Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika

by Pieter Louwerse · Dutch · Gutenberg #29627 · 656,334 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika

Author: Pieter Louwerse


        
Release date: August 6, 2009 [eBook #29627]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/29627

Credits: Produced by Branko Collin and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This file was
        produced from images generously made available by The
        Internet Archive)


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VÓÓR VIER EEUWEN: EEN VOLKSBOEK OVER DE ONTDEKKING VAN AMERIKA ***




Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This file was
produced from images generously made available by The
Internet Archive)





   +-------------------------Regelnummer 1------------------------+
   |                                                              |
   |                  OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
   |                                                              |
   | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,   |
   | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te    |
   | moderniseren.                                                |
   |                                                              |
   | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan    |
   | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.           |
   |                                                              |
   | De illustraties zijn alleen beschikbaar in de html-versie    |
   | van dit boek. (zie http://www.gutenberg.org)                 |
   |                                                              |
   | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt.   |
   | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. |
   |                                                              |
   | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het   |
   | origineel zijn gecorrigeerd. Inconsistent gebruik van        |
   | verbindingsstreepjes is behouden.                            |
   | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de         |
   | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer.         |
   |                                                              |
   +--------------------------------------------------------------+

                           Vóór vier Eeuwen.

                 [Illustratie: CHRISTOPHORUS COLUMBUS.]




                           Vóór vier Eeuwen.

                             EEN VOLKSBOEK

                                  OVER

                       DE ONTDEKKING VAN AMERIKA,

                                  DOOR

                              P. LOUWERSE.

             Met Portretten en verschillende Illustraties.


                                 SNEEK.

                           J. F. VAN DRUTEN.




HOOFDSTUK I.

INLEIDING.


De aardappel is oorspronkelijk een Amerikaansch gewas, tenminste, men
houdt Chili of Mejico voor het vaderland ervan, en met zekerheid weet
men, dat deze plant vroeger in heel Europa niet te vinden was. In 1565
was er echter een Engelschman, John Hawkins geheeten, die het
dagelijksch brood, en waarschijnlijk wel meer dan dat, als
slavenhandelaar verdiende. Daar, door eene langdurige reis, zijn
scheepsvoorraad aan levensmiddelen in Amerika noodwendig moest
aangevuld worden, zoo nam hij te Santa Fé, eene stad in de nabijheid
van de Rio la Plata, bij gebrek aan wat beters, een soort van knollen
aanboord, welke daar groeiden en door de inlanders gegeten werden. Van
deze knollen had hij nog over toen hij eene Iersche haven binnenliep.
Deze knollen waren niets anders dan aardappelen. Ze schenen evenwel
niet bevallen te zijn, want aan het poten van de vrucht dacht de Ier
niet. Negentien jaar later bracht de Engelsche Admiraal Walter Raleigh
dezelfde knollen, als wat nieuws, uit Virginia, een' van de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika, in Engeland, en in 1589 wist Clusius,
Hoogleeraar te Leiden, eenige knollen te bekomen, welke zorgvuldig in
den Hortus werden aangekweekt. Langzamerhand verspreidde dit gewas
zich over geheel Europa. Van een algemeen gebruik was evenwel nog zóó
weinig sprake, dat Frederik II, de Groote, Koning van Pruisen, de
koppige boeren met geweld moest dwingen om aardappelen te teelen. Men
vond dit bevel een' dwang gelijk.

En hoe is het tegenwoordig gesteld met het verbouwen der aardappels?

In jaren van misgewas worden in ons land duizenden Hectoliters uit
Saksen ingevoerd. En wat zou Ierland, het arme Ierland, zijn zonder
aardappelen?

Moesten bijna twee eeuwen na het bekend worden dezer plant nog
dwangmaatregelen genomen worden om haar te verbouwen, thans is hare
vrucht over een groot deel van Europa het hoofdvoedsel van millioenen
menschen.

Doch waarom een boek over de ontdekking van Amerika begonnen met eene
korte geschiedenis van den aardappel?

Hierom. Ik wist met geen beter voorbeeld uit het dagelijksch leven te
beginnen, om aan te toonen, hoe lang het dikwijls duurt eer eene
ontdekking of uitvinding van algemeen nut wordt.

Een voorbeeld, op het gebied der uitvindingen, levert de geschiedenis
van den stoom.

Ja, het is waar, de stoom is eigenlijk niet uitgevonden, want het was
iets, dat bestond, maar de toepassing van den stoom op fabriekswezen,
scheepvaart en middelen van vervoer is wél eene uitvinding, en wel
eene, die zulke groote afmetingen in hare gevolgen heeft, dat de
toestand der heele maatschappij er door gewijzigd is geworden, en nog
veel meer wijzigingen noodig heeft. Welk eene tijdruimte ligt er
tusschen het heden, waarin de stoom als wereldkoning heerscht, en het
oogenblik waarop de beroemde wis- en natuurkundige Hero van
Alexandrië, die anderhalve eeuw vóór onze tijdrekening leefde, de
aeolipile of dampkogel uitvond! Zonder volkomen bekend te zijn met de
kracht, die door den stoom uitgeoefend wordt, was het niet mogelijk
zulk een' dampkogel uit te vinden. Zelfs de Celtische heidenpriesters
schijnen met de kracht van den stoom bekend geweest te zijn. En lezen
we ook niet van Blasco de Garay, een' zeeman, die ten tijde van Keizer
Karel V, dus drie eeuwen geleden, in de haven van Barcelona eene
openbare proef gaf van het voortstuwings-vermogen van schepen door
middel van stoom? Door geleerde onderzoekers wordt deze toepassing van
stoomkracht door Blasco de Garay tegengesproken, doch een feit is het,
dat Papin reeds in 1681 een werk uitgaf, waarin hij de mogelijkheid
aantoonde, dat schepen door stoomkracht konden voortbewogen worden. Om
de proef op de som te geven, voer hij langs het riviertje de Fulda van
Cassel naar Münden met eene raderstoomboot, die volgens zijne
aanwijzingen gemaakt was. Bekend is het ook, dat de schippers, woedend
dat men hun met deze uitvinding het brood uit den mond nemen zou,
zijne eerste stoomboot vernielden. De proef was geleverd, wat
stoomkracht vermocht, doch het moest toch 1787, dus ruim eene eeuw
later worden, vóór zekere Patrick Miller in Schotland, op de Firth of
Forth, stoom op zijn vaartuig gebruikte. Langzaam, zeer langzaam begon
men nu ook in andere landen de stoomkracht op de scheepvaart toe te
passen. Wanneer bij ons te lande van de eerste stoomboot gebruik
gemaakt werd, ben ik niet te weten kunnen komen, doch het is ons allen
bekend genoeg, hoe ook bij ons het aantal stoombooten, zoowel voor de
zee- als binnenvaart, met het jaar toeneemt. En dan, welk eene
uitbreiding heeft de toepassing van den stoom op de nijverheid
verkregen!

Is het nu met den stoom niet gegaan als met de aardappelen?

Dat eene uitvinding soms eeuwen noodig heeft eer ze voor de heele
maatschappij beteekenis gekregen heeft, bewijst niet enkel de
geschiedenis van den stoom. Ook het kompas heeft ongeveer dezelfde
geschiedenis doorloopen. Wanneer het kompas bekend is geworden, is bij
geene mogelijkheid te bepalen, want het mannetje, dat de Tataren en
Chineezen op hunne tochten in de woestijnen gebruikten, eeuwen vóór
een zekere Flavio Gioia, van het Italiaansche stadje Amalfi, leefde,
was toch ook een soort van kompas. Het was eene magnetische pop op
een' wagen geplaatst, welke pop steeds met de eene hand het zuiden
aanwees. Maar Flavio Gioia, de wakkere Italiaansche zeeman, die in de
laatste helft der dertiende eeuw stierf, moge al »_onschuldig_ zijn«
aan de _uitvinding_ van het kompas, toch bracht hij er verbeteringen
aan, en juist die verbeteringen waren het, welke voor de zeevarende
volken van Europa langzamerhand een einde maakte aan het gevaar van
»buiten westen zijn«.--Die kleine verbetering,--welke het geweest is,
is onbekend,--bracht, maar alweer na verloop van vele jaren, zulk eene
verandering in den toestand der menschelijke maatschappij, dat er een
nieuw tijdperk aanbrak, welk tijdvak den naam draagt van »Nieuwe
Geschiedenis«.

Men zegt wel eens, dat de Nieuwe Geschiedenis in 1492 een' aanvang
neemt, en wel met de ontdekking van Amerika. Wáár, ontegenzeggelijk
wáár is het, dat het vinden van een nieuw werelddeel op den toestand
der heele maatschappij van onberekenbaar grooten invloed was, maar dat
alleen de ontdekking van Amerika aan de Middel-geschiedenis een einde
maakte en de nieuwe deed beginnen, is toch wat al te boud gesproken.

De Nieuwe Geschiedenis, met al hare veranderingen, begon met den
geest, die in dien tijd alle zeevarende volken bezielde, om hunne
kennis van de aarde uit te breiden. Er was eene behoefte naar weten,
een dorst naar kennis ontstaan. Die begeerte en die dorst breidden
zich steeds meer en meer uit; zij brachten de Portugeezen, om Kaap de
Goede Hoop heen, in den rijken Oostindischen Archipel; zij voerden de
Spanjaarden naar de landen, waar goud en zilver opgetast lagen.

Die behoefte naar weten en die dorst naar kennis maakten aan de
Middel-geschiedenis, met al hare ruwheid, dichterlijk als eene woeste
bergpartij, een einde. Eene nieuwe maatschappij moest ontstaan; ze was
niet meer te keeren.

Zóó zullen misschien eenmaal de geschiedschrijvers ook het tijdvak der
Nieuwe Geschiedenis in deze eeuw doen ophouden, om eene »Nieuwste
nieuwe« te stellen. Die krijgt dan wellicht den naam van
»Stoom-Geschiedenis«.

Eigenlijk is die Nieuwste-nieuwe geschiedenis er al een vijftig jaar,
want de maatschappelijke toestand der volken van den tegenwoordigen
tijd, gelijkt zoo goed als niets op dien van het einde der vijftiende
eeuw.

Over den stoom en zijne gevolgen willen we evenwel niet schrijven; een
ander moge dat doen, als de stoom afgedaan heeft, zooals nu eene
zeereis met een zeilschip bijna tot het verleden behoort. Toch blijven
ook die eerste groote zeereizen merkwaardig genoeg om er vier eeuwen
later nog eens op terug te komen. Over al die zeereizen kunnen we
echter niet spreken, en daarom zullen we enkele maar terloops
aanstippen, en ons bepalen bij die reizen, welke ten gevolge hadden:
de ontdekking van Amerika, het werelddeel, dat voorbestemd schijnt te
zijn in den zoogenaamden »cirkelgang der beschaving« aan de beurt te
komen om uit de schatkameren van den menschengeest schooner en rijker
schatten te voorschijn te roepen, dan hare rijke goud- en zilvermijnen
eenmaal in edele metalen den Spanjaard aanboden.

Eer we echter de ontdekking van Amerika gaan beschrijven, willen we
even stilstaan bij de zeevaart der oude volken en die van de volken
der Middel-geschiedenis.




HOOFDSTUK II.

DE ZEEVAART DER OUDE VOLKEN.


Wie zou toch wel het eerste schip gebouwd hebben en de eerste schipper
geweest zijn?

De Bijbel spreekt ons van den Zondvloed, en laat Noach met zijn gezin,
en van de dieren des velds elk een paar, in de ark aan de algemeene
verdelging van het menschen- en dieren-geslacht ontkomen.

In de godsdienst-geschriften der Chaldeërs wordt een zekere Xisuthrus
met vrouw, kinderen, bloedverwanten, vrienden en eenige dieren, bij
een' vloed, die de heele wereld overdekte, behouden.

Op steenen, die George Smith, een Engelschman, in de bouwvallen van
Ninivé vond, las men, na de ontcijfering van het schrift, dat er in
gekrast of gehouwen was, dat Bel besloten had om de heele wereld door
een' watervloed te verdelgen. Een andere God, Aö geheeten, die als
geest over de wateren zweefde, kreeg, toen hij het besluit van God Bel
vernam, medelijden met een' zekeren Sisithrus. Hij waarschuwde hem
voor Bels plannen, en gaf hem den raad om vóór dien tijd een houten
huis te bouwen van verbazende afmetingen, en zich daarin met zijn
gezin en eenige dieren te begeven, als de overstrooming begon.

De Indiërs spreken van een' man, die Manoe heette, en die door een'
visch gewaarschuwd wordt voor een' wereldvloed. Hij krijgt ook den
raad om lijf en leven van zichzelven en zijn gezin in eene drijvende
woning te redden. Manoe hoort naar dien raad; de vloed komt, en hij en
de zijnen blijven behouden.

De Grieksche godenleer, ook mythologie genoemd, houdt Deukalion voor
den stamvader der Grieken of Hellenen, en deze Deukalion en zijne
vrouw Phyrrha waren de eenigen van al de menschen, die bij een hoogen
watervloed het leven behielden, door op raad van zijn Vader Prometheus
zich te begeven in een vaartuig, dat vooraf opzettelijk gebouwd was.

Maar nóch Noach, nóch Xisuthrus, Sisithrus, Manoe of Deukalion was de
eerste, die met een soort van schip de wateren bevoer. Wanneer wij nu
nog de onbeschaafde volken in een' uitgeholden boomstam de rivieren,
ja, soms de zee langs de kust zien bevaren, dan komen we er als
vanzelf toe om het er voor te houden, dat de menschen lang vóór Noach
of een' der andere genoemde mannen, ook in uitgeholde boomstammen al
gevaren hebben, en vóór men werktuigen had, was wellicht slechts een
stam met takken en al het eenige vaartuig.

Uit dit alles blijkt, dat het met geene mogelijkheid op te geven is,
niet alleen wie de kunst van varen uitvond, maar zelfs niet welk volk.

Dat het met de kennis onzer aarde in de grijze oudheid al zeer vreemd
gesteld was, laat zich begrijpen, doch hiervoor behoeven we nog niet
tot de oudheid terug te gaan, want zelfs vijftien eeuwen na het begin
van onze tijdrekening hadden de menschen nog de vreemdste denkbeelden
van den vorm en de grootte onzer aarde. Dit zullen we later zien, en
liever dan ons in allerlei fabelen te verdiepen, welke toch nog wel
eens zullen genoemd worden naast gissingen, die men geopperd heeft,
willen we met elkander eens een' volksstam bezoeken, welke zich eene
woonplaats gekozen had aan de Oostkust der Middellandsche Zee. Dit
kustland droeg den naam van Phoenicië of Purperland, en zijne bewoners
heetten Phoeniciërs.

Wat de Engelschen in onzen tijd zijn, dat waren de Phoeniciërs in de
oudheid. Reeds elf eeuwen vóór onze tijdrekening durfden ze met hunne
schepen de tegenwoordige Straat van Gibraltar uitzeilen. Zij stichtten
volkplantingen op de eilanden der Middellandsche Zee en de noordkust
van Afrika. Het beroemde Carthago, waarvan we later zullen spreken,
was ook door hen gesticht. Zij bezochten met hunne schepen niet alleen
Engeland, de Noord- en de Oostzee om tin, barnsteen, mogelijk ook hout
en graan te halen, maar ze kwamen zelfs op het eiland Madeira, en de
Kanarische Eilanden. Dit nu weet men zeker, maar men gist nog veel
meer, en die gissingen mogen thans bijna waarheden genoemd worden.

In den eenvoudigen bijbelstijl heet het: »En zij,« namelijk de
Koningin van Scheba, »gaf den Koning Salomo honderdtwintig talenten
gouds en zeer veel specerijen en kostelijk gesteente. Als deze
specerij, die de Koningin van Scheba den Koning Salomo gaf, is er
nooit meer in menigte gekomen. Verder ook de schepen van Hiram, die
goud uit Ophir voerden, brachten uit Ophir zeer veel almuggimhout en
kostelijk gesteente.«

Wie die Koningin van Scheba was, en waar Scheba lag, weten we niet
zeker. Maar Hiram was Koning van de Phoenische stad Tyrus en zeer met
Salomo bevriend. En het goudland Ophir? Moest men enkele jaren geleden
nog zeggen, dat de ligging van dat land met geene zekerheid te bepalen
was, de tochten in Afrika, welke in onzen tijd zulk eene groote
uitbreiding verkregen, hebben omtrent Ophirs ligging, zoo al geene
zekerheid, dan toch een sterk vermoeden van waarschijnlijkheid
gebracht. Dat steenen spreken kunnen, zagen we reeds, waar we gewag
maakten van Smiths nasporingen in de ruïnen van Ninivé; en de
bouwvallen in Zuid-Afrika, door de bewoners, als iets heiligs, lang
voor Europeanen verborgen gehouden, doch nu gevonden, spreken in deze
ook. De Phoeniciërs moeten ook hier geweest zijn.

Herodotus, de beroemde Griek, die ook wel »Vader der geschiedenis«
genoemd wordt, en die in het jaar 484 vóór Chr. geboren werd, verhaalt
het volgende:

»De Phoeniciërs voeren uit de Roode Zee af en kwamen in de Zuidzee.
Toen het herfst werd, gingen zij aan land en begonnen eenige akkers te
bezaaien, en eerst toen ze geoogst hadden, zett'en zij hunne reis
voort, zoodat ze, na eene afwezigheid van twee jaren, in het derde
jaar door de »Zuilen van Hercules« weder in Egypte kwamen. Zij
vertelden, dat zij om Libye gezeild waren en de zon aan den
rechterkant gehad hadden, wat ik evenwel niet gelooven kan.«

Deze tocht geschiedde omstreeks 600 jaar vóór Chr. op bevel van Necho,
Koning van Egypte. Afrika heette toen Libye, en de zeeëngte van
Gibraltar droeg den naam van »Zuilen van Hercules«.

Hoe naïef klinkt Herodotus' gezegde: »wat ik evenwel niet gelooven
kan.« En na hem verliepen eeuwen aan eeuwen, en die tocht der
Phoeniciërs werd steeds als eene fabel beschouwd. »Hoe kon men nu de
zon aan den rechterkant, dat is in het Noorden, hebben? Dat was toch
onmogelijk. Hoe hoog des zomers de zon ook klimmen mocht, zoodat ze
bijna in het toppunt kwam, de zon in het Noorden zien, dát behoorde
tot de verzinsels, waarin de Phoenicische zeelieden zeer sterk waren.«
Zoo redeneerde men eeuwen lang, en eerst de Nieuwe Geschiedenis moest
komen om met zekerheid te kunnen zeggen, dat Herodotus het gerust had
kunnen gelooven, want dat het waar was.

Zoo hebben dus de Phoeniciërs Afrika omgezeild, en denkelijk zullen ze
nog wel verder gegaan zijn ook, doch dit vertelden ze niet graag. Ze
begrepen zeer goed, dat andere volken eveneens gebruik konden maken
van de ligging huns lands aan zee, om ook handel in allerlei vreemde
waren te gaan drijven. Wanneer ze dit deden, dan zou Phoenicië
ophouden de stapelplaats van den handel te zijn en de welvaart zou
afnemen. Dit nu moest men voorkomen, en dat deden ze door allerlei
vreeselijke ontmoetingen te vertellen. Daar buiten die »Zuilen van
Hercules«,--»ze waren er geweest, ze kwamen er nòg, omdat ze wel
moesten, maar anders ... neen, liever bleven ze dichter bij honk.
Verbeeldt u ook, hoe vreeselijk! Niet zoo heel ver het Westen in was
er niets anders dan water en zwarte duisternis. De verschrikkelijkste
gedrochten leefden daar, en men zag er zelfs geene sterren meer
waarnaar men den tocht richten kon!«

Waarom zouden de andere volken dit niet geloofd hebben? Verdween de
zon dan niet in het Westen in zee, en als zij zich in de wateren
gedompeld had, kon ze immers geen licht meer geven?

Dat de aarde rond was, niemand kon dat gelooven, en dat er steeds
evenveel oppervlakte der aarde door de zon beschenen werd, als er in
duisternis lag, geen mensch, die er aan dacht.

Hoe stelde men zich de aarde voor?

  Homerus            stelde de aarde voor als een schijf.
  Anaximander          »    »    »    »    »   »  rol.
  Heraclitus           »    »    »    »    »   »  boot.
  Anaximenes           »    »    »    »    »   »  tafel.
  Pythagoras           »    »    »    »    »   »  kubus.
  Xenophanes           »    »    »    »    »   »  kegel.
  Leucippus            »    »    »    »    »   »  trommel.
  Eudoxus van Cnidus   »    »    »    »    »   »  langwerp. vierk.

Doch onverschillig welken vorm men aan de aarde gaf, allen stelden
zich voor, dat de aarde op het water dreef. Slechts de beroemde Thales
van Milete, die zeshonderd jaar vóór Chr. leefde, geloofde dat de
aarde een bol was, welke met water en land één geheel vormde. Zelfs
vermoedt men, dat hij reeds eene zonsverduistering voorspeld heeft.
Het kan evenwel zeer goed zijn, dat de Chaldeërs, de Arabieren, de
Indiërs of de Chineezen met Thales van hetzelfde gevoelen waren, want
dat de wetenschappen in die oude tijden hooger stonden dan wij wel
vermoedden, is zeker. Alleen de gebrekkige middelen van verkeer, welke
oorzaak waren, dat de volken in afzondering van elkander leefden,
waren oorzaak, dat kennis en beschaving tot één land beperkt bleven en
geen gemeen goed werden zooals ze het nu zijn.

Doch keeren we tot onze zeevaarders terug.

Eene der volkplantingen van de Phoeniciërs was Carthago. Ongeveer op
dezelfde plaats waar nu Tunis ligt, werd, zoo luidt de overlevering,
door Dido of Elissa, de dochter van een' Koning van Tyrus, eene
volkplanting en meteen eene stad gesticht, welke den naam van Carthago
kreeg. Dit geschiedde ongeveer acht eeuwen vóór onze tijdrekening.
Bezield met denzelfden ondernemingsgeest, als hunne stamgenooten in
Phoenicië, trachtten de Carthagers door scheepvaart de welvaart huns
lands te bevorderen. De scheepvaart van dit volk, dat geen land, maar
slechts eene stad bewoonde, nam eene verbazende vlucht, en gerust kan
men in den bloeitijd van Carthago de bevolking dezer stad op meer dan
zevenhonderdduizend inwoners stellen. Meer nog dan de Phoeniciërs
dreven ze handel op Afrika's westkust, maar wie zal ons zeggen hoevele
schepen wel heengingen, doch nimmer wederkeerden? Wie zal bewijzen,
dat al de schepen, waarvan men later nooit meer hoorde, vergingen?
Kunnen er geene schepen steeds verder en verder in het Westen gevoerd
zijn om eindelijk in ontredderden toestand in het land te komen,
hetwelk wij thans Amerika noemen?

[Illustratie: WERELDKAART van Toscanelli.]

Men beweert, dat de uitdrukking »buiten westen zijn«, welke beteekent:
»in stervenden toestand buiten kennis liggen«, haren oorsprong heeft
in het gevaar, dat de schepelingen dreigde, wanneer ze met hunne
schepen zoo ver van de kust gingen, dat ze het land niet meer zagen.
Maar geloofden de Phoeniciërs, en na hen de Carthagers, daaraan ook?
Het is niet aan te nemen, want om op Madeira te komen moesten ze zóó
ver het Westen in, dat er van de Afrikaansche kust niets meer te zien
was. Hoe kwam Toscanelli, een beroemd Italiaansch sterrenkundige, die
in de vijftiende eeuw ná Chr. leefde, er aan om op zijne wereldkaart,
hoe gebrekkig die ook ware, in de zee tusschen Europa en Azië een
eiland te leggen, hetwelk hij Antilia noemde? Hij zelf, arts van
beroep, was nimmer in dezen Atlantischen Oceaan geweest, en hij moest
dus alleen bij overlevering bekend zijn met dit eiland. Van wie die
overleveringen kwamen, is niet moeielijk te gissen. Ze kwamen van de
Phoeniciërs, de Carthagers, de Romeinen of Noormannen. Had niet reeds
Plato, de beroemde Grieksche dichter, die in het jaar 420 vóór Chr. te
Athene geboren werd, een dichterlijk verhaal opgesteld van een eiland
Atlantis, dat, ver buiten de »Zuilen van Hercules«, in den
Atlantischen Oceaan had gelegen? En Plato's Atlantis was maar niet een
eilandje, neen, hij beschreef het, als grooter dan Azië en Afrika
samen, en dichtte er eene beschaving aan toe, zoo aanzienlijk en hoog,
dat hij ze »De gouden eeuw« noemde. De bewoners waren evenwel zeer
boos en slecht, en daarom was het door de goden verdelgd. Zij riepen
eene aardbeving te voorschijn, en bijna heel Atlantis verdween, en
eenige eilandjes bleven er alleen over. Dit eiland Atlantis bestond
niet enkel in de dichterlijke verbeelding van Plato, want hij had een
oud Egyptisch verhaal in poëzie oververteld.

Dit berijmde verhaal van Plato, of liever die oud Egyptische sage, is
wel zeer merkwaardig, want als wij later in Mejico en Peru komen,
zullen we daar eene beschaving vinden, welke ons onwillekeurig denken
doet aan de beschaving der Egyptenaren, waarvan de overblijfselen nog
zoo duidelijk spreken. Ze zal ons verbaasd doen vragen: »Van waar toch
bij zooveel verschil nog zooveel overeenstemming?« Ze zal ons doen
stilstaan, en onze gedachten terugvoeren in den grijzen voortijd. De
menschen hebben al zoo lang geleefd, en de beschaving is niet van
gisteren. Het bekende Salomo's gezegde: »Er is niets nieuws onder de
zon«, is zoo onwaar niet, als men wel eens beweert. Menigeen vindt wat
nieuws uit, dat eigenlijk wat ouds is en er vroeger al was, doch zóó
verloren ging, dat niemand het meer kende. Dat eene kunst en eene
wetenschap verloren kunnen gaan, behoeft niet bewezen te worden.
Iedereen toch weet op welk een' hoogen trap van beschaving de Grieken
en Romeinen stonden bij den aanvang van onze tijdrekening. Toch wil ik
één voorbeeld noemen, waaruit duidelijk blijkt, hoe eene wetenschap
kan verloren gaan. Ik zeide reeds, dat Thales van Milete 600 jaar vóór
Chr. leerde dat de aarde rond was, en dat hij ook waarschijnlijk eene
zonsverduistering berekende. Welnu, in het hartje der Middel-eeuwen,
dus bijna tweeduizend jaar na Thales, was er een Aartsbisschop van
Salzburg, die beweerde, dat er op aarde menschen moesten wonen, wier
voeten tegen de onze gekeerd zijn. Die zoogenaamde »Tegenvoeters«
werden natuurlijk ook door Thales aangenomen en het kon dus geene
nieuwe vinding van onzen Aartsbisschop zijn. Toch had onze
middeleeuwsche denker om deze leer allerlei aanvallen te verduren, en
was hij genoodzaakt haar in te trekken. Hoe was dit nu mogelijk?

Het is bekend, dat aardbevingen en uitbarstingen van vulkanen zulke
geweldige omkeeringen in de natuur te weeg gebracht hebben, dat de
oppervlakte der aarde, na zulke vreeselijke gebeurtenissen, er heel
anders uitzag dan vóór dien tijd. Het is evenwel niet alleen in het
rijk der natuur, dat die omkeeringen kunnen plaats hebben, maar ook in
het rijk van beschaving en wetenschap. Aan de beschaving van Grieken
en Romeinen werd een einde gemaakt door den inval van de ruwe en
onbeschaafde Hunnen, die heel Europa overdekten, en, òf de toenmalige
bewoners, arm en berooid, van de eene landstreek naar de andere
dreven, òf hen tot zulk een' staat van dienstbaarheid en slavernij
brachten, dat er aan beschaving en wetenschap niet meer gedacht werd.
Geene sprinkhanenplaag heeft in Egypte aan den oogst ooit grooter
verwoesting aangebracht, dan de Hunnen-plaag bracht aan de Europeesche
beschaving.

Toch ontbrak het in die woeste tijden niet aan menschen, die, zonder
dat ze dit wilden, in dienst der wetenschap waren. Het waren de
Noormannen en Denen, die, gedreven door roofzucht, stoute zeetochten
ondernamen. En al gingen hunne ontdekkingen ook alweer verloren, toch
brachten ze aan de scheepvaart die verbeteringen aan, welke later
noodig waren, om andere volken instaat te stellen op hunne beurt
stoute zeetochten te ondernemen. Men bedenke ook wel dat de
scheepvaart in die tijden bijna het eenige middel was om het eene volk
met het andere in aanraking te brengen. Dat onderlinge verkeer
bevordert beschaving en wetenschap, zoodat ieder, die de scheepvaart,
al was het ook met een slecht doel, verbeterde, in dienst van beiden
stond.

De tochten der Noormannen zijn te merkwaardig om er ook niet een en
ander van te vertellen.

De Noormannen waren bewoners van Zweden, Noorwegen en Denemarken. Zij
waren oorspronkelijk Germanen, en omdat het land, dat zij bewoonden,
bij hunne gebrekkige kennis van landbouw, niet genoeg opleverde om hen
van het noodige te voorzien, zoo trachtten ze het te kort door roof
aan te vullen. Onder aanvoering van Earls, Jarls en Zeekoningen deden
ze, onder den naam van »Wikingers« dat »Strijders« beteekent, stoute
strooptochten ter zee, en overal waar ze kwamen, brachten ze schrik en
ontsteltenis met ellende. Een Zeekoning, Earl of Jarl, was dus niet
veel anders dan een rooverhoofdman ter zee, die er roem op droeg, den
drinkhoorn nooit aan den huiselijken haard, maar steeds aanboord
geledigd te hebben, en die liever onder de berookte balken van zijn
klein, maar sterk vaartuig sliep, dan aanwal, onder een gezellig
huisdak. Hunne vaartuigen waren aanvankelijk zoo klein, dat er wel
drie- of vierhonderd noodig waren, om eene bende van een paar duizend
man naar het eene of andere land te voeren. Vele scheepjes hadden
zelfs geen dek, en vaak zag men de Noormannen, om van de eene rivier
in de andere te komen, de vaartuigen, die ze in hunne dichterlijke
taal »met schuim bedekte golvenberijders« noemden, op de schouders
nemen en wegdragen. Met zulke scheepjes waagden ze zich niet alleen op
de Noordzee, neen, ze voeren er mee door het Kanaal, door de Bocht van
Frankrijk, door de Spaansche Zee, door de Straat van Gibraltar, en
waagden zich zelfs in de Middellandsche Zee. Nog verder gingen ze. Na
eerst Ierland veroverd te hebben, trokken ze noordwaarts, namen de
Shetlands-eilanden in bezit en daarna de Far-öer, om ten slotte ook
IJsland aan te doen en zich daar te vestigen. Deze tochten waren
evenwel niet in den tijd van eenige jaren afgeloopen; ze duurden een
paar eeuwen. En hoe onbeschaafd die mannen ook waren, ja, met welke
minachting zij neerzagen op alles, wat naar beschaving geleek, ze
hadden toch oogen in het hoofd om te zien, dat er bij die beschaving
voor hen heel veel bruikbaars was. Het noodzakelijk gevolg hiervan
was, dat een Wiking, die onder Keizer Karel den Grooten een inval in
ons land deed, een heel ander man was, dan een Wiking van twee eeuwen
later, die van Wodan-dienaar zelfs Christen geworden was.

De stoutste tochten van deze Noormannen waren niet enkel die, welke
naar IJsland ondernomen werden. Toen ze dit eiland gekoloniseerd en
daar eene maatschappij gevormd hadden, deden ze van hier uit reeds
verre tochten naar het Zuiden.

In Noorwegen regeerde een zekere Koning Harald Haarfager of
»Schoonhaar« niet naar den zin van zijne Wikingers; misschien wel,
omdat hij te veel gewoonten van andere Europeesche vorsten aannam.
Een der Jarls, die het in het geheel niet met hem kon vinden, een
zekere Ingolf, nam met de zijnen en een groot aantal ontevredenen de
wijk naar IJsland, en vestigde zich daar. Merkwaardig is het, hoe
langzamerhand daar op dat afgelegen en koude eiland eene bevolking
kwam, welke in vele opzichten beschaafder en reiner van zeden werd,
dan menig volk in Europa. Een der IJslandsche kolonisten, Gunnbjörn
geheeten, was, kort na Ingolfs vestiging, uitgezeild om in eenig ander
naburig land te halen, wat op IJsland niet was, en wat men toch noodig
had om daar te kunnen leven. Een enkele blik op de wereldkaart zal
ieder doen zien, dat, westelijk van IJsland zich een verbazend groot
land bevindt, waarvan we nu nog niet weten, of het zich tot aan de
Noordpool uitstrekt of niet. Dit land heet Groenland, en wordt
gerekend te behooren tot Amerika. Natuurlijk was men in dien tijd met
het bestaan van dit land nog niet bekend. Maar wat gebeurde?
Gunnbjörn, die mogelijk wel naar de Far-öer wilde, werd door den storm
naar het Westen geslagen, en kwam op de kust van dat onbekende land
terecht. Hij gaf er den naam van »Gunnbjörns rots« aan, en keerde
terug, bevindende, dat de afstand tusschen het nieuw ontdekte land en
IJsland zóó klein was, dat men op de helft der zeeëngte, die beide
landen van elkander scheidt, op een' helderen dag, zoowel Groenlands
hoogten, als IJslands bergen zien kon. Thuis gekomen deelde hij zijne
ontdekking mede, doch daar het gevonden land al even arm en
onvruchtbaar scheen te zijn als IJsland, zoo stelde men er geen belang
in, en eene eeuw verliep, zonder dat het iemand in het hoofd kwam,
»Gunnbjörns rots« op te zoeken.

In 985 kwamen er nieuwe bewoners op IJsland. Een Jarl, Erik geheeten,
en bijgenaamd »de Roode«, had, óók voor eene overtreding, met zijne
Wikingers het Vaderland moeten verlaten. De bodem van IJsland leverde
nu niet zoo heel veel op om onder de kolonisten de komst van nieuwe
bewoners met blijdschap te begroeten, en toen nu Erik hoorde, dat er
ten westen van IJsland nog een ander land was, besloot hij er met de
zijnen heen te trekken. Hij bleef er drie jaar, en toen eens naar
IJsland teruggekeerd, vertelde hij van het nieuwe land zóóveel goeds,
dat de arme IJslanders veel lust kregen om te gaan verhuizen, naar het
land, dat Erik den mooien naam van »Groenland« gaf, omdat er
uitgestrekte weidevelden gevonden werden. Geheel overdreven had Erik
niet, want aan de hellingen der hooge bergen bevonden zich werkelijk
weidevelden, en daar het bekend is, dat IJsland in vroegere eeuwen een
warmer klimaat had dan het tegenwoordig heeft, zoo kan het ook best
zijn, dat het Groenland van toen er aantrekkelijker uitzag dan het er
in onzen tijd uitziet.

In alle gevallen werkten de vertellingen van Erik dit op de IJslanders
uit, dat hij kort daarna met vijfentwintig scheepjes vol kolonisten
zich naar Groenland begaf. Men had alles medegenomen, wat voor een
vast verblijf daar noodig was, doch slechts vier scheepjes kwamen er
aan. De overige schijnen teruggekeerd of vergaan te zijn.

Tot de Wikingers, die het geluk hadden te landen, behoorde ook
Heerjolf, een der stoutste zeevaarders, die zijn zoon Bjarni evenwel
op dien tocht niet mede genomen had, omdat deze op reis naar Noorwegen
was. Toen nu Bjarni op IJsland terugkwam, en daar vernam, dat zijn
vader met Erik den Rooden naar Groenland vertrokken was, besloot hij
om er ook heen te gaan, en dat wel onmiddellijk, zonder zijne lading
te lossen. Geheel onbekend met het vaarwater en den koers, dien hij
nemen moest, duurde het evenwel verscheidene weken eer hij bij zijn'
vader aankwam. Op dien langen tocht had hij wel telkens land gezien,
doch daar het niet overeenkwam met hetgeen men hem op IJsland ervan
verteld had, was hij er niet aanwal gegaan, niettegenstaande zijn volk
graag gewild had. Hoewel Vader Heerjolf zich vrij goed ingericht had,
beviel het onzen Bjarni al heel weinig in dat land, en sprak hij ervan
om weer zoo spoedig mogelijk naar Noorwegen terug te keeren. Het kan
echter zijn, dat Bjarni nog andere redenen had om niet hier te
blijven, want iedereen vond het verkeerd van hem gedaan, dat hij in
die landen niet aanwal gegaan was. Blijkbaar waren deze streken immers
veel vruchtbaarder dan Groenland?

Er werd in de Kolonie veel over de zaak gesproken, en het kwam er
zelfs toe, dat Erik een' familieraad belegde, om hierin uit te maken,
of men het land, door Bjarni gezien, opzoeken zou, ja of neen. Er werd
besloten het te doen, en nu was het eerste werk der familie om
Bjarni's schip, dat vrij groot en een uitmuntend zeevaarder was, voor
dien tocht te koopen.

Vijfendertig stoere gezellen, waaronder ook Bjarni was, begaven zich
aanboord, en Erik zelf zou aanvoerder van den tocht zijn. Toen Erik
evenwel naar de haven reed, struikelde zijn paard en hij viel er af.

»Dat is een wenk van de Goden om thuis te blijven,« zeide hij. »Mijn
oudste zoon Leif zal uw Jarl zijn! Gehoorzaamt hem!«

Hoewel Leif liever gewild had, dat zijn Vader het bevel op zich
genomen had, aanvaardde hij evenwel den tocht.

Wanneer we nu eene kaart van Noord-Amerika raadplegen, dan vinden we
tusschen eene menigte eilanden, die ten Noorden van het vaste land
liggen, en Groenland, eene breede zeestraat, onder den naam van Straat
Davis. Ook deze straat, was Bjarni op zijn' tocht naar Groenland
overgestoken, toen hij zag dat die landen niet de kusten waren waar
hij zijn' vader kon vinden. Het land dus, dat Bjarni het laatst gezien
had, zag men nu het eerst.

Men ging aanwal en vond er achter de rotsen, die den oever omzoomden,
eene groote vlakte met bosschen overdekt, doch hier en daar
afgewisseld met uitgestrekte, eentonige heidevelden.

Leif noemde dit land, om die groote vlakten, Helluland, omdat het als
een vlakke steen was, en het woord »hella« ook »vlakke steen«
beduidde.

Dit Helluland was niets anders dan het groote eiland New-Foundland,
dat eene oppervlakte heeft driemaal grooter dan ons land, en gelegen
is op ongeveer dezelfde breedte. Het klimaat is er echter op den duur
veel guurder dan bij ons.--Dit nam echter niet weg, dat het toch veel
beteer bewoonbaar was dan Groenland.

Bjarni had zuidelijker evenwel nog andere landen gezien, en daarom
beval Leif het anker te lichten, en verder te stevenen.

Na eenigen tijd zag men weer land, en daar aanwal gegaan, scheen het
heele land niets anders te zijn dan een groot bosch. Om deze reden
noemde Leif het »Waldland«. Op de kaart vindt ge het tegenwoordig
geteekend, als een schier-eiland met den naam van Nieuw-Schotland.

Met een' stevigen noordoosten wind verlieten de wakkere Wikingers dat
Waldland, en voeren twee dagen lang in zuid-oostelijke richting voort,
totdat ze nogmaals eene kust ontdekten. Daar het weder inmiddels zeer
ongunstig geworden was, ging Leif met de zijnen op een eilandje aan
den wal om beter weer af te wachten. Zoodra dit kwam, werd de reis
langs de kust voortgezet, en eindelijk voer men eene rivier op. De
ankers werden uitgeworpen en men besloot hier te overwinteren.

Welk een land was dit! Hoe vruchtbaar was het er! Welke schoone
bosschen! Welke heerlijke weiden! Welk een plantengroei! Deze ruwe
mannen, die in hun geheele leven nog niet veel anders gezien hadden
dan ijs, sneeuw, naakte rotsen en schrale weilanden, waren vol
verrukking. En nog hooger steeg hunne vreugde, toen één hunner, in de
bosschen dwalende, heerlijke, rijpe wijndruiven in overvloed vond. Vol
vreugde begonnen zij ze te verzamelen; men at er van zooveel men
lustte, doch de voorraad was te groot, en daarom werd er besloten, ze
te drogen en dan naar Groenland mede te nemen. In het voorjaar begon
men met rijke lading de terugreis. Behouden kwamen de moedige
ontdekkers in Groenland aan, en het is te begrijpen hoe gretig men
luisterde naar de vertellingen van de wonderen waaraan »Wijnland«, zoo
noemden ze deze streek, zoo rijk was.--De Kolonisten van Groenland
bleven altijd nog met die van IJsland in voortdurende gemeenschap, en
ook op hunne beurt onderhielden de IJslanders nog de betrekking met
het moederland Noorwegen, waar men, na eenige jaren, van bijna niets
anders sprak dan van »Wijnland« en van den ontdekker »Leif den
Gelukkige.«

Of Leif voor en na nog meer tochten naar Wijnland deed, vertelt de
geschiedenis niet. Wel deelt ze mede, dat Leif naar Noorwegen
terugkeerde, en er het Christendom aannam, wat de oude Erik, die aan
den Wodansdienst getrouw bleef, minder aangenaam vond. Hij stierf
echter kort daarop, en nu werd Leif in zijn Vaders plaats Jarl.
Waarschijnlijk vond hij het nu beter om, volgens de wijze van
Christen-vorsten, thuis te blijven om zijn volk te besturen, dan dat
hij altijd op zee was. Hij gaf daarom zijn schip aan zijn' broeder
Thorwald, en deze ging nu in Wijnland overwinteren om met het voorjaar
nog verder te trekken, en kwam op een schoon en vruchtbaar eiland, in
eene groote baai gelegen. Het eiland waar hij overwinterd had, was
eigenlijk een schier-eiland, en het kan wel niets anders geweest zijn
dan het schier-eiland, dat nu Rhode-Island heet. Het eiland in de
groote baai ligt er nóg, en heet Long-Island. Tegenover dit eiland
ging Thorwald met de zijnen aan den wal, en deze landstreek moet
geweest zijn, waar tegenwoordig New-York ligt.

Terwijl men hier alles voor een vrij langdurig verblijf gereed maakte,
vonden enkele Noormannen drie booten, die met huiden overtrokken
waren. Ze waren als tenten opgesteld, en hieronder vonden ze slapende
... menschen. Ja, menschen waren het, en wel Eskimo's, maar naar de
meening van de Noormannen konden er alleen menschen in de »wereld«
wonen, en het land, dat ze nu tijdelijk bewoonden, lag immers buiten
de wereld in en aan de streek der eeuwige duisternis? Nu wil het
geval, dat de lichaamsbouw en het aangezicht van de Eskimo's juist
voor Europeanen niet schoon te noemen zijn, en het is dus geen wonder
dat de Noormannen hen niet »Menschen« maar »Skrällings« noemden, wat
zoo veel beduidt als »wangedrochten«, »uitschot van de menschen«. De
Noormannen meenden dan ook eene zeer goede daad te doen door de
wereld, al was het ook de buitenwereld, van die gedrochten te
verlossen en doodden hen. Eén evenwel had het geluk te ontkomen, en
dit was Thorwalds ongeluk.

Zonder er aan te denken dat die »wangedrochten« ook eene taal hadden
waarmede ze aan hunne broeders konden mededeelen, wat gebeurd was,
bleven de Noormannen hun lui en gemakkelijk leven leiden, en zett'en
zelfs geene enkele wacht uit.

Midden in een' nacht dat allen rustig lagen te slapen, naderden opeens
honderden Skrällingers en overvielen, onder een afgrijselijk
geschreeuw en gehuil, het kamp der Noormannen, die met achterlating
van alles, wat ze aan den wal hadden, naar hun schip vloden, en zich
daar achter de verschansing verscholen om veilig te zijn voor de
hagelbui van pijlen, die op hen afgeschoten werden.

Eindelijk gelukte het den Noormannen om de kust te ontvluchten.
Slechts één hunner was gewond, doch die eene was Jarl Thorwald. Hij
trok zich den pijl uit de wonde en zeide: »Dat is mijn dood!«

Toen ze nog op Rhode-Island waren, had hij, verrukt door den
heerlijken aanblik van het land, uitgeroepen: »Hier zou ik wel een
huis willen bouwen om er te blijven wonen.«

Zoodra hij nu voelde, dat de wonde van den pijl, die zeker vergiftigd
was, zijn' dood ten gevolge zou hebben, beval hij, dat men hem naar
dat land brengen zou, en zoodra hij er voet aanwal gezet had, sprak
hij zacht: »Het is wel een voorspellend woord geweest toen ik zeide,
dat ik hier een huis zou willen bouwen om er te wonen. Thans zàl ik er
blijven voor immer en altijd. Men zal er mij begraven; op mijn graf
zal men een kruis planten en den naam van dit land zal zijn:
»Krossanes«, dat is »Kruis«.«

Alles geschiedde zooals Thorwald voorspeld had. Hij stierf er, werd
begraven onder de dennen op een' heuvel; een kruis werd op zijn graf
geplaatst, en deze landstreek heette onder de Noormannen voortaan
»Krossanes.«

De Noormannen keerden in treurige stemming terug, doch Thorstein,
Eriks jongste zoon, begaf zich weldra aanboord van zijn schip om zijn
broeders lijk van »Kruis-kaap« of »Krossanes« te halen, en het dan
dicht bij dat van Erik te begraven. Zijn tocht was echter vergeefsch,
en tot de zijnen weergekeerd, had hij geene begeerte meer om Wijnland
of een der andere ontdekte landen op te zoeken. Hij werd evenwel
hierin ook door den dood verhinderd, die hem kort na zijne thuiskomst
overviel.

Erik had ook eene dochter Freydis nagelaten, die gehuwd was met
Thorward, een' Noorman geheel van den ouden stempel. Deze liet zich
niet afschrikken door hetgeen zijn' zwager wedervaren was. Hij sloot
een verbond met den rijken koopman Thorfin Karlsafna, die met Gudrid,
de weduwe van zijn' broeder Thorstein gehuwd was, en deze twee
familiën scheepten zich naar Wijnland in. In 1007 verlieten ze
Groenland met twee welbemande schepen, die van alles voorzien waren om
eene Kolonie te kunnen stichten. Hoogstwaarschijnlijk kwamen zij op
dien tocht nog veel zuidelijker dan New-York ligt. Zij schijnen
evenwel teruggekeerd te zijn, en zich gevestigd te hebben in de
omstreken van New-York. Men heeft in den Staat Massachusetts een'
mark- of grenssteen gevonden, waarop in het Noorsche runenschrift
staat: »Nam Thorfin«, wat beduidt: »Grond van Thorfin«. Die steen kon
door Skrällingers daarheen gebracht zijn, zoodat hij nog geen bewijs
kan wezen, dat de Noorman Thorfin daar eenmaal grondbezit had. Een
ander bewijs evenwel maakt duidelijk dat die steen daar best kan
gestaan hebben, want Leif teekende aan, dat daar ter plaatse, waar hij
overwinterde, de zon om half acht opkwam en om half vijf onderging. En
wat nu op aarde veranderen moge aan de oppervlakte, de lengte van dag
en nacht bleef eeuw in en eeuw uit dezelfde, zoodat men met die
aanwijzing der daglengte er vanzelf toe komt, om met zekerheid te
kunnen bepalen waar het Wijnland der Noormannen lag.

Maar wat gebeurde met de nieuwe Kolonisten?

De Skrällingers kwamen hen, en thans met geene kwade bedoelingen, maar
wel om ruilhandel te drijven, opzoeken. Het scheen dat de Noormannen
begrepen, dat die wezens geene »wangedrochten«, maar menschen waren
als zijzelve, doch van een ander ras. De ruilhandel bracht den
Noormannen bovendien veel voordeel, want een Skrällinger gaf voor een
stuk van een' rooden doek gaarne eenige kostbare pelzen, en toen de
Noormannen geene roode doeken meer hadden, ruilden de Skrällingers
kostbare huiden voor een' schotel melkpap. Voordeeliger zaken kon men
waarlijk niet doen, en het liet zich aanzien, dat de Noormannen met
het koloniseeren van Wijnland op weg waren om schatten te verzamelen.

Een klein ongeval maakte evenwel aan dien gunstigen toestand een
einde.

Eens dat de baai, waaraan de Kolonie lag, weer overdekt was met
kano's, wier eigenaars aan den wal handel dreven, brak een der stieren
van Karlsafna los, en viel onder woest gebrul te midden der vreedzame
pelsjagers. Verscheidenen werden gedood en de anderen gingen op de
vrucht. Ze bleven echter niet weg. Meenende dat die »Witgezichten« met
opzet den stier op hen losgelaten hadden, keerden ze bij duizendtallen
terug, en overvielen de Kolonie, die geen kwaad vermoedde. In den
vreeselijken strijd, die nu volgde, moesten de Noormannen het
onderspit delven. Stellig zouden alle Noormannen omgekomen zijn, zoo
niet Freydis, als eene echte Wikinger-dochter, een zwaard gegrepen, en
zich te midden der Skrällingers geworpen had. Dezen hierdoor
verschrikt, sloegen nu op hunne beurt op de vlucht, en de overgebleven
kolonisten waren behouden. Ze waren evenwel zoo verzwakt, dat ze
besloten, de Kolonie te verlaten, en naar Groenland terug te keeren.
Thorfin vestigde zich weer op IJsland, en besteedde daar zijne
rijkdommen om aanzienlijke goederen te koopen. Zijne vrouw Gudrid
echter, ging naar Rome, bleef er eenigen tijd en keerde toen naar
IJsland weder als Non. Haar zoon Snorro Sturleson, die in Wijnland
geboren was, werd naderhand een beroemd geleerde. Natuurlijk is het,
dat Gudrid, toen ze in Rome was, wel verteld zal hebben van dat
wonderland aan gene zijde der wateren, en de herinnering aan die
vertellingen kan aan Toscanelli aanleiding gegeven hebben om aan
Plato's dichterlijk eiland »Atlantis« eenig geloof te hechten, zoodat
hij midden in de groote zee tusschen Europa en Azië het eiland Antilia
plaatste.

Dat die ontdekkingen der Noormannen zoo geheel vergeten werden, en
alleen in allerlei dwaze vertellingen hier en daar nog eenigszins
herinnerd werden, mag vreemd schijnen, doch er zijn redenen voor.

De IJslanders zelf lieten heel Wijnland varen, en onderhielden alleen
gemeenschap met de Kolonisten van Groenland, die allen tot den
Christelijken godsdienst overgegaan waren. Omstreeks het jaar 1350
heerschte evenwel in heel Europa eene vreeselijke ziekte, »Zwarte
Dood« geheeten, welke in alle landen duizenden slachtoffers eischte.
Zij woedde ook op IJsland, stak naar Groenland, raapte daar de heele
Kolonie door den dood weg, of maakte haar zóó klein, dat men er later
niets meer van hoorde.

Nog eene andere oorzaak is er.

Zien we niet dagelijks, dat eene zaak, die eerst niet gewild was en
een armzalig leven voortsleepte, later een ongekende vlucht nam? Dat
die zaak aanvankelijk niet opnam, kwam omdat het volk nog niet rijp
was om er de waarde van te beseffen. Eerst dán, als duizenden door één
gevoel gedreven worden, komt dat, wat eerst niet geacht werd, opeens
tot aanzien. De Bijbel noemt die onverklaarbare, algemeene
volksbegeerte zoo kernachtig »de volheid der tijden«.

Phoeniciërs vonden den weg om Afrika, en die weg werd vergeten;
Noormannen ontdekten een aanzienlijk deel van Amerika en dat land werd
onbekend. Eerst eeuwen later, toen er een geest naar onderzoek bij
alle volken ontwaakte, en men niet meer bij toeval, maar langs
wetenschappelijken weg, wat trachtte te vinden, kon men zeggen, dat er
behoefte ontstond om een' zeeweg naar de rijke Indiën op te sporen.
Die behoefte deed Kaap de Goede Hoop ontdekken, en een nieuw
werelddeel vinden. En juist omdat, èn ontdekking, èn vinding aan eene
behoefte voldeed, juist omdat het toeval of goed geluk niet voorop
stond, behield men, wat men ontdekte of vond.

Ik schreef boven dit hoofdstuk »De zeevaart der oude volken« en
handelde het breedvoerigst over de ontdekkingen der Noormannen, die
men bezwaarlijk tot de oude volken rekenen kan. Ik deed dit echter,
omdat hunne ontdekkingen even goed verloren gingen als die van
Phoeniciërs en Carthagers. Thans echter dien ik een volgend hoofdstuk
te beginnen, om reden we van een volk zullen hooren, dat hield, wat
het gevonden en veroverd had, tot het op zijne beurt door een ander,
en wel door een beschaafd Christenvolk, verdrongen werd.




HOOFDSTUK III.

DE ISLAM EN HET CHRISTENDOM.


Een van de merkwaardigste landen, niet alleen van Azië, maar zelfs van
heel de wereld, is Arabië, een groot schiereiland aan de Roode Zee,
den Indischen Oceaan en de Golf van Perzië gelegen.

Zooals men uit de gewijde verhalen weet, had de Aartsvader Abraham bij
zijne dienstmaagd Hagar een' zoon, Ismaël geheeten, van wien God tot
de Moeder zeide: »Hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand
zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem.« En tot Abraham
sprak dezelfde stem van dezen zoon: »Twaalf Vorsten zal hij gewinnen,
en ik zal hem tot een groot volk stellen.«

Deze Ismaël nu werd, naar men beweert, de stamvader der Arabieren.

Wij, Nederlanders, zouden al weinig ingenomen zijn met een' zoon van
wien voorspeld werd: »hij zal een woudezel zijn,« doch dit komt
alleen, omdat wij dit dier niet kennen. Nergens, in Bijbel, Koran of
een Oostersch verhaal, wordt minachtend van dit dier gesproken, en
ieder, die eenmaal in het Oosten den ezel gezien heeft, moet erkennen,
dat dit dier daar niet alleen een mooi, maar bovenal een nuttig dier
is. De ezel behoort niet thuis in ons vochtig en guur klimaat, en wie
een' ezel houdt, houdt hem gewoonlijk op een koopje, en laat hem
paardewerk verrichten, terwijl men voor zijne verzorging zich bijna
nimmer eenigen tijd gunt. Hoe anders is dat in het Oosten. Geen paard
wordt hier beter verzorgd dan ginds een ezel. Het dier is daar
bovendien in zijn Vaderland, en bezit er heel andere eigenschappen.

Ismaël zou als een woudezel worden.

Een woudezel is een wilde ezel, die de tegenwoordigheid der menschen
niet opzoekt, maar ontvliedt. De eenzaamste plaatsen zoekt hij bij
voorkeur op. Hij is schuwer dan eenig ander dier, doch omzichtig in
hooge mate. Hij beklimt met de meeste zekerheid steile rotsen, en
siddert niet wanneer hij aan zijne voeten een' gapenden afgrond ziet,
en met wellust kan hij, staande op eene rotspunt, den koelen bergwind
opsnuiven.

Of hij nu in alles het beeld van den voormaligen en tegenwoordigen
Arabier is?

Neen, niet in alles, maar toch in veel.

De echte Arabier van onzen tijd, op wien de geest der eeuwen zóó
weinig invloed gehad heeft, dat hij bijna nog dezelfde zeden en
gewoonten heeft, als de Arabier ten tijde van Job, haat nog immer den
Fellah, die zich een verblijf binnen de muren der steden gekozen
heeft. Hij is een merkwaardig man. Hij is nimmer zwaar van
lichaamsbouw, doch van statige, iets meer dan middelmatige lengte,
sterk en gespierd. Zijne behoefte aan spijs en drank voldoet hij, maar
in het gebruik ervan is hij altijd matig. Een Arabier, die dronken is,
werd nimmer gevonden, en evenmin een, die een zwelgend leven leidde.
Zijn lichaam, nimmer vertroeteld, is gehard tegen alle vermoeienissen,
en meest altijd heeft hij een opgeruimd humeur en eene dichterlijke
verbeeldingskracht. Gewoon in de woestijn om te dwalen en dus altijd
eene uitgestrekte vlakte voor zich te zien, wordt zijn gezicht zóó
scherp, dat hij op verren afstand reeds het aantal naderende ruiters
telt, als een ander nog niets ziet. De sobere omgeving waarin hij
leeft, doet hem acht geven op alles, en alles kennen tot in de
kleinste bijzonderheden. Hij ziet aan het voetspoor in het zand der
woestijn, of het van een' vriend of wel van een' vijand is, hij ziet
er aan of de voetganger vermoeid of niet vermoeid was, of hij een'
last droeg of niet. Zonder kompas vindt hij den weg door de woestijn,
die in hare eentonigheid _ons_ geen enkel herkenningsteeken geeft,
maar _hem_ honderden. Bij nacht is de heldere hemel met al zijne
sterren hem een boek, waarin hij altijd leest, zonder ooit aan de
laatste bladzijde te komen. Die sterren geven aan zijne dichterlijke
verbeeldingskracht elken avond eene hoogere vlucht. Geboren jager of
herder, is hij ook geboren koopman, altijd er op uit om zijn eigen
voordeel te behartigen. Zijne scherpzinnigheid doet hem bij alles
rekenen; zijne hebzucht doet hem zelfs onder vrienden, vijanden
vinden. En te midden van dit volk, zóó berekend, zóó scherpzinnig, zóó
hebzuchtig en zóó strijdlustig, kwam Mohammed met zijne nieuwe leer,
wier grondstellingen zoo volkomen pasten bij het karakter van die
woestijn-bewoners niet alleen, maar ook bij dat van de Fellahs of
steden-bewoners. Het loon, aan den strijd voor het geloof verbonden,
deed hen naar de wapenen grijpen om den geloofsstrijd te voeren; en
daar het Christendom in dien tijd in het Oosten zeer in verval was,
zoo verspreidde de nieuwe leer, gepredikt door mannen, die vol
geestdrift het zwaard in de rechter-, en den Koran of Mohammedaanschen
bijbel in de linkerhand droegen, zich buitengewoon snel. De nieuwe
leer deed den woudezel zijne woestijn, en den Fellah zijne steden
verlaten om de wassende maan, het symbool waaronder zij streden, tot
waarheid te maken. De aarde moest vol worden van den Islam, alle
monden moesten getuigen: »Er is maar één God, en Mohammed is zijn
Profeet.«

Wat Mohammed zelf wel nimmer zal vermoed hebben, is, dat zijne leer de
Arabieren maken zou tot veroveraars, reizigers en landontdekkers, ja,
tot mannen, die in dichtkunst, geneeskunde, wijsbegeerte, wiskunde,
sterrenkunde, en bouwkunde, ver boven de Westersche volken stonden.

Een machtig Oostersch rijk, dat der Kaliefen, ontstond, hetwelk naar
alle zijden zich ontwikkelde, naar alle kanten zijn' invloed deed
gelden. Door de Arabieren gesticht, was het na verloop van eene eeuw
grooter dan het Romeinsche Keizerrijk ooit geweest was. Sommige
Kaliefen waren zeer bekwame Regenten, en moedigden de kunsten en
wetenschappen op alle mogelijke wijzen aan. Handel en nijverheid
bereikten eene verbazende hoogte, en bijna alle streken der Oude
wereld werden door de Arabieren bezocht. Zij kwamen in China; ze
kenden zelfs Japan; zij bereisden Voor- en Achter-Indiën, ze kwamen op
Sumatra en Java. Niet alleen Egypte en Afrika's noordkust bezochten
ze, maar ze drongen zelfs dieper in het »Zwarte werelddeel« door, dan
iemand vóór hen ooit gedaan had. En overal waar ze kwamen, predikten
ze den Islam. Bleef China ook grootendeels voor hen gesloten, Voor- en
Achter-Indië, de Indische Archipel, Egypte en Noord-Afrika bleven dat
niet, en bijna overal verdrong daar de Islam den heidenschen
godsdienst. Aan de uitgestrekte macht der Arabieren kwam evenwel
spoedig een einde, want het rijk werd door binnenlandsche twisten
verdeeld, en in onderscheidene Staten gesplitst, welke ieder van
elkander onafhankelijk waren. Eén stam heeft zich zeer bekend gemaakt
door den stoot, dien ze gaf aan de opwekking van den Europeeschen
handel en de zeevaart. De bewoners van Toeran of Toerkistan, een woest
volk, hadden in de achtste eeuw reeds den Islam omhelsd. Dit belette
echter niet, dat zij jegens de Arabieren zeer vijandig gezind waren,
en, bij de verzwakking van het Kalifaat, maakten zij zich ook meester
van het Heilige Land, dat in handen der Arabieren was. Ook Jeruzalem
viel in hunne handen.

Jeruzalem! Wie kent niet Da Costa's:

    »Aan Babels wateren gezeten,
      denk ik aan Sion en verteer.
    Jeruzalem, hoe zoude ik U vergeten?
      mijn' rechterhand vergeet' zichzelf veeleer.«

Roerend en treffend schoon is Da Costa's klaagzang; maar eindelijk
gaat het klaaglied langs Golgotha over in een' juichtoon, en jubelend
klinkt het:

    »Maar neen! Gij zult weer ademhalen.
      Maar neen! Jeruzalem sterft nooit.«

Da Costa had gelijk! Hoe ook door de Romeinen verwoest en bijna ledig
gelaten, hoe ook door de Turken veroverd, uitgemergeld en verarmd,
Jeruzalem leeft nog, Jeruzalem sterft nooit, zoolang er nog één
Christen of één Israëliet leeft, want voor beiden is het oude Sion de
stad der steden. Nog altijd weent er de Israëliet bij den ouden muur
van Salomo's tempel, nog altijd knielt en bidt de Christen bij het
graf van zijn' Heiland.

Dat Israëlieten ter bedevaart opgaan naar de stad hunner Vaderen mag
eene zeldzaamheid heeten, maar dat de Christenen het doen naar het
Heilige graf, is eene vrome gewoonte, die bijna op denzelfden tijd
ontstond toen de Paaschgang der Israëlieten naar Salomo's tempel
ophield.

Men noemde zulke Christenen bedevaartgangers of pelgrims naar het
Heilige Land. Aan zulke tochten waren evenwel groote moeielijkheden
verbonden, doch wie telde in die tijden moeielijkheden waar het den
godsdienst betrof? Een Duitsch schrijver zegt: »Tot de scherpst
uitkomende karaktertrekken dier eeuwen mag wel in de eerste plaats
genoemd worden eene godsdienst-overtuiging, die bijna tot dweperij
oversloeg, een gloeiend leven van het hart. Ze vervulde den geest, ja,
die geloofs-overtuiging was de ziel der menschheid zelve.«

En van het Heilige Land heet het bij dezen schrijver: »Heilig was daar
iedere voetbreed gronds, en van aanbidding stroomde over het hart des
pelgrims, die dezen grond betreden mocht. Zijn geestelijk oog zag de
poorten des hemels daarbij geopend.«

Zouden zulke geloovigen angstvallig eerst alle moeielijkheden wikken,
alle zwarigheden wegen, alle gevaren tellen? Neen, men ging zonder dat
alles te doen; men bestreed vol vreugde de moeielijkheden; men
trotseerde vol verlangen alle zwarigheden; men tartte vol geloofsmoed
alle gevaren, als men maar in het Heilige land komen mocht en als men
maar bidden kon aan het graf van zijn' Heiland en Heer.

Maar, waar de Arabieren die bedevaarten geduld hadden, ook omdat ze
vele voordeelen aanbrachten, daar begonnen de woeste en dweepzieke
Turken de Pelgrims te mishandelen, te plunderen en soms te dooden.

Wat moesten de Christenen van Europa doen?

Ze duldden jaren lang den smaad hun door de Turken aangedaan; de tijd
scheen nog niet rijp voor een' grooten geloofsstrijd.

Maar in het jaar 1094 verscheen te Jeruzalem, als Pelgrim, een
voormalig krijgsman uit Normandië, die het strijdveld verwisseld had
met de kluizenaarshut, en deze alweer had verlaten om den pelgrimsstaf
op te nemen.

Hij was een klein en onaanzienlijk man, die »Peter de Kluizenaar« of
»Peter de Heremiet« heette. Maar in die eeuw van ijzer, staal,
mannenkracht en dapperheid, zou deze eenvoudige man, alleen gewapend
met eene wegsleepende welsprekendheid en een' brandenden geloofsmoed,
de heele Christenwereld in beweging brengen en bezielen tot een'
strijd op leven en dood tegen de overweldigers van alles, wat den
Christen dierbaar was. Toen hij in Jeruzalem zag, wat de Christenen
van de Turken te lijden hadden, vatte hij een grootsch plan op. Hij
keerde naar zijne Vaderstad Amiens, terug, doch nam zijn' weg over
Rome, waar hij, toegelaten tot Paus Urbanus II, met de treffendste
kleuren den ellendigen toestand der Christenen in Palestina schetste,
en hij wist met zulke bezielende woorden te spreken over de
noodzakelijkheid, dat alle Christen-vorsten de wapenen moesten
opnemen, ter verovering van het Heilige Land, dat de Paus hem terstond
zijne medewerking beloofde. Hij hield die belofte ook trouw, en begon
met Peter aanbevelingsbrieven te geven aan de voornaamste Vorsten van
Europa. En Peter ging van land tot land, van het eene Vorstenhof naar
het andere, en overal predikte hij met eene wegsleepende kracht, die
allen bezielde, die alle harten deed ontbranden, het lijden en de
verdrukking der Christenen. Hij was onweerstaanbaar, en vol geestdrift
togen Vorsten, Edelen, Bisschoppen en voorname Heeren naar Clermont,
waar de Paus eene groote Kerkvergadering houden zou. Daar was het, dat
de Paus met eene welsprekendheid, welke misschien die van Peter de
Heremiet nog overtrof, voor duizenden eene toespraak hield en den
Kruistocht predikte.

O, het moet een oogenblik geweest zijn, zooals de heele
wereldgeschiedenis maar enkele oogenblikken telt, toen door die
duizenden den kreet aangeheven werd: »God wil het! God wil het!«

Bij die uitroepen bleef het niet; men ging over tot daden, en onder
aanvoering van Godfried van Bouillon, Hertog van Lotharingen, werd den
vijftienden Juli van het jaar 1099 Jeruzalem ingenomen, nadat over en
weer door zwaard en ziekten duizenden en nogmaals duizenden gevallen
waren. Het Christen-koninkrijk Jeruzalem werd gesticht, en daar naast
ontstonden de Christen-graafschappen Tripolis en Edessa, benevens het
Vorstendom Antiochië.

Slechts achtentachtig jaar bleef dit Koninkrijk Jeruzalem bestaan, en
in 1291 ging met Tyrus, dat de Christenen aan hunne vijanden moesten
overgeven, de laatste Christen-vestiging in het Heilige Land verloren.
Ruim zes millioen Christenen waren bij die Kruistochten, men rekent er
meest altijd zeven, omgekomen, en schatten gelds hadden ze verslonden,
maar--de gevolgen waren onberekenbaar groot.

Vindt men nu nog op sommige plaatsen enkele menschen, die hun dorp of
hunne stad nimmer verlaten, en dus eene zeer bekrompen
wereldbeschouwing hebben, ze worden toch met den dag zeldzamer, en men
wijst hen bijna aan, als eene merkwaardigheid, met: »Kijk, die man
daar, hij is, zoo oud als hij is, nooit verder geweest dan zijn dorp
of zijne stad.«

Maar in die eeuwen was de toestand aanvankelijk juist omgekeerd, en
hij, die het gewaagd had, ver van huis te gaan, werd als eene
merkwaardigheid met den vinger aangewezen.

De Kruistochten brachten hierin eene verbazend groote verandering. Men
deed verre tochten; men kwam in een heel ander land, in een heel ander
klimaat; hier zag men dit, daar dat; hier merkte men het eene, daar
het andere op. De blik werd verruimd, en men leerde nieuwe behoeften
kennen. Vooral de mannen van den derden stand, de poorters en dorpers,
door het deelnemen aan een' Kruistocht van Lijfeigenen in Vrijen
herschapen, begonnen zulk een krachtig leven te ontwikkelen, dat ze,
in macht en rijkdom, Vorsten en Edelen boven het hoofd wiesen.

Overal ontwaakte onder hen een ondernemingsgeest, die voor geene
gevaren terugdeinsde, en die geest was de grondvester van machtige
steden, van Venetië en Genua bovenal. Die ondernemingsgeest, hoewel
hoofdzakelijk tendoel hebbende, eigen voordeel te bevorderen, dwong
echter ook om niet alleen vreemde talen te leeren, maar ook om de
aardrijkskunde en sterrenkunde te beoefenen.

Zoo iets van: »Er is maar één God en Mohammed is Zijn Profeet«, paste
vóór de Kruistochten elk land ook op zichzelf toe. Men wist het, ja,
dat er nog andere landen waren, doch ze kwamen bij het eigen land zoo
goed als niet in aanmerking. Na de Kruistochten was dat evenwel anders
geworden; de volkeren van Europa hadden elkander leeren kennen, en die
kennismaking leidde tot handelsbetrekkingen. Men begon gewassen te
verbouwen en voorwerpen te maken, met het doel om uit te voeren;
nieuwe handwerken, andere kunsten werden beoefend. De strijd om het
bestaan, vroeger tot de bewoners van elk land beperkt, werd nu
gestreden tusschen de volken onderling, en hij bracht leven en
beweging. Die strijd scherpte het verstand, spitste het brein en
maakte de hand vaardig. Werkelijk, de Kruistochten hebben het
dommelende Europa wakker geschud; ze zijn oorzaak geweest, dat van de
vijf werelddeelen, Europa _het_ werelddeel werd, en meteen de zetel
van beschaving, wetenschap en welvaart.

We noemden zoo even twee namen van steden, en wel Venetië en Genua.
Beide steden hebben door haren handel en hare macht in de
Middel-eeuwen eene te groote rol gespeeld om er hier niet van te
spreken.

Venetië ligt ten noorden van de Adriatische Zee, aan eene golf, die
denzelfden naam als de stad draagt. Bij den inval der Hunnen namen
vele bewoners van het vasteland de vlucht naar de menigte eilanden,
die in deze zee gelegen zijn. Waren dezen eerst afhankelijk van het
Grieksche en later van het Duitsche Keizerrijk, ze wisten voor een
groot deel zich daarna onafhankelijk te maken, en vormden eene
Republiek. Het hoofd van die Republiek droeg den naam van Doge, en de
Republiek zelve heette weldra, naar hare grootste stad, Venetië. Reeds
lang vóór de Kruistochten dreven de Venetianen een' levendigen handel
op Azië, doch het toppunt van bloei bereikte de Republiek eerst tegen
het einde der veertiende eeuw. Zij dreef vooral handel op Alexandrië
en Joppe in producten, die daar met karavanen aangebracht werden uit
de Indiën, en ze had zelfs, vooral door de bemoeiingen van den
beroemden Venetiaanschen reiziger Marco Polo, die diep in het rijk der
Mongolen drong, en de gunst wist te verwerven van den Khan of
Oppervorst der Tataren, handelsbetrekkingen aangeknoopt met het
tegenwoordige China. Door de reistochten van Marco Polo, diens Vader
Niccolo en neef Maffeo, werd vooral de aardrijkskundige kennis van
Azië zeer uitgebreid, en men ontwierp zelfs kaarten waarop, behalve
het bekende deel van Europa, bijna heel Azië voorkwam. Wel had,
volgens de Venetiaansche kaarten, dit werelddeel een voorkomen,
hetwelk in latere tijden bijna geheel gewijzigd moest worden om met
den waren toestand overeen te komen, maar veel vindt men er toch ook
op waaruit blijkt, dat men bij het vervaardigen ervan niet enkel op
overleveringen of phantastische verhalen vertrouwde, maar zelf
waargenomen had.

Niet minder dan vierentwintig jaar duurde hunne reis, en onnoemelijk
rijk keerden ze alle drie terug. Zóó rijk was Marco, dat de Venetianen
hem den bijnaam gaven van »Meester Millioen.«

Verwondering kan het niet baren, dat Marco Polo met zijne schatten den
lust bij anderen opwekte om ook in die verre landen der Tataren zaken
te gaan doen, en nog meer werd die lust opgewekt toen de beroemde man
zijn reisverhaal liet te boek stellen. Hij stierf echter in 1323, dus
vóór de uitvinding der boekdrukkunst, en deze alleen was instaat om
die reisbeschrijving algemeen te maken. En hoe prettig wist hij te
vertellen!

In zijn' tijd was de tegenwoordige Chineesche stad Hang-Chow-Foe aan
de rivier Tsien-Tang, de hoofdstad van het Chineesche of Tataarsche
rijk. Nu nog telt zij meer dan één millioen inwoners, doch Marco
zeide, dat hare bevolking toen één millioen zesmaal honderdduizend
_huisgezinnen_ bevatte; bovendien gaf hij aan deze stad den naam van
Quin-sai.

Om mijn' lezers eenig denkbeeld te geven, niet alleen van Polo's
verhaaltrant, maar ook over den toestand van China in onze
middeleeuwen, wil ik een gedeelte van zijn verhaal hier laten volgen.

»Quin-sai, de hoofdstad, verdient haar' naam: »Stad des Hemels«, ten
volle door hare grootte, schoonheid, rijkdom en welvaart. Zij is een
Paradijs op aarde. Naar mijne schatting heeft ze een' omvang van
vierenveertig Kilometers, dat is acht uur gaans. Zij ligt dicht bij de
zee aan eene groote rivier, wier wateren door tallooze kanalen in alle
richtingen door de stad stroomen, en alle vuilnis medevoeren naar zee,
zoodat er de grootste zindelijkheid heerscht, en de lucht er steeds
frisch is. Wel twaalfduizend bruggen verbinden de verschillende
stadsdeelen met elkander, en naast de kanalen heeft men breede
straten. De meeste bruggen hebben zulke groote bogen, dat de schepen
er onderdoor kunnen varen zonder de masten te strijken. Er zijn
verscheidene groote pleinen tot markt ingericht, en elk plein is
omgeven door steenen gebouwen, waarvan de beneden-verdiepingen als
winkels in gebruik zijn. De verschillende straten loopen alle op de
marktpleinen uit, en overal vindt men inrichtingen tot het nemen van
koude of warme baden, waarvan ieder van zijne jeugd af, gebruik maakt
eer hij aan den maaltijd gaat. Op tien groote plaatsen wordt driemaal
in de week markt gehouden, en ongeveer vijftigduizend menschen begeven
zich telkens naar iedere markt om daar het noodige tot levensonderhoud
te koopen. Wild en gevogelte vindt men er in overvloed en tegen
billijke prijzen. Zoo betaalt men voor een paar ganzen met nog vier
eenden slechts tien penningen. Ander vleesch kan de werkman niet eten,
want het vleesch van runderen, schapen en geiten is zóó duur, dat
alleen de rijken het betalen kunnen. Onverschillig in welk jaargetijde
men de markten bezoekt, altijd vindt men er een' rijken voorraad van
het heerlijkste ooft. Visch is er steeds in overvloed te vinden. Welk
een omzet op deze markten is, kan blijken uit de opgaaf van één
artikel, dat verhandeld wordt, namelijk peper, waarvan de Tataren
groote liefhebbers zijn. Elken dag zet men meer dan tienduizend pond
van deze specerij om.

»De inwoners hebben eene blanke gelaatskleur, en kleeden zich steeds
in zijde, die hier in den omtrek veel gewonnen wordt. Er zijn twaalf
hoofdambachten, en iedere zoon is verplicht het ambacht van zijn'
Vader te leeren. De rijke werkbazen doen niets anders dan op het werk
wat rondloopen om toezicht te houden. De vrouwen pronken den heelen
dag met hare prachtige zijden kleederen en schitterende juweelen, of
brengen in sierlijk ingerichte vertrekken, den dag met nietsdoen door.

»De huizen, die gewoonlijk van hout zijn, hebben sierlijke voorgevels,
voorzien van mooi snijwerk en beschilderd met allerlei wonderlijke
figuren. Van oorlogvoeren weten de bewoners van Quin-sai niet, en
zelfs oproer en rooverij behooren bijna tot de onmogelijke
gebeurtenissen.

»De uitspanningen op het water overtreffen alle andere, en de stad met
haar onnoemelijk groot aantal paleizen, tempels, villa's, tuinen en
boomen, allen aan het water gelegen, biedt daardoor, den ganschen dag
door, eene bonte afwisseling.

»Is de dagtaak afgeloopen, dan denkt niemand aan wat anders dan aan
uitspanning. Met schuiten en wagens begeven de mannen zich in
gezelschap hunner vrouwen of kinderen naar tuinen, die alleen voor
openbare uitspanningen bestemd zijn.

»In elke straat is stellig één steenen gebouw, in den vorm van een'
toren. Het is zeer groot, en wanneer nu een brand uitbreekt, wat met
die houten huizen niet zelden het geval is, dan vluchten al de
bewoners van die straat met hunne kostbaarste have binnen dit steenen
gebouw.

»Op de voornaamste bruggen staat een wachthuis, dat steeds door tien
man bezet is. In elk wachthuis is een wateruurwerk, en het is nu de
hoofdtaak van die mannen, om aan het einde van elk uur met een houten
blaas-instrument en een metalen voorwerp, hiervan aan de bewoners
kennis te geven.

»Gedurende den nacht trekken wachters door alle straten. Hunne taak is
het, minder tegen diefstal te waken, dan wel te zorgen, dat iedere
bewoner op den bepaalden tijd in zijn huis geen licht of vuur meer
brandt, en dat niemand zich meer op straat begeeft.

»Elk hoofd van een gezin is verplicht om boven den ingang zijner
woning eene naamlijst van de bewoners te hangen. Sterft er een, dan
wordt de naam doorgestreept, en wordt er een geboren, dan wordt zijn
naam terstond onder de lijst geschreven. Zelfs zij, die vreemdelingen
en reizigers herbergen, zijn verplicht in een boek, niet alleen de
namen hunner gasten te schrijven, doch er moet tevens bij vermeld
staan wat ze zijn, wat ze komen doen, wanneer ze kwamen, wanneer ze
heengaan, en wáár ze heengaan.

»De inkomsten van den Groot-Khan,--thans noemt men hem
Keizer,--bedragen, alleen nog maar van het zout, niet minder dan zes
millioen vierhonderd duizend dukaten, en zijn heele inkomen wordt
berekend op ruim drieëntwintig millioen dukaten.

»Komt men eenmaal buiten de eigenlijke stad Quin-sai, dan zou men
wanen nog in de stad te zijn, ja, het is zelfs zóó, dat, vele
dagreizen afstands om Quin-sai, alles slechts ééne stad gelijkt.«

Van Japan, dat Marco Polo den naam gaf van Zipangu of Nipon, verhaalt
hij het volgende:

»De inwoners van Zipangu hebben eene heldere gelaatskleur en zijn zeer
beschaafd. Ze worden geregeerd door een' Koning, die geheel
onafhankelijk is van den Groot-Khan. Goud wordt er in overvloed
gevonden, doch het mag niet uitgevoerd worden. Het paleis van den
Koning is zoowel van binnen als van buiten, en van onder tot boven,
geheel met gouden platen belegd, ja, eenige meubelen zijn zelfs van
massief goud. Het heele Koninkrijk bestaat uit zeker meer dan
zevenduizend eilanden, die alle bewoond zijn, en specerijen en goud in
overvloed opleveren.«

Onze reiziger kwam ook in den Indischen Archipel. Hij vertelt van
Groot-Java, Klein-Java en Zeylan of Ceylon, welke eilanden alle rijk
zijn in goud en specerijen. Zelfs het tin-eiland wordt evenmin
vergeten, als de parelvisscherijen. Hij spreekt van afstanden over zee
in mijlen, en honderd, zevenhonderd, ja, vierentwintighonderd mijlen
afstands worden door hem genoemd. Maar trots die verbazende afstanden
kwamen de Tataren met hunne schepen daar bijna overal, en brachten
ongehoorde schatten in hun land terug.

Men begrijpt lichtelijk hoe deze reisbeschrijving, toen ze meer
algemeen bekend werd, de gemoederen in Europa in beweging, en de
hoofden tot denken bracht.

Wat er met schepen gedaan kon worden, bewezen de Tataren dat niet, die
honderden mijlen ver er zich mede waagden op zeeën, waarvan men niet
beter wist of er was geen einde aan?

En wat nu de Tataren konden doen, zouden dat de Europeanen niet
kunnen?

Ja, Marco Polo kon overdreven hebben, en waarom zou hij dat niet? Het
lag immers geheel in den geest van zijn' tijd om aan het fabelachtige
de voorkeur te geven boven het wetenschappelijke?

Wie kende niet de reisbeschrijving van den Missionaris Oderich van
Portenau? Veel van hetgeen Marco Polo verteld had, werd door Oderich
bevestigd, maar hoeveel fabelachtigs haalde deze Oderich er niet bij?

Had ook niet Marignola, Huis-kapelaan van Keizer Karel IV, als
Zendeling, zijne reistochten beschreven? Het boek, dat eigenlijk eene
Kroniek van Bohemen heeten moest, begon, omdat de schrijver
waarschijnlijk van Bohemen niet veel wist, van Adam en Eva in het
Paradijs af, en het wemelde van allerlei fabelachtige verhalen.

Niet veel beter, ja, misschien nog erger, maakte het de Engelsche
Ridder John Mandeville. Ook deze volbracht eene langdurige wereldreis,
want, in 1327 vertrokken, keerde hij pas in 1355 terug. Zijn
geschreven reisbericht gaf hij aan Koning Eduard III van Engeland, en
zelden verscheen er een boek, waarin zooveel zotternijen, die voor
waarheden moesten doorgaan, verteld werden.

Een ander reiziger, Johannes Schiltberger uit München, deed eene reis,
die van 1394 tot 1427 duurde. Als jong soldaat was hij in den slag bij
Nikopolis, in 1396, door de Turken gevangengenomen. Sultan Bajazid
liet al de gevangenen onthoofden, doch Schiltbergers leven bleef
gespaard, omdat hij nog maar zestien jaar oud was. Hij kwam in dienst
van den Sultan, en deze werd later op zijne beurt verslagen door
Tamerlan, waardoor onze gewezen soldaat, als slaaf, in dienst kwam van
dezen beruchten en wreeden Khan der Mongolen. Waar Tamerlan of Timoer
kwam, daar kwam ook Schiltberger, zoodat hij, eindelijk in zijn land
terugkomende, zeggen kon, dat hij in Klein-Azië, Egypte, Perzië,
Indië, de landen van de Kaspische Zee en in Zuid-Rusland geweest was.
Het ligt voor de hand, dat deze man, die in eene zeer ondergeschikte
betrekking, en tegen zijn' zin, die reizen makende, landen en volken
weer anders bekeek en beschreef dan Marco Polo en de Missionarissen
dit gedaan hadden. In vele opzichten kwamen echter allen met elkander
overeen. Het Oosten was een schoon en rijk land, met bewoners, die er
eene heel andere beschaving op nahielden dan de Christenen in Europa.
Het was onnoemelijk groot, en op sommige plaatsen buitengewoon
vruchtbaar, op andere weer woest en dor. De bewoners waren, óf
Heidenen, óf Mohammedanen, en sommigen woonden in steden, grooter dan
menig Vorstendom in Europa.

Dat alles was bij alle schrijvers te lezen, en het wekte hier de zucht
op van den koopman om schatten te gaan verdienen, en dáár de begeerte
om onder Mohammedanen en Heidenen het Kruis te gaan prediken. In beide
gevallen werd de aardrijkskundige kennis uitgebreid, en hiermede ook
menige andere wetenschap. Wanneer wij enkel oordeelen naar hetgeen de
Missionarissen der Middel-eeuwen _schreven_, dan zouden wij een zeer
verkeerd oordeel over hun gewichtig werk vellen. Doch ook zelfs zij
brachten veel tot stand, en helderden op, wat onduidelijk was. Hun
werk was het, dat de Genueezen een' handels- of karavanenweg kregen,
van de rivier de Don naar Peking, en hun werk was het ook, dat men
ophield te gelooven, dat de Kaspische Zee met de IJszee in verbinding
stond en derhalve geene open zee was. En, vóór een Marco Polo met de
zijnen in het land der Tataren en in hunne hoofdstad kwam, waren er al
Missionarissen geweest, zoodat men niet te veel beweert, als men zegt,
dat China, òf, zooals het door de Tataren genoemd werd, Kataï, ontdekt
werd door de Missionarissen.

Trouwens, zelfs in onzen tijd wordt het werk van Zendelingen en
Missionarissen maar al te veel zeer scheef beoordeeld. Ik gebruik hier
twee woorden, die eigenlijk hetzelfde beteekenen, alléén, omdat de
Protestant steeds van Zendelingen, en de Katholiek van Missionarissen
spreekt.

Terecht zegt de Duitsche schrijver Löwenberg, waarlijk geen man wien
men verwijten kan, dat zijne clericale gevoelens hem de zaak doen
overdrijven: »De ontdekker is de voorlooper van den zendeling, de
zendeling zelf dikwijls weder, ontdekker. Waar handelsverbintenissen
aangeknoopt worden, daar vestigt zich de Zendeling, en waar men
Zendelingsposten vestigt, daar ontstaat de handel.«

Willens blind moet men wel zijn, als men het werk van mannen, die in
onze eeuw leefden, zooals: Gutzlaff, Huc en Gabet in China, of van
Livingstone in Afrika, van weinig beteekenis voor de wetenschap
beschouwt. Maar ook reeds in de Middeleeuwen dreef het bevel van den
Heer Jezus: »Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, ze doopende in
den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen
onderhouden alles, wat ik u geboden heb,« tal van ernstige en vrome
mannen aan, om naar verre en onbekende landen te trekken, teneinde
daar het Evangelie te prediken, en, zonder dat ze het wilden, dienden
ze daardoor wetenschap en beschaving meteen. Het een _moest_
noodwendig met het andere samengaan.

Veel zoude er van die zendelingsreizen te verhalen zijn, doch daar het
mijn doel is, een boek te schrijven over de ontdekking van Amerika,
mag ik met de inleiding tot dit werk niet te uitvoerig zijn. Te meer
mag ik dit niet, omdat ik later toch op die Missies noodwendig wijzen
moet.

Wij verlaten dus voor een oogenblik de Lagunen-stad, zooals Venetië
ook wel eens genoemd wordt, om met enkele woorden te schetsen, wat
Genua voor den zeehandel, en daarmede voor de aardrijkskundige
wetenschap geweest is.

In het jaar 774 kwam Genua onder het rijk der Franken, doch toen na
den dood van Keizer Karel den Grooten, diens machtig gebied verdeeld
werd, bekwam Genua hare onafhankelijkheid. Haar heerlijk klimaat, maar
veel meer nog hare gunstige ligging voor den zeehandel, waren oorzaak,
dat zij in uitgebreidheid, aanzien en macht steeds toenam, en niet
weinig werd ze bevoordeeld door de Kruisvaarders, die zich het liefst
in hare havens voor den tocht naar het Heilige Land inscheepten.
Gaandeweg breidde zij dan ook hare macht uit, en veroverde niet alleen
het eiland Corsica, maar ook een groot deel van het eiland Sardinië.
De Keizer van het Byzantische rijk gaf hun zelfs in twee voorsteden
van Constantinopel vrijdom van tollen, en verleende hun de vrije vaart
op de Zwarte Zee. De Genueezen stichtten nu volksplantingen aan de
kusten dier zee, en maakten zich zelfs van het heele schier-eiland »De
Krim« meester. In gemeenschap met kooplieden uit Florence en Pisa
brachten ze ook langs een' karavanenweg, goud, edelgesteenten,
verfsoorten, vernis, vuurlak, porselein, thee, rabarber, zijden
stoffen, katoen, pelswerk, ja, ook Indische specerijen uit China naar
Europa, waar al deze waren buitengewoon veel aftrek vonden. Nog
grooter werden de voordeelen, welke de Genueezen behaalden, toen
Alexandrië en Joppe voor de Venetianen niet langer de stapelplaatsen
konden zijn van de Indische producten, omdat beide steden, na den val
van het Koninkrijk Jeruzalem, bijna altijd in handen der Turken waren.
Wel sloot Venetië menigmaal met de Mohammedaansche Vorsten een
handelsverbond, doch maar al te vaak werd dit alweer verbroken. Dat
hierdoor tusschen deze twee machtige handelssteden een naijver
ontstond, welke tot botsingen, ja, zelfs tot oorlogen aanleiding gaf,
is te begrijpen. Toch zou het te bezien gestaan hebben, wie op den
duur overwinnaar bleef, indien er niet heel wat anders gebeurd ware.

Tamarlan of Timoer, van wien we reeds gesproken hebben, maakte aan de
handelsbetrekkingen tusschen China en de Zwarte Zee een einde. Hij
veroverde in 1406 de landen om deze zee gelegen, en--Genua, beroofd
van haren voornaamsten handelsweg, moest nu vanzelf onderdoen voor
Venetië. De Venetianen, die altijd buiten de Zwarte Zee gehouden
waren, sloten nu andermaal verbonden met de Saracenen, en den Sultan
van Egypte en Syrië. Dezelfde voordeelen, die de Genueezen eenmaal te
Constantinopel verkregen, genoten nu de Venetianen te Alexandrië.

Verbazend is de macht, die Venetië ontwikkelde. Hare schepen bezochten
alle Europeesche havens, en omgekeerd bezochten Engelschen, Vlamingen,
Duitschers, Franschen, Portugeezen en Spanjaarden de havens der
beroemde Republiek, die, gesteund door haren rijkdom, voor heel Europa
het brandpunt werd van kunsten, wetenschappen en beschaving. Hoe ver
de Venetianen het in de aardrijkskunde gebracht hadden, bewijzen de
wereldkaarten, die ze maakten. Vooral zijn de twee kaarten van Fra
Mauro beroemd geworden. Eene ervan wordt nog altijd te Venetië
bewaard, en de andere kwam te Lissabon in handen der Portugeezen.
Natuurlijk zijn op die kaarten alleen Europa, Azië en Afrika
afgebeeld, en wanneer wij die afbeeldingen vergelijken met de
tegenwoordige, dan ontbreekt er zeer veel aan, maar voor dien tijd
waren ze zóó uitstekend, dat men niets beters wenschen kon.

Hoe die eene wereldkaart van Fra Mauro in Lissabon kwam, weet ik niet,
maar de Venetianen hadden wel mogen wenschen, dat dit niet gebeurd
ware, want de Portugeezen maakten er zulk een gebruik van, dat het de
ondergang, niet alleen van Genua, maar ook van de oppermachtige
Republiek Venetië ten gevolge had. Hoe dit geschiedde, zullen we in
een volgend hoofdstuk zien.




HOOFDSTUK IV.

DE PORTUGEEZEN.


Alvorens tot de beschrijving van de ontdekkingsreizen der Portugeezen
over te gaan, dien ik even te wijzen op de algemeene verarming van
Europa aan goud en zilver. Eeuwen lang had Azië in Europa ingevoerd,
en dit zou natuurlijk ook in het voordeel van Europa geweest zijn, als
dit maar naar Azië had kunnen uitvoeren. Dit was evenwel het geval
niet, want de Europeesche producten vonden onder de Aziaten bijna
geen' enkelen afnemer.

Men had in Europa ook goud- en zilvermijnen, doch deze waren ten
laatste zoo goed als geheel uitgeput, en het gevolg daarvan was, dat
alles, wat in ons werelddeel verbouwd of gemaakt werd, in prijs
daalde, en de volksarmoede hand over hand toenam. Zelfs de ongekende
weelde, die in de Brabantsche en Vlaamsche gewesten, in Genua, en
vooral in Venetië heerschte, kon den eenvoudigen blik van iemand, die
wat verder keek dan zijne naaste omgeving, niet bedriegen. Bleef die
staat van zaken bestendigd, dan zou ten slotte zelfs de weelde in de
genoemde landen verdwijnen, en het Christelijke Europa arm, ellendig
en van alles beroofd, zou nederig het hoofd moeten buigen voor
Heidenen en Mohammedanen, die meester van den handel waren, en prijzen
bedongen, die nergens naar geleken. Door hoevele handen gingen niet de
Oostersche producten eer ze in Europeesche schepen overgeladen waren!
Van handelswaren uit de tweede hand hebben, er was geene sprake van;
men kreeg ze misschien wel uit de twintigste hand.

Zoo was men te weten gekomen, dat de Indische specerijen, te
Alexandrië driemaal duurder waren dan te Calicoet, dat in Voor-Indië
ligt en toen de stad was, waar men de specerijen uit den Archipel
aanvoerde. Wilde men wierook, te Mecca betaalde men er vijfmaal minder
voor dan te Alexandrië. Zoo ging het met alles, en het kon niet
anders, zóó moest de welvaart van Europa ten gronde gaan.

Dit zagen ook twee Genueesche Edellieden, Thedisio Doria en zijn'
broeder Vivaldo, in, en daarom wilden zij beproeven of men niet langs
de zee, om Afrika heen, in de Indiën komen kon. Vol moed scheepten zij
zich in, doch nimmer keerden ze weder.

Dat was koren op den molen van de half-wetenschappelijke klagers.

Europa was er slecht aan toe, zoo redeneerden zij. Zag men niet
iederen avond de zon in zee ondergaan? Wat hielp het, al durfde men,
als de Tataren, honderden mijlen ver zich op den Oceaan wagen? Ging
men het Westen in, men kwam dan immers achter de zon en in eene
streek, waar steeds volslagen duisternis heerschte, en die
waarschijnlijk door afschuwelijke wezens bewoond werd. Voer men het
Zuiden in, dan zou men ten laatste in een land komen, waar de
zonnewarmte alles verbranden deed, en waar de hitte zóó groot was, dat
al het zeewater verdampte, en slechts het zout achterliet. Kwam men op
het land, men zou er alles verschroeid en verbrand vinden.

Hoogstwaarschijnlijk zullen er wel geweest zijn, die het er ook voor
hielden, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, en die redeneerden:
»Gaat men op de aarde van het Noorden naar het Zuiden, dan wordt ten
laatste de hitte zóó groot, dat alles er door verteerd wordt. Het
omgekeerde moet echter ook waar zijn, als men van het Zuiden naar het
Noorden gaat.« Die redeneering hielp evenwel zoo goed als niets, want
Noordelijken en Zuidelijken konden nimmer bij elkander komen. De hitte
wierp tusschen beiden eene grens op, welke niet te overschrijden was.
Die hittelijn, die we nu kennen onder den naam van Aequator,
Evennachtslijn of Linie was toen dus wel bekend, maar--als eene lijn
der verschrikking, die niet overschreden kon worden.

Of er meer waren, die aan de waarheid ervan sterk twijfelden, weet ik
niet, maar de geschiedenis wijst ons op iemand, die er niets van
geloofde, en alle krachten inspande, om aan die dwaze
veronderstellingen een einde te maken.

[Illustratie: PRINS HENDRIK DE ZEEVAARDER. (Geb. 1394, overl. 1460.)]

Hij heette Dom Henrique, of, zooals wij hem noemen zouden, Prins
Hendrik, en was de vierde zoon van Johan I, Koning van Portugal. Deze
Prins, geboren den vierden Maart van het jaar 1394, onderscheidde zich
reeds in zijn' knapen-leeftijd boven al zijne makkers. Geen als hij
was zoo vlug en stout in het behandelen der wapenen, en hierin was hij
dan ook geheel een kind van zijn' tijd. In een ander opzicht was hij
dat evenwel volstrekt niet, want als lans, zwaard en schild hunne taak
gedaan hadden, zocht hij geene andere uitspanning bij wijnbeker en
dobbelkroes, maar in de boeken, en het liefst van al studeerde hij in
aardrijks-, wis-, sterren- en zeevaartkunde. Eene ridderlijke figuur,
die door schoonheid, gepaard met dapperheid, de harten van alle
schoonen veroverde, als hij in het tornooi alle tegenstanders overwon,
was hij evenmin. Om lof der vrouwen bekommerde hij zich zóó weinig,
dat hij van zichzelven getuigde, dat hij van den dag af, dat er een
scheermes op zijn gelaat gebruikt was, nimmer aan eene vrouw een' kus
gegeven had. Nu, de schoonen waren er niet boos om, want zijn
vierkant, hoekig gelaat, met oogen, die nimmer eenige warmte
verrieden, trok niemand, althans geene vrouw aan. En dan, waar een
ander Ridder den beker ledigde, ter eere der Edelvrouwen, daar zag men
Prins Hendrik het hoofd met walging van den wijn afwenden. Bovendien
was hij ook nog half Geestelijke. Toen in 1312 de Orde der
Tempelridders opgeheven werd, stelde Dionysius, Koning van Portugal,
de Christus-orde in, en Paus Johannes XXII keurde ze goed. Deze Orde
verving die der Tempelridders, en bezat in Portugal groote schatten.
Door zijn' Vader werd Prins Hendrik er tot Grootmeester van
aangesteld.

Het doel der Christus-orde was, uitbreiding van de Christelijke Kerk,
en om dat te bereiken, sloeg de Vorstelijke Grootmeester het oog op
Afrika's westkust, waar hij voor zijn' werkkring een uitgestrekt veld
meende te zullen vinden. Dat in dit geval de prediking van het
Evangelie met het zwaard moest vergezeld gaan, was zóó geheel in den
geest van dien tijd, dat we er ons niet over verbazen moeten. Het moge
ons onmogelijk schijnen, de leer der hoogste Liefde ingang te doen
vinden langs den weg van bloed en tranen, toen meende men dat het zoo
goed als de eenige weg was. Een, die anders dacht, zou eenvoudig
aangeduid worden, als iemand, die het onmogelijke wilde.

Op eenentwintigjarigen leeftijd veroverde hij, in 1415, de sterke stad
Ceuta in Afrika, bij de Straat van Gibraltar gelegen, op de Mooren.
Thans behoort deze stad nog altijd aan Spanje, doch reeds kort nadat
hij ze ingenomen had, hadden de Mooren haar belegerd, en stellig zou
de zwakke bezetting haar hebben moeten overgeven, als niet Prins
Hendrik, aan het hoofd eener vloot, haar was komen ontzetten.

Koning Johan ziende, hoe het hart zijns dapperen zoons brandde van
verlangen, om de Saracenen of Mooren in Afrika te bestrijden, en hoe
hij de heele westkust van dit werelddeel, zelfs tot in onbekende
streken, beschouwde als het tooneel zijner werkzaamheid, droeg hem de
behartiging van Portugals belangen in dat werelddeel geheel op.

Om hierin beter te kunnen slagen bouwde de Prins aan een' zeeboezem,
die eene uitnemende, natuurlijke haven met reede aanbood, in Algarvië,
dus ten zuiden van Portugal, een kasteel, dat den naam kreeg van Villa
de Iffante, en later dien van Sagres. Hier stichtte onze Grootmeester
nu eene school, waar jongelieden onderwijs in de zeevaart konden
ontvangen, en behalve een arsenaal, verbond hij er eene sterrenwacht
aan. Vooral bestemde hij deze school voor de jonge Portugeesche
Edellieden, want hij begreep zeer goed, dat voor het kleine Portugal
de wijde zee een beter veld was om eer en wapenroem te behalen dan het
land. Genua en Venetië, ook klein in Europa, waren immers door de zee
machtig geworden? Hij deed dus alles, wat hij kon, om den lust voor de
zeevaart aan te moedigen, en op kosten der Orde, mogelijk ook uit
eigen middelen, rustte hij ieder jaar een schip uit, om hiermede
ontdekkingsreizen te gaan doen.

Tristam Vaz en Gonsalves Zargo, twee Portugeesche Edellieden, op zulk
een' tocht uitgegaan zijnde, werden door een' storm aangegrepen en
geheel uit den koers geslagen. Ze waren dus, wat men toen als een veeg
teeken beschouwde, »buiten westen«, doch zie, in dien hoogen nood
ontdekten zij het eiland Porto Santo, en daarna Madeira. Dit laatste
was reeds, zooals we weten, door de Phoeniciërs bezocht geworden,
zoodat het ons niet bevreemden moet, dat men op eene kaart van 1351,
ter plaatse waar nu Madeira ligt, een eiland vindt met den naam van
Isola di Legname, dat is »Houteiland«. Waarschijnlijk is het niet, dat
men nog bij overlevering van de Phoeniciërs wist, dat dit eiland zoo
houtrijk was, en denkelijk zal een Spanjaard, Portugees of Italiaan er
nog wel eens geweest zijn, doch zeker is het, dat niemand er aan
gedacht had om zich hier te vestigen. Prins Hendrik, alles vernomen
hebbende, besloot om het voor Portugal in bezit te nemen en te
bevolken. Het kreeg den naam van Madeira of »Woud-eiland«, omdat het
bijna over zijne heele uitgestrektheid met een bosch bedekt was. Door
onvoorzichtigheid van de Kolonisten, ontstond er evenwel een
boschbrand, die negen jaar aanhield, en bijna al het houtgewas van het
eiland vernielde. Het heerlijke klimaat, en de vruchtbaarheid van den
bodem waren oorzaak, dat het eiland de ramp spoedig te boven kwam. Hoe
schoon en vruchtbaar het eiland ook mocht zijn, toch meenden de
Portugeezen, dat al die zoogenaamde ontdekkingsreizen van Prins
Hendrik tot niets konden leiden, dan tot verarming van het land en
achteruitgang van den landbouw, waaraan nijvere handen onttrokken
werden. De Prins, hoe ook tegengewerkt, hield wakker stand, en wist
van geen wijken, hoewel hij verscheidene jaren moest laten
voorbijgaan, zonder wat meer te kunnen doen, dan Madeira en Porto
Santo zoo winstgevend mogelijk maken.

Eerst in 1431 begon men de eigenlijke ontdekkingen weer voort te
zetten. De Edelman Gonsalvez Velho Cabral ontdekte in dat jaar de
Formigas-eilanden, en een jaar later het eiland Santa Maria, dat het
eerste was van een' kleinen Archipel, later bekend onder den naam van
Azorische Eilanden, die achtereenvolgens van 1444 tot 1453 ontdekt
werden. Op een dezer eilanden vestigde zich eene Vlaamsche kolonie,
waarom de Nederlanders en Belgen dan dezen Archipel ook wel den naam
van Vlaamsche Eilanden geven.

We zijn thans evenwel onzen tijd vooruitgeloopen, en moeten weer
eenige jaren terugkeeren.

Langs de westkust van Afrika maakte men geene groote vorderingen, want
men kwam niet verder dan eenige graden ten zuiden van de Kanarische
Eilanden. Daar ligt op het vaste land Kaap Bojador. Zij is een
voorgebergte, en wel het westelijke gedeelte van het gebergte
Dsjebel-el-Aswad. Zij strekt zich vrij ver in zee uit, en tot op
grooten afstand van de kust is er de zee vol rotsen, riffen en
ondiepten, waar eene vreeselijke branding staan kan, welke voor de
scheepvaart zeer gevaarlijk is.

Hier was, volgens het gevoelen der Portugeesche kustreizigers, het
zuidelijkste punt der wereld, dat te bereiken viel, en hoewel deze
kaap reeds in 1291 door de Genueesche broeders Thedisio en Vivaldo
Doria omgezeild was, en tusschen de jaren 1364 en 1365 Fransche
zeelieden de Goudkust bereikt hadden, zoo was er in den tijd van Prins
Hendrik niets meer van bekend, en telkens als de Portugeezen tot deze
kaap genaderd waren, keerden ze terug.

Toen echter in 1432 de Portugees Gil Eanes, of, zooals hij algemeen
genoemd wordt, Gilianes, hier kwam, nam deze het stoute besluit, de
kaap om te zeilen, en tot verbazing van zijne manschappen, die slechts
met groote moeite en allerlei beloften over te halen waren geweest, om
hem te gehoorzamen, gelukte de poging. Gilianes behaalde met deze
koene onderneming wel roem, maar om roem alleen was het niet, dat men
zijn leven waagde en schatten van geld aan die ontdekkingstochten
besteedde. Men wilde er ook voordeelen van genieten, en deze waren al
zeer gering. Slechts wat robbenvellen en meer niet, bracht men van de
reis mede, zoodat de ondernemende Grootmeester steeds meer
tegenwerking ondervond.

Maar, men was zoo gelukkig om twee handels-artikelen te vinden, welke
ook de hebzucht konden tevreden stellen. Eén voornaam artikel was
stofgoud, dat men eens van eene reis medebracht, en we zagen het
reeds, goud had men in Europa meer dan noodig, en de hoop, dat men van
deze begeerde stof nog veel meer zou vinden, gaf alweer nieuwen moed.

Toch was stofgoud niet het voornaamste der twee artikelen.

Men was begonnen, Negers, die geen kwaad vermoedden, en met goede
bedoelingen bezield, de Blanken ontvingen, die op hunne kusten
landden, op te vangen, en mede te nemen als slaven. Zoo één flinke
Neger was dan ook heel wat waard, want gaarne werd er in Portugal eene
som van veertig lires voor betaald, dat ongeveer vijfhonderd gulden in
onzen tijd zou zijn.

Prins Hendrik staat algemeen bekend als een werkelijk vroom en edel
man. Hem moesten die slavenjachten dus zeer tegen de borst stuiten,
maar zijn verbieden zou gelijk gestaan hebben met een laten varen van
al zijne ontdekkings-plannen, welke niet mogelijk waren, als hij de
hebzucht er geene rol in liet spelen. Men dient ook wel in acht te
nemen, dat de algemeene geest van dien tijd heel anders was dan nu.
Waren die Negers wel menschen, die evenals de Blanken eene ziel
hadden? Stonden ze in het rijk der Schepping niet veel lager dan de
Christenen? Wat meer is, deed men er geen goed werk mede, met de aarde
van die zwarte monsters te verlossen?

Weet ge wat een zekere Azoerasa schreef?

Dit.

»God, Die alle goede daden beloont, behaagde het eindelijk om voor al
de ellende in Zijn' dienst geleden, hun,«--den schepelingen
namelijk--»een' roemrijken dag te verschaffen, en eene ruime
vergoeding te verleenen, voor al de onkosten, die gemaakt waren, want
men ving niet minder dan honderdvijfenzestig mannen, vrouwen en
kinderen!«

De arme Negers, die tegen de vuurwapenen der Portugeezen alleen hunne
vergiftigde pijlen konden gebruiken, waren nu op hunne hoede. Zij
zett'en wachters uit, en wanneer dezen in de verte een schip
ontdekten, waarschuwden zij hun' stam, en terstond werd dan de vlucht
genomen, diep in de bosschen ten Oosten, of verder langs het strand
het Zuiden in.

De Portugeezen werden dit gewaar, en ze begrepen zeer goed, dat aan
een najagen in de bosschen of langs het strand niet te denken viel, en
daarom besloten ze, heel wat verder het Zuiden in te zeilen, en dan op
eene plaats te landen, waar de vluchtelingen nog niet konden zijn, en
de bewoners derhalve niet gewaarschuwd waren voor het dreigende
gevaar.

De slavenjachten waren derhalve de eenige oorzaak, dat Prins Hendrik,
die in 1460 stierf, het nog beleven mocht, dat niet alleen Kaap Verd
werd omgezeild, want dit geschiedde in 1445, of dat men de rivieren de
Senegal en de Gambia ontdekte, want dit had plaats in 1445 en 1446,
maar dat men ook de kusten van Guinea bereikte, waar men peper en goud
vond.

Het voorname doel, dat de Grootmeester gemeend had te bereiken, van om
Afrika heen een' zeeweg naar de Indiën te vinden, was hem dus slechts
tendeele gelukt. Men was op weg om hem te vinden, doch nog een half
menschenleven zou moeten verloopen eer men Afrika's zuidelijkste punt
bereikte.

Eer we verder gaan, moet ik evenwel nog eene daad van onzen
ondernemenden Prins mededeelen, omdat ze eene zeer wijde strekking
had.

Zoodra hij begreep, dat Afrika grooter was dan men vermoedde, vormde
hij het voornemen om de grenzen van het betrekkelijk kleine Koninkrijk
zijns Vaders uit te breiden. Daarom vroeg hij aan den Paus eene
oorkonde, waarin deze verklaarde, dat al het land in Afrika, van kaap
Non tot in de Indiën, voor zoo ver het door de Portugeezen ontdekt
werd, tot Portugal behooren zou. Deze oorkonde werd verleend, en was
van zeer veel gewicht, want ook bij andere volken was de lust ontstaan
om op ontdekkings-tochten uit te gaan. Daar men evenwel nu zulk een'
verbazend langen weg moest afleggen, eer men aan eene streek kwam,
waar de Portugeezen nog niet geweest waren, en omdat men, vóór dien
tijd, nergens aan wal mocht komen, om reden de Paus het verboden had,
zoo zett'en ze die gedachten uit het hoofd, en peinsden ze op andere
ontdekkingstochten. Dat men dit vooral deed in Genua, welks handel
door Venetië dreigde ten gronde gericht te worden, is duidelijk, en
niet te stout is het beweren, dat dezelfde Pauselijke oorkonde, die
aan de Portugeezen zoovele voordeelen verschafte, ook eene voorname
oorzaak is geweest van de ontdekking van Amerika. Vandaar dus dat ik
zoo even de daad van Prins Hendrik van zulk eene wijde strekking
noemde.

Toen de man, die de ziel van alle ondernemingen geweest was, in zijn
zeeslot Agres, den laatsten adem uitgeblazen had, scheen ook de
Portugeesche ondernemingsgeest met hem gestorven te zijn. Gelukkig was
die geest slechts schijndood. De voormalige tegenstanders van den
Prins wisten echter te bewerken, dat Koning Alfonsus V, die van 1438
tot 1481 over Portugal regeerde, zich om dien schijndooden geest niet
veel bekommerde. Wel draagt hij in de geschiedenis den bijnaam van »de
Afrikaan«, doch dit is alleen daaraan toe te schrijven, dat onder
zijne regeering zulk een groot deel van Afrika ontdekt werd, waaraan
hij, ronduit gezegd, part noch deel had. Hijzelf deed niets anders,
dan in het noorden van Afrika oorlog voeren tegen de Saracenen. Ook
met Spanje lag hij telkens overhoop, en hij liet zich zelfs tot Koning
van Kastilië en Leon uitroepen. Van deze eigenmachtige verheffing
beleefde hij evenwel niet veel vreugde, want in 1476 werd hij bij Toro
geslagen, en na nog een vrij avontuurlijk leven geleid te hebben,
stierf hij in 1481. Deze oorlog in Spanje heeft meer met de
ontdekkings-tochten te maken dan men misschien wel denkt. De Edelen en
Ridders wilden veel liever roem behalen te land dan ter zee. Een
_paard_ was een' Ridder en Edelman waard, maar een _schip_ niet. Een
schip was voor een' matroos, voor een' koopman, en niet voor een'
Edelman. De Edelen verachtten de zee, en dit belette Portugal reeds
vroeger te worden, wat het later gedurende eenigen tijd werd: het
brandpunt van den Europeeschen handel.

Toch had onder Koning Alfonsus' regeering een zeer merkwaardig feit
plaats. De schijndoode geest was, zonder dat de Koning het wist,
ontwaakt, en vervolgde Prins Hendriks werk door de ontdekkingen langs
de Afrikaansche kust voort te zetten. In 1471 passeerde een
Portugeesch schip de Linie, en eenige graden ten Zuiden ervan ging men
aan wal.

Dit was eene gebeurtenis van buitengewone beteekenis, wat ieder
duidelijk zijn zal, als hij zich herinnert, wat we op de 42ste
bladzijde zeiden omtrent die onoverkomelijke grens tusschen het
Noordelijke en Zuidelijke halfrond van de Aarde.

Men had die hitte-lijn nu niet alleen bereikt, men had haar zelfs
overschreden.

Waar was nu het land waar alles verschroeid en verbrand was? Waar was
de verdampte zee? Had men ergens door eene pekelmassa, als door eene
zoutwoestijn, moeten varen? Was niet het land schoon en heerlijk als
een Paradijs? Was niet de zee, even als overal, vloeibaar?

Wat zouden nu de ongeluks-kraaiers, die zóóveel verschrikkelijks van
die grens tusschen Noord en Zuid hadden verteld, zeggen? Wat zouden ze
anders doen dan zwijgen of ruiterlijk bekennen, dat ze gedwaald
hadden?

Waarlijk, het overschrijden der Linie was een buitengewoon feit, en
met verbazing hoorde men, bij den terugkeer der schepelingen, in
Portugal het verslag van hun' merkwaardigen tocht aan. Er was dus
uitgemaakt dat het Noordelijke en Zuidelijke deel der aarde met
elkander volkomen één waren, en het is geen wonder, dat nu opeens
iedereen al zijne gedachten op dat onbekende Zuiden richtte. Zelfs de
Edelen en Ridders moesten er aan denken, maar evenmin als vroeger
wilden ze nu het oorlogspaard verwisselen met het schip; ze wilden het
zwaard niet prijsgeven voor het roer. Alle pogingen wendden zij aan,
om den Koning te bewegen, geen gehoor te geven aan dien drang naar
ontdekkingen. Zij bereikten hun doel, zeer tegen den zin van Prins
Johan, die zijn' Vader eens opvolgen zou, doch die nu nog machteloos
was.

Toen echter Koning Alfonsus overleden, en zijn zoon Johan II Koning
was, besloot deze het grootsche werk van Prins Hendrik voort te
zetten, doch wilde hij dat goed doen, dan moest er eerst een zeer
gewichtig werk verricht worden.

Ten Zuiden van de Linie toch waren andere sterrenbeelden zichtbaar
geworden, dan die, welke men ten Noorden ervan kende, en daar de
sterrenbeelden, met het kompas, zooals men dat toen had, de gidsen van
den zeeman op den Oceaan moesten zijn, zoo diende men in de eerste
plaats eene nieuwe sterrenkaart te maken.

Nu wilde het geval, dat zich in 1480 te Lissabon een zekere Duitscher
bevond. Hij heette Bohemus Behaim of, zooals anderen hem noemen,
Martinus Behaim. Hij was, zooals hij zelf beweerde, van geboorte een
Edelman uit Bohemen, doch had zich in Neurenberg aan den handel
gewijd. Om zich hierin meer te bekwamen, begaf hij zich naar Mechelen,
en legde zich daar vooral op den lakenhandel toe. Hij was evenwel geen
alledaagsch koopman, want in zijne vrije uren oefende hij zich in de
studie van aardrijks-, wis- en sterrenkunde, en weldra ontstond ook
bij hem de begeerte om reizen te gaan doen. Zoo ging hij van Mechelen
naar Antwerpen en van Antwerpen naar Lissabon, waar hij zich
inscheepte naar Afrika's westkust. In 1585 weer in Lissabon
teruggekeerd, sloeg Koning Johan II hem, ter belooning voor zijne
aardrijkskundige verdiensten, tot Ridder, en benoemde hem tot lid
eener Junta of Raad, die door den Koning belast was, met het
vervaardigen van eene nieuwe sterrenkaart.

Inmiddels waren de tochten langs Afrika's westkust voortgezet, en in
1484 had zekere Diago Câno de rivier de Congo ontdekt, en aan den
zuidelijksten mond van dezen machtigen stroom een' steenen grenspaal
opgericht. Die palen moesten geplaatst worden, opdat andere dan
Portugeesche zeevaarders, die hier kwamen, weten zouden tot hoever het
gebied van Portugal zich uitstrekte.

Men bevond dat de bewoners van den Congo geregeerd werden door een'
Koning, die over een machtig en zeer uitgestrekt gebied te bevelen
had. Hiervan wilden de Portugeezen gebruik maken door eenige
handels-verbintenissen met dezen Vorst aan te gaan, wat werkelijk ook
gelukte. Tegelijk hiermede begon men ook het bekeeringswerk, doch dat
maakte minder goede vorderingen, dan men wel gehoopt had.

Toen men eindelijk in Lissabon met de sterrenkaart klaar gekomen was,
besloot de Koning er onverwijld gebruik van te maken. Veel was er
indertijd ook verteld geworden, dat ergens in Afrika, en in de
nabijheid der Roode Zee, te midden van Mohammedanen en Heidenen, een
Christelijk Koninkrijk lag, dat geregeerd werd door een' Koning, die
den naam droeg van »Aartspriester Johannes«, en die een fabelachtig
man was, want sommigen plaatsten zijn Koninkrijk in Azië, te midden
der Tataarsche landen, en bijna ieder hield hem voor den Apostel
Johannes, die nog altijd op aarde leefde.

Later bleek het, dat dit Christelijke rijk er werkelijk was. Het was
het tegenwoordige Abessinië, dat bevolkt was met zoogenaamde Koptische
Christenen, die wel de Christelijke leer beleden, doch zóó vermengd
met allerlei Heidensche en Mohammedaansche begrippen, dat die leer in
de oogen der Europeesche Christenen volstrekt geene genade kon vinden.

Nu was men door de ontdekkingen te weten gekomen, dat Afrika, naarmate
men zuidelijker kwam, in breedte afnam, wat juist tegen het algemeene
gevoelen in was, want ieder, die zich eenigszins met de aardrijkskunde
inliet, geloofde dat Afrika steeds breeder werd. Daar het nu gebleken
was, dat men hierin verkeerd gezien had, zoo vormde Koning Johan II
het plan om Afrika te laten omzeilen. Kon men dat gedaan krijgen, dan
moest men dat Christelijke rijk op Afrika's oostkust opzoeken, en
vervolgens trachten, om, in verbinding met die Christenen, Indië te
bereiken.

Eene kleine vloot werd nu uitgerust, en het bevel hierover ontving een
zeeman, die zich door zijne vroegere reizen reeds een' grooten naam
gemaakt had. Hij heette Bartholomeus Diaz.

In 1486 verliet Diaz met zijne drie schepen, en begeleid door de beste
wenschen en zegenbeden van den Koning, de haven van Lissabon.

Hij had den tijd van afreis evenwel slecht gekozen, want al spoedig
werd hij door stormen overvallen, en was hij genoodzaakt, wilde hij
geen gevaar loopen op de kusten schipbreuk te lijden, de ruime zee te
kiezen.

Was dit zeer tegen den zin der bijgeloovige bemanning, weldra dacht
deze nu bovendien, dat het voor goed met haar gedaan was.

Een storm stak op, een storm, zóó hevig en langdurig, als niemand er
nog een beleefd had. Drie dagen en drie nachten vlogen de logge
vaartuigen, met eene ongekende snelheid, langs den woedenden Oceaan.
Wat al doodsangsten stond men uit! Altijd en altijd maar door joeg men
het Zuiden in. Het verbrande land en de pekelzee begonnen weer in hun
ontsteld brein te spoken, tot een der matrozen tot de ontdekking kwam,
dat het water niet warmer, doch wel koeler werd. Dat stelde wat
gerust, en toen eindelijk de storm ging liggen, en men de aangebrachte
schade zoo goed mogelijk hersteld had, kwam men ook tot nadenken. Wat
moest er nu gedaan worden? Men raadpleegde sterrenkaart en kompas, en
eindelijk werd besloten den steven in oostelijke richting te wenden,
ten einde zoo doende Afrika's westkust te bereiken.

Het was evenwel om moedeloos te worden. Dagen aaneen zeilde men in die
richting voort, doch Afrika's kust, zoo vurig begeerd, doemde niet aan
de kimmen op.

Wat moest men ook niet ver van de heete luchtstreek verwijderd zijn!
Inplaats van last van de warmte te hebben, waren de matrozen soms zoo
verkleumd van koude, dat ze het werk in het scheepswant en op het dek
bijna niet verrichten konden.

Het is moeielijk te bepalen, hoe ver Diaz op dien tocht, waarop hij,
veertien dagen lang, op geene honderden mijlen na wist, waar hij zich
bevond, wel geweest is.

Gedwongen door zijn volk van koers te veranderen, richtte hij nu den
steven noordwaarts, en thans smaakte men na eenige dagen zeilens de
onbeschrijfelijke vreugde van in het gezicht der kust te komen.

Men had Afrika weer teruggevonden.

Op welke breedte?

Wat gaf dat? Afrika was het, en meer behoefde men niet te weten.

Hoe zullen die mannen te moede geweest zijn, toen ze weer den vasten
bodem onder hunne voeten voelden!

Maar,--het land was veranderd, want hier heerschte niet die
ondraaglijke warmte van Guinea en van de Congokust. De plantengroei
was ook een heel andere, en de bewoners, die ze terloops gezien
hadden, doch die met hunne koeien, die ze bij zich hadden, vol vrees
het land in gevlucht waren, neen, dat waren niet de kroesharige Negers
van het warme gedeelte van Afrika.

Al deze gegevens versterkten Diaz in zijn geloof, dat men hier dicht
aan de zuidelijkste punt van Afrika moest zijn, en dat men deze maar
om te zeilen had, om in de Indiën te komen.

Met groote moeite kreeg hij het van zijn volk gedaan om nog wat
zuidelijker te stevenen.

Al dieper en dieper kromp de kust naar het Oosten in. Hij zou er
komen! Hij zou zijn doel bereiken!

Daar ontdekte hij eene buiging naar het Zuiden.

Het was bij eene kaap, en--wat was daar aan de andere zijde?

Maar vreeselijke stormen beroerden ginds de wateren; de matrozen
wilden niet verder. Ze waagden niet andermaal hun leven op dien
woesten Oceaan, om daar te verdrinken of van koude om te komen. Ze
zouden en ze moesten terug.

Diaz was overtuigd, dat hij Afrika's zuidpunt gezien had, en noemde
die kaap »Cabo de todos los Tormiëntos«, dat is »Voorgebergte der
Kwellingen« of »Stormkaap«.

De terugreis werd thans aangenomen, en na eene afwezigheid van zestien
en eene halve maand kwam hij in het Vaderland terug, waar hij den
Koning verslag van zijne gewichtige reis deed.

Koning Johan was verrukt van blijdschap, en vol hoop dat men thans den
zeeweg naar de Indiën om Afrika heen vinden zou, veranderde hij den
naam van »Stormkaap« in dien van »Cabo de Buéna Esperanza« of »Kaap de
Goede Hoop«, en zóó heet Afrika's zuidelijkste punt nóg altijd.

De hoop van den Koning, om, met medewerking van de Christenen uit het
rijk van den »Aarts-priester Johannes«, de Indiën te kunnen bezoeken,
was niet vervuld, en thans besloot hij een' anderen weg in te slaan.
Hij zond twee ondernemende mannen, Covillam en Payva, die beiden met
het Arabisch bekend waren, uit, om over land dat Koninkrijk te
bezoeken. Beiden kwamen te Caïro en scheidden daar van elkander. Payva
had genoeg inlichtingen verkregen om er niet aan te twijfelen, of dat
Christenrijk lag ten Zuiden van Egypte. Hij ging er heen, doch keerde
nimmer weder. Covillam daarentegen scheepte zich naar de Indiën in, en
kwam op die reis niet alleen te Calicoet, maar ook te Goa. Hij keerde
nu naar Caïro terug, en liet vandaar den Portugeeschen Koning bericht
geven van alles, wat hij in de Indiën gezien had. En dat bericht was
zóó gewichtig, dat de Koning besloot om er nu met alle krachten naar
te streven, over zee die rijke gewesten te laten opsporen. Wanneer hem
dát gelukte, dan waren Venetië en Genua ten ondergang gedoemd, en zou
Lissabon hare plaats vervangen! Welk eene schoone toekomst lachte hem
tegen!

De grootste voordeelen van den handel genoten immers de gehate
Mohammedanen, die zich met het goud en zilver der Christenen
verrijkten! Gelukte het hem, den weg over zee naar de Indiën te
vinden, dan verkregen de Portugeezen, dus de Christenen, alle zoo
vurig begeerde Oostersche producten uit de eerste hand. Schatten
zouden dan Portugal, en, ja, ook Europa binnenstroomen. De macht van
het goud zou in handen der Christenen komen, en den val van den Islam
bewerken.

Arme Koning!

Te midden zijner schoone droomen werd hij uit het leven gerukt. En die
droomen waren nog niet eens altijd even schoon geweest, want de angst
van te laat te komen, deed hem er telkens uit wakker schrikken.

De Spanjaarden immers hadden, onder aanvoering van een' Genuees,
zooals men beweerde, de Indiën gevonden op eene westelijke vaart?

Koning Johan twijfelde eraan.

Had men de rijke Indiën wel gevonden? En zoo ja, wie kon zeggen hoe
oneindig groot dat rijk was, en of het voordeel niet aan de zijde der
Portugeezen zijn zou, wanneer ze de Indiën bereikten door het Oosten
in te slaan.

Het was een tijd van spanning, zooals men er op het Pyreneesche
schiereiland nog nimmer een beleefd had.

Te midden van die spanning, die worsteling liever, legde Johan II voor
goed het hoofd neder, en werd opgevolgd door den verlichten en
geleerden Dom Emanuel, die in de geschiedenis den bijnaam draagt van
»de Groote«, of ook wel »de Gelukkige«.

Na de regeering van het land verbeterd te hebben, was thans zijn
eerste werk om het plan van zijn' wakkeren en ondernemenden voorganger
uit te voeren.

Vier schepen werden uitgerust, en het bevel ervan droeg hij op aan
Admiraal Vasco de Gama. Een der Onderbevelhebbers was de welbekende
Bartholomeus Diaz.

Gelukkiger keuze had Koning Emanuel wel niet kunnen doen, want meer
nog dan Diaz, was Gama van een doorzettend en onbevreesd karakter,
terwijl hij ook, als zeeman, zeer veel ondervinding opgedaan had.

Hij zeilde den achtsten Juli 1497 uit, doch ook deze tijd had beter
kunnen zijn, evenals die van Diaz, want kort na het vertrek hadden de
schepen, die met honderdzestig koppen bemand, en zeer goed bewapend
waren, met tegenwind te kampen, ja, het duurde niet lang, of ook zij
werden door stormen aangegrepen, en buitengewoon ver uit den koers
geslagen. Hij kwam zelfs zóó ver het Westen in, dat enkele
geschiedschrijvers niet alleen melden, dat hij Brazilië ontdekte, maar
dat hij het zelfs op de gebruikelijke wijze voor zijn' Koning in bezit
nam.

[Illustratie: VASCO DE GAMA. (Geb. omstr. 1469, overl. 1524.)]

Na een' moeielijken tocht vol gevaren, die het volk alweer bewogen om
oproerig te worden, kwamen de schepen eindelijk aan Kaap de Goede Hoop
aan, en--den twintigsten November 1497 had men Afrika omgezeild, en
kon men den koers noordelijk richten.

Merkwaardig was deze reis in alle opzichten, want welk eene verbazende
uitgestrektheid lands bracht men nu niet aan de kroon van Portugal!
Wat maakte men niet al kennis met voortbrengselen van allerlei aard,
voortbrengselen, die uitmuntten door hunne hooge waarde, en
voortbrengselen, die zich vooral kenmerkten door de buitengewone
voordeeligheid in de dagelijksche samenleving.

Merkwaardig was deze reis vooral, omdat men thans de Indiën bereiken
zou langs een' heel anderen weg dan de Spanjaarden. En door schepen,
die Portugal reeds aan de kusten der Roode Zee had laten uitrusten,
was men verzekerd geworden, dat de rijke Indiën dáár lagen, waarheen
men den koers richtte. Die wetenschap gaf zelfs den morrenden matroos
moed, en den twintigsten Mei 1498 liet de moedige en volhardende
Admiraal het anker vallen voor de groote en rijke handelsstad Calicoet
in Voor-Indië.

Gaarne zouden wij deze reis zoo uitvoerig beschreven hebben, als zij
het verdient, maar wij moeten naar Europa terug om te vernemen, wat
daar is voorgevallen met de Spanjaarden, die reeds zes jaren vroeger,
zooals zij meenden, de Indiën gevonden hadden.

[Illustratie: CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (Geb. te Genua? 1446?-Overl. te
Valladolid 1506.)]




DE ONTDEKKING VAN AMERIKA.




HOOFDSTUK V.

DE DAGERAAD DER NIEUWE GESCHIEDENIS.


In het vorige hoofdstuk spraken we met een paar woorden van zekeren
Martinus Behaim, die te Lissabon vertoefde, en daar door den Koning,
om zijne vele verdiensten tot Ridder geslagen werd, terwijl hij tevens
zitting kreeg in de Junta, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen zou.

Met opzet verzuimden we te melden met wien de Koning onzen Behaim daar
in kennis bracht, daar we den naam van één' man nog niet wilden
noemen, omdat de noodzakelijkheid zou medegebracht hebben dan ook een
en ander van hem te zeggen. Nu we echter gereed staan om van dezen man
zeer veel mede te deelen, kunnen we zeggen wie er door den Koning aan
Behaim voorgesteld werd.

Die man was Christophorus Columbus.

Er zijn zoo enkele personen in de geschiedenis, van wien bijna ieder
mensch wat gehoord heeft, en al brengen grondige nasporingen en
nauwgezet onderzoek ook al aan het licht, dat men den bewusten persoon
te veel verheerlijkt heeft, en dat hij veel minder deed dan men
geleerd had, toch wischt al het water van de zee zijne daden niet uit,
welke van hem in het boek der geschiedenis staan aangeteekend, en
geene reuzenmacht is instaat den invloed te keeren, door hem op de
geheele wereldgeschiedenis uitgeoefend.

Zulk een man was Christophorus Columbus, de ontdekker van Amerika, of,
zooals we uit de reizen der Noormannen gelezen hebben, de
weder-ontdekker van dat werelddeel.

Het zal iedereen wel eens opgevallen zijn, dat men van de jeugd van de
meeste beroemde mannen zoo weinig zekers weet mede te deelen. Dit is
echter zeer natuurlijk. Van Vorstenkinderen weten we vooraf, dat ze,
als volwassenen, reeds door geboorte zoowel als door afkomst, zich
boven alle andere menschen zullen verheffen, al maken zij zich ook
niet door hunne daden beroemd. Heel anders is dat met een kind, wiens
Ouders tot de gewone burgers of volksklasse behooren. Dat kind leeft
geheel met andere kinderen mede, en niemand denkt er aan om
aanteekeningen van zijne jeugd te maken, ten einde later in de
gelegenheid te zijn, om eene volledige levensbeschrijving te kunnen
geven.

Een kind zulk eene opleiding geven, dat het een beroemd man _moet_
worden, is ten eenenmale onmogelijk, want het karakter en de aanleg
van het kind, benevens de omstandigheden waaronder het opgroeit,
hebben een' beslissenden invloed. Geene duizend Professoren waren
instaat, Piet Hein er toe te brengen, dat hij de Spaansche Zilvervloot
nam, dat De Ruyter den Vierdaagschen Zeeslag won, dat Rembrandt zijne
»Anatomische les« wist te scheppen, dat Cromwell een' Koning op het
schavot kon brengen, dat Washington de machtigste Republiek der Nieuwe
Geschiedenis grondvestte, en dat Napoleon zich eene Keizerskroon op
het hoofd drukte.

Nu is het met Columbus op dezelfde wijze gegaan, als met al de
beroemde mannen hier zoo even genoemd. Van de kinderjaren weten we van
hem zelfs nog minder, want nog altijd zoekt men naar het jaar en de
plaats zijner geboorte.

Als geboortejaren van Columbus worden vermeld 1435, 1436, 1446, 1447
en 1456. De meeste schrijvers van onzen tijd houden het er voor, dat
hij omstreeks 1446 geboren werd. Als zijne geboorteplaats noemt men
meestal Genua, doch zonder hieromtrent eenige zekerheid te kunnen
bijbrengen. De beroemde Engelsche geschiedschrijver William Robertson
zegt eenvoudig, dat hij »een onderdaan uit het Gemeenebest Genua« was.
Anderen zoeken zijne geboorteplaats op Corsica. De Spanjaarden, die
hem haatten, gaven hem den scheldnaam van »Liguriër«, en daar Genua in
de landstreek ligt, die oudtijds Liguria heette, zou men lichtelijk er
toe kunnen overgaan, te gelooven, dat de Spanjaarden hem althans voor
iemand hielden, die in Genua geboren was. Maar die scheldnaam is ook
al geen bewijs, want het eiland Corsica, dat door de Genueezen
veroverd werd, schijnt ten tijde der Romeinen, en ook nog later, door
Liguriërs bewoond geweest te zijn.--Robertson echter, die geene
plaats, maar alleen een land noemt, houdt zich stellig het dichtst bij
de waarheid, want dat schijnt dan toch onomstootelijk waar te zijn,
dat de beroemde man in het gebied van Genua geboren werd. Hij was dus
een Genuees, en heeft bovendien in de stad Genua gewoond.

Zijne Ouders?

Robertson deelt mede, dat hij afstamde van een' aanzienlijk geslacht,
dat tot armoede vervallen was.

Washington Irving zegt, dat Fernando, een zoon van Columbus, schreef:
»Het zou naar mijne meening voor mij niet zoo vereerend zijn, wanneer
mijne Voorouders tot een adellijk geslacht behoorden, dan dat ik de
zoon van zulk een' Vader ben.«

Irving zelf beweert: »Columbus' Vader was een wolkammer, die geruimen
tijd in de stad Genua heeft gewoond.«

Columbus zelf heeft echter gezegd, zoo lees ik bij een Duitsch
schrijver van onzen tijd: »Men mag mij eene afkomst geven, welke men
wil. David was eenmaal schaapherder, en ik ben een dienaar van
denzelfden God, die hem tot den troon verhief. Of mijn stamboom
adellijk of niet adellijk is, daarop komt het al heel weinig aan.
Genoeg, mijn bloedverwant of Stamvader Columbus stamde met mij van de
oudste familiën der aarde af, en zonder mij te bedenken, durf ik mijn'
stamboom bij Adam beginnen.«

Winkler Prins zegt in zijne Encyclopædie, dat hij een bloedverwant van
Admiraal Domenico Columbus was, doch als we lezen, dat een kleinzoon
van Admiraal Piet Hein aan den Amsterdamschen Magistraat zich bekend
maakte, als een »spellebaas«, die om een plaatsje voor zijne tent
vroeg, dan zegt de bloedverwantschap van Admiraal Columbus al heel
weinig. Admiraal de Ruyter, die als Hertog stierf, kan wel neven gehad
hebben, die in lompen door 's heeren straten gingen.

Maar wat doet die afkomst er ook toe? Als een bierdragers-jongen een'
Vierdaagschen Zeeslag kon winnen, dan kon ook een wolkammers-zoon wel
een werelddeel ontdekken.

»Gij zijt van geene edele afkomst,« duwde een trotsch en zeer voornaam
Athener den wijsgeer Socrates toe.

»Daarom verdien ik ook meer eer,« antwoordde Socrates »omdat mijn
adeldom bij mijzelven begint.«

Ook Columbus had zulk een fier, maar hooghartig antwoord kunnen geven.

Maar zijn naam? Hoe heette hij toch?

Als Italiaan heette hij Colombo; de Spanjaarden zett'en zijn' naam in
hunne taal over, en noemden hem Colon; waar men zijn' familie-naam in
de Latijnsche taal gebruikt, heet hij Columbus, en wanneer hij een
Nederlander van geboorte was, zou zijn familie-naam »Duif« zijn.

Ook zijn voornaam wordt verschillend geschreven. Wij, Nederlanders,
zouden hem alweer »Stoffel« noemen, wat eene verkorting is van
Christoffel. De Latijnsche naam _Columbus_ eischt Christophorus, en de
Spaansche naam _Colon_ eischt Christoval. De naam beteekent
»Christusdrager«, en zie, dat wenschte de man werkelijk te zijn. Hij
wilde niets liever dan als een wereldlijk Missionaris overal het
Evangelie verkondigen.

Hoe eenvoudig en arm zijn Vader ook ware, toch gaf deze Christophorus
eene zeer goede opvoeding, ja, we zouden haast geneigd zijn te zeggen:
hij gaf hem eene opvoeding boven zijn' stand.

Al heel vroeg toonde de knaap, dat de zee en verre landen hem meer
aantrokken dan de eenvoudige wolkammerij des Vaders, en daarom liet
deze den jongen onderwijs geven in de Latijnsche taal, en in de wis-,
aardrijks-, sterren- en teekenkunst. In het schrijven maakte hij zulke
verrassende vorderingen, zegt Las Casas, Bisschop van Chiapas in
Mejico, wiens Vader een reisgezel van Columbus was, dat hij, als hij
niet op eene andere wijze door de wereld gekomen was, hiermede zijn
brood had kunnen verdienen. Zelfs zou hij, volgens denzelfden
schrijver, ook instaat geweest zijn om met schilderen, of het geven
van onderricht in het rekenen en teekenen zich in het dagelijksch
onderhoud te kunnen voorzien. In hoever dit waarheid is, durf ik niet
verzekeren. Misschien, dat dankbaarheid hier wel wat overdreef, want
Columbus was oorzaak geweest, dat Las Casas te Salamanca kon
studeeren.

Behalve onzen Christophorus had Vader Columbus nog twee zoons,
Bartholomeus en Giacomo, welke laatste door de Spanjaarden in hunne
taal Diego genoemd wordt. Ter eere van onzen Christophorus mag het
gezegd worden, dat hij later voor die twee broeders uitnemend zorgde.
Ook had hij eene zuster, doch hiervan lezen we niets anders, dan dat
ze gehuwd was met een eenvoudig burger, die Giacomo Varello heette.

Dat Christophorus, of, zooals ik hem voortaan liever noem, Columbus,
op jeugdigen leeftijd zooveel lust toonde te hebben voor de
aardrijkskunde en alle aanverwante vakken, kan niemand bevreemden. De
aardrijkskunde was toen de wetenschap bij uitnemendheid, en in alle
plaatsen, die zeehandel dreven, en vooral in de kloosters, stond ze
zóó hoog aangeschreven, dat vele kloosterlingen van dat vak hunne
lievelings-studie maakten. Menig beroemd aardrijkskundige was van
beroep wat anders, en vooral onder de Artsen telde men vele
beoefenaars van deze wetenschap.

Zoo heel laag stond die wetenschap ook niet meer. Wel bewaarde men
eene groote globe, die Behaim te Neurenberg gemaakt had, als een
wonderstuk van vernuft, en bevatte ze menige dwaasheid, maar Arabische
geleerden, te Sennaar vergaderd, verstonden reeds de kunst om een'
lengtegraad te meten, en op de uitgestrekte vlakten van Mesopotamië
berekenden zij den omtrek der aarde. Neemt men hierbij in aanmerking,
dat de handelssteden, aan de Middellandsche Zee en in Spanje en
Portugal, begrepen, dat haar eigenbelang medebracht om andere
handelswegen te zoeken, dan zal ieder het natuurlijk vinden, dat
Columbus zoo vroeg mogelijk trachtte, zich in de aardrijkskunde te
bekwamen, en het geluk diende hem, dat hij een' bloedverwant had, die
Admiraal was.

Op zijn veertiende jaar ging hij naar zee, en als hij tot dien tijd
school gegaan heeft, dan kan hij, want zijn hoofd was buitengewoon
helder, als een wel ontwikkeld jongeling aanboord gekomen zijn. Al
dadelijk dient echter gezegd, dat zijn eerste Kapitein niet zijn
bloedverwant was.

Zijne eerste tochten deed hij in de Middellandsche Zee, doch weldra
maakte hij grootere reizen, en niet alleen naar Engeland, misschien
ook Antwerpen, maar zelfs naar IJsland, dat toen Thule genoemd werd.

Hoe lang hij daar in het hooge Noorden bleef, is niet bekend, doch de
IJslanders van dien tijd waren zeer beschaafde menschen, en stellig
zal Columbus daar wel wat vernomen hebben van het fabelachtige
»Wijnland«, dat hunne Voorvaderen eenmaal bezocht hadden, doch dat
daar nu ver in het Zuiden geheel vergeten lag. Van IJsland werd de
reis zelfs nog noordelijker voortgezet, zoodat hij eenige graden over
den Noordpool-cirkel kwam. Handelsbelangen kunnen hem daar niet heen
gevoerd hebben, zoodat we aannemen mogen, dat deze Noordpool-tocht
alleen in het belang der wetenschap, en een gevolg van de Pauselijke
bul aan Portugal was.

Van die groote reis teruggekeerd, trad hij in dienst van zijn'
bloedverwant, den Admiraal Columbus, die evenwel alweer niet veel
verder kwam dan de Middellandsche Zee, om de Genueesche koopvaarders
tegen de Venetianen en de Noordafrikaansche of Barbarijsche zeeroovers
te beschermen.

Eens echter bevond hij zich met de vloot in de Spaansche Zee, in de
nabijheid van de Portugeesche kust. Daar raakte men met eenige
Venetiaansche schepen, die uit Nederland kwamen, slaags. Columbus
gedroeg zich dapper, doch zijn schip werd in brand geschoten, en om
zijn leven te redden, sprong hij in zee. Met behulp van een
losgeslagen roer wist hij de Portugeesche kust te bereiken, en nu hij
daar eenmaal was, besloot hij naar Lissabon te gaan, waar hij zeker
was, landgenooten te vinden, want door het verloopen van den
Genueeschen handel, zochten velen elders hun geluk. Hij bleef daar
geruimen tijd, en geraakte in kennis met eene schoone, Felipa Monnis
de Palestrello. Haar Vader was een Italiaansch Edelman, die zich te
Lissabon gevestigd had. Dat Donna Felipa, niettegenstaande zij eene
adellijke Jonkvrouw was, zich zóó tot den Genueeschen zwerver
aangetrokken gevoelde, dat zij met hem in het huwelijk trad, is wel
verklaarbaar. »Columbus,« zoo zegt Las Casas alweer, »was een lang en
kloek gebouwd man, met eene edele en waardige houding. Zijn langwerpig
rond gelaat was niet bol, maar eer mager; het had eene heldere kleur,
en tusschen de lichtblauwe oogen, die van fierheid glinsterden, had
hij een' schoonen arendsneus. Wat hem vooral van zijne landgenooten
onderscheidde, was, dat hij blond hoofdhaar had, dat in rijke lokken
zijn sprekend gelaat omlijstte.« Als eene groote bijzonderheid merkt
dezelfde schrijver aan, dat »de zorgen des levens en eene gestadige
studie hem op zijn dertigste jaar reeds geheel grijs deden zijn.«
Indien dit waar is, dan zullen de zorgen des levens hiervan wel niet
de oorzaak geweest zijn, want tot op den dag van zijn huwelijk kon hij
waarlijk niet klagen, dat zijn leven zoo stormachtig en onrustig was.
Alleen de gedwongen zeereis op een drijvend scheepsroer, was het
ergste, wat hem wedervaren was, doch dit was voor een goed zeeman toch
geene reden, om het zich zóó aan te trekken, dat hij wit werd als eene
duif. Eer is het te denken, dat èn zijn naam »Duif«, èn zijn blond
haar, door de zuidelijke zwartharigen met elkander in verband gebracht
zijn, en dat de »blonde Columbus«, heel dichterlijk, »wit als eene
blanke duif« zal genoemd zijn.

Na het overlijden van zijn' Schoonvader kwam Columbus in het bezit van
eene plantage op het eiland Porto-Santo. Hij vestigde er zich
metterwoon, en het scheen dus, dat hij als een eerzaam planter zijn
leven zou eindigen, zonder dat hij nog nieuwe zeereizen gedaan had.
Dit scheen echter maar zoo, want het verbouwen van suikerriet en
wijnstokken, in eene aangename luchtstreek, op een vruchtbaar eiland,
mocht anderen aantrekken en behagen, Columbus was er de man niet voor,
om in zulke landelijke bezigheden zijn genoegen te vinden.

Dikwijls liep hij langs de kust van zijn betrekkelijk klein eiland, en
meestal vergenoegde hij zich niet uitsluitend met het gezicht op het
heerlijke Madeira, dat hij heel in de verte, als eene nevelstreep, kon
zien liggen. Hij woonde hier aan het uiterste einde der wereld, zeide
men. En daar ginder in het verre Westen, achter de plaats waar de zon
onderging, was het land of de zee der eeuwige duisternis. Ja, dat had
men hem ook geleerd, maar, was het wel zoo? Zag men, als men in de
Middellandsche Zee was, ook niet de zon ondergaan in de golven van
dezelfde zee? En wanneer men op eene groote vlakte stond, zag men dan
de zon ook niet ondergaan op dezelfde vlakte? En lag er achter de
avondplek der Middellandsche Zee, of achter de avondplek van de
vlakte, niet nog menige streek waar het toch niet duister was, en waar
men morgen en avond had, evenals te Genua, te Alexandrië, te Lissabon,
en hier op het afgelegen Porto-Santo? Bevond de mensch zich niet
altijd in het middelpunt van een' cirkel, en was de afstand van de
plaats waar hij zich bevond tot de morgenplek, niet even groot, als
die tot de avondplek? Was er niet iets, iets, nu ja, iets dat men
gezichts-einder noemt? En--de aarde was rond. Velen, en daaronder
groote geleerden, noemden dien ronden vorm der aarde eene hersenschim,
maar Thales van Milete had twintig eeuwen geleden toch al geleerd, dat
de aarde rond was, en de beroemde Florentijner Arts, Paolo Toscanelli,
had immers duidelijk bewezen, dat Behaims globe wel niet goed
geteekend was, maar dat er aan den vorm, dien hij aan de aarde gaf,
niets ontbrak! Had niet diezelfde Toscanelli verklaard, dat het vaste
land der aarde veel breeder was dan de zee, die ten Westen van Europa
en Afrika lag, en het vasteland doorsneed? Was dat zoo, wat zochten de
Portugeezen dan een' langen zeeweg naar de Indiën om Afrika's zuidpunt
heen? Die weg moest toch veel langer zijn, dan die door het Westen? En
áls de aarde rond was, en hij _was_ overtuigd, dát ze het was, welnu,
dan _moest_ men óók in de Indiën komen, als men steeds westelijk voer.
Dat kon niet anders.

Maar, had die Toscanelli wel gelijk? Was langs de zee de afstand
tusschen Europa en Afrika aan de eene, en Azië, met het reusachtig
groote rijk Kataï, benevens Zipangu, aan den anderen kant, wel zoo
gering? Was die weg niet veel langer?

Zoo dacht en peinsde de planter Columbus, als hij van zijn eiland af,
in westelijke richting zijne blikken langs den uitgestrekten Oceaan
liet gaan.

Een schipper, die wat ver het westen ingezeild was, zoo vertelde men,
had, midden in zee, een kunstig besneden stuk hout opgevischt. Vanwaar
was dat gekomen, en waar woonde de man, die dit hout bewerkt had?

Op Madeira's en Porto-Santo's westkust, had men menigmaal ongemeen
zwaar riet zien aandrijven. Vanwaar kwam dat?

Een ander had hem verteld, dat er zelfs wel eens heele boomen
aandreven. Dit verbaasde Columbus niet, want op Thule en in de
Noordelijke IJszee had hij zoo menigmaal drijfhout gezien. De
stroomingen der zee, ook dat had hij ondervonden, liepen niet steeds
in dezelfde richting, zoodat een stuk hout, een boom of een riet, al
eene heel vreemde reis langs het water konden gedaan hebben, eer ze
hier op de kusten aanspoelden.

Daar kwam zijn Zwager Dom Pedro Correa, die ook op Porto-Santo woonde,
hem een besneden stuk hout brengen, hetwelk hij op de westkust van het
eiland gevonden had.

Het was merkwaardig, dat toch alles op die westkust aankwam,--zeer
merkwaardig. En dat hij hier te doen had met het werk van eene
geoefende hand, dat bewezen de kunstige figuren en lijnen. Dat moest
het werk zijn van een bewoner van Kataï of van de Indiën. Hij had
immers de reisbeschrijvingen van Marco Polo niet gelezen, maar
verslonden, en wist dus op welk een' hoogen trap van beschaving die
volken stonden!

Een nieuw gerucht kwam onzen peinzenden planter ter oore. Er waren op
de westkust van Madeira twee menschenlijken aangespoeld.

Matrozen van een Europeesch vaartuig waren het niet, en evenmin waren
het negers van Afrika's westkust. Geel als de Tataren of Mongolen
waren ze ook niet, en evenmin blauwachtig als de Indiërs. Ze hadden
lange, sluike, zwarte haren, en hun gelaat en hunne huid waren
roodachtig of koperkleurig geverfd.

Alweer en alweer maar die westkust, en nu geen stuk gesneden hout,
geen boomstam, geen riet, neen, menschenlijken, en dan nog wel lijken
met vreemdgeverfde huid en vreemde hoofdharen!

Wat moest hij ervan denken?

Zou dan soms het verhaal van dien Plato niet maar zoo eene phantasie
van den dichter geweest zijn? Vertelde hij niet van een eiland
»Atlantis«, grooter dan Azië en Afrika samen? De goden hadden dat
eiland verdelgd, luidde het verhaal, maar hier en daar waren er toch
nog eilandjes overgebleven.

Was dan Plato's verhaal wel enkel verdichting, en waren die lijken
niet afkomstig van afstammelingen van de bewoners van dat eiland
»Atlantis«? En was dit eiland »Atlantis« wellicht niet hetzelfde, als
het groote »Goudland«, waarvan Marco Polo vertelde, dat het ten Oosten
van Kataï lag, en Zipangu heette?

Al deze vragen bestormden den planter van Porto-Santo, en ze lieten
hem nimmer met rust. Ze vervolgden hem overal, des daags bij het werk,
des nachts in den droom.

Ten slotte kwam hij er toe, om op al die vragen slechts één antwoord
te geven, een antwoord vol overtuiging: »Daar in het Westen liggen de
Indiën, en ze liggen dichter bij dan men vermoedt.«

Hij kon niet langer het kalme en eentonige plantersleven op zijn
afgelegen eiland blijven leiden. Hij moest, of hij wilde of niet, dien
westelijken tocht naar de Indiën gaan maken.

Maar hoe? Aan zulk eene onderneming waren verbazend groote kosten
verbonden, en hijzelf had slechts over zeer beperkte middelen te
beschikken. Het was ook geene onderneming voor één' man, maar voor een
volk.

Hij dacht aan zijn geliefd Genua, hoe machtig het eens was, en hoe
vervallen nu. Maar rijkdommen waren er toch nog te vinden, en hoe zou
hij zich verheugen, als hij dat geliefde Genua weer eens tot vroegeren
luister brengen kon! Vroegeren luister? Dwaasheid! Als hij den
Genueezen den westelijken weg naar de Indiën wees, en men kreeg dan
van den Paus dezelfde voorrechten voor het Westen, die Prins Hendrik
voor Portugal in Afrika voor het Oosten verkregen had, dan zou Genua's
voormalige grootheid niet in de schaduw kunnen staan van de grootheid,
die haar binnen luttelen tijd wachtte.

Bezield met dit heerlijke denkbeeld verliet Columbus zijne plantage en
zijn eiland, en begaf zich naar Genua, waar bijna niemand den zwerver
meer kende. Hij zocht de rijkste kooplieden op, doch dezen waagden het
niet, om aan een plan, dat in de lucht hing, als het dichterlijkste
luchtkasteel, zooveel geld te besteden. De Regeering van Genua had er
nog minder ooren naar. Men mocht immers het Gemeenebest, dat toch al
zoo verarmd was, geene grootere lasten opleggen, om een' avonturier in
de gelegenheid te stellen, eene hersenschim na te jagen?

Helaas, de achteruitgang van den handel had Genua's oude veerkracht
verlamd, haar' ondernemingsgeest gedood. Columbus bleef aan
doovemans-deuren kloppen; niemand deed hem open.

Columbus was vervuld van bitterheid, en wij, die nu leven, en weten
welk een prachtig werelddeel Amerika is, wij lachen misschien om de
domheid der Genueezen, en van allen, die later geene ooren hadden voor
Columbus' voorstel. Toch, ik mag het niet verzwijgen, verraadt ons
lachen juist _onze_ domheid, en de ontdekking van Amerika is een
bewijs, dat Columbus' tegenstanders groot gelijk hadden, met hem op
wetenschappelijke gronden te bewijzen, dat hij niets anders dan eene
hersenschim najoeg. Columbus moge een oogenblik gedacht hebben aan een
eiland »Atlantis«,--aan een eiland, dat grooter was dan Azië en Afrika
samen, geloofde hij niet; hij bracht Plato's eiland slechts in verband
met de Indiën, Kataï en Zipangu, en zijne grootste fout was wel deze,
dat hij aan den Oceaan, die de Indiën van Europa scheidde, slechts
honderdtwintig graden breedte gaf. De geleerden, die Columbus'
tegenstanders waren, geloofden niet aan die geringe breedte, en ze
beweerden, dat Toscanelli in zijne voorstellingen volkomen onwaar was,
en dat die afstand veel, zeer veel grooter was.

En hadden ze ongelijk?

Wanneer we de globe voor ons nemen, dan zien wij, dat de afstand
tusschen het vasteland van Europa en dat van Azië nog meer dan
tweehonderdvijfentwintig graden is. De tegenstanders hadden derhalve
gelijk.

Ik geef terstond toe, dat de tegenstrevende geleerden dit ook niet zoo
precies wisten, maar Columbus vergiste zich, door Toscanelli's
uitspraken, deerlijk, zoodat de partijen volkomen gelijk stonden, en
Columbus het niet beter wist dan zijne tegenstanders. Had Columbus
Amerika niet ontdekt, ware dat werelddeel er niet geweest, hij en de
zijnen zouden op hunne westelijke vaart ongetwijfeld omgekomen zijn,
eer Azië bereikt was.

Columbus' fout is vereeuwigd in den naam van de eilanden van Amerika,
welke »West-Indië« genoemd worden. Zijne fout is ook vereeuwigd in den
naam der oorspronkelijke inwoners van Amerika. Men noemt hen immers,
altijd nog, volgens hem, »Indianen«?

Ik voer dit alles niet aan om Columbus' roem te verkleinen, want hij
_was_ een groot, een ondernemend man, doch men plaatse hem niet op den
top van een »Wijsheids-berg«, en geve aan zijne tegenstanders geene
plaats op den diepen bodem van den »Domheids-afgrond«. Columbus en
zijne tegenstanders zijn daar geheel misplaatst.

Ze staan samen even hoog, doch hij _met_, en de anderen _zonder_
eenige energie.

In Genua geen gehoor vindend, besloot Columbus zich te wenden tot de
Portugeezen. Hij kende den koenen ondernemingsgeest van dat volk, en
hij wist ook, hoe hun Koning, Johan II, geene gelegenheid liet
voorbijgaan om de ontdekkingstochten uit te breiden. Daar zou men zijn
plan niet afwijzen; daar zou men zijne voorstelling geene hersenschim
noemen.

Gewapend met Toscanelli's aanbeveling, begaf hij zich naar het
Portugeesche Hof, en ontmoette waarschijnlijk in die dagen aldaar
Martinus Behaim, den man, die bij den Koning zoo hoog aangeschreven
stond.

Tot zijne verbazing, vond zijn plan bij den Koning niet dien bijval,
welken hij gewacht had.

Het is natuurlijk ook; want al valt het moeielijk te bepalen, in welk
jaar Columbus met zijne plannen in Lissabon kwam, wij weten toch, dat
hij daar Behaim leerde kennen, en dat Koning Johan dezen aanstelde tot
lid van den Raad, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen moest. De
Portugeezen hadden in Afrika derhalve de Linie al overschreden, en den
Congo zelfs reeds bereikt, zoodat men meende nu goed op weg te zijn,
om langs de ontdekte wateren in de Indiën te komen. De kansen stonden
goed, waarom nu nog nieuwe onkosten te maken voor een ander plan, dat
nog geheel in de lucht hing?

Toch was de Koning verstandig genoeg, om zelf geene beslissing in die
zaak te nemen, hoewel hij door het schrijven van aardrijkskundige en
sterrenkundige werken bewijzen had gegeven, dat het hem aan geene
bekwaamheden ontbrak. Niemand zou hem dan ook van verwaandheid
beschuldigd hebben, zoo hij in deze zaak beslissend opgetreden was.

De Koning gevoelde echter, dat de zaak zeer gewichtig was, en
beschouwde hij den Genuees nu ook al als een soort van dweper, toch
had diezelfde man steun in den beroemden Toscanelli, die, jaren
geleden, aan den geleerden Kanunnik Ferdinand Martinez van Lissabon
zijne zeekaart van den Oceaan tusschen Europa en Azië gezonden had. En
bij deze kaart was een brief, die luidde:

»Aan den Kanunnik Ferdinand Martinez te Lissabon, zendt de
Natuurkundige Paolo Toscanelli zijn' groet.

»Het bericht, dat ik ontving van uw' vertrouwelijken omgang met Zijne
Majesteit den Koning, was mij des te aangenamer, omdat ik u reeds
vroeger gesproken heb over een' korteren weg naar de Specerij-landen,
dan die is, welke langs Guinea leidt. De Koning begeert nu van mij
eene meer overtuigende opheldering, zoodat zelfs de eenvoudigste man
instaat is, ze te begrijpen. Hoewel ik weet, dat men dit door een'
bol, die de aarde voorstelt, duidelijk aantoonen kan, zoo heb ik,
omdat er minder kennis voor noodig en minder moeite aan verbonden is,
besloten, dezen weg door eene kaart duidelijk voor te stellen. Ik zend
daarom aan Zijne Majesteit eene kaart, die ik zelf ontworpen en
geteekend heb. Op die kaart vindt ge nauwkeurig aangegeven al uwe
kusten en eilanden, vanwaar de weg begint, welken men altijd in de
richting naar de avondzijde des hemels volgen moet, benevens de
landen, waar men dan zal aankomen. Verder is er op aangewezen, hoever
men van de Pool en van den Evenaar afwijken moet, terwijl ook in
mijlen de afstanden bepaald zijn om te komen in die landen, welke zulk
een' onuitputtelijken voorraad van edelgesteenten en specerijen
bezitten. Verwonder er u niet over, dat ik die landen »Westelijk
gebied« noem, daar men de »Specerij-landen« altijd beschouwt als
»Oostelijk« gelegen. Ik doe dat uit overtuiging, dat men ook door eene
westelijke vaart vinden zal, wat men voortdurend oostelijk zoekt.
Derhalve beduiden de lijnen, die ik op de kaart rechtuit van het
Oosten naar het Westen teekende, den afstand, terwijl daarentegen de
transversale (overdwarse) lijnen, den afstand van het Zuiden naar het
Noorden aanwijzen. Ik heb op de kaart verscheidene landen geteekend,
waar men, volgens de nauwkeurigste berichten, welke de reizigers ons
verschaft hebben, komen kan, al is het ook, dat men door tegenwind of
andere omstandigheden, in eene geheel andere streek komt, dan die,
welke men zich voorgesteld had. Ik deed het ook, om den inwoners te
toonen, dat de zeevaarders, die langs dezen weg komen, reeds met hun
land bekend waren, eene omstandigheid, welke hun aangenaam zijn moet.
Op die eilanden wonen evenwel geene andere menschen dan kooplieden.
Men verzekert, dat alleen in de haven van Zaïton zulk eene groote
menigte koopvaardijschepen is, dat er meer zijn, dan op al de overige
deelen der wereld te zamen. Men beweert, dat jaarlijks uit de genoemde
haven meer dan honderd schepen vertrekken, welke met peper geladen
zijn, en dan komen er nog die bij, welke andere specerijen vervoeren.
Dat land is dicht bewoond, en bevat zeer vele provinciën, staten en
tallooze steden. Het staat onder het bestuur van een' Vorst, die tot
titel heeft »Groot-Khan«, wat hetzelfde beteekent als: »Koning der
Koningen«. Meestal houdt hij zich op in zijne residentie, die in de
provincie Kataï gelegen is. Zijne Voorvaderen wenschten met de
Christenen in onderling verkeer te komen, en reeds voor tweehonderd
jaar vroegen ze den Paus om geleerden, die hun onderricht in de
Christelijke leer konden geven. Die geleerden ontmoetten evenwel op
hunne reis zooveel moeielijkheden, dat ze terugkeerden. Ook ten tijde
van Paus Eugenius«--(Paus Eugenius IV van 1431 tot 1447)--»kwam een
Afgezant van den Groot-Khan binnen Rome, en bevestigde de
welwillendheid van den Vorst jegens de Christenen. Ikzelf heb met dien
Gezant een langdurig gesprek gevoerd over de uitgebreidheid van de
Koninklijke paleizen, over de ontzaglijk lange en breede stroomen, en
over de menigte steden, die aan hunne oevers liggen. Aan één' stroom
liggen ongeveer tweehonderd steden, en marmeren bruggen, met zuilen
versierd, en van eene verbazende lengte en breedte, verbinden in groot
aantal de oevers met elkander. Dit land is waard, dat het door de
Latijnsche volken opgezocht wordt, en dat niet alleen om de
fabelachtige schatten van goud, zilver en allerlei edelgesteenten, die
daar gevonden worden, niet alleen ook om den onnoemelijken voorraad
van specerijen, maar ook om de vele geleerde mannen, wijsgeeren en
sterrenkundigen, die er wonen, en om te zien, met welk eene wijsheid
dat land geregeerd wordt, en hoe men er oorlog voert.

»Van Lissabon naar het Westen, in eene rechte lijn tot de prachtige en
buitengewoon groote stad Quin-sai, zijn op de kaart zesentwintig
ruimten of afstanden aangebracht, en elke ruimte beslaat
tweehonderdvijftigduizend roeden.--De stad Quin-sai heeft een' omtrek
van honderdduizend roeden en tien bruggen. De naam »Quin-sai« beduidt:
»Stad des Hemels«. Van de menigte der kunstenaars, die men daar vindt,
en van de rijkdommen dier stad wordt zóóveel verhaald, dat het aan het
ongeloofelijke, ja, aan het wonderbare grenst.--Deze afstand bedraagt
ongeveer het derde gedeelte van den heelen omtrek der aarde. De stad
Quin-sai ligt in de provincie Mangi, in de nabijheid van Kataï, in
welk gewest de Groot-Khan zijne residentie heeft. De afstand van het
bekende eiland der oudheid: »Antilia«, naar het beroemde eiland
Zipangu bedraagt tien ruimten. Dat eiland Zipangu is buitengewoon rijk
aan goud, parelen en edelgesteenten, en met zuiver goud zijn de
paleizen en tempels gedekt. Zóó moet men langs onbekende, doch niet
lange wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.

                                          Florence, 25 Juni 1474.«

De brief is niet in' sierlijken stijl geschreven, en onder het lezen
bemerkt men duidelijk, dat de reisbeschrijving van Marco Polo aan
onzen Florentijner Arts niet onbekend was. Maar niet om die
beschrijving van Quin-sai of Zipangu was het, dat die brief den Koning
van zooveel gewicht scheen. Het was om het kernachtige, maar
veelzeggende slot: »Zóó moet men langs onbekende, doch niet lange
wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.«

Die uitdrukking: »zóó moet men«, gaf te denken, vooral in 1474, toen
men, voor zoover ik heb kunnen nagaan, nog niet tot den Congo gekomen
was. Jaren lang was die brief met die kaart in het bezit geweest van
den Koning, en als niet Diego Câno doorgedrongen was tot eenige mijlen
bezuiden de Linie, en een' grenssteen geplaatst had aan den
zuidelijken oever van den Congo, wellicht dat hij dan tot andere
gedachten zou gekomen zijn, en Toscanelli's raad opgevolgd had. Maar
toen Columbus in Lissabon kwam, had Diego Câno zijn' grenssteen al
geplaatst, en het was bewezen, dat Afrika naar het Zuiden steeds
smaller werd, zoodat de hoop om Afrika heen te kunnen zeilen, geene
hersenschim meer kon genoemd worden, maar veel kans had, vervuld te
worden.

Begrijpelijk is het derhalve, dat de Portugeesche Koning het voorstel
van Columbus niet met beide handen en terstond aangreep, maar dat hij
het in bedenking nam, en aan het oordeel van een' Raad van geleerden
onderwierp.

Dat Columbus veel van Toscanelli gehoord had, weten wij, doch brief en
kaart waren hem onbekend. Van den brief nam hij een afschrift en de
kaart teekende hij na; het een zoowel als het ander zou hem te pas
kunnen komen. Hier in Portugal echter zou hij er niets mede aanvangen.

De Junta of Raad, aan wien de Koning het voorstel van Columbus ter
beoordeeling voorlegde, had tot zijn' Voorzitter den Biechtvader des
Konings. Hij heette Diego Ortiz, doch naar de plaats in Spanje, waar
hij geboren was, voegde men meestal nog »de Cazadilla« bij zijn' naam.
Hij was bovendien Bisschop van Ceuta, en derhalve een man van invloed,
zoowel aan het Hof, als onder de voornaamste Edelen. Twee andere leden
van dien Junta waren de geschiedschrijvers Rodrigo en Joseph. Na
nauwkeurig en langdurig onderzoek bracht de Junta als zijne meening
uit, dat het voorstel van Columbus niet kon of mocht aangenomen
worden, daar de wetenschap er tegen opkwam. De Voorzitter ging zelfs
nog verder, en wilde, dat de Koning ook de ontdekkingstochten in
Afrika niet voortzette, doch hierop vatte Dom Pedro de Meneses, een
oud vriend van Prins Hendrik, vuur, en deze wist in eene welsprekende
rede den Junta en de Regeering te bewegen, om die ontdekkingen met
alle macht en kracht voort te zetten. Men verhaalt ook, dat men
Columbus op eene listige wijze wist te bewegen om zijne aanteekeningen
en kaarten af te staan, en toen men deze had, rustte men een schip
uit, om den weg, door het Westen naar de Indiën, te zoeken. Dit schip
bracht het echter niet verder dan eenige mijlen bewesten de
Kaap-Verdische eilanden, en keerde toen terug. De proef op de som was
geleverd, meende men, en Columbus' voorstel daarmede veroordeeld.
Denkelijk is dit verhaal niets anders dan een verzinsel.

Hoe lang Columbus in Lissabon vertoefd heeft, wordt niet vermeld, doch
wat anders verzwijgt de geschiedenis niet. In dien tijd overleed zijne
vrouw, en liet haar' man met zeer berooide geldmiddelen achter. Dit
laatste is zeer wel te verklaren, want voor zijn plan had hij zich
heel wat opofferingen getroost, terwijl hij bovendien op eigen kosten
zijne twee broeders te Genua had laten studeeren.

Met zijn zoontje Diego verliet hij nu Lissabon in het jaar 1484, en
zijn' broeder Bartholomeus, dien hij naar Lissabon had laten
overkomen, zond hij naar Engeland, ten einde daar te beproeven, of hij
Koning Hendrik VII kon overhalen tot het plan. Bartholomeus werd
echter op zijne reis derwaarts door zeeroovers overvallen, en zóó
uitgeplunderd, dat hij, toen hij in Engeland kwam, onmogelijk aan het
Hof verschijnen kon. Met kaarten-teekenen wist hij nu zooveel te
verdienen, dat hij het vier jaar later waagde bij den Koning gehoor te
vragen. Dit gehoor werd hem verleend, doch de Koning, die met allerlei
binnenlandsche staatkundige woelingen te worstelen had, wilde er niets
van weten.

Het voornemen van Columbus was geweest, om, nu zijn voorstel door
Portugal afgewezen was, zich naar Frankrijk te begeven. Hij schijnt er
evenwel niet heengegaan te zijn. Ik zeg »schijnt«, want gedurende
eenige jaren verliest de geschiedenis hem geheel uit het oog, en het
zijn niet veel meer dan gissingen, dat hij zelfs zijne plannen aan de
Regeering van Venetië voorgelegd heeft. Indien dit waar is, dan moet
hij wel bittere teleurstellingen ondervonden hebben, want Genua en
Venetië waren immers geslagen vijanden, en naarmate Genua's handel
meer en meer kwijnde, terwijl die van Venetië zich nog met groote
inspanning staande hield, nam de vijandschap, versterkt door naijver,
nog toe.--

Eindelijk echter komt de groote man weer te voorschijn.

In Andalusië ligt eene kleine stad; ze heet Palos de Moguer. Nog heden
ten dage bevindt zich in de nabijheid van dit plaatsje een oud
klooster. Dat klooster was er ook al in dien tijd, en werd door
Franciscaner monniken bewoond. Het was gewijd aan Santa Maria de
Rabida, en de Prior heette Juan Perez de Marchena.

Aan de poort van dat klooster nu, klopte op zekeren avond een schamel
gekleed man aan, die zijn zoontje bij zich had, en op de vraag van den
portier, wat hij begeerde, luidde het antwoord: »Wat brood en water
voor dit kind!«

Die bedelaar was Columbus; dat hongerige en dorstige kind was zijn
zoontje Diego.

De Prior, die in de nabijheid was, hoorde de stem van den man, en het
viel hem terstond op, dat hij de Spaansche taal, als een vreemdeling
sprak. Toen nu de portier hem de vraag van den armen man overbracht,
gaf hij last te onderzoeken, vanwaar hij toch wel kwam. Columbus, die
geene redenen had om zijn' naam te verzwijgen, vertelde den portier
een en ander, en het gevolg hiervan was, dat hem de poort van het
klooster geopend werd, en hij binnen mocht komen.

De Prior was een geleerd man, en had natuurlijk wel eens wat van
Columbus' plannen opgevangen, zoodat hij weldra met hem in een ernstig
gesprek verdiept was, en toen Columbus, na door spijs en drank
versterkt te zijn, aanstalten maakte om weer verder te gaan, wilde de
Prior hiervan niets weten, en zeide, dat een man als Columbus niet als
bedelaar van de eene plaats naar de andere mocht trekken, en althans
dezen nacht de gast van het klooster bleef.

In het stadje zelf woonde Garcia Fernandez, die Arts van beroep was,
doch meteen zich toegelegd had op de studie van de aardrijks- en
sterrenkunde, waarin hij zelfs grooten naam gemaakt had. De Prior, die
met dezen Arts zeer bevriend was, liet hem roepen, en weldra waren de
drie mannen nu in een zeer geleerd gesprek verdiept.

In dat klooster begon voor den armen zwerver het sterretje der hoop
weer door de nevelen der teleurstellingen te schijnen; want Prior Juan
Perez de Marchena droeg ook den titel van Biechtvader van Koningin
Isabella.

Spanje was toen een heel ander land dan tegenwoordig, dat wil zeggen,
op staatkundig gebied. Op het Pyreneesche schiereiland vond men toen,
behalve het Koninkrijk Portugal, ook de Koninkrijken Navarre, Kastilië
en Aragon, benevens het Mooren-gebied Granada. Over Aragon regeerde
Koning Ferdinand, en over Kastilië, Koningin Isabella. Deze twee
Vorstelijke personen waren met elkander gehuwd, zoodat na hun
overlijden de kronen van beide landen op één hoofd kwamen. In den tijd
evenwel waren beide rijken nog geheel gescheiden. In karakter
verschilden Koning Ferdinand en Koningin Isabella buitengewoon veel
met elkander, doch in ééne zaak stemden ze vrij wel overeen, en deze
was: »uitbreiding van het gezag der beide Koninkrijken door de
scheepvaart.« Den Prior nu, was die zucht zijner machtige biechtelinge
niet onbekend, en daar hij hoog bij haar aangeschreven stond, wist hij
te bewerken, dat Columbus aan haar Hof geroepen werd, om daar zijn
plan voor te leggen.

Het was stellig ver met den voormaligen planter gekomen, want, om in
eene eenigszins geschikte kleeding aan het Hof te kunnen verschijnen,
zond Isabella hem drieënvijftig dukaten.

Om te bewerken, dat Columbus voor Koningin Isabella verschijnen mocht,
schijnt Don Louis de la Cerda, Hertog van Medina Celi, die een
schatrijk Edelman was, eene groote rol gespeeld te hebben. Zelfs had
deze wel heel alleen Columbus willen helpen, doch hij vreesde daardoor
de Koningin in moeielijkheden met het Portugeesche Hof te zullen
brengen, wat hij liever niet wilde.

In 1486 verscheen Columbus voor Isabella, en met de geestdrift van
een' dweper, die reeds zijn geheele vermogen aan zijn plan opgeofferd
had, deelde hij haar alles mede. De Koningin hield toen haar Hof te
Cordova.

Isabella zelve had er wel ooren naar, maar--de uitvoering van het plan
kostte geld, en hierover had zij niet te beschikken, vooral nu niet,
daar ze in een' kostbaren oorlog met de Mooren gewikkeld was. Of het
uit geldgebrek was, dan wel om andere redenen, is alweer niet bekend,
maar zeker is het, dat Isabella het voorstel van Columbus aan het
oordeel van de geleerdste mannen van Salamanca onderwierp. Deze stad
had toen eene bloeiende hoogeschool, en was voor heel het Pyreneesche
schiereiland het brandpunt der wetenschappen.

De Voorzitter van den Raad, die over Columbus' plannen te beslissen
had, was Don Fernando de Talavera, Prior van Prado. Hij was een zeer
geleerd man, en had een edel karakter, doch het bleek al heel spoedig,
dat hij met de plannen van den Genuees niet bijzonder ingenomen was.

De beraadslagingen duurden lang, en gedurende dezen tijd kwam
Columbus, die zich in beschaafde en deftige kringen gemakkelijk wist
te bewegen, in kennis met vele voorname Edelen en Grooten. Een dezer
was Don Pedro Gonzalez de Mendoza, Aarts-bisschop van Toledo en
Groot-Kardinaal van Spanje, een man, die aan het Hof van Ferdinand en
Isabella niet alleen in hoog aanzien stond, maar er ook veel invloed
had. Bij dezen Kerk-vorst vond Columbus een luisterend oor, en eene
genegen hand om hem te helpen.

Met dat al kon de Groot-Kardinaal voor zijn' beschermeling in de
eerste jaren niets gedaan krijgen. De Mooren, tot in hunne laatste
sterkte verdreven, hielden hardnekkig stand, en zoolang deze oorlog
duurde, viel er niet aan te denken, om geld uit te geven aan een'
ontdekkingstocht.

Eindelijk moesten de Mooren het hoofd in den schoot leggen, en zich
aan Ferdinand en Isabella onderwerpen. Thans meenden Columbus'
vrienden, dat de tijd gekomen was, om aan zijn voorstel gevolg te
geven, en trots den tegenstand der geleerden, die niet moede werden te
bewijzen, dat men aan het Portugeesche Hof goed gezien had met het
heele plan slechts de hersenschim van een' dweper te noemen, zouden
Ferdinand en Isabella bereid geweest zijn, aan Columbus' voorstellen
gevolg te geven, als niet Columbus zelf zijne eigene zaak bedorven
had.

Hoe hij dat kon doen?

Toen dan het plan op het punt stond om aangenomen te worden, stelde
Columbus de volgende voorwaarden, die stellig niet pleiten voor zijne
nederigheid en liefde voor de wetenschap.

Vooreerst verlangde hij, als hij bewezen had, dat zijn plan geen
droombeeld geweest was, verheffing tot den Adelstand en tot Grande van
Spanje.--Een Grande werd als zulk een aanzienlijk persoon beschouwd,
dat hij met gedekt hoofd voor den Koning en de Koningin mocht
verschijnen.--Ten tweede eischte hij den titel van »Atlantisch
Admiraal«, eene waardigheid, die slechts één rang lager was dan
»Veldheer der Kroon«. Ten derde vorderde hij zijne benoeming tot
Onder-Koning in de landen, die door hem ontdekt, en voor Spanje in
bezit zouden genomen worden. Ten vierde wilde hij, dat die waardigheid
op zijne mannelijke nakomelingen zou overgaan. Ten vijfde stelde hij
de voorwaarde, dat een tiende deel van alle inkomsten der kroon in die
landen, hem, als geldelijke vergoeding, zouden uitgekeerd worden, en
ten zesde verlangde hij het achtste deel van het
monopolie,--uitsluitend recht om in een' Staat alleen handel te mogen
drijven,--dat in de ontdekte landen, als iets dat vanzelf sprak,
terstond zou ingevoerd worden.

Dat waren eischen, die zelfs velen zijner vrienden veel te ver gingen,
en zijne geheime tegenstanders, die in talrijkheid voor zijne openbare
vijanden niet onderdeden, wisten nu bij Koning Ferdinand gedaan te
krijgen, dat deze alleen om deze eischen, niets meer van het heele
plan wilde weten.

Hoe Columbus, die toch zoo menige teleurstelling ondervonden had, en
die gedurende zijn langdurig verblijf in Cordova wel had moeten
ontdekken, dat tal van Edellieden hem, den Genuees of den »Liguriër«,
zooals men hem smadelijk noemde, haatten; zulke verregaande en
trotsche eischen stellen kon, is onverklaarbaar. Alleen door aan te
nemen, dat het bij hem onwrikbaar vast stond, dat zijn plan _moest_
gelukken, kan men zijne houding eenigszins verklaren.

Nadat Koning Ferdinand zich aan de zaak geheel onttrokken had, zou
Columbus verder dan ooit van zijn doel gestaan hebben, indien niet Don
Louis de Sant Angel, die in de beide Koninkrijken de waardigheid
bekleedde, welke wij met »Minister van Financiën« zouden betitelen,
Koningin Isabella had weten te bewegen, om Columbus niet in de
noodzakelijkheid te brengen aan andere Hoven zijn geluk te beproeven.
De redeneering van dezen aanzienlijken Edelman sneed ook vrij goed
hout.

»Bereikt Columbus de Indiën niet,« zoo sprak hij, »dan is er niets
verloren, dan het geld aan de uitrusting voor den tocht bestemd, want
in dat geval vervallen al zijne eischen. Bereikt hij echter de Indiën
wel, dan is voor Spanje eene onuitputbare goudmijn geopend, welke
stellig waard is, dat men hem zijne eischen inwilligt. Bovendien zou
Spanje, indien de weg door het Westen naar de Indiën gevonden werd,
het machtigste Christenrijk van heel de wereld worden, en kon Koningin
Isabella, naar den vurigsten wensch van haar vroom hart, de leer des
Evangelies doen prediken van den op- tot aan den ondergang der zon.«

Isabella, die door alle geschiedschrijvers beschreven wordt, als eene
vrouw »van middelbare lengte, welgemaakt, vol Vorstelijke waardigheid
en lieftalligheid,« bezat, volgens hen, ook »een standvastig karakter,
en een innig, vroom hart.« De oorlogen tegen de Mooren, en de
tirannieke wijze, waarop zij hen behandelde, toen ze gedwongen waren
geworden, zich te onderwerpen, mogen de maatstaf niet zijn, waarmede
men haar karakter afmeet. Zij handelde in deze zaak geheel in den
geest van haar' tijd, welke geest sprak van: »dwing ze om in te gaan.«

Maar al te veel plaatsen we ons bij het beoordeelen van daden van
Vorsten, en voorname personen uit vroegere eeuwen op het standpunt van
onzen tijd, zonder een oogenblik te bedenken, hoe wij zouden gehandeld
hebben, indien wij in die dagen geleefd hadden. Een oordeel over een
karakter is niet zoo gemakkelijk uitgesproken, als men wel denkt. Er
behoort eene diepe kennis toe van de geschiedenis der beschaving en
der wetenschap. Dat er, zonder die diepe kennis, toch zoo menig
oordeel uitgesproken wordt, is zeker, maar het gevolg daarvan is, dat
ook zoo menig oordeel geheel verkeerd is.

Waarom ik dit hier zoo zeg?

Omdat we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro in Peru zullen
zijn, en daar het Evangelie zullen zien prediken op eene wijze, die
ons, negentiende-eeuwers, tegen de borst stuit, en ook omdat we, met
het oog op dien voormaligen bekeerings-ijver der Katholieken, er zoo
gemakkelijk toe komen, om het werk der tegenwoordige Missionarissen er
mede gelijk te stellen.

De zachte wateren der zee ronden de scherpe kanten van den harden
steen wel af, en zou de beschaving van vier eeuwen niet de hoekige
uitwassen van het menschelijke hart afgerond hebben?

Isabella dan bleef Columbus, ook om zijn' bekeerings-ijver, dien hij
openlijk beleed, genegen, en de woorden van Don Louis de Sant Angel
vonden bij haar ingang, maar--de oorlog tegen de Mooren had de
schatkist uitgeput; ze had geen geld om de uitrusting te bekostigen.
Zij stelde nu voor, hare juweelen te verpanden, doch Don Louis
voorkwam dat. Hoogstwaarschijnlijk geholpen door den schatrijken
Hertog van Medina Celi, die nu was, waar hij zijn wilde, schoot Don
Louis haar al het geld voor. Columbus' eischen zouden, als hij
werkelijk langs den voorgestelden weg in de Indiën kwam, alle
ingewilligd worden. Den zeventienden Maart 1492 kwam de overeenkomst
volkomen tot stand, en Columbus repte zich nu zijn doel te bereiken.
Hij toog naar het zeestadje Palos, en rustte daar twee karveelen en
een transport-schip uit, doch stuitte nu op eene zwarigheid, die hij
niet verwacht had: het ontbrak aan mannen, die hem op dezen tocht
wilden vergezellen. Zelfs een Koninklijk besluit, dat ieder, die aan
dezen tocht deelnam, twee maanden na zijne thuiskomst voor geen enkel
misdrijf, ja, voor geene enkele misdaad zou gestraft worden, kon de
zeelieden niet bewegen, Columbus te volgen. Eindelijk had hij het
geluk, om in de gebroeders Pinzon, zoons van een aanzienlijk geslacht,
dat te Palos woonde, hulp te verkrijgen. Zij zelven zouden medegaan,
en hun voorbeeld vond zooveel navolging, dat de drie scheepjes
voldoende bemand waren. Honderdtwintig zeelieden zouden de reis
medemaken, en deze honderdtwintig mannen togen in den avond van den
tweeden Augustus naar het vredige Franciscaner-klooster van Santa
Maria de Rabida, om daar, na het gebruiken van het Heilige Sacrament
des Avondmaals, Gods zegen op de grootsche onderneming af te smeeken.

Den derden Augustus 1492 voeren de »Santa-Maria«, de »Pinta« en de
»Nina« de haven van Palos uit. Ze droegen den morgen van een' nieuwen
dag, den dageraad van de eeuwen der Nieuwe Geschiedenis op het broze
scheepsdek, den Atlantischen Oceaan in. Ze voeren den avond tegemoet,
en zouden den morgen brengen.




HOOFDSTUK VI.

EERSTE REIS VAN COLUMBUS.


Eer we met Columbus den tocht gaan medemaken, dienen we te zeggen, dat
Martinus Alonzo Pinzon, die het bevel over de »Pinta«, en Vicente
Yanez Pinzon, die de »Nina« kommandeerde, twee mannen waren, die als
kloeke en ervaren zeelieden bekend stonden, en Columbus niet alleen
hartelijk genegen waren, maar daarenboven ook dweepten met zijn
grootsch plan. Zonder de Pinzons, zou Columbus zijn doel stellig niet
bereikt hebben. Martin toonde echter later, dat hij eigenbelang ver
boven vriendschap en eerlijkheid stelde.

De kaart van Toscanelli had Columbus voorloopig niet noodig te
raadplegen, want zijn doel was om pas van de Kanarische Eilanden
westwaarts te zeilen. Van dit gedeelte des Oceaans bestonden toen
reeds zeer vele zeekaarten, en Columbus zelf had dezen weg zoo
dikwijls afgelegd, dat hij daarvoor ook geene kaarten behoefde.

[Illustratie: De drie schepen van Columbus.]

Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moet ik u weer verzoeken eens
even eene wereldkaart voor u te leggen, of eene globe te raadplegen.

Beschouwen we den Atlantischen Oceaan, die de Oude van de Nieuwe
wereld scheidt, dan zien we, dat die Oceaan op de eene plaats veel
breeder is dan op de andere. Zijne grootste breedte is tusschen
Senegambië en Mejico; zij bedraagt daar niet minder dan 9000
Kilometers. De geringste breedte bevindt zich tusschen Noorwegen en
Groenland, want daar bereikt ze maar 1445 Kilometers. De breedte
tusschen Afrika en Georgië bedraagt 7225, tusschen Kaap de Goede Hoop
en Kaap Hoorn ook 7225, tusschen Brest en New-York 5550, en tusschen
Kaap San Roque en Sierra Leone 3100 Kilometers.--

In den Atlantischen Oceaan is het water natuurlijk ook aan eb en vloed
onderworpen, doch behalve deze beweging van het water, welke op
gezette tijden wederkeert, heeft men er ook verschillende stroomingen.
De voornaamste zijn de Noordelijke Aequatoriaal-stroom, de Zuidelijke
Aequatoriaal-stroom, de Guinea-stroom, de Benguela-stroom, de
Braziliaansche stroom, de Florida-stroom, de Groenland-stroom, de
Noordkaap-stroom, de Labrador-stroom, en de zeer merkwaardige
Golfstroom. Evenals het water eener rivier, nu eens snel, dan eens
langzaam, maar altijd in dezelfde richting vloeit, zoo vloeien de
zeestroomingen ook bijna altijd op bepaalde tijden in dezelfde
richting. Soms echter kunnen er aanmerkelijke storingen in plaats
grijpen. Den Golfstroom noemden we zeer merkwaardig, en wie zou dat
niet doen? Hij neemt een aanvang in de Golf van Mejico, en loopt in
noordoostelijke richting, doch na zich verscheidene malen verdeeld te
hebben, tot Nova-Zembla in de Noordelijke IJszee. Met eene snelheid,
die de snelheid van den Mississipi overtreft, stroomt hij voort, en
voert zijne warme wateren ver het Noorden in. Aan de hooge temperatuur
van het water van dezen stroom, welke hoogte natuurlijk afneemt,
naarmate de stroom meer het Noorden nadert, is West-Europa zijn
vochtig klimaat verschuldigd. Die vochtigheid houdt ook de felle koude
tegen. Vandaar komt het, dat het in den winter te New-York meestal
veel kouder is dan te Amsterdam, niettegenstaande New-York ruim tien
graden zuidelijker ligt. De stad Hammerfest in Noorwegen ligt op
zeventig graden noorderbreedte, en toch komen er menigmaal winters,
dat in hare havens bijna geen ijs te zien is, terwijl op dezelfde
breedte in Azië en Amerika eene koude heerscht, welke wij het best
kennen onder den naam van »Siberische koude.«

Behalve die geregelde zeestroomingen, vinden we op onze wereldkaarten
ook geregelde luchtstroomingen of winden aangeteekend. De voornaamste
zijn de Noordoost-passaat en de Zuidoost-passaat.

Van deze regelmatige stroomingen en winden, waarvan we, in een boek
als dit, geene verklaring kunnen geven, maken de zeelieden van den
tegenwoordigen tijd gebruik, om de reis aanzienlijk te bekorten, doch
al had Columbus op Porto-Santo en op zijne tochten in de Noordelijke
IJszee ook kunnen waarnemen, dat er regelmatige stroomingen in den
Oceaan waren, en dat sommige winden gedurende geruimen tijd vrij
regelmatig woeien, het was er verre af, dat hij er op zijn'
ontdekkings-tocht opzettelijk gebruik van maakte. Daar de heele zee
ten Westen van de Kanarische Eilanden onbekend was, kon hij ook met de
meerdere en mindere breedte van den Oceaan geene rekening houden.

De reis vorderde niet snel, wat met den lompen bouw der schepen,
zooals we op onze afbeelding kunnen zien, ook niet mogelijk was.
Daarenboven had Columbus ook niet de beste schepen, die er in dien
tijd te vinden waren. De beperkte, zelfs geringe middelen, waarover
hij te beschikken had, dwongen hem om in zijne keus niet al te
kieskeurig te zijn. Denkelijk had slechts één der drie schepen een
doorloopend dek, terwijl de beide andere alleen hooge voor- en
achterstevens hadden, waarin zich de hutten van de bemanning bevonden.
Niet zonder reden was het dus, dat Columbus zooveel moeite gehad had,
om de noodige manschap te vinden. Veel meer dan thans het geval is,
waren de zeelieden toen aan de grootste gevaren blootgesteld. Daarom
bleef men ook het liefst zoo dicht mogelijk bij de kusten, en dat
niet, omdat men de kompassen niet vertrouwde, maar wel, omdat de
schepen er niet op gebouwd waren, om de stormen en de golven te kunnen
trotseeren. En Columbus zou de eerste zijn, die opzettelijk zich van
de kust verwijderde, steeds verder, al door verder, op een' tocht, die
in het oog van de meesten toch niets anders was dan een zeer
avontuurlijke. Waarlijk, we dienen ons eer te verbazen, dat Columbus
zelfs nog eenige misdadigers vond, die met hem de reis wilden
meemaken, dan dat we verbaasd zijn, dat er geen fatsoenlijk zeevolk
voor zijne onderneming te vinden was.

Reeds op den derden dag na de afvaart, seinde de »Pinta« averij. Het
roer was gebroken, en Columbus meende, dat twee mannen, die de
eigenaars van deze karveel waren, en die de reis tegen hun' zin
medemaakten, opzettelijk die averij aangebracht hadden, om daardoor
een voorwendsel te kunnen vinden om terug te keeren. De wind woei te
hevig om de »Pinta« ter hulp te komen, doch Martinus Pinzon, die een
ervaren en stoutmoedig zeeman was, wist zich te redden, door, zoo goed
en kwaad het ging, het roer met touwen te bevestigen. Columbus begreep
zeer goed, dat men zóó den Oceaan niet kon oversteken. Hij hield dus
op de Kanarische Eilanden aan, en liet op het eiland Gomera het schip
herstellen, toen alle pogingen vergeefsch bleken te zijn, om een ander
te vinden. Men bleef daar tot den zesden September, en in dien tijd
had de bemanning gelegenheid om eene uitbarsting van den vulkaan op
het eiland Teneriffe te zien, iets waardoor de mannen zeer beangst
geworden waren, want niettegenstaande ze wisten, dat er een Etna en
Vesuvius was, hielden ze hier rekening met de vreeselijke verhalen,
die omtrent de groote, onbekende zee in omloop waren.

Op Zondag den negenden September verdween Ferro, het laatste der
Kanarische Eilanden aan den oostelijken horizon, en men zag nu,
volgens zeemans-uitdrukking, niets dan lucht en water.

De kaart van Toscanelli was thans voor Columbus de eenige wegwijzer
voor de richting, die men volgen moest, om het eiland Antilia, en
daarna Zipangu te bereiken.

Zonder het te weten, bevond Columbus zich in den gordel van den
Noordoost-passaat, en was er niet zooveel kunst aan, den koers steeds
westelijk te houden. Uit vrees echter, dat de drie scheepjes, door
storm of stroom, elkander uit het oog zouden kunnen verliezen, gaf hij
den beiden Pinzons last, om in dit geval geen oogenblik den
westelijken koers te verlaten. Hadden ze zóó zevenhonderd uur
voortgezeild, dan moesten ze bijleggen, doch naar zijne stellige
meening, zouden ze lang vóór dien tijd reeds land ontdekt hebben. De
schepen bleven evenwel zonder veel moeite bij elkander, en dat was
nog eenige troost voor de manschap, die al begon te vreezen, dat er
geen einde zou komen aan die zee, en ook geen einde aan dien
onveranderlijken wind. Vooral die wind maakte hen beangst. Zeilden ze
nu zonder bezwaar steeds westelijk, hoe zouden ze terug kunnen keeren,
als de wind steeds uit die streek bleef waaien?

Den dertienden September, toen men reeds meer dan tweehonderd uur van
Ferro verwijderd was, bemerkte Columbus des middernachts, dat de stand
van de Poolster niet in de richting was, waarin het kompas wees. Ook
op de beide andere schepen was dat opgemerkt, en al hadden Columbus en
de Pinzons het aanvankelijk ook voor het volk verzwegen, het kwam er
toch achter, en de angst nam met elk oogenblik toe. Gelukkig wist
Columbus het volk gerust te stellen, met eene uitlegging, die
eigenlijk niet veel anders heeten mocht, dan er zich met een Jantje
van Leiden af maken, doch de mannen waren te onervaren om te beseffen,
dat hun Admiraal hen met een kluitje in het riet stuurde.

Dat niet alleen het volk, maar ook Columbus met de Pinzons op die
eentonige vaart van alles notitie namen, is natuurlijk, en dat ze van
hetgeen ze zagen, allerlei uitleggingen gaven, kon wel niet anders. Nu
eens namen ze een' drijvenden mast nauwkeurig op, en berekenden zelfs,
dat hij afkomstig moest zijn van een schip van honderdtwintig ton. Dan
weer verblijdden ze zich over het zien van een' grooten vogel, die
veel op een' reiger geleek, en maakten ze de gevolgtrekking, dat ze
dicht bij land waren. Op een' nacht zagen ze groote vuurvlammen uit de
zee opstijgen, althans, ze maakten er vuurvlammen van, en de
vreeselijke verhalen van den onbekenden, donkeren Oceaan, rezen weer
in hunne ontstelde verbeelding op. Langzamerhand kwamen onze reizigers
nu meer onder den rechtstreekschen invloed van den Noordoost-passaat,
en meteen ook meer in de heete of verzengde luchtstreek. De lucht was
zóó zacht warm, en zóó heerlijk om in te ademen, dat men, zooals
Columbus zich uitdrukte, »zich in Andalusië waande, en het gezang der
nachtegalen slechts ontbrak.«

Ook het scheepsvolk was weer wel te moede en opgeruimd, doch toen men
de zee, zoo ver als men zien kon, overdekt vond met een groen gewas,
dat zóó dicht in elkander groeide, dat de vaart der schepen er door
belemmerd werd, verloor men opnieuw den moed. Aanvankelijk dacht men,
dat er land in de nabijheid zou zijn, en toen het maar al te ras
bleek, dat dit niet waar was, kwam de vrees boven, dat men zich op de
plek bevond, waar eenmaal het groote eiland Atlantis gelegen had, dat,
volgens het oude verhaal, door de Goden verdelgd was. Het dieplood,
dat uitgeworpen werd, bereikte echter op tweehonderd vademen nog geen'
grond, zoodat er geene vrees bestond, dat de schepen hier aan den
grond zouden geraken. Columbus herinnerde zich een verhaal van
Aristoteles, waarin voorkwam, dat eenige schepen, bij Cadiz zeilende,
door een' storm waren aangegrepen, en zóó ver in den Oceaan geslagen
werden, dat ze eindelijk gekomen waren bij eene plek, waar de zee zóó
begroeid was met groene planten, dat ze wel een weideveld van
oneindige uitgestrektheid scheen. Zij gaven er den naam van »Wier-zee«
aan, en hadden het geluk om den koers te wenden, zoodat ze behouden in
Europa terug kwamen. Men had dit verhaal tot de fabels gerekend, doch
thans zag Columbus, dat het waarheid bevatte. Vreemde vogels, die zich
aan hunne oogen vertoonden, deden het volk weer eenigen moed vatten,
en in de hoop, van nu heel spoedig het gezochte land te zullen zien,
werd er veertien dagen lang, zonder dat er gewanhoopt werd, tegen deze
waterweide geworsteld.

Nog altijd bevindt zich in den Atlantischen Oceaan, tusschen negentien
en vierendertig graden Noorder-breedte, en vierendertig en zesendertig
graden Westerlengte van Greenwich, deze Planten-zee. Men heeft haar
den naam gegeven van »Sargasso-zee«, doch omtrent de oorzaak, dat de
soort van wierplant, die deze zeeweiden vormt, hier in zulk eene
verbazende hoeveelheid aangetroffen wordt, verkeert men in het
onzekere.

Nog altijd kwam de wind, die hen voortdreef, uit dezelfde streek, en
toen men na zooveel dagen worstelens, nog in het geheel geen land
ontdekte, was de angst van het scheepsvolk verklaarbaar, dat men
nimmer zou kunnen terugkeeren. Steeds voort, altijd voort, het verre,
het oneindig verre Westen in! Was de plek er dan niet, waar, in den
Oceaan, de zon in de baren dook? De kusten van het vasteland hadden ze
steeds voor hunne oogen zien wijken, en eindelijk zien verdwijnen! Zoo
was het ook gegaan met het eiland Ferro. En nu! Zestien dagen en
zestien nachten was men ongestoord het Westen ingezeild, en nog altijd
bleef de afstand van de ondergaande zon even groot. Dat moest wel, het
kon niet anders. Columbus wist dat ook wel, en hij trachtte zijn volk
duidelijk te maken, dat de aarde een bol was, en dat de zon nergens in
den Oceaan dook, maar op elk punt van de aarde steeds op denzelfden
afstand van den beschouwer bleef ondergaan.

Ach ja, men geloofde hem wel, men begreep dat het zóó wel zijn moest,
maar--die wetenschap bracht het land, waarnaar met brandend verlangen
uitgezien werd, toch niet in het gezicht, dat moede werd van het
vruchtelooze staren.

En als men geen land vond, dan zou men van honger en dorst moeten
omkomen, want de voorraad verminderde sterk, en het stond te bezien,
of dit toch niet het geval zou zijn, wanneer men nu den steven wendde,
en met dezelfde snelheid van vaart terugkeerde.

Terugkeeren? Kon dat wel? Was de wind dan voor de terugreis niet
tegen?

De angst en ongerustheid namen steeds toe, totdat op den
tweeëntwintigsten September de wind van richting veranderde.

Geen »Land vooruit!« had op dit oogenblik meer blijdschap kunnen
verwekken, dan het zien, dat de wind omgeloopen was. Het was, in
waarheid, voor allen een groot pak van het hart.

Men was in een heel ander deel der wereld, dan men ooit geweest was,
dat bleek uit alles; en opnieuw werd de angst opgewekt, toen, bij
geene verheffing van wind, de zee opeens hol begon te staan.

Geslingerd van hot naar haar, werd het volk elken dag, elk uur. Nu
eens vol moed, dan weer vol vrees.

Den vijfentwintigsten September kwam Alonzo Pinzon, die meestal met
zijn schip vooruit voer, omdat de »Pinta« hoe oud en bouwvallig ook,
toch de beste zeiler was, bij den Admiraal aanboord met het bericht,
dat hij land gezien had. Anderen bevestigden dit.

Columbus was op het vernemen van dit bericht diep ontroerd, en door
een dankbaar gevoel aangedreven, viel hij op de knieën, en zong vol
innige vroomheid het heerlijke lied, dat hij zoo dikwijls in de kerk
onder de Mis had hooren klinken: »Gloria in excelsis Deo, et in terra
pax hominibus bonae voluntatis. Laudamus te! Benedicimus te! Adoramus
te! Glorificamus te!« dat is: »Glorie aan God in den allerhoogste, en
vrede op aarde, den menschen van goeden wil! Wij loven U! Wij zegenen
U! Wij aanbidden U! Wij verheerlijken U!«

Maar--Pinzons blijde tijding liep op eene groote teleurstelling uit,
want het land, dat men meende te zien, werd niet gevonden. Wolken en
nevelen hadden hun bedrieglijk spel gespeeld.

Om den moed van het volk levendig te houden, schijnt Columbus reeds
eenige dagen vroeger eene lijfrente van zesentwintig dukaten
uitgeloofd te hebben aan hem, die het eerst land zag, en Alonzo
Pinzon, die gehoopt had de belooning te zullen ontvangen, zag zich nu
natuurlijk zeer teleurgesteld.

Toen den volgenden morgen de zon opkwam, en nog velen de kooi
verlieten om het land te aanschouwen, zag men--water en lucht, wat men
nu al zoovele dagen gezien had.

Gelukkig was het weder bij uitstek schoon, en de zee was zóó kalm, dat
menig matroos, zonder aan haaien te denken, overboord sprong om wat
rond te zwemmen. De eentonigheid werd ook dikwijls afgebroken door het
visschen naar dolfijnen, of het vangen van vliegende visschen, die op
de schepen nedervielen.

Neen, eerlijk moest het scheepsvolk toch erkennen, dat het hier veel
anders was, dan eenige dagen geleden bij die Wier-zee, waaraan men nog
wel niet geheel ontkomen was, maar die toch minder moeielijkheden
opleverde. Nu eens zag men groote vogels in scharen aan den
gezicht-einder verdwijnen, en dan weer ontdekte men enkele vogels, die
te klein waren om ver van het land in zee te kunnen vliegen.

Aan den morgen van den zevenden October meenden de wachthebbende
matrozen van de »Santa Maria«, in het Westen land te zien, doch ze
waagden het niet, om er den Admiraal kennis van te geven.

Opeens echter klonk een kanonschot langs de stille wateren.

De »Nina«, die nu vooruit voer, had het gelost, en tot overmaat van
vreugd zag men, dat de vlag aan den mast geheschen werd, en dit was
het teeken voor de »Santa Maria« en de »Pinta«, dat men »Land
vooruit!« had.

Met luid gejubel werden kanonschot en vlag begroet. Allen zagen uit,
en ontdekten land. Maar--het land verdween, loste zich in de blauwe
lucht op, en--men zag zich weer door eene wolk bedrogen.

Op deze nieuwe teleurstelling volgde groote ontevredenheid, en
Columbus zag zeer goed, dat zijn volk op het punt stond, alle hoop te
verliezen. Dat ze hem dwingen zouden om terug te keeren, hij begreep,
dat dit niet gebeuren zou; want voor eene lange terugreis naar het
verlaten land, was er geen voorraad van levensbehoeften genoeg. Maar
door wanhoop gedreven, kon men hem te lijf gaan en dooden. En dan? Ja,
dan was ook voor hen alles verloren, want hij alleen had het logboek
gehouden, doch hier en daar een paar onwaarheden vermeld, om het volk
niet al te wijs te maken. Hij wist echter volkomen, hoe hij gevaren
was, en kon ook den terugweg vinden. Zijn volk daarentegen, zou met
het logboek verkeerd uitkomen.

Toch gaf hij den moed niet verloren, en althans voor het oog van zijn
volk was hij vol hoop en blijde verwachtingen.

Steeds kalmer en rustiger werd de zee, zoodat Columbus den achtsten
October uitriep: »God zij geloofd! De lucht is zoo zacht, als in April
te Sevilla. Met wellust ademt men haar met volle teugen in, want zij
is doortrokken van de heerlijkste geuren!«

Weer gingen drie dagen in onafgebroken kalme, westelijke vaart
voorbij, en was het Donderdag, de elfde October.

Daar komt Alonzo Pinzon bij den Admiraal aanboord, en toont hem een
riet en een' gesneden stok aan. Zijn volk had die voorwerpen
opgevischt, en men had ook een' boom zien drijven.

Iets nieuws was voor Columbus nòch boomstam, nòch riet, nòch gesneden
stok, want dat alles had hij jaren geleden reeds op Porto-Santo
gezien. Toch greep hij deze gelegenheid aan, om daardoor den
wankelenden moed van zijn volk op te beuren.

Het was in waarheid eene reis, zóó vol moeielijkheden en
teleurstellingen, dat men Columbus bewonderen moet, dat hij den moed
niet verloor, en eerbied dienen wij te hebben voor zijne sterke
overtuiging, voor zijn ongeschokt vertrouwen en voor zijne vastheid
van wil. Zoo we Columbus groot noemen, nergens was hij grooter dan op
die eerste ontdekkingsreis.

Maar, wat is dat?

Daar nadert Vicente Pinzon in eene boot, die zoo pas de »Nina«
verlaten heeft. Wat reppen die roeiers zich! Wat is er eene haast!
Oproer aanboord soms? Weigert men langer het Westen in te gaan? Men
buigt zich over de verschansing. Vicente komt aanboord en--van onder
zijn kleed haalt hij een soort van rozetak met nog half gave bloemen
te voorschijn. Zijn volk heeft dien tak opgevischt, en thans biedt hij
den Admiraal de eerste, frissche, levende bloemen der Indiën aan.

Boomstammen, rieten, gesneden stokken, ja, zelfs menschenlijken kunnen
van zeer verre komen aandrijven, maar eene zwakke rozebloem is niet
tegen den golfslag bestand; ze moet vernield worden, zelfs door de
nauw merkbare rimpelingen van de wateren dezer lauwe zee.

Als de duif, die in de Ark aan Noach een' olijftak bracht, is Vicente
Pinzon, nu hij Columbus levende bloemen komt aanbieden.

Het volk op de drie schepen verkeert in eene ongekende spanning.

Het staart met brandende blikken naar den gezicht-einder.

Maar, als gisteren en eergisteren, en, ach, als zoovele dagen terug,
ging de zon ver, ver in het Westen onder,--stevenden de schepen het
Westen in--en viel de nacht.

Columbus echter bleef uitstaren. Het »Land der Bloemen« kon niet ver
af zijn.

Door de duisternis boren zijne, blikken heen en ...

Zag hij daar geen lichtschijnsel?

Eene ster mogelijk! Misschien een werkende vulkaan op mijlen afstands!

Neen, geene ster, geen vulkaan, want zie, het verandert van plaats.

Hij roept Pedro Gutierrez, een' Edelman van het Koninklijke Hof, bij
zich, en wijzend naar de plaats, waar hij het bewegende licht ziet,
vraagt de Admiraal gejaagd, en met kloppend hart: »Wat ziet gij daar?«

»Niets, Senor! Ik zie niets!«

»Ziet gij dan geen licht, geen licht dat zich beweegt?«

»Ja, ja, ik zie het! Ik zie licht!« luidt het antwoord.

Anderen worden er bij geroepen. De een ziet het; de ander ziet het
niet.

Men hoort die woorden, haalt de schouders op, doch gelooft het niet.
Men is immers in deze zee vol vreemde verschijnselen reeds zoo
menigmaal teleurgesteld, zoo menigmaal bedrogen!

Zonder eenige merkbare spanning doen de matrozen van de »eerste wacht«
hun' dienst, en wekken de »mannen van de »hondenwacht.««--Zij gaan
slapen, en met loomen tred komt de »hondenwacht« boven.

De »eerste wacht« is van des avonds acht uur tot middernacht. De
»hondenwacht« is van middernacht tot vier uren in den morgen. De
»dagwacht« duurt van vier tot acht uren in den morgen.

De zandlooper wijst aan, dat het vier uren in den morgen is. Het volk
van de »hondenwacht« vindt er geen behagen in om op te blijven. Zij
wekken de mannen van de »dagwacht«, die op hunne beurt ongaarne de
kooi verlaten en op het scheepsdek komen.

Columbus waakt. Geen slaap is op hem neergedaald. Dat hamerende hart
vol onrust belette hem in te sluimeren. Geen wonder! Hij gevoelt, dat
hij op het punt staat zijn doel te bereiken, zijn doel, waarvoor hij
alles, alles opgeofferd heeft, waarvoor hij als bedelaar, om brood en
water aan de poort van een klooster klopte.

Hoe dacht hij op dat oogenblik aan den bedeltocht, die hem tot voor
dat klooster bracht, waar hij slechts brood en water voor zijn zoontje
vroeg, en niet alleen dàt kreeg, ook voor zich zelven; maar nog veel
meer. De vriendelijke Prior had hem zijne hulp aangeboden ter
bereiking van het doel, dat hem, den voormaligen planter, tot den
bedelstaf gebracht had.

Wel lag er tusschen het oogenblik, dat hij het klooster binnentrad, en
dat waarop hij van Palos uitzeilde, een lange tijd met veel moeite en
teleurstelling, maar toch had hij gezegevierd; hij mocht aan zijn plan
uitvoering geven.

En nu, hij gevoelde het, en zijne borst zwol van gelukkigen trots, nu
stond hij op het punt, dat hij heel de wereld zou kunnen toeroepen:
»Waar zijn ze nu, die mijn plan nog de hersenschim van een' dweper
durven noemen?«

Neen, het fel bewogen gemoed van den koenen, vurig geloovenden man,
ontnam hem de behoefte aan slaap. Hij kon niet anders dan waken.

De »dagwacht« echter telde niet één' dweper; ze bestond uit half
onverschillige, half moedelooze mannen, die hunne taak op de gewone
wijze volbrachten. Waarom zouden zij het ook op buitengewone wijze
doen? Er was immers toch niets bijzonders?

Dat beweeglijke licht? Ei kom, wat zou dat? Een spel der verbeelding
was het geweest, en niets anders.

De »hondenwacht« had wel wat gemompeld van eene donkere plek, die heel
wat anders leek dan eene wolk, maar wat beduidde dat? Zij zagen
dezelfde donkere plek ook, doch het kon niets anders zijn dan een
nevel aan de kimmen, of eene laaghangende wolk, waaruit de verbeelding
van Admiraal, Kapiteins en Volk, zoo dikwijls reeds land getooverd
had!

Onverschillig liep men langs het dek heen en weer, en verlangde maar
naar de opkomst der zon, die hare komst in de landen tusschen de
keerkringen niet met zulk eene lange schemering aankondigt, als in de
gematigde luchtstreek het geval is.

Reeds aanboord der »Pinta« had men even na middernacht het geroep van
»Land! Land vooruit!« gehoord, doch geheel overgegeven aan eene doffe
onverschilligheid, hechtte men er geene waarde aan.

Eindelijk braken de eerste lichtstralen der schemering door, en
nauwelijks werd het donker van den nacht eenigszins verdreven, of een
matroos, Rodrigo de Triana, die niet steeds als de anderen het Westen
inkeek, ontdekte ten Noorden van de »Santa Maria« land. Vol vreugde
snelde hij naar den Admiraal, om hem de blijde tijding te brengen, ten
einde daardoor in de gelegenheid te zijn, om de uitgeloofde belooning
te ontvangen van zesentwintig dukaten, benevens het zijden wambuis,
dat de Admiraal een paar dagen vroeger nog uitgeloofd had aan hem, die
het eerst land zag.

Waaraan het ligt, weet ik niet, doch over die uitgeloofde belooning
wordt zeer verschillend gesproken. De een zegt, dat het een jaargeld
of lijfrente was, en de ander, dat het eenvoudig eene belooning was,
welke ineens, maar ook niet meer dan eens uitgekeerd werd. Volgens den
een was die belofte reeds schriftelijk gegeven door Ferdinand en
Isabella, en volgens den ander deed Columbus die belofte in zijne
betrekking als Onder-koning van al de landen, die hij ontdekken zou,
in naam van zijne Meesters. Volgens den een was het eene som van
tienduizend maravedis, wat dan zooveel zou wezen, als vijfendertig
gulden van onze munt. Een ander spreekt van dertien escados of
zoogenaamde schilddaalders, wat ongeveer veertig gulden zou bedragen
hebben. Die sommen ontloopen elkander niet veel, maar over het
toekennen ervan verschilt de eene schrijver aanmerkelijk met den
ander. Er zijn schrijvers, die beweren, dat Columbus dat jaargeld, of
die belooning voor één keer en aan zichzelven uitbetaalde, omdat hij
de eerste was geweest, die het beweeglijke licht ontdekt had, hetwelk
blijkbaar van het land kwam. Een ander schrijver spreekt wel van de
uitgeloofde belooning, doch rept er met geen enkel woord van, wie ze
kreeg, terwijl weer een derde zegt, dat Rodrigo de Triana ze ontving,
doch inplaats van dezen matroos deel te laten uitmaken van de
bemanning der »Santa Maria«, plaatst hij hem op de »Pinta«, en is hij
de man, dien hij even na middernacht het geroep van »Land vooruit!«
laat aanheffen. Zeker is het, dat als aan iemand de belooning moest
uitgereikt worden, deze niet toekwam aan Columbus, want hij had zich
wel gewacht om stellig te verklaren: »Land vooruit!« Ook aan het volk,
dat bij hem aanboord was, kwam die belooning niet toe, want het volk
der »Pinta« was hun voor geweest.

Behalve over die belooning, loopen de schrijvers ook zeer uiteen,
omtrent het gedrag van het scheepsvolk op die moeielijke en langdurige
reis. Volgens sommigen sloegen de matrozen meer dan eens tot oproer
over, en was Columbus zelfs genoodzaakt, om, wilde hij het leven
behouden, de belofte af te leggen, dat ze zouden terugkeeren, indien
men na drie dagen nog geen land gevonden had.

Later zullen we nog dikwijls genoodzaakt zijn, om achter eene daad van
Columbus een vraagteeken te zetten, en de oorzaak hiervan laat zich
hieruit verklaren.

Columbus was een vreemdeling, die hooge eischen stelde. Als
vreemdeling was hij in Spanje reeds gehaat, en telde men de hooge
eischen, die hij stelde, niet, omdat men er toch aan twijfelde of hij
den weg naar de Indiën wel vinden zou. Maar toen hij dien weg beweerde
gevonden te hebben, en er bijna niemand was, die aan de waarheid
twijfelde, bracht men die eischen wèl in rekening. Columbus schijnt
verder iemand geweest te zijn, die gaarne zijn gezag liet gelden, doch
die geen overleg bezat om dat op eene verstandige en omzichtige wijze
te doen. Hoe het zij, hij had in Spanje veel meer vijanden dan
vrienden. Zijne vijanden berokkenden hem veel kwaads, en wisten
allerlei minder goede dingen van hem te vertellen, om hunne houding
tegenover hem te rechtvaardigen. Zijne vrienden, hierover gebelgd,
aarzelden niet om Columbus' deugden breed uit te meten en zijne
gebreken òf te bewimpelen, òf te verzwijgen, òf wel te loochenen.
Nemen we verder in aanmerking, dat zijn logboek niet in den haak was,
en dat het dagboek, hetwelk hij aangelegd en zorgvuldig bijgehouden
had om het Ferdinand en Isabella terhand te stellen, natuurlijk eigen
fouten verzweeg, dat verder zijne levensgeschiedenis, die het meest
aangehaald wordt, naar het heet, geschreven werd door zijn eigen zoon,
dan zullen we ons niet zoo zeer verwonderen, dat de berichten omtrent
zijn persoon en zijne handelingen, zoo zeer uiteen loopen.

Zoodra Columbus de blijde tijding vernam, snelde hij naar het dek,
en--hij ook, hij zag het land!

Welk eene algemeene vreugde er aanboord van de drie scheepjes
heerschte, kan niet beschreven worden. Zelfs de ruwste zeerobben, die
zich wellicht zouden schamen om in hun eigen land te laten zien, dat
ze nog tranen hadden, weenden van blijdschap en omarmden elkander. Het
was geen wonder ook. De vele teleurstellingen, die ze ondervonden, en
de angsten, die ze uitgestaan hadden, maakten de blijdschap des te
grooter, en vol dankbaarheid hieven ze, doch nu niet in het gezicht
van eene wolk, die ze voor een eiland hielden en zich in de lucht
oploste, maar in het gezicht van een echt land, een »Te Deum laudamus:
Te Dominum confitemur. Te aeternum Patrum, omnis terra veneratur« aan,
dat is: »U, o God, loven wij! U, o Heer, belijden wij! U, o Eeuwige
Vader, vereert de gansche aarde!«

Neen, het was nu geen gezichtsbedrog, want zie, toen de zon geheel
boven de kimmen verrezen was, en de schepen het land naderden, wemelde
het strand van inboorlingen, die vol verbazing de schepen zagen
naderen.

Zij wisten niet, wat zij zagen, want de zeilen deden hen denken aan
vleugels, en de rompen der schepen werden daardoor in hunne oogen tot
vogels herschapen.

[Illustratie: Op Vrijdag-morgen, 12 October 1492, aan de kust van het
Watlings-eiland.]

Vrijdag, de twaalfde October van het jaar 1492, is en blijft, hoe men
ook over Columbus denken moge, een dag die een der merkwaardigste in
de wereld-geschiedenis heeten mag. Die drie scheepjes, met hunne
honderdtwintig mannen, deden hier meer dan zelfs een Godfried van
Bouillon voor Jeruzalem deed. Was deze, door zijne grootsche daad, bij
machte om aan Europa's maatschappelijke instellingen eene andere
richting te geven, Columbus met zijne mannen gaf aan de heele
maatschappij, zooals ze over de Oude, en nu ook de Nieuwe wereld
verspreid was, een' ruk, die haar niet alleen van koers deed
veranderen, maar ook in eene heel andere stelling bracht.

Na het eindigen van den lofzang, werden de booten uitgezet, om, op
Portugeesche wijze, bezit van het land te gaan nemen.

Columbus was de eerste, die den voet aanwal zette, en toen allen, die
in de booten geland waren, zich om hem heen schaarden, plantte hij den
standaard van Kastilië en Aragon op het strand, en verklaarde plechtig
het land in bezit te nemen voor Zijne Majesteit Koning Ferdinand en
Hare Majesteit Koningin Isabella.

Dat Columbus met al zijne tochtgenooten in de stellige overtuiging
was, dat hij de Indiën langs den westelijken weg bereikt had, weten
we. Dat men nog verscheidene jaren daarna dit geloofde, en niet wist,
dat men Plato's fabelachtig Atlantis gevonden had, weten mijne lezers
uit dit boek nog niet, maar toch is het zoo.

Volgens de nauwkeurigste onderzoekingen, was het eiland, dat Columbus
het eerst ontdekte, het eiland Watling, dat behoort tot die groep
eilanden, die zich boogvormig uitstrekt ten Noorden van Cuba en Haïti
en bekend is onder den naam van Bahama-eilanden. Op sommige atlassen
staat er ook de naam Guanahani bij, en wordt er bij vermeld, dat het
voorheen San Salvador heette, en het eerst ontdekte eiland van
Columbus was.

Van de inboorlingen, die vol aandacht de handelingen der vreemde
mannen gadesloegen, vernam Columbus, zoo goed en kwaad dit met de
gebarentaal ging, dat het eiland door hen »Guanahani« genoemd werd.
Hij echter, bezield met het voornemen, den Christelijken godsdienst
over de heele Indiën te laten prediken, noemde het San Salvador, wat
in onze taal beduidt: »Heilige Verlosser«.

Vreemd moet het ieder schijnen, dat de inboorlingen zoo weinig vrees
aan den dag legden, en bij de landing niet vol angst voor die
zonderlinge wezens in hunne bosschen vloden. Hiervoor bestond echter
eene oorzaak, die de Spanjaarden eerst later vernamen. Er was onder de
inboorlingen van Mejico, dat later door Cortez ontdekt werd, eene oude
voorspelling in omloop, waarover we bij de geschiedenis van Cortez
breedvoeriger spreken zullen. Het zij voldoende hier te melden, dat de
Mejicanen de komst dier »kinderen van de zon« verwachtten. Dat geloof
was zelfs zóó sterk, dat een voornaam inboorling eens aan een'
Spanjaard vroeg, hoe ze uit den hemel neergedaald waren, op vleugels
of op wolken? Hoogstwaarschijnlijk was die voorspelling ten deele ook
doorgedrongen tot de eenvoudige bewoners der Bahama-eilanden.

Eenvoudig, ja, dat waren ze, en wel tot groote teleurstelling der
Spanjaarden. Om goud te verkrijgen, hadden ze zich tot het doen van
dezen gevaarlijken tocht verbonden; aan goud dachten ze elken dag van
hunne lange reis. Het woord »goud« was instaat, de vrees in moed te
veranderen. Vertellingen, waarin goud eene hoofdrol speelde, hadden
het eentonige leven aanboord eenigszins verlevendigd; van goud
droomden ze. En zie, de inboorlingen liepen bijna naakt, en van
paleizen en tempels, gedekt met gouden platen, was niets te zien.
Alleen hadden sommigen den neus doorboord, en droegen in die opening,
als sieraad, kleine gouden staafjes. Wapenen van metaal kenden ze zóó
weinig, dat een hunner in Columbus' zwaard liep, en zich daardoor
deerlijk verwondde.

Waarlijk, de teleurstelling was al te groot, waar de verwachting zoo
buitengewoon gespannen was. Toch, de menschen hadden goud, al was het
weinig, en toen men, natuurlijk steeds met gebaren, hun gevraagd had,
vanwaar ze dat goud hadden gekregen, wezen ze naar het Zuiden.

Zoodra men dit vernomen had, wilde Columbus niet langer op dat kleine
eiland blijven, en reeds twee dagen later verliet hij het, om zijne
ontdekkingen voort te zetten. Met het doel hun op den verderen tocht
eenig Spaansch te leeren, opdat ze dienst zouden kunnen doen als
tolken, nam hij zeven inboorlingen mede, en zette koers naar het
Zuiden. Hij zag nu verscheidene eilanden en eilandjes, doch daar geen
dezer het gezochte »Zipangu« kon zijn, deed hij er slechts drie aan,
en zeilde de andere voorbij. Ook op de drie eilanden, die hij bezocht,
vond hij dezelfde, onbeschaafde, arme, doch goedige inboorlingen, die,
als sieraad, een gouden staafje door den neus droegen, en op zijne
vraag, vanwaar ze dat goud hadden, hun antwoord, door gebaren,
geregeld deden luiden: »Uit eene streek ten Zuiden van hier!«

In den vroegen morgen van den achtentwintigsten October, kreeg men
echter eene kust in het gezicht, welke niet aan een eilandje, als de
reeds ontdekte, kon behooren. Het moest de kust zijn van een zeer
groot eiland, of van het vasteland. De monding eener rivier ziende,
liep Columbus deze binnen, niet alleen met het doel om dit land in
bezit te nemen voor Spanje of het te laten onderzoeken, maar ook om de
schepen, die op den tocht veel geleden hadden, eens goed te laten
herstellen.

Bij het naderen der schepen, waren twee kano's hun te gemoet geroeid,
doch toen Columbus de zeilen liet strijken en de ankers liet vallen,
namen ze de vlucht.

Zoodra men aanwal was, werd het land op de gebruikelijke wijze in
bezit genomen, en door Columbus »Juana« genoemd. Thans draagt het den
naam van Cuba. Het is nog altijd in het bezit der Spanjaarden, en voor
hen, wat Java voor de Nederlanders is, hoewel het voor Spanje zoo vele
voordeelen niet oplevert. In grootte ontloopen deze twee eilanden
elkander zoo heel veel niet, daar Java slechts tweehonderd vierkante
geographische mijlen meer oppervlakte heeft. Het binnenland is
bergachtig, en de hoogste top heeft eene hoogte van
vijfentwintighonderd Meters. Tal van rivieren, die uit den aard der
zaak niet groot kunnen zijn, stroomen naar de kusten, en maken den
vruchtbaren grond zeer geschikt voor den landbouw. Suiker, koffie,
katoen, tabak, cacao, indigo, maïs, rijst, ananassen, bananen,
allerlei zuidvruchten en kostbare houtsoorten zijn de tegenwoordige
voortbrengselen uit het plantenrijk. Als men echter weet, dat slechts
het elfde deel van de heele oppervlakte des eilands

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/29627