Bedenkingen tegen de Leer van Darwin
by Antoine Charles Reuther · Dutch · Gutenberg #30735 · 683,013 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Bedenkingen tegen de Leer van Darwin
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Bedenkingen tegen de Leer van Darwin
Author: Antoine Charles Reuther
Release date: December 22, 2009 [eBook #30735]
Most recently updated: December 10, 2022
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/30735
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ from scans made available by the University of Groningen.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN ***
BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN,
Gevolgd door
Beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.
Door den schrijver van het werk,
Getiteld:
Over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz.
En van
Het vervolg op dit werk.
Amsterdam,
J. C. Loman Jr.
1871.
INHOUD.
BLADZ.
1o. Bedenkingen tegen de leer van Darwin. 3.
2o. Beschouwingen over de oorzaak van het kwaad en over het doel
van het leven. 64.
3o. Beschouwingen over eenige onderwerpen op buitenzinnelijk
gebied. 143.
4o. Beschouwingen over de geestelijke ontwikkeling van
den mensch. 205.
5o. Beschouwingen over de drie algemeene natuurwetten en eenige
andere hiermede in verband zijnde zaken. 231.
BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN.
Onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij
bekende leer van Darwin zijn de volgende:
1o. Dat de splitsing van diersoorten in andere soorten, van deze weder
in nieuwe enz. slechts bij uitzondering kan plaats hebben; namelijk,
wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen
van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt, door dat
de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde
soort geschiedt.
2o. Dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan
plaats hebben, omdat, naarmate van zulk eene soort, binnen dezelfde
uitgestrektheid grond, het aantal exemplaren vermindert, elk dezer
onder levensomstandigheden komt, waarin het beter dan vroeger aan de
oorzaken, deszelfs soort trachtende te vernietigen, kan wederstaan.
3o. Dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten, voor
de omstandigheden waarin zij verkeeren, onmogelijk door de natuurkeus
(anders gezegd door de werking van het toeval) kan geschieden.
4o. Dat, zelfs aangenomen, dat de natuurkeus die geschiktwording
kon voortbrengen, hierdoor nog niet verklaard zou worden, hoe
lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen,
zoodat de leer van Darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei,
onbeantwoord laat.
Een wel is waar niet volledig, maar desniettemin vrij voldoend
antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven, wanneer men kan
aantoonen, dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn
uit een aantal anderen, elk op den allerlaagsten trap van dierlijke
organisatie staande.
Deze hypothese heeft reeds, voordat de onderzoekingen
der versteeningen, binnen de sedimentaire lagen bevat hare
waarschijnlijkheid aangetoond hadden, den bijval van denkers
genoten. Ten allen tijden hebben deze toch aangenomen, dat het
bijzondere, uit het meer algemeene, het zamengestelde (mits die
zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond), uit het
meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere (zoo dit een even
bijzonder karakter als dit hoogere bezat), moest voortspruiten.
De ervaring toonde toch aan, dat in het maatschappelijke en op
het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en
vandaar, dat men stelde, dat die schoone regels ook op het gebied
van het buitenzinnelijke moesten gelden. Raadpleegt men zelfs de Oude
Cosmogonien, zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke, wijze
ontvouwde grondgedachte, dat er, wel is waar, niet een begin van alles,
maar wel van het bijzondere bestaan heeft, namelijk dat de wereld met
al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld
heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid
bezittende Oergod, de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn.
Men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere, mits dit een even sterk
karakter van bijzonderheid als het lagere bezit, dit laatste noodig
heeft om te bestaan; terwijl het omgekeerde niet doorgaat.
De vleeschetende dieren verslinden bijv. de gemiddeld minder geestelijk
ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren; terwijl deze zeer
gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen. De kleine vogels voeden zich
met de lager dan hen staande insecten, deze weder met microscopische
diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan, zoo er geene
microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren, terwijl daarentegen
deze de hoogere planten wel kunnen missen. Zoo toch het regenwater
geene organische bestanddeelen bevatte, zouden er door zouten uit den
bodem gevoerd, maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische
bestanddeelen, er ingebragt worden. Deze laatste worden nu geleverd
door de microscopische plantjes en diertjes, welke de zouten van den
Oceaan binnen hunne ligchamen opnemen, tijdens het waaijen, door de
beroering der lucht, hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen
de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden.
Ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere,
als onmisbaar hiervoor, vooraf te gaan. Een leger bijv. zonder
hoofd vormt wel een ordeloozen troep, maar kan niettemin bestaan,
terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functiën kan
uitoefenen. Kinderen kunnen des noods van zelf leeren, maar een
onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam
zijn.
Tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat,
naar ons inzien, dit onderscheid, dat mannetjes en wijfjes van naburige
soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing
bezitten. Hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten,
omdat bijv. mannetjes, zekere afwijkingen vertoonende van die, welke
het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware
in het midden dier soort staan, in de meeste gevallen met wijfjes,
gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende,
zullen paren, maar door de organisatie der jongen alsware naar die
der exemplaren, zoo als zoo even gezegd is, in het midden der soort
staande, teruggebragt zullen worden.
Dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene
of andere teen van een dijk, zoo deze geene kruin bezit en men er die
voorwerpen boven laat vallen. De klove tusschen de naburige diersoorten
wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den
grondslag van den dijk.
Bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de
andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig,
of zij al dan niet met kleurgenooten huwen, zoo zal de eerstvolgende
generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken, de helft mulatten
en een kwart negers. Dit aantal mulatten bij die generatie kan, wel
is waar, minder, maar even goed meer dan die helft bedragen, en bij
die generatie is voor elken blanken de kans, om met een kleurgenoot
te huwen ¼. Klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie
het aantal zuiver blanken gemiddeld maar ¼ × ¼ = 1/16 van het geheel
bedragen. Dezelfde redenering, door ons voor de eerste generatie
gedaan, voor de tweede doende, zoo zal men bevinden, dat bij de derde
generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld 1/16 × 1/16 =
1/256 van het geheel zal bedragen.
Dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen, hetzij naar
de blanken hetzij naar de negers overhellende, zoo zal men ontwaren,
dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten
gevonden zullen worden [1].
De gevolgen der accidentele oorzaken, waardoor de kinderen eenigzins
van hunne ouders en onderling verschillen, worden aldus door eene
constante oorzaak tegengewerkt, zoodat die gevolgen (namelijk de
afwijkingen van het gemiddelde type) aldus zekere sterkte niet kunnen
overschrijden. Bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor
elkander, zoo zal het gemengde ras niet zoo snel, maar niettemin bij
de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren, (hetgeen
bijv. in Brazilië thans schijnt te geschieden). Slechts, wanneer de
personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen
kunnen verwekken, zal de onderlinge betrekking der blanken, negers,
mulatten enz. bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven.
Zoo men aanneemt, dat voor een mannetje eener diersoort, hoe weinig
ook, de mogelijkheid bestaat, om neiging tot paring met een wijfje
eener naburige soort te bezitten, en om bij dit wijfje vruchtbare
jongen te verkrijgen, zullen de bastaarden, ofschoon zeer langzaam,
in aantal toenemen, en eindelijk, al is het ook na zeer langen tijd,
alleen bestaan. Elk dier beide soorten bezit echter nog andere
naburen, waarmede iets dergelijks geschieden kan, zoodat bijv. n
diersoorten in n - 1 tusschensoorten zullen veranderen. Deze zullen
op dergelijke wijze in n - 2 nieuwe tusschensoorten omgezet worden,
en zoo voortgaande, er na een uiterst langen, maar eindigen tijd,
slechts eene resulterende diersoort bestaan, hoe ver ook de beide
uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden.
Deze werking (de tegengestelde van die door Darwin aangenomen) wordt
echter tegengewerkt, doordat er eene constante oorzaak bestaat, deels
door tusschenkomst van den wil der dieren (de stelling van Lamarck),
doch grootendeels buiten die tusschenkomst, gedurende het leven de
organisatie der dieren, voor de omstandigheden waarin deze verkeeren,
geschikt trachtende te doen worden.
Gesteld bijv. dat bij het op blz. 6 aangegeven voorbeeld de kinderen
steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende
hun leven hunne kleur, trekken enz. tot die dier vaders naderen
(hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven
tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen), zoo zal
bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten, gedurende den
tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen,
de blanke en de andere helft de negertype wat naderen. Hetzelfde
bij de volgende generatie plaats hebbende, zoo zal er eindelijk eene
generatie ontstaan, waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van
elkander verschillen, dat de zoo even gemelde neiging der kinderen
om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen, even
sterk is als die om, (door voor hunne geboorte wat van de type hunner
moeders over te nemen), alsdan van die hunner vaders af te wijken.
Klaarblijkelijk zal, wanneer de zucht tot paren van individuen,
tot verschillende rassen behoorende, zwakker is, dan bij individuen
van hetzelfde ras, dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde
constante oorzaak en die op blz. 6 aangegeven, vroeger en bij
grootere verschillen tusschen de na eenige generatiën bestaande rassen
bestaan. Olie tracht bijv. steeds boven water te drijven, en roert
men beide die vochten, zoo zal eindelijk de vermengende werking dier
beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die
van het water om nederwaarts te gaan. Hoe zwakker nu die beroering
(vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van
verschillend ras) is, hoe zuiverder de olie in het bovenste en het
water in het onderste deel van het vat zullen zijn.
Met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden, die
tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende
godsdiensten bestaande.
Het geriefelijke voor menschen, om de eigenaardigheden van een of ander
volk aan te nemen, of om eenige bestaande godsdienst te belijden en
aldus niet, zoo als bij het geïsoleerd staan tusschen twee volken,
of twee godsdiensten, voor een ieder een vreemdeling te zijn, is
toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op
hen gelijkende soort te vergelijken.
Naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot
geslachtparing sterker verzwakken, zullen er kleinere maar meer
diersoorten bestaan en, naarmate, bij minder beschaving, het verkeer
tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is,
er meer natiën bestaan.
Volken ontstaan, doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke
wetten kan bezitten en, zonder aansluiting aan anderen, voor
zijne veiligheid kan zorgen; godsdienstige gezindheden, wegens de
behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten; diersoorten,
doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in
organisatie (de sexuele niet in aanmerking genomen), uitgedoofd wordt
en, doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft;
doch, terwijl tot eene natie, of eene religie menschen kunnen behooren
van zeer verschillende geestelijke, ontwikkeling en overigens onder
verschillende levensomstandigheden verkeerende, is zoo iets bij de
dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk.
Voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen
deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren
(hetgeen met het ontstaan van zelfstandige koloniën bij de volken
te vergelijken is). De neiging der organisatiën der dieren, om voor
de levensomstandigheden, waarin deze dieren verkeeren, geschikt
te worden, kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan
verschillen, dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht,
even als bijv. tusschen de Engelsche en Amerikanen het gevoel van
gemeenschappelijke nationaliteit.
Gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder
dezelfde omstandigheden verkeeren, en met elkander vermengd leven,
zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben.
Noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende
wijzen van bestaan uit, zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken
splitsing van soorten teweeg kunnen brengen, doch zamensmelting
hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben, doch, wanneer
die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden, de soorten dit
insgelijks doen.
Dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn. Primitief was
toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even
hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde
lucht de aarde in de schaduw gedompeld. Later ontstonden droog land,
stranden, moerassen, bosschen en meer of minder diep en heet water,
nog later de bloemen ontluikende zonneschijn, groote hoogten, diepe
valleijen, uitgestrekte landen, groot verschil in gewassen en in
temperatuur enz.
Men denke voorts niet, dat enkele exemplaren eener diersoort,
in een ander land en klimaat overgebragt, zich aldaar steeds sterk
vermenigvuldigen. Dit is somtijds het geval geweest, zoo als bijv. met
de paarden en runderen in Z. Amerika, omdat deze dieren aldaar in zeer
gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den
mensch zich niet terstond van hen aftrok, doch in veel andere gevallen
zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte
tamme dieren aldaar uitgestorven.
Terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt, dat, ofschoon
op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten,
met elkander vermengd, dezelfde landstreek kunnen bewonen, zonder
dat die soorten te zamen smelten, is dit niet zoo goed mogelijk bij
dieren van aangrenzende rassen, omdat tusschen deze er nog eenige
neiging tot paring bestaat.
Bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op
blz. 8 aangevoerd is, namelijk, er zal na een aantal generatiën twee
verscheidenheden, minder dan de twee rassen, toen deze met elkander
vermengd gingen leven, van elkander verschillende, ontstaan.
Zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen
kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of
andere verscheidenheid, zal eenmaal dit product niet meer vergrooten,
door het geboren worden van nieuwe kruislingen, als verminderen,
doordat gedurende hun leven al die kruislingen, deels tot de type
der eene, deels tot die der andere verscheidenheid naderen.
Laatstgemelde terugbrenging ontstaat, doordat de dieren, het zuivere
type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden
waarin zij verkeeren (niet meer zijnde die der beide primitieve rassen)
beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen.
De dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de
levensomstandigheden waarin zij verkeeren, maar zoeken tevens naar
levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt (even als
bijv. een plotseling verrijkt mensch, niet slechts zijne behoeften
grooter doet worden, maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid
zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert).
De kruislingen, door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan,
zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar, zich niet geheel
in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden,
maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste
afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren.
Voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen
de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot
elkander doen naderen, moet klaarblijkelijk, het opzoeken van
levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt,
de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n
meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde
verscheidenheden m veranderen.
Hiermede kan vergeleken worden, hetgeen bij twee volken, in karakter,
geest, beschaving enz. van elkander verschillende en elk voor
die qualiteiten geschikte instellingen bezittende, plaats heeft,
wanneer zij met elkander in aanraking komen. Alsdan nemen zij wat
van elkanders zeden en qualiteiten over, beginnen aldus wat meer op
elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar
hunne nieuwe qualiteiten.
Even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken, hen slechts
tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken, zoo zal van
de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens,
bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring, niet kunnen
overschrijden. Niet alleen zoeken, wanneer eene diersoort door eene
andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert,
deze (zie blz. 11) plaatsen op, waar zij beter dan vroeger het
bestaan hunner soort kunnen verdedigen, maar bij de door overmaat
van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers
heeft het tegenovergestelde plaats. Hoe verder deze aldus dringen,
hoe moeijelijker dit geschiedt, zoodat er eindelijk een toestand van
evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander
opwegen. Het is bijv. mogelijk, dat de Indianen der Vereenigde Staten,
in aantal zeer verminderd, zich eindelijk binnen voor den landbouw van
onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen
kunnen staande houden, en dat de olm en andere grotdieren vroeger
buiten de holen leefden, maar in deze alsware teruggetrokken zijn,
eigenschappen, hen geschikt makende, om die duistere verblijfplaatsen
te bewonen, verkregen hebben, en dat thans bij die diersoorten het
aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt.
Niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde Europa
het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt, weet het zich,
in aantal verminderd, binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel
staande te houden.
Dat, wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen,
laatstgemelde uitsterven, is onjuist. Het ongedierte bijv. volhardt
met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit. Somtijds
worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich
dienstbaar gemaakt en sterven zij, zooals bijv. de Heloten in het Oude
Lacedemon, niet uit. Het lot der plantetende dieren, na de optreding
onder hen der carnivoren, kan hiermede vergeleken worden.
Tijdens den inval der Anglo Saxen in Groot-Brittanje zijn de Celten
door hen teruggedrongen, maar niet uitgeroeid, en die laatste
volkstam neemt thans in Wallis in aantal individuen niet af, maar
integendeel toe.
Een deel der Indianen van Mexico heeft zekeren graad van beschaving
verkregen en, in plaats van uit te sterven, neemt het in invloed toe
en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen.
Door opneming in andere stammen, door vermenging hiermede, door
verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen
schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen
van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld
insgelijks het geval geweest zijn.
Uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien
slechts bij uitzondering en wel voornamelijk, daar waar geschikte
ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten
gemist worden, plaats hebben.
Wordt ergens het klimaat kouder, zooals bijv. dat van Europa gedurende
en na het tertiaire tijdperk, zoo zal de vegetatie er minder weelderig
worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden. Een
deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en
van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van
lieverlede geschikt gemaakt worden.
Voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan, aangezien
de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende
afhangt, en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een
vreemden stam veroverd land plaats heeft, wanneer voor een deel der
inwoners émigratie mogelijk is. Dit deel gaat alsdan in een vreemd land
hetzelfde vrije leven van vroeger voeren; terwijl de achterblijvers
zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden.
Zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de
vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde,
zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds
achteruit gaan, daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner
kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan.
Nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van
ouders op hunne kinderen, gedurende het vruchtleven dezer, in een
geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar. Deugd veronderstelt
toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om
te verminderen, wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan,
zooals bijv. bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord,
zoo men eenige dier letters blindelings verzet. De kans, dat van de
juiste rangschikking verder afgeweken wordt, is alsdan veel grooter,
dan die dat er toe genaderd wordt.
Om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan, moeten de dieren
eene organisatie bezitten, zoo weinig van die het beste voor de
omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt, afwijkende, dat
men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde,
kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed
gerangschikte letters van eenig woord. Iets waarvoor grootere
kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het
veelvuldigste plaats, zoodat, zoo geene constante oorzaak zulks
tegenging, de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne
ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo
slecht zou maken, dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan.
Kan die constante oorzaak nu deze zijn, dat de zeer enkele toevallig
wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen, gemiddeld meer
nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende
generatien insgelijks liet geval is (de zoogenaamde Darwinsche
natuurkeus). [2]
Naar ons inzien niet. Wat zou bijv. Darwin zeggen, zoo men voorstelde
de Engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand
van Engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus? De
ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten
voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus
natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan, naarmate eene
grootere meerderheid er zich voor verklaart. Die meerderheid bij die
politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden
invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde
dieren. Klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de Engelsche
wetten weldra louter onzin maken.
Hoe volmaakter de organisatie van een dier is, hoe meer gemiddeld
die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen, want waar het meeste
te bederven valt, zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het
meeste bederven. Na eenige generatien zal aldus, hetgeen bij sommige
individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was,
van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn. Bij
de generatie, waarbij dit laatste het geval is, bezitten de die
eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven
hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld
niet meer jongen dan deze verkrijgen. Om dit te vergelijken met
een voorbeeld op zedelijk gebied, zoo merken wij op, dat iemands
zuinigheid, door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze
nagevolgd, bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid, in
benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid.
Gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen, zoo zullen de
individuen er van, met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien,
met betrekking tot de nieuwe omstandigheden, waarin zij verkeren,
volmaakter dan deze zijn, zoo hunne gansche organisatie in harmonie is
met die dikkere vacht. Zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie
van lieverlede verdwijnt, kan het zijn, dat het nut dier overgeërfde
dikkere vacht zulks ook doet.
Wordt bijv. een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt,
zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere
pantser in harmonie gebragt worden, zoo zal zulk een vaartuig te diep
in het water zinken, een tragen gang bezitten, door de geschutpoorten
water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed
voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was.
Darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen
gedurende achtereenvolgende generatiën. Zoo echter de deugd
dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak,
waardoor die accumulatie plaats heeft, wordt deze toevallig en
onwaarschijnlijk. Ziet men bijv. de nakomelingen van twee blonde
menschen gedurende achtervolgende generatiën steeds blonder
worden? Neen het tegendeel heeft eerder plaats, want, zelfs zoo
de voortplanting door hermafroditen geschiedde, zou die toevallige
accumulatie, evenmin plaats hebben, als het blindelings achtereen
trekken van witte ballen uit eene bus, evenveel ballen van die kleur
als zwarte ballen bevattende.
Bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden
bij hunne organisatie bezitten, en ware het nu dat uit een de
opeenstapeling hiervan bij de latere generatiën voor het menschdom uit
een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware, zoo zouden huwelijken
tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering
van het nageslacht kunnen voortbrengen. Dit wordt echter beweerd het
geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen, doordat alsdan
niet, zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden, man en vrouw
nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede
organisatie bezitten, en bij hunne kinderen die tegenovergestelde
gebreken elkander alsware opheffen.
Dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen
van twee tamme rassen. Het paren bijv. van langbekkige en kortbekkige
duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen.
In den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken, welke de
organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden
dezer maken.
In den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante
oorzaak, namelijk de kunstkeus. Terwijl aldus in den wilden staat
twee rassen van elkander onderscheiden zijn, omdat zij niet in
dezelfde omstandigheden verkeeren, zijn in den tammen staat twee
door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden
blootgesteld. Deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig
zijn, terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte
levensomstandigheden kan vinden.
Op blz. 16 hebben wij aangegeven, hoe eene gunstige wijziging,
gedurende de overerving er van, bij de achtervolgende generatiën door
de werking van het toeval hare deugd kan verliezen. Bij de kunstkeus is
dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks
het geval voor de dieren zelf, doch niet voor het gebruik, welke wij
van deze wenschen te maken.
Wenscht men bijv. het op blz. 16 gemelde met een zwaarder pantser
voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te
gebruiken, zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser
nuttig zijn, doch zij is dit dan slechts, omdat men aan het schip
eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve.
Een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn, terwijl
zijne nakomelingen, waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is,
zulks niet meer zijn, en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan
hun voorzaat worden, het ware wanstaltigheden worden. Daar echter,
zie blz. 7, eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren
die wanstaltigheden tracht te verminderen, en aldus verwilderde tamme
rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven,
kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen, door middel
der kunstkeus, slechts tot zekere hoogte gedreven worden.
Die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren
geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie, welke zij
verkregen hebben, of zoo men deze door zeker régime te voorschijn
tracht te roepen. De Engelschen noemen dit laatste entrainement en
passen dit niet alleen op de tamme dieren, maar ook op menschen toe,
die zij tot jockeys, boxers enz. bestemmen.
De kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons
menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken, als de
natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden
van het vrije natuurleven.
De sexuele keus, waardoor de best georganiseerde mannetjes, vaders
van meer jongen worden dan de anderen, kan voor de verbetering
der organisatie der latere generatiën geen ander gevolg hebben,
dan hetgeen eigenlijk (zie de noot dier blz.) op blz. 15 gesteld is,
namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen
dan de anderen bekomen.
Gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie
der exemplaren iets beter doen worden, dan die der voorgaande en
zoo voort, totdat (bij niet verandering der levensvoorwaarden),
de volmaaktheid bereikt zou zijn, zoo de jongen (behoudens het
onderscheid wegens verschil in leeftijd) volmaakt naauwkeurige copijen
hunner ouders waren. Alsdan zou echter bij elke generatie het eene
individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan
door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door
omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak, de organisatie
der dieren trachtende te verbeteren, daar, even goed na de geboorte als
gedurende het vruchtleven, afwijkingen, door het toeval teweeg gebragt,
(zie blz. 15) gemiddeld ten nadeele dier organisatiën zullen strekken.
Het schijnt dat, naarmate dieren jongen kunnen verwekken, beter
georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders, de
vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is. Van daar dat
gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar
zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het
algemeen in vruchtbaarheid uitmunten (zie blz. 17). Dit zou maken, dat
bij de opvolgende generatiën, de op blz. 15 gemelde overheerschende
werking der goed georganiseerde individuen, wat grooter werd,
doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven,
om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden
geschikter te maken, als bij de politieke keus, op blz. 15 gemeld,
het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der
wetten te verhinderen.
Ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante
oorzaak het een voor het ander geschikt te maken.
Verarmde menschen trachten bijv. hunne behoeften te verminderen,
plotseling rijk gewordene, om zich de beschaving der vermogenden te
geven, handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen, gehuwden,
wier huisgezin vergroot, om ruimer te wonen, volken, betrekkelijk
hunne regering in beschaving gestegen, om eene vertegenwoordiging te
verkrijgen enz.
Gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen, om
alles ten beste voor zich te schikken, om zich naar de omstandigheden
te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken, gering maken,
doch, zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne
hartstogten overgeven, bestaat die neiging bij hen. Zou deze nu,
zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen, ten gevolge
hebben, dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden
geschikt maken? Naar ons inzien wel, zoo de werking der accidentele
omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane
ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding
tot dwalingen gaven. Bleven die omstandigheden steeds dezelfde, zoo
zou zelfs de domste mensch, hoe langzaam ook, juist te weten komen,
wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is, en het begrijpen
hiervan, kort na verandering dier omstandigheden, stelt dan ook daar,
hetgeen men doorzigt noemt.
Zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt
te worden door de collectieve werking der menschen, en zonder dat
deze zulk een doel voor oogen hebben. Dit is bijv. het geval met
het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden, zoo de
omstandigheden niet zoodanig veranderen, dat, bij het niet bestaan
dier neiging tot geschiktwording, die onregtvaardigheden sterker
worden. Wordt bijv. een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt
het hierdoor zoodanig, dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid
en losbandigheid aanleiding geeft, zoo is die toestand van slavernij
niet langer iets onregtvaardig.
Neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters
en slaven toe, zoo wordt die slavernij weder een kwaad, omdat
willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving
is. De heerschappij, door de meer geestelijk ontwikkelden over de
betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend, dient alsdan
niet in sterkte, maar wel in karakter te veranderen.
Zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd, zouden de winkeliers
en industriëlen onregtvaardig behandeld worden, doch later de tijd
die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen, daar alsdan het
aantal winkeliers en industriëlen zoo lang zou verminderen, totdat elk
derzelve, betrekkelijk den bloei van het gansche land, evenveel zou
verdienen als voor den invoer dier belasting. Wij zeggen betrekkelijk
den bloei van het gansche land, omdat die patentbelasting handel en
industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens
zou doen verminderen. Dit echter niet in aanmerking nemende, zoo zou
alsdan, bij overname eener zaak, de kooper er zooveel minder voor
betalen, dan voor den invoer dier patentbelasting, als ten bedrage
dezer belasting gekapitaliseerd, en het oprigten eener nieuwe zaak,
slechts dan plaats hebben wanneer, bij gelijke kosten van oprigting,
de winsten, na aftrek der patentbelasting, even groot als de winsten
voor den invoer dier belasting zouden worden.
Wanneer eene partij, hoe zwak ook, gegronde grieven bezit, zal
zij trachten deze te doen verdwijnen, en er hiervoor aldus eene
constante oorzaak bestaan. De veroordeelen der meerderheid, waardoor
deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven
teweeggebragt, over het hoofd ziet, worden daarentegen door den
tijd verminderd.
Ook bij de dieren, ofschoon minder dan bij ons menschen, en minder
bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren, maakt de werking der
accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden, dat
de op blz. 7 gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatiën
gedurig tegengewerkt wordt, en aldus slechts tot zekeren grens
haar doel kan bereiken. Hoe digter toch bij de volmaaktheid de
organisatie van een dier is, hoe zwakker zooeven gemelde poging
tot verdere volmaking er van zal zijn, (even als bijv. iemand, die
bijna het noodige bezit, minder ijverig zal zijn om het alsdan nog
ontbrekende te bekomen), en hoe meer die variatien der omstandigheden
die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden.
Er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn, waarbij
die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken.
Bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der
organisatie der dieren minder zijn, wegens het niet steeds op aarde
voortleven derzelfde individuen. Op blz. 15 hebben wij toch gezegd,
dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der
organisatie hunner ouders erven, hetgeen beschouwd kan worden te
ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende
het vruchtleven.
De organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek
veranderende omstandigheden geschikt te worden. De dieren hebben
bijv. hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op
hooge breedten groeijende planten, kunnen de winterrust niet ontberen.
De geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag, zoodat
eerst langen tijd, nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn,
zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid
kan voortbrengen. De planten bijv. zijn ontstaan, terwijl op alle
breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht,
ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond, en welligt is
de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude
klimaten weelderig te doen groeijen.
Accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie
van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving
zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende
generatiën voortplanten. De op blz. 7 gemelde geschiktmakende oorzaak
zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede
doen verdwijnen; doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger
maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire
verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen.
De wapens der dieren bestaan bijv. in klaauwen, hoeven, horens,
schilden enz. en voor de gemiddelde levensomstandigheden van
elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van
ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn. De
verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter
niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt,
als men bij die soorten opmerkt. Die groote verschillen moeten
aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn, doch terwijl
de oorzaak, waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver
levensomstandigheden geschikt worden, bovengemelde verhoudingen tracht
daar te stellen, verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij
er na de levenswijze van derzelver dragers.
Op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval. Thans en
bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer, zal
bijv. gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer
wenschelijk zijn. In sommige Europesche staten is men dan ook reeds
begonnen hier werk van te maken, doch, waar men nog ter naauwernood
aan zoo iets denkt, tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus
eene secundaire verbetering daar te stellen.
Als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden, het oprigten
van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs
der kleine kinderen door hunne moeders.
Hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger
de wetenschap zal staan, hoe meer de behoefte aan eene universele
wetenschappelijke taal gevoeld zal worden. Die primaire verbetering
zal, hoe langzaam ook ontstaande, niet uitblijven, doch als eene
secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen
en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en
wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden. Dit toch is bij den
thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de
bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden.
Gedurende de middeleeuwen diende het Latijn als wetenschappelijke
taal, omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid
verkeerden. Thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire
verbetering tegengewerkt worden, terwijl zulk eene aanwending van
het Latijn, voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering
nut zou zijn, omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is,
om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de
volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen [3].
Dat toevallig de Europesche volken gedurende de middeleeuwen het
Latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te
drukken, heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen
vertraagd. Hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en
de insecten aan de planten, ter overbrenging van het stuifmeel van de
meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers, verleend. Deze
hulp maakt dat de oorzaak, de organisatie der planten verbeterende,
slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en
stampers doelmatiger te doen worden.
Voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische
stof, zooals bladeren, vruchten, dood en levend vleesch enz. zijn er
diersoorten geschikt geworden. Bestonden er alleen plantetende dieren,
zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn, evenals
bijv. Engeland minder bevolkt zou zijn, zoo van deszelfs rijkdom
aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd. Onwaar is het echter dat,
bij gemis van carnivoren, de plantetende dieren steeds menigvuldiger
zouden worden.
Hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden, hoe minder
het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe
meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken. Wanneer in
de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn, zal welligt
gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken
bepalen.
Het kan zijn dat de neiging, om voor de bestaande omstandigheden
eene geschikte organisatie te verkrijgen, ook bestaat bij organische
wezens andere hemelbollen bewonende, hoe of de natuur dier bollen
ook zijn moge, en dus welke omstandigheden die wezens er ook
mogen aantreffen. Naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer
verscheiden en veranderlijk zijn, zullen de er op wonende wezens,
naar aanleiding van hetgeen op blz. 20 en 22 gezegd is, minder geschikt
voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden, maar tevens (zooals
later verklaard zal worden), meer in geestontwikkeling toenemen.
Onze aarde kan nu misschien, wegens de ongelijkheid in verhitting
welke zij, wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt
en, wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de
onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend, betrekkelijk
andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid
van omstandigheden voortbrengen. Dat de zon bestemd is, om haar licht
en warmte mede te deelen is evenmin juist, alsdat de menschen voor
het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn, en het is zelfs de
vraag, of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van
eene betrekkelijk digte groepering om de zon, van geen accidentelen
en tijdelijken aard is, en, of die planeten zich niet eenmaal zullen
verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer
sterk elliptische banen om elkander, of om andere hemelligchamen
bezitten. Alsdan dienen, derzelver bewoners zich naar geheel andere
omstandigheden, dan de thans er bij-bestaande (waaronder behoort
de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst)
te schikken.
Tegelijk met de oorzaak, de organisatie der dieren, voor de
levensomstandigheden, waarin deze verkeeren (hetzij daardoor die
organisatie hoog of laag, ingewikkeld of eenvoudig wordt) geschikt,
of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen
worden, poogt eene tweede constante oorzaak die organisatiën hooger op
te voeren, dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der
hen bezittende wezens te doen worden. Die tweede oorzaak vermindert
meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatiën, naarmate zij
sterker gedrongen wordt, te werken, evenals bijv. het sterker groeijen
van jongelieden deze teringachtiger doet worden.
Zoo bijv. een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich
zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam, maar, wegens
de werking der traagheid, kan die verheffing (evenmin als de
geschiktwording voor veranderde omstandigheden) in korten tijd in
genoegzame mate geschieden. Vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere
levensomstandigheden, wordt het dier aldus ongeschikter voor de
nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter. Gaat
het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te
zoeken, zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk
als die omstandigheden verhoogen, maar steeds evenveel hierbij ten
achteren blijven en dit in sterkere mate doen, naarmate die zucht
naar hoogere levensomstandigheden sterker is. Die achterblijving kan
bijv. vergeleken worden met de spanning der lijn, waarmede een paard
eene schuit voorttrekt, hoe harder het paard loopt, hoe grooter
de spanning dier lijn wordt. Vandaar dat, van de op deze aarde
levende wezens, die het traagste opwaarts zijn gestegen, zooals de
infusiediertjes en dergelijken, de volmaaktste en wij menschen de
betrekkelijk onvolmaaktste zijn.
De verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien,
evenals, (zie blz. 7), de geschiktwording er van voor de bestaande
omstandigheden, deels door den wil (of anders gezegd door zekere
soort van eigen denking der dieren) deels zonder, maar wel op
aansporing hiervan, eene wijze van verhooging dier organisatie door den
schrijver der Natuurlijke geschiedenis der Schepping de geheimzinnige
inwendige aandrift genaamd [4]. Een paard alleen kan geen spoortrein
voorttrekken, hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden,
doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate, dat de trein
iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt, zoo zal dit
niet alleen tot die beweging bijdragen, maar zelfs de impulsie
er toe geven. De beweegkracht, alsdan door het paard uitgeoefent,
kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren,
ten gevolge van de werking van hun wil, alsmede met de genezing van
patiënten ten gevolge der geneeskundige behandeling. De beweegkracht,
in zulk een geval door den locomotief geleverd, is daarentegen
vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de
genezing der patiënten buiten hun toedoen door de Natuur.
Hoe lager, bij gelijkheid van geestelijken aanleg, de geestontwikkeling
en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is,
hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der Natuur op
de veranderingen zijner organisatie zal zijn; terwijl bij de planten
uitsluitend de Natuur, zoo voor derzelver geschiktwording, als voor
de verhooging van derzelver organisatie zorgt.
De zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt,
de leiding der rede behoevende, omdat de vooruitgang anders niet
steeds in de goede rigting, of wel te snel geschiedt, zoodat de
geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel
aan opgeofferd wordt. Hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet
gezegd, dat aanzien, magt, rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger
kunnen maken, dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn, en
toch trachten zij opwaarts te gaan, en hebben zij in zooverre gelijk,
dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten
stilstand willen koopen.
Een geoefende timmermansknecht zal baas worden, maar hiervoor de
noodige kennis en kapitaal missende, in zijne nieuwe positie meer
bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het
huwelijk moeten afzien. Stelt men nu, dat al de kinderen van zulk soort
bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen, die knecht
gebleven zijn, knechten worden, hoe kunnen dan bij gene de geboorten
de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten
overtreffen? Zoo iets zou niettemin noodig zijn, om uit eene generatie,
uit enkel knechten bestaande, andere generatiën te doen voortspruiten
steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld,
zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond.
Evenmin zal nu een zeehond, de levenswijze van een otter trachtende aan
te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende,
het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers, welke
bij hunne oude gewoonten gebleven zijn. De verhooging der organisatie
der dieren door de Natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan
aldus niet bestaan.
Naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad, op eene wijze,
in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der
Natuurlijke geschiedenis der schepping op blz. 62 en volgende van
het vervolg van zijn werk voorgesteld.
Gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans
bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen
onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur, en dat, voor
de aanduiding dier hoogte, elke diersoort hare bepaalde loodlijn
bezit en wel eene meer naar den linkerkant, naarmate op hetzelfde
oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit, betrekkelijk
die der anderen. Zoo nu, tijdens het geologische tijdvak, waarin
het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te
worden, al de diersoorten, zoo ligchamelijk als geestelijk, uiterst,
weinig ontwikkeld waren, maar in geestelijken aanleg verschilden,
zullen die van grooteren aanleg, zoowel ligchamelijk als geestelijk,
sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus
de loodlijnen, derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande
fig. aanduidende, meer links dan die van die diersoorten van lageren
aanleg gelegen zijn. De loodlijnen, begrepen tusschen de horizontale
a en de schuine lijn b, zullen dan de hoogten, welke de ontwikkeling
der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip
bereikt hebben, aangeven.
Zij, welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben, zullen
klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan
en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn.
Op blz. 22 hebben wij gezegd dat, naarmate die soorten sneller in
organisatie veranderen, deze gemiddeld minder geschikt voor de
omstandigheden, waarin die diersoorten verkeeren, zal zijn. Van
daar dat, gedurende zulke snelle veranderingen, diersoorten, of
somtijds werkelijk uitsterven, of althans minder individuen tellen
dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is. Van
daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den
voorhistorischen tijd bestaande diersoorten, waarvan de schaarsche
overblijfselen voor den dag gekomen zijn. Van elk dezer soorten is
de stamboom te vergelijken met eene rivier, een snelleren stroom
bezittende, naarmate derzelver bedding kleiner is. De grootte dezer
komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de
stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort
verandert.
Op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen,
tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b' begrepen, de hoogten,
welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten
bereikt hebben, aanduiden, en, wanneer eenmaal de aard en beperktheid
onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden
ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken, de
tijdvakken, gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie
en geestontwikkeling klimt, al grooter en grooter worden.
Veronderstellende dat bij het punt b' de meest beschaafde hedendaagsche
Europeanen staan, zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der
lijnen b' en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de
andere diersoorten, gerangschikt naar hare hoogte, van geestelijke
ontwikkeling, tusschen dit snijpunt en het punt b' verondersteld
moeten worden te staan.
Een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale
lijn, uit het punt b getrokken, de schuine lijn b' snijdt en deze
soort bij minderen geestelijken aanleg, thans even sterk ligchamelijk
en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders
der beschaafde volken van Europa in een uiterst ver verleden.
Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer
zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is. Zoo
kunnen bijv. accidentele oorzaken gemaakt hebben, dat eene diersoort
tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van
wat minderen aanleg, en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke
ontwikkeling heeft gestaan. Iets dergelijks ontwaart men ook in de
geschiedenis der volken. De Chinezen bijv. bezitten klaarblijkelijk
minder aanleg dan de Duitschers, en niettemin waren zij voor achttien
eeuwen beschaafder dan de Germanen. Deze hebben echter de Chinezen
veel meer dan ingehaald, en het schijnt dat de geestelijke aanleg
dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren,
iets dat in de verre toekomst ook voor de Europeanen het geval zal
worden, wegens de op blz. 31 gemelde die vergrooting in beschaving
tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen.
Buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware
sterker gegroeide stamboomen, door de bovengemelde loodlijnen van
fig. blz. 29 aangeduid, zich vertakt hebben en wel in meer takken,
naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig
bestaande diersoorten grooter werd, omdat toen de verscheidenheid
der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd.
Somtijds zelfs zullen de stam, of eenige der takken uitgestorven
zijn, somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder
te zamen gegroeid zijn. Iets dergelijks ontwaart men ook bij
menschenrassen. Deze zenden vertakkingen uit, zooals bijv. de
Engelschen, waaruit de Amerikanen, de Nederlanders, waaruit de
Kaapsche boeren voortgesproten zijn, en ook vermengen zij zich
geheel, of gedeeltelijk met elkander, zooals bijv. de Angelsaxen
met de Celtische Schotten, de Franken met de Galliërs enz. De lage
stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen,
maakt echter dat, bij gene naburige soorten slechts door onderlinge
paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen, terwijl bij
de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan
geschieden.
Slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere
in geestontwikkeling doen toenemen, terwijl, wegens de zamenwerking
der menschen en van deze en de tamme dieren, dit ook bij hen door
onderwijs kan geschieden. Voorts bezitten de dieren niet zoo als
de menschen de middelen, om door kunst voor zich de verschillen
in klimaat, bodemgesteldheid enz. minder te doen worden, en (zie
blz. 26) ten gevolge hiervan, hier en elders meer op elkander te gaan
gelijken. Naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger
staat, is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen
in levensomstandigheden, of liever geschikter voor eene grootere
verscheidenheid hiervan en is, evenals bij volken van hoogere
beschaving, het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd.
De op blz. 30 gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd,
daar deze toch leert, dat, hoe ouder de sedimentaire lagen zijn,
hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij
bevatten, alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere
dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen. Bij
fig. blz. 29 wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der
verticale distantiën tusschen de schuine lijnen b en b', naarmate
men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert.
Het is mogelijk, dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen
toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande
fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg
bezittende stamboomen, dat men hen voor dieren van zeer naverwante
soorten aanziet. Evenzoo waande eene Engelsche touriste, bij het
zien der Fellahs van Opper-Egypte, zich in de tijden der aartsvaders
verplaatst en aldus de voorouders der thans, wegens hun grooten aanleg,
zoo beschaafde Israëlieten te ontmoeten. Even als de thans bestaande
diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes
tot de Frankrijk, Duitschland en Engeland bewonende menschen, zoo
ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van
beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende,
zooals de wilden van Zuid-Australië, de Maories, de Ashantijnen,
de Kabijlen, de Japanezen, de Columbianen, de Russen en eindelijk
de Franschen.
Eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan
thans en evenaarden zij hierin de Russen van heden. Even als thans
in Rusland, was toen in Frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid
gedompeld, de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt.
Tijdens de bloedige burgeroorlogen der Ligue waren de Franschen
nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving
evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde
Columbianen.
Tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der
leenmannen tegen de koningen was de beschaving der Franschen nog
lager dan tijdens de Ligue en kon zij met die der Japanezen van heden
gelijkgesteld worden.
Ten tijde van Cesar was de beschaving der Galliërs niet hooger dan die
der hedendaagsche Arabieren van Algerië en vervulde Vincengetorix,
de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving,
eene rol, veel op die door Abdelkader gespeeld, gelijkende. Bij de
oudere Galliërs deden de Druïden ter eere der Goden binnen teenenpoppen
menschen verbranden, en thans ziet men de Ashantijnen menschen offeren
ter eere hunner goden en overleden vorsten.
Gaat men nog verder terug, zoo ontmoet men digt bij Frankrijk de ruïnen
der meerdorpen, namelijk die der woningen van een volk dat, even als
thans de Maories, sterkten bouwde, stoffen weefde en onbekend was met
het gebruik der metalen, even als thans de Maories nog zouden zijn,
zoo er geen Europeanen op hunne eilanden geland waren.
Eindelijk in Frankrijk een laatsten terugtred doende, zoo ontmoet
men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer,
namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans
minst ontwikkelde stammen van Australië gesteld kan worden.
Bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename
in beschaving door eigen ontwikkeling niet. Toen bijv. de hooger
in aanleg dan de oude Mexicanen zijnde Spanjaarden onder Cortes in
Mexico kwamen, waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen
meer in beschaving dan de Mexicanen toegenomen, doch de oorkonden
dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van
vrij groote rijken aldus van toename in beschaving.
Constante oorzaken van verschil in zeden, godsdienst wetenschap,
moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of
beschaving, de grond en luchtgesteldheid en den volksaard. Accidentele
omstandigheden maken echter, dat, even als bij de diersoorten, (zie
blz. 22), die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen,
dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken, even als
bijv. bij personen van denzelfden leeftijd, beroep en woonplaats,
de wijze waarop zij gekleed gaan, zoo zij zich niet op de voor hen
doelmatigste wijze kleeden, maar onafhankelijk van elkander ook hunne
grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen. [5] Wel
tracht de op blz. 20 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak,
die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken,
met inachtneming van derzelver stand van beschaving, karakter en
landsklimaat te doen worden, doch gedurig worden zij hierin door
op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord. Dit een en
ander maakt nu, dat er tusschen eenig thans bestaand volk, en de op
een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van
een thans beschaafder volk zekere gelijkenis, maar tegelijk ook zeker
verschil bestaat, waarvoor men bijv. de Galliërs met de Kabijlen van
heden kan vergelijken. Evenzoo zullen de thans bestaande grootste
apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders
der Europeanen, toen deze op den trap van geestontwikkeling dier
hedendaagsche apen stonden.
In elke maatschappij bestaan er voor menschen, op dezelfde hoogte
van geestontwikkeling staande, verschillende geschikte werkkringen,
terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst
beschaafde leden van een zelfde volk geschikt.
Gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen,
dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de
minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden: voorts, dat die
beroepen erfelijk zijn en eindelijk, dat zulk een volk van lieverlede
in beschaving klimt tot die thans in Nederland bestaande, wat zal er
dan plaats hebben?
De met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende
krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in
laken gekleed en met achterladers gewapend. De met amuletten omhangen
priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet. Van den
in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen
werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen, bewonen de
nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden
gemend, terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed
zijn, handwagens voortduwen, of wel als koetsier fungeren. Buitendien
zijn de beroepen in aantal vermeerderd, de onbeschaafde krijgsman van
voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen, artilleristen, mineurs
enz.; van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie,
aalmoezeniers en monniken, de primitieve landman bezit tot nazaten
wijngaardeniers, bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen,
koetsiers, fabriekarbeiders, matrozen enz. Een hiermede vergelijkbaar,
maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande
diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters
hunner stamboomen. De wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig
worden, kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden.
Zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel
geestontwikkeling vorderen, doch dit is volstrekt niet altijd het
geval. Meer geestontwikkeling wordt er bijv. vereischt bij dieren,
welke moeten klauteren, om vruchten en noten te plukken, dan bij die
zich met gras en kruiden voedende, meer, wanneer zij vleesch moeten
eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen,
dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben, meer,
wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen,
dan, wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan, meer,
wanneer zij, vleeschetende zijnde, het land, dan wanneer zij de zee
bewonen enz.
De primitieve op blz. 30 gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten
kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven
(natuurlijk veel minder van elkander verschillende, dan die der
heden bestaande diersoorten) aangenomen hebben. Van die primitieve
diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben
en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn, echter
met dien verstande, dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen
prooijen te bemagtigen had.
Van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten
doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk
geweest zijn.
Zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op
hare nakomelingen overgedragen heeft, deze weder op de hare enz. tot
op heden, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, dat hare zoo veel meer
dan zij ontwikkelde nazaten, een veel minder dan voorheen uniformen
bodem bewonende, veel meer dan zij van elkander in organisatie en
wijze van leven moeten verschillen.
Aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en
hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede
dan de gras en kruidenetende diersoorten, doch dat zij hooger staan
dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende
apensoorten is zeer twijfelachtig.
Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg
en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere
dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten
bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen
verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste
gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten
zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen
snuit gevorderd wordende.
Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun
bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene
enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en
betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.
Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd
zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze,
in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten,
geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de
verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met
elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen
op blz. 9 gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de
andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween
[6]. Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren
ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets
zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken
eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere
soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz. 7 gemelde neiging
tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in
verschillende landen kunnen ontstaan.
De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende
dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde,
hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen,
kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen in
Afrika, aan de gestreepte tijgers in Azië, en aan de jaguars in
Z.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der
verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening
doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van
het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan,
was hiervoor voldoende.
De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo
bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken
voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving
voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording
van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke
diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van
bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het
bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers
moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.
Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling
toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor
eene nieuwe vaarwel gezegd hebben, kunnen zij, wegens de werking
der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor
die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan,
bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de
zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen
alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven
gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten
wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers,
ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben
doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen
van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd
hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger
wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.
Om de op blz. 30 ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten
van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken
stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds
achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van
voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten
komen. [7] Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van
landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken,
dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden
belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische
asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer
zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren,
of zeevakken gevoerd worden.
Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij
uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere
organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver
der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat
de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het
secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm
aangenomen hebben.
Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels
in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers
veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen
holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.
De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere
levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter,
dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene
resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren
betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing
gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen
gebragt heeft, zie blz. 12.
Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de
volken waargenomen.
Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt
het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld
volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er
voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan
vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw
en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk
een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in
het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die
drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker
dan die tot verhooging geworden zijn en zij aldus, na een tijdelijke
achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.
Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap
van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen,
zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot
slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor
nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede
achteruit doen gaan.
Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording
den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in
beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben,
zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs
kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde
meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte
volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf
genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar
N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers.
Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in
beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van
het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval.
Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten
van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der
barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som
vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som
veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele
omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging
der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de
beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele
ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstige hoogte
te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs
bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal
doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij
dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan
zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger
zullen zijn. [8]
Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling,
vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning,
waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de
geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere
verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid,
zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst
de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren
val mede.
Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van
den inval der barbaren.
In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen
overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek
zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond
toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts
toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom
met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De
beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het
onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke
zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan
de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid
en vervangt den blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande
dapperheid.
De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan
zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking
tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen
en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer
beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de
Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien.
Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er
geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts
een leven der eersten ten koste der laatsten.
Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in
geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels
verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren;
terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht
bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze
laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan
te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt.
Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht
bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft,
zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen
weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal
Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen
heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar
gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij
vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te
vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz. 43, hunne positie
omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na
de middeleeuwen, de meest beschaafde Galliers (onder anderen die tot
geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie
door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten
slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben.
Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij
bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne
meerderheid in geestontwikkeling, want op blz. 28 hebben wij
aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door
den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der
roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke
ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in
staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken.
Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met
vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als
dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten,
en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de
roofdieren het geval is.
Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en
lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens
en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke
ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor
het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid
om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid
te vervaardigen enz.
Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene
accidentele oorzaken van de op blz. 22 gemelde constante oorzaak
tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang
tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke
diersoort, over anderen in ontwikkeling lager dan zij staande soorten,
eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke
ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger
dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil
tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten
overheerscht worden.
Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand
ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin
van vooruitgang geene sprake meer zou zijn.
De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de
opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte
soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk
zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten
van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker
zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen
van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers
en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld
evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide
zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen
in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende,
de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen.
De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen
alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen
stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De
overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling
en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De
handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar
ook zijne geldelijke belangen tegenover zijne bazen of werkgevers
moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden
minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger
prooijen kan vangen, het niet ruimer en rustiger dan toen hebben,
zoo (zie blz. 38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn.
De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus
na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor
eerstgemelde worden.
Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de
omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders
gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie
dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te
doen worden.
Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te
laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie
die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht
te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor
de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling
hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De
strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te
verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken
geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even
als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook
de positie verhoogd hebben.
Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten
zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere
onderdanen van Rome er in gedaald zijn.
Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn,
zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor
gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen.
Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de
concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen,
der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs
der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen
dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op
elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide
zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven,
maar beiden in talent toenemen.
Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe
moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en
daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne
organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren,
geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den
toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die
waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen
zulk eene streek meer opeengehoopt zijn.
De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van
dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit
noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven,
zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig
aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo
zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het
juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed
levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen
en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken,
zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat
zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer
dan het noodige zouden hebben.
Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaan werken, ten einde
minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe
minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid
zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer
heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor
hem wordt.
Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer
tijd de op blz. 7 gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne
organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van
daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde
visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde
landdieren aanwezig waren.
De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz. 27) derzelver
ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der
diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat
alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz. 23 gezegd
is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch
verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende,
allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze
bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen.
Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier
diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander
moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der
diersoorten opgehouden zullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er
kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden
verkeerende dieren bestaan dan thans.
Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch
iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene
wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene
grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructien
mogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs
wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door
na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte
constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven
en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing.
De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden
van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke
daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels
vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen
vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich
van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz. 27 gemelden
drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels
en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende
eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor
het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht
werd, zeer weinig in gebreke.
Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied
plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger
onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord)
omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om
studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden
de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de
noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten.
De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend,
kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots
tot vliegen doen.
Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de
Maatschappij, wegens de werking van accidentele oorzaken, de
verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang
tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het
hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl,
wegens den op blz. 27 gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde
van beiden verhoogt.
De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op
een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier
zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen
van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat
houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in
stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan
zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet
genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam
straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt.
Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling
van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag
betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op
de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de
godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen.
Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der
omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid,
het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij
nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl
groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware
achterlijke kleederen dragen.
Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk
eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te
staan, groote rampen heeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen,
sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der
traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik
weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren.
Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de
onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf
in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de
revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering,
daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied
voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te
onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan
de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu
op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd,
dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn.
Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt
zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen
maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de
nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden.
Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de
bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke
ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden
worden.
Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die
der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op
straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te
smal gevonden.
Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de
behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de
toegenomen behoeften van dien zeehandel dit kanaal te bekrompen
hiervoor gemaakt.
Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij,
moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden
dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die
geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger
dan wenschelijk is.
Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere
snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst
worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller
de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven
moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl,
eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd
mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan
de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen.
Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water
levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie
deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze
aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de
op blz. 7 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel
wegnemen.
Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge
voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende
diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit
bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden,
naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is.
Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken
in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen
oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde
rigten.
Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere
levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog
bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede
kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen
staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de
lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die
zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering van Elizabeth,
bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige
voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en
staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed.
Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden
de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan
Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke
kerk het schild van den staat vereischt worden.
De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts
zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die
zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de
vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van
strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende,
wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het
oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de
bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat
verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt)
hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz. [9]
Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook,
naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in
plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt,
zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften
bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten
van bloed, maar dat niettemin bestaat.
Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in
beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving
gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor
de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken
en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene
hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch
vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten
niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen
en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied,
zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal
de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van
den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot
defensieven oorlog.
Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking
om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander
strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen
betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te
gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten
wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen
toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om
zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te
beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben
de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht
aan zekere regels binden.
De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de
belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer
verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door
de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt,
belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven
moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan,
dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van
geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen,
doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te
trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste
zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der
de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl
zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den
meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten,
vijandige elementen enz. gevoerd. [10]
Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals
bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken,
het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke
belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig
concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden
dezer van de andere zijde.
Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken
dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften
gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene
daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename
in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze toch
derzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot
voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot
gevolg hebben.
Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten
bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin
deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in
eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk
hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke
daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen
vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning
van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.
Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren
van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo
leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze
van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat
er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren
trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd,
dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving
gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer
een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van
verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot
dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering
zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en
de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze
voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote
er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop
de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later,
wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere
schalen aangelegde en procedes, van hoogeren trap van beschaving
getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés,
zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek
zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende
fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.
Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving
passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren
zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is
waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan
vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het
publiek nog te passen.
Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen
die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende
kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met
de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit
genomen hadden, zie blz. 42. De bewerking van het ijzer in het groot
en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar
het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan
beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien
worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit
moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.
De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch
kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die
houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot
het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan
van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in
het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval
overeenkomende met dat op blz. 13 aangegeven. De gansche vernietiging
van soorten van industrie behoort evenzeer tot de uitzondering, als,
naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.
Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie
gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel
en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij
de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.
Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt
werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden
en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens
de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?
Hetgeen op blz. 21 gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen,
eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven
hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn,
zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting
bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende
huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders
betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de
bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting
op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de
huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag
er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld
bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer
der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.
Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer
der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk
bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt
moetende worden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag
dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat
deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in
werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst
er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen
van elk lid er van opgebragt wordt. [11]
De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus
door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het
gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten
gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door
de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs
al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit
het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het
bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van
personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen,
als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het
bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde
soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat,
wanneer zulk een arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite
geven om niet te verarmen onder steeds toenemende druk, de eerste
kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en
de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.
Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen
gevallen; deels wordt belast hun arbeid, of wel dien der fabriekanten,
waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen,
zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw
verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen,
die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz. 21 aangegeven
bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste
personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod
dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te
voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers
en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit
slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene
groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal,
daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de
bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen
voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke
onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande,
veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder
van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig
met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij
minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zie blz. 49)
duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen,
en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer
dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben. [12]
Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij
den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie
niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen
onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat,
na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou
opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke
kapitaal zou vormen.
BESCHOUWINGEN OVER DE OORZAAK VAN HET KWAAD EN OVER HET DOEL VAN
HET LEVEN.
Het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, bestaat
in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even
eigen aan het veranderlijke, als de volmaaktheid zulks is aan het
onveranderlijke.
Wegens de werking der traagheid, anders gezegd de neiging van alles
om, zooals het geworden is, in stand te blijven, moet toch de op
blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben, om
haar doel te bereiken, maar zullen daarentegen volmaakte toestanden
bestendigd worden.
Het zedelijke kwaad, dat wij menschen verrigten en de inspanning
en opoffering die deugdsbetrachting ons kost, ontstaan doordat onze
geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij
verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan. Deze eischen vorderen
opoffering van het genot in het heden ten bate, van het welzijn, zoo
van andere menschen als van onze eigen toekomst. De eischen van het
heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder,
en die van den dierenstaat bijna niet. De dieren hebben toch bijna
geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor,
als voor elkander doen, en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne
oogenblikkelijke behoeften, schiet hij bijna niet te kort in de
vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan.
De, betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij,
zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat, maakt dat, wegens het
effect der traagheid, niet alleen de dieren minder ten achteren
zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en
aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen,
maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten
achteren is dan bij ons menschen. Ons lichaam tracht ons toch naar
het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken, ten einde den geest
voor zich geschikt te maken, terwijl omgekeerd onze geest het lichaam
opwaarts moet trachten te halen, hetgeen, zoo de geest niet ophoudt
met in ontwikkeling toe te nemen, steeds aanhoudt en, wel is waar
door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt,
maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven.
Ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn (het woord laag dan niet
in den alsdan gebruikelijken zin bezigende). Wegens zooeven gemelde
werking der traagheid, bezitten wij bijv. hartstogten, waaraan de
dieren zich geheel kunnen overgeven, zonder aan de eischen, van hun
zedelijk bestaan te kort te doen, doch die wij menschen sterk moeten
bedwingen, omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij
zijn, te meer dewijl zij, wegens de hoogte waarop die maatschappij
gestegen is, op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken. Zie noot
blz. 57.
Zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk. De toegeving
aan hartstogten doet bijv. de wilden minder kwaad dan ons beschaafde,
en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge
standen. Zoo bijv. zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen
werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in
den mond van een beschaafd mensch.
Het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk
als dat van dames, en, dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet
beschaafde menschen verschillende eischen stellen, moet blijkbaar
gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk
en zedelijk bestaan.
Het ligchaam der vrouwen, van dat der mannen verschillende, moet, daar
het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden,
deze van die der mannen doen verschillen, zoo anders beider geesten
niet onderscheiden zouden zijn.
Voorts neme men in aanmerking; dat, terwijl het ligchaam, door met
betrekking tot den geest te laag te staan, op eene directe wijze de
vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert, het deze op eene
indirecte wijze, namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der
ledematen, bevordert.
Voor soorten van geestontwikkeling, welke als de verhevenste
binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden, (bijv. die
betreffende den oorlog en de jagt) kan nu die indirecte werking van het
ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen,
en vorderen nu de eischen eener maatschappij, dat de sexe, welke minder
aan huis gebonden is, meer leert, zoo zal bij die sexe de intellectuele
ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden, en de opvoeding
bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn.
Die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen, veranderen
naarmate de maatschappij beschaafder wordt, doch zullen, wegens de
werking der traagheid, gedurende die met zekere snelheid toenemende
beschaving, steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden
worden. Van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans
bestaande maatschappij vorderen, dat tusschen het de vergrooting
der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en
meisjes gegeven, het verschil geringer zij dan werkelijk het geval
is. Neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe, zoo zal
klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is.
Ter opheldering van het hierboven en op blz. 56 gemelde, moeten wij
opmerken, dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen
de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit, maar
tevens ook in qualiteit bestaat. Op lagen trap van beschaving bevat
toch de geest veel denkbeelden over strijd, zoo met natuurlijke als
met kunstwapens, want men wane niet dat er geene andere denkbeelden
bestaan, dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden. Integendeel
worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen,
waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene
soort van denkbeelden bezitten.
Het talent van een koorddanser zit bijv. niet in zijne beenen, maar in
zijn geest. Hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de
bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van
het ligchaam, die een ander mensch, slechts van goede beenen voorzien,
niet bezit.
Zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich
bijv. op de wetenschappen gaat toeleggen, zullen zijne denkbeelden over
de middelen ter bewaring van het evenwigt, zich steeds in den latenten
toestand, of, zooals men zegt, uit zijn hooft bevinden, zij in dien
toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare
denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden, en de kunstenaar
van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden.
Denkt men hierover na, zoo zal men gewaar worden, dat de waarde der
wereld bestaat in den geest, anders genaamd de veropenbaring der
zelfstandigheid door denking. Men bedenke bijv. dat, wanneer een
zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet, wel is
waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort, maar nog
geene beteekenis voor hem bezit. Die gezigtsvoorstellingen zijn voor
hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch, de woorden
eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering. Door
oefening, door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden,
in den niet latenten toestand verkeerende, moet het kind zich de
beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken, en, wanneer dit
heeft plaats gegrepen, het ook met betrekking tot dit zien rijker in
denkbeelden geworden zijn.
Waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk, zoo
zouden zij niettemin, aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende
accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde, wegens gedurig
gebrek aan geschiktheid lijden. Zulk een gebrek leidt echter tot
geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke
ontwikkeling. Het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een
gemiddelden standvastigen toestand zou aldus, zie blz. 47, leiden tot
een toestand, waarin er, wel is waar, noch lijden, noch ongeschiktheid
van het een voor het ander meer zou bestaan, maar tegelijk de prikkel
tot verderen vooruitgang gemist zou worden.
De verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die
hen lijden berokkende accidentele afwijkingen, sluit niet in dat elk
dezer, (zooals bijv. die van den gemiddelden toestand der gesmolten
stoffen binnen den aardkern, tijdens het bestaan van aardbevingen),
zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt, dat er
hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel
ontstaat, noch zelfs dat zij elk, op zich zelve beschouwd, tot
verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn [13].
Dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing
zijn. Slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige
afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt,
valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen, en wel in sterkere mate,
naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele
afwijkingen beschouwt, en, slechts op een volstrekte wijze, wanneer
alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te
zamen beschouwd worden. Aldus, slechts in ruimte en tijd collectief
beschouwd, vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en,
naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend
karakter bezitten, komt het ons voor dat alles er bij meer voor
elkander bestemd is [14].
De eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken
en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan, zoodat van
accidentele afwijkingen, zooals bijv. aardbevingen, stormen enz. bij
het bestaan van zulke natuurwetten, aard niet kan bepaald worden
door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te
verhoogen, aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort. Die
eenvoudigheid dier wetten maakt, dat men kan leeren, terwijl de er door
teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen.
Was het verband tusschen oorzaken en gevolgen, zoo als de
supranaturalisten beweren, dan zouden de natuurwetten zoo uiterst
zamengesteld zijn, dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk
zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen
meer zou opleveren.
Van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere
supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan. De onwetenste
schipper, nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte
gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende, maakt
bijv. uit den staat van den atmospheer op, welk weder er te verwachten
is en rigt zich hiernaar in.
Even als Molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te
weten, zoo gedraagt zich aldus die schipper, zonder hiervan bewust te
zijn, in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen,
als naturalist, en neemt hij bijv. niet aan, dat voor of tegenwind
van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen, daar hij dan
hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien, in plaats van op
wolken en windwijzer te letten.
Hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn, hoe meer
onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen, waarvan
het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient
te worden; en met hoe minder kennis der werking der Natuurwetten op
stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan. Hieromtrent
gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door
meer beschaafde opgemerkt worden, en buitendien heeft het bijgeloof
minder invloed op de handelingen, dan men wel denkt. In plaats van
deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens, waardoor het
toeval de wijze van handelen zou bepalen, vallen, naarmate, wegens
naturalistische oorzaken, zekere handelingen al of niet geraden
geoordeeld worden, die voorteekens goed of slecht uit. Vaak toch
bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam
achten te zien.
Wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der
verschijnsels in het oog gehad. Zoo is bijv. zeeziekte een direct
gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining, maar
de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees, moet niet als een
direct gevolg der golving der zee, maar als dat van zekere zinnelijke
indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd
worden. Men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en
daarmede gelijkslachtige gevolgen.
Behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling
der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten.
Deze, zeer gering bij de geboorte, klimt gedurende een beperkt
aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel
grooter aantal eeuwen bereikt heeft; en daar die snelle verhooging
der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene
snelle verhooging der levensomstandigheden, zoodat die individuen
gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen, zoo zal, wegens de
werking der traagheid, bij elk individu die geestontwikkeling meer
te kort schieten, dan bij de soort, zoo deze bijv. uit steeds op
aarde voortlevende individuen bestond. In dit geval zou gewis de
toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans,
daar bijv. eene generatie, op zeker tijdstip op den graad van
geestontwikkeling harer soort staande, na bijv. 30 à 40 jaren een
hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben, dan zoo
op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles
moet leeren. In dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren
tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste, omdat
in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der
kennis van voorgangers te stellen. Dit geldt ook voor individuen van
volgende generatiën met betrekking tot individuen van voorgaande,
en vandaar dat bijv. menschen van hunne geboorte tot hun dertigste
jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar.
Van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging
der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar
dat alsdan de geestontwikkeling, wegens de werking der traagheid,
het meeste te kort schiet, de menschen uit gebrek aan ondervinding
de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het
meeste benadeelen. Zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad
slechts gebrekkig wegnemen, daar de menschen veel minder van andere
menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren.
Niet slechts dat, de snelle verhooging der menschen
levensomstandigheden, de voor de vervulling der eischen dier
omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten, maar
ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen, al wordt
er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld, wijsheid en
ondervinding (wegens de op blz. 63 gemelde werking der traagheid)
in gebreke doen zijn, wanneer er door, alsware nieuwe en onbekende
toestanden daargesteld worden. Dit nu zal veel meer het geval zijn
bij vrij kort, dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende
wezens, en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der
individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en
ondervinding en dus ook van ramp, maar tevens van sterkere toeneming
in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd.
Evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de
eischen der levensomstandigheden, doet het ligchaam zulks betrekkelijk
den geest. Dit vooruit-zijn van deze laatsten, waardoor op het
ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt, doet dit
lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste
werkdadige denking te bestaan. Vandaar het somtijds idioot worden
van geleerde kinderen.
Buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van
hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert. Een kind
kan bijv. in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven,
zonder zelfs in dit opzigt, aan de eischen der levensomstandigheid
van meervolwassenen te kunnen voldoen, niet wegens eene te lage,
maar wegens eene scheve opvatting dier eischen. Zoo zal bijv. de
republikeinsche regeringsvorm voor de Fransche natie, wanneer bij
deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het
prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn, geschikt worden,
doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk
beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en
aldus in Frankrijk te vroeg ingevoerd [15]. Thans noemen zich
de materialistische pantheïsten eene zeer geavanceerde partij
op godsdienstig gebied, doch, wanneer het gros van het publiek op
hunne hoogte gekomen zal zijn, zal dit geene hooger staande en minder
kinderlijke, maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen
dan zij aankleven. Krankzinnigheid, vaak ontstaande door het onvervuld
blijven van wenschen, en waarbij het denken niet in overeenstemming
is met de eischen der werkelijkheid, gaat, zooals bijv. bij sommige
asceten, dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere
toestanden. Vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen
gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv. door
Cervantes, bij Don Quichotte, zonder dezen onmogelijk te maken,
vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden [16].
Het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere,
ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten
deele vernieuwd heeft, en is aldus een bijzonder geval der uitwerking
der traagheid waardoor, wanneer iets verandert, iets anders, er mede
in verband zijnde, niet terstond eene overeenkomstige verandering
ondergaat.
Wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen?
Zij ontwerpen instellingen, geschikt behoorende te zijn niet voor
den bestaanden, maar voor toekomstige toestanden, en neemt men nu in
aanmerking, hoe, door veranderingen in het verledene, de bestaande
toestand nog min of meer nieuw is, zoo zal men beseffen, hoe veel
meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren,
en hoeveel moeijelijker het wordt, om de eischen en aard hiervan dan
van een bestaanden toestand te bepalen. Door menschen van evenveel
talent en doorzigt ontworpen, zoo zullen ontwerpen van geavanceerde
instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen
voor bestaande toestanden bestemd.
Door de ondervinding ingelicht, zullen daarentegen de ontwerpers
van instellingen voor verleden toestanden bestemd, deze volmaakter
maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden
bestaan hebbende, mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is.
Zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren
te doen, dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder
goed wat zij later zullen moeten verrigten, dan zij zulks later
zullen weten.
De miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand, het
zonder zulks te weten, voor oogen houden van hoogere toestanden dan den
thans bestaanden, benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en
eischen er van, hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs
tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar
buitensporige instellingen, wetten en gebruiken, maar waarbij de meeste
der ontwerpers, deze in dit opzigt, gene in eenig ander opzigt, iets
voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden
geschikt. Die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers, welke
in Amerika en Australie de ontginners van den bodem in de wildernis
voorafgaan, dikwerf verdwalen zij, doch niettemin wijzen zij aan het
hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg.
Op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het
geval. De hierop geavanceerde stellingen en hypothesen, hoe eenzijdig,
gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig, bevatten meestal eenige
vroeger onbekende waarheden, die wel vaak lang onbegrepen blijven,
maar, telkens op nieuw verkondigt, eindelijk wortel schieten; terwijl,
de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen, van lieverlede in de
vergetelheid geraken. Daar echter de wetenschap gemiddeld steeds
voorwaarts gaat, houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet
op. Zekere dosis dwalingen, en wel gemiddeld eene grootere, naarmate
de voortschrijding der wetenschap sterker is, blijft aldus steeds
in omloop.
Nemen wij bijv. de stelling van Bouddha, dat alle bestaan een kwaad
is, zoodat de mensch, door onderdrukking zijner begeerten en door
zedelijke veredeling, moet trachten op te gaan in het Nirwana en zich
te onttrekken aan eene wedergeboorte. Vooreerst verstonden Bouddha
en zijne aanhangers onder Nirwana het niet, of wel de oplossing in
de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige
menschelijke natuur, en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe
ook, of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van
bestaan. De tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor,
daar de stelling, dat men zich door veredeling moet voorbereiden
voor het niet ongerijmd is, en omdat daarop, zelfs bij de traagste
Oosterlingen, geen godsdienst te bouwen is.
In zooverre had echter Bouddha gelijk, dat veranderlijkheid bij het
bestaan, wegens de werking der inertie-wet, ramp te weeg brengt,
zoodat slechts eene, met onze geestelijke natuur niet overeenkomende
onveranderlijke wijze van bestaan, met volmaakte zaligheid te
vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking
der begeerten, tot geluk leidt, doch hij had er bij moeten voegen,
ook tot stilstand.
Was toch die tweede stelling van Bouddha aanbevelingswaardig,
zoo zouden de menschen, even als Diogenes, hunne stoffelijke en
geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen, en in zooverre
als de ontwikkeling van handel, industrie en wetenschap meer dient om
nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen, dan om aan
reeds bestaande behoeften te voldoen, zij gebreideld moeten worden. Bij
het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een
hoogeren graad van beelding, dan voor den maatschappelijken toestand
hunner ouders past, te doen geven, zorgvuldig geweerd moeten worden.
De indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te
worden ingevoerd. Schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij,
omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde
individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de
maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen, zoo bevordert
daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid, wanneer de
kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van
den ouderlijken werkkring.
De gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan
weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden. De vrije
concurrentie gaat toch gepaard met een strijd, waarin de knapste
industrielen de andere ten gronde trachten te rigten, waarin zij op
middelen peinzen, om in het bedriegen van het publiek elkander de loef
af te winnen en waarin een ieder dus maar, ten bate der verhooging
zijner geestontwikkeling, maar moet zorgen om niet de verliezende
partij te zijn.
Wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in
gunstige omstandigheden te doen leven, maar zich overigens wel
hoeden moeten om hen te beschaven, kortom men zou enkel aan de
zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven. Dit echter wordt door
de instinctmatige zucht tot vooruitgang, den mensch in veel hoogere
mate dan de dieren deelachtig, onmogelijk gemaakt, maar tevens wordt,
door het gehoorgeven aan die zucht, verklaard hoe de mensch, getooid
met eene schoone, maar met distelen doorvlochte kroon, tegelijk is
het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste, het edelst en het
ongelukkigste wezen der aarde.
Even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven, maar
zich verdeelen op den weg, doet de betrekkelijke snelle toeneming in
geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid
ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere
zaak. Van daar zekere disharmonie, zekere tegenstrijdigheid bij zijn
wezen, die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende
neigingen naar geluk en naar vooruitgang, hem in zijn eigen oog,
zooals Pascal zeide, tot een onbegrijpelijk monster maken [17].
Des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe, om voor
blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn, daar de aarde zelve
het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling (volstrekt niet
in vergrooting der gezondheid bestaande) belemmert. Het is dan ook
verkeerd te beweren, dat de waarde van den geest hand aan hand gaat
met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede
werking der verschillende organen.
De menschen bijv. bezitten meer wijsheid, kennis en zelfs in het
algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling, wanneer op hoogen
leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is, dan toen dit in vollen
bloei verkeerde. Wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en
alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden, let men minder
op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt. Geestelijk
leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men
zich bevindt, en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die
schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en
diepzinnige personen gemeen hebben. [18] Bij de kinderen heeft het
tegenovergestelde plaats, hunne denkvormen gelijken meer op die der
dieren dan die der volwassenen. Geheel vervuld met het heden en de
omgeving, ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid, doch worden
hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere,
ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan.
Ofschoon aan het leven gehecht, zouden de meeste menschen niet
andermaal hun levensloop willen herhalen. Wel zouden zij wenschen hun,
door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding, onder betaling van
leergeld, vooruitgeganen geest, aan een verjongd ligchaam te koppelen,
doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug
te keeren.
De geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud
zijn, daar zulks afhangt, of dat hij zekere toestanden en omgeving
sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen, of dat hij
hieraan reeds lang gewoon geworden is, of, met andere woorden, van het
verkrijgen van nieuwe denkbeelden, of van het behouden der vroegere.
Werkte, bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens
slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden, door den aard van dien
hemelbol opgeleverd, geschikt trachtende te maken, zoo zou zulk eene
beschadiging dier ligchamen, dat het organische leven er niet meer
bij mogelijk is, bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de
voorgaande plaats hebben. Gemiddeld zou aldus elke generatie langer
leven dan de haar voorgaande en van de, na een oneindig langen tijd
bestaande, de ligchamen onsterfelijk zijn; terwijl reeds thans dit
het geval zou zijn, zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene
eeuwigheid alleen gewerkt had.
Tegelijk er mede heeft echter de oorzaak, de organisatie dier
ligchamen trachtende te verhoogen, gewerkt, en daar nu de snelheid
waarmede zulks geschiedt, zoo als op blz. 72 verklaard is, juist
het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt,
beide oorzaken, vereenigt werkende, de organische ligchamen uit de
stoffen van zekere hemelbollen gevormd, wel meer zamengesteld van
bouw en hooger ontwikkelt, doch tegelijk meer teer en vernielbaar
dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn.
Hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook
de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is, hoe
zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt,
en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens
uitgebluscht moet kunnen worden. Van daar de taaiheid van het leven
en den meer onbeperkten groei der lagere dieren. Het optreden van hen
overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor
die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld, waarvoor
eerstgemelde constante oorzaak, wegens de binnen geen beperkten
tijd te overwinnen werking der traagheid, hen niet geheel geschikt
kon maken. Hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren
verslindbaar zijn, en, korteren tijd bestaande, door groeijen niet
zulk een omvang verkrijgen, als die der mede in ontwikkeling gelijk
staande dieren, aan zulk eene overheersching niet blootgesteld. Van
daar dat welligt de (zie blz. 30) binnen de sedimentaire lagen gevonden
fossile weekdieren, levende voor dat de visschen optraden, grooter
waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren
van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door
vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren.
Naar ons inzien kan aldus gesteld worden, dat kortere duur van het
leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in
ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest
en ligchaam.
Neemt een volk in beschaving af, zoo zullen na zekeren tijd, deszelfs
instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van
den verminderden graad van beschaving zijn, een maximum bereikt hebben,
na dien dalen, en voor de eischen der afnemende beschaving, wegens de
werking der traagheid, te hoog blijven (zie Noot blz. 72). Al bleven
echter de individuen steeds voortleven, zoo zou zulk een volk geruimen
tijd in beschaving moeten achteruitgaan, voordat de nog stijgende
geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene
hoogte zou gekomen zijn, dat zij aan de eischen der omstandigheden,
door den trap van beschaving daargesteld, zou voldoen.
Nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering,
gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der
individuen slechts in geringe mate plaats hebben. Voor deze blijven
aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen,
zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien, wegens
andere soorten van verandering dier omstandigheden (zie blz. 71),
onvoldoende zal blijven. [19]
Hoe, wanneer de beschaving toeneemt, de zedelijke ontwikkeling der
volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven,
blijkt bijv. uit het gemis aan eerlijkheid, waarover men thans niet
minder dan vroeger klaagt. Welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan
onze voorouders vier à vijf eeuwen geleden, doch hoe uitgebreider is
het finantieel verkeer geworden, hoe noodzakelijker het is geworden,
dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken.
De opvoeding van een timmerman duurt bijv. korter dan die van een
staatsman, en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze
en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder
aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn. Slechts
in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet
voldoen, vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze, terwijl,
wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van
beide klassen, de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van
de hooge wint. Dit zou echter het geval niet zijn, zoo de menschen
tot hoogere klasse behoorende, langer en alsware langzamer leefden
dan die van lagere klassen, zoodat zij niet sneller dan deze in
geestontwikkeling moesten toenemen.
De graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal,
na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn, dit op deze
aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen.
De beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar
niet eene onbepaalde geestontwikkeling en, naarmate de drang
tot vergrooting hiervan zwakker is, zal die grens, waarboven de
geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt, lager gelegen zijn,
even als, naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is, de er door
voortgebragte toenemende, maar eindelijk in sterkte circa standvastig
wordende golving, geringer is.
Dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren, want ook deze
bezitten, ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch, bewuste
aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan.
Zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij, nadat
zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is, alles weten wat
hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten,
omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om
een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis
kennis op te doen. Hoe langer de individuen leven, hoe sneller het
gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen,
omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene
kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen.
Hoe hooger de beschaving is, hoe meer elke generatie zal moeten
leeren, en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden,
al is het dat alsdan, wegens de grootere zamenwerking en onderlinge
gemeenschap der menschen, de mededeeling van wetenschap aan de jeugd
gemakkelijker geschiedt.
Elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten
toenemen, om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige
geslacht bereikt. Dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets
meer dan dat, zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing
die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet, maar de
zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom
trager doen toenemen.
Van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen
kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap
van beschaving, elk individu alsdan, met betrekking tot het dan zoo
zamengesteld geworden maatschappelijk leven, meer in ondervinding
te kort schieten; zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in
geestontwikkeling dan thans toenemen, doch tevens meer teleurstellingen
ondervinden; met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te
doen, minder en gebrekkiger leeren en doen, in een woord betrekkelijk
onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van
beschaving.
Zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde
wenschen te zien, zullen aldus door de toeneming der beschaving niet
bevredigd worden. Wel integendeel zij, die de toename der geestelijke
ontwikkeling der individuen, al zij het dat hierdoor hunne ligchamen
gesloopt en hun leven verkort wordt, als het doel hiervan beschouwen.
De aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing (die der geschiktheid
voor het aardsche), waartoe behooren de epicuristen, voegen den mensch
toe: gedenk te leven, in den zin van gedenk op eene oordeelkundige
wijze te genieten, tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen,
in vrede met andere menschen te verkeeren, bedenk dat slechts
in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat
onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is.
De aanhangers der tweede levensbeschouwing (die van den vooruitgang),
waartoe de rationele stoïcijnen behooren, roepen daarentegen de
menschen toe: gedenk te sterven, namelijk leef zoodat uwe geestelijke
ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij,
offer hieraan op gezondheid en welvaart, schroom niet in strijd met
anderen te komen en oneenigheid te stichten, wanneer het beginselen
geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk,
door peinzen en denken, op het gebied van het buitenzinnelijke door
te dringen.
Een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons
voor de voorkeur te verdienen.
Dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en
om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende
toestand van het ligchaam, bij gelijke hoogte der organisatie hiervan,
maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan
volgen, en die streving aldus dan minder tegenwerkt, maakt het noodig,
dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze
geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor
de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het
oog op het materiele en praktische nut. Dit een en ander maakt tevens
dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van
anderen zorgen moeten wijden, terwijl het leven in vrede met deze
zamenwerking met hen gemakkelijker maakt, hetgeen weder strekt ter
bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Eindelijk
moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan
het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied (zie later).
Van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden
aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine, slechts
in zooverre in goeden staat gehouden worden, als de eischen van
het gebruik er van zulks toelaten. Zelfs behoort men, om aan die
eischen te voldoen, niet te schromen om de machine te verslijten en
aan gevaar voor vernieling bloot te stellen. Ook moet de wetenschap,
met het oog op die toename der geestontwikkeling, zelfs ten koste
van stoffelijke welvaart beoefent worden.
Voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen, dat men
hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de
toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd
van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar
eensgezindheid en vrede opgeofferd worden [20]. De liefde voor anderen
moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden, of
anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin
zij verkeeren, maar tevens om de zedelijke ontwikkeling, zoowel van hem
die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt, te verhoogen,
en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken.
Slechts, wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt, kan het
verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen, ten einde op
eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen.
Het is waar dat, hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid
is, hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen
hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen, doch het is er
verre van af, dat het directe nut dat men, zoo voor anderen als voor
zich zelf, op deze aarde sticht, de hiervoor genomen inspanning loont.
Ook nemen de menschen (tenzij oppervlakkig op gezag) niet gaarne
onderrigt en teregtwijzing van anderen aan, zij leeren liever zelf
en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe, doch deze wordt
alsdan dieper, inniger en minder vergeetbaar, terwijl hunne grootere
en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg
en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt. Om een anders
ideën goed te begrijpen, dient men zelfs (al zij het meer onbepaald
en minder naauwkeurig) van zelf op die ideën gekomen te zijn.
Hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich
gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen
van onderrigt, en wel is waar grif in het aannemen van materiele
hulpmiddelen, doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen
beschikken; op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun
individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren, waarvoor zij
slechts zeer weinig kunnen doen? Zij die zulk eene levensbeschouwing
aanhangen, het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan
de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te
verzachten en, zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling,
elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten, moeten geleid worden
tot moedeloosheid, tot minachting van zich zelf en van anderen, tot
gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten
behoeve van anderen of van eigen toekomst; tot het zich verdooven in
de beslommeringen en genietingen van het heden; tot het ontvlugten
van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van, omdat dit
lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch
bestaan noodig achtende levensbeschouwing.
Wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt,
moet zedelijk verval het gevolg zijn, zooals bijv. bij de Grieken en
Romeinen tijdens het begin onzer jaartelling. De natuurwet, dat van
een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn, deed
echter toen hare werking gevoelen, namelijk dit zedelijke verval deed
eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken
en, aldus geschikt geworden voor de massas, tot binnen deze dringen
[21].
Te weinig wijsgeerig om te weten, dat het lijden een gevolg is der
werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het
zich verheffende (zie blz. 63), zoo hebben de menschen niettemin een
zeker besef, dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit
besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het Christendom,
dat het lijden heiligt, op den weg ter heerlijkheid plaatst en door
het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt.
De aanhangers der épicuristische levensbeschouwing verdiepen zich
ongaarne in de beschouwing der individuen, maar liever in die der
in beschaving toenemende maatschappij, in die harer kunstgewrochten,
in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur. Doch is de duur van
dit alles zoo zeker, kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen
bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles
niet vernietigen? Buitendien die schoone organische natuur maskert een
slagveld, een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere
organisatiën verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en
buitendien, waartoe leidt die toenemende beschaving? Naar aanleiding
van het op blz. 83 gemelde, tot sterkeren vooruitgang der individuen
gedurende hun leven, maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid
voor de omstandigheden waarin zij verkeeren.
De maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen, en in het
belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere
zelfstandigheid behouden, en dat zij aldus geene levensbeschouwing,
de individualiteit in minachting brengende, aanhangen.
Om te begrijpen, hoe het zedelijke verval eener maatschappij, derzelver
beschaving achteruit moet doen gaan, behoeft men slechts te bedenken,
welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op
handel en industrie uitoefent. Zoo bijv. de menschen slechts werken om
geld te winnen, zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene
gehalte, als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke
ontwikkeling, zoo van anderen als van zich zelf, doet strekken. Dit
verschil, niet noemenswaardig bij grof handenarbeid, zal grooter
worden, naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt. Verder zal,
zoo de winsten geringer worden, de productie van den arbeid insgelijks
verminderen, en ook weder in sterkere mate, naarmate de aard hiervan
meer verheven is [22].
De vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten
van den arbeid grooter worden, terwijl de vergrooting der digtheid
der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent. Gedurende de
toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der
hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking
later de overhand te moeten hebben.
Volstrekte overbevolking, wegens gebrek aan te bebouwen bodem, kan
wel is waar niet gezegd worden te bestaan, zoolang die bodem nog een
mud graan, of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen, iets wat
overal het geval is, doch dit belet niet, dat, het digter worden
der bevolking, den arbeid, noodig om bijv. een mud graan voort te
brengen, grooter doet worden. Minder arbeid zal er dus, naarmate (bij
denzelfden trap van beschaving) die digtheid der bevolking grooter
wordt, besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen
niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud, minder van
zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen,
die hen dan met de winsten, door hun arbeid opgeleverd, willen koopen.
Wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer
behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen
eene noodzakelijkheid blijven, doch dit overwigt in geestelijke
ontwikkeling zich (wanneer de digtheid der bevolking grooter is met
betrekking tot de beschaving) meer door hare innerlijke waarde en
minder door uiterlijk vertoon veropenbaren.
De kleinere verschillen in rijkdom, bij het kleiner zijn der winsten
van den arbeid, kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn
der op blz. 77 gemelde manschappen, naarmate deze gemiddeld trager
loopen. Het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen
zal hierdoor evenzoo verminderen, als dat der gemaakte overwinsten
door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen. De neiging der
manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de
uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven, met die der
giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel
voor armen dan voor rijken om geld te winnen, zie blz. 49.
Tegen hetgeen op blz. 86 gezegd is, zal men welligt aanvoeren, dat
het kwaad, in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande,
het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen, wanneer de menschen
zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken. Men dient
hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke
en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of
ligchaamsleven.
De drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen
zoodanig verhoogen, dat, wegens de werking der traagheid, hunne
geestontwikkeling er bij te kort schiet. Verlagende op deze werken nu
de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van
het ligchaam de onbewerktuigde aardt. Deze vier zaken, waarvan nu de
laatste onveranderlijk is, trachten op gelijke hoogte te komen en aldus
voor elkander geschikt te worden, en, zoo nu de eerste verlaagd wordt,
namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te
doen worden en naar het dierlijke terug te brengen, zullen zij tot
elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden.
Zoo bijv. eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt
dan de vorige, zal de werking, de toeneming in ontwikkeling van
het ligchaam bevorderende, hierbij ook eenigzins kleiner dan bij
de vorige generatie zijn. De laatste generatie zal aldus aan hare
kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij
van hare ouders ontvangen heeft, en de ligchamen dier kinderen zullen,
door de werking van den geest, wat moeijelijker dan die hunner ouders
in ontwikkeling kunnen toenemen. Bij die derde generatie zal aldus
de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de
tweede, zoo zij zich, betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling,
niet meer dan deze inspant, en dit zoo voortgaan; zoodat de mensch
dan langs den op blz. 30 gemelden stamboom, alsware terug zal gaan,
en, aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde
aarde verlagende op hunne ligchamen werkt, die teruggang niet ophouden,
voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is [23].
Wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling, onder tegenwerking
der eischen der zinnelijkheid, bijzonder verhoogen, zal zij, wel is
waar, steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen
van het zedelijke en maatschappelijke leven, doch die eischen en
die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts
gedreven worden.
Het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben, zoo, wegens den drang
tot vooruitgang, men die eischen wel tracht te verhoogen, maar de
geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling, door het toegeven aan
de eischen de zinnelijkheid, daalt. Dit laatste dan kan in zulk eene
mate geschieden, dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke
leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken, dan
door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden. Zulk een geval,
op blz. 86 bedoeld, is vergelijkbaar bij eene schuit, die een paard
stroomopwaarts tracht te trekken, maar daartoe onvermogend is, zoodat
dit paard (met die eischen der beschaving vergelijkbaar) achterwaarts
moet stappen, omdat de spanning der treklijn (met de betrekkelijke
zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar) groot is.
De groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie
van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk
te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen, iets dat bij dieren
slechts in veel zwakkere mate bestaat, en bijv. het geval is bij hen,
welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in
praktijk brengen, namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten
overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling
zoo van anderen, als van zich zelf, zie blz. 87.
De verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing
ontmoet men bij de asceten, die, om alle zinnelijkheid te vernietigen,
hun ligchaam martelen, dit alzoo minder bekwaam maken, om op eene
indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te
bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten, zoodanig ter
harte nemen, dat zij andersdenkenden vervolgen [24].
Vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde
het andere de levensbeschouwing toegedaan, doch steeds zullen die
onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander
trachten te stellen.
Een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en
wetenschappelijkheid toe te nemen, naarmate de beschaving zulks
doet, en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot
vooruitgang, bij de dieren, zie blz. 64, voldoende, alsdan meer te
kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden.
Het humanisme, zooals de aanhangers der epicuristische
levensbeschouwing dit opvatten, zou slechts kunnen bestaan, zoo de
menschen steeds op aarde bleven voortleven, de onbewerktuigde natuur
niet de op blz. 91 gemelde terugtrekkende werking op der menschen
ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam. Wegens
de neiging der dingen om, wanneer geene oorzaken dit tegengaan,
harmonisch met elkander te worden, zouden dan de eischen van zedelijke
en maatschappelijke leven, de geestontwikkeling, de eischen van het
zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich
op dezelfde hoogte stellen, en de betrachting van het goede geene
opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten
in het heden.
Die toestand zou echter, zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid
deelachtige wezens, niet mogelijk zijn, zoo de onbewerktuigde aarde
de organisatie hunner ligchamen omlaag trok, daar dit tegengegaan
zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking
en deze niet zou kunnen bestaan, zoo der menschen geestontwikkeling
niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond, en
door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven,
die geestelijke ontwikkeling niet, tegen omlaagtrekking er van door
de eischen van het zinnelijke leven, behoed werd [25].
Een trap van beschaving, wegens de terugtrekkende werking der
onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar, zal,
wegens de op blz. 71 gemelde oorzaak, bij sterfelijke wezens niet zulk
eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke. Die
beschaving, door den eenen mensch in dit en door den anderen in
andere opzigten opgedreven, zal eischen stellen voor het zedelijke
en maatschappelijke leven, waaraan de menschen, wegens den korten
duur van hun leven, nog minder zullen voldoen, dan zoo zij steeds
op deze aarde bleven voortleven, aan den eenigzins hoogeren trap van
beschaving, die dan bereikbaar zou worden.
In dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de
alsdan levende menschen, terwijl tot de werkelijk op deze aarde
bestaande beschaving de vroegere generatiën bijgedragen hebben,
zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is.
De korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd,
om even goed te voldoen, in geestontwikkeling sneller moeten toenemen,
dat wij dit wel eenigzins sneller doen, doch niet in zulk eene mate
dat wij even goed voldoen als bij langer leven, dat onze taak zwaarder
dan in dit laatste geval is en dat, wegens dien gevorderden snelleren
aanwas in geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven meer
ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven,
zie blz. 71.
Het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts, door die beschaving
een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te
stellen, dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten,
maar tevens door het onderwijs, dat wij geholpen worden om nog sterker
in geestontwikkeling toe te nemen.
Deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal, dat gedurende zekeren
tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten
afwerpt. Het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die
iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft, en zal, betrekkelijk
het kapitaal, op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen,
meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt. Men kan
zich nu voorstellen dat de inspanning, gevorderd voor de vergrooting
van zulk een kapitaal, grooter is dan het nut door het totaal die
renten voortgebragt.
Zoo echter dit totaal minder misbaar is, naar gelang die rente kleiner
is, zal, na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal,
het nut, door het totaal der kleinere renten voortgebragt, gelijk
worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting
van het kapitaal. Dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte
voor de leden eener maatschappij, wier zedelijke eischen tot zekere
hoogte opgedreven zijn, om van de geestelijke ontwikkeling hunner
medeleden te profiteren, naarmate zij zulks minder doen, of anders
gezegd met de grootere behoefte aan het goede, naarmate het gebrek
hiervan grooter is.
Wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar, naarmate
het minder bedraagt, hetgeen te vergelijken is met het op blz. 90
gemelde geval, dat de eischen der beschaving van de maatschappij
tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen,
zoo is er geene reden waarom, na het ophouden der renteafwerping,
gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan, en gedurig nieuwe van
meet af aan vergaard moeten worden, zie blz. 85.
Schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid, doch, terwijl
men iets deugdelijk noemt, wanneer het zekere geschiktheid bezit voor
de omstandigheden waarin het verkeert, zoo noemt men daarentegen iets
schoon, wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn. Voor
volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd,
doch bij zekeren graad er van, kan van iets de geschiktheid der deelen
voor elkander nog al te wenschen overlaten.
Verschillende typen van diervormen vinden wij bijv., wegens de juiste
harmonie der deelen, schoon, maar daar onder behoort niet de vorm der
miereneters, niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt
is voor het vangen en opslurpen van mieren.
Dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied. Men zegt bijv. dat
een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit, doch het komt ons
voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is,
wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander
geschikt zijn. De geniüs van het kwaad, zooals Milton die geschilderd
heeft, kan bijv. kwalijk de bewondering opwekken als door zekere
harmonie bij zijn zedelijken aard, die wij vermeenen morele schoonheid
te moeten noemen.
De werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de
hoogte strevende wezens, moet, zooals op blz. 53 gezegd is, de harmonie
en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en
deze noodwendig leelijk maken. De aap, naar het ligchaam half mensch
half dier, het vogelbekdier, van vogel tot zoogdier opklimmende, een
wilde met vederen op het hoofd, een knods in de hand en een pantalon
met souspieds aan de beenen, kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel
als iemand, binnen eene beschaafde maatschappij handelende, zooals
dit bij de wilde stammen gebruikelijk is, het zedelijk gevoel kwetst.
Men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone, of de
innerlijke harmonie van iets, het goede, of de geschiktheid van iets
voor hetgeen waarmede het in verband is, en de verhevenheid, of het
behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan.
Zoo noemen wij bijv. eene uitmuntende geteekende mestvaalt, waarin
een varken wroet, eene goede, maar geene schoone en nog veel minder
eene teekening van verheven genre. De getrouwheid der afbeelding
geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed,
doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan
kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn, terwijl het
wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt.
Wegens op blz. 64 gemelde de werking der traagheid binnen onze
veranderlijke wereld, kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch
zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt. Bij
het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval
zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide
in hoogere mate er in vereenigd zijn.
Het streven naar de hoogte van Natuur en Maatschappij maakt verder
dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen. Zoo
staat bijv. de schoonheid van een insect lager dan die van een
vogel, die van eene mosplant lager dan die van eene roos, die van een
vogel lager dan die van een mensch, die van de kleeding en hut eener
negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame,
niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even
groot kan zijn. Evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen. Die
van een spoorweg staat bijv. hooger dan die van een straatweg,
die van een schietgeweer hooger dan die van een boog, die van ons
burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der Maories,
die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette, die van een
gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld, hooger
die van een bronzen beeld, niettegenstaande met betrekking tot hetgeen
waarmede zij in verband zijn, elk dier zaken even goed kan voldoen.
Dit zal daarentegen, wegens de werking der traagheid, minder het geval
zijn bij iets, naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren
trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv. wassen poppen
minder voldoen dan bronzen beelden. De betrekkelijke schoonheid van
zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert
worden, doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog
doen gevoelen, nadat deze geëindigd is, omdat alsdan de werking
der traagheid, waardoor het eene met betrekking tot het andere
achterblijft, door de werking, alles wel met elkander in verband is,
voor elkander geschikt trachtende te doen worden, nog niet geheel
overwonnen is. Zoo zal bijv. wanneer een troep soldaten verspreid
wordt, ten gevolge van zijn snellen gang, eerst zekeren tijd,
nadat de voorste man stilhoudt, de troep weder opgesloten zijn,
en een wilde, in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving
blijvende maatschappij gebragt, nog lang te laag ontwikkeld, voor
de omstandigheden waarin hij verkeert, kunnen blijven. Stelt men bij
nevenstaande fig. in plaats der bovenste letter a, a', zoo zullen de
ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien
wilde, zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a'b'
de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt. De
kromme ab', in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde
voorstellende, zal nu de lijn a'b' eerst eenigzins regts van aa' raken.
Zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke
gelaat volledig af te beelden, dan zou gewis de silhouette hen nimmer
zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet, terwijl,
zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen
van schoone voorwerpen te maken, deze dezelfde blijvende, hunne
afbeeldingen schooner moeten worden, naarmate die menschen in
kunstvaardigheid toenemen.
Wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben, dat de volmaakte
schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij
veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid
en deugd, onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte, op zeer
verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan.
Op deze aarde kan de volstrekte grootte, van schoonheid en deugd,
even als die der kennis der waarheid, slechts eene beperkte hoogte
bereiken, en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen, waarbij die
volstrekte grootte van schoonheid en deugd, die van al de werkelijk
bestaande menschen overtreft, doch dit is slechts binnen zekere grenzen
mogelijk, willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven. De oude
Grieken stelden zich hunne goden voor als wezens, niet slechts van
groote ligchamelijke, maar ook van groote morele schoonheid in den
zin als op blz. 97. Dier goden absolute grootte van zedelijkheid
was, toen de Grieken nog barbaarsch waren, nog vrij wel boven die
dezer laatste verheven, doch later toen die Grieken, ofschoon niet
zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun
zedelijk en maatschappelijk leven geworden, desniettemin in zedelijke
ontwikkeling geklommen waren, konden hunne goden, als voorbeelden
van het goede en verhevene, hen niet meer voldoen. Hunne godsdienst
strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en
daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan
te verhoogen, moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan
vervullen.
Buitendien moet (zie blz. 77) bij denkbeeldige goddelijke wezens,
wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt,
er, evenals bij ons menschen, disharmonie tusschen geest en ligchaam
bestaan, zoo de ligchamen, die goden toegekend, innerlijk harmonisch
gemaakte, of anders gezegd, verfraaide copijen van onze ligchamen
zijn, en aldus, zie blz. 97, wel betrekkelijk, maar weinig of niet
absoluut schooner en verhevener zijn als deze.
Dit hebben de stichters van den Islam begrepen en vandaar hun verbod
om Allah, ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven,
onder menschelijke gedaante af te beelden. Omdat het ligchaam der
menschen lager staat dan hun geest, voldoet men zooveel mogelijk in
het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt
beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te
bedekken en wel, naarmate de geest verhevener geacht wordt, door de
ligchaamsvormen meer masquerende gewaden [26].
De absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen
vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving, zie blz. 97,
maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren, in spheren
waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche
leven te huis behoort. Het er in ontmoeten der schoonheid, maakt het
treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men
zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert. Dat zij
dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij
opgemerkt wordt, vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen.
De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt
toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der
Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en
414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen
van overeenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en
grillige afwijkingen gemist worden.
Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen,
zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste
hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect
dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter,
sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen,
weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.
Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de
regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste
voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene
wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal
van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken
nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken
schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude
Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit
alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden. [27]
Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen
in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke
tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel
hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en
geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.
Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eene bijzondere soort
van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een
rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat
zamenstellende en Phidias toen hij de majesteit van den Dondergod door
een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl
de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk
en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt,
als Columbus toen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien
ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand,
die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met
twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.
Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad
geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz. 68 gezegd is, ten
gevolge der werking der traagheid bij overgangen.
Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt,
bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van
landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der
Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen
is om bijv. per spoorweg te Athene te komen enz. Zoo echter deze
stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt,
zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans
bedrijvige steden van Europa.
De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan
zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men,
met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch
gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid
en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine
belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende
eigengenot in het heden te verkrijgen.
De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren,
als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als
verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen;
als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk
hooger verheven personen. [28]
Het is er aldus (zie blz. 83) verre van af, dat aan den drang
tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze
toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der
maatschappij zijnde.
Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken,
doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door
hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op
verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een
voor het ander geschaad heeft.
Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het
doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie
blz. 73.)
Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene
behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt
worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz. 83,
bij het onderwijzen, zie, blz. 76, bij het voeren van strijd en het
bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz. [29]
De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt
bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij
hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te
zijn, de beelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk,
door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering
der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat
verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn,
dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz. 47) eene eigen impulsie
tot verhooging bestaat. [30]
Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun
graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van
hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving,
benevens door accidentele omstandigheden.
Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er
gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen
godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een
zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.
Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz. 22 gemelde
door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren,
gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige
begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne
beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis
van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.
De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis
tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende
menschen, en op blz. 9 hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen
splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De
grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische
gesteldheid der landen, het verkeer en den aard der menschen, den
aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals
bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie)
bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte
toe naarmate de beschaving zulks doet.
Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der
volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele
afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke
zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn
te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen
der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.
Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen
de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van
de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden
bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst,
wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen
gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder
zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel
hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van
hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan
als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.
Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak
wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien
geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de
menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die
constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.
Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt
en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer
bestaan, de meer verheven begrippen betreffende de betrekking van
God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het
Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme
enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben,
omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het
Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst
hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der
Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen
zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk. [31]
Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals
alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot
vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet
opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen,
zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.
De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de
zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker
de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der
menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij
hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo
niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke
dit anders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en
bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de
eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.
De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen, bepaald wordende
deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg,
karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der
beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van
grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder
aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde
te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling
te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar,
naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst
ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd,
gemiddeld in verhevenheid lager te staan.
Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende
de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid
veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de
Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot
den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel
op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende
vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen
van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei
trappen tusschen die beide ingelegen.
Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar
eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe
protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme,
negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende
neoplatonicisme.
Toen het gansche menschdom op den laagsten trap van beschaving stond,
was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende
kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven,
doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding,
er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich
eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier
volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar
deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens
door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken
gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds,
zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede
zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu
(zie blz. 33) voorgesteld worden door eene menigte stamboomen,
sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken
grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere
met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden
zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken
splitsende. [32] De bovenste einden dier takken en stammen zullen
dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en
de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden
van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden
dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en
stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche
rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren,
angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche
Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes,
boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.
Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken
zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten
beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten
vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere
godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van
buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet
als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.
Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu,
even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot
geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het
toeval.
Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne
levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende
deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse
begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve
met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander
passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen
een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke
volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet
toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van
hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij
onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om
voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke
omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou
meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid
begunstigd worden.
Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij
die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in
het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken
worden, omdat hierbij ook een dergelijken eigen drang tot vooruitgang
bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen
zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter
zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de
beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken
en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van
vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij
vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen
dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller
vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken
wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan
de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver
aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er
ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting
en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is,
maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet
verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het
ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen
en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die
soldaten bij elkander brengt.
Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan
de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de
ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de
bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot
generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden
dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.
Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van
godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de
organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch
ook kunnen deelen der organisatie van diersoorten, zonder hooger
of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd
of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten
geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het
deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording
voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende
wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men
bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer
sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt. In zekere
mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu
zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten,
doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid,
die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der
daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min
of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van
lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme
wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het
begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter,
doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van
het juiste.
De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen
zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men
eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo
verkiest te denken, tot overmoed. [33] De aanhangers der absolute
wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig
zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te
voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen
eenvoudiger is dan in waarheid. Zij maken van de menschen alsware
inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed
is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats
te hebben.
Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner
organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers
van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische
leven.
Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als
maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen
bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of
om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming
der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht
door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging
zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke
dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette
opvatting hunner godsdienstleer.
De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der
dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere
diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke
gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel,
de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager
is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en
buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde
deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals
bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen.
Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende
godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen
in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of
zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. die
over de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel.
Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken
in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere
geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende,
wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo
staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten
van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der
thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien
wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip,
wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat
God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in
verhevenheid winnen.
In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard
der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen
bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand
gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij,
door de op blz. 20 gemelde constante oorzaak van geschiktwording van
lieverlede weggenomen worden.
Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die
godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten
zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk
gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke
de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling
der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel
en zuiver te kunnen bevatten.
Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste
aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat
de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote
lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht
van de zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen,
plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon
tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en
prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne
zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon
en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht
aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de
voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger
gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat
de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten
liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken.
Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en
redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen,
wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan
worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger
gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De
naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen
en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde
verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden
waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie
blz. 31 die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe
sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer
dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is
aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer
de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid.
Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene
zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der
traagheid bijna vernietigd moeten worden en de menschen bijv. wel
van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten,
maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door
geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware
omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige
kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan
als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag
in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een
veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier,
bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de
organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van
den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna
niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die
der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten [34].
Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke
astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende
zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen
bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken.
In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de
verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het
verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk
afbreken [35]. Hoe grooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe
sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal
toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook
hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke
kennis zal verhoogen [36]. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de
oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam
stijgt en tevens dat deze zoo arm aan mythen en zoo weinig bijgeloovig
zijn.
Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat
de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename
in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu
het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in
kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats
dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als
in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een
bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen;
terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel
verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts
gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn.
Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent
de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen
onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten
bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo
zou der menschen verstand deze niet gebaat hebben om, bouwende op de
ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding
te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie
bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan
en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen
trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de
organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere
levensomstandigheden kunnen schikken.
Welk een verschil neemt men
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/30735