Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Papieren Kinderen: novellen en schetsen

by Justus van Maurik · Dutch · Gutenberg #29429 · 412,824 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Papieren Kinderen: novellen en schetsen
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Papieren Kinderen: novellen en schetsen

Author: Justus van Maurik


        
Release date: July 17, 2009 [eBook #29429]
                Most recently updated: January 5, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/29429

Credits: Produced by Branko Collin and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PAPIEREN KINDEREN: NOVELLEN EN SCHETSEN ***




Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net





   +-------------------deze regel heeft nummer 1------------------+
   |                                                              |
   |                  OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
   |                                                              |
   | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,   |
   | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te    |
   | moderniseren.                                                |
   |                                                              |
   | De voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de            |
   | bijbehorende alinea. Bladzijde-nummering is verwijderd.      |
   | Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn           |
   | stilzwijgend hersteld.                                       |
   |                                                              |
   | De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst is |
   | in dit e-boek weergegeven als _uitgespatieerd_.              |
   |                                                              |
   | Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het   |
   | origineel zijn bijna allemaal gecorrigeerd. Uitzondering     |
   | zijn de verschillen in spelling bij samentrekkingen.         |
   |                                                              |
   | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de         |
   | aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer.         |
   |                                                              |
   +--------------------------------------------------------------+




                           PAPIEREN KINDEREN




                           PAPIEREN KINDEREN

                          NOVELLEN EN SCHETSEN

                                  DOOR

                         JUSTUS VAN MAURIK Jr.

                               AMSTERDAM

                            Tj. VAN HOLKEMA

                                  1888




_EEN BENEFIET_.




EEN BENEFIET.


I.

Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.

Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen
gleed, zei hij in zichzelf: „Hier moet ’t zijn,” en keek oplettend
naar de zwarte letters op ’t porseleinen naambordje aan den deurpost.

„W. F. Hostein” ’t stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn hand
beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen schelknop
aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok hij snel
de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas naar de
garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze aan te
trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.

Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.

„M’neer thuis?”

„Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis
woont?”

„Meneer Hostein!”

„Jawel, die is thuis, maar.....”

„Niet te spreken misschien?”

„Meneer is aan ’t studeeren voor van avond en....”

„O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of ’t schikt dat ik weerom kom.”
Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het
meisje zeggen: „Wacht u dan maar effentjes.”

Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: „Adriaan Walten,
tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den
ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een
oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn
linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen
hing.

Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit ’t portaal een
welluidende mannenstem: „Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan maar
boven komen.”

„Neen, meneer; ’t is een...” ’t Woord „heer” wilde niet vlot over
Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: „’t
Is zoo’n raar persoon, weet u, zoo’n...” Zij reikte ’t kaartje over.

Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den
linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige
rechterhand een paar droppels van ’t hooge voorhoofd, terwijl hij in
de spiegelruit van de tochtdeur, die op ’t haakje was vastgezet,
trachtte te ontdekken of zijn das en boord goed zaten.

„Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem; ’t
meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk
hijgend door ’t haastige trap op- en af snellen: „Gaat u maar naar
m’neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.”

       *       *       *       *       *

In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de
gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht
in de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond,
gladgeschoren gezicht; op ’t kort gesneden haar draagt hij een roode
Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte
pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding.
Den bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: „Pas op ’t
drempeltje, ouwe heer: ’t is een beetje duister op ’t portaal.”

De „ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem
een: „voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van
sigarettenrook de woorden: „Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.”

Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een
bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt.

’t Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden
eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk
ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt
eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich
merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.

„’t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere ’t
niet verstaat en vriendelijk vraagt:

„Zei je wat, Walten?”

„U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat ik
u erg kom hinderen, maar....”

„Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een oogenblikje
over.”

„Dat dacht ik wel, meneer Hostein.”

„Hé?”

„Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.”

„Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: „Meneer”—en dàt tegen
mij, je ouwen leerling Willem?”

„Ja, maar meneer Hostein...”

„Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik
heet?”

Een glans van vreugde glijdt bij ’t hooren van dien hartelijken toon
als een zonneschijntje over ’t gelaat van den ouden Walten, en als
toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt
hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl
een: „Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt.

„Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere
handen, terwijl hij vraagt: „Waarmee kan ik je dienen, papa?”

Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met
doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:

„Ik ben zoo ongelukkig, Willem!”

Hostein werpt vluchtig een blik op ’t oude beduimelde kaartje, dat hij
in de hand houdt, leest de woorden: „Tooneelspeler a/d K. S.” en
terwijl hij denkt: „Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat’s heel lang
geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem:
„Is ’t waarachtig?”

„Ja, ik weet nu geen raad meer.”

„Arme ouwe kerel!”

„’t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....”

„Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is ’t alleen dàt?” Hostein
maakt de beweging van geld tellen.

„Niet alleen; maar—toch....”

„Zit je weer in den brand?”

„Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik
wou, hum!—’t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je?
Waarachtig niet, want ik kan ’t nooit teruggeven en....”

„Dat is ook niet noodig.”

„Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding
probeeren en daartoe....”

„Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en andere
collega’s je met alle liefde wat assisteeren willen en....”

„Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; „maar ik begeer niets te
hebben; ik....”

„Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!”

„Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers
wel, dat ik nu dan toch....”

„Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga nu
eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je rooken?—Hier
staan sigaren.—Niet?—’n Sigaret?—Ook niet?—’n Glas port dan?—Kom! dat
zou ik nemen, dat geeft ’n beetje toon in de maag.—Wil je niet?—Nu
wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten nog wel!”—Hostein
schelt, en als ’t meisje een oogenblik later is binnengetreden, zegt
hij: „Haal eens een kop bouillon, hiernaast in ’t café—en ’n paar
beschuitjes.”

„Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die
woorden.

„Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag
bouillon. ’t Is bepaald een behoud voor de stem.”

„Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt
Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché,
die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen
door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo
fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de
bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en
droevig zegt: „’k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren
hebben me kapotgemaakt, en hum!—’k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen!
zeg maar niet, dat ik ’t me verbeeld; ’t is de waarheid,—ik word
langzaam aan oud; dat voel ik wel.”

„Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....”

„Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb ’t ook zoo
hard gehad in den laatsten tijd.”

„Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?”

„Ook al, Willem; maar dat was ’t ergste niet: ’k heb eeuwig en altijd
„Pech” gehad in de laatste jaren.”

„Ja! voor den wind is ’t je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom
sprak je niet?”

„Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand lastig
vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....” Walten
zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning van
den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.

„Heb je niets om handen op ’t oogenblik?”

„Niets, Willem. Je weet immers ’t ongeluk, dat mij trof met mijn
schouwburgtent?”

„’k Heb er destijds van gehoord.”

„Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk
brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde
en.....”

„Je was toch geassureerd?”

„Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en
vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn
wangen rolt, glinsterend in ’t zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder
verlicht, vraagt hij zachtkens: „Je weet immers, hoe ik toen bestolen
ben?”

„Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.”

„Ik heb geen cent van ’t geld gezien.”

„Dat ’s een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?”

„Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....”

„O! nu herinner ik ’t me weer, ’t is waar ook; dat ’s een ellendige
historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak
geven; die gemeene schoelje had haar ’t leven toch al zuur genoeg
gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?”

„Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook
nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in ’t weeshuis.”

„En hij?”

„Zit ergens in Australië, geloof ik.”

„Zoo’n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?”

„Die is nog altijd ’tzelfde.”

„Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn voorhoofd.

„Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar ’t wordt gaandeweg erger,
de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....”

„Jammer, doodjammer van ’t arme schepsel. Ze had wel wat talent, hé?”

„Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder
dof—„ik heb nooit zoo’n talent gezien als van dàt kind, ’n geboren
tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer
die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er
alles van. Wat ’n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de
Castro zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor ’t eerst
optrad? Wat ’n stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid
heeft ze nog, maar—’t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm
is,—zie je, ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de
handen over mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt
hij tot zichzelf, herhaalt hij: „Niets, bijna geen stom woord. Die
vervloekte kale mof met z’n gladde tong had m’n arme Netje totaal
ingepakt en....”

„En ’t kind, is dat blijven leven?”

„’t Is drie jaren geworden; toen is ’t goddank gestorven. Wonderlijk,
hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was ’t bepaald alsof ze ’t
niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.”

„’t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop
maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed
is.—Ja ’t is een droevig geval met je dochter.”

„Ja waarachtig, wel is ’t dat! Dadelijk na haar bevalling is ’t al
eens mis geweest, maar ’t liep er toen niet zoo erg door; ze beterde
en daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een
paar jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor
mijn zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs ’t kleinste
werk niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer
oogenblikken, soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in
orde. Ja, ’t is ’n ellende! Die muzikant met z’n sentimenteele oogen
heb ik nooit vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem
gewaarschuwd, maar ze was als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij
haar heeft laten zitten was nog ’t ergste niet, dat gebeurt meer; maar
dat zij door die hum!—die geschiedenis aan ’t malen is geraakt, dat ’s
fataal.” Walten drinkt langzaam een paar teugen en vervolgt dan: „’t
Is zuiver physiek, zie je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo
allemachtig dol op dien vent was, ten minste later niet; en daarom heb
ik altijd nog hoop, dat ze niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald,
dat ze geholpen kan worden, maar—ze moet goede verpleging en rust
kunnen hebben. Vat je, onder dokters handen, in ’n gesticht en....”

„Zou je dat waarlijk denken, Walten?”

„Waarachtig! Maar gauw zal ’t niet gaan. Jongens, Willem, als ze van
die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens
hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed
zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God!
wat ’n jammer, dat ze zoo....”

„’t Is zonderling!”

„Ja, wel is ’t dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder
behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog
wel hier of daar „emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje
glijdt vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: „Als ik
wil, kan ik ’t nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat
begrijp je; maar „père noble”, dat zou best gaan; ik zou nog menig
„jonkie” een lesje kunnen geven.”

Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze ’t merkt,
met medelijden aan en antwoordt; „Ja, je hebt van de piek op gediend,
je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als
ik....”

„Als je niet zoo’n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen,
artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb ’t je dikwijls
gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je
pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij
vervolgt: „’k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen
lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom
ik nu ook bij jou om hulp.”

„Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?”

„Ik wou probeeren om ’n benefiet te geven!”

„Ei! Ei!”

„Ik weet wel, Willem, dat ’t moeilijk zal gaan bij deze directie, want
die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad,
maar—dat ’s al lang geleden. Nu dacht ik, dat ’t misschien gaan zou,
als jij mijn voorspraak woudt zijn.”

„Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik ’t wel voor je in orde speel.”

„Zou je denken?—Maar, Willem, ’t moet ’n benefiet zijn, waar ik goed
wat van overhoud; ik heb bij ’t vorige, een jaar of vier geleden, maar
’n kleine tweehonderd gulden gemaakt.”

„Dat’s weinig!”

„Och! je begrijpt, ’t ging voor ’t derde, na aftrek van de
avondkosten; ik was toen al blij, dat ’k ’t kreeg, al had de Directie
er per saldo ook ’n „goeien” avond aan, want ’t was in den slappen
tijd, en daarom deden ze ’t. De zaal was goed bezet, we hadden ook
hard gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat
negenhonderd gulden; daar ging ’n groote driehonderd gulden af voor
armengeld en avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.”

„Ja, dat’s akkoord!”

„En toen ik ’t geld in handen had, was ’t dadelijk geblazen, want
iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren
zelfs lui, die geld van me moesten hebben, ’s avonds aan den
schouwburg. Wat ik overhad, was een mondje vol, meer niet.”

„Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je
opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal ’t wel
zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de
avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.”

„Zou ’t lukken, Willem? Zie je, ’t is wel hard om zoo’n
armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och!
’t is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die
woorden.

[1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.

„’t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms „en attendant” ’n pop of tien
hebben?”

„Graag! Van jou neem ik dat aan; ’k zal ’t dadelijk weerom geven na
mijn benefiet.”

„Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen
kan.... Hier heb je een muntje.”

„Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat ’k hooren kan of ’t
lukt?”

„’k Zal er morgen dadelijk over spreken.”

„Wil ’k dan overmorgen komen hooren?”

„’k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?”

„Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En na
een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door
Hostein, die hem aan de trap nog naroept: „’k Zal ’t wel voor je
klaren.”

       *       *       *       *       *

Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan,
hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten
komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.

Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij
zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een
notaris-kantoor geplaatst, waar ’t droge, iederen dag regelmatig
terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De
kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de
brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het
tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog
kleiner salaris begon.

Allengs „kwam hij op”, zooals men dat in de tooneelwereld noemt en
binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten
speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op ’t affiche bleek
voldoende om een stuk te doen „trekken.”

Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de collega’s
in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke collega’s, en
niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen hem maar al te
gaarne: zijn „geluk” bij haar evenaarde zijn succes op de planken; en
zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet hebben kunnen
tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op rijperen
leeftijd nòg fladderend, in ’t net van een Fransche danseuse was
gevlogen, die „le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn
rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij
’t geduldig droeg, blijft de vraag.

Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem
de eerste schreden deden zetten op ’t hellende vlak, waarop hij
langzaam, maar zeker, omlaaggleed.

Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde „Madame la Directrice” heeten—en
ze deed hem vallen.

„Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde
die droom niet lang; ’t ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.

„De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een „troepje” en na veel
tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw „een troep”,
maar in de andere beteekenis van ’t woord.

Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te
vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap
te schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd
verder gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de
kermistent voerde.

Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die
vrouw, die hem, als ’t ware met magnetische kracht vasthield en
beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn
ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde,
misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed
het niet; Walten was, zooals men ’t heet, een goeie vent, een
artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter,
toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen
dáár, waar ’t hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.

’t Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed,
en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een
tijdstip kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan ’t geen hij
vroeger was en rekening houdend met ’t geen hij nog kón zijn—hem een
fatsoenlijk engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang,
was ’t alweer die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te
stellen, dat men die niet kon toestaan.

Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur,
zich lavend en bedwelmend door de bravo’s en toejuichingen van een
publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn
oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan,
speelde alles, wanneer ’t slechts „DE ROL” was van ’t stuk; ’t
handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals
de flesch aan den dronkaard.

Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond,
zorg en kommer knakten in hem den „artist” voordat de „mensch” Walten
oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof
geworden, zij zagen slechts schemerend ’t licht der kunst en straalden
’t niet meer uit. ’t Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde,
was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer
van „den drank”, en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog
veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.

Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots was
hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die van
anderen—een „gentleman” gebleven; hij „voelde” zich, niettegenstaande
hij niets meer was.

Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was, begreep
hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had in
allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult
en juicht, als ’t degens en dolken ziet, en dat samenvalt van ’t
lachen, als ’t hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een
kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden
hoe schoon het geheel eenmaal was.

Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest, gestorven;
zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en eindelijk was
’t gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan zijn
zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter,
zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was
geboren, en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.

Dat „zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid,
dat Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was,
die wist hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van
verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte,
verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door
schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij
zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste
acteur, de gevierde artist was bij de Directie en bij ’t publiek.

       *       *       *       *       *

Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit ’t venster
hem na en zei in zichzelf: „Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik
kan”.

Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van
den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer
bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort
een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na
aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn
van den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.


II.

’t Is even na den middag. ’t Is koud en guur winterweer, zonder
sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend
kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje
een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat
der achterbuurt, waar Walten woont, maar ’t is geen zonneschijn die,
weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, ’t is alleen een
teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt
als komt.

Op ’t open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten
de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft,
staat een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan
de waschtobbe! ’t Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar
goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige
herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan
helder in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een
klein, dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn
kracht bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee ’t
plaatsje bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er
uit alle macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij
bewijzen, dat gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er
bij uit. Zijn schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend
luistert de moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en
„’t lawaai” haar te erg wordt. „Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met
den van zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de
achterkamer, voor welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar
galmende tonen haar oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en
bevelender: „Stil dan toch, joggie!”

[1] Turf- en houtverkooper.

Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf,
het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor
zijn de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den
grond. Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op
eenige centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel
mogelijk het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn,
wanneer niet, door de openstaande deur van ’t kleine keukentje het
volle daglicht binnenviel.

Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon geuite
woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van het
bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar:
„Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op ’t bankje. Nu reikt ze
met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar
binnen in de kamer kan zien.

„Hum!” mompelt zij, „de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze toch
net effetjes zien.” Zij stapt van ’t bankje af en luistert opnieuw,
want binnen klinkt de stem al luider en luider.

„Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; ’n mensch kan niks niet
hoore, als jij aldoor zingt; ’t wordt nou net persies mooi.” Zij doet
een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: „Juffrouw
Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou
gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere,
vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!”

Uit de openstaande achterdeur van ’t naburig huis, dat eveneens op ’t
erf uitkomt, klinkt een heesch: „Ik kom al!” en dadelijk daarop
waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar
buiten.

Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak, om
’t lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren
pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken,
als zij nadert.

„Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze
een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande ’t
koude gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.

„Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; ’t is posetief ’n
extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat
u maar op ’t bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in
de kamer zien; ’t eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot
nou meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht ’k zal je
helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch
wat ben je toch dikkig: als m’n bankie ’t maar uithoudt—drie ootje!
oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d’r.—Zie je
wat?”

„Gut, lieve ziel, wacht effies!—’k Ben blij, dat ik staan, hoor! Voor
’n dikkig persoon is ’t een heele toer om op zoon bankie te komme; ik
ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik
zien.”

„Zie je wat?”

„Nou!”

„Wat dan?—Zeg ’t me maar zoetjes.”

„Kristemensch! wat is ’r ’n herrie in die kamer.”

„Nou hé!”

„Alles leit overhoop; zij zit op ’t bed. O! Gossie! wat ziet ze ’r
raar uit, en hij maakt grimassies voor d’r. Hij buigt. Hè! hè! hè!
hè!”

„Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie ’t!”

„Dat’s allemachtig kemiek: hij zoent ’r hand.—Zeg, ’k kan ommers niet
valle, juffrouw Daters?—Hij doet ’t bij wijs alsof ie ’n onderdaan is
of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit ’n soortement vers op.”

„Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?”

„Stil dan, mensch, laat me nou hoore.”

„Vertel dan ereis, wat ie zeit?”

„Nou persies kan ’k ’t niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat op
z’n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat’s grappig—zij
vliegt op en pakt die ouwe kerel om z’n hals. Sjuut! nou ken ’k ’r
verstaan. Jij ook?”

„Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!”

Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:

  „.... Hernani! ’k beef.... In ’s hemels naam,
  Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.”

en Waltens stem, antwoordt:

  „Te zaâm?—Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren,
  Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;
  Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m’ uw liefde boodt,
  Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.”

„Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, „hij heit ’t
over z’n armoê. Nou! dat ’s geen wonder: ’t is daar ’t noordermarkie
wel.”

„Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; ’t bankie is zwak; je mot
stilstaan, hoor!—Wat ’n malle mensche om zoo met mekaar in d’r eentje
komedie te doen.”

„Nou!”

Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als
eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:

  „Neen, ’k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen;
  ’k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch bevelen.”

zegt juffrouw Jaling zachtkens: „Wat ’n mooie stem heit ze’.”

„Jawel, maar luister nou liever, m’n goeie mensch.”

Walten antwoordt:

  ....... Laat mij alleen ontvluchten!

„Gaat ie ’r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de andere,
die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.

„Wel, mensch, ’t is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor je
wel?”

          ..... „Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind
  Zijn leven te offeren aan den een’gen, dien men mint,
  En, weggestooten, nog ’t geluk te moeten derven
  Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.”

Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd
geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen,
gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de
andere zegt: „’k Heb met ’r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je
gaat er niet voor naar de komedie, hoor; ’t is waar wat je zei—hè!
dat’s jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt ’t zoo donker dat
’k bekans niets zie—maar hoore kan ’k wel.”

„Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is ’t niet?”

„Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.”

„’t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als
ie praat. Je ken ’m haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne
ze weer; maar....”

Krak! krak! doet ’t bankje en meteen: „Groote Gerritje, daar heb je ’t
nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt haar
tegen en helpt haar veilig op den grond. ’t Bankje is door „de
dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot
het uiterste gebracht en bezweken.

Met een: „Da’s nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een
oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte
japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat,
vraagt ze:

„En is daar nou alle dage weêr-an zoo’n spektakel?”

„Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.”

„Heere, Heere!—’k Wou dat ’k hier eerder was komme wone; ’t
verdiverteert me wel.”

„M’n man is ereis op z’n kamer geweest.”

„Kom?”

„Waarentig!—’n Rommel, m’n goeie mensch, een rommel, van alles en nog
wat!”

„Wel, wel!”

„En speult ie nou nog op den Schouwburg?”

„Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.”

„Wat je zegt!”

„’t Mot vroeger anders ’n baas zijn geweest.”

„Zoo!”

„Jawel, ’n eerste kemiekeling!”

„Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo buigt;
anders is z’n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je ’m zoo
ziet.”

„Nou!”

„Zoo’n beetje verloopen ook, hé?”

„Nou! ’t is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien
zeit ie toch nog wel ereis ’n grappie.”

„Och kom!”

„Ja, als Pietersen komt.”

„Wie is Pietersen?”

„O! ken je dien nog niet?”

„Neen!”

„’t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie
vroeger bij ’n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie
zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat’s zoo’n mirakel
van ’n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes
met ’n jas van „dankie meneer” er over. ’n Liefhebber van een slokkie,
erg! Maar vinnig, als ’t er op ankomt ook.”

„Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg ’m
maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers
van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.

„Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie
niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om
’n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O!
Pie-ie-ietersen!”

„Mensch, wat begin je?”

„Nou! mot je ’m niet ereis zien? ’t Is wat ’n smakelijke poelepetaat;
misschien krijgt ie nog idee in je; zoo’n dikke weduwvrouw zonder
kindere zou ’m nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat ’t?”

De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling
type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet
hij er uit alsof hij op ’t punt is om door te breken.

Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel
als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier
geen oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en
’t is alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan
sluit hij het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins
scheel en voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een
groote breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn
jas en pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of
anderen menschenvriend.

Door ’t bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan
dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn
stem een klank, die aan ’t klokken van een flesch, die uitgeschonken
wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig
was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die
eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze ’t voortdurend zijn.
Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des
alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een
zoogenaamde „pleizierige bui”, die zich bij hem aankondigt door een
kleine moeilijkheid bij ’t uitspreken van enkele woorden en letters.
Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat
heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog
knipt hij niet vaker dan anders.

De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want
Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een
zoogenaamden „ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van
een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een
eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van
overwicht bezorgt. „Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en
hoewel ze hem zoodra ze kunnen in ’t ootje nemen, gaan ze nooit te
ver; „dat ken je niet met ’m risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig
beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert
vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen
ernst:

„Rr-oept u, schoone dame?”

„Ja, Pietersen!”

„Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!”

Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: „Nou, voor
mijn part mag je „meheer” wezen, maar ’n meheer met angst ben je toch,
ha! ha! ha!”

„Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?”

„Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch ’n oud mirakel.”

„Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden, beminnelijke,
dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.”

Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt vrouw
Daters: „Hij heit ’m te pakke van middag!” en luid zegt ze: „Ouwe
graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je
te wachte. Ha! ha! ’n mooi spannetje voor ’n bokkewage die twee.”

„Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!”
Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen
toon: „Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben
gezet, lieveling!”

Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is
gestruikeld, zijn hoed uit ’t zeepsop opvischt en, tegen den muur
leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.

„Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters, en
juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam
was, voegt er bij: „Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers
niet kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! ’t is de pijne waard om te zien.”

Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat
Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur,
die toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is
door dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe
uit zijn humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.

„Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat,
keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende
buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: „Au revoir, mes anges”.

Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen
binnensmonds en gaat dan de trap op.

’t Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen,
maar hij wacht toch even in ’t enge donkere portaal, vóórdat hij naar
boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit
de kamer:

  „Ik volg u!”

„Dat’s Annette,” zegt hij in zich zelf. „Och Heere! zou ’t weer mis
wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.”

  „De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,”

klinkt boven hem Waltens stem.

„Jongens! jongens! ’t is toch ’n ding voor Walten,” vervolgt hij
hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt
hij de treden op.

Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere
bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe
lichtstreep onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas
een weinig naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en
strijkt de enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad.

„Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft
aangeklopt.

Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat hij
zwijgen moet.

Zijn „me voilà monsieur le Directeur” besterft hem op de lippen, als
hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe:
„Geen grappen, hoor je! ’t Is heelemaal mis, o, zoo erg! ’k Heb ’n
nachtje gehad!—Ze is nu Donna Sol. Begrepen?”

Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en slaat
dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die op ’t
bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze
langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te
herkennen en zegt:

  „Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer.
  Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.”

Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen naderen
moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe: „Maar
ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!”

Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor ’t
bed, kust de hem toegestoken hand en zegt:

  „Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten.”

Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend,
vervolgt Waltens dochter:

  „O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven.
  Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven?
  Geliefde! ’k weet het niet, maar zeker is ’t, o ja!
  _Ik_, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga.
  Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen.
  Waarom?... ’t Is m’ onbewust... Met u noch angst noch vreezen,
  Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat,
  Is ’t of mijn hart niet meer in d’engen boezem slaat.
  Hernani! spreek dan toch.....”

Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik
tegen de deur van ’t keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor
hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: „Zeg
maar wat, als ze je de „de wacht”[1] geeft; anders wordt ze zoo
ongeduldig.”

[1] „Stichwort”—’t laatste woord, waarop de andere speler invallen
moet.

Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet ’t nu uit
verlegenheid, antwoordt Pietersen:

„’k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol.”

Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast haar
zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar kalm:
„Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat ’n leelijke
Hernani—maar dat’s minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je niet.”

  „Tot morgen Hernani, te middernacht! ’k Zal waken.
  ’t Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken.
      Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken;
      Aan ’t venster wacht ik u......”

Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een
angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de
armen om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend,
op innigen toon vraagt:

  „Weet gij thans wie ik ben?”

Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur, die
met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een hoek
van ’t vertrek zwijgend blijft staan kijken.

’t Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder, tusschen
de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt enkele
malen een flauw, roodgele zonnestraal op ’t vergroende goudgalon van
den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon hangt;
ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en ’t verguldsel
van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en dan een
ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de
koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna
Sol prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw
met een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken ’t
zonlicht onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele
lichtstreep langs de kozijnen heen op den houten vloer der kamer,
blijft daar afwisselend flauwer en helderder een korte poos met de
kwasten en naden van ’t hout spelen en verdwijnt dan, allengs
verbleekend, geheel en al.

’t Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door
de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In
de kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle
voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon.

       *       *       *       *       *

Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het „een rommel” noemde
wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door.

De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den
naam van „ameublement” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een
latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat
uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen
hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en
geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de
onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite
caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om
in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die
nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen
zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite
doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een
geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een
kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder
oor te bedekken.

Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den wand
leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud afgedragen
Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn einde
verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder den
stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter en
een parapluie, die er eendrachtig uitkijken.

Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok
ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van
verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en
grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen.

Op de tafel, midden in ’t vertrek, liggen in kunstvolle wanorde
allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen
zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met
benoodigdheden voor ’t grimeeren en blanketten; verschillende
haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal
armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een
kapmantel, die half over de tafel is gehangen.

Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje
vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote
krulstok ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een
halve boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn
duim in een half leeggedronken glas met melk doopt.

Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder
en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen
eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien.

Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder twijfel
’t beste meubelstuk dat er aanwezig is. ’t Schijnt òf uit beter tijden
te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn
gekomen, want ’t is een zoogenaamd „Lit trône” met een hemel van
donker gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende
gordijnen zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar
toch met een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel
over ’t bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad
iets troonachtigs aan ’t geheel, vooral nu op die roode deken de
rijzige gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon
op ’t hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud
geborduurde Turksche muiltjes steken en even van onder het witte
nachtkleed zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te
vergrooten.

In den tegenovergestelden hoek van ’t vertrek naast een bedstede staat
een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond is
verspreid.

Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over een
paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een
Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander
liggen op ’t vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas
uit den koffer hangt.

Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk in
de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen
beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te
verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en
dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die
hier zoo akelig werkelijkheid wordt.

Pietersen, moe van ’t staan, heeft zonder gedruisch te maken een stoel
genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de
ellebogen op de knieën en de handen onder ’t hoofd naar Walten en
Annette, die samen „voortspelen,” te kijken.

„Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon „houd
op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer
voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets
beters te doen, dan deel te nemen aan ’t applaudissement; hij richt
zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij
luidkeels „Bravo! Bravissimo!” roept.

„Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,”
fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe.

„O! dat wist ik niet!”

„Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze ’t graag.—Zóó,—ja
zóó doe je ’t goed.”

De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van haar
bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond
vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee- of driemaal,
als voor een onzichtbaar publiek.

„Zie je wel, m’n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat liggen;
je bent moê, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken zijn kind
aanziende.

Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge
huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de
handen tegen de borst gedrukt.

„Zoo m’n kind! zóó is ’t goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?—Dan nu
rusten. Kom! doe ’t maar!”

Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande doet
zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die een
schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en
langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen
voortdurend op één punt staart.

Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door ’t vertrek; ademloos
hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt:

  „Onder ’t loof der boomen,
    In het donkere woud,
  Is mijn lief gekomen,
    Heb ik hem vertrouwd:
  Hoe ’k hem heb geschonken
    Heel mijn ziel en hart,
  En hoe trouw mijn liefde
    Storm en onweêr tart.”

„Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot Pietersen,
die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen. „Stil! De
bui loopt op z’n einde; als ze gaat zingen, is ’t gauw gedaan.—Wat ’n
geluid, hé? God! hoe jammer toch van ’t kind!—Dat lied is nog ’n
herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dàt vergeet ze
niet; hij heeft ’t op muziek gezet, weet je?”

Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een
waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde
goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de
nachtjapon steken, op de maat van ’t lied sierlijk heen en weder.

De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend
aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon
hij haar bewegingen en gebaren vindt.

Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette,
die nu ’t tweede couplet van ’t lied meer neuriet dan zingt, hoort het
niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze
op de maat der melodie op- en neer beweegt. Walten daarentegen is naar
den hoek der kamer gegaan, van waar ’t knorrend geluid komt, schopt
met den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt
Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: „Wil jij je bek wel eens
houden?”

’t Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een
hevig gestommel in de kist.

De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt
met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan
Walten: „Wat is dàt daar?”

Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort
naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met
een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om
zijn hals en zingt luider:

  „Zeg hem luid, gij bloemen,
    Hoe mijn hart verlangt,
  Hoe mijn ziel, mijn leven,
    Aan zijn leven hangt.”

Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn
schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij
vleiend: „Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch
in die kist? ’t Lijkt waarachtig wel een....”

„Stil dan toch!”

„Och, ze hoort ’t immers niet.—Ja! ja! m’n beste, je zingt subliem.
Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?—Ze is heelemaal abnormaal zie je
dat niet?”

„Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....”

„’k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat ’n
gestommel en ’n geknor; ’t is of dáár een varken in zit. Heb je
soms....?”

„Stil! ’t is een big.”

„Hè?”

„Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten,
gauw!”

„Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de
krankzinnige plaats nemen op ’t bed; zij omklemt krampachtig zijn hand
en staart opnieuw vóór zich op den grond.

„’t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het
dier stil te houden. „Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom
.... je weet wel....?”

„Ja!” knikt de andere, „ze hebben er zulk goed oranjebitter.”

„In de Zwaan,” vervolgt Walten, „heb ik ’t gisterenavond getrokken op
’n lootje van ’n kwartje.”

„Ei!”

„Och! ’t was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de zestien
en ’t guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.”

„En?”

„Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een
lootje nemen. Jij een lootje op ’t zwijntje, en wij lootjes op je
benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes
helpen; voor m’n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne
lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette,
Pietersen.—Stil dan toch beest!”

„Ik nam ’t mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb
ik ’t hier zoolang in die kist ge....”

„Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid.

„Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.”

„O, dat’s waar ook!—Stil! ze snapt ’t niet,—ja toch wel.”

De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen,
opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden
nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó
akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar
beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig
verdraait.

Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt,
stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen
en met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar
lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard
met zenuwschokken, die haar achterover op ’t bed doen vallen.

Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn
dochter vast. „Water, geef water!” roept hij. De souffleur grijpt
haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen
en polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk
voort; in de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind
met angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en
akelig lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar
nieuwsgierige mannen en vrouwen, die tusschen en onder de
gordijnfranje door naar binnen trachten te zien en lachend de hoofden
bijeensteken om elkander toe te fluisteren: „Nou is de kemedie goed ân
den gang; hoor ze nou ereis angaan. Wat ’n spul! Wat ’n spul!”

       *       *       *       *       *

„De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half uur
is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen, vermoeid
en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor kneuzingen
van hoofd of lichaam te bewaren, bij ’t bed, waarop de ongelukkige
vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te slapen.
Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine schuimblaasjes
van de lippen en eenige kille droppels van ’t voorhoofd, dan brengt
hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu en dan
schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de
oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is
voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering
aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt.

Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw,
die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om
den mond stil blijft liggen.

„Dat’s me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw
langs zijn voorhoofd strijkt. „Heb je niet een druppeltje van een of
ander in huis, Walten?”

„’k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.”

„Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl.”

„Dat’s juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent, als
je maar niet zoo....”

„Pimpelde, hé?—Och! spaar je Philippica’s, die kennen we; ik weet wel,
dat je ’t goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo’n
likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig
niks,—niemendal?”

„Neen!”

„Niks ter wereld, rien du tout?” Pietersen ziet den ouden man zóó
doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en
guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: „Hum!
misschien heb ik nog een druppeltje brandy; ’k heb laatst een flesch
cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou
drinken.”

„C’est tout ce qu’il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat
voor me zoudt opduiken, hè hè hè!”

„Nou ja, maar....”

„Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee.”

Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds,
voor _zijn_ doen, _te_ lang nuchteren geweest.

Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch
te voorschijn, vult ’t eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het
voor den souffleur neer met de woorden: „Daar dan; meer krijg je in
geen geval.”

Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot
grijpen vooruitgestoken, naar ’t glaasje, dat hij knipoogend toelacht;
maar op ’t oogenblik dat hij ’t aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk,
met een licht kuchje: „Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo’n
klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.”

„Ik ben niet koud, maar ’k voel me al dagen lang ongesteld duizelig,
onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar ’k ben niets wèl.”

„Dan moet je juist zoo’n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon
Prince.—Après vous dan!”

„Neen! ga jij je gang maar!”

„Jamais de ma vie!” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het
glaasje naar Walten.

„Och zanik nou niet; drink uit.”

„Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt: „Ik
begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?—Qui se gêne est gêné; dáár
is raad voor.” En vóór Walten recht weet wat de andere wil, grijpt
deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met
vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt ’t vluchtig af
met de slip van zijn jas, giet den inhoud van ’t glaasje er in over en
zegt lachend: „Voilà! dee’z beker is voor mij.—A vous!”

Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult ’t
glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet
met de woorden: „’k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! ’k
ben zoo rillerig.”

„Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.”

„Ja!”

„En hoe is ’t nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik die?”

„Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.”

„Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me
sterk, dat ik ’t geheele parterre en ’t amphitheater voor je verkoop;
ik zal er wel een broodje uithalen.”

„Tien percent voor jou, Pietersen.”

„Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen.”

„’t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald
annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.”

„Hoeveel?”

„Driehonderd gulden!”

„Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is délicaat.
Smaakt ze jou niet?”

„Ik hou er niet erg van.”

„Ik wèl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het
schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend:
„Da capo, mon Prince.”

„Neen! je hebt genoeg; ’t deugt je niet.”

„Kom!—’n Halfie dan?”

„Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan ’n half.”

„Bon! maar ’n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer ambitie
en dubbel hard.”

„Onverbeterlijke nathals, dáár dan!”

„Merci!—Op je gezondheid, hoor!”

„Vader!” klinkt uit ’t bed Annettes stem. „Vader! Een glas water
asjeblieft!”

Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg,
gaat naar ’t bed en vraagt: „Ben je wakker lieveling? Wou je drinken?
Ben je weer beter?”

„Ik ben zoo moe, ’k heb zoo’n dorst, zoo’n hoofdpijn.”

„Je hebt ook weer ’n toeval gehad, m’n kind; ’t is geen wonder, dat je
arme hoofd dan klopt. Wil ’k er een doek met water op leggen?”

„Nog niet; eerst wat drinken, vader!”

„Goed, Netje! Hier, drink dan maar.”

Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich op
en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der
tafel is gaan zitten, bemerkend: „Wie zit daar?”

„Pietersen.”

„O! zoo, Pietersen.”

„Dag, juffrouw! Is ’t ’n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je ’t
benauwd daar straks.”

„Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand,
laat me slapen.”

„Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is ’t zóó goed?”

„Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil ’k
niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?”

„Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.”

„En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?”

„Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.”

„Deed ik?”

„Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....”

„’k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand, vader;
hou m’n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!”

Walten zit op een stoel, naast ’t bed en omsluit met zijn rechterhand
Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht
liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die
zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken.

Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en
kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat
wordt rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna
onmerkbaar gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem.

Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de koffer
plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de
handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader
en dochter aan te zien en mompelt: „Wonderlijk! nu gaat ze slapen,
rustig en kalm; ’t is toch een allerzonderlingste historie: ’k
begrijp er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?”

„St!”

Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in ’t vertrek, alleen
nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken van de
big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt of
heen en weer schurkt.

Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne
glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan
een der cretonnen draperieën los, zoodat ’t gordijn de slapende vrouw
halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf:

„Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.”

„Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur
opstaande.

„Van gisterennacht tot nu.”

„Dat’s lang, zoo’n heele nacht.”

„Ik ben ook doodop; ’k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al niet
richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik t’huis
kwam. Ze begon met Ophélia te wezen.”

„Mon Dieu!—En jij?”

„Ik was Hamlet natuurlijk.”

„Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met ’t ernstigst
gelaat der wereld.

Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: „Toen werd
ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.—Dat was ze nog, toen jij
kwaamt en....”

„Ja!—’t Is toch ongelukkig voor je, Walten!”

„Wel is ’t dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een traan
uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: „En voor haarzelf ’t
ergst.”

„Nu is ze zoo goed, als ’t maar hoeft,—merkwaardig goed, mon
Directeur!”

„Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden jaar
heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....”

„Jawel, van ’t gesticht.”

„Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze
voortdurend geobserveerd moest worden.”

„C’est clair!—Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne. Je
hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat’s me ’t
zelfde.”

„Neen! ik rook al sedert lang niet meer.”

„Och kom! en je was vroeger zoo’n liefhebber.”

„Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.”

„O!”

Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt dan:
„Als ik nu maar ’t geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt, dat
’k haar kan laten genezen, dan.....”

„Hoeveel moet er wezen?”

„’n Goeie vijfhonderd, op z’n minst.”

„Hm! die blijven er wel over, als ’t een beetje vol loopt.”

„Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den
vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best
mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....”

Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog Walten
strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als wilde
hij zeggen: „Dat zal er nog om spannen.”

De andere vervolgt: „’t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte
rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al
niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of
ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig
veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is ’t niet zoo?”

„Zeker, mon Prince, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen
ernst.

„En wat ’n geluid, hé?”

„Kolossaal!”

„En wat ’n verschijning!”

„Kapitaal!”

„Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar
als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op ’t tooneel een
schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog
„goed” was.”

„Oui, mon directeur!”

Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch
Walten, noch Pietersen hebben ’t gehoord, en daarom zien beiden
verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren
zeggen: „Pin jelui hier toof? ’k Hèv wol dreimaal jeklopft.”

„Wâblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk.

Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig
witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een
oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: „Wer von
jelui ist Walten?”

„Ik! En u is meneer Träger!”

„So! ja noe herken ik je; ’t wordt hier al doenkel.”

„Wat wenscht u?”

„Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke man
zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt, zegt
hij: „Ich will de couleur von jou centen ’r is zien.”

„Ik heb waarachtig niets op ’t oogenblik, baas Träger; maar wees niet
bang: je geld zul je hebben.”

„So! soll je denken?”

„Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....”

„Papperlapap! ’n benefiz—so’n praatje kennen wir; das heb jijlui
komödianten-volk immer bij der hand; wann’s voorbij ist, krijg jelui
gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.”

„Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.”

„Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om je
das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.”

Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn
lippen trillen, als hij antwoordt: „Ik ben een eerlijk man, baas
Träger, en als ik ’t had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....”

„Maar noe hèv je ’t nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von
de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die
is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil
’k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen
verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig
blijven; dat doe ich omdat jij „Walten” bint, waaroem ich vroeger so
dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe!
bin je zoefrieden?”

Schamper lachend, antwoordt Walten: „O! volkomen”.

„Komân, dat’s joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint
allezeit ’n fatsoenlicher kerl geweest oend....”

„Dáárom moet ik met m’n zieke kind op straat? ’t Is mooi, baas
Träger.”

„Kan d’r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die ’n
puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d’r over klagen das
jijlui zoo spektakelt.”

„Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang
je ’t zeker en....”

„Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?”

„Neen!”

„Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?”

Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord,
vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt
daarom op tamelijk gezwollen toon: „Mijnheer! ’t is een crime om een
fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert,
dat zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen
spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is ’t niet zoo?”

„Nein! ich will blos jeld.”

„Kom, kom! mon Prince, je meent ’t niet! Nog een wijl geduld en alles
komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil
garant blijven, dat....”

„Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan en
nolens volens moet hij lachen.

„Qui rit, est desarmé,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt
plotseling de oude trots weer boven.

„Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, „’t is al te akelig;
zóó ver is ’t dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger op, doet
een pas vooruit en zegt: „Ik zal je betalen, baas Träger, morgen aan
den dag. Hoeveel ben ’k je schuldig?”

„Acht-oen-vierzig joelden!”

„Kom ze morgenavond halen!”

„Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich
dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt
eensklaps op met spreken, steekt ’t hoofd vooruit en luistert, want
uit den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid
op. Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de
kist, die hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! ’t is een
gestommel en een geknor, dat hij dagelijks hoort. „Maar hoe is ’t
mogelijk”, denkt hij, „hier?”

Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen,
knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den
wijsvinger even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven:
„Daar krijg ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist.

Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den
snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij
schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat
Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen
drukt met de woorden: „Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op
afrekening; dat’s voor jou contant geld, mon Prince!”

„Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept
verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van ’t vak, de
big, binnensmonds zeggend: „’n Feines diercke, joet soort, moess nog
fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.”

Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de
andere er in slaande, roept de souffleur: „Voor vier ben je koopman!”

„Drei!”

„Vier!”

„Noen in Kottesnamen, ’t is jekocht.”

„Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem
wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: „Neem ’t mee, baas Träger!
Maar zal u ’t goed behandelen? ’t Is zoo’n lief beestje.” En met een
traan in de stem voegt hij er bij: „We waren er al zoo aan gehecht,
niet waar Walten?”

Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.

„Noen, soll ich’s mitnemen voor ’n tientje?”

„Ja, ja! maar laat ’t in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!” Walten
ziet angstig naar ’t bed, waarop zijn dochter rust.

„Sjreeuwen thoen al die ferkens; da’s die natoer.”

„En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M’n dochter ligt daar ziek
achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging wijst
Annettes vader naar de deur.

„Kott im Himmel! armoeth hèvt ’n hooge broest ooch nog; allemaal
Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!”

„Lach niet, kerel, of...!”

„Maak je niet boos. Dat ’s heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt
Pietersen, die ’t onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen
zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend,
vervolgt hij soetsappig: „Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet
opnemen: hij meent ’t zóó niet.—’n Fijn varkentje, hé?”

„Wie er ’s nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond das
overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze
rataplan op de jroote schteenen.”

Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar
onverstaanbare woorden.

Walten ziet angstig naar ’t bed en zegt kalm, bijna fluisterend: „Je
_zult_ ’t hebben, baas.”

„Joet, maar noen verder?”

„Verder?”

„Jawol, denk jij dat ich jou op ’s nieuw drei monate zal laten wonen
oend....?”

„’k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat ik
je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om ’t hardst, en mijn
arme Netje _moet_ rust hebben.”

„Jou Netchen kan mir jestohlen worden.”

Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den
grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas
Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:

„Breng me niet tot ’t uiterste; ga heen, man!”

Er ligt iets in Waltens blik, in ’t heesche geluid van zijn stem dat
den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat
gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn
dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer
bewegend: „Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen.
Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit,
macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur
nich hev’t; logier jij verder in ’s Hôtel blauwe lucht, verschta
je?—Adjé!”

       *       *       *       *       *

Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op
den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs
het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid
voor zich zit te staren: „Jij bent en blijft toch altijd onpractisch,
Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen
met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver
gekregen, dat hij....”

„Ik wil van zoo’n vent niets hebben, geen consideratie, geen....”

„Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van je
benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen de
heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en behalve
dàt zal ’t nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig gulden
voorschot wil geven op je....”

„Pietersen, hou je in godsnaam stil!”

„Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?”

„Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je
hebt zoo’n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga
nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. ’t Zijn eerste galerijen;
die kun je hier en daar wel plaatsen.”

„Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms niet
een versleten gulden voor me ter leen?—”

„Neen!”

„’n Paar kwartjes dan?”

„Och!”

„Nou één dan?”

„Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.”

„Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje
bij; ik heb m’n portemonnaie thuis gelaten.”

„Dáár dan!—En nu....”

„„Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. „Adieu!”

       *       *       *       *       *

Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den stoel
en ziet naar ’t flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de
groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.

De avond valt; ’t is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met
een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje
lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die
hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen
kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt
rustig en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt
hij haar fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er
voorzichtig zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand
over ’t zacht bedauwde voorhoofd der slapende.

Langzaam knielt hij neder bij ’t bed, legt zijn wang tegen Annettes
hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang.


III.

„Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de
Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een
portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem
staat.

„Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”

„Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in
Arthur of zestien jaren later.”

„Hm! die rol is niet groot voor ’n beneficiant.”

„Wat dunkt u dan van „De Vrek?” Die heb’k altijd met succes gespeeld.”

„Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar
seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—„hm!
wanneer je die rol nog aandurft.”

„Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.

„Ja! je wordt een dagje ouder en ’t is een zware rol.”

„O, ik ken ze nog wel op mijn duim. ’t Is een van mijn beste creatiën;
ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is, weer een
engagement te zoeken. ’t Kon soms zijn, dat u hier nog een plaats had,
die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik zou wel
weer willen optreden.”

In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden
man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende
verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen:
„Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, ’t is niet zoo, je houdt mij
voor ’t lapje.”

’t Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er
snel bij: „Ik meen ’t in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...”

„Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst
eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”

„’t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de avondkosten
bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal ik verder
met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten zetten: _’t
Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt._”

„Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer
succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen
heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van ’t tooneel;
ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en
daarom....”

Walten wordt bleek; dat gezegde: „Enkelen zullen zich jou nog wel
herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige
waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de
herinnering van enkelen; den Walten van ’t heden kent men nauwelijks
meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen,
wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan
antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: „’k Heb al een paar oude
kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen;
maar—als u ’t niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou ’k wel gaan
zitten, want....”

„Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te bieden,
excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een stoel, die
onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.

Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale
bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een
congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. „Ik
weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd
heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”

„Wel, m’n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”

„Dank u; ’t gaat nu alweer over. ’t Is een alleronaangenaamst angstig
gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben, dan
draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.”

„Dat’s niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”

„O, als u ’t bij de hand heeft, graag.”

Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en is
het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te
zien, dat hij nog niet geheel normaal is.

„Ik denk, dat ’t van ’t heen en weer loopen en draven komt,” zegt hij:
„ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb ’k weinig nachtrust gehad
in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo gauw
achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes weken
vrij. ’t Is treurig, erg treurig.”

„We willen ’t beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde
behandeling komt,” troost de Directeur.

„Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in ’t gesticht zou ze....”

„Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds
herhaalde malen ’t relaas van den vader heeft gehoord; en om een
andere wending aan ’t gesprek te geven, vervolgt hij: „Hoe sta je met
de artisten?”

„Goed!”

„Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma kunt
krijgen, des te beter.”

„Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée
zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”

„Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op ’t oogenblik „the grand
attraction.””

„Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou.
Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat _ik_ wel begrijpen zou,
dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar emplooi
vallend, kon aannemen.”

„Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten zoo
goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door haar
aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar ze is
erg van ’t hondje gebeten, nogal over ’t paard getild.... Binnen!”

Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord en
rijst werktuiglijk op van zijn stoel.

„Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te
gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer
intelligent en prettig voorkomen, om ’t hoekje van de deur.

„Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!”
antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende
dame de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten
en neemt op den haar aangeboden stoel plaats.

„U komt als geroepen, mevrouw!”

„Waarom?”

„Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn
stoel staat,—„Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen
of....”

„Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En vriendelijk
lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en drukt hem
zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: „Ga eerst weer
zitten, collega. ’k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu
zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit.
Ben je ziek geweest?”

„’k Voel me niet wel, mevrouw!”

„Dat’s verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den
laatsten tijd.... hm! hoe zal ik ’t zeggen....”

„Dat ik oud word, mevrouw! Zeg ’t maar.”

„Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je
benefiet te geven?”

„Ik hoop „De Vrek”.”

„Ei! dat’s geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”

„Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; ’k had u
beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”

„Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”

„Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.

„Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”

„Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw
emplooi....”

„Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op aan;
geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een
collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik
alles. Als ’t niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als
je mijn naam graag op ’t programma wil hebben,” voegt zij er met een
klein vleugje van ijdelheid bij.

„Wat is u goed, mevrouw Groote!”

„Zie je, Walten, daar spreekt nu ’t artistenbloed,” zegt de Directeur;
en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: „Juffrouw Andrée is
minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”

„Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid
in haar stem. „Nu, zoo’n grrroote artiste mag haar kuif ook wel
opzetten. Zoo’n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben,
is ’t niet zoo?”

„Ja, mevrouw.”

„’t Is om te lachen,—zoo’n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een
mooi figuurtje,—dat ’s waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij
niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel
komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze
geen kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”

„Nog geen rol; ’t was maar bij voorbaat, dat zij....”

„Wel goeie hemel! wat ’n drukte voor niemendal!—Luister eens, Walten,
ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?”

„Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als ’t niet in haar...”

„Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!”
En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener
coquette jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende
stem: „’t Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet....
Ha! Ha! Ha! weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen
loopen; ik zal je anders en beter helpen. Als onze Directeur ’t
goedvindt, laat je haar heelemaal buiten alles—ik heb ’t land aan dat
creatuur—en dan geef je aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol.
Dat’s een aardig eenvoudig kind met ’n snoepje van ’n gezichtje en met
meer talent dan die „grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op
’t programma: Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw
Groote.—Wat zeg je daar van, meneer Schröder?”

„Nu, dat ’s nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk
juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. „’n Debuut met ’n
benefiet samen is een goed idee.”

„Mevrouw, ’k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”

„Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote wrijft
zich eventjes in de handen, „ik ben heusch in m’n schik, dat we die
Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik kan
haar niet zetten; ze heeft zoo’n paar opera-maniertjes, die ’t publiek
aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die sprinkhaantjes uit
de stalles, ’t balcon enz. Voilà tout! Voor ’t overige zit alles er
dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze heeft voor geen
dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed, geen....”

„Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo _heel lang_ en beter
kende, zou ik werkelijk denken, dat hier ’n beetje „jalousie de
métier” in ’t spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes
woordenvloed stuitend.

„Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter; _ik_ heb me waarachtig niet
te beklagen, _ik_ heb succes genoeg gehad”—en met een zelfgenoegzaam
lachje—„en nog succes! Begrijp je, dat’s veel gezegd, als men bijna
vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik zie, dat je heen wilt
gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen: doe mij nu pleizier en
repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de kleine Berg nog eens
flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze debuteert, wil ’k ook ’n
beetje eer met ’r inleggen.”

„Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?”

„’k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u ’t.”

„Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.

„Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet
na „De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische
rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien
hebben en die zoo’n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de
zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos
worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”

Walten antwoordt kortaf met een zucht: „Neen Mevrouw!”

„Dat’s jammer; anders zou ik je proponeeren: „’t Huishouden van den
schoenlapper” of „De Behanger”.”

De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en
denkt: „Sic transit.”

„Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. „Geef als toegift: „De
dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun
je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat ’s altijd een
glansrolletje voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om
aan die Andrée met al haar drukte te laten zien, dat _ik me nog jong
kan_ maken, als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den
Directeur even aan.

„Is dat een pique sous l’eau, mevrouw?”

„Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je ’t nemen wilt,” lacht
mevrouw Groote en vervolgt: „Nu, Walten, wat denk je daarvan?”

„’k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt ’t
weer. O!”

„Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog
juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen
behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar
geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. „Vadertje wat wordt
je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is ’t al weer
over? Jongens! jongens! je moet er ’n dokter over spreken; dat ’s geen
gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk,
Walten?”

„Duizelig, flauw, ’k werd wee!”

„Zenuwen!—Hier! drink eens.”

„Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van ’t glas, dat mevrouw
Groote hem heeft aangegeven.

„Zenuwen zijn ’t, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw in
de lucht. Wil ’k met je meegaan?”

„Neen! neen! dank u.”

„Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?” Mevrouw
Groote vraagt ’t fluisterend, maar Walten heeft het toch verstaan en
zegt haastig:

„Och! asjeblieft niet; ’t is nu heelemaal over. Ik begrijp ’t wel: ik
ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet
geweest, en.....”

„Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief! Dat
kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer. Toe!
ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens samen
„lunchen”, als ouwe collega’s, recht gezellig. Neen! neen! refuseeren
mag je niet, hoor kameraad!”

Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als
zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur
zegt: „Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks
wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier,
je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo’n tête
à tête gunnen.”

Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: „Als jij refuseert,
refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om
je te schaken.”

Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op ’t
hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: „Heb je nog wat?” De
oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt
geleid, knikt „ja” zonder dat zij ’t ziet. Daarom roept de Directeur
hem met: „Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets
zeggen”, terug.

„Gauw dan; ik wacht hier”, zegt de actrice.

Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: „Wat wou je
me vragen?”

„Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... ’k Heb
dringend geld noodig; ’t is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik
moet van avond huur betalen; anders....”

„Heb je veel noodig?”

„’n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: ’k heb nog
een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet ’n honderd gulden voorschot
willen geven?”

„Hum!” Schröder denkt even na.

„’k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft
gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”

„Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”

„Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en kent
de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten
teekenen.—Zou u....?”

„Enfin! ’k zal je maar helpen.”

„Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”

„Dadelijk, mevrouw!”

De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van ƒ25 uit,
geeft die aan Walten en zegt: „Ziedaar dan, maar meer dan dit geef ik
in geen geval.”

       *       *       *       *       *

Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en
gebruiken met smaak een eenvoudige „lunch.”

Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij
het noemt, „op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt,
laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel
deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen
tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te
ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij
merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden
ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de
andere artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling
vraagt zij: „En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”

„Zeker!”

„Voorgoed?”

„Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms is;
dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”

„Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben
gedaan met eten, laten we opstappen.”

„U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.”

„Waarom niet?”

„Neen! Neen!”

„Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je
soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te
zeggen, dat jij „dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan,
kameraad.”

„Neen, mevrouw, ’t is onmogelijk.—Aannemen!”

„Wou je nog iets gebruiken?”

„Neen!—U?”

„Ik ben voldaan!”

„Ik ook.—Hoeveel is ’t, Jan?”

„Twee gulden zeventig, meneer!”

„Hier, wissel me dat bankje eens; ’n dubbeltje voor jou.”

„Maar, Walten, wat doe je?”

„Ik betaal, mevrouw!”

„Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”

„De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”

„Goeie hemel! wat ’n vent!”

„Ik ken Goddank m’n wereld nog wel, mevrouw!”

„Je bent ’n gek, ’n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch
ben je n’ aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis
gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”

„’t Kan niet, waarachtig niet!”

Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling:
„Kom! ’t is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit
Gijsbrecht zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”

Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt: „Ja,
dat’s waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u ’t gehoord?”

„Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van
Pietersen, den souffleur.”

Walten heeft ’t oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote
zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: „Ja, dat kan wel;
die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was.
’n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”

„Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met
een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op
Waltens arm. „Dat pleiziertje doe je me wel, hé?”

„Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—„dat was vroeger; nu
doet ze ’t niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij
me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”

„Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een rol
zei of een fragment en....”

„Neen! alleen als ze....”

Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht hoofdschudden
aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.

„Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”

„’t Is zoo’n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo’n hevigen aanval
heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je _moet_ ’t
kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U begrijpt,
met zoo’n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”

„Wat ’n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een rommel
gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van Pavot
in dat kleine gebouwtje „de Variétés” speelden; ik was toen negentien
en pas bij ’t vak. Jij begont toen ook; je was misschien een jaar of
zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om
complimenten te maken.”

„Nu, dan in Godsnaam, omdat u ’t _wil_!”


IV.

’t Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden, want
’t loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder opzicht
zwaar.

„Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem
gemoedelijk op den schouder klopte, „ik vertrouw, dat je ’t
verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me,
wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen
teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst
laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens
gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo
ondoordacht zei: „Wanneer ze jou zien.”

’t Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een
geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder
zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.

Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had ook
Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een
fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn
bezoeken aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. ’t
Was werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en
verviel; de vermoeienis van ’t loopen bracht er misschien ook nog toe
bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk ’t ook scheen, toch volkomen
geschikt was om medelijden op te wekken.

De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen
daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van
’t hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden
kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke
gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks
blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en
oogen en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat
iets zóó diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee
hij zijn korte aanspraak bij ’t aanbieden van de benefiet-lijst
begeleidde, niet bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.

       *       *       *       *       *

Over ’t algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn:
„Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”,
bij de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden.
Maar ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel
dáár waar hij die ’t minste verwacht had. Oude goede kennissen,
begunstigers van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens
droevig uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening
op of gaven door een kort: „’k Heb al TE VEEL van die dingen aan de
hand” te kennen, dat ze „er niet aan deden”. Een rijk geworden
kroeghouder o. a., die zich de weelde veroorloofde om van „de kunst”
te houden, ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en
zei: „Wel, wel! ben jij nou Walten?—Manlief, ’t doet me plezier, dat
ik jou nog eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om
jou motte lache, m’n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke
pias, hoor! En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn
en mijn heele geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; ’k zal je
maar vooruit betale, want om de duite is ’t toch te doen. Dat ’s nege
rikse, hé? Daar heb je een bankie van ƒ25.—; voor dat ééne achterwiel,
dat er over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!”

O! ’t was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die ’t hart zoo hoog
droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl
de toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met
moeite onderdrukte hij een wederwoord, maar——’t was vijf en twintig
gulden op eens, en—hij was zoo moe van ’t loopen, van ’t vragen. „’t
Schijnt bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem ’t bloed naar ’t hoofd
schoot en de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te
uiten.

Hier en daar werd hij kortaf met: „Dank je, ik zal er niet van
profiteeren,” afgewezen; ’t deed hem minder smartelijk aan dan de
woordenrijkheid van „den ploert,” die zoo royaal was.

Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke
stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend,
op zijn vraag antwoordde: „Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer
Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou ’t u niet vergeven hebben, als u mij
had vergeten, want ik heb u niet vergeten; ’k heb veel genot en
ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog
eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u „De Vrek?” ’n Mooi stuk, een
van uw beste rollen. En den Nikolaas in ’t blijspel „De dochter van
Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me
op. Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me
maar wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort
zullen komen.”

Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede
tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen.
Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand
uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te
gemoet kwam.

Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts
een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den
vorm van: „Meneer is niet thuis” of: „We houën hier niet van comedie”,
herhaaldelijk ondervond.

Toch kon hij tevreden zijn, want ’t aantal genomen plaatsen was vrij
aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als
uitverkocht.

Pietersen liep, zooals hij ’t zelf eigenaardig uitdrukte, „en tempête”
de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met
spiritueus genot afwisselde,—„’t hoorde er onvermijdelijk bij”,
beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters
„exploiteerde”,—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden
welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien
hij had binnengehaald.

Ook aan ’t bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de
aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar
welwillende dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden
gezorgd, vrij wat plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den
vooravond der voorstelling met zekerheid kon berekenen, dat, als er op
den speelavond zelf nog wat publiek „inliep”, er een batig saldo voor
hem zou overblijven, na aftrek van de honderd gulden voorschot,
voldoende om aan zijn dochter de tijdelijke opneming in een gesticht
te verzekeren.

       *       *       *       *       *

Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat „de rommel” bij
Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder
diezelfde vrouw voorloopig als „gezelschap” bij de ongelukkige Annette
gelaten, omdat zij vond, dat „de stumperd” zoo akelig alleen en
verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan
en had gezegd: „Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis
geweest; ’t is daar een echt treurige boel, veel armoediger en
ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de
handen ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man
heeft in _zijn_ tijd voor menigeen wat overgehad.—’t Is waar, hij was
vroeger ’n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo
heeft iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de
lui op, die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem
dat op den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een
lauwerkrans gebonden.—Wat dunkt je?”

„Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel ’n
beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. „Maar hoe is ’t op ’t oogenblik?
Hij heeft een voorschot, hé?”

„Och, beste vrind! ’t was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur
enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat
gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij ’t graag aan, zoo’n
beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in
huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee;
ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. ’n Mooie vrouw is ’t
zeker, ’n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij
zoo hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van
dat meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner,
was ’t verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”

Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: „Ieder denkt zijn
uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook
niet geschikt om.....”

„Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. „Je kunt op hem niet
veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen
loopt. Op de repetitie’s was ’t niet om aan te hooren; wezenlijk, _ik_
kreeg ’t benauwd voor hem; ’k geloof nooit, dat hij ’t er goed
afbrengt.”

„Kom! ’t is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij ’t
wel,—hij kent de trucs!”

„Neen, waarachtig, ’t was brabbelen wat hij deed.”

„Was ’t zóó slecht?”

„Abominabel! Hij is op,—totaal op!”

       *       *       *       *       *

„’t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is
gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet
tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.

„C’est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een schuinschen
blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: „En is ’t nu wat
beter gegaan op de repetitie?”

„Hoe bedoel je?”

„Wel, zit „De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het boekje,
waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit „De dochter van Dominique”
overhoort, op zijn voorhoofd.

„Ik geloof ’t wel, maar ’k heb nog altijd last van die duizeligheid,
vooral als ik me inspan bij ’t spelen. Zou dat zwakte zijn?”

„Misschien?—’t Is ook een zware rol.”

„’k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen er
niet goed meer in. Ik begrijp ’t niet: ik kon „De Vrek” vroeger als
mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik
telkens vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”

„Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij ’t boekje opnemend zegt:
„Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel
maar weer „de wacht” geven. ’t Is een echte lachrol, die Nikolaas.”

„Ja! maar ’t lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin
maar.”

Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de
souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder ’t
hoofd, zit te souffleeren wat „Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt
hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die
somber voor zich uit ziende, op den rand van ’t bed zit en in hetgeen
in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.

„Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij
zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.

„Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende
ochtendjapon.

„Waarom is die vrouw weg?”

„Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”

„Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”

„Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”

„Niets, mon Prince!—St! ze zal ’t in haar hoofd hebben.”

„Bonst ’t weer in je hoofd, kindlief?”

„’t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers
grijpt Annette boven op haar kruin.

„Wil je een doek met water erop hebben?”

„Neen!”

„Hindert ’t je, als we spreken?”

„Neen! maar die muziek buiten wèl.”

„Muziek? Er is geen muziek; ’t is doodstil!—God! Pietersen, ze zal
toch niet weer...?”

„Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”

„Maar lieve Netje, ’t is....”

„Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”

„Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw
Groote je gebracht.—Pietersen! ’t wordt weer mis: wat moet ik
beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.

„’k Weet het niet, mon Directeur! maar ’t is niet in orde met haar,
cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen
slaat ’t boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.

„Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een wilden,
zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en
hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich
angstig aan Walten vast.

„Als je haar eens ’n klein tikkie cognac liet drinken; wil ’k je de
flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn
breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar
worden.

Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn
stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein
meisje was.

„Kijk! zoo’n half kelkje—c’est un tonique!—dat zal ’r waarachtig
goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en
Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt
terugdeinst, bij ’t hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig
snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de
flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.

Zoo’n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft
Pietersen ’t restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige
flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even,
veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: „Ze lacht
leelijk van avond; ’t zal een krasse bui worden. Wil ’k ook even naar
den dokter loopen?”

„Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo
meteen neervalt. Stil! ’t gaat wat over.”

Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig,
hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en
Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is
genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem
toesnauwt: „Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet
lachen.”

Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den
souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: „Lach!”

„Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.

Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en
als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders
arm. „Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”

Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de
oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij
stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt
half zittend voorover op ’t bed.

Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt als
van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd en
glazig de groote oogen, werpt ’t hoofd trots in den nek en zegt op
bevelenden toon: „_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn
hermelijn!_”

Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst:
„Daar is ’t weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien
morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen
avond spelen?” Hij huivert en snikt.

Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve flesch
cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt
glimlachend: „Waar is je alma-viva dan, m’n wijfje?”

Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend
over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik
tegen zijn lippen.

Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil
midden in de kamer.

„_Zet mij de kroon op ’t hoofd en blijf hier naast mij staan!_”
Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.

„Toe! Pietersen, gauw de kroon!”

„De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook
aan?—Verdijd! daar stoot ik m’n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er
niet; ’n mooi l—lorrr!”

„Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je ze
niet? Dáár!”

„Ja, ja! nou zie ’k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb ze
al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone D—donna.” En
vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.

„God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb
je...? Je bent bez....”

„Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; ’n beetje tipsy maar,
legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha!
ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. ’n Mooie troon, dat
onopgemaakte mandje!”

  „Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder
  En luister ned’rig naar mijn Koninklijk bevel!”

declameert de ongelukkige luid en krachtig.

„Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze woest
en dan is ze straks niet te houwen.”

„H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo
naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon
c—c—coeur?”

„God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”

„Hé?”

„Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan
haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet
slapen!”

„Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was
zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten
van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de
hand van haar vader vasthoudend verder declameert.


V.

Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van ’t
stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich „in ’t
pak te steken”[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht
genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in ’t hoofd
en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk,
hoe vermoeid en afgemat hij was.

[1] Tooneelterm voor costumeeren.

„Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins
kaptafel neerviel en met ’t hoofd vóórovergebogen, de handen slap
langs ’t lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. „Willem, ik kan niet
meer!—Zoo erg heeft Netje ’t nog nooit gehad, en die aanval hield maar
niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met
haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben
dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”

Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den naast
hem zittenden man, lei ’t stuk „vetschmink”, waarmede hij zijn wangen
bestreek, neer en zei: „’t Is verschrikkelijk;” maar toen de oude man
opkeek en hem aanzag, terwijl ’t licht der gasvlam vol op zijn ontdaan
gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: „God! Walten wat
zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink je
maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is ’t
uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk,
dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan ’t waarachtig niet
helpen, ik dacht alleen om ’t stuk, en jij zit daar precies, even
verslagen, als Harpagon in ’t derde bedrijf, laatste tooneel.”

Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: „Ik ken je immers
Willem; je meent ’t goed.”

„Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je
„pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever
aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó
terug; ’k zal een hartversterking voor je halen.”

„Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”

„Dat zul je wel!”

Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok
zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op
den stoel, dien de andere verlaten had.

Een blik in ’t heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven
glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag
naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en
de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.

„Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: „ik heb geen grime noodig.”

Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen, met
een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon
langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in
den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn
beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de
tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn
wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel
weerkaatst en hij wischte ze niet af. ’t Kwam hem voor alsof hij in
dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch ’t
zijne was; ’t scheen hem als hoorde hij een stem, die hem
toefluisterde: „Die man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel
van iemand, die na langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer
terugkomt in bekende streken, maar alleen om alles veranderd en
vervallen terug te vinden.

Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons
kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken
viel hem moeielijk; ’t bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een
donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk ’t hoofd weer
ophief en rondzag.

„’k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei
hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze
haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren
streek. „Maar komaan, ’t is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de
pruik op en „schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van
huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar
zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn
wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige
wangen. „’k Ben sedert drie dagen niet geschoren. ’k Heb ’t glad
vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel
wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: „’t Past nu goed in de rol;
hum! ik zal....”

„Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat nu
eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein
hem een glas melk met geklutste eieren voor.

„Je bent toch een goeie kerel, Willem!”

„Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel rum
in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”

Onder ’t drinken even ophoudend, zei Walten: „Ik kan ’t haast niet
inkrijgen; ’t is alsof ik ’n stuk in mijn keel heb, dat ’k niet
doorslikken kan.”

„Kom, kom! allemaal gekheid! ’t Moet erin.”

„Heelemaal?”

„Achter elkaar, anders helpt ’t niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je
daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je
heelemaal. ’k Heb zoo’n voorgevoel, dat je van avond een succes zult
hebben.”

Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar ’t goede hart, dat hij
zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. „Hum!” ging hij
voort, „ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen,
dat de souffleur vanavond vrijaf heeft.”

„Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een
ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend
bijvoegde: „We spelen „De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven,
zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....”

„Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.

„En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl hij
„Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij:
„Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—’k ben van jou
school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat
Pietersen van avond souffleert.”

„Pietersen?”

„Ja! ’k Heb ’t om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend, en
ik dacht....”

„Dank je, Willem! Ja, ’t is waar—’k heb hèm liever als dien anderen;
hij kent me beter. Maar.... zeg?”

„Wat?”

„Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles
gedaan is?”

„’t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”

„Daar wordt geklopt, Hostein.”

„Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes
vriendelijke stem.

„Entrez!”

Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer in
en wendde zich tot Walten, met de woorden: „’k Wou eens even komen
kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat ’t
weer mis is bij je thuis. ’n Ellendige historie voor je, arme vent! En
is ze nu alleen?”

„Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.”
fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.

„Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”

„Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”

„O!—En?”

„Die blijft totdat ik terugkom van avond.”

„Goed!—Jongens, jongens! wat ’n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je
nog eens goed, hé? Heb je al door ’t scherm gekeken? ’t Is stampvol.
De handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je
nu van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! „Heb ik
me niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, ’k doe ’t voor
jou; anders speelde ik „de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed,
hoor!—Heb je vandaag nog kunnen leeren?”

„Ik?—Groote God! wat ’n vraag!”

„Och, dat ’s waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar
hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd,
maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst
en tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag
uitdrukte: „Hoe zal dat afloopen?”

[1] Op den souffleur spelen.

„’k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte
Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten
schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de
kleedkamers loopend, riep: „Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den
aanvang!”

Vóór het gewone: „_van ’t tooneel_” en „_aan ’t gordijn!_” van den
inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even
de hand, klopte hem op den schouder en zei: „Wees nu maar kalm en
bedaard. Hoe is ’t mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo’n
ouwe „troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan ’t eind
van ’t tweede bedrijf bij je „sortie” nog even ’t hoofd om de deur
steekt, om me „_tot wederziens_” toe te roepen; dan kan ik beter mijn
claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de
verte toeroep:

„_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!_”—Denk
er asjeblieft om, want op de repititie heb je ’t telkens vergeten. En
nu: goed succes.—O ja! nog iets, in ’t vierde bedrijf, wanneer ik dat
gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik „af” moet, nog even
terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je
maakt zoo’n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een
woedend gezicht en maak nog een nijdige „dienaresse”; daar heeft ’t
publiek pret in, begrijp je? ’t Is anders zoo’n ellendige „sortie”,
zóó mager, dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar
komt; en ik _wil_ applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée ’t
bepaald _niet_ krijgt in haar rol als Elize.—’t Verwondert me nog, dat
ze die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen,
vat je?”

Daar klonk op eens het schelletje en de roep „Halen!” ’t Scherm ging
omhoog en ’t stuk was begonnen.

       *       *       *       *       *

’t Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het „schellinkie” en „de
tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk „De
Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet
afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.

Misschien ook heeft Waltens naam op ’t affiche—men had hem immers
vroeger, toen hij nog in zijn kermistent „alles” speelde, zoowel in
„Rolla”, als in „de komiekigheid” bewonderd—er ’t meest toe
bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.

Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de
spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde
tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem
moeite een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de
hand van den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich
toefluisteren: „Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk
aan u.”

’t Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt
zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat
en roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter
de schermen moet spreken, pakt „Laflèche”, die naast hem wacht, bij
den schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en
duizelt alles hem voor de oogen.

Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de
woorden: „_Voort! ’t huis uit, zonder tegenspraak, op ’t oogenblik,
voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!_” waarmee zijn rol
begint in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt,
verloren. Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn
geluid reeds is bij dien eersten volzin.

Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare
handen op ’t tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor
gezorgd, omdat zij meende: „’t Zal den ouwen stumperd een riem onder
’t hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”

Het „Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt
hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor
zijn voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich
eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor ’t
publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige „St!
St’s” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot
de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op,
ziet rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en
voor eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende;
de artist in hem wordt wakker—hij is „Harpagon de Vrek!”

Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken
onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en
als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met
grappige verwondering uitroept:

„_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen
zijn ’t; de politie moest zulke zakken verbieden,_”

Gaat er een luid gelach op uit ’t parterre.

„Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw
haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het
hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: „Ja, maar hij spreekt toch
erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je ’m niet.”

„Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch
dadelijk „den artist””, zegt in de stalles de verslaggever van een der
bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen
brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend
antwoordt

„’t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime nog
zóó natuurlijk, bepaald alsof ’t geheel en al zijn eigen gezicht is.
Kijkt u zelf maar eens, meneer!”

„’k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe
tooneelrot”, zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die
naast haar staande, achter „den manteau d’arlequin”[1] verborgen,
evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.

[1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.

„’t Valt me geducht mee”, antwoordt Schröder en klapt met zijn
rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij
Harpagon het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch
gezegde woorden: „_Wat ’n juweel van ’n knecht!—’n Gelukkig mensch,
die er zóó een heeft en zóó goedkoop._”


VI.

In ’t derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de beneficiant
niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig vriend van
vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe: „Hij is
totaal op, méér dan op” en van „’t Schellinkie” klinkt nu en dan een
afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend worden voor
hun geld.

„Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met
minder toegefelijkheid dan ’t overige publiek, opmerkt, dat Walten
zich uitsluitend op den souffleur moet verlaten.

Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en hem,
zooals men dat noemt, „er door te sleepen”, ’t baat niet; hij raakt
hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet
meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in ’t geheel niet
meer wat hij zeggen moet.

Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de
tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een
vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins
knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar
aan ’t einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het
applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: „’t Is een
treurige boel,—’k heb geen lust om er verder naar te zien.”

In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten
tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor
hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en
trillend van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken
worden, volgt. Eensklaps schreeuwt hij, lezend:

„_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben
bestolen!_” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt
het tooneel op.

Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die tot
de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn
schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen
wil om den schuldige te ontdekken.

Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer
over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht
hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: „_Ik ben bestolen.
Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om
den schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of ’k mezelf
pakken moet of een ander en...._” Plotseling blijft hij stokstijf
stilstaan, spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan
zwijgend, strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand
die door een hevigen schrik bevangen wordt.

       *       *       *       *       *

„Dat speelt hij waarlijk niet slecht; ’t is wel een zonderlinge
opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends
in” zegt fluisterend een dame in ’t balcon tot een heer naast haar,
die even zachtjes antwoordt: „Ik geloof bepaald dat hij blijft steken,
mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”

„Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot
Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de
woorden souffleert: „_nu is het uit met mij; uit, gedaan!_”

„’t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de
kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met
wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts
doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op
smartelijken toon herhaalt. „_Nu is het uit met mij._”

„Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan ’t niet langer
aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de
medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op
haar programma blijft kijken.

Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van ’t
hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.

„Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van „’t schellinkie” iemand die, in
die akelig wanhopende beweging „spel” meent te zien en als Walten
nogmaals dof en droevig herhaalt: „_uit! uit!_” klinken zelfs een paar
bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.

’t Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en ’t komt zoo in de rol
te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de
ontdekking dat ’t zuiver „natuur” is wat het aanschouwt.

Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in ’t
souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor
’t hoofd.

’t Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen, zachtjes
zegt hij: „Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk
oprichtend, roept hij, halfluid: „Walten! Walten! luister dan
toch:—_mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat ’t weg
is_—alles is weg!”

„_Weg! alles is weg!_” herhaalt de oude man en als versteend blijft
hij staan, vlak voor ’t voetlicht; hij beeft aan alle leden.

Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit
Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van
medelijden op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.

’t Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien, die,
wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst slaat,
allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid snikkend
uitroept: „ik ben alles kwijt, alles vergeten!”

„Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een
beschonkene heen en weder.

„Hij is vet”, roept er een van ’t „schellinkie.”

„Hij heit ’em om, hoor!” gilt een ander.

Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal
opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat
zich met de pruik herhaaldelijk in ’t gelaat en is op het punt van
neer te vallen op ’t tooneel.

De muzikanten staan op in ’t orchest, en rekken de halzen uit om te
zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer
op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. ’t
Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle
toeschouwers komt—’t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder
gebeuren zal.

       *       *       *       *       *

„Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige stem
een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog
juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem
onder de armen vast te houden en van ’t tooneel te brengen.

Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en tooneelknechts,
met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en omringen „den
beneficiant”, die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde kleederen en
verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche aangebracht,
is neêrgevallen.

Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand,
krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen,
vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze
haren die zijn kruin bedekken.

„Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, ’t is het sein voor ’t
begin van ’t 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de regiekamer
wordt gegeven.

„God! ’t vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op, maar
valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide handen
voor de oogen slaat.

„Klaar voor ’t vijfde?” roept een stem uit de verte.

„Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. „’t Doek moet vallen, roep den
inspiciënt!”

Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw
begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het
hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn
omgeving.

Als ’t beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar
te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten
met onverschillige, oogen aanstaren.

Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen, toegesneld
en allen vragen dooréén: „Wat is er? Wat is er gebeurd?”

Er heerscht op ’t tooneel een verwarring, die zich allengs verder
uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig
aanloopen, terwijl hij vraagt: „Is er iets niet in orde?”

„Laat ’t scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu
hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als
vernietigd.

„Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert
Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: „Doek vallen,
dadelijk! En ’t orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan
worden!”

„Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij
Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig,
in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.

„Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg ’t mij maar? Stumperd, snik
zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet
rusten.

Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van
mevrouw Grootes stem. „Kom!” herhaalt zij, „huil zoo niet, ouwe vrind;
kom ’t zal wel zoo erg niet wezen.”

„Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man zijn
armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd, zenuwachtig
schokkend, heen en weer.

„Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu
ook nog gebeuren op je ouwen dag?”

„O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een
verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen,
applaudissement, chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.

„Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de Directeur.
„Hoor ’t publiek eens aangaan.”

Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden overstemt.

Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw
Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: „Luister er maar
niet naar, m’n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé?
Maar ’t kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”

Plotseling richt Walten zich op. „’k Moet ’t toch uit—spelen—ik moet,
ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles is
weg!”

„Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je
weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—„Luister!—Hostein is voor ’t
voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een
plotselinge ongesteldheid bent overvallen, ’t gevolg van treurige
familie-omstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes.
Zie je, dat wil zeggen: Och! dat’s ongelukkig. Neen, hou nou op met
schreien, dàt kan ik niet zien. Och! ’t is zoo erg niet, Walten, zoo
iets is immers wel meer gebeurd.”

„Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de
handen voor ’t gelaat.

De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl
maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere
acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van „De Vrek” kent,
verklaart zich oogenblikkelijk bereid „Harpagon” verder te spelen.

[1] Achter de schermen aanwezig.

In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als ’t gaat gecostumeerd en
gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze
doen of laten moeten, wordt ’t laatste bedrijf afgespeeld.

       *       *       *       *       *

’t Altijd goedhartige en medelijdende publiek had „de annonce” met een
gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek dermate
voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig
bijvalsbetoon aan ’t eind van ’t stuk den Directeur aanleiding gaf om
tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler
aanzag, te zeggen: „Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik
dacht; we zullen hem in de volgende maand „De Vrek” eens geheel en al
laten spelen.”

Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den
Schouwburg, want een nastukje met „één gelezen rol[1]” er in, is niet
aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw
Groote, die de „Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet
voldoende om het blijspel te redden.

[1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.

Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en
mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij
waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.

„Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen”, zei Schröder, en Hostein
voegde er met een weemoedigen blik bij: „Wat ’n eind voor ’n artist;
’t is om ’t te besterven!”

„Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. „We
hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; ’t zou zoo’n aardige
kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé,
Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en
vroeg toen aan Hostein: „Zou je ’t couvert er maar niet zoolang
afnemen. Er zit ’n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij
mekaâr geklopt.”

„Geef maar hier Hostein, dan zal ik ’t zoolang in mijn brandkast
sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen
den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans
en ’t couvert te geven, hé?—’n Kleine troost voor zoo’n grooten val! A
propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”

„Een van de tooneelknechts.”

„O, Zoo!”

„Waarom deed jij zelf ’t niet even Hostein?”

„M’n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; ’t was hier zoo’n
eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn
kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes
uitgeknepen.”

„Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,’k moest me kleeden voor
’t nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?”

„Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, ’k heb gauw een
vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te
zijn dat hij goed thuis kwam.”

„Zei hij nog wat Hostein?”

„Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”

„Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.”

„Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als ’t hem troosten kan,
dat ik, globaal berekend, behalve ’t voorschot dat hij ontving, een
zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden
die jelui hebt, is ’t toch een kleine achthonderd, die hij in ’t
handje krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in
behandeling geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man
in ’s hemels naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! ’t Zal
weêr opnieuw armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”


VII.

De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In ’t oosten
kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in
strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette
wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn
en leven.

Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige lucht
en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig genoeg
zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te doen
vergaan.

       *       *       *       *       *

In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de
gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over ’t bed, waarop
Annette in diepen slaap verzonken ligt.

Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen
aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en
herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.

Voor ’t bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend,
ligt Walten, nog in ’t kostuum van den „vrek”, onbewegelijk stil.
Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er
niet van.

De zon komt hooger, ’t wordt al lichter en lichter; de schoone,
frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal
verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze
hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en
glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze
een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar
bij elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t’huiskomst, in
der haast neergeworpen.

Zóó was het ook.

Terwijl alles op ’t tooneel in rep en roep was en Walten alleen in
Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd,
dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en
hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart
onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, ’t klamme
zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een
krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte.
Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: „Hij, Walten! de
eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor
altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor ’t
hoofd; eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den
schouwburg verlaten.

Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij liet
alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij ’t
eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht hem
de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een „van
harte ’t beste meheer Walten!”

Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.

De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag haar
zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met
olie brandend, op tafel stond.

Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem
lodderig aan en vroeg: „Is uwes daar; veel pleizier gehad?”

Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die uit
de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: „Je kunt—wel
heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij
schaamde zich voor die vrouw!

Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn
overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen
bleef hij een oogenblik gebogen staan over ’t bed, kuste zijn dochter
zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de
knieën voor ’t ledikant.

„Morgen heb ik toch ’t geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte zijn
brandende oogen tegen haar op ’t dek rustende hand.

Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar
eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee,
drie malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe
vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.

Zóó bleef hij liggen.

’t Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in ’t glas
was verbrand, ’t pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen en
streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het,
met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door ’t
vertrek—en toen ging ’t uit.

Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer;
hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te
hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.

„Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in ’t duister met
haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even
aan, streelde zacht over zijn haren en vroeg: „Slaap je, vader?”

Geen antwoord.

„Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en
dommelde weer in.

       *       *       *       *       *

„Niet ankomme! M’n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de
polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat ’n geval,” roept juffrouw
Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren
in Waltens kamer staat bij ’t bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk
in dezelfde houding, ligt.

’t Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht, tot
in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de
werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast,
met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar
bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.

„Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel ’n kouwe voete krijge,” zegt
een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt
Netjes voeten daarin, met de woorden: „Hoe kan je zoo’n schepsel nou
zóó op ’n stoel zetten?”

„’k Was al blij, dat ze zat; ’t was me ook een geschiedenis,”
antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: „Zit je zóó
goed, kind?”

„Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe,
dat ie....”

„Blijf jelui nou toch met je handen van ’m af! Hij mot blijve legge
zoo as ie leit, anders heb je ’r gedoe mee. Is er nou al iemand om de
polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.

„Jawel! Pieterse haalt ’n agent,” antwoordt de werkster.

„Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op ’t bed legge of op ’n
stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept
dadelijk: „Hoor die dikke nou? Wel nee! da’s teugens de wet!”

„Maar ’k zou toch zeggen, dat....”

„Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid! de
schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een
stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:
„Wat zeg jelui er wel van? Wat ken ’n mensch er toch gauw uit weze!”

Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en
daardoor onverstaanbaar, geven ’t antwoord op juffrouw Daters’ vraag.

„Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die
mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die
doodkalm antwoord: „’t Is wat moois, ’t lijkt wel niks.”

„O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij
de deur.

De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet
gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend,
duwend en vloekend op de trap en in ’t portaal verdringen, komen de
kamer in.

„Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.

„Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.

„’n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt
zij er bij: „Zóó morsdood naast ’t bed gevonde bij dat gekke mensch;
we binne d’r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.”

„Hoe lang ben jelui hier al?”

„’n Groot kertier, meheer!”

„En heb jelui dien man zóó laten liggen?”

„We hebben d’r geen hand an gehad!”

„Dat’s dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”

„Niet? Nou, as ’n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer
staat. „’k Heb ’m evetjes over z’n hoofd gevoeld en an z’n hande
gepakt: hij is al koud en stijf.”

„Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar
anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op ’t
bed neer te leggen.

„Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas, terwijl
hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst legt,
terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen aannemen.

„Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn
gezicht vrij.”

„Hij is dood, meheer de agent, ’k versikureer ’t je. ’k Heb zooveel
dooien gezien van m’n leven. Dek z’n gezicht maar gerust toe,”
antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van ’t laken over ’t
gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu ’t
volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt,
door ’t „schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen.

„Wat ziet ie er raar uit: z’n gezicht is beschilderd!” roept er een
uit den hoop.

„Wie is ’t?” vraagt de agent.

„Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas.
„Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van
Annette staande, zwijgend toekijkt, „zeg! jij zelt er wel ’t fijne van
weten?”

„’k Zal ’t uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en tot
een van de buren gewend: „Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik
zeggen wat ’r gebeurd is.”

„Wie ben jij?”

„Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die
vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou
nog die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had
z’n benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin ’r nog besturve
van; zoo’n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo
sebiet is toch....”

„Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld wat
’r gebeurd is.”

Niemand verroert zich, want allen willen hooren „hoe ’t geval
eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: „Allo, gauw!” en
een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: „Ga jij
dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”

Brommend verwijdert zich de man.

„En nou verder. Hoe heet jij?”

„Ikke? Grietje Bruin!”

De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt
zij angstig: „Ik kan d’r toch geen kwaad bij?”

„Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor ’t
proces-verbaal.”

„’k Weet van die dinge niet af, want ’k bin ’n fatsoenlijke vrouw,
ziet uwee, en ik zal met ’n woord van waarachtigheid getuige wat ’k
gezien heb.”

„Vooruit dan, vrouwtje!”

„Van morgen was ik ’n beetje later dan anders, ’k heb zelf nog ’n
huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges ’n uur of twalef, en ik
dacht ook zoo bij m’n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest
van z’n benefiesie en zal misschien ’n glaassie wijn gedronke hebbe:
hij zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig
gelijk met Pietersen, hier voor de deur.”

„Ho! Pietersen, wie is dat?”

„Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw
Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: „Hij is ’n mirakel van ’n
vent, ’n sefleur, en....”

„Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”

„Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m’n drie
gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was ’t mooi? zeg ik
zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? ’t Was ’n... Nou, toen
zei ie ’n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik begreep dat ie
wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord; toen klopt
hij an. Ook geen antwoord. ’k Prebeer of de deur ope is. Jawel hij was
niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat ze allebei
sliepe.—’k Vond ’t wel raar, dat ie nog zóó in z’n konstuum lei, maar
ik dacht er niks niet bij.”

„Verder!”

„Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, ’t is twalef uur. Maar zij
werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d’r
posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen
aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork ’t ’t eerst en zei weer
wat op z’n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit
z’n lije. Z’n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik
natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo
koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit
ze nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide ’t raam ope, om de bure te
roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”

„Zoo! en waar is die man dan nu?”

„Da’ kan ’k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid
weggeloope, of uit z’n eige zelve naar ’n dokter gegaan.—Pieterse is
nogal gevat, weet u?”

       *       *       *       *       *

Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward
gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: „Menschen,
gaat wat op zij; daar komt ’n dokter an. Laat de heeren passeeren!”

Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan
onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te
snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te
gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn
koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.

Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat ’t bed nadert,
waarop Walten is neêrgelegd.

„Hou jelui stil—St!—’t is de dokter”, zeggen fluisterend eenige buren.

Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant
staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te
hebben geworpen, kortaf zegt: „Dood?”

Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van
spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk
haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik
op den „Harpagon” van gisteren neerziet:

„Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien
overleden.”

„Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich de
tranen van de wangen.

„’k Vermoed een plotselinge stilstand van ’t hart, hij heeft NIET
geleden.”

„Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt
zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud
voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over
het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:

„_Hij is op ’t veld van eer in ’t harrenas gestorven._”[1]

[1] Vondel, Gijsbrecht.

—„Arme ouwe vrind!”

Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt
langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig
naar den doode en fluistert: „Den krans van gisterenavond zullen we nu
toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt
hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op
Annette—worden?”

„Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen
zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand
op ’t lijk—„hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”




EEN MASSAGEKUUR.




EEN MASSAGEKUUR.


I.

Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed
pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den
Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente
„Frau Gemahlin” en zijn „Fräulein Tochter,” een spichtige,
achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen
eener asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien
mogelijk, zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn
pijnlijke kwaal te vinden.

Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den
„Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een
oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een
„Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende
onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op
den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een
stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige
verlichting en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok
in de Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en
Beiersch bier gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas
warm Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere
teug de woorden: „Grässlich,” „Abscheulich” of „Verdammtes Zeug” te
doen hooren.

Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop
koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo’s aan
gewicht te verliezen; en „Fräulein Tochter” slurpte met een paar
bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat,
omdat zij wel eens had gehoord, dat ’t Wiesbadener water dikker maakte
en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.

’t Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend werkte,
want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren. Na ’t
gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel glazen
bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich langzaam aan
naar de beroemde table-d’hôte in ’t Hôtel Dahlheim. Met een zucht van
verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van innig
welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer rooden
neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van
allerlei spijs en gebraad.

Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden „Hôtel
Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table
d’hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer
uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per
hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was ’t dan ook maar
om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam.

Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de asperge-achtige
jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote hoeveelheden gekookte
en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het geldelijke evenwicht
voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar dronk des te meer en
verklaarde elken middag aan het dessert, als hij met glimmend
voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het laatste teugje
uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn servet afwischte,
dat „der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen aber, unter der Kanone
teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was.

Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke beterschap
met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden Bourgogne en
geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en dochter echter
ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met iederen dag die
beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits, Château la
Rose of Johannisberger, die hem na ’t diner steeds een hoogere
gelaatskleur, een slaapje en bij ’t ontwaken een knorrige luim
bezorgden.

’t Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor ’t in- en
uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van
zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet
weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d’hôte, op
een morgen in zijn kamer „als een blok” in zijn stoel en met zijn hand
op de heup te kermen.

Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit
medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar
zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van
haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg
onfatsoenlijk te vinden.

„Himmelhöllenhund Sakrement! dat’s te erg. Schwefelelement! laat een
dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor
zijn bataillon.

„Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.

„’t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo’n ouwen pruik,
zoo’n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een
specialiteit heb... Au! Schwerenoth! ’k word nog gek van de pijn. O,
sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis
van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:

„O! papa, u bezondigt je heusch!”

„Dat’s wel mogelijk!—maar ’t kan me niet schelen. Au!
Himmeldonnerwetter!”

Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den
besten dokter te doen roepen.

       *       *       *       *       *

Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een
koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:

„Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.”

De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel
af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den
medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem
op zijn vraag: „Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste
von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo’n verschrikkelijken aanval
van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:

„Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: „Ik versta je immers goed: ’t
is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het oog
van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden,
indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder
edele aandoening verheven zijn.

„Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.”

„Uitstekend, Dokter!”


II.

Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.

Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: „Binnen!”

Op den drempel verscheen de dokter en boog.

„O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als ’t u blieft! O, mijn man
heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke
dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: „Mijn dochter
Ildegard,—ook ’n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en
erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”

De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam een
nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een
schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij
in stilte: „O! wat ’n lief mensch schijnt dat te zijn.”

„Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”

„Gaarne, Mevrouw!”

De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde,
vloekte en raasde afwisselend.

„Herr Oberst!”

„Herr Doktor!”

Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan. Toen
hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje
boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en
bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met
deelnemende stem vroeg:

„U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”

„O! om er helsch van te worden, Dokter!”

„Maar lieve man!”

„O foei, Papa!”

„Wees zoo goed eens even op te staan.”

„Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man!
ben je dol? en herhaalde: „Opstaan?—Onmogelijk!”

„’t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand van
uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en klagend
werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind omhoog,
totdat hij met dikke angstdroppels op ’t voorhoofd, op één been
balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus
smeekend aanzag.

De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar
beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de
Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht
kermend: „Jezus-Maria-Joseph”, in den stoel terugzonk.

Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan
staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne
Ildegard zweefde nader, ten einde papa’s kloppende slapen met wat Eau
de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden
lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op
bevelenden toon zei: „Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij
de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een
vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: „Zulk een
woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”

Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij ’t ontkleeden
zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: „Zóó is ’t genoeg.—Ga nu
eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”

Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus ’t been, ’t
heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met
klem:

„Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”

„Zoo! En die zijn, Dokter?”

„1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.”

„2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch
moed?”

Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij
antwoordde:

„Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden
hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar
dan onder chloroform, asjeblieft.”

„O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.

Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; ’t sleutelplaatje viel
plotseling neer voor ’t slot der porte-brisée, waardoor ten
duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door ’t
sleutelgat de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en
verstaan.

„Snijden?” vroeg de dokter lachend. „Geen kwestie van,
Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit
Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; _’t is het eenige
middel_, waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”

Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog
steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn
baard bromde: „Anders niet? Maakt de kerel daar zoo’n drukte over?”—en
luid voegde hij den dokter toe: „Dan maar dadelijk, Dokter; hoe
eerder, hoe beter. Knijp dan maar!”

„Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok
zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von
Hattersdorff verschrikt vroeg: „Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?”
viel hij haar lachend in de rede met: „Pardon! ik maak ’t me alleen
maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo’n
massage.” Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen
op, toonde een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg:
„Heeft u ook een weinig zoete olie, Mevrouw? ’k Gebruik anders cold
cream, maar de Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”

„O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar
toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!”

De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog
voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de
andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken,
terwijl zij fluisterde: „Hier, Mama!”

„Als ’t u blieft, Dokter!”

„Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik zal
u helpen; zoo!”

„Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”

„Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn we
er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”

„Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”

„Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand
bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”

„Goed, Dokter; best!”

„Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl
hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en
de kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.

„Integendeel, dat doet me goed; ’t is aangenaam. Als je zóó doorgaat,
Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou op! Neen,
Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De Overste
rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de medicus
had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht onder
handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle regelen
der kunst.

„O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een
afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een
tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen
kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een
allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten
heup, zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: „Gottsdonnerwetter,
dat is àl te erg!”

„’t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en wischte
zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en slapen.

„O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer
zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar
papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:

„Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! ’t is geen aangename gewaarwording,
Overste; maar ’t eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw
diëet praten.”

Met matte stem antwoordde de Freiherr:

„’k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! ’t was of ik sterven
zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; ’t is alsof
ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo
vermijden, Dokter?”

„Alles, Overste!”

„Alles?—Hongerlijden?”

„Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. „Neen! zóó erg is ’t
niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water
kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet
gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer,
dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert,
terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”

„Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, „dat is heel
erg, Dokter!”

„Ischias is nog veel erger, Overste!”

„’t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn;
’k zal doen wat u zegt.”

„U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.”

„Blijf me met dat potjes-latijn van ’t lijf, Dokter! Dat versta ik
niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden
door die ranselpartij.”

„Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de flesch
met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend, vervolgde
hij: „Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot geneest,
_moet_—en hij drukte op dat woord—_moet_ u zorgen, dat de Overste zijn
diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of mejuffrouw uw dochter?”

„Neen, Dokter, nooit!”

„Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr.
Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot
eensklaps den inhoud uit ’t venster in den tuin—„verwijderen.—Adieu!
Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.”

Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen dan
te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in
zichzelven: „’n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en
drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn
behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag was—hum!—zoo—hum!
voor een officier zoo vernederend.”

Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met
Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.

Op mevrouws vraag: „Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde hij
met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig
rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles
wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor
zouden zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen
andere spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als
versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien
dagen.


III.

Geregeld elken dag, ’s morgens om tien uren verscheen de medicus in
het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de
verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een
bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter
gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.

Hoeveel „Donnerwetters” en „Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de
wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het
einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die
verwenschingen en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en
herhaaldelijk verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: „Die Druff
is een wonder van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En
weet je waar ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten,
geweldigen slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum!
geeft. ’t Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag
gaat me door merg en been.”

„Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, „’t is verschrikkelijk—ik kan
er ten minste niet meer naar zien; ’t is heusch, alsof Dr. Druff al
zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”

„Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; ’t is dan ook alsof er een
stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling nu
laat welgevallen, omdat ik _moet_, omdat ik aan dien Druff op genade
of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig iederen
dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste zette een
gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één grooten hap
had willen verslinden—„anders zou ik bij hoog en bij laag—me zoo’n
vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den d—nder niet.”

„Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat’s niet fijn”, riep
Ildegard verbleekend.

„Neen! zoo’n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er aan
denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en
behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”

„Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet ’t toch uit
bestwil, omdat ’t noodig is voor...”

„Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen pijn;
in mijn heup zit het, nergens anders...”

„Och, papa! ’t is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”

„Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders
piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag
in, dag uit, een slag op uw...”

„O, foei! papa, wat ’n ordinaire suppositie.”

Ildegard keerde zich verontwaardigd om.

„Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er
samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?”

„Spreekt u er liever alléén over, mama!”

„Nu, goed, dan zal ik ’t doen—ik durf wel.”

       *       *       *       *       *

Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een
oogenblik met Dr. Druff alleen was: „Dokter, is die laatste slag
bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen
op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”

Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde Dr.
Druff: „Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; ’t is wel
onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er
niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke
behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.

Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich heimelijk
papa’s lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die een dame
van haar kennis, in ’t zelfde hotel, onder behandeling had, gevraagd:
„Dokter, ’t is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong meisje me met
dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt er zoo door
gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd zoo, dat
men bij een massagekuur den patiënt zoo’n verschrikkelijken slag op,
hum—” zij durfde ’t eigenlijke woord niet goed zeggen en zei dus
blozend: „op de heup toedient?”

Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: „Neen, Freule,
gewoonlijk niet. ’t Is wel zonderling, maar mijn collega Druff is een
door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de
massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal ’t dus bepaald noodig
oordeelen voor ’t heil van uw papa.”

Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste, door
eenstemmig te verklaren, dat zij ’t volste vertrouwen in Dr. Druff
hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en
noodig voor hem was.

       *       *       *       *       *

Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von
Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen
was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het
verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de
kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer
violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden
helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.

„Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, „ik kom afscheid van
u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u tevreden?”

„Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig
dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden
kerel weer een jongen vent gemaakt.”

Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: „O, Dokter!
nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen betuigen!”

Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken
uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen,
fluisterde zachtkens:

„O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en
zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen:
„Spreek met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word
voor eeuwig Frau Doctorin....”

„Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen,
Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den
stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.

„O, Dokter!” klonk het in trio.

„Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam
verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid
te wenschen.”

„Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij:
„Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen
zenden, want ik reis spoedig naar huis?”

„Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij
glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen
kon.

„Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet
met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik
u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr.

„Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”

„Wa-a-at?”

„Wij zijn nu quitte, Overste.”

Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: „De
arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij ’t
hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: „Quitte? Hoe—be-doelt u dat?”

„Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”

„U, Dokter?—’k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....”

„Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff; ik
heb in ’70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein
was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig
recruut en vrij weerspannig. ’t Ging streng toe in den oorlogstijd, en
daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen
arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”

„Alle donders!” riep de Overste, opspringend, „’t is waar; nu herinner
ik mij: ’t was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen
surveilleerden.”

„Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn
betrekkelijk klein vergrijp; maar ’t was oorlogstijd, en daarom heb
ik, dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts
vier dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”

Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde
Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen ’t dikste
gedeelte der heup wreef: „Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de
kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we
quitte!”

„Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op
mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel
en, naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans
rancune!”

Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit.

„Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, „wat een kranige vent!
Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—„’n beetje minder hard had
hij toch wel kunnen slaan!”




_BIJOU_.




_BIJOU_.


I.

’t Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als
voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te
betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe
mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.

Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar levendige
helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.

Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature
„sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed
zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar
blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg
tot een gezellig „embonpoint”—in de verre toekomst verrieden.

Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de
donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de
neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament
te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar
werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die
’t kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van
tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al
naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed
langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek
zien, wanneer ’t een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig
maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie
was „een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein
telkens tegen Frits, haar man, beweerde.

Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van „’n schoone
kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en
gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan
wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van
levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn
frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den
spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te
gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.

Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief vrouwtje
rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een innig warme
gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine rose handjes
in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker er zachtjes,
voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem aanzien, dat hij
Marie in den volsten zin des woords „vergoodde.”

       *       *       *       *       *

„Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en
kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een
dag, dat hij de Stralings bezocht en ’t echtpaar met een breeden
genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat
nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking
half weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: „’k Heb
van mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen,
zie je, maar zóó als jullie hebben wij ’t toch nooit beetgehad.”

Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke
ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen
uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die
ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat
noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman „op”
en antwoordde lachend:

„Ja, maar tante Jans was ook zoo’n dot niet als mijn Marie. Was ze
wel, oom?”

„Nou, dat ’s maar zooals je ’t nemen wilt, jongen,” zeide oom; „’t was
een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat
was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat ’s nog
wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig
moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er
bij: „Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf
en dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn
wijf zoo’n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He!
Hola! nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan
was ik nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar
gerust hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”

„Oom, oom, ’t loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te
gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer
wilde verlaten, om terug te komen.

„Wàt, wàt? ’t Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie,
geef me maar een hand; ik ben ’n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik
meen ’t goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als
_ik_ jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven
laten,—om den dood niet.”

„Maar, oom! foei wat ’n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn
hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.

„Gekheid! ik bedoel immers niet, dat ’t aan jou zou gelegen hebben,
maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me
wel, jongen!”

Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch
was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de
kamer heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te
geven, door te zeggen: „Jelui woont hier toch als in Abrams schoot,
hoor!—eeuwig netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die ’t
breed heeft, laat ’t breed hangen. ’t Is tegenwoordig ’n heel andere
thee dan vroeger. Toen ik met m’n Jans onder zeil ging, was ik machtig
blij, dat ’k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor
mij en m’n vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een
canapé; een latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot
en een pan,—en klaar was Kees!”

„Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer comfort
en....”

„Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, ’t is allemaal gekheid;
zooals ’n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel
minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten
niet beter of ’t hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe
jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo’n paar flinke gezonde
lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben
nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral
m’n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw
op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?”

Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering,
dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn
nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich
plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits,
die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te
bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar
zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en
sussend toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: „Kom,
Marie! wees niet dwaas; trek je zoo’n grof woord van oom Harmsen niet
zoo aan. Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal
hem....”

„Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar
oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel
met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing
tusschen oom en neef voorkomen.

De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat
hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor
min of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was,
besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te
leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk
niet goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had
en... Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in ’t zelfde oogenblik
lei de zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de
tafel had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:

„Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo kwalijk
nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum! zoo
satansch kitteloorig was en....”

„Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig
verdriet is, dat ze geen....”

„Akkoord, jongen! nou begrijp ik ’t, maar ’k wist het niet.—Zeg aan je
„dot”, dat ’t me allemachtig spijt dat ’k haar hinderde; maar, goeie
God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom!
kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd
afstel; Sarah kreeg op ’r negentigste jaar nog wel ’n kleintje.—Ha!
daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op
me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij
en laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat
doet ’n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos
geweest?—Nou des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden
ook.—Nou! kinderen, ’t wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van
oom Harmsen en als dàt nou ’t eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet
getreurd! Ik word hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag „dot”;
niet sip meer kijken, asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—’t
Ga jelui goed; dag kinderen!”—en weg was oom Harmsen.


II.

Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets
wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen,
als ’t kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de
jonge vrouw, die ’t mocht bezitten.

En ’t kwam niet,—’t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te
verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.

       *       *       *       *       *

In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle
jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig
en lang, maar altijd tevergeefs.

Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van
humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid
gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich
zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat
’t zóó was en niet anders, en dat ’t wel zoo verkieslijk was. Maar
toch had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar
venster de timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan,
met een dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar
en groote blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor
Frits; hij had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met
het denkbeeld „geen kinderen te hebben” verzoend. ’t Verwonderde haar
wel, maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er
nog altijd onder leed.

En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit met
kinderen van anderen; ’t scheen zelfs alsof hij minder van kinderen
hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle
voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig
tegen Marie zeggen: „Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens
meer aan kunnen wennen. ’t Is nog veel beter geen één, dan zoo’n half
dozijn, als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”

Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een
paar malen gezegd: „Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou
misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo
hard voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en
tevreden voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken,
gingen altijd _te samen_ uit en kwamen altijd _samen_ weer te huis om,
zonder dat zij ’t elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de
ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid
maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo
veel van elkaar hielden.

’t Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder
kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of
een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan
gewoonlijk min of meer despotisch regeert.

Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets levends,
dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat noemt—„een
aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan ook
slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan ontvangen
en beantwoorden.

Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in
het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de
gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.

Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl ’t regende dat ’t
goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en,
medelijdend van aard als hij was, ’t kleine diertje binnengebracht en
aan de meid gegeven, om ’t in de keuken wat te doen opdrogen.

Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje „den
leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed mogelijk
afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen, om hem
den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar ’t zou heel anders
gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje
had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar
opzag, als vroeg het bevend: „Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet
besluiten om Jaantjes raad te volgen en „het mormel aan den dijk te
zetten”. Integendeel zij bekeek „het mormel” oplettend, vond dat het
aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje
kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om ’t arme dier weer in
zijn vroegere ellende terug te stooten.

Frits had er niets tegen, dat ’t hondje bleef, en met onderling
goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten,
dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar
den naam van „Bijou” te luisteren had.

De naam „Bijou” was een „bon mot” van Frits, die, toen hij lachend
zijn toestemming gaf tot de opneming van ’t diertje, er bij had
gevoegd: „Dan zou ik hem „Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een
juweel van leelijkheid zal worden.”

Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat ’t
nog nestharen waren, die ’t hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn
naam alle eer zou aandoen.

Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en
beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, „dat ’t volk tegenwoordig
maar persies deê wat ’t wou, en dat ’t voor een fersoenlijke
dienstmeid geen doen was om behalve de gewone druktens nog de
akefietjes van zoo’n mormeldier te moeten redderen.”


III.

Bijou was, ’t bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer bijzonder
plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit gekend—was
vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar
menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te
hebben behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze
haar en de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald
schuld had aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart
en snoet, die beide voor die van een smoushond te spits en voor die
van een fik te stomp waren.

Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog
niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in
Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het
oogenblik zijner komst in Stralings woning, zijn g

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/29429