Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Vertellingen van vroeger en later tijd

by J. van Lennep · Dutch · Gutenberg #30171 · 959,486 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Vertellingen van vroeger en later tijd
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Vertellingen van vroeger en later tijd

Author: J. van Lennep


        
Release date: October 4, 2009 [eBook #30171]
                Most recently updated: October 24, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/30171

Credits: Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
        and the Online Distributed Proofreading Team at
        http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERTELLINGEN VAN VROEGER EN LATER TIJD ***

                              Vertellingen
                                  Van
                         Vroeger en later tijd

                                  Door

                           Mr. J. van Lennep.




                  Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.







INHOUD.


                                                        Bladz.

    In en over Amsterdam                                    1.
    Plat Amsterdamsch                                     195.
    Laurens Reael                                         210.
    De Nieuwekerk te Amsterdam                            219.
    Van Amsterdam naar Parijs                             232.
    De Omroeper                                           243.
    Het Wafelmeisje                                       246.
    De Aanspreker                                         249.
    De Hollandsche Werkmeid                               252.
    De Kruier van Amsterdam                               255.
    De Kweekeling voor de Zeevaart                        258.
    De slechte Maaltijd                                   261.
    Maria van Bourgondië                                  269.
    De zeden onzer voorvaderen met de onze vergeleken     275.
    De drie jonge Meisjes                                 285.
    Drie jongens bij 't Beleg van Leiden                  294.
    Het Casino                                            312.
    Een Staats-Examen in 1851                             319.
    Aan de beschaafde vrouwen in Nederland                328.







IN EN OVER AMSTERDAM.


Over den naam van "hoofdstad", aan Amsterdam gegeven.


Misschien schrikt u het opschrift van dit hoofdstuk af, lieve
Lezeres! en verkeert gij in den waan, dat ik u hier een dor, althans
een politiek vertoog, ga opdisschen. Is zulks bij u het geval, dan
miskent gij mijne bedoelingen. Neen, Mevrouw, of Mejuffrouw, wie
gij zijn moogt! ik heb te veel eerbied voor uw gezond verstand om
niet te weten, dat gij u met geen politiek bemoeit, en ik heb er u
te liever om.--Maar al hadt gij ook onverhoopt eene geheime neiging
tot de staatswetenschap, dan heb ik tevens te veel krediet voor het
gezond oordeel van den smaakvollen vriend, die u den "Holland" als
een St.-Nicolaasgeschenk aanbiedt, om niet te beseffen, dat hij zich
wel zou wachten, die bestemming aan mijn boekje te geven, zoo hij kon
gissen, dat het strekken kon om die neiging bij u te voeden.--Ik haast
mij dus, om uwent- of om zijnentwille, u de verzekering te geven, dat
zoo het opschrift, zoo ook de inhoud van dit eerste hoofdstuk weinig
vermakelijks beloven voor het vervolg, ik gaandeweg een anderen toon
zal aanslaan, om voor alles mijn best te doen, u zoomin mogelijk te
vervelen. Uwe eigene ondervinding--ik ben er overtuigd van--heeft u
gewis sedert lang geleerd, dat de fraaiste zijden stoffen, de fijnste
kanten en de sierlijkste bijouterieën, gekocht worden in zoodanige
winkels, waar uiterlijk niets aanduidt, dat zich daarbinnen zulk een
rijke voorraad bevindt; terwijl daarentegen, waar veel moois voor
de glazen prijkt, het magazijn zelf meermalen niets bevat, dat uwe
aandacht waardig is.--Na deze--zoo ik hoop geruststellende--inleiding,
vang ik aan.

Ik heb mij meermalen afgevraagd, welken zin de Regeering, wanneer
zij in onderscheidene officiëele stukken, Amsterdam de "hoofdstad"
noemt, wel aan dit laatste woord zoude hechten. Volgens den aard
onzer taal en naar het algemeen gebruik verbindt zich aan dien titel
de gedachte aan ettelijke voorrechten, door de stad, die hem voert,
boven hare medesteden genoten.--Maar hoe meer moeite ik deed, om, van
dat beginsel uitgaande, eenig voorrecht te noemen, 't welk Amsterdam
boven de overige steden des Rijks zou bezitten, hoe verder ik van
de wijs dwaalde. Gaan wij eens na, welke eigenschappen men gewoon
is aan eene hoofdstad toe te schrijven, en zien wij dan, in hoeverre
men die op Amsterdam kan toepassen.

Het is in 't algemeen binnen de hoofdstad van het rijk, dat zich de
zetel bevindt der Hooge Regeering. Dat is zoo in Frankrijk gelijk in
Zweden, in Engeland gelijk in Japan, in Spanje gelijk op Otaheiti. En
wat is nu het geval in het Koninkrijk der Nederlanden? Het kabinet
des Konings zoowel als de ministeriën zijn in Den Haag gevestigd:
de Staten-Generaal komen in Den Haag bijeen: de Hooge Raad heeft
zijn zetel in Den Haag: en Amsterdam, verre van zich te beschouwen
als het middelpunt van het Rijk--is niet eens dat van het Provinciaal
Bestuur, en had, voor de scheiding van Noord- en Zuid-Holland, zelfs
geen gerechtshof binnen zijne muren.

Dit eerste kenmerk eener hoofdstad ontbreekt dus geheel. Maar heeft
wellicht Amsterdam het voorrecht dat het door 's Lands Regeering
meer bijzonder begunstigd, dat het behandeld wordt als de parel,
waarop geheel Nederland trotsch is, als een pronkstuk, tot welks
onderhoud en vorming heel Nederland bijdraagt? De begrootingen van
Frankrijk, van België, van Pruisen, wijzen telken jare aanzienlijke
sommen aan, bestemd om den luister der hoofdstad te bevorderen, en
haar op die wijze meer en meer tot het brandpunt te bestemmen, van
waar de verlichting, de beschaving, de kunsten en wetenschappen hare
stralen spreiden naar de overige deelen des Rijks. Op deze vraag, waar
't Amsterdam geldt, kan alleen worden geantwoord, dat Amsterdam tot
nog toe voor 's Lands rekening niet veel anders naar buiten verspreidt
dan.... brieven.

Is er dan misschien, ten gevolge der inrichting van onzen Staat, aan
Amsterdam eenig politiek voorrecht geschonken?--Zulk eene vraag kan
alleen door een vreemdeling worden gedaan. Wij Nederlanders, en vooral
wij Amsterdammers, weten, dat de hoofdstad door dezelfde gemeentewet
beheerscht en op gelijke wijze bestuurd wordt als Urk en Buiksloot.

Een voorrecht echter is aan Amsterdam, en dat nog wel bij de Grondwet,
toegekend. Deze bepaalt namelijk in Art. 51, dat de Koning binnen
die stad wordt ingehuldigd. Ongelukkig is dat een der voorrechten,
waarvan elk rechtgeaard Amsterdammer moet wenschen, dat de stad zoo
spaarzaam mogelijk gebruik behoeve te maken.--Doch bij het vermelden
van dat voorrecht mag ik niet nalaten, de aandacht te vestigen op de
omstandigheid, dat Amsterdam niet de hoofdstad is, omdat de Koning
er gehuldigd wordt; maar omgekeerd, dat de inhuldiging plaats heeft
te Amsterdam, omdat Amsterdam als de hoofdstad wordt aangemerkt.--Het
moet dien titel dus aan vroegere, aan andere oorzaken te danken hebben,
en deze zijn het juist, welke ik zou wenschen te kennen, en waarover
ik gaarne een prijsvraag zou zien uitschrijven. Wat mij betreft, ik
ben bereid hem, die ze maar eenigszins voldoend weet te beantwoorden,
een stel "Hollanden" present te doen. Ik voor mij ken geen enkel
punt van overeenkomst tusschen Amsterdam en andere hoofdsteden,
dan dat het--gelijk in den regel met deze laatsten het geval is--meer
uitgebreidheid bezit en meer inwoners telt dan de overige steden in het
Rijk. Maar aangezien de omtrek en de bevolking niet anders dan bloote
feiten, en bovendien aan wisseling onderhevig zijn, zoo kunnen zij,
bij het gemis van alle overige vereischten, den toegekenden titel op
zichzelven niet rechtvaardigen.

Al deze beschouwingen hebben mij tot de navolgende gissingen geleid:

De titel van hoofdstad zal aan Amsterdam geschonken zijn, evenals men
dien van Generaal verleent aan een afgedankten en voor den dienst
niet meer bruikbaren kolonel--een en ander buiten bezwaar van 's
Rijks schatkist.

En dan krijgt de nieuwe Generaal er doorgaans het verlof bij, om
de uniform te dragen, aan zijne nieuwe waardigheid verknocht.--Men
behoeft geen vijf minuten in Amsterdam te hebben doorgebracht, om zich
te overtuigen, dat dit verlof aan de hoofdstad niet is geschonken;--of
dat zij er althans geen gebruik van maakt.

Dit ware intusschen wel te wenschen; want de oude uniform, die zij
droeg, toen zij nog geene hoofdstad, maar eenvoudig de vijfde in rang
onder de stemhebbende Steden was, is bitter gescheurd en versleten.

Jammer genoeg; want zij was wel der moeite waardig, gezien te
worden. Gij hebt er misschien zelfs geen flauw denkbeeld van, lieve
Lezeres! hoe mooi die was. Gij verbeeldt u wellicht, dat, vermits wij
toen nog de nieuwe Beurs aan den Dam en de Willemspoort, Artis en de
Variétés, de Volksvlijt en het bruggetje tegenover 't Sint-Antonie's
Kerkhof, het monument van 't metalen kruis en 't magazijn van
Sinkel, het entrepôt en de omnibussen, het beeld van Rembrandt en
de spoorwegstations, Frascati en 't Huis van arrest, niet bezaten,
de stad voor den bezoeker niet veel bijzonders moet hebben opgeleverd.

Ik zal u antwoorden, dat, welken prijs ik ook stelle op de hier
genoemde fraaie zaken en instellingen, op sommige waarvan ik misschien
later met een woord terugkom, ik echter, bij 't geen ik van Amsterdam
zeide, meer 't oog had op het uiterlijke voorkomen der stad in 't
algemeen, dan op eenige bijzondere nuttige of aangename gewrochten
eener nieuwere beschaving. Een paar nieuwe epauletten en nestels--om
terug te keeren tot het gebezigde beeld--mogen de aandacht trekken,
zij hebben de macht niet, den verschoten glans terug te geven aan
een rok, die vol vlekken, lappen en gaten is en waaraan alles van de
bittere armoe des dragers getuigt.



Over het voorkomen van Amsterdam in eene vorige eeuw.


                    Gemeen verwonderingh betaemt mijn wond'ren niet.
                    De vreemdelingh behoort te swijmen, die my siet,


zeide Huygens, omstreeks de helft der zeventiende eeuw, Amsterdam
sprekend invoerende: en inderdaad, in zijnen tijd en nog eene eeuw
later was er wellicht geene stad in geheel Europa, meer dan zij
geschikt, om bij den vreemdeling, die haar bezocht, een indruk te
verwekken van verbazing en opgetogenheid. Stellen wij ons hem voor,
uit zee komende en dus de stad van den IJkant naderende. Nauwelijks
kan de jol, die hem aan wal brengt, haren weg vinden tusschen die
oneindige en ontelbare massa van schepen en lichters en schuiten,
hier bij en nevens elkander liggende of elkander in alle richtingen
doorkruisende. De Teems bij isle of dogs kan er thans nog--hoewel
maar in de verte--eenig denkbeeld van geven. Overal woeling, overal
drukte, gegons en getier. Hier worden de geurige specerijen van 't
Oosten gelost, ginds het ruwe ijzer van Zweden, elders het koren uit
Riga: dáár de kostbare zijde uit de Levant, en het fraaist geaderde
marmer, dat tot ballast heeft verstrekt en nu de gangen en portalen
en plinten ook der nederigste woningen versieren zal. Wat verder
ontscheept men Segoviesche wol, terwijl kort daarbij de voortbrengselen
worden ingeladen der lakenfabrieken, waarin zoodanige wol bewerkt
is geworden. Overal ziet men dezelfde voorwerpen, 't zij ruw,
't zij gewerkt, hier lossen, ginds inschepen: overal het bewijs,
dat Amsterdam niet voor zichzelf al het aangevoerde behoeft, maar
het alleen verzamelt met het hoofddoel, om het weder uit te voeren:
in 't kort, dat het de stapelplaats, de markt, de monsterbazaar is
der wereld.

Onzen vreemdeling is het eindelijk gelukt, door alle belemmeringen
heen, behouden aan den Buitenkant te landen, en eene nieuwe
verwondering maakt zich van hem meester, naarmate hij de oude stad
doorkruist en zich, schier bij elke schrede, een nieuw en verrassend
schouwspel ziet bereid. "Hoe?" vraagt hij met verbazing aan zijn
leidsman: "is dit de oude stad? en alles fonkelt mij tegen als blinkend
en nieuw!"--En inderdaad, nergens ontmoet zijn oog eenige van die
zware, breede, vierkante gebouwen, gelijk men ze elders in oude steden
aantreft, van die berookte vervelooze huizen, wier sombere kleur,
wier ramen, met uitspringend traliewerk voorzien, aan het geheel
het voorkomen eener oude gevangenis geven: neen, elke woning is of
schijnt ten minste nieuw, zoo zorgvol zijn de steenen beschilderd, de
voegen opgewit, de plinten, kozijnen en luiken geverfd, de dakpannen
bestreken: en doet zich hier en daar een toren, een muur, een bolwerk
of ander gebouw uit lang verloopen eeuwen voor, ook dit getuigt niet
van verval, ook dit is met netheid onderhouden, ook dit heeft een
lachend, een vroolijk, een verjeugdigd aanzien. En hoe schilderachtig
is de vertooning, welke het geheel oplevert. Nergens de stijve,
rechte lijn, die aan alles eentonigheid bijzet en verveling wekt;
overal bochtige, kronkelende, hoekige grachten en straten; terwijl de
vooruitspringende groene luifels, waaronder de winkelwaren uitgestald
worden, de ijzeren leuningen langs de stoepen, de banken en pothuizen,
die van elke stoep eene kleine vesting maken, de openstaande luiken,
de slingerende uithangborden van glanzend koper, de gebeeldhouwde
of gebeitelde zinnebeelden in den gevel of op de daken, de grillige
versierselen aan de piramidaalvormige puien aangebracht, de vanen en
windwijzers, de schoorsteenen vooral, met hunne houten kappen, in alle
vormen en kleuren, hier als een toren, daar in de gedaante eener Y,
ginds in die van eene theebos, achter en nevens en boven elkander
uitschietende, overal die verscheidenheid van lijnen teweegbrengen,
die zoo aangenaam is voor 't oog. En wat in den zomer het bevallige
van het tooneel verhoogt, zijn die groene boomen, hier langs den wal,
ginds ook voor de woningen, uit net geschilderde kokers oprijzende, en
waar de schaduw van hun loover zich over straat of gevel heenspreidt,
fantastische effecten vormende van licht en bruin.

Maar onze wandelaar is door de woelige straten verder gegaan; daar
komt hij op den Middeldam, en een gevoel van eerbied vervult hem bij
den aanblik van dat reusachtig gevaarte, 't welk met zijn eenvoudigen
koepel voor hem oprijst, van dat stadhuis, in tijden van oorlog en
woeling opgericht als een achtste wereldwonder,--en van die trotsche,
nog onvoltooide kerk, nog maar kort geleden door den brand vernield,
om grootscher weder op te rijzen en tot grafplaats aan Neêrlands
meest beroemden zeeheld, gelijk aan zijn meest beroemden dichter,
te verstrekken. Hij blikt rond over dat onregelmatige plein, dat het
hart van Amsterdam mag genoemd worden en waar al de hoofdaderen van
het groote lichaam mede verbonden zijn: overal drukte, overal gedraaf
en gewoel, overal een zoo talrijke toeloop van menschen, dat hij in
't eerst in den waan verkeert, dat eene buitengewone plechtigheid
die duizenden doet te zamen komen. Maar neen: de Dam heeft zijn
gewoon alledaagsch voorkomen, de zaken gaan haar geregelden gang,
en het schouwspel, dat de Dam u heden aanbiedt, zal hij u morgen
weder vertoonen. Een gedeelte van hen, die het plein doorkruisen,
daagt op uit een der bogen van het stadhuis of begeeft zich binnen
dat gebouw, 't welk, als een groote bijenkorf, den geheelen dag
afwisselend bezocht en verlaten wordt door hen, die hunne zaken of
hunne nieuwsgierigheid er heenvoeren. Onze vreemdeling behoort tot hen,
die de laatste drijfveer naar binnen doet treden. Hij gaat de breede
trappen op en bevindt zich aldra in die honderd voet hooge gaanderij,
schier een plein op zichzelve, en altijd vol bezoekers. Hij zoekt te
raden, wat de beroepen zijn, die zij uitoefenen, of de oorzaken, die
hen hier brengen. Weldra herkent hij de advocaten, die met mantel en
bef op en neder wandelen, de procureurs, door hunne klerken gevolgd,
die zakken met processtukken dragen, de beambten, die zich naar
hunne kantoren begeven: hij ziet hoe het in de nevengalerijen woelt
en grimmelt van menschen: deze moet naar de thesaurie, gene naar de
wisselbank: anderen naar de weeskamer, de desolate boedelkamer, naar
schepensbank, naar de secretarie, naar een dier tallooze stadskantoren,
welke het gebouw bevat; daar in dien hoek spelen en dartelen knapen,
niet anders alsof zij zich op een opene markt bevonden, of zoeken het
kleinste sterretje aan de hemelglobe, die op het marmeren plaveisel
is afgebeeld.--Doch daar opent zich rechts en links de volksmenigte;
een roedragende bode gaat vooruit; gewis, de man, die daar volgt
en voor wien zich alle hoofden als door een tooverslag ontdekken,
is een der Burgervaderen. Ook onze vreemdeling neemt den hoed af en
staart met diep ontzag, ja, niet zonder eenige vrees, den man aan,
die wellicht hier of daar in Europa, een vrede tusschen twistende
Mogendheden heeft helpen bewerken, of een krijg ontstoken, of een
zeetocht heeft bijgewoond, en die in allen gevalle binnen zijne stad
een gezag uitoefent, waarbij dat van een Autocraat der Russen of een
Koning der Franschen nauwelijks despotiek te noemen is.

En toch, die honderden, die uithoofde van hunne bezigheden of uit
tijdverdrijf het stadhuis bezoeken, en daarom den Dam oversteken,
wat zijn zij, in vergelijking van die duizenden, die om andere
redenen zich op het marktplein bevinden? Hier ziet men den stroom,
die onafgebroken door de beide ingangen der Waag op- en afvloeit:
boeren en boerinnen uit Waterland, uit Sloten, uit Amstelveen, uit
Weesperkarspel, uit Diemen, uit het Gooi en het Sticht, met hunne bonte
en rijke kleederdracht, met de keur van gouden en zilveren oorijzers en
bloedkoralen snoeren, die voortbrengselen van hun landbouw ter markt
komen brengen:--koopers, die hun gading komen zoeken. Wat verder ligt
de vischmarkt: hier vindt men visschers uit Huizen, uit Marken, uit de
zeedorpen langs het IJ, met hunne breede schouders en wijde broeken:
op eenigen afstand van daar ontmoet men tuiniers en fruitverkoopers,
warmoeziers uit de vette kleigronden en uitgemalen polders om de
stad, en het gastvrij hier opgenomen kroost van Israël, hunne waren
achter kruiwagens en stalletjes ventende. Daar dringt zich eene schaar
bijeen om te hooren, wat tijding of bericht of keur er van de pui van
't Raadhuis wordt afgelezen; of om met vroolijk gejuich dat bruidspaar
te begroeten, hetwelk onder 't loover strooien de kerk verlaten heeft
en met een stoet van magen en feestgenooten huiswaarts trekt:--doch
wat vooral drukte en vertier geeft, is die wemelende drom, die zijn
bestaan in den handel vindt: geen hoek der wereld, die hier niet
vertegenwoordigd wordt. Gij vindt er den blonden Engelschman naast
den taankleurigen Italiaan: den blauwoogigen zoon van 't Noorden naast
den zwartgebaarden Armeniër: den Spanjaard, in zijn mantel gewikkeld,
naast den Persiaan in zijn kaftan: den winderigen Franschman nevens
den listigen Moskoviet:--en daartusschen, sjouwers, waagdragers,
kruiers, boodschaploopers, kantoorbedienden, makelaars, aansprekers,
ambachtslieden, schippers, zielverkoopers, wervers, steenslijpers en
straatjongens, alles evenzeer vol drukte en beweging, en woelig door
elkander dringende.

Doch wat behoef ik eene beschrijving van den Dam, zooals die vroeger
was, in proza te geven, als ieder die lezen kan in Vondels heerlijke
verzen, gelijk zij voorkomt in zijne inwijding van 't Stadhuis. Ik
schrijf die hier niet over, eensdeels uit luiheid: ten andere, omdat
ik de critiek niet tergen wil, die mij dat aanhalen van verzen uit
Vondel reeds verweten heeft: ten derde, en wel voornamelijk, om uwe
nieuwsgierigheid te prikkelen, opdat gij die zelve bij den dichter
opzoekt en naleest.

Wij volgen onzen vreemdeling, nu hij, na zijne oogen verzadigd te
hebben met het schouwspel, dat de Dam hem aanbood, de Kalverstraat
inslaat, om, deze volgende, den nieuwen uitleg der stad te gaan
bezoeken. Hij loopt, 't is waar, gevaar, in de volte een duw of trap
van dezen of genen driftigen voorbijganger te krijgen; doch hij is
ten minste vrij zeker, niet overreden te zullen worden; want behalve
eene enkele dokterskoets, of een handwagen, of eene kar, ontmoet hij
geen rijtuig: veilig en onverlet geraakt hij in de Nieuwe Stad, op
die trotsch gebouwde Heeren- en Keizersgrachten, waar de vermogende
Patriciërs een deel hunner overwinsten besteed hadden aan 't stichten
van prachtige paleizen. Ook hier heeft wederom de individueele smaak
van iederen eigenaar of bouwheer gezorgd, dat de eentonigheid werd
vermeden. Geene gelijkvormige huizen, zooals andere moderne steden
ons aanbieden, waarbij elke woning zoozeer op de overige gelijkt, dat
men ze alleen door de huisnummers onderscheiden kan, en gedwongen is,
met den naam van den vriend, bekende of leverancier, wien men bezoeken
wil, tevens diens huisnummer in het geheugen te bewaren. De huizen
zijn nog ongenummerd; maar zij zijn kenbaar aan de zinnebeelden, die
in gehouwen of gebeitelden steen den gevel versieren, aan de spreuk
of het jaartal, in gulden letteren op het frontispies uitgedrukt,
aan het kunstig loofwerk of anderen pronk, aan dak en kroonlijst
aangebracht; aan de verscheidenheid van vorm en bouwtrant. Hier
ziet men hardsteenen gevels: daar is aan Benthemer of Bremer, meest
aan gebakken steen, de voorkeur gegeven: hier zijn het Tritons of
Nereïden, daar Dolfijnen en zeepaarden, leeuwen, beren, adelaars en
griffioenen, elders hoornen des overvloeds, overal snij- of krulwerk,
dat dien gevel bekroont. Langs statige dubbele stoepen, voorzien met


    pracht van leunen,
    Die hun adel ondersteunen,


stijgen de trotsche bewoners naar hunne huizingen op. De dubbele
voordeur opent zich en doet een portaal aanschouwen, met marmeren vloer
en marmeren plinten aan de zijwanden: marmeren platen dekken de trap,
die naar boven voert, en 't hooge trapportaal: van eikenhout, kostbaar
gebruineerd, zijn de plinten en kruiskozijnen der voorvertrekken:
tapijten uit Smyrna of Perzië dekken de vloeren, in gouden lijsten
omvat damast de wanden: keurig schilderwerk van de beroemdste meesters,
beeldwerk van Quellijn, versieren den schoorsteen en de vakken van de
deuren; en uit onschatbare ebbenhouten pronkkasten blinken allerwegen
het fijnste Chineesche porselein, het keurigste lakwerk van Japan,
het kostbaarste Venetiaansche kristal, het kunstigst bewerkte fil de
grain, bekers en beelden van hoorn, van ivoor, van parelmoer, gouden
trouw-, lijk- of geboortepenningen, en een niet te noemen schat van
zeldzaamheden u tegen.

Maar ik vergeet, dat wij onzen vreemdeling ter zijde blijven en
niet het binnenste der woningen, maar het uiterlijk voorkomen der
stad beschouwen, en nog geen woord gesproken hebben van hetgeen het
sieraad uitmaakt van Amsterdam, en de stad een tweede--neen, een ander
Venetië doet zijn, t. w. van de omstandigheid, dat al het heerlijke,
't welk zich aan uwe oogen vertoont, zich spiegelt in 't helder kristal
der tallooze wateren, die de stad in elke richting doorsnijden. En
nog levendiger, zoo mogelijk, dan op de straten en de kaaien, is
het op den Amstel en op de breede zijarmen, waarin zijn stroom zich
verdeelt. Overal schuiten en schepen, die elkander ontmoeten, met
balen, met kisten, met vaten, met koopwaren van allerlei aard, met
turf, met groenten, met levensmiddelen of benoodigdheden:--daartusschen
groen geverfde speeljachten, boeiers, tentschuiten, wier gouden lijsten
en gouden krulwerk flikkert in het licht der zon--en eindelijk hier
en ginds blanke zwanen, die zich in het bont gewoel vermaken.

Zoodanig was het schouwspel, dat Amsterdam aanbood, nog eene eeuw
nadat Huygens de regels dichtte, hierboven aangehaald. Wat dunkt u,
was er stof voor onzen vreemdeling, om verbaasd en opgetogen te zijn?

En wat heeft men sedert van Amsterdam gemaakt?



Het Amsterdam van thans vluchtig bekeken.

Wij beginnen deze reis onze wandeling van den Dam.--Wat is er geworden
van het wonderstuk van Stalpaert en van Van Kampen? van dat Raadhuis,
versierd door de kunst van Flink, van Bol, van Koning, van Stokkade,
van Fidias-Quellijn, waar binnen elk schilderstuk, elk festoen,
elk beeld, elk basrelief tot een zinnebeeld strekte in harmonie
met de bestemming van de zaal, de galerij, het vertrek, waartoe
het behoorde?--dat Raadhuis, van waar de achtbare burgervaderen van
Gijsbrechts stad,


    Gezeten op zijn schilt met kruyssen overladen,


hun bevelen gaven Urbi et Orbi? nog altijd staat het op zijne oude
plaats, maar.... ledig 357 dagen van 't jaar.

De acht overige dagen wordt het bevolkt en speelt het de rol van een
koud, tochtig en onbewoonbaar paleis.

De groote hal, de verzamelplaats voorheen der menigte, nu door vier
looze wanden van beschilderd behangselpapier afgescheiden van de
zijgalerijen, is in eene zaal herschapen, waar verschoten gordijnen
hangen, en de marmeren vloer, met zijne aard- en hemelsferen, is met
een kleed bedekt en sedert vijftig jaar onzichtbaar voor de bezoekers.

En, nu men eens dit gebouw aan zijne oorspronkelijke bestemming had
onttrokken, begreep men, op dien fraaien weg te moeten voortgaan,
en had er eene reeks van herscheppingen plaats, aanzienlijk genoeg om
een dubbeltal aan die, welke Ovidius bezongen heeft, toe te voegen. De
zetel van de stadsregeering en der vierschaar was vroeger een, omdat
beide lichamen tot eene en dezelfde macht behoorden: daarom werden zij
dan ook, toen zij den Dam verlieten, in een zelfde lokaal overgebracht,
en wel op 't Prinsenhof, waar voorheen de Admiraliteit bijeenkwam. De
rechterlijke macht trok later elders heen; en zoo werd het Prinsenhof
van een half Raad- tot een geheel Stad-, later tot een Gemeentehuis
ingericht,--een Gemeentehuis, zoo gelukkig gelegen, dat men het,
men kome van wat zijde men wil, niet genaken kan dan door stegen,
of door eene straat, die nauwelijks dien naam verdient.

Het Oude-mannenhuis werd half aan 't Gasthuis getrokken, half in eene
Academie voor beeldende kunsten omgeschapen.

De Vleeschhal is gehalveerd en eene stadsdrukkerij, eene vergaderplaats
voor het Geneeskundig Toevoorzicht, een Commissariaat van Politie;
de hemel weet wat al meer, geweest.

Het Staalhof is insgelijks gehalveerd, tot collegekamer en tot
Commissariaat van Politie ingericht.

De St.-Antonies Waag werd een uitdragerswinkel.

De Regulierswaag een cachot.

De Waag op den Dam werd eenvoudig weggebroken, evenals de
Jan-Rooden-Poorts- en Haringpakkers-toren.

Het Nieuwe-Zijds-Heeren-Logement werd een weeshuis.

Het Oost-Indisch Huis werd voor de helft aan het Bestuur der
Rijks-Belastingen afgestaan, en voor de andere dient het tot een
Werfhuis.

De Beurs werd weggebroken: om het gemis te vergoeden, bouwde men op de
vischmarkt een Ionisch voorportaal en daarachter een Dorisch tempeltje.

Op de plaats, waar Costers Academie gestaan had, werd, nadat deze
verbrand was, een huis gezet, dat tot Armenkantoor dient;--en in
afwachting, dat men een nieuwen schouwburg zou stichten, plaatste men
aan een uithoek der stad een houten loods, die daar weldra honderd
vijftig jaar zal gestaan hebben.... altijd provisioneel.

Het Sint-Jorishof gaf logies aan 't Syndicaat; het Spinhuis aan
de Politie.

Het geestig beeldwerk boven de poort van 't Tuchthuis werd onder een
houten kast verstopt, en deze met een lauwerkrans versierd.

Maar het zonderlingst werd er gehaspeld met het Aalmoezeniers-Weeshuis:
2/3 er van werden ingericht tot Paleis van Justitie, en zulks met
zooveel overleg, dat men altijd, om van 't eene gedeelte naar 't
andere te komen, twee pleinen over moet--wat bij sneeuw of regen
zeer vermakelijk is. Van 1/6 maakte men eene Stads-Bibliotheek;
en van het laatste 1/6.... een Cholera-Hospitaal.

Voor de Beambten ter Griffie van het Hof, of voor hen, die aldaar
iets te verrichten hebben, is het zeker eene ongemeene verstrooiing,
de lijders in de ziekenzaal te hooren kermen en te zien zieltogen.

In 't kort, wie Amsterdam thans doorwandelt, zal moeite hebben om--op
zeer enkele uitzonderingen na--de bestemming te raden van eene der
publieke gebouwen, welke hij voorbijwandelt.

En dit is nog het minst; want over 't geheel is de uiterlijke gedaante
dier gebouwen eenigszins bewaard gebleven; maar erger is het gesteld
met die van de bijzondere woningen, wier eigenaardig karakter òf
reeds verdwenen is, òf van lieverlede geheel te niet gaat.

De schilderachtige luifels, waaronder het huisgezin in de zomeravonden
vergaderde, om een luchtje te scheppen en de kinderen speelden, bestaan
niet meer dan in de herinnering: en evenzoo de uithangborden. Ook de
stoepen zien wij langzamerhand wegbreken: de stoepen, op wier bank de
huisvader zijne pijp placht te rooken, terwijl zijn gezin voor 't open
raam zat. En, ware dit het ergste nog;--maar, wat ten hemel schreit,
bij elke vertimmering wordt met den meesten ijver gezorgd, dat al
wat aan het huis eenige originaliteit schonk, voor altijd daaraan
ontnomen worde. Onze woningen waren, als ik reeds heb herinnerd,
met snij-, beeld- en loofwerk op kwistige wijze overladen. De gevel
liep piramidaalvormig met trappen op of in grillige festoenen,
die, met een plat of driekant dekstuk bekroond, zich slingerden ter
wederzijden van de zolderraampjes en van den hijschbalk, zoodat het
bovendeel der woning ons niet zelden het borstbeeld van een onzer
grootvaders met zijne deftige gekrulde pruik of van zijne gade met
haar huiskapje herinnerde.

Aan deze wel phantastische, maar toch oorspronkelijke en
pikante bouworde hebben onze nieuwerwetsche.... timmerlieden een
verdelgingsoorlog verklaard. Simplex sigillum veri--"het eenvoudige
is het zegel van het ware", is de spreuk, welke zij gekozen hebben,
en die hen inderdaad ontslaat van de moeite om eenigen kunstzin ten
toon te spreiden of om iets te vervaardigen, waaraan een bouwkunstig
denkbeeld te herkennen is. En daarom vertoont de voorgevel van het
gemoderniseerd (?) gebouw eenvoudig een naakten muur, met eene
vierkante deur, en voorts, naar gelang der breedte, twee, drie,
vier of meer ramen nevens elkander op de eerste verdieping: even
zooveel op de tweede, op de derde enz. tot op de bovenste toe:--en
boven dat alles een geel geschilderde kroonlijst, aan beide zijden
rechthoekig afgezaagd, opdat men toch niet de illusie zou hebben,
dat zij om 't huis heenliep, maar wel goed bemerken, dat zij alleen
dient, om het daarachter loopend dak te bemantelen.

Ik voeg er bij, om de schildering te voltooien, dat, terwijl onze
voorouders naar hunne woningen opgingen, wij thans soms naar de onze
afgaan, daar de drempel niet meer boven, maar dikwijls onder den
beganen grond wordt aangebracht. Zou dit dalen tegenover het vroegere
rijzen, eene zinnebeeldige beteekenis hebben, en in verband staan
met de historie van de welvaart der stad?

Dat alles is zeker heel vernuftig; doch het zal Amsterdam al zeer
spoedig zijn ouden roem als eene der schilderachtigste steden van
Europa doen verliezen niet alleen, maar al wie het voortaan bezoekt,
doen vragen of de huisjes uit de kinderspeeldoozen het model tot den
herbouw geleverd hebben.

Tot zooverre de huizen: nu wat de straten betreft:

Terwijl men vroeger, als gezegd is, daarover heen en weer spanseerde
zonder gevaar van armen of beenen, misschien zijn leven, onder een
rijtuig te verliezen, weet men thans, vooral op de hoeken van nauwe
stegen, nauwelijks hoe zich te keeren of te wenden. De oude keuren,
die niet dan met bijzondere vergunning het gebruik van eenig gewield
voertuig gedoogden, zijn vervallen, als niet in verband met den geest
der eeuw, die vooruitgang, liefst hollenden vooruitgang, eischt--wat
echter voor den voetganger minder aangenaam is. Ongelukkig heeft men
niet willen begrijpen, dat onze stad, evenmin als Venetië, gebouwd
is voor hen, die per fors rijden willen. De waterwegen, waarvan
men zich oudtijds bij voorkeur bediende, zijn in onbruik geraakt,
zooverre het den vervoer van personen geldt, en in de plaats der
jachten en tentschuiten, die vroeger zonder gerucht over het water
gleden, snorren thans koetsen, glazenkasten en omnibussen over de
straten. De draagkoets bestaat sedert lang niet meer; doch ook de
toeslede, zoo veilig en zeker, wordt meer en meer vervangen door
hossende vigilantes, bij welker afrijden van eene sluis het onzeker
is, wie in den grootsten angst verkeeren moet, hij, die er in zit,
of de voorbijganger. Ja zelfs de kruiwagens verminderen in getal,
sedert de schuiteveeren vervallen, en maken plaats voor die vierkante
bakbeesten, die men goederenwagens noemt, en wier bloot gezicht reeds
een mensch den schrik op 't lijf jaagt.

In de meeste steden van het buitenland heeft men afzonderlijke
trottoirs voor den voetganger: trottoirs, hooger dan de straat en waar
men dus veilig is voor de rijtuigen: hier is geen keur machtig, deze
laatsten te beletten, den voetganger van de kleine steenen te dringen
en hem in nauwe straten te klemmen tegen het hekwerk voor een winkel
of tegen de stijlen van een hoekhuis.--Van kleinere onaangenaamheden,
als het slijk en zand, dat u om de ooren of over de kleeren spat,
wil ik niet eens gewagen.

Wat elders ook voor den voetganger een toevluchtsoord aanbiedt, zijn
de talrijke zoogenaamde passages, waar men veilig kan wandelen, koopen
en flaneeren.--In alle groote steden bouwt men er nieuwe,--in Amsterdam
is de eenige, die er bestond, de doortocht door 't Oude-mannenhuis,--in
verval en de winkels sedert lang gesloten.

En toch ware er van de Kalverstraat eene passage te maken, die voor
niet eene in de wereld zou behoeven onder te doen.

Ik sprak zooeven van het verval der waterwegen ten gevolge van het
in onbruik raken der keuren tegen de rijtuigen; doch er is nog eene
andere reden, waarom die wegen sedert lang verlaten zijn.--Ook nu nog
is het gezegde van Huyghens, dat de vreemdelingh behoort te swijmen,
volkomen van toepassing, ja in sterkere mate zelfs dan voorheen. Maar
er is een onderscheid: indien hij nu swijmt, 't is niet ten gevolge
van 't geen hij ziet, maar van 't geen hij ruikt. De zwanen zijn dan
ook voor altijd weggereisd of gestorven, en dat wel zonder zwanenzang
op Amsterdams vervallen liefelijkheid.

Aan het bezigen van den waterweg eigenden zich met recht de sierlijke
kaaien, van steen of wel van net getimmerd hout vervaardigd, en door
den bewoner van het daar tegenoverliggend erf bestendig in goede orde
onderhouden. Zeker zou in vroegere dagen niemand gedroomd hebben,
dat onderhoud te willen schuiven op de Gemeente: en de Overheid zou
het hem, die zoo iets beweerd had, wel anders geleerd hebben. Ook
zouden de bewoners van zijstraten en stegen met reden gevraagd hebben,
hoe men hen in billijkheid kon noodzaken op te brengen voor kaaien,
waarvan zij geen gebruik hadden.--Dan, gelijk ik zeide, die gedachte
om zich van het onderhoud te ontslaan, was bij niemand opgekomen:
immers tegenover het bezwaar stond het genot. Aan de kaai over zijne
deur had ieder bewoner zijne ijzeren ringen, waar zijn jacht, zijne
tent- of pakschuit, zijn turf- of houtschip aan vastgemeerd werd,
en waar geen vreemd vaartuig het waagde, zonder zijne toestemming,
aan te leggen. Dat alles is thans over. Eene uitspraak van den
Hoogen Raad--van welke uitspraak men zeker niet kan zeggen, dat
zij kant noch wal raakt--heeft de eigenaars der woningen, langs de
grachten gelegen, ontheven van een servituut, vroeger door hen als een
privilege aangemerkt. De arme gemeentekas is bezwaard geworden met het
onderhoud der wallen: en de ingezetenen, uit wier beurzen de kosten
toch per slot moeten komen, hebben er nu, behalve het equivalent,
alleen dit bij gewonnen, dat de nieuwe schoeiingen--want geen anderen
naam verdienen zij--in volkomen harmonie zijn met de stinkslooten,
die daartusschen hare pestwalmen doen opstijgen.

Ik zou wel eens willen weten, wat de beroemde mannen onder onze
voormalige stadgenooten, die Amsterdam in zijn vollen luister gekend
hebben, wel zouden zeggen, als zij weder eens in levenden lijve over
onze straten konden wandelen, mannen b. v. als Cornelis De Graef,
Nikolaas Tulp, Bartholomeus Van der Helst, Joost Van den Vondel,
Michiel Adriaensz. De Ruyter en Jan Claeszen.



Een hoofdstuk, dat tot een aangenamen overgang verstrekken moet,
om het volgende hoofdstuk voor te bereiden.

De schrandere lezer, die ongetwijfeld door en door bekend is met de
geschiedenis des vaderlands, zal hier gewis reeds hebben opgemerkt,
dat ik mij ten opzichte van de volgorde, waarin ik bovenvermelde
groote mannen geschetst heb, van een figuur heb bediend, welke men
in de Rhetorica gewoon is een climax te noemen, en daarbij den graad
hunner betrekkelijke vermaardheid heb in acht genomen. Ik ben toch
niet volkomen zeker of gij u wel precies herinnert, dat Cornelis De
Graef leefde in den tijd, toen de Raad zich met het bouwen van het
Stadhuis bezighield en niet met het zoeken naar een equivalent, dat
een zijner zonen den eersten steen van dat gebouw leide en hij zelf
bij de inwijding als Burgemeester voorzat, dat hij talrijke diensten
aan zijn Vaderland bewees, tweemalen een burgeroorlog voorkwam en den
jongen Prins Willem III tot mede-voogd verstrekte.--Ik heb evenmin
de overtuiging, dat gij Tulp anders kent, dan uit de schilderij van
Rembrandt, en dat gij weet, hoe hij niet alleen door zijne verdiensten
als geneesheer, maar ook door zijne wakkerheid als Regent, de hulde
van tijdgenoot en nageslacht verdiende. Maar wat Van der Helst
betreft, gij hebt ongetwijfeld zijn Schuttersmaaltijd gezien--naar
welken onze Kaiser onlangs zulk eene voortreffelijke plaat heeft
geleverd--hoewel gij misschien niet gelezen hebt, dat hij veel geld
voor zijne portretten maakte en in zijn tijd meer in trek was dan
Rembrandt.--Joost Van den Vondel kent gij evenzeer als den schrijver
van Gijsbrecht, welk stuk alle jaren vertoond wordt. In 't voorbijgaan
gezegd, hij was niet de schrijver van Kloris en Roosje,--uit welk
kluchtspel men sedert eenige jaren al de oorspronkelijke liedjes,
die geestig en naïef waren, heeft gebannen, om ze in watermelkdeuntjes
te veranderen:--en dat zonder iemand te waarschuwen.

Wat De Ruyter betreft, gij hebt zijn graf in de Nieuwe Kerk en zijne
levensbeschrijving in het boekje van 't Nut zeker wel onder de oogen
gehad en hij zweeft u alzoo voor den geest als een zeeheld, die thuis
gelijk een burgerman leefde en zich met geen politiek ophield.

Maar beter dan al de overigen kent gij Jan Claeszen, 't zij dat gij hem
op uwe kinderpartijtjes in de vermaarde ronzebons van La Haye zijne
kunsten hebt zien vertoonen, 't zij dat hij voor 't huis uwer ouders
voor een zesthalf--neen, in uwen tijd, lieve lezeres! die nog jong
en schoon zijt, voor een kwartje--eene representatie gaf, waarbij gij
met uwe broertjes en zusjes of neefjes en nichtjes op de vensterbank
geknield laagt, met de neuzen plat gedrukt tegen de ruiten, terwijl
een troep groote of kleine kinderen van de straat het spektakel gratis
aanschouwde, 't zij eindelijk, dat gij zelf--dit geldt u lezer!--op
een der stadspleinen de vertooning stond aan te gapen en daarbij een
eerbiedigen afstand bewaardet, niet zoozeer uit vrees dat "de vrouw"
ook bij u met haar bakje komen zou, om uw duit op te halen, als wel
uit zorg voor "uw fatsoen".--Gij allen kent dus Jan Claeszen, en hebt
u er nooit over bekommerd, hoe die dubbel gebochelde, roodgeneusde,
phantastische held, die oorspronkelijk Pucinello heette, doch wien
de Italianen, Franschen, Engelschen en Duitschers, elk naar hun
lievelingsgerecht, Macaroni, Jean Potage, Jack Pudding (later Punch)
en Hansworst doopten--aan dien naam gekomen is, dien hij bij ons
verkregen heeft. Zijt gij verlangend, hieromtrent iets te vernemen,
dan wil ik gaarne uw weetgierigheid voldoen. Gij hebt wel gehoord--en
kunt het anders bij Wagenaar lezen--hoe, na den dood van Prins Willem
III, de aristocraten hier te lande in hunne wijsheid begrepen, dat
zij 't evengoed zonder stadhouder konden doen. Zij vonden 't niet
onaardig alle macht in den Staat tot zich te trekken, en zich ook
die privilegiën en prerogatieven toe te eigenen, welke de Prins tot
dien tijd bezeten had. Zoo werd, onder meer, door hen besloten, de
voormalige Garde van den Prins te herscheppen in eene lijfwacht der
Staten van Holland. Dit had echter geen plaats zonder dat men te dier
gelegenheid verwijderde al wie onder dat korps van Prinsgezindheid werd
verdacht gehouden; en onder hen, die men uit dezen hoofde afdankte,
bevond zich ook een trompetter, Jan Claeszen geheeten. Deze, nu buiten
dienst gesteld en verplicht eene andere broodwinning te aanvaarden,
wijdde zich der kunsten toe, zette zich te Amsterdam neder en vertoonde
aldaar eene ronzebons op straten en pleinen. Niet tevreden echter
van zijne drama's op te voeren, zooals zij oorspronkelijk geschreven
waren, doormengde hij die met grappige zetten en kwinkslagen, en
lei zijne sujetten, vooral zijne hoofdpersonen, menigen zet in den
mond tegen de toenmalige landsregeering. Ik durf niet verzekeren, dat
zijne aardigheden even kiesch en vernuftig waren, als van een modern
oppositieblad, doch zij waren wellicht te meer geëigend, om aan zijn
publiek te behagen, en hemzelven tot de lieveling der Prinsgezinde
burgerij te maken. En zoo werd langzamerhand hij zelf vereenzelvigd
met zijn hoofdpersoon; de naam van Hansworst, dien de echtgenoot van
Katrijn tot dien tijd gedragen had, werd door den zijnen verdrongen
en in voortdurenden roem leeft bij ons de onsterfelijke Jan Claeszen.

Doch wat zeg ik?--Helaas! groot is mijne vrees, dat het met die
onsterfelijkheid ook al mis is, en dat, evenals andere groote
mannen, ook zelfs Jan Claeszen bij ons in 't vergeetboek dreigt te
geraken. Hij, het echte type van den wijsgeer, de man, die geene
zorgen kent en met den dag voortleeft, die zich over niets bekommert,
mits hij den tijd doorbrenge met eten, drinken en deuntjes zingen;
die met ieder in vrede is, maar ook niet uit zijne gelijkmoedige
rust gestoord wil worden, noch door eene kijvende vrouw, noch door
kinderen, die om brood janken, noch door een huisheer, die hem manen
komt, noch door een werf-officier, die voor het verstrekte handgeld
zijne diensten opvordert, noch door den barren Droes, die hem met
zich mee wil pakken, en die tegen al die lastige kwelgeesten maar twee
argumenten heeft, zijn holsblok en zijn stok--hij, dat echte toonbeeld
van ware levenswijsheid, begint bij de directeurs van wandelende
theaters reeds een deel van zijne originaliteit te verliezen, ja
reeds houdt hij hier en daar op de hoofdpersoon te zijn. De oude
ronzebons zelve, verbreed en vergroot, wordt verbasterd tot eene
marionettenkast, met beweegbare figuren, tot een zouteloos théatre
de métamorphoses. Nog onlangs stond ik bij avond op het Koningsplein
te Amsterdam gedurende tien minuten naar eene zoodanige vertooning
te kijken: in die tien minuten zag ik letterlijk niets anders dan
een bordpapieren ruiter, wiens paard nu eens op de voor- dan weder
op de achterpooten ettelijke kapriolen en evoluties maakte.--"Ik
packte my van daer", zooals Gijsbrecht zegt, innig bedroefd over den
verloop der tijden en tevens het geduld bewonderende der toekijkers,
die van zulke flauwheden niet wegliepen. Ik bewonderde ook een klein
weinig mijn eigen geduld, dat ik het nog tien minuten had uitgehouden.

Ik heb straks gezegd, dat Jan Claeszen (de trompetter namelijk)
vreemd zou opkijken, als hij Amsterdam nu terugzag. Ik vrees, dat
de tijd zal aanbreken en niet verre meer af is, waarin hij er niet
alleen de jachten, de luifels, de zwanen, den Jan-Rodenpoortstoren, de
toesleden, de haringpakkerij, de houten schoorsteenen, het Doolhof, de
aansprekers, maar waarin hij er zichzelven niet meer zal terugvinden.

Maar dan zal ook Amsterdam wel voorgoed ten val zijn geraakt.



Over drie groote en miskende stadgenooten.

Ik heb in het vorige hoofdstuk, hoezeer dan maar in 't voorbijgaan,
den naam van La Haye genoemd, en bij het herdenken aan al wat Amsterdam
verloren heeft, zonder het weder vergoed te zien, is het mij eene
behoefte, ook bij dezen beroemden man eene wijle stil te staan en
zijne gedachtenis te verbinden aan die van twee andere illustratiën,
wier taak en wier lust het evenzeer was, werkzaam te zijn tot nut en
vermaak hunner jeugdige stadgenooten, en wier namen ik mij niet voor
den geest kan brengen, zonder dat bij mij een zoet en aandoenlijk
gevoel van dankbaarheid oprijst voor de genoegelijke uren, die
zij mij verschaft hebben, uren, hoedanige geen latere leeftijd mij
heeft teruggegeven:--Beekman en Laurens. Met La Haye vormen zij het
schoonst en liefelijkst klaverblad, dat wellicht eens gebloeid heeft:
een driemanschap, meer waardig bezongen te worden, dan dat andere
driemanschap, eens te Rome door heerschzuchtige tirannen gevormd. Het
was door moord, door plundering, door brandstichting, door al de
gruwelen van den burgerkrijg, dat zich dit laatste berucht maakte:
het waren dans en feestvreugde en gejubel, waar onze Amsterdamsche
Driemannen hunnen naam door vestigden. Het Romeinsche Driemanschap
omschanste zich met krijgsvolk en bundelbijlen: het onze voerde
de Muzen, de Lachjes en Gratiën in zijn stoet. Klaroengeschal en
wapenklank kondigden Octavius, M. Antonius en Lepidus aan: viool en
lier vermeldden de verschijning van La Haye, Beekman en Laurens.--Toen
ik hen kende, ging ik ter Fransche schole en wanneer ik 's avonds
werd gehaald en naar den sterrenhemel zag, vestigde ik doorgaans mijne
bijzondere aandacht op den Orion, vooral op de drie hoofdsterren van
zijn gordel: en dan kwam het mij meermalen in den zin, dat, evenals
de beroemde helden der oudheid, na hun dood een bepaald gesternte
ter woon en onder hunne bescherming verkregen, de doorluchte Drie,
die mijnen kameraden en mij zooveel genoegen verschaften, in dien
gordel een hunner waardige plaats zouden kunnen bekleeden.

Of zij naar dien gordel verhuisd zijn, weet ik niet: wel, dat zij eene
plaats verdienen in de galerij van beroemde Nederlanders, door den
Boekhandelaar Coster geopend, en thans overgenomen en vervolgd door
mijn geachten vriend, den Boekhandelaar Van Kampen. En, ten gerieve van
hun toekomstigen levensbeschrijver, laat ik hier eenige bijzonderheden,
hen aangaande, volgen, waaruit overvloedig zal kunnen blijken, dat
de lof, hun door mij gegeven, in geenendeele overdreven is.

Wat, in de eerste plaats, La Haye betreft, ik ken zijne geboorteplaats
niet en ik geloof evenmin, dat, gelijk dit plaats had ten opzichte van
Homerus, zeven steden om dien eeretitel zullen kampen. Niet, dat hij
dien wedstrijd onwaardig zou zijn; maar ik twijfel er aan of hij het
eerste licht in eene stad aanschouwd heeft. Ik durf de gissing wagen,
dat hij een regimentskind was, en dat hem zijne moeder in 't veld,
achter eene haag ter wereld bracht, op welke bijzonderheid hij bij
het kiezen van een naam zal gezinspeeld hebben. Wat zijn uiterlijk
betrof, hij was kort en mager, had gekruld zwart haar, eene kale plek
op de kruin en levendige grijze oogen. Zijn gezicht was kleurig--wat
lasteraars aan het gebruik van brandewijn toeschreven; ofschoon
mij uit geloofwaardige berichten gebleken is, dat hij de voorkeur
gaf aan Schiedammer vocht,--en een weinig pokdalig. Zijne kleeding
was thuis een belapt buis, en op partijen eene grijs blauwe frak
met hoogen kraag en tinnen knoopen, eene hooge witte das, breed als
een tafellaken, en voorzien met een monsterstrik, een rood vest met
blauwe bloemen en gele strepen, eene nankingsche korte broek, grijs-
en witgestreepte kousen en schoenen met linten--als overeenkomstig
met de mode uit den tijd van het Directoire.--Natuurlijk trok hij
zijn rok uit, als hij zich binnen zijn theater bevond.

Wat zijne sujetten betrof, hoezeer hunne voornaamste bezigheid
bestond in elkander af te ranselen, zoo moet ik hun ter eere zeggen,
dat zij, buiten het tooneel zijnde, hun Directeur nimmer eenigen last
veroorzaakten: zij keven niet onderling, noch toonden eenigen nijd of
jaloezie, maar slingerden naast elkander in de beste harmonie; gingen
zich verder niet te buiten aan sterken drank en dreigden nimmer zich,
indien men hun appointement niet verhoogde, aan een ander theater te
engageeren. In één woord, zij vormden een volkomen tegenbeeld van alle
mogelijke andere verledene en toekomstige tooneelgezelschappen. Van
de tegenwoordige wil ik, om goede redenen, niet spreken.

Het répertoire van La Haye bood weinig verscheidenheid aan. Behalve
de gewone huislijke oneenigheden tusschen Jan Claeszen en zijne
wederhelft, daaruit voornamelijk ontstaande, dat hij, volgens haar
beweren, naar anisette, en zij naar klare jenever met suiker rook, en
de minnarijen van den schoonen Lujander met de bekoorlijke wederhelft
van den Ouden Heer, een lief schepseltje van "zeuventien d'half jaren
en zeuven maanden", hadden wij altijd de vermakelijke vertooning van
Jan Claeszen, die in zijn slaap gestoord wordt door de kapelletjes,
die zich op zijn neus zetten, en welke hij, wakker geworden zijnde,
onder 't geroep van "witje, witje! hoog, hoog! witje, witje! laag,
laag!" vervolgde, zonder ze ooit te kunnen krijgen. Doch de scène,
die ons de meeste pret verschafte, was die, waarin Jan Claeszen,
in de bakkerij geslopen, den oven bestal, en zijn roof--onder zijne
handen in ulevelletjes en chocolaadjes herschapen--met volle armen
over ons uitstrooide. Dan kwam de bakker, met zijne gebloemde japon
en de slaapmuts op 't hoofd, vond zijn oven ledig, en zocht den
dief, die altijd achter het linksche gordijntje wegschool, wanneer
de bakker achter het rechtsche keek en omgekeerd. Dan riepen wij
den bakker toe, waar hij zoeken moest; doch de man kwam gedurig te
laat; totdat Jan Claeszen, meer en meer vermetel, zich verstoutte
hem op allerlei wijze te foppen, door hem achterna te volgen, bij de
muts, bij het staartje in zijn nek te trekken, dit laatste in brand
te steken, enz. en zich dan spoedig weer weg te maken. Eindelijk
kreeg de bakker hem: zij raakten handgemeen en het slot was, dat,
tot ons groot vermaak, de bestolene in zijn oven verbrand word. Ik
weet niet, hoe 't mijnen speelmakkers gegaan is, noch of zij later,
bij het zien van een honderdtal melodrama's, waarin altijd de deugd
triomfeerde en de misdaad gestraft werd, bij de ontknooping even koel
zijn gebleven als ik doorgaans was; maar dit weet ik, dat, bij die
van het drama in de ronzebons, wij allen de zegepraal der misdaad,
die dansende en zingende wegtrok, met schaterend gejuich en handgeklap
aanschouwden.--'t Is waar; de ulevellen en chocolaadjes hadden ons
tot medeplichtigen gemaakt.

De eenige afwisseling, welke ik mij herinner, dat de voorstellingen
van La Haye opleverden, was deze, dat hij als tusschenspel--intermède
choregraphique zou men het thans noemen--twee mooren, nu eens
met bekkens, en eene andere reis met waskaarsen, liet dansen. Tot
schande voor mijn goeden smaak moet ik zeggen, dat mij die dans altijd
verveelde. Reeds toen--en het is mij later bijgebleven--moest ik de
menschelijke stem hooren of eene dramatische actie zien; maar al wat
bloot vertooning was en wat lang duurde, heeft mij nimmer kunnen
behagen: en ik herinner mij, bij den dans van Taglioni gegaapt te
hebben en in den dut te zijn gevallen bij het fraaiste carrouselrijden
in 't paardenspel; terwijl ik, wat balletten betreft, nog altijd het
meeste vermaak schep in eene Harlekinade.

Verder geloove men niet, dat een uit het publiek, 't welk de
vertooningen van La Haye bijwoonde, naar de opvoering van iets nieuws
verlangde. Neen, met hetzelfde genot, waarmede thans een dilettant voor
de honderdste maal de Norma, de Barbier of de Freischutz ziet opvoeren,
naarmate hij een voorstander is van Bellini, Rossini of Weber, zagen
wij telkenreize het tooneel, waarin Jan Claeszen zich doof houdt
tegenover den huisheer, en Katrijn dezen met stokslagen betaalt; en
dat andere, waarin de acteurs een voor een in de kist worden gestopt,
met hernieuwd vermaak terug: ja wij waren geheel niet tevreden,
indien er in het gewoon programma eenige verandering plaats had.

Over de verdiensten van La Haye als directeur van den dans, zal ik
kort zijn: zij waren ongetwijfeld vele; doch ik was toen nog te weinig
ingewijd in de geheimenissen der Choregraphie om ze naar waarde te
schatten: dit alleen geloof ik te kunnen aannemen, dat zij niet gelijk
stonden met zijne verdiensten als theater-directeur. Nu--het is niet
iedereen gegeven in alle vakken uit te blinken, en hoezeer le devin
de village eene lieve operette zij, was Rousseau ongetwijfeld grooter
als prozaschrijver dan als componist.

Nu een woord over Beekman. Deze was een Amsterdammer pur sang en
sprak, dacht, liep en zag er ook uit als een Amsterdammer. Zijne
donkerbruine kleeding, eenvoudig en net, en zijn hoofd, met eene
bruine, rechthoekige naturel versierd, alles duidde in hem den
man aan zonder pretentie. Als violist en dansdirecteur stond hij
wellicht op dezelfde hoogte als La Haye; doch gelijk deze door zijn
ronzebons, was gene groot door zijne Chineesche schimmen, welke hij,
met behulp van zijn zoon, een bleeken jongeling, met een grijs en
blauw gestreept vest, vertoonde. De tooneelstukken, welke hij te
voorschijn bracht, waren talrijk en classiek: althans vertrouw ik
dat gij, mijn waarde lezer! voor zooverre gij in de literatuur van
het théâtre des Séraphins geen vreemdeling zijt, ze alle kent. Hij
gaf ons de voorstelling van het woud met de wilde dieren, den jager,
die ze vervolgt, den struikroover, die den armen reiziger om hals
brengt en berooft, maar later zelf door den levenden Nikker wordt
weggevoerd: die van den buitensingel, met den visscher, die in zijn
totebel talrijke stroombewoners vangt: die van de straat, in welke de
wandelaars met parapluies uitgaan, waar de wind in vat, zoodat zij met
hunne eigenaars de lucht ingaan: die van het hol, waar de toovenaar
allerlei veelsoortige verschijningen oproept: die van het huis met
de duiventil, waar twee stoute kinderen, ondanks alle verbod, zich
op wagen, en die onder hunne zwaarte wegbreekt en met hen instort:
die van de gebroken brug met de eendjes, enz. enz. Maar de drama's,
die ons 't meest plachten te behagen, waren de twee volgende: het
eene, dat, waarin twee huisbrekers bij nacht een huis leeg stelen en
het vervolgens in brand steken; terwijl de oude podagrist met zijne
huishoudster, die het bewonen, niet dan met moeite ontkomen;--het
andere, dat van de kat, die den schapebout steelt; terwijl Mietje,
die er op passen moest, met haar buurknaap is loopen spelen; hetgeen
haar dan ook eene welverdiende kastijding van hare moeder bezorgt.

Habent sua fata libelli, zegt de Latijnsche dichter; wat zooveel zeggen
wil: "'t loopt al raar met de reputatie van een werk":--de waarheid
dezer spreuk vinden wij opnieuw bevestigd door de merkwaardige
omstandigheid, dat treffelijke tooneelstukken als de hierboven
genoemde, reeds sedert een paar eeuwen in alle hoofdsteden niet
alleen, maar zelfs in kleine dorpen, waar het slechts kermis was,
eene welverdiende vermaardheid hebben bekomen, zonder dat iemand in
staat zij den naam des genialen schrijvers te noemen, aan wien wij
ze te danken hebben.--'t Is waar, dat, van een anderen kant er vele
beroemde schrijvers gevonden worden, wier namen overal bekend zijn,
doch wier voortbrengselen niemand leest.

De Chineesche schimmen werden bestendig achtervolgd door een Chineesch
vuurwerk, dat zeer fraai was; doch dat mij, om eene hierboven reeds
aangehaalde reden, veel minder vermaakte dan de vertooningen.

Groot waren La Haye en Beekman!--doch ze stonden in evenredigheid tot
Laurens gelijk Le Brun en Cambaceres tot hun medeconsul Buonaparte. Zoo
ik van de beide eerstgenoemde theaterdirecteurs de voornamen niet heb
kunnen opsporen, ten opzichte van Laurens is het mij niet gelukt met
zijn geslachtsnaam bekend te worden. Naar alle waarschijnlijkheid
heeft hij er ook geen bezeten en zal hij alleen bij dien zijns
vaders zijn bekend geweest, gelijk Mozes, Cyrus, Socrates. Alexander
de Groote, en--met wien ik hem in de eerste plaats had moeten
vergelijken--Orpheus.--Met dezen toch had hij nog andere punten van
overeenkomst. Orpheus bespeelde een antieke, Laurens eene moderne
lier: Orpheus trok alle menschen en dieren, Laurens alle kinderen tot
zich. Orpheus was het grootst, toen hij in het rijk der schimmen zulk
een beweging maakte; Laurens behaalde ook daarmede zijn voornaamsten
roem: ja zelfs overtrof hij Orpheus in dit opzicht; want de schimmen,
welke hij in beweging bracht, had hij zelf doen ontstaan.

Evenmin als Vondel had Laurens te Amsterdam het eerste levenslicht
aanschouwd; evenals gene was hij in een Bisdom geboren, Vondel in dat
van Keulen, Laurens in dat van Luik. Evenals Vondel bracht Laurens
zijne mannelijke levensjaren door te Amsterdam en verwierf er zijn
roem. Eindelijk besteedde Laurens, evenals Vondel, den tijd, dien hij
niet aan de schoone kunsten wijdde, met de uitoefening van een beroep:
en had Vondel een kousenwinkel in de Warmoesstraat, Laurens had een
parapluiewinkel in de Wijde Heisteeg--die, in 't voorbijgaan gezegd,
zoo nauw is, dat men haar maar van ééne zijde mag inrijden.

Nimmer is de verschijning van een Romeinschen veldheer, als hij
zijne zegepraal te Rome vieren zou, nimmer die van een geliefd
vorst in eene zijner goede steden, nimmer die van een lang verwachten
keizerlijken erfgenaam in dit tranendal, nimmer die van een gemaskerde
studentenstoet op een academiefeest met meer ongeduld te gemoet
gezien en met hartelijker gejuich verwelkomd, dan die van Laurens
op eene kinderpartij. "Daar is Laurens! daar is Laurens! goeden
avond, Laurens!" riep dan uit éénen mond de jubelende schaar, die al
huppelende om hem heendrong, tegen hem opsprong, en hem in de overmaat
der vreugd schier belette verder voort te treden en zich te ontdoen
van zijne dubbele vracht.

Ik zeg, zijne dubbele vracht; want, zonden La Haye en Beekman hun
theater vooruit, Laurens--en hier blijkt wederom hoe ware grootheid
steeds met nederigheid gepaard gaat--droeg het zijne op den rug;
terwijl hij nog bovendien van voren met zijn lierekast was bezwaard.

Eindelijk was het niet, zonder moeite den grooten man gelukt de kist,
waarin zijn tooverlantaren en de daarbij behoorende glazen besloten
waren, neder te zetten en zich een weg te banen tot aan de vrouw des
huizes. Bevallig en deftig tevens was daarbij zijne houding, en in
overeenstemming met zijn kostuum. Had La Haye in zijn voorkomen iets,
dat aan den voormaligen Carmagnool herinnerde, was Beekman de type van
den Amsterdamschen burgerman, zij, die Laurens zagen, en niet wisten,
dat hij een Luikerwaal was, wilden er op zweren, dat hij tot de émigrés
behoorde. Zijne kleeding toch was, tot in de kleinste bijzonderheden,
ancien régime. Het haar, met een weinig poeder bestrooid, was en
aîles de pigeon gekapt en van achteren tot een staartje of zoogenaamd
"schorseneeltje" vereenigd, dat, vastgebonden met een blauw zijden
lint, in eeuwigdurende beweging was. Hij droeg het habit français,
lichtbruin, met breede opslagen en knoopen als drieguldens: tusschen
een donkerkleurig vest met breede panden vertoonde zich het hagelwitte
linnen, van een geplooiden jabot en manchetten voorzien: op de korte
zwarte broek hing een breede stalen horlogeketting: en de bruine
floretten kousen staken in lage schoenen met breede spinsbekken
gespen. Dat hij bij dit alles, wanneer hij over straat ging, een
grooten punthoed droeg en een stok met een zwaren knop, behoef ik
nauwelijks te vermelden.

Maar dan zijn gelaat! Zeker had de uitdrukking daarvan iets, dat aan
allen vertrouwen, en aan de kinderen bovendien hartelijke genegenheid
inboezemde, met eerbied gepaard: tot bewijs van dit laatste behoef
ik slechts aan te voeren, dat ik ook den ondeugendste onder hen
zich nimmer heb zien verstouten in zijne tegenwoordigheid eenige
onbetamelijkheid te bedrijven. 't Is waar--mij is verteld dat eens
een kleine bengel de ongehoorde vermetelheid zou hebben gehad, hem
aan zijn staartje te trekken. Ik kan het feit niet gelooven;--doch zoo
't werkelijk heeft plaats gehad, dan moet ik het er voor houden, dat
de knaap, die 't bedreef, zich vooraf was te buiten gegaan aan eenig
glas wijn of punch, dat voor de groote menschen bestemd was:--of,
indien zoodanige jeugdige booswicht zich werkelijk aan het feit heeft
schuldig gemaakt, zonder iets anders gebruikt te hebben dan slappe thee
of orgeade, dan verkondigt zulks bij den schuldige op zijnen leeftijd
òf eene vroege verdorvenheid, òf een vroegen overmoed, en is hij op
mannelijken leeftijd òf aan de galg òf aan een ministerie geraakt.

Dan ik wil mij in geene gissingen omtrent zulke droevige uitkomsten
verdiepen, waardoor ik het genoegen zou bederven, 't welk gij,
lieve lezeres! ongetwijfeld smaken zult in het lezen, gelijk ik in
het opstellen der beschrijving van een dier aangename avonden, zooals
Laurens ze ons wist te schenken. Zie! de pret gaat beginnen. Laurens
draait aan zijne lier: rijing, rijing, rijingerijingerijing, vat
aan iedere hand een klein ventje of meisje, en een groote rondedans
vangt aan. Na den eersten toer volbracht te hebben, staat hij stil,
en allen met hem.

"Een been," roept hij, steekt het zijne vooruit, en allen volgen
zijn voorbeeld.

Na de tweede roept hij: "Een been, ander been!" en beide worden
achtereenvolgens door hem en door de dansers uitgestoken. Na de derde
ronde luidt het: "Een been, ander been, één knie!" en de geheele
troep ligt als hij geknield. De "andere knie" komt er na den vierden
toer bij: vervolgens op gelijke wijze "een hand--andere hand," en
eindelijk, bij de laatste ronde: "allemaal om," bij welken uitroep
allen, nu op vier voeten voorover liggende, het hoofd buigen en met
den neus op het tapijt liggen, niet anders dan of zij ter audientie
waren bij den Keizer van Japan.

Na die ronde, een "patertje", de liefste dans, die ooit is
uitgevonden--zeker de oudste en meest nationale bij ons: een dans,
die de zoetste herinneringen achterlaat.--Ik ken jongelieden,
die in polka en mazurka schitteren, en die toch verre van afkeerig
zijn van een patertje, wanneer het eens--zoo geheel onder ons--wordt
voorgesteld. Ik ken evenzeer jonge dames, die een afschuw hebben van
den Baal-Peors-dienst en daarom ook van geen bal willen weten--welk
laatste woord in hare meening van het eerstgenoemde afstamt;--maar
die toch zich altijd met genoegen laten vinden om--altijd zoo geheel
onder ons--een patertje mee te doen.

Na het patertje, een marsch:--een plechtige, statige marsch, Laurens
voorop, al de kinderen achter hem, elkander bij de slippen der jurk
of bij de punt van het buisje vasthoudende: de grooten voorop, de
kleinsten achteraan. O! die zoo gelukkig was, den grooten Laurens
zelven bij de rokspanden te mogen vasthouden. Haal u voor den geest
den persoon, die u 't meest benijdenswaardig voorkomt: den gast,
die eene eereplaats bekomt aan 's Konings disch, den danser, die
uitgenoodigd wordt om met eene Prinses van den bloede den cotillon te
dansen: de min, die een Keizerlijk kind mag zogen, den adjudant, die
de geboorte van het gezegde kind gaat boodschappen, de prima donna,
die hare mededingster hoort uitfluiten--o! het gevoel van eigenwaarde
en zelfvoldoening, dat die allen bezielt, kan niet opwegen tegen dat,
't welk de borst doorstroomde van den gelukkige, wien 't onschatbaar
voorrecht ten deel viel de rokspanden van Laurens te mogen vasthouden
bij 't "hansje sjokken" spelen.

En als dan de deftige marsch lang genoeg geduurd had, gaf
doorgaans Laurens het sein tot het eindigen met deze woorden, op
Mefistofelistischen toon uitgesproken:


    "Nou motte ikke al de meisie soene."


Dan was het een gegil en een gelach en een gegiegauw en geginnegap
van al die vijf- tot zevenjarige Dafnees en Atalantes, die de vlucht
namen--en de rij was verbroken.

Natuurlijk was deze bedreiging van den eerzamen Laurens niets dan
scherts, en dit wisten de nufjes ook zeer goed; want bijna allen hadden
die bij vorige gelegenheden meer gehoord: doch zij wisten tevens,
dat het tot hare rol behoorde, bij die gelegenheid op de vlucht te
gaan, alsof zij wonderwat te vreezen hadden.

Dan stil: het tafellaken wordt tegen den wand gespeld:
de tooverlantaarn daar recht tegenover op een tafel gezet en het
publiek zet zich neder:--de grooteren op stoelen aan weerszijden in
een halven kring: de kleintjes daartusschen in, op stoven: hier en
daar eene gouvernante of kindermeisje nevens het voorwerp harer zorg.

Laurens steekt het licht aan in zijne tooverlantaarn: geen gas, geen
lamp, geen waskaars zelfs, waarde lezer!--eene loutere vetkaars;--maar
ook de vetkaars heeft hare rol in de vertooning.

En nu worden de overige kaarsen uitgesnoten of weggezet (lampen waren
toen nog niet in gebruik) en wij zitten in 't stikdonker, de enkele
stralen niet medegerekend, die uit de reten en gaatjes der lantaarn
ontsnappen.

En nu vangt, op de wijze der antieken, Laurens met een prologus of
voorafspraak aan:

"Eeren en Daam! wat wit is is niet swart;--en wat swart is is niet
wit. Sie je nix, ik ook nix, hé, hé, hé, Juffrouw! Nou sel je kommen te
sien die mooi tooferlantaar, fraai kurieus o so mooi! en as ik spreek
mot jylui swyk en as ik sink mot jylui mee sink..." En werkelijk,
zoolang hij sprak, was er--op twee of drie uitzonderingen na, waarvan
nader--eene stilte, dat men eene speld kon hooren vallen.--Sommigen
hebben dit verschijnsel psychologisch willen verklaren en die stilte
toegeschreven aan de duisternis, welke in 't vertrek heerschte. De
zoodanigen meenen zich tot staving van hunne meening te kunnen
beroepen op 't geen plaats heeft, wanneer men met den spoortrein
plotseling in eene tunnel komt, en het levendigste gesprek terstond
gestaakt wordt. Ik heb zelf dit laatste meermalen ondervonden; doch
altijd iets geschoven op de omstandigheid, dat het gedruisch van
den trein in eene tunnel vertienvoudigd wordt en alzoo belet, dat de
een den ander versta. Wat daarvan zij, zeker is het, dat wij bij de
vertooning van Laurens zwegen, niet omdat het duister was, maar uit
eerbied voor den man: en ik behoef hier geen ander bewijs voor, dan
het feit, dat wij allen trouw meezongen, zoodra hij zijne stem verhief.

De inleidende aanspraak is geëindigd. Laurens draait het dekstuk van
den lichtkoker af en daar tegenover verschijnt op het witte linnen de
ronde, verlichte schijf, die het tooneel is, waarop zijne gekleurde
schimmen zich zullen bewegen.

En nu volgen de vertooningen, door hem telkenreize beschreven in de
hierna volgende bewoordingen, waar ik jota noch tittel af of bijdoe:

"Ter ebje nou Mijneer de Son, met zijn kleine neus, zijn kleine mond,
sa beauté, sa magnificence. Sieje niet oe 'y zijn ook beweek.--En ier
ebje Mefrou de Maan, met aar kleine neus, aar kleine mond.--Ier ebje
Adam en Efa in 't Paradijs, naakt en bloot, met zijn b.... bloot.--Ier
ebje de slank, die keef de appel aan Efa. Daar neem Efa die appel
van de slank: daar keef zij die appel aan Adam. Adam, Adam! pas op,
datje strak niet op je bloote b.... krijk--Daar hebje den engel, die
jaak Adam en Efa et Paradijs uit. Heruit, je motter uit, je selt er
uit, je motter uit. Rtt! se sijn er uit, en Louwtje is er ook uit."

Men bemerkt uit deze laatste woorden, dat Laurens zuiver in de
leer was.

"Ier selje nau kom te sien die alkemeene sontvloet. Daar ebje die arke
Noë: Daar ebje die beeste, die kaan in de ark twee an twee. Daar
ebje twee kanse, twee an twee, daar ebje twee eend: daar ebje
ram en skaap: daar ebje twee farke, twee an twee: daar ebje os en
koei: mijn kroote kameraten, twee olikante--ik verspreke mij--twee
olifante."--N.B. deze verspreking, waarop wij altijd voorbereid
waren, veroorzaakte telkenreize dezelfde vroolijkheid.--"Daar ebje
Noë en sijn famielje, die drijven die beeste na die ark. Daar ebje
die alkemeen sontvloet! daar ebje moeder met kindj'--en kindj' met
moeder!--Kijk die kwaai jonk, die leit niet sijn bloote b.... in 't
water.--Herr-Rtt! weer op een andere kane bier! Hê, hê, hê, Juffrouw!"

"Ier ebje nou die kroote Turk, die sal een klas wijn drink op
die kesontheid van die eer en die daam. Messieurs et Mesdames,
j'ai l'honneur de boire à votre santé. Nok eens!--nok eens!--nok
eens!--ier ebje die oude frou, die die appele verkoop.--Ok froutje
lief! een appeltje assebies."

Hier had regelmatig eene interruptie plaats en riepen wij: "Asje blieft
moet je zeggen." Doch Laurens stoorde zich aan onze terechtwijzing
zoo weinig als een Minister van 1855 aan een discours van de "kleine
partij" in de Kamer, en bleef' al doorpraten:

"Ok froutje lief' een appeltje assebies!--Ier ebje die dans van die
erder en erderin:


    El e lou maîre
    E que me marida!
    Quand sera grande
    Quand te fera dansa
        Tiri la.
    El e lou maîre
    Quand te fera dansa, etc."


Dit lied nu zongen wij niet mede, omdat wij geen Luikerwaalsch
verstonden.

"Ier ebje de geskiedenis van die ferlore soon. Ier ebje die ferlore
soon. Ier ebje de ferlore soon, die sijn keld fraak en op reis
kaat. Adjés liefe Papa!--adjés liefe soon! pas tok' op datje niet bij
de mooie meisie kom.--Ik ben er een kroot liefhebber van, papa!--Tjk,
tjk, tjk! daar rijdt ie wek.--Rt! daar issie bij de mooie meisie.--Daar
ebje de een, die skenk um een glas wijn in; terwijl karesseer die
ander sijn beurs met kelt wek--daar jaak zij um de deur uit, naak
en bloot: herruit, je selt er uit, je mot er uit!--daar sit 'y bij
de fark, soo bedroef, ja nok slimmer dan Pietje Bedroef, en denk:
ak! was ik maar bij mijn koeie ouwe fader kebleef; daar ad ik alle
daak vol op.--Daar komt 'y bij sijn fader en fal op sijn knie. Ak
liefe papaatj' ik sel 't nooit weêr doen.--Ja soo sek die kwaai jonk,
als sy kwaad kedaan eb.--Daar kom die koeie ouwe fader en fal om sijn
'als: Pw, pw, pw! (dit drukt het geluid van kussen uit).--Daar ebje die
snijer die bestel is om een nieuw rok te maken: daar ebje die slakter,
die 't vette kalf slak om eene koeie maaltijd te maak.... Hrtt! weêr
op een andere kanebier."

"En nou sel je sien, 'oe Loutje sijn kaars snuit."

Bij deze woorden nam Laurens den lichtblaker uit de lantaarn, snoot
zijne kaars en draaide zijne lichtbuis, die verschoven was, weder
goed; bij welke gelegenheid hij, om zijn handen vrij te hebben, den
blaker op zijn hoofd zette:--een tusschenspel, 't welk ons altijd
ongemeen vermaakte.

En nu volgden, als de kaars weder op hare plaats was, de vertooningen
van Jan Claeszen met zijne kindertjes, van de militaire evolutiën der
soldaten, van den herder "met sijn soete liefe fogel, en de herderin
met aar allerliefste liefe kouw," van de gebroken brug met de eendjes,
die in 't water zwemmen, van Mijnheer Augustijn met zijn luchtballon,
van Laurens zelf, die zijn tooverlantaarn vertoont, en misschien nog
een paar, welke ik alle hier niet vermelden kan, doch die, wanneer
eenmaal de biographie, waar de beroemde man recht op heeft, in 't
licht zal komen, niet zullen mogen ontbreken. Voor alsnu stelle men
zich tevreden met de beschrijving der laatste voorstellingen:

"Ier ebje die istori van Malbroek,--ier ebje Malbroek, die afscheid
neem van sijn frou.--Adjés liefe frou! adjés liefe Malbroek, tjk,
tjk, tjk! daar rije Malbroek wek."


                Algemeen Koor.


                Malbrouck s'n va-t-en guerre,
                Mironton ton ton mirontaine,
                Malbrouck s'en va-t-en guerre.
                  En guerre il est allé (ter).

                Il reviendra s-à Pàgues,
                Miron ton ton mirontaine.
                Il reviendra-s-à Pàques
                   Ou à la Trinité (ter).

                La Trinité se passe,
                Miron ton ton mirontaine.
                La Trinité se passe,
                  Malbrouck ne revient pas (ter).

                Madame à sa tour monte,
                Miron ton ton mirontaine.
                Madame à sa tour monte,
                  Si haut qu'el' peut monter (ter).


"Ier ebje Mefrouw Malbroek op 'aar toor."


                Elle aperçoit son page,
                Miron ton ton mirontaine.
                Elle aperçoit son page
                Tout de noir-s-habillé.

                O page, mon beau page.
                Miron ton ton mirontaine.
                O page, mon beau page,,
                Quel nouvels's-apportez? (ter).


"Mefrou! Malbroek is dood--met zijn kleine schorseneeltje."

Dit "kleine schorseneeltje" had betrekking op den Page, die een
staartje in den nek droeg, niet ongelijk aan dat van Laurens zelf.


                Je l'ai vu porter-s-en terre,
                Mironton ton ton mirontaine.
                Je l'ai vu porter-s-en terre
                  Par quatre-s-officiers (ter).


"De eerste draak sijn rok, de tweede sijn broek, de derde sijn waap',
de vierde draak niemendal, 'y was te lui om wat te draak.--En ier
ebje nou Malbroek sijn kraf. Zie nou of jij lees kan, wat daarop
keskreef staat."

En hier begonnen wij allen, zelfs zij, die lezen konden, hardop het
grafschrift te spellen:

H. i. e. r. hier l. i. g. t. ligt M. a. l. mal b. r. o. e. k. broek,
Malbroek. Hier ligt Malbroek.

"Ier ebje nou Loutjes moeder. Loutjes moeder 'ad soo een eele
mooie neus; maar Eeren en Daam, sij was bank als sij uitga, dat aar
neus nat word. Daar eb sij bij haar selve bedak, dat Laurens ook
paraplui verkoop; want Eeren en Daam, Laurens vertoon niet alleen
tooverlantaar, Laurens verkoop ook parapluie, maak nieuwe paraplui,
raccomodeer paraplui, verruil ouwe paraplui, verzoek wel vriendelijk
om de kunst en recommandatie.... daarom eef zij Laurens verzok van
als sij uitga te gaan zitten op haar neus met sijn paraplui, dat aar
neus niet nat wor.--Ier ebje nou Loutje op moeders neus."

Op deze aanbeveling, met zooveel kieschheid en dus ongezocht te pas
gebracht, volgde de voorstelling van een oom van Laurens, die een
schoorsteen in zijn neus had en van een anderen heer, uit wiens neus
kleine neusjes voortkwamen.

"Mijn grootvader ad een eele mooie buik. Maar nou 'ad ie sooveel
aardappele met spek kekeet, dattie sijn buik niet kon draak over
Straat.--Soo 'et ie in drie nakte geprakkiseerd, ie sou late maak een
kruiwaak en daarop sijn buik foortkrui. Ier ebje nou mijn krootfader,
die sijn buik foortkruit over straat.

"Ier ebje de bakker, die de bolle blaas, toe, toe, toe, daar 'aal de
bakker de warme bol uit de oof,--daar kom de broodweker en 't brood
week onkelukkik een beetje te likt: daar kom de diender en pak de
bakker mee--daar kom de dufel en wil 'm ook meê pak.--Mijn mottie
wees, neen mijn mottie wees.--Jij sel 'm niet eb.--Ik sal 'm eb.--Daar
'eet de dufel 'm in sijn mand kepak en loop met 'm wek: en 'eef een
zak kulde ook meê kenoom--daar loop 'm de pakkerin achterna en pak de
dufel bij de staart.--Ier leelijke moriaan, ik moet mijn man weêrom
'eb.--Ok pakkerin laat los:--neen ik laat je niet los foor ik mijn
man weêrom eb.--Ok liefe papekaaisneus laat los, je sel je man weerom
eb.--Neen, leelijke swartsmoel, ik mot mijn kelt weêrom eb ook.--Ok
pakkerin laat los, je selt je kelt weêrom eb.--Daar ruk hij zich los
en laat de pakkerin staan met sijn staart in 'aar 'and.--En as nou
die Eeren en Daam te freede sijn, versoeke wel friendelijk de kunst
en recommandatie."

Met dit aandoenlijke en leerzame drama werd altijd de vertooning
besloten.

Ruim vijftig jaren zijn verloopen, sedert ik die 't laatst bijwoonde,
en nog staat zij mij niet alleen even levendig voor den geest als toen;
maar gaarne zou ik er eene representatie van Rachel of een concert
van Jenny Lindt voor verzuimen, om die nogmaals te zien--mits door
Laurens zelven gegeven.

En vrij wat meer gaf ik, indien ik die zien kon in dezelfde kinderlijke
gemoedsstemming van die dagen.

Ik heb sedert meermalen kinderpartijen bijgewoond. Ik heb de opvolgers
van La Haye, Beekman en Laurens hunne pogingen zien aanwenden, om de
kinderen te vermaken en tevens "zoet te houden." Geen hunner slaagde;
geen hunner had er trant van. Een staaltje ten bewijze. Ik hoorde een
vertooner van marionetten, na zich met aangenomen deftigheid midden
in de kamer gesteld te hebben, tegen eenige baldadige knapen zeggen:

"Jonge Heeren! bedenkt, wie gij zijt, en waar gij zijt!"

"Niet op school," riepen de jongens, en werden woeliger tegen de
vermaning in.

In zekeren opzichte hadden zij gelijk. Zij waren niet op school, zij
waren uit voor hun plezier, en in dat geval zijn kinderen van oordeel,
dat bestraffingen niet tot het programma behooren.--Maar de kunst is,
te zorgen, dat zij niet in de gelegenheid komen eene bestraffing te
verdienen; de kunst bestaat alleen daarin, dat men met hen spele en
hen voortdurend bezig houde: en die kunst verstond Laurens vooral in
hooge mate.

't Is echter mogelijk, dat de "lieve jeugd" ook veranderd is sedert
mijn tijd, en dat zij, wat ons een kinderlijk vermaak schonk, thans
kinderachtig vinden zou.

't Is mogelijk, herhaal ik,--ofschoon ik het niet geloof. De "lieve
jeugd" is, wat men van haar maakt: en indien onze ouders, toen wij
klein waren, de ronzebons, de Chineesche schimmen en de tooverlantaarn
laf hadden genoemd, dan hadden wij er waarschijnlijk ook onze neusjes
voor opgetrokken.

Gelukkig waren onze ouders daar nog niet verlicht genoeg toe en konden
zij nog met den goeden La Fontaine zeggen:


                  Si peau d'âne m'étoit conté,
                J'y prendrois un plaisir extrême.



Een hoofdstuk dat tot overgang dienen moet.

Ik heb in de vorige hoofdstukken gesproken over Amsterdam, zooals
het vroeger was en zooals het heden ten dage is; ik acht het niet
ongepast, ja eenigszins plicht, nu ook iets te zeggen over Amsterdam,
zooals het zou kunnen worden.

Een rijke stof, zal men zeggen, en daar een dik boekdeel over te
schrijven viel.

Wanneer men maar eens nagaat, wat aantal ellenlange verhandelingen er
gehouden zijn geworden in onzen Gemeenteraad, ter aanprijzing of ter
afkeuring van de meest onbeduidende verandering of wijziging van het
bestaande, en waar het de meest onbeduidende zaak betrof, dan kan men
al licht tot de slotsom komen, dat iemand, die op gelijke wijze de
vraag wilde behandelen, hoe de Stad zelve uit haar vervallen toestand
ware op te heffen, een werk zoude voortbrengen, dat meer rijen in
een boekenkast vullen zou, dan Wagenaar met al zijne vervolgen.

Wie zulk eene onderneming tot stand bracht, zou ongetwijfeld een
zeer loffelijken arbeid verricht hebben;--of de lezing daarvan zeer
vermakelijk wezen zou, daaraan zij het mij vergund te twijfelen;
immers voor negen tienden zou het boek over geldvragen loopen, en
cijfers zijn, gelijk al wat positief is--positieve menschen niet
uitgezonderd--op den duur droog en vervelend.

Alzoo ik nu niets meer vrees, dan mijnen Lezers en mijzelven te
vervelen, ben ik volstrekt niet voornemens, mij in cijfers te
verdiepen; en zoo ik, als vrucht mijner overpeinzingen, wellicht
punten zal aanroeren, die de stoffelijke belangen der Stad betreffen,
ik beloof vooruit, dat ik mij daarbij nooit aan eenige becijfering
zal schuldig maken: ik laat zulks over aan hen, die t'avond of morgen
opgewektheid mochten gevoelen, om te onderzoeken in hoeverre mijne
beschouwingen in toepassing konden gebracht worden.

Eene tweede belofte, die ik afleg, is, dat ik getrouw zal blijven
aan den titel, dien ik aan dit mijn geschrijf heb gegeven, en alzoo
wel deugdelijk zal oppassen, naar geen vast plan te werk te gaan,
al wat naar orde en regelmaat zweemt te vermijden, en mij stil te
laten medesleepen met den stroom, dien mijne gedachten volgen:--mij
echter voorbehoudende, van die gedachte alleen datgene op 't papier
te brengen, wat ik geschikt acht om eenige belangstelling bij mijne
lezers op te wekken, of voor 't minst een glimlach om hunne lippen
te doen spelen. Wie op zijn eigen boot eene rivier afvaart, gaat nu
eens vroolijke landschappen, bevallige steden, schilderachtig gelegen
kasteelen of oude gedenkstukken--dan weder treurige, eentonige heiden
of dijken voorbij; doch hij roept de genoodigden, die hem op dien tocht
vergezelschappen, alleen dan op het dek, wanneer er wat bijzonders
te kijken valt.

't Is waar, dat gemeenlijk zijne reisgenooten van de tien keeren,
dat hij hen roept, negen keeren aan hetgeen hij hun toont, niets
bijzonders vinden.

Het onderwerp echter, dat ik nu ga behandelen, zal zeker aan vele, zoo
binnen als buiten Amsterdam wonende Lezers, belangrijk toeschijnen:
het wenschelijke namelijk, dat er verbetering kwam in de aanwijzing
van de woonplaats der ingezetenen, en daardoor eene groote aanleiding
tot ongemak en beklag werd weggenomen.

Dat mij dit onderwerp het eerste voor den geest komt, behoeft niemand
te verwonderen. Wie over Amsterdam wil spreken of hooren spreken,
moet beginnen met er zich, gelijk men 't noemt, te oriënteeren;
om de lieden hiertoe in staat te stellen, heeft men de Stad eene
bepaalde indeeling gegeven en de huizen van nummers voorzien; heeft
men daarbij den besten weg ingeslagen?

Ik veroorloof mij, dit bepaald tegen te spreken.

Parijs is vrij wat grooter dan Amsterdam, en toch heeft het geene
de minste moeite in, den persoon, dien men zoekt, te vinden; mits
men het nummer wete van het huis, door hem bewoond, en de straat,
waar het in gelegen is--alles natuurlijk voor zooverre die straat nog
bestaat, wat bij de verfraaiingen op reusachtige schaal, welke Parijs
tegenwoordig ondergaat, niet altijd het geval is.--De nummers zijn
groot, en, dank hebbe de goede verlichting, ook bij nacht zelfs op
een afstand leesbaar. De eene zijde van de straat heeft alleen evene,
de overzijde onevene getallen; men weet dus terstond, aan welke zijde
men zoeken moet; en ook zonder gids loopt men voor zich uit totdat
men het nummer vindt van het huis, waar men wezen moet.

Amsterdam biedt ons geen der hier genoemde voordeelen aan. Toen er voor
eenige jaren sprake was, om het toen bestaande stelsel van indeeling
der stad in wijken te veranderen, vleide ik mij, dat een nieuw en meer
rationeel stelsel de bezwaren van het vorige zou wegnemen. IJdele
hoop! dwaze verwachting! In plaats van Wijken kwamen er Buurten, en
in de plaats van de bestaande nummers, die zwart geschilderd waren,
kregen wij andere nummers, die rood geschilderd waren. Dát een en
ander geschiedde ongetwijfeld, om eene heel wijze reden, die ik niet
onderzoeken, laat staan beoordeelen wil; doch het ongerief, waarover
men zich tot dien tijd beklaagd had, was niet weggenomen.--Ten einde
zulks zonneklaar te bewijzen, zal ik den beklagenswaardigen toestand
schilderen van een heer, die, nooit te Amsterdam geweest zijnde,
er een vriend bezoeken kwam. Ik dien echter aan mijne Lezers den
noodigen tijd te geven, om in die stemming te geraken, welke hen kan
voorbereiden tot het schenken van eene onverdeelde aandacht aan een
zoo treurige vertelling, en ik sluit daarom dit Hoofdstuk.



Vertelling van den Heer, die bij een vriend te Amsterdam zou gaan
logeeren.

Gemelde heer was en is nog een Belg, die te Brussel woont, veel
gereisd, Parijs, Londen, Berlijn en andere hoofdsteden herhaaldelijk
bezocht heeft, en er zich dan ook op placht te beroemen, dat hij
op reis niet verlegen was en overal spoedig en gemakkelijk zijn
weg wist te vinden. Ondanks al zijn reizen en trekken, was hij,
tot in den afgeloopen zomer, nimmer in de zoogenaamde Hoofdstad van
Nederland geweest. Toch was hem door een Amsterdammer, met wien hij
elders kennis gemaakt en vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt,
het voorstel gedaan, eenige dagen bij hem te komen doorbrengen. Dat
voorstel was later bij een brief herhaald en door hem aangenomen, en
de tijd gekomen, waarop aan de uitnoodiging gevolg zou worden gegeven.

Onze Brusselaar zet zich op den spoortrein, met het adres van zijn
vriend in zijne portefeuille: X Smit, op de Keizersgracht, tusschen
de Weesperstraat en Muidergracht W 424, en, vindt hij het huis niet,
dan moet hij al zeer dom zijn, denkt hij; en hij denkt tevens, dat
hij niet dom is, maar daarentegen begaafd met den bult der localiteit,
welke hem overal het uitvinden van den naasten weg gemakkelijk maakt.

Hij spoort tot aan den Moerdijk, stoomt tot Rotterdam, begeeft zich
van daar met den Hollandschen trein naar Den Haag, waar hij nog in 't
voorbijgaan 't een en ander wil gaan kijken, terwijl hij zijn koffer,
met een behoorlijk adres voorzien, naar Amsterdam vooruit zendt. Hij
houdt zich in de Hofstad eenige uren op en rijdt met den laatsten
trein naar Amsterdam.

"Mijnheer!"' vraagt hij, op de hoogte van Sloterdijk gekomen, aan den
eenigen zijner medepassagiers, die niet slaapt, "is de Keizersgracht
moeilijk te vinden?"

Ongelukkig richt hij deze vraag tot een dier positieve lieden, waarvan
ik in het vorige Hoofdstuk gewag maakte, tot een dier lieden, die
eene vraag beantwoorden, zooals zij gedaan wordt, zonder daarbij te
onderzoeken, of de vrager nu op de hoogte zal zijn van hetgeen hij
wenscht te weten. Het antwoord luidt dan ook droogweg:

"Neen, mijnheer! gij loopt de poort in, al rechtuit en als gij de
eerste brug over zijt, slaat gij de eerste straat rechts in en gij
komt vanzelf op de Keizersgracht."

"O!" denkt onze reiziger: "dan zal ik wandelen: ik heb toch geene
bagage: ik ben stijf als eene hark van 't rijden: het weer is fraai
en een wandelingetje zal mij goeddoen."

Had hij deze gedachte overluid doen hooren, misschien had de
positieve man, van wien wij 't ergste niet willen denken, het
noodig geacht, hem te waarschuwen, dat de Keizersgracht lang is,
en dat het wandelingetje wel eens eene wandeling zou kunnen worden;
doch ongelukkig werd het gesprek niet doorgezet en onze Brusselaar
alzoo overgelaten aan zijne illusiën.

De trein houdt te elf uren stil: misschien was het er wel een paar
minuten over;--doch ik wil goede vrienden met de Directie van den
spoorweg blijven en neem dus maar liever aan, dat de trein aankwam op
de minuut, die op het briefje vermeld staat.--Onze Brusselaar stapt den
wagen uit, volgt eerst den stroom zijner reisgenooten binnen de poort,
en vervolgens de route, hem aangewezen, en bevindt zich alzoo, na
tien minuten gaans, op de Keizersgracht, tegenover de kerk de Zaaier.

Nu spreekt het vanzelf, dat hij het huisnummer 424 zeer goed onthouden
heeft; maar niet zoo precies de letter W, en nog veel minder de
bijvoeging: "tusschen de Weesperstraat en de Muidergracht," eene
bijvoeging, die hem--als Belg en als bezoeker van Parijs en Londen
gewoon alleen aan den naam der hoofdstraat en aan het huisnummer te
hechten--al vrij overtollig was voorgekomen, en waarop hij alzoo weinig
acht geslagen had. Hij begeeft zich nu aan den huizenkant en beproeft
de nummers te lezen. Bittere teleurstelling! Niet alleen, dat hij ze
niet lezen kan; maar hij kan ze zelfs niet vinden, als zijnde daar ter
plaatse op de binnenzijde der deurposten of op de lijst geschilderd,
maar zóó, dat zij altijd in de schaduw blijven. Eindelijk komt hij
aan een huis, waar eene lantaarn tegenover staat, bij wier licht hij
het nummer zien kan. Dat nummer is 334.

"Mal genoeg!" denkt hij bij zich zelven, "dan heb ik nog vijf-en
veertig huizen te loopen: dat is verder dan ik dacht."--Men bedenke
hierbij, dat hij deze berekening grondt op de meening, waarin hij
verkeert, dat hij aan de zijde, waar hij loopt, alleen evene nummers
zal aantreffen.

Hij is nu eenmaal op weg en moet wel voortgaan: intusschen slaat hij
nu en dan een oog op de roode merken, welke hij onderstelt nummers
te zijn, en op de gaslantaarns, en hij mompelt bij zich zelven:

"De nummers zijn te Parijs tienmaal zoo groot en de straatverlichting
is er tienmaal zoo goed: ergo zijn de nummers hier honderdmaal kleiner
dan wel behoorde:"--een volkomen logische gevolgtrekking.

En nog treft onze vreemdeling het in zeker opzicht niet zoo heel
ongelukkig; want het is geen lichte maan.--Ieder, die in Amsterdam
bekend is, weet, dat wie zijn leven liefheeft nooit met lichte maan
te voet uitgaat; want dat het dan in den regel stikdonker is

Er bestaat eene overeenkomst tusschen de Stad en de gascompagnie, dat
deze de lantaarns niet behoeft te laten branden, wanneer het lichte
maan is. Ongelukkig hebben de belanghebbende partijen vergeten, zich
bij deze overeenkomst van de goedkeuring en medeteekening der Maan
te verzekeren: zeker is de nachtgodes daarover verstoord geworden:
althans zij houdt zich schuil zoo dikwijls men aan hare medewerking,
waarop bij het vaststellen der bedoelde bepaling gerekend was,
behoefte zou gevoelen.

Onze wandelaar is al verder en verder doorgeloopen: hij komt aan
eene brug--die, welke over de Leliegracht ligt--en staat eenige
oogenblikken in twijfel, of hij verder gaan zal. Hij wacht, tot er
iemand voorbijkomt, en vraagt: "is dat nog altijd de Keizersgracht,
daar over die brug?"--Door het bevestigend antwoord een weinig
gerustgesteld, stapt hij moedig verder: wederom aan een huis gekomen,
waar licht aan de deur brandt, gaat hij er voor staan en leest nu:
"ZZ 254."

Nu is hij geheel uit de lijken geslagen; want hij begrijpt niets van
het nummeringstelsel, dat hier gevolgd wordt, noch hoe zich 254 kan
bevinden tusschen 334 en 424. Op eens schiet hem in de gedachte,
dat er op het adres, 't welk hij in zijn zak heeft, nog voor het
huisnummer een letter staat, en wel de letter W.

"Mijnheer!" vraagt hij aan een jongmensch met een flambard op 't
hoofd en eene sigaar in den mond, die hem tegenkomt: "ben ik nog ver
van W 424?"

"Ik weet er u niets van te zeggen," is 't antwoord.

"Zeker ook een vreemdeling evenals ik," denkt hij.--Maar ach! hetzelfde
antwoord bekomt hij van al, wie hij ontmoet. 't Is beschamend voor de
Amsterdammers; maar van de tweemaal honderdvijftig duizend inwoners,
die de stad nagenoeg bevat, zijn er misschien vier vijfden, die de
letter niet weten van de buurt, waar zijzelven in wonen:--en misschien
niet een, die terstond weet te zeggen welke grachten of straten eene
buurt bevat.

"De naam van de buurten staat op de hoeken der straten," zegt een
medelijdend voorbijganger.--Ja, hij staat er; maar 's nachts is
't zoogoed als stond hij er niet.

Intusschen heeft onze wandelaar de klok van de Westerkerk halftwaalf
hooren slaan: hij begint te vinden dat de Keizersgracht lang is:
en hij is nog maar aan de Leidsche gracht.

Wederom vraagt hij, na de brug te zijn overgegaan, aan een dikken
heer, die op eene stoep staat, of hij nog op de Keizersgracht is;
wederom ontvangt hij een bevestigend antwoord.

"Waar moet mijnheer wezen?" vraagt op zijne beurt de dikke heer,
die merkt, dat de man verlegen is en die gedienstig van aard zijnde,
hem zoo mogelijk terecht wil helpen.

--"W 424."--

--"Ja, dat weet ik niet."

--"Bij mijnheer Smit."

--"Ja! het adresboek heeft derd'halve kolom met dien naam:-- dan zal
de rechte moeilijk te vinden zijn."

Onze Brusselaar denkt er niet aan, het adres, dat hij bij zich heeft,
uit zijne brieventasch te halen. En wat zou het hem ook gebaat
hebben? hij had toch geen licht, waar hij het bij zou hebben kunnen
lezen. Weinig opgebeurd door de gedane mededeeling, zet hij alzoo zijne
ontdekkingsreis voort. "Wat doet mijn vriend ook een naam te dragen,
die zoo algemeen is?" bromt hij bij zichzelven en peinst op allerlei
dwaze en niet uit te spreken namen, welke hij aan zijn vriend, zoodra
hij hem ziet, zal voorstellen, bij den zijnen te voegen.

Ja, zoodra hij hem ziet. Maar wanneer zal dat heuglijk tijdstip
komen? De Keizersgracht schijnt zonder eind; de straat wordt al
meer en meer eenzaam; de nummers hoe langer hoe minder leesbaar;
en gelukt het onzen vreemdeling, er nu en dan een uit te vorschen,
het dient alleen om hem de onaangename overtuiging te geven, dat hij
volstrekt niet is, waar hij wezen moet.

"Vooruit! vooruit!" roept hem zijn gesternte toe; als aan den
Joodschen zwerver van Sue, met wien hij begint te vinden, dat hij
vrij wat overeenkomst heeft, t. w. met den zwerver.

--"Vooruit! vooruit!"--daar staat hij aan de Reguliersgracht. "Had
ik maar eene vigilante genomen," denkt hij, "dan ware ik al waar ik
wezen moet."

Misschien--misschien ook niet; want de koetsiers der vigilantes weten
wel een huis te vinden, wanneer men de straten noemt, waarnevens het
gelegen is, maar zijn in de letters der buurten evenmin ervaren als
hunne overige stadgenooten.

--"Vooruit! vooruit!" en zie--bons! daar stuit hij op den Amstel. Hij
kan niet verder; tenzij hij in 't water loope.

Vermoeid en mistroostig gaat hij tegen de leuning van de brug
staan en wacht tot er iemand voorbijkomt, wat ruim tien minuten
duurt. De eerste, die zich opdoet, is blijkbaar geen lid van het
Afschaffingsgenootschap, hij beschrijft allerlei halve cirkels en
bogen op de brug en zwaait hem eindelijk voorbij. De tweede is een
schroomvallige heer, die hem op zijne nadering voor een bedelaar
aanziet en haastig doorstapt, zonder hem te woord te staan: de derde,
die met drift komt aangeloopen, heeft blijkbaar groote haast, doch
luistert niettemin naar de vraag, die tot hem gericht wordt.

--"Zou mijnheer ook kunnen zeggen, waar ik W 424 moet zoeken? Ik heb
geloopen van het begin der Keizersgracht af tot hiertoe, zonder het
te vinden."

--"Ik weet niet, misschien moet je aan de overzij wezen," antwoordt
de voorbijganger, zonder stil te staan en vervolgt met versnelde
schreden zijn weg.

--"Aan de overzij!" herhaalt onze Belg, in wanhoop, "aan de
overzij!" en een licht, ongelukkig een bedrieglijk licht, gaat
voor hem op. "Dwaas, die ik was, niet te beseffen, dat de eene kaai
zoogoed Keizersgracht moet heeten als de andere. Nu ben ik zeker den
verkeerden weg geloopen en moet ik langs de andere zijde terug. In
's hemels naam dan!"

Hij hervat zijne wandeling; doch nu in omgekeerde reden: hij heeft
de binnenste zijde van den dubbelen boog, dien de Keizersgracht
beschrijft, afgeloopen, en, onbewust dat, achter zijn rug, over die
rivier, welke hij als eene uiterste grens beschouwt, nog eene tweede
Keizersgracht ligt, onbewust, dat hij zich met elke schrede al meer
en meer van het voorwerp zijner nasporingen verwijdert zet hij deze
langs den buitensten boog weder voort.

Hij beproeft nogmaals de huisnummers te lezen. Helaas! het is
middernacht geslagen. Aan de huizen branden geen lantarens meer.

Hij wil in de tapperijen inlichting vragen: men ziet hem voor een
stillen verklikker aan: men roept hem toe, dat men na klokke twaalf
niet meer opendoet en men grendelt de deur dicht. Hij wendt zich tot
de klepperlui. Zij verzekeren hem achtereenvolgens, dat de Buurt,
waar hij zich bevindt, de letters AA, BB, of CC draagt; maar zeker
niet Buurt W is:--en dat hij veel verder zal moeten wezen.

Weldra kan onze wandelaar nauwelijks meer den eenen voet voor den
anderen zetten. "Helaas!" denkt hij, "dat zijn hier ook al de Parijsche
of Londensche trottoirs niet!"--en al meer en meer zwaarmoedig en
bedrukt strompelt hij verder.



Het is pijnlijk, toestanden te beschrijven, gelijk aan die,
waar onze vreemdeling in verkeerde; ik wil dan ook al de
gewaarwordingen niet ontleden, welke hij op zijne verdere wandeling
gevoelde: gewaarwordingen van afgematheid, van ongedurigheid, van
twijfelmoedigheid, van verlegenheid, van spijt, van angst. Genoeg
zij het te zeggen, dat, zoo hij onder 't voortgaan nog altijd eenige
hoop had gevoed de gezochte woning te vinden, en daardoor nog eenigen
moed om zijne nasporingen niet op te geven, beide, hoop en moed,
zijn boezem geheel verlieten, toen hij zich eindelijk weder aan de
Brouwersgracht bevond: vlak bij de houten brug, aan wier overzijde
hij zijn ontdekkingsreis begonnen was.

Waar hij per slot onder dak kwam en hoe laat het toen was, weet ik met
geen zekerheid te zeggen: dit weet ik alleen, dat het niet was ten
huize van den heer X. Smit. Niet voor den volgenden morgen kwam hij
daar te land, nadat hij het adres van 't huis uit zijn brieventasch
had gehaald en de woorden, welke hij als overtollig had beschouwd,
den voerman, die er hem heen zou brengen, op den weg hadden geholpen.

Hij had nu althans de ondervinding opgedaan, dat men, om in Amsterdam
iemand te vinden, aan het nummer weinig heeft, zoolang men den naam
der gracht of straat, waar hij woont en die der aangrenzende grachten
of straten niet van buiten heeft geleerd.

Zeker is dit niet altijd even gemakkelijk, en leert het hier gegeven
voorbeeld, hoe fraai het nummeringstelsel te Amsterdam berekend is,
om de vreemdelingen, ja zelfs de Amsterdammers, in de war te brengen.

Tot hun troost kan ik hun in 't voorbijgaan zeggen, dat in Den Haag
een nog dwazer stelsel gevolgd wordt:--daar voert ieder huis drie
nummers in plaats van een.

Zoekt men daar iemand, die b. v. in No. 120 heet te wonen, dan kan
men bijna zeker zijn, dat aan de huisdeur op den eenen deurpost 120,
op den anderen 121 te lezen staat, behalve nog een nummer, dat grooter
is:--doch op de huisdeur van den buurman vindt men 119 en 120. Op
welke van de beide getallen 120 moet men nu afgaan? Ik heb eens het
geheele Voorhout driemalen rondgewandeld, om een mijner toenmalige
ambtgenooten te zoeken, die er woonde en wiens huisnummer ik had
opgeschreven. Ik vond dat nummer driemalen terug, en daar ik niet
gaarne aan een verkeerd huis aanschel--aanbel moet ik hier zeggen,
daar 't Den Haag betreft--liep ik weer naar mijne kamer zonder mijn
bezoek te hebben afgelegd.

--"Maar," zal iemand mij toevoegen, "gij cantator temporis acti! was
het dan, in vroeger tijd, toen er nog geen huisnummers bestonden,
nog niet veel moeilijker iemands woning te vinden?"

--"Volstrekt niet," antwoord ik met vol vertrouwen, "want toen was er
geen huis, dat zich niet door zijn eigen naam onderscheidde, of althans
in de buurt gelegen was van een zoodanig, door geheel de stad bekend
gebouw. Men had den Bonten Mantel, de Reaal, de Vergulde Pers, den
Gouden Ketting, den Pool, den Moor, den Atlas, de Moriaantjes, Parijs,
Zeerust, 't Paradijs, 't Nieuwe Testament, den Liesveldschen Bijbel,
de Lelie onder de doornen, enz. enz. en geen kind, dat u niet terecht
kon wijzen. Ik heb in het derde deel mijner uitgaven van Vondel het
opschrift vermeld van een couvert, dat Tesselschade aan Vondel zond:
"Aan Sr. J. Van den Vondel in de Trouw in de Warmestraat."--Had onze
Belg toen geleefd en Vondel willen bezoeken, hij zou niet verlegen
zijn geweest, om hem uit te vinden. Ieder wist, waar de Warmoesstraat
was en ieder kende "de Trouw."

Het zijn juist de nummers, die de oude namen, waaronder de huizen
bekend waren, op zeer enkele na, hebben doen vergeten.

Maar is er, nu die namen eens vergeten zijn, een middel uit te denken,
waardoor het gemakkelijker worden zal, een opgegeven huis te vinden?

Ik hou het er voor, dat men op onderscheidene wijzen dat doel bereiken
zal: en ik zal de vrijheid nemen er eene aan de hand te doen;--doch
zulks vordert wel een afzonderlijk Hoofdstuk.



Over de middelen, om iemands woning spoedig te doen vinden.


De groote zwarigheid, welke te overwinnen valt, is, dat men iemands
woonplaats, vooral wanneer die op eene lange gracht of in eene lange
straat gelegen is, niet dan met eene zeer omslachtige bijvoeging
kan uitdrukken. Ik heb zelf meermalen ondervonden, hoe vervelend het
is, vooral wanneer ik haast had of het stortregende, genoodzaakt te
wezen aan den koetsier der vigilante op het spoorwegterrein, voor
te dreunen, dat hij wezen moest "op de Keizersgracht, tusschen de
Leidsche-en Spiegelstraten, aan de donkere zijde, bij Van Lennep,
de vijfde platte stoep van de Spiegelstraat af."--Gelukkig nog,
wanneer de chef der vigilantes, die mij kent, zijnen voerman toeriep:
"Over Van Dillen!"--Van Dillen is een stalhouder en woont schuins
tegenover mij.--En dan reed ik weg, peinzende over de kleine wonde,
mijner ijdelheid toegebracht, en over het betrekkelijke van iemands
vermaardheid.

Wat is er nu te doen, om het opzeggen van zulk eene litanie onnoodig
te maken. Op het adres van een brief kan men volstaan met Buurtletter
en nummer op te geven;--doch daar deze alleen bij de post bekend zijn,
dient men in alle gewone gevallen tot een ander middel zijne toevlucht
te nemen.

Ik zou, wat mij betreft, het niet ongepast achten, dat men alle lange
grachten en straten, van dwarsstraat tot dwarsstraat, door een tweeden
naam onderscheidde. Ik wil hier wederom, als in 't vorige Hoofdstuk,
de Keizersgracht tot voorbeeld nemen.

Aan die nieuwe indeeling, welke ik voorstel, zoude ik nog een ander
nut willen verbonden hebben. In Parijs vindt men een aantal straten,
die naar hare bijzondere bestemming, doch ook eene menigte, die tot
herinnering van gebeurtenissen of personen genoemd zijn. Zoo brengen de
namen als "Rue d'Amsterdam, de Helder, de Breda, de Vienne, de Berlin,
de Moskou", nog aan den Franschman den roemvollen tijd voor den geest,
toen zijne zegevierende vanen door geheel Europa wapperden. Zoo houden
opschriften, als Rue Racine, Rue Jean Jacques Rousseau, Quai Voltaire,
Quai Beaumarchais, Rue Favart, Rue Marivaux", enz. de gedachte bij
hem levendig aan mannen, op wie zijn land zich verheft.--Aan iets
dergelijks is hier te lande nimmer gedacht geworden. Men heeft te
Amsterdam, na veel passen en meten, eene plaats gevonden, waarop men
een standbeeld voor Rembrandt kon oprichten;--doch standbeelden zijn
duur en de plaats om ze te stellen niet meer te vinden:--er bestaat
echter een minder kostbaar middel om mede te werken tot het in eere
houden der nagedachtenis van groote mannen:--men schenke hun naam
aan de straat, waar zij geboren zijn, gewoond of gewerkt hebben.

Welnu, welke zwarigheid zou er bestaan, dit beginsel ook in Amsterdam
in toepassing te brengen?--Wij staan wederom aan het houten bruggetje,
waar onze wandelaar zijne reis begon. Op deze gracht, tegenover
de Groenlandsche Pakhuizen, was de woning van den doorluchtigen
Schrijver der Nederlandsche Geschiedenis. Wat zou er tegen zijn,
deze gracht te doopen: "Keizersgracht, Hooftkaai?"

Deze naam moet nu in mijn stelsel gelden zoowel voor de eene als voor
de andere zijde der gracht. Doch opdat nu niemand in de onzekerheid
verkeere, aan welke zijde hij het huis moet zoeken waar hij wezen
wil, zoo bezige men aan de zijde, die het naast aan het IJ gelegen is,
uitsluitend evene getallen, en plaatse de onevene aan de overzijde. Zoo
telle men hier, van de Brouwersgracht af, met 2, 4, 6, 8 enz., en aan
de overzijde, waar de kerk staat, 1, 3, 5, 7 enz., zonder de nummers
te laten doorloopen nadat men de straat voorbij is.

Op de volgende gracht woonde de vermaarde regent en geneesheer
Tulp. Zou het slecht klinken zoo men sprak van: "Keizersgracht,
Tulp-Kaai, No. 2, 4 enz.?"

Over de Westermarkt staat de grootste van al de bijzondere woningen
in Amsterdam, en hij, die deze woning bouwen liet, was een groot
en wakker man. Weet iemand een beteren naam voor die gracht, dan:
"Keizersgracht, Huydecoper-Kaai?"

Tusschen de Harte-en de Wolvestraat heeft een vermaard regent
gewoond, die het Stadhuis hielp bouwen en den vrede van Munster hielp
sluiten. Is er iets tegen: "Keizersgracht, De Graef-Kaai?"

Bestaande namen in eere te houden is plicht. De gracht, die volgt,
wordt reeds genoemd: "de gracht van Felix", en, der "verdienstelijke
maatschappij" indachtig, zou ik haar geen anderen naam willen geven
dan: "Keizersgracht, Felix-Kaai."

Nabij het Molenpad had Hemony zijne werkplaats, de door Vondel
bezongen Hemony, de gieter van bijna al de torenklokken, waardoor
ons vaderland boven elk ander land beroemd is. Huldigen wij Hemony,
wiens klokkenmuziek ons nog bij feestelijke gelegenheden in de ooren
dreunt, door de gracht, waar hij arbeidde, den naam te geven van:
"Keizersgracht, Hemony-Kaai."

Het zou mij geen moeite kosten op gelijke wijze voort te gaan en
een onderscheidenden naam te vinden voor elke afdeeling van de
Keizersgracht, ja van alle grachten en straten van Amsterdam. Doch
een van beide zal gebeuren: óf mijn voorstel wordt alleen met een
medelijdend schouder-ophalen beantwoord; en in dat geval wil ik niet
meer moeite aan deze zaak besteden dan noodig is, om te bewijzen dat
het plan uitvoerbaar is,--óf het Bestuur neemt mijn denkbeeld over,
en dan acht ik het min gepast, der commissie, die in dat geval benoemd
zal worden, het genoegen te ontnemen, om zelve de meest geschikte
namen te kiezen en voor te dragen.

Ziet! nog dit eene: Rembrandt heeft een standbeeld, en, zoo iemand,
hij verdiende het te hebben. Maar is het daarom billijk, dat Vondel
en Bilderdijk, dat Blaeu en Quellin, dat Vossius en Van Baerle, dat
Surlingh en Van Bree, dat Le Maire en Trip, dat Van Beuningen en Reael,
dat De Ruyter en Van Galen de vereering, waar zij aanspraak op hebben,
zouden missen?



Een hoofdstuk, dat tot inleiding moet dienen voor eenige volgende.


Het doet mij goed, wanneer ik door Amsterdam wandel, mij te
verplaatsen in vroegere dagen: ik denk dan de leelijke, smakelooze
Stad der negentiende eeuw weg, om de vroolijke, pittoreske Stad van
voorheen voor mijne oogen terug te tooveren: ik zie dan--in plaats van
vierkante steenmassa's, die voor Gemeentehuis, Paleis van justitie,
enz. enz. moeten doorgaan, en wier naakte gevels, van vierkante gaten
voorzien, zelfs door geen symbool de bestemming van het inwendige
verkondigen--schilderachtige gebouwen, met torentjes, kanteelingen,
gewelven, pilaren en bordessen: in plaats van woonhuizen, die op het
getal der vensters en de plaatsing van de deur na, alle precies op
elkaar gelijken, alle even stijf, even leelijk, evenzeer verstoken van
wat eene architectonische gedachte zou bewijzen--eene verscheidenheid
van aardige, nette woningen, bontgeverfde luiken, met uitspringende
bovenverdiepingen en nog verder uitspringende luifels, banken en
stoepen, met grillig gevormd beeld- en lijstwerk, met zinnebeelden
en uithangborden: in plaats van monsterachtige goederenwagens en
omnibussen, die den armen voetganger van de kleine steentjes op
de stoepen, zoo niet in de kelders, drijven--speeljachten, tent-
en roeischuitjes, die in de gracht blijven en niemand hinderen: in
plaats van smakelooze zwarte hoeden, zwarte rokken, zwarte jassen,
zwarte buizen, zwarte paletots en zwarte pantalons--mantels
en bovenkleederen van alle snede en kleur, rijk voorzien van
passementen en borduurwerk [1]: in plaats van luchtige karwatsen en
dunne rietjes--fiksche rijzweepen, stevige stokken en stootdegens: in
plaats van biljartspelers en jeneverneuzen--kolveniers, boogschutters
en bierbuiken; in plaats van fatsoenlijke straatslijpers, die sedert
jaren om een postje bedelen, en inmiddels hun tijd in de sociëteiten
en koffiehuizen verbeuzelen--wakkere, vierkant gebouwde mannen,
die nauwelijks een half uur op den dag aan uitspanning schenken
kunnen, en, voor handel, nijverheid of kunst levende, tevens met hun
eigen roem of welvaart die van de stad helpen bevorderen: in plaats
van.... maar ik wil geene vergelijkingen meer maken: ik vrees reeds
in herhalingen te zijn vervallen, en, liever dan daar verder aan toe
te geven, verwijs ik den lezer naar blz. 3 [2].

Het was dan ook hier mijn doel niet zoozeer, opnieuw eene parellel
te trekken tusschen het Amsterdam van voorheen en dat van thans;
maar wel, sommigen onzer voormalige stadgenooten tot een afzonderlijk
punt van beschouwing te maken. Ik wil te dien einde, waarde lezers
en lezeressen, u uitnoodigen tot eene wandeling langs pleinen,
straten en grachten: en zoo menigwerf wij de plek voorbijgaan,
waar een huis stond of nog staat, welks vroegere bewoner zich een
naam verwierf, dezen uit den nacht der eeuwen opdagen, en u, voor
zooverre dit noodig mocht zijn, nader met hem in kennis brengen. 't
Zal eene tooverlantaarn zijn van bonte en vreemdsoortige figuren, die
ik u vertoon; want uit den aard der zake zal ik mijne beelden moeten
nemen, zooals zij zich achtereenvolgens voordoen, uit verschillenden
tijd, van verschillend slag en karakter;--doch die afwisseling zal,
naar ik mij vlei, hare pikante zijde hebben, en beletten dat mijn
werk--wat bij 't volgen van regel en methode al licht het geval zou
kunnen zijn--op een schoolboek gelijke.



In den Bril.

Wij beginnen onze wandeling van den Dam; maar wij stellen ons dien
voor gelijk hij was voor 450 jaren, toen hij nog den naam droeg van
"de Plaetse". Kleiner dan tegenwoordig en gedeeltelijk binnen andere
grenzen beperkt is de omtrek van het plein. Het Stadhuis, het tweede,
dat Amsterdam bezat, of liever, de tot Stadhuis verbouwde woning van
Katrijn Matthijssen-Heingenszoons-weduwe, staat veelmeer vooruit dan
het tegenwoordige Paleis, als komende met zijn voorgevel nagenoeg op
eene lijn met het midden van de Kalverstraat en den Nieuwendijk: het
paalt voorts ten noorden aan het Sint Elizabeths- of H. Geestgasthuis,
terwijl daarachter en daarnevens--om van een paar stegen en sloppen
niet te gewagen, alles is volgebouwd. Evenzeer is de overzijde,
tot op de hoogte der Krom-elleboog-steeg, met huizen bezet. Het
Waaggebouw, dat ik in mijne jeugd te Amsterdam heb zien afbreken,
bestaat nog niet; ofschoon de stad reeds van Albrecht van Beieren
het recht der waag verkregen had; doch op de plaats, waar het later
kwam te staan, tusschen den Nieuwendijk en 't Water, bevindt zich
een aantal woningen: en daaronder treffen wij een huis aan, met een
bril in den gevel gehouwen. Met den bewoner van dat huis, waarde
lezer! willen wij onze galerij openen. En hij heeft er recht op;
want niet één onder de ingezetenen van Amsterdam, die, vóór hem,
zich een naam en vermaardheid verwierf, die bij de zijne mochten
halen.--Zie! daar treedt hij zijne woning uit. De roode wrong, die om
zijn hoofd is geslagen, de violetkleurige tabberd, de rood fluweelen
tasch, die aan den gordel hangt, duiden aan, dat hij tot een deftigen
stand behoort; maar ook schijnen zijn vijftigjarige ouderdom en de
achtbaarheid van zijn voorkomen hem aanspraak te geven op den eerbied
zijner stadgenooten. En werkelijk, terwijl hij zich over straat en
naar 't Damrak begeeft, is er niemand van hen, die onder de hooge
luifels voor hunne woningen gezeten zijn, die niet oprijst, geen
der voorbijgangers, die niet de hand aan de kaproen brengt om hem
te groeten; want ieder kent hem en draagt hem hoogachting toe; en,
al is Willem Eggert een Gentenaar van geboorte, toch is hij met hart
en ziel aan zijne nieuwe woonplaats verknocht; en, zoo hij er zelf
welvaart en vermogen vergaderd heeft, hij doet er anderen ruimschoots
in deelen. Waar ter bevordering der stadsbelangen, ten nutte der
burgerij, ter ondersteuning van armen of lijdenden iets verricht of
gegeven moet worden, daar is Willem Eggert gereed, met raad en daad
te helpen: en zoo is het gekomen, dat evenzeer de deftigste magistraat
als de geringste dagloonersweduwe hem liefhebben en in eere houden.

Doch heden schijnt het, dat men hem met dubbele opmerkzaamheid,
met verhoogde belangstelling gadeslaat en, terwijl hij verder is
voortgewandeld naar de schuiten, die ginds in 't Water liggen,
volgeladen met koopwaren, voor zijne pakhuizen bestemd, is menigeen
blijven staan en hem naoogen, en vormen zich groepen van twee, drie
en meer personen, die zich blijkbaar over hem onderhouden, terwijl in
hunne blikken eene mengeling van verwondering, goedkeuring en tevens
van leedgevoel te lezen is.

Wat heeft bij hen die tegenstrijdige gewaarwordingen opgewekt? Wat is
de reden, dat, nu Eggert, na 't afdoen zijner zaken, huiswaarts keert,
enkele meer aanzienlijke onder zijne medeburgers hem staande houden,
eenige woorden met hem wisselen, hem geluk schijnen te wenschen, hem
de hand hartelijk schudden en toch verslagen van hem heengaan? Zij
is deze: voor eenige dagen is aan "de Bril" een ruiter afgestapt,
wiens kleed geruit was van zilver en lazuur, 's Graven hoflivrei,
en die zich lang met den bewoner onderhield: deze is daarop uit
de stad vertrokken en eenige dagen afwezig geweest, en na zijne
terugkomst is al ras rondgefluisterd, dat Graaf Willem VI hem, den
Amsterdamschen koopman, had benoemd tot Trezorier van Holland:--en
ofschoon nu iedereen erkent, dat niemand beter dan Willem Eggert
bij machte zijn zal, den verwarden staat der geldmiddelen van de
Graaflijkheid te herstellen, toch treurt ieder bij de gedachte, dat
hij Amsterdam verlaten zal; want het is allen klaar, dat hij daar
niet zal kunnen blijven wonen, en van daar de neerslachtigheid zijner
bekenden, nu hij hun vermoeden daaromtrent bevestigd heeft. 't Was
reeds een kwaad voorteeken, mompelt men, dat hij voor eenigen tijd een
slot aan "'t ende van de Purmer" liet opbouwen, om er--naar men toen
vreesde--zijne verdere levensdagen te gaan doorbrengen:--en toch,
die vrees werd niet bewaarheid en het is, om zijn bedrijvig beroep
met een niet min bedrijvig en geenszins met eene welverdiende rust
te verwisselen, dat Eggert Amsterdam verlaten zal.

Maar wederom hebben twee wandelaars hem aangesproken: en aan dezen
wil hij blijkbaar, behalve het bericht van zijn aanstaand vertrek,
nog iets wichtigs mededeelen. Hij stapt met hen "de Plaetse" weder
op, zijne huisdeur voorbij, over den Nieuwendijk, en.... verwonder u
niet te veel, lezer! wij zijn in 't begin der vijftiende eeuw--een
daarachter gelegen boomgaard in. Die boomgaard is zijn eigendom;
maar hij wil daar eene andere bestemming aan geven en, bij zijn
vertrek uit de Stad, aan deze een duurzaam geschenk achterlaten. Hij
wil haar dien boomgaard afstaan om daarop eene nieuwe kerk te bouwen
ter eere van St.-Katrijne, en de middelen, tot dien bouw benoodigd,
grootendeels uit zijne beurs bekostigen. De twee mannen, die met hem
gaan, zijn de Burgemeesters Symon Sael en Jean Beth. Het geslacht,
waartoe de eerstgenoemde behoort, is een van die, welke in het oude
rijmpje genoemd worden:


    De Saelen, de Waelen, de Schaepen, de Ruischen,
    Dat sijn er de oudsten van de dry kruysen.


De naam van den laatstgemelde is wellicht de eenige van dien tijd,
die in Amsterdam nog niet is uitgestorven.

Aan die beiden maakt nu Willem Eggert zijn voornemen bekend om op
dat erf eene kerk te stichten, en met aandacht, eerbied en erkentenis
luisteren zij naar 's mans taal.

En nu--voltooien wij wat aan de voorstelling ontbreekt: nog was
Willem Eggert niet naar 's-Gravenhage gereisd om zijn trezoriersambt
te aanvaarden, of de pereboomen in den boomgaard waren omgehouwen,
tal van arbeiders brachten de mastboomen aan, die in den drassigen
bodem geheid zouden worden en waarop de kerk zou komen te rusten.

Willem Eggert voldeed aan de verwachtingen, door den Graaf van hem
opgevat: hij herstelde den toestand der Geldmiddelen en oogstte er
den dank voor in zijns meesters, die hem met gunstbewijzen overlaadde,
hem met het slot en stedeken van Purmerende, het aangelegen Purmerland
en de dorpen Nek en Ilpendam beschonk, en zijn zoons tot ridders
sloeg. Maar tevens verwierf hij zich den haat van 's lands edelen,
naijverig op den eenvoudigen poorter, die, als zij, aan 's vorsten
disch gezeten was, die, als zij, een kasteel dorst bezitten, en
zich "Heer te Purmerende" teekenen, die, als zij, een wapen dorst
voeren--sabel met drie zilveren weerhaken [3] en, als zij, zijne
dochter [4] aan een edelman ter vrouwe geven. Maar wat kwellingen,
wat beleedigingen hij van hen te verduren had, hij troostte zich
met de bewustheid, dat hij jegens zijn God, jegens zijn gebieder,
jegens het Graafschap en jegens het hem dierbare Amsterdam zijn plicht
had vervuld. En wel had de stad aanleiding hem erkentelijk te zijn:
immers de oude kronieken getuigen van hem, hoe hij haar overschoone
privilegiën bezorgde en men van hem destijds zeide: "dat noyt eenich
burger haer profijtelijcker ofte aengenaemer is geweest dan hij."

Was het aan de gehechtheid, welke hij voor zijn meester voedde,
aan vrees voor hetgeen hij voortaan van een vijandig Hof te duchten
had, of wel aan hetgeen wij toeval noemen, te wijten, dat toen de
Graaf op den 30sten Mei 1417 overleed, Willem Eggert hem nauwelijks
anderhalve maand overleefde? Zoo tuigt althans het grafschrift,
dat nog heden in de Nieuwe Kerk, ten zuiden van het koor, ter
wederzijden van een balk, tusschen twee pilaren, te lezen is [5]:
"Anno MCCCCXVII den XV dagh in julio, starf den eerbaren Willem Eggert,
Heer tot Purmereynde, fundateur van dese kapelle, gedoyteert met twee
Vicariën, mede-fundateur van dese kerck, die begraven is onder dese
blaeuwe serck."

Aan den ontijdigen dood des vromen mans was het toe te schrijven dat de
kerk "niet en heeft tot al sulcke perfectie gebracht ende opghebouwt
connen worden als van aenbegin begrepen was."--Wellicht deed hier ook
toe, dat Jan Eggert, de eenige onder zijne zonen, die hem overleefde,
uit vrees voor den wrok der edelen, of om de woelingen, aan welke
't land ten prooi was, te ontgaan, Amsterdam verliet, zijn slot te
Purmerende verkocht aan zijn zwager Gerrit Van Zijl, en zich naar
Oostende metterwoon begaf.--Een ander lid van 's mans geslacht, Jan
Eggert Hartgerszoon, schijnt echter tot het voortzetten van den bouw
te hebben medegewerkt.

Nog eene andere stichting had de stad aan Willem en Jan Eggert te
danken, te weten van een college, in de Oude Kerk, ten einde de
getijden te zingen, en dagelijks een gedeelte van het Evangelie te
lezen en er, des Zondags, eene uitlegging van bij te voegen en andere
philosophische en theologische lessen te geven. Jan Eggert Hartgerszoon
voornoemd en Wendelmoet, zijne vrouw, breidden deze dotatie uit. Het
college zelf ging met verloop der tijden te niet; doch de boekerij,
daaraan verknocht, bleef in wezen, en, naar de Nieuwe Kerk verplaatst,
werd zij de kern, waaruit later de Stads-Bibliotheek zou voortkomen.

En moge dan die Bibliotheek thans verplaatst zijn en geheel andere
boeken bevatten dan het college, door Eggert gesticht, had verzameld,
en moge de Katrijne kerk na den brand, die haar in 1645 vernielde,
geheel nieuw zijn herbouwd, nog is het billijk dat wie eene van
beide bezoekt, nu en dan den edelen man herdenke, aan wien beide
instellingen hare eerste wording, aan wien Amsterdam zooveel goeds te
danken had. Het huis met "de Bril" bestaat niet meer;--de nagedachtenis
van Willem Eggert blijve leven.



In de Mol.

De plek verlatende, waar wij ons tot nu toe hebben opgehouden,
doen wij maar weinige schreden naar de zijde der Warmoesstraat;
doch tevens doet onze verbeelding een reuzestap. Wij denken de Beurs
weg--waarin echter voor velen onzer, die haar hebben zien bouwen,
juist het bezwaar niet zal gelegen zijn--en de Groote Vischmarkt
terug;--ook dit gaat nog;--maar wij springen van de vijftiende eeuw
naar de laatste helft der zestiende vooruit:--en dan ontdekken wij
tegenover den steiger van het Damrak, waar de zeevisch aangevoerd
en gelost wordt, een huis, op welks top de gril des stichters of
des bouwmeesters een mol heeft afgebeeld. Zonderling gewis is de
overgang, dien wij maken van het werktuig, dat den slechtziende het
gezicht teruggeeft, op het viervoetig diertje, dat tot zinnebeeld der
blindheid strekt. Maar niet minder groot dan het onderscheid tusschen
een bril en een mol, is dat tusschen den man, die 't voorwerp onzer
beschouwing geweest is en den man, dien wij thans doen optreden.

Het is Maandag, de zes-en-twintigste Mei 1578. Van achter de in
lood gezette vensterruiten van zijn bovenhuis, gluurt meester
Henrik Dirkszoon naar den Dam. Het is daar op Maandag altijd druk
en woelig: de boeren en buitenlieden zijn er als altijd met kaas en
zuivel op de markt, en de waagdragers zijn er bij de hand aan de in
1560 voltrokken nieuwe Waag. Doch het schijnt deze reis of er geen
kooplust bij de burgers, geen werk voor de waagdragers bestaat: en de
bonte menigte, op het plein verzameld, woelt en loopt heden niet heen
en weder als op gewone marktdagen; integendeel heerscht een doodsche
stilte bij den volkshoop, die in dichte groepen afgedeeld, de oogen
doorgaans stijf gevestigd houdt op het Stadhuis daar tegenover,
en met gespannen aandacht schijnt af te wachten wat er gebeuren
zal. Maar die stilte, die onbeweeglijkheid zijn onheilspellend, meer
dan eenig gejoel of straatrumoer. Zij schijnen bij die scharen eene
eenstemmigheid van bedoelingen, een bepaald overleg, eene vastheid
van wil te verkondigen, die niet licht voor overreding, moeilijker
nog voor geweld zullen wijken. En inderdaad, het bericht, hetwelk
die volksmenigte te gemoet ziet, zal van overwegend gewicht zijn;
want daarvan zal afhangen of Amsterdam--om de geijkte uitdrukkingen
van die dagen te bezigen--Paapsch blijven of Geus zal worden.

Sedert dat, in Februari, de Stad, na alleen gedurende jaren lang in
Holland het gezag des eigenmachtigen Konings te hebben gehandhaafd,
eindelijk de "satisfactie" heeft aangenomen en zich gevoegd onder het
bestuur der Staten van Holland en des Prinsen van Oranje, is ook hier,
als in de overige Hollandsche steden, der gewetensvrijheid plaats
gegeven: zij, die om den wille van 't geloof in ballingschap leefden,
zijn meerendeels teruggekeerd: de uitoefening van den Gereformeerden
Godsdienst mag wederom--mits buiten de stadsmuren--plaats hebben en
de bende stadssoldaten, vroeger een gevreesd en krachtig werktuig
in de handen eener overheid, die aan Rome en Filips verknocht
bleef, staat thans onder Oversten en rotmeesters, door Oranje
aangewezen.--Maar de verkregene voorrechten en voordeelen stellen
de partij der Staatsgezinden nog niet tevreden: zij schijnen
hun niet voldoende om 't geleden leed en onrecht te vergoeden,
niet in genoegzame verhouding met de stelling, welke zij zich in
de meeste overige steden van Holland verworven hebben: en vooral
geen waarborgen van duurzaamheid te bezitten. De Stadsregeering,
uitsluitend samengesteld uit Roomsch- of Koningsgezinden, wordt,
te recht of te onrecht, verdacht gehouden, alleen tijdelijk voor den
nood gezwicht te hebben, en enkel naar de gelegenheid uit te zien,
om den voormaligen toestand te doen terugkeeren. De argwaan, tegen
haar ontstaan, wordt gevoed door velerlei geruchten, als: dat Don
Jan van Oostenrijk schepen van Zweden gehuurd en krijgsbenden te
Deventer verzameld zou hebben om daarmede een aanslag op Amsterdam
te ondernemen. Daarbij schijnt ook de houding der Wethouderschap aan
te duiden, dat zij alles behalve gezind is, de voorwaarden van het
verdrag, met de Staten aangegaan, op eene milde en onbekrompene wijze
uit te leggen. Aan de Gereformeerden was daarbij eene begraafplaats
toegezegd binnen de muren, een recht, waar men destijds bijzonder
op stond, en dat, volgens de uitdrukking van den Prins, "zelfs aan
geen hond kon onthouden worden;"--maar de plaats door de Regeering
tot een kerkhof aangewezen, was in een morsigen achterhoek der stad
gelegen, en, in de oogen der belanghebbenden, alleszins afzichtelijk
en het doel onwaardig. Ten andere, bij het verdrag was bepaald,
dat de Drie Schutterijen (de Oude, de Hand- en Voetboogschutterij)
weder zouden worden opgericht; en allen, die daar vroeger deel van
uitmaakten, dus ook de teruggekeerde uitgewekenen, daarin hunne plaats
hernemen; doch er was geschil ontstaan tusschen de Wethouderschap en de
afgevaardigden der Staten, welke laatsten begeerden dat de Schutterijen
in zes Vendels zouden worden afgedeeld, dat de Prins en de Staten de
Hoplieden en Rotmeesters benoemen zouden, en eene lijst van daartoe
geschikte personen aan Burgemeesters ter goedkeuring toegezonden; en
nu was, op Vrijdag te voren, in de Vroedschap bij algemeene stemmen
besloten, niet te bewilligen in het brengen der Schutterijen onder
zes Vendels, en vooral niet onder de opgegeven personen. Maar bij
al die meer of min gegronde redenen van ontevredenheid zou ik er nog
eene durven voegen, waar men niet zoo bepaald mee voor den dag kwam
en die toch inderdaad de ware was: het vrij natuurlijk verlangen
namelijk van de partij, die zoolang de onderliggende geweest was,
om de vruchten der behaalde overwinning te plukken en op hare beurt
aan 't roer te komen. Het straks genoemd besluit en nog eene andere
beraadslaging, op dien zelfden 23sten Mei gehouden, en waarbij een
voorstel, tot vergunning aan de Mennonisten om het Poorterschap te
bekleeden, heftigen tegenstand ondervonden en tot geen gevolg geleid
had, duidden aan, dat de Regeering tot verdere concessiën ongezind
was en vermoedelijk geneigd tot inkrimping der reeds verleende: en
zoo was hiervan het gevolg geweest, dat de aanzienlijksten onder de
Gereformeerden de hoofden bij elkander gestoken en het besluit gevormd
hadden, aan dezen staat van zaken voorgoed een einde te maken. Men
wil echter den weg der onderhandeling beproeven, en daarom had op
Maandagmorgen een bezending van vijf voormalige uitgewekenen, allen
tot de deftigste geslachten behoorende, met Willem Bardes aan 't
hoofd, zich op 't Stadhuis vervoegd, waar op dit tijdstip de geheele
Wethouderschap vergaderd was:--en het is de uitslag van dit bezoek,
welke de steeds aangroeiende menigte op den Dam is afwachtende. Reeds
een paar reizen zijn de leden der Bezending van 't Stadhuis naar de
herberg op den Dam, waar de Gemachtigden der Staten zich onthouden,
en van daar weder terug naar 't Stadhuis gewandeld, en dit over-
en wedergaan schijnt aan te kondigen, dat men nog verre is van eene
voldoende uitkomst verkregen te hebben.

Ook meester Henrik Dirkszoon staat, als wij gezegd hebben, het tooneel
daar voor hem aan te zien. Reeds meer dan tachtig jaren zijn over
't hoofd diens grijsaards gegaan; maar al is zijn gelaat gerimpeld,
al staan zijne oogen dof, al is zijn rug gebogen en zijn lichaam
door ouderdom verzwakt, nog is bij hem de geest even wakker, de
wilskracht even sterk als toen hij, in 't jaar 1525, voor 't eerst
zijne plaats in de Vroedschap aanvaardde; en, is op 't gelaat zijner
bedaagde huisvrouw, in weerwil van hare reeds verzwakte geestvermogens,
de vrees te lezen, dat er iets niet richtig zij, en, al teekent het
gelaat zijner dienstmaagd verbazing over het ongewone verschijnsel, dat
de markt vertoont, meester Henrik heeft nimmer vrees gekend, en hij is
te oud geworden om zich over iets meer te verwonderen.--"Ik verwachtte
dit," mompelt hij bij zichzelven; "zij hebben mijn raad in den wind
geslagen: zij zullen zichzelven de gevolgen te wijten hebben. Zij
hadden òf alles moeten toegeven, òf doortastende maatregelen nemen,
en de Geuzen voorkomen eer zij door hen voorkomen worden. Nu hebben
zij zich groot willen houden--en niet gezorgd, het noodige te doen
om aan hunne woorden klem bij te zetten. Zij zullen nu het gevolg
zien van hunne halve maatregelen."

En terwijl hij dus in half hoorbare klanken lucht geeft aan zijne
gedachten en voor zich uit blijft staren over dien steeds aangroeienden
klomp menschen op het plein, voert herinnering hem onwillekeurig menig
tijdperk uit zijn lang en bedrijvig leven voor den geest. Hij ziet
zich terug, als knaap met den hoepel spelende op dat plein, in een
tijd, toen men nog aan geen "Luiteranye" dacht, en nog maar alleen
zorg voedde voor de wapenen van den Gelderschman; hij herdenkt zijne
reizen, zijn studietijd, zijne terugkomst, zijne eerste handelingen
als Lid van de Vroedschap: de woelingen der Wederdoopers en zijn ijver
tegen al wie van ketterij verdacht werd; hij doorleeft de dagen van
zijn Burgemeesterschap, en nog kan hij zich niet onthouden van een
glimlach, bij de gedachte, hoe hij, in 1545, toen de uitvoer van
het koren overal verboden werd, de afkondiging van het plakkaat te
Amsterdam weerhouden heeft, door te bestellen, dat bij de opneming, de
voorraad, in de stad aanwezig, dubbel werd opgegeven dan die werkelijk
was, en hoe hij, in 1553, ettelijke duizenden der opgebrachte bede in
zijne, in plaats van in de Landskas, had weten te doen overgaan. Hij
ziet weer voor zijne oogen het schavot opgericht, hij is opnieuw,
als van 1549 tot 1552, getuige van het verbranden en versmoren der
Wederdoopers, en hij haalt de schouders op, bij de overweging, dat,
indien de Wethouderschap maar even kloekmoedig was als in die dagen,
en een vijftigtal uit dien hoop, die thans op den Dam vergaderd is,
vatten, en, "anderen tot exempel", op liet hangen, de overigen wel
stil naar huis zouden gaan.

Maar ook zijne twisten met Schout Bardes komen hem voor den geest,
hij weeft nogmaals in zijne gedachte met den Pastoor der Oude Kerk
het net, dat hij dien geheimen vijand spannen zal: hij onderhoudt
zich nogmaals met zijne medeplichtigen; Geele Fij, Volkje Willems,
den Notaris Kees Maartszoon, den Slijper Arie Janszoon, die, door
zijn goud of zijne beloften bekoord, den Schout en zijne huisvrouw
valschelijk beticht hebben van Wederdooperij:--en al is de valschheid
dier beschuldiging toen bewezen geworden, en al heeft hij, als verdacht
van omkooping, jaar en dag gevangen gezeten., en al heeft hem die zaak
schatten gekost, men heeft hem toch eindelijk weder moeten ontslaan;
en terwijl Volkje in de gevangenis is overleden, Fij op jammerlijke
wijze ter dood gebracht, de Pastoor en de Notaris gebannen, de
Slijper bovendien gegeeseld is, is hij de eenige geweest, schrander
genoeg om te zorgen, dat er geen bewijs tegen hem te vinden ware: en
wederom glimlacht hij bij de herinnering, dat hij toch nogmaals, na
dien tijd, tot de Burgemeesterlijke waardigheid verheven is geworden;
en dat, al was de Schout te dier gelegenheid den hem gespannen strik
ontgaan, hij, Henrik, zich later toch op Bardes heeft zien wreken,
toen die ongelukkige, op zijn ouden dag voor den Bloedraad geroepen,
de felste pijniging en geeselingen heeft moeten doorstaan en zijn leven
in armoede en waanzin geëindigd heeft.--"Maar wat booze geest," zoo
peinst hij, "heeft nu den zoon van dien zelfden Bardes naar Amsterdam
gevoerd? dien zoon, zijn vader zoo gelijk in houding, in wakkerheid, in
beleid: daarbij, Luitenant van Sonoy, vraagbaak der oproerige Geuzen,
en thans--aan 't hoofd der bezending, die daarbinnen op 't Stadhuis
is.--Zou die zoon op zijne beurt wraak komen nemen over 't onrecht,
zijn vader aangedaan?"

Bij die vraag glimlacht Mr. Henrik Dirkszoon niet: hij ziet ernstig
voor zich heen: hij is door den schakel zijner overpeinzingen tot den
tegenwoordigen tijd teruggevoerd en berekent de kansen: hij laat zijn
oog nogmaals over de volksmassa weiden, en, al hebben de meesten den
rug naar hem toegewend, en al kan hij nauwelijks iets dan hoeden,
mutsen en kapers onderscheiden, toch is zijn oog geoefend genoeg
om vriend en vijand uit elkander te kennen. "Veel zwarte mantels
en stijve halskragen! niet een enkele monnikskap!" Ziedaar wat
een vlug rondgeworpen blik hem bespeuren doet. "Waar zitten zij,
die geestelijken, die minderbroeders vooral, die zich nog maar drie
dagen geleden op alle hoeken van straten en pleinen zoo dapper lieten
gelden?--Eer dat het huis instort, vlieden al de muizen. Slechte
voorteekenen van wat volgen moet."--En nogmaals mompelt hij wrevelig
bij zichzelven: "die dwazen, met hunne halve maatregelen! O, dat ik
eene week maar Schout ware geweest!--Ha! daar slaat de trom! zouden
zij werkelijk de markt schoon doen vegen?"

En, inderdaad, uit de Kalverstraat komt, met klokslag van elven,
de Bezetting met slaande trom en wapperende vendels aangerukt, doch
de verwachting, die de Oud-Burgemeester een oogenblik gekoesterd had,
wordt teleurgesteld. De volksmenigte opent, waar de krijgsknechten zich
vertoonen, hare dichte rijen: de bezettelingen, tot voor 't Stadhuis
genaderd, deelen zich in vier Vendels: elk van deze begeeft zich naar
zijne standplaats, op een der hoeken van den Dam, en zet de musketten
en hellebaarden bij den voet; terwijl hunne Hoplieden--Rodenburg,
Jonkheim, Visscher en Duin--zich binnen 't Stadhuis begeven.

"Zij zijn het met de muiters eens." zegt Mr. Henrik bij
zichzelven:--"indien Burgemeesteren voortgaan de rol van Brutussen
te spelen, is het uit met hun gezag."

"Zal ik het eten opdoen, meester?" vraagt Stijntje, die, ofschoon de
gewone tijd van te middagmalen reeds verstreken is, nog getalmd heeft
met die vraag; maar toch zou vreezen, van plichtverzuim beschuldigd
te worden, indien zij die nu niet deed.

"Eten!" herhaalt Mr. Henrik: "nu ja," zegt hij bij zichzelven:
"misschien voor 't laatst.--Wel zeker!" vervolgt hij overluid; want
de vastberaden man wil voor vrouw en dienstmaagd den indruk bedekken,
die 't geen daar ginds plaats heeft bij hem verwekt; "het is meer dan
tijd."--En bedaard vergezelt hij zijne vrouw naar de binnenkamer,
beneden, waar weldra de brij op tafel staat te dampen. Eerst
wanneer zij gezeten zijn, en hij eenige lepels van de heete brij
heeft binnengeslagen, zegt hij op den meest natuurlijken toon tot de
dienstmaagd, die aan 't lager einde der tafel is gezeten: "ga eens
naar boven, en zie, of alles nog op de markt is als zooeven. Gij komt
mij waarschuwen als er iets gebeurt. Zoodra ik gedaan heb met eten,
kom ik zelf en dan kunt gij op uwe beurt uw deel krijgen."

Stijntje, bij wie op dit oogenblik de trek tot eten minder groot is
dan die om te weten wat er voorviel, legt haar lepel neer en voldoet
zonder aarzelen aan den last, die haar gegeven is. Bedaard eindigt
de Oud-Burgemeester zijn maal, onderhoudt zelfs zijne vrouw, bij wie
hij alle ongerustheid wil doen verdwijnen, over onverschillige zaken,
waarschuwt haar, dat hij "misschien wel op 't Stadhuis zal worden
geroepen," en begeeft zich weder naar boven. Weinig verandering
brengt hem het tooneel aan, dat hij voor zich heeft.--Alleen ziet
men, hoe de huislieden, daar de klok van twaalven op handen is,
zich bezighouden met hunne kaas en zuivel van de markt te nemen en
zich langzamerhand verwijderen. De ruimte, die een oogenblik, ten
gevolge van hun vertrek, ontstaat, doet hem iets ontdekken, dat hij
tot dien tijd niet bespeurd had, een aantal wolzakken, die tegen
de Waag liggen.--"Indien Schout Hollesloot half zooveel verstand
had als goeden wil," denkt hij, "dan had hij die zakken niet daar,
of althans niet dan onder goede bewaking laten liggen. Wolzakken
kunnen van dienst zijn, en ik heb ze in 't jaar 35 met goed gevolg
tegen de Wederdoopers helpen bezigen;--maar de Regeering moet zorgen,
dat zij er zelve gebruik van make en men ze niet tegen haar aanwende."

Weder verloopt er eenige tijd: de middag is lang voorbij, de markt
van boeren en zuivel ontledigd, en nog staat de volksmenigte op
't Stadhuis te staren; doch een dof en ontevreden gemurmel begint
hier en daar te ontstaan, eerst flauw, maar allengs meer hoorbaar
en luider en luider; en het ruischt eerlang over de markt als koren,
dat door den wind bewogen wordt.--Maar ziet! wat gebeurt er, dat op
eens dat gerucht zwijgt en wederom door diepe stilte vervangen wordt.

"Meester! meester!" roept Stijntje, die reeds lang hare brij
ingezwolgen, den disch geruimd en zich weder naar boven gerept heeft;
"daar komt iemand op de pui om af te lezen. Maar 't is de Sikkretaris
niet. Wie 't wezen mag?"

"'t Is Guillaume du Jardin," zegt de grijsaard, wiens oogen, gelijk
meer bij oude lieden het geval is, naarmate zij zwakker worden om
van nabij te zien, voorwerpen op verren afstand des te scherper
onderscheiden: "het treurspel zal een aanvang nemen."

En inderdaad, het is Du Jardin, een der leden van de Bezending, die,
op de pui naar voren tredende, zijn hoed aflicht en dien terstond weder
opzet. Dit teeken moest strekken, om zijne medestanders te waarschuwen
dat Burgemeesteren blijven weigeren aan den wensch der Bezending te
voldoen en er met redenen niets te winnen is. Henrik Dirkszoon kan
natuurlijk de beteekenis van het afgesproken sein niet weten, doch
hij raadt die uit den kreet van verontwaardiging, die van den Dam
uit duizend monden oprijst, uit het dreigend opheffen van gebalde
vuisten, uit het zwaaien van hoeden en mutsen. En zie, daar treedt
Hopman Jonkheim ten Stadhuize af; hij slaat de handen uit elkander,
hij spreekt tot de omstanders--(Henrik mag zijne woorden gissen,
verstaan kan hij ze niet);--hij haast zich naar zijn Vendel. Wat zal
er nu gebeuren? De bende stelt zich in beweging en trekt op naar de
Sint-Katrijne kerk.

"Bewaar ons!" roept Stijntje, "daar gaan de soldaten de kerk
plunderen."

"Neen," zegt Henrik bedaard, "zij gaan die tegen plundering
beveiligen,--Te sterker bewijs, dat hier een wel overlegd en geordend
plan bestaat," voegt hij er halfluid bij.

Paf!--van waar kwam dat musketschot? Uit een der vensteren van de Waag,
binnen welke eenige soldaten der bezetting post houden, stijgt de rook
van 't kruit omhoog.--Een luid en hoorbaar sein, dat het zichtbaar sein
van Du Jardin schijnt te beantwoorden. En werkelijk; daar begint op
eens de storm, waarvan die langdurige stilte de voorbode geweest was,
in volle woede los te breken. "Oranje boven! Vive de Geus!" klinkt het
van alle zijden: tal van matrozen bersten de stegen en kroegen uit,
wapperende vlaggen rond zwaaiende: daar toonen er zich al meer en meer,
alsof zij uit den grond komen gerezen.--Volk van alle slag, arbeiders,
ambachtslieden, winkeliers, kooplieden, vereenigen zich als door een
tooverslag onder bepaalde hoofden; een deel holt den Vijgendam op,
de Halsteeg in, naar 't Bushuis aan het einde der Hoogstraat, om het
geschut te halen: terwijl rapen anderen steenen en smijten die naar
de ijzeren traliën der vierschaar, om de nachtwakers te verdrijven,
die men onderstelt dat van daar, uit de haakbussen, die er bewaard
worden, op 't volk zouden kunnen schieten.--Maar er wordt van daar
geen vuur gegeven: en nu, verzekerd geen weerstand te zullen ontmoeten,
stormt de menigte als een stroomende vloed ten Stadhuize in.

"J..... Maria!" roept Stijntje, de handen wringende van angst:
"zij gaan de Heeren vermoorden!"

"Wel denkelijk!" zegt Henrik, met een bitteren lach: "en dan wordt
het onze beurt," voegt hij er in zichzelven bij. "Stijntje!" vervolgt
hij overluid: "geef mij mijn mantel, mijn hoed en mijn stok."

"Bewaar ons! Meester wil toch niet uitgaan en zich in die confusie
begeven?" vraagt Stijntje.

"'t Zal er toe kunnen komen," antwoordt Henrik: "doe wat ik zeg:
men moet op alles bereid zijn."

Zij gehoorzaamt schreiende: hij kleedt zich en plaatst zich weder
aan het venster; reeds zijnde wilde gasten, die naar 't Bushuis
gegaan waren, met het geschut terug: de wolzakken--als Henrik
voorzien had--worden opgenomen en de toegangen daarmede versperd;
terwijl de krijgsknechten der Bezetting dit alles aanzien zonder
het te verhinderen, en zich vergenoegen met het bewaken der hun
toevertrouwde posten.

Daar komt een nieuwe troep met luid gejuich en gejoel op den Dam:
zij hebben Priesters, Monniken en Leden der Vroedschap in hun midden,
wier doodsbleek gelaat doet lezen, dat zij zich op het ergste lot
verwachten.--Maar op eens treedt Bardes het Stadhuis uit, door de
leden der Bezending gevolgd, en door een drom volks omstuwd: hij
wenkt, hij deelt bevelen uit: en nu, door hunne Hoplieden voorgegaan,
stellen zich de krijgsknechten in beweging, bezetten den toegang van
't Stadhuis, en vormen vandaar af eene dubbele rij, welke men niet
zonder moeite de bevende Regenten en Geestelijken doet binnentreden:
nogmaals wenkt Bardes en men geleidt den Schout, de Regeerende en
de Oud-Burgemeesteren het Stadhuis af en tusschen de soldaten in,
bij de vorige gevangenen. Telkens treden nieuwe benden gewapende
burgers met meer Leden der Vroedschap en Monniken, op den Dam, die
bij de overigen gesteld worden, en wier verschijning telkens met een
luid gejubel wordt begroet.

--"Zij zullen mij toch niet vergeten?" vraagt Henrik Dirkszoon,
halfluid en eenigszins verwonderd zichzelven af, terwijl de vrouwen
nevens hem zich uitputten in bittere jammerklachten over hetgeen
zij aanschouwen.

En, als had men, van het plein af, de gedane vraag verstaan, een
twintigtal burgers stelt zich in beweging en komt op het Huis de
Mol aangetreden.

--"Daar zijn zij," zegt de Oud-Burgemeester. "Stijntje! open de
voordeur; 't is beter, dat ik hun te gemoet ga, dan dat zij mij komen
halen. Vaarwel moeder!" vervolgt hij, zijne vrouw, die niet recht
begrijpt wat er aan de hand is, een kus op de dorre wang drukkende:
"ik ga naar de Vergadering."

Intusschen zijn de burgers de voordeur genaderd en staan gereed die met
geweld binnen te dringen, wanneer die opengaat, en de Oud-Burgemeester
voor hen staat. Zij doen verbaasd een stap achterwaarts; doch hij
treedt in hun midden, en, als bij stilzwijgende overeenkomst, wenden
zij gezamenlijk hunne schreden naar het midden van den Dam. Dreigend
klinken hem die kreten en verwenschingen in de ooren, die, van achter
de rijen soldaten, door een woedend gepeupel worden aangeheven; doch
met een onbewogen gelaat vervolgt hij zijn weg, totdat hij zich bij
zijne lot- en rampgenooten bevindt.

"Ik dacht waarlijk, dat men mij vergat," zegt hij, met een glimlach,
terwijl hij zich in 't gelid stelt naast den Oud-Burgemeester
Joost Buick: "'t schijnt, dat wij het spel kodielje kwijt zijn,
mijne heeren!"

"Dat kost gij onmogelijk denken, dat de zoon van Schout Bardes u
vergeten zou, meester Henrik Dirkszoon!" duwt hem eene zware basstem
toe. Hij ziet op naar den man, die met bleek gelaat en strenge blikken
voor hem staat; een oogenblik is hij verrast; maar ook niet meer dan
een oogenblik, en, zich terstond herstellende: "Voorwaar, Mr. Willem
Bardes," zegt hij: "ik had u zoo ras niet herkend.--Nu! elk zijne
beurt; maar wat zegt het volksspreekwoord: "huimetuit! hoed u voor
den weerstuit."--Intusschen, maak het kort: want de Heer Buick en ik
zijn oude lieden, wien 't lange staan al ras zou vervelen."

Bardes antwoordt niet, maar nogmaals met de hand wenkende, geeft
hij bevel, dat men de gevangenen wegvoere, en de trein stelt zich in
beweging. Zoowel Regenten als Geestelijken worden, man voor man, ieder
door twee gewapende burgers aan weerszijden vastgehouden, tusschen de
rijen soldaten doorgeleid, en moeite genoeg kost het dezen laatsten,
hen tegen de woede van een verbitterd grauw te beveiligen:--"Naar
de galg met hen! naar de galg, waar zij zoo menig vromen burger aan
geholpen hebben! In 't water met de papen! Naar de galg met Teeuwis
en Meeuwis [6], met Joost Buick! en Henrik Dirkszoon!--Neen! de galg
is nog tegoed voor hen."--Deze en dergelijke zijn de onheilspellende
kreten, die zij in 't voortgaan hooren uitboezemen. Maar zij zijn
aan 't Damrak gekomen; hier liggen een aantal schuiten gereed, waar
men hen doet ingaan, wederom daarbij dezelfde orde en regelmaat in
acht nemende, die deze zonderlinge omwenteling van het begin tot aan
het einde kenmerkt. De Wethouderschap, de Leden der Vroedschap, de
Pastoors, de Monniken, allen worden soort bij soort in afzonderlijke
vaartuigen ingescheept, en men is op 't punt van wal te stelen, wanneer
het trouwe Stijntje, door den hoop komt dringen en haren meester een
pak, in een luier gewonden, ter hand stelt. Het bevat een paar hemden
en ander lijnwaad, die de zorgende huisvrouw, zoodra zij van hare
dienstmaagd gehoord had, dat haar man "uit de stad" ging, hem nazond.

"Wat moet dat?" vraagt Henrik, verwonderd.

"Schoon linnen;" antwoordt Stijntje: "dat vrouw Barta u zendt."

"Neem 't maar weer mee," herneemt Henrik, terwijl hij lachend het
hoofd schudt; "ik zal 't wel niet meer noodig hebben. Mijn groete aan
de oude vrouw, Stijntje! en zoo gij nu nog op een post voor uw vrijer
hoopt, wordt dan Geus, en wend u tot meester Willem Bardes."--Met
deze woorden keert hij zich van de schreiende en snikkende dienstmaagd
af--en de schuit steekt van wal.

"Wat meent gij, door dat linnengoed af te wijzen?" vraagt hem Buick,
die nevens hem gezeten is.

"Wel," fluistert Henrik, "denkt gij dan, dat men ons tot een bloot
spelevaren hier op deze schuit gebracht heeft? Als wij buiten zijn,
laat men ons zinken, maak daar rekening op.--En die schelmen hebben
de Geestelijke heeren apart gezet, en ons niet eens een Priester
gelaten om ons vooraf de absolutie te geven."

"Zult gij dan spotten tot in 't uiterste toe?" vraagt Buick, wrevelig:
"waarachtig, men zou nog eindigen met te gelooven, dat hetgeen men
u nageeft, waarheid is, en dat gij een anderen meester dient, dan
wel behoorde."

Henrik Dirkszoon haalt de schouders op en zwijgt:--de uitkomst bewijst
echter, dat hij zich in zijne berekening bedrogen heeft. De omzetting
der regeering moest niemands leven kosten, en zoo was er ook last
gegeven, de uitgezette personen aan den Sint Antoniesdijk aan wal en
op vrije voeten te stellen.

Wij, die onze wandeling tot Amsterdam beperken, volgen Meester Henrik
Dirkszoon niet verder. Alleen zij er nog dit tot naricht voor den lezer
bijgevoegd, dat hij, zich naar Haarlem metterwoon begeven hebbende,
aldaar een paar jaren later overleed. Bij zijne uitvaart werd het
praatje, waar Joost Buick op gedoeld had, levendiger dan ooit, en
verspreidde zich het gerucht, dat de Duivel zijn lijk weggevoerd en een
molik in de kist had achtergelaten. Wij willen hopen, dat het vertelsel
logenachtig is, en dat berouw de laatste oogenblikken verzoette,
van den kracht- en geestvollen, maar misdadigen Oud-Burgemeester.



In den Put.

Wij gaan maar weinige stappen verder, op den Middeldam, en, wederom een
sprong doende--deze reis van ruim eene halve eeuw--bevinden wij ons
voor eene andere burgerwoning, die een put in den gevel voert. Vrees
echter niet, lieve lezeres! dat deze put eenige gelijkenis hebbe
met dien op "'t Nieu en Vermakelijk Gansebort", en dat ik er u in
zal laten verblijven tot een ander kome en u verlosse; deze put--of
liever het huis, dat er zijn naam naar draagt--wordt wel druk bezocht,
maar niemand verwijlt er lang, althans zelden langer dan hij er noodig
heeft. Die put is een welbeklante boekwinkel, met eene eigen drukkerij
daarnevens, en de werken, die uit die boekerij voortkomen, prijken dan
ook, evenals het huis, met een put op hun voorgevel of titelblad. Die
werken--althans vele van hen--hebben het huis overleefd en ook heden
ten dage is er niemand, die eene boekerij van eenigen omvang bezit
en daarin ééne kast, bijzonder aan Hollandsche letterkunde gewijd,
en die daarin geen "putjes-edities" heeft staan.... doch ik zou bijna
vergeten, dat wij op onze wandeling niets van den hedendaagschen
tijd willen weten, dat wij ons niet in de negentiende eeuw bevinden,
maar in de zeventiende, en dat wij de boeken, waar ik van sprak,
niet behoeven te gaan zoeken in uwe of mijne bibliotheek, daar wij er
ruimen voorraad van kunnen vinden achter de toonbank van den eerzamen
poorter Abraham De Wees, met wien wij u thans willen doen kennis maken.

Ziet, daar staat hij zelf in zijn winkel, een kloek en wakker man,
wiens gesloten lippen en gerimpeld voorhoofd vastberadenheid, wiens
levendige oogen scherpzinnigheid teekenen. Wel is De Wees geen
man van diepe geleerdheid en veel omvattende kennis, gelijk zijne
gildebroeders De Blaeuwen: evenmin zelf dichter of historieschrijver,
gelijk zijn gildebroeder Dirk Pietersz. Pers; maar hij bezit dien
smaak, of althans dat doorzicht, dat in zijn vak onmisbaar is, en
waardoor men, bij den eersten vluchtigen blik, in een handschrift
geworpen, weet te onderscheiden of het der moeite van 't drukken
loonen zal of niet: en daarom komt er dan ook zelden of nooit iets
uit de persen van De Wees te voorschijn, dat geen koopers vinden zou:
of liever--want men heeft allerlei slag van koopers--niets, dat lieden
van smaak geheel onbevredigd laat. En dan, in de tweede plaats, zonder
juist smaak te hebben in veel omvattende, gewaagde ondernemingen,
is De Wees niet de man, die zich om eenige kleingeestige overweging
zou laten afschrikken datgeen te drukken en uit te geven, wat hij
inderdaad verdienstelijk acht. Twee eigenschappen kenmerken hem
alzoo, die hem de achting van het lezend publiek moeten verwerven
niet alleen, maar ook aan den talrijken hoop schrijvers, dien
Amsterdam bevat, niet weinig ontzag inboezemen. "Niet iedereen mag
het te beurt vallen, Korinthe te bezoeken," zegt het oude Latijnsche
spreekwoord; evenzoo geniet niet zoo maar iedereen het voorrecht,
dat de voortbrengselen van zijnen geest--of liever van zijne pen--op
de persen van De Wees worden toegelaten: de samenflanser van duistere
onverteerbare vertoogen, de galachtige vervaardiger van pamfletten,
die zich alleen door hatelijkheid onderscheiden, de schrijver van
berijmd bombast of van watermelkverzen moge elders zijne papieren
kinderen ter markt brengen;--bij De Wees zal hij vruchtelooze moeite
doen. Maar daarentegen zal de man van bekwaamheid en vlijt, die de
vruchten van nauwgezetten arbeid tot een welgeordend geheel verzameld
heeft, de welsprekende redenaar, die tegen de dwaasheden der eeuw of de
verkeerdheden in het bestuur te velde trekt, de waarachtige dichter,
wiens geheele ziel zich in zijne zangen uitstort, zeker zijn, niet
alleen een goed onthaal bij De Wees te ontvangen, maar ook in hem een
wakkeren, een trouwen, een dankbaren vriend te vinden, die het ook
dan zal blijven, als het eens gebeuren mocht, dat, ten gevolge van
omstandigheden, die nimmer te voorzien zijn, de uitgave, die alleen
voordeel scheen te beloven, den uitgever op schade en onaangenaamheden
kwame te staan. Uit dit een en ander volgt, gelijk men denken kan,
dat ieder er prijs op stelt, De Wees tot uitgever te hebben, en dat
het bloote feit eener uitgave bij De Wees reeds eenigszins als een
patent van bekwaamheid geldt, wat hem, die 't bekomt, al dadelijk--op
goed geloof af--bewonderaars, en vooral benijders, verwekt.

Heden--ik mag hier in 't voorbijgaan den lezer wel waarschuwen, dat
wij 't jaar 1646 schrijven--heeft De Wees juist uitgeleide gedaan
aan een dier schrijvers, wier voortbrengselen hem welkom zijn, aan
een dichter, en wel aan den zoodanige, die bij hem boven al de rest
staat aangeschreven. 't Spijt mij, dat de man, dien ik bedoel, juist
al vertrokken en uit het gezicht is: hij is altijd der beschouwing
waard: maar troost u, lezer! geef ik u hier zijn portret niet, 't
is, omdat ik het reeds meer dan eens voor u heb gemaakt, en niet in
noodelooze herhalingen wil vallen: gij kunt het, indien gij 't naslaan
der moeite waardig acht, in "Johanna Vossius" vinden, waar ik den man
een tiental jaren jonger--of in "Een bedrukte vader," waarin ik hem
een tiental jaren ouder--dan hij thans is, heb afgebeeld. Abraham De
Wees neemt, met een oog, dat van genoegen tintelt, het handschrift,
dat hem de dichter gelaten heeft, naar de binnenkamer mede, zet zich,
tegenover zijne huisvrouw, aan de gladgewreven eikenhouten tafel neer
en zegt met een blijmoedig gelaat:

"Weer een treurspel, moeder! dat mij Van den Vondel gegeven heeft om
te drukken."

"Ei zoo, vader!" zegt zijne wederhelft, de oogen even van haar breiwerk
opslaande: "en wat is de titel?"

"Maria Stuart," antwoordt haar man, terwijl hij het handschrift voor
zich op tafel legt, en er hier en daar reeds eene bladzijde van
doorloopt met dien vluggen en vasten blik, welken eene aangeboren
gave des onderscheids, door langdurige oefening versterkt, hem heeft
doen verkrijgen.

"Maria Stuart!" herhaalt zijne echtgenoote op een toon, die niet
zonder bezorgdheid is.

"Ja,--en voorwaar, de man heeft in lang niets geschreven, dat hier
bij haalt:--luister maar eens"--en den vinger brengende aan eene der
plaatsen uit het dichtstuk, welke juist zijne aandacht getrokken had,
leest hij overluid:


            "Ontfangt dees bron der marteladeren
                  Ghy Engelen, nu treet
                  Haar tegen: zij vergeet
                  Haar volck en vaders huis,
                  Gesproten uit Ferguis,
            Dien ouden stam, en hondert vaderen;
            Al koningen, van Godt geschapen
                  Ten scepter, ingewijt
                  In 't aenzicht van den Nijt,
                  Gezalft van eeuw tot eeuw.
                  O roode koningsleeuw
            In 't gouden velt van 't Schotsche wapen,
            Hoe durven ze uw Leeuwin benaeuwen,
                  Hoe ziet men haar zoo tam
                  Veranderen in een lam,
                  Sneeuwit van vacht en vloek,
                  Verscheuren door den wrock
            Der Luipaerdinne, scherp van klaeuwen.


"Welk een zeggingskracht! welk eene keus van woorden!" vervolgt
De Wees, in verrukking: "en hoe weet de man voor elke rei telkens
eene nieuwe maat te vinden, altijd aan het onderwerp zoo eigenaardig
gepast. Zie, Maaike! nog wordt de man niet op prijs gesteld, gelijk
hij verdiende."

"Heel mooi, heel mooi," zegt Maaike, wier gelaat intusschen
zoozeer geen bewondering als toenemende onrust teekent: "maar die
"Luipaerdinne," daar zal waarschijnlijk Koningin Elizabeth mee
bedoeld worden?"

"Ja, gewis, en zie eens--hier noemt hij haar voluit, zonder eenige
toespeling:"--en wederom leest hij:


                "Marie, uit Jesses stam geboren,
                En tot een rijcker kroon gekoren,
                  Dan David droegh in 't Jootsche Rijck,
                Marie in ootmoet hoogh verheven,
                Van vreught en blyschap aengedreven,
                  Bezoeckt haar nicht in Arons wijck.
                Elizabeth, tot Godt genegen,
                Schiet op en vlieght Marie tegen,
                  Omhelst en kust die groote Nicht,
                Aenschouw dit hartelijck verlangen,
                Hoe ze in elkanders armen hangen,
                  Hoe liefde bloet aan bloet verplicht.

                Marie, uit Stuarts stam geboren,
                En tot een rijcker kroon gekoren
                  Dan Henrik droegh in 't Engelsch Rijck,
                Marie, in rampspoet hoogh verheven,
                In druck en ballingschap gedreven,
                  Neemt tot haar Nicht in noot de wijck.
                Elizabeth, tot wraeck genegen,
                Blijft pratten, zent heur wachters tegen,
                  En vangt en spant die groote Nicht;
                Zy laetse twintigh jaer verlangen
                En tusschen hoop en doodschrick hangen:
                  Want staetzucht past op bloet noch plicht."


Hier kan Maaike zich niet langer inhouden, en, hare breikous voor zich
op de tafel leggende: "En zul je dat waarlijk drukken en uitgeven,
vader?" vraagt zij, haar man ernstig in de oogen ziende.

"Wel zeker zal ik," antwoordt deze: "en waarom zou ik niet?"

"Wel!" herneemt zij: "mij dunkt, dat je dit van mij niet behoeft te
vernemen. Zal de Regeering het toelaten, dat men aldus de deugden
van de Katholieke Maria ophemelt en uitvaart tegen de Protestantsche
Elizabeth, die nog wel in haren tijd een bondgenoot van de Heeren
Staten is geweest?"

"Nu, nu!" merkt De Wees aan, met een glimlach: "Maria was de
grootmoeder van Karel Stuart, hun tegenwoordigen bondgenoot."

"Ik kan er niet mee schertsen," herneemt Maaike: "je weet beter dan ik,
dat de Heeren Staten zich aan dien bondgenoot niet het minst gelegen
laten liggen en alles doen wat zij maar kunnen om dien Cromwell en
zijne Puriteinen te vriend te houden:--wat schande genoeg is."

"Welnu," zegt De Wees: "is het dan niet hoog tijd, dat zich een stem
verheffe tegen die schandelijke politiek der Staten, en de partij
neme van het verdrukte Koningschap en van 't ware geloof, en is het
mijn plicht niet, als goed Katholiek, zulks te bevorderen?"

Ik heb vergeten te zeggen, dat De Wees tot hetzelfde geloof behoort,
waartoe Vondel zes jaren te voren was overgegaan, en dat het dan ook
sedert dien tijd is, dat de dichter bij hem zijne werken drukken laat,
terwijl hij vroeger doorgaans andere uitgevers gebezigd had.

"Van den Vondel heeft al genoeg geijverd voor beiden," hervat Maaike:
"en al zet hij geen pen meer op 't papier, niemand zal hem ten laste
leggen, dat hij traag geweest is in 't vervullen van zijne taak;--maar
ik wenschte, dat hij zijn verstand meer gebruikte en niet zoo tegen
de andersdenkenden uitvoer: dat verbittert maar en doet per slot
meer kwaad dan goed aan de zaak:--hij loopt waarlijk al genoeg in
den kijker: en 't zal met hem wezen: de kruik gaat zoolang te water,
totdat ze breekt. Hij sleept er u ook op een mooien dag nog bij in."

"Nu!" zegt De Wees: "ik ben immers altijd voorzichtig en ik heb
zelfs zijn "Grotius Testament" niet willen drukken. 't Boek ziet
er dan ook nu netjes uit!" voegt hij er bij, met een glimlach van
verachtend medelijden.

"Och kom!" zegt Maaike: "vertel mij daar niets van: zoo je 't niet
gedrukt hebt, vadertje! 't is heel eenvoudig, omdat het geen spijs voor
uw mond was, en volstrekt niet uit vrees voor de gevolgen.--Ik kan maar
niet begrijpen, hoe je liefhebberij hebt je de Heeren Staten tegen te
maken, die je toch telkenreize noodig hebt. Ze hebben je nog privilege
gegeven voor 't drukken van den vertaalden Virgilius: en mij dunkt,
dan moest je hunlui van uw kant nu geen reden tot misnoegdheid geven."

"Zeker, privilege zullen de Staten mij voor dit werk van onzen vriend
Joost wel niet verleenen;--maar we zullen er ook niet om vragen. De
Altaergeheimenissen zijn in der tijd gedrukt "te Keulen, in de nieuwe
Druckerye," en wij zullen de Maria Stuart ook te Keulen laten drukken;
maar, voor de verandering "in d' oude Druckerye." Ik heb dat al met
hem beklonken."

"Alsof het er iets toe deed," hervat zijne vrouw, "of je naam al dan
niet op den titel te lezen komt; niemand laat zich daardoor bedotten:
en iedereen weet zeer goed, dat die vermelding van Keulen maar voor
de leus is, en dat het een zoowel als het ander, hier te Amsterdam
bij u gedrukt wordt. Doch 't helpt niet of ik er verder over spreek:
ik ben maar eene domme vrouw, die geen verstand van zaken heeft,
en ik zal dus best doen maar te zwijgen. Intusschen, 't zou me hard
verwonderen, als je geen verdriet hadt van dat stuk."

"Van den Vondel heeft mijn woord," zegt De Wees, die wel beseft,
dat verdere redetwist tot niets goeds zou leiden en dat hij daaraan
alleen een eind kan maken, door het aanbrengen van een zoogenaamden
dooddoener, die voor 't overige het punt van geschil in 't midden,
en de over en weer gebezigde argumenten in hunne waarde laat.

Wij zullen hier evenmin beslissen, in hoeverre De Wees, indien
hij door geene belofte verbonden ware geweest, wel of kwalijk zou
gehandeld hebben, met in deze zaak zijn eigen hoofd te volgen en
den raad zijner vrouw in den wind te slaan. Maar zeker is het,
dat in soortgelijke--ja ik durf zeggen in alle--omstandigheden van
gewicht, de vrouw een inzicht in de toekomst heeft, waarvan zij zelden
volkomen rekenschap kan geven, doch dat nimmer faalt: een door alles
heen dringenden blik, die den man ontbreekt.--En ook deze reis bleek
het, dat Maaike zich in haar voorgevoel niet bedrogen had. De Maria
Stuart kwam in 't licht, en zoo de vorm van dit heerlijk dichtstuk
algemeen voldeed, de inhoud gaf geen kleinen aanstoot: de dichter
werd voor 't gerecht betrokken en in eene boete van honderd tachtig
gulden verwezen.--Wel is waar, men moeide De Wees niet; doch deze,
niet willende, dat de dichter schade lijden zou bij een werk, waar de
boekverkooper voordeel uit trok, zond het geld aan den Schout. Zijne
vrouw was edelmoedig genoeg om deze handelwijze van haren man goed
te keuren, en zelfs--wat sterker is--hem niet te herinneren, "dat zij
toch gelijk had gehad." Ja, wat meer is, zij bleef er geen wrok tegen
Vondel over koesteren, en toen zij in 1654, na den dood haars mans,
diens zaken op haren naam voortzette, toonde zij zich even gretig
als hij 't geweest was, om des dichters werken te drukken en uit te
geven. Nog bijna eene eeuw bleven de boekhandel en de drukkerij in
hetzelfde erf en door leden van hetzelfde geslacht uitgeoefend en,
door het voortdurend herdrukken van Vondels werken, 's dichters naam
en die van De Wees aan elkander verknocht.


In den Zonnewijzer.--In de vierighe Colom.--In de witte Persse.

Wij verlaten den Dam met zijne drukte en gewoel: wij gevoelen behoefte
aan frissche zeelucht en wij kuieren het Damrak op, dat ons naar den
IJkant geleiden zal. Maar zijn wij daardoor uit het gedrang? Eilieve;
vraag het Joannes Aurelius eens, die voor mij dezelfde wandeling
gemaakt en beschreven heeft [7]. Hij heeft alles goed gezien en niet
minder goed verteld, en, ware ik niet reeds met den lezer op weg,
ik zou stellig, nadat hij zijne wandeling volbracht heeft, de mijne
niet begonnen zijn. 't Heeft zelfs bij mij een punt van ernstige
overweging uitgemaakt, of ik die wel zou voortzetten, en, zoo ik
daartoe besloten heb, het is, uithoofde mijne wijze van door het oude
Amsterdam te slenteren, mij voorrechten aanbiedt, waarvan Aurelius
had afgezien. Niet, als bij, aan een bepaald tijdvak gebonden, en,
ten anderen, niet zoozeer de merkwaardigheden der stad in 't algemeen,
als wel de herinneringen, aan sommige huizen verknocht, tot onderwerp
mijner opmerkingen hebbende gekozen, ben ik, aan den eenen kant,
vrijer in mijne bewegingen dan hij, en is het mij, aan den anderen
kant, vergund, langer dan hij op eene plaats te vertoeven.

Wij zijn in 1664. Talrijk, gelijk altijd, is de menigte, die zich
hier beweegt. En hoe kan het anders? Rechts, de oude Haven, gevuld
met schepen en schuiten, uit alle hoeken der bekende wereld aangekomen
om de markt- en stapelplaats van Europa te bezoeken: achter ons, den
Dam; voor ons, het IJ; links de winkels en kelders, waar schippers en
varensgezellen, waar kooplieden en passagiers hunne benoodigdheden
komen zoeken. Wat bonte mengeling van spraak, van gelaatskleur, van
kleederdracht! Wat steeds afwisselende verscheidenheid! Hoor! daar
ruischen ons de welluidende tonen in 't oor der


        taal van lust en weelde,
Die 't stug latijn in dartele ontucht teelde,
  Die als de kus op malsche lippen smelt
  En harten boeit met liefdes algeweld:


ginds hooren wij de spraak vol majesteit, die ons honderd jaar
vroeger zoo onwelkom tegenklonk, toen zij uit den mond van Neerlands
dwingelanden werd vernomen. Wat verder rammelt men Fransch;--daar, aan
den wal, onderhoudt zich een viertal matrozen: elk bezigt zijne eigen
taal, en toch verstaan zij elkander: immers, nog heeft de uitspraak
van het Engelsch, het Deensch, het Zweedsch en het Neerduitsch
die wijzigingen niet bekomen, welke het tijdsverloop er bij elk
verschillend volk in brengen zou, en waardoor zelfs zulke woorden,
die bij elk der vier volken 't zelfde gespeld worden, bij elk van hen
op geheel onderscheiden wijze klinken: nog schijnt het, of men louter
dialectvormen van eene en dezelfde taal hoort, en indien, reeds nu,
de hoftaal in eene der vier Rijken, door den invloed van eigenaardige
zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden, en vooral door den invloed
eener eigen letterkunde, niet gemakkelijk meer in een der andere Rijken
zou begrepen worden, op zee, waar Brit en Deen en Zweed en Hollander
dezelfde zeden, gewoonten, behoeften en denkbeelden behouden hebben,
en de onderwerpen van het gesprek binnen denzelfden kring besloten
blijven, heerscht tusschen de Noordsche volkeren nog een soort van
algemeene of Vrij-metselaarstaal, die elken tolk overbodig maakt. Maar
wat noch wij, noch zij, zoo licht verstaan zouden, zijn de uitheemsche
klanken, die daar in 't voorbijgaan onze ooren treffen. Is 't Arabisch,
Turksch, Maleisch, of eenvoudig Joodsch bargoensch, dat wij hoorden? 't
Een is even mogelijk als het andere, en wij zullen er ons hoofd maar
niet mee breken; want wij vangen nu weer een luidruchtig gesprek
op, tusschen een Rus en een Portugees gevoerd, deze reis met behulp
van een taalman, die somtijds niet weinig met zijne taak verlegen
schijnt. En duizelt het hoofd ons op het hooren van dat Babel van
geluiden, niet minder schemert het ons voor de oogen bij dat verschil
van kleuren. Daar loopt de halfnaakte Calabrees--met zijne groote,
koolzwarte oogen, met zijn antiek profiel en gebronsde huid--den in
't bont gedosten Muscoviet--met zijn stompen neus en wegschuilende
oogjes--tegen 't lijf: ginds wandelt de deftige Armeniër, met zijn
breeden tulband en gestreepte samaar, nevens den Noor in 't habijt
van grof wadmer: daar zien wij den Genuees, in zwarte zijde en fluweel
gedost, en achter hem den Bergschot, met zijn kakelbonten mantel: wat
verder dringt een grofgebouwde Oostfries in eenvoudige schippersdracht
een Franschman voorbij, wiens hoed, wiens armen, wiens broek, wiens
schoenen, onder veelkleurige linten begraven zijn. Helaas! noch de
haven van Amsterdam, noch eenige haven ter wereld zal in later tijd
het bont en schilderachtig tooneel kunnen aanbieden, dat ons hier
verwacht. De Mode, die in de zeventiende eeuw nog beide geslachten even
welwillend gadeslaat, ja zelfs de kleederdracht des mans voordeeliger
doet uitkomen dan die der zwakkere kunne, zal, wanneer zij eenmaal haar
hoofdzetel voorgoed te Parijs gevestigd heeft, zich uitsluitend over
deze laatste bekreunen, de mans niet alleen stiefmoederlijk behandelen,
maar zelfs alle verscheidenheid van kostuum--voor zooverre het geen
militairen betreft--te niet doen; en den afschuwelijkst denkbaren
tooi voor allen gemeen maken. Wees dan voortaan Pair van Engeland
of sta met een schoenebak op eene brug, wees Venetiaan of IJslander,
woon te Archangel of te Sevilië, rijd door het Bois de Boulogne naast
de elegante lorette of zwierigste coupé of voer op een kruiwagen een
kreng weg, gij zult evenzeer eene kachelpijp op 't hoofd, een effen
lakensch pak met lapellen en slippen aan 't lijf, een strop om den
hals en een paar kanonnen aan de beenen dragen:--op straffe van,
zoo gij u de minste afwijking veroorlooft, door de spotternij en
schimpscheuten der straatjongens achtervolgd te worden.--En dan zal
men nog klagen, dat er zich geen Rembranden meer opdoen.

Dan 't wordt tijd, dat wij de huizen eens in oogenschouw nemen. Zie--'t
moge vreemd schijnen op eene kade, die zoo geheel in 't belang
van handel en zeevaart is aangelegd; maar 't krielt hier van
boekwinkels:--wel een sprekend bewijs, dat hier,--bij stoffelijke
welvaart--ook verlichting en beschaving toenemen. Wij willen, uit
die menigte, slechts drie winkels onze aandacht waardig keuren en wij
staan dus in de eerste plaats stil voor dien fraaien deftigen gevel,
boven welks top een zonnewijzer prijkt. In 't benedenhuis kunt gij
u alle werken van smaak, ook geleerde en theologische, aanschaffen;
maar toch zijn 't werken uit een bepaald vak van wetenschap, die men
hier bij voorkeur zoeken komt: en bij hen, die dat vak beoefenen,
al wonen zij aan de Antipoden, is deze winkel dan ook bekend en
beroemd, en de waar, die men er verkoopt--al is zij meestal vrij
duur--onschatbaar en onmisbaar; want zij kan hem, die haar bezit
en goed gebruikt, voor groote schade en rampen bewaren. Immers, wat
schipper zou niet vreezen, een verkeerden koers te houden, de haven,
waar hij 't op aanlegt, te missen, eene verkeerde binnen te loopen,
wellicht op bank of rif te stranden, door 't gemis van een zee-atlas
van Blaeu?

Deze winkel toch is de winkel der Blaeuen, en de afbeelding van den
zonnewijzer boven 't huis vindt gij op de titelbladen der werken,
die zij drukken, terug. Wij willen binnengaan: het zal ons de moeite
loonen. Joan, de oudste der twee gebroeders, door wie de firma
gedreven wordt, is afwezig: hij moet heden "aen Schepensbank zitten;"
want de Blaeuen, al zijn zij boekdrukkers en boekverkoopers, worden
onder de Amsterdamsche Patriciërs gerekend: zij zijn vermaagschapt
met de Hoofden, de Graeven en wat de stad aanzienlijkst rekent; Joan
Blaeu was in 1653 een der vijf Gecommitteerden, aan wie de Regeering
de zorg had opgedragen de stad te beschermen tegen een aanval van
Graaf Willem Frederik, waarvoor men, hoezeer dan zonder grond beducht
was. Bij het vertrouwen, dat hij alzoo bleek te genieten, zou hij
gewis tot hooger waardigheid kunnen stijgen, indien de zorg voor
zijne uitgebreide zaak hem niet belette zich naar eisch aan politieke
belangen te wijden. Zijne afwezigheid moet ons echter niet verhinderen,
ons voorgenomen bezoek te volbrengen. Zijn broeder Cornelis staat in
den winkel, en zal ons terechthelpen. Is Joan meer de man van studie
en geleerdheid, Cornelis is vooral de man van bedrijf. Joan leest,
vergelijkt, cijfert, teekent, vindt uit, en brengt de resultaten
van zijn onderzoek ten papiere; Cornelis houdt de briefwisseling
en de boeken, ontvangt de bestellingen, doet de verzendingen, en
heeft, in één woord, de zorg over 't dagelijksch beheer. Joan is het
hoofd, dat denkt; Cornelis de arm, die uitvoert. Niet, dat Joan een
bloote kamergeleerde zou zijn, tot praktische bedrijven onbekwaam,
of dat Cornelis zou verstoken zijn van wetenschappelijken aanleg en
theoretische kennis; integendeel gebeurt het meer dan eens, dat bij
ziekte of afwezigheid van den eenen broeder, de ander diens taak nevens
de zijne opneemt en naar eisch weet te vervullen: wij spreken hier
alleen van wat in den regel plaats heeft, en waarbij de gebroeders
de rollen onderling verdeeld hebben, met het oog op elks bijzonderen
aanleg en liefhebberij.

Niet van gisteren dagteekent de roem, dien zich de naam van Blaeu
verworven heeft. Willem Janszoon, de vader der gebroeders, in 't
jaar 1571 te Amsterdam geboren, had de wis- en sterrekunde bij den
vermaarden Tycho-Brahè geleerd en het alras in die vakken tot meer dan
gewone hoogte gebracht. Te Amsterdam eene drukkerij hebbende opgezet,
deed hij die inzonderheid strekken, om de vruchten zijner nasporing in
't licht te geven: zijne voornaamste werken, het "Graadboek" en het
"Licht der Zeevaart," beide aan de toenmalige eischen der wetenschap
beantwoordende, moesten wel met erkentelijkheid ontvangen worden in
een land, dat zijne plotselinge opkomst vooral aan de zeevaart te
danken had. Die werken werden populair en hun maker niet minder. Geen
schipper, die Willem Janszoon Blaeu niet kende en zich zijne boeken
niet aanschafte: geene reederij, die op touw werd gezet, zonder dat
Blaeu geraadpleegd was: geen belangrijk besluit, met betrekking tot
waterstaat, inpoldering of scheepvaart, dat door 's Lands Staten
genomen werd, zonder dat Blaeu was gehoord. Zoo breidde zich 's mans
naam, al verder en verder, ook buiten de grenzen van zijn vaderland
uit, en mannen als Galileï, Des Cartes en dergelijken achtten het eene
eer, briefwisseling met hem te houden, gelijk Falck het een voorrecht
rekende, zijn afbeeldsel te maken, en Barlaeus, Hooft en Vondel, hem te
bezingen. Wat den laatstgenoemde betreft, hij had aan Blaeu bovendien
persoonlijke verplichting. Zijne "Begroetenis aan Frederik Hendrik,"
zijne "Geboorteklock voor Willem van Nassau," zijn "Zegesang op den
Bosch," zijn "Gysbreght van Aemstel" zijn op de keurige pers van Blaeu
gedrukt en met zeldzame netheid uitgegeven. Maar ook weten wij, dat
Vondel bij hem als vriend des huizes behandeld werd en op zijn gemak
was: dit getuigen niet zoozeer de deftige bijschriften en lofdichten
van Vondel op Blaeu, als wel zijne geestige, schalksche, bevallige,
soms aandoenlijke gelegenheidsdichtjes, het gezin betreffende. Cornelis
Blaeu loopt een blauwe scheen: de dichter is straks in de weer,
om hem, met boertend rijm en met de belofte van een blauwe kous uit
zijn kousenwinkel, op te beuren. Sijtje Blaeu wordt aangezocht door
Filips van Ghysen, zeepzieder te Delft, Vondel weet op vernuftigen
trant met hunne minnarij te schertsen, en te zinspelen zoo op het
beroep van den vrijer, als op dat van 's vrijsters vader. Joan Blaeu
trouwt met Geertrui Vermeul uit Ter Gou, Vondel bezingt hun echt op
eigenaardige wijze: hij voorziet den schoorsteen van Katharina Blaeu
met een leerzaam rijm en de zerk van Maria Blaeu met dit liefelijk
en zinrijk grafschrift:


            Hier leght Maria, snel verdort.
            De tijt der schoonste bloem is kort.


Thans--men herinnere zich, dat wij 't jaar 1664 schrijven--zijn er
achttien jaar verloopen, sedert Willem Janszoon Blaeu overleden
is; maar zijne beide zoons hebben de zaak in stand gehouden, ja
nog aanzienlijk uitgebreid. Wilt gij er bewijs van? Onze vriend
Cornelis, die ons met zijne gewone minzaamheid ontvangen heeft,
is bereid, het u te leveren. Hij verzoekt ons, hem te volgen, en,
eene achterdeur openende, die op straat voert, gaat hij ons voor, den
Nieuwendijk over, de Gravestraat in, naar een steegje, dat reeds naar
zijne firma 't Blauwe steegje genoemd is. Hier bevindt zich de ruime
en aanzienlijke drukkerij, welke de vorige, die op de Bloemgracht
stond, vervangen heeft. Wij treden binnen: wat al persen zijn hier
aan 't werk! Wij tellen er negen, die ieder den naam eener Muze
voeren: de eerste, Calliopee, levert bijbels en godgeleerde boeken:
de tweede, Clio, is aan de Latijnsche, Melpomene aan de Grieksche
letterkunde gewijd. Thalia schaft Oostersche boeken, Polyhymnia de
lectuur van den dag. Erato, (de muze der minnezangen!) werkt voor
de wiskunde, en (vreemder nog!) Terpsichore levert niets af dan
stedebeschrijvingen. Beter aan hare taak geëigend, is de taak, die
Urania vervult: zij drukt de land- en zeekaarten en zij is dan ook
de lieveling der Blauen; want zij heeft den grondslag van hun roem,
grootendeels ook van hun fortuin gelegd. Euterpe eindelijk--en het
ergert niet weinigen, zelfs onder hunne beste vrienden--wordt gebezigd
tot het drukken van Roomsche Kerk- en Misboeken.

Wat ons betreft, die gaarne op elke plaats, wat zij merkwaardigst
heeft, bij voorkeur aanschouwen, wij vragen meer bijzonder naar
de platen van den Atlas en naar de prachtige exemplaren van dit
reuzenwerk. Cornelis voldoet aan ons verlangen: hij toont ons die
treffelijke landkaarten, waarvan er niet eene is, aan welke geen
schatten zijn ten koste gelegd, en wier voltooiing geen jaren arbeids
gekost heeft. Maar ook geen gehucht, geen beekje, geen heuvel, geen
moeras, geen bosschage, geen dijk, geen landweg, geen grensscheiding,
geen kreek, geen klip is vergeten, en, hoe ook de politieke indeeling
van Europa veranderen moge, voor al, wie er belang in stelt, om het
terrein, waarop deze of gene belangrijke gebeurtenis voorvalt, te
leeren kennen, zal immer de Atlas Blaviana een welkome wegwijzer zijn
[8]. En dan! hoe heerlijk is alles uitgevoerd! Prachtige afbeeldingen,
wapens, vignetten, zinnebeelden, versieren elke kaart: de Rijken,
de Gewesten, de Afdeelingen zijn door verschillende gekleurde lijnen
van elkander onderscheiden: de steden, vestingen, havens aan hare
eigenaardige gedaante te kennen: met duurzaam goud zijn zij overdekt:
geen dorpje, hoe klein ook, of het is door een gouden stip aangewezen,
en, wanneer men eene kaart opslaat, verbeeldt men zich in 't eerst
een rijken sterrenhemel te zien, zoo kwistig is er het goud overheen
gestrooid. Zeker, alleen uit de wereldstad, de kroondraagster van
Europa, kon zulk een pronkstuk te voorschijn worden gebracht; een werk,
dat aan zooveel nauwgezetheid van bewerking, zooveel weelderigheid
van uitvoering paart: dat van zulk een rijkdom van kennis en tevens
van zulk een verfijnden smaak getuigt; dat met zooveel zorg in
betrekkelijk zoo korten tijd is samengesteld: dat, en door het nut,
't welk het stichten moet, en door typographischen luister, al wat
tot nog toe in welk vak van wetenschap hier te lande verschenen is,
verre achter zich laat, en elders niet licht iets ontmoeten zal, dat
het overtreft. Stellig maakte dan ook Vondel geen misbruik van het
voorrecht, den dichters wel verleend, of--wil men--van het gebrek,
dat hun wordt toegeschreven, om nu en dan een weinig te overdrijven,
toen hij aldus tot lof van den nieuwen Atlas zong:


    De waereld is wel schoon, en waerdigh om t' aenschouwen:
      Maer reysen heeft wat in: de kosten vallen swaer:
    Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen:
      De bergen steygren steyl, de bosschen sien te naer:
    De stroomen gapen wijd om overheen te stappen:
      De mylen recken staegh: de landen strecken veer.
    Die Rijcken tegens een, gedeelt door vyandschappen,
      Die staen in 't harrenas en trecken hun geweer;
    De bittre kou verkleumt; de hitte brandt de leden:
      De lucht die hangt vol damps, of moord met felle pest:
    Men vindt ongastvry volck en onbewoonde steden,
      Woestijnen, daer gediert des nachts verlaet sijn nest
    En brult en huylt, om roof en aes van vee en menschen:
      Het sand beswaert den gang, de ganger hijght en roockt,
    Op 't ongebaende padt: dan is 't vergeefs te wenschen
      Naar den verlaten haerd, daer moeder eten koockt.
    O reysgesinde geest, ghy kunt die moeyte sparen,
      En sien op dit Tooneel de waereld, groot en reyne,
    Beschreven en gemaelt in klein begrijp van blaêren
      Soo draegt de schrandre kunst den aerdtkloot op haer deyen
      [9].


Wij danken Cornelis Blaeu voor al het schoone, dat hij ons heeft
laten zien en wij keeren van ons bezoek terug, trotsch op den roem,
dien Amsterdam zich heeft verworven, door ook wederom op dit veld van
wetenschap het volkomenste geleverd te hebben, dat de wereld tot op
dien dag kon aanwijzen.

Wel treurig is hetgeen wij nog hebben te vermelden. Slechts weinige
jaren na dat, waarin wij ons bezoek hebben ondersteld, en wel op den
22 Februari 1672, werd de heerlijke en alom vermaarde drukkerij door
een noodlottigen brand vernield, waarbij het vuur al de letters en
platen verteerde, en de schade op niet minder dan f 382,000 begroot
werd. Waren er velen, die de Blaeuen in hun ongeluk beklaagden,
niet gering was het aantal derzulken, die--tot het slag van lieden
behoorende, dat altijd in den raad des Almachtigen treedt--in dat
ongeval eene rechtvaardige straf des Hemels zagen voor het snoode
misbruik, 't welk van de Drukkerij gemaakt was, door er Kerk- en
Misboeken voor de Roomschen te drukken!

Joan Blaeu overleefde de ramp, die hem getroffen had, niet lang: hij
stierf op den 28sten December 1673.--De zes-en-tachtigjarige Vondel
herdacht hem met dit zinrijk grafschrift:


    Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,
            Al 't aertrijk door bekent,
            Hoe quam hy aan zijn ent?
    De gantsche waerelt viel den grooten man te kleen.


Is de zonnewijzer verdwenen, die vroeger den vermaarden boekwinkel
der Blaeuen aan den voorbijganger in 't geheugen terugriep, nog
altijd kondigt, iets verder op, schuins tegenover de Korenbeurs,
een steen in den gevel met het opschrift: "de vierighe colom,"
het huis aan, waar in het eerste vierendeel der zeventiende eeuw,
Jacob Aertsz. Calom en Pieter Aertsz. Calom hetzelfde bedrijf
van boekdrukkers en boekverkoopers uitoefenden. Wel was hunne
vermaardheid verre van die hunner straks vermelde medebroeders in 't
vak te evenaren; maar talrijk waren echter de werken van smaak, die
van hunne persen verschenen; en waaronder wij b. v. drie van Vondels
treurspelen tellen: "Hierusalem verwoest," "de Amsterdamsche Hecuba"
en "Palamedes" benevens een aardig bundeltje met kleinere gedichtjes,
door hem ter eere der bevallige dochter van Laurens Baeck vervaardigd.



Niet alleen boekverkooper, maar ook dichter en geschiedschrijver,
was de man, die, vlak tegenover de Korenbeurs, zijne grootste
vermaardheid verwierf, toen die der Caloms begon te verkwijnen en
die der Blaeuen nog in hare beginselen was. Hier was de winkel van
Dirck Pietersz., of, gelijk hij zich naar den smaak dier tijden ook
wel noemde, Theodorus Petrejus. Te Embden in 't laatst der zestiende
eeuw geboren, had hij zich in 't begin der volgende als boekdrukker
te Amsterdam gevestigd, vóór 1610 in de Oude Brugsteeg, aan het Water,
daarna op het Water, beide reizen in een huis, waar eene witte pers in
den gevel prijkte. Van dit werktuig, 't welk niet alleen van buiten
tot versiersel zijner woning strekte, maar ook daarbinnen ijverig
werkzaam was en hem aanzienlijke voordeelen verschafte, ontleende
hij zijn bijnaam, dien hij echter niet dan op lateren leeftijd
bezigde en dan nog wel als eene soort van pseudoniem. Waar het zijn
beroep gold, bleef hij den naam van Dirck Pietersz(oon) voeren, en,
als zinspreuk, den letterkeer van dien naam, ick strii op sno eerde,
welke woorden het randschrift vormden van een schild, binnen 't welk
de Christen Ridder was afgebeeld, ten strijde toegerust en staande
op een wereldbol. Al de werken, bij hem uitgegeven, voeren op het
titelblad dit zinnebeeld, 't welk in de vroegere in een eenvoudig
ovaal staat, doch in de latere met fraaie allegorieën is omslingerd,
en twee genieën tot tenants heeft, met het onderschrift: Durate.

Talrijk zijn de werken, door Dirck Pietersz., onder dezen naam en onder
dien van Pers, in 't licht gegeven, zoo in proza als in poëzie, even
verschillend van strekking als van vorm: geschiedenissen, stichtelijke
rijmen, leerdichten, sonnetten, gezangen, bijschriften enz. [10]
Onder zijne gedichten, waarin hij, vaak op bedriegelijke wijze, den
trant en stijl van Cats nabootst, stellen wij bovenaan een leerdicht
in drie zangen, waarin hij tegen de onmatigheid te velde trekt,
door haren aard en gevolgen op kluchtige wijze voor te stellen. Hij
is echter niet partijdig, gelijk de afschaffers van latere dagen,
die er niet tegen hebben, dat men zich een roes drinke, mits men 't
niet aan jenever doe. In navolging van Mohammed en ten voorbeelde aan
de temperance-societies, strijdt hij tegen elken drank, die dronken
maakt. In zijn eersten zang stelt hij de volgelingen van Bacchus ten
toon, in zijn tweeden die van de Godin Bierana (de bierdrinkers), en
in den derden die van den God Brandemoris (hen, die zich aan jenever,
of--juister uitgedrukt--korenbrandewijn, te buiten gaan). Men ziet,
dat er niets nieuws onder de zon is; maar tevens, dat men toen hier
te lande krachtiger bier dronk dan in onze dagen.

Wij tellen 't jaar 1627 en stellen ons den Schrijver en drukker voor,
op een zomerschen achtermiddag onder zijn luifel zittende, met vrouw
en kinderen om hem heen: hij ziet er kloek en welgedaan uit: en al
is noch hij noch zijn gezin in 't Zondagspak gedost, hunne plunje is
toch van deugdelijke stoffage en kondigt welvaart aan. En geen wonder:
zijne zaken gaan voor den wind: werken, als de "Gulde Winckel" en de
"Warande der Dieren," met fraaie kunstplaten van Marcus Gheraerts,
waarvoor hij den teekenaar, en bijschriften van Vondel, waarvoor hij
den dichter niet heeft behoeven te betalen, hebben vrij wat uitgaven
beleefd en zijn in aller handen. Pers is rijk geworden en heeft nu ook
het voorbeeld gevolgd van alle rake lieden: hij heeft zijne afbeelding
laten maken. Hij wil die in 't koper doen brengen; maar nu moet er
een bijschrift onder staan; en tot wien zou hij zich beter te dien
einde kunnen wenden, dan tot Vondel? Ongelukkig heeft hij, die vrij
streng Gereformeerd is, den dichter, wiens Arminiaanschgezindheid
zich in menig bijtend gedicht geopenbaard heeft, sedert een jaar of
wat links laten liggen, en aan andere drukkers de eere overgelaten,
's mans pennevruchten te vereeuwigen. Dit maakt hem huiverig, zijn
verzoek tot hem te richten. Maar tot wien zal hij zich wenden? Hooft
is een te groot heer, Coster is nog erger anti-Dordtsch dan Vondel,
Cats maakt geen bijschriften, Huyghens kent hij niet en,


    Al 't oov'rige is een hoop, onwaard dat men dien noeme.


Hij heeft dus zijne stoute schoenen aangetrokken en zich, onder
inroeping der herinneringen van vroegere vriendschap, schriftelijk
tot Vondel gewend. Zal deze aan zijn verzoek willen voldoen? Of zal
de bode een weigerend antwoord brengen?--Neen, de poëet was altijd
in den grond een goedhartig man, zwak genoeg, om zelfs een vijand
te verplichten, laat staan het aan een ouden bekende te vergeven,
dat deze hem wat verwaarloosd heeft. Ha! daar komt de uitgezonden
knaap van de Oudebrug aansnellen: hij heeft een brief in de hand:--het
antwoord is ongetwijfeld gunstig.

--"De gebiedenis van Sinjeur Vondel," zegt de jongen, terwijl hij,
voor de luifel stilstaande, den brief aan zijn meester overhandigt:
"en UEd. had maar te kiezen."

--"Hij zendt mij keuze, Brecht!" roept Pers verheugd uit, terwijl
de knaap zijn weg vervolgt en in de steeg verdwijnt, om zoo in het
achterhuis te geraken.

Met driftige nieuwsgierigheid breekt Pers den brief open: "Twee
bijschriften in plaats van een!"--En terwijl vrouw en kinderen de
hoofden samensteken, om toe te luisteren en hij het zijne naar hen
overbuigt, ten einde het gewoel op straat den klank zijner stem niet
te machtig zij, begint hij te lezen:


    Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels....


--"Ik ben nieuwsgierig wat hij op winckels zal doen rijmen," zegt Anna,
de oudste dochter.

--"Wel: kinckels," zegt haar broeder Pieter.

--"Stil kinderen! valt vader niet in de rede," zegt hunne moeder,
en Pers hervat:


    Vernuftigh volck, die steeds bepropt uw ruyme winckels
    En kleed in 't parkament de beenen noch de schinckels
      Maer 't breyn der geenen die met letters sijn gedoopt....


--"Hij alleen kan toch zoo iets vinden!" roept Pers uit, met lezen
ophoudende.

--"Ik versta 't niet recht," zegt zijne vrouw, eenigszins verlegen.

--"Wel Moeder! 't is dunkt mij vrij duidelijk," hervat Pieter:
"met het vernuftigh volck bedoelt de dichter de drukkers, die hunne
winkels volproppen met boeken, en die niet de beenen en schinckels,
dat is het lichaam--maar wel het brein, d. i. de denkbeelden, van
hen, die den letterdoop ontvingen (die tot auteurs geboren zijn)
kleeden met parkament, of, als wij zouden zeggen, in druk uitgeven."

--"Ei! ei!" zegt Moeder.

Pers vervolgt:


    Komt en siet Perssius uw glori, hoogh geseten,


Een goedkeurend knikje: de man was er niet weinig mede gestreeld,
dat Vondel hem nog steeds den roem der boekverkoopers achtte:


    Die midden in het choor der Hollandsche Poëten....


Weder een vroolijke lach op het gelaat: hij had niet verwacht, dat
Vondel hem in het koor, en nog wel midden in het koor der dichters
plaatsen zou.


    Met 't drucken van sijn rijm, veel geld te samen hoopt.


Hier verdwijnt de glimlach en maakt plaats voor een zuur
gezicht. "Hm!" zegt Pers, "wat gaat het den lieden aan, of ik geld
verdiene of niet?"

--"Wel!" merkt zijn oudste dochter aan: "'t is toch altijd iets
vleiends, wat de dichter hier zegt, door te doen uitkomen, hoe groot
het debiet van vaders werken is."

--"Nu ja!" hervat Pers: "dat kan wel zijn; maar toch.... dat geld
samen hoopen en dat nog wel met mijn rijm, alsof ik dat bij voorkeur
drukte.... ik weet niet; maar ik ben het met mijzelven ter nauwernood
eens of ik den regel als eene hoffelijkheid dan wel als een spotternij
moet aanmerken.

--"En nu het andere bijschrift?" zegt Pieter.

Pers leest:


                Ghy burgers en ghy vremden,
                Dit 's Perssius van Embden.
                  Sijn beeld na Phebus swijmt,
                  't Sij dat hij dicht of rijmt,
                Die sijn boecken, en prenten
                Op 't dierste weet te venten.


Hier zien vader en kinderen elkander een poos stilzwijgend aan; want
wederom weet geen hunner of de laatste regels moeten worden opgevat
als eene lofspraak, waarbij te kennen gegeven wordt, dat Pers boeken
verkoopt, die veel waarde bezitten, dan wel als een verwijt, dat hij
ze den lieden duurder aansmeert dan wel behoort.

--"Joost heeft mij beet gehad," zegt eindelijk de boekverkooper,
terwijl hij het papier bij zich steekt, "en het mij ingepeperd,
dat ik in de laatste jaren niets meer voor hem druk."

Het portret kwam--zonder bijschrift--in 't licht.



In de gouden Reael.

Het is de dertigste April van het jaar 1567. Wij treden een deftig
koopmanshuis op het Water binnen, in welks luifel wij een fraai
vergulden reaal zien prijken, naar welk muntstuk men gewoon is den
bewoner, Laurens Jakobszoon, in onderscheiding van zoovele anderen als
dien naam dragen, te noemen. Wij slaan in 't voorbijgaan een blik in
de zijkamer, waarvan de deur openstaat en ons vergunt, op de tafel,
midden in 't vertrek, een soort van offerkist te onderscheiden, met
twee hangsloten voorzien. Verder doorloopende, komen wij in eene
achterkamer, waar wij een zestal lieden, om eene tafel gezeten,
bijeen vinden. De kloekgebouwde man, in de kracht zijns levens,
doch wiens geestige bruine oogen, die tintelen van vuur en vernuft,
hem jeugdiger nog doen schijnen dan hij werkelijk is, wiens blonde,
een weinig rosachtige lokken in zoo weelderigen overvloed het gezond en
blozend aangezicht omringen, is de heer des huizes. Zwart daarentegen
is het krullend haar en de kegelvormige baard, en helder blauw zijn
de oogen des beeldschoonen jongelings, die aan zijne linkerzijde is
gezeten. Deze is Nikolaas Pauw, de telg uit een beroemd Amsterdamsch
geslacht, dat reeds meermalen regeeringsambten heeft bekleed. Naast
hem zien wij Floris Roodenburg, den schutterhoofdman, uit adellijken
huize, wel ijverig voor de zaak der gewetensvrijheid, maar toch tot de
zoodanigen behoorende, die zich niet gaarne onvoorzichtig wagen. Dit
was onder anderen gebleken uit zijne weigering om 't verbond der
Edelen te teekenen en uit zijne zorg, om eene quitantie van gelden,
door de Amsterdamsche Gereformeerden aan Brederode verstrekt, en
welker bezit hem in gevaar kon brengen, te verscheuren en door
te slikken. Verder vinden wij hier Frank De Wael, mede uit een
burgemeesterlijk geslacht en die, schoon ouder dan Reael, zich,
in al wat tot de politieke zaken betrekking had, door het scherper
doorzicht van dezen leiden laat: voorts Harman Harmanszoon, in wiens
spijker of pakhuis "'t Nieuw Jeruzalem." op de Oude-Zijdskolk,
de eerste predikingen der Gereformeerden hadden plaats gehad, en
eindelijk, aan de rechterhand van Reael, Adriaan Reinierszoon in 't
Kromhout. Niet minder dan Pauw, schoon op geheel andere wijze, levert
hij naar 't uiterlijke een contrast op met den man, die tusschen hen
gezeten is. Zoo levendig als het uitzicht is van Reael, zoo droog en
stemmig is dat van Reinierszoon, of Kromhout, gelijk hij meest genoemd
wordt. Naar de strenge wijze der Calvinisten zit hem 't haar sluik op
't hoofd en elk vlokje, dat dreigde zich wat verder te vertoonen dan
aan de deftigheid voegt, is onverbiddelijk weggeschoren, zoodat de
groote ooren zich geheel vrij vertoonen. Een onhebbelijk lange neus,
een grove bruine knevel en slecht gekamde baard, een perkamentkleurig
gelaat, strekken niet, om 's mans schoonheid te verhoogen; maar toch
kenmerkt het geheel ijzeren vastheid van karakter, en uit de donkere
oogen spreekt niet alleen eene kalmte, die vertrouwen inboezemt,
maar ook tevens eene scherpzinnigheid, die aan de onbehaaglijke
trekken iets bevalligs bijzet.

Het was in dat zelfde pakhuis van Harmansz., waar wij zoo even
van gewaagden, dat, nu eene maand geleden, alzoo op 30 Maart, eene
vergadering plaats had gehad van de aanzienlijkste voorstanders der
nieuwe begrippen, waarop dezen zich verbonden hadden, binnen de maand
den honderdsten penning hunner goederen op te brengen, ten einde
eene som van omtrent f 11,000 bijeen te brengen, tot terugbetaling
van voorschotten, gedaan voor kosten, aan wapenen, pakhuishuur,
reizen enz., ten dienste hunner zaak besteed. Tot de inzameling dier
gelden moest de offerkist dienen, bij Reael geplaatst; en het is, om
thans zoowel te onderzoeken wat de giften hebben opgebracht, als te
overwegen, wat den Gereformeerden onder de bestaande omstandigheden
te doen staat, dat de huidige samenkomst in den Gouden Reael is belegd.

Gewis, geen Amsterdammer meer dan Reael kan gerechtigd en bevoegd zijn,
om bij beraadslagingen voor te zitten als die hier gevoerd zullen
worden; want niet een heeft meer dan hij getoond, hoezeer hem de
zaak der gewetensvrijheid ter harte gaat, noch is hij het voorstaan
daarvan met meer beleid en vastberadenheid te werk gegaan. Reeds de
Vlaming Pieter Gabriël, die 't eerst, en wel in de Engelsche steeg
den catechismus was begonnen te verklaren, had Reael onder zijne
toehoorders mogen tellen: het was Reael, die, met Reinier Kant,
Frank De Wael, Maarten Coster, Albert Heyes en Willem Floriszoon,
den leeraar Jan Arendszoon uit Kampen ontboden en gepoogd had te
bewerken, dat het prediken te Amsterdam dezen vergund werd. Toen dit
tegenstand had gevonden bij de Overheid, die nog schroomde in strijd
te handelen met de strenge plakkaten, had hij, en duizenden zijner
stadgenooten op zijn voorbeeld, dag aan dag de prediking bijgewoond,
door Gabriël en Arendszoon, te Overveen, in 't open veld gehouden:
inmiddels telken dage huiswaarts keerende, om den indruk gade te slaan,
door deze stoute handelwijze op de Regeering gemaakt.

Bemoedigd door hetgeen hij had waargenomen, was hij een der
hoofdbewerkers geweest, dat eerlang ook even buiten de Haarlemmerpoort
herhaaldelijk gepredikt werd, en dat, toen de Overheid zulks beletten
wilde, de toehoorders zich gewapend naar de vergadering begaven,
gereed, desnoods geweld met geweld te keeren. Niet tevreden,
den schrik onder de Regeeringsleden gebracht en hen van lieverlede
gedwongen te hebben, de prediking op stads grond te gedoogen, had hij
nog andere leeraars uit Embden en van elders doen overkomen, om zoo
te Amsterdam als door heel Holland de nieuwe leer te verbreiden. De
beeldstormerij, die in Augustus 1566 hier ter stede als elders plaats
vond, had hem nieuwe aanleiding geschonken, om de sidderende Overheden
te doen berusten in al wat hij ten voordeele zijner geloofsgenooten
verrichtte. Naar Sint Maarten gereisd, had hij Nikolaes Schelte,
pastoor aldaar, overgehaald, Gabriël en Arendszoon in hunne taak
te komen verlichten en had hun in 't Leprozen kerkje doen prediken,
ja zelfs bij Burgemeesteren bewerkt, dat er de beelden op hun last
waren uitgenomen. Doch had hij getoond hoe onverflauwd zijn ijver
was, hij had tevens doorslaande bewijzen gegeven, dat hij langs
geene andere dan vreedzame wegen zijn doel wenschte te bereiken,
en dat al, wat naar oproer of geweld zweemde, hem tegen de borst
stuitte: ja hij was bijna 't slachtoffer geweest van zijne zucht,
om alle baldadigheden tegen te gaan, en ontkwam slechts door een
wonder den hem toegedachten dolksteek, bij gelegenheid, dat hij de
plundering van 't Minderbroedersklooster zocht te beletten. Steeds in
al wat de rust der stad betrof door de Overheden geraadpleegd en hun
vertrouwen genietende, was hij een der voornaamsten geweest onder de
teekenaars van de overeenkomst (of zoogenaamde "Orde"), op 30 September
1566 gemaakt, en bij welke den Gereformeerden grooter vrijheid werd
toegestaan. Maar niet alleen bij de Regeering van Amsterdam, ook bij
Prins Willem te 's-Gravenhage, en bij Brederode te Vianen, had hij
de belangen voorgestaan dier Gereformeerde Gemeente, die hem bij elke
gelegenheid tot haar Gemachtigde benoemde. Thans echter was de toestand
dier Gemeente, na de krachtige maatregelen, door de Landvoogdes genomen
en die de uitwijking, niet alleen van Brederode, maar zelfs van Oranje
hadden ten gevolge gehad, op eens hoogst bedenkelijk geworden. Velen,
die, om 't geloof naar Amsterdam als naar een toevluchtsoord waren
heengestroomd, hadden de stad weder verlaten, en hun voorbeeld was
reeds gevolgd door menigen burger, die er zich niet langer veilig
achtte. Het was onder den indruk dier gebeurtenissen, dat de personen,
die wij bij Reael aantreffen, zich vereenigd hadden.

--"Wat nieuws?" vraagt, na eene korte stilte, Adriaan Reinierszoon
Kromhout: "zeker weinig, dat voordeel geeft."

--"Bevestigt het zich?" vraagt Roodenburg, "dat de Prins van Oranje
het land voorgoed verlaten heeft?"

--"Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen," antwoordt Reael met
een blik, waarvan de somberheid de aanwezigen te meer treft, naarmate
men die minder van hem gewoon is.

--"En"--herneemt Kromhout, "dat de Landvoogdes eene bezetting soldaten
in Amsterdam wil leggen, met Noircarmes aan 't hoofd?"

--"Noircarmes! dien gruwzamen moordenaar! den beul van
Valencijn!" roept Frank De Wael uit.

--"Noircarmes, den beul van Valencijn," zegt Reael, bevestigend.

--"De tijding is zeker," voegt Pauw er bij: "mijn vader, en"--hier
wijst hij op Roodenburg, "ook de zijne hebben heden morgen Burgemeester
Buick naar Brabant vergezeld, om de Landvoogdes te bewegen, dat zij
de stad van bezetting verschoone."

--"Uw beider vaders!" roept Kromhout: "maar dat is immers blijkbaar
een valstrik, dien men hun spant. Hoe zouden Burgemeesteren kunnen
denken, dat Madame de Parma of die van haren rade een verzoek
zouden inwilligen, hun gedaan door twee burgers, die zich juist als
voorstanders der Gereformeerden hebben doen kennen?"

--"En niet zonder reden gewis," zegt Reael, "heeft Buick hen tot zijne
medeafgevaardigden doen benoemen. Ik herken hierin de list van dien
schalken vos, die hen van hier heeft willen verwijderen, omdat hij hun
invloed bij de goede gemeente vreest: en misschien ook, omdat hij de
geheime hoop voedt, dat hun de terugkeer uit Brabant niet zal vergund
worden.--Twijfelt er niet aan, vrienden! Noircarmes zal hier komen
en de vervolging zal aanvangen tegen al, wie in de leste troebelen
gemoeid is geweest.--Ik wil u meer zeggen: ik ben hedenmorgen vroeg,
namens Burgemeesteren, verzocht geworden, mij voor een tijd uit den
weg te maken, tot de bui ware overgewaaid."

--"En wat was uw antwoord?" vragen allen als uit éénen mond.

--"Ik heb," herneemt Reael, "mij willen vergewissen, in hoeverre
die raad uit ware belangstelling sproot, dan wel alleen gegeven was
opdat, indien ik bleef en mij eenig leed wedervoer, Burgemeesteren
alle verantwoordelijkheid deswege van zich af konden schuiven.--Ik
heb verlangd, dat mij een eervol getuigschrift, onder Stadszegel,
verleend werd, om mij tot paspoort te dienen. Het antwoord strookte
niet volkomen met de beleefdheid der waarschuwing: immers, het luidde,
dat Burgemeesteren thans te veel overkropt waren met bezigheden, om
aan mijn verzoek te voldoen; doch dat men 't stuk mij zou nazenden,
indien ik de plaats mijner bestemming opgaf."

--"En wat is thans uw voornemen?" vraagt Kromhout.

--"Mijn besluit in dezen zal afhangen van de gezindheid, die
ik bij mijne vrienden bespeur. Willen zij met mij het dreigend
onweer trotseeren, goed en bloed opzetten en desnoods hun leven ten
offer brengen aan de zaak der gewetensvrijheid, ik zal met hen pal
staan,--achten zij het meer geraden, zich naar de omstandigheden te
voegen en elders een gunstiger tijd af te wachten, ik zal, wat het
mij kosten moge, mij van hier verwijderen en geduld oefenen."

--"Ik denk er over als gij," zegt Kromhout: "en uw gedrag zal het
mijne bepalen."

--"Met mij," zegt Pauw: "is het een bijzonder geval, en, wat er
gebeure, ik mag de stad niet verlaten: mijn vader heeft mij de
bezorging zijner zaken, gedurende zijne afwezigheid, opgedragen:--ik
mag zijn vertrouwen niet teleurstellen, en moet zijne terugkomst
verbeiden."

--"Ik," zegt Harmansz., "zie evenmin kans, mij te verwijderen, en
mijne zaken in den steek te laten.--Wat mijn leven betreft, het is
in Gods hand, en ik acht mij elders niet veiliger dan hier."--

--"Wat mij betreft," zegt De Wael, "ik volg Laurens Jakobsz.: blijft
hij, zoo blijf ik ook: acht hij 't raadzaam te vertrekken, zoo pak
ik mijn boeltje."--

--"En Reinier Kant?" vraagt Kromhout: "hij zou immers hier komen. Laat
hij zich nu wachten, hij, die altijd de voorste was bij elke handeling
en elken voorslag?"

--"Ook mij ontrust zijn uitblijven," antwoordt Reael: "wat brengt
Stijntje?"

Deze laatste woorden worden gericht tot de dienstmaagd, die
binnentreedt en haren meester een briefje ter hand stelt.

--"Wordt er antwoord gewacht?" vraagt Reael.

--"Neen meester! de jongen, die 't bracht, heeft zich terstond weer
verwijderd," antwoordt Stijntje.

--"'t Is wel! laat ons alleen," herneemt Reael, "van Kant!" vervolgt
hij, zoodra de dienstmaagd uit de kamer is: "zou hij verhinderd
zijn?--Maar wat is dat?"

--"Is hem iets overkomen?" vraagt Kromhout, bespeurende, hoe de kleur
op 't gelaat van zijn vriend, nu deze 't briefje geopend heeft, onder
't lezen verschiet.

--"Van den beurtman. 29 Aprilis. Ik berg mij. Berg u ook.--
Kant.--Ziedaar den geheelen inhoud van 't briefje," zegt Reael.

--"Heeft Kant gevaar geroken?" roept Kromhout: "is Kant heengegaan,
zonder ons zelfs vooraf te waarschuwen, dan voorwaar mogen ook wij
alle hoop wel opgeven."

--"Nog één punt moet opgehelderd worden, eer ik mij van hier begeef,"
zegt Reael: "het is heden de dag, waarop wij bepaald hadden, de giften,
in de kist verzameld, te tellen. Uit het meer of min aanzienlijke der
bijeengebrachte som, zullen wij kunnen opmaken wat wij te vreezen of
te verwachten hebben."

Onder het uiten van deze woorden rijst hij op, en gevolgd van zijne
vrienden, begeeft hij zich naar de zijkamer. Daar verbeidt hen een
aandoenlijk schouwspel. Eene vrouw in rouwgewaad, armoedig, doch
zindelijk gekleed, staat bij de offerkist, waar zij juist hare gift
heeft gebracht.

--"Het is de weduwe, die haar penninksken offert!"--fluistert Reael
Kromhout in. "God geve, dat ook de vermogenden van hun rijkdom gegeven
hebben, gelijk zij van hare armoede."

Met gebogen hoofd en zedig nijgende, glijdt de arme vrouw de zes
vrienden voorbij, en verwijdert zich, terwijl allen, als door een
zelfde gevoel gedreven, den breeden hoed van 't hoofd nemen, en haar
eerbiedig groeten.

--"En nu," zegt Reael: "de kist onderzocht. De vrienden hebben,
zoo ik hoop, de sleutels meegebracht?"

Pauw en Roodenburg, die met hem tot bewaarders der penningen waren
aangesteld, halen

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/30171