De strijd tusschen Noord en Zuid
by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #29192 · 464,099 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De strijd tusschen Noord en Zuid
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De strijd tusschen Noord en Zuid
Author: Jules Verne
Release date: June 21, 2009 [eBook #29192]
Most recently updated: January 5, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/29192
Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID ***
Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
Wonderreizen
Jules Verne
De strijd tusschen Noord en Zuid
De Zwarte Kreek van Texar
Amsterdam
Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"
Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen.
TWEEDE GEDEELTE.
I.
NA DE ONTVOERING.
»Texar!"...
Ja, Texar! dat was wel degelijk de verafschuwde naam, die door Zermah
in den nacht uitgekreten was, juist op het oogenblik toen mevrouw
Burbank en miss Alice Stannard op den oever der Marino-Kreek aankwamen.
Het jonge meisje had daarenboven den ellendigen Spanjaard herkend,
zoodat niet kon in twijfel getrokken worden, dat hij de bewerker der
ontvoering van de kleine Dy en van de mestische vrouw Zermah was,
ja, dat hij de uitvoerder van die schandelijke daad was.
En inderdaad, Texar was de schuldige. Hij was bij zijn boevenstuk
door een half dozijn kerels geholpen geworden, die aan hem met lijf
en ziel verknocht waren en bij alle door hem gepleegde misdaden zijne
medeplichtigen waren.
De Spanjaard had reeds sedert lang dien tocht voorbereid, die de
verwoesting van de plantage Camdless-Bay, de plundering van het
heerenhuis Castle House, den financiëelen ondergang van de familie
Burbank, en de gevangenneming of den dood van het hoofd van dat gezin
moest tengevolge hebben.
Met dat doel had hij zijne roofzieke benden over de plantage
losgelaten! Hij had zich toen evenwel niet aan hun hoofd gesteld,
maar de leiding van dien troep aan den meest woesten kerel zijner
partijgangers opgedragen. Hierdoor wordt het verklaarbaar, dat John
Bruce, de agent van master Harvey, die zich bij den aanvallenden
troep gevoegd had, aan James Burbank had kunnen verzekeren, dat Texar
daarbij niet aanwezig was.
Om hem te ontmoeten, zou men naar de Marino-Kreek hebben moeten gaan,
die door middel van een tunnel, zooals de lezer weet, met Castle-House
in gemeenschap stond. Voor het geval dat het heerenhuis het beleg
niet langer zoude kunnen uithouden, zouden de verdedigers trachten
langs dien tunnel den terugtocht aan te nemen, om aan hunne vijanden
te ontkomen.
Texar was met het bestaan van dien tunnel bekend. Hij was dan ook
te Jacksonville in een vaartuig gestegen en had, terwijl Squambo,
vergezeld van twee slaven in eene andere boot gezeten, zich bij hem
gevoegd had, post gevat in de Marino-Kreek, ten einde de vlucht van
master James Burbank te bespieden.
En werkelijk, hij had zich niet vergist. Dat bespeurde hij dadelijk,
toen hij een der sloepen van Camdless-Bay ontwaarde, die achter
de biezen der kreek verscholen lag. De negers, die de wacht in dat
vaartuigje hielden, werden overvallen en afgemaakt. Daarna viel er
niets anders te doen dan te wachten. Weldra verscheen Zermah, die het
kleine meisje bij zich had. Toen de mestische begon te schreeuwen en
te gillen, vreesde de Spanjaard, dat men haar te hulp zoude komen. Hij
greep haar en leverde haar aan Squambo over. Toen mevrouw Burbank
en miss Alice Stannard een oogenblik later verschenen, bevond Zermah
zich reeds in het vaartuig van den Indiaan op het midden der rivier.
De lezer weet het overige.
Intusschen had Texar, na de voltooide ontvoering van die vrouw en dat
kind, het niet noodig geacht zich bij Squambo te vervoegen. Die man,
die hem met lijf en ziel toegedaan was, wist naar welke onnaspeurlijke
schuilplaats hij Zermah en de kleine Dy moest brengen. Toen dan ook
de drie kanonschoten de aanvallers, juist op het oogenblik dat zij
Castle-House zouden binnendringen, naar Jacksonville terugriepen,
was de Spanjaard plotseling verdwenen en had hij zich uit de voeten
gemaakt, door de Sint John in schuine richting over te steken.
Waar was hij heengegaan?
Dat wist niemand te zeggen. Zooveel was zeker dat hij gedurende
den nacht van den 3den op den 4den Maart niet naar Jacksonville
teruggekeerd was. Men zag hem daar eerst vier en twintig uren
later. Wat voerde hij gedurende die onverklaarbare afwezigheid uit? Dat
kan door niemand verklaard worden. Toch mocht aangenomen worden, dat
die afwezigheid, wanneer hij als de hoofdschuldige of medeplichtige aan
de ontvoering van de kleine Dy en van Zermah aangeklaagd mocht worden,
hoogst verdacht moest voorkomen. Het samenvallen van zijne verdwijning
met die ontvoering zou zeer zeker in zijn nadeel uitgelegd worden.
Maar hoe het ook zij, hij keerde eerst in den ochtend van den 5den
naar Jacksonville terug, om er de leiding op zich te nemen en de
noodige maatregelen te treffen voor de verdediging der stad en van
den Staat tegen de Noordelijken.
De lezer heeft reeds vernomen, dat hij tijdig genoeg wederkeerde
om eene hinderlaag voor Gilbert Burbank open te stellen en om het
voorzitterschap der rechtbank op zich te nemen, die gereed stond den
jeugdigen officier ter dood te veroordeelen.
Wat zeker was, dat is dat Texar zich niet in de sloep van den Indiaan
Squambo bevond, toen dit vaartuig door den opkomenden vloed, in het
donkere van den nacht naar het bovengedeelte der rivier ten noorden
van Camdless-Bay voortgedreven werd.
Zermah, die eindelijk ingezien had, dat hare kreten en haar gegil
niet meer op de beide oevers der Sint John gehoord konden worden,
was er toe overgegaan te zwijgen. Zij zat in het achtergedeelte der
sloep en hield de kleine Dy in hare armen gesloten.
Het verschrikte kleine meisje had geen enkelen kreet, geen enkele
klacht laten ontsnappen. Zij sloot zich vast tegen de borst van de
kleurlinge aan en poogde zich tusschen de plooien van het manteltje
van de wakkere vrouw te verbergen. Slechts eens of twee malen hadden
hare lippen eenige woorden gepreveld:
»Mama!... Mama!... O, goede Zermah!... Ik ben zoo bang!..."
En een oogenblik later herhaalde zij:
»O, Zermah!... Ik ben zoo bang... Waar is mama?... Ik wil naar
mama terug!"
»Ja... lieve!" antwoordde de kleurlinge. »Wij gaan naar mama
terug!... Wees niet ongerust..."
»O, ik ben zoo bang!..."
»Neen, niet bang zijn!... Ik ben bij je!..."
In ditzelfde oogenblik liep mevrouw Burbank, schier waanzinnig van
schrik en angst, langs den rechter oever der rivier en poogde het
vaartuig te volgen, dat haar kind naar de overzijde voerde.
De duisternis was toen groot. De vlammen der verschillende woningen
en keten, die op de plantage in brand gestoken waren, begonnen uit te
dooven, evenals het geknetter van het geweervuur begon te zwijgen. Uit
de veelvuldige rookzuilen, die onder den aandrang van den zuidenwind
naar het noorden ombogen, flikkerden nog van tijd tot tijd vlammen op,
die dan weer uitdoofden, maar op de oppervlakte van den stroom eene
schittering veroorzaakten als van verschietende bliksemstralen.
Toen werd alles stil en somber.
Het vaartuig volgde den stroomdraad van de rivier en hield zich in het
midden daarvan, zoodat van de beide oevers niets te ontwaren was. Het
was alsof die sloep zich in volle zee bevond, zoo eenzaam was zij.
Naar welke kreek stevende dat vaartuig, welks roer door Squambo
gestuurd werd?
Dat wenschte Zermah bovenal te weten. Zij begreep dat het
ondervragen van den Indiaan tot niets zou leiden. Zij zocht zich
dus te oriënteeren, hetgeen in die dikke duisternis waarlijk niet
gemakkelijk was, vooral zoolang Squambo het midden der rivier bleef
houden. De vloed kwam met kracht op; daarenboven pagaaiden de twee
negerslaven met alle kracht, zoodat men zoo snel mogelijk in zuidelijke
richting voortstevende.
Het ware toch uiterst nuttig en raadzaam geweest, indien Zermah een
spoor van haren voorbijtocht achterliet, om de nasporingen van haren
meester te vergemakkelijken. Dat begreep de goede vrouw. Ware zij aan
wal geweest, dan zou een lap van haar manteltje, aan de takken van
een struik vastgehecht, als eerste merkteeken hebben kunnen dienen om
de verkenners op het spoor te brengen, die dat, eenmaal behoorlijk
waargenomen, niet meer zouden hebben laten glippen. Maar op die
rivier was zoo iets onmogelijk. Waartoe zou het dienen, dat het een
of andere voorwerp, aan haar of aan het jonge meisje toebehoorende,
aan den stroomdraad overgeleverd zoude worden? Zou de hoop werkelijk
gekoesterd kunnen worden, dat het in handen van master James Burbank
zou geraken? Neen, daaraan viel niet te denken. Op die hoop mocht niet
gebouwd worden. En als een gevolg daarvan moest de arme mestische er
zich toe bepalen om te trachten te herkennen op welk punt der oevers
van de Sint John de sloep zou landen.
Zoo verliep onder de gegeven omstandigheden een uur.
Squambo had geen enkel woord gesproken. De beide negerslaven pagaaiden
krachtig maar stilzwijgend. Geen enkel licht werd op de oevers
waargenomen, noch in de huizen, noch onder de dichte loofkruinen van
het hooge geboomte, welks sombere massa zich in het donker in een
nevelvorm liet ontwaren.
Terwijl Zermah rechts en links uitkeek en steeds gereed was, om
iedere aanwijzing hoe gering ook te benutten, dacht zij slechts aan de
gevaren, welke het kleine meisje liep, dat met haar ontvoerd was. De
gevaren, die haar zelf bedreigden, telde zij niet; daaraan dacht zij
zelfs niet. Hare vrees betrof slechts dat kind. Op dat dierbare hoofd
verzamelden zich alle hare angsten.
Het was wel degelijk Texar, die de ontvoering had doen ten uitvoer
leggen. Dienaangaande was geen twijfel mogelijk. Zij had den Spanjaard
zeer goed herkend, toen hij daar bij de Marino-Kreek de wacht hield,
hetzij met het doel om langs den tunnel binnen Castle House te dringen,
hetzij dat hij daar de verdedigers van het heerenhuis opwachtte,
wanneer die door dien uitgang zouden pogen te ontsnappen.
Wanneer Texar niet zoo overijld was te werk gegaan, zouden mevrouw
Burbank en miss Alice Stannard zich nu, evenals de kleine Dy en
Zermah, in zijne macht bevinden. Dat hij zich niet aan het hoofd der
militie-troepen en de bende plunderaars gesteld had, had zijne redenen
daarin gevonden, dat hij er zeker van was de familie Burbank bij de
Marino-Kreek des te gevoeliger te kunnen treffen. Wij hebben gezien,
dat hij goed geraden had.
Maar in ieder geval zou Texar niet kunnen loochenen, dat hij direct
medeplichtig was aan de ontvoering van het kleine meisje en van de
mestische vrouw. Later, wanneer het uur der gerechtigheid zoude gekomen
zijn, wanneer de Spanjaard voor zijne misdaden ter verantwoording
zoude geroepen worden, dan zou hem de uitvlucht niet kunnen baten,
om een van die onverklaarbare alibi's te kunnen inroepen, die hem
tot heden zoo uitstekend gelukt waren.
Maar welk lot dacht hij thans zijne twee slachtoffers toe?
Kon hij ze in de moerassige streken van de Everglades, ver voorbij
de bronnen van de Sint John verbergen?
Kon hij zich van Zermah ontdoen als van eene lastige en gevaarlijke
getuige, welker verklaring hem den een of anderen dag zoude kunnen
vernietigen?
Die vragen stelde zich de mestische vrouw. Zij zou gaarne haar leven
ten offer gebracht hebben, om het kind te redden, dat met haar ontvoerd
werd. Maar wanneer zij dood zoude zijn, wat zou er dan van de kleine
Dy in de handen van Texar en zijne booswichten terecht komen? Die
gedachte martelde haar en dan klemde zij het kleine meisje vaster
aan hare borst, alsof Squambo het voornemen reeds aan den dag zoude
gelegd hebben om haar het kind te ontrukken.
Terwijl zij zoo in hare gedachten verdiept was, meende Zermah
eindelijk te bemerken, dat het vaartuig den linker oever van de
rivier naderde. Zou haar dat tot aanwijzing kunnen strekken? Neen,
want zij wist niet, dat de Spanjaard zijne woning in het binnenste
gedeelte van de Zwarte Kreek, op een der talrijke eilanden van die
schier onbekende lagune, opgeslagen had. Dat wisten de partijgangers
van Texar zelfs niet, daar niemand ooit in het blokhuis, dat hij met
Squambo en zijne negerslaven bewoonde, toegelaten werd.
Daar inderdaad bracht de Indiaan de kleine Dy en Zermah onder
dak. Daar, te midden van de ondoordringbare struiken van die streek,
overdekt met eene machtige moerassige tropische plantenwereld, zouden
zij aan iedere nasporing onttrokken zijn. De kreek zelve was als
het ware ondoordringbaar te noemen voor hem die er de richting van
de doorvaarten en de ligging der eilandjes niet van kende. Zij bood
schuilplaatsen bij duizenden aan, waar de ontvoerde gevangenen zoo
goed en wel verborgen konden worden, dat het onmogelijk zoude zijn
haar op het spoor te komen. Voor het geval dat master James Burbank
zou pogen dit woeste en ondoordringbare struikgewas te doorzoeken,
waren maatregelen getroffen, om de mestische vrouw en het kleine
meisje naar het zuidelijk gedeelte van het Floridasche schiereiland
te vervoeren. Dan zou alle kans verkeken zijn om haar weer te vinden
te midden van die uitgestrekte wildernissen, die door de Europeesche
pionniers hoogst zelden bezocht worden, en waar slechts enkele benden
Indianen aangetroffen worden, die daar niet wonen, maar de ongezonde
vlakten slechts doortrekken.
De vijf en veertig mijlen, die den afstand uitmaakten tusschen
Camdless-Bay en de Zwarte Kreek, waren vrij spoedig afgelegd. Het was
omstreeks elf uren, toen het vaartuig den elleboog passeerde, dien
de Sint John op tweehonderd yards afstand benedenstrooms vormde. Er
bleef niets anders te doen over dan de monding der haftvorming te
verkennen. Dat was eene zeer moeielijke verrichting te midden van de
dikke duisternis, welke den linker oever van den stroom omgaf. Hoe
bekend hij ook al met deze streken was, aarzelde Squambo dan ook,
toen hij het roer te boord moest leggen, om dwars door den snellen
stroomdraad te kunnen stevenen. Het besturen van de sloep zou voorzeker
eene meer gemakkelijke verrichting geweest zijn, wanneer het vaartuig
den oever had kunnen volgen, welke door eene menigte kleine kreken,
baaien, inhammen en haften, welke allen met hooge biezen begroeid of
dicht met waterplanten overdekt waren, diep ingesneden was. Maar de
Indiaan vreesde op ondiepten verzeild te raken. Daar nu het doorkomen
van den vloed ten einde spoedde en de eb het water van de Sint John met
bekwamen spoed naar de riviermonding zoude voeren, zou een vastraken
in die modderige streken, hem in verlegenheid kunnen brengen. Hij zou
dan moeten wachten tot het doorkomen van den volgenden vloed, dat vrij
wel gelijk zou staan met eene vertraging van elf uren ongeveer. Hoe
zou hij dan beletten kunnen om ontdekt te worden, wanneer het dag
werd. Gewoonlijk doorkliefden talrijke vaartuigen met hunne stevens
de oppervlakte der rivier. De tegenwoordige staat van zaken en de
mogelijke gebeurtenissen, die verwacht werden, noodzaakten tot eene
onafgebrokene briefwisseling tusschen Jacksonville en de havenstad
Sint Augustijn. Daarenboven, wanneer de bewoners van Castle House niet
bij den aanval op het heerenhuis omgekomen waren, zouden zij met de
familie Burbank reeds den volgenden dag alles in het werk stellen,
om de nasporingen met alle kracht te beginnen en met den meesten
ijver door te zetten. Dan zou Squambo, aan den voet van den oever in
de modder vastzittende, niet aan de vervolging kunnen ontsnappen,
waaraan hij bloot zoude staan. De toestand kon dan zeer gevaarlijk
geacht worden.
Ten gevolge van al die overdenkingen verkoos de Indiaan in het diepe
vaarwater te blijven en den oever van de Sint John te mijden. Zelfs
was hij besloten om in den vollen stroom ten anker te gaan, wanneer
dat noodig mocht worden. Dan zou hij bij het aanbreken van den dag,
de toegangen van de Zwarte Kreek verkennen, en eenmaal daarbinnen
aangeland, zou hij van eene vervolging niets meer te duchten hebben.
Het vaartuig ging inmiddels voort om met behulp van den vloed de
rivier opwaarts te stevenen. Te rekenen naar den verloopen tijd,
schatte Squambo, dat hij nog niet ter hoogte van de Lagune-monding
gekomen was. Hij voer dus verder door, totdat een verwijderd gerucht
zijn oor trof.
Dat was een dof geraas van het klepperen van een raderschip, dat
zich langs de oppervlakte der rivier voortplantte en daardoor al
duidelijker en duidelijker vernomen werd. Bijna ter zelfder tijd
verscheen bij een hoek, die door den linker oever der rivier gevormd
werd, eene in beweging zijnde massa.
Het was eene stoomboot die langzaam en slechts halfwerk voortstoomde,
welke het witte licht van haar seinlantaarn vertoonde. In minder dan
eene minuut zou zij de sloep bereikt hebben en die met geweld aanvaren,
hetgeen groote ongelukken kon ten gevolge hebben.
Met een gebaar beval Squambo den negerslaven, met pagaaien op te
houden. Tegelijkertijd bracht hij den helmstok van het roer naar
het andere sloepsboord over en stak naar den rechter oever, zoowel
om niet door de stoomboot overvaren, alsook door hare passagiers en
opvarenden niet gezien te worden.
Maar de sloep was door de wachthebbenden van de boot gezien
geworden. Zij werd gepraaid met bevel om aan boord te komen.
Squambo stiet een vervaarlijken vloek uit. Maar de onmogelijkheid
inziende om door de vlucht aan de uitnoodiging, die in bevelenden
toon tot hem gericht was, te ontkomen, moest hij gehoorzamen.
Een oogenblik later schoot de sloep langs zijde en legde aan bij de
rechter valreeptrap van de stoomboot, die middelerwijl om haar in te
wachten gestopt had.
Zermah stond toen van hare zitplaats op. In de zich voordoende
omstandigheden, meende zij eene kans tot redding te bespeuren. Zou
zij niet kunnen schreeuwen? Zou zij zich niet kunnen bekend maken? Zou
zij geen hulp kunnen inroepen en zoodoende aan dien Squambo ontkomen?
De Indiaan sprong ook op en stelde zich naast hare zijde. Hij hield
in de eene hand een breed bowie-knife; met de andere had hij het
kleine meisje gegrepen, dat Zermah hem met alle kracht maar tevergeefs
trachtte te ontrukken.
»Een enkele kreet, en ik steek haar dood!" zei hij met gedempte stem.
Wanneer het slechts het offer van haar leven gegolden had, dan zou
Zermah geen oogenblik geaarzeld hebben; maar daar dit noodlottige
mes van den Indiaan het kind bedreigde, zweeg zij.
Van het dek der stoomboot kon men onmogelijk ontwaren, wat in de
sloep omging.
De boot kwam van Piccolata, waar zij een detachement militie-troepen
aan boord had genomen, om dat naar Jacksonville over te varen, ten
einde het garnizoen van de bezettingstroepen der zuidelijken aldaar
te versterken, wien opgedragen was de rivierverdediging te voeren.
Een scheepsofficier boog zich over de leuning der brug en praaide
den Indiaan.
Ziehier de woorden, die tusschen hen gewisseld werden:
»Ohoi!"
»Ohoi!" antwoordde Squambo, na eene lichte aarzeling.
»Waar gaat gij heen?"
»Waar ik heen ga?"
»Ja!"
»Ik ga naar Piccolata."
Zermah onthield dien naam, hoewel zij bij zich zelve overlegde dat
de Indiaan Squambo in de gegeven omstandigheden het grootste belang
er bij had, zijne ware bestemming verborgen te houden.
»Van waar komt gij?" vervolgde de scheepsofficier zijne ondervraging.
»Van de noordelijke graafschappen."
»Maar van welke plaats vertrokt ge het laatst?"
»Van Jacksonville."
»Is daar nieuws?"
»Neen."
»Hoegenaamd niets?"
»Neen, niets."
»En van den kant van het smaldeel van den Commodore Dupont?"
»Niets."
»En van de kanonneerbooten van den commandant Stevens?"
»Niets. Die liggen nog altijd buiten de bank voor hunne ankers
te rijden."
»Zijn er sedert den aanval op de havenplaats Fernandina en van het
fort Clinch geen nadere tijdingen ingekomen?"
»Neen."
»En is geen enkele kanonneerboot er in geslaagd de bank te
overschrijden en in het vaarwater van de Sint John te geraken?"
»Geen enkele."
»Vanwaar komen die schitteringen, welke wij bij wijlen waargenomen
hebben, en die losbrandingen, welke wij in noordelijke richting
gehoord hebben, terwijl wij voor anker lagen, in afwachting dat de
vloed zoude doorkomen?"
»O, gedurende den nacht heeft een aanval op de plantage van Camdless
Bay plaats gehad."
»Een aanval op Camdless Bay?"
»Ja."
»Door wie? Door de Noordelijken?"
»Neen, door de militie-troepen van Jacksonville."
»Wat was daarvan de reden?"
»De eigenaar weerstreefde de bevelen van het bestuur."
»De eigenaar?"
»Ja, de eigenaar."
»Is dat niet master James Burbank?"
»Juist."
»Een noordelijkgezinde?"
»Juist. Een doldriftige voorvechter voor de afschaffing der slavernij!"
»Jawel. Nu begrijp ik het. En wat is de uitslag van dien aanval
geweest?"
»Dat weet ik niet."
»Weet gij dat niet?"
»Neen, ik ben daar slechts voorbijgestevend, zonder aan wal te
gaan... Het was toen alsof men alles in brand gestoken had."
»Zoo."
In dit oogenblik ontsnapte een kreet van schrik aan het kleine
meisje.... Zermah legde haar eene hand op den mond, juist toen de
vingers van den Indiaan den hals van het kind zochten om het te wurgen.
De scheepsofficier, die steeds op de brug der stoomboot stond, had
niets gehoord en kon niets zien.
»Is Camdless Bay met geschutvuur aangevallen geworden?" vroeg hij
verder.
»Dat geloof ik niet."
»Wat beduidden dan die drie kanonschoten, die wij duidelijk vernomen
hebben en die van den kant van Jacksonville schenen te komen?"
»Kanonschoten?"
»Ja, drie kanonschoten."
»Ik weet het niet. Ik heb ze niet gehoord."
»Niet?"
»Neen."
»Dus de Sint John is nog vrij?"
»Ja."
»Vrij van Piccolata af tot aan hare monding?"
»Geheel vrij en gij kunt de rivier gerust afzakken. Gij zult geen
der kanonneerbooten van de Noordelijken ontmoeten."
»Goed."
»Kan ik afhouden?"
»Ja, gij zijt vrij. Houdt af!"
En van de brug klonk reeds het bevel:
»Vooruit. Half werk!"
Toen Squambo de hand verhief, ten teeken dat hij nog iets wilde vragen,
riep de officier:
»Stoppen!"
De raderen, die slechts langzaam in beweging geraakt waren, stonden
dadelijk stil.
»Mag ik om eene inlichting verzoeken?" vroeg de Indiaan.
»Spreek. Welke?"
»De nacht is donker," begon Squambo.
»Dat is zoo... Verder?"
»Ik ben het spoor bijster... Ik herken de omstreken niet meer... Kunt
gij mij zeggen waar ik ben?"
»Ter hoogte van de Zwarte Kreek."
»Dank u."
»Geen dank," antwoordde de scheepsofficier.
Squambo liet den valreep los, terwijl hij de sloep met kracht
afduwde. Toen het vaartuigje zich op weinige vademen verwijderd had,
klonk andermaal het kommando naar de machinekamer:
»Vooruit!... Half werk!"
De schoepen der raderen sloegen de oppervlakte der rivier tot schuim,
en weldra was de stoomboot in het donker verdwenen, terwijl zij een
breed zog van heftig opgezweepte golven achter zich liet.
Toen Squambo ontwaarde, dat hij zich weer alleen op de rivier bevond
en geen enkel vaartuig in de nabijheid was, zette hij zich weer op de
achterplecht neder en gaf de negerslaven bevel te pagaaien. Hij kende
thans zijne stelling, loerde dientengevolge over stuurboord en stevende
op de oever-insnijding aan, die toegang tot de Zwarte Kreek verleende.
Dat de Indiaan in die streek, welke zoo woest was en waartoe de toegang
zoo moeielijk te vinden was, een toegang zoude zoeken, was voor Zermah
boven iederen twijfel verheven. Wat hierbij het ergste evenwel mocht
heeten, was, dat haar die wetenschap bitter weinig baatte.
Want, hoe zou zij haren meester daarvan kennis doen dragen, en hoe
zou deze, al ware hij ook met die omstandigheid bekend, de nasporingen
in dit ondoordringbaar doolhof kunnen leiden?
Boden daarenboven buiten en aan de andere zijde van de kreek de
maagdelijke wouden van het graafschap Duval niet alle gelegenheid aan
om iedere nasporing te ontgaan, voor het geval dat master James Burbank
en de zijnen er in slagen mochten door de lagune te worstelen? Dit
westelijke gedeelte van den Staat Florida moest toch nog aangemerkt
worden als een woest en onbekend land, waarin het feitelijk onmogelijk
was, een spoor te kunnen volgen.
Bovendien zou het niet voorzichtig genoemd kunnen worden zich in die
streek te wagen. De Seminolen-Indianen dwaalden toch in de bosschen
en in de moerassen rond, en die wilden waren inderdaad zeer te duchten.
Volgaarne plunderden zij de reizigers uit, die hen in handen gesteld
werden, en zij maakten er geene gewetenszaak van, hen eenvoudig en
zonder vorm van proces te vermoorden, wanneer zij zich poogden te
weer te stellen.
Een hoogst ernstige gebeurtenis had zich nog niet lang geleden in
het bovengedeelte van het graafschap, niet ver en ten noordwesten
van Jacksonville, voorgedaan, en daarover was lang gesproken geworden.
Ziehier wat er gebeurd was:
Een twaalftal Europeesche bewoners van Florida, die zich naar de
kusten langs de Golf van Mexico wilden begeven, waren door een
troep Indianen, behoorende tot den stam der Seminolen, overvallen
geworden. Dat zij niet allen tot den laatsten man gedood werden,
vond alleen daarin zijn oorzaak, dat zij hoegenaamd geen weerstand
geboden hadden. Dat was trouwens volmaakt nutteloos geweest, daar
zij een tegen tien gestaan hadden.
Die blanke reizigers werden derhalve op de meest nauwkeurige wijze
aan den lijve onderzocht en van alles beroofd, wat zij bezaten,
zelfs hunne kleederen. Maar nog meer, onder bedreiging van bij niet
opvolging vermoord te zullen worden, werd hen bevolen, nimmermeer
in die streken te verschijnen, waarvan de Indianen het grondbezit,
met uitsluiting van iedere andere natie, voor zich opeischten.
En om hen te kunnen herkennen, wanneer zij het in het hoofd mochten
krijgen aan dat bevel ongehoorzaam te zijn, bezigde het opperhoofd
dier Indianen een eenvoudig middel. Hij liet hun een bijzonder teeken
op den arm tatoueeren. Dat geschiedde op de navolgende wijze: met eene
fijne naald werden wondjes in de huid geprikt, die naast elkander den
vorm van het gewilde teeken vertoonden. Die wondjes werden met heet
water gewasschen, om een overvloedige verbloeding te veroorzaken,
waarna zij met het scherpe sap eener kleurafgevende plant werden
ingewreven, waardoor het werk onuitwischbaar werd.
Die Floridasche reizigers, die zich overigens over geene
mishandelingen te beklagen hadden, werden daarna naar hunne
woonplaatsen teruggezonden. Zij kwamen daar op de plantages der
noordelijke graafschappen van den Staat in vrij berooiden toestand aan,
gemerkt als zooveel stuks vee met het wapen van den Indiaanschen stam,
en toonden, zooals wel te begrijpen is, zeer weinig lust om andermaal
dien Seminool-Indianen in handen te vallen, die hen alsdan zonder
het minste mededoogen zouden vermoorden, al ware het maar om hunne
handteekening, door dat merk vertegenwoordigd, gestand te doen.
In ieder ander tijdperk zouden de militie-troepen van het graafschap
Duval een zoodanigen misdadigen aanslag niet ongestraft hebben
gelaten. Zij zouden onmiddellijk uitgetrokken zijn, om de Indianen te
vervolgen en te tuchtigen. Maar in het tijdstip, waarin dit verhaal
speelt, was er wel wat anders te verrichten, dan een krijgstocht
tegen die zwervende volksstammen te ondernemen.
De vrees, dat het land door de federale troepen bezet zoude worden,
overheerschte alles. Het grootste belang werd er in gesteld dat deze
zich niet meester maakten van de mondingen van de Sint John en zoo
het stroomgebied in hunne macht kregen. En nu kon men niets van de
krijgsmacht der Zuidelijken, die van Jacksonville af tot aan de grens
van den Staat Georgië opgesteld was, afnemen, om elders Indianen te
gaan tuchtigen.
Later zou tijd genoeg gevonden worden, om tegenover dien
Seminolen-stam op te treden, die thans ten gevolge van den burgeroorlog
stoutmoedigheid genoeg aan den dag legden, om het grondgebied in
het noorden van Florida, vanwaar men ze voor altijd verjaagd dacht,
onveilig te maken.
Men zou zich dan niet vergenoegen hen terug te dringen naar de
moerassen der Everglades-streek; maar men zou dan pogen hen tot den
laatsten man uit te roeien.
Maar intusschen was het zeer gevaarlijk, zich op het terrein, gelegen
in het westen van Florida, te wagen; en wanneer master James Burbank
zijne nasporingen ooit naar dien kant uitstrekte, dan zou dat een
nieuw gevaar zijn, hetwelk de reeds zoovele zoude vermeerderen,
door eene zoodanige expeditie teweeggebracht.
Zoodanig was de gedachtengang van Squambo, terwijl hij de kleine Dy
en Zermah ontvoerde.
Intusschen had het vaartuig den linker oever bereikt, en nu de Indiaan
wist, dat hij zich ter hoogte van de Zwarte Kreek bevond, die toegang
aan de wateren van de Sint John, in de uitgestrekte lagune-vorming
verleent, zoo vreesde hij niet meer met zijne sloep op de eene of
andere ondiepte te geraken.
Vijf minuten later gleed het vaartuig onder het sombere gewelf van
de boomkruinen, te midden eener duisternis, die nog zwarter was dan
de oppervlakte van de rivier.
Hoe gewoon Squambo ook was te varen, te midden van dit doolhof van
kanalen tot deze lagune behoorende, zoo zou hij er thans evenwel van
hebben moeten afzien, zoo donker was het. Maar daar hij van buiten
af niet meer bespeurd kon worden, was de reden vervallen, waarom hij
zijn pad niet zou verlichten. Hij hakte een harsachtigen tak van een
boom op den oever af, ontstak dien en plaatste hem op de voorplecht
van de sloep. Die walmende vlam was voor het geoefende oog van den
Indiaan voldoende, om de verschillende doorvaarten te kunnen verkennen.
Zoo werd gedurende ruim een half uur voortgestevend en volgde het
vaartuig de veelvuldige kronkelingen van de kreek, totdat het eindelijk
het eilandje bereikte, waarop zich het blokhuis verhief.
Zermah moest toen aan wal stappen. Het kleine meisje, door vermoeienis
uitgeput, was in de armen van de kleurlinge in slaap gevallen. De
kleine Dy ontwaakte zelfs niet, toen Zermah de poterne van het fortje
doorstapte, ook niet, toen zij in eene kamer, die aan het centraal
reduit grensde, opgesloten werd.
Het kleine meisje werd in een deken gewikkeld, die in een hoek van
het vertrek lag, en daarna op een hoop stroo neergelegd, die tot bed
voor beiden moest dienen. Zermah zou evenwel niet slapen; zij zou
bij hare lieveling waken.
II.
EENE ZONDERLINGE BEWERKING.
Den volgenden ochtend, op den 3den Maart, trad Squambo tegen acht uren
het vertrek, waarin Zermah den nacht doorgebracht had, binnen. Hij
bracht voedingsmiddelen--wat brood, een stuk koud wildbraad,
vruchten, een kruik vrij sterk bier en een karaf met water, alsook
eenige tafelbenoodigdheden, als borden, lepels, vorken, messen,
glazen enz. Ter zelfder tijd plaatsten een paar negers een oudachtig
meubelstuk in een hoek, dat als toilettafel en kastje dienst moest doen
en waarin eenig linnengoed, als beddelakens, handdoeken, servetten en
andere kleine benoodigdheden besloten waren, die de mestische vrouw
zoowel voor haar als voor de kleine Dy zou kunnen gebruiken.
Het kleine meisje sliep gelukkig nog. Zermah had Squambo met een
gebaar gesmeekt, haar toch niet wakker te maken.
Toen de negerslaven het vertrek verlaten hadden, vroeg Zermah den
Indiaan met fluisterende stem:
»Wat wil men toch met ons?"
»Dat weet ik niet," antwoordde Squambo.
»Weet gij dat niet?"
»Waarlijk niet!"
»Welke bevelen hebt gij van Texar ontvangen?"
»Waarom moest ik juist bevelen van Texar ontvangen?" was de wedervraag
van den Indiaan.
»Och, die drijft hier te lande alles. Dat weet iedereen."
»Toch zoudt ge u kunnen vergissen."
»Om het even van wien ge uwe bevelen hebt," antwoordde Zermah, »zeg
mij wat zij betreffen?"
»Juist, die zal ik u mededeelen, in de verwachting dat gij ze stipt
zult opvolgen."
»Ik luister."
»Zoolang gij hier zult vertoeven, zal deze kamer de uwe zijn en zult
gij des nachts in het reduit van het fortje opgesloten zijn."
»Des nachts?... Alleen des nachts?"
»Ja, des nachts."
»Maar overdag?"
»Dan zult ge binnen de omheinde ruimte kunnen rondwandelen, zooveel
gij zult willen."
»Rondwandelen?"
»Ja."
»Zoolang als wij hier zullen vertoeven,... zeidet gij straks," hernam
Zermah. »Waar zijn wij hier eigenlijk?"
»Waar gij zijt?... Wel op de plek, waarheen ik u voeren moest."
Zermah keek hem doordringend aan. Zij begreep dat de Indiaan niet
praten wilde. Toch waagde zij nog eene vraag:
»En zullen wij er lang blijven?"
»Gij zijt nog al nieuwsgierig uitgevallen, dunkt me," grinnikte
de Indiaan.
»Nieuwsgierig of niet, antwoordt mij," bad de kleurlinge.
»Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd," antwoordde Squambo. »Wat ik
kan mededeelen, heb ik u medegedeeld. Het is verder onnoodig mij te
vragen, want ik zal niet meer antwoorden."
»Gij vertrouwt u zelven niet, naar ik vermeen."
»Wel mogelijk."
En inderdaad, Squambo, die niet meer wilde zeggen dan hij gezegd had,
verliet na die korte woordenwisseling het vertrek en liet Zermah bij
het kleine kind alleen.
Deze bekeek toen de kleine Dy, die voortging met zoo gerust
mogelijk te slapen. Een paar tranen pinkte de brave vrouw tusschen
de oogwimpers. Zij veegde ze onmiddellijk af, want het kind mocht
bij het ontwaken niet bespeuren, dat zij geweend had. Het was toch
van het grootste belang, dat de kleine meid langzamerhand aan haren
nieuwen toestand gewende.
Die toestand vertoonde zich evenwel zeer dreigend, daar men met een
vijand als dien ellendigen Spanjaard, op alles voorbereid moest zijn.
Zermah dacht na over al hetgeen sedert den vorigen dag geschied was.
Zij had goed en wel gezien, dat mevrouw Burbank en miss Alice Stannard
langs den oever der Sint John voortstapten, terwijl het vaartuig naar
het midden der rivier stevende en zich dus van hen verwijderde. Hun
wanhopig geroep, hunne hartverscheurende kreten hadden wel degelijk
haar oor bereikt. Maar zouden zij Castle House weer bereikt hebben,
zouden zij weer langs den tunnel in het belegerde heerenhuis hebben
kunnen geraken, om aan master James Burbank en zijne metgezellen
bericht te kunnen geven van de nieuwe ramp die hen getroffen
had? Zouden zij niet in handen van de handlangers van den Spanjaard
gevallen zijn? Zouden zij dan niet ver van Camdless Bay gevoerd
zijn? Misschien waren zij wel gedood!
O, als dat het geval was, dan zou master James Burbank niet bekend
worden met de afschuwelijke misdaad, dat zijn dochtertje met Zermah
ontvoerd was. Hij zou dan natuurlijk in de meening verkeeren, dat
zijne echtgenoote, dat miss Alice Stannard, dat de kleine Dy en
dat de mestische zich in de Marino Kreek hadden kunnen inschepen,
dat die vluchtelingen de schuilplaats bij de Ceder-rots hadden kunnen
bereiken, alwaar hij haar in veiligheid moest wanen. Hij zou dan even
natuurlijk geen onmiddellijke nasporingen instellen om de ontvoerden
weer te vinden!...
En.... al nam men ook al aan, dat mevrouw Burbank en miss Alice
Stannard binnen Castle House hadden kunnen geraken, ook dat master
James Burbank thans op de hoogte van alles was, was het dan nog niet
te duchten dat het heerenhuis bedwongen, dat het door de aanvallers
bij storm genomen, dat het uitgeplunderd, in brand gestoken, in een
woord vernietigd was?
Wat zou er in dit geval van de moedige en vastberaden verdedigers
geworden zijn?
Zouden zij krijgsgevangen gemaakt of in den verwoeden strijd omgekomen
zijn?
Maar gevangen of dood, Zermah gevoelde het, dat zij dan geen bijstand
van hunne zijde te wachten had. Zelfs wanneer de Noordelijken
meester van de Sint John geworden zouden zijn, rekende zij zich
verloren. Want noch Gilbert Burbank, noch Mars zouden vernemen, de
eene dat zijn zusje, de andere dat zijne wederhelft op dat schier
onbekende eilandje van de Zwarte Kreek gevangen gehouden en ten
nauwkeurigste bewaakt werden.
Welnu, wanneer dat het geval mocht zijn, wanneer Zermah op niemand
anders dan op haar eigen persoon kon rekenen, dan zou haar hare
geestkracht toch niet begeven. Zij zou alle mogelijke pogingen
aanwenden om dat kleine kind te redden, dat wellicht niemand meer
dan hare trouwe min op de wereld bezat.
Haar geheele bestaan zou zich op een eenig doel richten, haar geheel
denkvermogen zou slechts eene eenige gedachte koesteren, namelijk:
de vlucht! Geen uur, geene minuut zou zij laten voorbijsnellen,
zonder dat zij daadwerkelijk of met den geest bezig zoude zijn om de
middelen tot die vlucht voor te bereiden.
En toch, zou het mogelijk zijn, gadegeslagen als zij werd door den
Indiaan Squambo en door zijne negerslaven, het fortje te kunnen
verlaten? Zou het mogelijk zijn aan de woeste speurhonden, die
rond de afgesloten ruimte omdoolden, te kunnen ontsnappen? Zou het
mogelijk zijn, dat eilandje, hetwelk als verloren te beschouwen was
te midden van de duizenden kronkelingen van het doolhof dier lagune,
te kunnen ontvluchten?
Ja, mogelijk zou dat zijn, mits zij in het geheim door een der
negerslaven van den Spanjaard, die de doorvaarten van dit labyrint
behoorlijk kende, geholpen werd.
Waarom zou het uitzicht eener groote belooning niet een dier
mannen verlokken tot het verleenen van hulp aan Zermah bij die
ontvluchting?...
Ziet, het is daaraan, dat ze al haar krachten ging wijden.
Intusschen was de kleine Dy ontwaakt. Het eerste wat zij deed, nadat
zij hare oogjes uitgewreven had, was hare moeder te roepen. Daarna
liet zij den blik door het vertrek waren. De herinnering aan het
gebeurde daags te voren doemde op. Zij bespeurde Zermah, sprong van
hare legerstede op en liep naar de mestische toe.
»Zermah!... Goede, beste Zermah!..." fleemde het kind.
»Wat is er Dy?" vroeg de goede vrouw.
»O, ik ben zoo bang!"
»Bang?"
»Ja, zeer bang!"
»Gij moet niet bang zijn, Dy!"
»Toch ben ik het."
»Ik ben immers bij u, lieve!"
»Waar is mama?..."
»Die komt... straks..."
»Straks, Zermah?"
»Wij zijn genoodzaakt geweest te vluchten..."
»Te vluchten, Zermah?..." vroeg het meisje.
»Ja, te vluchten, Dy... Dat herinnert gij u toch nog?"
»Maar, mama?..."
»Die kon niet mede!"
»Niet?"
»Neen, die moest op Castle House blijven..."
»Maar, waar zijn wij hier, goede Zermah?"
»O, wij zijn hier in veiligheid!... Hier is niets te duchten..."
»Maar, mama... en papa?..."
»Zoodra master James Burbank hulp zal erlangd hebben, zal hij ons
komen afhalen..."
Dy keek Zermah met een doordringenden blik aan, alsof zij wilde zeggen:
»Is dat wel waar?"
Zermah werd verlegen onder den drang dier kinderlijke vragen. Maar vóór
alles wilde zij het lieve meisje geruststellen. Daarom antwoordde zij:
»Ja, Dy, ja, dat is waar! Master Burbank heeft mij aanbevolen hem
hier te wachten."
»Maar, die mannen dan, Zermah?..."
»Welke mannen, lieve?"
»Die ons in hun vaartuig vervoerd hebben... Ik ken ze niet..."
»Wel, dat waren ondergeschikten van master Harvey..."
»Van master Harvey, Zermah?..."
»Ja, lieve, van master Harvey, gij kent hem toch wel... de vriend
van uw papa, die te Jacksonville woont..."
»Maar, waar zijn wij hier?"
»Op zijne villa Hampton Red!..."
»Dit eene villa?.... Dit Hampton Red?...." vroeg het kind, wantrouwend
rondkijkende.
Zermah wist niet meer wat te antwoorden. Jokken gaat niet iedereen
gemakkelijk af.
»En mama... en Alice, die bij ons waren..." ging Dy met kinderlijke
vasthoudendheid voort. »En mama... en Alice, waarom zijn die niet
hier?"
»Master Burbank, uw papa heeft ze teruggeroepen... Herinnert gij u
dat niet, Dy?"
»Neen, goede Zermah, daarvan herinner ik mij niets."
»Hij heeft ze teruggeroepen, juist op het oogenblik, toen ze bij ons
in het vaartuig wilden stappen..."
»Hoe jammer, niet waar?"
»Zoodra die booze lieden van Camdless-Bay verjaagd zullen zijn,
zal men ons komen afhalen..."
»God geve het, Zermah... O, ik ben zoo bang!..."
»Kom, niet huilen, lieve... En wees niet meer bang!... Zelfs al
moesten wij hier nog eenige dagen verblijven."
»Eenige dagen?" vroeg het kind.
»Ja, wij zijn hier goed verborgen, wees gerust!... En kom, laat ik
mijn lieveling nu aankleeden."
De kleine Dy vestigde steeds haren doorborenden blik op Zermah, en
niet zonder reden; want deze had een diepen zucht niet kunnen beletten
zich baan te breken. Helaas, die goede vrouw had het lieve kind bij
haar ontwaken niet kunnen toelachen, zooals zij steeds gewoon was te
doen. Thans kwam het er evenwel vóór alles op aan om haar bezig te
houden en hare gedachten te verstrooien.
Daarop legde zich Zermah met de meeste teederheid en de meeste
zorgvuldigheid toe.
Zij kleedde het meisje met evenveel zorg, alsof zij zich nog in hare
fraaie kamer van Castle-House bevond en tegelijkertijd poogde zij
haar met vertellingen bezig te houden.
Daarna at de kleine Dy een weinig van het brood en vleesch, dat door
Squambo binnen gebracht was, terwijl Zermah dat eerste ontbijt van
het meisje deelde.
»En nu, lieve Dy... als gij wilt zullen wij buiten... in de afgeschoten
ruimte... eene wandeling gaan doen," sprak de mestische.
»Is de villa van master Harvey mooi?" vroeg het kind.
»De villa van master Harvey?..." vroeg Zermah.
»Ja, de villa, waarin wij ons bevinden..."
»Mooi?... Neen dat niet!..." antwoordde de mestische. »Ik geloof zelfs
dat het een oud krot is! Maar er zijn toch boomen, waterstroomen,
wegen, in een woord alles wat verlangd kan worden, om eene aangename
wandeling te maken."
»Een oud krot!..." pruilde het kind.
»Ja, maar... wij zullen er slechts weinige dagen blijven," stelde
Zermah haar gerust. »Gedurende dat kort tijdperk zult gij geene
gelegenheid hebben u te kunnen vervelen, en bovendien..."
»Wat, Zermah? Wat?"
»Wanneer gij zoet zult wezen, zal mama zeer tevreden zijn."
»Ja, goede Zermah... ja!... ik zal zoet zijn," antwoordde het meisje.
»Dan zal het goed zijn, Dy!"
De kamerdeur was niet op slot gesloten. Zermah nam het kind bij
de hand en beiden traden naar buiten. Eerst bevonden zij zich
in de binnenruimte van het centraal-reduit, die haar zeer somber
toescheen. Maar een oogenblik later wandelden zij in het volle licht
onder de schaduw van het loofdak van het hooge geboomte, waardoor de
zonnestralen slechts spaarzaam vermochten door te dringen.
De oppervlakte van de omheinde binnenruimte was niet uitgestrekt--een
bunder ongeveer, waarvan nog het blokhuis, dat er het grootste
gedeelte van besloeg, moest afgetrokken worden. De palissadeering,
die het geheel omgaf, belette Zermah om de ligging van het eilandje
te midden van de lagune te gaan verkennen. Alles wat zij door de
spaarzame ruimte der oude poterne daar buiten kon waarnemen, was
dat een vrij breed kanaal met vuil troebel water het van de naburige
eilandjes scheidde. Eene vrouw en een kind zouden dus slechts zeer
moeilijk uit dat fortje en van dat eiland kunnen ontsnappen.
Voor het geval zelfs dat Zermah een vaartuig zoude kunnen bemachtigen,
viel er niet aan te denken uit dit doolhof zonder gids te geraken. Wat
de brave vrouw daarenboven onbekend bleef, was dat de Spanjaard Texar
en de Indiaan Squambo de toegangs-vaarwaters tot die eilandengroep
alleen kenden. De negers, die in het fortje aanwezig waren, verrichtten
slavendiensten en verlieten het eilandje nooit. Zij waren nimmer
daarbuiten geweest en wisten niet, waar hun meester hen huisvestte.
Om den oever der Sint John, zoowel als de grenzen van het moeras,
hetwelk de lagune aan den westkant omgaf, te bereiken, zou Zermah zich
geheel aan het toeval moeten overgeven. En onder dit vooruitzicht de
vlucht te ondernemen, was het verderf voorwaar te gemoet rennen.
Bovendien bemerkte de mestische, die zich van den toestand rekenschap
trachtte te geven, in de eerstvolgende dagen wel, dat zij zeer
waarschijnlijk geen hulp of bijstand van de slaven van Texar te
verwachten had. Dat waren voor het meerendeel half verdierlijkte
negers, die hoegenaamd geen aanlokkelijk voorkomen hadden. Het is
waar, zij waren door den Spanjaard niet aan den ketting geklonken;
maar daarom misten zij toch op dat eilandje hunne vrijheid.
De voortbrengselen van den grond, welken die slaven bewerken moesten,
voorzagen voldoende in hun onderhoud, zoodat zij over hunne voeding
niet te klagen hadden. Zij waren verslaafd aan den sterken drank,
waarvan Squambo hen een niet te spaarzaam ration uitdeelde. Zij
hadden er volstrekt geen belang bij, hun toestand veranderd te zien,
en waren dan ook bij uitstek geschikt om het fortje te bewaken en
als het mocht voorkomen het te verdedigen. De slavernij-quaestie,
die zich op weinige mijlen buiten de Zwarte Kreek ontwikkelde en daar
alle gemoederen van hartstochten deed blaken, liet deze negers koud.
De vrijheid verkrijgen?... De vrijheid!... Waartoe?... En wat zouden
zij er meê aanvangen?...
Texar zorgde voor hun bestaan en Squambo mishandelde hen niet, hoewel
deze er toch wel de man voor was om ieder hoofd, dat zich tegenover
hem zou willen verheffen, met woest gebaar te verbrijzelen.
De vrijheid!... Zij dachten er zelfs niet aan. Het waren verdierlijkte
wezens, die op lageren trap stonden dan de speurhonden, die om het
fortje ronddoolden. Het zou inderdaad geene overdrijving mogen genoemd
worden, wanneer beweerd werd, dat die dieren hen in verstandelijk
begrip overtroffen. Zij toch kenden het samenstel en den omvang
der kreek. Zij zwommen ongehinderd de veelvuldige vaarwaters door
en over. Zij bezochten al de eilandjes het eene na het andere,
waarbij hen hun instinct zeer te stade kwam, om te beletten dat zij
verdwaalden. Hun geblaf weerklonk soms tot op den linker oever van de
Sint John. Maar hoe ver zij ook hunne tochten uitstrekten, de trouwe
dieren keerden bij het vallen van den avond naar het blokhuis terug.
Geen vaartuig hoegenaamd zou de Zwarte Kreek kunnen binnendringen,
zonder dat die geduchte bewakers het ontwaard en zijne nadering door
hevig blaffen verkondigd zouden hebben. Niemand bovendien zoude,
Squambo en Texar uitgezonderd, het fortje kunnen verlaten, zonder
gevaar te loopen door die wilde nakomelingen van het Caraïbische
hondengeslacht verscheurd te worden.
Toen Zermah opgemerkt had, welke waakzaamheid rondom het fortje
betracht werd, welke maatregelen getroffen waren, om ontvluchting
te voorkomen, was zij zeer bedroefd. Zij begreep, dat zij van hare
bewakers hoegenaamd geen hulp te verwachten had. Iedere andere minder
moedige en geestkrachtvolle vrouw zou der wanhoop ten prooi geworden
zijn. Met haar was dit toch niet het geval.
Wanneer hulp van buiten zoude komen opdagen, dan kon die niet anders
komen dan van master James Burbank, wanneer die in zijne handelingen
onbelemmerd zoude zijn, en van Mars, wanneer de mesties vernemen zoude,
onder welke omstandigheden zijne echtgenoote verdwenen was.
Maar, wanneer die hulp uitblijven zoude, dan moest de heldhaftige
vrouw slechts op haar eigen persoon rekenen, om het kleine kind te
redden. En bij die taak zou haar de moed niet ontzinken.
Zermah, die zich met de kleine Dy geheel geïsoleerd te midden van
die lagune bevond, zag zich slechts omringd door woestuitziende
gezichten. Toch meende zij op te merken, dat een der negerslaven,
die nog jeugdig was, haar met eene zekere meewarigheid, ja met deernis
beschouwde. Zou die omstandigheid reden tot hopen kunnen geven?
Zou zij hem kunnen vertrouwen? Zou zij hem de ligging van Camdless Bay
mogen uitduiden, hem trachten over te halen om zich naar Castle House
te begeven? Dat viel te betwijfelen. Daarenboven, Squambo scheen de
belangstelling van den slaaf bemerkt of geraden te hebben; want deze
werd eenvoudig ter zijde gehouden. Zermah ontmoette hem althans niet
meer bij hare wandelingen in de omheinde ruimte.
Zoo gingen verscheidene dagen voorbij, zonder dat er verandering in
den toestand kwam. Zermah en de kleine Dy genoten de meest mogelijke
vrijheid om te gaan en te komen, zooals zij wilden. Zelfs des nachts
werden zij niet opgesloten. Squambo wist toch maar al te goed, dat
het haar niet mogelijk zoude zijn het centraal reduit te verlaten.
De Indiaan sprak haar nimmer aan, zoodat Zermah er dan ook van had
moeten afzien hem te ondervragen en inlichtingen van dien botterik in
te winnen. Hij verliet het eilandje geen enkel oogenblik. Men gevoelde
dat hij ieder oogenblik van den dag en van den nacht waakzaam was.
Zermah's zorgen strekten zich dus alleen over het kind uit, dat
helaas! onophoudelijk er op aandrong, om naar hare moeder gebracht
te worden, of haar ten minste weer te zien.
»Mama?.. Waar is mama?" kreet de kleine Dy.
»Zij komt!" antwoordde Zermah.
»Maar wanneer?"
»Straks of morgen."
»Hoe weet gij dat, Zermah?"
»Ik heb tijding ontvangen, lieve."
»En papa?"
»Uw papa... Die zal ook komen, Dy. Die komt met miss Alice."
En als het rampzalige schepsel die antwoorden gegeven had, wist
zij waarlijk niet meer wat te verzinnen. Dan poogde zij het meisje,
dat meer nadenken en meer verstand aan den dag legde, dan wel met
haren leeftijd overeenkwam, zooveel mogelijk te verstrooien, wat niet
gemakkelijk was.
Zoo gingen de 4e, de 5e en de 6e Maart voorbij.
Voortdurend spitste Zermah de ooren, om zich te vergewissen of in de
verte geene losbrandingen van geschut vernomen werden, die aanduiden
konden, dat de federalistische flottilje van kanonneerbooten de Sint
John binnengedrongen was. Maar zij had niets gehoord. Geen knal,
geen geschreeuw, niets, niets! De diepste stilte heerschte te midden
van de eenzaamheid der Zwarte Kreek.
Daaruit kon en moest afgeleid worden, dat Florida nog niet in het
bezit van de krijgsmacht der Unie was. Dat verontrustte de goede vrouw
zeer. Want, al waren master James Burbank en zijne metgezellen ook al
in de onmogelijkheid gesteld om handelend op te kunnen treden, zoo zou
zij toch op de tusschenkomst van Gilbert Burbank en van Mars kunnen
rekenen. Wanneer toch de kanonneerbooten de rivier binnengedrongen
waren, zouden zij toch de oeverstreken doorzocht hebben en dan zouden
belanghebbenden wel tot het lagune-eilandje doorgedrongen zijn. Zij
zouden toch wel door wien ook van het dienstpersoneel van Camdless
Bay in kennis gesteld zijn van hetgeen voorgevallen was.
Maar.... niets, niets duidde er op, dat een gevecht op de rivier
plaats had gehad.
Wat ook zonderling en opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat
de Spanjaard zich nog geen enkelen keer, hetzij des nachts, hetzij
over dag, in het fortje vertoond had. Zermah ten minste had, hoe
wantrouwend hare blikken ook rondwaarden, niets bespeurd, wat haar
tot een ander gevoelen kon brengen. Maar in weerwil daarvan sliep zij
slechts weinige oogenblikken en in die lange uren van slapeloosheid
spitste zij de ooren, maar steeds te vergeefs.
Daarenboven, wat zou zij hebben kunnen doen, wanneer Texar in de
Zwarte Kreek verschenen was en hij haar voor zich had doen brengen?
Zou hij hare smeekingen verhoord hebben? Of zou hij acht geslagen
hebben op hare bedreigingen?
En zou de aanwezigheid van den Spanjaard niet meer te duchten zijn
dan zijn afwezigheid?
Nu zat Zermah in den avond van den 6den Maart voor de duizendste maal
aan dit alles te denken. Het was ongeveer elf uren, en de kleine Dy
was in een vrij gerusten slaap gedompeld. De kamer, die haar beiden
tot cel diende, was in diepe duisternis gehuld. Geen enkel gerucht
werd van buiten gehoord, tenzij men het zuchten der bries door de
voegen der halfvergane planken-omwanding van het blokhuis daarvan
zou willen uitzonderen.
In dit oogenblik scheen het der mestische toe, dat in het
binnengedeelte van het reduit geloopen werd. Zij onderstelde, dat het
de Indiaan Squambo was, die, nadat hij rondom de omheinde omwalling
zijne gewone ronde-wandeling afgelegd had, naar zijne slaapkamer ging,
welke tegenover de hare gelegen was.
Zermah vernam toen eenige woorden, die tusschen twee naderende personen
gewisseld werden. Zij schreed zacht en onhoorbaar naar de deur en
luisterde aandachtig. Het eerst herkende zij de stem van Squambo,
daarna die van den Spanjaard Texar.
Eene huivering overviel haar.
Wat kwam die ellendeling op dit late uur in het fortje uitrichten? Gold
het thans een nieuwen aanslag op de mestische vrouw en het
kind? Zouden zij uit hun vertrek gesleurd worden om naar eene nog
verder afgelegen schuilplaats vervoerd te worden, naar een oord dat
nog meer ondoordringbaar was dan de Zwarte Kreek?
Alle die onderstellingen vertoonden zich in een ondeelbaar oogenblik
voor Zermah's geest en dreigden haar tot wanhoop te brengen... Maar
hare geestkracht keerde weldra terug en zou haar niet meer begeven. Zij
leunde tegen den deurpost en luisterde aandachtig.
»Is er niets nieuws?" vroeg Texar.
»Niets, meester," antwoordde Squambo.
»In het geheel niets?"
»Neen, niets."
»En... hoe verhoudt gij u tot Zermah?"
»Tot Zermah? Wat bedoelt gij?"
»Heeft zij niets gevraagd?"
»Integendeel, zeer veel."
»En?..."
»Ik heb natuurlijk geweigerd hare vragen te beantwoorden."
»Goed zoo."
Er ontstond eene stilte van weinige oogenblikken. Daarna vervolgde
de Spanjaard zijne ondervraging:
»Zijn er pogingen gedaan?"
»Welke pogingen?"
»Om sedert de gebeurtenissen op Camdless-Bay tot uwe gevangenen door
te dringen?"
»O, dat is dikwijls beproefd."
»En?"
»Steeds zonder welslagen."
Zermah begreep, toen zij dat antwoord vernam, dat er nasporingen naar
haar en naar de kleine Dy gedaan waren. Maar door wien? Dat wenschte
zij te vernemen.
»Hoe zijt gij dat te weten gekomen?" vervolgde Texar.
»Wel, ik ben herhaalde malen tot aan den oever der Sint John
doorgedrongen," antwoordde de Indiaan. »En weinige dagen geleden
bespeurde ik eene sloep, die in de nabijheid van de monding der Zwarte
Kreek ronddoolde. Zelfs is het eens gebeurd..."
»Wat?" viel Texar ongeduldig in.
»Dat twee mannen ontscheepten op een der eilandjes in die monding."
»Wie waren het?"
»Master James Burbank en master Walter Stannard."
Bij die woorden kon Zermah hare aandoening ternauwernood bedwingen. Zij
hield hare beide handen vast op haar borst geklemd, als vreesde zij
dat de beide mannen daar buiten het bonzend kloppen van haar hart
zouden kunnen hooren. Het waren dus master James Burbank en master
Walter Stannard, die daar in de nabijheid van de Zwarte Kreek gezien
waren? De verdedigers van Castle House waren dus niet omgekomen bij
den aanval op de plantage!
En als zij met hunne nasporingen begonnen waren, dan was dat een
onfeilbaar bewijs, dat zij met de ontvoering van het kind en de
mestische bekend waren. En als zij daarmede bekend waren, dan kon
het niet anders of mevrouw Burbank en miss Alice Stannard hadden
het hun gezegd. Dus die twee dames hadden naar Castle House kunnen
terugkeeren, nadat zij den laatsten kreet vernomen hadden, die door
Zermah geslaakt was en waarmede zij om hulp tegen Texar geroepen had.
Master James Burbank was dus op de hoogte van al het gebeurde. Hij wist
den naam van den ellendeling, die zich aan al die misdaden had schuldig
gemaakt. Misschien giste hij de plek, die tot gedwongen verblijf der
slachtoffers aangewezen was? O, als dat het geval was, dan zou hij
wel middelen weten uit te denken om tot haar te geraken! Dat kon niet
missen! Dat was ontwijfelbaar!
Die aaneenschakeling van feiten en gedachten vormde zich als het ware
oogenblikkelijk in het brein van Zermah. Zij werd met eene onmetelijke
hoop vervuld--eene hoop, die evenwel dadelijk in duigen viel, toen
zij den Spanjaard en den Indiaan het gesprek volgenderwijze hoorde
voortzetten.
»Jawel, laten zij maar zoeken! Zij zullen niet vinden!" sprak Texar
hoonend.
»Misschien," bracht Squambo bedachtzaam in het midden. »Het zou
misschien voorzichtig zijn naar eene andere schuilplaats voor die
vrouw en dat kind om te zien."
»Onnoodig," antwoordde de Spanjaard.
»Dunkt u dat?"
»Ja, volkomen onnoodig; want over eenige dagen zal master James
Burbank niet meer te vreezen zijn"
»Zoo... dat is wat anders."
Wat beteekenden die woorden? De arme kleurlinge begreep ze niet. In
ieder geval, in den mond van den man, die aan het hoofd der
regeering van Jacksonville stond, behelsden zij eene schrikwekkende
bedreiging. Dat viel inderdaad niet te ontkennen.
»En nu Squambo," zoo ging de Spanjaard voort, »heb ik uwe diensten
noodig."
»Tot uwe bevelen, meester," sprak de Indiaan.
»Slechts gedurende een uur."
»Spreek, ik ben geheel tot uw dienst."
»Volg mij dan."
»Dadelijk."
Een oogenblik later hadden zij beiden hun intrek in de slaapkamer
van den Indiaan genomen.
Wat voerden zij daar uit? Behandelden zij daar een geheim, dat Zermah
zou kunnen benutten? In haren toestand mocht zij inderdaad niets
verwaarloozen of veronachtzamen, wat tot redding van de kleine Dy en
van haar zelve kon strekken.
De deur van de slaapkamer der kleurlinge werd, zooals men weet,
nimmer op slot gesloten, zelfs niet des nachts. Die voorzorg zou dan
ook geheel nutteloos moeten heeten, daar het reduit van het fortje
behoorlijk afgesloten en gegrendeld kon worden, en Squambo den sleutel
steeds bij zich droeg. En op Squambo kon Texar ten volle rekenen,
dat wist hij.
Het was dus feitelijk onmogelijk om buiten het fortje te geraken,
en derhalve ook om eene ontvluchting te beproeven.
Zermah kon dan ook de deur harer kamer open maken. Zij deed dat zoo
stil mogelijk en trad daarna naar buiten, waarbij zij haren adem
inhield, bevreesd als zij was om gehoord te worden.
Dikke duisternis heerschte alom. Slechts eenige spaarzame lichtstralen
schenen door de reten van de deur van het vertrek des Indiaans.
Zermah naderde die deur en keek door een der voegen, die iets breeder
uitgevallen was dan de anderen.
Wat zij nu zag, kwam haar zoo zonderling voor, dat zij er de beteekenis
onmogelijk van begreep.
Hoewel het vertrek slechts verlicht werd door een eenig eindje kaars,
dat van hars vervaardigd was en derhalve eene walmende vlam opleverde,
die weinig helderheid verspreidde, was het toch voldoende voor den
Indiaan, die met een zeer geheimzinnigen en kieskeurigen arbeid
bezig was.
Texar zat voor hem; hij had zijn lederen wambuis uitgetrokken en de
linkermouw van zijn hemd opgestroopt, zoodat de arm bloot was. Dien
arm hield hij uitgestrekt op eene kleine tafel, onmiddellijk onder de
lichtstralen van de harskaars. Een papier van zonderlingen vorm en met
kleine gaten doorprikt, lag op de binnenvlakte van den voorarm. Door
middel van eene zeer fijne naald prikte Squambo in de huid door de
gaatjes van dat papier. Het was eigenlijk eene tatoueerings-bewerking,
welke de Indiaan uitvoerde, en in zijne hoedanigheid van stamgenoot
der Seminolen moest hij daarin zeer behendig zijn.
En inderdaad, hij volvoerde haar met zeer veel bedrevenheid en met
zulke lichte hand, dat de buitenhuid alleen door de punt der naald
aangetast werd, zonder dat de Spanjaard de minste smart ondervond.
Toen die bewerking ten einde gebracht was, lichtte Squambo het
papier op, greep toen een bosje bladeren van een plant, door Texar
medegebracht, en wreef daarmede den voorarm van zijn meester in. Het
sap dier plant geraakte daarbij in de wondjes, door de naaldenprikken
veroorzaakt, en bracht eene hevige jeuking teweeg, hetgeen den
Spanjaard betrekkelijk weinig deerde.
Nadat de geheele bewerking geëindigd was, bracht Squambo het eindje
kaars dicht bij het getatoueerde gedeelte. Een roodachtige teekening
vertoonde zich toen op de huid van Texar's voorarm. Die teekening
was eene zuivere reproductie van die, welke door de naaldgaatjes
op het papier gevormd werd. De overbrenging was met de grootste
nauwkeurigheid geschied. Het waren reeksen van gestippelde lijnen
die elkander kruisten en een der symbolieke figuren daarstelde van
de geloofsbelijdenis der Seminolen.
Dat merk was onuitwischbaar op den arm gegrift, waarop Squambo het
zoo nauwkeurig mogelijk getatoueerd had.
Zermah had dat alles gezien, maar, zooals reeds gezegd werd, zonder
er iets van te begrijpen.
Welk belang had de Spanjaard Texar er bij, met dat tatoueerwerk
versierd te worden? Waartoe dat »merkbare teeken", om de taal der
signalementen op de paspoorten getrouw te blijven? Wilde hij dan
voor een Indiaan doorgaan? Dat zoude noch de tint zijner huid, noch
zijne persoonlijke geaardheid gedoogen. Moest men dus niet een soort
van verband tusschen dit teeken zien en dat hetwelk onlangs op die
Floridasche reizigers, die in handen van Seminolen-Indianen in het
noorden van het graafschap gevallen waren, toegepast was? En wilde
Texar door dat middel weer de mogelijkheid te voorschijn roepen,
om andermaal een dier onverklaarbare alibi's te kunnen inroepen,
waarvan hij tot nu toe met zooveel welslagen partij getrokken had?
Inderdaad was dit wellicht weer een zijner streken. De toekomst zal
dat wel uitmaken.
Een ander vraagstuk deed zich toen in het brein van Zermah voor.
Zou de Spanjaard thans met geen ander doel op het lagune-eilandje en
in het fortje gekomen zijn, dan om de behendigheid van Squambo in zake
tatoueering op de proef te stellen? Zou hij, nu de bewerking afgeloopen
was en het geheimzinnige teeken prachtig op zijn arm gegrift stond, de
Zwarte Kreek verlaten om naar noordelijk Florida en naar Jacksonville,
waar zijne partijgangers nog den baas speelden, terug te keeren?
Of zou hij niet eerder voornemens zijn in het fortje te blijven totdat
de dag zou zijn aangebroken, en van de gelegenheid gebruik maken om de
kleurlinge voor zich te doen verschijnen en omtrent zijne gevangenen
de een of andere nieuwe beslissing te nemen?
Hieromtrent werd Zermah spoedig genoeg gerustgesteld.
De Spanjaard stond van zijn zetel op en naderde de deur, om het reduit
te verlaten. De mestische vloog naar hare kamer terug, en kon die
gelukkig nog ongemerkt bereiken. Daar stond zij tegen de in haast
gesloten deur geleund en hoorde de ettelijke volzinnen, die toen nog
tusschen den Indiaan en zijn meester gewisseld werden.
»Waak met nog meer zorg dan vroeger," zei Texar.
»Daar kunt gij staat op maken."
»Ik kan u dat niet genoeg inprenten."
»Wees gerust, op mij kunt gij u verlaten," antwoordde Squambo. »Maar
wanneer..."
»Wat wilt gij zeggen?"
»Wanneer master James Burbank de Zwarte Kreek ontdekt?"...
»Die zal hij toch wel kennen, dunkt me."
»Maar, wanneer hij het verblijf hier van het kind en de kleurlinge
in den neus krijgt?"...
»Dat zal hij niet."
»Maar het zou toch kunnen."
»Hebt gij dan reeds vergeten, wat ik straks zeide, Squambo."
»Wat was dat, meester?"
»Luister. Ik zeide, dat James Burbank over eenige dagen niet meer te
vreezen zal zijn."
»Is dat wel zoo zeker?" vroeg de Indiaan.
»Zeer zeker. Daarenboven, als het zoo ver mocht komen, dan weet ge
waarheen gij het kind en de mestische moet brengen."
»Jawel, dat weet ik."
»Welnu, volbreng dan stipt mijne orders... ik zal mij dan daar bij
u vervoegen."
»Ja, meester."
»Maar, waarom doet gij al die vragen? Gij schijnt angstvallig."
»Men kan nooit weten; het geval kon zich voordoen, dat Gilbert, de
zoon van master James Burbank, dat Mars, de echtgenoot van Zermah..."
»Wees toch gerust!"
»Ja maar..."
»Eer wij tweemaal vier en twintig uren verder in het leven zijn,
zijn ook die in mijne macht," antwoordde Texar. »En als ik ze in
handen zal hebben, dan..."
De beide mannen waren aan het einde van de gang, waarop de kamer van
Zermah uitkwam. Zij kon het einde van dien volzin niet meer hooren,
die zoo dreigend voor haren echtgenoot en ook voor Gilbert Burbank,
den zoon van haren meester, was.
Texar en Squambo verlieten toen het fortje, waarna de poort achter
hen gesloten werd.
Weinige oogenblikken later verliet de squif, door den Indiaan
bestuurd, het eilandje en stevende door de sombere kronkelingen van de
uitgestrekte lagune. Daar buiten gekomen, ontmoetten zij een vaartuig,
dat in de monding der Zwarte Kreek, evenwel op stroom der Sint John,
den Spanjaard lag te wachten.
Daar scheidden de beide booswichten van elkander, nadat de een
zijne aanbevelingen den ander nog eens herhaald had. Daarna stevende
Texar, door den ebstroom snellijk voortgestuwd, in de richting van
Jacksonville.
Hij kwam daar bij het krieken van den dag aan en juist bijtijds,
om zijne verfoeielijke plannen ten uitvoer te leggen.
Inderdaad, weinige dagen later was Mars in de diepte der Sint John
verdwenen en was Gilbert Burbank als verrader ter dood veroordeeld.
III.
DAAGS TE VOREN.
Het was in den morgen van den 11den Maart, dat Gilbert Burbank door
de rechtbank te Jacksonville ter dood veroordeeld was.
In den avond van dienzelfden dag was zijn vader op bevel van diezelfde
rechtbank in hechtenis genomen.
De jeugdige officier zou twee dagen later doodgeschoten worden, en
ongetwijfeld zou James Burbank, die beschuldigd was zijn medeplichtige
te zijn, hetzelfde vonnis treffen en terzelfder ure dezelfde straf
ondergaan!
Texar zette de rechtbank zooals men weet naar zijne hand; zijn wil gold
te Jacksonville voor wet. De doodstraf op vader en zoon ten uitvoer
gebracht, zou slechts het voorspel zijn van de bloedige uitspattingen,
waaraan de halfblanken, die door het schuim der bevolking ondersteund
werden, zich tegenover de noordelijkgezinden in den Staat Florida
en tegen hen, die hunne denkbeelden omtrent de slavernij deelden,
zouden schuldig maken.
Hoevele personeele wraaknemingen zouden aldus onder het schild van
den burger-oorlog gepleegd worden? Die zouden niet anders dan door
de tegenwoordigheid der federalistische troepen gestuit kunnen worden.
Maar... zouden die aankomen? En bovenal, zouden zij bijtijds aankomen,
voordat de eerste slachtoffers aan den haat en de wraakzucht van den
Spanjaard opgeofferd zouden zijn?
Ongelukkig, dat viel te betwijfelen.
En de lezer zal begrijpen in welke doodsangsten de bewoners en gasten
van Castle-House door die onzekerheid, door dat uitblijven der troepen,
die redding moesten aanbrengen, verkeerden.
Het scheen toch, dat de commandant Stevens het plan, om de Sint
John met zijn smaldeel op te stevenen, althans voorshands had laten
varen. De kanonneerbooten volvoerden geen enkele beweging, waaruit
opgemaakt zou kunnen worden, dat zij hun anker wilden verlaten.
Zouden zij de bank in de monding van den stroom niet durven
overschrijden, nu Mars niet meer daar was, om hen door de geul te
loodsen? Het had er al den schijn van.
Zagen zij van het plan af, om zich van Jacksonville meester te maken,
om door die inname de veiligheid te verzekeren van de opgezetenen van
de plantages, aan het bovengedeelte der Sint John gelegen? Helaas,
dat was te duchten.
Maar wat was er dan op het werkelijke terrein des oorlogs geschied;
welke feiten waren daar voorgevallen, die tot zulk eene wijziging in
de plannen van den Commodore Dupont noopten?
Dat vroegen zich master Walter Stannard en de administrateur master
Perry herhaaldelijk gedurende dien eindeloozen dag van den 12den
Maart af.
Toen toch liepen er geruchten in dit gedeelte van Florida, hetwelk
tusschen den Atlantischen Oceaan en de Sint John begrepen ligt, dat
de ondernemingen der Noordelijken zich voornamelijk tot de kuststrook
bepaalden. De Commodore Dupont, die zijn wimpel op de Wabash geheschen
had, zou, gevolgd door de grootste kanonneerbooten van zijn eskader,
reeds in de baai van Sint Augustijn gedrongen zijn. Men vertelde
zelfs dat de militie-troepen zich gereed maakten de stad te ontruimen,
zonder zelfs te pogen het fort Masan te verdedigen, evenmin als zij
het fort Clinch verdedigd hadden, toen de havenplaats Fernandina
genoodzaakt was, zich bij verdrag over te geven.
Dat waren de nieuwstijdingen, welke de administrateur in den ochtend
op Castle-House aanbracht. Men deelde ze aanstonds aan master Walter
Stannard en aan master Edward Carrol mede, welke laatste door zijne
wond, die nog niet geheeld was, gedwongen werd op een der divans in
de hall van het heerenhuis uitgestrekt te blijven liggen.
»De federalistische troepen te Sint Augustijn!" riep de gekwetste uit.
»Het schijnt zoo, master Carrol," antwoordde de administrateur Perry.
»Maar waarom gaan zij niet naar Jacksonville?"
»Ja, dat is onbegrijpelijk," antwoordde Walter Stannard.
»Misschien willen zij slechts de rivier benedenstrooms afsluiten,
zonder er bezit van te nemen," hernam de administrateur Perry.
»Maar dat is onzinnig!" riep Edward Carrol uit.
»Meer dan dat," zei Walter Stannard.
»Dat meen ik ook," bevestigde master Perry.
»James Burbank en zijn zoon Gilbert zijn reddeloos verloren,"
vervolgde master Walter Stannard, »wanneer Jacksonville in de macht
van Texar blijft."
»Zou daarvoor niets te doen zijn?" vroeg master Perry.
»Wat zou er kunnen gedaan worden?" vroeg Master Walter Stannard.
»Ik zou naar den Commodore Dupont kunnen reizen," antwoordde de
administrateur, »om hem in te lichten omtrent het gevaar, waarin de
heeren Burbank vader en zoon verkeeren."
»Gij zoudt een heelen dag noodig hebben, om Sint Augustijn te
bereiken," hernam Edward Carrol, »altijd in de onderstelling,
dat gij niet door de detachementen militie-troepen, die op hunnen
terugtocht zijn, aangehouden zult worden! En voordat de Commodore
Dupont het betrekkelijk bevelschrift, om Jacksonville te bezetten,
aan den commandant Stevens zal hebben doen toekomen, zou te
veel tijd verloopen. Daarenboven, die bank... die zandbank in de
rivier... de kanonneerbooten kunnen daar niet over... en hoe nu
onzen armen Gilbert te redden, wiens vonnis morgen reeds voltrokken
wordt? Neen!... Er behoeft niet naar Sint Augustijn gegaan te worden,
maar naar Jacksonville zelve!... Wij moeten ons niet tot den Commodore
Dupont wenden...."
»Maar tot wien dan?" vroeg Perry onthutst.
»Wel, tot Texar in persoon!..."
»Vader, mijnheer Carrol heeft gelijk," zei Miss Alice Stannard,
die juist binnengetreden was en de woorden van master Edward gehoord
had. »Mijnheer Carrol heeft gelijk, en ik zal naar Jacksonville gaan!"
Het moedige meisje was in staat om alles te ondernemen, alles te
trotseeren, wanneer het gold Gilbert Burbank te redden.
Voordat master James Burbank daags te voren Camdless Bay verlaten had,
had hij iedereen op het hart gedrukt, dat zijne echtgenoote er niet
mede mocht bekend gesteld worden, dat hij zich naar Jacksonville
begaf. Vooral legde hij nadruk er op, dat zij onkundig moest
blijven met de omstandigheid, dat het 't bestuur was, dat het bevel
uitgevaardigd had om hem gevangen te nemen. Mevrouw Burbank wist dus
van niets en was ook onbekend gebleven met het lot, dat haren zoon
beschoren was, dien zij in veiligheid aan boord der kanonneerboot
moest wanen.
Hoe zou die ongelukkige vrouw den dubbelen slag, die haar trof,
verdragen?
Haar echtgenoot was in handen van dien verfoeielijken Texar, en haar
zoon beleefde den vooravond van den dag, dat zijn doodvonnis voltrokken
zoude worden! O, dat zou zij niet overleefd hebben!
Toen zij verzocht had om James Burbank, haren echtgenoot, te zien,
had miss Alice geantwoord, dat hij Castle House verlaten had, om
de nasporingen met betrekking tot de kleine Dy en Zermah weer te
hervatten en dat zijn afwezigheid ongeveer tweemaal vier-en-twintig
uren zoude duren.
Het geheele denkvermogen van mevrouw Burbank vestigde zich nu op
haar ontvoerd kind. Maar ook dat was te veel voor haar te dragen,
althans in den toestand van ziekelijkheid, waarin zij zich bevond.
Miss Alice Stannard was evenwel met alles bekend, wat er voorgevallen
was en derhalve ook met den gevaarvollen toestand, waarin James en
Gilbert Burbank zich bevonden. Zij wist dat de jeugdige officier den
volgenden dag moest doodgeschoten worden en dat hetzelfde lot zijn
vader beschoren was!...
O, bij die gedachte was zij tot alles besloten, om pogingen tot hunne
redding aan te wenden.
Zij verzocht dan ook master Edward Carrol, om haar de gelegenheid te
verschaffen naar de overzijde der Sint John te kunnen oversteken.
»Waar wilt gij heen, miss Alice?" vroeg Edward Carrol.
»Naar Jacksonville."
»Gij!... Gij, Alice... naar Jacksonville!" riep master Walter
Stannard uit.
»Vader... het moet... het is mijn plicht!..."
De zoo natuurlijke aarzeling van master Walter Stannard verdween bij
die woorden oogenblikkelijk. Hij gevoelde dat zonder dralen moest
gehandeld worden. Wanneer Gilbert Burbank kon gered worden, dan kon
dat uitsluitend door de poging, die miss Alice wilde wagen.
Wellicht wanneer het jonge meisje zich aan de knieën van Texar
wierp, zou zij er in slagen een sprank van mededoogen in zijn hart
op te wekken! Misschien zou zij een uitstel, eene schorsing van het
vonnis verwerven! Mogelijk was het ook, dat zij steun zoude vinden
bij de eerlijke lieden en dat hare wanhoop eindelijk de gemoederen in
opstand zoude brengen tegen de ondragelijke tirannie van het bestuur,
dat thans de macht in handen had? Zij moest dus naar Jacksonville,
ongeacht het gevaar dat zij daar loopen kon.
»Perry zal mij wel naar de woning van master Harvey willen geleiden,"
zei het jonge meisje.
»Zeker," antwoordde de administrateur bereidwillig.
»Neen, Alice," hernam master Walter Stannard, haar vader, »ik zal u
vergezellen. Ja... ik! Kom, er valt geen tijd te verliezen."
»Gij Stannard?" vroeg Edward Carrol... »Dat is u noodeloos in gevaar
begeven... Begrijp dat goed... Men kent te zeer uwe denkbeelden te
Jacksonville."
»Om het even," antwoordde master Walter Stannard. »Ik laat mijne
dochter zich niet zonder mijn geleide te midden van die woestelingen
begeven."
»Maar dat is gevaarlijk!"
»Ik herhaal: dat is mij om het even!"
»Maar..."
»Zwijg daarover. Perry moet op Castle-House blijven, daar gij,
Edward, nog niet gaan kunt; want het geval moet voorzien worden,
dat men ons aanhoudt..."
»En als mevrouw Burbank naar u vraagt?" hernam Edward Carrol.
»Antwoord dan dat ik mij bij haren echtgenoot vervoegd heb, om hem bij
zijne nasporingen aan de overzijde der Sint John behulpzaam te zijn."
»Maar, als zij naar miss Alice vraagt?"
»Ja... dan... Zeg dan dat zij mij vergezelt... Zeg haar zelfs, als
het moet, dat wij naar Jacksonville gegaan zijn... Zeg in één woord
alles wat u voor den mond komt, om de goede mevrouw Burbank gerust
te stellen. Maar laat haar vooral niet gissen, welke gevaren, haar
zoon en echtgenoot bedreigen.
»Neen, dat zal niet, wees gerust."
»Welnu dan, Perry, laat een vaartuig in gereedheid brengen!..."
»Goed, master Stannard."
De administrateur ging dadelijk heen, om het ontvangen bevel te doen
uitvoeren, terwijl master Walter Stannard zich onledig hield zijne
toebereidselen tot het vertrek te treffen.
Intusschen werd het toch wenschelijk geacht, dat miss Alice Stannard,
alvorens Castle-House te verlaten, aan mevrouw Burbank zoude
mededeelen, dat zij en haar vader verplicht waren naar Jacksonville
te gaan. Er kon niet anders gehandeld worden. Als het noodig mocht
zijn, moest zij geen oogenblik aarzelen om haar te verzekeren, dat
de partij van Texar het onderspit gedolven had, dat zijne regeering
omver geworpen was... dat de Federalisten meester van de Sint John
waren... dat Gilbert morgen reeds op Camdless-Bay zoude aankomen...
Maar zou het jonge meisje geestkracht genoeg bezitten, om hare
gevoelens volkomen meester te blijven?
Zou hare stem haar niet verraden, wanneer zij daadzaken verzekerde,
welker verwezenlijking thans, zoo niet onmogelijk, dan toch zeer
onwaarschijnlijk was?
Toen zij in de kamer van mevrouw Burbank kwam, sliep de patiente, of
beter gezegd, was in eene soort van pijnlijke verdooving verzonken, in
eene diepe machteloosheid, waaruit miss Alice haar niet durfde wekken.
»Zou het ook niet beter zijn," zoo dacht het lieve kind, »dat ik niet
sprak en maar heenging zonder de arme moeder door onwaarheden gerust
te stellen?"
Een der vrouwelijke dienstboden op Castle House waakte bij het
bed. Miss Alice Stannard beveelde haar uitdrukkelijk aan, de zieke
geen oogenblik alleen te laten, en zich tot master Edward Carrol te
wenden, wanneer de arme moeder vragen tot haar richtte, die zij niet
kon beantwoorden.
Daarna bukte zij zich over het voorhoofd van mevrouw Burbank, beroerde
dat even met hare lippen en verliet vervolgens het vertrek, om zich
bij haren vader te vervoegen.
Zoodra deze haar bespeurde, vroeg hij:
»Wel?..."
»Kom, laten wij gaan," zeide zij.
»Maar..."
»Kom, er valt geen minuut te verliezen."
Beiden verlieten de hall, nadat zij de hand van master Edward Carrol
gedrukt hadden.
In het midden van de bamboelaan, die naar de kleine havenkom voerde,
ontmoetten zij den administrateur Perry.
»Is het vaartuig klaar?" vroeg Walter Stannard.
»Ja, master. Alles is in orde."
»Goed zoo, Perry. Maar, nu nog een woord."
»Wat wilt ge zeggen, master Stannard?"
»Wees waakzaam, oude vriend. U is thans de zorg van Castle House
opgedragen."
»Vrees niets, master Stannard."
»Ik weet, dat ik op u kan vertrouwen, maar gij beschikt over zoo
weinig hulpmiddelen..."
»Dat valt nog al mede, master Stannard. Onze negers komen langzamerhand
op de plantage terug en dat valt licht te begrijpen. Wat zouden zij met
eene vrijheid uitvoeren, waarvoor hen de natuur niet geschapen heeft?"
»Des te beter," antwoordde master Walter. »Wees intusschen waakzaam."
»Nogmaals, wees niet ongerust. Brengt gij maar master James Burbank
op de plantage terug, dan zal hij mij en allen op hun post vinden!"
»Het zij zoo, master Perry!"
Master Walter Stannard en zijne dochter namen nu plaats in het
vaartuig, dat door vier negermatrozen van Camdless Bay gevoerd werd.
Het zeil werd geheschen en onder den druk van een niet al te sterken
oostenwind, stak men van den wal af. De aanlegpier verdween weldra
achter den hoek, die in het noordwestelijk gedeelte der plantage door
den min of meer bochtigen loop der rivier gevormd werd.
Master Stannard koesterde het voornemen niet, om in de haven van
Jacksonville aan wal te stappen. Daar zou hij toch onmiddellijk
herkend worden. Hij achtte het doelmatiger in een kleine kreek, iets
boven die havenstad gelegen, te ontschepen. Vandaar zou het hem niet
moeilijk vallen, de woning van master Harvey, welke zich aan dien kant
op het uiteinde der voorstad bevond, te bereiken, Daar zou men tot
eene beslissing moeten komen, hoe volgens de omstandigheden verder
te handelen, en welke pogingen in het werk gesteld moesten worden.
De oppervlakte der Sint John was eenzaam in dit uur. Niets werd
bovenstrooms ontwaard, vanwaar de militie-troepen van Sint Augustijn
bij hunne vlucht naar het zuiden konden opdagen.
Dus er was nog geen gevecht tusschen de Floridasche vaartuigen en de
kanonneerbooten van den commandant Stevens geleverd. Men kon zelfs
deze laatstbedoelde oorlogsvaartuigen in eene lijn voor anker zien
liggen, want bij eene kronkeling van de Sint John opende zich een
ruim vergezicht tot ver beneden Jacksonville.
De wind blies ruim en stevig, zoodat de overtocht snel afgelegd
werd. Het was nog vroeg, toen master Walter Stannard en miss Alice,
zijne dochter, den oever bereikten. Beiden konden, zonder bespeurd
te worden in de kreek, die niet bewaakt werd, ontschepen, en weinige
minuten later bevonden zij zich in de woning van den correspondent
van James Burbank te Jacksonville.
Deze was zeer verrast hen te zien en legde veel onrust over hun
verschijnen in de stad aan den dag. Hunne tegenwoordigheid was
vrij gevaarvol te midden van die bevolking, welke zeer opgewonden
en geheel en al op de hand van Texar was. Men wist toch dat master
Walter Stannard de anti-slavernij-gezinde meeningen, die te Camdless
Bay aangekleefd werden, deelde. De plundering zijner eigene woning
te Jacksonville was eene waarschuwing, waarmede ernstig rekening
gehouden moest worden.
Zijne vrijheid, ja zijn leven zou zeer zeker groot gevaar loopen. Het
minste wat hem zou kunnen overkomen, wanneer hij herkend werd, zou
zijn, dat hij als medeplichtige van master James Burbank gevangen
genomen en opgesloten zou worden.
»Ja, maar het geldt ons minder," merkte miss Alice Stannard den heer
Harvey in antwoord op zijne veelvuldige opmerkingen en bezwaren op.
»En wien geldt het dan?" vroeg de kalme handelaar.
»Het geldt de redding van Gilbert Burbank!" antwoordde het
geestdriftvolle meisje.
»De redding van Gilbert Burbank?"
»Ja, master Harvey. En daarbij moet gij ons helpen."
»U helpen? Bij de redding van Gilbert Burbank?... Voorzeker kan dat
beproefd worden."
»Niet kan, maar moet beproefd worden, master Harvey!"
»Jawel, maar... master Stannard mag zich niet buitenshuis vertoonen..."
»Niet?" vroeg Alice's vader.
»Neen, gij moet hier als het ware opgesloten blijven, terwijl wij
beiden zullen handelen."
»Een mooie rol, die gij mij toebedeelt," pruttelde master Walter
Stannard.
»Zal men mij in de gevangenis toelaten?" vroeg het jonge meisje.
»Dat geloof ik niet, miss Alice."
»Waarom niet?"
»Omdat bevelen zijn gegeven, niemand bij de veroordeelden toe te
laten."
»Zou ik bij Texar toegelaten worden?"
»Bij Texar?"
»Ja, bij Texar, master Harvey!"
»Wij kunnen het beproeven."
»Gij wilt dus niet, dat ik u vergezel?" drong master Walter Stannard
aan.
»Neen! Dat zou te gevaarlijk zijn en het weinigje kans om te slagen
in rook doen verdwijnen."
»Waarom dan toch?"
»Omdat Texar en het geheele bestuur uwe verschijning als eene
uittarting zouden beschouwen."
»Kom dan, master Harvey," sprak miss Alice.
»Ik volg u, mijn kind."
Alvorens hen te laten vertrekken, wenschte master Walter Stannard toch
te weten, of er geen nieuwe oorlogsbedrijven plaats gegrepen hadden,
waarvan de tijding Castle House wellicht niet bereikt had.
»Geen," antwoordde master Harvey.
»Geen enkele?"
»Neen, ten minste geen enkele, welke betrekking op Jacksonville
kan hebben."
»Maar..."
»Het is waar, het federalistische smaldeel is in de baai van Sint
Augustijn binnengedrongen, waarop die stad zich bij verdrag heeft
overgegeven."
»Maar ten opzichte van de Sint John?"
»Dienaangaande is geen enkele beweging opgemerkt."
»Helaas!"
»De kanonneerbooten liggen nog altijd beneden de zandbank ten anker."
»Zij hebben nog geen water genoeg om die bank over te stevenen,
niet waar?"
»Juist, mijnheer Stannard."
»En bestaat er uitzicht op verandering in den toestand?"
»Heden zullen wij een der sterkste equinoxiaal-springvloeden hebben. De
vloed zal zijn hoogste punt tegen drie uren bereiken en dan zullen
de kanonneerbooten waarschijnlijk de bank kunnen passeeren."
»Passeeren zonder loods?"
»Zonder loods, master Stannard?"
»Weet gij dan niet, master Harvey," vroeg miss Alice, »dat Mars er
niet meer is, om de vaartuigen door de geul te geleiden?"
Het lieve meisje sprak die woorden op zulk een weemoedigen toon,
dat het duidelijk was, dat zij thans ook weinig van de tusschenkomst
der oorlogsvaartuigen verwachtte. Zij ging dan ook voort:
»Neen... neen... Het is onmogelijk... Daarvan valt niets te
verwachten... Master Harvey, ik moet Texar te spreken krijgen..."
»Maar, als hij uwe bede afslaat?"
»Dan moeten wij alles trachten in het werk te stellen, om Gilbert te
doen ontvluchten!"
»Ja zeker, dat zullen wij doen, miss Alice!"
»Is er geen wijziging gekomen, master Harvey, in de stemming der
bevolking te Jacksonville?" vroeg master Walter Stannard.
»Neen," antwoordde de correspondent van James Burbank.
»Zoodat?..."
»Zoodat de schurken, die door Texar beheerscht worden, er nog steeds
den boventoon voeren."
»Maar bestaat er dan geen eerlijkheidsgevoel meer?"
»Ja, de eerlijke lieden trillen van verontwaardiging, bij de daden
van willekeur en knevelarij, door de bestuurslieden begaan. Eene
enkele beweging voorwaarts vanwege de federalistische troepenmacht zou
voldoende zijn, om den staat van zaken te veranderen. Want de bevolking
van Jacksonville is, alles wel beschouwd, lafhartig van aard. Als haar
de angst om het hart zal slaan, dan is het bestuur van Texar en zijne
handlangers in een oogwenk omvergeworpen... Ik koester nog steeds de
hoop, dat de commandant Stevens de bank zal kunnen overschrijden."
»Wij kunnen die gebeurlijkheid niet afwachten," antwoordde miss Alice
Stannard vastberaden. »Ik zal Texar te voren ontmoet hebben!"
»God helpe u daarbij, miss Alice!"
Er werd verder overeengekomen, dat master Walter Stannard binnenshuis
zoude blijven, opdat niemand iets van zijne tegenwoordigheid te
Jacksonville zoude vernemen.
Master Harvey stelde zich geheel ter beschikking van het jonge
meisje, om haar bij alle pogingen, die zij ondernemen wilde, bij
te staan. Helaas, hij ontveinsde zich niet, dat het welslagen dier
pogingen het hersenschimmige nabij kwam. Wanneer toch Texar weigeren
zou Gilbert het leven te schenken, wanneer het Alice onmogelijk
gemaakt werd, om tot de veroordeelden door te dringen, dan bleef er
niets anders over dan te beproeven, al moest het ook een vermogen
kosten, de ontvluchting van den jeugdigen zeeofficier en van zijn
vader James Burbank voor te bereiden, en de personen, die daarbij
behulpzaam konden zijn, om te koopen.
Het was ongeveer elf uren, toen miss Alice Stannard en master
Harvey de woning verlieten, om zich naar Court-Justice te begeven,
alwaar het bestuur, gepresideerd door Texar, in de tegenwoordige
tijdsomstandigheden onafgebroken zitting hield.
Er heerschte steeds groote bedrijvigheid in de stad. Hier en daar
trokken militie-troepen voorbij, die door de contingenten, welke uit
de zuider-districten aanrukten, versterkt werden. Men verwachtte in
den loop van den dag die, welke door de overgaaf van de havenstad
Sint Augustijn beschikbaar kwamen, hetzij zij hun weg langs de Sint
John, hetzij zij door de bosschen aan den rechter oever trokken, om
de rivier ter hoogte van Jacksonville over te steken. Dus er was veel
beweging in de straten; de bevolking trok als het ware heen en weer.
Duizend nieuwtjes deden de rondte, en zooals gewoonlijk waren de
meesten met elkander in strijd, hetgeen meestal een oploop ten gevolge
had, die niet van regelmaat en orde getuigde.
Zooveel was wel te ontwaren, dat wanneer de federalistische
kanonneerbooten in het gezicht der havenplaats zouden verschijnen,
geen eenheid van handelen bij de verdediging bestaan zou. De weerstand
zou niet ernstig zijn. Fernandina had zich negen dagen te voren aan
de debarkementstroepen van den generaal Wright overgegeven. Sint
Augustijn had het smaldeel van den Commodore Dupont toegelaten, ja
ingehaald, zonder zelfs eene poging van tegenstand aan te wenden. En
zoo was het te voorzien, dat het te Jacksonville eveneens zoude
geschieden. De Floridasche militie-troepen zouden de plaats ontruimen
voor de krijgsmacht der Noordelijken en naar de binnenlanden van het
graafschap terugtrekken.
Slechts een enkele omstandigheid zou nog de inbezitname van
Jacksonville kunnen verhinderen en het hare er toe bijdragen, om de
dagen van dat bestuur te verlengen, waardoor het mogelijk werd dat
de woestelingen hunne bloeddorstige plannen zouden kunnen ten uitvoer
leggen, namelijk dat de kanonneerbooten van den commandant Stevens om
de een of andere reden--b. v. gebrek aan voldoende diepte of gebrek
aan een loods--de zandbank in de rivier niet konden overschrijden. En
dat vraagstuk zou binnen weinige uren opgelost zijn.
Intusschen richtten miss Alice Stannard en master Harvey te midden
van eene menigte, die al talrijker en dichter werd, hunne schreden
naar de openbare plaats.
Hoe zouden zij binnen Court Justice geraken? Daarover konden zij zich
zelfs geen denkbeeld maken.
En al gelukte het hun ook al de zalen van dat gebouw binnen te dringen,
hoe moesten zij het aanleggen om Texar te ontmoeten? Ja, dat wisten
zij ook niet.
Wie weet, of de Spanjaard, wanneer hij zoude vernemen dat miss Alice
Stannard hem wenschte te ontmoeten, haar niet in hechtenis zou laten
nemen en tot na de terechtstelling van den jeugdigen luitenant in
de gevangenis laten opsluiten, om zich van eene lastige audiëntie af
te maken?...
Maar het jonge meisje wilde van al die mogelijke gebeurlijkheden
niets weten. Zij had slechts haar doel voor oogen. Zij wilde Texar
ontmoeten, zij wilde hem de gratie voor Gilbert ontwringen... en geene
overweging van persoonlijk gevaar kon haar dat doel doen vergeten,
al was het ook maar voor een oogenblik.
Toen zij en master Harvey het plein bereikten, vonden zij daar eene
nog meer op elkaar gepakte en nog meer luidruchtige menigte dan in de
straten die zij doorgestapt hadden. Woeste kreten weerklonken, vloeken,
schelden en tieren werd overal gehoord. En boven alles klonken de
woorden, die als het ware van de eene naar de andere groep gekaatst
en herkaatst werden:
»Ter dood!... Ter dood!"
Wien zou dat kunnen gelden?
Master Harvey vernam weldra, dat de rechtbank sedert een uur zitting
hield. Een vreeselijk voorgevoel overviel hem. En helaas! dat
voorgevoel bedroog hem niet.
En inderdaad, de rechtbank eindigde juist hare taak met de
veroordeeling van master James Burbank als medeplichtige van zijn zoon
en als zoodanig als schuldig aan de misdaad van met de federalistische
krijgsmacht en dus met de vijanden van zijn land geheuld te hebben.
Hier had de beschuldiging omtrent dezelfde misdaad weerklonken en
was ongetwijfeld hetzelfde vonnis gewezen!
Het was de bekroning der taak van den haat, door Texar tegen de
familie Burbank gekoesterd!
Master Harvey wilde toen niet verder gaan. Hij poogde miss Alice
Stannard met zich te tronen. Zij mocht geen getuige zijn van de
gewelddadigheden, waaraan het volk, het plebs zich scheen te zullen
overgeven, wanneer de veroordeelden Court-Justice zouden verlaten
na de uitspraak van het vonnis. Daarenboven, dit kon onmogelijk het
gewenschte oogenblik zijn om den Spanjaard te ontmoeten en zijne
bemiddeling af te smeeken.
»Kom, miss Alice," sprak master Harvey, »kom!... Wij zullen
terugkeeren, wanneer de rechtbank..."
»Neen," antwoordde het jonge meisje, »neen, wij gaan niet heen!"
»Maar, wat wilt gij dan doen?"
»Wat ik doen wil?... O God!... Ik zal mij tusschen de beschuldigden
en hunne rechters plaatsen!"
Het besluit van miss Alice Stannard was zoo onwrikbaar genomen,
dat master Harvey er aan wanhoopte, om er haar van af te brengen,
of om haar aan het wankelen te brengen.
Het jonge meisje trad vooruit en de brave man was genoodzaakt haar
te volgen, haar te begeleiden. Dat had hij haren vader beloofd. De
menigte, hoe dicht opeengepakt zij ook was, opende zich voor haar
en verleende haar doortocht. Misschien dat ettelijke personen haar
herkenden. De kreten van »ter dood! ter dood!" weerklonken schrikkelijk
in hare ooren. Niets kon haar weerhouden. En onder die omstandigheden
bereikte zij de deur van Court-Justice.
Hier was het volk nog onrustiger, nog onstuimiger dan elders. De
beweging, die de menigte ondervond, was aan de hooggaande deining van
den oceaan gelijk. Maar niet aan de deining die afslecht en aankondigt,
dat de storm uitgewoed heeft, maar aan den aanschietenden golfslag
van den orkaan in aantocht.
Van dien kant waren de grootste uitspattingen te vreezen.
Plotseling werd de menigte, die de zaal van Court-Justice als het
ware overstroomde, door eene onweerstaanbare wieling naar buiten
gedrongen. Het geschreeuw en de dreigementen verdubbelden. Het vonnis
was gestreken en de veroordeeling uitgesproken.
James Burbank was evenals Gilbert Burbank veroordeeld voor dezelfde
voorgewende misdaad tot dezelfde straf. Vader en zoon zouden onder
dezelfde kogels van hetzelfde executie-peloton vallen.
»Ter dood!... Ter dood!..." riep die troep woestelingen.
Master James Burbank verscheen in dit oogenblik op de benedenste treden
van de trap die naar den ingang van Court-Justice voerde. Hij was kalm
en zich zelf geheel meester. Voor die hem omringende schreeuwers had
hij slechts een blik van verachting over.
Een detachement militie-troepen omringde hem en had tot opdracht om
hem naar de gevangenis terug te brengen.
Hij was evenwel niet alleen.
Gilbert, zijn zoon Gilbert, stapte naast hem voort.
De jeugdige officier der Noordelijken was uit zijne cel gehaald
geworden, waarin hij het uur van de voltrekking van zijn vonnis
afwachtte, en voor de rechtbank gebracht om met James Burbank, zijn
vader, geconfronteerd te worden.
Deze had slechts de beweringen zijns zoons kunnen bevestigen, namelijk
dat deze voor geen andere reden naar Castle-House gekomen was, dan
om zijne stervende moeder nog eens te zien.
Door die bevestiging zou de beschuldiging van spionneeren vanzelf
hebben moeten vervallen, wanneer de beschuldigde niet vooraf
veroordeeld was. Dezelfde veroordeeling, door eene persoonlijke
wraakoefening uitgelokt en door onrechtvaardige en omgekochte rechters
uitgesproken, had dan ook twee onschuldigen getroffen.
Intusschen poogde de menigte zich op de veroordeelden te werpen. Het
detachement militie-troepen slaagde er niet dan met de grootste
moeite in, om zich met de gevangenen een doortocht over het plein
van Court-Justice te banen.
Plotseling gebeurde er eene buitengewone beweging.
Miss Alice Stannard had het cordon militie-troepen doorbroken en zich
op master James Burbank en Gilbert gestort.
Onwillekeurig deinsde het gepeupel achteruit, verrast door de
onverwachte tusschenkomst van dat jonge meisje.
»Gilbert!" kreet de dochter van master Stannard.
»Alice!" antwoordde Gilbert Burbank.
»Gilbert!... Gilbert!" herhaalde het jonge meisje en viel in de armen
van den jeugdigen officier.
»Alice... wat doet gij hier?" vroeg master James Burbank.
»Ik wil genade voor u vragen!"...
»Genade voor ons?"...
»Ik wil uwe rechters smeeken!... O, genade!... Genade voor die twee
mannen!..."
De kreten van het ongelukkige jonge meisje waren hartverscheurend. Zij
klemde zich aan de kleedingstukken der veroordeelden, die een oogenblik
halt hadden moeten maken, vast.
Kon zij eenig medelijden verwachten van die losgelaten en opgewonden
menigte, die haar omringde? Neen, zeker niet. Maar hare tusschenkomst
had toch het gevolg, eenige afleiding te bezorgen aan dat gepeupel,
hetwelk op het punt stond tot de ergerlijkste gewelddadigheden jegens
de gevangenen over te gaan, in weerwil van de militie-troepen, die
hen moesten beschermen.
Texar, die middelerwijl op de hoogte gehouden was van hetgeen voorviel,
verscheen juist in dit oogenblik op den drempel van de groote deur
van Court-Justice. Een gebaar van hem was voldoende, om het gepeupel
in toom te houden... Hij herhaalde het bevel, om James Burbank en
zijn zoon Gilbert naar de gevangenis terug te voeren. Dat bevel, met
luider stem uitgesproken, werd door iedereen gehoord en geëerbiedigd.
Het detachement stelde zich andermaal in beweging.
Miss Alice wierp zich aan de voeten van Texar.
»Genade!... Genade!"... kreet zij
handenwringend. »Genade! heer... Genade!"
De Spanjaard antwoordde slechts met een afwijzend gebaar en wilde
verder treden.
Het jonge meisje sprong toen op. »Ellendeling!" kreet zij.
Zij wilde zich toen bij de veroordeelden vervoegen, met den wensch
hen in hunne gevangenis te mogen volgen, om de laatste uren, die zij
nog te leven hadden, met hen door te brengen.
Helaas, zij waren reeds verdwenen en van het plein weggevoerd,
terwijl de menigte hen met haar kreten vergezelde.
Dat was meer dan miss Alice Stannard verdragen kon. Hare krachten
begaven haar. Zij wankelde en zou gevallen zijn, wanneer master Harvey
haar niet in zijne armen opgevangen had. Zij was buiten kennis en
had geheel en al het bewustzijn verloren.
Het jonge meisje kwam eerst bij, toen zij in de woning van master
Harvey gebracht was en zij zich bij haren vader bevond.
Toen zij de oogen opsloeg prevelde zij:
»Naar de gevangenis... naar de gevangenis!... Beiden moeten
ontsnappen!"...
»Ja," antwoordde master Walter Stannard.
»Inderdaad!" beaamde master Harvey.
»Er blijft niets anders over te beproeven," hernam de eerste.
»Wij moeten evenwel den nacht afwachten, om te kunnen handelen,"
zei de andere.
Inderdaad zoolang het licht was, viel er niets te doen. Wanneer
de duisternis hen evenwel veroorlooven zoude met meer veiligheid
te werk te gaan, zonder gevaar te loopen betrapt of overvallen te
worden, dan zouden master Walter Stannard en master Harvey pogen,
om de ontsnapping van de beide gevangenen mogelijk te maken, door de
bemiddeling en medewerking van hunnen bewaker in te roepen. Zij zouden
dan eene zoo aanzienlijke som bij zich steken, dat die man, zooals zij
hoopten, aan hunne aanbiedingen geen weerstand zoude kunnen bieden,
vooral in de tijdsomstandigheden dat een enkel kanonschot van de
flottilje van den commandant Stevens afgevuurd, een einde kon maken
aan de macht van den ellendigen Spanjaard.
Maar toen bij het invallen van den nacht de heeren Stannard en Harvey
hun plan ten uitvoer wilden brengen, zagen zij zich genoodzaakt
daarvan af te zien. De woning werd scherp bewaakt door een peloton
militie-troepen, dat in last had, hen het uitgaan te beletten. Het
was of alles tegen die ongelukkige familie samenspande.
IV.
STORMVLAAG UIT HET NOORDOOSTEN.
De veroordeelden hadden nu nog slechts één uitzicht op redding--slechts
één enkel--namelijk dat de federalistische krijgsmacht zich binnen
twaalf uren meester van de hoofdstad van den Floridaschen Staat
maakte. Binnen twaalf uren! En helaas, dat was een korte termijn.
Inderdaad, den volgenden ochtend zouden master James Burbank en zijn
zoon Gilbert, bij het opgaan der zon, het doodvonnis ondergaan. Zij
zouden dan doodgeschoten worden.
De veroordeelden werden in hunne gevangenis ten strengste
bewaakt. Ook het huis van master Harvey werd met de meeste
zorgvuldigheid gadegeslagen. Hoe ware het mogelijk de ontvluchting
van de rampzaligen voor te bereiden, zelfs al slaagde men er in,
een der gevangenbewaarders om te koopen?
Met het oog op de bemachtiging van de stad, mocht men in het geheel
niet rekenen op de troepen der Noordelijken, die eenige dagen te
voren te Fernandina ontscheept waren, en welke die hoogst belangrijke
strategische stelling in het Noorden van den Staat Florida niet konden
verlaten. Neen, die taak viel der kanonneerbooten van den commandant
Stevens ten deel. Maar om haar ten uitvoer te kunnen leggen, moesten
zij eerst en vooral de zandbank in de Sint John kunnen overschrijden.
Wanneer dat geschied was, dan zoude de afsluitingslijn met sloepen
van de Zuidelijken weldra teruggedreven zijn en dan viel er niets
anders te doen, dan ter hoogte van de haven van Jacksonville de
gevechtstelling in te nemen. En ongetwijfeld, wanneer zij de stad
onder hun geschutvuur hadden, zouden de militie-troepen haar in
allerijl ontruimen en een toevlucht en een doortocht zoeken in en
door de ondoordringbare moerassen van het graafschap.
Texar en zijne partijgangers zouden zich voorzeker haasten dat
voorbeeld te volgen, om eene maar al te gerechte weerwraak te
ontgaan. De eerlijke lieden zouden dan den bestuurszetel weer kunnen
innemen, vanwaar zij zoo schandelijk verjaagd waren. Deze konden
dan omtrent de overgave van de stad in onderhandeling treden met de
vertegenwoordigers van het gouvernement van Washington.
Maar... maar was die zandbank binnen een zoo beknopt tijdperk te
overschrijden?
Bestond er een middel om den materiëelen hinderpaal te overwinnen,
die door te geringe diepte aan de vaart der kanonneerbooten werd in
den weg gesteld?
Dat was, zooals men zien zal uit den loop van dit verhaal, op zijn
minst genomen, zeer twijfelachtig.
En inderdaad, onmiddellijk na de uitspraak van het vonnis, had Texar
zich met den bevelhebber der militie-troepen van Jacksonville naar
de kade begeven, om de rivier over haar geheel benedengedeelte in
oogenschouw te nemen en te verkennen. Het kan niemand onzer lezers
verwonderen, wanneer wij betuigen dat hunne blikken toen hardnekkig
op de afsluiting benedenstrooms gevestigd bleven en dat zij de ooren
spitsten, om te vernemen of ook schoten op dat gedeelte der Sint John
gewisseld werden.
»Is er niets meldenswaardigs voorgevallen?" vroeg Texar, toen hij op
het uiteinde van het staketsel aangekomen was en daar stil stond.
»Niets," antwoordde de commandant.
»Hebt gij u daarvan overtuigd?"
»Ja. Ik heb zelf zoo even eene verkenning in noordwaartsche richting
uitgevoerd."
»En?..."
»Ik heb de overtuiging opgedaan, dat de federalistische troepen
rustig te Fernandina gebleven en dat zij niet opgerukt zijn naar
Jacksonville."
»Dat is al iets," mompelde Texar schier onhoorbaar.
»Zeer waarschijnlijk," ging de commandant der militie-troepen voort,
»zullen zij op de grens van Georgië in observatie blijven, totdat
de flottiljes van den Commodore Dupont en den commandant Stevens de
vaargeul der Sint John zullen bemachtigd hebben."
»Maar kunnen zij geene landingstroepen uit het zuiden laten oprukken?"
»Hoe bedoelt gij?"
»Kunnen zij niet, na zich meester gemaakt te hebben van Sint Augustijn,
vandaar opmarcheeren en de Sint John te Piccolata oversteken?" vroeg
de Spanjaard.
»Dat denk ik niet," antwoordde de officier.
»En waarop grondt gij die meening?"
»De Commodore Dupont heeft slechts weinig debarkementstroepen ter
zijner beschikking, hoogstens genoeg om de havenplaats te bezetten."
»Maar, wat kan hij toch willen?"
»Het is blijkbaar zijn doel, om de blokkade over de geheele kuststrook,
van de monding der Sint John af tot voorbij de laatste Floridasche
eilandjes, uit te strekken."
»Gij kunt gelijk hebben."
»Van dien kant is dus volgens mij voorshands niets te vreezen."
»Blijft dus nog over het dreigende gevaar vanwege de flottilje van
den commandant Stevens," zei Texar.
»Dat valt niet te loochenen."
»Namelijk, wanneer zij er in slaagt de zandbank over te stevenen,
waarvoor zij reeds sedert drie etmalen geankerd ligt."
»Dat is een quaestie, die over eenige uren beslist zal wezen."
»Dat is zoo."
»Alles wel beschouwd, stellen zich de Federalisten alleen ten doel:
de afsluiting van den benedenstroom van de Sint John, om iedere
gemeenschap tusschen de beide havenplaatsen Sint Augustijn en
Fernandina zoo niet geheel af te snijden, dan toch zoo moeilijk
mogelijk te maken."
»Zou die meening aannemelijk genoemd kunnen worden?"
»Ik herhaal het, Texar, het meest belangrijke voor de Noordelijken
is niet zoozeer de inbezitneming van den Staat Florida voor het
oogenblik, dan wel om in de gelegenheid te zijn den smokkelhandel
in oorlogsmateriëel tegen te kunnen gaan, die langs de zuidelijke
vaarwaters gedreven wordt. Het is, geloof ik, niet ver van de
werkelijkheid, dat hunne expeditie geen ander doel heeft. Begrijp
toch, dat zij, met een meer uitgebreid doel voor oogen, reeds lang
met de krijgsmacht, die sedert een tiental dagen het eiland Amelia
in bezit genomen heeft, naar Jacksonville zouden opgerukt zijn."
»Gij kunt gelijk hebben, commandant," antwoordde Texar. »Maar, hoe
het ook zij, ik zie ongeduldig uit naar de oplossing van het vraagstuk
omtrent de toegankelijkheid over de zandbank."
»Dat vraagstuk zal heden nog opgelost zijn."
»Heden nog?"
»Ja, wij zullen heden het hoogste vloedwater hebben."
»Maar, wanneer de kanonneerbooten van Stevens er in slagen de bank
over te komen..."
»Welnu?"
»En in slagorde voor de haven zullen verschijnen, wat zult gij
dan doen?"
»Wat ik zal doen?"
»Ja, ik vraag u, wat gij dan zult doen?"
»Dat is heel eenvoudig, Texar."
»Laat hooren."
»Ik zou de bevelen uitvoeren, die ik ontvangen heb."
»Maar, hoe luiden die, als je blieft?"
»De militie-troepen naar de binnenlanden te voeren, om zoodoende
ieder treffen, iedere aanraking met de Federalisten te mijden."
»Is dat de ware weg, zeg?"
»Laat hen de steden van het graafschap bemachtigen! Zij kunnen ze
niet lang bezet houden, daar hunne gemeenschapslijn met Georgië en
Carolina weldra afgesneden zal zijn. Dan zullen wij het veroverde
wel weer weten terug te winnen."
»Maar in afwachting, zullen wij ons, wanneer zij meester van
Jacksonville zullen zijn, al was het ook maar gedurende één dag,
op weerwraak van hunnen kant, gereed moeten houden."
»Helaas, ja!"
»Al die zoogenaamde eerlijke lieden, die rijke volkplanters, die
anti-slavernij-gezinden zouden dan de teugels van het bestuur weer
in handen krijgen, en gij begrijpt, dat... Maar, neen!... dat zal
niet gebeuren... En liever dan de stad over te geven en te verlaten,
zullen wij haar..."
De Spanjaard voleindigde zijne gedachte niet. Daarenboven, zij was
voldoende begrijpelijk. Hij zou de stad niet aan de federalistische
troepen overgeven, hetgeen hetzelfde zoude beteekenen, als haar in
handen van die magistraten te stellen, die op zijn aanstoken door het
gepeupel verjaagd waren. Hij zou haar veel eerder in brand steken,
en wellicht had hij reeds maatregelen getroffen, om dat gruwelstuk
van vernietiging te kunnen volbrengen.
Dan zou hij en zijne partijgangers met de militie-troepen aftrekken,
om in de moerassige wildernissen van het zuidelijk gedeelte van den
Staat eene schuilplaats te betrekken, die niet op te sporen zoude
zijn en waar zij den loop der gebeurtenissen zonder persoonlijk gevaar
konden afwachten.
Intusschen, wij dienen het te herhalen, die gebeurlijkheid was
slechts te duchten voor het geval dat de kanonneerbooten van den
commandant Stevens er in zouden slagen over de zandbank te geraken
en het oogenblik was gekomen, dat de twijfel dienaangaande opgelost
zoude worden.
Intusschen bewoog zich een machtige stroom van het gepeupel naar
den kant der haven. De kaden waren in een ondeelbaar oogenblik
stampvol. Oorverdoovende kreten werden allerwege vernomen:
»De kanonneerbooten komen in beweging!"
»Neen, zij blijven rustig voor anker!"
»Zij stevenen de bank over!"
»Mis! Zij kunnen niet!"
»De vloed heeft zijn hoogsten stand bereikt!"
»Zij pogen, door met alle kracht te stoomen, den hinderpaal te boven
te komen!"
»Kijk... Kijk!..."
»Ja, kijk!"
»Er is ongetwijfeld het een of ander te zien," zei de commandant der
militie-troepen. »Ziet gij iets, Texar?"
De Spanjaard antwoordde evenwel niet. Zijne oogen peilden zonder
ophouden den gezichteinder in de richting van het beneden-gedeelte van
de rivier, en waren onafgebroken gevestigd op de rij van sloepen die
dwars in den stroom lagen. Op een mijl daarvan verwijderd, werden de
masten en de schoorsteenen van de kanonneerbooten van den commandant
Stevens ontwaard. Een dikke rook was daar zichtbaar, die door den
gestadig aanwakkerenden wind tot bij Jacksonville overgevoerd werd.
Het was blijkbaar, dat een oude zeerob als Stevens was, van den hoogen
vloed wenschte gebruik te maken om te passeeren, en dat hij de vuren
deed opstoken, alsof hij zijne stoomketels in de lucht wilde doen
vliegen, zooals dat wel eens uitgedrukt wordt.
Maar zou hij in zijn pogen slagen? Zou hij water genoeg op de ondiepte
aantreffen, om daarover heen te kunnen, al moest hij ook met de kiel
zijner kanonneerbooten over het zand schuren?
Waarlijk, er waren redenen te over, om dat gepeupel, hetwelk op den
oever der Sint John samengeschoold was, opgewonden te maken.
De gesprekken kenmerkten zich dan ook door uitgelatenheid en
luidruchtigheid, naarmate dat de een meende te zien wat de ander
niet opmerkte.
»Zij komen!... Zij komen!..."
»Neen!... Neen!..."
»Zij zijn reeds eene halve kabellengte vooruitgeschoven!"
»Neen, zij zijn nog bewegingloos!"
»Zij zijn steeds op hunne ankerplaats!"
»Zouden zij het anker reeds gelicht hebben?"
»Daar is er een die wendt!"
»Waar?"
»Daar!... Daar!..."
»Jawel, maar zij draait dwars, en pivoteert!"
»Dat geloof ik wel... Zij heeft geen water genoeg!"
»Mooi zoo!"
»Drommels, wat een rook!"
»Het is of zij al de steenkolen van de Vereenigde Staten verstoken!"
»En toch zullen zij de bank niet overkomen!"
»Ja, inderdaad niet!"
»Ziet, het getij begint te kenteren!"
»De eb treedt in!"
»Hoerah, voor het Zuiden!"
»Hoerah, voor Jefferson Davis!"
»Hoerah! Hoerah!"
De poging van de flottilje, om over de zandbank te geraken, duurde
ongeveer tien minuten, die aan Texar, aan zijne partijgangers en aan
allen, wier vrijheid en leven bij eene inneming van Jacksonville door
de Noordelijken in gevaar konden komen, eene eeuw toeschenen. Zij
wisten zelfs niet waaraan zich te houden of waartoe te besluiten,
want de afstand was te groot om gemakkelijk en met juistheid de
bewegingen der kanonneerbooten waar te kunnen nemen.
Waren zij, in weerwil van het maar al te voorbarig hoerahgeschreeuw
der vijandige menigte, reeds de geul doorgestevend of waren zij op
het punt dat te doen? Zoude de commandant Stevens er niet in slagen,
wanneer hij allen ballast, alle overtollig gewicht over boord wierp,
om zijne bodems te verlichten en hun drijfvermogen te vermeerderen,
genoeg veld te winnen om weer in diep water te geraken?
Als dat geschiedde, dan zouden de oorlogsvaartuigen tot bij de haven
geen enkelen hinderpaal meer aantreffen.
Dat alles bleef te vreezen--dat begreep Texar zeer goed--zoolang de
waterstand nog hoog bleef en de eb nog niet meer afdoende ingetreden
was.
Intusschen begon de waterstand reeds te dalen. De kentering, die
tijdelijke stilstand van het water, als de vloedstroom ophoudt te
werken en de eb nog niet ingetreden is, was geëindigd. Maar, wanneer
evenwel de ebstroom met kracht zoude doorkomen, dan zou de waterstand
in de Sint John zeer spoedig vallen.
Eensklaps strekten zich alle armen naar het benedengedeelte van de
rivier en één kreet beheerschte alle andere geluiden:
»Eene sloep!... Eene sloep!"
»Waar?" riep Texar verrast.
»Daar! Daar!"
En wel honderd vingers wezen hem de richting aan.
En inderdaad, bij den linker oever, waar de werking van den vloedstroom
zich nog deed gevoelen, terwijl in het midden van de geul de ebstroom
reeds met kracht ingetreden was, kwam een lichtgebouwd vaartuig te
voorschijn, hetwelk met alle kracht voortgeroeid werd en dan ook met
alle snelheid voortschoot. Op de achterplecht was een officier gezeten,
gekleed in de uniform der Floridasche militie-troepen. De sloep schoot
het staketsel op zijde, en de officier klom met behendige vlugheid de
treden van de trap op, die naar de kade voerde. Toen hij bovengekomen
was, ontwaarde hij Texar. Hij drong daarop door de menigte, die zich
tierende samenpakte om hem te zien en te hooren, en stapte naar het
hoofd van het oproerige bestuur toe.
»Is er nieuws?" vroeg de Spanjaard.
»Niets!" antwoordde de officier.
»En zal er iets gebeuren?"
»Neen, niets. Wees gerust!"
»Wie zendt u hier heen?"
»De aanvoerder der sloepen."
»En wat komt gij berichten?"
»Dat die sloepen weldra naar de haven zullen kunnen terugkeeren."
»Waarom?"
»Omdat de kanonneerbooten van Stevens, in weerwil dat zij hun
overtolligen ballast over boord geworpen en zij de meest mogelijke
stoomkracht aangewend hebben, tevergeefs gepoogd hebben de zandbank
over te stevenen. Er valt nu geen vrees meer te koesteren..."
»Ja, voor dit getij," meende Texar.
»En ook voor de volgende getijen niet, althans gedurende eenige
maanden."
»Waarop grondt gij dat denkbeeld?"
»Wel, de evennachts-springvloed heeft plaats gehad en het water zal
in de eerste zes maanden niet weer zoo hoog stijgen."
»Des te beter," antwoordde Texar, met een zucht van verlichting.
»Hoerah!... Hoerah!..." riep het gepeupel.
Dat geschreeuw plantte zich over de geheele uitgebreidheid der stad
Jacksonville voort.
De woestelingen, de oproerlingen verdrongen zich om Texar en wenschten
hem andermaal geluk met die uitkomst. Hij was toch de man, die hunne
afschuwelijke neigingen vertegenwoordigde, ja belichaamde. Het andere
gedeelte der bevolking, de gematigden, waren terneergeslagen bij de
gedachte, dat zij nog vele dagen onder het juk van het verfoeilijke
bestuur en van het opperhoofd daarvan zouden moeten zuchten.
De militie-officier had de waarheid gesproken. De zee-oppervlakte
zou van dien dag af in hoogte afnemen en de vloed zou slechts eene
geringe hoeveelheid water in de bedding der Sint John stuwen.
Die springvloed van den 12den Maart was een der sterkste van het
geheele jaar geweest, en er zouden vele maanden moeten verloopen,
alvorens de wateroppervlakte andermaal dezelfde hoogte zou bereiken.
Daar de geul voortaan onbevaarbaar zoude zijn, was het duidelijk dat
Jacksonville niet door het geschut van den commandant Stevens te
teisteren zoude zijn. Dat was als het ware een verlengingstermijn
voor de almacht van Texar, een vrijgeleidebrief voor dezen, om
zijne wraakzuchtige plannen geheel en al ten uitvoer te leggen. Al
nam men zelfs aan, dat generaal Sherman er toe zoude overgaan, om
Jacksonville door de troepen van generaal Wright, die te Fernandina
ontscheept waren, te doen bezetten, dan nog zoude die opmarsch een
aanzienlijken tijd vorderen. En, zooals wij weten, was de voltrekking
van het vonnis over James Burbank en zijn zoon Gilbert uitgesproken,
op den volgenden dag bij het rijzen der zon vastgesteld. Niets,
niets ter wereld zou hen dus kunnen redden.
De tijdingen, welke door den militie-officier aangebracht waren,
verbreidden zich bliksemsnel onder de bevolking der stad. Men
zal lichtelijk beseffen welke uitwerking zij hadden op het
gepeupel, dat als het ware losgelaten was. De slemppartijen, de
dronkemans-samenscholingen werden met nieuwe opgewektheid hervat. De
eerlijke lieden, de goedgezinden, die het wel met hun vaderland
meenden, konden de grootste uitspattingen vanwege die woestelingen
verwachten. De meesten hunner maakten zich dan ook gereed om eene
stad te verlaten, die hun geen veiligheid meer aanbood.
Het hoerahgeschreeuw en het schelden en schimpen van het grauw drong
tot de gevangenen door en verkondigde hen, dat iedere kans van redding
verdwenen was. Helaas, in de woning van master Harvey werden dezelfde
kreten vernomen en dezelfde gevolgtrekkingen gemaakt. De wanhoop van
master Walter Stannard en van zijne dochter miss Alice te beschrijven,
is eenvoudig onmogelijk.
Wat zouden zij thans gaan ondernemen, om James Burbank en zijn zoon
Gilbert te redden?
Zouden zij pogen den gevangenbewaarder om te koopen? Zouden zij de
ontsnapping der gevangenen door macht van geld kunnen bevorderen?
Helaas, zij zelven konden de woning niet verlaten, waarbinnen zij
eene schuilplaats gevonden hadden. Men weet het toch, eene bende
aterlingen verloor de woning niet uit het oog, en hun geschreeuw en
getier weerklonk onophoudelijk voor de deur in de straat.
Onder die omstandigheden viel de nacht in.
Het weder, dat sedert eenige dagen eene verandering in den dampkring
deed voorzien, was aanmerkelijk gewijzigd. De wind, die in de laatste
dagen van den landkant gewaaid had, was plotseling in het noordoosten
gesprongen. Reeds kwamen dikke, grijsachtige wolken, die in flarden
gescheurd schenen en die den tijd niet gehad hadden om haren overvloed
van water te ontlasten, met bliksemsnelheid uit volle zee opzetten
en ijlden zoo laag door het luchtruim, dat zij de oppervlakte van
den Oceaan schenen aan te raken.
De stengen van een fregat eerste klasse zouden voorzeker in die
wolkgevaarten onzichtbaar geweest zijn, zoo laag joegen zij door
den dampkring.
De barometer was spoedig tot op storm gevallen en toonde nog groote
neiging tot daling aan. Alle kenteekenen deden zich voor, dat een
orkaan, die op den Atlantischen Oceaan ontstaan was, in aantocht
was. En inderdaad, bij het invallen van den nacht ontketende hij
zijne krachten met buitengewoon geweld.
Nu bereikte die orkaan, ten gevolge van de richting, welke zijn
spiraalvormigen kringloop volgde, de monding van de Sint John en
rolde daar de onmetelijke deininggolven van den Oceaan in. Hij deed
de wateren van die monding met stormachtige bewegingen rijzen, hij
dreef het afstroomend water der rivier terug en veroorzaakte daardoor,
evenals bij sommige groote stroomen, zooals de Amazonenrivier, een
prororoca of vloedgolf, welker machtig gekuifde kruinen de oeverlanden
overstelpen en verwoesten.
Jacksonville werd dus gedurende dien stormachtigen nacht met
verschrikkelijk geweld geteisterd. Een gedeelte van het staketsel,
dat den ingang der haven vormde, bezweek onder de donderslagen van
de hoogopgestuwde golven, die tegen dat paalwerk opvlogen en braken.
Het water overstroomde een groot gedeelte der kaden, waartegen
verscheidene loggers verbrijzelden, welker ankertouwen onder den
aandrang van golven en wind als spinrag braken.
Het was onmogelijk op de straten of op de pleinen te verwijlen,
om de eenvoudige reden, dat men er verjaagd werd door den regen van
projectielen, in den vorm van baksteenen, leien, brokken pleisterkalk,
balken, enz., die door den storm aan de huizen der stad ontrukt
werden en door de lucht vlogen. Het gepeupel, dat nog rondjoelde,
was genoodzaakt een toevlucht in de kroegen te zoeken, waarbij hunne
keelgaten niets verloren en waar hun gebrul met kans van welslagen
met het gehuil van den storm kon wedijveren.
Maar het was niet alleen op de oppervlakte van het vastland,
dat die orkaan zijne krachten botvierde en zijnen weg door
puinhoopen kenmerkte. In de bedding der Sint John ontstond, door de
evenwichtsverbreking van de wateroppervlakte, een zoodanige golfslag,
die alles dreigde te vernielen en waarvan de kracht nog door de
zoogenaamde grondzeeën vertienvoudigd werd.
De sloepen, welke voor de zandbank, maar aan de binnenzijde daarvan,
voor anker lagen, werden door dat noodweer overvallen, alvorens zij
de veilige haven konden bereiken. Van sommigen woelden de ankers los
of slipten door den ankergrond, zooals de zeelieden dat noemen. Van
anderen braken de ankertrossen. En allen werden onweerstaanbaar
door den tweeden of nachtvloed, die, geholpen door de windvlagen,
hoog kwam opzetten, naar de bovenrivier weggedreven. Enkelen, die
alle krachten ingespannen hadden om Jacksonville te bereiken, werden
tegen het paalwerk der kaden verbrijzeld, waarbij hunne opvarenden
allen in de golven verdwenen, terwijl de anderen de stad voorbijdreven
en strandden op de eilandjes of sloegen in de krommingen van de Sint
John om, waarbij ook al weer menschenlevens omkwamen. Het was een ware
ramp, die door haar plotseling invallen, het nemen van maatregelen,
in dergelijke omstandigheden gebruikelijk, had verijdeld.
Maar hoe was het met de kanonneerbooten van den commandant Stevens
gesteld?
Hadden die hun anker gelicht en hadden zij met volle kracht gestoomd,
om eene toevluchtsplaats in een der vele kreken, in de oevers
ingesneden, te zoeken?
Hadden zij door die manoeuvre aan eene geheele vernietiging kunnen
ontkomen?
In ieder geval, hetzij dat zij een goed heenkomen gezocht hadden,
hetzij zij zich in hunne stelling voor de zandbank gehandhaafd hadden,
het was alles om het even, Jacksonville had van die vaartuigen niets
meer te duchten, daar de zandbank voor hen een onoverkomelijken
hinderpaal daarstelde.
Een dikke duisternis bedekte dien nacht het stroombekken van de Sint
John. Het was alsof de dampkring en de rivieroppervlakte ineengevloten
waren. Het was alsof de lucht en het water, die voornaamste elementen
der Ouden, onder den invloed eener scheikundige verbinding, één
waren geworden.
Men stond voor een van die natuurverschijnselen, welke in den
equinoxiaal-tijd niet zeldzaam voorkomen; deze orkaan, die thans
woedde, overtrof in hevigheid en uitgebreidheid alles, wat men van
dien aard in den Staat Florida beleefd had.
Evenwel, juist ten gevolge van die hevigheid waarmede de storm
ontketende en woedde, duurde hij slechts kort, hoogstens eenige
uren. Vóórdat de zon opkwam, was de orkaan verdwenen en, na het
Floridasche schiereiland geteisterd te hebben, voortgeijld naar de
Golf van Mexico, alwaar hij geheel uitwoedde.
De dag brak zoo tegen vier uren in den morgen aan en deed een
gezichteinder ontwaren, die door den nachtelijken storm geheel
schoongeveegd was. De atmosfeer was na zoo geweldige beroering tot
rust gekomen. De bevolking begon toen de kroegen te verlaten, waarin
zij beschutting tegen het onweder gezocht had en zich in de straten
te verspreiden. De militie-troepen namen hunne stellingen weer in,
en men haastte zich de door den storm veroorzaakte schade zooveel
mogelijk te herstellen. En die was langs de stadskaden natuurlijk
zeer aanzienlijk. Men zag daar verwoeste staketsels, verbrijzelde
loggerschepen, zwaar beschadigde en lekke vaartuigen, die door den
ebstroom van de bovenrivier voor de stad gevoerd werden.
Evenwel ontwaarde men die wrakken op den oever slechts binnen een
zeer beperkten gezichtskring. Een dichte nevel spreidde zich toen
over de oppervlakte van de Sint John uit en verhief zich tot in de
hoogere luchtlagen, die door het onweder afgekoeld waren. De geul was
tegen vijf uren nog niet zichtbaar en zou dat ook eerst worden op het
oogenblik, dat de eerste zonnestralen den nevel zouden doen optrekken.
Even na vijf uren doorboorden als het ware schrikkelijke
losbarstingen plotseling dien dikken mist. Daaromtrent kon niemand
zich vergissen. Dat waren geene donderslagen, maar de korte,
afgebroken knallen van geschutvuur. Snerpend gefluit werd in de lucht
vernomen. Een kreet van schrik ontsnapte aan ieders mond. Zoowel de
militie-troepen als de mannen van het gepeupel, die naar den havenkant
gedrongen waren, trilden van angst.
Tegelijkertijd schier met de kanonschoten, die herhaaldelijk dreunden,
begon de nevel op te trekken. Zijne spiraalwolken, vermengd met
den buskruitrook der losbarstingen, scheidden langzamerhand van de
oppervlakte van den stroom af.
Wat men toen zag?
De kanonneerbooten van den commandant Stevens lagen daar in
gevechtstelling voor Jacksonville en hielden de stad onder hun direct
geschutvuur.
»De kanonneerbooten!... De kanonneerbooten!"...
Die kreet, welke van mond tot mond herhaald werd, werd weldra tot de
uiterste grens der voorsteden vernomen. Binnen weinige minuten vernam
de eerlijke en goedgezinde bevolking met blijdschap en het gepeupel
met grooten schrik, dat de flottilje der Federalisten meester der
Sint John was. Wanneer men zich niet overgaf, dan was het gedaan met
de stad, dan was zij verloren.
Dat was duidelijk!
Maar wat was er toch voorgevallen?
Hadden de Noordelijken in den orkaan een onverwachten bondgenoot
gevonden?
Ja, dat was het!
Neen, zij hadden niet getracht eene schuilplaats in een der kreken
te vinden, die in de monding der rivier aangetroffen werden. Zij
waren, in weerwil van den wind en den golfslag, in hunne stelling
gebleven. Terwijl hunne tegenstanders zich met hunne sloepen
verwijderden, had de commandant Stevens met zijne flinke bemanning
den orkaan het hoofd geboden, op gevaar af te gronde te gaan, om de
gelegenheid te benutten en de doorvaart te ondernemen, die door de
omstandigheden wellicht mogelijk zou worden.
En inderdaad, de orkaan, welke het water van uit volle zee in die
monding stuwde, had het peil der rivier buitengewoon doen rijzen
en wel zoodanig, dat de kanonneerbooten passeeren konden. Met volle
kracht stoomende, schoten zij vooruit, en hoewel zij met hunne kiel
langs het zand schuurden, waren zij de bank weldra over.
Dat gebeurde zoo tegen vier uren in den ochtend. De commandant
manoeuvreerde toen te midden van den dikken mist met het grootste
beleid. Hij moest natuurlijk op gegist bestek afgaan. Maar toen
hij oordeelde ter hoogte van Jacksonville gekomen te zijn, liet hij
de ankers uitwerpen en de gevechtstelling innemen. En toen hij het
oogenblik gekomen achtte, liet hij het groot geschut donderen, waardoor
de nevelbank als het ware verscheurd werd en zijne projectielen den
linker oever der Sint John overstelpten.
De uitwerking had bliksemsnel plaats.
De militie-troepen hadden in een ondeelbaar oogenblik de stad ontruimd
en verlaten en volgden daarbij slechts het voorbeeld, hetwelk hen
door de krijgsmacht der Zuidelijken te Fernandina zoowel als te Sint
Augustijn gegeven was.
Toen de commandant Stevens de kaden verlaten zag, temperde hij het
vuur zijner kanonstukken, want het was zijn doel niet, Jacksonville
der verwoesting prijs te geven, maar wel, om die hoofdstad van den
Staat Florida te bezetten en in onderwerping te brengen.
Al heel spoedig werd een witte vlag aan den vlaggestok van
Court-Justice geheschen.
De lezer zal wel innig beseffen in welke angsten die eerste
kanonschoten in de woning van master Harvey vernomen werden.
De stad werd aangevallen; daaraan viel niet te twijfelen. Nu kon die
aanval van geen anderen kant komen, dan van de zijde der Federalisten,
hetzij zij er in geslaagd waren de Sint John op te stoomen, hetzij
zij van het noordelijk gedeelte van Florida opgerukt waren. Was dus
de onverhoopte, de eenige kans tot redding van master James Burbank
en zijn zoon Gilbert daar?
Master Harvey en miss Alice Stannard stormden naar de deur. De lieden
van Texar, die de woning van den correspondent van James Burbank
bewaakten, hadden de vlucht genomen en zich met de militie-troepen
naar de binnenlanden van het graafschap uit de voeten gemaakt.
Master Harvey en het jonge meisje begaven zich naar de haven. De
nevel was opgetrokken, zoodat de oppervlakte van de geheele rivier
over hare volle breedte overzien kon worden.
Het geschut der kanonneerbooten zweeg thans; want het was voor
iedereen duidelijk, dat de bevolking van Jacksonville ieder denkbeeld
om weerstand te bieden had opgegeven.
Verscheidene sloepen legden in dat oogenblik bij het half vernielde
staketsel aan en ontscheepten een detachement mariniers, die met
geweren, revolverpistolen en enterbijlen gewapend waren.
Plotseling werd een kreet te midden van dat detachement, hetwelk door
een officier aangevoerd werd, vernomen.
Hij die dien kreet geslaakt had, sprong uit het gelid en stormde op
miss Alice Stannard toe.
»Miss Alice!... Miss Alice!"... riep hij.
»Mars!... Mars!..." riep het jonge meisje uit, dat hoogst verwonderd
was, zich tegenover den echtgenoot van Zermah te bevinden.
Men vermeende toch, dat de mesties in de Sint John verdronken was.
»Mijnheer Gilbert?... Waar is mijnheer Gilbert?" vroeg Mars onstuimig.
»Hij en master Burbank zitten gevangen," antwoordde het jonge
meisje. »O, Mars, red hen, red den zoon, red den vader!"
»Dat zullen wij doen!" riep de mesties.
En zich naar het detachement wendende, sleepte hij de manschappen
mede met den kreet:
»Naar de gevangenis!... Naar de gevangenis!"
Allen volgden hem op de hielen en haastten zich om te voorkomen,
dat eene laatste misdaad misschien op bevel van Texar zoude gepleegd
worden.
Master Harvey en miss Alice Stannard volgden hen.
Maar hoe kwam het dat Mars zoo onverwacht kon optreden?
Dat zullen wij trachten duidelijk te maken.
Toen hij in de rivier gesprongen was, had Mars veel moeite om niet
door de kolken, die men op de zandbank aantreft, verzwolgen te worden,
maar hij was een koene zwemmer en wist ze allen te mijden. Ja, hij
had zijn leven gered; maar uit voorzichtigheid had de moedige mesties
zich wel gewacht te Castle-House te doen weten, dat hij er heelhuids
afgekomen was. Wanneer hij er een onderkomen ging zoeken, dan bracht
hij zijne eigene veiligheid in gevaar, en hij moest in volle vrijheid
blijven, om zijn doel te kunnen bereiken. Hij zwom dan ook naar den
rechter oever, sloop tusschen de biezen door, welke langs de boorden
der rivier groeiden en kwam zoo ter hoogte van de kanonneerbooten
terecht. Daar werden zijne seinen opgemerkt. Een sloep werd uitgezet en
die bracht hem naar het vaartuig van den commandant Stevens over. Deze,
zoo spoedig mogelijk op de hoogte van den stand van zaken gesteld,
begreep het dreigende gevaar, waarin Gilbert verkeerde. Hij wendde dan
ook alle pogingen aan, om door de geul over de bank te geraken. Wij
weten het, die pogingen waren vruchteloos geweest, en zij zouden,
nu de springvloed voorbij was, stellig opgegeven zijn, wanneer niet
de orkaan den waterstand gedurende den nacht plotseling had doen
rijzen. Toch zouden de kanonneerbooten te midden van de ondiepten van
dat zeer moeilijke en gevaarvolle vaarwater op het droge geraakt zijn,
wanneer niet iemand aan boord geweest was. En die iemand was thans
Mars. Hij had de kanonneerboot, waarop hij te huis behoorde, behendig
geloodst; de anderen waren die eerste stipt nauwkeurig gevolgd en
zoo waren die oorlogsvaartuigen, in weerwil van orkaan en golfslag,
over de bank geraakt. Vóórdat dan ook de mist het rivierbekken van de
Sint John beneveld had, lagen zij voor Jacksonville in gevechtstelling
ten anker en hielden die stad onder haar geschutvuur.
Maar het was tijd ook; want de beide veroordeelden zouden, zooals
wij weten, bij het aanbreken van den dag doodgeschoten worden. Thans
hadden zij integendeel reeds niets meer te vreezen. Het wettig gezag
was weer in handen der goedgezinden weergekeerd, en hadden de door
Texar ontzette magistraten het bestuur dadelijk overgenomen. Toen
dan ook Mars en zijne makkers voor de gevangenis aankwamen, trad
master James Burbank en zijn zoon Gilbert naar buiten. Zij waren
onvoorwaardelijk in vrijheid gesteld.
De jeugdige officier sprong vooruit en klemde met een kreet van vreugde
op de lippen miss Alice aan zijne borst, terwijl master Walter Stannard
en master James Burbank een niet minder hartelijken handdruk wisselden.
»Lieve Alice!..."
»Gilbert!"
Meer konden de jongelieden niet uitbrengen. Hunne omhelzingen waren
evenwel te inniger en moesten goedmaken, wat zij aan woorden te
kort kwamen.
»Mijne moeder!" riep Gilbert Burbank eindelijk uit.
»Wees gerust."
»Hoe is het met haar gesteld? Leeft zij nog na al die rampen?"
»Ja, zij leeft nog," antwoordde miss Alice.
»Kom, vader, kom dan!"
»Waarheen, Gilbert?"
»Naar Castle-House!... Ja, naar Castle-House."
»Thans?..." vroeg de vader met nadruk.
»Zeker, thans, vader!"
»Neen, niet voordat recht zal gedaan zijn!" antwoordde James Burbank.
Mars had zijnen meester begrepen. Hij was reeds vooruit naar het
plein gesneld, met de hoop daar Texar nog aan te treffen.
Zou de Spanjaard het hazenpad nog niet gekozen hebben, om aan de
gerechte represaille-maatregelen te ontkomen?
Zou hij niet getracht hebben de uitingen van het beleedigd rechtsgevoel
der welgezinden te ontgaan met zijne aanhangers en met allen, die
eene verdachte rol bij de gepleegde uitspattingen gespeeld hadden?
Zou hij de militie-troepen niet gevolgd zijn, die in vollen aftocht
waren, om eene schuilplaats in de moerassige gedeelten van het
graafschap te zoeken?
Men kon, men moest dat gelooven.
Maar een groot getal inwoners van Jacksonville hadden zich, zonder
op de daadwerkelijke tusschenkomst der Federalisten te wachten,
naar Court-Justice gespoed. Zij hadden Texar gevangen genomen op
het oogenblik dat hij de vlucht wilde nemen, en bewaakten hem thans
nauwkeurig. Hij scheen zich evenwel al zeer gedwee in zijn lot te
schikken.
Toen hij evenwel Mars ontwaarde, begreep hij dat zijn leven gevaar
liep.
En inderdaad, de mesties wierp zich op hem en greep hem, in weerwil
van den tegenstand van hen, die den Spanjaard bewaakten, met ijzeren
vuist bij de keel. Nog een oogenblik, dan zou de aterling geworgd zijn,
toen master James Burbank en zijn zoon Gilbert verschenen.
»Wat is hier te doen?" riep Gilbert bij het zien der worsteling uit.
»Neen!... Bij God, neen! Levend, ja levend!" kreet James Burbank,
die begreep wat er gaande was. »Hij moet leven!...Hij moet spreken!"
»Gij hebt gelijk, master," sprak Mars. »Ja, hij moet leven om te
spreken!"
Texar zat weinige minuten later achter slot in dezelfde cel, waarin
zijne slachtoffers het oogenblik hunner terechtstelling hadden
afgewacht.
V.
DE INBEZITNAME.
De Federalisten waren eindelijk meester van Jacksonville en
beheerschten derhalve de geheele Sint John. De debarkementstroepen,
die door den commandant Stevens aan wal gezet waren, bezetten dadelijk
de voornaamste punten der hoofdstad.
De leden van de regeering der oproerlingen hadden de vlucht
genomen. Alleen Texar was den vertegenwoordigers van het wettige
gezag in handen gevallen.
Wat opmerkenswaardig genoemd kon worden, was dat de bewoners der stad
de officieren der flottilje, die het gouvernement van Washington
vertegenwoordigden, vrij bevredigend ontvingen. Hiertoe bracht
waarschijnlijk veel bij, dat zij de uitspattingen van allerlei aard,
die in de laatste dagen bedreven waren, vrij wel moede waren, ook dat
de quaestie omtrent den slavenhandel, die door wapengeweld tusschen
Noord en Zuid zou beslist worden, hen vrij onverschillig liet.
Gedurende dien tijd hield de Commodore Dupont, die zijn hoofdkwartier
te Sint Augustijn opgeslagen had, zich onledig met de Floridasche
kust te doen blokkeeren, om haar zoodoende tegen het invoeren van
oorlogs-contrabande ontoegankelijk te maken. De vaarwaters tusschen
de Mosquito-eilandjes waren weldra gesloten. Dat maakte een einde aan
den ongeoorloofden handel in wapens en munitie, welke met de naburige
Lucayische- en met de Engelsche Bahama-eilanden gedreven werd.
Men kon toen met grond beweren, dat van dat oogenblik af de Staat
Florida onder het gezag der Federale Regeering van Washington
teruggebracht was.
Dienzelfden dag staken master James Burbank, zijn zoon Gilbert,
master Walter Stannard en zijn dochter miss Alice de Sint John over,
om naar Castle-House weder te keeren.
Master Perry en de onder-administrateurs van het landgoed Camdless
Bay stonden hen met een groot aantal der gewezen negerslaven, die op
de plantage teruggekeerd waren, op de pier langs de kleine havenkom af
te wachten. De lezer zal wel bevroeden, met welke innige hartelijkheid
en met welke vreugdekreten en toejuichingen zij ontvangen werden. Het
was inderdaad een aandoenlijk tafereel.
Behoeft het nog gezegd te worden, dat master James Burbank en zijn
zoon, alsook master Walter Stannard en zijne dochter zich een oogenblik
later aan het bed van mevrouw Burbank bevonden?
Bij het weerzien van Gilbert, maar ook toen eerst, vernam de zieke
alles wat er voorgevallen was. De jeugdige officier klemde haar in
zijne armen en drukte haar aan zijne borst, terwijl Mars hare handen
kuste. Zij zouden haar voortaan niet meer verlaten. Miss Alice zou haar
hare zorgen kunnen wijden. Alice zoude zich aan die taak wijden. Zij
zou weldra hare krachten terugkrijgen. Daarvan waren allen overtuigd.
Voortaan waren de kuiperijen van Texar en van hen, die hem bij
zijne euveldaden en wraakoefeningen geholpen hadden, niet meer te
duchten. De Spanjaard was in handen van de Federalisten en dezen
hadden Jacksonville in hunne macht.
Maar al behoefde de wederhelft van master James Burbank, al behoefde
de moeder van Gilbert niet meer voor het leven van haren echtgenoot
en van haren zoon te vreezen, dan zouden zich thans al hare gedachten
op haar ontvoerd dochtertje vestigen.
Zij snakte naar de kleine Dy, evenals Mars naar Zermah verlangde.
»Dy!..." prevelde de arme moeder.
»Zermah!..." zuchtte Mars.
»Weest gerust," sprak James Burbank, »wij zullen hen terugvinden!"
De arme moeder keek hem smeekend aan.
»Ja, wij zullen hen terugvinden," vervolgde de eigenaar van Camdless
Bay. »Gilbert en Mars zullen mij bij mijne nasporingen vergezellen."
»Ja, vader, dat zullen wij!" riep de jeugdige officier uit. »Wij
mogen geen oogenblik verloren laten gaan!"
»Neen, dat mogen wij niet!" kreet Mars op zijne beurt.
»Daar Texar in onze macht is!"
»In onze macht?"
»Ja, in de macht onzer partijgenooten... En daar hij in onze macht is,
zal hij wel moeten bekennen."
»Maar wanneer hij weigert te bekennen?" vroeg master Walter Stannard.
»Wanneer hij weigert?..."
»Ja, wanneer hij beweert, dat hij van de ontvoering van de kleine Dy
en van Zermah niets afweet?"
»Hoe zou hij dat durven?" riep Gilbert uit.
»Die kerel durft alles; wees daarvan verzekerd."
»Maar heeft Zermah hem dan niet in de Marino-Kreek herkend?"
»Jawel; Zermah is echter niet aanwezig om dat te getuigen."
»Hebben Alice en mijne moeder niet gehoord, dat Zermah haar den naam
van Texar toeriep, op het oogenblik dat het vaartuig, waarmede zij
ontvoerd werd, van wal stak?"
»Dat is zoo, maar..."
»Neen, er is geen twijfel mogelijk, dat hij die ontvoering bedreven,
dat hij haar in persoon geleid heeft!"
»Ja!..." zei miss Alice Stannard. »Hij! hij in persoon! Ik heb hem
goed herkend... Hij stond rechtop bij de achterplecht van de sloep,
die naar het midden der rivier stevende!"
»Ja!... hij was het!" riep mevrouw Burbank, die zich oprichtte,
alsof zij uit haar bed wilde springen.
»Welnu, aangenomen dat het Texar was," antwoordde master Walter
Stannard. »Wij stellen zelfs, dat twijfel dienaangaande niet mogelijk
is..."
»Welnu, dan is de zaak helder," meende master James Burbank.
»Maar wat te doen, wanneer hij weigert, pertinent weigert mededeeling
te doen van de plaats, waarheen de kleine Dy en Zermah op zijn bevel
gevoerd zijn?" vroeg master Stannard.
»Dat zou schrikkelijk zijn!" kreet Gilbert.
»Waar moeten wij hen zoeken?" ging de vader van miss Alice voort.
»Ja, waar?"
»Gij weet het toch, wij onderzochten, helaas! tevergeefs, de beide
oevers der rivier zoo nauwkeurig mogelijk, en dat nog wel over eene
uitgestrektheid van vele mijlen."
Helaas, op die vragen, door master Walter Stannard gesteld, was geen
antwoord te geven. Dat begrepen alle aanwezigen. Alles hing af van
hetgeen de Spanjaard mededeelen zoude. Alles hing er van af, of zijn
belang medebrengen zou, te spreken of te zwijgen.
»Maar zeg eens?..." vroeg Gilbert Burbank, meer om den gedachtenloop
te verbreken, die voor iedereen pijnlijk was, dan wel dat hij bepaald
eene vraag wenschte te stellen.
»Wat wilt ge weten?" hernam zijn vader.
»Weet men niet, waar die ellendeling gewoonlijk huisvesting zocht?"
»Neen, dat weet men niet en dat heeft men nooit geweten," antwoordde
James Burbank.
»Maar, toch..."
»In het zuidelijk gedeelte van het graafschap worden zulke uitgestrekte
wouden aangetroffen, zulke ondoordringbare moerassen, die hem eene
veilige schuilplaats aanboden. Het zou vergeefsche moeite zijn,
die wildernissen te doorzoeken, waarin de federalistische soldaten
zelfs de militie-troepen onmogelijk kunnen vervolgen. Neen, neen,
zoo iets kunnen wij niet."
»O, ik moet mijne dochter hebben!" riep mevrouw Burbank, die in
hare opgewondenheid niet dan met veel moeite door haren echtgenoot
bedwongen kon worden.
»En ik... ik moet mijne vrouw hebben! Ja, ik moet mijne vrouw
hebben!" riep Mars uit. »En ik zal dien aterling wel noodzaken mij
te zeggen, waar zij is!"
»Dat zal hij wel moeten!" zei Gilbert, op wiens gelaat de grootste
vastberadenheid te lezen stond.
»Ja," hernam master James Burbank, »wanneer die ellendeling bemerken
zal, dat er zijn leven mede gemoeid is en dat hij dat leven redden
kan, door te spreken, geloof mij, dan zal die lafaard geen oogenblik
aarzelen!"
»Dat dunkt mij ook," sprak master Walter Stannard.
»Als hij er in geslaagd was de vlucht te nemen," vervolgde de eigenaar
van Camdless Bay, »dan zouden wij kunnen wanhopen. Maar nu hij in
handen der Federalisten gevallen is, zullen wij hem zijn geheim wel
weten te ontrukken."
»Ja, dat zullen wij!" bevestigde Gilbert Burbank vastberaden.
»Heb vertrouwen, mijne arme vrouw," ging master James Burbank
voort. »Vergeet nooit, dat wij er zijn en dat wij u uw kind zullen
terugbrengen!"
»Ja, dat zullen wij," herhaalde Gilbert met geestkracht.
»Ja, dat zullen wij!" sprak Walter Stannard.
»Ja, dat zullen wij!"
Mevrouw Burbank viel uitgeput achterover in haar bed. Men moest haar
rust gunnen. Miss Alice, die haar niet verlaten wilde, zou bij haar
blijven, terwijl master Walter Stannard, master James Burbank, Gilbert
en Mars zich naar de binnengalerij begaven, om daar met Edward Carrol
te beraadslagen.
En ziehier, waartoe men besloot:
Men zou, alvorens tot handelen over te gaan, tijd aan de
federalistische autoriteiten gunnen, om de heroverde streken te
organiseeren en het veilige bezit daarvan te verzekeren. Daarenboven
was het noodzakelijk, dat de Commodore Dupont op de hoogte gebracht
werd niet alleen van den staat van zaken te Jacksonville, maar ook
omtrent het gebeurde op de plantage Camdless Bay. Het zou wellicht
oirbaar geacht worden, dat Texar voor eene militaire rechtbank geroepen
werd. In dat geval zou de behandeling dier rechtszaak geheel van den
commandant van het expeditionnair legerkorps in Florida afhangen,
en de bekwame spoed, waarmede zij geïnstrueerd zoude worden, geheel
aan de inzichten van dien hoofdofficier onderworpen zijn.
Intusschen waren Gilbert Burbank en Mars niet voornemens dien dag
en den daaropvolgenden te laten eindigen, zonder hunne nasporingen
te beginnen. Zij wilden, in de hoop van wellicht de een of andere
aanwijzing machtig te worden, de rivieren opstevenen, terwijl master
James Burbank, master Walter Stannard en Edward Carrol hunne pogingen
elders zouden aanwenden.
Viel er intusschen niet te duchten, dat Texar inderdaad zou weigeren
te bekennen, dat hij, door zijn wraakzuchtig karakter gedreven, niet
verkiezen zou de doodstraf te ondergaan, dan wel te kunnen besluiten
om zijne slachtoffers weer te geven? Men moest er op bedacht zijn,
zonder zijne aanwijzingen te werk te kunnen gaan.
Volgens dien gedachtengang was het van zeer veel belang te weten, waar
hij in gewone omstandigheden woonde. Maar de pogingen daartoe bleven
vruchteloos. Men wist niets omtrent de Zwarte Kreek. Men meende ter
goeder trouw, dat die lagune-vorming geheel en al ontoegankelijk was.
Gilbert Burbank en Mars voeren dan ook verscheidene malen de dichte
struiken van den oever voorbij, zonder den nauwen ingang te ontdekken,
waarlangs hun licht vaartuigje toegang tot dat binnenwater zoude
verkregen hebben.
Gedurende den geheelen dag van den 13den Juni deed zich niets
opmerkenswaardig voor, noch iets dat op eene wijziging in den staat
van zaken duidde.
Te Camdless Bay was men begonnen met de reorganisatie der plantage
langzamerhand in te voeren. De vrijgemaakte slaven, die genoodzaakt
waren geweest om een goed heenkomen te zoeken, keerden van alle
streken van het grondgebied en uit de naburige bosschen en wildernissen
langzamerhand, maar in grooten getale terug.
Hoewel zij door de edelmoedige schenkings-acte van master James Burbank
in volle vrijheid gesteld waren, zoo beschouwden zij zich toch niet
geheel en al ontslagen van iedere verplichting jegens hem. Zij zouden
zijne dienaren, zijne dienstboden zijn, als zij zijne slaven niet meer
mochten blijven. Zij waren ongeduldig geweest om naar de plantage te
kunnen terugkeeren, om daar hunne barakken, die door de benden van
Texar verbrand waren, weer op te bouwen, om de werkplaatsen weer op
te richten, om de scheepstimmerwerven te herstellen, in één woord:
om den arbeid te hervatten, waaraan zij gedurende zoovele jaren de
welgesteldheid en het geluk hunner huisgezinnen te danken hadden.
Men begon met de reorganisatie van den landbouwdienst der
plantage. Master Edward Carrol, wiens wond nagenoeg genezen was,
had zijne gewone bezigheden kunnen hervatten. Ook de administrateur
Perry en zijne ondergeschikte opzichters legden zeer veel ijver
aan den dag. Tot zelfs Pyg schroomde niet, veel beweging te maken,
hoewel hij ouder gewoonte bitter weinig uitvoerde. De arme dwaas
was wel ontnuchterd geworden, ten opzichte zijner denkbeelden van
weleer. Praatte hij er nog over, dat hij geen slaaf maar een vrij
mensch was, dan handelde hij toch als een kalme vrijgelatene. Het
scheen wel eens, dat hij niet goed wist wat uit te voeren met die
vrijheid, welke hij thans met volle recht kon genieten. Soms was die
vrijheid hem daadwerkelijk tot last.
Om kort te gaan, het geheele dienstpersoneel der plantage zoude te
Camdless-Bay terugkeeren, zoodra de verwoeste gebouwen hersteld waren,
en dan zoude de onderneming haar gewoon uiterlijk hernemen en zou de
gang der zaken hervat worden, alsof er niets gebeurd was.
Wat ook de uitslag van den Secessie-oorlog mocht wezen, de hoop mocht
gekoesterd worden, dat de veiligheid van personen en goederen voor
de planters van den Staat Florida gewaarborgd zoude zijn en dat de
openbare rust niet meer verstoord zoude worden.
De orde te Jacksonville was weldra hersteld geworden. De
federalistische krijgsmacht had zich tot taak gesteld, zich volstrekt
niet in de gemeentelijke bestuurszaken te mengen, hetgeen den staat
van zaken zeer vereenvoudigde.
De Noordelijken hadden de stad slechts met hunne troepen bezet, en
lieten het bestuur aan de vroegere autoriteiten over, die door het
uitbreken van het oproer voor eenige weken van hunne zetels ontzet
waren geworden.
Daar bovendien het meerendeel der bevolking zich volmaakt
onverschillig toonde omtrent de quaestie, welke de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika verdeelde, stuitte het haar niet, dat zij het hoofd
moest bukken voor de overwinnaars en kon de vlag met de strepen en
de sterren zonder hinder geheschen worden op de openbare gebouwen.
De partij der eenheid van de groote Staten-republiek zou in de
districten van Florida geen enkelen tegenstander meer aantreffen. Men
gevoelde wel, dat de leer der »states-rights," zoo dierbaar aan
de bevolking der Zuidelijke Staten, zooals in Georgië, in de beide
Carolina's, niet met die geestdrift begroet was en verdedigd zoude
worden als elders bij de afscheidingsgezinden het geval was, zelfs
wanneer de federalistische troepen genoodzaakt zouden worden terug
te trekken.
Ziehier welke gebeurtenissen zich op het oorlogstooneel van
Noord-Amerika voorgedaan hadden.
De geconfedereerden of Zuidelijken hadden, met het doel om
de legermacht van hunnen Generaal Beauregard te steunen, zes
kanonneerbooten afgezonden, die onder de bevelen van den Commodore
Hollins gesteld waren en stelling genomen hadden op de Mississippi
tusschen New Madrid en het eiland Tien.
Daar begon toen een strijd, die door den Admiraal Foote der
Noordelijken met kracht begonnen was en met klem voortgezet werd,
om zich van het vaarwater op den bovenloop van den machtigen stroom
te verzekeren. Op den dag zelf dat Jacksonville door den commandant
Stevens genomen werd, aanvaardde de federalistische artillerie den
geschutstrijd met de kanonneerbooten van den Commodore Hollins,
en beantwoordde ten nadrukkelijkste schot met schot.
De Noordelijken slaagden er in, zich èn van het eiland Tien èn van New
Madrid meester te maken. Toen bezetten zij de Mississippi over eene
lengte van twee honderd kilometers, wel te verstaan wanneer men de
kronkelingen van den stroom, die talrijk en uitgebreid zijn, meetelt.
Intusschen openbaarde zich gedurende dit tijdperk eene groote weifeling
in de gedragslijn die het federalistisch gouvernement volgde.
De Generaal Mac Clellan was genoodzaakt geworden zijne denkbeelden en
plannen aan het oordeel van een krijgsraad te onderwerpen, en hoewel
die door eene overgroote meerderheid goedgekeurd waren, was toch
de heer Lincoln, president der republiek van de Vereenigde Staten,
er toe overgegaan de uitvoering dier plannen te dwarsboomen en te
vertragen, hetgeen zeer te betreuren was. Hij was daartoe aangezet
geworden door mannen zijner omgeving, die zeer kortzichtig waren,
maar toch veel gewicht in de schaal der openbare meening konden leggen.
Dientengevolge werd het Potomac-leger verdeeld, om zoogenaamd voor
de veiligheid van Washington te kunnen zorgen. Gelukkig bevocht de
Monitor de overwinning in zijn roemrijken strijd met de Virginia, welke
laatste bodem genoodzaakt was de vlucht te nemen, en herstelde alzoo
de vrije vaart op de Chesapeake. Dan nog veroorloofde de overhaaste
terugtocht der geconfedereerden na de ontruiming van Manassas, aan
het federalistische leger zijne kantonnementen naar die stad over
te brengen.
Daardoor was de quaestie van het blokkeeren van de Potomac opgelost.
Intusschen zou de politieke tinnegieterij, welker werking zoo nadeelig
is, wanneer zij er in slaagt, zich in zaken te mengen, die slechts door
de sabel uit te maken zijn, [1] nog tot eene zeer betreurenswaardige
beslissing voor de belangen der Noordelijken leiden. Op dit tijdstip
werd de Generaal Mac Clellan beroofd of ontzet van de opperste leiding
van de legerkorpsen der Federalisten. Hij zag zijne macht begrensd
tot het commandement over de troepen, die op de Potomac opereerden,
zoodat de andere leger-afdeelingen onafhankelijk van hem werden en
onder de directe leiding van den president Lincoln bleven.
Dat was eene groote fout. Mac Clellan gevoelde levendig die
beleediging, welke gelegen was in die terugstelling en die
degradeering, mogen wij haar wel noemen, maar die hij in geenen
deele verdiend had. Maar de achtenswaardige krijgsman was soldaat in
zijn hart en kende als zoodanig slechts zijn plicht. Hij berustte,
en overviel hem een oogenblik een bittere gedachte, dan beurden hem
de zoo verheven woorden van Alfred de Vigny in zijne Grandeurs et
Servitudes militaires op:
L'abnégation du guerrier est une croix plus lourde que celle du
martyr. Il faut l'avoir portée longtemps pour en savoir la grandeur
et le poids [2].
Daags na het ondergaan van die krenking zelfs, ontwierp hij een plan,
waarvan het objectief was zijne troepen op het strand van het fort
Monroe te ontschepen. Dat plan, hetwelk door de korpscommandanten en
door de chefs van staven en diensten toegejuicht was, vond genade in
de oogen van den president der republiek en verwierf hoogstdeszelfs
goedkeuring. De minister van oorlog vaardigde de noodige bevelen uit
naar New-York, naar Philadelphia, naar Baltimore, en weldra kwamen
vaartuigen van allerlei charter in de Potomac aan, om het leger van
Mac Clellan met zijn geheele materiëel aan boord te nemen.
De gevaren, die gedurende een zekeren tijd Washington, de hoofdplaats
der Noordelijken, hadden doen sidderen, zouden verdwijnen en naar
Richmond, de hoofdplaats der Zuidelijken, die haar thans ondervinden
zoude, overgebracht worden.
Zoo stond de staat van zaken tusschen de oorlogvoerende partijen op
het tijdstip, toen de Staat Florida zich aan den Generaal Sherman en
aan den Commodore Dupont onderworpen had.
Terzelfder tijd dat het smaldeel der Noordelijken de blokkade der
Floridasche kust voltooide, werd het meester van de Sint John,
hetgeen de inbezitname van het geheele schiereiland verzekerde.
Gilbert Burbank en Mars hadden inmiddels tevergeefs de oeverstreken
en de eilandjes, in den stroom gelegen, tot voorbij Piccolata
doorzocht. Toen bleef niets anders meer over, dan direct op Texar zelf
te werken. Hij was, sedert het oogenblik dat de gevangenisdeuren zich
achter hem gesloten hadden, nauwkeurig buiten iedere gemeenschap met
zijne medeplichtigen gehouden geworden. Daaruit volgt natuurlijk, dat
de kleine Dy en Zermah zich nog op dezelfde plek moesten bevinden,
waar zij waren toen de federalistische scheepsmacht de Sint John
binnendrong en Jacksonville bemachtigde.
De staat van zaken ter hoofdplaats van Florida liet thans toe, dat de
rechtspleging ten opzichte van den Spanjaard geregeld uitgeoefend kon
worden, al weigerde hij ook al te antwoorden. Men mocht intusschen
de hoop koesteren, dat men niet genoodzaakt zoude worden tot strenge
maatregelen zijne toevlucht te nemen, en dat de ellendeling er toe
overgaan zou, om tegen den losprijs van zijn leven en van zijne
vrijheid onthullingen te doen.
Op den 14den werd besloten, die proef met bewilliging der autoriteiten
te wagen.
Mevrouw Burbank was herstellend en had eenigermate hare krachten
teruggevonden. De terugkeer van haren zoon, de hoop dat zij haar
ander kind weldra zou weerzien, het herstel van vrede en orde in het
land, de veiligheid die thans voor de onderneming te Camdless-Bay
gewaarborgd was, dat alles te zamen bracht het zijne er toe bij,
om haar weer ietwat van hare moreele kracht, die zij verloren had,
terug te doen erlangen. Vanwege Texar's partijgangers, die zoolang
de goedgezinden te Jacksonville met schrik en angst vervuld hadden,
was niets meer te duchten. De militie-troepen der stad hadden de wijk
naar de binnenlanden van het graafschap Putnam genomen. Mochten ook
al die van Sint Augustijn er aan denken, na eerst den overtocht der
Sint John bewerkstelligd te hebben, die vluchtelingen van Jacksonville
de hand te reiken, ten einde den een of anderen krijgstocht tegen de
federalistische troepen te ondernemen, dan was dat van latere zorg,
daar zoo iets niet in de eerste tijden kon geschieden en het gevaar
dus nog zeer verwijderd mocht heeten. Dienaangaande behoefde men zich
dus geene muizenissen te maken, vooral zoolang de Commodore Dupont
en de Generaal Sherman zich in Florida zouden bevinden.
Er werd dus na eenige ruggespraak besloten, dat James Burbank
zich dienzelfden dag met zijn zoon Gilbert naar Jacksonville zou
begeven. Maar zij beiden alleen. De heeren Edward Carrol, Walter
Stannard en Mars zouden op de onderneming blijven, terwijl miss
Alice Stannard mevrouw Burbank niet zou verlaten. Daarenboven, de
jeugdige officier en zijn vader rekenden er op, tegen het vallen
van den avond op Castle House terug te zijn en dan de een of andere
gunstige tijding mede te kunnen brengen. Zoodra Texar onthullingen
omtrent de verblijfplaats van de kleine Dy en van Zermah zou doen,
zou men dadelijk een begin maken met het nemen van maatregelen
tot hare bevrijding. Daartoe zouden, zoo hoopte men, weinige uren,
hoogstens een dag voldoende zijn.
Toen James en Gilbert Burbank op het punt waren om te vertrekken,
riep miss Alice den jeugdigen officier ter zijde:
»Gilbert," riep zij.
»Wat is er, waarde Alice?"
»Gilbert," vervolgde het jonge meisje, »gij gaat u tegenover den man
bevinden, die uwe familie zooveel leed berokkend heeft...."
»En wat zou dat, lieve Alice?" vroeg de jongman.
»Van den man," ging het meisje voort, »die uwen vader en u zelven
wilde laten ter dood brengen..."
»Dat zal ik niet vergeten, Alice," siste de jonge officier met verbeten
woede tusschen de tanden.
»Gilbert," hernam miss Alice met aandrang, »Gilbert... belooft gij mij,
dat gij u zelven meester zult blijven tegenover Texar?"
»Mij zelven meester blijven!..." riep Gilbert uit, wien de naam van
den Spanjaard reeds van razende woede deed verbleeken.
»Ja, Gilbert, u zelven meester blijven!" sprak het jonge meisje
vastberaden.
»Dat kan niet, Alice!"
»Dat moet toch, Gilbert," hernam de deern. »Gij zult niets verwerven,
wanneer gij u door uwen toorn zult laten vervoeren... Laat iedere
gedachte aan wraakoefening varen..."
»O, Alice... wat vergt gij!"
»Om slechts aan ééne zaak te denken," vervolgde miss Alice, »aan de
redding van uwe zuster... die weldra ook de mijne zal zijn!"
»Lieve Alice!"
»Daarom moet gij alles opofferen... Alles! hoort ge,
Gilbert? Alles... al zoudt ge ook Texar de verzekering moeten geven,
dat hij van uwe zijde in de toekomst niets meer te duchten zal hebben."
»Niets meer te duchten!" riep Gilbert Burbank uit... »Vergeten,
dat door zijne schuld mijne moeder bijna gestorven is!..."
»Ja, dat moet gij vergeten!"
»Vergeten, dat hij mijn vader wilde laten doodschieten!..."
»Ook dat moet gij vergeten, Gilbert; zelfs dat hij u wilde laten
doodschieten... u, dien ik niet meer dacht weer te zien. Ja, dat alles
heeft hij gedaan; maar gij moet de gedachte daaraan verbannen. Gij
moogt u dat alles niet herinneren."
»Alice!... Alice!..."
»Ik zeide u en herhaal het thans, omdat ik vrees dat master Burbank
zich zelven niet meester zal kunnen blijven... En wanneer gij er nu
niet in zult slagen kalm te blijven, dan zullen uwe pogingen stellig
mislukken. O! waarom heeft men besloten, dat ik hier moet blijven,
dat ik u niet naar Jacksonville mag vergezellen!... Wellicht zou ik
door zachtheid verkrijgen..."
»Maar... wanneer die ellendeling weigert te antwoorden?..." hernam
Gilbert, die de gegrondheid der aanbevelingen van miss Alice maar al
te goed besefte.
»Als hij weigert te antwoorden, dan moet gij de taak aan de magistraten
overlaten, om hem tot antwoorden te nopen."
»Dat alles is goed en wel..." viel Gilbert zijn aanstaande in de rede.
»Het geldt zijn leven," ging miss Alice voort, »en wanneer hij zal
ontwaren, dat hij dat leven met zijne onthullingen kan redden, dan
zal hij wel antwoorden!..."
»Dat zal te bezien staan, Alice."
»Gilbert, gij moet mij beloven, kalm en bedaard te blijven. Ja,
die belofte verg ik van u... In naam onzer liefde smeek ik u, die
belofte te doen."
»Ja, waarde Alice," antwoordde Gilbert. »Ja!... Wat die man ook
uitgevoerd heeft, ik zal alles vergeten, wanneer hij mij mijne zuster
weergeeft!..."
»Goed zoo, Gilbert!"
»Alice!"
»Wij hebben vreeselijke beproevingen doorstaan... maar die zijn nu
achter den rug!... God zal die droeve dagen, waarin wij zoo bitter
geleden hebben, door dagen van geluk en voorspoed doen volgen."
Gilbert drukte innig de hand zijner aanstaande, wier schoone oogen
zich met tranen gevuld hadden. Daarna scheidden zij.
Het was omstreeks tien uren, toen master James Burbank en zijn zoon
Gilbert, na afscheid van hunne vrienden en verwanten genomen te hebben,
zich in de kleine havenkom van Camdless Bay inscheepten.
De rivier werd natuurlijk zoo spoedig mogelijk overgestoken. Intusschen
werd het vaartuig, ten gevolge van eene opmerking van Gilbert
Burbank, in stede van naar Jacksonville, naar de kanonneerboot van
den commandant Stevens gestuurd.
Die officier was thans daadwerkelijk de militaire commandant binnen de
muren der stad. Het was dus gepast en ook urgent, dat de maatregel door
James Burbank aan zijn oordeel onderworpen werd. De commandant Stevens
stond in onmiddellijke aanraking met de verschillende autoriteiten, en
de gelegenheden om met hen in aanraking te komen waren veelvuldig. Hij
was ten volle bekend met de rol, die Texar gespeeld had sedert zijne
partijgenooten hem het gezag in handen hadden gespeeld, alsook met
zijne verantwoordelijkheid omtrent de gebeurtenissen, die te Camdless
Bay hadden plaats gegrepen. Hij wist waarom en hoe de Spanjaard
aangehouden en in de gevangenis opgesloten werd, juist op het oogenblik
toen de militie-troepen hunnen terugtocht wilden volbrengen. Hij
was ook volkomen op de hoogte wat aangaat de reactie, die tegen dien
aterling ingetreden was en wel zoodanig, dat het eerlijke gedeelte
van de bevolking van de hoofdplaats Jacksonville er op aandrong,
dat hij wegens zijne veelvuldige misdaden zoude gevonnisd worden.
De commandant Stevens ontving James Burbank en zijn zoon Gilbert
op waardige wijze. Hij koesterde toch voor dien jeugdigen officier,
wiens edel karakter en onwrikbaren moed hij had leeren kennen, sedert
de jonge man onder zijne bevelen had gediend, hooge achting en innige
vriendschap. Toen hij bij terugkeer van Mars aan boord der flottilje,
vernam dat Gilbert Burbank in handen der Zuidelijken gevallen was,
zou hij, het koste wat het wilde, alles ondernomen hebben om hem te
redden. Maar helaas, iedere poging was tevergeefs, hij werd weerhouden
door die verwenschte zandbank in de monding der Sint-John! Hoe zou
hij bijtijds te Jacksonville kunnen aankomen?... Maar de lezer weet,
aan welke omstandigheden de jeugdige luitenant en James Burbank hunne
redding te danken hadden.
Gilbert Burbank leverde in weinige woorden en dus zoo beknopt mogelijk
aan den commandant Stevens het verhaal van het gebeurde en bevestigde
daardoor hetgeen deze reeds vernomen had. Uit dat alles bleek dat,
al kon geen twijfel meer gekoesterd worden, dat Texar in persoon de
ontvoering van het dochtertje van James Burbank en hare kindermeid
in de Marino-Kreek geleid had, het even zeker gerekend moest worden,
dat hij alleen de plek in Florida kon aanwijzen, waar de kleine Dy
en Zermah door zijne medeplichtigen opgesloten werden gehouden.
Die ellendige Spanjaard had dus hun lot in zijne handen, dat was
helaas! maar al te zeker, en de commandant Stevens aarzelde dan
ook geen oogenblik dat te erkennen. Hij wenschte daarom de leiding
dier zaak geheel en al over te laten aan James Burbank en aan zijn
zoon Gilbert. Zij zouden kunnen handelen, zooals zij vermeenden dat
doelmatig zoude zijn. Bij voorbaat hechtte hij zijne goedkeuring
aan alles, wat in het belang der mestiesche vrouw en het kind zoude
strekken. Aan alles, zelfs al ging men zoo ver om aan Texar zijne
invrijheidstelling te beloven, in ruil voor die twee dierbare wezens,
dan zou hem de vrijheid geschonken worden. De commandant stelde zich
dienaangaande tegenover de autoriteiten van Jacksonville borg.
Toen James en Gilbert Burbank dien vrijdom van handelen erlangd
hadden, bedankten zij den braven zeeman, die hun eene schriftelijke
toestemming verleende, om met den Spanjaard in aanraking te komen,
en stapten zij naar de haven.
Daar vonden zij master Harvey, die door een briefje van James Burbank
gewaarschuwd was. Met hun drieën gingen zij naar Court-Justice, alwaar
het schriftelijk toestemmingsbewijs van den commandant Stevens als een
bevel gold en de deuren der gevangenis zich derhalve voor hen openden.
Een gelaatkundige zou voorzeker niet zonder belangstelling de
gelaatstrekken alsook de houding van Texar waargenomen hebben,
sedert hij in hechtenis genomen was. Wie onzer lezers zal er aan
twijfelen, dat de Spanjaard verwoed was geweest over de aankomst
der federalistische troepen, die aan zijne kortstondige loopbaan van
eersten magistraat van de Floridasche hoofdplaats een einde gemaakt
had; ook dat hij het ten innigste betreurde, dat hem de macht ontglipt
was, om alles te kunnen doen, wat hem goeddacht, vooral dat hij nu niet
meer zijne persoonlijke gevoelens van haat kon botvieren en dat eene
vertraging van slechts weinige uren hem niet veroorloofd had, master
James Burbank en zijnen zoon Gilbert te kunnen laten doodschieten.
Evenwel, in weerwil van die teleurstellingen, reikte zijn gevoel van
spijt niet veel verder.
Het scheen hem volkomen onverschillig te laten, dat hij in handen
zijner vijanden gevallen was, ook dat hij onder beschuldiging
van de zwaarste misdrijven gevangen genomen was en dat hij de
verantwoordelijkheid droeg van al de gewelddadige handelingen, die
in het laatste tijdperk bedreven waren, en die hem ten rechte konden
verweten worden.
Ja, dat alles liet hem geheel en al onverschillig en volkomen
gevoelloos.
Daaruit volgde zijne voor iedereen zoo vreemde en onverklaarbare
houding.
Nogmaals, hij werd slechts verontrust door de gedachte, dat hij zijne
kuiperijen jegens de familie Burbank niet tot een goed, dat wil zeggen,
tot een voor hem gewenscht einde had kunnen brengen. Wat de gevolgen
van zijne inhechtenisneming betreft, die schenen hem niet te deren. Zou
die tot heden zoo raadselachtige kerel nogmaals aan de pogingen
ontsnappen, om hem te ontmaskeren en zijn verleden te onthullen?
De deur zijner cel ging open en... hij bevond zich in tegenwoordigheid
van den eigenaar van Camdless-Bay en van diens zoon Gilbert. Hij was
een oogenblik verrast; maar dat duurde slechts zeer kort. Spoedig
had hij zich hersteld.
»Ho, ho!" riep hij op zijnen gewonen schaamteloozen toon uit. »Ho,
ho! vader en zoon te zamen! Waarlijk, ik ben de heeren dankbaarheid
verschuldigd voor hun bezoek. Ja, dankbaarheid en nog meer; want het
bezoeken der gevangenen behoort tot de werken van barmhartigheid."
James Burbank keek den aterling met vertoornden blik aan.
»Maar, ik vergis mij," ging Texar steeds op hoonenden toon voort. »Ik
ben der federalistische troepen eigenlijk dankbaarheid verschuldigd;
want zonder hen zou ik de eer van uw bezoek niet hebben. Niet waar?"
En met een spottenden blik keek de Spanjaard de beide mannen, die
hij zoo schandelijk behandeld had, aan.
»En het genadebetoon, dat gij mij niet meer voor u komt afsmeeken,
komt gij mij zeker aanbieden? Dat is edel!"
Toon en gebaren, waarmede die woorden vergezeld gingen, waren zoo
uittartend, zoo vlijmend, hoonend, dat master James Burbank op het
punt stond om in volle woede los te barsten. Zijn zoon weerhield
hem evenwel.
»Vader," zei hij, »laat mij antwoorden..."
»Maar Gilbert!"...
»Ik smeek u er om. Texar tracht ons op een terrein te lokken,
waarop wij hem niet volgen kunnen, namelijk op dat der wederzijdsche
beschuldigingen..."
De aterling grinnikte boosaardig.
»Het is volmaakt onnoodig," ging Gilbert Burbank voort, »om op
het verledene terug te komen. Wij moeten ons met het tegenwoordige
bezighouden, alleen met het tegenwoordige."
»Met het tegenwoordige!" riep Texar verbolgen uit. »Gij wilt zeggen
met den tegenwoordigen toestand, niet waar? Maar mij dunkt dat die
geene bespreking noodig heeft. Die is helder als de dag. Drie dagen
geleden waart gijlieden hier in deze cel opgesloten en scheen het de
wil van het noodlot te zijn, dat gij haar niet verlaten zoudt, dan
om ter dood gebracht te worden. En heden zit ik er in uwe plaats,
en gij kunt overtuigd wezen, dat ik er mij behagelijker in gevoel
dan gij wel zoudt kunnen meenen."
Dat antwoord was wel geschikt om master James Burbank en zijn zoon
Gilbert uit het veld te slaan. Zij waren toch naar Court-Justice
gekomen, om Texar de vrijheid aan te bieden in ruil van het geheim,
betrekking hebbende op de ontvoering van het kind en hare verzorgster.
»Texar," hernam Gilbert, »hoor mij aan."
»Wat hebt ge mij te zeggen?" vroeg de Spanjaard trotsch.
»Luister. Wij komen open en rond met u onderhandelen."
»Zoo, zoo!" grinnikte de aterling.
»Wat gij te Jacksonville uitgevoerd hebt," ging Gilbert voort, »gaat
ons niets aan."
»Om zeer goede redenen," gromde Texar.
»Wat gij te Camdless-Bay misdaan hebt, willen wij ons niet meer
herinneren."
»Nog al edelmoedig, evenwel niet onbaatzuchtig, denk ik."
»Een punt wekt evenwel onze belangstelling in hooge mate op."
»Zoo? Laat hooren!"
»Mijn zusje en hare kindermeid Zermah zijn verdwenen, terwijl
uwe partijgenooten de plantage overmeesterden en Castle-House
belegerden. Het is zeker dat beiden ontvoerd werden..."
»Ontvoerd?" hernam Texar boosaardig. »Welnu, het verheugt mij waarlijk
zulks te vernemen."
»Te vernemen!..." riep master James Burbank toornig uit.
»Ja, te vernemen," antwoordde de Spanjaard hooghartig maar kalm.
»Loochent gij dat, ellendeling! Loochent gij dat?..."
»Vader," kwam de jeugdige officier tusschenbeide, »laten wij onze
koelbloedigheid bewaren... Denk er om, dat is noodig... Ja, Texar, die
dubbele ontvoering heeft gedurende den aanval op de plantage plaats
gegrepen... Moet gij niet erkennen, dat gij daarvan persoonlijk de
bewerker zijt geweest?"
»Daarop heb ik niet te antwoorden."
»Wij zullen zien!" riep James Burbank uit, getergd door de
achteloosheid van die antwoorden.
De Spanjaard trok hoonend de schouders op.
»Bedaar toch, vader," sprak Gilbert met klem, en zich tot Texar
wendende, vervolgde hij:
»Zult gij weigerachtig zijn om ons mede te deelen, waarheen mijn
zusje met Zermah, hare verzorgster, op uwe bevelen gevoerd zijn?"
»Ik herhaal, dat ik daarop niet te antwoorden heb."
»Ook niet, wanneer wij u de verzekering geven, dat gij uwe vrijheid
tegen uw antwoord kunt inlossen?"
»Ha, ha, ha!"
»Er valt niet te lachen, antwoord ons!" drong Gilbert Burbank met
klem aan.
»Ik heb uwe hulp niet noodig, om mijne vrijheid te
herkrijgen!..." antwoordde Texar trotsch.
»En wie zal de deuren van deze gevangenis voor u openen?" riep master
James Burbank onstuimig uit.
De planter van Camdless-Bay geraakte bij zooveel schaamteloosheid
buiten zich zelven van woede.
»Wie? vraagt gij?" grinnikte Texar.
»Ja, wie, bij God?"
»Welnu, de rechters!... Ik vraag uitdrukkelijk om terechtgesteld
te worden!"
»Terechtgesteld worden!... Rechters!...; maar die zullen u volgens
plicht en geweten zonder mededoogen veroordeelen. Twijfel daaraan
niet."
»Dan zal ik zien, wat mij te doen staat."
»Is dat uw laatste woord?"
»Ja."
»Gij weigert dus stellig te antwoorden?" vroeg Gilbert Burbank voor
de laatste maal, maar met aandrang in zijne stem.
»Ja, ik weiger..."
»Zelfs ten koste van...?"
»Van wat? Spreek ronduit," hernam Texar hoonend.
»Ten koste van de vrijheid, die ik u aanbied."
»Ik begeer die vrijheid niet! Die vrijheid!... Het zou waarachtig
wat moois zijn!"
»Zelfs ten koste van een vermogen?"...
»Van een vermogen?"
»Van een vermogen, dat ik op mij neem, u na overeenkomst toe te
tellen."
»Ik aas op uw vermogen niet..."
Vader en zoon keken elkander aan. Die onverzettelijkheid ontstelde hen.
»En nu, heeren," sprak de Spanjaard, »wensch ik alleen gelaten
te worden."
Het moet ten volle erkend worden, dat master James Burbank en zijn zoon
Gilbert door zulke stoutmoedigheid geheel buiten westen geraakt waren.
Waarop berustte toch dat gevoel van veiligheid, hetwelk die aterling
aan den dag legde?
Hoe durfde Texar zich aan eene rechtsvervolging blootstellen, die
toch niet anders dan met de meest ernstige veroordeeling kon eindigen?
Wie zou op die vragen antwoord kunnen geven?
Zooveel is zeker, dat noch de vrijheid, die hem werd aangeboden,
noch het goud, dat hem voorgespiegeld werd, hem een enkel woord had
kunnen ontlokken.
Spoorde hem een onwrikbare haat aan, om zijne belangen uit het oog
te verliezen?
Hij bleef steeds de raadselachtige persoon, die zelfs bij de meest
te vreezen omstandigheden zijn verleden niet verkoos te logenstraffen.
»Kom, vader, kom," sprak de jeugdige officier. »Wij hebben hier niets
meer te doen."
En hij troonde master James Burbank mede tot buiten de gevangenis.
Bij de deur vonden zij master Harvey weder, en met hun drieën gingen
zij naar den commandant Stevens, om hem de mislukking hunner pogingen
mede te deelen.
Juist in dit oogenblik was aan boord der flottilje-kanonneerbooten
eene proclamatie van den Commodore Dupont ontvangen. Zij was aan de
bewoners van de hoofdplaats Jacksonville gericht en hield in hoofdzaak
in, dat niemand ter zake zijner staatkundige meeningen vervolgd of
ook maar gezocht zoude worden; ook niet ter zake van feitelijkheden,
die den tegenstand van den Staat Florida sedert het uitbreken van
dien noodlottigen burgeroorlog gekenmerkt, ja daaraan het recht van
bestaan ontleend hadden. De onderwerping aan de vlag met de sterren
zou aller verantwoordelijkheid uit een staatsrechtelijk oogpunt dekken.
Die maatregel, klaarblijkelijk in zich zelve doeltreffend, was in
soortgelijke omstandigheden door den president Lincoln toegepast. Hij
kon evenwel niet bij private of personeele feiten gelden. En dat was
hier toch ten opzichte van de handelingen van Texar het geval.
Dat hij aan de wettige autoriteiten de macht om te regeeren ontwrongen
had en dat hij van die macht gebruik gemaakt had om den tegenstand te
organiseeren, dat was heel eenvoudig eene quaestie, die de Zuidelijken
alleen aanging. Daarmede wilde het federalistische gouvernement
niets te doen hebben. De aanslagen evenwel op de personen, de inval
op Camdless-Bay, welke tegen een man, afkomstig uit het Noorden,
gericht waren, de vernieling van zijn eigendom, de ontvoering van zijne
dochter en van nog eene vrouw behoorende tot zijn dienstpersoneel,
dat waren misdaden, die onder het bereik van het algemeen recht vielen,
zoodat derhalve de gerechtigheid haren gewonen loop moest hebben.
Zoo luidde het advies van den commandant Stevens en zoo ook luidde dat
van den Commodore Dupont, toen de aanklacht van master James Burbank
en de inbeschuldiging-stelling van den Spanjaard ter hunner kennis
waren gekomen.
Den volgenden dag--den 15den Maart--werd dan ook eene ordonnantie
uitgevaardigd, die Texar voor de militaire rechtbank daagde onder de
dubbele beschuldiging van strooperij en van ontvoering.
De beschuldigde zou zich deswege voor den Krijgsraad, die te Sint
Augustijn zitting hield, te verantwoorden hebben.
VI.
SINT AUGUSTIJN.
Sint Augustijn is een der oudste steden van Noord-Amerika en dagteekent
reeds van de vijftiende eeuw.
Zij is de hoofdplaats van het graafschap Sint Jan, hetwelk van luttele
beteekenis is, daar het, hoe uitgestrekt zijn grondgebied ook al is,
geen drie duizend inwoners telt.
Sint Augustijn is van Spaanschen oorsprong en is nagenoeg hetzelfde
gebleven, wat zij weleer was, althans zij heeft er al het uiterlijke
van behouden.
De stad verheft zich op het uiteinde van een der kust-eilanden. De
oorlogsvaartuigen en de koopvaardijschepen vinden in hare haven,
die uitmuntend tegen windvlagen uit volle zee, die zoo veelvuldig
op die gevaarlijke kust van den Staat Florida bulderen, gedekt is,
een veilige toevlucht. Intusschen moet erkend worden, dat om binnen
die haven te komen, de schepen het gevaarlijke vaarwater moeten
doorstevenen, hetwelk door de kolken en wielingen van den golfstroom
bij haren ingang gevormd wordt.
De straten van Sint Augustijn zijn, evenals dat bij andere steden
in de heete zone gelegen en derhalve aan het loodrecht invallen der
zonnestralen blootgesteld, aangetroffen wordt, zeer smal. Door de
richting dier straten en door de zeebries, die er geregeld des ochtends
en des avonds den dampkring komt verfrisschen, bezit deze stad, die
voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, wat Nizza of Mentone,
onder den liefelijken hemel van Provence gelegen, voor Frankrijk is,
een uiterst gematigd klimaat.
Het is voornamelijk in het havenkwartier en in de straten die er aan
grenzen, dat de bevolking zich het dichtst saamgepakt heeft.
De voorsteden met hare weinige woningen, die slechts eene dakbedekking
van palmbladeren hebben, met hare ellendige hutten, verkeeren in
een staat van verlatenheid en eenzaamheid die volmaakt zou kunnen
heeten, zonder de honden, de varkens, de koeien en de geiten, die er
voortdurend zwervende aangetroffen worden.
De eigenlijke stad--het werd reeds gezegd--heeft een bepaald Spaansch
uiterlijk, de huizen hebben vensters, die door zwaar traliewerk
verdedigd worden; zij bezitten in hun binnengedeelte de traditioneele
patio. De patio is eene binnenplaats, die door slanke zuilenrijen
omgeven, met grillige luifels en gebeeldhouwde balkons, fraai en
sierlijk alsof zij altaarkasten moeten voorstellen, versierd is.
Somwijlen, bij voorbeeld des Zondags of bij andere feestelijke
gelegenheden, ontsnapt de inhoud van die huizen en stort zich op de
straten der stad uit. Dan ontwaart het oog een zonderling mengelmoes
van senoras, van negerinnen en mulatinnen, van Indiaansche vrouwen, van
vrouwen met gemengd bloed; van negers, van negerkinderen, van Engelsche
dames, van gentlemen, van eerwaarde predikanten, van monniken en van
Roomsche priesters. En bijna allen hebben een sigarette in den mond,
zelfs als zij zich naar den Calvarieberg begeven. En dit is toch de
naam van de hoofd-parochie-kerk van Sint Augustijn, welker klokkengelui
zich bijna onafgebroken, sedert het midden der zeventiende eeuw,
het tijdperk van de voltooiing van die Godswoning, doet hooren.
Wij mogen hier niet overslaan, maar moeten wel degelijk aan de
vergetelheid ontrukken de marktplaatsen, die zeer rijkelijk voorzien
zijn, van groentewaren, van visch, van pluimvee, van varkens, van
lammeren--die men op verlangen van den kooper, zoo maar zonder
omslag ten aanschouwe van de marktgangers afmaakt, slacht en
vilt--van eieren, van rijst, van gekookte bananen, van »frijolen,"
eene soort kleine boonen, die gekookt gevent worden, eindelijk van
alle keerkringsvruchten als: ananassen, dadels, olijven, manga's,
granaatappelen, goyaven, vijgen, oranjeappelen, citroenen, perziken,
maranons en zoo voort, en dat alles zoo goedkoop als maar mogelijk en
denkbaar is, en waardoor het leven zoo veraangenaamd en vergemakkelijkt
wordt op dit gedeelte van het Floridasche grondgebied.
Wat den dienst der openbare reiniging betreft, deze werd gewoonlijk
niet door benden straatvegers, zooals in onze Nederlandsche steden
geschiedt, maar door geheele vluchten valken verricht, die onder
de bescherming der wet staan; want er worden groote boeten bedreigd
tegen hen, die het durven bestaan, die nuttige vogels te dooden. Deze
verslinden alles, zelfs adders en slangen, en het moet erkend worden,
dat het aantal van dat ongedierte, in weerwil van de vraatzucht dier
valken, nog maar al te aanzienlijk in Florida is.
Het groen ontbreekt niet bij de huizenblokken, die het geheel der
stad uitmaken. Bij de kruispunten der niet al te talrijke straten,
erlangt de blik veelal een meer uitgestrekt waarnemingsveld, alwaar
boomgroepen zich verheffen, die met hare breeduitgespreide takken en
hare dichte loofkruinen de daken der woningen beschaduwen en waarin
geheele scharen van veelkleurige wilde papegaaien en lorries bijna
onophoudelijk snateren.
Onder die gewassen zijn de palmboomen het rijkst vertegenwoordigd. Op
hunne hooge en slanke stammen wiegelt hunne bladerenkruin in de
bries, niet ongelijk aan de waaiers in de hand der senora's of aan
de Hindoesche panka's, die heen en weer bewogen worden, teneinde door
een verfrisschenden luchtstroom, koelte en levenslust te verspreiden.
Hier en daar verheffen zich eenige eiken, die door de lianen- en
glycinen-ranken als met festoenen omgeven worden. Hier en daar worden
ook geheele boschjes van die reusachtige cactus-soorten ontwaard,
welker voet en welker stammen als het ware eene ondoordringbare
terreinafscheiding vormen.
Dat alles is vroolijk, opwekkend, verrukkelijk voor het oog, en zou
dat nog meer zijn, wanneer het den valken believen mocht, den openbaren
reinigings-dienst meer nauwgezet waar te nemen en te volbrengen; want
het moet erkend worden, dat die dieren niet met de werktuigkundige
straatveegborstels kunnen vergeleken worden.
Men vindt te Sint Augustijn slechts eene sigarenfabriek en een of
twee houtzaagmolens, en eene fabriek van terpentijn. De stad bezit
meer een handeldrijvend dan een industrieel karakter. Van daar worden
uit- of ingevoerd: melasse of stroopsuiker, granen, katoen, indigo,
harssoorten, timmer- en schrijnwerkershout, gezouten, gerookte en
versche visch, zout, rottan- en gomsoorten.
In gewone tijden heeft de haven een vrij levendig verkeer door
het binnenkomen en uitstevenen der stoombooten, die de kustvaart
uitoefenen, en tot overvoer der koopmanswaren en der reizigers gebezigd
worden, tusschen de verschillende havenplaatsen van den Atlantischen
Oceaan en de Golf van Mexico.
Sint Augustijn is de zetel van een der zes rechtbanken, die in den
staat Florida gevestigd zijn.
Wat haar verdedigings-vermogen betreft, tegen eene aanranding van de
landzijde of tegen een aanval van de zeezijde, dat bestaat slechts
uit eene versterking, het fort Marion of Sint Markus genaamd. Dit was
eene militaire inrichting, die van de zeventiende eeuw dagteekende
en geheel en al in Castiliaanschen stijltrant gebouwd was. Vauban,
Cormontaigne, Coehoorn, de Roo van Alderwerelt, of Todtleben zouden
er voorzeker den neus voor opgetrokken hebben, dat is waar; maar van
een anderen kant wekte dat fort met zijnen toren, zijne bastions,
zijne halve manen, zijne courtinen, zijne ravelijnen, zijne reduits,
zijne escarpen en contrescarpen, zijne glacis en zijne in- en
uitspringende wapenplaatsen, zijne machicoulis, zijne verzameling
van antiek wapentuig, zijne oude mortieren en kanonstukken, die
oneindig gevaarlijker waren voor hunne bedieningsmanschappen dan
voor de vijanden, toch de bewondering op van de archeologen en de
zoo dwaze oudheidkundigen.
Het was juist dat fort, hetwelk het garnizoen der geconfedereerden bij
het naderen der federalistische flottilje van den Commodore Dupont in
allerijl ontruimd had, hoewel het Floridasche gouvernement ettelijke
jaren vóór het uitbreken van den oorlog er niet voor teruggedeinsd
was nogal gelden te besteden om het in beter verdedigbaren toestand
te brengen.
Na den aftocht van de militie-troepen hadden de bewoners van Sint
Augustijn niet geaarzeld, om de sterkte aan de zeemacht van den
Commodore Dupont over te geven, die er zoodoende zonder slag of stoot
bezit van nam.
Intusschen had de rechtsvervolging, die tegen den Spanjaard Texar
ingesteld was, nogal opzien in het graafschap Sint Jan gebaard. Het
scheen dat zijne gevangenneming het laatste tafereel zoude zijn in den
strijd tusschen dien kerel van verdachte zeden en verdachten oorsprong,
met de familie Burbank.
De ontvoering van het kleine meisje en van de mestische vrouw Zermah
was wel geschikt voorwaar, om de openbare meening te verontrusten
en hartstochtelijk in beweging te brengen. Daarenboven, diezelfde
openbare meening was zeer ten gunste van de eigenaren van de plantage
Camdless-Bay geneigd.
Niemand twijfelde er aan, dat Texar de ontwerper, zoo niet de
uitvoerder van dien aanslag was. Hij wekte zelfs de nieuwsgierigheid
der meest onverschilligen op, om te vernemen hoe die kerel zich uit
die netelige zaak zou trekken en of hij thans zijne straf niet erlangen
zoude voor al de misdrijven, waarvan men hem sedert lang betichtte.
De ontvoering der bevolking te Sint Augustijn zou dus waarschijnlijk
zeer belangrijk wezen. De eigenaren der rondom gelegen plantages
stroomden er heen. De gerezen quaestie was wel van dien aard, om hen
onmiddellijk belang in te boezemen, daar een der hoofdpunten van de
acte van beschuldiging den overval en de plundering van het domein
van Camdless-Bay gold.
Andere etablissementen waren ook verwoest geworden door gewapende
benden der Zuidelijken, en het zou nu moeten blijken uit welk oogpunt
het federalistische gouvernement die misdaden, tegen het gemeene recht
onder bescherming van de partij der afscheidingsstaatkunde gepleegd,
zoude beschouwen.
In City Hôtel, de voornaamste inrichting van dien aard te Sint
Augustijn, hadden een groot aantal bezoekers, die hunne sympathieke
gevoelens voor de familie Burbank niet onder stoelen of banken
verborgen, hunnen intrek genomen.
Dat hôtel zou een nog grooter aantal gasten hebben kunnen
bevatten. Want inderdaad, er kon niets meer doelmatigs ingericht of
uitgedacht worden, dan dit uitgestrekte huis, gebouwd in den stijl
der zestiende eeuw. Het was de oude woning van den corrégidor en
prijkte nog met hare puerta of voornaamste deur, die rijkelijk met
beeldhouwwerk versierd was, met hare breede »sala," of eersalon,
met hare binnenplaats, door eene colonade omgeven, welker zuilen
met festoenen van passiebloemen omgeven waren, met hare ruime
verandah, waartoe men van uit verschillende smaakvol en degelijk
gemeubileerde kamers toegang erlangde; terwijl die binnenplaats,
welker lambriseeringen onder smaragd en goudgeelkleurige schakeeringen
verdwenen, volgens Spaansche mode met miradoren versierd was, die
tegen de muren aangebracht waren en allerwege springende fonteinen
lieten ontwaren, die frischheid aanbrachten en de fijne graszoden
onderhielden en drenkten en zoo eene patio daarstelde, die eene vrij
uitgestrekte oppervlakte besloeg en rondom door hooge muren omgeven
was. Het was in een woord een soort van caravanserail, die slechts
door vermogende lieden betrokken werd.
Het was daar in dat City Hôtel dat master James Burbank, zijn zoon
Gilbert, master Walter Stannard en zijne dochter Alice hunnen intrek
sedert den vorigen dag genomen hadden.
Het spreekt van zelf, dat de mulat Mars hen vergezelde.
Na hunne vruchtelooze poging bij Texar in de gevangenis te
Jacksonville, waren master James Burbank en zijn zoon Gilbert naar
Castle-House teruggekeerd.
Toen de familie vernam, dat de Spanjaard hardnekkig weigerde eenige
inlichting te geven met betrekking tot de verdwijning van de kleine
Dy en van Zermah, begreep zij dat de laatste hoop verdwenen was.
Intusschen bracht toch de tijding, dat Texar ter zake van het
voorgevallene op de plantage Camdless-Bay voor eene militaire
rechtbank zoude verschijnen, leniging bij de opgelegde smarten en
angsten aan. Wanneer de aterling zich onder het gewicht van eene
veroordeeling zoude gevoelen--en die kon toch volgens ieders meening
niet uitblijven--dan zou hij zich wel tot spreken genoopt gevoelen,
daar hij dan noodzakelijk zou moeten begrijpen, dat zijne vrijheid,
ja zijn leven van zijne openhartigheid zoude afhangen. Ja, bekennen
zou hij dan wel. Zoo troostte men zich op Castle-House.
Miss Alice Stannard zou in dat geding als de voornaamste bezwarende
getuige voor den Spanjaard optreden.
En inderdaad, zij bevond zich bij de Marino-Kreek juist op het
oogenblik toen Zermah den naam van Texar uitriep. Daarenboven had het
jonge meisje den ellendeling bepaaldelijk in het schuitje, waarmede
de ontvoering plaats had, herkend. Miss Alice Stannard bereidde zich
dan ook voor, om naar Sint Augustijn te vertrekken. Haar vader, master
Walter Stannard, zou haar met zijn vrienden master James Burbank en
den zee-officier Gilbert Burbank, die door den Auditeur militair voor
den krijgsraad gedagvaard waren, derwaarts vergezellen.
Mars had verzocht met hen te mogen gaan. Als echtgenoot van Zermah
wilde hij tegenwoordig zijn, wanneer men den Spanjaard dat geheim
zou ontwringen, dat hem alleen bekend was.
En wanneer dat gelukt zoude zijn, dan zouden master James Burbank,
zijn zoon Gilbert en hij Mars niets anders meer te verrichten hebben,
dan de twee gevangenen in ontvangst te nemen uit de handen van hen,
die hen op bevel van Texar achter slot hielden.
In den namiddag van den 16den Maart vertrokken master James Burbank
met zijn zoon Gilbert, master Walter Stannard, zijne dochter miss
Alice Stannard en Mars van Castle-House, na afscheid van mevrouw
Burbank en van master Edward Carrol genomen te hebben.
Aan de pier van Camdless-Bay waren zij aan boord van een dier
stoomvaartuigen gegaan, die den dienst op de Sint-Johnrivier
verrichtten, en waren vervolgens bij de aanlegplaats van Piccolata
aan wal gestapt, vandaar waren zij met een »stage", een soort van
tweespannig maar hoogst eenvoudig rijtuig, langs een bochtigen weg,
die voerde door een hoog opgaand woud van eikenboomen, van cypressen
en van plataanboomen, die op dit gedeelte van het grondgebied van
den Staat Florida aangetroffen worden, afgereden. De weg was slecht
onderhouden en veroorloofde dus eene snelle reis niet.
Zij kwamen evenwel vóór het middernachtsuur te Sint Augustijn aan,
alwaar zij eene behoorlijke gastvrijheid in de vertrekken van City
Hôtel vonden.
De lezer mag zich evenwel niet verbeelden, dat Texar door alle zijne
partijgangers verlaten was. In geenen deele. Hij telde nog vele
volgers onder de mindere kolonisten van het graafschap. Deze waren
nog steeds doldriftige en hartstochtelijke slavenhoudersgezinden.
Toen die partijgangers daarenboven bemerkten, dat zij ter zake van
de oproerige tooneelen te Jacksonville niet zouden vervolgd worden,
hadden zij weer moed gevat en besloten hun opperhoofd niet in den
steek te laten. Velen hunner hadden dan ook onder elkander afgesproken,
te Sint Augustijn bijeen te komen.
Het is waar, dat men hen in het patio van City Hôtel niet moest gaan
zoeken. Maar het ontbrak in de stad niet aan kroegen, ook niet aan
»tiendas", waar de Spaansche mestiezen en de Creeks zoo wat alles wat
eetbaar, drinkbaar en rookbaar is, te koop aanbieden. Daar schoolden
die lieden, welke het uitschot der bevolking vormden en niet veel aan
achtbaarheid te verliezen hadden, te zamen en brachten den tijd door
met luidruchtige gesprekken ten gunste van Texar te houden.
Op dat tijdstip bevond de Commodore Dupont zich niet te Sint
Augustijn. Hij had waarlijk wel wat anders te doen. Hij hield zich
toch onledig met de toegangs-vaarwaters tot de kust, die voor den
sluikhandel in oorlogsbenoodigdheden gesloten moesten blijven,
te blokkeeren.
De troepen, die hij evenwel na de overgave van het fort Marion
ontscheept had, waren sterk genoeg om de stad nadrukkelijk in bedwang
te houden. Geen aanvallende beweging van den kant der zuidelijke
legermacht of van den kant der militie-troepen van het graafschap,
die op den anderen oever van de Sint John overgegaan en in vollen
aftocht waren, was te duchten.
En wanneer de partijgangers van Texar zouden gepoogd hebben om de
bevolking van Sint Augustijn in opstand te brengen, om de stad aan
de macht der federalistische autoriteiten te ontrukken, dan zou de
beweging in hare geboorte dadelijk gesmoord kunnen worden.
Wat den Spanjaard betreft, deze was aan boord van een der
kanonneerbooten van den commandant Stevens van Jacksonville naar
Piccolata vervoerd geworden.
Van Piccolata was hij onder geleide van een sterke dekking naar Sint
Augustijn overgebracht en daar in een der bomvrije cellen van het
fort opgesloten, waaruit eene ontvluchting tot de onmogelijkheden
moest gerekend worden.
Daarenboven, daar hij zelf verzocht had om terecht te staan, dacht
hij waarschijnlijk niet aan eene ontsnapping. Zijne partijgenooten
waren daaromtrent niet onkundig gelaten.
Wanneer hij evenwel ditmaal veroordeeld mocht worden, dan zouden zij
in overweging nemen, wat zij ten gunste van zijne ontvluchting te
doen hadden.
Tot dien tijd moesten zij zich rustig houden. Daarop kwam het
voorshands op aan. Dat begrepen zij.
Bij afwezigheid van den Commodore Dupont, vervulde de kolonel
Gardner, een oud beproefd krijgsman, de functie van plaatselijken
militairen commandant der stad. Deze was ook aangewezen om den zetel
van voorzitter te bekleeden in den Krijgsraad, die geroepen was recht
over Texar in een der zalen van het fort Marion te spreken.
Die kolonel was toevallig dezelfde chef, die de inname van de
havenplaats Fernandina bestuurde, en hij was het, die de bevelen
uitvaardigde, ten gevolge waarvan de vluchtelingen, die bij den aanval
op den spoortrein door de kanonneerboot Ottawa krijgsgevangen gemaakt
waren, gedurende acht-en-veertig uren van hunne vrijheid beroofd waren
gebleven, alvorens in vrijheid gesteld te worden. Het is noodzakelijk
die bijzonderheid hier in herinnering te brengen.
De zitting van den Krijgsraad begon tegen elf uren in den ochtend.
Eene talrijke menigte had in de gerechtszaal plaats genomen. En
onder dat gedeelte daarvan, dat zich het luidruchtigst betoonde,
kon men de vurigste vrienden en partijgangers van den Spanjaard tellen.
Master James Burbank, de luitenant Gilbert Burbank, master Walter
Stannard, miss Alice Stannard en Mars zaten natuurlijk in de bank
der getuigen.
Wat men toen reeds zag, was dat er aan den kant der verdediging
geene getuigen waren. Het scheen alsof de Spanjaard het der moeite
niet waard geacht had, om tegengetuigen te doen oproepen. Was dat
werkelijk veronachtzaming of nalatigheid van zijn kant? Of had hij
zich in de onmogelijkheid gesteld gezien om een enkelen getuige,
die een woord in zijn voordeel kon doen hooren, te voorschijn te
brengen? Dat zou men weldra vernemen.
In ieder geval, het scheen dat de uitslag van het geding onmogelijk
betwijfeld kon worden.
Toch had een niet te omschrijven voorgevoel in het brein van master
James Burbank post gevat. Had hij niet reeds eenmaal in diezelfde stad
Sint Augustijn, een klacht tegen den Spanjaard Texar ingebracht? En was
het hem toen niet gelukt door het opwerpen van een onverklaarbaar maar
niet te wraken alibi aan het vonnis der gerechtigheid te ontkomen? De
invloed van dat voorval moest zich onmiskenbaar op het aanwezige
publiek doen gevoelen; want het was nog slechts weinige weken geleden,
dat het voorgekomen was.
Texar werd, zoodra de leden van den Krijgsraad in de zaal verschenen
waren en zitting genomen hadden, door agenten binnengebracht. Men
bracht hem naar de bank der beschuldigden, waarop hij zonder trekken
of blozen plaats nam.
Het scheen, dat geen enkele aangelegenheid of bijzonderheid in staat
zoude zijn hem te dwingen zijne gewone onbeschaamdheid en zijne
uittartende houding te laten varen. Hij had slechts een minachtende
glimlach voor zijne rechters over; terwijl hij zijne vrienden, die hij
in de gerechtszaal ontwaarde, met een stoutmoedigen blik begroette
en master James Burbank met een beleedigend gebaar, dat van diepen
haat getuigde, bejegende.
Zoo trad hij binnen, zoo nam hij plaats en zoo bleef hij totdat
kolonel Gardner tot het verhoor overging.
Master James Burbank, zijn zoon Gilbert en Mars konden tegenover
den man, die hen zooveel onheil berokkend had, en die hen nog
zooveel ongeluk en leed kon berokkenen, niet dan met moeite hunne
verontwaardiging bedwingen. Dat is wel te begrijpen, niet waar?
Het verhoor begon met de gebruikelijke vragen volgens het rechterlijk
formulier, om de identiteit van den beklaagde te constateeren.
»Hoe is uw naam?" vroeg kolonel Gardner.
»Texar."
»Hoe oud zijt gij?"
»Vijf en-dertig jaren."
»Waar zijt gij geboren?"
De beschuldigde antwoordde op die vraag niet. Hij scheen zich te
bedenken of zich te beraden.
»Waar zijt gij geboren, Texar?" herhaalde kolonel Gardner met nadruk.
»Dat weet ik niet."
»Weet gij dat niet?"
»Neen."
»Gij kent dus uw vaderland niet?"
»Ik weet alleen, dat ik in Mexico geboren ben. Waar, is mij evenwel
onbekend."
»Waar woont gij?"
»Te Jacksonville."
»Te Jacksonville?"
»Ja, in de tienda van Torillo."
»Ik vraag u waar gij thans woont?"
»Een ander verblijf heb ik niet."
Het zal onzen lezers voorzeker wel begrijpelijk voorkomen, dat master
James Burbank en zijne vrienden het hart in de borstkas voelden
kloppen, toen zij dat antwoord vernamen, dat op een toon gegeven werd,
die genoegzaam aanduidde, dat de beschuldigde vast besloten was,
zich volstrekt niet over de plaats zijns verblijfs uit te laten.
En inderdaad, Texar bleef, in weerwil van het aandringen door den
voorzitter der rechtbank, bij zijne bewering volharden, dat hij
geen vast verblijf had. Hij gaf te verstaan, dat hij een nomaad,
een rondzwerver was, een woudlooper in de onmetelijke bosschen van
het grondgebied van den Staat Florida, een vertrouweling van de
cypressenwouden, die daarin onder het dak der hutten sliep, van het
wild leefde, dat hem zijn geweer en ook zijne valstrikken opleverden,
en nu eens overvloed had en dan weer gebrek leed.
Iets anders was er in waarheid niet uit hem te halen, hoeveel moeite
er ook aangewend werd.
»Het zij zoo," antwoordde kolonel Gardner eindelijk in arrenmoede. »Wat
kan het ons trouwens, alles wel beschouwd, ook schelen."
»Inderdaad, wat kan het u schelen?" antwoordde Texar stoutmoedig
en uittartend.
»Met uw verlof," meende Gilbert Burbank te moeten inbrengen. »Volgens
mij..."
Hij kon evenwel niet verder, want de Spanjaard vervolgde
onverstoorbaar:
»Laten wij aannemen, kolonel Gardner, als u dat bevredigen kan, dat
ik thans in het fort Marion, waar ik wederrechtelijk opgesloten ben
en van mijne vrijheid beroofd word, gedomicilieerd ben. Dat is dus
uitgemaakt, niet waar?"
De voorzitter van den krijgsraad trok de schouders ongeduldig op,
maar antwoordde niet.
»Waarvan word ik beschuldigd, als je blieft?" ging Texar voort,
alsof hij zich reeds van het begin van het geding tot taak stelde het
verhoor te willen leiden. »Het schijnt dat men met twee maten meet."
»Texar," hernam kolonel Gardner, »gij wordt niet vervolgd wegens de
staatkundige gebeurtenissen, die te Jacksonville voorgevallen zijn."
»Niet?" zei Texar hoonend. »Het heeft er toch allen schijn van."
»De Commodore Dupont heeft eene proclamatie uitgevaardigd,"
vervolgde de voorzitter van den krijgsraad, »waarbij uitdrukkelijk
verklaard wordt, dat het gouvernement van Washington geenszins zijne
tusschenkomst omtrent de plaatselijke omwentelingen, waardoor de
regelmatige autoriteiten door andere magistraten, welke ook, werden
verdrongen, wenscht uit te breiden. De Staat Florida is weer onder de
federalistische vlag teruggebracht, en het gouvernement der Vereenigde
Staten zal zich weldra onledig houden met eene nieuwe organisatie
voor de heronderworpen landstreek."
»Maar, wanneer ik niet vervolgd word wegens het omverwerpen van de
regeering van Jacksonville, waarbij ik eenstemmig gehandeld heb met
het grootste gedeelte der bevolking," vroeg de Spanjaard, »om welke
reden word ik dan voor dezen krijgsraad terechtgesteld?"
»Weet gij dat niet?"
»Neen."
»Dat is slechts eene rol, die gij speelt, Texar. Kunt gij de reden
niet gissen?"
»Neen, nogmaals neen."
»Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik zal tegemoet komen aan uwe volgens
mij voorgewende onwetendheid."
»Ik luister, kolonel."
»Er zijn misdaden gepleegd," vervolgde de voorzitter van den
krijgsraad, »misdaden tegen het gemeene recht, gedurende het tijdvak,
dat gij de functie van eersten magistraat waarnaamt."
»Welke zijn die misdaden?"
»Men beschuldigt u," ging kolonel Gardner voort, »het schuim der
bevolking tot het bedrijven dier misdaden aangezet te hebben."
»Maar welke misdaden, kolonel?"
»Vooreerst geldt het de plundering van de plantage Camdless-Bay,
die door eene bende boosdoeners aangevallen en overrompeld is."
»Meent ge?" vroeg Texar leuk.
»Me dunkt, dat dit feit vaststaat," antwoordde de voorzitter van
den krijgsraad.
»Behoudens dat die bende boosdoeners, zooals gij ze noemt," hernam
Texar, »vergezeld was door eene afdeeling soldaten, die door een
officier van de militie-troepen aangevoerd werd."
»Het is mogelijk, Texar; maar er is gewapenderhand geplunderd, er heeft
brandstichting plaats gehad, en dat alles is geschied ten opzichte van
de woning van een planter, die het recht had en daarvan dan ook gebruik
gemaakt heeft, om zich tegen dergelijke geweldenarijen te verzetten."
»Het recht?" vroeg de Spanjaard heftig en toornig.
»Ja zeker, het recht," antwoordde kolonel Gardner.
»Het recht kon niet gerekend worden aan den kant te zijn van hem,
die weigerde aan de bevelen te gehoorzamen van eene regeering, die
wettig ingesteld was," hernam Texar.
»Hoe? Ge durft?"...
»James Burbank--daar het hem geldt--had zijne slaven in vrijheid
gesteld," vervolgde de Spanjaard, »en had daardoor de openbare
meening die in Florida heerscht, en die evenals in het meerendeel der
Zuidelijke Staten van de Unie voor het behoud der slavernij gestemd
is, aanstoot gegeven, ja haar getart."
»Maar, Texar...."
»Die daad," ging deze voort, »kon de grootste rampen op de andere
plantages ten gevolge hebben, daar zij de negers als het ware tot
opstand verlokte. Het bestuur van Jacksonville besloot toen, dat het
in de gegeven omstandigheden tusschenbeiden moest treden. Indien
het de akte van invrijheidstelling, zoo onvoorzichtig door master
James Burbank uitgevaardigd en afgekondigd, niet met nietigheid heeft
geslagen, zoo wilde het toch de noodlottige gevolgen daarvan voorkomen,
door de vrijgestelde slaven buiten het grondgebied van den Staat te
zetten. Toen master James Burbank weigerde dat bevel op te volgen,
was het bestuur verplicht zijn toevlucht tot geweld te nemen, en
ziedaar de reden waarom de militie-troepen, waarbij zich een gedeelte
van de bevolking aansloot, gezonden werden, om de vroegere slaven
van Camdless-Bay uit elkander te jagen."
»Texar," antwoordde kolonel Gardner, »het oogpunt waaruit gij de
gepleegde daden van geweld schijnt te beschouwen, kan door den
krijgsraad niet gedeeld worden."
»Ja, dat was wel te verwachten," sprak de Spanjaard met smadelijken
glimlach, »maar gij zult mij toch moeten toegeven, dat dit het ware
oogpunt is, waaruit de handeling dient beschouwd te worden."
»Volstrekt niet, Texar," hernam de voorzitter van den krijgsraad.
»Ik zou uw argument wel eens willen hooren, kolonel Gardner, om uw
gevoelen te staven."
»Ziehier. Master James Burbank, die afkomstig is uit de Staten van
het Noorden, heeft volkomen van zijn recht gebruik gemaakt, toen
hij aan het personeel zijner plantage de vrijheid schonk. Niets kan
dus ter verontschuldiging dienen of aanleiding geven om ten aanzien
der uitspattingen, die op zijn landgoed gepleegd zijn, verzachtende
omstandigheden aan te voeren of te bepleiten."
»Ik begin in te zien," hernam Texar, »dat ik mijn tijd zoude
verbeuzelen, wanneer ik poogde mijne denkwijze dienaangaande voor
den krijgsraad uiteen te zetten."
»Dat is mijne meening ook," antwoordde de kolonel.
»Het bestuur van Jacksonville heeft gemeend goed te handelen met te
bevelen zooals geschied is."
»Dat is mogelijk, maar...."
»Is men nu voornemens mij als voorzitter van dat bestuur te vervolgen,
en wil men de verantwoordelijkheid zijner daden op mij doen neerkomen?"
»Ja, op u, Texar!"
»Dat is niet billijk. Vergun mij dat ik dat openlijk betuig."
»Ja, op u," herhaalde kolonel Gardner, »op u, die niet alleen
voorzitter van dat bestuur geweest zijt, maar u bovendien in persoon
aan het hoofd gesteld hebt van de bende plunderaars, stroopers en
brandstichters, die over Camdless-Bay losgelaten werden."
»Ik?"
»Ja, gij!"
»Bewijs dat!" antwoordde Texar koel.
»Geduld," zei de voorzitter.
»Is er een getuige aan te voeren," vroeg de Spanjaard, »die mij gezien
heeft te midden der burgers en der militie-troepen, die afgezonden
waren om de bevelen van het bestuur ten uitvoer te leggen?"
»Geduld!" herhaalde de president van den krijgsraad.
Hij noodigde toen master James Burbank uit, om mededeeling te doen
van hetgeen hij wist.
Deze verhaalde de feiten, gepleegd sedert het oogenblik dat Texar en
zijne partijgenooten de rechtmatige regeeringsleden van Jacksonville
verjaagd en zich van hunne zetels meester gemaakt hadden. Hij wees
met nadruk op de houding en de gedraging van den beschuldigde, die
alles in het werk gesteld had, om het schuim der bevolking tegen de
plantage op te hitsen.
Toen hem evenwel kolonel Gardner de pertinente vraag stelde, of hij
Texar persoonlijk gezien had onder de aanvallers van Camdless-Bay,
was hij verplicht een ontkennend antwoord te geven.
De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat inderdaad, toen John Bruce,
de afgezant van master Harvey, er in geslaagd was binnen Castle House
te geraken en door master James Burbank ondervraagd werd, hij niet kon
zeggen of de Spanjaard zich aan het hoofd van die bende boosdoeners
gesteld had.
»In ieder geval,"
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/29192