Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Niels Holgersson's Wonderbare Reis

by Selma Lagerlöf · Dutch · Gutenberg #29320 · 961,313 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Niels Holgersson's Wonderbare Reis
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Author: Selma Lagerlöf
        Margaretha Meijboom


        
Release date: July 5, 2009 [eBook #29320]
                Most recently updated: January 5, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/29320

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
        https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS ***




Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/








                   Niels Holgersson's wonderbare reis

                           Naar het Zweedsch

                                  VAN

                             Selma Lagerlöf

                                  Door

                          Margaretha Meijboom

                        (Geautoriseerde uitgaaf)


                              Tweede druk

                               Amsterdam

                             H. J. W. Becht






       Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.






I.

DE JONGEN.


DE KABOUTER.


Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang
en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had 't
meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad.

Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig
zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn
hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk
't was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar
uur lang zijn eigen baas zou zijn.

"Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat
iemand zich er meê hoeft te bemoeien," zei hij in zichzelf.

Maar 't scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden
had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan,
bleef hij staan en keerde zich om.

"Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan," zei hij,
"vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil
je me beloven, dat je dat doen zult?"

"Ja," zei de jongen, "dat kan ik wel doen." En hij dacht natuurlijk,
dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had.

De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In
een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde
het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van
den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde
't boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel
bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die 't
vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht.

De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder zich al
te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet
van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was
het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op
den jongen toe en zei streng:

"Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen,
zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt,
kom je er niet gemakkelijk af."

"De preek is veertien en een halve bladzij lang," zei Moeder, alsof
ze de maat vol wou maken; "je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je
hem uit wilt krijgen."

Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond
na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. "Nu loopen ze
er zich in te verheugen, dat zij 't zoo mooi in orde gemaakt hebben,
dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet,
zoolang ze weg zijn."

Maar Vader en Moeder verheugden zich in 't geheel niet; integendeel,
ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve
was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in 't begin kwamen
wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen
houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu
hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan,
en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze
niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over,
dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren,
en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon
laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar
zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,--hard
tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen.

"God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,"
zei ze. "Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen."

De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of
niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het 't beste was
dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel
zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden
halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat
gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde.

Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. 't Was nog niet later in
't jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente
West Vemmenhög, heel in 't zuiden van Skaane, en daar was de lente
al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond
frisch en vol knoppen. Er was water in alle greppels, en het hoefblad
stond in bloei aan den kant van den greppel. Al 't kreupelhout, dat
op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend
geworden. Het beukenbosch in de verte stond als 't ware te zwellen,
en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De
huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken
hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien,
die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te
loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap.

"Neen, ik wil niet slapen," dacht hij, "want dan kom ik er den heelen
morgen niet door."

Maar hoe dat nu kwam--hij sliep in.

Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker
door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor
den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele
kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij
toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders
kist openstond.

Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist,
die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde
Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder
goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes
van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen
versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware
zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet
meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen
weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen.

Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van
die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was,
want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. 't Zou Moeder
niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was.

Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was
binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den
spiegel te staren.

Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon
hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was,
die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn
oogen bijna niet gelooven. Maar wat in 't begin maar een schaduw was,
werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks
was. 't Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter
te paard op den rand van de kist zat.

De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit
gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand
van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud,
rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek
en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig
met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden
met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje
genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken,
dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was.

De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg
bang werd hij niet. 't Was onmogelijk om bang voor iemand te worden,
die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept
zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig
zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den
deksel dicht te klappen, of zoo iets.

Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde
aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets,
waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de
klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij
keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel
stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen,
en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te
zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de
portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums
en fuchsia's, die in 't venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op
een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing.

Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar
zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij
was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet,
hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter
gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar
beneden, en kon niet naar boven komen.

In 't eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst
beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer
te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven
te kruipen.

De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij
had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling
waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder
geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast
van zijn vaders horloge.

De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem
zoo gegaan--nu hij den kabouter in zijn macht had--was hij bang voor
hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in
aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche
gedoe weer afkomen kon.

Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat
de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen
was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten
bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit
moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in 't hoofd zou tooveren.

"Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet," dacht hij, en hij begon het
net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen dat deed, kreeg hij zoo'n
vreeselijke oorvijg, dat hij meende, dat zijn hoofd in stukken zou
springen. Hij vloog eerst tegen den eenen wand, en toen tegen den
anderen, en eindelijk viel hij op den grond, en bleef daar bewusteloos
liggen.

Toen hij weer bijkwam, was hij alleen in de kamer. Hij zag geen
spoor meer van den kabouter. De deksel van de kist was gesloten,
en het net hing weer op zijn gewone plaats in het venster. Als hij
niet gevoeld had, hoe zijn rechterwang gloeide van de oorvijg, zou
hij in de verzoeking gekomen zijn te gelooven, dat alles maar een
droom geweest was.

"Vader en Moeder zullen in alle geval wel beweren, dat het niet
anders geweest is," dacht hij. "Zìj zullen wel niets van de preek
willen aftrekken om den kabouter. Het is het beste, dat ik maar gauw
ga zitten lezen."

Maar toen hij nu naar de tafel ging, merkte hij wat wonderlijks
op. De kamer kon toch niet gegroeid zijn! Maar hoe kwam het dan, dat
hij zooveel meer stappen moest doen dan gewoonlijk om bij de tafel te
komen? En wat bezielde den stoel? Die zag er niet grooter uit dan zoo
pas. Maar hij moest eerst op de sporten tusschen de pooten klimmen en
dan verder klauteren om op de zitting te komen. En 't ging al net zoo
met de tafel. Hij kon niet over het blad van de tafel heen kijken,
zonder op de leuning van den stoel te klimmen.

"Wat in de wereld is dat toch!" zei de jongen. "Ik geloof, dat de
kabouter den leuningstoel en de tafel en de heele kamer betooverd
heeft."

't Preekenboek lag op de tafel, en schijnbaar was het precies als
anders, maar daar moest toch ook iets aan mankeeren, want hij kon er
geen woord in lezen, zonder gewoon weg op het boek te gaan staan.

Hij las een paar regels, maar toen keek hij toevallig op. Daardoor
viel zijn oog op den spiegel, en toen riep hij hardop: "Kijk, daar
is er nog een!"

Want in den spiegel zag hij duidelijk een klein, klein kaboutertje,
gekleed met een slaapmutsje en een leeren broek aan. "Die is
precies gekleed als ik," zei de jongen, en sloeg de handen in elkaar
van verbazing. Maar toen zag hij, dat de kabouter in den spiegel
hetzelfde deed.

Toen begon hij zich aan zijn haren te trekken en zich in de armen te
knijpen en rond te draaien, en oogenblikkelijk deed hij daar in den
spiegel het hem na.

De jongen sprong een paar keer rond, om te zien of er een of ander
klein kereltje achter hem stond. Maar hij vond niemand--en toen begon
hij van schrik te beven. Want nu begreep hij, dat de kabouter hem
betooverd had, en dat de kabouter, dien hij daar in den spiegel zag,
niemand anders was dan hijzelf.




DE WILDE GANZEN.


De jongen kon maar niet gelooven, dat hij in een kabouter veranderd
was.

"'t Is zeker maar een droom--of verbeelding," dacht hij. "Als ik even
wacht, word ik wel weer een mensch."

Hij ging voor den spiegel staan, en sloot de oogen. Hij opende ze
eerst na een paar minuten, en verwachtte toen, dat het weer over zou
zijn. Maar dat was niet zoo: hij was en bleef even klein. Overigens
was hij precies, zooals hij geweest was. Het lichte vlashaar en de
zomersproeten op neus en lippen, de lappen op zijn leeren broek en
de stoppen in zijn kousen, alles was precies eender; alleen was alles
kleiner geworden.

Neen, stil te staan en te wachten tot het overging, dat diende nergens
voor; dat merkte hij wel. Hij moest wat anders probeeren. En het
verstandigste wat hij doen kon, was, meende hij, den kabouter op te
zoeken en zich met hem te verzoenen.

Hij sprong op den grond, en begon te zoeken. Hij keek achter stoelen
en kasten, en onder de slaapsofa, en in den oven. Hij kroop zelfs in
een paar rattegaten, maar hij kon den kabouter niet vinden.

Onder het zoeken schreide hij en smeekte, en beloofde alle mogelijke
dingen. Hij zou nooit weer zijn woord breken tegenover iemand, nooit
zou hij weer ondeugend zijn, nooit weer slapen onder de preek. Als
hij maar weer een mensch mocht worden, zou hij zoo'n beste, lieve,
gehoorzame jongen zijn. Maar wat hij ook beloofde, het hielp hem
geen zier.

Op eens kwam het hem in de gedachte, dat hij Moeder had hooren zeggen,
dat 't kleine volkje gewoonlijk in den koestal woonde, en hij besloot
dadelijk daarheen te gaan, om te zien of hij daar den kabouter niet
kon vinden. 't Was een geluk, dat de huisdeur op een kier stond,
want hij zou niet bij het slot hebben kunnen komen om die open te
doen. Maar nu kwam hij er zonder bezwaar door.

Toen hij in de gang kwam, keek hij rond naar zijn klompen, want
in de kamer had hij natuurlijk op kousen geloopen. Hij dacht er
met verwondering over, hoe hij zich redden zou met die groote,
lompe klompen, maar op 't zelfde oogenblik zag hij een paar kleine
klompjes op den drempel staan. Toen hij merkte, dat de kabouter zoo
zorgvuldig geweest was, dat hij zelfs zijn klompen veranderd had,
werd hij nog angstiger. 't Scheen wel de bedoeling te zijn, dat al
dit akelige lang zou duren.

Op de oude eikenhouten plank, die voor de gangdeur lag, sprong een
musch rond. Nauwelijks kreeg hij den jongen in 't oog, of hij riep:
"Tiliet! tiliet! Kijk eens naar Niels den ganzenjongen! Kijk eens
naar klein Duimpje! Kijk eens naar Niels Holgersson, klein Duimpje!"

Dadelijk keken de ganzen en de kippen naar den jongen, en daar begon
een geweldig gekakel: "Kukeleku!" kraaide de haan, "dat is zijn
verdiende loon. Kukeleku! hij heeft mij aan mijn kam getrokken!"

"Ka, ka, ka! Dat is zijn verdiende loon!" riepen de kippen, en dat
riepen ze maar al door.

De ganzen liepen naar elkaar toe, staken de koppen bij elkaar en
vroegen: "Wie kan dat gedaan hebben? Wie kan dat gedaan hebben?"

Maar het vreemdste van alles was, dat de jongen verstond wat ze
zeiden. Hij was zoo verbaasd, dat hij op het stoepje bleef staan
luisteren.

"Dat komt zeker, omdat ik in een kabouter ben veranderd," zei
hij. "Daarom zeker versta ik nu de taal van de vogels." Hij vond het
onuitstaanbaar, dat de kippen maar niet ophielden te roepen, dat het
zijn verdiende loon was. Hij gooide ze met een steen en riep. "Houdt
je stil, schooiers!"

Maar hij had er niet aan gedacht, dat hij niet meer zoo was, dat de
kippen bang voor hem hoefden te wezen. De heele troep kippen rende
op hem toe, ging om hem heen staan en riep: "Ka, ka, ka! dat is je
verdiende loon! ka, ka, ka! dat is je verdiende loon."

De jongen probeerde weg te komen, maar de kippen vlogen hem na, en
schreeuwden, zoodat hij er bijna doof van werd. Hij was zeker nooit
van hen afgekomen, als de huiskat er niet aan was gekomen. Zoodra
de kippen de kat zagen, werden ze stil en deden, alsof ze nergens
aan dachten dan aan krabben in den grond om eten te zoeken. De
jongen sprong dadelijk op de kat toe. "Lieve, beste poes," zei hij,
"je kent zeker wel alle hoekjes en gaatjes hier op de plaats. Wees
nu eens lief en vertel me, waar ik den kabouter kan vinden."

De kat antwoordde niet dadelijk. Zij zette zich neer, legde den
staart sierlijk om haar pootjes, en staarde den jongen aan. 't Was
een groote, zwarte kat met een witte vlek op de borst. Heur haar lag
glad en glansde in den zonneschijn. Zij had de klauwen ingetrokken,
en haar oogen waren egaal grijs, met enkel een klein smal spleetje
in het midden. De kat zag er innig bescheiden uit.

"Ik weet wel, waar de kabouter woont," zei ze met een zachte stem;
"maar 't is niet zeker, dat ik je dat vertellen wil."

"Lieve poes, je mag me wel helpen," zei de jongen. "Zie je niet,
hoe hij me betooverd heeft?"

De kat deed de oogen wat wijder open, zoodat het groene en leelijke
er in begon uit te komen. Ze spon en snorde van genoegen, vóór ze
antwoordde. "Moet ik je misschien helpen, omdat je mij zoo dikwijls
aan mijn staart getrokken hebt?" vroeg ze eindelijk.

Toen werd de jongen boos, en vergat heelemaal hoe klein en machteloos
hij nu was. "Ik kan je nog wel eens aan je staart trekken!" zei hij
en sprong op de kat toe.

Maar opeens was de kat zoo veranderd, dat de jongen nauwelijks kon
gelooven, dat het 't zelfde dier was. Ieder haar op haar lichaam
stond overeind. Ze zette een hoogen rug, de pooten werden langer, de
klauwen sloeg ze in den grond, haar staart was kort en dik geworden,
haar ooren lagen achteruit, de mond blies, de oogen stonden wijd open,
en ze gloeiden als rood vuur.

De jongen wou zich niet laten bang maken door een kat, en deed een
stap vooruit. Maar toen nam de kat een sprong, kwam boven op den
jongen neer, gooide hem onderste boven, en ging over hem heen staan
met de voorpooten op zijn borst, en den bek open boven zijn keel.

De jongen voelde hoe de klauwen door zijn vest en hemd in zijn
huid drongen, en hoe de scherpe hoektanden zijn keel kietelden. Hij
schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon.

Maar niemand kwam, en hij geloofde vast, dat zijn laatste uur geslagen
was. Toen voelde hij, dat de kat haar klauwen introk en zijn keel
losliet.

"Zie zoo," zei ze, "nu is 't genoeg! Ik zal je dezen keer nog loslaten
ter wille van de vrouw. Ik wilde alleen maar, dat je weten zou,
wie van ons beiden nu de baas is."

Met die woorden liep de kat weg, en zag er weer even glad en
zachtzinnig uit, als toen ze kwam. De jongen was zoo beschaamd,
dat hij geen woord zei, maar zich haastte naar den koestal om den
kabouter te zoeken. Daar waren niet meer dan drie koeien. Maar toen
de jongen binnenkwam, begon er een gebrul en een spektakel, zoodat
men best kon denken, dat er minstens dertig waren.

"Boe, boe, boe," loeide Meiroos. "Het is maar goed, dat er
rechtvaardigheid in de wereld is."

"Boe, boe, boe!" hieven ze alle drie aan. Hij kon niet hooren wat ze
zeiden, zoo overschreeuwden ze elkaar.

De jongen wilde naar den kabouter vragen, maar hij kon zich niet
verstaanbaar maken, omdat de koeien in volslagen oproer waren. Zij
gedroegen zich, zooals ze gewoonlijk deden, als hij een vreemden hond
bij hen binnen liet. Ze sloegen met de achterpooten, schudden hun
halskettingen, keerden de koppen naar buiten en dreigden met de horens.

"Kom jij maar eens hier," zei Meiroos, "dan kun je een trap krijgen,
die je vooreerst niet vergeten zult."

"Kom hier," zei Goudlelie, "dan mag je dansen op mijn horens."

"Kom hier! dan zul je eens voelen hoe dat was, toen je mij met je
klompen gooide verleden zomer!" loeide Sterre.

"Kom hier, dan zal ik je de wesp betaald zetten, die je me in 't oor
gestopt hebt," schreeuwde Goudlelie.

Meiroos was de oudste en wijste van allen, maar zij was 't allermeeste
boos.

"Kom eens hier," zei ze, "dan zal ik je al de keeren betaald zetten,
dat je den melkstoel onder je moeder hebt weggerukt, en al de keeren,
dat je haar over je beenen hebt laten vallen, als zij met den melkemmer
aankwam, en al die tranen, die ze hier om jou heeft geschreid."

De jongen wilde hem zeggen, dat hij er berouw van had, dat hij zoo
leelijk tegen hen had gedaan, en dat hij nooit anders dan goed voor hen
wezen zou, als ze hem maar zeggen wilden, waar de kabouter was. Maar
de koeien luisterden niet naar hem. Ze maakten zulk een spektakel,
dat hij bang was, dat een van hen zich los zou rukken, en hij meende,
dat het maar het beste was uit den koestal weg te sluipen.

Toen hij weer buiten kwam, was hij recht moedeloos. Hij kon wel
begrijpen, dat niemand op de hoeve hem wou helpen om den kabouter te
vinden. En het zou ook wel niet veel helpen, al vond hij hem.

Hij kroop op den breeden steenwal, die rond om hun hoeve lag en
begroeid was met dorens en braamstruiken. Daar ging hij zitten om
er over te denken, hoe het gaan zou, als hij niet weer een mensch
werd. Als nu Vader en Moeder uit de kerk thuis kwamen, zouden ze
wel héél verbaasd zijn. Ja, de verbazing zou over het geheele land
gaan, en de menschen zouden komen van Oost Vemmenhög en van Torp en
van Skurup, van 't heele ambt Vemmenhög zouden ze komen om hem te
bekijken. En misschien zouden Vader en Moeder hem meênemen, om hem
op de markt te Vivik te vertoonen.

Neen dat was àl te vreeselijk om aan te denken. Hij wou het liefste,
dat maar nooit meer iemand hem zien zou.

Het was toch verschrikkelijk, zoo ongelukkig als hij was. Niemand in
de wereld was zóó ongelukkig als hij. Hij was geen mensch meer, maar
een wonder. Hij begon zoo langzamerhand te begrijpen, wat het zeggen
wou: geen mensch meer te zijn. Hij was nu van alles gescheiden: hij
kon niet meer met andere jongens spelen; hij kon later de hoeve niet
van zijn ouders overnemen; en hij kon zeker geen enkel meisje vinden,
dat met hem trouwen wou.

Hij zat naar zijn huis te kijken. 't Was een klein, wit gepleisterd
boerenhuisje in kruisvorm gebouwd, en het lag als neêrgedrukt in het
veld onder het hooge schuine stroodak. De bijgebouwtjes waren ook
klein, en de akkers waren zoo klein, dat een paard er zich nauwelijks
kon omkeeren.

Maar hoe klein en armoedig het plaatsje ook was, nu was het nog veel
te goed voor hem. Hij kon geen beter woning begeeren dan een gat
onder den vloer in den stal.

't Was wonderlijk mooi weer: de knoppen begonnen te zwellen, en om
hem heen was geruisch en gekwinkeleer. Maar hij zat in bitter verdriet
verzonken. Hij zou nooit meer ergens blij om zijn.

Hij had nog nooit den hemel zóó blauw gezien als dien dag. En de
trekvogels kwamen aanvliegen. Ze kwamen uit het buitenland en waren
over de Oostzee gereisd, recht op Smygehuk aan, en nu waren ze op weg
naar het noorden. Er waren zeker vogels van allerlei soort; maar hij
kende geen andere dan de wilde ganzen, die aankwamen in twee lange
rijen, die in een hoek samenvielen.

Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze
vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen:
"Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!"

Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen,
riepen ze: "Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!"

De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te
luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: "Wij hebben het goed
hier; wij hebben het goed hier!"

't Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó
frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En
bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme
ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen
om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders:
"Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden."

Er was één onder de jonge ganzeriken, die door 't roepen van de
wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: "Als er nog
één troep komt, ga ik meê," zei hij.

En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: "Kom meê,
kom meê!"

Toen antwoordde de jonge ganzerik: "Wacht even, wacht even, ik kom!"

Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was
zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel.

De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en
vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam.

"Wacht even! Wacht even!" riep hij en probeerde het weer. Dat alles
hoorde de jongen, waar hij zat.

"'t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat
zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen,
en merkten, dat hij weg was."

Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en
onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen,
en sloeg de armen om den hals van den ganzerik.

"Je zult het wel laten om weg te vliegen," riep hij. Maar juist op
dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest
om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen
af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest.

't Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan
dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen,
dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen.

Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren
om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar
niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich
in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op
en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons
grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen.




DE GERUITE DOEK.


De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem
gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen
op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm
was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden,
alles draaide voor zijn oogen, en 't suisde in zijn ooren. Hij wist
niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk
kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar
de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want
hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist
zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde.

De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad
in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook
wat langzamer dan gewoonlijk.

Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te
kijken. Toen was 't hem, alsof er een groote doek onder hem lag
uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote
ruiten.

"Waar in de wereld ben ik nu gekomen?" vroeg hij zich verbaasd af.

Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige
langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was
rond, en niets was er puntig.

"Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden
zie?" zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te
verwachten.

"Akkers en weiden, akkers en weiden!" riepen dadelijk de wilde ganzen,
die om hem heen vlogen.

Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane
was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom
die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene
ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in
het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren
gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen
zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en
de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten,
die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want
daartusschen staan de groote boomen, die midden in 't bosch groeien,
kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch,
behouden hun dorre gele blaadjes tot aan 't voorjaar. Daar waren ook
donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in
het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen
plaatsen in 't midden. En dan waren er ruiten, groen in 't midden en
met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar 't gras al begon groen
te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun
bruinen bast stonden.

De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was.

Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als
bestraffend: "Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!"

De jongen was al weer ernstig geworden: "Hoe kan jij nu lachen! Jij,
wien 't allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!" dacht
hij.

Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te
lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon
geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in
evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de
lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was
een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: "Zoo,
zoo! zijn jelui vandaag gekomen?" riepen sommigen. "Ja, dat zijn we,"
antwoordden de ganzen.

"Wat denk jelui van den winter?"

"Geen blad aan de boomen en koud water in de meren," klonk het
antwoord.

Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep,
riepen ze: "Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?"

Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: "De hoeve heet Lillgärde,
van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar."

De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in
Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per
Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast
vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden,
riepen: "Deze hoeve heet "Grutteloos"." En zij, die op de allerarmste
woonden, riepen: "Deze heet "Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt
niet veel!""

De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen,
als b.v.: "Geluksveld, Eierberg en Geldstad."

Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te
verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot
geheel op de zon wou laten hooren: "Dit is 't landgoed Dybeck! Van
't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar!"

En wat verder op stond er een te roepen: "Dit is Zwanenholm. Dat moet
de heele wereld weten!"

De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden
heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren,
dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten.

Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen
stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes:
"Dit is de suikerfabriek Jordberga," riepen de hanen. "Dit is de
suikerfabriek Jordberga!"

De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch moeten
kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en 't vorige jaar was hij daar
herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit,
als je het van boven af zag.

En stel je voor! Asa 't ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden
van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog
waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over
hun hoofden heen vloog?

Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren
en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen
dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had.

Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze 't allermeest
pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden:
"Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?"

Maar de tamme ganzen antwoordden: "De winter is nog in 't land. Jelui
zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!"

De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen:
"Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!"

Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet
met gekakel.

Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna
raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze
vreeselijk schrikten: "O! O! O!" riepen ze. "'t Waren geen ganzen! 't
Waren maar schapen, 't waren maar schapen!"

De ganzen beneden op 't veld werden heelemaal woest, en schreeuwden:
"'k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!"

Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij
er aan, hoe 't nu met hem was--en dan schreide hij weer. Maar na een
poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En
hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij
had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de
lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo'n heerlijke geur
van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht,
hoe 't zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was,
alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis,
die je maar bedenken kon.






II.

AKKA VAN KEBNEKAISE.


DE AVOND.


De groote, tamme ganzerik, die meê gevlogen was, was er heel trotsch
op, dat hij heen en weer vloog over Söderslätt met de wilde ganzen,
en de tamme vogels kon plagen. Maar hoe heerlijk hij 't ook vond--hij
kon er toch niets aan doen, dat hij tegen den middag moe begon te
worden. Hij probeerde dieper adem te halen en de vleugels sneller op en
neer te slaan, maar hij bleef toch een heel stuk bij de anderen achter.

Toen de wilde ganzen, die achteraan vlogen, merkten, dat de tamme niet
meê kon komen, begonnen ze de gans, die aan de punt van den driehoek
vloog, en den tocht leidde, toe te roepen: "Akka van Kebnekaise! Akka
van Kebnekaise!"

"Wat wil jelui van me?" vroeg de leidster-gans.

"De witte blijft achter! de witte blijft achter!"

"Zeg hem, dat het gemakkelijker is gauw te vliegen dan langzaam!" riep
de leidster, en vloog voort als gewoonlijk.

De ganzerik probeerde wel dien raad te volgen en meer vaart te zetten;
maar daardoor werd hij zóó uitgeput, dat hij zelfs tot de geschoren
wilgen neerzonk, die langs de akkers en weiden stonden.

"Akka, Akka, Akka van Kebnekaise!" riepen toen zij, die achteraan
vlogen, en zagen hoe moeilijk hij 't had.

"Wat wil jelui nu weer?" vroeg de aanvoerster, en scheen geweldig
knorrig.

"De witte zinkt naar den grond, de witte zinkt naar den grond!"

"Zeg hem, dat het gemakkelijker is hoog te vliegen dan laag!" riep
de leidster. En ze vloog geen ziertje langzamer, maar even snel als
te voren.

De ganzerik probeerde ook dien raad te volgen, maar als hij omhoog
vliegen wou, werd hij zóó kortademig, dat het was, alsof zijn borst
zou springen.

"Akka, Akka!" riepen zij, die achteraan vlogen.

"Kun jelui me niet met rust laten?" vroeg de leidster, en scheen nog
ongeduldiger dan de vorige keer.

"De witte is op 't punt van te vallen! De witte is op 't punt van
te vallen!"

"Zeg hem, dat wie niet meêkomen kan, maar naar huis moet gaan!" riep
de leidster-gans. En ze dacht er niet aan om langzamer te vliegen,
maar ging door met dezelfde vaart.

"O zoo! staat het zoo?" dacht de ganzerik. En nu begreep hij op eens,
dat de wilde ganzen nooit van plan waren geweest hem meê te nemen
naar Lapland. Zij hadden hem maar voor de grap van huis weggelokt.

Het ergerde hem geducht, dat zijn krachten hem nu gingen begeven,
zoodat hij die schooiers daar niet kon toonen, dat een tamme gans
ook wel wat waard was. En 't allerakeligste was, dat hij juist Akka
van Kebnekaise ontmoet had. Want, al was hij maar een tamme gans,
hij had toch wel van een leidstergans gehoord, die Akka heette, en
die meer dan honderd jaar oud was. Zij was zeer gezien, en de beste
wilde ganzen, die er waren, sloten zich gewoonlijk bij haar aan. Maar
niemand had zoo'n verachting voor tamme ganzen als Akka en haar troep,
en hij had hun gaarne willen toonen, dat hij voor hen niet onderdeed.

Hij vloog langzaam achter de anderen aan, terwijl hij in zich zelf
overlegde, of hij zou omkeeren of doorgaan. Toen zei op eens 't ventje,
dat op zijn rug zat: "Lieve Maarten Ganzerik, je begrijpt toch wel,
dat het voor jou, die nog nooit gevlogen hebt, onmogelijk is met de
wilde ganzen heel meê naar Lapland te vliegen. Zou je niet liever
weer naar huis gaan, vóór je je heelemaal ziek maakt?"

Maar die boerenjongen was het akeligste wezen, dat de gans kende,
en zoodra hij begreep, dat die stumper meende, dat hij den tocht niet
meê kon maken, besloot hij vol te houden.

"Als je daar nog één woord over spreekt, gooi ik je in de eerste
mergelgroeve, waar we over heen komen," zei hij, en kreeg op 't zelfde
oogenblik uit ergernis zoo veel kracht, dat hij bijna even goed begon
te vliegen, als een van de anderen.

Lang had hij het toch zoo niet kunnen uithouden; maar dat hoefde ook
niet; want nu daalde de zon snel, en juist bij zonsondergang vlogen de
ganzen recht naar beneden. En eer de jongen en de ganzerik het wisten,
stonden ze aan den kant van het Vombmeer.

"Hier zullen we wel den nacht overblijven," dacht de jongen, en sprong
van den rug van den ganzerik op den grond.

Hij stond op een smalle strook zand aan den oever, en vóór hem lag
een tamelijk groot meer. Dat was akelig om te zien, want het was
bijna heelemaal bedekt met een ijskorst, die zwart en oneffen was,
en vol spleten en gaten, zooals voorjaarsijs gewoonlijk is. Maar 't
ijs zou zeker niet lang meer blijven. 't Was al losgeraakt, en er om
heen lag een breede gordel zwart, blinkend water. Maar toch lag nog
hier en daar de kou en de barschheid van den winter over het landschap.

Aan den anderen kant van het meer scheen open en licht bebouwd land
te liggen, maar waar de ganzen neergekomen waren, lag een groot
dennenplantsoen. En 't was, alsof de naaldboomen de macht hadden den
winter vast te houden. Overal verder was 't veld leeg, maar onder de
reusachtige takken lag sneeuw, die gesmolten en weer bevroren was,
keer op keer, zoodat ze zoo hard was als ijs.

De jongen meende, dat hij in een woest en eenzaam winterland was
gekomen, en hij was zoo angstig, dat hij wel hardop had willen huilen.

Hij had honger. Hij had den heelen dag niets gegeten. Maar waar zou
hij eten vandaan halen? Er groeit niets eetbaars op velden of aan
boomen in Maart.

Ja, waar zou hij eten vandaan halen, en wie zou hem huisvesten,
en wie zou zijn bed opmaken, en wie zou hem warmen bij zijn vuur,
en wie zou hem beschermen tegen de wilde dieren?

Want nu was de zon weg, en nu kwam er kou van over 't meer, en de
duisternis viel, en de angst kwam in 't spoor van de schemering,
en in 't bosch begon het te kraken en te ritselen.

Nu was het uit met den vroolijken moed, dien de jongen had gevoeld,
terwijl hij boven in de lucht was, en in zijn angst keek hij om naar
zijn reiskameraad: hij had immers niemand anders om zich bij aan
te sluiten.

Toen zag hij, dat de ganzerik het nog erger had dan hij. Het dier
lag nog op dezelfde plaats, waar hij was neergekomen, en het scheen,
alsof hij stervende was. Zijn hals lag rechtuit op 't veld, zijn oogen
waren gesloten, en zijn ademhaling was nog maar een flauw zuchten.

"Lieve Maarten Ganzerik," zei de jongen, "probeer een slok water te
nemen. Van hier naar het meer is 't maar twee stapjes."

Maar de ganzerik bewoog zich niet.

De jongen was vroeger wel hard tegen alle dieren geweest, en ook tegen
den ganzerik; maar nu meende hij, dat de ganzerik de eenige steun
was, dien hij had, en hij werd vreeselijk bang dien te verliezen. Hij
begon hem dadelijk te schuiven en te stooten, om hem bij het water
te krijgen. De ganzerik was groot en zwaar, zoodat het een heel werk
voor den jongen was, maar eindelijk lukte het hem. De ganzerik kwam
in 't meer terecht met den kop vooruit. Een oogenblik lag hij stil
in de modder, maar al gauw stak hij den kop op, schudde het water
uit de oogen en proestte. Daarop zwom hij trotsch tusschen riet en
waterplanten door.

De wilde ganzen lagen vóór hem in 't meer. Zij hadden noch naar den
ganzerik, noch naar zijn ruiter omgezien, maar waren dadelijk het
water ingeloopen. Zij hadden zich gebaad en gepoetst, en nu lagen
zij te plassen tusschen half vergaan riet en waterkolven.

De witte ganzerik had het geluk een klein baarsje te zien. Dat greep
hij gauw, zwom er mee naar den kant, en legde het voor den jongen neer.

"Dat mag jij hebben, omdat je mij naar het water geholpen hebt,"
zei hij.

't Was voor 't eerst, dien heelen dag, dat de jongen een vriendelijk
woord hoorde. Hij was zoo blij, dat hij zijn armen wel om den hals
van den ganzerik had willen slaan, maar daar kwam hij niet toe. En
met het geschenk was hij ook blij. Eerst dacht hij wel, dat het hem
onmogelijk zou zijn rauwe visch te eten, maar toen kreeg hij toch
lust het te probeeren.

Hij voelde, of hij zijn mes wel bij zich had, en jawel! het hing
in de schede achter aan een knoop van zijn broek, maar het was zoo
klein geworden, dat het niet eens zoo lang als een lucifer was. Nu,
't was in ieder geval goed om den visch mee te schrappen en schoon
te maken, en het duurde niet lang, of de baars was opgegeten.

Toen de jongen goed verzadigd was, schaamde hij er zich wel over,
dat hij rauwe visch had kunnen eten.

"'t Lijkt wel of ik geen mensch meer ben, maar een echte kabouter,"
dacht hij.

Al dien tijd, dat de jongen at, stond de ganzerik zwijgend naast hem,
maar toen hij zijn laatste hapje op had, zei hij zacht: "'t Is maar
zoo, dat we bij onvriendelijke, trotsche ganzen gekomen zijn, die
alle tamme vogels verachten."

"Ja, dat heb ik wel gemerkt," zei de jongen.

"'t Zou wel een heele eer voor mij zijn, als ik toch met hen meê kon
komen naar Lapland, en hun toonen, dat een tamme gans ook wel tot
iets deugt."

"Ja--a," zei de jongen wat langzaam, want hij geloofde niet, dat de
ganzerik dat zou kunnen doen, maar hij wilde hem niet tegenspreken.

"Maar ik geloof niet, dat ik me alleen op zulk een reis zal kunnen
redden," zei de ganzerik, "en nu wou ik je vragen, of je meê zou
kunnen gaan en me helpen."

De jongen had natuurlijk geen ander plan, dan zoo gauw mogelijk
naar huis terug te gaan, en hij was zóó verbaasd, dat hij niet wist,
wat hij antwoorden zou.

"Ik dacht, dat we geen goede vrienden waren, jij en ik," zei hij. Maar
dat scheen de ganzerik heelemaal vergeten te hebben. Hij dacht er
alleen aan, dat de jongen hem zoo pas het leven had gered.

"Ik moest eigenlijk naar huis, naar Vader en Moeder," zei de jongen.

"Ja, ik zal je tegen den herfst wel terugbrengen," zei de ganzerik. "Ik
zal niet van je weggaan, voor ik je bij je thuis op den drempel
kan neerzetten."

De jongen dacht, dat het eigenlijk wel prettig zou zijn, als hij zich
niet dadelijk aan zijn ouders hoefde te vertoonen. Hij had niets tegen
dat voorstel, en hij wou juist zeggen, dat hij het aannam, toen zij
een sterk gedruisch achter zich hoorden. Dat waren de wilde ganzen,
die allen te gelijk uit het meer waren gekomen, en 't water van zich
af stonden te schudden. Toen schikten zij zich in een lange rij,
met de leidster-gans vooraan, en kwamen op hen af.

Toen nu de witte ganzerik de wilde ganzen bekeek, voelde hij zich niet
recht op zijn gemak. Hij had verwacht, dat ze meer op tamme ganzen
zouden lijken, en dat hij zich aan hen verwant zou voelen. Ze waren
veel kleiner dan hij, en geen van hen was wit, maar allen waren grijs
en bruin gemarmerd. En voor hun oogen werd hij bijna bang. Ze waren
geel en schitterden, alsof er vuur achter brandde. De ganzerik had
altijd geleerd, dat het netjes stond langzaam en waggelend te loopen;
maar zij liepen niet, ze sprongen voort. En 't meeste griezelde
hij, als hij naar hun pooten keek. Ze waren groot, met versleten en
gescheurde zolen. Men kon wel merken, dat wilde ganzen nooit vroegen,
waar ze op trapten. Ze namen geen omwegen. Ze waren heel netjes en
verder goed gepoetst, maar aan hun voeten kon men zien, dat ze uit
de wildernis kwamen.

De ganzerik kon nog juist den jongen toefluisteren: "Antwoord nu flink,
maar zeg niet, wie je bent," en toen waren ze bij hen.

Toen de wilde ganzen voor hen stonden, bogen ze dikwijls met de
halzen, en dat deed de ganzerik ook,--nog vaker. Toen ze genoeg
gegroet hadden, zei de leidster-gans: "Nu moeten we eens hooren,
wie jij eigenlijk bent."

"Er is niet veel van mij te vertellen," zei de ganzerik. "Ik ben
verleden voorjaar in Skaane geboren. Dezen herfst werd ik aan Holger
Nielsson in West Vemmenhög verkocht, en daar ben ik aldoor geweest."

"'t Schijnt dat je geen familie hebt, waar je je op beroemen kunt,"
zei de leidster-gans. "Hoe kom je dan zoo overmoedig, dat je met
wilde ganzen meêdoen wilt?"

"Dat kan immers wel zijn, omdat ik jelui, wilde ganzen, toonen wil,
dat ook een tamme gans ergens goed voor is," zei de ganzerik.

"Ja, dan was het goed... als je dat ons toonen kunt," zei de
leidster-gans. "We hebben nu gezien, hoeveel je van 't vliegen
kon. Maar misschien ben je ergens anders knapper in. 't Kan wel zijn,
dat je sterk in 't snelzwemmen bent."

"Neen, daar kan ik me niet op beroemen," zei de ganzerik. Hij meende
te merken, dat de leidster-gans al besloten was hem terug te zenden,
en nu lette hij niet meer op zijn antwoorden: "Ik heb nooit verder
gezwommen dan dwars over een mergelgroeve," ging hij voort.

"Dan denk ik, dat je een baas bent in 't springen," zei de gans.

"Ik heb nog nooit een tamme gans zien springen, en ik zelf heb het
ook nooit gedaan," zei de ganzerik, en maakte de zaak erger dan ze was.

De groote witte was er nu zeker van, dat de leidster-gans zeggen zou,
dat ze hem heelemaal niet meê wou hebben. Hij was dus heel verbaasd,
toen ze zei: "Je antwoordt moedig op mijn vragen, en hij, die moed
heeft, kan een goede reiskameraad worden, al is hij ook in het begin
onwetend. Wat zou je er van zeggen een paar dagen bij ons te blijven,
tot we zien wat je waard bent."

"Dat wil ik heel graag," zei de ganzerik, en was blij.

Toen wees de leidster-gans met den snavel naar den jongen en zei:
"Maar wien heb je daar bij je? Zoo een heb ik nog nooit gezien."

"Dat is mijn kameraad," zei de ganzerik. "Hij is zijn heele leven
ganzenhoeder geweest. Hij kan ons op reis wel te pas komen."

"Ja, dat kan wel goed zijn voor een tamme gans," antwoordde de
wilde. "Hoe noem je hem?"

"Hij heeft verscheiden namen," zei de ganzerik aarzelend; hij wist
niet, wat hij zoo gauw zou bedenken, want hij wou niet verraden,
dat de jongen een menschennaam had.

"Ja, hij heet Duimelot," zei hij eindelijk.

"Is hij van het kaboutergeslacht?" vroeg de leidster-gans.

"Wanneer gaan jelui, wilde ganzen, gewoonlijk slapen?" vroeg de
ganzerik gauw, om niet op die laatste vraag te hoeven antwoorden. "Mijn
oogen vallen van zelf toe om dezen tijd."

't Was gemakkelijk te zien, dat de gans, die met den ganzerik praatte,
héél oud was. Haar heele veeren kleed was grijs, zonder donkere
strepen. Haar hoofd was grooter, haar beenen waren grover en haar
voeten meer versleten, dan bij een van de anderen. De veeren waren
stijf, de schouders beenig, en haar hals was dun. Dat alles was het
werk van den ouderdom.

Alleen over de oogen had de tijd geen macht gehad. Zij schitterden
helderder, en schenen jonger dan die van de anderen.

Ze keerde zich nu heel trotsch naar den ganzerik: "Weet nu wel, dat
ik Akka van Kebnekaise ben, en dat de gans, die rechts 't dichtst
achter me vliegt, Yksi van Vassijaure is, en die links vliegt,
Kaksi van Nuolja. En de tweede rechter- is Kolme van Sarjekljakko,
en de tweede linkergans Nelja van Svappavaara, en achter hen vliegen
Viisi van de Oviksrots en Kuusi van Sjangeli. En allen, ook de zes
jonge ganzen, die achteraan vliegen--drie links en drie rechts--zijn
hooge rotsganzen van de meest voorname families. Je moet ons niet voor
landloopers houden, die maar met iedereen meegaan, en denk maar niet,
dat wij iemand op onze slaapplaats toelaten, die niet wil zeggen van
welke familie hij is."

Toen Akka, de leidster-gans zoo sprak, deed de jongen snel een stap
naar voren. Hij had het heel naar gevonden, dat de ganzerik, die zoo
flink voor zichzelf sprak, zulke ontwijkende antwoorden had gegeven,
toen het hem betrof.

"Ik wil niet geheim houden, wie ik ben," zei hij. "Ik heet Niels
Holgersson, en ben de zoon van een keuterboer. Tot vandaag toe ben
ik een mensch geweest, maar vanmorgen..."

Verder kwam de jongen niet. Zoodra hij zei, dat hij een mensch was,
stoof de leidster-gans drie stappen achteruit en de anderen nog
verder. En allen strekten de halzen uit, en bliezen boos tegen hem.

"Daar heb ik je al van verdacht, van af 't oogenblik, dat ik je voor
't eerst hier aan den oever zag," zei Akka. "En nu moet je gauw maken,
dat je wegkomt. Wij dulden geen menschen bij ons."

"'t Is toch onmogelijk," zei de ganzerik bemiddelend, "dat jelui,
wilde ganzen, bang kunt zijn voor iemand, die zóó klein is. Morgen
zal hij stellig naar huis gaan, maar van nacht moet jelui hem toch
hier bij ons laten blijven. Dat kunnen wij toch geen van allen op
onze verantwoording nemen, zoo'n stakker aan zichzelf over te laten,
met wezels en vossen in den nacht."

De wilde gans kwam nu wat dichter bij, maar het was toch duidelijk,
dat ze moeite had haar angst te bedwingen.

"Ik heb geleerd bang te wezen voor al wat "mensch" heet, onverschillig
of ze groot of klein zijn," zei ze. "Maar als jij, ganzerik, voor deze
hier wilt instaan, dat hij ons geen kwaad doet, dan mag hij van nacht
bij ons blijven. Maar ik denk niet, dat ons nachtkwartier geschikt
is voor jou of voor hem, want wij zijn van plan op het losgeraakte
ijs daar vóór je te gaan slapen."

Ze dacht wel, dat de ganzerik een bedenkelijk gezicht zou zetten,
als hij dat hoorde, maar hij hield zich goed, en trok zich er niets
van aan.

"Jelui zijn heel verstandig, dat je zoo'n veilige slaapplaats weet
te kiezen," zei hij.

"Maar jij staat er voor in, dat hij morgen weggaat, naar huis."

"Dan moet ik ook heengaan, want ik heb beloofd hem niet alleen te
laten," zei de ganzerik.

"Je bent vrij om te vliegen, waarheen je wilt," zei de leidster-gans.

En ze sloeg haar vleugels uit, en vloog naar het ijs; de eene wilde
gans na de andere volgde haar.

De jongen was er bedroefd om, dat er niets van zijn reis naar Lapland
komen zou, en bovendien was hij bang voor het koude nachtkwartier. "'t
Wordt al erger en erger, ganzerik," zei hij. "Ten eerste vriezen we
dood, daar op dat ijs."

Maar de ganzerik had goeden moed. "Dat heeft geen nood," zei hij. "Ik
wou je alleen vragen, zoo gauw mogelijk, zooveel stroo en gras bij
elkaar te halen, als je maar dragen kunt."

Toen de jongen de armen vol droog gras had, nam de ganzerik hem bij
zijn hemd en vloog met hem naar het ijs, waar de wilde ganzen al
stonden te slapen, met den snavel onder de vleugels.

"Leg nu 't gras op het ijs, zoodat ik ergens op staan kan en niet
vast vries! Als jij mij helpt, zal ik jou helpen," zei de ganzerik.

De jongen deed het, en toen hij klaar was, pakte de ganzerik hem
weer bij zijn hemd, en stopte hem onder zijn vleugel. "Ik denk, dat
je daar lekker warm liggen zult," zei hij en drukte den vleugel aan.

De jongen zat zóó in dons gepakt, dat hij niet antwoorden kon, maar
heerlijk zacht en warm lag hij daar; moe was hij, en in een oogenblik
sliep hij.




DE NACHT.


't Is waar, dat ijs altijd verraderlijk is, en dat je er niet op
vertrouwen kunt. Midden in den nacht dreef het losse stuk ijs op het
Vombmeer weg, zoodat het ergens tegen het land stootte. En nu gebeurde
het, dat Smirre, de vos, die toen aan den oostkant van het meer in
't Övedkloosterpark woonde, die plaats ontdekte, toen hij op zijn
nachtjacht uit was. Smirre had de wilde ganzen al 's avonds gezien,
maar hij had niet durven hopen er een van te kunnen pakken. Hij ging
nu dadelijk op het ijs.

Toen Smirre heel dicht bij de wilde ganzen was, gleed hij uit,
zoodat zijn klauwen over 't ijs schraapten. De ganzen werden wakker,
en klapten met de vleugels om op te vliegen. Maar Smirre was hun te
vlug af. Hij stoof vooruit, als een bal, die gegooid wordt, pakte
een gans bij de vlerk, en holde naar land terug.

Maar dien nacht waren de wilde ganzen niet alleen op 't ijs; ze hadden
een mensch bij zich, hoe klein die ook was. De jongen was wakker
geworden, doordat de ganzerik met de vleugels geslagen had. Hij was op
't ijs gevallen, en was klaar wakker blijven zitten. Hij begreep niets
van al die onrust, vóór hij een kleinen hond met korte pooten over
't ijs had zien wegspringen met een gans in den bek.

De jongen liep hem dadelijk achterna, om dien hond daar de gans af
te nemen. Hij hoorde wel, dat de ganzerik riep: "Pas op, Duimelot,
pas toch op!"

Maar de jongen dacht, dat hij voor zoo'n hondje toch niet bang hoefde
te wezen, en hij stormde voort.

De wilde gans, die Smirre, de vos, meesleepte, hoorde het geklapper
van de klompen van den jongen over 't ijs, en ze kon haar ooren
nauwelijks gelooven.

"Stel je voor, dat dat ventje mij van den vos zal afnemen," dacht
ze. En hoe ellendig ze 't ook had, diep uit haar hals kwam een vroolijk
gekakel, bijna alsof ze lachte.

"'t Eerste wat er gebeurt is natuurlijk, dat hij in een spleet in
het ijs valt," dacht ze.

Maar hoe donker de nacht ook was--de jongen zag duidelijk alle spleten
en gaten, die er in het ijs waren, en sprong er flink over heen. Dat
kwam, doordat hij nu de goede nachtoogen van de kabouters had, en
in 't donker zien kon. Hij zag 't land en het meer even duidelijk,
alsof het dag was geweest.

Smirre, de vos, ging van 't ijs af, daar, waar het tegen 't land aan
lag en juist, toen hij zich tegen den kant opwerkte, riep de jongen
hem toe: "Wil je die gans wel eens neerleggen, jou lummel!" Smirre
wist niet, wie het was, die dat riep, hij nam den tijd niet om om te
kijken, maar liep nog harder.

Hij liep nu een bosch in met groote, prachtige beuken, en de jongen
volgde hem zonder er aan te denken, dat hij gevaar kon loopen. Hij
dacht er aldoor aan, hoe verachtelijk de wilde ganzen hem den vorigen
avond hadden ontvangen, en hij wilde hun heel graag toonen, dat een
mensch toch wat meer is dan eenig ander schepsel.

Hij riep den hond telkens toe, dat hij zijn buit zou neerleggen.

"Wat ben jij toch voor een hond, dat je je niet schaamt een heele
gans te stelen?" zei hij. "Leg haar nu dadelijk neer, of je zult
eens zien, wat je voor een pak slaag krijgt! Leg haar dadelijk neer,
of ik zal aan je baas vertellen, wat jij hebt uitgevoerd!"

Toen Smirre, de vos, merkte, dat hij voor een hond werd aangezien,
die bang voor slaag was, vond hij dat zoo grappig, dat hij bijna de
gans had laten vallen van 't lachen. Smirre was een echte roover,
die niet tevreden was met op ratten en waterratten buiten op 't veld
te jagen; hij waagde zich ook in de hoeven, om kippen en ganzen te
stelen. Hij wist, dat hij in de heele streek gevreesd was. Zooiets
mals als dit had hij niet gehoord, sinds hij jong was.

Maar de jongen liep zoo hard, dat het hem toeleek, of de dikke boomen
hem achteruit voorbij gleden, en hij haalde Smirre langzamerhand
in. Eindelijk was hij zóó dicht bij hem, dat hij zijn staart te
pakken kreeg.

"Nu pak ik je toch de gans af!" riep hij, en hield hem met alle macht
tegen. Maar hij had geen kracht genoeg om Smirre in zijn vaart te
stuiten. De vos sleepte hem meê, zoodat het dorre beukenloof om hem
heen opstoof.

Maar nu scheen Smirre er achter te komen, hoe weinig gevaarlijk
hij was, die hem achterna zat. Hij bleef staan, legde de gans op
den grond, en ging met zijn voorpooten op haar staan, om te maken,
dat ze niet wegvliegen kon. Hij wilde haar den hals afbijten, maar
eerst kon hij niet laten, dat ventje wat te plagen.

"Ga 't nu gauw aan den baas vertellen, want nu bijt ik de gans dood,"
zei hij.

Maar wie er verbaasd was, toen hij zag, wat een spitsen snoet die
hond had, dien hij achterna gezeten had, en wat een nijdige heesche
stem hij opzette--dat was de jongen! Maar hij werd zoo boos, omdat
de vos hem voor den gek hield, dat hij er niet aan dacht om bang te
worden. Hij pakte den staart nog steviger vast, steunde tegen den
wortel van een beukeboom, en rukte met alle macht. Smirre werd er zoo
door verrast, dat hij zich een paar stappen achteruit liet trekken,
en de wilde gans kwam vrij. Ze fladderde met moeite omhoog. Haar
eene vleugel was gewond, zoodat ze dien nauwelijks kon gebruiken,
en daar kwam bij, dat ze niets kon zien in den donkeren nacht in 't
bosch, maar zoo hulpeloos was als een blinde. Ze kon dus den jongen
heelemaal niet helpen; ze zocht een gat in het groene bladerdak,
en vloog weer terug naar het meer.

Maar Smirre vloog op den jongen af. "Als ik de eene niet krijg, dan
wil ik den ander hebben," zei hij, en aan zijn stem kon je hooren,
hoe woedend hij was.

"Neen, dat moet je niet denken, dat je dien krijgt," zei de jongen,
die erg in zijn schik was, omdat hij de gans had gered. Hij hield
maar aldoor den vossestaart stijf vast, en zwaaide daarmeê naar den
anderen kant, als de vos hem probeerde te vangen.

Dat werd een dans in 't bosch, dat het beukenloof opdwarrelde. Smirre
draaide al maar rond, maar de staart draaide ook rond, en de jongen
hield zich daaraan vast, zoodat de vos hem niet pakken kon.

De jongen was zoo vroolijk na den goeden afloop van zijn werk, dat hij
in 't begin niets deed dan lachen, en den vos voor den gek houden,
maar Smirre hield vol, zooals oude jagers gewoon zijn, en de jongen
begon bang te worden, dat hij toch nog zou vastraken. Toen kreeg hij
een jongen beuk in 't oog, die omhoog geschoten was als een stok,
om gauw boven in de vrije lucht te zijn, boven het dak van takken,
dat de oude beuken over hem uitbreidden. Hij liet heel gauw den
vossestaart los, en klauterde in den boom. Smirre, de vos, was zóó
in vuur, dat hij nog lang om zijn staart bleef ronddraaien.

"Schei nu maar uit met dansen," zei de jongen. Maar Smirre kon de
schande niet verdragen, dat hij zoo'n klein ventje niet aankon. En
hij ging aan den voet van den boom liggen om hem te bewaken. De
jongen had het niet zoo heel best, zooals hij daar boven te paard
zat op dien dunnen tak. De jonge beuk was nog niet boven bij het
hooge takkengewelf gekomen. Hij kon niet in een anderen boom komen,
en hij durfde niet naar beneden op 't veld te springen.

Hij had het zoo koud, dat hij bijna verstijfd was, en bang was den tak
niet te kunnen vasthouden, en hij had zoo'n vreeselijken slaap, maar
hij durfde niet te gaan slapen, uit vrees van naar beneden te rollen.

't Was niet te gelooven, hoe griezelig het was daar 's nachts in
't bosch te zitten. Hij had vroeger nooit geweten, wat het eigenlijk
beteekende, dat het nacht was. 't Was, alsof de heele wereld versteend
was en nooit meer levend zou worden.

Toen begon het licht te worden, en de jongen was blij, omdat alles
er weer als gewoonlijk uit ging zien, hoewel hij de kou nog scherper
voelde, dan in den nacht.

Toen de zon eindelijk opkwam, was ze niet geel, maar rood. De jongen
vond, dat ze er uitzag, alsof ze boos was, en hij vroeg zich verwonderd
af, waarom ze boos zou zijn. Misschien wel omdat de nacht het zoo
koud en donker op de aarde had gemaakt, terwijl ze weg was.

De zonnestralen joegen voort in groote bundels, om te zien wat de
nacht had uitgevoerd, en het scheen, dat alle dingen rood werden,
omdat ze een slecht geweten hadden. De wolken aan den hemel, de gladde
zij-achtige beukenstammen, de zamengevlochten takjes in het boschdak,
de rijp, die 't beukenloof op den grond bedekte, alles vlamde op en
werd rood.

Maar steeds meer bundels stralen joegen door de ruimte, en al gauw
was al het akelige van den nacht weg. De versteening was weg, en er
kwam zoo wonderlijk veel levends voor den dag. De zwarte specht met
den rooden nek begon met den snavel tegen een stam te hameren. De
eekhoorn sprong uit zijn nest met een noot, ging op een tak zitten,
en begon de noot te pellen. De spreeuw kwam met een wortelvezeltje,
en de bergvink zong in de boomtoppen.

Toen begreep de jongen, dat de zon tegen al dat kleine goed gezegd
had: "Word nu wakker, en kom uit je huisjes! Nu ben ik er. Nu hoef
je nergens bang voor te wezen." Van het meer hoorde hij de wilde
ganzen roepen, terwijl ze zich voor de vlucht rangschikten. Kort
daarop kwamen alle veertien ganzen over het bosch vliegen. De jongen
probeerde hen te roepen, maar ze vlogen zoo hoog, dat zijn stem hen
niet kon bereiken. Ze namen niet eens de moeite naar hem te zoeken.

De jongen was op het punt van te schreien van angst, maar de zon
stond nu goudgeel en blij aan den hemel, en gaf de heele wereld moed.

"Je hoeft nergens bang voor of ongerust over te zijn, zoolang ik er
ben, Niels Holgersson," zei de zon.




'T GANZENSPEL.


Alles bleef, zooals het was in 't bosch, ongeveer zoo lang als
een gans noodig heeft om te ontbijten, maar juist toen de morgen
voormiddag zou worden, kwam een eenzame gans aanvliegen onder het
dichte takkendak. Ze zocht aarzelend haar weg tusschen de stammen
en takken, en vloog heel zacht. Zoodra Smirre, de vos, haar zag,
liep hij weg van zijn plaats onder den jongen beuk, en sloop haar
tegemoet. De wilde gans ontweek den vos niet, maar vloog tot heel dicht
bij hem. Smirre deed een hoogen sprong naar haar, maar hij sprong mis,
en de gans vloog verder, naar het meer toe.

Het duurde niet lang, of er kwam weer een nieuwe wilde gans
aanvliegen. Ze nam denzelfden weg als de eerste, en vloog nog lager
en langzamer. Ook zij vloog dicht voorbij Smirre, en hij deed zoo'n
hoogen sprong, dat zijn ooren haar pooten raakten, maar ze ontkwam
ongedeerd, en zette stil als een schaduw haar weg naar het meer voort.

Een poosje ging voorbij, en weer kwam er een wilde gans. Nog lager en
langzamer vloog zij, en nog moeilijker scheen zij haar weg tusschen
de beukenstammen te vinden. Smirre nam een geweldigen sprong, en het
scheelde maar een haar, of hij had haar gegrepen, maar ook deze gans
redde zich.

Onmiddellijk nadat zij verdwenen was, kwam een vierde wilde
gans. Hoewel zij bijna zoo langzaam en slecht vloog, dat Smirre
meende haar zonder veel moeite te kunnen vangen, was hij nu bang,
dat het hem mislukken zou, en hij was van plan haar ongedeerd voorbij
te laten gaan. Maar zij nam denzelfden weg als de andere, en juist
toen ze boven Smirre kwam, daalde ze zoo ver, dat hij verleid werd
naar haar op te springen. Hij kwam zoo hoog, dat hij haar met zijn
pooten aanraakte, maar ze wierp zich vlug op zij, en redde haar leven.

Vóór Smirre weer op adem gekomen was, kwamen drie ganzen op een rij
in 't gezicht. Ze vlogen op dezelfde manier voort als de andere,
en Smirre nam hooge sprongen naar alle drie, maar het lukte hem niet
één van hen te vangen.

Daarop kwamen vijf ganzen; maar die vlogen beter dan de vorige, en
hoewel zij Smirre schenen te willen lokken tot een sprong, weerstond
hij de verzoeking.

Na een lange poos kwam een eenzame gans. Dat was de dertiende. 't Was
een, die zóó oud was, dat ze heelemaal grijs was, en geen donkere
plek meer op het lichaam had. Zij scheen den eenen vleugel niet
recht te kunnen gebruiken, en vloog jammerlijk slecht en scheef,
zoodat zij den grond bijna raakte. Smirre deed niet alleen een hoogen
sprong naar haar, maar hij vervolgde haar springend tot aan het meer,
maar ook dezen keer werd zijn moeite niet beloond.

Toen de veertiende kwam, stond dat heel mooi, omdat zij wit was,
en het glansde als een lichtschijn door het donkere bosch, als zij
met de groote vleugels sloeg. Toen Smirre haar zag, verzamelde hij
al zijn kracht en sprong tot halverwege het takkendak, maar de witte
vloog volkomen ongedeerd voorbij als alle andere.

Nu werd het een poosje stil onder de beuken; het scheen wel of de
heele troep wilde ganzen voorbij gekomen was.

Op eens dacht Smirre aan zijn gevangene, en keek naar boven
in den jongen beuk. Zooals te verwachten was--de jongen was
weg--verdwenen. Maar Smirre had niet lang tijd om aan hem te denken,
want nu kwam de eerste gans terug van het meer, en vloog als vroeger
langzaam onder het takkendak voort. Niettegenstaande al zijn tegenspoed
was Smirre blij, dat zij terugkwam, en hij vloog haar na met een
hoogen sprong. Maar hij was te haastig geweest, en had zich geen tijd
gegeven zijn sprong te berekenen, en hij kwam naast haar terecht.

Na deze gans kwam er nog een, en toen een derde, een vierde, een
vijfde, tot het geheel werd afgesloten met de oude grijze en de groote
witte. Ze vlogen allen langzaam en laag. Juist als ze boven Smirre,
den vos zweefden, daalden ze, precies alsof ze hem wilden uitnoodigen
hen te vangen. En Smirre liep ze na en sprong een paar voet hoog,
zonder dat hij in staat was één van hen te pakken.

Dat was de vreeselijkste dag, dien Smirre nog ooit beleefd had. De
wilde ganzen vlogen onophoudelijk over hem heen, kwamen en gingen,
kwamen en gingen. Groote, heerlijke ganzen, die vet geworden waren op
de Duitsche akkers, en heiden, zweefden den heelen dag door het bosch,
zóó dicht bij hem, dat hij ze dikwijls aanraakte, en hij kon met geen
enkele zijn honger stillen.

De winter was nog nauwlijks voorbij, en Smirre herinnerde zich dagen
en nachten, waarin hij werkeloos rond had moeten loopen, zonder een
stuk wild om op te jagen, als de trekvogels weg waren, als de ratten
zich onder de bevroren aardkost verborgen, en de kippen opgesloten
waren. Maar alle honger in den winter was niet zóó moeilijk te
verdragen geweest, als de teleurstellingen van dezen dag.

Smirre was geen jonge vos. Hij had menigmaal de honden achter zich
aan gehad en de kogels om zijn ooren hooren fluiten. Hij had diep in
zijn hol gezeten, terwijl de taxhonden in de gangen kropen en hem
bijna gevonden hadden. Maar alle angst, die Smirre had uitgestaan
onder de scherpste jacht, was niet te vergelijken met den angst,
dien hij nu voelde, telkens als het hem mislukte een van de wilde
ganzen te grijpen.

In den morgen, toen 't spel begon, was Smirre zoo sierlijk geweest,
dat de ganzen verbaasd waren, toen ze hem zagen. Smirre hield van
pracht en zijn pels was schitterend rood, zijn borst wit, zijn neus
zwart en de staart donzig als een pluim, maar toen de avond dien dag
kwam, hing Smirre's pels in pruiken neer, hij baadde in 't zweet,
zijn oogen waren glansloos, de tong hing lang uit zijn hijgenden bek,
en er liep schuim uit zijn mond.

Tegen den namiddag was Smirre zóó moe, dat hij aan 't ijlen ging. Hij
zag niets dan vliegende ganzen voor zijn oogen. Hij sprong naar
zonneplekken, die hij op het veld zag en naar een armen vlinder,
die te vroeg uit zijn pop gekomen was.

De wilde ganzen gingen onvermoeid door met vliegen, vliegen! Ze bleven
Smirre den heelen dag kwellen. Het wekte hun medelijden niet op, dat
Smirre, in den war, verhit, waanzinnig was. Ze gingen onbewogen door,
hoewel ze begrepen, dat hij hen nauwelijks meer zag, en dat hij naar
hun schaduwen sprong.

Eerst toen Smirre op een hoop dorre bladen neerzonk, volkomen
krachteloos en mat, bijna op 't punt den laatsten adem uit te blazen,
hielden ze op hem te foppen.

"Nu weet je, vos, hoe 't hem gaat, die het waagt Akka van Kebnekaise
aan te raken," riepen ze in zijn ooren, en toen lieten ze hem met rust.






III.

'T LEVEN VAN DE WILDE VOGELS.


OP DE BOERDERIJ.


Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken
werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje
hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren.

't Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan
den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij
in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en
jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten
staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette
pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn
vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn
vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi
in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een
wiel van ijzerdraad. 't Kleine huisje, dat een deur en vensters had,
moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze
daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het
ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en
klauteren en ronddraaien.

De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden
gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te
tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en
nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde
het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond.

"Hij is zeker bang," zeiden de menschen op de boerderij. "Morgen,
als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen."

Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen
voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd,
waren ze allen aan 't bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met
het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze
moesten werken, lang nadat het donker geworden was.

Natuurlijk waren ze druk aan 't werk in de keuken, en er was zeker
niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er
was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat
begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo
overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar
bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar
buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet,
en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. 't Was
een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude
vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon
zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar 't
licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht
van zijn kamer in het wiel sprong en van 't wiel in zijn kamer, zonder
een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was,
maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef.

Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede,
overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En
toen het wat later in den nacht was geworden, zag 't oude moedertje,
dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam
sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen
en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. 't Oude moedertje
begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet
bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze
had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als
hij zich vertoonde.

Zoodra de kabouter over den steenen kant om de plaats heen gekomen
was, sprong hij regelrecht op de kooi van den eekhoorn toe, en omdat
die zoo hoog hing, dat hij er niet bij kon, ging hij naar de schuur,
waar het gereedschap stond, en haalde een lat, zette die tegen de
kooi en klauterde daarlangs naar boven op dezelfde manier, waarop de
zeeman tegen een touw opklautert. Toen hij bij de kooi gekomen was,
rukte hij aan de deur van het kleine groene huisje, alsof hij die
open wou maken; maar 't oude moedertje bleef heel kalm, want ze wist,
dat de kinderen een hangslot voor de deur hadden gehangen, uit angst,
dat de buurjongens zouden probeeren den eekhoorn te stelen. De oude
zag, dat, toen de kabouter de deur niet kon openkrijgen, de eekhoorn
naar buiten kwam in het wiel. Daar overlegden hij en de kabouter lang
met elkaar. En toen de kabouter alles gehoord had, wat het gevangen
dier hem te zeggen had, gleed hij langs de lat naar den grond, en
liep hard weg door de poort.

De oude vrouw dacht niet, dat zij dien nacht meer van den kabouter zou
te zien krijgen; maar zij bleef toch voor 't venster zitten. Na een
poos kwam hij terug. Hij had zóó'n haast, dat ze vond, dat zijn voeten
den grond bijna niet raakten, en hij liep gauw naar de kooi van den
eekhoorn. De oude vrouw zag hem duidelijk met haar vèrziende oogen,
en ze zag ook, dat hij iets in de handen hield, maar wat dat was,
kon ze maar niet begrijpen. Wat hij in de linkerhand had, legde hij
op de steenen neer, maar wat hij in de rechterhand had, nam hij meê
naar de kooi. Hier schopte hij met de klomp tegen 't kleine venster,
zoodat de ruit sprong en stak dat wat hij in de hand hield aan den
eekhoorn daarbinnen toe. Daarop gleed hij weer naar beneden, pakte
weer op, wat hij op den grond had gelegd, en klauterde ook daarmee
weer naar de kooi. En dadelijk daarna draafde hij weer weg met zulk
een haast, dat de oude vrouw hem nauwelijks met de oogen kon volgen.

Maar nu bleef ook 't oude moedertje niet langer stil in de kamer
zitten; ze liep heel stil naar buiten op de plaats, en ging in de
schaduw van de pomp staan, om den kabouter af te wachten. En er was
nog iemand, die hem opgemerkt had, en nieuwsgierig was geworden. Dat
was de huiskat. Zij kwam zacht aansluipen en bleef bij den muur staan,
een paar stappen van den heldersten lichtschijn af.

Zij stonden buiten lang te wachten in den kouden Maartnacht, en de
oude vrouw begon er over te denken om weer naar binnen te gaan, toen
ze geklepper op de steenen hoorde, en zag, dat de kleine kabouter er
weer aan kwam stappen. Net als de vorige keer, droeg hij iets in beide
handen, en dat, wat hij droeg, piepte en spartelde. En nu ging er een
licht voor 't oude moedertje op. Zij begreep, dat de kabouter naar
de notenhaag was geloopen, om de jongen van den eekhoorn te halen,
en dat hij ze bij haar bracht, opdat ze niet dood zouden hongeren.

De oude moeder bleef stil staan om hem niet te storen, en het scheen
ook niet, dat de kabouter haar opgemerkt had. Hij zou juist het eene
jong op den grond leggen om met het andere naar boven naar de kooi
te kunnen klimmen, toen hij de groene oogen van de huiskat dicht bij
hem fonkelen zag. Hij bleef radeloos staan met een jong in iedere hand.

Hij keerde zich om, keek naar alle kanten uit, en werd nu het oude
moedertje gewaar. Toen bedacht hij zich niet lang, maar ging naar
haar toe, en reikte haar het eene jonge eekhoorntje toe.

En 't oude moedertje wilde zich zijn vertrouwen waard toonen, boog
zich neer, en nam het jonge eekhoorntje aan. Zij bleef staan en hield
het vast, tot de kabouter met het eene naar boven, naar de kooi was
geklommen, en het andere kwam halen, wat hij haar had toevertrouwd. Den
volgenden morgen, toen de menschen op de boerderij bijeen kwamen om
koffie te drinken, kon 't oude vrouwtje niet laten te vertellen,
wat ze den vorigen nacht gezien had. En allemaal lachten ze haar
natuurlijk uit, en zeiden, dat ze het gedroomd had. Er waren geen
jonge eekhoorns zoo vroeg in het jaar.

Maar zij was zeker van haar zaak, en vroeg, of ze eens in de kooi van
den eekhoorn wilden kijken. En dat deden ze. En daar lagen op het bed
van dorre bladen in de kamer vier kleine, halfnaakte en halfblinde
jongen, die ten minste een paar dagen oud waren.

Toen de vader op de boerderij zelf de jongen zag, zei hij: "'t Mag
nu wezen, zooals 't wil, maar zeker is het, dat we ons voor dieren
en menschen moeten schamen." En hij nam den eekhoorn met alle jongen
uit de kooi, en legde ze in den schoot van het oude moedertje. "Ga
maar naar de notenhaag," zei hij, "en laat ze vrij."

Die gebeurtenis was het, die zooveel besproken werd en zelfs in de
courant kwam, maar die de meesten niet wilden gelooven, omdat ze niet
verklaren konden, hoe zooiets had kunnen gebeuren.




VITTSKÖVLE.


Een paar dagen later gebeurde er nog zoo iets wonderlijks. Een
troep wilde ganzen kwam op een morgen neerstrijken op een akker in
Oost-Skaane; niet ver van het groote landgoed Vittskövle. In den troep
waren dertien ganzen van de gewone grijze kleur en één witte ganzerik,
die op zijn rug een klein ventje droeg, gekleed in gele leeren broek,
groen vest, en een wit slaapmutsje. Ze waren nu heel dicht bij de
Oostzee, en op den akker, waar de ganzen waren neergestreken, was de
aarde met zand vermengd, zooals gewoonlijk aan de zeekust. Het scheen,
dat daar in die streek vroeger bewegelijk stuifzand was geweest,
dat vast gelegd had moeten worden, want op verscheiden plaatsen,
zag men groote dennenplantages.

Toen de wilde ganzen een poos geweid hadden, kwamen er een paar
kinderen aan in den greppel. De ganzen, die op wacht stonden, vlogen
dadelijk luid klapwiekend in de hoogte, opdat de heele troep zou
hooren, dat er gevaar was. Alle wilde ganzen vlogen op, maar de witte
bleef kalm op het veld loopen. Toen hij zag, dat de andere vluchtten,
richtte hij het hoofd op, en riep hen na: "Jelui hoeft niet weg te
vliegen voor die daar. Dat zijn immers maar een paar kinderen!"

't Kleine ventje, dat op zijn rug had gezeten, zat nu op een hoogtetje,
aan den kant van 't bosch, en plukte een dennenappel uit elkaar om
bij de zaadjes te kunnen komen. De kinderen waren zóó dicht bij hem,
dat hij niet over het veld naar de witte gans durfde te loopen. Hij
verstopte zich gauw onder een groot dor distelblad, en liet meteen
een waarschuwend roepen hooren.

Maar de witte scheen bepaald van plan zich niet bang te laten
maken. Hij bleef op het veld loopen, en keek niet eens, waar de
kinderen heengingen.

Zij weken intusschen van hun weg af, liepen over het veld en kwamen
op den ganzerik toe. Toen hij eindelijk opkeek, waren ze vlak bij
hem, en nu was hij zoo verbluft en verward, dat hij vergat, dat hij
vliegen kon, en haastig wegliep. De kinderen liepen hem achterna,
joegen hem in een sloot, en vingen hem daar. De grootste van hen nam
hem onder den arm, en droeg hem weg.

Toen het ventje, dat onder het distelblad lag, dat zag, sprong hij op,
alsof hij den ganzerik van de kinderen wilde afnemen. Maar toen dacht
hij er aan, hoe klein en machteloos hij was, en gooide zich neer op
het aardhoogtetje, en bonsde wanhopend met zijn vuistjes op den grond.

De ganzerik riep om hulp, zoo hard hij maar kon. "Duimelot, help me
toch, Duimelot, help me toch!"

Maar toen begon de jongen te lachen, midden in zijn angst. "Ja,
ik ben wel de rechte, om iemand te helpen," zei hij.

Toch stond hij op, en liep den ganzerik na. "Ik kan hem niet helpen,"
zei hij, "maar ik wil tenminste zien wat ze met hem uitvoeren."

De kinderen waren hem een heel eind vooruit, maar de jongen had
toch geen moeite hen in het oog te houden, tot hij aan een diepte in
't veld kwam, waar een lentebeek voortbruiste. Die was niet breed,
en stroomde niet hard, maar hij moest toch ver langs den kant loopen,
eer hij een plaats vond, waar hij over springen kon.

Toen hij tegen den kant was opgeklommen, waren de kinderen
verdwenen. Hij kon nog hun spoor zien op een smal pad, dat het bosch
inliep, en hij bleef het volgen.

Spoedig kwam hij aan een kruisweg, en hier moesten de kinderen van
elkaar zijn gegaan, want van daar gingen de sporen in verschillende
richting. Nu keek het ventje heelemaal verslagen.

Maar op hetzelfde oogenblik zag hij op een klein hoogtetje op de hei
een wit veertje. Hij begreep, dat de ganzerik het aan den kant van
den weg geworpen had om hem te wijzen, waar hij heen gedragen was, en
daarom zette hij zijn tocht voort. Hij volgde zoo de kinderen het heele
bosch door. Van den ganzerik zag hij niets, maar overal waar hij zich
in de richting vergissen kon, lag een wit veertje, en wees hem den weg.

De jongen volgde trouw de veertjes. Zij leidden hem uit het bosch,
over een paar akkers, een weg op en eindelijk door de laan van een
groot landgoed. Aan 't eind van de laan kon hij flauw gevels en torens,
met roode tegels bedekt, onderscheiden. Ze waren versierd met lichte
randen en ornamenten. Toen de jongen zag, dat daar een groot buiten
lag, meende hij wel te kunnen begrijpen, wat er van den ganzerik
geworden was. "De kinderen hebben stellig den ganzerik naar dit buiten
gebracht en hem hier verkocht, en dan is hij zeker al geslacht," zei
hij in zichzelf. Maar hij wou niet rusten, voor hij precies wist,
wat er gebeurd was, en liep voort met nog grooter haast. Hij kwam
niemand tegen in de laan, en dat was maar goed ook! Want zulken,
als hij, zijn gewoonlijk bang om door menschen gezien te worden.

Op het buiten, waar hij gekomen was, stond een prachtig oud gebouw,
in 't vierkant gebouwd om een slotplaats heen. Aan de oostzij was
een diepe gewelfde poort, die naar de slotplaats leidde. Tot zoover
liep het ventje door zonder te aarzelen, maar toen hij daar kwam,
stond hij stil. Verder waagde hij zich niet, maar hij bleef er over
staan denken, wat hij nu doen zou.

Het ventje stond nog met den vinger langs den neus te peinzen, toen
hij achter zich voetstappen hoorde, en toen hij zich omkeerde, zag
hij een heele schare menschen de laan opkomen. Hij sloop gauw achter
een waterton, die toevallig bij de poort stond, en verstopte zich daar.

Zij, die daar aankwamen, waren een twintig jonge mannen van een
volkshoogeschool, die een voetreisje deden. Er was een leeraar bij,
en toen zij aan de poort gekomen waren, vroeg deze hun daar even te
wachten, terwijl hij naar binnen ging om te vragen, of zij het oude
kasteel Vittskövle mochten bekijken.

De nieuw aangekomenen waren warm en moe, alsof ze een lange wandeling
gemaakt hadden. Een van hen had zoo'n dorst, dat hij naar de waterton
ging en zich voorover boog om te drinken. Hij had een botaniseertrommel
om den hals hangen, en hij vond zeker, dat die hem hinderde, want hij
gooide ze op den grond. Daardoor ging de deksel open, zoodat men zien
kon, dat er een paar lentebloemen in lagen.

De botaniseertrommel viel vlak bij het ventje neer, en nu vond hij,
dat er zich een uitstekende gelegenheid voordeed om in den burcht
te komen, en te hooren, wat er van den ganzerik geworden was. Hij
kroop vlug in de trommel, en verstopte zich, zoo goed hij kon, onder
anemonen en hoefblad.

Nauwelijks was hem dat gelukt, of de jongeman nam de botaniseertrommel
op, hing ze om, en sloeg den deksel dicht.

De leeraar kwam nu terug en zei, dat hij toegang tot het slot
had gekregen. Om te beginnen bracht hij hen niet verder dan de
slotplaats. Daar bleef hij staan, en begon over het oude gebouw
te spreken.

Hij herinnerde er hen aan, dat de eerste menschen, die in 't land
kwamen, in krotten en holen in den grond, in tenten van dierenhuiden en
rieten hutten hadden gewoond, en dat er veel tijd was voorbij gegaan,
eer ze bedacht hadden een huis te timmeren van boomstammen. En daarna:
hoe lang hadden ze niet moeten werken en zwoegen om zoover te komen,
dat ze een slot konden bouwen met honderd kamers, zooals Vittskövle!

Ongeveer driehonderdvijftig jaar geleden bouwden de rijken en
machtigen zich zulke kasteelen als dit, zeide hij. Men kon wel zien,
dat Vittskövle gebouwd was in een tijd, dat oorlog en roovers het
onveilig maakten in Skaane. Rond om het kasteel liep een gracht,
en daarover lag vroeger een brug, die kon worden opgehaald.

Boven het poortgewelf was nu nog een wachttoren; buiten langs de
muren van het kasteel liepen wachtgangen, en in de hoeken stonden
vaste torens met muren, die wel een meter dik waren.

De leeraar sprak lang en uitvoerig, en het ventje, dat in de
botaniseertrommel zat opgesloten, werd braaf ongeduldig; maar hij
moet toch heel stil gelegen hebben, want de eigenaar van de trommel
merkte in het geheel niet, dat hij hem bij zich had.

Eindelijk ging dan het geheele gezelschap het kasteel binnen, maar als
het ventje gehoopt had, gelegenheid te hebben uit de botaniseertrommel
te ontsnappen, dan had hij het mis. Want de leerling hield hem bij
zich, en hij moest meê door alle kamers.

't Werd een langdurige wandeling. De leeraar bleef elk oogenblik
staan om iets te verklaren, of de jongelui wat te leeren.

In een kamer was een oude haard, en daar bleef hij voor staan om te
vertellen van de verschillende stookplaatsen, die de menschen in den
loop der tijden hadden gebruikt. De eerste stookplaats binnenshuis
was een steenen plaat midden in de kamer geweest, met een opening voor
den rook midden in het dak, die regen en wind binnen liet, de tweede
was een groote gemetselde oven zonder schoorsteen geweest, en die
had wel de kamer verwarmd maar die ook met rook en damp gevuld. Toen
Vittskövle gebouwd werd, waren de menschen juist zoover gekomen,
dat ze open haarden hadden, met een wijden schoorsteen voor den rook,
maar die ook de meeste warmte meê de lucht in zonden.

Als dat kleine ventje ooit heftig en ongeduldig was geweest, kreeg
hij dien dag een goede gelegenheid om zijn geduld te oefenen. Nu had
hij al bijna een uur onbewegelijk gelegen.

In de volgende kamer, waar de leeraar kwam, bleef hij staan voor
een oud bed met een hoogen hemel en prachtige gordijnen, en dadelijk
begon hij te vertellen van bedden en slaapplaatsen in den ouden tijd.

Hij haastte zich niet. Maar hij wist ook niet, dat er een klein
stumpertje in de botaniseertrommel lag opgesloten, en er maar op
wachtte, dat hij zou ophouden. Toen hij bij een kamer kwam, met
goudleeren behang, begon hij te vertellen, hoe de menschen al van
de eerste tijden af hun wanden hadden bekleed; als hij bij een oud
familieportret kwam, vertelde hij van de vele vormen van kleederdracht,
en in de feestzalen beschreef hij de wijze, waarop men in vroeger
tijden bruiloften en begrafenissen hield.

Onder dit alles lag het ventje doodstil. Als hij ooit ondeugend was
geweest, en de kelderdeur achter Vader of Moeder had dichtgegooid,
dan kon hij nu voelen, hoe dat voor hen was geweest, want het duurde
uren vóór de spreker ophield.

Eindelijk ging de leeraar weer naar buiten op de plaats. En daar
vertelde hij er van, hoe lang de menschen hadden moeten werken om
zich werktuigen en wapens, kleeren en huizen, meubels en versiersels
te verschaffen. Hij zei, dat zoo'n oude burcht als Vittskövle als een
mijlpaal op den weg was. Daar kon men zien, hoe ver de menschen waren
gekomen voor driehonderd vijftig jaar geleden, en zelf beoordeelen,
of ze sinds dien tijd vooruit of achteruit waren gegaan.

Maar naar deze toespraak hoefde het ventje niet te luisteren, want
de leerling, die hem in zijn botaniseertrommel meê droeg, kreeg weer
dorst, en sloop naar de keuken om een beetje water te vragen. Toen nu
't ventje in de keuken werd gedragen, wou hij zeker probeeren eens
naar den ganzerik uit te zien. Hij was begonnen zich te bewegen,
en hierdoor drukte hij bij ongeluk zóó hard tegen den deksel,
dat die opensprong. Botaniseertrommels springen altijd open, en de
leerling dacht daar niet verder over na, maar drukte die eenvoudig
weer dicht. Maar toen vroeg het keukenmeisje, of hij een slang in de
trommel had.

"Neen, er zijn alleen wat planten in," antwoordde de leerling.

"Maar er was iets, dat zich bewoog," hield de kookster vol.

De leerling deed toen den deksel open om haar te laten zien, dat zij
zich vergiste: "Zie nu maar zelf of...."

Maar verder kwam hij niet, want nu durfde het dwergje niet langer
in de botaniseertrommel blijven. Hij sprong op den grond, en liep
weg. De meisjes konden nauwelijks zien wat het was, dat daar weg
sprong, maar ze liepen er alle hard achteraan.

De leeraar stond nog te praten, maar hij werd gestoord door luid
roepen. "Pak hem! Pak hem!" riepen zij, die uit de keuken kwamen, en
al de jonge mannen liepen het dwergje achterna, dat nog harder wegliep
dan een rat. Zij probeerden het den weg af te snijden in de poort,
maar het was niet makkelijk zoo'n kleintje te pakken te krijgen,
en hij kwam gelukkig naar buiten.

Hij durfde niet door de open laan te loopen, maar ging een anderen
kant uit. Hij vloog door den tuin, de plaats achter het huis op. En
steeds jaagden de menschen achter hem aan met geschreeuw en gelach. De
kleine stumper vloog voort zoo hard hij kon, maar 't scheen toch,
dat de menschen hem zouden inhalen.

Toen hij voorbij een arbeidershuisje liep, hoorde hij een gans kakelen,
en hij zag een wit veertje op de stoep liggen. Daar had hij eindelijk
den ganzerik. Hij was dus op den verkeerden weg geweest. Hij dacht
niet meer aan de meisjes en jongens, die hem achternazaten, maar klom
gauw de trappen in het gangetje op. Verder kon hij niet komen, want de
kamerdeur was dicht. Hij hoorde den ganzerik schreeuwen en jammeren
daarbinnen, maar hij kon de deur niet open krijgen. De groote jacht
achter hem aan, kwam al nader en nader, en in de kamer schreeuwde de
ganzerik steeds jammerlijker! In den uitersten nood nam het dwergje
al zijn moed bij elkaar, en bonsde met alle kracht op de deur.

Een kind kwam opendoen, en het dwergje keek de kamer binnen. Midden op
den vloer zat een vrouw, die den ganzerik vasthield om zijn vleugels
te knippen. Haar kind had hem gevonden, en zij wilde hem geen kwaad
doen. Ze wilde hem bij haar eigen ganzen laten, als ze alleen maar
zijn vleugels geknipt had, zoodat hij niet weg kon vliegen. Maar
een grooter ongeluk kon den ganzerik bijna niet overkomen, en hij
schreeuwde en jammerde, zoo hard hij maar kon. En 't was een geluk,
dat de vrouw niet eerder was begonnen met knippen. Nu waren nog
maar twee pennen door haar schaar gevallen, toen de deur openging,
en het dwergje op den drempel stond. Maar zooiets had de vrouw nog
nooit gezien. Zij kon niet anders denken, dan dat het de Goa-kabouter
zelf was, en ze liet van schrik de schaar vallen, sloeg de handen in
elkaar, en vergat den ganzerik vast te houden.

Zoodra die zich vrij voelde, sprong hij naar de deur. Hij had geen tijd
om stil te staan, maar in het voorbijgaan greep hij het dwergje bij
den kraag, en nam hem meê. En op de stoep sloeg hij de vleugels uit,
en vloog op in de lucht. Meteen maakte hij een sierlijke beweging met
den hals, en zette het dwergje op zijn gladden donzigen rug. En zoo
zweefden ze weg, hoog door de lucht, en heel Vittskövle stond ze na
te kijken.




IN HET KLOOSTER VAN ÖVED.


Heel den langen dag, toen de ganzen met den vos speelden, lag de
jongen in een verlaten eekhoornsnest te slapen. Toen hij tegen den
avond wakker werd, was hij heel bezorgd.

"Nu word ik gauw naar huis gestuurd," dacht hij, "en dan moet ik me wel
aan Vader en Moeder vertoonen." Maar toen hij de wilde ganzen opzocht,
die zich baadden in 't Vombmeer, zei geen van hen er een woord over,
dat hij moest heengaan.

"Ze vinden zeker, dat de witte te moe is om vanavond met mij naar
huis te gaan," dacht de jongen.

Den volgenden morgen waren de ganzen al wakker bij 't aanbreken van
den dag, lang vóór zonsopgang. Nu was de jongen er van overtuigd, dat
hij naar huis moest, maar vreemd genoeg mochten de witte ganzerik en
hij meê op hun vroegen tocht. De jongen begreep niet wat de oorzaak
van dit uitstel was, maar toen maakte hij voor zichzelf uit, dat de
ganzen den ganzerik niet wilden wegsturen op zoo'n lange reis, voor
hij eerst flink zijn genoegen gegeten had. Maar hoe het ook was, hij
vond dat ieder uur, dat voorbij ging, vóór hij zich aan zijn ouders
vertoonen moest, winst was.

De wilde ganzen vlogen over het buiten van Övedklooster, dat in een
heerlijk park lag, ten oosten van het meer, en er prachtig uitzag
met zijn groot kasteel, zijn mooie steenen slotplaats, door lage
muren en paviljoens omgeven, en zijn mooien, ouderwetschen tuin met
geschoren hagen, dichte berceaux, vijvers, fonteinen en watervallen,
verrukkelijke boomen en kort geschoren grasvelden, omlijst door bonte
randen lentebloemen.

Toen de ganzen over dat groote buiten vlogen in den vroegen morgen,
was er nog geen mensch op. Toen ze daar zeker van waren, daalden
ze tot dicht bij het hondenhok en riepen. "Wat is dat hier voor een
klein hutje? Wat is dat hier voor een klein hutje?"

Dadelijk kwam de hond uit het hok, woedend, razend, en schold ze uit.

"Noem jelui dat een hutje? Jelui schooiers! Zie je niet, dat het een
groot kasteel van steen is? Zie je niet wat mooie muren het heeft? Zie
je al die vensters en de hooge poorten niet en dat prachtige terras,
wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Zie je dan den tuin niet,
en den boomgaard? Zie je dan de oranjerie niet? Zie je de marmeren
beelden niet? Noem jelui dit een hutje? Hebben hutjes dan een park,
waar beukenbosschen en kreupelhout van hazelaars zijn? En waar je
velden met loofboomen en eikenhagen en rijen dennen vindt, en een
hertenkamp vol herten, wou, wou, wou! Noem je dit een hutje? Heb
je ooit een hutje gezien met zooveel bijgebouwen, dat het wel
een heele stad leek? Jelui kent zeker veel hutjes, die hun eigen
kerk en pastorie hebben, en die macht hebben over landgoederen en
boerenhuizen en pachterijen en boerderijen, wou, wou, wou! Noem je
dát een hutje? Bij dat hutje hoort het grootste landgoed van Skaane,
jelui bedelaars! Waar jelui in de lucht hangt, kun je geen handbreed
grond zien, dat niet bij dit hutje hoort, wou, wou wou!"

Het lukte den hond dit alles in één adem uit te blaffen, en de ganzen
vlogen heen en weer over het landgoed, en luisterden naar hem, tot
hij even moest ophouden om op adem te komen. Maar toen riepen ze:

"Waarom ben je zoo boos? We vroegen niet naar het kasteel, we vroegen
enkel naar je hondenhokje."

Toen de jongen die grap hoorde, lachte hij eerst, maar toen kwam een
gedachte bij hem op, die hem op eens weer ernstig maakte: "Stel je eens
voor, hoeveel grappen je hooren zou, als je met de ganzen meê mocht
't heele land door, heel tot Lapland toe," zei hij in zichzelf. "Nu
ik er toch zoo akelig aan toe ben, was zoo'n reis 't beste, wat ik
bedenken kon."

De wilde ganzen daalden neer op een van de groote velden ten oosten
van het landgoed, om graswortels te eten, en dat deden ze uren lang. In
dien tijd ging de jongen in het groote park, dat aan de velden grensde,
zocht naar een notenhaag, en begon naar boven in de struiken te kijken,
of er niet hier en daar een noot was blijven hangen van den vorigen
herfst. Maar telkens kwam de gedachte aan de reis terug, terwijl hij
daar door het park liep. Hij stelde zich voor hoe prettig het wezen
zou met de wilde ganzen mee te gaan. Honger en kou lijden zou hij
zeker vaak genoeg, maar daarentegen zou hij ook vrij zijn van werken
en leeren.

Terwijl hij daar liep, kwam de oude leidstergans naar hem toe en vroeg,
of hij iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, zei hij,
en toen probeerde ze hem te helpen. Noten kon zij ook niet vinden,
maar ze ontdekte een paar rozebottels, die aan een wilde rozestruik
hingen. De jongen at ze met graagte op, maar hij dacht ondertusschen
wat Moeder er wel van zeggen zou, als ze wist, dat hij nu van rauwe
visch en overwinterde rozebottels leefde.

Toen de wilde ganzen eindelijk genoeg gegeten hadden, trokken ze weer
naar het meer, en daar vermaakten ze zich en speelden tot tegen den
middag. De ganzen daagden den witten ganzerik uit tot een wedstrijd in
alle mogelijke lichaamsoefeningen en spelen. Ze zwommen, sprongen en
vlogen om het hardst met hem, de groote tamme gans deed zijn best,
maar hij werd aldoor overwonnen door de vlugge, wilde ganzen. De
jongen zat aldoor op den rug van den ganzerik en moedigde hem aan,
en had evenveel pret als de anderen. 't Was een geschreeuw en een
gelach en gekakel, dat het een wonder was, dat de bewoners van het
kasteel hen niet hoorden.

Toen de wilde ganzen het spelen moe waren, vlogen ze naar het ijs en
rustten een paar uur. Den namiddag brachten ze bijna op dezelfde manier
door. Eerst een paar uur eten, dan baden en spelen in 't water aan den
kant van het ijs tot zonsondergang. Toen moesten ze gauw gaan slapen.

"Dat zou nu juist een leventje voor mij zijn," dacht de jongen,
toen hij onder den vleugel van den ganzerik kroop. "Maar morgen zal
ik wel naar huis gestuurd worden."

Eer hij insliep, lag hij er aan te denken, dat hij, als hij met
de wilde ganzen meê mocht, van alle standjes over zijn luiheid af
was. Dan mocht bij den heelen dag luieren, en zijn eenige zorg zou
zijn, dat hij moest zien iets te eten te krijgen. Maar hij had nu
zoo weinig noodig, dat dit wel terecht zou komen.

En dan dacht hij aan alles, wat hij te zien zou krijgen, en aan alle
avonturen, die hij meemaken zou. Ja, dat werd heel wat anders dan al
dat zwoegen en sjouwen thuis.

"Als ik maar met de wilde ganzen meê op reis mocht, dan zou ik er
niet bedroefd om wezen, dat ik betooverd ben," dacht hij.

Hij was alleen maar bang, dat hij naar huis zou worden gestuurd;
maar ook 's Woensdags zeiden de ganzen er niets van, dat hij weg
moest. Die dag ging op dezelfde manier voorbij als de Dinsdag, en
de jongen vond het leven in de wildernis steeds prettiger. Het was,
alsof hij het eenzame park bij Övedklooster, dat zoo groot was als
een bosch, voor zich alleen had, en hij verlangde niet terug naar
het enge kamertje en de akkertjes thuis.

Dien Woensdag dacht hij, dat de wilde ganzen van plan waren hem bij
zich te houden, maar Donderdag daarop gaf hij die hoop weer op.

De Donderdag begon op dezelfde manier als de andere dagen. De ganzen
weidden op de groote velden, en de jongen zocht naar voedsel in het
park. Na een poosje kwam Akka bij hem en vroeg, of hij al iets te
eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, en toen zocht ze een droog
komijnenplantje voor hem, dat al zijn vruchtjes nog had.

Toen de jongen gegeten had, zei Akka, dat ze vond, dat hij al te
onvoorzichtig in het park rondliep. Ze zou wel eens willen weten,
of hij wist hoeveel vijanden hij had, waar hij voor oppassen moest,
hij, die zoo klein was. Neen, dat wist hij heelemaal niet, en nu
begon Akka ze voor hem op te noemen.

Als hij in het park liep, zei ze, moest hij oppassen voor den vos en
den marter; als hij aan 't strand kwam, moest hij om de otters denken;
als hij op het steenen plaatsje zat, moest hij den wezel niet vergeten,
die door het kleinste gaatje kruipen kon; als hij zou willen slapen
in een hoopje dorre bladen, moest hij eerst onderzoeken, of niet een
adder ook daar zijn winterslaap deed. Zoodra hij op 't open veld kwam,
moest hij den havik en den kievit, den arend en den valk in 't oog
houden, die hoog boven in de lucht zweefden. In de notenhaag kon hem
de sperwer vangen. Eksters en kraaien waren overal, en die moest hij
niet te veel vertrouwen, en zoodra de schemering inviel, moest hij
de ooren spitsen om te luisteren naar de groote uilen, die zoo stil
voortvlogen, dat ze vlak bij hem konden komen, eer hij het merkte.

Toen de jongen hoorde, dat er zóóvelen waren, die hem naar het leven
stonden, begreep hij wel, dat het volkomen onmogelijk was, dat hij
het kon behouden. Hij was niet zoo heel bang om dood te gaan, maar
hij vond het niet prettig om opgegeten te worden, en daarom vroeg
hij Akka wat hij doen moest om zich tegen de roofdieren te beschermen.

Akka antwoordde dadelijk, dat de jongen moest probeeren goede vrienden
te worden met de kleine dieren in 't bosch en op 't veld; met de
eekhoorns en de hazen, met vinken en meezen en leeuweriken. Als hij hun
goede vriend was geworden, konden zij hem voor gevaren waarschuwen, hem
schuilplaatsen bezorgen, en in hoogen nood konden ze zich vereenigen
en hem verdedigen.

Maar toen de jongen later op den dag dien raad wilde volgen, en zich
tot Sirle, den eekhoorn, wendde om hem om hulp te vragen, bleek het,
dat deze hem niet wilde helpen.

"Van mij of van de andere kleine dieren moet je niets goeds
verwachten," zei Sirle. "Meen je, dat wij niet weten, dat jij Niels,
de ganzenjongen, bent, die verleden jaar zwaluwnestjes vernielde,
spreeuweneieren kapot gooide, jonge kraaien in de mergelgroeve smeet,
lijsters in strikken ving en eekhoorns in de kooi zette? Jij moet
jezelf maar helpen, zoo goed je kunt, en wees maar blij, dat wij ons
niet tegen jou vereenigen en je terug jagen naar je familie."

Dat was nu juist een antwoord, dat de jongen vroeger niet ongestraft
zou gelaten hebben, als hij nog Niels, de ganzenjongen, was geweest,
maar nu was hij alleen bang, dat ook de wilde ganzen zouden hooren,
hoe ondeugend hij kon wezen. Hij was zóó bang geweest, dat hij niet
bij de wilde ganzen zou mogen blijven, dat hij zich ook niet aan het
kleinste kattekwaad had durven wagen, sinds hij met hen in gezelschap
was gekomen. 't Was wel waar, dat hij niet zóóveel kwaad had kunnen
doen, nu hij zóó klein was, maar hij kon toch nog veel vogelnestjes
hebben uitgehaald, en veel eieren stukgegooid, als hij daar lust in
had gehad. Nu had hij zich voortdurend goed gedragen, hij had geen
enkel veertje uit een ganzevleugel getrokken, nooit een onbeleefd
antwoord gegeven, en iederen morgen, als hij Akka had goedenmorgen
gezegd, had hij de muts afgenomen en een buiging gemaakt.

Den heelen Donderdag liep hij er over te denken, dat de wilde ganzen
hem zeker niet meê naar Lapland wilden nemen om zijn ondeugendheid. En
toen hij tegen den avond hoorde, dat de vrouw van Sirle, den eekhoorn,
was geroofd en haar kinderen op het punt waren dood te hongeren,
besloot hij hen te helpen, en wij hebben al gehoord hoe goed hem
dat gelukte.

Toen de jongen Vrijdags in het park kwam, zongen de bergvinken in
iedere struik, hoe de vrouw van Sirle, den eekhoorn, door wreede
roovers van haar teere jongen was weggevoerd, en hoe Niels, de
ganzenjongen, zich onder de menschen had gewaagd, en haar de kleine
eekhoorntjes gebracht had.

"Wie is nu zoo gevierd in 't park van Övedklooster als
Duimelot?" zongen de vinken, "hij, dien allen vreesden, toen hij nog
Niels, de ganzenjongen, was. Sirle, de eekhoorn, zal hem noten geven,
de arme hazen zullen met hem spelen, de reeën zullen hem op den rug
nemen en met hem vluchten, als Smirre, de vos, er aankomt, de meezen
zullen hem beschermen voor den sperwer, en vinken en leeuweriken
zullen van zijn heldendaad zingen."

De jongen was er vast van overtuigd, dat Akka en de wilde ganzen dit
alles hoorden, maar toch ging de heele Vrijdag voorbij, zonder dat
ze er iets van zeiden, dat hij bij hen blijven mocht.

Heel tot Zaterdag toe mochten de ganzen op de weiden om Öved grazen,
zonder door Smirre, den vos, te worden gestoord. Maar toen zij
Zaterdagmorgen op het veld kwamen, lag hij daar op den loer, en
vervolgde hen van de eene weide naar de andere, zoodat zij niets te
eten kregen. Toen Akka begreep, dat hij niet van plan was hen met rust
te laten, nam zij vlug een besluit, verhief zich hoog in de lucht,
en vloog met den heelen troep verscheiden mijlen ver over de vlakke
velden van Färs en de met jeneverbessen begroeide heuvels van den
bergrug van Linderöd. En ze daalden niet neer, voor ze in de buurt
van Vittskövle kwamen.

Maar daar werd de ganzerik gestolen, zooals we al verteld hebben. En
als de jongen niet alle kracht had ingespannen om hem te helpen,
was hij nooit weer terecht gekomen.

Toen de jongen met den ganzerik dien Zaterdagavond bij het Vombmeer
terug kwam, vond hij, dat hij een goed dagwerk had gedaan, en hij was
er nieuwsgierig naar, wat Akka en de wilde ganzen zouden zeggen. En
zij waren in 't geheel niet spaarzaam met hun lof, maar ze zeiden niet,
wat hij zoo verlangde te hooren.

Zoo werd het weer Zondag. Een heele week was nu voorbij gegaan,
sinds hij betooverd was, en nog steeds was hij even klein.

Maar het scheen, dat hij er niet hard om treurde. Dien Zondagmiddag
zat hij in een grooten, weelderig groeienden wilgestruik bij den kant
van het meer, en blies op een rietfluitje. Om hem heen zaten zooveel
meezen en vinken en spreeuwen, als de struik maar houden kon. En
ze kwinkeleerden liedjes, die hij probeerde na te spelen. Maar de
jongen was niet heel bedreven in de kunst. Hij blies zóó valsch,
dat de veeren bij al zijn kleine leermeesters te berge rezen, en
dat ze van wanhoop schreeuwden en fladderden. De jongen lachte zoo
hartelijk om hun opgewondenheid, dat hij zijn fluit liet vallen.

Hij begon weer van voren af aan, en 't ging even slecht, en alle
vogeltjes jammerden: "Vandaag speel je slechter dan gewoonlijk,
Duimelot. Je fluit niet één zuiveren toon. Waar zijn toch je gedachten,
Duimelot?"

"Ze zijn ergens anders," zei de jongen, en dat was waar. Hij zat er
aan te denken, hoe lang hij nog bij de wilde ganzen zou mogen blijven,
en of hij misschien al dezen dag naar huis zou worden gestuurd.

Op eens gooide de jongen de fluit weg, en sprong uit de struik op
den grond. Hij zag Akka en alle ganzen op zich toe komen in een
lange rij. Zij liepen zóó geweldig langzaam en plechtig, dat de
jongen dadelijk meende te begrijpen, dat hij nu zou te weten komen,
wat ze met hem voor hadden.

Toen ze eindelijk stilstonden, zei Akka: "Je hebt alle reden gehad je
over mij te verbazen, Duimelot, omdat ik je er niet eens voor bedankt
heb, dat je me uit de klauwen van Smirre, den vos, redde. Maar ik
dank liever met daden dan met woorden. En nu geloof ik, Duimelot,
dat het me gelukt is je een grooten dienst te bewijzen. Ik heb een
boodschap gestuurd aan den kabouter, die je heeft betooverd. In 't
begin wou hij er niet van hooren om je weer beter te maken, maar ik
heb hem de eene boodschap na de andere gestuurd, en hem laten zeggen,
hoe goed je je bij ons gedragen hebt. Hij laat je nu groeten en zeggen,
dat je, zoodra je weer thuiskomt, weer een mensch mag worden."

Maar stel je nu voor! Even blij als de jongen geweest was, toen
de wilde gans begon te spreken, even bedroefd was hij, toen ze
uitgesproken had. Hij zei geen woord, maar keerde zich om, en begon
te schreien.

"Wat in de wereld is dat nu?" zei Akka. "Het lijkt wel of je meer
van me hebt verwacht, dan ik je nu aanbied."

Maar de jongen dacht aan zorgelooze dagen en vroolijke grapjes,
aan avonturen en vrijheid, en tochten hoog boven de aarde, die hij
misloopen zou, en hij huilde hardop van droefheid.

"Ik geef er niet om, of ik een mensch word!" zei hij. "Ik wil met u
meê naar Lapland."

"Ik moet je wat zeggen," zei Akka. "Die kabouter is heel
lichtgeraakt. En ik ben bang, dat als je nu zijn aanbod niet aanneemt,
het je moeilijk vallen zal er hem later weer toe te bewegen een mensch
van je te maken."

Dat was nu vreemd van dien jongen: zoolang hij had geleefd, had
hij van niemand gehouden. Hij hield niet van zijn vader of moeder,
niet van den meester, niet van zijn kameraden, niet van de jongens in
de buurt. Alles wat die wilden, dat hij doen zou, spelen of werken,
had hij altijd vervelend gevonden. Daarom was er nu niemand, die hij
miste of naar wien hij verlangde. De eenige, met wie hij het wel
had kunnen vinden was Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads,
een paar kinderen, die net als hij, ganzen hoedden. Maar echt van
hen houden deed hij ook niet. Neen, heelemaal niet.

"Ik wil geen mensch worden," snikte de jongen. "Ik wil met u meê naar
Lapland. Daarom ben ik een heele week zoet geweest!"

"Ik wil je niet beletten met ons meê te gaan," zei Akka, "zoover je
maar wilt. Maar denk er nu nog eens over, of je niet liever naar huis
wilt. Je kunt er later zoo'n spijt van hebben."

"Neen," zei de jongen, "er is niets om spijt van te hebben. Ik heb
het nooit zoo prettig gehad, als hier bij u."

"Nu, dan zullen we doen, wat je wilt," zei Akka.

"Dank u," zei de jongen, en voelde zich zóó gelukkig, dat hij schreide
en weende van blijdschap, zooals hij eerst van verdriet had geschreid.






IV.

'T HUIS GLIMMINGEN.


ZWARTE EN GRIJZE RATTEN.


In 't zuidoosten van Skaane, niet ver van de zee, ligt een oud kasteel,
dat "'t Huis Glimmingen" heet. Dat bestaat uit één enkel hoog, groot
en sterk steenen gebouw, dat mijlen ver over het vlakke veld te zien
is. 't Is maar drie verdiepingen hoog, maar 't is zoo geweldig groot,
dat een gewoon huis, dat op hetzelfde landgoed staat, er uitziet als
een stukje kinderspeelgoed.

Het groote steenen huis heeft zulke zware buiten- en binnenmuren en
dakgewelven, dat er van binnen niet veel plaats is voor iets anders
dan die dikke muren. De trappen zijn smal, de portalen klein, en er
zijn maar weinig kamers. Opdat de muren goed sterk zouden blijven,
zijn er maar enkele vensters in de bovenste verdiepingen en in de
benedenste heelemaal geen. Daar zijn maar smalle lichtgaatjes. In
de oude oorlogstijden waren de menschen even blij, als ze zich
in zoo'n sterk en geweldig huis konden opsluiten, als we nu zijn,
wanneer we in den bar kouden winter in een pels kunnen kruipen; maar
toen de goede vredestijd kwam, wilden ze niet meer in de donkere,
koude steenen kamers van het oude kasteel wonen. Ze hebben al lang
het groote huis Glimmingen verlaten en zijn naar woningen verhuisd,
die zoo zijn ingericht, dat licht en lucht er binnen kunnen komen.

In den tijd, dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondzwierf,
waren er dus geen menschen in 't huis Glimmingen, maar daarom waren
er toch inwoners genoeg. Op het dak woonden iederen zomer een paar
ooievaars in een groot nest; op den zolder leefden een paar katuilen;
in de verborgen gangen hingen vleermuizen, in den haard in de keuken
woonde een oude kat, en beneden in den kelder, waren eenige honderden
van het oude geslacht zwarte ratten.

Ratten waren juist niet gezien bij de andere dieren; maar de zwarte
ratten op 't huis Glimmingen maakten daar een uitzondering op. Er werd
altijd met achting over hen gesproken, omdat zij zoo dapper waren
geweest in den strijd met hun vijanden, en omdat ze zoo flink waren
geweest onder de groote ongelukken, die over hun volk waren gekomen.

Zij behoorden namelijk tot een rattenvolk, dat eens talrijk en machtig
was geweest, maar nu langzamerhand uitstierf. Jaren lang hadden de
zwarte ratten Skaane en 't geheele land in bezit gehad. Zij waren in
iederen kelder, op iederen zolder, in schuren en op dorschvloeren, in
provisiekamers en bakkerijen, in koe- en paardenstallen, in kerken en
kasteelen, in branderijen en molens, in alle gebouwen door menschen
opgetrokken; maar nu waren ze bijna overal uit verdreven en bijna
uitgeroeid. Alleen nog op een of andere ouderwetsche, eenzame hoeve
kon men er enkele ontmoeten, en nergens vond men ze in zoo grooten
getale als op 't huis Glimmingen.

Als een dierenvolk uitsterft, hebben meestal de menschen daar schuld
aan; maar dat was nu niet het geval. Wel hadden de menschen met
de zwarte ratten gestreden, maar zij hadden hun geen noemenswaarde
schade kunnen doen. Zij, die ze overwonnen hadden, behoorden tot een
volk van hun eigen stam: de grijze ratten genaamd.

Die grijze ratten hadden niet, zooals de zwarte ratten, sinds
oeroude tijden het land bewoond. Zij stamden af van een paar
arme landverhuizers, die zoowat een honderd jaar geleden in
Malmö aan land kwamen met een boot uit Lubeck. 't Waren daklooze,
uitgehongerde stumpers, die in de haven zelf hun verblijf hielden,
tusschen de steigers rondzwommen, en het afval aten, dat in het water
werd geworpen. Zij waagden zich nooit in de stad, die aan de zwarte
ratten toebehoorde.

Maar zoo langzamerhand, toen de grijze ratten in aantal toenamen,
werden ze moediger. Om te beginnen betrokken ze een paar verlaten
en onbewoonbaar verklaarde oude huizen, die de zwarte ratten hadden
verlaten. Zij zochten hun voedsel in de gootsteenen en op mesthoopen,
en namen voor lief allen rommel, die de zwarte ratten niet meer wilden
hebben. Ze waren standvastig, met weinig tevreden en onvervaard,
en in weinig jaren waren ze zoo machtig, dat ze zich voornamen de
zwarte ratten uit Malmö te verjagen. Ze namen hun zolders, kelders
en magazijnen af; hongerden ze uit of beten ze dood, want ze waren in
't geheel niet bang voor den strijd.

En toen Malmö was ingenomen, trokken ze voort in kleine en groote
troepen om het geheele land te veroveren. 't Is bijna onbegrijpelijk,
waarom de zwarte ratten zich niet bij elkaar voegden, en een
grooten gezamenlijken veldtocht op touw zetten om de grijze ratten
te vernietigen, toen er nog maar weinig waren. Maar de zwarte waren
zeker zóó overtuigd van hun macht, dat ze niet konden gelooven, dat het
mogelijk was die te verliezen. Ze leefden stil op hun bezittingen, en
intusschen namen de grijze ratten hun het eene landgoed na 't andere,
het eene dorp na het andere, de eene stad na de andere af. Ze werden
uitgehongerd, verdrongen, uitgeroeid. In Skaane hadden ze zich nergens
kunnen staande houden dan op het huis Glimmingen.

Het oude steenen huis had zulke vaste muren, en er waren zoo weinig
rattengangen daar door heen, dat het den zwarten ratten gelukt
was het te behouden en den grijzen ratten te beletten er binnen te
dringen. Jaar in jaar uit, nacht na nacht was er oorlog gevoerd met
aanvallen en verdediging, maar de zwarte ratten hielden trouw de wacht,
en vochten met de grootste doodsverachting, en dank zij dat heerlijke
oude huis, hadden ze nog altijd overwonnen.

't Moet gezegd worden, dat zoolang de zwarte ratten de macht in handen
hadden, ze door alle andere levende wezens even erg verafschuwd werden
als de grijze ratten nu, en met recht. Ze hadden arme gevederde
gevangenen overvallen, en hen gepijnigd, ze hadden zich aan lijken
te goed gedaan, zij hadden de laatste rapen uit de kelders der armen
gestolen, de pooten van slapende ganzen afgebeten, eieren en kleine,
donzige kuikentjes van de kippen weggeroofd, en duizenden misdaden
begaan, maar sinds ze in het ongeluk waren geraakt, scheen dit alles
vergeten te zijn, en ieder moest wel de laatsten van hun geslacht
bewonderen, zóó lang als zij het uitgehouden hadden in den strijd
tegen hun vijanden.

De grijze ratten, die op de plaats Glimmingen en in de omgeving
woonden, zetten steeds den strijd voort, en trachtten elke
toevallige gelegenheid te gebruiken om zich van het kasteel meester
te maken. Men zou meenen, dat ze dat kleine troepje zwarte ratten het
kasteel Glimmingen in vrede hadden kunnen laten houden, nu ze zelf
het heele verdere land gewonnen hadden, maar daar dachten ze niet
aan. Ze zeiden gewoonlijk, dat het een zaak van eer voor hen was,
eens de zwarte ratten te overwinnen, maar zij, die de grijze ratten
kenden, wisten wel, dat het alleen was, omdat de menschen het huis
Glimmingen als korenmagazijn gebruikten, dat zij geen rust hadden,
vóór zij het hadden ingenomen.




DE OOIEVAAR.


Op een morgen werden de wilde ganzen, die op het ijs in 't Vombmeer
stonden te slapen, vroeg gewekt door luid geroep boven in de lucht:
"Trirop! Trirop!" klonk het.

"Trianut, de kraanvogel, laat Akka, de wilde gans en haar troep
groeten. Morgen zal de groote kraanvogeldans op den berg Kulla
plaats hebben!"

Akka strekte dadelijk den kop omhoog, en antwoordde: "Dank je wel! Veel
groeten! Dank je wel! Veel groeten."

Daarop vlogen de kraanvogels verder, maar de wilde ganzen hoorden ze
nog lang, terwijl ze voortvlogen, roepen over ieder veld en iederen
boschrijken heuvel: "Trianut laat u groeten. Morgen heeft de groote
kraanvogeldans op den berg Kulla plaats!"

De wilde ganzen waren heel blij met die boodschap.

"Je treft het!" zeiden ze tegen den witten ganzerik, "dat je meê
moogt naar den grooten kraanvogeldans."

"Is 't dan zooiets bizonders de kraanvogels te zien dansen?" vroeg
de ganzerik.

"Dat is iets, waarvan je zelfs nooit hebt kunnen droomen," antwoordden
de wilde ganzen.

"Nu moeten we er over denken, wat we morgen met Duimelot zullen
doen, zoodat hij geen ongeluk krijgt, terwijl wij op de Kulla zijn,"
zei Akka.

"Duimelot zal hier niet alleen achterblijven," zei de ganzerik. "Als
de kraanvogels niet willen hebben, dat hij hen ziet dansen, blijf ik
hier bij hem."

"Nog nooit is een mensch bij de groote dierenvergadering op de Kulla
geweest," zei Akka, "en ik durf Duimelot niet meê te nemen! Maar daar
kunnen wij vandaag nog wel eens over praten. Nu moeten we allereerst
iets te eten zien te krijgen."

Akka gaf toen het teeken tot vertrekken. Ook toen zocht ze haar weide
ver weg, om den vos, en daalde niet neer, voor ze op de moerassige
velden, ten zuiden van het huis Glimmingen kwam.

Dien heelen dag zat de jongen aan den kant van een plasje, en blies
op zijn rieten fluitje. Hij was uit zijn humeur, omdat hij den
kraanvogeldans niet zien mocht, en kon het niet over zich verkrijgen
een woord tegen den ganzerik of een van de anderen te spreken.

't Was toch wel hard, dat Akka hem nog niet vertrouwde. Als een jongen
had afgeslagen een mensch te worden, om met een paar arme wilde ganzen
rond te trekken, dan kon men toch wel begrijpen, dat hij geen lust
had hen te verraden. En ze moesten toch ook begrijpen, dat, als hij
zooveel had opgeofferd om met hen meê te mogen, het toch ook hun plicht
was hem al het merkwaardige te laten zien, wat ze maar konden vinden.

"Ik zal hun wel eens zeggen, hoe ik er over denk," dacht hij. Maar
het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij er toe kwam
dat te doen. 't Lijkt misschien vreemd, maar de jongen had wezenlijk
een soort ontzag voor de oude leidstergans. Hij voelde, dat het niet
gemakkelijk was zich tegen haar wil te verzetten.

Aan de eene zijde van het moerassige veld, waar de wilde ganzen
graasden, lag een breede steenen plaats. En nu gebeurde het, dat
de jongen tegen den avond het hoofd ophief om eindelijk met Akka te
spreken, en dat zijn oog op de plaats viel. Hij deed een uitroep van
verbazing, en alle ganzen keken dadelijk op, en begonnen denzelfden
kant uit te zien als hij. Op het eerste oogenblik dachten zij--en
de jongen ook--dat alle grijze baksteenen, waaruit de vloer van de
plaats bestond, pootjes hadden gekregen, en begonnen te springen,
maar al gauw zagen ze, dat het een troep ratten was, die er over heen
liepen. Ze bewogen zich heel snel, en sprongen voort, dicht op elkaar
gepakt, rij aan rij, en er waren zoovele, dat ze een langen tijd de
heele plaats bedekten.

De jongen was altijd bang voor ratten geweest, ook toen hij nog een
groot en sterk mensch was. En hoe zou hij het dan nu niet zijn, nu
hij zoo klein was, dat twee of drie van hen hem al de baas waren? De
eene rilling na de andere ging over zijn rug, terwijl hij daar naar
hen stond te kijken.

Maar 't was vreemd, dat de ganzen denzelfden afschuw van ratten schenen
te hebben als hij. Ze spraken niet tegen hen, en toen ze voorbij waren,
schudden ze zich, alsof ze modder op de veeren hadden gekregen.

"Zooveel grijze ratten aan 't wandelen! Dat is geen goed teeken,"
zei Yksi van Vassijaure.

Nu wou de jongen de gelegenheid waarnemen om Akka te zeggen, dat hij
vond, dat ze hem meê moest laten gaan naar de Kulla; maar hij werd
daar weer in verhinderd, doordat een groote vogel haastig neerdaalde
tusschen de ganzen.

Als men dien vogel zag, zou men kunnen meenen, dat hij het lichaam,
den hals en den kop van een kleine witte gans had geleend. Maar daarbij
had hij zich groote, zwarte vleugels aangeschaft, hooge roode pooten
en een langen, dikken snavel, die te groot was voor den kleinen kop,
en dien neertrok, zoodat het dier er bekommerd en bedroefd uitzag.

Akka legde gauw zijn vleugeldekveeren terecht, en boog verscheiden
malen den hals, terwijl zij den ooievaar tegemoet ging. Ze was niet
heel verbaasd hem zóó vroeg in het voorjaar in Skaane te zien, omdat
zij wist, dat de mannetjes-ooievaars gewoonlijk vroeg daarheen komen,
om na te zien of hun nest geen schade geleden had in den winter,
vóór de vrouwtjes-ooievaars zich de moeite geven over de Oostzee
te vliegen. Maar ze vroeg zich heel verwonderd af, wat dit kon
beteekenen, dat hij haar opzocht, omdat ooievaars het liefst met hun
eigen stamgenooten omgaan.

"Ik hoop niet, dat er iets niet in orde is met uw huis, Mijnheer
Ermerik," zei Akka.

Toen bleek het, dat 't waar is, wat men zegt, dat een ooievaar zelden
zijn snavel opent, als het niet is om te klagen. Wat nu maakte, dat,
wat de ooievaar zei, nog treuriger klonk, was dat hij zoo moeielijk
sprak. Hij stond een heele poos niets te doen dan te klepperen,
en sprak toen met een heesche en zachte stem. Hij beklaagde zich
toen over alles en nog wat: het nest, dat boven op het dak van het
huis Glimmingen lag, was heelemaal bedorven door de winterstormen,
en hij kon nu geen eten meer vinden in Skaane. De Skaaners hadden
hem nu bijna al zijn bezittingen afgenomen. Ze legden dijken om zijn
natte velden, en bebouwden zijn moerassen. Hij was van plan uit dit
land weg te gaan en nooit meer weerom te komen.

Terwijl de ooievaar zoo klaagde, kon Akka, de wilde gans, die nergens
vriendelijkheid of bescherming vond, niet laten te denken: "Als ik
het zoo goed had als u, Mijnheer Ermerik, zou ik me wel schamen te
klagen. U is een vrije, wilde vogel gebleven, en toch staat u op
zoo'n goeden voet met de menschen, dat niemand op u zal schieten,
of een ei uit uw nest nemen."

Maar dat hield ze voor zich. Tegen den ooievaar zei ze alleen, dat ze
niet gelooven kon, dat hij van een huis zou weggaan, waar ooievaars
hun verblijf hadden gehouden van den tijd af, dat het gebouwd was.

Toen vroeg de ooievaar snel, of Akka de grijze ratten had gezien,
die op weg waren naar het Glimmingehuis, en toen Akka antwoordde,
dat zij dat ongedierte gezien had, begon hij te vertellen van de
dappere zwarte ratten, die jarenlang het kasteel verdedigd hadden.

"Maar van nacht zal het huis Glimmingen in handen van de grijze ratten
vallen," zei de ooievaar zuchtend.

"Waarom juist van nacht, Mijnheer Ermerik?" vroeg Akka.

"Ja, omdat bijna alle zwarte ratten van nacht naar de Kulla zijn
getrokken," zei de ooievaar. "Ze vertrouwden er op, dat alle andere
dieren daar ook naar toe zouden gaan. Maar u ziet wel, dat de grijze
ratten thuis gebleven zijn, en nu verzamelen zij zich om 't kasteel
binnen te dringen, nu 't maar wordt verdedigd door een paar oude
stumpers, die niet meer meê naar de Kulla konden komen. Zij zullen
hun doel wel bereiken, maar ik heb nu zoolang in de buurt van de
zwarte ratten gewoond, dat ik er geen pleizier in heb op dezelfde
plaats met hun vijanden te wonen."

Nu begreep Akka, dat de ooievaar zich zoo geërgerd had over de
handelwijze der grijze ratten, dat hij haar had opgezocht om er zich
over te beklagen. Maar op de gewone ooievaarsmanier had hij stellig
niets gedaan om het ongeluk te voorkomen.

"Hebt u een boodschap naar de zwarte ratten gestuurd, Mijnheer
Ermerik," vroeg zij.

"Neen," zei de ooievaar. "Dat zou niets geven. Voor ze hier terug zijn,
is het kasteel al ingenomen.

"Daar moet u niet zoo vast op rekenen, Mijnheer Ermerik," zei Akka. "Ik
ken een oude wilde gans, die zoo'n schurkestreek graag zou beletten."

Toen Akka dit zei, hief de ooievaar het hoofd op en zag haar met
groote oogen aan. En dat was immers geen wonder, want de oude Akka had
geen klauwen en geen scherpen snavel, die in den strijd dienst konden
doen. En bovendien was zij een dagvogel, en zoodra het donker werd,
viel ze altijd in slaap. En de ratten vochten juist altijd 's nachts.

Maar Akka was blijkbaar van plan de zwarte ratten bij te staan. Ze
riep Yksi van Vassijaure, en beval haar de ganzen naar het Vombmeer
te voeren, en toen de gans bezwaren maakte, zei ze kortaf en op een
toon van gezag:

"Ik geloof, dat het voor ons allen het beste is, dat je doet, wat ik
zeg. Ik moet naar het groote steenen huis, en als jelui meêgaan, dan
zien natuurlijk de menschen daar ons, en schieten ons dood. De eenige,
dien ik op deze reis meenemen wil, is Duimelot. Hij kan me van groot
nut zijn, want hij heeft goede oogen, en kan 's nachts wakker blijven."

De jongen was dien dag in een koppige bui, en toen hij hoorde, wat Akka
zei, rekte hij zich uit om zoo groot te zijn, als hij maar kon, en deed
een stap vooruit met de handen op den rug en den neus in de lucht,
om te zeggen, dat hij niet van plan was meê te doen in het gevecht
tegen de grijze ratten. Ze moest maar zien andere hulp te krijgen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen voor den dag kwam,
begon er leven in den ooievaar te komen. Tot nu toe had hij op
ooievaarsmanier met gebogen hoofd gestaan, en den snavel tegen den
hals gedrukt gehouden; maar nu hoorde men een geluid diep in zijn keel,
alsof hij lachte. Bliksemsnel stak hij den snavel naar beneden, pakte
den jongen, en gooide hem een paar meter de lucht in. Dat kunststuk
herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep:
"Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een
mensch, Mijnheer Ermerik!"

Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd
neer. Toen zei hij tot Akka: "Ik vlieg nu naar 't huis Glimmingen
terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik
heenging. U kunt er zeker van zijn, dat ze heel blij zullen zijn, als
ik hun vertel, dat Akka, de wilde gans, en Duimelot, de menschendwerg,
komen om hen te redden."

Met die woorden strekte de ooievaar den hals uit, sloeg met de
vleugels, en vloog weg als een pijl uit een sterk gespannen boog. Akka
begreep, dat hij haar voor den gek hield, maar dat trok ze zich
heelemaal niet aan. Ze wachtte tot de jongen zijn klompjes gevonden
had, die de ooievaar van hem had afgeschud. En toen zette ze hem op
haar rug, en volgde den ooievaar. En de jongen verzette er zich niet
tegen, en sprak er geen woord over, dat hij niet meê wilde. Hij was zoo
boos op den ooievaar, dat hij bijna zat te brieschen. Die leelijke,
lange roodpoot dacht, dat hij nergens voor deugde, omdat hij klein
was, maar hij zou hem wel toonen, wat Niels Holgersson van Wester
Vemmenhög voor een flinke baas was.

Een oogenblik later stond Akka in het ooievaarsnest, op het huis
Glimmingen. 't Was een prachtige, groote woning. Als onderlaag had het
een wiel, en daarover lagen verscheidene lagen takken en zoden. De
woning was zoo oud, dat allerlei struiken en planten wortel hadden
geschoten, en als de ooievaarsmoeder zat te broeden, had zij niet
alleen een heerlijk uitzicht op en over een groot gedeelte van Skaane
om van te genieten, maar ze had ook wilde rozen en huislook om naar
te kijken.

De jongen en Akka konden al gauw merken, dat hier iets gaande was,
dat alles in de war bracht. Op den rand van het ooievaarsnest zaten
twee katuilen, een oude grijsgestreepte kat en een dozijn stokoude
ratten, met scheefgegroeide tanden en loopende oogen. Dat waren nu
juist geen dieren, die men gewend was vredig bijeen te zien.

Geen van hen bewoog zich om Akka aan te zien, of om haar welkom te
heeten. Ze dachten aan niets anders dan aan een paar lange, grijze
lijnen, die hier en daar flauw te onderscheiden waren op de rotsen,
die kaal en naakt waren door den winter; ze zaten er onafgebroken op
te staren.

Alle zwarte ratten zwegen. Men kon hen aanzien, dat ze diep wanhopig
waren, en 't wel wisten, dat ze noch hun eigen leven, noch het kasteel
konden verdedigen. De beide uilen rolden hun groote oogen heen en weer,
trokken met de oogleden, en spraken met booze, scherpe stemmen over de
groote wreedheid van de grijze ratten, en dat ze om hen uit hun nest
weg moesten, want dat ze gehoord hadden, dat ze eieren, noch donzige
jongen spaarden. De oude gestreepte kat was er van overtuigd, dat de
grijze ratten haar zouden dood bijten, als er zóóvele in het kasteel
kwamen, en zij bromde onophoudelijk op de zwarte ratten. "Hoe kon
jelui zoo dom zijn, en je beste soldaten weg laten gaan?" zei zij. "Hoe
kon jelui op de grijze ratten vertrouwen? 't Is onbegrijpelijk."

De twaalf zwarte ratten antwoordden niet, maar de ooievaar kon
niettegenstaande zijn droefheid niet laten gekscherend tegen de kat te
praten: "Wees maar niet bang, Mono, huiskat!" zei hij: "Zie je niet,
dat Moeder Akka en Duimelot hier zijn gekomen om het slot te redden. Ge
kunt er zeker van zijn, dat hun dat gelukt. Nu moet ik gaan slapen,
en ik doe dat met een gerust hart. Morgen, als ik wakker word, is er
stellig geen enkele grijze rat meer in 't Glimmingehuis."

De jongen knipoogde tegen Akka, en beduidde haar, dat hij den ooievaar
op den grond wilde gooien, terwijl die zich gereed maakte om te
gaan slapen op den buitensten kant van het nest, met het eene been
opgetrokken; maar Akka belette hem dat. Zij zag er in 't geheel niet
gekwetst uit. Ze zei alleen heel vergenoegd: "'t Zou wel erg zijn als
iemand, die zoo oud is als ik, zich niet uit grooter moeilijkheid
zou kunnen redden, dan deze. Als maar de uileman en de uilevrouw,
die den heelen nacht wakker kunnen blijven, een paar boodschappen voor
mijn rekening willen doen, dan denk ik wel, dat alles goed zal gaan."

Dat wilden de beide katuilen wel, en Akka vroeg toen den uileman, of
hij de zwarte ratten, die vertrokken waren, weer opzoeken wou, en hun
aanraden zoo spoedig mogelijk weer thuis te komen. De uilevrouw zond
ze naar Flammea, de torenuil, die in de domkerk te Lund woonde, met
een zoo geheimzinnige boodschap, dat Akka haar die alleen fluisterend
durfde toevertrouwen.




DE RATTENVANGER.


Het liep tegen middernacht, toen de grijze ratten na lang zoeken een
kelderluik vonden, dat open stond. Dat zat vrij hoog in een muur;
maar de ratten gingen op elkaars schouders staan, en het duurde niet
lang, voor de moedigste onder hen in het luik zat, klaar om in 't
huis Glimmingen binnen te dringen; buiten de muren van dat kasteel,
waarvoor zóóveel van zijn voorvaderen gevallen waren.

De grijze rat zat een poosje heel stil in het luik te wachten, of
hij ook aangevallen werd. De hoofdtroepen van de verdedigers waren nu
wel weg, maar hij nam aan, dat de zwarte ratten, die in het kasteel
waren achtergebleven, zich niet zonder strijd zouden overgeven. Met
een kloppend hart luisterde hij naar het minste gedruisch, maar alles
bleef doodstil. Toen vatte de aanvoerder der grijze ratten moed,
en sprong naar beneden in den kouden, donkeren kelder.

De eene grijze rat na de andere volgde den aanvoerder. Allen waren
heel stil, en allen verwachtten, dat de zwarte ratten zich verweren
zouden. Niet vóór er zóóvele in den kelder waren binnengedrongen, dat
er niet meer op den vloer konden staan, waagden zij het verder te gaan.

Hoewel ze nooit te voren in het gebouw waren geweest, viel het
hun toch niet moeilijk den weg te vinden. Zij ontdekten al gauw
de loopgraven in den muur, die de zwarte ratten gebruikt hadden om
in de bovenste verdiepingen te komen. Maar vóór dat ze die smalle,
steile trappen opklauterden, luisterden ze weer heel oplettend. Ze
waren veel onrustiger, doordat de zwarte ratten zich op deze manier
schuil hielden, dan ze zouden geweest zijn, als ze hun in open oorlog
tegemoet waren gekomen. Ze konden nauwelijks aan hun geluk gelooven,
toen ze zonder ongelukken in de eerste verdieping waren gekomen.

Zoodra ze daar binnenslopen, kwam hun de geur van 't koren tegemoet,
dat in groote hoopen op den vloer werd bewaard. Maar het was nog de
tijd niet om van hun overwinning te genieten. Ze doorzochten eerst met
de grootste nauwkeurigheid de donkere, kale vertrekken. Ze sprongen
op den haard, die midden op den vloer stond, in de oude keuken
van het kasteel, en ze waren bijna in den put van de binnenkeuken
gevallen. Ze sloegen geen enkele van de smalle lichtopeningen over
bij hun onderzoek, maar ze vonden nog steeds geen zwarte ratten. Toen
die verdieping dus geheel en al in hun macht was, begonnen ze even
voorzichtig de volgende te onderzoeken. Weer moesten ze een moeielijke
en gevaarlijke klauterpartij door de muren ondernemen, terwijl ze in
ademloozen angst verwachtten, dat de vijand op hen aan zou vliegen. En
hoewel de heerlijkste geuren uit de korenhoopen verlokkend tot hen
kwamen, dwongen ze er zich toe met de grootste orde de door zuilen
gesteunde bediendenkamer van de vroegere knechts te onderzoeken--hun
steenen tafel en haard, de diepe vensternissen en het gat in den vloer,
dat men er in vroeger dagen had gemaakt, om daardoor kokende pik over
een binnendringenden vijand te kunnen gieten.

Nog steeds bleven de zwarte ratten onzichtbaar. De grijze zochten
hun weg naar de derde verdieping, waar de groote feestzaal van den
burchtheer was, die even naakt en kaal stond als alle andere; ze kwamen
heel tot in de bovenste verdieping, die uit een enkele groote, leege
ruimte bestond. De eenige plaats, waar ze niet aan dachten om die te
doorzoeken, was het groote ooievaarsnest op het dak, waar juist op
dat oogenblik de uilevrouw Akka wakker maakte, en haar mededeelde,
dat Flammea, de torenuil, haar wensch had vervuld, en haar zond waar
zij om vroeg.

Toen nu de grijze ratten zoo nauwkeurig het geheele kasteel hadden
onderzocht, voelden zij zich veilig. Ze begrepen, dat de zwarte
ratten gevlucht waren, en er niet aan dachten weerstand te bieden;
en ze sprongen met een vroolijk hart naar de korenhoopen.

Maar nauwelijks hadden de grijze ratten de eerste korenkorrels
opgegeten, of beneden van de plaats klonk het scherpe geluid van
een schel fluitje. Ze hieven den kop op, luisterden onrustig, deden
een paar sprongen, alsof ze van plan waren van de korenhoopen weg te
loopen, maar keerden toen terug, en begonnen weer te eten.

Weer klonk de fluit sterk en snijdend, en nu gebeurde er iets
wonderlijks. Eén rat, twee ratten,--ja, een heele troep liep weg van
het koren. Ze sprongen uit den korenhoop, en haastten zich langs den
kortsten weg naar den kelder om uit het huis weg te komen. Toch waren
er nog heel wat grijze ratten over. Zij dachten aan al de moeite, die
't hun had gekost om in het huis Glimmingen te komen, en ze wilden
't niet verlaten. Maar de tonen van de fluit bereikten hen nog eens,
en toen moesten ze gehoorzamen. Ze stortten in wilde vaart neer uit
den korenhoop, vlogen door de nauwe gaten in de muren, en rolden over
elkaar, in hun haast om naar buiten te komen.

Midden op de plaats stond een dwergje, dat op een fluit blies. Om zich
heen had hij al een heelen kring ratten, die verbaasd en bekoord naar
hem luisterden; en ieder oogenblik kwamen er meer bij. Eens nam hij
de fluit uit den mond om een langen neus tegen de ratten te kunnen
trekken, en toen scheen het, alsof zij lust hadden op hem aan te
vliegen en hem dood te bijten, maar zoodra hij blies had hij ze in
de macht.

Toen het dwergje alle grijze ratten uit het Huis Glimmingen had
gespeeld, begon hij langzaam van de slotplaats weg en den straatweg
op te loopen, en al de grijze ratten liepen hem na, omdat de tonen
van die fluit hun zóó liefelijk in de ooren klonken, dat ze die niet
konden weerstaan.

Het dwergje liep voor hen uit, en lokte hen met zich meê naar
Valby. Hij leidde ze in alle mogelijke kringen en bochten en scherpe
hoeken door hagen en langs dijken naar beneden, en waar heen hij ging
moesten ze meê. Hij blies onophoudelijk op zijn fluit, die van hoorn
scheen gemaakt te zijn, hoewel de horen zóó klein was, dat er in onze
dagen geen dier bestaat, waar die van zou kunnen zijn. Niemand wist ook
wie dat fluitje gemaakt had. Flammea, de torenuil, had het gevonden in
een nis in den toren van de domkerk in Lund. Zij had het aan Bataki,
den kraai, laten zien, en ze hadden samen uitgevonden, dat het zoo'n
horen was, als men vroeger placht te maken, wanneer men macht over
ratten en muizen wilde krijgen. De kraai was een vriend van Akka,
en door hem was zij te weten gekomen, dat Flammea zulk een schat bezat.

En het was waar, dat de ratten die fluit niet konden weerstaan. De
jongen liep vooruit, en speelde zoolang er sterren aan den hemel waren,
en ze liepen hem al dien tijd na. Hij speelde tot de morgen aanbrak,
hij speelde tot de zon opging, en aldoor volgde de heele schaar grijze
ratten hem en werden al verder en verder van den grooten korenzolder
op het Huis Glimmingen weggelokt.






V.

DE GROOTE KRAANVOGELDANS OP DEN KULLABERG.


't Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in
Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft
als de oude Kullaberg.

De Kullaberg is laag en langwerpig. 't Is heelemaal geen hooge
of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en
akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich
ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo
bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten
in Skaane.

Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet
laten een beetje teleurgesteld te zijn.

Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den
kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij
op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet
weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo
gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen
om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen,
als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg,
om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij
den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.

Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar
bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven,
diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten,
die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den
wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken
en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte
hellingen en zachtglooiende, met groen bekleede terrasjes. Daar zijn
kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes,
die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar
zijn statige rotspoorten, die zich over 't water welven; daar zijn
steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere,
die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar
zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten,
den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen,
tot in het hol van den Kullaberggeest.

En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich
ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind
is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen
om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over
't veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf,
en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.

Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de
schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg
zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen
daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen,
wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar
samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik
uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen
de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren,
waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder
ander oord.

Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de
reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren,
den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet
te worden opgemerkt. Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar
de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver
van de uiterste punt van den berg.

De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die
haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in
de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen
zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de
heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben
de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op
den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het
Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande
wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.

Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich
neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel
't een uitgemaakte zaak is, dat op een dag als deze, algemeene vrede
heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op
dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen
loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar
toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de
oude gewoonte.

Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels
uit te zien. 't Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels
zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen,
als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook
niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De
zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.

Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar
een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En
zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund
naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen,
blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te
kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt,
stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk
valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk,
en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder
grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen
en groengele meezen.

Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat
blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en
kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en
spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en
boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit
de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil
van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als
het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet
enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot,
dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze
boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet
een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij,
die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.

Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd
door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar
aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er
door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een
donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst
geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst
gekras. Allen, die op de speelplaats zijn, herademen, als die wolk zich
eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien,
en roeken, en raven en zaadkraaien.

Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een
menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte,
gestippelde lijnen in 't oosten en 't noordoosten. Dat zijn de
boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op
een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels,
van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven
in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in
scheeve hoeken en halve cirkels.

Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels
Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep
later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel
Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze,
zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die
urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van 't huis
Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap,
dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn,
en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen,
en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.

Maar 't was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met
zijn groot gevolg voortliep; 't was niet Akka, die neerdaalde,
hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de
lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar
hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht,
en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo
oneerbiedig had behandeld.

Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden
goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar
oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen,
die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den
jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet
had verdiend.

"Neen, Moeder Akka," zei hij. "U moet niet denken, dat ik de grijze
ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer
Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar,
en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den
Kullaberg te nemen. "Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als
op ons zelf," zei ze.

De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.

"Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,"
zei hij, "'t is een geluk, dat we hem kunnen beloonen voor alles,
wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog
spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen,
zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen."

Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen,
die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit
zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over
hem spraken.

Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug
van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was,
bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een
meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van
wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog,
met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een
massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte
in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer
wierp hij zich naar beneden met zóó'n vaart, dat het scheen, dat hij
hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte
hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka
heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was
in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger
niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.

Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het
Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de
grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht
naar den Kullaberg.

Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd
was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop
naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens
van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen
van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit
van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte
kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich
niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht,
en zongen van blijdschap.

Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen
en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij
verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij
elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze
dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers,
die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien
zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij,
toen die voorbij was. De dieren vonden dien even somber en onzinnig
als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze
werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets,
wat hen een beetje blij kon maken.

Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien
klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een
lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of
vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met
zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder
't springen draaiden ze in 't rond, namen hooge sprongen, en sloegen
met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden
ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en
rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond,
een ander liep op de voorpooten. Er was niet de minste orde, maar er
was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren,
die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu
waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De
zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!

Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote
boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en
met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op
de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op,
sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren
voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte
een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. "Tjek, tjek tjek,"
klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een
paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde:
"Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!" En meteen werd hij
zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.

Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie,
die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit
hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo
ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen
en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen,
en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun
bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide,
begon zwaar en heet te worden.

"Ja zeker! Nu is het lente!" dachten alle diervolken. "De winterkoude
is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde."

Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes
hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was,
waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer op de speelplaats,
waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde
staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te
zingen: "Orr, orr, orr!"

Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen,
gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren
aan niets anders dachten dan aan 't spel van de korhoenders, heel
zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep
heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem
opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in 't oog, en omdat ze niet
gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen
doorsluipen zou, begon ze te roepen: "Pas op! Wilde ganzen, pas op!"

De vos sloeg haar over de keel, misschien wel 't meest, opdat ze
zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord,
en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den
heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.

Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had,
kreeg Smirre zoo'n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had,
dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd
had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk
omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik,
dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag
verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis
verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen
probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd,
om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het
land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem
verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn
vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust-
en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk
beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten
zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt
van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge
vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem
bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen
achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.

Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun
wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun
eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet
laten storen.

Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de
kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hun oorlogsspel te
laten zien. 't Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze
stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens
tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden
elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven
losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong
zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.

Op de heuvels in 't rond was het ademloos stil, terwijl de in
't strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een
nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt
door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor
allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal
vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als
de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan,
zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle
door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat
ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was,
en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.

Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en
dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den
anderen: "Nu komen de kraanvogels." En toen kwamen de grijze, als in
schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode
veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen,
hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over
den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden,
zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels
gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was
iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze
schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het
was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame
moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor 't eerst
op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar
den dans van de kraanvogels heette.

Er was woestheid in, maar 't gevoel, dat het wekte, was toch een zoet
verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de
gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig
hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt,
het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven
naar het bovenaardsche.

Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het
leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt
was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.






VI.

IN DEN REGEN.


Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in
den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad,
maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen,
begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van
den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.

Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De
wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder
haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige
in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd
gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld,
maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen
ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep:
"Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik."

Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen
afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar
ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de
schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren
van Christianstad en 't koningspaleis van Bäckaskog op de smalle
landtong tusschen 't meer van Oppmanna en 't Ivömeer, en de steile
helling van den Ryesberg.

't Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen
te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de
regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden,
dat zij grijs en vervelend waren, maar 't was heel wat anders, nu
hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige
vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen:
sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, andere met
tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en
andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende
hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze
een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had,
en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken
het water over de aarde neer te stroomen.

Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op 't veld
neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle
vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk,
en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.

"Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente
geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen
en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is
het beste, wat er is," zongen de vogeltjes.

Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun
slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden
zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een
vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.

Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in
de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze:
"Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nu zijn
jelui lang genoeg lui geweest."

Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen,
zeiden ze vermanend: "Waarom hebben jelui zoo'n haast? Zien jelui niet,
dat het stoeten en pannekoeken regent!"

Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden
voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te
verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich
groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: "Hier komen we met
anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we
met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar
aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!"

Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog
blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging,
werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen
om het meer van Ivö: "Hebben jelui nu nog niet haast genoeg? Hebben
jelui nu nog niet haast genoeg?"

De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed,
dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter,
sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette
buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van
regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze
verwarring, en de wegmerken waren bijna niet te zien. De tocht ging
al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou
steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de
lucht gereden had. En 's middags, toen ze neergestreken waren onder
een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar
alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren
bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had
hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen
en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en
't werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door
konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen
lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet
slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel
geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen;
hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest
ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven
zou van angst. "Als ik 't nu eens waagde naar de menschen te gaan,
voor dezen éénen nacht?" dacht de jongen. "Alleen maar zoo, dat ik
even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar
de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang."

Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond
glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen
niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over 't moeras.

Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane,
in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij
een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet
lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die
lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.

De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er
zooveel zijn hooger op het land, maar die men in 't geheel niet vindt
op de vlakten.

De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden
gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met
hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte
olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of
nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken,
hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten
en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het
prettig weer menschenstemmen te hooren. "Ik zou wel eens willen weten,
wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te
worden," dacht hij.

Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was
zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan
voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij
in de nabijheid van menschen was.

"Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken," dacht hij, "voor ik iemand
vraag, of ik binnen mag komen."

Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen
voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig
licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een
mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.

"Het regent, nu komt de lente gauw," zei ze. Toen de jongen haar zag,
werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het
eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de
menschenwereld gezet had.

Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een
roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk
op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met
de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig 't
wezen moest, met zoo'n mooie machine over een akker te rijden. Een
oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen
dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd
steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou
toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.

Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten,
die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van
de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over,
hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden
tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan,
dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren
spreken van een wereld,--boven die, waarin ze leefden,--van God,
en opstanding en eeuwig leven.

En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.

Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat
wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te
geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten,
wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar
nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden,
zooals hij wezen moest.

Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te
worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep,
ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar
een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofd er pijn van
deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten
al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe
onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.

"Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft
geleerd als ik," dacht hij eindelijk. "'t Zal wel zoo loopen, dat ik
toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en
den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd
zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit."

Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde
zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan 't zwemmen
was geweest.

Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen,
en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En
dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak
zat, zich te bewegen en riep: "Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis,
moerasuil? Hoe heb je het in 't buitenland gehad?"

"Heel goed, dank je wel, katuil!" zei de moerasuil. "Is er hier wat
bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?"

"Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is 't gebeurd, dat
een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als
een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans."

"Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit
weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?"

"Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De
kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past,
zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en..."

"En verder, katuil? Verder? Verder?"

"Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je
alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is,
die ons beluistert."

En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op
in de lucht. "Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids
thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag
ik weer een mensch worden!"

Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in
de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard
zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het
natte moeras.






VII.

BIJ DE BEEK VAN RONNEBY.


Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit
weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar
nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen,
en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe
in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen
parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën
gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.

Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd,
niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde
ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de
ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.

Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust
in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet,
dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot
ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting,
en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een
slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat
hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.

Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken
waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet
bij hen kon komen.

De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar
toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene
plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht
uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie
en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er
is niet veel, dat prettiger is op een mooien zomerdag, dan op dat
kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat
zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.

Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud,
buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand,
die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk
waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo'n steilen
bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze
er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende
beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter
zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen
verborgen. Ze konden het niet beter hebben.

De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog
dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en
't woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder
den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar
slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij
niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van
alle kanten, en er kwam zoo'n groote onrust over hem, dat hij onder
den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.

Smirre stond op den bergtop, ver weg uit 't gezicht.

"Deze vervolging hier kun je even goed laten!" zei hij in zich
zelf. "Je kunt zoo'n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo'n
woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje
land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn
je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen."

Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en
hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde
de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te
bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja,
't was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar 't armoedige
Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar
lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze
dan ook zelf niet op mogen eten.

Toen Smirre's boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij
geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een
eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen
van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die
voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich
tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij
keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was
als de eekhoorn, maar toch even zeker op en neer langs de boomstammen
sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.

"Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar," dacht de vos,
"dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen."

Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar
den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen,
dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den
marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre
wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter
daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop,
zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein
prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner,
en hij antwoordde bijna niet.

"Het verbaast me," zei Smirre, "dat zoo'n jager, als jij zich met
de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je
bereik is."

Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel
onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: "'t Is toch
niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder
tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in 't klimmen,
dat je beneden bij hen kunt komen?"

Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.

"Heb je wilde ganzen gezien?" riep hij blazend. "Waar staan die? Zeg
het dadelijk, of ik bijt je den strot af!"

"Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees
een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen."

In 't volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl
Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van
tak tot tak voortbewoog, dacht hij:

"Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in 't heele bosch. Ik
denk, dat de wilde ganzen 't aan mij te danken hebben, als ze in
een bloedbad wakker worden." Maar juist toen Smirre verwachtte
den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van
een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog
opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen,
en alle ganzen vlogen snel op.

Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend
te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter
weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu
en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.

"Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou
rollen!" zei Smirre verachtelijk.

"Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen," zei
de marter. "Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over,
hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje,
niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó'n kracht een
steen naar het hoofd gooide, dat ik in 't water viel, en eer ik er
weer uit kon kruipen..."

De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar
hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.

Intusschen was Akka naar 't zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats
te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien
stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien
kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer
dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was,
als ze in 't voorjaar over de Oostzee reisde.

Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang
kon zien slingeren door het in 't maanlicht badende landschap. Zoo
kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een
onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van
glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem
daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder
aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water
als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was
ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als
de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging,
hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt
niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een
papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen
begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven
op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom,
die bruisend in de kloof valt.

't Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers
dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer
beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig
en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden
waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze
veilig voor roofdieren waren.

De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij
zat naast hen om op den ganzerik te passen.

Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij
kreeg dadelijk de ganzen in 't oog, die daar in den bruisenden
maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon
komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten. Hij bleef aan den oever
naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond,
dat zijn eer als jager op 't spel stond.

Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch
in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen
afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet
wou afnemen.

"Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen,
als er volop wilde ganzen op de steenen staan," zei Smirre. Hij was
zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te
kiezen, als hij gewoonlijk deed.

De otter keerde niet eens zijn kop naar 't water. Hij was een
landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt,
en kende Smirre, den vos, wel.

"Ik weet wel, hoe jij 't aanlegt om een forel machtig te worden,
Smirre," zei hij.

"O, ben jij 't, Gripe," zei Smirre en was blij, omdat hij wist,
dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. "Ik wil wel gelooven,
dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staat
bent ze te bereiken." Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de
teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was,
en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde 't niet op zich laten
zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde
zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg,
wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.

Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen
in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten
hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter
werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte
zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop
over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. 't
Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen
te worden.

Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag
hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar
juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte
achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind,
jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard
met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te
zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn
eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht
mislukt was, barstte hij uit: "'t Komt niet, doordat ik niet goed
zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou
juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen,
en me op mijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó'n pijn,
dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me."

Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de
ganzen achterna.

Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken
tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar
licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te
vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier
weer naar 't zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere
daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer
te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de
zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis,
met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles
staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten,
en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting
zoeken op de balkons en in de waranda's van de verlaten gebouwen.

Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk
sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij
niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.

't Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen 't gezicht op de zee
had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe
mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.

Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel
verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij
de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij
't land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. 't Is
alsof ze zoo'n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste
willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het
land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt,
alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat
de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat
tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van 't land kort
en klein wil scheuren.

Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar
ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes,
en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien
komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee
elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.

Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en
leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als
ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die
neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groen af, en maakt haar even
kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar
gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die
wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen
was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de
zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt,
om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe
verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt
haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich
in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij 't land zóó
weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan
zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.

En denk dan aan 't land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna
overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een
beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met
bosch begroeid. 't Ziet er uit, alsof 't enkel denkt aan haver, en
rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die
ver in 't land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar 't zet die af
met berk en els, precies alsof 't een gewoon zoetwatermeertje was. Dan
komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten
mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en
breken in, en maken zich breeder. Ze splijten 't veld en de bosschen,
en zoodoende moet het land ze wel opmerken.

"Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt," zegt het land, en dan
begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst
en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. 't
Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als
oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden,
en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo
mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het
zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.

Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de
jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij
begon zich rustiger te voelen dan in 't begin van den nacht. Toen
hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het
badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn
op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer
nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had
hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij
te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.

Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en
hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.

"Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?" vroeg ze.

"Ja," zei Smirre, "ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui
ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb."

"Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden
hebt?" vroeg Akka weer.

"Een goede daad moet men niet ontkennen," zei Smirre. "Jelui hebt
eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het
vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden,
zoolang er nog maar een van jelui in 't leven is, al zou ik jelui
ook door 't heele land heen vervolgen."

"Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die
gewapend is met tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen;
wij--die weerloos zijn," zei Akka.

Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: "Als jij,
Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt,
pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te
sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij
je hooren."

"Duimelot kan ik je niet geven," zei Akka. "Van de jongste tot de
oudste hebben we graag ons leven voor hem over."

"Als jelui zóóveel van hem houden," zei Smirre, "dan beloof ik je,
dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal."

Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild
had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door
wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit
had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn
leven voor hem wilde wagen!

Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen,
dat hij van niemand hield.






VIII.

KARLSKRONA.


't Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. 't Was mooi en
stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend,
en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want
bijna niemand waagde zich nog op straat.

Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over
Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten
avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen
te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze--waar ze ook
neerstreken--door Smirre, den vos, gestoord werden.

Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de
klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er
zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw,
maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was
melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren
glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele
klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of
vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken
en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart
af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde
onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.

Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet
bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig
verschrikte. 't Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige
blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken
helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen,
bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden
zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets
dergelijks was.

Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er
maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen
hadden. 't Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de
jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland
hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de
landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden,
waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste
punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over
al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.

De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist
boven dat eiland ging neerdalen.

"Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken," zei hij.

Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over,
dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren
ten eerste niets anders dan huizen. 't Heele eiland was een stad,
en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte
vensters. De reus, die op 't hoogste punt van het eiland stond en de
armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken
en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en
vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van
het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine
kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde
vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende
schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door
't water moesten kunnen glijden als visschen.

Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter
komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven
pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken
gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten
varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen
lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.

De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en
zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de
groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier
voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat
hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.

Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen,
die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de
werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.

Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd
wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen
nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon
hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij
zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als
het licht werd.



De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden
kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging
zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder
den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen
naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote
markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en
voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk
weiland. Zij, die in 't woeste veld wonen, of ver weg op het land,
voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen
recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan
zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op
de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het
raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was
geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.

Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men
ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk
stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten,
groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok,
korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het
wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit,
alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig
streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.

"Wat heeft die hanglip daar te maken?" zei de jongen eindelijk. Hij
had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij
probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht
hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in,
die naar zee leidde.

Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich
hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen
stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat
klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan 't wandelen
was gegaan.

De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde,
en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De
grond dreunde, en de huizen schudden. 't Kon niemand anders wezen dan
hij, die zóó zwaar liep, en de jongen werd bang, toen hij dacht aan
wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken
om te zien, of hij het werkelijk was.

"Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier," dacht de
jongen. "Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat
was heelemaal zoo niet bedoeld."

In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen,
sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde
allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.

Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat
insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat
hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden
in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan
zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat,
midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik,
maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.

"Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad
beschut," meende hij.

Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond,
en hem wenkte.

"Dat is zeker iemand, die mij helpen wil," dacht de jongen. Hij werd
innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang,
dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam,
die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal
verbluft.

"Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte," dacht hij,
want hij zag, dat de heele man van hout was.

Hij bleef hem aan staan kijken. 't Was een grove man met korte beenen
en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen
zwarten baard. Op 't hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het
lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten
sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten
kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas
geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn,
en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo'n goedig uiterlijk te
geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.

In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:


                Ik vraag u nederig,
                Al is mijn stem ook zwak,
                Kom, leg een penning neer,
                Maar neem mijn hoed dan af.


O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war
gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders zou zijn. En nu
herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar
had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel
van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om
van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich,
dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd
zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,--precies zooals
men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.

De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij
den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu
hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij
kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?

Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem
neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk
iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één
sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed,
en stopte hem daaronder.

Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm
weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem,
en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn
voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:

"Wat ben jij voor een snuiter?"

De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout
kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:

"Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op
't linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de
Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein
neergezet als armenbus."

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/29320