Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
by Max Hesdörffer · Dutch · Gutenberg #30658 · 874,311 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer
Author: Max Hesdörffer
Editor: Eduard Theodoor Witte
Release date: December 12, 2009 [eBook #30658]
Most recently updated: December 10, 2022
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/30658
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KAMERPLANTEN: HANDBOEK TOT HET KWEEKEN VAN PLANTEN IN DE KAMER ***
Kamerplanten.
Handboek
tot het kweeken van planten in de kamer,
vrij bewerkt naar het Duitsch
Door
E. Th. Witte,
Hortulanus te Leiden.
Tweede druk.
Leiden.
A. W. Sijthoff's Uitgevers-Maatschappij.
VOORWOORD.
"Wanneer twee hetzelfde doen, is het daarom nog niet hetzelfde."--Ook
wanneer beiden zich goed van hun taak kwijten, kan er toch in de
uitkomst zulk een groot verschil zijn, dat een vergelijking nog maar
juist mogelijk is.--
Door denzelfden vertaler werden, met een tusschenruimte van slechts
zeven jaren, twee boeken uit het Hoogduitsch in onze taal overgebracht,
of liever voor Nederland bewerkt, die vrij wel over dezelfde
materie handelen; die beide degelijk, zeer bruikbaar en aan het doel
beantwoordend en dus aanbevelenswaardig zijn, maar die hemelsbreed in
opvatting, veel in uitgebreidheid en in uitvoering tevens verschillen.
Ik heb indertijd niet geaarzeld om aan de Nederlandsche bewerking
van Riese's Wohnungsgärtnerei een aanbevelend woord mede te geven,
en ik behoef daarvan niets terug te nemen, wanneer ik hetzelfde doe,
nu het een dubbel zoo uitgebreid werk betreft, maar dat toch geheel
dezelfde strekking heeft.
Toen de uitgever van dit werk mij de eerste afleveringen liet zien van
Hesdörffer's Handbuch der praktischen Zimmergärtnerei, en mij vroeg,
wat ik van de vertaling daarvan dacht, kon ik niet anders dan hem mijn
groote ingenomenheid doen blijken met dat keurige boek, en aarzelde
ik niet als mijn meening te kennen te geven, dat, zoo hij meende dat,
naast het reeds bestaande, de uitgave van dit meer uitvoerige en dus
uit den aard der zaak kostbaarder boek mogelijk was, deze zeer zeker
ten volle gerechtvaardigd kon geacht worden.
Beide boeken toch verschillen zoozeer in opvatting en bewerking,
dat een liefhebber ze gerust beide kan bezitten, en toch zoowel het
een als het andere met vrucht zal raadplegen.
Deze Nederlandsche uitgave is genoegzaam gelijktijdig verschenen
met de Duitsche. Kon ik aanvankelijk nog slechts oordeelen over het
begin, mijn ingenomenheid met dit boek klom met het verschijnen van
elke aflevering. De Schrijver blijkt een doorkundig kweeker te zijn,
en hij verklaart de verschillende manipulaties zóó duidelijk en licht
ze met zulke sprekende figuren toe, dat ieder, die er lust, aanleg en
gelegenheid toe heeft, naar aanleiding hiervan, de kamerplantencultuur,
ook zonder nadere hulp, op de breedste schaal kan toepassen.
Dat dit boek er alweer iets toe zal bedragen om het kweeken van
planten in de kamer hier te lande meer toepassing te doen vinden,
mag wel aangenomen worden.
Ik twijfel er niet aan of dit boek zal door de lectuur aan velen
menig aangenaam oogenblik en, wat wel het voornaamste is, door de
toepassing van de daarin gegeven wenken en raadgevingen veel voldoening
verschaffen. De liefde voor planten en bloemen moge er bij velen door
opgewekt en verlevendigd worden.
Leiden, Januari 1897. H. WITTE.
VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De wensch, dien mijn Vader bij het verschijnen van den eersten druk
van dit Handboek uitsprak, is eerder in vervulling getreden, dan ik
zelf had durven denken. De Uitgever verzocht mij toch de verzorging
van een tweeden druk op mij te willen nemen, en aangezien hij daarbij
den wensch uitsprak het boek door een lageren prijs in grooter getale
te kunnen verspreiden, heb ik gemeend hier en daar eenige bekortingen
te moeten aanbrengen, zonder dat deze aan de practische waarde eenige
directe schade hebben berokkend.
Moge ook deze tweede druk er toe bijdragen de liefhebberij voor
Kamerplanten aan te wakkeren.
Leiden, 1909. E. Th. WITTE.
INHOUD.
Voorwoord.
Inleiding
I. Algemeene wenken.
De inrichting van den kamertuin
De gereedschappen
De aarde
Het zaaien en uitplanten
De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten
Het oppotten en verplanten
De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten
Het gieten
De bemesting der potplanten
Het snoeien der potplanten
Het opbinden der potplanten
Zindelijkheid bij het kweeken van planten
De vijanden der kamerplanten
Zieke kamerplanten
Het verwarmen der vertrekken
Het luchten der vertrekken
Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen
De kamerplanten gedurende den zomer
A. In den tuin
B. Op het balkon en in de vensterbank
Plantenbakjes en hun beplanting
Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten
De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten
II. De beste kamerplanten.
Inleiding
Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en de
vensterbank
Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken
Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken
Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken
Bol- en Knolgewassen
Aroideeën of Aäronskelkachtige planten
Bromeliaceeën of Ananasachtige planten
Gesneriaceeën
Orchideeën
Klimplanten
Hang- of Ampelplanten
Zomerbloemen
Cacteeën
Succulenten of Vetplanten
Bladplanten
Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken
Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken
Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken
Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken
Palmen
Cordyline en Dracæna
Potplanten met fraaie vruchten
Coniferen
Varens
Mossen of Lycopodiaceeën
Het aquarium
Practische aquariums voor de cultuur van waterplanten
De beplanting van het aquarium
De versiering van het aquarium
De verzorging van het beplante aquarium
Inheemsche en uitheemsche waterplanten
De beste planten voor het kamer-aquarium (Onder water groeiende
planten)
a. Uitheemsche soorten
b. Inlandsche soorten
Waterplanten met drijvende bladeren
a. Uitheemsche soorten
b. Inlandsche soorten
Drijvende waterplanten
a. Uitheemsche soorten
b. Inlandsche soorten
Het terrarium
III. Het Forceeren.
Inleiding
Algemeene regels voor het forceeren
Bolgewassen
De beste bolgewassen om te forceeren
IV. Kalender der Maandelijksche werkzaamheden.
Januari
Februari
Maart
April
Mei
Juni
Juli
Augustus
September
October
November
December
Alphabetisch Register
INLEIDING.
Ieder onverdorven mensch kan beschouwd worden als een vriend der natuur
en in het bijzonder als een vriend der bloemen- en plantenwereld. Het
goed beschouwen der plantenwereld en vooral het verzorgen der planten,
verschaft niet alleen een waar genot, maar geeft ook een aangename
afwisseling, vooral voor die menschen, die, als broodwinners hunner
families, den ganschen dag hard moeten arbeiden.
In den tegenwoordigen tijd, waarin de strijd om het bestaan,
niet alleen den man, maar vaak zelfs ook de vrouw en het kind tot
onophoudelijk werken aanspoort, waardoor bijna alle aanraking met
de natuur verloren gaat, vormen somtijds enkele planten den eenigen
zwakken band tusschen den mensch en de natuur.
De tuin, waarover helaas in onze tegenwoordige steden slechts enkele
bevoorrechten kunnen beschikken, het balkon of ook maar de eenvoudige
vensterbank, waartoe slechts enkele uren van den dag een zwakke
zonnestraal kan doordringen, zij alle geven gelegenheid om zich met
bloemen en planten bezig te houden. Hij, die slechts gedurende den
morgen en den avond eenigen tijd aan planten kan wijden, vindt in de
cultuur van kamerplanten ruimschoots vergoeding voor het gemis van
een tuin.
Reeds van oude tijden her, is het kweeken van planten nauw verbonden
met ons familieleven. Zoowel in de vorstelijke paleizen als in de
vensterbanken van de armste arbeiderswoningen vinden wij bloemen;
overal vervroolijken zij de kamers en overal zijn zij de bron van
veel genot voor de eigenaars, wier geringe zorgen zij ruimschoots
door haren bloei en groei beloonen.
Wanneer het buiten met de bloemenpracht gedaan, wanneer de oogsttijd
voorbij is en de laatste dorre bladeren door de lucht fladderen,
wanneer regenbuien en daarna harde vorst ons tot thuisblijven nopen,
dan krijgt ook hij behoefte aan bloemen in de kamer, die gedurende den
zomer zijn vrijen tijd, hetzij buiten de stad, hetzij in zijn eigen
tuin kan doorbrengen. Wanneer een wit sneeuwkleed de dor geworden
weiden bedekt, wanneer de takken der boomen zich neerbuigen onder
den last der sneeuw, wanneer de vorst ijsbloemen op de vensterruiten
teekent, dan is het een onschatbaar genot in de verwarmde kamer
planten te zien groeien, die aan het geheele vertrek een buitengewone
gezelligheid geven.
Niet overal echter verschaffen de bloemen in de kamer een even groot
genot; maar al te dikwijls toch willen zij niet groeien. Zij komen
dan slechts zeer langzaam vooruit, of, wat nog erger is, zij laten
de bladeren, vallen om dan na korter of langer tijd te sterven.
Het kweeken van planten toch, en vooral de verzorging van planten,
die in verschillende landstreken thuis behooren, is een wetenschap,
en om op de hoogte dier wetenschap te komen, moet men een goed geleider
hebben, die raad weet voor de talrijke moeilijkheden, waar de beginner
aanvankelijk elken dag op stuit.
Dit boek stelt zich voor, zulk een geleider te zijn; het zal antwoord
geven op al de vragen, die zich bij het kweeken van planten voordoen,
en het zal de lezers bekendmaken met die planten, welke gebleken zijn
voor de cultuur op het balkon, in de kamer, en op de vensterbank
het best geschikt te wezen. Bij het gebruik van dit boek zal de
plantenliefhebber, die in de plant een levend wezen ziet, waarin
de sapbeweging even zoo goed aan natuurwetten gebonden is, als de
bloedbeweging bij de menschen, een goed leidsman vinden. Hij, die het
kiemen der zaden en het doorgroeien der zaailingen met genoegen volgt;
die zich het eigenaardige doorzicht weet toe te eigenen, dat iedere
tuinbouwkundige bezit, en dat dezen in staat stelt direct te zien of
een plant de juiste grondsoort, vochtigheidsgraad of standplaats heeft,
zal spoedig veel genoegen van zijn plantencultuur smaken.
Het is overbekend, dat er bij het kweeken van planten in de kamer
tal van moeilijkheden voorkomen, welke eenen handelskweeker, die de
buitenlandsche planten in moderne kassen kweekt, onbekend zijn.
In de kamer heeft men met ongelijkmatige temperatuur, met gebrek aan
licht, met droge, stoffige en bijna altijd slechte lucht te kampen,
welke lucht men echter veel verbeteren kan.
Vele wegen staan den plantenliefhebber open, om de schadelijke
invloeden, die in de woonvertrekken voor het kweeken van planten
aanwezig zijn, te verminderen, zoo niet geheel op te heffen; hij zal
zich door den tijd geheel vertrouwd maken met de eischen van zijn
lievelingen en eindelijk iedere plant haar juiste plaats en goede
behandeling geven. Wanneer dan de planten ten laatste goed groeien
en bloeien; wanneer zij des zomers het balkon en de vensters, des
winters de woonkamers versieren, dan is het genot van de, onder zulke
moeilijke omstandigheden verkregen, resultaten zóó groot, dat men ten
laatste het kweeken van planten niet meer kan laten en de liefhebberij
daartoe steeds grooter wordt.
I. ALGEMEENE WENKEN.
De inrichting van den kamertuin.
Bij het kweeken van planten in de kamer moet men rekening houden
met tal van moeilijkheden, welke voor den plantenliefhebber, die
zijn planten slechts buiten kweekt, niet bestaan. Het moeilijkste
is zeker wel de juiste plaatsing. Het is zeer gemakkelijk planten
te koopen, maar heel wat moeilijker ze zóó te plaatsen, dat zij,
bij een goede behandeling, ook in de kamer gezond kunnen gehouden
worden. Er bestaan echter tal van voorwerpen, die dienen, om er
kamerplanten op of in te plaatsen en die dan ook vrij algemeen gebruikt
worden. Het meest bekende en verspreide dezer voorwerpen is zeker wel
de bloemtafel. Bloemtafels zijn steeds een zeer gewaardeerd geschenk,
reden waarom ze in bijna alle vormen worden vervaardigd en tot alle
prijzen verkrijgbaar zijn. Het meest worden zij vervaardigd uit
ijzer-, hout-, draad- of mandenvlechtwerk. Al deze tafels bevatten
een blikken bak, waardoor de zindelijkheid bevorderd wordt. Er
moet op gelet worden, dat deze bak een afvoerbuisje heeft, waardoor
het overvloedige water kan afgetapt worden. De gewone vorm voor de
bloemtafels is de ronde. Het kan niet ontkend worden, dat een fraaie,
ronde bloemtafel, met mooie planten gevuld, een inderdaad zeer schoon
kamersieraad is. Jammer is het daarom, dat de ronde bloemtafel grove
gebreken heeft, zoodat zij, voor het kweeken van kamerplanten, zoo
ongeschikt mogelijk is. Verondersteld dat men deze tafel de eenige
goede plaats, namelijk zoo dicht mogelijk bij het venster, geeft, dan
zijn het toch slechts de weinige, naar het venster gekeerde planten,
die de zoo hoog noodige directe inwerking van het licht genieten. De
van het venster afgekeerd staande planten leiden, door gebrek aan
licht en zon, veel meer dan men wel denken zou. Wel zijn er enkele
bladplanten, met stevige bladeren, zooals bijv. enkele Palmen en de
Aspidistra, die onder zulke ongunstige omstandigheden goed blijven,
doch van een weelderigen groei kan ook bij deze geen sprake zijn. Om
aan het genoemde bezwaar te gemoet te komen, heeft men bloemtafels
in den handel gebracht met beweegbaar bovenstel. Deze tafels kunnen,
zonder verplaatsing, dagelijks een weinig gedraaid worden, zoodat
alle planten eenigen tijd een weinig van het licht kunnen genieten;
maar de tijd, dien deze planten in het volle licht staan, is ook in
dit geval betrekkelijk kort. Het feit nog in het midden latende,
dat er verscheidene planten zijn, die niet gaarne dikwijls van
plaats veranderen, komen deze bloemtafels dus slechts gedeeltelijk
aan het bedoelde bezwaar te gemoet. Een direct gevolg der ronde
bloemtafels is dan ook, dat alle daarin staande planten na verloop
van betrekkelijk korten tijd éénzijdig worden. Zulke éénzijdige
planten maken, zoolang zij met anderen te zamen gerangschikt staan,
nog wel een tamelijk goeden indruk, maar zoodra men ze alleen plaatst,
is deze allertreurigst. Ronde bloemtafels kunnen dan ook slechts
gebruikt worden, wanneer de daarin geplaatste planten geen hoofdzaak
zijn. Dit is bijv. het geval met een soort ronde tafel, wier centrum
gevormd wordt door een aardig aquarium met of zonder fontein. Deze,
uit fraai gietijzer vervaardigde, tafels hebben rondom het aquarium
slechts plaats voor een, hoogstens twee rijen kleine planten,
terwijl het aquarium zelf met zeer goed gevolg benut kan worden
voor de cultuur van moeras- en andere waterplanten. In het algemeen
genomen, kan de ronde bloemtafel dus slechts gebruikt worden als
fraai meubelstuk in het salon, en hoewel voor de cultuur van fraaie
planten ten eenen male ongeschikt, kan ze dienstbaar zijn om planten,
die men gedurende den zomer in de vensterbank, op het balkon of in
den tuin gekweekt heeft, des winters aan de versiering der vertrekken
dienstbaar te maken. Fig. 2 toont aan, op welke wijze de planten op
zulk een bloemtafel gerangschikt kunnen worden worden. Als middenplant
gebruikt men een fraaien, naar alle zijden goed ontwikkelden Palm,
waaromheen Dracæna's, Varens en kleinere bloemplanten geschikt worden,
terwijl verschillende hangplanten aan het geheel een los voorkomen
kunnen geven.
Fig. 1 toont twee ongevulde bloemtafels, uit gietijzer vervaardigd, en
wel ter rechterzijde een gewone, maar zeer elegant gevormde tafel en
ter linkerzijde een eenvoudigere, waaraan echter een bloemstandaard
verbonden is, zeer geschikt om er een flink ontwikkelden Palm op
te zetten.
Beter dan de ronde, is de ovale bloemtafel voor het kweeken van
planten geschikt. Indien zulk een tafel goed is, moet zij op twee
stevige pooten staan, de lengte van het venster hebben, waar zij vóór
gezet wordt en niet te breed zijn, zoodat er slechts één rij planten
in gezet kan worden. Zulk een tafel wordt het best vervaardigd uit
besneden hout, waarin een blikken bak wordt geplaatst. De geheele
bak moet zóó diep zijn, dat de potten, waar de planten in staan,
aan het gezicht worden onttrokken. Dergelijke bloemtafels zijn zeer
practisch en zijn zij netjes bewerkt, dan strekken zij ieder vertrek
tot een waar sieraad.
Een zeer doelmatig meubelstuk om planten op te kweeken is ook de
bloemstandaard. De meest gebruikelijke standaards, van geïmiteerd
ebbenhout, waarop meestal een fraaie porseleinen vaas staat, kunnen
slechts dienen om een enkele plant op te plaatsen (Fig. 3). Het
spreekt vanzelf, dat men op zulk een standaard steeds een Palm of
andere fraaie plant moet zetten, die geen gebreken heeft en die naar
alle zijden goed ontwikkeld is.
Voor het plaatsen van alleenstaande planten heeft men ook nog andere
vazen, zooals die in Fig. 4 zijn afgebeeld. Dit zijn groote porseleinen
vazen, die op gesmeed of gietijzeren piedestals staan. De standaards,
die rechts in het midden zijn afgebeeld, zijn vervaardigd uit gedraaid
smeedijzer, terwijl de linksche van het goedkooper gietijzer is
gemaakt, dat men door bronzen of nikkelen een fraai voorkomen geeft.
Veel beter, dan de ronde bloemtafels, zijn ook de rustieke
bloemstandaards met verschillende etages, die ieder op zichzelf dienen
om er een alleenstaande plant op te plaatsen (Fig. 5).
Al de tot nu toe besproken voorwerpen, waarbij nog gevoegd moeten
worden de één- of meerarmige consoles, die meestal aan den wand worden
bevestigd, vinden een plaats in de kamer. Met deze hulpmiddelen
is men echter niet in staat de beste plaats voor het kweeken der
planten, namelijk de vensterbank, te gebruiken. Een goed gebruik van de
vensterbank kan men echter slechts dán maken, wanneer de vensters niet
van overgordijnen voorzien zijn, daar deze anders de daar geplaatste
planten aan het gezicht zouden onttrekken.
In de meeste moderne huizen is de vensterbank echter zóó smal, dat er
slechts één rij kleinere planten op geplaatst kan worden. In huizen
echter, waar de vensterbank iets breeder is en men slechts een klein
aantal planten, hoofdzakelijk voor vensterdecoratie, wil kweeken,
kan men er een houten bakje op laten maken om de planten in te
plaatsen. Dit bakje kan zeer goed zoo ingericht worden, dat het de
kamer volstrekt niet ontsiert. In dit bakje, hetwelk zoo diep moet
wezen, dat de potten geheel aan het gezicht worden onttrokken, zet
men dan eenige werkelijk fraaie blad- of bloemplanten. De liefhebber,
die er pleizier in heeft, zijn planten werkelijk zelf te kweeken,
ze door zaden of stekken te vermeerderen en dan de jonge plantjes
op te kweeken, heeft aan de beperkte ruimte van de vensterbank niet
genoeg. Toch weet zoo iemand wel raad te schaffen om meer ruimte
te verkrijgen. Het eenvoudigste middel hiertoe is, dat men aan de
vensterbank een tweede plank laat aanbrengen, die al naar de ruimte
in de kamer en het aantal te kweeken planten, breeder of smaller kan
wezen. Men kan deze plank zoo laten maken, dat zij aan het kozijn met
een paar scharnieren bevestigd wordt en door een paar pootjes wordt
ondersteund, zoodat zij naar verkiezing opgesteld of neergeslagen
kan worden. Op de ruimte, die men op deze wijze verkregen heeft,
is voor een tamelijke hoeveelheid planten plaats, en deze kunnen
alle genoegzaam van het invallende licht profiteeren, wanneer zij
op een doelmatige wijze worden gerangschikt. Men plaatst de planten
namelijk zóó, dat de kleinste in de eerste rij, d.w.z. het dichtst bij
het venster staan, terwijl de grooteren, al naar de afmeting, in de
volgende rijen worden gezet. Is men in de gelegenheid de kamerplanten
des zomers buiten te zetten, zoo wordt de plank eenvoudig neergeslagen,
zoodat zij dan niet hinderlijk is. Een groot bezwaar is echter aan deze
inrichting verbonden, namelijk, dat het venster, waar de planten vóór
staan, niet geopend kan worden. Gewoonlijk echter heeft het vertrek,
waar men planten kweekt, meer dan één venster, zoodat dat, waar de
planten vóór staan, wel gesloten zal kunnen blijven. Het luchten door
het venster, waar de planten vóór staan, mag echter in geen geval
des winters geschieden, daar de planten volstrekt niet aan een kouden
luchtstroom blootgesteld mogen worden.
Ook dan, wanneer slechts één rij planten in de vensterbank staat, mag
men het raam niet openen of men moet eerst de planten wegnemen. Dit nu
is niet aan te raden, daar het veel last veroorzaakt en het veelvuldig
verplaatsen voor teedere planten licht schadelijk zou kunnen zijn.
Ook in dit geval doet men dus beter het venster gesloten te laten.
Heeft men echter vertrekken, waar het venster, waarvoor de
planten staan, toch geopend moet worden, dan is het beste, dat men
gebruik maakt van de "Patent-Blumenbretter" van Meier en Michael
te Leipzig. Deze bestaan uit twee deelen, vervaardigd uit draad- of
smeedijzer en zijn zóó ingericht, dat aan ieder vensterkozijn er een
bevestigd wordt, welke met een scharnier kan draaien. De bakjes hebben
ongeveer de breedte van een gewone vensterbank, zij rusten daar echter
niet op, maar hangen aan ijzeren kettinkjes, die aan de ramen met een
haakje bevestigd zijn. Moet men nu het venster openen, dan worden de
kettinkjes losgemaakt en de bakjes naar binnen gedraaid. De planten
zijn dan niet aan den directen luchtstroom blootgesteld. Zeer raadzaam
is het ook een houten raam te laten maken, bespannen met ijzer-
of kopergaas en dit tusschen het geopende raam en de vensterbank te
plaatsen. De koude lucht, die dan door het gaas moet heendringen,
zal niet zulk een ongunstigen invloed op de planten uitoefenen.
Al de tot nu toe besproken voorwerpen, die dienen kunnen om planten in
de kamer te kweeken, hebben een zeer groot nadeel; namelijk, dat zij de
planten niet beschermen tegen de droge, stoffige kamerlucht. Wanneer
men met hardere planten te doen heeft, is dit euvel niet zoo heel
groot, en door herhaald besproeien en wasschen der planten, nog
wel te verhelpen, vele teerdere planten kunnen echter onmogelijk
vrij in een kamer verzorgd worden. Wil een liefhebber dus fijnere
planten in de kamer kweeken, dan moet hij zich bedienen van een
kamerkasje. In zulk een kasje, dat meestal niet kostbaar, maar ook
betrekkelijk klein is, heeft men natuurlijk voor grootere planten
geen plaats. Het aanbevelenswaardigste is, in zoo'n kasje Varens,
Orchideeën en bontbladerige plantjes te kweeken.
Zeer samengesteld zijn de kamerkasjes met een verwarmingstoestelletje,
maar daar deze zeer veel zorg vereischen, wordt men ze meestal
spoedig moede. Meestal zullen kamerkasjes een fraai voorkomen hebben
en bijgevolg in een verwarmd woonvertrek gezet worden, zoodat extra
verwarming dan onnoodig is. Het kasje moet zoo mogelijk op een goed
voetstuk staan en kan, al naar keuze, zeer eenvoudig van hout en
gewoon glas, of fraaier en dan van ijzer en spiegelglas gemaakt
worden. Het kamerkasje bestaat uit een meer of minder groot met
glas bedekt raamwerk, waarin aan de achterzijde een deur is, die
dient voor het inzetten en verdere verzorgen der planten, of wel,
men maakt er in plaats van een deur een losse ruit in, die zoo noodig
uit- of ingeschoven kan worden. Indien de temperatuur in het kasje
te hoog wordt, moet er gelucht worden en de inrichting moet zoo zijn,
dat men dit kan doen door uit den bovenkant een ruit weg te nemen. De
kamerkasjes worden zoo gemaakt, dat men òf er slechts planten in
potten in kan zetten, òf wel de planten er in kan uitplanten. In het
laatste geval moet er aan de onderzijde een bak worden aangebracht ter
opneming van de aarde. Vooral moet er zorg voor worden gedragen, dat
deze bak voorzien is van een afvoerbuisje om het overvloedige water te
kunnen verwijderen. Dit buisje moet aan het laagste punt van het bakje
bevestigd worden. Indien men de planten in het kasje uitplant, moet
men zorgen vooraf een goede drainage in den bak aan te brengen. Hiertoe
legge men eerst een laag potscherven, of, bij gebrek daarvan, stukjes
houtskool of cokes op den bodem, en bedekke deze hetzij met een laagje
moerasmos (sphagnum) of wel met wat groven turfmolm. Op deze drainage
brengt men dan de aarde aan, waar de plantjes in gezet worden; deze
aarde moet bij voorkeur licht, los en niet te vochtig zijn. Het
kamerkasje geeft niet alleen het voordeel, dat de planten beschut
zijn tegen de droge, meestal stoffige en onzuivere kamerlucht, maar
dat zij ook kunnen begoten en bespoten worden, zonder dat de meubelen
daar iets van te lijden hebben, of ook het tapijt vochtig wordt.
In plaats van het kamerkasje, worden ook wel glazen stolpen gebruikt,
die nu eens over een enkele plant, dan weder over verscheidene planten,
die men te zamen in een bakje zet, worden geplaatst. In het laatste
geval is het raadzaam zaadtesten te gebruiken, zooals die in de
kweekerijen voor het uitzaaien van fijnere zaden worden gebruikt.
Zeer geschikt voor het kweeken van kamerplanten is de ruimte
tusschen z.g.n. dubbele vensters, die echter hier te lande slechts
betrekkelijk schaars worden aangetroffen. De architecten denken
meestal het allerminst aan de bloemenliefhebberij van de aanstaande
bewoners, die de door hen gebouwde huizen moeten betrekken. De dubbele
vensters zijn meestal zóó gemaakt, dat er slechts even ruimte is om
Hyacintglazen tusschen te zetten. Om hieraan te gemoet te komen,
heeft men lange, smalle potten vervaardigd; deze zijn echter niet
alleen zeer leelijk, maar ook zeer onpractisch. Beter doet men dan
nog, vierkante of langwerpig vierkante potten te gebruiken (Fig. 6),
die echter niet in den handel zijn, doch aan den pottenbakker besteld
moeten worden. Dit model potten is echter overbodig, wanneer men iedere
plant op een klein stekpotje zet. De pot, waar de plant in staat, komt
dan niet tusschen de ramen, doch tusschen de vensterruiten te staan,
waar natuurlijk de ruimte aanmerkelijk breeder is; dit heeft echter
weer tegen, dat de grootere potten dan geheel in het gezicht komen,
wat niet erg mooi staat.
Veel aanbevelenswaardiger dan de dubbele vensters zijn de
vensterkasjes. Te Weenen zijn de vensterkasjes lang geen zeldzaamheid;
er bestaat daar zelfs een Vereeniging, waarvan de leden hun planten
uitsluitend in vensterkasjes moeten kweeken. Het kasje moet zóó
ingericht zijn, dat men het des zomers buiten en des winters binnen
aan het venster kan hangen. In het kasje is een deur aangebracht,
waardoor men des winters bij de planten kan komen, des zomers doet
deze geen dienst, daar men dan slechts het venster behoeft te openen,
om de planten te kunnen verzorgen. Het spreekt natuurlijk vanzelf,
dat het kasje zoo moet ingericht worden, dat er geen water op de
stoep of op het tapijt kan druipen; ook moet het voorzien zijn van
zonneschermpjes, die men in de kamer moet kunnen behandelen. Het best
is daartoe een groen gekleurde rouleau, die over koorden loopt. Het
kweeken van planten tusschen de dubbele vensters of in het vensterkasje
is in ieder geval veel loonender, dan het kweeken in de kamer, daar
de planten, bij die kweekwijze, volop van het licht kunnen genieten,
wat een eerste levensvereischte voor haar is.
De beste van alle inrichtingen is wel de wintertuin, dien men van
uit de kamer door een deur kan bereiken. Zulk een wintertuin heeft
bijna al de voordeelen van een plantenkas. De inrichting van een
goeden wintertuin, die door alle fabrieken kan bezorgd worden, is
echter tamelijk kostbaar. Ook het onderhoud en vooral de verwarming
sleepen groote kosten met zich, waarom de wintertuinen dan ook lang
niet algemeen zijn.
Een liefhebber, die er prijs op stelt door middel van planten een
fraai voorkomen te geven aan zijn vertrekken, balkon of waranda,
mag de ampels niet vergeten. Onder een ampel verstaat men een
voorwerp, dat er op ingericht is met hangplanten bezet en zoo
opgehangen te worden. Zulke hangplanten moet men niet verwarren met
klimplanten. Terwijl toch de klimplanten in haar vaderland tegen
boomen opklimmen en somtijds tot in de hoogste kronen toe doordringen
of wel tegen de steilste rotsen opgroeien, ontwikkelen hangplanten
zich heel anders. Hangplanten kruipen in haar natuurlijken toestand
in de meeste gevallen over den bodem of hangen van rotsblokken naar
beneden, overal wortels slaande, die voor de voeding der stengels
zorgen. Deze kruipende planten, die niet, zooals de struikachtige
gewassen, met hare stengels rechtop groeien, zijn het, die in de
eerste plaats voor ampels in aanmerking komen.
Een goede ampel moet er bevallig uitzien en toch practisch zijn. De
meeste potten-, draad- en houtwerkfabrieken brengen ampels in den
handel van de meest verschillende prijzen en vormen, maar, hoe fraai
deze er veelal ook uitzien, zijn zij gewoonlijk toch niet voor het
kweeken van planten geschikt. De bruikbaarste is en blijft altijd de
steenen ampel, bij voorkeur die, welke van hetzelfde materiaal gemaakt
is, waaruit de gewone bloempotten worden vervaardigd. De grootste
fout bij de ampels is gelegen in het gebrek aan een waterloozing. De
spits, waarin een ampel meestal uitloopt, moet, evenals de bodem
van een bloempot, doorboord zijn, zoodat het overvloedige gietwater
dadelijk kan wegloopen. Om nu het bevuilen van den vloer te voorkomen,
is het raadzaam onder het drainagegaatje een bakje van steen of blik
te hangen, dat korten tijd na het gieten verwijderd kan worden. Een
tweede fout der ampels en wel hoofdzakelijk der steenen ampels, is,
dat zij te ondiep zijn. Zet men in zoo'n ondiepe ampel een hangplant,
die in den pot blijft staan, dan ziet men een groot gedeelte van den
pot, wat niet erg mooi is; neemt men de plant uit den pot, om haar
direct in de ampel te planten, dan blijkt het, dat de aardkluit veel
te groot is en ze er niet in geplant kan worden, zonder er een groot
gedeelte af te snijden. De ampels mogen dus niet te ondiep zijn;
als regel moet gelden, dat zij evenals een bloempot, net zoo diep
als wijd moeten zijn. Een derde fout bij de ampels uit den handel is
daarin gelegen, dat zij veel te mooi zijn, zoodat maar al te dikwijls
het fraaie voorkomen daarvan hoofdzaak en de daarin groeiende plant
nevenzaak wordt. Het uiterlijke van de ampel doet echter niets ter
zake, omdat het bij een goede beplanting door de hangplanten zoo
niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte bedekt wordt. Een
zoo eenvoudig mogelijk steenen ampel, die niet te hard gebakken,
maar zoo poreus mogelijk is, die uitwendig noch verglaasd, noch
beschilderd is, die ten slotte naast de hoognoodige diepte, ook een
gelegenheid tot waterafvoer heeft, is en zal wel altijd blijven het
meest aanbevelenswaardige voorwerp om hangplanten in te kweeken, Fig. 7
toont drie zulke ampels. Links is afgebeeld een zeer eenvoudige, doch
inderdaad practische ampel; in het midden een, die geheel ongeschikt
is, omdat zij èn te ondiep èn te fraai bewerkt is; rechts eindelijk
is een uit een zeehoorn vervaardigd; deze is wel niet zeer practisch,
maar zeer eenvoudig en gemakkelijk te maken en juist daarom wellicht
aanbevelenswaardig.
In de tweede plaats komen in aanmerking de ampels, vervaardigd
van hout of vlechtwerk. Het kan niet ontkend worden, dat een
z.g.n. rustieke ampel inderdaad wel fraai kan zijn. Zulke ampels
kunnen op verschillende wijzen vervaardigd worden. Men kan, evenals
voor orchideeën-mandjes, geschilde of ongeschilde stukjes hout tegen
elkander aanleggen, en deze met koperdraad onderling verbinden. Een
tweede, veel voorkomende wijze is, dat een geraamte uit ruw hout
wordt vervaardigd, hetwelk dan met boom- of kurkschors bekleed
wordt; deze kan men dan nog met dennenappels of dergelijke vruchten
versieren. Zulk een ampel moet natuurlijk ook van een gelegenheid
tot waterafvoer voorzien zijn. Wil men er echter voor zorgen, dat het
hout niet spoedig gaat rotten en dan een minder fraai voorkomen heeft,
daargelaten nog de onaangename geur, dan moet er een blikken bakje in
geplaatst worden. Wordt nu de plant met den pot in de ampel geplaatst,
dan zal dit bakje niet hinderen; plant men haar daarentegen er in uit,
dan zal men zien, dat zij na korten tijd gaan kwijnen. Het blik toch
laat geen lucht tot de aarde doordringen, en als gevolg daarvan zal,
wanneer men niet zeer voorzichtig is met gieten, de aarde verzuren.
Veel minder geschikt dan de houten ampels zijn die van vlechtwerk
wanneer er niet voor gezorgd wordt, dat zij een stevig geraamte van
ijzerdraad bevatten. Bij het beplanten toch verliest zoo'n ampel,
door het gewicht der aarde, in betrekkelijk zeer korten tijd haar vorm.
De ampels, vervaardigd uit gevlochten tienden, hebben een groote fout,
welke ook die, uit draadvlechtwerk, hoe fraai deze ook mogen zijn,
aankleeft: namelijk de moeilijkheid met het gieten. Wanneer de aarde
in zoo'n ampel wat heel erg opgedroogd is, kan men de daarin staande
plant niet anders begieten, dan door het geheel eenigen tijd in een
grooten emmer met water onder te dompelen. Begiet men de planten niet
op deze wijze, dan zal het gietwater door de mazen wegloopen, zonder
in de aarde te dringen, terwijl de meegevoerde aarde niet alleen de
ampel zelf, maar ook alles wat er omheen staat, zal verontreinigen. Het
ongeregelde afloopen van het gietwater, waartegen bij de gevlochten
ampels geen middel bestaat, zal bij deze soorten altijd een groot
bezwaar blijken te zijn, en ze in de meeste gevallen onbruikbaar
maken. Heeft men echter zulk een gevlochten ampel, dan doet men
het beste, die in de waranda of op het balkon te gebruiken; het
doorloopende water zal daar de minste schade berokkenen. In dit geval
is de voorkeur te geven aan die, welke van gegalvaniseerd draad gemaakt
zijn, daar die niet roesten. Alvorens zulk een ampel te beplanten,
wordt zij inwendig met tinblad bekleed, ten einde te voorkomen, dat
de aarde tusschen de mazen wegvalt en daardoor de wortels bloot komen
te liggen.
De eenvoudigste, beste en goedkoopste ampel is zeker wel die,
welke men verkrijgt, door een gewonen bloempot in een ijzeren ring
te plaatsen en aan dien ring de draden te bevestigen, waar hij aan
opgehangen wordt. (Fig. 8). Deze ampel voldoet aan alle daaraan te
stellen eischen.
De beste plaats, die men den ampels geven kan, is aan het balkon
of de waranda; ook zijn zij zeer geschikt voor den wintertuin. In
de kamer kunnen zij wel gebruikt worden, mits zij dicht voor het
venster worden opgehangen. In de meeste gevallen zijn aan iedere
ampel, op gelijke afstanden, drie metalen ringen bevestigd. Aan deze
ringen worden koorden of kettinkjes vastgemaakt, welker sterkte moet
geëvenredigd zijn aan de grootte en zwaarte van de ampel. Deze drie
koorden of kettinkjes moeten weder in een ring te zamen komen. Hangt
de ampel zóó hoog, dat men haar niet gemakkelijk kan bereiken, dan
moet aan laatstbedoelden ring weder een koord bevestigd worden, dat
over een in den zolder aangebrachte katrol loopt, zoodat men haar,
zoo noodig, zonder beschadigen kan laten zakken.
Zeer kleine ampels, waarin slechts ruimte is voor één plant,
hetzij met den pot er in geplaatst, hetzij er in uitgeplant,
kan men zeer gemakkelijk zelf vervaardigen uit een pompoen-
of kokosnoot-schaal. Zulke ampeltjes zijn heel aardig om in het
vertrek vóór het venster te hangen, daar zij het licht niet te
veel onderscheppen. Wanneer men er nu één moerasplant, zooals
bijv. Tradescantia of Isolepis gracilis in plant, dan kan men de
overblijvende ruimte met stukjes spons aanvullen. Deze zuigen het
water op en zorgen dus, dat de aarde behoorlijk vochtig blijft,
terwijl de fijne worteltjes er gemakkelijk in kunnen doordringen.
Zeer gemakkelijk zijn de ampels te vullen, waarin men de planten
met den pot plaatst; deze mogen niet te groot zijn en er moet voor
gezorgd worden, dat zij een gladden bodem hebben, opdat de potten
goed vaststaan. Als regel zal men er slechts één plant in plaatsen
of wel een grootere, waar eenige kleinere omheen worden gezet.
De ampels, waarin de planten uitgeplant worden, moeten als volgt
behandeld worden. Op de drainage-opening legt men een omgekeerde
scherf, de holle zijde naar de opening gekeerd; hierop worden nog
enkele scherven gelegd, en deze worden met een laagje ruwen turfmolm
gedekt. Hierop brengt men dan eerst de aarde. Deze aarde moet, om
een te spoedig uitdrogen te voorkomen, niet al te licht zijn. In
het midden van zeer groote ampels zet men dan een fraaie opgroeiende
plant, zooals een Palm of iets dergelijks. Hieromheen kunnen enkele
lagere opgroeiende blad- of bloemplanten gezet worden, bijv.: Cyperus,
Pelargonium, Fuchsia of Heliotroop; de eigenlijke hangplanten worden
dan rondom deze laatsten geplant. Bij een dergelijke beplanting moet
men er op letten, dat de gebruikte bloemplanten niet te veel in de
hoogte groeien; beter is het, wanneer zij zich vertakken, hetgeen
men gemakkelijk kan bevorderen, door den hoofdstengel tijdig in te
snijden. De ampel mag vooral niet overvuld worden. Men moet aan de
planten gelegenheid geven zich behoorlijk te ontwikkelen, terwijl ook
de kluiten er in geplant moeten kunnen worden, zonder dat het noodig
is, die veel te beschadigen.
De gereedschappen.
Een liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt, bedient zich van
betrekkelijk zeer weinig gereedschappen; laten wij die, welke bij het
bespreken van het zaaien, stekken en verplanten vermeld zullen worden,
zooals de verplantstok, het repikeerhoutje en het pincet voorloopig
rusten, dan blijft ons als het belangrijkste stuk gereedschap de
gieter over.
Wanneer men grootere planten te gieten heeft, die in den wintertuin,
onder de waranda, of op het balkon staan, dan doet men het beste
zich een gewonen gieter aan te schaffen, zooals die in de kweekerijen
gebruikt wordt. De gieter, dien men gebruikt om de bloemtafel en de
andere in de kamer gekweekte planten te gieten, kan veel kleiner
en sierlijker zijn. In de meeste gevallen is hij groot genoeg,
wanneer hij 3-5 liter water kan bevatten. Het handvat moet aan zulk
een kamergietertje goed groot en gebogen zijn, terwijl er vooral op
moet gelet worden, dat de tuit vrij lang is; opdat men, wanneer de
planten wat ver uit elkander staan, de verst weg staanden toch goed
kan bereiken (Fig. 9). Bij een zoodanigen gieter behoort een broes
te zijn met kleine gaatjes, die men in verschillende vormen heeft;
namelijk nu eens met een rond en gebogen, dan weder met een ovaal en
plat bovenvlak.
Het duurzaamste, doch ook verreweg het duurste zijn de koperen
gieters. De broes dient tot het aangieten van zaden, stekken en pas
verpotte planten, alsook om des zomers de buitenstaande planten te
besproeien. Een zeer bijzonderen gieter, met een lange tuit en een
slechts aan de bovenzijde met gaatjes voorziene broes, toont ons
fig. 10. Deze gieter is zeer geschikt om buitenstaande planten
te begieten. Daar men met den gieter de planten slechts aan de
bovenzijde der bladeren kan bevochtigen en ook het besproeien van de
achterzijde dringend noodig is, al was het slechts ter bestrijding van
het ongedierte, dat daar bij voorkeur huist, moet een liefhebber ook
beschikken over een kleine handspuit (Fig. 11). Deze handspuitjes zijn
in iederen winkel, waar men tuingereedschappen verkoopt, te verkrijgen.
Ze moeten, willen zij goed zijn, uit geel koper vervaardigd en aan het
uiteinde van een fijne broes voorzien zijn. Daar het kleinste model
dier spuitjes voldoende is, behoeven ze niet kostbaar te wezen. Voor
het gebruik in de kamer zijn de handspuitjes minder aan te bevelen,
omdat bij gebruik daarvan het nat worden van het tapijt en der
meubelen moeilijk te voorkomen is. Voor de kamer beveelt zich het
meest de z.g.n. rafraichisseur aan. Deze toestelletjes heeft men in
velerlei soorten en zeer verschillende prijzen.
De eenvoudigste rafraichisseurs spuiten, door in het daartoe bestemde
mondstuk met kracht te blazen, wat zeker nogal vermoeiend voor de
longen is. Om hieraan te gemoet te komen, heeft men rafraichisseurs
gemaakt, voorzien van een elastieken bal. Door den bal in te drukken
begint het toestel te spuiten. Ook heeft men er in de laatste
jaren in den handel gebracht, waar men slechts aan een handvatsel
behoeft te pompen, of wel op een knop te drukken, om ze in werking te
stellen. Deze toestelletjes zijn voor de kamer zeer geschikt, daar zij
het water zóó fijn verdeelen, dat dit als stof op de bladeren valt,
en ze voldoende bevochtigt, terwijl zij de meubelen geenszins bederven.
Rafraichisseurs, zooals deze in Fig. 12 zijn afgebeeld, worden vooral
door dames veel gebruikt om eau de cologne en andere odeurs in een
kamer te verspreiden.
Als andere gereedschappen heeft men nog noodig een spuitje om
insectenpoeder op de bladeren te spuiten; verder een zachte spons om
deze af te wasschen en een kwastje om de bladoksels, waar men met de
spons niet bij kan, schoon te maken. Als laatste gereedschappen moet
men voorzien zijn van een goede rozenschaar en een scherp mes.
De aarde.
Bij het kweeken van planten in de kamer, speelt natuurlijk de aarde
ook een zeer gewichtige rol. Ieder liefhebber moet trachten zich
op de hoogte te stellen van de verschillende aardsoorten en hare
toepassing. Ook zij, die zich niet bezighouden met het zaaien en
vermenigvuldigen van planten en die, hetgeen zij noodig hebben,
eenvoudig in een kweekerij koopen, komen toch dikwijls in de
noodzakelijkheid verschillende grondsoorten te moeten gebruiken. Als
regel kan men aannemen, dat de planten, die men koopt, in een
goed aardmengsel staan; maar vroeger of later komt men toch in de
noodzakelijkheid dit te moeten vernieuwen, hetzij, doordat de planten
goed gegroeid zijn en een grooteren pot moeten hebben; hetzij, dat
zij ziek zijn geworden en daarom de aarde moet ververscht worden. Wil
men nu van dit verplanten een goed resultaat verwachten, dan is het
niet alleen noodzakelijk, dat deze bewerking goed wordt uitgevoerd,
maar nog veel noodiger, dat men het juiste grondmengsel kiest.
Voor gewone kamerplanten, waarvan men spreekwoordelijk zegt, dat zij
als onkruid groeien, is het voldoende gewone bladaarde te gebruiken,
waarin het meerendeel dezer planten zeer goed groeit. Veel beter doet
men echter, aan iedere plant dat grondmengsel te geven, hetwelk zij
noodig heeft. In de meeste gevallen toch kan men niet volstaan met
de planten in een enkele grondsoort te kweeken, doch moet men een
mengsel van verschillende grondsoorten samenstellen. Deze mengsels
moeten met eenig overleg worden gemaakt. Is de aarde te zwaar, dan
lijden de planten, doordat zij er niet goed in kunnen wortelen en is
zij te licht, dan werkt het snelle uitdrogen zeer nadeelig.
Een eenvoudige, maar voor vele planten zeer geschikte grondsoort is
de compostaarde. Men verkrijgt dezen grond door allerhanden afval,
zooals het tuinonkruid, het in het najaar afgevallen blad, het des
zomers gemaaide gras en verder allen keukenafval in een afgelegen
hoekje van den tuin op een hoop te laten werpen. Dergelijke hoopen
moeten van boven vlak zijn, zoodat men ze met het vuile huishoudwater,
vatenwater, dierlijken afval, bloed, enz. kan laten overgieten. Laat
men nu een zoodanigen hoop om de twee maanden met een mestvork flink
omzetten, dan zijn de zoo opgehoopte stoffen na verloop van een paar
jaar volmaakt verteerd en in aarde veranderd. Deze aarde wordt door
een niet al te nauwe zeef gehord, opdat alle grovere deelen, zooals
niet-verteerde takjes, scherven, enz. verwijderd kunnen worden en dan
op een hoop gezet, dien men hoogstens slechts eens per jaar behoeft
om te werken.
Een lichtere grondsoort is de bladaarde. Wanneer het in den herfst
afgevallen blad afzonderlijk op een hoop wordt gezet en men er
voor zorgt, dezen hoop ook voldoende om te werken, dan verteert
het blad langzamerhand en is na 1 1/2 of 2 jaar overgegaan in een
donker gekleurde lichte aarde. Veel beter, dan de op deze wijze
verkregen aarde, is de zoogenaamde boschgrond, die in beuken- of
eikenbosschen gevonden wordt. Een liefhebber, die slechts weinig van
dezen grond noodig heeft, kan dien, met toestemming van den eigenaar,
zeer gemakkelijk in het een of andere bosch opzoeken. Men begeeft
zich daartoe eenigszins diep in het eigenlijke bosch, verwijdert de
bovenste bladlaag, die den bodem bedekt en waaronder dan een laag,
meer of minder dik, van een zeer lichte, zachte grondsoort gevonden
wordt. Deze aardlaag is de zoogenaamde boschgrond.
Een voor vele planten zeer geschikte grondsoort is de heidegrond. Deze
aarde is, wanneer men ze door een fijne zeef gehord heeft, uitstekend
geschikt om op te zaaien of om in te stekken. Ongehord is het een
zeer ruwe grond, die, hetzij onvermengd, hetzij met toevoeging
van andere grondsoorten, veel gebruikt wordt. De heidegrond vindt
men op de heide of in bosschen, waar veel heidekruid, boschbessen
en dergelijke planten groeien. Men vindt hem gewoonlijk in slechts
enkele centimeters dikke lagen. Daar de bedoelde plantensoorten in
hoofdzaak slechts op zandgronden groeien, is de heidegrond in de
meeste gevallen met meer of minder zand vermengd.
Arm aan zand is een andere grondsoort, die men ook tamelijk veel
aantreft, namelijk de veengrond. Deze grond wordt gevonden in
veenachtige weiden en daar hij nogal dikwijls zuurachtig is, doet
men wijs hem vóór het gebruik een paar jaar aan de lucht bloot
te stellen. Zeer raadzaam is het vooral, een hoop veengrond des
winters enkele malen goed te laten omzetten, opdat de vorst er goed
op kan inwerken. Sommige plantensoorten als Alpen-rozen, Azalea's,
Erica's groeien in met zand vermengden veengrond beter dan in iedere
andere aarde.
Een zeer goede en lichte grondsoort is ook nog de houtaarde. Deze
kan men slechts zelden in groote hoeveelheden verkrijgen. In de
meeste gevallen wordt zij aangetroffen in holle boomen, vooral
Wilgen. In grootere hoeveelheden wordt deze ook wel gevonden bij
groote houtzaagmolens. Wanneer men daar op plekken, waar de boomen
van de schors ontdaan worden, de ruwe oppervlakte wegruimt, dan treft
men er een zwarte zachte aarde onderaan. Deze kan men, wanneer zij
uitgehord is, direct gebruiken. Hetzelfde ontstaat, wanneer zaagsel
enkele jaren op een hoop gezet en omgewerkt wordt. Hoewel deze grond
voor enkele planten zeer goed is, zal het altijd eenigszins lastig
zijn, hem in voldoende hoeveelheden te verkrijgen.
Belangrijker, dan de genoemde lichte grondsoorten, is voor den
liefhebber, de zeer voedzame broeiaarde. De broeiaarde wordt verkregen
door den paardemest, die in het najaar uit afgekoelde warme bakken
wordt gestoken en die reeds grootendeels verrot is, op een hoop te
zetten. Wordt deze hoop in den loop van den winter en der lente een
keer of drie-, viermaal goed omgezet, dan verandert de oude mest
in den loop van het jaar in zwarte aarde. In dezen grond, die zeer
voedzaam is, groeien snel ontwikkelende planten uitstekend.
Nog voedzamer is een soort van mestaarde, die men verkrijgt door
stroovrijen koe- en schapemest op een hoop te zetten en zoo te laten
verteren.
Broei- en mestaarde kan men beschouwen als middelmatig zware
grondsoorten. Bij het kweeken van planten heeft men echter ook zwaren
grond noodig, en daarvoor komt in de eerste plaats de kleigrond
in aanmerking. Hiertoe neemt men de klei, die onder de graszoden
van weilanden gevonden wordt, zet die los op een hoop en laat ze
des winters, wanneer de vorst het eenigszins toelaat, enkele malen
flink omzetten, zoodat zij goed kan doorvriezen. Is deze grond goed
doorgevroren en wil men, in het voorjaar, een der grootere stukken
in de hand nemen, dan valt dat uit elkander, zoo los is het geworden.
Hetzelfde doel, dat men met den kleigrond bereikt, bereikt men ook
met graszodengrond. Om graszodengrond te maken, neemt men zoden van
goed beweid weiland, en zet die met het gras naar onderen op een
hoop. Zulk een hoop laat men een jaar staan, om hem in het voorjaar
van het volgend jaar flink om te zetten. Deze bewerking herhaalt men
des zomers en in het najaar nog eens. Vriest de hoop dan in den daarop
volgenden winter goed door, dan is hij in het voorjaar voor gebruik
geschikt. Is men niet zeker graszoden van weilanden te verkrijgen,
die goed beweid zijn, dan doet men het beste een laag zoden neer te
leggen van ± 10 cM. dikte, hierop een laag koemest van ongeveer 5 à 6
cM. dikte, dan weder een laag zoden en zoo doorgaande tot de hoop klaar
is. De bewerking is dezelfde als die zoo juist genoemd. Is deze grond
gereed, dan heeft men niet alleen een zeer zwaren, doch ook een zeer
voedzamen grond. Een zeer goede aarde van hetzelfde gehalte verkrijgt
men ook, door in weilanden de mollenhoopen te verzamelen. Deze grond
is meestal zeer goed en vrij van ongedierte en dergelijke plagen.
In den laatsten tijd wordt ook veel gebruik gemaakt van
turfstrooisel. Turfstrooisel, goed fijn gemaakt, is zeer geschikt
om in te kweeken en kan ook dienen, om te zwaren grond lichter
te maken. Beter daartoe geschikt is echter de aarde, die men
verkrijgt, door turfstrooiselmest langen tijd op een hoop te laten
staan. Turfstrooisel komt tegenwoordig bij wijze van groote balen in
den handel voor, en is niet duur.
Een zeer belangrijk bestanddeel der grondmengsels is ook het
zand. Nooit is een grondmengsel goed om planten in te verpotten,
wanneer het niet minstens 1/6-1/12 zand bevat. Het zand houdt de aarde
rul en frisch, terwijl het ook een goede afwatering bevordert. Het
beste zand, dat men gebruiken kan, is grof rivierzand, ook wel bekend
onder den naam van scherpzand. Minder geschikt is z.g.n. duinzand,
daar dit te fijn is, waardoor de aarde, na lang gieten, zich te veel
sluit en een goede waterafvoer dan niet meer mogelijk is.
De liefhebber, die slechts enkele planten in de kamer kweekt, en
niet over een tuin beschikt, waar hij een hoekje, goed aan alle
weersinvloeden blootgesteld, kan afzonderen voor bergplaats van
aardsoorten, doet het beste deze, wanneer hij ze noodig heeft, bij
een goeden kweeker te koopen. Hij, die er echter een bergplaats voor
aarde op na kan houden, behoeft geen moeite te doen zich alle, hier
behandelde, aardsoorten aan te schaffen. Voldoende is het, wanneer men
een lichte grondsoort, broeiaarde en klei- of graszodengrond heeft,
waarbij het zand zeker niet vergeten mag worden.
Wat nu de verschillende grondmengsels betreft, kan men als algemeenen
regel tamelijk wel aannemen, dat planten met zeer zwak ontwikkeld
wortelgestel, of die met zeer fijne wortels, een lichten grond
moeten hebben. Tot deze planten behooren o.m. de Varens en al die
teere plantjes, welke in het kamerkasje worden gekweekt. Een weinig
zwaarderen en ook voedzameren grond, een mengsel dus van ongeveer
gelijke deelen, blad-, broei- en graszodengrond, verkiezen de niet
zeer zwaar bewortelde, maar snel groeiende zomerbloemplanten, waartoe
o.a. de Fuchsia's, Heliotropen en Pelargonium's behooren. In zwaren
grond, derhalve in een mengsel van 1/2 tot 2/3 graszodengrond,
groeien voor het meerendeel alle planten met vleezige wortels,
die somtijds zeer omvangrijk kunnen worden, zooals bij voorbeeld de
Palmen en Bolgewassen. Bij het kiezen der grondsoort moet men ook
nog letten op den leeftijd der planten. Aan een jongen Palm geeft men
een tamelijk lichten grond, maar wanneer hij grooter wordt en verpot
moet worden, zorgt men er voor, de aarde telkenmale wat zwaarder te
nemen. Bij het gebruik van zwaren grond moet men er ten slotte nog
op letten, dat hij niet te veel pakt. Is dit het geval, dan moet hij
met wat lichteren grond en een weinig zand vermengd worden. Ook is
het zaak, dat de aarde bij het gebruik niet te vochtig is. Beter
doet men iets te droge, dan iets te vochtige aarde te gebruiken,
terwijl deze altijd de temperatuur moet hebben van het vertrek,
waarin de planten zich bevinden. Het gebruik van te vochtige en te
koude aarde is allernadeeligst voor den groei der planten.
Het zaaien en uitplanten.
Het aangenaamste en meest loonende werk, waarmede de plantenliefhebber
zich kan bezighouden, is ongetwijfeld wel het vermenigvuldigen van
zijn lievelingen en het interessantste is dan zeker wel, dit te
doen langs den natuurlijken of geslachtelijken weg, namelijk door
zaaien. Deze wijze van vermenigvuldigen is zeker wel de dankbaarste;
want, indien men haar goed kan volvoeren, geeft zij een duidelijk
overzicht van het zoo belangrijke gebied der tuinbouwkunde.
Om met succes planten door middel van zaad te vermenigvuldigen, heeft
men in de eerste plaats goed, kiemkrachtig zaad noodig en een der
eerste zorgen moet dus zijn, zich dit aan te schaffen. Weinige zaken
zijn op zulk een volkomen vertrouwen gebaseerd als een zaadhandel,
want niet alleen kan men aan de meeste zaadsoorten met het bloote oog
onmogelijk zien, of zij al dan niet kiemkrachtig zijn; maar van de
meeste soorten kan men zelfs niet met zekerheid zeggen of het wel
die zijn, welke men heeft besteld. De zaden van de verschillende
soorten en variëteiten van één geslacht zijn dikwerf niet uit
elkander te kennen. Het is daarom zaak, de zaden steeds van een der
meest betrouwbare firma's te betrekken; in welk geval men omtrent
kiemkracht en juistheid der verlangde soort tamelijk wel verzekerd is.
Van groot belang is in de eerste plaats de keuze van den juisten
tijd om te zaaien. Uitgezonderd voor die zaden, welke zeer langzaam
kiemen en welke men het beste doet in de maanden Januari tot Maart in
een warme kamer te zaaien, zijn de maanden April en Mei daartoe het
meest geschikt. Zaait men te vroeg, dan zal het vrij sterke vallen
der temperatuur gedurende den nacht een zeer ongunstigen invloed
op de kieming uitoefenen, terwijl ook de jonge kiemplantjes zullen
lijden door de onvermijdelijke temperatuurswisselingen. Het te laat
zaaien is ook niet aan te bevelen, daar de zaadplanten dan vóór den
herfst zich niet meer volkomen kunnen ontwikkelen.
Een goede kiemkrachtige zaadkorrel heeft voor haar eerste ontwikkeling
behoefte aan warmte en vochtigheid, terwijl het kiemingsproces
veel zekerder zal plaats hebben, wanneer dit in volkomen donker kan
geschieden. Om aan dit eerste vereischte der kieming te voldoen, brengt
men de zaadkorrels in den grond en bedekt men ze ook in den regel
met een laagje aarde. Op deze wijze uitgezaaid, ligt de zaadkorrel
vochtig en warm en is tegelijkertijd van het licht afgesloten.
Voor het zaaien in de kamer bedient men zich van kleine zaadpotjes,
van platte schalen, of ook wel van houten kistjes. Welke van deze
voorwerpen men ook gebruikt, steeds moet er op gelet worden, dat zich
in den bodem de noodige drainagegaatjes bevinden.
Heeft men zeer platte schalen, dan is het voldoende op ieder gaatje één
scherf te leggen met de holle zijde naar onder; bij hoogere schalen
of potten is dit echter lang niet voldoende, men moet deze minstens
l/3 der hoogte met scherven vullen. Ook stukjes houtkool, cokes en ook
wel steentjes kunnen hiervoor gebruikt worden. Deze schervenlaag heeft
ten doel een geregelden waterafvoer te verzekeren. Het overvloedige
water kan dan gemakkelijk wegzakken. Waar de drainage niet voldoende
verzekerd is, daar wordt de aarde in korten tijd zuur en het beste
zaad kan dan geen goede, gezonde zaadplantjes geven.
Van evenveel belang als het is voor een goeden pot te zorgen, is
het ook, de juiste soort van aarde te kiezen, waarin men zaait. De
ondervinding heeft geleerd, dat men te dien opzichte voorzichtig
moet zijn, daar vele teere planten uitsluitend in lichte aarde
willen kiemen. Dit ligt ook eenigszins voor de hand. Zware grond is
voor warmte moeilijk toegankelijk, hij neemt te veel water in zich
op en biedt aan het jonge kiemplantje te veel weerstand, zoodat die
moeilijk of in het geheel niet aan het daglicht zou kunnen treden. De
beste grond, om in te zaaien, is in de meeste gevallen zeer zuivere,
goed verteerde bladgrond, die door een fijne zeef is gewreven;
ook heidegrond is zeer goed bruikbaar. Deze grondsoorten moeten,
vóór ze gebruikt worden, met 1/3 tot 1/4 zand vermengd worden. In
den laatsten tijd wordt ook met goed succes zeer fijn turfstrooisel
gebruikt. Turfstrooisel is zeer poreus, het wordt niet vast en
blijft vochtig. Het heeft tegen, dat het een grond is, zeer arm aan
voedende bestanddeelen, zoodat de jonge plantjes er spoedig uitgenomen
moeten worden. Moeten, hetzelfde door welke omstandigheid, de jonge
kiemplantjes eenigszins lang in den zaadpot blijven staan, dan is
turfstrooisel niet aan te bevelen. Vóór alles moet men er op letten,
dat de aarde, waarin men zaait, een voldoenden vochtigheidsgraad bezit;
zij mag noch te droog, noch te vochtig zijn. De zaadpotten worden
nu met de klaargemaakte aarde gevuld; hierop worden zij gladgemaakt
en met een plankje of de palm van de hand zacht aangedrukt. Naar de
grootte der zaden, moet men het zoo inrichten, dat er tusschen het
bovenvlak der aangedrukte aarde en den rand van den pot een ruimte
van 1 tot 4 cM. overblijft. Zijn de zaadpannen of -potten op deze
wijze geheel klaargemaakt, dan gaat men tot het eigenlijke zaaien
over. Het gemakkelijkste is het zaaien van groote zaden: deze worden
eenvoudig, maar vooral niet te dicht, over de oppervlakte van den
pot verdeeld. Onder de kamerplanten, die grootere zaden bezitten,
zijn er vele, waarvan de zaden pas na een voorafgaande bewerking
gezaaid kunnen worden. Het zijn vooral die zaden, welke zeer harde
schillen hebben, die men, indien zij eenigszins spoedig moeten kiemen,
niet maar zoo zaaien kan. Dikwijls wordt dan die harde buitenschaal
een weinig losgemaakt; deze bewerking is echter niet aan te bevelen,
omdat daardoor maar al te vaak de kiem beschadigd wordt. Beter doet
men, zulke zaden vooraf 2 of 3 dagen in lauw water te weeken. De
harde schaal wordt door het weeken zacht, de vochtigheid kan
gemakkelijker tot aan de kiem doordringen en als gevolg kiemt het
zaad veel spoediger. Een hoofdzaak is het echter, dat men er op let,
vooral niet te dicht te zaaien; slechts zeer groote zaden, zooals die
van Palmen en Bananen, kunnen tegen elkander worden gelegd. Dikwijls
is het echter in zulke gevallen beter, de zaden ieder afzonderlijk
in een klein potje te zaaien. Fig. 13 toont een Banaan-korrel vóór
en na de kieming en een ontwikkelde kiemplant in een zaadpotje.
Zijn de groote zaden uitgestrooid, dan moeten zij met een beetje
overleg met aarde bedekt worden. De zaadkorrel moet ongeveer zoo
hoog gedekt worden als zij dik is. Na het dekken wordt de aarde weer
gelijkmatig aangedrukt. Nog moet opgemerkt worden, dat de zaadkorrels
met zwaren grond minder gedekt moeten worden dan met lichten. Aangezien
wij er echter reeds op gewezen hebben, dat men voor het zaaien in de
kamer beter lichte aarde dan zware gebruikt, zoo zal men het beste
doen als regel aan te nemen het zaad juist zoo diep te zaaien als het
dik is. Bij te zware bedekking, wil de kiem wel eens rotten, voor zij
aan het daglicht is kunnen treden; bij te lichte bedekking echter,
heft het jonge worteltje de zaadkorrel uit den grond, wat ook niet
wenschelijk is, daar de kiemplantjes dan te spoedig moeten verplant
worden. Palmen en planten, die dadelijk een zwaren wortel maken,
worden veelal te ondiep gezaaid, zij kunnen gerust eenige centimeters
onder de oppervlakte der aarde gelegd worden.
Het moeielijkste is het uitzaaien van stoffijne zaden, zooals die van
vele onzer meest geliefde kamerplanten o.a. Gloxinia's, Begonia's,
enz. Deze fijne, meestal dure zaden, worden in kleine zakjes verkocht,
die door de zaadhandelaren veelal weder in een grooter zakje worden
gevouwen. De kleine zakjes moeten zeer voorzichtig geopend worden. Het
gevouwen papier vormt dan een zoogenaamd schuifje. Dit schuifje
neemt men zoo tusschen duim en middelsten vinger der rechterhand,
dat men het papier met den wijsvinger van elkander verwijderd kan
houden. (Fig. 14). Men beweegt nu het zoo vastgehouden papiertje van
den éénen kant van den zaadpot naar den anderen en doet het zoo, dat
de zaden langzaam van het schuifje glijden en zoo mogelijk gelijkmatig
over de aardoppervlakte verdeeld worden. Het geldt als gewoonte, dat
stoffijne zaden niet met aarde bedekt, maar slechts zeer voorzichtig
aangedrukt worden, waardoor zij voldoende in de aarde komen te liggen.
Iedere zaadpot wordt nu voorzien van een etiquette, waarop de naam
staat van het gezaaide zaad. Is men zoo ver gereed, dan worden de
potten dadelijk aangegoten. Slechts voor die potten, waarin grootere
zaden liggen, gebruikt men, bij het aangieten, een broesgieter;
voor die, welke zeer fijne onbedekte zaden bevatten, gebruikt men den
rafraichisseur. Dezen moet men echter nog zeer voorzichtig behandelen,
en er vooral op letten, dat de zaden niet naar één zijde van den pot
gespoeld worden. Heeft men de zaadpotten aangegoten, dan zet men ze
op de bestemde plaats.
Voor zaden, die vroeg in het voorjaar moeten ontkiemen, is het
voorzichtig de potten met een glasplaat te bedekken (Fig. 15). Deze
glasplaat wordt dagelijks éénmaal van den pot afgenomen, en dan met
een spons of doek goed droog afgeveegd. Deze zaadpotten zet men zoo
warm mogelijk, bij voorkeur in een geregeld gestookte kamer, niet te
ver van de kachel. Heeft men echter zaden, die minder warmte noodig
hebben, dan is het beter, ze voor het venster te zetten. Zij behoeven
dan niet met een glasplaat bedekt te worden, maar het is voorzichtig,
wanneer de zon ze beschijnt, er een stukje papier op te leggen,
ten einde het te sterke uitdrogen te voorkomen.
Indien men bij het zaaien de noodige voorzichtigheid in acht genomen
heeft, dan behoeft men aanvankelijk niets te doen, dan de aarde
behoorlijk vochtig te houden. Is men zeker, kiemkrachtige zaden
gebruikt te hebben, dan kan, mits men bij het begieten de noodige
voorzichtigheid betracht, het resultaat niet uitblijven. Bij het
gieten der zaden, moet men er op letten, dat dit steeds geschiedt,
voordat de oppervlakte zeer uitgedroogd is. Door het opdrogen,
wordt het kiemingsproces gestoord, en één enkelen keer uitdrogen,
op den tijd, dat het jonge worteltje zich ontwikkelt, kan het ten
gronde gaan der kiemplanten veroorzaken.
Om een goed resultaat te verkrijgen, moet men zich met een goede
dosis geduld wapenen. Hij, die het afwachten nog niet geleerd heeft,
leert het zeker, bij het behandelen van zaadpotten. Het is toch een
groote fout om in de zaadpotten te wroeten, ten einde te zien of het
zaad nog niet kiemt. Men moet de potten onaangeroerd laten staan,
om het spoedigste tot het doel te geraken. Eenige soorten zaad
zijn er, die een of ook wel twee jaar noodig hebben om te kiemen,
deze zijn echter gelukkig zeldzaam. Slechts enkele zaden en wel
hoofdzakelijk die van Palmen, hebben verscheidene maanden noodig om
te kiemen, de meeste kamerplanten echter doen dit reeds binnen een
of twee weken en verscheidene zelfs al na enkele dagen. Tusschen
het verschijnen der eerste en der laatste kiemplant in één pot,
kan somtijds een aanmerkelijke tijd verloopen. Bij eenige soorten
is deze onregelmatigheid in de kieming zeer opmerkenswaardig, zoo
bij voorbeeld bij Musa Ensete, de reeds vermelde Banaan, een zeer
bekende sierplant. Bij deze soort kan het voorkomen, dat de eerste
kiemplant reeds na veertien dagen verschijnt, terwijl andere van vier
tot zes maanden op zich laten wachten. Hetzelfde is het geval met de
zaden van een, tot de Winde behoorende, klimplant, de Mina lobata. De
eerste kiemplanten van deze soort verschenen acht en veertig uren na
het uitzaaien, terwijl er acht maanden later nog opkwamen.
Bij de Japansche Hop, Humulus japonicus, heeft men ondervonden, dat
de meeste zaden binnen één maand kiemen, maar dat sommige meer dan
een jaar blijven slapen, om dan pas te verschijnen. De aangevoerde
voorbeelden zullen wel voldoende zijn om te toonen, dat de liefhebber,
die zich met zaaien bezighoudt, geduld, zelfs veel geduld, moet
bezitten en ook, dat hij vooral niet te vlug moet zijn met een
oordeel over het gekochte zaad. Hoeveel zaadpotten, met zeer goede
zaden bezaaid, worden niet weggeworpen, alleen, omdat de bezitter
geen geduld genoeg heeft om op de kieming te wachten.
Er zijn slechts zeer weinige zaadplanten, die men in den pot, waarin
zij gezaaid zijn, kan laten staan, om daarin tot volkomen ontwikkeling
te komen. De meeste kiemplantjes moeten spoedig, nadat zij opgekomen
zijn, wijder uit elkander geplant worden; een bewerking, welke men
aanduidt door het woord repikeeren of verspenen. Heeft men niet zóó
dicht gezaaid, dat de jonge plantjes elkander dadelijk raken, dan
behoeft dat repikeeren niet direct na het opkomen te geschieden. Heeft
men echter te dicht gezaaid, dan kan men, indien het geen zeldzame
planten zijn, de zwakste voorzichtig uittrekken en wegwerpen, om
zoodoende den sterkeren meer ruimte te geven, of wel, men moet zoo
spoedig mogelijk uitplanten.
Zeer lastig is het uitplanten der zaailingen, die uit zeer fijne
zaden ontspruiten, daar deze dikwijls, met het ongewapend oog,
nauwelijks te zien zijn. Voor deze kiemplantjes, die verscheidene
malen gerepikeerd moeten worden, voordat zij sterk genoeg zijn om
afzonderlijk in een potje te worden geplant, gebruikt men potten van
ongeveer 10 cM. wijdte, of wel platte schalen of kistjes. Deze potten
of schalen worden ter halver hoogte met scherven gevuld, hierop legt
men een laagje ruw turfstrooisel en daarbovenop de aarde. Als aarde
gebruikt men fijn gezeefden lichten grond, vermengd met zand. Alvorens
te planten, wordt de aarde gelijkgemaakt en zacht aangedrukt. Voor
het uitplanten van zaailingen heeft men twee hulpmiddelen noodig,
die men echter zelf kan maken; te weten: een klein stokje, dat men
aan de ééne zijde spits en aan de andere zijde vlak afsnijdt, het
repikeer-stokje, en ten tweede een pincet (Fig. 16 van onder). Om
een pincet te maken, neemt men een dun stokje, dat men aan de eene
zijde, met een lange punt, afsnijdt; hierop splijt men de spits
met een scherp mesje en steekt in het einde der spleet een klein
dwarshoutje. Dit pincet neemt men in de linkerhand, tusschen duim
en wijsvinger, waarmede men het spleetje open en toe kan drukken;
in de rechterhand neemt men het repikeer-stokje.
Met de punt van het repikeer-stokje maakt men het jonge zaadplantje
los, waarop men het voorzichtig met het pincet opneemt. Heeft men het
plantje tusschen het pincet, dan maakt men in den gereedstaanden pot,
met de punt van het repikeer-stokje, een klein gaatje, dat vooral niet
te diep mag zijn. In dit gaatje houdt men nu het plantje, zoodanig,
dat de kiemblaadjes op de aarde komen te liggen, waarop men het gaatje
met de platte zijde van het repikeer-stokje dichtdrukt, waardoor het
plantje vast komt te staan (Fig. 16). Men moet de jonge plantjes nooit
al te wijd uit elkander planten en ze, wat men met een technischen
term noemt, in het verband zetten; d.w.z. dat het eerste plantje in de
tweede rij tusschen de beide eerste in de eerste rij komt te staan,
zooals de hiernevens staande puntjes aanduiden : . : . : . : Deze
plantwijze heeft het voordeel, dat alle plantjes even wijd uit elkander
komen te staan en de ruimte in den pot geheel gebruikt kan worden.
Fig. 17 stelt een pot met goed opgekomen en daarnaast een pot met
uitgeplante of gerepikeerde plantjes voor. Heeft men een pot op deze
wijze vol geplant, dan worden de plantjes met den rafraichisseur
voorzichtig aangegoten, en wanneer het warme planten zijn, met een
glasplaat bedekt. Wil men dit laatste doen, dan moet er voor gezorgd
worden, dat de pot niet tot aan den rand met aarde wordt gevuld; daar
de jonge plantjes de glasplaat niet mogen aanraken. Zijn de zaailingen
boven den rand van den pot uitgegroeid, en moeten zij nog met glas
bedekt blijven, dan steekt men eenige stokjes op gelijke hoogte in den
pot en legt daarop de glasplaat. (Fig. 18).
Heeft men gewone éénjarige zomerbloemen gezaaid, dan kan men die
dadelijk repikeeren in den pot, waarin zij moeten bloeien, alleen
moet men er dan op letten, ze niet te dicht op elkander te planten;
niet te veel plantjes in één pot te zetten en in plaats van lichten
grond wat zwaarderen en voedzameren te nemen.
De kiemplanten, die uit grootere zaden ontspruiten, worden niet
eerst gerepikeerd, maar direct in kleine potjes geplant. Indien men
zaailingen van kruidachtige planten heeft, kort men den penwortel een
weinig in. Hierna vult men het potje met aarde (in de meeste gevallen
met zand gemengde broeiaarde) en neemt daarna den zaailing dicht onder
de zaadlobben in de linkerhand. Met den wijsvinger van de rechterhand
maakt men nu een flink gaatje midden in de aarde van het gevulde potje;
hierin houdt men het plantje zoodanig, dat de worteltjes de aarde
raken, en de zaadlobben zoo dicht mogelijk op de oppervlakte van de
aarde komen te liggen. Met den duim en wijsvinger van de rechterhand
wordt dan het gaatje dichtgemaakt en de aarde matig vast aangedrukt
(Fig. 19).
Zaailingen, met zeer veel worteltjes, moeten direct verplant
worden. Hiertoe doet men, na de noodige drainage, slechts een weinig
aarde in den pot. Men houdt dan den zaailing in den pot, dien men
hierop met aarde vult en daarna, niet te vast, aandrukt. De verplante
zaailingen moeten zoo spoedig mogelijk, in elk geval voordat zij gaan
slap hangen, aangegoten worden en wel zoo, dat het gietwater al de
aarde in den pot behoorlijk vochtig maakt.
Als jonge plantjes verlangen de zaailingen natuurlijk de noodige
zorg. Na het verplanten moeten zij tegen de directe inwerking van
de zon en ook tegen tocht beschermd worden, en vooral op het gieten
moet zeer goed gelet worden, daar de kleine potjes, gevuld met lichten
grond, natuurlijk tamelijk spoedig uitdrogen. Na betrekkelijk korten
tijd maken de jonge plantjes, indien zij goed verzorgd worden, nieuwe
worteltjes; zij gaan dan doorgroeien en het duurt niet lang of men
moet aan het repikeeren voor de tweede maal, of aan het oppotten
gaan denken.
Hij, die zijn kamerplanten, maar vooral zijn zomerplanten, voor het
balkon en de waranda bestemd, op boven aangegeven wijze uitzaait en
verpleegt, zal flinke, stevige, rijk bloeiende planten verkrijgen,
die de vergelijking met de dadelijk op haar plaats uitgezaaide planten
schitterend zullen doorstaan.
De kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van kamerplanten.
Talrijke kamerplanten kunnen veel beter, spoediger en zekerder langs
ongeslachtelijken weg voortgekweekt worden, dan door zaaien. Hierbij
moet ook niet uit het oog verloren worden, dat vele en vooral de
teedere kamerplanten, hier te lande geen zaden voortbrengen; dat van
uit het vaderland van velen geen kiemkrachtige zaden kunnen ontvangen
worden en ten laatste, dat zeer vele der in de kweekerijen gewonnen
hybriden, zich niet constant uit zaden laten voortkweeken. Wanneer men
bij voorbeeld van een fraaie Pelargonium, Fuchsia of Anjelier zaden
oogst en die uitzaait, dan behoeft men in de meeste gevallen er niet
aan te denken, dat de jonge zaailingen weder de goede eigenschappen
der moederplant zullen bezitten. Deze zaailingen slaan terug,
d.w.z. zij toonen neiging om weder tot hun oorspronkelijken vorm
terug te gaan. Onder de kamerplanten, met dubbele bloemen, zijn er
daarenboven niet weinig die onvruchtbaar zijn. Daar het dubbel worden
der bloemen gewoonlijk ten koste der geslachtsorganen plaats heeft,
ziet men niet zelden, dat bij de dubbele bloemen de meeldraden geheel
zijn verdwenen, terwijl er maar al te vaak ook van den stamper niet
veel meer te vinden is, aangezien ook deze vergroeide.
Het voortkweeken van planten is voor iederen liefhebber zeer
belangwekkend. Het wekt niet weinig de belangstelling op, om de kieming
der zaadkorrel en het zich ontwikkelen van den zaailing te volgen;
om te zien, hoe de pas kort geleden gesneden stek wortels maakt en in
betrekkelijk korten tijd tot een zeer schoone plant doorgroeit. Het
voortkweeken en vooral het voortkweeken langs kunstmatigen weg,
is ook lang geen gemakkelijk werk, dat, wil men goede resultaten
verkrijgen, vaak veel tijd vereischt. Ook moet de liefhebber bij
deze bewerking zeer veel zorg en oplettendheid voor zijn plantjes
overhebben. Lastiger, dan de geslachtelijke voortkweeking, is voor
een liefhebber zeker de ongeslachtelijke. De bloemkweeker, die in de
modern ingerichte kassen, onder het genot van warmte en vochtige lucht,
duizenden stekken goed aan het wortelen brengt, heeft veel minder
moeilijkheden te overwinnen dan de liefhebber, die de technische
hulpmiddelen, waarover een kweeker van beroep thans beschikt, niet
tot zijn beschikking heeft. Zich dikwijls met de meest primitieve
hulpmiddelen behelpende, zoekt de liefhebber zijn doel te bereiken en
in zeer veel gevallen gelukt het hem, zeer goed bewortelde planten
te verkrijgen. Maar wanneer men een bewortelde stekplant heeft,
dan is men pas halverwege, want zulk een plantje verlangt nog een
zeer zorgvuldige verpleging, om tot een goed gezond exemplaar door
te groeien. Al de inrichtingen, waarover zelfs de kleinste kweeker
beschikt, zooals lage kweekkasjes en broeibakken, die men al,
naar de behoeften, meer of minder warm kan aanleggen, ontbreken den
liefhebber. Met deze hulpmiddelen is een goed resultaat tamelijk zeker;
ook al heeft de kweeker niet die zorg voor zijn planten, welke de
liefhebber er aan wijdt. Deze is aangewezen zijn planten in de kamer
of voor het venster te kweeken; hij kan aan zijn stekplantjes noch
bodemwarmte, noch vochtige lucht geven. Hoe dikwijls komt het voor,
dat een liefhebber, zelfs aan zijn jonge plantjes geen geregelde
temperatuur, of zelfs gunstig licht kan geven; zoodat hij dus met
mindere resultaten tevreden moet zijn, dan de kweekers verkrijgen.
Uit al het medegedeelde kan men bemerken, dat het kunstmatig
voortkweeken van planten in de kamer slechts een liefhebberij kan zijn
voor hem, die gaarne interessante zaken wil leeren kennen, waarvan
hij veel genoegen kan beleven, doch die hem ook teleurstellingen
bereiden. Indien men dus in een kamer planten wil voortkweeken,
moet men er zich op voorbereiden pas na langere cultuur, zulke goede
resultaten te verkrijgen, als een kweeker van beroep in betrekkelijk
korten tijd bereikt.
De beste wijze om planten in een kamer voort te kweeken, is zeker
door middel van stekken. Een kort twijgje, dat men in de meeste
gevallen met een scherp mesje, vlak onder een oog afsnijdt (Fig. 20)
en daarna in den grond steekt, wortelt na korteren of langeren tijd
en is dan een zelfstandige plant geworden. Gewoonlijk snijdt men een
stek dicht onder een oog af, omdat de ervaring geleerd heeft, dat op
deze wijze afgesneden stekken, vooral bij kruidachtige planten, het
gemakkelijkste wortel slaan. Er zijn echter ook uitzonderingen. Fig. 21
toont een Pelargonium-stek, die vlak onder het oog is afgesneden,
en een Ficus-stek, die tusschen twee oogen is afgesneden. De laatste
bestaat slechts uit één blad, met het daarbij behoorende stengeldeel,
en wordt zóó geplant, dat zij tot aan den bladvoet in de aarde
komt te staan. Fig. 22 toont stekken van Anjelieren, waarbij in het
snijvlak nog een kruissnede wordt gemaakt. De ondervinding toch heeft
geleerd, dat dusdanig gekruiste stekken, veel sneller groeien dan
oningesnedene. Fig. 23 toont verschillende soorten van stekken en wel:
1 bladstek van een Ficus, 2 stek van een klimopbladerige Pelargonium,
3 bewortelde bladstek van een Peperomia, 4 Rozestek en 5 stek van
een Anjelier. De verschillende wijzen van snijden zijn op de gravure
duidelijk te zien; terwijl ook de Fig. 21 en 22 goed aantoonen op
welke wijze de stekken moeten gesneden worden. Het beste groeien de
stekken van kruidachtige gewassen, en wel in het bijzonder van die
soorten, welke des winters haar blad verliezen. Deze plantensoorten,
die men in een koudere kamer, ja zelfs in den kelder kan overwinteren,
brengt men in Februari aan den groei; zij worden dan goed gesnoeid,
regelmatig gegoten en op een goed lichte plaats gezet. Het resultaat
zal zijn, dat zij spoedig overal gaan uitgroeien. Van deze planten
willen wij slechts vermelden de Fuchsia's, Heliotropen en Hortensia's.
Onder den invloed van meer warmte en licht, ontwaken deze planten uit
haar winterslaap en beginnen overal uit te botten. De scheuten die dan
ontstaan, laat men doorgroeien, tot zij drie of vier bladeren hebben,
waarop zij worden afgesneden en als stekken behandeld. Het afsnijden
der stek doet men dan, zooals reeds gezegd is met een scherp mesje,
vlak onder een blad. Ten einde de stek beter te kunnen planten, is het
nuttig het onderste blad, of de twee onderste bladeren, af te snijden,
en, om het inrotten te voorkomen, is het bij stekken van zeer zachte
stengels raadzaam, ze te laten opdrogen, waartoe men ze eenigen tijd
op een plek, waar de zon ze niet kan bereiken, laat liggen. Is de
snijvlakte geheel opgedroogd, dan kan de stek geplant worden.
Om nu een goed wortelen der stekken te bevorderen, moeten zij
besloten staan. Het beste doet men, een houten bakje, ter grootte
van een sigarenkistje, te maken. In den bodem van het kistje moeten
enkele drainagegaten geboord worden, waarop scherven, met de holle
zijden naar onder; worden gelegd. Hierop legt men nog een laagje
scherven en daaroverheen een dun laagje turfmolm. Op de turfmolmlaag
wordt nu de aarde, waarin de stekken gestoken worden, gebracht. Als
aarde gebruikt men goed gezeefden blad- of heidegrond. Voor stekken,
die spoedig uitgeplant kunnen worden, is het nog beter, in plaats van
aarde, zuiver zand te gebruiken. De stekken wortelen in zand zeer goed
en kunnen er, bij het uitplanten, zeer gemakkelijk uitgenomen worden,
terwijl de wortels dan zuiver blijven. Lang kan men bewortelde stekken
echter niet in zand laten staan, daar dit geen voedingsstoffen bevat en
de jonge plantjes er dus in zouden verarmen. De grond, of het zand,
wordt, na in het kistje gebracht te zijn, gelijkgemaakt en zacht
aangedrukt. In het zoo klaargemaakte kistje worden nu de stekken,
tamelijk dicht bij elkander, geplaatst. Hiertoe bedient men zich van
een puntig stokje, waarmede putjes in de aarde worden gestoken. Men
neemt dan de stek tusschen duim, wijs- en middelvinger der rechterhand,
houdt haar in het gaatje en drukt ze daarna flink aan, zoodat zij
stevig vaststaat. Het is nogal van belang, dat een stek niet te diep in
de aarde, maar toch goed vast staat. Is het geheele kistje met stekken
gevuld, dan wordt het met een broesgietertje goed aangegoten, op een
lichte plaats gezet en met een stolp of glasplaat bedekt (Fig. 24). De
verzorging bestaat nu hoofdzakelijk in het gelijkmatig vochtig houden
der aarde, wat men bereikt, door de stekken geregeld met water, dat
de temperatuur van het vertrek heeft, te besproeien. Al naar het weer
is, geschiedt dit besproeien een tot driemaal per dag. Aangezien de
aarde water uitdampt, dat zich als droppels aan de stolp of glasplaat
afzet, moet deze minstens twee keer per dag met een spons of drogen
doek afgeveegd worden; de koude waterdruppels vallen anders op de
stekken en veroorzaken daar licht rottende plekken, wat zeer slecht
is. Vooral moet, zoolang de stekken niet beworteld zijn, opgepast
worden, dat de zon er niet op schijnt. Schijnt de zon door het
venster, op de stolp of de glasplaat, dan worden deze laatsten met
een stuk papier gedekt. Beginnen de stekken te groeien, wat men vrij
wel als een teeken mag beschouwen dat zij wortel geslagen hebben,
dan begint men met gedurig een weinig meer te luchten, totdat de
stolp of glasplaat geheel verwijderd kan worden. Ook het voor de zon
schermen kan langzamerhand nagelaten worden.
In plaats van houten kistjes kan men ook gewone bloempotten, van 10
cM. middellijn, tot het steken van stekken gebruiken. De ondervinding
heeft geleerd, dat van in potten gestoken stekken, die het snelste
groeien, welke het dichtst bij den potrand staan; reden waarom
de stekken dan ook in de potten, die zeer goed van drainage moeten
voorzien zijn, zoo dicht mogelijk bij den rand worden gestoken (Fig. 25
en 26). De gesloten warme lucht krijgt men, wanneer potten gebruikt
worden, door die met een stolp te bedekken. Het aanbevelenswaardigste
is een stolp in den vorm van een kaasstolp, maar wat hooger en wijder,
daar men er dan verscheidene potten te gelijk onder kan zetten. Ook
wanneer men in potten stekt, moeten natuurlijk de daarover staande
stolpen geregeld afgedroogd worden. Kleinere en ook hangplanten,
die gemakkelijk wortelen, kunnen direct in den pot worden gestekt,
waarin zij tot ontwikkeling moeten komen, en liefst verscheidene
stekken te zamen, opdat de pot goed volgroeit. Fig. 26 stelt een pot
met Tradescantia-stekken voor, een der meest verspreide en geliefde
hangplanten.
Het bewortelen geschiedt ook zeer ongelijk. Tradescantia's slaan
meestal reeds na drie of vier dagen wortel; andere kruidachtige
planten, eerst na acht of tien dagen. Er zijn echter ook planten,
waarbij dit langer duurt en die, in de kamer gestoken, pas na
een of twee maanden wortel maken. Enkele planten wortelen zeer
goed, wanneer de stekken in water worden gezet; zoo kan men onder
anderen kopstekken,--dit zijn de bovenste stekken van een plant,
met de hartbladeren er nog aan--van den Oleander en van den Ficus,
zeer goed aan den groei krijgen, door iedere stek in een met water
gevuld fleschje te zetten, en de halsopening met warme was dicht te
maken. Deze wijze van behandelen is bij de genoemde planten wel zoo
zeker, als de gewone manier van stekken. Wanneer men stekken in water
steekt, dan moeten deze echter zooveel mogelijk in de zon staan, om
te voorkomen dat zij beginnen te rotten. Er zijn nog verscheidene
andere wijzen om stekken te steken, zooals door bladstekken. Van
verscheidene planten en vooral van vetplanten, is het voldoende,
een blad in den bodem te zetten, om een plant te verkrijgen. Een
zich aan den bladvoet bevindende knop gaat dan ontwikkelen, en men
ziet aan den voet jonge wortels en een plantje te voorschijn komen,
terwijl het oude blad langzaam afsterft. Zeer gemakkelijk gaat het
voortkweeken van bladstekken bij de Bladbegonia's. Van een goed
ontwikkeld Begonia-blad snijdt men de hoofdnerven met een mesje
door, hierop legt men het op den daartoe gereedgemaakten pot en
wel zoo, dat de dikke nerven alle in den grond komen te liggen;
dan legt men eenige steentjes op het blad, ten einde te voorkomen,
dat het opwipt. Geeft men nu de noodige warmte en verzorgt men het
goed, door er op te passen, dat de grond matig vochtig blijft en
geen zon het treft, dan zal het blad niet alleen aan den bladsteel,
maar overal, waar men het heeft ingesneden, kleine plantjes vormen,
die, zoodra zij wortel hebben, afgesneden en opgepot kunnen worden.
Een juist tijdstip, waarop de stekken moeten gestoken worden, laat
zich niet aangeven. De gewone planten, met kruidachtige stengels,
groeien het best in Februari en Maart; verscheidene andere planten
echter, vooral die, met hardere, houtachtige stengels, laten zich
beter in Augustus stekken. Zoodra de stekken beworteld zijn, neemt
men ze uit den pot, waarin zij gestoken zijn. Dit moet echter zeer
voorzichtig geschieden, opdat de jonge worteltjes zoo weinig mogelijk
beschadigd worden. Kan men het zóó doen, dat zij kluit houden,
d.w.z. dat de aarde tusschen de worteltjes in blijft zitten, dan is
dit nog veel beter. De jonge plantjes worden ieder afzonderlijk in een
potje gezet. Na op het drainage-gaatje een scherf gelegd te hebben,
doet men in het potje een weinig aarde; met de linkerhand houdt men
dan het bewortelde stekje in het midden van het potje en wel zóó,
dat het niet te diep komt te staan, vult het hierop verder met aarde
aan en drukt het met de rechterhand matig vast.
Nog gemakkelijker gaat het oppotten van weinig bewortelde stekken;
men kan dan het potje dadelijk geheel met aarde vullen, waarna men
in het midden met den wijsvinger een juist diep genoeg gaatje maakt;
met de linkerhand wordt het stekje daarin gehouden, en hierop het
gaatje dichtgemaakt en matig aangedrukt. Heeft men de stekken op
deze wijze opgepot, dan moeten zij direct, met een broesgietertje,
flink aangegoten worden, opdat de aarde goed doorvochtig wordt. Totdat
de stekken zich tot volwassen planten hebben ontwikkeld, moeten zij
natuurlijk nog verscheidene malen verplant worden. Na dit verplanten
moeten zij, evenals toen zij pas opgepot werden, den eersten tijd
voor de zon beschermd worden, om het slaphangen, waarmede men licht
bladeren verliest, te voorkomen.
Een andere wijze, om planten kunstmatig te vermenigvuldigen, is door
middel van afleggers. Deze bewerking wordt hoofdzakelijk toegepast
op fijne Anjelieren, en wanneer men een weinig zorgzaam is, zijn de
kansen op goede resultaten zeer groot. De Anjelieren ontwikkelen des
zomers, nevens de bloeibare stengels, nog een aantal met blad bezette
scheuten, die in het tweede jaar pas bloeibaar worden. Deze scheuten
leveren gedurende en na den bloeitijd, de afleggers. Allereerst
moet men zorgen voldoende potruimte voor het afleggen te hebben,
waarom men de Anjelier eerst in een grooteren pot verplant, wat men
zoo doet, dat de oppervlakte der aarde eenigszins losblijft. Men
neemt nu de sterkste van de af te leggen scheuten, en maakt onder
een blad een overlangsche insnede, zoodanig, dat deze eindigt onder
het inplantingspunt van het volgende bladpaar, en de scheut ongeveer
tot de helft is ingesneden. Men buigt nu dezen scheut naar beneden en
legt hem met de insnijding in de aarde. Om te zorgen, dat hij zich
niet weer opricht, bevestigt men hem in den grond met een houten
haakje. Van iedere plant kan men zooveel afleggers maken, als er
goede scheuten aan zijn en als er ruimte in den pot is. Na verloop
van vier à zes weken is de aflegger, d.w.z. het ingesneden gedeelte
van den scheut, beworteld. Men neemt nu den scheut, die nog steeds
gedeeltelijk door de moederplant wordt gevoed, voorzichtig uit den
grond, snijdt het bewortelde stengeldeel van de moederplant af en
plant het, als zelfstandige plant, in een potje. Fig. 27 stelt de
vermenigvuldiging van een buiten uitgeplante Anjelier voor. Natuurlijk
moeten pas opgepotte afleggers niet minder voorzichtig behandeld
worden dan pas opgepotte stekken.
Een andere wijze van voortkweeken, die met het afleggen wel eenige
overeenkomst heeft, wordt dikwijls toegepast bij bladplanten, in
hoofdzaak bij Dracaena's, die haar onderste bladeren verloren hebben,
en daardoor leelijk zijn geworden. Deze bewerking wordt het ringen
genoemd. Een eindje van het onderste blad verwijderd, maakt men
een schuin oploopende snede in den stam tot ongeveer halverwege de
dikte. Door in de snede een stokje te steken, houdt men de snijvlakken
een eindje van elkander verwijderd. Om de insnede brengt men nu
een goede hoeveelheid mos, dat er stevig omheen gebonden wordt;
of, wat nog beter is, men vervaardigt een soort blikken bloempot,
die in twee overlangsche helften uit elkander genomen kan worden;
deze twee helften brengt men ter plaatse van de snede om den stam,
bindt ze te zamen en vult daarna den pot met aarde op (Fig. 28).
Een andere wijze van insnijden is, dat men rondom den geheelen stam
een snede maakt, tot ongeveer een derde der stamdikte; men snijdt er
dus als het ware een ring omheen. Bij zeer groote planten snijdt men
om den geheelen stam heen een wigvormigen ring uit. Na op eenige,
onverschillig welke wijze, ingesneden te zijn, wordt de stam steeds
op de boven omschreven manier omwoeld. In de meeste gevallen zijn
de kronen van dergelijke planten te groot, om als stekken te worden
behandeld; past men echter het ringen toe, dan is men vrij zeker,
dat ze wortel slaan. Men moet er na het insnijden goed voor zorgen,
dat het mos om de wonde behoorlijk vochtig blijft en ook de plant
zelf moet dikwijls bespoten en vooral uit de zon gehouden worden,
om te voorkomen, dat zij bladeren verliest. Is de kroon beworteld,
dan kan zij afgesneden en afzonderlijk opgepot worden. De eerste dagen,
na het afsnijden, moet de jonge plant vooral dikwijls bespoten worden,
zoodat de bladeren als het ware constant vochtig blijven. Doet men
dit niet, dan zullen de onderste bladeren dadelijk geel worden en
zal de plant een gedeelte van haar schoon voorkomen verliezen.
De stam, die nu zijn kroon kwijt is, moet men niet wegwerpen, maar
aanvankelijk een weinig droger houden. Spoedig zal men dan zien,
dat hij van boven een jonge scheut maakt, die, als hij een viertal
blaadjes heeft, afgesneden en als stek behandeld kan worden. Ook kan
men den stam eener Dracæna even onder iederen knoop afsnijden en de
zoo verkregen stukjes in vochtig zand leggen. Bij vele soorten levert
ieder stukje een scheut op, die wortel slaat en een afzonderlijke
plant vormt. In de kamer zal dit echter wel niet al te best gaan,
bij gebrek aan warmte.
Van de verschillende wijzen van voortkweeken is voor de kamercultuur
ook het scheuren zeer geschikt. Veel kruidachtige planten ontwikkelen
haar bladeren of scheuten uit een wortelstok en kunnen dan, als de
bekende Cyperus en Plectogyne, een tamelijke afmeting bereiken. Deze
planten zijn zeer geschikt om te scheuren. Hiertoe neemt men ze, bij
voorkeur in het voorjaar, uit den pot en verdeelt ze, d.w.z. snijdt ze,
in zooveel stukken als men planten verlangt te hebben (Fig. 29). Bij
grassoorten en ook bij het bekende Venushaar (Adiantum) gaat dit
verdeelen zeer gemakkelijk; bij andere planten echter, zooals de
reeds genoemde Plectogyne, die een meer of minder harden wortelstek
bezitten, gaat dit zoo gemakkelijk niet; men moet hierbij een stevig
mes gebruiken, om den wortelstok door te snijden.
Ook knollen kan men op dezelfde wijze, namelijk door ze in stukken te
snijden, vermeerderen; men moet er dan echter op letten, dat ieder stuk
een of meer oogen houdt; zoodat het kan doorgroeien (Fig. 30). Het wil
wel eens voorkomen, dat de snijvlakken, zoodra het afgesneden stuk in
den grond wordt gebracht, beginnen in te rotten; om dit te voorkomen,
bestrooit men ze vóór het opplanten goed met houtskoolpoeder. Vóór
het verdeelen worden de knollen eerst in goeden lichten grond aan
den groei gebracht, zij maken dan scheuten en wortels; het is dan
pas mogelijk met juistheid de plant te verdeelen. De beste tijd om
knollen te verdeelen is het voorjaar. Verschillende knolgewassen voor
de warme kas, zooals b.v. Caladiums kan men op deze wijze behandelen.
Veel planten laten zich ook door wortelscheuten vermenigvuldigen. Deze
ontstaan in den pot, en kunnen bij het verplanten afgesneden en
afzonderlijk opgepot worden. Het is geraden zulke scheuten altijd
zóó af te snijden, dat zij voldoende wortel behouden om door te
groeien. Fig. 31 stelt een zeer bekende kamerplant voor, Curculigo
recurvata, die men uit den pot heeft genomen om de wortelscheuten er
af te snijden.
Een der interessantste en meest voldoening gevende wijzen van
voortkweeken is het veredelen. Er zijn echter niet heel veel planten,
die zich met succes in een kamer laten veredelen, en de meeste
liefhebbers, die het veredelen willen toepassen, doen dat dan ook
op hun Rozen. Om dit te kunnen doen, moet men echter in zijn tuin
of wel in potten rozenwildelingen gekweekt hebben. Deze wildelingen
kan men het beste veredelen gedurende den zomer, door de meestal
toegepaste wijze, het oculeeren. De te gebruiken wildelingen kan
men als z.g.n. wildstammetjes bij iederen kweeker voor betrekkelijk
weinig geld koopen. Deze worden opgeplant en dienen dan voor het
kweeken van stamrozen. Wil men struikrozen kweeken, dan gebruikt men
wildstammetjes, niet dikker dan een potlood, die op den wortelhals,
dus zoo dicht mogelijk bij den wortel, worden veredeld.
Men kan op tweeërlei wijzen veredelen, namelijk met een doorgroeiend
of met een slapend oog. Bij een vroege oculatie, dat is van Juni tot
Augustus, groeien de oogen in hetzelfde jaar nog uit, terwijl zij bij
de September-oculatie wèl voor het begin van den winter vastgroeien,
doch pas in het voorjaar van het volgend jaar uitgroeien. Het is
voorzichtig, op ieder wildstammetje, naar verschillende kanten twee
of drie oogen te oculeeren. De wildstam is geschikt om gebruikt te
worden, zoodra hij zooveel sap heeft, dat bast en hout zich gemakkelijk
laten scheiden. Met een scherp geslepen, zoogenaamd oculeermesje
geeft men dan twee sneden in den vorm van een T, en wel zóó, dat
de bast tot op het hout doorgesneden is. De bast wordt nu met de
rugzijde van het hiertoe ingerichte mes, of nog beter met het heft,
dat daartoe in den vorm van een vouwbeen toeloopt, opgelicht en het
oog tusschen hout en bast ingeschoven. De oogen neemt men van voldoend
volgroeide scheuten. Aan den voet van iederen bladsteel bevindt zich
een oog, dat, onder gunstige omstandigheden, zich tot een twijg kan
ontwikkelen. Nadat men het blad, tot op een stukje van den steel na,
heeft weggenomen, wordt het oog in den vorm van een driehoekig schildje
uit den tak gesneden. Heeft men het oog klaar, dan wordt, met het
reeds vermelde heft van het mes, de T-vormige insnede in den wildstam
een weinig opengebogen en het oog daarin geschoven. Is men hiermede
klaar, dan neemt men een eindje bindbast en bindt de oculatie goed
stevig vast, waarbij vooral moet gezorgd worden, dat het ingeschoven
oog vrijblijft. Is men zoover klaar, dan worden de meeste takjes van
den wildstam weggesneden, opdat deze niet te veel sappen tot zich
zouden trekken. Beginnen de oculaties zich goed te ontwikkelen, dan
wordt de omgelegde band weggenomen en ook de wildstam tot even boven
de oculatie afgesneden. Bij Fig. 32 kan men duidelijk zien, op welke
wijze een oculatie moet volvoerd worden; ook een afzonderlijk oog
staat er bij; bij Fig. 33 ziet men dan een veredeld wildstammetje,
waarbij de wijze van omwinden duidelijk zichtbaar is. Geheel op
dezelfde wijze; veredelt men in de kamer de kleine Oranjeboompjes,
die zeer gemakkelijk uit gezaaide pitten opkomen (Fig. 34). Bij
Oranjeboompjes moeten echter de oculaties met een stolp bedekt en
zeer warm gehouden worden; daar zij anders heel moeielijk uitgroeien.
Voor de kamer is ook het veredelen van Cacteeën heel aardig. Om
Cactussen in de kamer te veredelen, moet men natuurlijk soorten
bezitten, die men zoodoende voortkweeken wil, en ook daartoe
geschikte wildstammetjes. Als wildstammetjes gebruikt men meestal
snel groeiende Zuilencactussen, vertegenwoordigers van het geslacht
Cereus. Goede wildstammetjes, die bij kweekers wel te verkrijgen
zijn, zijn o.m. Cereus Spachianus, C. peruvianus, C. macrogonus,
C. rostratus; verder verschillende soorten van het geslacht Opuntia
en ten laatste Pereskia aculeata en P. calandrinifolia. De beide
laatstgenoemde Cactussen zijn groenbladerige, dunstelige plantjes, die
eerder aan koffieboompjes dan aan Cactussen zouden doen denken. Deze
beide soorten zijn vooral geschikt om Bladcactussen (Epiphyllum) op
te veredelen, De Epiphyllums vormen hierop zeer fraaie kroontjes, die
tegen Kerstmis met de bekende purperen bloemen zeer rijk bloeien. De
Pereskia, wordt om als onderstam voor Epiphyllums te dienen, door
sommige kweekers in grooten getale aangekweekt. Deze veredeling
wordt verricht door zoogenaamd spleetgriffelen. Nadat men den kop
van een krachtige Pereskia op de verlangde hoogte heeft afgesneden,
wordt dit snijvlak van dit ingesneden boompje, ongeveer 1 cM. diep,
met een scherp mesje gespleten. Men neemt dan een gezonde, uit
twee of drie bladeren bestaande, Epiphyllum-twijg en snijdt deze
door twee schuine sneden, één links en één rechts, platpuntig toe,
zoodat de kern de punt vormt. De zoo puntig toegesneden twijg, zet
men dan met de punt in de spleet van den wildstam. Gewoonlijk zet
men op een Pereskia-stammetje verscheidene twijgen te gelijk, om op
die wijze spoedig grootere boompjes te verkrijgen. In het stammetje
van de Pereskia kan men ook nog eenige twijgen griffelen. Hiertoe
maakt men op de bestemde plaats tot in het hart van het stammetje een
schuine snede, neemt dan een Epiphyllum-twijg, op de aangegeven wijze
afgesneden, en zet deze in de gemaakte snede. Natuurlijk moeten ook
bij deze veredeling de wonden goed met bast dicht gebonden worden. Bij
Pereskia en Epiphyllum duurt het aangroeien gewoonlijk niet zeer lang,
soms is dit slechts een zaak van enkele dagen.
Een zeer weinig bekende wijze van veredelen is die van kogelvormige
Cactussen op Pereskia-stammetjes. Deze worden daartoe aan een klein
stokje gebonden, daarna eerst afgesneden en dan een weinig spits
toegesneden. De Cactus, die men hierop enten wil, wordt voorzichtig
van de moederplant afgesneden. Met een scherp, puntig mesje snijdt men
nu een gaatje onder in deze spruit en wel zoo, dat dit niet grooter is
dan het spitsje van den onderstam. Beide stukken worden nu op elkander
gezet en de ontstane spleet met entwas dichtgesmeerd. Natuurlijk
moet deze veredeling tot samengroeiing goed verbonden worden. Het
beste doet men dit, door boven op de kogelvormige Cactus een kluitje
watten te leggen en dan door middel van bindbast een stevig verband
te maken. Het bindsel wordt onder den pot doorgehaald, over de Cactus
heengelegd en dan vastgebonden. Men moet er vooral om denken, dat,
past men deze veredeling toe, de Pereskia steeds aan een stevig stokje
moet gebonden worden.
De groei van de kogelvormige Cactus is toch veel sneller, dan die,
van den onderstam, zoodat deze laatste zijn zwaren last ten langen
leste niet meer zou kunnen dragen, en dus zou moeten afbreken.
Beter dan op Pereskia veredelt men zware Cactus-soorten op Cereus. De
afbeelding stelt een op Cereus veredelde Cactus voor (Fig. 36). Met
een scherp mes snijdt men de, als onderstam dienende, Zuilencactus
den kop af en van de daarop te plaatsen kogelvormige Cactus snijdt
men de onderzijde zóó af, dat, zet men de laatste op de eerste, de
beide snijvlakken elkander volkomen bedekken en de middelpunten van
beide juist op elkander sluiten. De geheele bewerking bestaat dus
uit het met zekerheid uitvoeren van twee sneden.
Na beide soorten op elkander gezet te hebben, legt men het verband.
Het aangroeien heeft bij Cactussen zeer snel, meestal in weinige
dagen plaats.
Een bekend Cactusliefhebber, de heer Walter Mundt, te Pankow, bij
Berlijn, zegt over het veredelen van Cactussen het volgende: "als
onderstam gebruik ik bij voorkeur twee- of driejarige zaailingen
of ook wel stekplanten van groene Cereus-soorten; de blauwachtige
Cereus-soorten, zooals Cer. azureus, C. Seidelii en andere, gebruik
ik bij voorkeur niet, daar deze niet goed aangroeien en dikwijls na
eenigen tijd den entkop weder afwerpen. Zaailingen, van in het eind
van Maart of begin April gezaaide zaden, kunnen hoewel dan heel weinig
gedoornd, reeds in Juli tot veredeling dienen [1]. Zijn onderstam
en entkop beide zeer jong, dan is het resultaat tamelijk zeker,
de plantensappen schijnen zich dan goed te vermengen. Men neemt den
entkop tusschen duim en wijsvinger en drukt dien, terwijl men een
eenigszins draaiende beweging maakt, nogal stevig met de snijvlakte
op die van den onderstam, waarop men de plant goed verbindt".
Het verbinden is, bij het veredelen van kogelvormige Cactussen op
zuilenvormige, het moeilijkste werk en bij kleine entkopjes, niet
grooter dan de kop van een lucifer, is het zelfs een kunststuk;
doch ook hier geldt het spreekwoord: "Al doende leert men". Nadat
ik den uit den zaadpot genomen entkop, op de bovenvermelde wijze,
op het onderstammetje heb geplaatst, neem ik een wollen draad,
dien ik aan twee einden strak aantrek, zoo doende, dat ik tusschen
beide handen een ruimte van twee tot drie duim heb. Ik leg nu dezen
draad voorzichtig in horizontale richting over het entkopje, dat
toch reeds door zijn eigen sappen vastgekleefd zit. Beide uiteinden
van den draad haal ik nu voorzichtig naar beneden, er voor zorgende,
dat de druk aan beide zijden juist gelijk is. Bij den potrand gekomen,
trek ik den draad voorzichtig een weinig aan, leg hem dan eerst langs
den pot heen, trek hem er vervolgens voorzichtig onderdoor, en knoop
dan de beide einden aan elkander vast. De druk van den draad moet aan
beide zijden juist dezelfde zijn. Er moet nog opgepast worden, dat
de snijvlakken niet rond zijn, waarom het mes, waarmede men snijdt,
zoo dun mogelijk moet wezen.
Zijn de entkoppen van de grootte van een boon, of nog grooter, dan
gebruik ik een tweeden draad overkruis en ook bij plantjes, die ten
gevolge van haar naar onder gerichte doorns, gemakkelijk van het
onderstammetje worden afgetild, dan verdrogen en niet aangroeien,
zijn kruisdraden zeer aan te bevelen. Om geheel zeker te zijn en
afstooten met opdrogen te voorkomen, bezwaar ik de draden met een
metalen ring. Hiertoe schuif ik het ringetje van boven over de plant en
haal het zoover naar beneden, totdat de draden sterk genoeg aangehaald
zijn. Den volgenden dag leg ik, al naar de zwaarte van den ring er
nog een tweeden bovenop. Fig. 37 verduidelijkt deze handelwijze.
De jonge zaailingen, die als onderstam dienst doen en dus bij het
aanbinden licht ombuigen, moeten eenigszins versterkt worden, door
er twee of drie kleine stokjes omheen te zetten en deze aan elkander
te binden.
De veredelde plantjes zet ik in een gesloten, beschaduwde, maar toch
warme ruimte, de kleinere plantjes in een groote schaal of in een
kistje, dat, met een door middel van krijt en water witgemaakte ruit,
wordt gedekt.
Wanneer de kleine patiënten acht dagen in zulk een kastje staan, is dit
meestal voldoende. Gedurende dien tijd mogen zij in het geheel niet
gegoten en gespoten, en moet elk vochtig worden der wond zorgvuldig
vermeden worden.
Als voorbeeld van een goed resultaat, wil ik het volgende vermelden. In
het voorjaar entte ik den geheel vlak afgesneden nog gezonden kop
van een zeer zeldzame Echinocactus-soort op een zaailing van Cereus
peruvianus als onderstam. Het kopje zou zeker verloren geweest zijn,
daar het van den moederstam afgestooten was. Het entkopje, dat niet
grooter was dan een kleine erwt, had in het najaar de grootte van
een walnoot gekregen, zóó sterk was het gegroeid. Voor halfverloren
planten is enten nog dikwijls een vrij zeker redmiddel.
Het oppotten en verplanten.
Wanneer wij de planten in de kamer kweeken, dan moet er al spoedig
na het zaaien of na het langs ongeslachtelijken weg voortkweeken aan
het oppotten der zaailingen of stekken gedacht worden.
Deze bewerking is zeker gemakkelijker uit te voeren, dan het
verplanten.
Dit laatste behoeft alleen die liefhebber te doen, die zich niet
met het voortkweeken van planten bezighoudt, maar die de door hem
gekochte planten, zoo mogelijk, in goeden staat wil onderhouden. Over
de verschillende aardsoorten, die bij het oppotten en het verplanten
dienst moeten doen, hebben wij reeds vroeger gesproken. Van veel
belang is echter ook het gebruik van goede bloempotten. Een goede
bloempot moet van gebakken klei zijn; hij mag niet te zwaar wezen,
zoodat dunne wanden een vereischte zijn; ook niet te hard gebakken,
daar hij poreus moet zijn. Wat nu den vorm aangaat, is men teruggekomen
van het hooge, smalle model, dat vroeger gebruikt werd; toch mag hij
ook niet te plat wezen. De beste afmeting is, dat een pot even hoog
is, als hij op zijn grootste wijdte middellijn heeft. Zeer platte
potten, die meer van schalen of schotels hebben, zijn slechts in
enkele gevallen, voor planten met weinig wortels aan te bevelen. In
den bodem van iederen pot, moet zich een drainagegaatje bevinden en
al naarmate de potten grooter worden, moeten er drie of vijf zulke
gaatjes in zijn. Gewoonlijk maken de pottenbakkers deze gaatjes van
buiten naar binnen in den pot. Dit is zeer verkeerd, daar dan om het
gaatje zich een eenigszins verhoogde rand bevindt, die het afloopen
van het water belet. Ieder, die dan ook potten koopt, moet daar
zeer op letten en er bij den pottenbakker op aandringen, dat hij het
gaatje van binnen naar buiten in den pot steekt. In de kamers treft
men dikwijls verglaasde potten aan, of ook wel min of meer fraaie
porseleinen potten, ja zelfs ziet men ze wel eens van metaal. In
dergelijke potten is het onmogelijk dat een plant goed kan groeien,
omdat zij niet poreus zijn. De lucht kan door dergelijke potten niet
heendringen, waardoor het opdrogen der aarde bemoeilijkt, zoo niet
geheel onmogelijk gemaakt wordt, hetgeen natuurlijk tot gevolg heeft,
dat deze verzuurt, waardoor dan ziekte in de wortels ontstaat. Wil
men dergelijke fraaie potten toch gebruiken, dan gaat dit zeer goed,
wanneer men de plant in haar oorspronkelijken pot laat staan en ze
daarmede in den fraaieren zet. Het is echter zaak, dan eerst een paar
steentjes of stukjes hout in den buiten pot te leggen, om daar de plant
op te zetten, daar deze anders licht in het doorgeloopen gietwater komt
te staan. Goede potten moeten dus zoo eenvoudig mogelijk zijn. Heeft
men echter grootere planten, die in kuipjes moeten gezet worden, dan
kan men deze zoo fraai en elegant maken als men wil. Voor grootere
planten, die in kuipjes gekweekt moeten worden, is het zelfs geraden,
die wat fraaier te laten vervaardigen, of wel, de eenvoudige kuipjes
met kurk of boomschors te doen bekleeden. Fig. 38 stelt twee zulke
kuipjes voor, die in den handel voor matigen prijs te verkrijgen
zijn. De rechtsche kuip is zeer eenvoudig, de linksche daarentegen
fraaier afgewerkt; deze laatste is ook practischer, omdat door den
uitgestoken rand van den bodem, de lucht beter kan toetreden, terwijl
het overvloedige gietwater beter kan wegloopen.
Men doet het beste, bij het verplanten steeds nieuwe potten te
gebruiken; deze moeten echter vóór het gebruik eerst gewaterd worden,
d.w.z. men moet ze tien à twintig minuten in het water leggen,
opdat de poriën van het steen met water voltrekken. Vergeet men
dit, dan zal na eenigen tijd de aardkluit zich zóó vast met den pot
verbinden, dat bij het verplanten de plant onmogelijk uit den pot te
krijgen is, zonder haar te beschadigen of den pot stuk te slaan. Dit
laatste is natuurlijk schade voor de hand. De oude gebruikte potten
moet men natuurlijk niet wegwerpen, daar deze nog zeer goed gebruikt
kunnen worden. In de meeste gevallen zijn deze potten vuil; aan den
buitenkant zit mos of zwarte aanslag, wat de poreusiteit tegengaat en
aan de binnenzijde zit meestal oude aarde. Deze oude potten kunnen
dus slechts gebruikt worden, wanneer zij eerst goed schoongemaakt
zijn. Hiertoe worden zij, met een harden boenborstel, aan den binnen-
en buitenkant goed afgeschrobd, waartoe men bij voorkeur warm water
gebruikt. Hierna laat men ze goed opdrogen. Zijn de potten sterk
met mos bezet geweest, dan is het raadzaam, ze vóór het gebruik
eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde zoodoende alle
kiemen en mossporen te dooden. Gebruikte kuipjes moeten vóór het
weder in gebruik nemen ook goed met warm water uitgeschrobd worden,
om ze volkomen schoon te maken.
Vóórdat men met het planten of verplanten begint, moet op een tafel
de noodige aarde klaargemaakt worden. Behalve aarde heeft men ook
drainage-materiaal noodig. Wanneer bij het verplanten een pot breekt,
dan behoeft men dien niet weg te werpen. Hij wordt in kleine stukjes
geslagen, die, als drainage in de potten, gebruikt kunnen worden,
mits men ze van te voren goed afwascht. Op het drainage-gaatje, dat
zich, zooals wij gezien hebben, in iederen goeden pot bevindt; legt
men een scherf, en wel zóó, dat de holle zijde naar onder en de bolle
dus naar boven gekeerd is. Heeft men kleine potjes te draineeren,
dan is het voldoende op deze grootere scherf nog enkele kleinere te
leggen. Moet men grootere potten gebruiken, dan is verstopping der
drainage gevaarlijker. De aarde hierin droogt natuurlijk veel langzamer
uit en heeft dus meer kans om te verzuren; terwijl grootere planten
in den regel veel kostbaarder zijn en het verlies er van dus grooter
is. Op ieder drainage-gaatje legt men dan een potscherf en hierboven
een flinke laag kleinere scherven. Heeft men zooveel kleinere scherven
niet voorhanden, dan kan men ook stukjes baksteen, cokes of houtskool
gebruiken. De aarde zal natuurlijk, door het gieten, zeer gemakkelijk
tusschen de drainage-scherven of steentjes indringen en dit moet
zoo mogelijk voorkomen worden. Hiertoe legt men boven de scherven
een laagje moerasmos (sphagnum) of wel zeer grof turfstrooisel. In
den regel is de drainage slechts gedurende betrekkelijk korten tijd
werkzaam. De wortels toch dringen spoedig in de versche aarde en
dan door het moslaagje tusschen de scherven. Wanneer men bij het
verplanten de plant uit den pot neemt, dan zal men meestal zien, dat
haar wortels langs den pot een dicht netwerk hebben gevormd, waarin
de geheele drainage besloten is. Bij sterk groeiende planten dringen
de wortels zelfs in het drainage-gaatje en staan de planten op een
vochtigen bodem of op aarde, dan dringen zij daar zelfs doorheen. Het
is maar goed, dat in bovengenoemd geval de plant meestal veel water
noodig heeft en dus al het gietwater spoedig verbruikt en ook, dat
het overvloedige water tusschen de wortels door, gemakkelijk wegzakt,
wanneer men maar zorgt, dat het gaatje goed geopend blijft. Is het
gaatje toevallig door aarde of wortels verstopt, dan moet men dit,
door er een stokje in te steken, weer vrijmaken.
Gemakkelijk om te leeren en te doen is het oppotten van planten. Men
heeft hierbij meestal te doen met kleine zaad- of stekplantjes,
die tot nu toe in een pan te zamen stonden, en die, voor een beteren
groei, ieder afzonderlijk in een potje moeten gezet worden. Hiertoe
bedient men zich van het kleinste model potjes, die onder den naam
stekpotjes voorkomen. Bij het opplanten in zulke kleine potjes,
waarin de planten natuurlijk slechts korten tijd staan, behoeft men
niet zoo heel veel werk van de drainage te maken; één scherf op het
drainage-gaatje is voldoende.
Het oppotten geschiedt op de volgende wijze. Men vult het potje
geheel met aarde, maakt daar, in het midden, met den wijsvinger van de
rechterhand een vrij ruim putje in, waarin men het op te potten plantje
met de linkerhand houdt. Met duim en wijsvinger van de rechterhand,
wordt nu de aarde rondom de wortels goed vastgedrukt, zoodat het
plantje stevig vaststaat. Is men zoover gevorderd, dan wordt de aarde
in het potje nog een weinig aangedrukt, terwijl er zoo noodig, nog
wat aarde bijgevoegd wordt. (Fig. 19). Wat het plantje zelf betreft,
dit wordt van te voren zeer voorzichtig uit de pan of den pot, waarin
het gerepikeerd stond, genomen en indien de wortels wat lang zijn,
worden deze ingekort. Dit inkorten is voor de ontwikkeling van talrijke
haarworteltjes zeer bevorderlijk.
Omslachtiger en ook veel moeilijker dan het oppotten is het
verplanten. De beste tijd om te verplanten is voor de meeste planten
zeker wel het voorjaar, wanneer zij weder tot ontwikkeling beginnen te
komen. Planten, die in het voorjaar bloeien, moeten pas na den bloei
verplant worden, omdat zij dan in haar ontwikkeling niet gestoord
mogen worden. Snel groeiende en dus veel voedsel behoevende planten,
moeten in den loop van den zomer nogmaals verplant worden. Fijne
bladplanten en andere, die zich minder snel ontwikkelen, behoeven
slechts eens per jaar verplant te worden, terwijl grootere kuipplanten
daaraan geen behoefte hebben in perioden, afwisselende tusschen vier
en tien jaar; vooral wanneer men niet te spaarzaam is met vloeibaren
mest. (Zie het hoofdstuk "De bemesting"). Vóór men nu een plant in een
grooteren pot zet, moet men onderzoeken of de pot, waarin zij staat,
goed volgeworteld is; daar een gezonde plant niet verplant behoeft te
worden, voordat dit het geval is. Het onderzoek, naar den toestand der
wortels geschiedt door het uit den pot slaan. Men neemt de plant in
de linkerhand en wel zoo, dat de stam zich tusschen den wijs- en den
middelvinger of tusschen den middel- en den ringvinger bevindt. Men
keert nu plant met pot ten ondersteboven, neemt de onderzijde van
den pot in de rechterhand en slaat daarop zijn rand een paar keer
flink op dien van de verplanttafel. Men zal zien, dat de aardkluit
nu van den pot loslaat, welke laatste daarop gemakkelijk van de
eerste kan afgenomen worden (Fig. 39). Men heeft nu de plant met
haar geheel wortelgestel vóór zich, zoodat men het laatste op zijn
gemak kan bekijken. Zijn de wortels overal goed om den pot gegroeid,
of hebben zij zich zóó sterk ontwikkeld, dat zij een viltachtig
netvormig weefsel om de geheele kluit heen vormen, dan is de tijd om te
verplanten daar. Men kiest nu den pot uit, dien men wil gebruiken. In
de eerste plaats moet er op gelet worden, dat de te gebruiken pot niet
te groot is, wijl de aarde daarin dikwijls reeds zuur wordt, vóórdat
de jonge wortels er in hebben kunnen doordringen. De pot, dien men
wil gebruiken, moet zóó groot zijn, dat de kluit der plant er in past
en er dan rondom haar, al naar de grootte der plant, een ruimte van
één tot drie centimeter overblijft. Voordat men tot het verplanten
overgaat, moet nu de kluit losgemaakt worden. Met een spits stokje,
waartoe men het beste een puntig toegesneden plantenstokje gebruikt,
wordt dit werk verricht. Eerst wordt de aarde om den rand van de kluit
een weinig afgebroken en daarna worden de in elkander gegroeide wortels
voorzichtig losgemaakt. Het beste geschiedt dit door met de punt van
het stokje van boven naar beneden--d.w.z. van den onderrand der kluit
naar de plant toe--voorzichtig langs den buitenkant van de kluit te
steken. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, daar men anders
te diep in haar steekt, waardoor de wortels beschadigd zouden worden
en zij te veel aarde zou verliezen (Fig. 40). De losgemaakte wortels
hangen nu langs de kluit.
Zeer doelmatig is het voor alle planten met een sterk ontwikkeld
wortelgestel, en vooral voor die met veel haarwortels, de afhangende
wortels, met een scherp mesje, behoorlijk in te snijden (Fig. 41
en 42). Heeft men echter Palmen, Bol- of Knolgewassen te verplanten
en in het algemeen gewassen met sterk ontwikkelde hoofd- en weinig
haarwortels, dan moet er aan de gezonde wortels in het geheel niet
gesneden worden; alleen de zieke of beschadigde wortels snijdt men dan
met een scherp mesje af. Ook aan de planten met weinig of zeer zwakke
wortels mag niet gesneden worden; het losmaken van de kluit moet echter
steeds geschieden. Opgemerkt moet nog worden, dat er enkele planten
zijn, die van nature slechts zeer zwak ontwikkelde wortels hebben,
zoodat zij, wat men noemt, geen kluit houden, d.w.z. dat de aarde na
het verwijderen van den pot van de wortels afvalt. Bij dergelijke
planten behoeft men zich daar echter niet ongerust over te maken,
het heeft geen nadeelige gevolgen.
Heeft men de kluit losgemaakt en de wortels behoorlijk ingesneden,
dan kan het verplanten beginnen. In den gekozen pot wordt nu eerst
op de voorgeschreven wijze de drainage aangebracht. Op deze drainage
wordt dan een laag aarde gelegd en deze aarde een weinig aangedrukt
met den rug van de rechterhand. Op deze aarde zet men nu de kluit
en let er op, of die diep genoeg staat. De kluit toch mag niet te
ondiep staan, omdat dan de wortels boven den pot zouden uitsteken of
met te weinig aarde bedekt zouden worden. Zet men de kluit echter
te diep, dan komt een gedeelte van den stam onder de aarde, en dit
is in verscheidene gevallen ook zeer nadeelig, omdat daar wel eens
rotting van stam of stengel het gevolg van kan zijn. Er moet dus
goed toegezien worden, dat de bovenkant der kluit één, hoogsten
twee vingerbreedte diep onder den rand van den pot komt te staan,
zoodat zij behoorlijk met aarde kan worden bedekt. Men zet de kluit
zóó in den pot, dat de stam of stengel juist in het midden komt te
staan. Met de linkerhand wordt nu de plant op haar plaats gehouden,
terwijl men met de rechterhand den pot verder met aarde aanvult. Om
nu de aarde behoorlijk onder in den pot aan te drukken, gebruikt men
een verplantstok. Dit is een plat stokje, dat men aan één zijde dun
afsnijdt, zoodat het den vorm van een lange wig verkrijgt. Met het
verplantstokje wordt de aarde nu voorzichtig tusschen de kluit en den
wand van den pot aangedrukt. Hierbij moet men vooral oppassen niet
met het verplantstokje in de kluit te stooten, daar dan de wortels
gekneusd zouden worden; het beste is zooveel mogelijk langs den rand
van den pot te drukken (Fig. 43).
De aarde moet zeer gelijkmatig worden aangedrukt. Is de ruimte
tusschen kluit en pot tot aan den bovenrand gevuld, dan stoot
men den pot eenige malen flink op de tafel om het geheel nog een
weinig te doen inzakken. Hierna wordt een laagje aarde op de kluit
gebracht, dat men met de vingers matig aandrukt, er voor zorgende,
dat het bovenvlak steeds goed losblijft. Heeft men kleine plantjes
te verplanten, dan behoeft men geen verplantstokje te gebruiken; de
aarde kan dan met den wijsvinger aangedrukt worden. Het is lang zoo
gemakkelijk niet als het wel schijnt, een plant zóó te verplanten,
dat zij goed in het midden van den pot staat en de aarde overal om de
kluit goed aangedrukt is. Om dit goed te doen, moet men er zich veel
in oefenen, maar ieder liefhebber, die het met ware liefhebberij
doet, zal het spoedig genoeg leeren. Van veel belang is het, dat
men bij het aandrukken van de aarde geen holen doet ontstaan, ze
niet te vast en ook niet te los aandrukt. Laat men holen tusschen de
aarde, of drukt men te los aan, dan loopt het gietwater dadelijk weg,
zonder de kluit behoorlijk te bevochtigen. Heeft men te vast geplant,
dan kunnen de wortels van vele planten slechts moeielijk in de aarde
doordringen. Zeer weinige teerdere planten, zooals Selaginella's en
enkele Varen-soorten, willen los opgepot worden.
Er doen zich wel eens gevallen voor, waarin niet goed van wortels
voorziene planten toch verplant moeten worden. Dit kan gebeuren,
wanneer uit den slechten reuk der aarde blijkt, dat deze zuur is,
of wel, wanneer men uit het slecht groeien der planten opmaakt
dat de wortels ziek zijn. Wortelziekte is in de meeste gevallen
het gevolg van ondoordacht gieten, van het gebruik van te koud of
slecht water, of van het gebruik, voor zwak bewortelde planten, van
een te grooten pot. Wortelzieke planten worden uit den pot genomen
en al de aarde tusschen de wortels uitgeschud. De wortels worden
hierna goed afgewasschen en alle zieke deelen met een scherp mes
afgesneden. Verkrijgt men zoodoende groote snijvlakken, dan worden
deze met houtskoolpoeder bestrooid. Om planten, die erg wortelziek
zijn, nog te redden, doet men het beste, ze in een zoo klein mogelijke
pot te zetten, een pot, die dikwijls veel kleiner moet zijn dan die,
waar zij uitkwam. Een vereischte bij het oppotten van zulk een plant
is dan, dat men voor een zeer goede drainage zorgt, zoo mogelijk
lichten grond gebruikt, en dezen rijkelijk met zand en in enkele
gevallen met fijne houtskool vermengt.
De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten.
Na het oppotten of verpotten worden de planten dadelijk aangegoten;
vooral bij teedere en grootbladerige planten, die neiging hebben om
spoedig slap te hangen, moet dit zoo gauw mogelijk geschieden. Palmen
en eenige andere plantensoorten, waaronder ook Vetplanten, kunnen,
wanneer men bij het verpotten donker weer heeft, daarentegen enkele
dagen onaangegoten blijven staan. Of men echter dadelijk aangiet,
dan wel, daarmede nog wat wacht, wanneer men het doet, moet men het
goed doen. Bij het verplanten, heeft men er natuurlijk voor gezorgd
een behoorlijken gietrand te houden, d.w.z. dat men niet den geheelen
pot met aarde heeft gevuld, maar er voor zorgde, dat het bovenvlak
der aarde een weinig onder den rand van den pot bleef. Deze ruimte,
die noodzakelijk is om te beletten, dat bij het gieten het water
dadelijk van den pot afloopt, noemt men den gietrand. Bij het gewone
gieten, is het voldoende, dezen gietrand eens met water te vullen,
bij het aangieten gaat men echter anders te werk. Men neemt een fijnen
broes-gieter en besproeit daarmede de aarde, er voor zorgende, dat er
geen water op blijft staan. Deze bewerking herhaalt men, al naar de
grootte van den pot, drie-, vier- of vijfmaal, ten einde te zorgen,
dat de geheele kluit behoorlijk vochtig wordt. Door op deze wijze aan
te gieten, blijft het oppervlak der aarde los en poreus, terwijl dit
zich anders direct zou sluiten en er dan een harde korst ontstaat,
die het zoo noodige doordringen der lucht in de aarde verhindert. In
den beginne zijn de pas opgepotte of verpotte planten zeer gevoelig
voor te veel water, daar zij veel minder snel opdrogen, dan goed
doorwortelde planten. De versche grond blijft toch vochtig, zoolang
daar geen jonge worteltjes in doorgedrongen zijn. Het beste is dan
ook deze planten eerder iets te droog dan te vochtig te houden; men
voorkomt daardoor, dat de versche aarde zuur wordt en prikkelt de plant
tot vernieuwde wortelvorming. Zijn de jonge worteltjes eenmaal goed in
den nieuwen grond doorgedrongen, dan is deze voorzichtigheidsmaatregel
niet meer noodig. Om te voorkomen dat bij het gieten te veel water in
den verschen, nog niet met wortels doordrongen, grond dringt, hoogt
men bij het verplanten de aarde een weinig naar den rand van den pot
op. Er ontstaat hierdoor rondom den stengel een soort kom, waar het
water naar toe zakt, dat zoodoende in de oude kluit dringt. Vooral
moet er op gelet worden, dat de kluit, bij het verplanten, behoorlijk
vochtig is, daar deze anders moeilijk water opneemt, terwijl bij
het aangieten het water door de versche aarde wegzakt, waardoor de
kluit zou verdrogen en de wortels ziek zouden worden. Pas geplante
gewassen moeten den eersten tijd steeds met een broesgietertje en
nooit met een pijpgieter gegoten worden, door den laatste wordt de
nog losse aarde van haar plaats gespoeld; er ontstaan dan kuiltjes in
de oppervlakte der aarde, waardoor zeer licht wortels komen bloot te
liggen. Zijn de planten na het verpotten goed doorgegroeid, zoodat
men kan veronderstellen dat zij talrijke wortels langs den potwand
hebben gemaakt, dan brengt men om den stam heen een weinig aarde,
waardoor nu het bovenvlak eenigszins naar buiten toe afhelt. Dit is
noodig, omdat nu de buitenkant van de kluit het meeste uitdroogt en
het gietwater zoodoende daarheen geleid wordt. Zeer dikwijls lijden de
planten door het verpotten; de wortels toch worden er door gestoord en
nu en dan nogal beschadigd. De kweeker heeft hier tegen verschillende
hulpmiddelen, hetzij dat hij de planten in de gesloten, warme, vochtige
lucht van een kas brengt, hetzij dat hij ze een warmen voet geeft,
door ze met de potten in een broeibak te graven. Dergelijke middelen
staan den liefhebber echter niet ten dienste; deze moet dan ook zijn
planten, gedurende dezen overgangstijd, meer of min als patiënten
beschouwen. Warme planten vooral moeten op een zoo licht en warm
mogelijke plaats gezet worden; tegen de zon moet zorgvuldig geschermd
worden en vooral moet men de planten dikwijls spuiten. Het voorkomen
van tocht en van sterke schommelingen in de temperatuur zal aan de
planten, vooral in dit critieke tijdperk, zeer ten goede komen.
Het gieten.
Een van de moeilijkste werken, zoo niet het moeilijkste werk, is
voor den liefhebber zeker wel het gieten der potgewassen. Hij, die
hiermede goed overweg kan, mag zich gerust een eenigszins ervaren
plantenkweeker noemen. In de meeste gevallen worden de kamerplanten
ziek, door de lichtvaardigheid waarmede ze gegoten worden. In plaats
dat de liefhebber dan pleizier heeft van zijn planten, ze ziet groeien,
in omvang toenemen en ten slotte ziet bloeien, gebeurt juist het
tegenovergestelde. Hij ziet het ééne blad na het andere verwelken en
afvallen; hij ziet de twijgjes verdrogen en de wortels ziek worden,
totdat ten laatste zijn kweekelingen sterven en de eigenlijke oorzaak
daarvan kan hij maar niet bevroeden.
Den minsten last heeft men, wat gieten betreft, met die planten,
welke het minst in de kamer gekweekt worden; namelijk met de water
en moerasplanten. Bij de waterplanten vervallen alle moeilijkheden
dienaangaande; daar men slechts behoeft te zorgen, dat zij voldoende
diep in het water staan en dus nu en dan voor het verdampte water
versch behoeft bij te vullen. Moerasplanten, die niet direct in
water, doch in een moerassigen en dus zeer waterrijken bodem groeien,
behoeft men slechts in schaaltjes of schoteltjes te zetten en er voor
te zorgen, dat deze steeds voldoende met water gevuld blijven.
Voor alle overige planten is het gieten lang zoo eenvoudig niet.
Men moet hierbij rekening houden met het jaargetijde, zoowel als
met den gezondheidstoestand en den groei der planten. Ook moet de
grootte der potten of kuipjes in het oog gehouden worden en ook, of
men met pas verpotte gewassen te doen heeft, of niet. In de eerste
plaats moet men er op rekenen, dat bij alle planten op een periode
van flinken groei een periode van rust volgt; tijdperken, welke niet
sterk begrensd zijn, maar langzaam in elkander overgaan.
Talrijke planten zijn er, die gedurende haar groeitijd bijna niet
genoeg water kunnen krijgen, terwijl diezelfde planten in den rusttijd
zeer gevoelig voor te veel water zijn. In de groeiperiode komt het
vaak voor, dat planten, die des morgens flink gegoten zijn, des
avonds weder behoefte hebben aan water. Dit wil nu niet zeggen, dat
de planten gedurende dezen korten tijd al dit water verbruikt hebben,
doch men moet niet vergeten, dat vooral gedurende den zomer, de zon en
de heerschende droge lucht de aarde der potten ook niet weinig doet
uitdrogen. Voordat men een plant giet, moet men zich overtuigen of
zij wel water noodig heeft. Er zijn verscheidene kenteekenen waaraan
een leek de behoefte aan water kan waarnemen.
Planten, die teer van bouw zijn, laten, zoodra zij gebrek aan
water krijgen, al spoedig de bladeren hangen, maar ook planten van
krachtiger bouw, krijgen, wanneer zij gebrek aan water hebben, een
matte tint en gaan daarop slap hangen. Een plant, die slap hangt,
moet natuurlijk dadelijk gegoten worden. Het is echter zeer gewenscht,
dat men niet wacht met gieten, totdat de planten slap gaan hangen,
zoodat het kennen van andere kenmerken zeer noodig is. Een eenvoudig
kenteeken is de eigenschap die allen aardsoorten, ook den zwarten,
eigen is, namelijk om in drogen toestand lichter gekleurd te zijn
dan in vochtigen. Zware leemachtige aardsoorten bersten ook nog, als
ze droog zijn. Zeer dikwijls komt het echter voor, dat de bovenlaag
der aarde er droog uitziet, terwijl het inwendige, waar zich juist
de wortels bevinden, nog voldoende vochtig is. In zulke gevallen kan
men echter toch ook tamelijk gemakkelijk weten of men al dan niet
gieten moet. Een zeer juist kenteeken heeft men, in zulke gevallen,
in het gewicht der plant. Terwijl toch vochtige planten eenigszins
zwaar aanvoelen, kenmerken droge planten van dezelfde afmeting zich
door een veel lichter gewicht.
Natuurlijk behoort er eenige oefening toe, om aan het gewicht te
onderscheiden of een plant behoefte heeft aan water. Bij een weinig
practijk krijgt men deze echter spoedig.
Gedurende den groeitijd, dus midden in den zomer, heeft het niet
veel te beteekenen of men al een keer te veel giet; gedurende den
winter is dit echter iets anders; één fout, in het gieten begaan,
kan dan voor de plant noodlottig worden. Dikwijls verloopen er weken,
voordat een in haar rusttijd te veel gegoten plant weer opdroogt.
Voor in kleine potjes staande planten is te veel gieten ook niet zoo
nadeelig als voor die, welke in grootere potten of kuipjes worden
gekweekt. Bij het gieten van grootere pot- en kuipplanten, moet
men dus met bijzondere voorzichtigheid te werk gaan; men kan zich
hier niet meer verlaten op de kleur der aardoppervlakte, maar men
moet door kloppen tegen den pot- of kuipwand den vochtigheidsgraad
bepalen. Verkrijgt men door te kloppen een doffen toon, dan is de
aarde droog.
Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de eigenlijke water- en
moerasplanten slechts betrekkelijk weinig vocht in haar weefsel
opzamelen, terwijl de in droge landstreken groeiende planten veel
meer water bevatten. Juist dààrdoor zijn deze laatste dan ook in
staat langen tijd droogte te verdragen. Inderdaad hebben de wortels
slechts zeer weinig behoefte aan water en zijn het hoofdzakelijk de
in het water opgeloste voedingsstoffen, die de plant opneemt. Uit
dit oogpunt beschouwd, moet het dus wel schadelijk werken, wanneer de
aarde met water oververzadigd is. De aarde moet los en poreus zijn,
zoodat het water gemakkelijk kan doorzakken. Heeft men staand water,
dan ontstaat er rotting in den bodem, de lucht wordt daaraan en ook aan
de wortels onttrokken, en het is zoodoende de onmiddellijke oorzaak
van den dood van alle landplanten. Deze hoogst ongunstige werking is
de reden, waarom de schaaltjes of schoteltjes, die uit zindelijkheid
dikwijls onder de planten gezet worden, zooveel mogelijk moeten
vermeden worden. Wil men ze toch gebruiken, dan moeten zij, zoodra
het doorgeloopen gietwater zich er in verzameld heeft, leeggegoten
worden. Alleen wanneer men planten heeft, die in een zeer lichte,
doorlatende aarde staan, mag men ze een half uur na het gieten pas
leegmaken, daar in dit geval het water dikwijls wegloopt zonder de
aarde voldoende bevochtigd te hebben. Een groote fout zou dit echter
wezen, er met het gieten op te rekenen, dat het water niet door den
pot loopt.
Wanneer men giet, dan moet dit, onverschillig welk jaargetijde het is,
goed geschieden, zoodat het water de geheele kluit doortrekt en ten
slotte door het drainage-gaatje in den bodem wegloopt. Fig. 44 toont
naast het gewone plantenschoteltje een tweetal, die sinds eenigen tijd
in den handel gebracht zijn. Deze laatste zijn voor den liefhebber zeer
gemakkelijk, daar zij niet dadelijk na het gieten leeggemaakt behoeven
te worden. Een tweede voordeel is het ook nog, dat, blijft het water
er in staan, dit langzaam verdampt, en zoodoende de planten met een
vochtige atmosfeer omringt, terwijl deze toch niet met den pot in het
water staan. Iedere pottenbakker kan, wanneer hij deze schoteltjes
niet heeft, ze gemakkelijk naar de afbeelding vervaardigen. Vaste
regels kunnen voor het gieten onmogelijk gegeven worden; dit hangt,
zooals wij reeds opmerkten, veel af van het jaargetijde, van den
gezondheidstoestand der planten en de afmeting der potten waarin
zij staan.
Naast de hoeveelheid water, die men geeft, is het ook van belang met
welk water er gegoten wordt. Het meest geschikt is zeker wel vijver- of
regenwater. Rivierwater is meestal ook zeer goed te gebruiken, mits men
zeker is, dat dit niet door loozingswater van fabrieken verontreinigd
is. Leidingwater is ook niet schadelijk, doch dit is in de meeste
gevallen zeer arm aan voedende bestanddeelen. Het minst geschikt is
bron- of welwater, daar dit in den regel te hard is en daarbij maar
al te dikwijls kalk en andere minerale stoffen bevat, die vaak zeer
schadelijk kunnen werken op de ontwikkeling der planten. Water,
dat te veel kalk bevat, moet men in geen geval gebruiken; is het
gebruik daarvan echter niet te vermijden, dan laat men het een paar
dagen vóór het gebruik in een kuip zetten en voegt men er een weinig
koolzure kali of potasch aan toe, die dan de kalk neerslaat.
Een factor, die ook niet uit het oog verloren mag worden, is
de temperatuur van het water. Vele mooie, sterke planten worden
wortelziek, doordat zij met te koud water werden begoten. Niet alleen
voor teedere planten is het koude water nadeelig, maar zelfs de hardste
planten hebben daarvan te lijden. In ieder jaargetijde, hetzij zomer
of winter, moet men voor het gieten geen ander water gebruiken, dan dat
minstens twaalf uren in hetzelfde vertrek heeft gestaan als de planten,
en zoodoende de temperatuur van dit vertrek heeft aangenomen. Een
voorname rol speelt ook het tijdstip waarop gegoten wordt. Des zomers
giet men het beste 's avonds, 's winters daarentegen des morgens.
Indien het eenigszins mogelijk is, moet het gieten van in de zon
staande planten vermeden worden. Is het niet voldoende, gedurende
het warme seizoen uitsluitend des avonds te gieten, dan doet men dit
's morgens voor den tweeden keer, terwijl men dan in den namiddag de
planten verfrisschen kan, door ze licht te besproeien. Gewoonlijk
houdt zware kleiachtige grond het water lang vast en planten, die
daarin staan, behoeven dus niet zoo dikwijls gegoten te worden. Het
is echter onmogelijk om alle kamerplanten in zware aarde te kweeken;
de teerste verlangen daarentegen juist lichten grond, zooals blad-
of boschgrond. Deze aardsoorten hebben niet alleen de eigenschap bij
warm weer sterk uit te drogen, maar, en hier moet vooràl op gelet
worden, zijn zij eenmaal goed uitgedroogd, dan nemen zij niet zoo
heel gemakkelijk het water op. Is een in deze aarde geplaatste plant
eens goed droog en giet men haar, dan loopt het water tusschen de
kluit en den potwand weg, zonder de kluit, waarin de wortels zich
bevinden, te bevochtigen. Hoogstens de oppervlakte wordt dan even
nat. Hetzelfde gebeurt ook, wanneer, door te sterk uitdrogen, de
kluit van den potwand heeft losgelaten en men haar, vóór het gieten,
niet eerst goed aangedrukt heeft.
Niet weinig kamerplanten gaan door dit uitdrogen ten gronde. Een
plant, waarvan de kluit inwendig droog is, begint te kwijnen; zij
verdort, zonder dat de onervaren liefhebber er achter kan komen,
wat de ware oorzaak daarvan is. Een meer geoefend liefhebber behoeft
den pot slechts even op te lichten, om aan het gewicht te bemerken,
waar de fout schuilt. In twijfelachtige gevallen zal men wijs doen,
de plant voorzichtig uit den pot te nemen, om te onderzoeken of zij
ook uitgedroogd kan zijn. Is de plant werkelijk geheel uitgedroogd,
dan bestaat er slechts een radicaal middel, namelijk haar in een
emmer met water te zetten. Het kan voorkomen, dat zij zóó licht is
geworden, dat zij op het water blijft drijven. Meestal heeft een plant
meer dan een half uur noodig om zoodoende tot haar vocht te komen;
het wil echter wel gebeuren, dat daar vijf à zes uren voor noodig zijn.
Het ligt vóór de hand, dat het te weinig gieten ook zeer schadelijk
voor den groei der planten is. Maar dit is niet de groote fout van
de meeste liefhebbers; de meesten gaan aan het euvel mank, dat ze
den planten te veel van het goede geven en daardoor veel te rijkelijk
gieten. Wij hebben reeds gezegd, waardoor het te veel gieten schadelijk
is voor de planten en het is nog zeer de vraag, wat noodlottiger is,
het te veel of te weinig gieten. Als zeker kan men aannemen, dat het te
weinig gieten minder gevaarlijk is, daar men dit den planten, die aan
droogte lijden, direct kan aanzien en ook, omdat deze, wanneer men ze
gegoten heeft, zich tamelijk snel weder herstellen. Een plant echter,
dien men te veel water geeft, toont aanvankelijk geen verandering;
begint zij eindelijk ziekelijk te worden, dan kan men met tamelijke
zekerheid aannemen, dat de wortels ziek zijn, en in de meeste gevallen
zullen zij dan wel reeds tot verrotting zijn overgegaan.
Een groote fout begaan vele liefhebbers, vooral bij de buitenstaande
planten, doordat zij te wild met het water omgaan en in plaats van
de tuit des gieters op den rand van den pot te leggen en dan langzaam
het water op de plant te gieten (Fig. 45), die er ver van verwijderd
houden en er het water op laten stroomen, zoodat de aarde met het
opspringende water medegevoerd wordt. Door deze wijze van gieten,
ontstaan er gaten in de kluit en worden er wortels bloot gelegd,
wat natuurlijk moet voorkomen worden (Fig. 46). In woonkamers, waar
men alle morsing zooveel mogelijk tracht te voorkomen, wordt meestal
voorzichtiger gegoten. In Fig. 47 geven wij nog een afbeelding van een
door J. C. Heinemann, te Erfurt, in den handel gebracht kamergietertje,
dat het bemorsen der woonvertrekken zooveel mogelijk voorkomt. In
plaats van een tuit is er aan dezen gieter een gutta-percha slangetje
verbonden met een glazen mondstukje. Bij het gieten, neemt men het
einde der slang in de hand, houdt het glazen mondstukje op den pot
en regelt door in de slang te knijpen den toevoer van het water. Na
afloop van het gieten, wordt het slangetje in den gieter gelegd.
Let men bij het gieten goed op, dan is dit niet zoo moeilijk als het
zich wel laat aanzien. Een liefhebber, die werkelijk hart voor zijn
planten heeft, zal spoedig den rechten weg vinden, indien hij niet
slechts oogen heeft, maar daar ook goed mede kan zien. Uit kleine
veranderingen, die zijn planten ondergaan en welke een gewoon mensch
niet ziet, zal hij al heel spoedig de behoeften van zijn kweekelingen
leeren kennen en zal hij al gauw raad weten, hoe daarin te voorzien.
De bemesting der potplanten.
Bij het kweeken van planten geldt het tamelijk wel als regel, dat
men verplanten moet, wanneer de pot met wortels volgegroeid is en
de aarde dus geen voldoend voedsel meer bevat. Het verplanten is
echter niet ten allen tijde even raadzaam. Heeft men teere planten,
dan is het, door het verre seizoen, dikwijls onmogelijk geworden; bij
grootere planten, vooral kuipplanten, is het vaak te kostbaar en te
lastig en bij de, in het voorjaar, met bloemplanten bezette waranda-
en balkonbakjes is het meestal onmogelijk. Groeien de planten in al
deze gevallen goed en wil men ze gaarne wat goed doen, dan is het
raadzaam om mest te gebruiken.
Wil men van de bemesting een goede werking verwachten, dan moet men
er voorzichtig mede zijn en haar slechts toepassen bij gezonde, goed
bewortelde planten. Zieke planten of gewassen, die in haar rusttijd
zijn, mogen nooit bemest worden. Fraai bloeiende planten mogen pas dán
bemest worden, wanneer de bloemknoppen zich beginnen te ontwikkelen;
doet men dit vroeger, dan zal men wel een sterke bladontwikkeling,
doch geen bloemen krijgen. Gewoonlijk begint men met de bemesting in
de maanden Mei en Juni, en, al naar den aard der te behandelen planten
en van den te gebruiken mest, herhaalt men dit met tusschenruimten
van vier tot veertien dagen. Bij potgewassen gebruikt men in den
regel slechts vloeibaren mest, die dadelijk na de toediening begint
te werken. De bemesting doet men het best op donkere dagen of tegen
den avond. De mest heeft slechts dán invloed, wanneer geen ongunstige
omstandigheden den groei der plant beletten en er geen fouten in de
behandeling worden begaan. Ook moet men niet vergeten, dat door de
bemesting het verplanten slechts verdaagd wordt, daar deze bewerking,
vroeger of later, toch moet geschieden, indien men niet wil, dat de
elkander verdringende wortels tot rotting overgaan.
In den laatsten tijd worden de chemische hulpmeststoffen zeer
aanbevolen. Deze zijn uit verschillende zouten en minerale
bestanddeelen samengesteld. Wij durven echter deze meststoffen den
liefhebber niet aanraden. Hij toch kan moeilijk, of in het geheel niet
nagaan, welke bouwstoffen een plant noodig heeft, en de meeste dezer
chemische meststoffen zijn bij verkeerde aanwending zeer gevaarlijk,
terwijl bij juiste aanwending de resultaten toch altijd bij vele
plantengeslachten zeer twijfelachtig zijn.
Een liefhebber doet verreweg het beste, meststoffen te gebruiken,
bestaande uit plantaardigen en dierlijken afval; deze bevatten evenals
goede aardsoorten al die voedingsstoffen, welke de planten voor een
goeden groei noodig hebben.
Een der beste meststoffen is zeker wel de koemest. Op een afgelegen
plek van het huis of den tuin zet men een vaatje neer, dat men met
water laat vullen. Door dit water wordt zooveel koemest geroerd,
dat het een donker troebel voorkomen krijgt. Op dezelfde wijze
behandelt men den zeer goed bruikbaren schapenmest. Het mengsel,
dat men met deze mestsoorten laat bereiden, is bekend onder den
naam van gier. Door den minder aangenamen reuk laat deze gier zich
natuurlijk niet best in een kamer gebruiken. Voor in den tuin of de
waranda staande planten is zij echter zeer aan te bevelen.
Voor bemesting in de kamer gebruikt men Peru of Vischguano, kippen-
of duivenmest. Deze mestsoorten vermengt men met koud water, welk
mengsel dan voor het gebruik een paar dagen moet staan, of wel,
men lost het in kokend water op; in dit geval kan men het na het
koud worden toedienen. Het is niet raadzaam de oplossingen van deze
droge meststoffen te sterk te nemen, 2 à 3 gram op een Liter water
is voldoende. Op dezelfde wijze wordt ook beender- en hoornmeel
aangewend, beide zijn zeer stikstofrijke en goede meststoffen. Ook
Salmiak kan als een stikstofhoudende meststof gebruikt worden, mits men
er voorzichtig mede is en niet meer gebruikt, dan enkele druppels op
een gieter water. Bij het gebruik van vloeibare meststoffen moet men
er op letten nooit te bemesten, wanneer de planten droog zijn. Is dit
het geval, dan worden de potten eerst met gewoon water gegoten, daarna
bemest en is men wellicht bang, te sterk gemest te hebben, dan kan men
met water nog eens nagieten. Bij het verplanten van sterk groeiende
planten kan men ook enkele hoornspanen (afval van hoorndraaierijen
en kammenfabrieken) door de aarde heenmengen. Deze meststof werkt
zeer langzaam, daar zij pas na enkele maanden verteert. Bij den, op
genoemde wijzen bereiden vloeibaren mest, kan men nog wat houtasch
of schoorsteenroet voegen, wat de werking nog een weinig verhoogt.
Daar de meeste meststoffen eenigszins scherp werken en daar de meeste
planten haar voedsel slechts in zeer zwakke oplossingen opnemen,
moet men er zeer voorzichtig mede wezen. De vloeibare mest dringt
zeer snel door de geheele kluit tot aan de fijnste haarworteltjes,
en bij een te sterke dosis kan dit zeer gevaarlijk worden. Het beste
is dus, slechts zeer zwakke oplossingen te gebruiken en dan enkele
keeren meer toe te dienen. Midden in den zomer, wanneer de planten
in vollen groei zijn, gebruiken zij de meeste voedingsstoffen; van
het begin van den rusttijd echter tot den hernieuwden groei in het
volgend voorjaar, hebben zij weinig of geen voedsel noodig en de
bemesting moet dàn ook geheel achterwege blijven.
In den handel komen enkele soorten bloemenmest voor, meest in een nette
verpakking, welke bij de meeste zaadhandelaars verkrijgbaar zijn. Deze
meststoffen hebben somtijds een zeer goede werking en bevelen zich
ook aan, wijl zij in het geheel niet rieken. Bij ondervinding weten
wij, dat er door enkele vertrouwde handelaren in hulpmeststoffen
tegenwoordig zeer goede mengsels in den handel worden gebracht. Van
deze meststoffen geeft men, met tusschenpoozen van enkele weken,
al naar de grootte der planten, een grootere of kleinere hoeveelheid
droog op iederen pot. Op dezelfde wijze kan ook Guano of hoornmeel
toegediend worden. Men verwijdert daartoe om den potrand een weinig
aarde, strooit in het gemaakte gleufje den mest en bedekt dat weder
met aarde, waarna de plant flink gegoten wordt.
Maar al te dikwijls wordt door onze dames koffiedik als meststof
gebruikt, terwijl talrijke heeren een zwak hebben, daarvoor sigarenasch
te doen dienen. Beide stoffen zijn wel onschadelijk, maar hebben niet
den minsten invloed op de ontwikkeling der planten. Men doet dus beter,
beide stoffen maar niet op de potten te brengen, daar zij deze slechts
verontreinigen.
Vatten wij de hoofdregelen voor de bemesting nog eens in het kort
samen, dan zien wij, dat men steeds zwak, maar liever enkele keeren
meer moet bemesten. Men diene nooit mest toe aan zieke of pas
verplante gewassen, maar doe dit slechts, wanneer zij goed gezond
en doorgeworteld zijn. De toediening moge nooit geschieden, wanneer
de plant droog is of in de zon staat, maar men doe dit uitsluitend
des avonds of op donkere dagen. Zeer langzaam groeiende of teere
planten bemeste men bij voorkeur nooit, of, zoo dit al noodig is,
dan in geen geval met sterke, veel stikstof bevattende meststoffen.
Het snoeien der potplanten.
Maar al te vaak vindt men in de kamers en voor de vensters planten,
hetzij groenblijvende of bloemplanten, die een zeer treurigen indruk
maken. Dit is niet altijd het gevolg van een slechte behandeling,
maar van het feit, dat de onkundige bezitter ze niet behoorlijk
snoeide. Terwijl tuinman zoowel als liefhebber, door onverstandig
snoeien van vruchtboomen en bloemheesters, dikwijls meer bederven dan
zij goedmaken, wordt bij kamerplanten de meeste schade aangericht,
doordat in het geheel niet gesnoeid wordt. Men vergete niet, dat de
potplanten eenigszins als gevangenen kunnen beschouwd worden. De
wortels zijn tot den pot beperkt, en kunnen hun natuurlijke
ontwikkeling niet verkrijgen, en daar vele planten uit een gunstiger
klimaat stammen, kunnen zij natuurlijk niet zulke forsche scheuten
ontwikkelen, als zij dit in de vrije natuur van haar moederland
doen. De betrekkelijk zwakke scheuten der potplanten groeien, wanneer
zij niet gesnoeid worden, gewoonlijk slechts aan de toppen der twijgjes
uit; van onder blijven zij dus kaal. Door het gewicht der, in het
tweede jaar, ontstane twijgen worden de eersten nu zoo bezwaard, dat
zij gaan overbuigen en in de plaats van fraai rechtgroeiende planten,
verkrijgt men dan kromme, vergroeide exemplaren. De potplanten moeten
dus gesnoeid worden, en wanneer men ze in een bepaalden vorm wil
kweeken, moet dit zelfs zeer goed geschieden. De struikvorm is de meest
natuurlijke vorm voor het met bloemplanten beoogde doel. De kroon-,
pyramide, zuil- of kogelvorm, waarin men zeer veel planten ziet, kunnen
slechts door snoeiing verkregen worden. Wij willen het aankweeken
van dergelijke kunstmatige vormen niet in de hand werken, want zonder
twijfel zijn de stijve pyramide- en kogelvormen even onnatuurlijk als
leelijk. Over het juiste snoeien der kamerplanten moeten wij echter
nog het een en ander zeggen. Men moet met snoeien reeds beginnen
bij de jonge, pas opgepotte stekken. Reeds dadelijk moeten wij met
zulke jonge plantjes weten of wij ze in struik- of stamvorm willen
voortkweeken. In het eerste geval moet men dadelijk beginnen met de
koppen uit de stekken te snijden. Een jonge stek, die in een warmen
bak aan alle kanten uitgroeit en dus uit ieder bladoksel een twijg
ontwikkelt, doet dit, in de kamer gekweekt, meestal niet; hier groeit
zij slechts recht naar boven. Het uitsnijden van den kop is dus noodig,
om zoodoende de nog slapende oogen tot uitgroeien te nopen. Wil men
daarentegen van een stek een stamboompje kweeken, dan mag de kop er
in het geheel niet uitgesneden worden. Voor dit doel moet men steeds
goed groeiende stekken gebruiken. Bij deze worden dan stokjes gezet en
de stekken, naarmate zij groeien, daaraan gebonden, terwijl men alle
zijscheuten, die zich ontwikkelen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat zij
kunnen doorgroeien, wegneemt. Heeft de plant eindelijk de verlangde
hoogte bereikt, dan wordt de kop eruit gesneden. Spoedig zullen zich
nu zijtakjes ontwikkelen, van welke men er drie tot vijf laat staan,
die ook weder, zoodra zij eenige bladeren verkregen hebben, worden
ingesneden. Het insnijden der zich achtereenvolgens ontwikkelende
scheuten wordt zoo lang voortgezet, totdat de kroon een voldoenden
vorm verkregen heeft. Ook de jonge struikplanten moeten, zoolang zij
nog in haar groeiperiode zijn, ingesneden worden, en wel zoo vaak,
totdat zij een mooien, goed gevulden, doch niet stijven vorm aangenomen
hebben. Zeer dikwijls moet dit insnijden geschieden met opoffering
van den bloei. Hierdoor late men zich echter niet van streek brengen,
daar men veel beter doet de jonge planten nog niet te laten bloeien,
wijl dit haar veel te veel verzwakt.
Het spreekt van zelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze en even
dikwijls gesnoeid moeten worden. Er zijn zeer veel planten, die,
wanneer men, toen zij jong waren, voor een goede vertakking heeft
gezorgd, van zelf een gedrongen vorm behouden, zonder dat het later
noodig is, ze meer in te snijden. Andere planten echter, waaronder de
meeste groenblijvende, die men slechts als decoratieplanten kweekt,
zooals: Evonymus, Eugenia, Viburnum Tinus, Laurus nobillis en Myrtus,
nemen het lang niet kwalijk, wanneer men in den loop van den zomer
haar jonge scheuten een paar keeren insnijdt. Dit insnijden behoeft
men niet met een mesje te doen, men knijpt het kopje eenvoudig met
de nagels van duim en wijsvinger der rechterhand af. In alle gevallen
heeft dit dikwerf insnijden een gevulden groei ten gevolge.
Andere soorten van bloemplanten, die haar blad des winters verliezen,
zooals: Fuchsia's, Hortensia's, Rozen, Heliotropen, Pelargoniums
en meer dergelijke, worden in den regel slechts één keer 's jaars
gesnoeid, en wel in het voorjaar bij het begin van den nieuwen groei,
of wel kort vóór of na het verpotten (Fig. 48 en 49). Bij de meeste
dezer planten gaat men volgenderwijze te werk. Eerst verwijdert
men de doode en zeer zwakke twijgjes, door ze bij de hoofdtakken
af te snijden. Hierna worden die twijgjes geheel verwijderd, welke
merkbaar te veel zijn en waardoor de plant te dicht zou worden. De
overblijvende takken worden nu gemiddeld met een derde hunner
lengte ingekort, waarbij men er op moet letten, dat het uiterste,
dus het dichtst bij de snede staande oog, zoo mogelijk naar buiten of
tenminste zijwaarts gericht is; nooit mag dit oog echter naar binnen
staan. Uit het uiterste oog ontwikkelt zich toch de krachtigste twijg
en men moet voorkomen, dat deze naar binnen groeit, daar de kroon
anders niet voldoende in omvang toeneemt. Het spreekt wel vanzelf,
dat niet alle planten op dezelfde wijze behandeld kunnen en mogen
worden. Met het snoeien moet er dan ook vooral op gelet worden,
of de planten bloeien op de jonge scheuten dan wel op die, welke
in den vorigen zomer ontwikkeld zijn. Een voorbeeld van dit laatste
levert ons de Hortensia, welke bloeit uit de scheuten, die zich uit de
eindknoppen der voorjarige krachtige twijgen ontwikkelen. Snijdt men
nu deze twijgen in het voorjaar terug, dan ligt vóór de hand, dat zij
des zomers niet zal bloeien. De Hortensia is dus een voorbeeld van die
planten, waarvan de krachtige scheuten in het voorjaar in het geheel
niet gesnoeid mogen worden; men bepaalt zich tot het verwijderen der
doode en te dichtstaande twijgen. Worden zulke heesters te wild, dan
moeten zij, zoodra ze uitgebloeid zijn, teruggesneden worden. Ook de
Sering levert hiervan een duidelijk voorbeeld. De Roos behoort ook tot
de planten, die niet juist als een Fuchsia gesnoeid mogen worden. Onder
de Rozen bevinden zich eenige soorten, zooals de bekende Maréchal Niel,
waarvan de krachtige scheuten in het geheel niet gesnoeid mogen worden;
men verwijdert slechts het doode en te zwakke hout. Gewoonlijk snoeit
men naar den groei der bepaalde soorten. Thee- en andere zwak groeiende
rozensoorten, moeten diep ingesneden worden d.w.z. zoodanig, dat aan de
sterkste scheuten slechts 3-5 oogen blijven. De sterk groeiende soorten
worden tot op 6-8 oogen ingesneden. Snoeit men een Roos te kort,
dan wordt te diep in het rijpe hout gesneden, en het gevolg is een
arme bloei; snoeit men ze echter te lang, dan komen de onderste oogen
der te lang gesnoeide twijgen niet tot ontwikkeling en de struiken of
kroonboompjes blijven dan van onderen geheel kaal, wat niet erg mooi
is. In de meeste gevallen zal een opmerkzaam, plantenliefhebber zeer
spoedig zien, hoe hij zijn planten moet snoeien. Aan de ontwikkeling
laat zich spoedig waarnemen of men een plant te lang of wel te kort
gesnoeid heeft en men zal dan zeker niet nalaten, in het volgende jaar,
rekening te houden met de opgedane ondervinding.
Men gebruikt voor het snoeien, wanneer men kleine, dunne of zachte
takjes moet afsnijden, een scherp mesje; moet echter een plant
met dikkere houtachtige stengels gesnoeid worden, dan is het beter
van een zoogenaamde Rozenschaar, van klein model, gebruik te maken
(Fig. 50). Om er voor te zorgen, dat de schaar niet knijpt, lette men
er op, dat de scherpe schaar steeds naar boven gericht is. De snede
moet zoo dicht mogelijk bij een oog plaats vinden, daar er anders
een eind dood hout ontstaat, dat de plant zeer ontsiert. Dikwijls
zal ook zulk een dood eind inkankeren en het ziek worden der plant
ten gevolge hebben.
Het opbinden der potplanten.
Onder de planten, die in een kamer gekweekt worden, bevinden zich
verscheidene, die een stevigen steun behoeven, welken men haar in
den vorm van een plantenstokje geeft. Zonder zulk een steunsel laten
zich b.v. de Palmen kweeken, daar deze in de kamer wel nooit een stam
zullen vormen; ook de planten met een stevigen houtachtigen stengel,
de lage kruidachtige planten en de meeste Cactussen en vele vetplanten
zullen wel geen steun behoeven. Bij zeer veel planten moet men met
het aanbinden al zeer spoedig beginnen, bij andere kan men zoolang
wachten, totdat de kroon een bepaalden omvang verkregen heeft. Voor
het opbinden gebruikt men gewoonlijk uit vurenhout vervaardigde
stokjes. Deze stokjes worden tegenwoordig fabriekmatig gemaakt, en zijn
in iedere kweekerij voor matigen prijs in alle verlangde afmetingen
te verkregen. Daar het niet mooi staat, wanneer het stokje te veel in
't oog loopt, is het geraden, dit voor het gebruik groen te laten
verven. Het gebruik van mooie, gedraaide stokjes met bont gekleurde
knoppen is niet aan te bevelen, omdat deze stokken meestal veel te dik
zijn. Het opbinden moet zóó geschieden, dat de plant zoo min mogelijk
haar natuurlijk voorkomen verliest, zoodat dan ook de takken niet dicht
in elkander gebonden mogen worden. Het opbinden aan waaier-, ballon- of
pyramidevormige ijzerdraadfiguren moet daarom zooveel mogelijk vermeden
worden, slechts met klimplanten kan men hierop een uitzondering
maken. Een plant, in een kunstmatigen vorm gebonden, ziet er altijd
onnatuurlijk en bijgevolg ook leelijk uit. Het stokje wordt op de
meest geschikte plaats, bij voorkeur aan die zijde der plant, welke
het minst ontwikkeld is, kaarsrecht in de aarde gestoken. Men moet er
ook op letten, dat het zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam staat. Men
bindt nu dezen van onderen stevig aan het stokje vast, en doet dit
nog enkele keeren op gelijke afstanden. Eerst wanneer de hoofdstam
goed aangebonden is, kan men de kleinere takjes gaan binden. Het komt
vaak voor, dat één enkel stokje voor een plant voldoende is, doch ook
wel, dat men er meerderen gebruiken moet. Hortensia's bijvoorbeeld,
die dikwijls zes tot tien krachtige scheuten ontwikkelen, die elk
een groot bloemscherm te dragen krijgen, moeten aan meerdere stokjes
gebonden worden, wil de plant er natuurlijk en los uitzien. Toch is
het raadzaam, zoo min mogelijk stokjes te gebruiken. Een liefhebber,
die goed toeziet, zal echter spoedig genoeg begrijpen op welke wijze
zijn planten opgebonden moeten worden. Kan men het zonder stokje doen,
dan is dit steeds het raadzaamste. De meeste moeite veroorzaken zeker
wel de klimplanten, die ter versiering van balkons en waranda's worden
aangewend. Wanneer de gelegenheden, waar zij tegen op moeten klimmen,
niet eenigszins met de natuur der planten overeenstemmen--en dit
is meestal het geval--, dan moet iedere tak op zichzelf aangebonden
worden. Laat men de takken of scheuten van klimplanten, die zonder
hulp geen steun vinden, neerhangen, dan ontstaat er vaak stremming
in den sappenloop en een langzame groei is daar het gevolg van. Fraai
bloeiende klimplanten bloeien evenwel, wanneer men ze aanbindt, zeer
ondankbaar, terwijl de afhangende takken juist door de sapstremming
rijk gaan bloeien.
Het opbinden geschiedt door het aanleggen van een gewonen band
of wel, men kruist het band eerst, zooals Fig. 51 aantoont. De
liefhebbers gebruiken voor het opbinden niet zelden draden, bandjes of
touwtjes. Al dit bindmateriaal is niet aanbevelenswaardig, eerstens
wijl het leelijk staat, ten tweede omdat het vaak, door de scherpte,
de weeke twijgjes beschadigt en ten derde omdat het meestal spoedig
verteert. Het beste materiaal, om planten op te binden, is zeker
wel het zoogenaamde bind- of moscovischbast, dat in den vorm van
matten wordt verkocht. Dit bast is zacht en zeer duurzaam. Jammer
daarom, dat het niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is. Door
verscheidene kweekers en zaadhandelaars wordt in groote vlechten het
zoogenaamde Raffiabast verkocht. Dit heeft vele goede eigenschappen;
het is zacht, bindt gemakkelijk, is sterk en ziet er netjes uit,
doch het is niet duurzaam, vooral niet, wanneer het buiten of
op vochtige plaatsen gebruikt moet worden. De duurzaamheid van
bindbast wordt aanmerkelijk verhoogd en de band minder zichtbaar,
wanneer men dezen, vóór het gebruik, een weinig draait, zoodat hij
het voorkomen van een touwtje krijgt. Naar de zwaarte der plant
moet men ook de zwaarte van den band nemen. Bindbast laat zich zeer
gemakkelijk in de lengte splijten, en voor kleine planten heeft
men slechts een dun bandje noodig. Het opbinden der planten moet
eenige malen 's jaars geschieden. In de eerste plaats moet men het
doen direct na de verplanting. Dit moet gebeuren, omdat het stokje,
in de meeste gevallen, bij de verplanting losraakt en dan natuurlijk
geen voldoenden steun meer voor de plant biedt. Daar de in den handel
zijnde stokjes steeds uit z.g.n. vurenhout zijn vervaardigd, rotten
zij spoedig aan de punt weg; alvorens dus oude stokjes te gebruiken,
moet men zich overtuigen of zij nog wel voldoende gaaf zijn. Langer
dan negen maanden of een jaar houdt een stokje het meestal niet uit,
en natuurlijk moet dan de plant opnieuw aangebonden worden. Aangezien
ook het bast niet zeer lang duurt, kan men als regel aannemen twee
of drie keer per jaar de planten te moeten opbinden.
Er zijn nog talrijke zaken, waar men bij het opbinden op te letten
heeft. Bij het opbinden van een kroonboompje mag de stok niet in
de kroon steken, zoodat hij in geen geval langer dan de stam mag
wezen. Als regel moet ook aangenomen worden, dat het stokje nooit
boven de plant mag uitsteken. Er zijn enkele planten met zeer zware
kronen, waarvan de takken zouden afbreken, wanneer zij niet gesteund
werden; onder deze planten behoort o.a. de reeds vermelde Epiphyllum,
een Cactussoort, die vaak op stam gekweekt wordt. In zulke gevallen
gebruikt men een ring van ijzerdraad, die onder de takken aangebracht
wordt en die door een drie- of een vijftal stokjes in positie wordt
gehouden. Bij het opbinden moet men ook acht geven, dat de band niet
te sterk om de plant wordt aangehaald. Door het groeien toch neemt
de stengel in dikte toe, heeft men den band te sterk aangehaald, dan
kan dit uitzetten daar plaatselijk niet gebeuren, waardoor de band
in den stengel groeit. Dit is zeer nadeelig, daar de sapbeweging er
door gestremd wordt: ook ontstaat er een inkerving, die nooit meer
verdwijnt. Lage, kruidachtige planten staan vaak zeer los, doordat de
wortelhals te zwak is, bij Chineesche Primula's komt dit o.a. veel
voor. Zulke planten worden niet opgebonden, doch er worden twee of
drie zeer kleine stokjes als steun langs den wortelhals geplaatst.
Zindelijkheid bij het kweeken van planten.
Menige veeboer verklaart, dat zindelijkheid het halve voedsel voor
zijn vee is, en met evenveel recht kan een plantenkweeker beweren,
dat zindelijkheid de halve cultuur uitmaakt. Vuile potplanten zien
er niet alleen onsmakelijk uit, doch zij kunnen ook onmogelijk goed
groeien. De zindelijkheid bij het kweeken van planten moet reeds met
den pot aanvangen. Wij hebben reeds gezien, dat vuile potten bij het
verplanten niet gebruikt mogen worden. De geheel nieuwe en schoone
pot verliest echter ook spoedig zijn zindelijk voorkomen; na eenige
weken of maanden wordt hij vuil, want door het vocht ontwikkelen
er zich spoedig mossen en andere lagere planten op. Een zoodanig
begroeide pot verliest zijn poreusiteit; het doordringen der lucht
tot de aarde heeft niet meer in voldoende mate plaats en deze wordt
zuur. Om dit te voorkomen is het noodig, dat men de potten minstens
twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, met een stijven
boenborstel afschropt. De oppervlakte van de aarde wordt ook meestal
onzindelijk. Door de vochtigheid ontwikkelt zich daar ook mos op; bevat
het gietwater kalk, dan wordt de oppervlakte langzamerhand wit. Ook
dit moet minstens twee keer per jaar verwijderd worden. Men bedient
zich hiertoe van een etiquetje, dat men dun afsnijdt en waarmede het
bovenlaagje der aarde zoo zuinig mogelijk afgeschrapt wordt.
Naast het mos ontwikkelen zich in de aarde dikwijls verschillende
onkruiden, waarvan de zaden in het grondmengsel aanwezig waren. Deze
onkruiden groeien sneller dan de gekweekte planten en zuigen den
bodem uit; reden waarom zij, zoodra men ze kan vatten, uitgetrokken
moeten worden.
De planten zelf en in hoofdzaak de bladeren en takken, tracht men,
door ze des zomers te bespuiten, schoon te houden. Het spuiten is
echter niet voldoende, daar het gebruikte water, al ziet het ook nog
zoo helder, nooit geheel zuiver is, waardoor het altijd, al is het
ook nog zoo weinig, vuil achterlaat. Slechts voor planten met kleine
blaadjes of wel voor kruidachtige planten, wier bladeren slechts
van korten duur zijn, is het spuiten voldoende. Fraaie bladplanten,
zooals Palmen, Ficus, Philodendron Aspidistra en anderen, die bij
een goede behandeling jaren haar bladeren behouden, moeten anders
gereinigd worden. De bladeren zijn, zooals bekend is, de longen der
planten, en zij kunnen dus onmogelijk gezond groeien, wanneer zij
geen schoone bladeren bezitten.
Een blad heeft voor de plant zeer veel functies waar te nemen, en wordt
het niet goed schoongehouden, dan kan het die onmogelijk vervullen. Een
blad waarvan de poriën verstopt zijn, kan zijn natuurlijke werking
niet verrichten. Bij de cultuur van alle bladplanten in de kamer is het
dan ook van het grootste belang, dat de bladeren minstens één keer per
week aan de boven- en onderzijde goed afgewasschen worden. Men bedient
zich hiertoe van zuiver, slechts even warm water, en een zachte spons
(Fig. 52).
Dit afwasschen moet bedaard en voorzichtig geschieden, omdat vele
bladeren zeer teêr zijn en door deze behandeling spoedig gewond
zouden worden. Hebben wij met planten te doen, waarvan de bladeren
door nalatigheid met een dikke, hard geworden laag vuil geheel of
gedeeltelijk bedekt zijn, dan is het gebruik van zuiver water niet
meer voldoende. In zulke gevallen moet men iets warmer water nemen,
waarin een weinig groene zeep is opgelost. Dit zeepsop heeft ook
het voordeel, dat talrijke jonge insecten, die men niet ziet, er
door gedood worden. Lastig om te wasschen zijn de gegolfde bladeren
van Waaier- en Vederpalmen. Tegen de nerven dezer bladeren hoopt
zich toch al te dikwerf vuil op, dat niet gemakkelijk te verwijderen
is. Het beste gelukt dit met een zacht kwastje, dat men telkens in het
water uitspoelt (Fig. 53). Zijn de planten door de onder te vermelden
ongedierten bezocht, dan is een zorgvuldige behandeling met de op te
geven middelen noodwendig.
Op de schors van oudere houtachtige planten, die reeds verscheidene
jaren in de kamer gekweekt worden, vormen zich dikwijls langzaam en
onbemerkt een dikke laag vuil. De op deze wijze vuil geworden takken
reinigt men het best met een hard kwastje.
Ook Cactussen, die men door hare stekels niet met een spons kan
schoonmaken, worden het best met een zachten kwast gereinigd.
Wil men de planten goed zuiver houden, dan moeten ook de gele,
verdorde of zieke bladeren verwijderd worden, alsmede de doode
twijgen en takjes. Dergelijke afgestorven of zieke plantendeelen,
evenals de uitgebloeide bloemen, moet men op tijd verwijderen, waartoe
men zich van een scherp mesje bedient. Veel te weinig wordt gelet op
het tijdig wegsnijden der verwelkte bloemen of oude bloemstelen. Is
men niet voornemens zaden der planten te verzamelen, dan moeten de
uitgebloeide bloemen zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, daar
zij anders onnoodig voedingsstoffen aan de plant onttrekken.
De vijanden der kamerplanten.
De strijd om het bestaan, dien alle schepselen moeten strijden, blijft
ook aan de in de kamer gekweekte planten niet gespaard. De vijanden,
die het plantenleven in de vrije natuur in gevaar brengen, en die,
wanneer zij nu en dan zeer talrijk optreden, geheele plantengeslachten
kunnen ten gronde richten, treden echter lang niet allen bij de
gekweekte planten op. De vijanden der planten, die zich onder de
zoogdieren en vogels bevinden, kunnen natuurlijk tot de in de kamer
gekweekte planten niet doordringen, en van niet weinig schadelijke
insecten, die buiten in den grond leven en de wortels aanvreten en
vernielen, bleven zij hier verschoond. Toch blijven er nog vijanden
genoeg over, die onze kamerplanten beschadigen en den liefhebber
vrij wat moeite kunnen veroorzaken. Het zijn hoofdzakelijk insecten,
die zich op onze kamerplanten nestelen, en het is merkwaardig, dat,
hoe zieker de planten zijn, hoe ondoelmatiger de behandeling is, die
wij haar geven, hoe droger en stoffiger de atmosfeer is, waarin wij
ze kweeken, deze plagen zich des te sterker vermenigvuldigen. Bij
de kamerplanten zijn juist de kleinste insecten de gevaarlijkste
vijanden. Zij treden vaak in zoo grooten getale op, en gelijken in
kleur dikwijls zoo sterk op de bezochte planten, dat de liefhebber,
die niet scherp toeziet, ze eerst dán bemerkt, wanneer een niet
onaanzienlijke schade is toegebracht.
Een der veelvuldigst voorkomende en gevaarlijkste vijanden van de
kamerplanten is zeker wel de Thrips (Thrips hæmorrhoidalis). Dit is
een zeer klein, zwart, gevleugeld diertje van langwerpigen vorm. Het
blijft gewoonlijk voor het oog verborgen, daar het zich steeds aan
de onderzijde van het blad ophoudt, waar het heen en weer loopt. Meer
nog dan het in vele soorten optredende diertje, vallen kleine zwarte
vlekjes in het oog; dit zijn de uitwerpselen dezer diertjes. De Thrips
beschadigt de planten, doordat zij met haar scherpe monddeelen de
opperhuid der bladeren afschaaft en dan haar voedsel uit het blad
zuigt. Veel last van dit insect hebben Aralia's, Azalea's, Varens,
Palmen en Ficussen. De aangetaste bladeren krijgen eerst zwarte
vlekken aan de onderzijden, worden daarna geel en vallen ten slotte af.
Een andere, niet minder gevaarlijke vijand is de Roode-spin
(Tetranychus telarius). Dit kleine spinachtige diertje is ook zóó
klein, dat men het nauwelijks kan zien. In jongen toestand is dit
diertje grijs, later rood van kleur. Het beweegt zich vooral des
nachts zeer snel over een fijn webachtig spinsel, op de onderzijde
van het blad. Naast de Thrips is de Roode-spin een der gevaarlijkste
plantenvijanden, omdat zij aan de bladeren het bladgroen onttrekt
en zoodoende de directe oorzaak van hun afsterven is. Fig. 54 toont
duidelijk hoe een door Roode-spin aangetast blad er aan de achterzijde
uitziet. Dergelijke sterk aangetaste bladeren worden spoedig geel en
sterven af; bij vele planten rollen zij zich op, om dan te verdorren.
Minder gevaarlijk, maar toch altijd nog zeer schadelijk zijn de
verschillende soorten van schildluizen. Deze treden bij voorkeur op
het oude hout op; dikwijls echter vindt men ze ook op de bladeren,
en dan wel aan beide zijden; ook op de jonge scheuten komen zij wel
voor. De schildluis heeft den vorm van ronde of langwerpige schildjes,
die als kleine verhevenheden op de bladeren voorkomen en maar al te
dikwijls de kleur bezitten der aangetaste organen. Zeer veel last
van schildluizen hebben de Oleander en Laurus (Laurier), waarvan de
bladeren dikwijls aan de onderzijden met witachtige schildluizen
als bezaaid zijn. De schildluizen, waarvan de beide geslachten in
voorkomen en levenswijze zeer sterk verschillen, zuigen zich op een
bepaalde plaats vast en sterven daar ook. Zij bevatten bij haar dood
een zeer groot aantal eieren, die door het doode diertje als met een
hard schild gedekt worden. Uit deze eieren ontwikkelen zich later de
larven. Op verschillende cultuurplanten vindt men verschillende soorten
van schildluizen. De wetenschappelijke namen van al deze soorten op te
geven, achten wij nutteloos, daar zij alle direct als schildluizen
zijn te herkennen en dan ook op dezelfde wijze moeten bestreden
worden. Fig. 55 toont een jong blad van een Palm, dat zich juist aan
het ontplooien is, en dat sterk door schildluizen is aangetast.
De insecten, waarvan men bij kamerplanten wel het meeste last heeft,
zijn ongetwijfeld de verschillende soorten van Bladluizen. Zij komen
meestal voor op jonge scheuten, waaraan zij de sappen onttrekken en
die zij door haar honigachtige, kleverige uitwerpselen daarenboven
zeer benadeelen. Deze uitwerpselen toch verstoppen de microscopische
openingetjes, die zich in de bladopperhuid bevinden en beletten
daardoor de ademhaling der planten.
Treft men vaak de bladluis aan, niet minder is dit het geval met de
Wolluis, een door een wit, wolachtig voorkomen zich onderscheidende
bladluis, die zich veel in de bladoksels ophoudt. Fig. 56 toont
het blad eener Sagittaria (Pijlkruid), sterk met bladluizen bezet,
en Fig. 57 een gedeelte van een Cactus (Echinopsis), waarop talrijke
wolluizen voorkomen.
Tegen al deze vijanden worden wel maatregelen genomen, doch het wijste
is zeker, hun optreden te voorkomen. Het beste doet men dit door den
planten een goede standplaats te geven. Den harden, kouden planten
geeft men de noodige frissche lucht, en men zorgt er des winters vooral
voor, dat zij niet in een vertrek staan, dat hooger verwarmd wordt dan
noodzakelijk is. De teerdere warme planten, die het meeste te lijden
hebben van de aanvallen van insecten, moet men beschermen tegen te
groote schommelingen in de temperatuur, tegen tocht en vooral tegen
te droge lucht. Dit alleen is echter niet voldoende, maar men zorge
er ook voor, dat deze planten op warme, lichte dagen minstens een
paar keer met de handspuit of den rafraîchisseur bespoten worden,
zoowel aan de boven- als aan de onderzijde der bladeren, terwijl
zij ook minstens één keer per week met lauw warm water moeten worden
afgewasschen. Het beste doet men, in dit water zooveel groene zeep
op te lossen, dat het melkwit gekleurd wordt. Het gebruik van zulk
zeepsop is reeds aan te bevelen, om de jonge, bijna onzichtbare
insecten te dooden. Een paar uur na het gebruik moeten de planten,
die er mede gewasschen zijn, echter met zuiver water afgespoten worden.
Wanneer men bemerkt, dat de insecten de overhand beginnen te krijgen,
dan moeten krachtiger maatregelen genomen worden. Vele middelen vindt
men hiervoor aanbevolen; de meeste gaan echter aan één groot gebrek
mank, namelijk: dat zij niet alleen de insecten vernielen, doch ook
zeer veel schade aan de planten berokkenen, waardoor al te vaak het
geneesmiddel erger is dan de kwaal. Het meest aanbevelenswaardig
is wel een aftreksel van tabaksbladeren, dat men zelf gemakkelijk
kan maken en dat ook in den handel verkrijgbaar is. Men maakt zulk
een tabaksextract van de zwaarste Kentucky- of Virginia-tabak; zulk
extract heeft een nicotine-gehalte van 7-8% en is vrij van minerale
vergiften. Om bijna alle planten-parasieten te dooden is het voldoende
de planten een of twee keer goed te bespuiten met dit extract, vermengd
met 60 tot 100 keer de hoeveelheid water. Heeft men zeer teere planten,
dan moet men het nog meer verdunnen; wil men het op planten met dikke,
lederachtige bladeren toepassen, dan kan het iets minder verdund
worden. Moet men grootbladige planten er mede behandelen, dan is het
beter ze er niet mede te bespuiten, maar de bladeren met een zachte
spons er mede af te wasschen. Heeft men kleinbladige planten met niet
al te groote kronen, dan is het eenvoudigste, deze met de kronen in
een emmer met zulk een oplossing te dompelen.
Heeft men een kleine, goed sluitende, leegstaande ruimte tot zijn
beschikking, bijv. een klein kamertje, dan kan men door middel van
tabak het ongedierte nog op een andere wijze verdelgen.
Men zet de planten des avonds in het kamertje; hierin brengt men
een komfoor met gloeiende kolen, waarop men, al naar de grootte der
kamer, een handvol of meer van de ordinairste tabaksbladeren legt,
die eerst een weinig vochtig gemaakt zijn.
De vochtige tabaksbladeren zullen nu gaan smeulen en een
dichten tabaksrook ontwikkelen, die al de insecten op de planten
doodt. Dezelfde uitwerking verkrijgt men door een aftreksel van
tabaksbladeren op een schaal te gieten en het in de kamer boven
een spiritusvlam te laten verdampen. Wij moeten echter opmerken,
dat verscheidene zachtere planten, vooral Palmen en Gesneriaceeën,
zeer sterk lijden van den tabaksrook, zoodat dit middel in geen geval
op deze planten mag worden toegepast. Hebben de planten een nacht in
het volgerookte vertrek gestaan, dan moet men ze den volgenden morgen
dadelijk weder in de versche lucht brengen en ze direct hierna goed
afspuiten. Was de berooking niet zwaar genoeg, dan liggen de luizen
bedwelmd en met opgezwollen lichamen op de aarde en den vloer; men
moet ze in dit geval verzamelen en verbranden. Tallooze proeven hebben
wij genomen met verschillende soorten insectenpoeders, die voor het
verdrijven van ongedierte op planten worden aanbevolen. Deze proeven
leverden steeds de ongunstigste resultaten. De in Fig. 54 en Fig. 56
afgebeelde bladeren zijn afkomstig van planten, die gedurende één zomer
zeker wel twintig keer met echt Zächerlin zijn bepoederd. Grootere
insecten zooals, pissebedden en kakkerlakken, worden door dergelijke
insectenpoeders vernield, de kleinere ongedierten, die op planten
leven, echter niet.
Het beste middel om dergelijke insecten te verdelgen is tabak in
iederen vorm. Tabakspoeder is ook met goed succes aan te wenden;
men strooit het op de achterzijde der van te voren vochtig gemaakte
bladeren. Kan men de bladluizen niet met de vingers verwijderen, dan
is tabak verreweg het beste middel. Grootbladige planten, die door
Roode-spin of Thrips geteisterd worden, wascht men het beste met niet
te sterk zeepsop af. Wil men zekerheid hebben ze te vernietigen,
dan worden de bladeren met zeepsop ingesmeerd en den volgenden
dag met zuiver water afgewasschen. Heeft men kleinbladige planten,
zooals Azalea's en Myrten, die aan deze kwaal lijden, dan bestaat er
ook een afdoend middel. Men maakt een zeepsop van water, dat tot 100°
Fahr. verwarmd is. In dit mengsel worden de kronen der planten enkele
seconden goed ondergedompeld; de kroon wordt hierna naar beneden
gehouden en goed afgeschud, opdat het zeepsop niet op de aarde zal
loopen. Zoo laat men de planten een dag staan en spuit ze den volgenden
dag met zuiver water goed af. Zoo noodig moet deze behandeling twee-
of driemaal met tusschenruimten van 8 dagen herhaald worden. Schild- en
wolluizen worden eerst voorzichtig met een kwastje verwijderd, waarop
men de planten op de aangegeven wijze met tabak of zeepsop behandelt.
Naast de opgegeven plantenvijanden zijn er nog vele andere, die
schade kunnen berokkenen, zoo bijv. de Smeerluis, die slechts zelden
en dan op weeke bladeren optreedt. Heeft men last van deze diertjes,
dan wordt het blad, waar zij op huizen, afgesneden en verbrand.
Verder heeft men nog larven, die in het inwendige van het blad leven.
Deze treft men veel aan bij Chrysanthemums, die in een te warme droge
lucht gekweekt worden. Ook heeft men nog larven, die het merg van
Rozescheuten uitvreten. Op deze komen wij later, bij het bespreken
der Rozen, nog nader terug.
Verscheidene vijanden der planten leven ook in de aarde. Het
menigvuldigst treedt de Regenworm op, hoewel deze niet als eigenlijke
plantenvijand mag beschouwd worden. De regenworm toch voedt zich
niet, zooals algemeen geloofd wordt, met levende plantenwortels, doch
slechts met rottende stoffen. Gewoonlijk wijst het aanwezig zijn van
regenwormen op een verzuurden grond en men doet het best de planten in
dit geval te verpotten in versche aarde. Is de aarde echter nog goed,
dan kan men toch den regenworm niet dulden, daar hij, door de gangen,
die hij in de aarde boort, de wortels beschadigt en daardoor schade
veroorzaakt. Ook wil het vaak voorkomen, dat het gietwater door
deze gangen wegloopt, voordat het de aarde behoorlijk heeft kunnen
bevochtigen. Men kan de regenwormen zeer gemakkelijk verdrijven,
door de planten een- of tweemaal met goed warm water--echter geen
heet water--te begieten.
Een nog onschuldiger middel is de planten een paar maal met een
aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes te begieten. Bij de
aanwending van deze drie middelen kruipt de regenworm uit de aarde
en kan gemakkelijk verwijderd worden.
Veel schadelijker, maar gelukkig niet zoo vaak in de potten voorkomend,
is de zoogenaamde Draadworm, de larf van den hoornkever, waarvan
verscheidene soorten bekend zijn. De draadworm leeft drie à vier
jaren als larf; hij heeft oppervlakkig bezien het voorkomen van een
meelworm en doet veel schade door het afvreten der wortels. Men vangt
de draadwormen door des avonds saladestronken met de snijvlakte op
den pot te leggen; hierdoor worden de wormen gelokt en des morgens
kan men ze dan onder deze stronken vinden en verwijderen.
Zeer schadelijk zijn ook de Wortelluizen. Deze heb ik tot heden slechts
aangetroffen bij grassoorten en ook bij de Adiantum. Zij zien er wit
en wollig uit, verspreiden zich snel over het geheele wortelnet en
richten daar veel schade aan. Zijn het minder kostbare planten, die er
door aangetast zijn, dan doet men verreweg het beste, die eenvoudig
op te ruimen. Heeft men er last van bij kostbaarder planten, dan kan
men beproeven ze door het begieten met goed warm water te vernietigen.
Als groote vijanden van kamerplanten moeten wij ten slotte nog de
Pissebedden en Melkslakken vermelden. Deze algemeen bekende diertjes
doen het meeste schade aan de planten, welke des zomers buiten in
de schaduw worden gekweekt. In de kamer zal men er weinig last van
hebben, tenzij zij er door gekochte planten ingebracht worden. De
pissebedden, die vooral in jonge en zachte bladeren gaten vreten,
worden gemakkelijk gevangen met doorgesneden rauwe en uitgeholde
bieten of aardappels. Deze stukken worden tusschen de planten gelegd,
de diertjes kruipen daar bij voorkeur des nachts onder, zoodat zij
den volgenden morgen gemakkelijk te vangen zijn. De melkslakken,
die gedurende vochtige zomers bij voorkeur in tuinen met zwaren grond
leven, richten door het stukvreten van alle teere bladeren zeer veel
schade aan. Het beste doet men, ze des avonds met een lantaarn op
te zoeken, wat men gemakkelijk doet door slabladeren neer te leggen
op de plekken, waar zij optreden. Ziet men deze des avonds laat na,
dan zal men er verscheidene van deze ongenoode gasten op vinden.
De kamerplanten hebben ook vijanden in het plantenrijk. Het optreden
van deze woekerplanten zou men kryptogamische ziekte kunnen noemen. Een
der lastigste is wel een draadalg, die hoofdzakelijk in stekpotten
optreedt, alsook de Honigdauw. De Honigdauw is zèker een der lastigste
vijanden van potplanten. Zij treedt, afgezien van den Wijnstok,
hoofdzakelijk bij Rozen en Chrysanthemums op. Het ontstaan van
den Honigdauw wordt zeer begunstigd en dikwijls zelfs veroorzaakt
door tocht en sterke temperatuur-schommelingen. De Honigdauw is
gemakkelijk waarneembaar door de witte stof, waarmede hij de bladeren
en jonge scheuten bedekt; deze groeien dan krom en krijgen een leelijk
voorkomen. Meer nog dan iedere dierlijke vijand kan de Honigdauw de
aangetaste planten beschadigen. Er worden talrijke middelen tegen
Honigdauw aanbevolen; het eenvoudigste en beste blijft toch zeker de
bloem van zwavel. De aangetaste planten worden bij helder, zonnig weer
goed bevochtigd en daarna flink bepoederd met bloem van zwavel. Het
is niet de bloem van zwavel zelf, die den Honigdauw doodt, maar het
is het zwavelzuur, dat daaruit door de inwerking van de zon en het
water ontstaat.
Een zeer kwaadaardige ziekte, die bij verschillende planten voorkomt
is de Roest. De Roestalg kenmerkt zich door een zeer gecompliceerde
ontwikkeling; zij heeft in de verschillende stadiën daarvan een zoo
verschillend voorkomen, dat men vroeger de Roest op rozen bij voorbeeld
in haar ontwikkeling voor verschillende algen heeft aangezien. Dikwijls
kan men op een blad de ontwikkeling zeer goed waarnemen. De Roest
treedt bij verscheidene planten op, o.a. bij Rozen, Camellia's, Palmen,
Anjelieren, enz. Het eenige middel tegen dezen vijand is: de aangetaste
bladeren zoo spoedig mogelijk af te snijden en te verbranden; de
geheele plant moet dan verder met bloem van zwavel behandeld worden,
op dezelfde wijze als wij tegen den Honigdauw opgaven.
De Honigdauw en de Roest kunnen als de voornaamste vijanden der Rozen
beschouwd worden. Deze lievelingsbloemen worden echter ook door tal
van dierlijke vijanden bezocht. Onder deze vijanden, die ook wel in
de kamer optreden, behooren ook de Rupsen. De vlinder dezer rups legt
haar eieren tegen de rozetakjes en wel bij voorkeur tegen de droge of
gestorven twijgjes; reden waarom men deze in den herfst moet afsnijden
en verbranden. Uit deze eieren komen reeds vroegtijdig rupsjes, die
groen of grijs gekleurd zijn. Deze rupsjes omspinnen de bladeren,
zoodat deze zich oprollen; zij vreten dan de opgerolde bladeren
en de jonge twijgjes op. Ook de bloemknop valt dikwijls als offer
dezer rups. Waar deze rups verschijnt, moeten de planten dagelijks
nagezien, de omgekrulde bladeren afgeplukt en verbrand en de overige
rupsen verwijderd worden. Zeer schadelijk is ook de Ringrups, de
rups van de Ringspin, die haar eieren ringvormig om de scheuten legt
(Fig. 58). Deze rups is ook zeer schadelijk voor vruchtboomen. In
Mei ontwikkelen zich uit de eieren kleine rupsen, die zich direct
in de bladeren inspinnen. Deze rupsen zijn zóó vraatzuchtig, dat
zij in enkele dagen een geheele bladkroon kunnen vernielen. Beter
nog dan het zoeken naar de rupsen, is het op tijd verwijderen der
eieren. Gevaarlijke vijanden der Rozen hebben wij ten slotte nog in de
Rozebladwespen. Deze volvoeren haar werk geheel in het verborgene. Zij
boren een gaatje in den onderkant der scheuten en leggen daar tusschen
de veertig en vijftig eieren in. De aangestoken scheuten krommen zich
om, in welk geval zij direct afgesneden en verbrand moeten worden. De
larf van deze wesp tast het merg der rozetwijgen aan.
Zieke kamerplanten.
Welke bloemenliefhebber heeft niet eens met groote spijt een zijner
planten ziek zien worden en ten laatste zien doodgaan? Evenals
onder de menschen en dieren, heerschen er ook onder de planten
verschillende ziekten, welke dikwijls in het begin slechts voor
vakmannen waarneembaar zijn, door leeken meestal pas bemerkt worden,
wanneer het voor genezing te laat is.
De zoogenaamde één- en tweejarige planten, die regelmatig na de
vruchtdraging afsterven, buiten rekening gelaten, sterven wel de meeste
planten door ziekten en invloeden van buiten, zooals vorst, droogte,
storm, enz. Sterven, zooals bij menschen en dieren, door ouderdom, komt
waarschijnlijk bij planten niet voor. Het kan bijvoorbeeld gebeuren,
dat een bliksemstraal, die een tak uit een eeuwenouden boom slaat,
te gelijk de indirecte oorzaak van zijn dood is. Het hout begint aan
de wonde te rotten, de stam wordt aangestoken en na verloop van eenige
tientallen van jaren geheel uitgehold en ten slotte is er slechts een
krachtige windstoot noodig om den trotschen reus, die zoovele eeuwen
over zijn kruin zag gaan, tegen den grond te werpen.
De planten, die in een kamer gekweekt worden, zijn voor dergelijke
invloeden, waaraan de planten in de vrije natuur zijn blootgesteld,
beschut; ook zijn zij verzekerd tegen de dikwijls noodlottige
aanvallen van grootere dieren, maar toch worden zij door de meest
verschillende ziekten overvallen. De kamerplanten kan men als
gevangenen beschouwen; evenals de vogel in een kooi, zitten zij met
haar wortels in den pot gevangen en deze belet maar al te dikwijls haar
krachtigen groei. Evenals de wortel in den pot, is dus ook de plant
in de kamer gevangen. Hoe dikwijls is het vertrek gevuld met droge,
stoffige lucht; hoe vaak wordt het toetreden van behoorlijk licht niet
verhinderd? Onze kamerplanten zijn echter niet alleen gevangenen,
het zijn ook bannelingen uit de meest verschillende landen, en wij
moeten ze niet alleen goed verzorgen, maar ook haar vaderlandsche
toestanden trachten na te bootsen en haar zoo mogelijk datgene geven,
wat zij in haar land van herkomst kunnen vinden.
Heel veel liefhebbers, die met een plant van de markt komen of er
een in de kweekerij gekocht hebben, vermoeden weinig, dat die plant
reeds de kiem des doods bevat. Het zou onjuist zijn, te beweren,
dat vele kweekers opzettelijk zieke planten verkoopen, maar er zijn
er toch wel, die in warme kassen opgekweekte planten zoo aan de markt
brengen, of die vergeten, wanneer een liefhebber een plant wil koopen,
die als kamerplant ongeschikt is, hem daarop opmerkzaam te maken.
Afgezien van die planten, welke des winters door kunstmatige warmte
in bloei worden getrokken, maar die toch zoo hard zijn, dat zij
onze winters zonder nadeeligen invloed buiten kunnen verdragen,
hetzij gedekt of ongedekt, leveren ons de tropische streken de beste
kamerplanten. Onder deze vindt men het meerendeel der bladplanten,
zooals alle Palmen, die onze kamers versieren. Een handelskweeker moet
deze planten in een warme kas, dikwijls ook in een verwarmden bodem
kweeken, want het is er hem om te doen in den kortst mogelijken tijd
fraaie exemplaren te verkrijgen. De zoo opgekweekte planten echter zijn
verwend, en het is een liefhebber niet geraden ze zoo uit de warme
kas in zijn woonvertrekken te plaatsen. Zeer raadzaam is het, zulke
planten nog een dag of veertien bij den kweeker te laten, die ze dan
langzaam aan een minder warme temperatuur kan doen gewennen. De planten
worden zoodoende gehard en zullen veel gezonder in de kamer blijven.
Het meeste nadeel ondervinden de bladplanten van de droge lucht,
die in de kamers heerscht; hoe meer er gestookt wordt en hoe hooger
de temperatuur stijgt, des te meer lijden de planten. Onder de
inwerking der droge lucht verdorren de spitsen der Palm- en andere
bladeren. Men snijdt deze dorre punten dan af, doch daarmede is het
kwaad niet gestuit, want de bladranden drogen weer in en ten slotte
blijft er van het geheele fraaie Palmblad weinig meer over dan de
steel, die natuurlijk ook afgesneden moet worden. Een gevolg van de
droge lucht is bij tropische planten ook het optreden der, in het
vorige hoofdstuk besproken, insecten. Deze vestigen zich meestal op de
onderzijde van het blad. In den beginne zijn zij voor het ongewapende
oog bijna onzichtbaar, maar hoe zieker de aangetaste plant wordt,
des te meer nemen zij in aantal toe.
Evengoed als zich de dorre bladpunten laten afsnijden, kan men ook
het ongedierte verwijderen; een geheele genezing der planten wordt
daarmede echter niet bereikt; deze verkrijgt men slechts door de
oorzaak der ziekte weg te nemen, en dus in dit geval door te trachten
een eenigszins vochtige lucht in het vertrek, waar men zijn planten
heeft, te verwekken. Zeer droog en derhalve ook zeer schadelijk voor
de planten is de kamerlucht gedurende den winter, wanneer de kachels
worden gestookt. Dit kwaad is tamelijk gemakkelijk te voorkomen, door
een vlakke schaal, met water gevuld, op de kachel zetten; ook kan men
een paar van zulke schalen tusschen de planten zetten. Het water zal
langzaam verdampen en zoodoende de lucht vochtig maken. Een nog beter
middel is, een zelfwerkend fonteintje in de kamer te plaatsen. Ik wil
er hier tegelijkertijd de aandacht op vestigen, dat een eenigszins
vochtige lucht niet alleen voor de planten, doch ook voor de menschen
zeer nuttig en gezond is, daar zij veel zuiverder en stofvrijer blijft.
Men moet vooral ook niet verzuimen de bladeren der bladplanten
minstens een keer per week met een zachte spons en lauw water af te
wasschen, daar zich op de groote bladvlakten licht stof en ander vuil
afzet. De bladeren vervullen met hunne talrijke, voor het ongewapende
oog onzichtbare openingetjes, dezelfde functie als de longen bij de
menschen; reden waarom men dus moet zorgen, dat deze openingetjes
niet verstopt geraken, afgezien nog van het feit, dat een stoffige
en vuile plant nooit een aangenamen indruk kan maken.
Zeer vele der teedere kamerplanten sterven, om het juist uit te
drukken, aan gevatte koude. Men moet er vooral voor zorgen, dat de
planten niet op de tocht staan, daar zij dit evenmin kunnen verdragen
als de vogels. Zeer veel schade veroorzaken ook de schommelingen in
de temperatuur; men moet er dus op letten, dat deze zoo gelijkmatig
mogelijk is, wat niet wegneemt, dat de temperatuur des nachts altijd
eenige graden lager moet wezen dan overdag, iets wat in de natuur
ook altijd het geval is. Wanneer een kamer schoongemaakt moet worden,
en daarom alle vensters worden geopend, zet men de planten tijdelijk
in een ander verwarmd vertrek; men brengt ze vooral niet eerder op
haar plaats, vóórdat het vertrek geheel gereed is en weder de gewone
temperatuur heeft verkregen.
Bij veel planten treedt dikwijls rotting van den stam in, hetgeen men
bemerkt aan het rot worden van den bast en later van het hout. Deze
ziekte ontstaat door te diep planten en zeer vaak ook bij houtachtige
planten door het gieten met te koud water. Ook bij kruidachtige
planten komt deze ziekte voor, meestal vergezeld met schimmel; dit
is dan het gevolg, behalve van de genoemde oorzaken, van te koude,
vochtige lucht. Planten, die aan stamrotting en schimmel lijden,
moeten zoo spoedig mogelijk, uiterst voorzichtig, verplant worden,
waarop men ze een zoo gunstig mogelijke standplaats moet geven.
Zeer dikwijls lijden de warme planten aan wortelziekte, die op
verschillende wijzen, doch zeer dikwijls des winters door begieting
met te koud water ontstaat. Iedere kamerplant moet, zooals trouwens
reeds in het hoofdstuk over het gieten is gezegd, begoten worden met
water, dat minstens vier en twintig uur in het vertrek heeft gestaan,
waarin de planten staan en dat daardoor de temperatuur van dit vertrek
heeft verkregen. Zeer veel liefhebbers hebben de onvoorzichtigheid hun
planten met ijskoud water te begieten; de slechte gevolgen blijven
dan echter niet lang uit, daar de wortels ziek worden, afsterven
en de dood der geheele plant daarvan het gewone gevolg is. Naast de
ziekten, door het gieten met koud water ontstaan, treft men die aan,
welke door het te overvloedig gieten worden veroorzaakt. Ook hierdoor
ontstaat wortelziekte. Men moet bij alle plantencultuur den groeitijd
van den rusttijd onderscheiden. Gedurende den groeitijd heeft een
plant overvloedig water noodig, gedurende den rusttijd daarentegen
moet men zeer spaarzaam met gieten zijn.
Gedurende den rusttijd geeft men veel planten, in plaats van
betrekkelijk weinig, maar al te vaak toch geregeld water. Deze
waterhoeveelheid kunnen zij dan natuurlijk niet verwerken, en daar des
winters de zon geen kracht genoeg heeft om de plant te doen opdrogen,
en zij ook onmogelijk in de vrije lucht kunnen gezet worden, heeft dit
ten gevolge, dat de aarde slikachtig en ten laatste zuur wordt. In
zulk een zure aarde worden natuurlijk de wortels ziek en beginnen
te rotten. Wordt de fout niet vroegtijdig opgemerkt en tegengegaan,
dan zijn de planten reddeloos verloren.
Wortelzieke potplanten moeten steeds zoo spoedig mogelijk verpot
worden; men wascht de zure aarde zorgvuldig weg, en snijdt vervolgens
alle zieke wortels met een scherp mesje zorgvuldig af. Er moet nu voor
gezorgd worden, dat de zieke plant in den kleinst mogelijken pot wordt
gezet. De pot moet rijkelijk gedraineerd worden, zoodat het water goed
kan wegloopen en de te gebruiken aarde moet zeer licht zijn. Raadzaam
is het de aarde, vóór het gebruik, goed met scherp zand en stukjes
houtskool te vermengen. Op deze wijze behandeld, heeft men kans,
dat een zieke plant weder nieuwe wortels krijgt en daardoor weder
aanvangt te groeien. Men moet echter zeer voorzichtig zijn met gieten
en er op letten, dat de plant, zoodra zij daaraan behoefte krijgt,
weder in een grooteren pot wordt verplant.
Gemakkelijker dan planten, die door te veel gieten wortelziek zijn
geworden, laten zich die behandelen, welke door te weinig gieten ziek
werden en dan een verwelkt aanzien hebben gekregen. Het gieten toch
mag vooral niet te gemakkelijk worden opgevat; het is een handigheid,
welke door practische ervaring is te leeren. Het grootste gedeelte
der zoogenaamde ringwortels bevindt zich onder in den pot; wordt er nu
niet genoeg gegoten, dan worden wel de bovenste aardlagen bevochtigd,
doch de kluit blijft inwendig droog en na korten tijd zal die van
binnen geheel uitgedroogd zijn, de wortels verdrogen en ten slotte
gaat de plant ten gronde.
De voor den kweeker en liefhebber onontbeerlijkste grondsoort is
zeker wel de boschgrond. Zooals wij reeds in het hoofdstuk over het
gieten opgemerkt hebben, bezit deze aarde de eigenschap, dat zij,
eenmaal uitgedroogd, slechts zeer moeielijk weder water opneemt. Deze
eigenschap bezitten ook alle aardmengsels in meerdere of mindere
maten, die met boschgrond vermengd zijn. Is nu een plant, in een dier
mengsels geplant, geheel uitgedroogd, dan loopt het water bij het
gieten tusschen de kluit en den pot naar het drainagegaatje, zonder
de kluit ook maar in het minst te bevochtigen. Deze bijzonderheid
merkt de onkundige plantenkweeker niet op, en hij komt ook niet op de
gedachte, dat zijn planten droog zijn, wijl hij toch geregeld goot en
de aardoppervlakte zijner planten ook behoorlijk vochtig is. Om deze
reden is het nuttig zieke planten even uit den pot te nemen, teneinde
de aarde en wortels te onderzoeken. Zijn de wortels aangestoken of is
de aarde zuur, dan wordt de plant, zooals wij reeds gezegd hebben,
verplant. Is de aarde echter uitgedroogd, dan legt men de plant
zoolang in een emmer met water, totdat de kluit geheel nat geworden
is, iets wat somtijds heel lang kan duren.
Gewoonlijk maakt een liefhebber weinig onderscheid tusschen de
planten, die in warme en die in gematigde streken groeien; hij kweekt
ze alle in de warme kamer en dat is toch zeer verkeerd. Een bekwaam
en practisch kweeker kan aan een plant, die hij nog niet behandeld
heeft en die hij zelf niet kent, veelal zien welke aarde en welke
temperatuur zij verlangt, en mocht hij zich al eens vergissen, dan
zal het niet lang duren, of hij zal zijn fout aan het voorkomen
der plant kunnen bemerken. Een zoodanigen practischen blik bezit
een leek meestal niet, en wil hij met het kweeken van planten in de
kamer succes hebben, dan moet hij van tijd tot tijd beproeven zich
daaromtrent op de hoogte te stellen. Niet weinig planten uit gematigde
streken hebben een zoo vreemd voorkomen, dat zij de leeken licht
doen denken, dat het tropische planten zijn en dus behoefte hebben
aan een hooge temperatuur. Van de hiertoe behoorende planten wil ik
er slechts een drietal noemen, namelijk de Aspidistra, de Aralia en
de Ficus. De Aspidistra is de algemeen bekende, ijzersterke plant,
waarvan de groote, groene of bonte bladeren direct uit de aarde
ontspringen. Deze plant behoort in China en Japan thuis en verlangt
des winters slechts een lage, mits vorstvrije temperatuur en toch
wordt zij meestal in een warme kamer gekweekt. Wij hebben nu in de
Aspidistra een dier weinige planten, die zelfs bij de slechtste en
meest ondoordachte cultuur gezond blijft en waarschijnlijk ook daarom
zoo algemeen verspreid is. De Aralia, die uit Japan afkomstig is en de
Ficus, die uit Australië stamt, zijn daarentegen zeer gevoelig voor
een verkeerde behandeling. Deze beide planten verlangen des zomers
een zonnige standplaats in den tuin of vóór het geopende venster,
terwijl men ze 's winters moet plaatsen in een kamer, waarvan de
gemiddelde temperatuur niet meer dan 45° à 50° Fahr. bedraagt. De
meeste plantenliefhebbers weten dit echter niet en zij meenen dezen
planten al een zeer goeden dienst te bewijzen, wanneer zij ze een
plaats in een warme kamer geven. De planten echter nemen dezen dienst
al zeer ongunstig op en toonen dit duidelijk door haar bladeren eerst
slap te laten hangen, waarna zij geel worden en eindelijk afvallen. De
liefhebber echter verstaat deze plantenspraak niet; verdrietig snijdt
hij de geel geworden bladeren af en wanneer dan ten laatste de plant
kaler en kaler geworden is en zich eindelijk aan den kop een jong
blaadje ontwikkelt, dan wordt dit teeken, al is het ook nog zoo zwak,
als een bewijs van goede behandeling beschouwd, terwijl toch maar al
te dikwijls juist het tegenovergestelde het geval is.
Te groote warmte toch is voor alle planten, die zich gedurende den
winter in haar rustperiode bevinden en die niet tot de tropische
gewassen behooren, ten zeerste nadeelig. Vele onzer meest in trek
zijnde decoratie- en bloemplanten overwinteren uitstekend in een
vorstvrijen kelder of een ongestookt, doch vorstvrij vertrek. Brengt
men nu deze planten in een warme kamer, dan wordt de zoo hoognoodige
rustperiode verstoord; zij groeien dan door, en wijl het haar aan
kracht en vooral aan lucht, licht en zon ontbreekt, kunnen de zich
dan ontwikkelende scheuten niet anders dan zeer zwak zijn. Een
onkundig liefhebber verheugt zich nu in dit bewijs van leven,
en hij vermoedt weinig, dat deze scheuten zich ontwikkelen ten
koste van de reservestoffen der plant, en dat zij deze daardoor
zeer verzwakken. Dezelfde planten, die des winters in een warme
kamer lijden, worden er ook des zomers ziek. Dit zijn alle planten,
afkomstig uit de omstreken der Middellandsche zee, van de Kaap,
van Nieuw Holland, van China en Japan, en van alle landstreken met
een klimaat als het genoemde. Wij moeten dan ook wel verschil maken
tusschen kamer- en vensterplanten. De eerstgenoemde hebben behoefte
aan warmte en moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt
worden; de laatste daarentegen moet men des zomers in den tuin of op
de vensterbank buiten het raam kweeken, terwijl zij des winters in
een koele kamer of in een kelder bewaard worden. De vensterbloemen
hebben dus voor een goeden groei veel versche lucht noodig; in de
kamer worden zij slap, laten zij de bladeren en bloemen hangen en
spoedig verschijnen jonge scheuten, die dan echter dadelijk met
bladluizen overdekt zijn. Deze laatste kunnen ons alle liefhebberij
voor planten benemen; het zijn vieze diertjes, die de planten vaak
geheel ten gronde richten. Het beste middel tegen ongedierte vindt
men in een goed beredeneerde cultuur, waarvan het twee keer daags
besproeien der planten, eens des morgens en eens des avonds, een
onderdeel uitmaakt. Zijn de ongenoode gasten echter eenmaal verschenen,
dan moet men die op de reeds aangegeven wijze weder trachten kwijt
te raken en wel bij voorkeur zoo spoedig mogelijk.
Vele lezers zullen zich moeilijk kunnen voorstellen, dat ook de
zon, zonder welke geen plantenleven mogelijk is, de oorzaak van
plantenziekten kan zijn, en toch is dit inderdaad zoo. Er zijn toch
zeer vele schaduwminnende planten en verscheidene van deze zullen,
wanneer men ze slechts korten tijd aan de zon blootstelt, spoedig
geheel en al bederven. Onder deze planten behooren al de Selaginella's
en fijnere Varens. Alle tropische blad- en bloemplanten verlangen
des zomers een meer of minder beschaduwde standplaats; zij krijgen,
in de zon geplaatst, brandvlekken, worden daardoor leelijk, ja,
sterven er dikwijls geheel door. Behalve de z.g.n. vetplanten, waartoe
b.v. de Cactussen behooren, zijn er niet veel planten, die des zomers
ongeschermd achter een op het zuiden gelegen venster kunnen gekweekt
worden. Door de sterke zonnestralen ontstaan namelijk bruine vlekken
op de bladeren, die niet meer verdwijnen. Vooral is dit het geval,
wanneer de planten, in de volle zon staande, bespoten worden. Vensters,
die op het Zuiden gelegen zijn, moeten dan ook voorzien zijn van
een inrichting, waarmede men de planten tegen de te scherpe zon kan
beschermen, maar niettegenstaande zulk een inrichting, zullen zij
toch nog zeer lijden, wanneer aan de vensterbank geen gelegenheid
is gemaakt, in den vorm van een bak, waarin ook de potten tegen de
zon beschermd staan. Wanneer die toch met volle kracht op de potten
schijnt, wor
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/30658