Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw
by unknown · Frisian, Dutch · Gutenberg #30467 · 522,986 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw
Translator: J. G. Ottema
Release date: November 13, 2009 [eBook #30467]
Most recently updated: October 24, 2024
Language: Frisian, Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/30467
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
produced from scanned images of public domain material
from the Google Print project.)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK, NAAR EEN HANDSCHRIFT UIT DE DERTIENDE EEUW ***
Thet Oera Linda Bok
Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.
Eigendom der familie Over de Linden,
Aan Den Helder,
Bewerkt, vertaald en uitgegeven door
Dr. J. G. Ottema.
Tweede uitgave.
Te Leeuwarden, bij
H. Kuipers.
1876.
Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden.
VOORBERICHT.
De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de
gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor
mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
vertaling te verbeteren.
Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.
Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat
boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan
het welzijn van land en volk afhing.
Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift,
zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat
ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige
Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en
de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men
niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en
de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even
het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren
praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit
te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen,
wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land
is gered.
Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren
in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat
het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren,
dat het machinaal papier vergé is en afkomstig uit de fabriek van de
Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.
De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:
1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier
is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
duidelijke waterlijnen.
Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men
er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde
wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor
het papier glad en effen en iets dunner als het was.
Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het
H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene
gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van
2 boek best hollandsch schrijfpapier 12½ m.M. bedraagt, zoodat de
dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch
schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.
Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst
geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden,
't welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.
2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen
de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit
papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze
eeuw is.
Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder
gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de
plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie
zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking
heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en
leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift,
namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.
Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
zeer belangrijke punten.
a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33
millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de
breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier
wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn
eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.
b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en
dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
proef op zilver een witten aanslag achter.
c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing
van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette
kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking
en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet
meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt
waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel
eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder
toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.
d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil
tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en
vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen
van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een
brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende
drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef:
Verder het papier, dat èn om den vorm èn om de stof mij verdacht
voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft
gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb
nooit middeleeuwsch papier gezien
zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken."
Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.
3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
plaatsen bewijzen.
Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het
geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit
is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het
gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop
van meer dan zes eeuwen.
Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door
vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.
4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier
der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels
achter te laten.
Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.
5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier,
wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
machinaal papier die lijnen niet maken.
Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den
Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk
tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het
handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later
is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.
Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
van den 12 Maart 1876.
Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
d. i. vóór het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt
kon worden.
Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de
14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
een spoor van fabriekmerk aanwezig.
Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
afkomstig moet zijn.
6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het
is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van
innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften;
daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament,
dan hiervoor kan bezigd zijn.
Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude
hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns)
nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst,
dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch
op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar
daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door
onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten
omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes,
zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.
Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig
gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet
kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters
werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had
voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over
deze schriften.
7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.
De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
lichter en werd na langen tijd geheel bruin.
Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen
im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: »In alten Handschriften ist
die Dinte schwarz oder bräunlich, immer von ausgezeichnet guter
Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter
geschrieben wird, erscheint die Dinte häufig grau oder gelblich,
und ist zuweilen ganz verblasst."
»Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ
(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwähnt zuerst die
Galläpfel: gallarum gummeosque commixtio."
»Eine Mischung von Kupfervitriol und Galläpfeln soll am häufigsten
sein."
Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is,
kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van
Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.
Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd,
papier vergé. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste
en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen
met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.
In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het
Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood,
doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna
uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde,
maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij
opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder
oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dáár kan men de
sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien,
viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.
Daarom heb ik ook op het facsimilé van bl. 45 de linieering hersteld,
teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen
getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te
doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts
een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan
heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor
pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk
300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan
zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingoër, het
Fivelgoër, het Oldampster, het Emsingoër, het Brokmer, het Rustringer
recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en
wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle
zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken
is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een
letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor
de Friesche taal geschikt is.
Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
eene zeer kenmerkende bijzonderheid:
Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en
de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze,
dat deze geschriften zijn uit den vóór Romeinschen tijd.
De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als
geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.
In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze
uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde
vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed
van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door
vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor
ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan
de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de
Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan
de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.
Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.
Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt
zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van
geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.
Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd,
in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur,
maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot
twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera
Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave
daarvan aan te bieden.
Leeuwarden, Sept. 1876.
Dr. J. G. Ottema.
INLEIDING [2].
De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
's Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder
dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.
Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
eigenaar ten hand gesteld heeft.
Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer
oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien
het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen
gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere,
schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat
iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan,
tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het
Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde
mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust.
Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest,
als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende
B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt
uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar
maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want
het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt,
gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als
het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort
tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is
mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des
boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong
van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en
uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het
is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie
afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o,
benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks
en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een
afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is
zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de
gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse,
zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze.
Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet
zeer wijde perpendiculaire lijnen.
Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of
buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn
uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:
»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert
overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van
Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te
Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst
naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften
uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw
komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.
Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
linnenpapier was toen nog niet noodig.
Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
Petrus Clusiacensis (1122-1150.)
Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3]
In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit
het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
gemengd papier voor.
Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.
Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal
en een passer om de afstanden te bepalen.
In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de
inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt,
ten bewijze dat zij ijzerhoudend is."
Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend
is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel
gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.
De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele
vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken
tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal
moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan
de Schelde.
De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen
zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de
vormen der woorden.
De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte
vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.
Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen,
dat dit boek geheel eenig in zijne soort is.
Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
opmerking.
De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus,
een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau
komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan
worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van
die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan
geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken
die letter vormen ontvangen?
Uit thet bok thêra Adela follistar (het boek van Adelas helpers)
leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben,
omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond
tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners,
noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te
besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.
Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd
eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de
burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend
aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift
bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom
de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.
Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het
duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en
oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen
is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van
Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen
en behouden.
Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht,
want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het
opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen
uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar
vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun
letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op
Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche
cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als
het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.
Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren
zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende
van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg
van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet
door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154)
is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door
Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe
Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed,
alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu
ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210
(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga, and thet Hellênia
bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellênia.
Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft,
en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken
is. Dit vergaan van het oude land, âldland, âtland, is bij de Grieken
ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding
van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was,
dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit
geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen
van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste
schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt
dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed.
Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal
van den moord gepleegd aan Frâna, Eeremoeder op Texland, twee jaren
later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar
eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de
Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit
het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela
15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is
in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.
Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte
Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of
liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226)
ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is
een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de
komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die
als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den sêkening met
Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele
van zijne berichten ontleend.
De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van
diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vóór 11 na
Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in
het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering
van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.
Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
van het handschrift.
Van die Gôla lezen wij bl. 84: alsa hêton tha såndalinga prestera
Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.
De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
van Cybele.
De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat
bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van
Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in
een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso
uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn,
en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot
een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar
de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen
en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indiër, hij
is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene
kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr.,
onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus)
neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen
zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij
Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden,
taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.
Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het
verre onbekende Noorden afkomstig is.
In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen,
waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen,
dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier
rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden
dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus
(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24° N. B. aan den
westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of
zes oostelijk van daar op 22° N. B. nog een Minnagara. Die naam is
zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna,
den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van
Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.
Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.
De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij
uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden
gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeeëngte,
waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond
nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij
Pi ha chiroht, den mond der zeeëngte. Strabo vermeldt bovendien, dat
Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven,
maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.
Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen
de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door
de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op
den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des
Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
controversée est celle de savoir, si à l'époque où les Hebreux fuyaient
de l'Egypte sous la conduite de Moïse, les lacs amèrs faisaient encore
partie de la mer rouge. Cette dernière hypothèse s'accorderait mieux
que l'hypothèse contraire avec le texte des livres sacrés, mais alors
il faudrait admettre que depuis l'époque de Moïse le seuil de Suez
serait sorti des eaux.
Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.
Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden
en schorren als een wal oprezen.
Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon
worden doorgetrokken.
Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
geheel is opgeslibd.
Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par
Louis Figuier (première année). Paris, Hachette, 1857.
Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder
de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus
daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon;
enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo
meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen,
daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij
weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?
Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus
de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez),
vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en
gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen
en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en
ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren,
die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.)
Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven
van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen
het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander
aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
bevestiging.
Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen
of legenden.
Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren
van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa
gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rückert, Die Pfalhbauten. Würtzburg
1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer,
dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen
vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus,
waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel
belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen,
dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den
Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners
(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op
palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij
vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden
van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij
te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.
Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland
kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog
bestonden en bewoond werden.
In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerêd oera
Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso (± 260 j. v. Chr.) met
zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft,
»fon Walhallagâra brûdon hja alingen thêra sûder Hrênum al-ont hja
mith grâte frêse boppa thêre Rêne by tha Mârsâta kêmon, hwêrfon vsa
Apollônja skrêven heth. Tha hja thêr en stût wêst hêde, gvngon hja
wither nêi tha delta."
Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende
twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853,
bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
kunnen verzinnen.
Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog,
is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen
in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min
eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in
iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen
weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent
pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.
Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van
een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
natuurlijk, eenvoudig, vaak naïf, weerspreken elkander nimmer,
en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als
b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is
van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is,
dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen
met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog
heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen
aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania
cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de
naam van Ulysses en die van zijn vader Laërtes gelezen werd.
Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is
aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
Stavia, dit op Walhallagara.
En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als
de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op
Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te
berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving,
de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den
oppermachtigen Zeus.
Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon
aangenomen en na zijn dood vergood is.
De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige,
onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle
dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de
tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster
van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven,
de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die
dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik,
door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle
burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de
Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het
geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden,
buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya
zelve aangesteld, zij heette Fåsta. Met één woord, wij ontmoeten hier
de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.
Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.
Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris;
Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In
het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc)
zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.
De laatste dier burgten is de Fåstaburgt op Ameland geweest, templum
Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.
Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst
van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
(Athénè), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya
op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En
deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige
godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven,
dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia
[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam,
waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden
van allerlei fantastische afleidingen.
De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de
Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking,
zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp
niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij
zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.
Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon,
Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche
zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl,
die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die
Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de
onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
in de Atheensche sage.
Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen,
en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met
dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven,
en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van
verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk
maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een
bijlslag van Hephaistos.--B. v.
De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva
komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders
onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva
is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich
door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot
Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren
naam Athènai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft:
Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in
het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als
vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer
begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van
eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later
tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia
vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is
Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart.
De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel,
moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf
van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren,
waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter
wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in
den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters
gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook
een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift.
Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag
verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de
vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas
(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd
letterschrift.
Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij
mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van
dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij
waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht
zoo goed als niets was overgebleven.
Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners
van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling
over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren
bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.
Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.
Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift.
Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van
den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?
Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan
kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij
dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de
taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor
den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters
en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben,
ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en
spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek,
waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een
in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam
voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.
Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van
Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige
in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat
hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog
geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien
de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit
in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer,
door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd
worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier,
dit schrift en deze taal.
Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen
van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig
meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thêra flête jeftha bedrum;
op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar.
Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn
van hetzelfde blad.
Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.
Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide
hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
gekregen.
Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
Linda was geschreven.
Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving,
nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene
Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben
gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen
van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden
stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen
opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen
ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël evenaren.
BIJLAGE TOT PAG. XX.
Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
het Handschrift.
Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd
wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.
Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder
her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende
coern deerma da kinde des lives mede helpe.
Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer
hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga
kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader
deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat
hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder
da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe
setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so
hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.
Anjumer druk e.i.i..
(1466.)
Thju forma nêd is: Sâhwersa en bårn jvng is fensen ånd fêterad
northward vr-et hef jeftha sûdward vr tha berga, sa âch thju måm hjara
bårns erva to settande ånd to seljande ånde hjra bårn to lêsane ånd
thes lives to bihelpane.
Thju ôthera nêd is: jef tha jêra djura wårthat ånd thi hête hvnger wr
thet lând fârth ånd thåt bårn sterva wil, sa mot thju måm hjara bårns
erva setta ånd selja ånd kâpja hiri bårne ky ånd skêp ånd kêren thêr
mitha mån thet bårn thes lives bihelpe.
Thju tredde nêd is: sâhwersa thåt bårn is stoknâked jefta hûslâs ånd
then thi tjustera nêvil ånd kalda winter ankvmth, sa fârth allera
månnalik an sin hof ånd an sin hus ånd an wârande gâta, ånd thet wilde
kwik sykath thene hola bâm ånd thêre berga hly thêr-it sin lif an
bihalda mêi, sa wênath ånd krytath thåt vnjêrich bårn ånd wyst then
sin nâkeda litha ånd siu hûslâs-sâ ånd sin tât thêr him hrêda skolde
tojenst tha hvnger ånd tha kalda winter nêvil, that hi sa djap ånd
dimme mith fjuwer nêilum vndera êke ånd vnder tha irtha bisletten ånd
bidobben is, sa mot thju måm hjara bårns erva setta and selja vmbe
that hju tha bihield håve ånd tha wâringa al sa long sa hit vnjêrich
sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mêi.
Vertaald door J. G. O.
ADELA.
OKKE MIJN ZOON.
Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten
de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze
voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk
met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor
gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze
op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet
gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer
verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het
drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de
Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo
bijgenaamd Over de Linde. Waak.
Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van
een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.
HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.
Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,
door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die
er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd
en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,
dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk
te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar
vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij
de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie
etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne
komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen
weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik
gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,
omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,
dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een
wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder
gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken
openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,
dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;
doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet één dorp afgewonnen
heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige
ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya
heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;
doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;
want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,
hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat
zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;
zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij
hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;
maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De
vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije
kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of
zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen
naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw
waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen
de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van
het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,
en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden
zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,
klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij
den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen
opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om
hunne goede daden een vóórdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden
zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een
voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;
en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te
hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te
hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel
erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne
kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?
Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle
dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede
aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,
die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,
maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de
burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en
onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik
aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle
wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat
er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,
en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:
De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,
eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,
dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,
als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd
zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,
nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij
er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den
kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,
hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,
zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun
vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over
de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij
den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,
als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in
het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en
dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.
Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.
Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.
De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,
negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten
Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.
Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
zijne hoede.
Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is
hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
zijn onder zijne hoede.
Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal
is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.
Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat
ook te Stavia, ook te Medeasblik.
Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas
begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu
zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat
iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,
die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo
zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.
Dit is onze vroegste geschiedenis.
Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het
booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag
voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na
het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:
Lyda uit gloeijende stof,
Finda uit heete stof, en
Frya uit warme stof.
Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.
Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
bij de hare.
Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.
Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
liep brak geen bloemstengel onder hare voet.
Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
dan liep ieder schielijk weg.
Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.
Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.
Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
weerhouden.
Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
wel tien.
Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.
Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.
Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
dien was ongeluk nabij.
Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
elkander sloegen zij om het meesterschap dood.
Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.
Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
het is nog duister hoe zij gevallen is.
Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
een eenige traan.
Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
neer van uwe waakstar en ween.
Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
oogen won het de regenboog af.
Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
die zoo fijn waren als spinrag.
Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
geen bladeren bewogen zich meer.
Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.
Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
de boesem der bloemen.
Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.
Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.
Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
hare kinderen om haar.
Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
kwalijk gaan.
Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!
Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
gekomen was.
Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
zoo lang de aarde aarde is.
FRYAS TEX.
Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
noch van zijne driften. Hier is mijn raad.
1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
bezwijken onder hun eigen leed.
2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.
3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender
met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de
lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen
uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.
4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.
5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en
de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch
van verdedigen zij.
6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.
7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene
kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder
den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge,
want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.
8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw
eigen hoofd zoude terugkeeren.
9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om
te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.
10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil
zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.
11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.
12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan
zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die
haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken
heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult
dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren
van het zoute water der eindelooze zee.
DIT HEEFT FASTA GEZEGD.
Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn
zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het
is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang
ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten,
zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken,
dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat
moet wezen die van alle hare kinderen.
FASTA ZEIDE
Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op
den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant
uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is
dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren
dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren.
DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN.
1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
anders dan door de Moeder geschieden.
2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
andere burgen moeder zijn.
3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.
4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags
en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder
dienen, even zoo vele.
5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.
6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
krijgslieden en zeven oude zeestrijders.
7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader
dan het vierde lid.
8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.
9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
noodig zijn.
10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
blijven hun geheele leven lang.
11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
het volk alleen.
12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
drie boden met zeven paarden.
15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.
14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
ontvangt.
15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.
16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.
17. Is de zaak over ééne state, dan mogen er niet minder dan drie
boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.
18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
daar in te helpen.
19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
er vrede kome, en omdat het beter is dat aan één man onrecht gedaan
wordt dan aan velen.
20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
raad beter is dan een verkeerde raad.
21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.
22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.
23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.
24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen
als de minderheid.
ALGEMEENE WET.
1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
dat is water, en op alles dat Wralda geeft.
2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.
3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
er geen, dan moet het gebouwd worden.
4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
het genot van de hemrik.
5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.
6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
geene schade lijden mogen.
7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
daarom mag niemand er meester van zijn.
8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
als het andere goed.
9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.
10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
vijftig deelen.
11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.
12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
hem noemen over het geheele land.
In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.
HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN.
1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.
2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.
3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
tot krijgsman geslagen.
4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
helpen zijn hoofdman te kiezen.
5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning
te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.
6. Alle jaren moet hij herkozen worden.
7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden,
die recht doen en naar Fryas raad.
8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
niet bestendig moge worden.
9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.
10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
nabestaanden ook naar die eer dingen.
11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
het vierde lid.
12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.
DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN.
1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.
2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe
vele mannen zij zullen zenden.
3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
worden, met boden en getuigen.
4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet
men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.
5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge
of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.
6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
niet onderstaan.
7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
gebiedt.
8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.
9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.
10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
zich sterk gevoelt.
11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning
mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot
een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij
naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag,
eer hij aan zijn grensscheiding komt.
12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
dan zal men het terug nemen.
HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN.
Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.
2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.
3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
jeugd hen zal eeren.
4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
schilden schrijven tot eere van hun geslacht.
5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
niet houden en toch eerlijk blijven.
6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.
7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
van haters en vijanden.
UIT MINNO'S GESCHRIFTEN.
Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft,
doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het
ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben,
dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid
doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude
boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden
en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige
een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet
waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf
hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen,
dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom
dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.
WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE
BUITENVAARDERS.
1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze
mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.
2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.
3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
stem hebben.
4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
zich beklagen bij den olderman.
5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.
6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.
7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
deel erven.
8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.
9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
mansdeel hebben.
10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
deze eer weduw blijven haar leven lang.
11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.
12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.
NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO.
Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
te sterven.
Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.
Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.
Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.
Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.
Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
of wanen dat wij bang zijn.
In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
zeeën heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
een ieders vrijen hals.
UIT MINNOS SCHRIFTEN.
Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten
was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen
volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en
vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde
mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik geërfd heb is liefde
tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan
ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet,
maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al
lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten
zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam
als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen
gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had;
maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het
laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster
(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij
u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van
Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het
geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten
waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd,
maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde:
Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat
de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's
dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden
de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet
als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om
ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven,
opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en
hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij
met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden:
wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren,
wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve
de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva,
maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen
of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's
geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren,
wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.
Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen
blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil
het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij
wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil,
en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle
bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man
even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende
zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en
wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel,
zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze
domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen,
om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch
is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op
bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook
bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest
van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten
wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij
willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg
ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze
heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak:
De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom
betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij
uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood
te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te
maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang
zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten,
omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te
spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu
zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om
ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar
te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland
tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had
zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de
menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede
raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk
en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle
koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren,
zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen
raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij
nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze
wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te
bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne
hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder
(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij
zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en
naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de
jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten
nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar
die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren
niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten
uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere
moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen;
maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden,
wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit.
UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO.
Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij
ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap
eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene
poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden,
toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld
had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen
wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of
het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en
gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het
volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten
zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk
vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan
geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed
dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons
te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen,
om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch
als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche
ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.
Einde van Menno's schriften.
HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT.
1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal,
om zijn lijf te behouden.
2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.
3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
gemaakt.
Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.
1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.
2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig
en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.
3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.
4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot,
dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem
te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood
verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis
mag geven.
5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.
6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet,
dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag
hem helpen.
7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen,
maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
schenken.
DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN.
Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in
de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is
volgens de algemeene bepaling.
2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij
gevat wordt, dan mag zij dat doen.
3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het
bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.
DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN.
1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.
2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.
3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.
Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.
HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT.
(Zie plaat I.)
Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
't welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning
d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens
van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom
niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij
mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig
over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda
ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol
met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd,
met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten
niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd
moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun
schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
lezen als die, die gisteren geschreven zijn.
Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
vervolgens de getalteekens op beide wijzen.
(Zie plaat II.)
DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN.
Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
naar zijne zee te wijzen.
De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.
Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.
HOE DE BANGE TIJD KWAM.
Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.
DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT.
De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche
en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de
zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts
van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe
kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken
stappen op uw kleed, o Frya.
ZOO IS DE GESCHIEDENIS.
100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk
weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,
kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging
zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,
maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was
schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom
mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen
leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben
leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het
ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten
van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,
even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters
zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste
heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk
is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het
volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;
want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn
zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn
zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,
maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol
is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van
Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren
koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen
en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun
gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.
Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,
zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,
en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte
onze waakzaamheid.
Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij
onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze
landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd
aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen
werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij
wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de
priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en
hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder
vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden
naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet
al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland
en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin
ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.
Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen
nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun
heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning
en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar
de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige
landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien
in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch
al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij
uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze
vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij
hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft
zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander
voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen
en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij
heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te
zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de
krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze
koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol
voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze
basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal
vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was
niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en
door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,
dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat
medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene
vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de
stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,
zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het
Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;
zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins
heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet
weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne
dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren
tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,
dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl
hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn
rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder
hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,
maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest
was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar
dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,
hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,
was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin
wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne
dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze
zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,
kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of
raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,
lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden
met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een
heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.
Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
recht op het pad.
DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT
STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE
Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij
het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,
dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en
voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en
gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te
rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende
kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een
steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,
maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar
nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde
door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken
koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide
dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er
misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,
zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig
leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,
ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka
eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o
wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas
volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij
nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden
de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,
van neef Inka nimmer.
Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en
van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn
volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),
dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch
ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat
Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe
golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan
stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen
burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden
zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,
maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude
heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag
waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig
als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen
wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden
zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar
de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen
weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten
kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,
ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze
barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die
verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen
meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig
schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,
en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.
Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men
ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer
binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,
hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen
mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop
zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De
Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren
wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij
spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te
vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten
op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe
te laten en niet meer.
WAT DAARVAN GEWORDEN IS.
In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe
reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,
hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van
de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten
zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was
beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden
of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.
Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden
van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen
waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van
ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,
dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem
naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij
aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het
land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en
deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren
hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche
afgoden te geven.
NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN
MIN-ERVA.
En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
Golen verloren hebben.
Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd
naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is
de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende
geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.
563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,
Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze
bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw
en helder boven alle andere.
Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij
gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva
had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als
eene buitenlandsche vorstin wilde zij geëerd, gevreesd en gebeden
wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen
alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken
en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen
en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,
zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt
over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar
de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich
in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet
beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,
wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,
dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij
alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts
verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor
water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op
het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,
liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank
gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven
op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het
morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen
op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en
dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel
schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer
komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat
gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu
kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,
waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van
tijd tot tijd de vaart van alle zeeën hebben, daar maken zij heden
ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,
en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd
ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat
men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,
ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven
is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,
ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen
zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar
het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet
vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,
en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek
op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva
en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.
HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON.
Jon, Jôn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
klepper, hun toeroepende: naar Kalta . Toen stroomde het
andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
gesneuveld zijn.
Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.
Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
als een stier bij de neus omgeleid.
NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
GESCHREVEN.
Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.
Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.
Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
hare eigene lamp en hare eigene maagden.
Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
eilanden genoemd.
Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.
In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.
Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
die wij nu van steen maken.
Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.
Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.
DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.
Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij
geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,
dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden
kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar
wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve
ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas
geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.
Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten
braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als
eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel
liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare
gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang
zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van
ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar
wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot
aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,
een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar
van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om
raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal
niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen
driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht
in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal
strijdende waren.
Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij
zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden
noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te
eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en
dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der
burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,
raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops
woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert
met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij
een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van
Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch
als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met
Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,
die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij
aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren
met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat
land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,
dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen
met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als
zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief
aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,
en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.
Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
klaar en duidelijk zien kan.
IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND
VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.
Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd
dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist
om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om
die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden
ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder
wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te
winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd
gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip
genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze
heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar
het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp
gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,
is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de
andere schepen.
Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de
andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,
want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een
verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,
want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de
andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver
afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist
heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk
Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij
geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,
uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons
geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit
nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer
vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen
hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten
tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen
laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en
de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen
in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons
verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal
bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste
alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene
enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen
met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen
die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,
maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich
bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun
eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,
werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een
huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch
toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart
en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen
zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar
achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)
met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden
dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en
ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms
de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften
of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij
het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag
men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,
hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen
onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,
en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar
zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras
in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,
waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.
DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN.
Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.
Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.
De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
na roepen: waak! waak! waak!
HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS.
Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn
schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens
ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of
van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren
zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga
hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene
verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot
naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De
Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel
gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als
al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman
af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld
had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de
zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door
de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand
doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en
sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem
over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild
in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen
de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand
wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden,
dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan
waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze
zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen
dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er
was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de
bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die
vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.
NASCHRIFT.
Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea mêilakkia genoemd. De
gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De
maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten
beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.
Einde van het Boek.
DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA.
Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.
Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.
Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweeëndertig dagen na moeders dood,
heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.
Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.
De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
geëindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
haar bode zelf beleden.
HET TWEEDE GESCHRIFT.
Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.
Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.
Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
daaraan stierf zij.
DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.
Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
zijn op weg.
Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.
Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.
O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij
hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn
witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch
te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat
spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya
die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,
hoogstens drie geërfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch
zoude zij ons dierbaar wezen.
Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.
Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen
grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de
moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept
zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop
ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te
maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.
Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen neêrleggen.
Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat
de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat
zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een
spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;
toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;
doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.
Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van
haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor
de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.
Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,
is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
gegrift.
LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.
De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet
geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is,
weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.
OUDSTE LEER.
Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.
Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.
HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.
Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
door hulp van hun brein.
Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
zij van ons gestolen.
Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geëerd
willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
buiten leeren, wat hier zal volgen.
Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.
In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
en door vloed.
DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.
Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fåsta heeft ons
geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fåsta, behoed dan uwe naasten,
onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.
NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
IK HEB MOGEN ZIEN.
Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.
Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.
De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.
Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.
Einde van Apollonias boek.
DE GESCHRIFTEN VAN FRÊTHORIK EN WILJOW.
Mijn naam is Frêthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.
In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
landpalen gevonden.
Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
't geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
die rechter
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/30467