein. Wat die jongelui 'n rare manier hebben om hun nachten
doortebrengen!
De lezer begrypt dat-i deze oneerbiedige woorden niet luid worden
liet. Al z'n hoorders wisten waar de "bloed-eigen" vader van die twee
vagebondjes woonde, en dus: mondje-toe voor de Keizersgracht! Men
had al byzonder ongemanierd moeten wezen--of geen republikeinsche
Amsterdammer--om dit niet te begrypen.
Toen Wouter weer tot bezinning kwam, stond-i op straat. De brommer was
weggereden, met of zonder haar. Met of zonder die beide mannen. Dit
wist-i niet. Maar 't bekommerde hem nu minder ... Zy had hem haar
broeder genoemd, ernstig, plechtig, boekerig, kerksch... dit was
hem genoeg!
--O, myn God, ik dank u, riep hy. Gy zyt goed en genadig en
vergevensgezind... o myn God, ik dank u!
en:
--Gut, ik wist niet dat Femke zóó spreken kon! Ze moet het wel heel
innig gemeend hebben... anders zou ze "broêr" hebben gezegd, zooals
we gewoon zyn.
En hy beloofde zichzelf, overmorgen schatryk te worden "in den
handel." Schatryk, en... Koning alweer, om meer nog, véél meer nog,
van Femke te worden, dan haar broer...
Juffrouw Laps had eer van de les! Maar dit wist Wouter zelf niet,
al voelde hy geheel anders dan gister nog.
Voor 't oogenblik was-i opgetogen met z'n nieuwen titel. Hoe toch
kwam zy aan zoo'n schoon woord? Zoo verheven? Zoo Bybelsch? Zoo
voornaam? Zy, zoo eenvoudig anders!
--Ik ben Femke's broeder! juichte z'n hart, en--hoe vermoeid ook--hy
liep als op stelten, en verwonderde zich dat-i 't hoofd niet stootte
aan de wolken.
Een hoofdstuk zonder aventuren, dat gerust kan worden overgeslagen
door elken lezer dien 't om voortzetting van de geschiedenis
te doen is. Alleen op 't slot wordt de eentonigheid eenigszins
afgebroken door 't zonderling lotgeval van 'n kruiwagen en 'n
onbillyken droom, 't eenige wat de uitgeputte auteur ditmaal
leveren kan.
Sedert eeuwen vernemen wy uit de boeken, dat we den morgenstond
zoo byzonder schoon vinden. Een fransche verzenmaker gaat zelfs
zóó ver, dat-i de opgetogenheid over 't opgaan der zon, aanbeveelt
als graadmeter van de "deugd." Wouter kende dit axioma niet, en
veroorloofde zich dus met begrypelyke verdorvenheid van heel andere
vingers te droomen, dan de "roosverwige" van Aurora. Hy dacht aan
de hand die hy gekust had, en... menschelyk gesproken, z'n "deugd"
was er niet minder om.
Het gevoel dat hem doorstroomde, onttoog hem aan z'n omgeving. De
volheid van zyn gemoed belette hem acht-te-slaan op de leegte der
straten, iets dat hem anders byzonder had moeten treffen, zoowel door
't verschil met al de woeligheid van weinige oogenblikken geleden,
als omdat-i nog nooit op dat uur buitenshuis geweest was. Egoïst
als alle gelukkigen, kwam 't hem heel natuurlyk voor, dat al wat
het leven had zich verborg en opsloot, om ruimte te maken voor zyn
geestdrift. In zulke stemmingen bestaan er in 't Heelal slechts twee
dingen: niemendal en... ik! De gansche schepping verliest, als 'n
trouwende vrouw, haar naam by 't huwelyk met die ééne gewaarwording,
met dat ééne gevoel: ze gaat er in op.
Wouter's oogen dwaalden langs uithangborden, en naambordjes op de
hoeken der straten. Z'n onverschillige blik las: "Botermarkt" en:
"hier gaat men uit porren." Ook kon-i te weten komen waar kousen
te-koop waren, of wagens te-huur, en wie 'n smid was, of 'n timmerman,
of... "in" 't een-of-ander...
Lieve god, wat doet er dat alles toe? Hy had Femke's hand
gekust! Welk verstandig wezen kon 't in z'n hoofd krygen dat er,
na dàt evenement, iets aan gelegen lag of men op die markt boter
verkocht, of schoensmeer? Of die man "uit porren" ging, of "in"
effekten was? Hoe mal toch, dat duizenden e|n duizenden op de wereld
zich bleven aanstellen alsof er niets byzonders gebeurd was! Zelfs
de straatsteenen lagen daar precies als naar gewoonte, en toch--wáár
was het!--hy had Femke's vingertoppen gekust, en zy had hem "broeder"
genoemd!
't Is wel jammer dat de wereld niet verging in dien
zomernacht. Horatius had er 'n aardige illustratie by gewonnen voor
z'n fractus illabitur orbis. Ik geloof waarlyk dat Wouter by zoo'n
kataklysme zou overeind gebleven zyn, en--voor 't byna ondenkbaar
geval dat-i notitie van de zaak had genomen--hoogstens gevraagd hebben:
of zy zich bezeerd had?
Het kan den lezer die eenigszins op de hoogte van z'n tyd is, bekend
zyn dat de wereld niet verging, en dat er op dien vrydag-nacht naar
oude gewoonte 'n zaterdag volgde, die ook alweer niet de laatste van
z'n soort is gebleven.
Wouter vergaf aan de zon dat zy opging, aan de Botermarkt dat ze
Botermarkt heette, aan den porder dat-i porde, aan den effektenman
dat-i "in" effekten was, hy vergaf alles aan allen omdat hy zich zoo
gelukkig voelde.
Toch kostte het hem eenige moeite, overtuigd te blyven dat het
gebeurde geen droom was. Dit noopte hem zich de geschiedenis van
de vyf laatste uren herhaaldelyk, voortezeggen, om verzekerd te
zyn dat nergens 'n gaping was, zooals die welke men gewoonlyk in
gewrochten der verbeelding aantreft. De slotsom was bevredigend,
maar toch... hoe jammer, niet waar, dat-i niet een van die vingers
had kunnen meenemen--de pink was genoeg geweest, die lieve pink!--als
tastbaar getuigenis van 't gebeurde. Femke mocht oppassen, als-i ooit
weer haar hand aan z'n lippen voelde!
Doch neen, ook zonder zoo'n verslindende zorg voor 't bewaren van
'n tastbaar blyk... 't was wáár! Hy had haar hand gekust, zy had hem
"broeder" genoemd. Geen onverschilligheid van zon, straatsteenen,
porders of effectenlui, kon daaraan iets veranderen.
Ga je gang, zon! Rys of daal naar verkiezing, als je dan onvatbaar
bent voor den triumf van 't allerheerlykste. Die ongevoeligheid zal
niets veranderen aan het feit...
Maar... mocht-i dan eigenlyk dat feitje wel voor zoo héél belangryk
houden? En waarom toch! Had niet, lang geleden reeds, diezelfde Femke
hèm 'n kus gegeven, en toen geheel uit eigen beweging? En... die nieuwe
broerschap? Eilieve, waarom zou dit nu op-eenmaal meer beduiden dan
de oude betrekking van "vrindje" waarop hy altyd zoo had aangedrongen,
en die hem nooit geweigerd was?
Hy begon te vreezen dat-i zich tevredener gevoeld had, dan-i
redeneerender-wyze kon verantwoorden. Hierop rekende hy zich de
kreditposten van z'n geluk voor--men bedenke dat-i "in den handel"
geweest was, en er overmorgen wéér in gaan zou--en trachtte hoog
gewicht te hechten aan de erlangde vergiffenis voor 't verloochenen.
Nu ja, geen zwarigheidzoeker of dwarsdryver kon ontkennen dat-i sedert
gister op dit punt 'n wyde schrede was vooruitgegaan, en zelfs sedert
z'n indringen in de kroeg van Vrouw Gooremest. Nog geen vol uur geleden
dreigde z'n gemoed te bezwyken onder Femke's verachting, en nu... nu...
Toch begon hy zich te kwellen met de vrees dat er eigenlyk weinig
geschied was dat hem reden gaf tot de opgetogenheid die hy niet van
zich zetten wilde. De onnoozele knaap wantrouwde z'n geluk, omdat hy
't niet begrypen kon.
De oorzaak zal wel hierin gelegen hebben dat-i slechts wist wat er
geschied was, en verzuimde zich rekenschap te geven van den samenhang,
zoowel der gebeurtenissen, als van z'n aandoeningen. Hy was als iemand
die den oogenblikkelyken barometerstand waarneemt, en daarby vergeet
het voorafgaande in rekening te brengen. Een door styging bereikt
standpunt heeft 'n andere meteorologische beteekenis, dan datzelfde
standpunt als rezultaat van daling. Gebeurtenissen, aandoeningen,
en zelfs zedelykheid, zyn onderworpen aan de algemeene wet der
traagheid. Wie zich toelegt op genezing van 'n fout, en ten-halve
geslaagd is, staat hooger dan 'n ander die in gelyksoortige fout
verviel en daarin afdaalde tot hetzelfde peil. Wat by dezen gegronde
reden geeft tot bezorgdheid, kan in den ander gelden als hoopvolle
verbetering. Iets dergelyks bepaalt den graad van geluk en tegenspoed,
of althans den indruk daarvan. En slechts met dien indruk hebben wy
te doen. 't Was karakteristiek van Wouter, dat-i--niet tevreden met
z'n veronderstelden rykdom--zich zooveel moeite gaf z'n kapitaal
natetellen.
En de uitslag was niet volstrekt geruststellend. Hy wist de
by-omstandigheden niet aan elkaar te knoopen, die hem gelukkiger
maakten dan hy-zelf verklaren kon, doch welker invloed duidelyk
kan gemaakt worden voor ieder die niet zoo van naby in 't gebeurde
betrokken is. Men ziet zichzelf niet, en geeft zich maar zeer gebrekkig
rekenschap van den samenhang der gebeurtenissen en aandoeningen die
ons buitengewoon gevoelig maken voor zekere indrukken. In elk ander
tydsgewricht van z'n leven, na àndere voorbereiding, op 'n àndere
plaats, en te-midden van àndere omgeving, zou 't nachttooneeltjen
in die vuile herberg, waarby Wouter 'n hoofdrol speelde, hem veel
minder sterk hebben aangegrepen. Tot zelfs de nawerking van Fockink's
likeur--zoo ontzenuwend anders!--verhoogde het schynbaar of wezenlyk
gewicht der zaak. Juist de uitputting die op zuike opwekkingen volgt,
had hem tot buitengewone krachtsinspanning gedwongen, toen-i zyn Femke
in gevaar meende te zien. En op-nieuw voelde hy zich vernietigd na
't ondergaan der blyken van haar verachting. Wie dáár niet bezweek,
moest zéér veel veerkracht ontwikkelen, en deze ontwikkeling zelf was
'n oefening in kracht. Na Fockink, het dringen door de menigte! Na
die inspanning weer, haar... glimlach aan 'n ander, haar verachting
voor hèm! Toen had-i geschreid als 'n kinderachtig jongetje. En, nà
deze reeks van Rückschläge en défaillances--ik zoek 'n goed hollandsch
woord voor de hier bedoelde moed-smoorende ontkrachting--na dit alles
hield z'n gebogen ziel spankracht genoeg over, om hem wegteslingeren
uit z'n donkeren schuilhoek en, neervallend voor Femke's voeten, haar
te bezweren: "Femke, Femke, ik ben hier... ik Wouter! Om-godswil,
ga met die vreemde mannen niet mee!"
Dàt was het! Dáárom voelde hy zich zoo gelukkig. [6]
Wouter had het recht veroverd--'n recht dat zoovelen zich aanmatigen
zònder grond--dat hy zichzelf voor iets mocht aanzien. En zonderling,
zelfs het... kuiperytje van de oefenaarster had hem goed-gedaan.
Fancy schynt wel terdeeg geweten te hebben wat ze deed
of... toeliet. Nog zeer onlangs was haar pleegballing 'n kind,
meer kind zelfs dan byna ieder die even ver als hy van 't uur zyner
geboorte verwyderd was. Bovendien was-i zeer kort geleden nog ... 'n
kind in alle beteekenissen van 't woord.
Doch zie, daar wierpen hem de omstandigheden den kerel in den weg,
die hem zoo majestetisch verbood tabak te geven aan 'n "opvreter van
Stad en Land." Tot Wouter's groote verbazing voelde hy in zichzelf de
kracht--en den lust zelfs--die waarschuwing te trotseeren. Zeker was
geen der omstanders daarover zoo verrast als hy. Ze hadden dikwyls
"brutale bliksems" gezien, en konden niet weten dat Wouter ... nu ja,
van 'n bliksem had hy iets, maar brutaal was-i niet. Toch had hy zich
by die gelegenheid voorgedaan als 'n persoonlykheid, eenigszins als
'n persoon... jazelfs--op 'n beetje na!--als 'n wezenlyke man.
Kort daarop was deze onthulling gevolgd geworden door 'n beroep op
z'n ridderlykheid. "Dieven, moordenaars, en... 'n vrouw in nood!" De
gekste zotternyen die uit al die boeken in z'n gemoed gezaaid waren,
werden daar snel genoeg verwouterd, om terstond voor-den-dag te
treden als iets schoons: hy durfde! Hy durfde, ja, maar... niet
omdat-i moed had, o neen! Het durven-zèlf trok hem aan. God en die
zeven planken kunnen getuigen aan hoeveel ridders hy z'n woord zou
gebroken hebben, wanneer-i niet was uitgetogen op den jammerkreet der
belaagde onschuld. Dat-i gedurende z'n heldentocht geleden had aan
ontmoediging, is waar, doch men bedenke dat juffrouw Laps hem slechts
gebakken aardappelen voorzette, en geen enkelen moordenaar. Zoo'n
onthaal werkt niet bezielend. Om ons 't recht te geven, Wouter te
verdenken van... terugtrekkende krygskunde, zou men hem moeten hebben
waargenomen als z'n dame in werkelyk gevaar geweest was. Hoe dit zy,
de jongen, of 't kind van weinig tyds geleden, was ten-stryd getrokken
als n man. En... juffrouw Laps--'n volwassen persoon toch!--had hem
als zoodanig niet versmaad. Integendeel. Er bleek al spoedig dat-i
haar welkomer was in z'n hoedanigheid van ridder dan, byv. de oude
Pennewip zou geweest zyn, dien hy nooit had hooren beschuldigen van
verregaande onvolwassenheid. Ook had zy verzekerd dat ze hem liever
had dan Stoffel, 'n persoonlykheid die toch nog altyd--waarheid
bovenal!--'n paar duim langer was dan hy.
Misschien waren deze opmerkingen voldoende om hem den moed te geven
zich in veel opzichten "groot" te voelen. Maar toch zou er 'n gaping
bestaan hebben in z'n aanspraken op volwassenheid, indien er niet méér
geschied was. Z'n zonderlinge gastvrouw--hoe afschuwelyk ook vroeger
in zyn oog--had de verdienste gehad, snaren aanteroeren, die lang na
't verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. Ze had
hem geleerd dat-i man was, en mneer, of iets anders ten-minste--'n màn!
Dit werd hem toegeroepen door de wakker geschudde zinnen, die met
z'n gekittelde ydelheid om den voorrang dongen in 't bevestigen
van z'n mondigheid. 't Was zeker al iets heel schoons--en niet
elk protestantsch handelsjongetje gegeven!--te kunnen dienen als
schild tegen dieven en moordenaars, maar... dat àndere... o, lieve
onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid
aangetoond, dat hy--hy, Wouter!--kon bemind worden als verloofde,
als bruîgom, als echtgenoot... méér nog dan dat: als de minnaar in
'n boek? Zeker, zeker, ook zóó had-i Femke lief, ook zóó--ànders ook,
God weet het!--maar... ook zóó! Dit bewustzyn had de oefenaarster
in hem opgewekt, zy die eerst zich beklaagde over z'n verregaande
onleerzaamheid, en zoo spoedig reden had tot verdriet over den weg
dien z'n pas opgedane wysheid al te haastig insloeg. Had ze niet
als 'n Virgilische by, honig vergaard voor 'n ander? Was 't niet
'n pynigend: sic illae--Femke!--non mihi? [7]
Zóó althans vatte Wouter de zaak op, al bracht-i er dan Virgilius
niet by te-pas. Er was geen twyfel aan, dat juffrouw Laps hem,
met den vinger als 't ware, gewezen had op 'n vroeger onbekende
plek in z'n gemoed, en tevens dat deze ontdekking in-verband stond
met z'n eerzucht zoowel, als met z'n begeerte om te weten, en "het
Lot uittedagen". En over dit alles lag de gloed--we moeten oprecht
zyn!--niet van z'n liefde voor Femke zoozeer, als van de ontwaakte
zinnelykheid die hy natuurlyk met deze liefde verwarde ... zooals
meer gebeurt, by dokters en patiënten beiden.
Van dit alles wist-i alweer zeer weinig. Gemakshalve bepaalde hy zich
tot den hoogmoed die by z'n nieuwen rang paste, naar-i meende. Als
'n jonge haan dien de kam zwelt, nam-i zich voor... o allerlei! Dit,
o.a. dat-i nooit weer aan Femke vragen zou of ze "maagd" was, en
ook niet wat toch die Bilderdyk kon bedoeld hebben met het malle
woord wulpsch? Hy wist het nu, o goden, zoo goed als Bilderdyk zelf,
en begreep dat zulke praatjes tegenover Femke niet passen zouden in
den mond van 'n "man."
Het dooreenhaspelen van deze nieuwe ondervinding en z'n genegenheid
voor 't meisje, 'n gevoel dat voor 't minst zeer hartelyk was...
Men bedenke dat-i weinig andere meisjes had leeren kennen, en dat
de onvoedzame dorheid van z'n huiselyken kring hem voorbeschikte tot
het gulzig inslikken van de eerste liefelykheid de beste.
...dit, en het licht dat juffrouw Laps zoo onvoorzichtig geworpen
had op z'n aandoeningen, boezemden hem ook jegens haarzelf 'n
vriendschappelyk gevoel in. Om stipt eerlyk te zyn, had-i eigenlyk
tot haar moeten terugkeeren, en heel vriendelyk bedanken voor de
prettige promotie. Maar zóó ver ging z'n erkentelykheid niet. Het
was al veel dat z'n afkeer veranderde in iets als medelyden, en
wanneer-i had kunnen toegeven in de overbruischende mildheid van
z'n hart ... waarlyk, hy had haar met genoegen z'n heelen broer
Stoffel afgestaan! Heel goedig nam-i zich voor, daaromtrent by
de eerste gelegenheid te dienen van konsideratien en aanpryzend
advies. Inderdaad, hy wou gaarne iedereen gelukkig zien, en waarom
dan háár niet, haar die hem zoo zelfopofferend den weg had gewezen
tot wat hy aanzag voor z'n eigen geluk?
Maar al wat niet Femke-zelf was, hield hem slechts vluchtig bezig. Al
z'n eerzuchtige plannen van ... grover aard, weken beschaamd terug
voor z'n besluit om háár lieftehebben, háár te dwingen tot liefde. De
werelddeelen die van hem hun geluk wachtten...
Láát ze wachten! Voor zulke nietigheden had-i nu geen ruimte in z'n
ziel. Hy dacht aan Femke, aan haar zachte mollige hand...
't Is waar ook! Nooit had hy die hand zóó gevoeld. Hy meende vroeger
dat ze ruwer was, steviger...
Maar, eilieve, dan had-i vroeger verkeerd gemeend. Nu wist hy--ja, ja,
ja, want gedroomd had-i niet!--nu wist hy, dat de hand die zoo flink
'n zware ben met waschgoed van den grond wipte, fluweelig was als
't boordsel van Hamlet's mantel, die vergulde kraag waaraan-i zooveel
gom had besteed om 't ding behoorlyk te doen glimmen.
En ook had-i zich vroeger vergist in Femke's stem. En in haar
toon! Want zie, altyd zoud-i zich hebben voorgesteld dat zy, iets
nauwkeurig willende zien in 't donker, zou gevraagd hebben nàar...
licht, o ja, maar anders uitgesproken, heel anders! Of liever, ze
zou--zoo meende Wouter in de dagen van z'n onkunde--ze zou by zoo'n
gelegenheid gezegd hebben:
"Wil jelui asjeblieft die kaars even byhouden?"
En de houding? Die heele Klaas Verlaan--'n man as 'n boom toch!--en
z'n makker, stonden verbluft! Wat ze die rechterhand uitstrekte! En
toch alweer... 'n droom was 't niet, al geleek het dan precies
op 'n droom! By 't openslaan van den mantel, had-i duidelyk den
blauw-geruiten boezelaar gezien. Zoo-iets ziet men niet zoo helder
in den slaap! Hy had de ruitjes kunnen tellen, als-i niet aan iets
anders gedacht had ... o, aan heel wat anders, en byna zelfs aan niets!
Neen, neen, gedroomd had-i niet! Maar toch... wat al raadsels!
Wat beteekenden die praatjes van den schipper over 'n m'nheer
Kopperlith? Wat bewoog hem zich met Femke te bemoeien? Haar
te... verlagen tot 'n ander? Hoe wist-i zoo op-eenmaal dat gemeene
wyf uit de kroeg aan z'n zy te krygen, haar en dien schreeuwer over
menschenrecht? Waarom ging Femke, in-weerwil van z'n bede, met die
mannen mee? Of ... zat zy alleen in dat rytuig. En waarom niet te-voet,
gelyk kinder- en bleekmeisjes gewoon zyn? En waarheen? Kon zy op
dat uur by de Holsma's te-recht? Of was ze naar hare moeder gereden
... die óók vreemd zou opzien als Femke daar kwam aanrollen in 'n
brommer! En uit welke fondsen zouden de "daaldertjes" betaald worden,
waarover die schipper gesproken had met 'n voorname onachtzaamheid
alsof 't maar duiten waren?
Och, wat al mysterien! Maar hoofdzaak was en bleef dat hy haar vingers
gekust, en dat zy hem ten-aanhoore van drie personen allerplechtigst
haar broeder genoemd had.
Dit stond vast als 'n rots. Al 't overige? By de eerste gelegenheid
zoud-i haar vragen om inlichting, die ze hem niet weigeren zou ... hèm,
haar broêr.., neen, broedèr. Zóó zei ze!
Wat overigens 't gevaar aanging--of liever ... 't onbehagelyke--van
haar weggaan met die mannen, hy telde het niet meer. Al waren er tien
mannen met haar in dat rytuig geweest, by de minste onbehoorlykheid
hoefde Femke slechts de rechterhand uittestrekken, en allen zouden
gekropen hebben voor haar voet. Dit immers had hyzelf gezien, en dit
zou hy, Wouter, ook doen--met byzonder veel genoegen, waarlyk!--als-i
maar zeker wist dat ze hem terstond zou opheffen, of althans de hand
reiken tot 'n kus...
Zoo mymerend doolde hy met lamme schreden--want hy voelde zich zeer
vermoeid!--door de als uitgestorven straten der stad.
Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hy den Dam. Daar
stond 'n lange reeks van rytuigen voor en naast het Paleis te
wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor
bewaard voor de zonde van 't verwensenen der hooge gasten, die zich
blykbaar hadden voorgenomen 'n hollandsche zon te zien opgaan, doch wat
laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen,
en er was prins noch prinses te zien.
Behalve eenige werklieden, wier dag wat vroeger dan die van de
anderen scheen te beginnen, stonden er geen toeschouwers om de
"kleine steentjes van 't Paleis." En gepraat werd er onder dat
schamel publiekje niet. Op de deugdzaamheid van de omstanders wil
ik niets afdingen, maar wel bleek er dat de verkwikkende morgenstond
hen slaperig maakte. Misschien heeft de fransche verzenmaker zich in
die beide menschelyke zwakheden vergist, en de eene voor de andere
genomen. Maat of rym zullen dit zoo vereischt hebben.
Ook Wouter voelde slaperigheid. Gister nog zoud-i zich veel moeite
hebben getroost om 'n wezenlyken koning te zien te krygen--zeker om
te weten of zoo'n wezen op Macbeth, Arthur en King Lear gelykt--maar
nu... och, hy gaf er zoo weinig om.
Juist wilde hy heengaan, toen de koetsiers zich oprichtten en in 't
styve postuur zetten, dat hun door Heeren, Vrouwen en traditie schynt
voorgeschreven tot verhooging van de deftigheid. Ze sloten de armen
aan 't lyf, als iemand die zichzelf 'n stoot met den elleboog in de
lenden geven wil, haalden de teugels op, en vertoonden zich zoo leelyk
en voornaam als maar eenigszins mogelyk was. Een schoenmakersjongen
die de wereld scheen te kennen, maakte hieruit op: "dat ze nou wel
gauw komme zouwe."
Die "ze" waren Keizerlyke, Koninklyke en andere Hoogheden. Zoo'n
schoenmakersjongen steekt zonder omslag al zulke waardigheden als
bruine boonen op den elst van z'n tong.
De olykert had juist geraden. "Ze" kwamen inderdaad, en bestegen de
meestal open wagens, die zoo snel wegreden dat Wouter 't gelaat van
al de Majesteiten en Hoogheden niet te zien kon krygen. Slechts één
bejaarde dame gaf op 't oogenblik van wegryden den koetsier met haar
zonnescherm 'n tikje op den schouder, dat zooveel scheen te beduiden
als: wacht even!
--Ze het wat vergeten, diagnozeerde 't krispyntje.
Drie, vier "Kavaliere" vlogen als weerlichten 't paleis in,
en schenen 'n wedloop te houden om den achtergelaten joujou de
Normandie te halen. Een hunner--de ongelukkige!--kon den ingang
niet vinden. Vreemder is 't dat de anderen wèl wisten binnen te
komen, omdat het achtste wereldwonder eigenlyk geen ingang hééft,
'n byzonderheid die zeer gevoegelyk voor negende wonder kan doorgaan,
en dan ook een der hoofdgronden is van den rechtmatigen trots der
Amsterdammers. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlyke deur of poort
kan men overal te zien krygen.
Twee ridders des Heiligen Roomschen Ryks betwistten elkander de eer van
't veroveren... nu ja, veroverd werd er niets, maar ze kwamen te-gelyk
aanloopen met den joujou. Ze schenen 'n compromis te hebben gesloten,
en klemden beiden juist even ver duim en wysvinger om 't gouden
doosje waarin 't kleinood bewaard werd. Beiden lachten en bogen by 't
aanbieden, met gelyke allerunterthänigste Pflichtschuldigkeit. Onder
beiden verdeelde de rechtvaardige Palatine haar tevredenheidswenk van
den zevenden rang. Beiden klopte het hart met gelyke slagen, en wie op
'n goudschaaltje de zieleverrukking van die twee eendrachtige heeren
gewogen had...
Toch ontstond er later twist. In den jare O. H. tweeduizend zóóveel,
procedeerden de naneven van die twee ridders, over de voorzitting in
'n demokratisch kieskollegie. Ridder A zou volgens de traditie z'n
wysvinger een millimeter verder onder de doos hebben uitgestrekt
dan de helft, en dus grooter aandeel hebben gehad in... grooter
aanspraak op...
Gekheid! riepen de afstammelingen van z'n mededinger B. Onze voorvader
heeft er ook den ringvinger aan geslagen! Ziedaar ònzen titel, ònze
aanspraak! Welke onverlaat zou in deze demokratische eeuw, de rechten
miskennen... enz.
--Zieje wel dat ze puissies in d'r gezicht het! riep de
schoenmakersleerling.
't Was de waarheid! Koninklyk-Keizerlyke puisten! Menschelyke
puisten! Dit had geen der poppen op Wouter's printen. Al z'n gekleurde
prinsen en prinsessen verheugden zich in gave gezichten, en 't viel
hem zeer tegen, dat 'n dame die tot den stoet van koningen en keizers
bleek te behooren, zoo bitter weinig op z'n printen geleek. Als hy
't mensch gekleurd had, zou ze 'r beter uitzien, meende hy.
Hoe geheel anders was dit met... háár, met Femke! Zy had frisscher
gelaat dan-i met al z'n vleeschkleur schilderen kon. En 'n houding! Nu
kwam hem op-eens voor den geest aan welke figuur ze hem had doen
denken, toen ze daar stond met half-opengeslagen mantel by 't
flikkerend kaarslicht: aan konigin Elisabeth van Engeland... juist!
Maar deze vrouw met haar puistjes? Gut, ze kon best 'n waschvrouw
wezen, 'n allergewoonste waschvrouw, die nog slordig blauwde op den
koop toe, en zoekgeraakte mansetten te vergoeden kreeg.
Het onaanzienlyk voorkomen van de Paltsgravin, werkte zeer... burgerlyk
op Wouter's verbeelding, en 't kwam hem niet heel waardig voor,
prinses te wezen, als men daarby puistjes in 't gezicht hebben kon
gelyk ieder ander. Hy beloofde zich vast en zeker, dat-i nooit Femke
verlaten zou om-den-wille van welke Majesteit ook.
Wel voelde hy eenige yverzucht op 'n zeer jong mensch die kort na
't wegryden van de Paltsgravin, 'n opening in 't Paleis scheen
gevonden te hebben, en naar buiten trad. Gelyk 'n deel der andere
Kavaliere--de meesten torschten 'n witte pruik, met 'n staartjen
in den nek--droeg hy eigen haar, dat vry lang was, en hem los om
de schouders slingerde. Z'n kleeding was 'n eenigszins fantastische
variant op de uniform der adelborsten van die dagen. De kleur van z'n
buis was donkerblauw, met roode opslagen aan hals en mouwen, doch
zonder 't minste goud, wat by de schitterende uitmonstering van al
de andere heeren, zeer in 't oog viel. Ook droeg-i geen ridderorde,
en scheen dus 'n gedistingeerd persoon te wezen, al ware 't hierom
alleen dat-i minder dan alle anderen op 'n begunstigde koninklyke
kamerdienaar of 'n hansworst geleek. Op z'n hoofd had-i 'n zoogenaamd
schotsch-mutsje, zooals ligt-matroosjes gaarne dragen. Twee jockey's
brachten 'n schoon paard voor, dat door den een by den teugel werd
gehouden, terwyl de ander den stygbeugel hield.
--Dat 's god-straf-me-n-'n jonker! zei 'n sjouwerman. As de bliksem
zes man 't grietje-want in, om dat vet in 't blok te klaren!
--Mot hy op dat paard? vroeg 'n oud-kavallerist, die 't in zyn vak
gebracht had tot "oppasser" van ongetrouwde ouwe-heeren. Weetje wat
ik zeg? Ik zeg: 'n zeeman op 'n paard, is 'n gruwel in Gods oog!
Wouter was te onbedreven in de vakpedanterie dezer beide
pronkstukken van mislukte soldaat- en zeemanschap, om hun spotterny
te begrypen. Voor-i gereed was met het ontcyferen van dat "vet in 't
blok" en dien "gruwel" sprong prins Erik, den stygbeugel versmadend,
op den goudvos. De toeschouwers schrikten van 't steigeren, en maakten
zich gereed om wegtestuiven zoodra 't wilde beest blyk mocht geven
dat de "kleine steentjes" te nauw waren voor den stryd dien 't met
z'n ruiter aanving. Het zette den kop in de borst, steigerde, schoot
vooruit, en stond op-eens pal, zwenkte onverwacht, brieschte, schudde
de manen, schopte, trachtte z'n ruiter over-kop te werpen ... alles
te-vergeefs! Of prins Erik 'n gruwel in Gods oog was, weet ik niet,
maar hy zat vast in 't zaal, dit is zeker.
--Dàt 'n zeeman? riep de oud-matroos--die in zyn tyd den welverdienden
bynaam droeg van "lamstralige snertmalènger"--dàt 'n zeeman? 't Is
de vraag of-i 't verschil kent tusschen'n bezaan en 'n fok! Al die
rykeluîs-zoontjes komen de kajuitspoort in! Ik en 'n ander kruipen
door de kluisgaten, zieje! Dat 's 't ware!
En, als om op deze diepzinnige meening 't zegel te zetten, verschikte
hy z'n tabakspruim van rechts naar links.
--Hm, zei de kavalerist-kleerenklopper, hy heeft meer 'n paard tusschen
de pooten gehad! Anders ... ik wil maar zeggen dat zoo'n pallas van
anderhalf verrel, 'r heel mal by staat. Die vliegeprikker slingert
het arme beest tegen de beenen. Hy moest dat ding opgespen.
Prins Erik gespte niets op. Hy vermaakte zich met temmen van z'n
paard. Toen dit gelukt was, begon hy op zyn beurt het schoone dier
te plagen, en kittelde het met de sporen, onder 't inhouden van den
toom. Telkens gaf het blyk van goeden wil, maar scheen wat straf
te-goed te hebben voor z'n speelschen moedwil van zoo-even. Eindelyk
scheen de ruiter voldaan. Hy liet den vos, die niets liever wilde
dan de nog altyd wegrollende rytuigen narennen, z'n zin, en schoot
vooruit. De dunne gordel omstanders brak af, en op-eenmaal bevond
zich de ruiter voor 'n kruiwagen, die de dubbele funktie vervulde van
voertuig en augurken-magazyn. Nog juist by-tyds hield de jonge ruiter
z'n paard even in, maar toch... 't was te laat om te wyken. Op-eens
liet hy den teugel schieten, en 't vlugge dier sprong welberaden over
't beletsel heen.
De weinige toeschouwers riepen: hé! en onze prinselyke adelborst
joeg den stoet rytuigen na, die sedert eenige oogenblikken in de
kalverstraat verdwenen was.
Het schoenmakertje, dat zooveel blyk gegeven had op de hoogte
van hofzaken te wezen, beweerde dat "ze" den Diemermeer zouden
doorryden, en, van daar terugkeerend, al de buitensingels om, door
de Haarlemmerpoort weer naar 't Paleis.
Wouter verheugde zich hartelyk in z'n afkeer van de puistige
Prinses. 't Was hem als 'n geschenk van 't lot, dat hy eens eindelyk
iets had te zien gekregen uit 'n sfeer die van de zyne zoo hemelsbreed
verschilde, en dat toch z'n begeerigheid niet opwekte.
Met dat schoone paard was 't iets anders! Wat 'n sprong! En wat
die jonge ruiter 'n lief gezicht had! Precies Hamlet... vóór 't
kleuren! Zoo'n paard zou hy ook wel eens bezitten, als-i maar op
goeden voet bleef met Femke...
Dit scheen hem de eenige bron van alle geluk!
...als Femke hem maar lief had! En... zoo niet? Wel, dan verkoos-i
niet eens 'n paard te hebben, geen ezel zelfs, en ... niets! 't Was
immers juist om door háár te worden bewonderd, dat-i z'n beest zulke
sprongen wilde laten doen over kruiwagens, of... hooger dingen!
In afwachting van die gelukzaligheid te-paard, sukkelde hy voorloopig
op z'n voeten verder, en raakte weldra in de buurt van Femke's huisje.
Hier zette hy zich op haar bleekveldjen in 't gras, en peinsde, en
voelde zich overmand van vermoeienis, en viel in 'n slaap die meer
onrustig dan verkwikkend was.
Hy droomde allerlei vreemde dingen, waarvan de hoofdzaak was dat 'n
jong meisjen op 'n tafel stond, en zich vermaakte met het opwerpen
en vangen van zware mannen in schippersdracht. Ze speelde er mee, of
't ballen waren...
--Laat ik haar nu goed aanzien, vermaande zich Wouter. Straks rydt
zy de lucht in ... ze ziet niet op 'n daalder... en daarom... al is
't nu maar 'n droom...
En hy zàg. Hy staarde zoo scherp als men dat in 'n droom kan, en hy
onderscheidde duidelyk de trekken van ... de kleine Sietske Holsma!
Zéker was zy het! Want ze riep heel verstaanbaar: 'n "massa" is
'n heele troep, weetje!
En met zoo'n massa--die precies geleek op Klaas Verlaan en de
zynen--kaatste zy...
--Dàt zal ik nu eens goed onthouden als ik wakker word, beloofde zich
Wouter. Men hoeft zulk volk maar tusschen duim en vinger in den nek te
pakken, en 't gaat vanzelf. Ik zal 't opschryven, want zoo'n droom...
Van Femke geen woord, helaas! Zou men niet bevreesd worden inteslapen,
als men bedenkt dat dit ons verleiden kan tot zooveel ontrouw, tot
zoo'n valsheid?
Lezers die gesteld zyn op deftige poëzie, kunnen ook dit
hoofdstuk weer overslaan. 't Is vol prozaïsch realismus,
zich openbarend in de hydrogymnastische oefeningen van 'n
kastalische-fonteinnimf--tevens van beroep: waschvrouw--met
'n ridder in de luur, die 'n brief ontvangt uit den hemel: mirakel!
Toen Wouter zich in 't gras zette met z'n rug tegen 'n boom, was z'n
voornemen daar te blyven zitten wachten tot-i leven bespeuren zou in
Femke's huisje. Al was 't dan hoogstonzeker of ze zich dáár bevond,
toch immers zou hy dan iets vernemen. In-allen-geval kon haar moeder
hem zeggen, zoo hoopte hy, of ze behouden was thuis gekomen, en of
de wond in haar hals of gezicht van beteekenis was? Want bebloed was
ze geweest, dit had-i duidelyk gezien.
Hy wist niet of ze gedurende haar tydelyke funktien by de Holsma's--'n
nicht... hoe zàt dat in elkaar!--op de Kolveniersburgwal sliep, of
's avends te-huis kwam by haar moeder. Maar hoe dit wezen mocht,
iets zou hy nu zeker vernemen, als-i maar wachtte...
Helaas! Om hem overeind te houden, waren drie stevige boomen niet
te veel geweest, en hy had er maar één. Hy viel dan ook weldra om,
en lag daar alleronfatsoenlykst. Z'n petje rolde in de sloot, en
verdween langzaam maar zeker onder 't kroos.
De zeer enkele voorbyganger die hem bemerkte, meende dat daar 'n
beschonkene lag, en was ruimschoots in de gelegenheid om bespiegelingen
te maken over de al te vroege rypheid van zoo'n jong ventje. Een
onderzoek naar de oorzaken van 't geval--hy toch kon ziek, gewond
of dood wezen--lag niet in de zeden. Dat zyn politiezaken. 't Was
volgens die zeden al wel, dat niemand hem leed deed.
Gelukkig was 't aantal voorbygangers, om 't vroege morgenuur, nog zeer
gering. Bovendien, hy lag niet zeer naby het pad dat door 't grasveldje
kronkelde, en de meesten gingen voorby zonder hem te zien. Maar straks
als er gebleekt moest worden, zoud-i in den weg liggen, dat was zeker.
Z'n droomen blyven--als 't wakend leven-zelf--'n zonderling mengsel van
schyn en werkelykheid. Een beetje waarheid, en veel bedrog ...ziedaar
alles! Om rechtvaardig te zyn jegens slaapdroomen, moet men erkennen
dat ze maar beschikken kunnen over één soort van leugen. Even als
dichters en lasteraars!--vinden ze niets uit, en bepalen zich tot
eenige verandering in 't rangschikken of samenvoegen. Personen, zaken
en denkbeelden wisselen gedurig van rol, en leenen van elkander 't
heterogeenste. Wouter droomde precies als 'n ander in zyn geval zou
gedaan hebben, d. i. onder den indruk van de gegevens die hem waren
meegegeven in den slaap, en van den boomwortel waarop z'n lenden
waren te-recht gekomen. Die wortel speelde voor juffrouw Laps die hem
pynlyk omhelsde, maar ze sprak daarby als oom Sybrand, over taal en
kippenhokken. Z'n moeder zag het aan, en geleek op koningin Elisabeth
die, volgens haar, Amerika had gekocht, en betaald met háár geldje:
honderd kromme pietjes. Klaas Verlaan droeg 'n fluweelen mantel, en
zat schrylings op 'n gevleugelden kruiwagen vol augurken, waarmed-i
heensprong over 'n dame vol puistjes en ridderorden. Daar kwam ook:
"massa"--persoon geworden--met 'n pruim in den mond, en verklaarde
dat-i Gooremest heette en op de Keizersgracht woonde, waar-i "met
God" in effekten deed. Een zevenklapper hield redevoeringen over
menschenrecht, en beukte Wouter in de ribben ... dit was weer de
schuld van dien wortel. Een vries-bont boezelaar zong: honneur au
plus vaillant, en scheen daarmee broêr Stoffel te bedoelen, die er
naar stond te luisteren, en met allerliefste bescheidenheid 'n wolk
van toegeworpen lauwerkransen opving op 'n yzeren leerlineaal.
Zoo ziet men, hoe billyk het lot is. Wie roem te-kort komt in
werkelykheid, krygt z'n deel in 'n anderen droom.
Maar, in-weerwil van 't vermoeiend geflikker dezer half-uitgewreven
en bont dooreen gemengde beelden van z'n herinnering, behield één
figuur vry standvastig haar trekken. Ze beheerschte elk tooneel dat
aan Wouter's verbeelding voorbyschoof. 't Was die van 't meisje dat op
'n tafel stond, en haar armen kruiste.
--Lieve goeie god, jongen, hoe kom je dáár? Hoe kom jy daar?
Zoo sprak 'n stem, eerst op eenigen afstand, toen naderby, en weldra
zelfs aan z'n oor. Hy had 'n flauw besef dat iemand bezig was hem
opterichten.
--Sietske! mompelde de slapende.
--Ja, zoo heet ik! Maar hoe weet jy dat?
--Sietske... Holsma!
--Wel zeker! Maar wie heeft je dat gezegd? En hoe kom je hier? Heel
fatsoenlyk is 't niet! Ben je dronken? 't Is 'n groote schande voor
zoo'n jong bloedje!
Ja, zeker was-i dronken. Maar 't was nog altyd van den slaap. En
nogeens sprak hy den naam van Sietsken uit.
--'t Kan me niet schelen dat je me by m'n voornaam noemt, maar ... hoe
kom je 'r aan? Heeft Fem je zoo wys gemaakt? 't Is 'n ware schand voor
god, dat ie hier zoo ligt als... 'n zwyn, dat zeg ik je! En zoo-even
nog... geen uur geleden, zat je d'r op als 'n banjer... 't Is schande,
zeg ik!
De persoon die aldus tot hem sprak, was by hem neergeknield. Ze
richtte hem wat op, en hy viel wezenloos tegen haar aan, zoodat ze
wel genoodzaakt was, hem weer in 't gras te leggen.
--Och, och, och, 'n waar schandaal! Zoo jong nog, en dan al zoo
gruweloos aan 't verpieteren!
De vrouw die zich met Wouter bezighield, scheen te willen voortgaan
met de niet ongewone fout, 'n beschonkene z'n schandelyken toestand
te verwyten op 'n oogenblik dat-i onvatbaar is voor rede. Maar op-eens
bedacht ze zich, en, van toon veranderend:
--Och, lieve god, 't is waar ook, riep ze, hoe kan ik zoo praten! 't
Kind is van 't paard gevallen, de stumpert! Jesis-Maria, wat
ben ik 'n gemeen schepsel! Zeg, jongeheer, ben je van je paard
gevallen? Och, och, och, wat doe je-n-ook op zoo'n beest! En... waar
is je skos-mussie? 't Stond je zoo aardig! En je sabeltje? 't Rinkelde
zoo! En nu al dood... Jesis-Maria! En je kleertjes? Och, lieve god,
hy is dood, en... van z'n paard gevallen! Ben je dood?
--Sietske! mompelde Wouter.
--Goed, goed, noem jy me gerust by m'n naam. Ik geef er niets om, want
groots ben ik niet, als je me maar zeggen wilt of je dood bent! Och,
och, och, Maria-Josef, hy is dood! Als Femke maar hier was!
Daar trilde iets in den zevenslaper: Femke! Was zy 't? Femke? Was
't niet Sietske?
--Sietske ben ik, zei... Vrouw Claus.
Deze vreemde mededeeling was de moeite van 't oog-opslaan waard! Maar
ze vielen weer toe, en hy tegen haar aan.
--Je mag me noemen zooals je wilt--gut, waarom niet? Ik ben
waschvrouw--als je me maar zeggen wilt of je je bezeerd hebt, en of
't erg is? En waar is je geruite muts? 't Is schande van je moeder,
dat ze je-n-op zoo'n beest zet ... 'n ware schande! Zeker heb je
armen en beenen gebroken? En je ribben? En misschien je nek, hè? Zeg
't maar, jongen! Ja 't is schande van je moeder! Zoo-even zag je 'r
nog zoo snoepig uit ... geen uur geleden! En nu ... leg maar gerust
tegen me-n-aan. Och, wat zal Fem er van zeggen? De meid zal desperaat
wezen, en... ik ook!
Wouter richtte zich 'n weinig op, en wreef zich de oogen uit.
--Zeg, wat is er aan je gebroken? Wil je dat ik pater Jansen laat
roepen? Och, 't wurm kan niet spreken! Wat is er aan je stuk?
--Stuk? Gebroken? Aan my?
--Ja, stumpert, zeg 't maar!
Wouter betastte zich. Toen z'n hand de plek bereikte, waar die
boomwortel z'n plooien en knoesten had ingestempeld, nam z'n gelaat
'n vragende uitdrukking aan. Geheel overtuigd dat men hem niet buiten
z'n weten had geradbraakt, was-i niet!
--Gebroken? Stuk? Ik?
--Wie anders?
--En... wie zou dat gedaan hebben?
--Wie? Wèl ... jyzelf, stumpert!
--Ik?
--Wat doe je-n-op zoo'n beest!
--Op 'n beest? Ik op 'n beest?
--Weet je dan niet dat je d'r afgevallen bent?
--Ik? Van 'n beest gevallen? Van welk beest?
--Van 'n paard immers? Weet jyzelf dat niet? Ben je dan
toch... misschien... 'n beetje... dronken ook?
--Ik? Dronken? Van 't paard gevallen? Ik?
En hy legde beide handen met wyd-uitgespreide vingers op de borst,
als om met onomstootelyke zekerheid vasttestellen van welke ikheid
hier de rede was:
--Ik? Ben ik dronken? Ben ik van 't paard gevallen?
--Wat ànders? Wie ànders?
--God, god, hoe is dàt mogelyk?
En nogeens betastte hy z'n rib die 't cachet droeg van den
boomwortel. Daarop greep-i Vrouw Claus by den arm, en schreeuwde,
op elk woord drukkende:
--Je... zegt... dat... ik... van... 'n paard... ben... gevallen?
--Ja, schaap, dàt zeg ik! Houd je bedaard!
Nu sloeg Wouter de handen aan z'n hoofd, misschien begrypende dat
dààr de ikheid woonde die geraadpleegd worden moest. De slotsom van
z'n overwegingen schynt zonderling, maar is natuurlyk:
--Ik wou me graag eens wasschen!
--Wel, dàt 's goed! riep Vrouw Claus verheugd. Zou er dan waarlyk
niets aan je kapot zyn? En waar is je muts?
--Wasschen, ging Wouter peinzend voort, met heel koud water!
--Goed, jongen! Kom maar mee naar de pomp! Ben je zeker dat je loopen
kunt? Heb je je beenen niet gebroken?
Wouter betastte ze, en zei zonder de minste overyling:
--Ik... geloof... het... niet!
--En je ribben?
--Ook... niet!
--En je nek?
--N...e...e...n!
Om de goede vrouw gerusttestellen, schudde hy langzaam 't hoofd,
maar hy had wel eenigen moed noodig om die gymnastische bewysvoering
te beproeven. 't Mocht eens niet lukken!
--Kom dan mee naar de pomp! En... zeg eens, jongen, maar jok niet,
ben je altemet niet 'n beetje... dronken ook? Zeg de waarheid!
Wouter stond langzaam op, bedacht zich vry lang, en zei, blykbaar na
konscientieuze raadpleging van z'n herinneringen:
--Ik geloof het niet! Maar... ik wou me zoo graag wasschen in heel,
heel, heel koud water... koud als ys!
Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daarachter,
waar 'n groote pomp stond.
--Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier
zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te
noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar...
Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n
herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de
laatste droomerige toevoegsels, Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn
voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen
had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te
ontkleeden. Met kostbare naïveteit dacht zy te-dezer-zake in 't
minst niet aan zichzelf, en meende al heel veel gedaan te hebben om
Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n
latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na,
vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek.
--Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie
dáár overheen kykt, moet knap wezen!
Geen "mensch" geen "sterveling?" En zy dan? Wouter wist waarlyk niet
hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...
Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En
dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten,
die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?
--Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes
niet tot je wil, dàt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest!
En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren,
en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest
was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was,
loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe
tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als
kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of
ze had er 'n "suia, suia, kindje" by gezongen. Want--honni soit qui
mal y pense!--zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den
jongen ridder.
Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp,
en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en
weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van
teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw
Claus vatte z'n "brrr!" dat misschien beteekenen moest: "genoeg,
genoeg!" als 'n betuiging van tevredenheid op.
--Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed...
'n Pompslag!
--Brrr!
...naar je hoofd! En de kou van 't water...
'n Pompslag!
--Brrr!
...als je maar niet je nek gebroken hebt...
'n Pompslag!
--Brrr!
...want dan helpt het niemendal! En...
'n Pompslag!
--Brrr!
...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...
'n Pompslag!
--Brrr!
...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...
'n Pompslag!
--Brrr!
...pyn in m'n milt! Maar anders, ik...
'n Pompslag!
--Brrr!
...ik wil wel! Zoo lang als je maar...
'n Pompslag!
--Brrr!
... als je maar wilt!
Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk
te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patiënt
het verlangen mocht.
--Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...
--Brrr!
...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd,
weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n
ware spiegel, kompleet 'n spiegel!
Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wàt zoud-i gezegd
hebben? Femke's rug, een... spiegel?
--Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt
alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen
met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren,
flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik
ook wel...
En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger
rees...
--Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen,
bibberde Wouter.
En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet
verstaan kon.
--Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...
--Brrr!
...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent,
want dan...
--Brrr!
...is er niks an 'n mensch te doen.
Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en
gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den
straal wegteschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend
om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet
anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En
bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen,
die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon
schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef
onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n
kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets
gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat
verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.
--Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade.
--Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe
straal--de slinger rees al!--hem weer de spraak zou afsnyden. Neen,
maar...
De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n
klomp en in-een gedoken zat:
--Heb je véél pyn? vroeg ze.
--Neen! Pyn juist niet, maar ...
--Ben je misschien moe van 't ryden?
--Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!
--Dàt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap
gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk
ik er van.
En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den
lezer--zouden er zyn, die hiertoe te laag staan?--droogde zy Wouter
af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem--zoo
opgevouwen als-i was--daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed.
Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...
--Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar...
in-godsnaam niet gebroken zyn.
Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording
van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking,
toen z'n voedster de dekens naast hem "instoppende" de heerlyke
woorden uitte:
--Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van
onze Fem, weetje!
Op Femke's bed! Wèl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou
doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te
houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als
kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch.
Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap--nu
van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er
naast--werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n
gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus
hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had,
nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet.
Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding,
al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...
Want--onder ons, lezer--dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!
Toen-i zoo ongeveer tegen vier uren in den namiddag wakker werd,
hoorde hy fluisterend spreken. Hy spande zich in, eerst om te weten
waar-i was, toen om te begrypen hoe hy daar kwam, en daarna om te
verstaan wat er gezegd werd.
Het scheen er op toegelegd, op-nieuw voedsel te geven aan de
zonderlinge verwarring tusschen Femke en Sietske, die in z'n gemoed
ontstaan was. Zeer duidelyk hoorde hy Vrouw Claus zeggen:
--Ja, Siet, maar... wat doet-i op zoo'n paard! Als ik z'n moeder was...
En hoe Sietske nogal nuffig antwoordde:
--Nicht, ik denk dat z'n moeder er niets van weet. Herman heeft het
ook eens gedaan, want, nicht, de jongens zyn zoo!
Dus: Sietske was dáár! En... Vrouw Claus was haar nicht, en heette
ook Sietske! En... 't meisje dat op de tafel stond...
Och, op-eens voelde Wouter zich weer minder gelukkig! Hy kon maar
in 't geheel niet wys-worden, noch uit het gebeurde, noch uit z'n
aandoeningen. Lichamelyk gevoelde hy zich welvarender dan ooit...
Nooit had-i zóó 'n bad ondergaan, nooit zóó geslapen, na zóóveel
spanning en vermoeienis!
...maar juist dit gaf hem volle ruimte om verdriet te voelen over de
verwarring van z'n denkbeelden. Was... dàt, dàt en... dàt, wáár, of
was 't niet waar? Daarop moest orde gesteld worden! Straks misschien
zou men hem komen vertellen dat-i op 't bed lag van Klaas Verlaan,
of van de liefelyke weduw Gooremest!
Neen! Zóó ver zou de helsche spokery niet gedreven worden! Hy lag
wel inderdaad in Femke's kamertjen, of in haar bed toch, want 'n
byzondere kamer had ze zeker niet.
--Als ik nu 'n stuk uit het laken knipte, dach hy, om morgen te kunnen
zien en tasten, en zeker te zyn?
En hy bracht er Samuel 26 by te-pas, en droomde zich voor, hoe hy Femke
zou bezweren dat-i haar spies en waterkruik niet had meegenomen om te
dienen als getuigen tegen háár--'n spies zag hy niet, maar 'n Rebekka
stond er--doch alleen om zichzelf 't zwygen te kunnen opleggen, als hy
eens later weer mocht beginnen te vragen, te twyfelen, te ontkennen...
Wat overigens het beddelaken aangaat, waaruit hy naar Davids voorbeeld
'n slip snyden wilde... 't was eigenlyk jammer dat-i niet aan zeer fyn
linnen gewoon was. Dit belette hem, de poëzie van 't byzonder grove
te genieten. Rein wàs dat lynwaad, als zy die daartusschen geslapen
had! Maar Wouter stond nog in lang niet hoog genoeg, om gevoelig
te zyn voor schoonheid in 't geringe. Was-i niet nog kinderachtig
verslingerd op fluweel, goud, satyn, en zulke voddery? Het zeer
grove weefsel van die lakens was wel inderdaad nog altyd te grof
voor z'n smaak, doch hierom alleen wyl die smaak niet fyn genoeg was
om de tegenstellend-fyne beteekenis der grofheid van dat weefsel te
waardeeren. Gelyk zeker soort van boekenmakers, zoud-i 'n prinses laten
slapen op geborduurde zyde... waarom niet op paarlen, tusschen lakens
van scherpgeslepen diamant? Hy wist nog niet dat men zich--behoudens
alle deftigheid, en eerbied voor de grondwet--Koninklyk-Keizerlyke
Hoogheden by-nacht, ànders kan voorstellen, en dat eenmaal misschien
'n prinses zich te gering achten zou, om Femke's bedje te schudden.
Neen, neen, zóó ver was Wouter nog niet! Toch keek hy met innig
genoegen 't kamertje rond, en ademde den geur in, die z'n verbeelding
meedeelde aan alles wat-i zag. Al voelde hy zich dan niet in-staat,
den hier uit alles sprekenden eenvoud boven boekerige majesteit te
stellen, toch was-i reeds genoeg gezuiverd van 't àllergemeenste,
om die eenvoudigheid hooger te schatten dan 't benauwd-burgerlyke
waaraan-i gewoon was en dat hem zoo kwelde. Aan paleizen--die hy
nog nooit gezien had--bleef-i nog altyd de voorkeur geven boven
'n hut. Maar te kiezen hebbende tusschen hutten en huizen, tusschen
armoede en burgerlijkheid... o, dan helde z'n smaak onvoorwaardelyk
over naar den kant van 't geringste.
En, alweer bedroog zich z'n smaak! Om nu niet te spreken van 't
onrecht dat-i aandeed aan wat ik nu in één woord: "burgerlykheid"
noem, door de achter- onder- boven- voor- zy- en opkamertjes waarin
dat maatschappelyk standpunt zich tot-nog-toe aan hem had geopenbaard,
te verheffen tot type--hy zag, door vergelyking dáármee, de Holsma's
voor ryk en voornaam aan--in veel wyder opzicht beging-i 'n fout. Noch
hutten, noch grove beddelakens, noch achterkamers, noch paleizen, noch
zelfs... de puistjes van 'n Palatine, bedingen--d. i. veroorzaken of
weren--de poëzie! Voor haar is dit alles gelyk. Zy zoekt en vindt
haar voedsel in 't schynbaar geringe, niet meer--maar vooral niet
minder ook!--dan in voornaamheid. Gelyk 'n godin--dit is ze, en... de
eenige!--alles overziend, alles waardeerend op juisten prys, alles
vervormend naar háár beeld, alles behoudend, samenvoegend en gebruikend
voor háár doel, de ongelyksoortigste bestanddeelen overgietend met
háár kleur, heft ze alles gelykmakend tot zich op, zonder aanzien van
persoon, standpunt of omgeving. Dit is haar roeping, haar behoefte,
haar Wezen.
't Was nog al wèl, dat Wouter niet naar juweelen zocht in 't kamertje
van de prinses zyner ziel. In-plaats hiervan bemerkte hy dat er nòg een
slaapplaats was: 'n "bedstee." Daar sliep zeker Femke's moeder. Tegen
een der wanden van 't vertrek was 'n wyde gemetselde schoorsteen,
alleraardigst gekleed in Delftsche ticheltjes. Ze stelde met hun allen
de opwekking van Lazarus voor, en de man met wien ik den lezer by 'n
vorige gelegenheid in kennis bracht [8] ontbrak niet. Wouter voelde
zich door dit staal van al te wonderbewyzend realismus minder gestuit
dan anders 't geval zou geweest zyn, want... op die poppen had Femke's
oog gerust. Dit denkbeeld adelde alles wat-i zag. Het kamertje was
overigens gemeubeld met vier matte-stoelen, waarvan een voor 't bed
stond, met z'n kleêren, netjes gerangschikt en blykbaar gereinigd,
er op. Zelfs z'n ryglaarsjes waren gepoetst. Die goede Vrouw Claus!
In 't midden van de kamer zag hy 'n vierkante tafel, waarin 'n
lade die openstond. Het ding kon niet anders, omdat het gaapte door
overlading. De ons bekende wollen kousen staken boven den rand uit,
en wachtten op herstelling of misschien op terugzending naar den
eigenaar... naar pater Jansen? daar was meer brei- en ook naaiwerk
in die lade... goeie hemel, geestelyke onderbroeken misschien!
Wouter sloot z'n oogen, en keerde zich gemelyk om. Wollen
kousen... va! Maar die onderbroeken... hy zag geen kans ze te
poëtizeeren! De
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/30751