Frank Mildmay, De zeeofficier
by Frederick Marryat · Dutch · Gutenberg #28872 · 722,015 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Frank Mildmay, De zeeofficier
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Frank Mildmay, De zeeofficier
Author: Frederick Marryat
Illustrator: Joh. Braakensiek
Edmund Evans
Translator: W. Degenhardt
Release date: May 18, 2009 [eBook #28872]
Most recently updated: January 5, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/28872
Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK FRANK MILDMAY, DE ZEEOFFICIER ***
Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
Frank Mildmay
De Zeeofficier
Door
Kapitein Marryat
Tweede omgewerkte druk
Door
W. Degenhardt
met 12 oorspronkelijke platen
Geteekend en gegraveerd door Jos. Scheidel
Amsterdam
Tj. van Holkema
Gedrukt bij P. W. M. Trap, Leiden.
LEVENSSCHETS VAN KAPITEIN MARRYAT.
Kapitein Marryat heeft zich, als zeeofficier en als schrijver, een
uitstekenden naam weten te verwerven. Hij werd den 10en Juli 1792 te
Westminster geboren. Van zijn kinderjaren valt weinig mede te deelen;
met sterke hartstochten en een vroegtijdig ontwikkelden geest was
hij een moeielijk te regeeren knaap. Hij liep weg van elke school,
waarop men hem plaatste, en het Dorado van zijne verbeelding was
steeds--de zee! Eindelijk werd zijn verlangen om in den zeedienst
te komen te sterk om voor eenige overreding te wijken, en deed zijn
vader de noodige stappen daartoe. Op den 3en September 1806 maakte
hij zijne eerste reis naar de Middellandsche zee op Zijner Britsche
Majesteits schip Impérieuse, commandant lord Cochrane.
Deze kruistocht van de Impérieuse heeft in de geschiedenis veel éclat
gemaakt. Gedurende de drie jaren, die Marryat op dat schip diende,
was hij getuige van meer dan vijftig gevechten, waaraan hij zooveel
deelnam als men een knaap van zijne jaren kon toestaan. In den
eersten winter van zijnen diensttijd nam en vernielde lord Cochrane
drie Fransche oorlogsschepen en twaalf koopvaarders: ook vernielde
hij het fort Roquette, bij den ingang van Arcassan.
Op den 21en Februari 1808 nam Marryat deel aan een gevecht in de baai
van Almeria; op den 30en Juli van datzelfde jaar werd het kasteel
van Mongat aan de Impérieuse overgegeven; op den 13en November liet
men een fort bij Barcelona in de lucht springen en werd een Fransch
schip genomen. Bij al deze ondernemingen was hij tegenwoordig; ook
nam hij deel aan de verdediging van het kasteel van Rosas.
Bij deze verschillende ontmoetingen kreeg Marryat drie wonden, waarvan
eene in zijne maag; een gedeelte van zijn hemd met de bajonet mede in
het lijf gedrongen, deed dienst voor prop en stelpte het bloed, zoodat
hij in de opgewondenheid van het gevecht geene pijn gevoelde. Eerst
toen hij zich ontkleed had en het wegnemen van het linnen het
bloed weder had doen vloeien, bespeurde hij gewond te zijn. In lord
Cochrane's rapport dd. 8 December 1808 werd hij loffelijk vermeld en
in Mei 1809 ontving hij een getuigschrift van denzelfden hoofdofficier
voor betoonden moed bij het redden van het leven van den adelborst
Cobbett; welk voorval (evenals de meeste gebeurtenissen uit zijn
vroeger leven) omschreven is in »Frank Mildmay." Op den 9en Januari
1809 liep de Impérieuse Port Selda binnen, verdreef den vijand uit
zijne stellingen en veroverde vier bronzen kanonnen, die aan boord
werden genomen, met welke daad lord Cochrane's veelvuldige diensten
in de Middellandsche zee besloten werden. Marryat bleef echter aan
boord van de Impérieuse dienen en ontving in de daaraanvolgende maand
April een getuigschrift van luitenant Urry Johnson voor zijn moedig
gedrag, toen hij onder dien officier op een ontploffingsvaartuig
dienst deed. In October van dat jaar werd hij met Zr. Ms. Victorious
(van 74 stukken) van Vlissingen naar Engeland opgezonden, daar hij
door een hevigen aanval van Zeeuwsche koorts tijdelijk buiten den
actieven dienst was geraakt. Zeer tijdelijk slechts, daar hij daags
na zijne tehuiskomst geplaatst werd aan boord van Zr. Ms. Centaur,
het vlaggeschip van sir Samuel Hood. Hij was toen achttien jaren
oud. Met sir Samuel Hood keerde Marryat naar de Middellandsche zee
terug en redde in September 1810 het leven van den matroos Thomas
Mowbray, die van de groote ra overboord viel, toen het schip buiten
Toulon kruiste. Na een afzijn van twaalf maanden voer hij van Cadix
naar huis op de Atlas (van 74 stukken), commandant James Sanders en
ging van daar naar Barbados en Bermuda, als passagier aan boord van
de Africa (van 64 stukken), commandant John Bastard.
Op den 1en Maart 1811 sprong Marryat op zeer moedige wijze van de
kampanje van dit schip overboord, terwijl het met een zevenmijls
vaart vóór den wind zeilde, om het leven te redden van den matroos
James Walker; een poging die vruchteloos bleek, daar hij bijna 2
Eng. mijlen achter de Africa en meer dan dertig minuten te water
was, vóór er tot zijne redding eene sloep bij hem kon komen. Voor
deze handeling ontving hij een getuigschrift van moed van kapitein
Bastard. Van Bermuda vertrok hij met een stoomschip, de Chab naar
Halifax, bestemd voor de Aeolus, een fregat onder bevel van kapitein
lord James Fownshend. Op den 30en September, terwijl de Aeolus vóór
New-York kruiste, woei er een allerhevigste storm, en toen het
schip over zijde was geworpen en zijne bezaansmast en de stengen
had verloren, ging de jonge Marryat vóóraan het tuig in, ten einde
de groote ra los te kappen (eene onderneming ten hoogste gevaarlijk
voor hemzelf), en redde daardoor het vaartuig van den ondergang. Zijn
heldhaftig gedrag bij die gelegenheid wekte de algemeene bewondering
op, en in een getuigschrift verleend voor zijnen moed, zegt lord James
Fownshend: »Hij gedroeg zich met eene dapperheid, onverschrokkenheid
en fermeteit, die mijne hoogste goedkeuring wegdroegen." Jaren later
over diezelfde gebeurtenis schrijvende, zeide Marryat: »Het was het
meest trotsche oogenblik van mijn leven."
Van denzelfden officier ontving hij een tweede getuigschrift voor het
redden van een jongen in de haven van Halifax. Op den 17den November
1811 werd hij overgeplaatst naar de Spartan, een fregat onder bevel
van kapitein Edward Pelham Brunton, onder wien hij bleef doordienen op
de Noord-Amerikaansche kust tot den 22en Augustus 1812. Weinige dagen
vóór hij dit schip verliet om thuis te varen met de korvet Indian,
nam hij deel aan twee sloepen-expeditiën in Haycockshaven en Little
River, waarbij zes Amerikaansche vaartuigen genomen werden.
Op den 26en December 1812 ontving Marryat zijne benoeming tot
luitenant, en op 8 Januari 1813 werd hij geplaatst aan boord van
de korvet L'Espiègle, commandant John Taylor. Den 8en Februari
daaraanvolgende viel de matroos Jacob Small uit het grootwant, en
sprong Marryat hem natuurlijk na om hem te redden; doch weder was
die poging zonder goed gevolg door den langen tijd, die er noodig
was vóór eene sloep hem kon bereiken. Voor deze laatste moedige daad
werd luitenant Marryat wederom beloond door een getuigschrift van
kapitein Taylor. In zijn geheelen diensttijd bij de marine ontving
hij zevenentwintig getuigschriften, aanbevelingen en dankbetuigingen,
behalve nog eene gouden medaille van de Humane Society voor het redden
van menschenlevens met gevaar van zijn eigen.
Luitenant Marryat bezocht achtereenvolgens Suriname, Demerary en
Barbados; doch toen er bij eene danspartij op laatstgenoemde plaats
een bloedvat bij hem gesprongen was, verliet hij L'Espiègle en keerde
met de Spartan als passagier naar Engeland terug.
Zijne volgende plaatsing was op 31 Januari 1814 aan boord van de
Newcastle (van 58 stukken), commandant lord George Stuart, onder wien
hij behulpzaam was in het nemen van den Amerikaanschen kaper Ida
(van 10 stukken) en Prince de Neufchatel (van 18 stukken). Op den
19en December sneed hij vier schepen den weg af naar de baai van
Boston. Wegens voortdurende ongesteldheid verliet hij op den 16en
Februari 1815 de Newcastle te Madera en keerde naar Engeland terug
met de Conway (van 24 stukken) en werd op den 13en Juni van dat jaar
benoemd tot commander.
Nadat de krijgsgebeurtenissen van 1815 door een algemeenen
vrede gevolgd waren, besteedde kapitein Marryat zijn tijd aan het
vermeerderen van zijne kennis in de wetenschappen, die hem bij eene
eventueele opdracht van ontdekkings- of opnemingstochten van dienst
konden zijn.
Omstreeks dien tijd stelde hij zijn beroemd Seinboek voor Alle Natiën
(Code of Signals) samen, dat tot voor korten tijd bij alle zeevarende
natiën in gebruik was.
Hij bereisde Italië en het geheele vasteland van Europa.
In Januari 1819 huwde hij met Catharina, de tweede dochter van sir
Stephen Shairp van Houston in het graafschap Linlithgow. Het was in
dat jaar, dat hij gekozen werd tot Fellow van de Royal Society. Op den
13en Juni 1820 werd kapitein Marryat aangewezen voor de korvet Beaver
en naar St. Helena gezonden, waar hij tegenwoordig was bij den dood van
keizer Napoleon en van waar hij duplicaatbrieven naar huis overbracht,
die bericht van dit overlijden inhielden. Van de Beaver werd hij op de
Rosario overgeplaatst en kwam den 9en Mei 1821 daarmede thuis. In het
begin van 1823 werd hij commandant van de Larne, ging daarmede naar
Oost-Indië en was op eenendertigjarigen leeftijd, als oudst-aanwezend
zeeofficier, commandant van de Maritieme Middelen. Hij ontving, te
Calcutta zijnde, bij zich aan boord den opperbevelhebber Sir Archibald
Campbell, en stond aan het hoofd der macht op de rivier bij den aanval
op Rangoon. Toen hij in September 1824 door kapitein Chads met de
Ariadne werd vervangen, had hij bijna zijne geheele bemanning verloren.
Na nog andere kleine expeditiën in Indië te hebben medegemaakt,
maakte hij door een sterfgeval nieuwe promotie en bracht de Fees naar
Engeland terug. In Januari 1827 werd Marryats bevordering bekrachtigd
en werd hij benoemd tot Ridder van de Bath-orde, welke onderscheiding
hij ten volle verdiend had.
In November 1828 was hij commandant van de Ariadne en werd op Madera
en de Wester-Eilanden met diplomatieke zendingen belast. Twee jaren
daarna werd hij om particuliere belangen genoodzaakt het bevel neder
te leggen, en werd hij benoemd tot adjudant van Z.K.H. den Hertog
van Sussex.
Hoewel kapitein Marryat geen bepaald schrijver werd, vóór hij den
zeedienst verlaten had, begon hij zijn eersten roman »Frank Mildmay"
te schrijven op zijn kruistocht bij de Wester-eilanden,--een jaar vóór
hij het bevel van de Ariadne opgaf. Hij ontving voor dit werk van den
uitgever Colman de som van £400. Zijn volgende werken waren »The Kings
Own" en »Newton Forster", die verschenen in een tijdschrift waarvan
Marryat de redactie had en waarin later ook werden opgenomen »Peter
Simple", de »Pacha of Many Tales", »Japhet in search of a Father",
»Diary of a Blase", en de losse stukken, later uitgegeven als »Olla
Podrida", met een tooneelspel in drie bedrijven, getiteld »The Gipsy"
en een treurspel »The Cavalier of Seville."
In 1833 bracht Marryat een bezoek aan Amerika, waar hem eene zeer
slechte ontvangst ten deel viel. Wel werd hij in Boston, Saratoga
en Philadelphia toegejuicht en goed onthaald, doch daarentegen werd
in Toronto en Louistown zijn beeltenis verbrand, en verwachtte hij
persoonlijke mishandelingen.
Uit Amerika terug, vestigde hij zich in Londen, alwaar hij tot 1843
bleef. In die jaren schreef hij zijn »Diary in America", »Percival
Keene", »Poor Jack", »The Poacher" en »Masterman Ready."
Na 1843 een rustiger leven wenschende, ging hij te Langham Manor
in Norfolk wonen, een vroeger door hem gekocht buitenverblijf. Hier
schreef hij »Monsieur Violet", »The Settlers", »The Mission" en »The
Privateersman". In 1846 schreef hij »The Children of the New Forest"
en »The Little Savage".
Voor zijne romans ontving kapitein Marryat zeer veel geld; die, welke
den meesten opgang maakten, bezorgden hem een fortuin van £20,000. In
December 1847 ontving hij pensioen voor langdurigen dienst. De oorzaak
zijner laatste ziekte was het veelvuldig springen van bloedvaten,
die in verzwering overgingen en eindelijk den maagwand vernielden;
doch zijn einde werd verhaast door den dood van zijn oudsten zoon
luitenant Frederic Marryat van de Koninklijke Marine, een jong
uitstekend officier, die bij verschillende gelegenheden dezelfde
eigenschappen van onversaagdheid en heldenmoed, die zijn vader hadden
onderscheiden, aan den dag had gelegd, doch die op den 20en December
1847 schipbreuk leed.
Dit verlies gaf kapitein Marryat's verzwakte gezondheid zulk een schok,
dat hij na ontvangst van het bericht begon weg te kwijnen. Hij leefde
nog tot den 9en Augustus van het volgende jaar 1848, toen een zachte
en gelukkige dood een einde aan zijn werkzaam, verdienstelijk en in
den aanvang veelbewogen leven maakte.
EERSTE HOOFDSTUK.
De volgende bladzijden hebben ten doel de voornaamste lotgevallen
uit mijn leven aan boord van de Engelsche oorlogsschepen in het
begin der 19de eeuw te schetsen. De rol die ik daarbij persoonlijk
vervulde, stond in een te nauw verband met mijn karakter en mijne
familieomstandigheden, dan dat ik zou mogen verzuimen vooraf een kort
overzicht van mijne kinder- en schooljaren te geven.
Mijne ouders behoorden tot den gegoeden stand. Ik was een zwak,
ziekelijk kind, werd daarom boven mijne broeders en zusters
vóórgetrokken en niet weinig bedorven. Reeds vroeg trok ik de aandacht
door slimheid en onbeschaamdheid: eigenschappen, die mij nog lang na
mijne kindsheid zijn bijgebleven.
Heb ik later meermalen gelegenheid gehad mij in den dienst door
vermetelheid te onderscheiden;--wezenlijke moed behoorde niet tot
mijne eigenschappen. De aanleg tot durven had ik, en het geluk heeft
mij later meestal gediend. Veel van mijne handelingen, veel in mijn
wedervaren vindt hierin zijne verklaring.
Toen ik het ouderlijk huis verliet en naar eene kostschool werd
gezonden, had de moederlijke zorg de eerste beginselen van deugd
in mijn ontvankelijk gemoed gezaaid. Helaas! die teedere plant
werd onvoldoende beschermd en was maar al te veel aan den invloed
eener slechte omgeving blootgesteld. Veel van het goede verstikte of
ontkiemde eerst veel later; distels en onkruid groeiden er voor in
plaats. Jaren lang was ik geen stichtelijk voorbeeld voor anderen.
Het hoofddoel van mijn schoolgaan was Latijn en Grieksch te
leeren. Mijn meester had een eigenaardigen slag om dit in te
pompen. Hij vulde onze hersenen met geleerdheid, alsof hij met
werk en pik de naden van een vaartuig te breeuwen had. Bij onze
hardhoofdigheid was voor die methode dikwijls kracht noodig. Als
werktuig voor krachtigen aandrang diende een knoestige stok. Ondanks
die barbaarschheid, maakten wij vrij snelle vorderingen in de klassieke
talen, en had ik mij in 't algemeen over mijn meester weinig, over
zijne wederhelft daarentegen zeer veel te beklagen.
Op haar toch rustte de niet onbelangrijke taak, om voor onze verdere
ontwikkeling en veredeling van hart en gemoed het voetspoor onzer
moeders te volgen. En hoe nam zij dien duren plicht op zich? Met
de grootst mogelijke onverschilligheid, alsof wij haar bijzonder
eigendom, hare slaven waren. Elk onzer moest tijd en bekwaamheden aan
haren dienst wijden, in haar beurs voordeel brengen. Dat schepsel,
het zij met gepasten eerbied aldus over haar gesproken, was gierig
en achterdochtig, karaktertrekken zeer duidelijk in haar gelaat
afgeteekend door scherpe, grauwe dicht bijeengeplaatste oogen en een
sterk vooruitspringenden neus. Zij scheen nog geen harer voorouders
of familieleden aan het liegen verloren te hebben, althans in die
kunst had zij het zeer ver gebracht, waarom zij dan ook nooit van
een ander gelooven wilde, dat hij waarheid sprak. De uitwerking van
al die beminnelijkheden op ons jongens bleef niet uit. Daar wij
toch niet vertrouwd werden was het ons volkomen onverschillig om
geloofd te worden of vertrouwen te verdienen; ons grootste genoegen
was haar te bedriegen. Dit laatste kwam door hare inhaligheid zeer
dikwijls voor. Wij moesten immers om beurten voor haar als tuinman
en pluimgraaf dienst doen, appelen en peren oprapen en opzamelen
en de kippen achternaloopen, die door haar gekakel te kennen
gaven, dat zij ernstig aan de eierfabricage dachten. Was het van
ons jongens te verwonderen, dat wij naar evenredigheid van onzen
honger, diefachtig waren, vooral omdat wij toch verdacht werden een
en ander achtergehouden te hebben? Op allerlei loopjes werden wij
dus genoeg geoefend, in allerlei listen volleerd, in allerlei kleine
schurkenstreken doortrapt. Ofschoon onze schooljuffrouw zich waarlijk
niet ruïneerde in de zorg om ons goed te voeden, ontwikkelden wij
door al die lichaamsoefeningen in kracht en behendigheid minstens even
voldoende als in Latijn en Grieksch, hoewel ik mij kan voorstellen dat
menig paar onzer ouders vreemd opgekeken zou hebben bij de ontdekking,
op welke wijze het schoolgeld van 80 pond sterling per jaar door dit
waardige echtpaar aan ons verdiend werd, of juist had kunnen opmerken,
welke jaarlijksche aanwinst in menschelijkheid hun zoons voor deze
uitgaaf mede thuis brachten.
Met al ons liegen evenwel konden wij niet beletten, dat nu en dan
onze stukjes uitkwamen en eene meer of min ernstige straf ons deel
werd. Ik had het na een zekeren tijd vrij ver in allerlei misdrijf
gebracht en was met een mijner vrienden, Tom Crauford genaamd,
de belhamel der school. Veel onoordeelkundige straffen maakten ons
hoe langer hoe schaamteloozer. Op het laatst gaven wij letterlijk om
niemand of niets meer, verhard door de »zegeningen", die de meester
op onze meest schuldige hoofden deed nederdalen.
Kort vóórdat Tom en ik ons op den voorgrond hadden weten te
plaatsen, was een groote, uit de Oost-Indiën gekomen jongen,
die zich door bijzondere lichaamskrachten doch tevens door groote
domheid en onverschilligheid onderscheidde, met een der secondanten
slaags geweest, daardoor op school onmogelijk geworden en om zijne
onhandelbaarheid door zijne ouders naar zee gezonden.
Dit voorbeeld van emancipatie bleef mij steeds voor oogen en was
een spoorslag voor mijne verdere gedragingen. Daar ik het zeer
weinig op de juffrouw voorzien had, was het mij een waar genoegen
haren beschermeling, den Franschen dansmeester, eens een kool te
stoven. Monsieur Aristide Maugrebleu was een klein dik ventje van
tusschen de vijfenveertig en vijftig jaren, maar ijdel en fatterig
zonder voorbeeld. Wetende, dat ik met een zwarte kool aangeteekend
stond, was hij steeds onaangenaam tegen mij. Ik vond, dat hier
een sprekend voorbeeld gesteld diende te worden en wist hem, toen
hij ons een ouwerwetschen »pas seul" voorhuppelde, een beentje te
lichten en tot groot vermaak van alle jongens een dol figuur, met
zijn puntbuikje op den grond draaiende, te doen slaan. Ongelukkig
echter had hij daarbij een voet verstuikt; ik was de oorzaak geweest
en werd dienovereenkomstig op de noodige kastijding onthaald.
Ik vond dit zoo onbillijk, dat ik wegliep. Tom had mij bij die
gelegenheid een zetje over den muur gegeven. Ik was al een heel eind
de weide ingeloopen en juist bezig een aanspraak samen te stellen,
waarmede ik te huis komende mijn vader het verder onhoudbare van mijn
toestand op school eens duidelijk aan het verstand zoude brengen,
toen ik door een secondant in gezelschap van de oudste leerlingen
achternagezeten en ontdekt werd. Tom was met zijn schijnheilig
gezicht een der voorsten om mij vast te grijpen en uitbundig met
verwijten te overladen omtrent mijne ondankbaarheid om mij zóó te
willen onttrekken aan de zorgen van den besten der meesters en de
liefderijkste, teederste der schoolmoeders.
Ik was gevangen en moest mede terug. Oogenschijnlijk nam ik met
mijn lot genoegen, maar in stilte beraamde ik een plan om mij te
wreken. Onze weg voerde langs een vijver, waarvan ik met loodsmans
bekwaamheid de ondiepten en modderkuilen kende. Na Tom een oogje
gegeven te hebben, sprong ik, in weerwil van het gure Novemberweer,
vrij ver van den drassigen oever in het koude water en riep van
daar den meester toe, dat hij zich vergist had, toen hij meende
mij reeds in zijne macht te hebben: hij kon mij van daar opnieuw in
ontvangst nemen, zoo hij wilde. Hij kon moeielijk met leege handen
thuis komen, maar liefhebbers om mij er uit te halen deden zich
niet op. Goede raad was duur. Hij moest er zelf op af. Langzaam werd
schoen voor schoen, kous voor kous uitgetrokken, onder smeekingen en
bedreigingen tegen mij, steeds in de hoop, dat de koude van het bad
mijne onverzettelijkheid zou bedwingen. Alles vergeefs. Ik waadde
dieper in en stelde mij op achter een diepe kuil, waar ik bedaard
mijn vervolger afwachtte. Rillend van de koude, voetje voor voetje
maar met verwoedde gebaren, naderde hij, stak de hand uit om mij
te grijpen en--zakte tot ieders verwondering, behalve de mijne,
eensklaps voor het grootste deel in de diepte weg. Onder den schijn
van hem te willen redden, sprong ik boven op zijne schouders, liet hem
eens duchtig drinken van het modderige nat en was, vóór hij de oogen
had uitgewreven, op het droge terug, in 't midden mijner makkers met
zijn mal figuur den spot drijvende.
Toen ik meende een goede voldoening gehad te hebben, gaf ik mij aan
den intusschen op het droge gesukkelden vijand, bij gebrek aan beter
te bedingen voorwaarden »op genade of ongenade" over en werd, zooals
te verwachten was, allerminzaamst op school in ontvangst genomen en
op mijn natte kleeding allerhartelijkst afgeklopt. Met een hoofd als
vuur, verwaardigde ik niet bij die afstraffing een kik te geven,
maar had vermoedelijk daaraan te danken, dat ik van dit ontijdige
bad niet doodziek werd, zooals onze arme secondant, die natuurlijk
om dergelijk geneesmiddel niet solliciteerde en veertien dagen lang
met zware koortsen zijn bed moest houden.
Kort na dit voorval, dat de maat van hetgeen men meende van mij te
mogen verduren, deed overloopen, kwam onze vroegere schoolmakker,
de Oosterling, in zijn nette marine-uniform, zijn jongeren broeder
op onze school een bezoek brengen. Hij was natuurlijk het voorwerp
onzer groote belangstelling. Vooral ik had hem tal van vragen over
het leven aan boord te doen.
Ofschoon hij eerlijk daarvan zoowel de voor- als de nadeelen opnoemde,
maakte het toch een diepen indruk op mij, dat de adelborsten zoo
dikwijls vrijaf hadden, en dat er aan boord geen schoolmeester was
om hen te drillen en onrechtvaardig te ranselen, maar dat er aan
elk hunner per dag een pint wijn verstrekt werd. De levenswijs was
wel ruw op een oorlogsschip, zoo zeide hij, maar het was toch een
glorierijk bestaan en gaf met het oog op een oorlog met Frankrijk
mooie vooruitzichten.
Meer had ik niet noodig om mijne keus te bepalen. Door die betrekking
was ik het eerst van de gehate school ontslagen. De vacantie was
nabij. Schriftelijk bereidde ik mijn vader voor op mijn ernstigen
wensch om te gaan varen.
Ik had in de jaren op de school doorgebracht groote veranderingen
ondergaan. Als een lijdzaam, gewillig kind was ik er gekomen; door
strenge, wreede behandeling waren mijne slechtere eigenschappen
ontwikkeld;--ik zou de school verlaten als een woesteling.
Te huis had ik echter mijn pleit nog niet zoo gereedelijk
gewonnen. Mijn vader had weinig met den zeedienst op en had mij voor
eene academische opleiding bestemd. Mijne moeder kreeg het bij het
hooren noemen van een oorlogsschip reeds op de zenuwen. Doch daar ik
bleef aandringen en zoowel voor de bedreigingen van mijn vader als
voor de smeekingen mijner moeder ongevoelig bleef, moest men aan mijn
verlangen toegeven en was het uitgemaakt, dat ik in den zeedienst
zou treden.
Mijn schooltijd was dus voorbij. Menigeen kan aan dat levenstijdperk
met genoegen terugdenken. Ik echter niet. Mijn gansche leven is
stormachtig geweest, maar het ongelukkigste deel daarvan sleet ik op
de school.
Mijn vader had nu eene plaatsing voor mij weten te verkrijgen aan
boord van een te Plymouth liggend fregat, en de korte tijd die mij
overbleef vóór ik mijne bestemming moest opvolgen, werd besteed aan het
gereedmaken mijner uitrusting. Achtereenvolgens werden een groote kist,
benevens mijn uniform, steek, ponjaard en zeelaarzen thuis bezorgd,
elk artikel, gelijk men begrijpen kan, met evenveel ongeduld verbeid.
Toen eenmaal het besluit genomen was, dat ik naar zee zoude gaan,
legde mijn vader er zich kalm bij neder. Ik had toch een ouderen
broeder, die den familietitel en de bezittingen erven moest, te Oxford
studeerde en een grootscheepsche opvoeding genoot, ook in de kunst
om als een gentleman zijn geld te verteren. Met eene jongere editie,
vooral van zoo'n woelig soort als ik, zit men gewoonlijk verlegen. Ik
had mijne keuze gedaan en daarmede uit. De rekeningen werden gewillig
betaald en mijn uitzet was royaal genoeg.
Toen de tijd van mijn vertrek daar was, de kist op den wagen geladen
en ik gereed om de deur uit te gaan, was het voor mijne arme moeder
een treurig oogenblik. Snikkende sloot zij mij in hare armen,
hartverscheurend was hare droefheid. De heete tranen, die zij onder
het kussen langs mijne wangen liet rollen, lieten mij, ongevoelig
als ik was, volkomen koud. Voor niets ter wereld had ik het genot,
van het heengaan naar zee, willen missen. Eerst later, toen ik die
edele ziel door den dood had verloren, stond mijne koelheid bij
dat afscheid mij voor den geest. Zwaar werd ik daarvoor gestraft
in de vele liefdeloosheid, die ik in mijn veelbewogen leven nog te
ondervinden had.
Toen het rijtuig wegrolde, viel zij bewusteloos in mijns vaders armen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Ik herinner mij haast geen dag zoo vol van verwachting als die,
waarin ik te Plymouth mij voor het eerst in uniform zou kleeden,
om mij aan boord te gaan melden. Ik stelde mij niet minder voor dan
een pas ontloken vlinder te zijn, waaraan ieder bewondering schuldig
was. Mijne trotschheid en inbeelding waren grenzenloos. Ik stond,
zoo meende ik, aan den aanvang van een bestaan van louter vrijheid
en genot. Reeds ver achter mij waren, in gedachte, de school- en
kinderjaren; aan die geleden ellende mocht ik nu als man, zoo vond
ik, niet meer denken. Doch helaas, ook de zaligheid van dezen morgen
bleef niet onvermengd.
Ik had mij dan, voor den spiegel staande, netjes aangekleed, had
mijn ponjaard op zijde, een onmogelijk grooten steek op het hoofd;
ik was meer dan voldaan over mijzelven en het kwam mij voor, dat ik
een dergelijk genot ook aan anderen moest gunnen. Onder voorwendsel van
orders te geven voor het opknappen mijner kamer, maar in werkelijkheid
om door haar bekeken en dus bewonderd te worden, schelde ik het
kamermeisje. Zij was slim genoeg mijne bedoeling te raden en sloeg
bij het binnenkomen der kamer de handen ineen van verbazing over zoo'n
schitterende verschijning. Edelmoedig stopte ik haar eene fooi in de
handen en gaf haar zelfs onder den indruk, dat ik nu een volslagen
Heer was, een fermen kus. In hare dankbaarheid voor het eerste was zij
gauw een der knechts gaan waarschuwen, die nu ook zijne opwachting
kwam maken en met een diepe buiging mede een compliment afstak. Op
den kus na, beloonde ik hem even vrijgevig. Als de schoenpoetser in
de buurt was geweest, zouden zij hem zeker op mij afgezonden hebben
en zou ook hij zijn fooi niet zijn misgeloopen, want ik was dwaas
genoeg die vleierij voor goede munt op te nemen. Voor de aanvallen
van nog meer haaien werd ik gevrijwaard, doordien het intusschen tijd
was geworden mij bij mijn commandant en op mijn schip te gaan melden.
Nauwelijks was ik de trappen van het hotel afgestegen en op straat
gekomen, of mijne ijdelheid kreeg nieuw voedsel, toen ik een blijkbaar
pas aangeworven schepeling ontmoette, die voor mij de hand aan zijne
muts bracht. Ik nam dat saluut zeer ernstig op, raakte mijn steek
aan en wandelde vol zelfbehagen door. Het verdroot mij echter, dat
de inwoners zoo weinig acht op mij sloegen en niet half zooveel in
mij vonden, als ik zelf deed; ik zag geheel over het hoofd, dat er
in Plymouth haast evenveel adelborsten rondliepen als negerjongens
in Port Royal, ofschoon de laatsten voor hun meesters heel wat meer
waarde hadden dan de eerstgenoemden. Spot en plagerij van de vrouwen,
die ik passeerde, nam ik alles voor waardeering van mijn mannelijk
voorkomen op. In het volle gevoel van mijne eigene gewichtigheid
droeg ik het hoofd fier in den nek. Een goed eind voor mij uit zag
ik eindelijk een troepje officieren in volle uniform, waarschijnlijk
uit een krijgsraad, in mijne richting aankomen.
»Aha!" zeide ik, »daar heb je eenigen van ons soort volkje." Ik nam,
evenals zij hunne sabels droegen, mijn ponjaard in de linkerhand en
stak deftig mijn rechterhand in de borst, zooals een paar hunner dit
hadden. Verder poogde ik even fier en rechtop te loopen en stak mijn
neus in den wind zooals een big zulks in een storm doet, overtuigd
dat ik heel indrukwekkend was. Wij liepen aan verschillende kanten
van den weg en waren elkaar even gepasseerd, toen een, zeker in Zijner
Majesteits dienst rauw geworden stem, achter mij aan riep: »Hei daar,
jonker, kom eens over!"
In het denkbeeld verkeerende, dat ik geroepen werd om gecomplimenteerd
te worden, of om opgave te doen welke kleermaker zoo'n nette jas voor
mij geleverd had, of waar ik die mooien steek was machtig geworden,
of althans verwachtende, dat er nu een twist zou volgen over de vraag
aan wien de eer te beurt zou vallen mij onder zijne bevelen te krijgen,
werd ik in de hoogste mate verbaasd, toen de oudste van die heeren,
op een zeer nijdigen toon, mij aldus toesprak:
»Wel, heerschap, op welk schip hoort gij thuis?"
»Mijnheer," antwoordde ik trotsch, »ik behoor tot Zr. Ms. fregat Le--;"
het was een Fransche naam, dien ik zeer geaffecteerd uitsprak.
»O, ei zoo! doet gij?" zeide de oude heer op een voornamen toon. »Wees
dan zoo goed rechtsomkeert te maken, naar de landingsplaats te
marcheeren, een boot te nemen en als een Engelsch weerlicht naar boord
van Zr. Ms. Le--," (hier bauwde hij mij na,) »te varen. En zeg dan aan
den eersten officier, namens mij, dat hij u aan boord moet houden,
zoolang het schip in de haven ligt; ik zal uw commandant verzoeken
zijne officieren te leeren om nooit den haven-admiraal voorbij te
gaan zonder hem behoorlijk te groeten."
Onder die aanspraak was ik het middelpunt van een cirkel geworden,
waarvan de admiraal en de hem vergezellende hoofdofficieren den omtrek
vormden. Zóó opgedrongen, en zóó toegesproken, begon ik mij werkelijk
gedrukt te voelen.
»Nu, mijnheer, gij verstaat mij?--Gij kunt gaan."
»Jawel, ik versta het heel goed," dacht ik bij mijzelf, »maar hoe
kan ik in 's hemels naam hier uitkomen?" Die hooge heeren hielden
mij volkomen ingesloten, zoodat ik vóór- noch achterwaarts kon.
Die blokkade, die hen scheen te vermaken, was intusschen mijne
uitkomst. Ik kreeg daardoor tijd om te bedenken wat ik zeggen zou,
zette een doodonschuldig gezicht en betuigde, dat ik voor het eerst
in uniform was, mijn commandant nog niet kende en nog nooit aan
boord van een schip was geweest. Bij deze uitlegging verwrong zich
het gezicht van den admiraal tot een soort van glimlach, terwijl de
kolonels het uitproestten.
»Zoo, jongmensch," zei de admiraal, die inderdaad een heel beste
man was--»zoo, jongmensch, nu ik hoor, dat gij nog nooit op zee zijt
geweest, is het te excuseeren, dat ge geen betere manieren kent. Die
boodschap aan den eersten officier vervalt, doch ik zou u aanraden
om toch maar eens naar boord te gaan."
Daar ik nu mijn welverdiende portie beethad, maakten de hoofdofficieren
een doorgang voor mij open. Bij het heengaan, hoorde ik een hunner
zeggen: »Ik sta er voor in, dat het lesje hem bijblijven zal." Ik
kon daarop het antwoord, zonder schade voor mijzelf, best voor mij
houden en gevoelde mij wel een voet kleiner dan vóór de kennismaking
met die hooge autoriteiten. Onder den indruk daarvan volgde ik het
eerste bevel, dat ik in dienst ontving, sneller op dan menig ander
in later tijden.
Het verdere gedeelte van mijne wandeling liep zonder stoornis
af; voorzichtig geworden, salueerde ik iedereen die ik ontmoette,
onverschillig of het een adelborst, een onderofficier, of zelfs een
korporaal van de mariniers was. Mijne overdrijving aan den anderen
kant werd mij op eens op nette wijze duidelijk gemaakt door eene
als dame gekleede jonge vrouw, die meer dan ik van de marine scheen
af te weten en mij vroeg, of ik mij soms populair maakte om in het
parlement gekozen te worden.
Zonder die hatelijkheid te vatten, antwoordde ik: »Neen."
»O, ik dacht soms," zeide zij, »omdat ge tegen iedereen zoo bijzonder
beleefd waart."
Zonder dien vriendelijken wenk, had ik zeker den achter haar
aankomenden tamboer met mijn steek gegroet.
Ik kwam eindelijk aan het hôtel, waar mijn bevelhebber zijn intrek
had genomen, en overhandigde dezen mijns vaders brief. Hij nam mij
van top tot teen op en noodigde mij uit om 's avonds te zes uren bij
hem te komen eten.
»Intusschen kunt gij, daar het nu pas elf uren is, naar boord gaan,
en u bij den eersten officier, mijnheer Handstone, aanmelden. Deze
zal u in de rol laten inschrijven en permissie geven om naar den wal
terug te gaan voor uw diner."
Ik boog en vertrok. Onder weg naar de landingsplaats werd ik
nog door deze en genen begroet met de namen van »kadetje," of
»beschuitknabbelaar," doch de ware bedoeling daarvan niet vattende,
bleef ik er koel onder. Toen ik aan de trap gekomen was, kwamen een
paar vrouwen op mij af, die aan mijn gezicht zagen, dat ik een bootje
verlangde en uit mijn spiksplinter nieuwe uniform mijne onhandigheid
afleidden. »Naar welk schip verkiest UWelEdelGestrenge gebracht te
worden?" was hare vraag. Ik noemde den naam.
»O, die ligt onder den obelisk," zeide de oudste van het paar, op het
oog een veertig jaren oud; »voor een shilling zullen we Uwe Edelheid
daarheen roeien."
Ik nam het aanbod aan. De oudste was zeer ervaren in het roeien,
en ging met de riemen zoo behendig om alsof het breinaalden waren;
maar de jongste, hare dochter, zooals mij bleek Sally gedoopt, was
daarin erg onervaren. Zij zag er echter wel aardig en net gekleed
uit en had een mooi voetje, waarmede ik echter een poosje later zeer
onzacht kennis zou maken.
»Pas op, Sally," zeide hare moeder, »houd slag met mij, of je zult
een bruinvisch vangen."
»Maak je niet ongerust, moeder," zeide Sally, vol vertrouwen; maar
alsof nu juist die waarschuwing er de oorzaak van was, zij stak
het blad van haren riem te ondiep in het water; de riem ondervond
niet den verwachten wederstand, kwam met het handvat op hare borst
terug, en de rampzalige Sally draaide om haar zitvlak achterover,
met het hoofd omlaag in de boot, de beenen daarentegen in de lucht,
waarbij ik met haren schoen een knip tegen den neus ontving, die mij
verplichtte met beide handen mijn steek te grijpen.
»Daar heb je het nu, Sally," zeide de moeder boos, »ik heb je nog
zóó gewaarschuwd!"
Sally scharrelde weer op haar plaats, kleurde een beetje en hervatte
het werk. »Dat noemen ze bij ons een bruinvisch vangen," zeide de
vrouw. Ik antwoordde, dat ik dat wel aardig vond, en vroeg aan Sally
om er nog eens een te vangen; maar hierin had zij weinig zin, en wij
kwamen nu spoedig langs zijde van het fregat.
Nadat ik aan mijne roeisters den afgesproken shilling geofferd
had, greep ik den valreep en klom aan boord. Boven gekomen werd ik
aangesproken door een adelborst; deze was gekleed in buis en broek;
het witte hemd, dat hij droeg, was van twijfelachtige zindelijkheid,
en een zwartzijden doek was los om zijn hals geknoopt.
»Wat verlangt mijnheer?" vroeg hij.
»Ik zou gaarne Mr. Handstone, den eersten officier willen spreken,"
zeide ik, en ontving daarop tot antwoord dat de eerste officier omlaag
was om brieven te frankeeren, doch dat hem, als hij op dek kwam,
van mijne komst bericht zou worden gegeven.
Na deze samenspraak werd ik aan bakboordszijde op het halfdek aan
mijn lot overgelaten. Het schip was in eene groote wanorde, onder
behandeling van het werfpersoneel. De caronaden van het bovendek waren
alle uit de geschutpoorten gehaald en hier en daar langscheeps uit den
weg gezet, de dekken vol pik, over de pas gebreeuwde naden gegoten,
elders de kalfaters op hun gereedschapskisten gezeten in afwachting
van het einde van het schaftuur. Aan stuurboordszijde stonden eenige
adelborsten mij aan te gapen en op te nemen, misschien wel gissende
naar de mogelijkheid of ik aan boord geplaatst was, en wat voor soort
van kerel of ik wezen zou. Hun twijfel werd spoedig opgelost.
De eerste officier kwam op dek, de jonker van de wacht stelde mij voor,
ik gaf mijn naam op en deed de boodschap van den commandant.
»Het is in orde, sir," zeide Mr. Handstone. »Hier, mijnheer Flyblock,
neem dit jongmensch mede naar omlaag, breng hem in de voorlongroom
en wijs hem, waar zijn hangmat moet hangen."
Ik volgde mijn nieuwen vriend langs de trap naar de kuil, waar wij eene
vrouw passeerden, die brood, boter en bokkings aan de matrozen verkocht
en in hare manden allerlei andere waren om zich heen had staan, zooals
tabak, zeep, spiegeltjes en andere toiletbenoodigden; haar bier scheen
echter den grootsten aftrek te hebben. Haar voorbijgaande, daalden
wij nog eene trap af naar het tusschendeks, waar mij, vlak achter den
grooten mast, mijne toekomstige verblijfplaats werd aangewezen,--een
klein hok met den naam van logies bestempeld. Behalve door twee deuren,
die in het volkslogies uitkwamen, en een raam aan den voorkant,
dat eenig schemerlicht uit het groot luik zou toegelaten hebben,
wanneer het niet gesloten werd gehouden, omdat wij anders voor
iedereen der bemanning te kijk waren, ontvingen wij licht en lucht
door een koekoek boven onze hoofden. Die koekoek was een glazen raam,
dat geopend kon worden en zoo ingericht was, dat niet al het water,
dat bij ongeluk langs de daarboven geplaatste trap liep, of dat met
hooge zeeën of bij het schoon-schip maken over den rand van het luik
wipte, op onze tafel of op onze hoofden kon neerkomen. Het licht,
dat die koekoek doorliet, was op merkwaardige wijze getemperd; het
kwam namelijk door meergenoemde trap heen, wat onbegrijpelijk zou
zijn, als ik er niet bij vertelde, dat de treden niet uit planken,
maar uit roostertjes bestonden. Het grootste deel der ruimte werd
ingenomen door een tafel, gedekt met een onzindelijk laken, vol wijn-
en mosterdvlekken. Een negerbediende was bezig om eten op te dragen,
en eene zitplaats werd mij aangewezen. »Goede hemel!" dacht ik, toen
ik mij na veel moeite in die plaats gewrongen had; »en dat is nu mijne
toekomstige verblijfplaats? Dan had ik het toch nog beter op school:
daar was althans frissche lucht en schoon linnengoed."
Op dat oogenblik was ik wel in eene stemming om aan mijne arme,
zielsbedroefde moeder een berouwvollen brief te schrijven, met
verzoek om als de verloren zoon haar weer in de armen te vliegen. Twee
belangrijke bezwaren weerhielden mij echter van dien stap: ten eerste
mijn trots, ten tweede gebrek aan plaats en schrijfgereedschap. Met een
diepen zucht zocht ik dus slechts heil in philosophische overdenkingen
en herinnerde mij de gedachten van Gil Blas in het roovershol:
»Ziehier den waardigen neef van mijn oom Gil Perez, als een rat in
de val geloopen."
De meesten mijner nieuwe kameraden waren in dienst buiten boord;
het tusschendeks stond vol victualie- en watervaten, kisten, pakken,
opgerolde zeilen en hangmatten, zoodat er geen doorkomen meer was;
buiten boord en boven ons hoofd hadden de breeuwers hun werk hervat;
het heele schip was vervuld met een stank van grog, jenever en bier,
gebakken vleesch, uien en bokkings, daarbij een donkere lucht:--mij
dunkt, meer was er niet noodig, om mijne gemoedstemming te drukken, en
mij de overtuiging te schenken, dat er in de wereld veel ellende is. Ik
was op het punt om mistroostig te worden, toen mij de uitnoodiging
van den commandant te binnen schoot. Toen ik dit Flyblock mededeelde,
zeide hij: »Dat komt heel mooi; Murphy moet ook bij hem dineeren,
dan kunt ge samen gaan; ik ben overtuigd dat hij zeer ingenomen zal
zijn met uw gezelschap."
Het ging niet aan den kolonel op een adelborst te laten wachten;
wij zorgden dus bijtijds te zijn. Het diner was in alle opzichten een
»dienstdiner." De commandant praatte veel, de officieren heel weinig,
de adelborsten in 't geheel niet; maar wat de behandeling van lepel en
vork, en het ledigen der wijnglazen, voor zoover zij althans gevuld
werden, betrof, heerschte de grootste levendigheid in omgekeerde
volgorde. Gasten van ons schip waren er de eerste officier, Murphy
en ik; de overigen waren collega's van onzen bevelhebber en enkele
andere officieren.
Zoodra het dessert was afgenomen, schonk de gastheer mij nog eens in,
en verzocht mij het glas te ledigen en dan te gaan kijken, hoe de
wind was. Den hierin opgesloten wenk vatte ik niet, de lastgeving nam
ik te letterlijk op; buiten de deur zijnde, zat ik er over in, hoe ik
achter de windstreek moest komen, daar mijne kennis van het kompas nog
hoogst onvolledig was. Gelukkig viel mij buiten de windwijzer op den
ouden kerktoren in het oog, die vier letters had, welke ik wist dat
de hoofdstreken aanwezen. De windvaan kwam zoo juist met de letter W
overeen, dat ik haastig naar binnen terugkeerde om, in mijn trots, dat
ik er zoo gauw achter was, mijn kolonel te rapporteeren »dat de wind
West was." Maar wie schetst mijne verwondering, toen ik niet alleen
voor mijne moeite niet bedankt, maar door het gezelschap uitgelachen
werd; de eerste officier schudde het hoofd en zeide: »Dat is me een
baar!" De commandant echter herstelde de fout op scheepsmanier. »Hier
jonker," zeide hij, »hier is nog een glas wijn, drink dat en dan zal
Murphy u wel eens wijzen, wat ik bedoel." Murphy voldeed aan den last,
dronk met een minder vroolijk gezicht zijn wijn ledig, zette erg flink
zijn glas op tafel en verliet, onder eene buiging met mij het vertrek.
Toen wij samen in de vestibule waren, liet hij tegenover mij zich
niet onbetuigd:--»Wel, voor den d....., hoe kon je zoo terugkomen,
ongare schaapskop? Kon je dien wenk niet begrepen hebben en weggebleven
zijn, zooals de oude bedoelde? Nu heb ik mijn wijn kunnen missen voor
zoo'n misbaksel als jij bent. Ik zal je dat koopje betaald zetten,
vóór wij veel weken ouder zijn."
Die fijnbeschaafde aanspraak hoorde ik met eenig ongeduld maar met
eene groote dosis verontwaardiging aan. »Ik kwam terug," zei ik,
»om den kolonel te vertellen, hoe de wind was."
»Och loop naar de maan," antwoordde Murphy; »denk je, dat de commandant
niet wist, hoe de wind was;--en bovendien, als hij dit werkelijk te
weten had willen komen, zou hij er een zeeman om gestuurd hebben,
zooals mij, en niet zoo'n hulpeloos lam als jij bent."
»Wat de commandant bedoelde," zeide ik, »dat weet ik niet, maar ik
deed slechts wat mij gelast werd.--Maar wat bedoelt gij met mij een
hulpeloos lam te noemen? Ik ben evenmin een lam als gijzelf!"
»O, zoo, ben je dat soms niet?" zeide Murphy, mij op hardhandige
wijze aan een oor naar zich toe trekkende.
Dit nu was niet te dulden; wel was ik pas dertien en hij zeventien
jaren en een opgeschoten kerel; 't ware dus beter geweest, als ik
mij bedaard had gehouden. Maar hij was begonnen: mijn eer stond op
't spel, ik was woedend, en 't verbaast mij nog, dat ik mijn ponjaard
niet trok en daarmede op hem aanviel. Gelukkig echter vergat ik in
mijne drift, dat ik dit wapen aanhad; de beleediging mijne uniform
aangedaan, de bewondering van het kamermeisje, het saluut van den
schildwacht alles kookte in mijn brein dooreen. Ik rekte mij uit als
een vuurpijl, die de lucht ingaat en bracht mijn vuist, een wapen dat
ik nog al wist te hanteeren, in het linkeroog van mijn tegenpartij,
met eene kracht en juistheid die Cribb, den bokser, jaloersch gemaakt
zou hebben. Murphy strompelde onder den aanval terug en ik verbeeldde
mij, dat hij genoeg had.
Maar neen,--ik heb reeds gezegd, dat het een dag van teleurstellingen
was!--hij was alleen achteruitgetrokken voor een aanloop; toen kwam
hij op mij af met een drang, waar die van de gardes bij Waterloo
eene kleinigheid bij was: zijne charge was onweerstaanbaar. Ik werd
neergeworpen, in elkaar gedrukt, op den grond gebonsd, geslagen en
geschopt, dat er bijna een eind aan mij zou gekomen zijn, waren niet
de kellner en een kamermeid tot mijn ontzet komen opdagen. De laatste
bracht vooral hare tong in werkdadige beweging; jammer voor mij, dat
zij geen ander wapen in handen had, anders zou Murphy het niet malsch
gehad hebben. »Schaam u," zeide zij, »voor zoo'n grooten lummel, om
een arm, onschuldig kind als dat, zoo te mishandelen. Wat zou zijne
mama er wel van zeggen, als zij dat zag?"
»Laat zijne mama ophoepelen, en gij er bij," zeide Pat. »Zie mijn
oog eens aan."
»'t Mocht wat, uw oog," zeide de kellner; »'t is jammer, dat hij 't
andere niet juist zoo getracteerd heeft; het is verdiend loon voor
't slaan van een kind; de jongen is flink geweest, en dat is meer
dan van u gezegd kan worden."
Intusschen waren op het leven, dat wij maakten, de kolonel en zijne
gasten en nog anderen komen toeloopen. Ik had eene verdedigende houding
aangenomen en mij niet doen hooren, hoewel mij het bloed uit neus en
mond stroomde, en mijn gelaat de duidelijkste bewijzen vertoonde van
de handigheid van mijn vijand, die als een goed bokser bekend stond
en nooit dat dikke oog zou opgeloopen hebben, als hij eenigszins had
kunnen denken, dat ik hem zou hebben durven aanvallen. De commandant
vroeg, wat er gaande was. Murphy vertelde het gebeurde op zijne manier,
en er was nagenoeg geen woord waarheid bij. Nu, als het een wedstrijd
om het beste liegen had moeten zijn, dan zou ik het daarin zeker van
hem hebben kunnen winnen, maar bij deze gelegenheid diende waarheid
spreken mij beter. Zoodra hij uitgepraat had, gaf ik een onopgesmukt
verhaal van de toedracht, en duidelijk bleek daarbij de kracht van mijn
redenaarstalent boven het zijne. Murphy werd in ongenade weggestuurd,
met scheepsarrest tot zijn oog weer zou genezen zijn.
»Dat is een straf, eigenlijk van uw tegenstander uitgegaan," betoogde
de commandant; »dat heeft de jongen mij uit de handen genomen: gij
kunt natuurlijk met dat blauwe oog niet naar den wal gaan."
Zoodra hij afgetrokken was, kreeg ik eene waarschuwing tot meerdere
behoedzaamheid in het vervolg.
»Gij gelijkt wel op een jongen beer," merkte de commandant op. »Ge gaat
een verdrietigen tijd te gemoet. Als ge van plan zijt dadelijk uwe
handen te gebruiken voor elk minder aangenaam woord, dat men u zegt,
dan kan ik u wel voorspellen, hoe het u in den dienst gaan zal: als ge
zwak zijt, zult ge een verschoppeling worden,--en als gij sterk zijt,
zult ge u veel vijanden maken. Een twistzieke aard zal u gehaat maken
in elken rang, dien gij bekleedt; men zal u altijd blijven wantrouwen,
wel wetende, dat de geest van onbeschaamdheid en heerschzucht door
u in de voor-longroom getoond, u zal bijblijven tot in de kajuit,
met u op zal gaan in den dienst. Ik breng u dit in uw eigen belang
onder het oog; het is geen bemoeizucht, ik weet dat iedereen en
alles aan boord zijn eigen tegenwicht vindt; ik raad u alleen aan,
wel te onderscheiden tusschen verzet tegen onderdrukking, dat ik ten
zeerste goedkeur, en het op den voorgrond willen staan uit ijdelheid,
heerschzucht en bandeloosheid, waarmede ik niets opheb. Ga nu uw
gezicht afwasschen en keer dan naar boord terug. Doe uw best om met
uwe overige kameraden op een goeden voet te komen; de eerste indruk
is alles, en reken er op, dat Murphy niet veel goeds van u zeggen zal."
De raad, mij zoo even gegeven, was op zichzelf uitstekend, doch kwam in
dit geval een half uur te laat. Mijn gevecht was door eene onhandigheid
van den commandant ontstaan en had zijn dieperen oorsprong in de
toenmalige zeden en gebruiken aan boord der schepen. De tafelgesprekken
bij de officieren en hoogeren, behalve wanneer er dames tegenwoordig
waren, liepen het liefst over allerlei onderwerpen en werden gevoerd in
een toon, die voor zoo'n knaap minder geschikt waren te hooren. Om die
reden had men mij een wenk gegeven om maar weg te gaan. Het ware beter
geweest, als mijn kapitein dit in een meer duidelijken vorm gedaan had.
Tegen acht uren ongeveer, kwam ik aan boord terug, waar Murphy
mij intusschen vóór was geweest en eene allesbehalve hartelijke
verwelkoming had bereid. Ik werd zoo koel ontvangen, dat ik mijn
troost op het halfdek ging zoeken, aldaar op en neer bleef loopen,
tot ik vermoeid was en toen tegen een stuk geschut aanleunde. In die
houding werd ik opgeschrikt door het barsche bevel: »Blijf van dat
stuk af; er wordt niet geleund op 't halfdek!" Ik bracht de hand aan
mijn pet en vervolgde mijn eenzame wandeling, van tijd tot tijd een
schuinschen blik werpende op den officier der wacht, die mij zoo grof
gewaarschuwd had. Mijn stemming was zeer neerslachtig; ik gevoelde
mij hoogst ongelukkig. Nog geen verzuim had ik kunnen plegen en toch
leed ik als onder een begane misdaad. Men had mij gegriefd, en zoo
goed ik kon had ik mij verweerd. Waren het dan allen duivels, waar
ik mede te maken had? Mijne gedachten keerden naar huis terug. Het
beeld mijner bedroefde moeder, snikkende in mijns vaders armen,
stond mij helder voor den geest. Mijn ongevoelig hart snakte naar
liefderijkheid. Tranen kwamen op en zouden, had ik een eenzaam hoekje
gevonden, willig gevloten hebben. Mijn trots was voor 't oogenblik
geknakt. Ik gevoelde alle ellende der afhankelijkheid en had gaarne
alle schoone vooruitzichten willen verruilen voor mijne plaats terug
in de ouderlijke woning.
Niet lang daarna kwam de eerste officier aan boord terug. Ik hoorde hem
het met mij gebeurde aan den luitenant van de wacht vertellen. Dit deed
het getij in mijn voordeel kenteren. Ik moest in de officiers-longroom
komen, en toen ik daar alle vragen voldoende had kunnen beantwoorden,
werd Flyblock geroepen, en ik opnieuw onder zijne hoede gesteld. Ik
hoopte nu maar, dat de bescherming van den eersten officier mij een
tijdlang beleefde behandeling zou waarborgen.
Ditmaal had ik betere gelegenheid mijn nieuw verblijf en mijne
kameraden, die thans aan boord terug en in hun logies bijeen waren,
op te nemen. Zij waren rond de tafel gezeten op kisten, die zoowel voor
bank als bergplaats dienst deden; om zijne zitplaats te bereiken moest
men over al de anderen heenklimmen. Zoo dicht opeengepakt te zijn,
is zelfs onder de beste vrienden niet aangenaam; er behoeft niet eens
warmte, bedompte lucht, gebrek aan linnengoed bij te komen. Nergens
anders was een dergelijke toestand denkbaar, dan in het ruim van
een slavenhaler. De adelborsten waren acht in getal, vier ouderen
en vier nieuwelingen, zooals ik. Zij zaten in hun hemdsmouwen. Het
maal op de tafel bestond uit licht bier in een groote pul, en harde
scheepsbeschuit in een Japansche broodmand. Om den grooten eenvoud
der gerechten niet te verstoren, of wel de onoogelijke vette tafel te
verbergen, lag er een groot groen kleed met gele randen overheen, vol
thee- en azijnvlekken. Ergens in een hoek stond een zak aardappelen;
boven onze hoofden, tegen het dek aan, tegen boord, overal waren
planken en kastjes getimmerd, waar in beminnelijke verwarring elkaar
gezelschap hielden: borden en glazen met octantdoozen, messen, vorken
en suikerbrooden, vuile hemden en kousen met nog fraaier tafellakens;
waar kleer- en schoenborstels naast kammen en tandenschuiers te
vinden waren, evenals steken en ponjaards naast zeelaarzen, en
de boterprovisie tusschen een paar schrijfcassettes. Een enkele
brandende vetkaars verlichtte dit soort van moordhol, waarin men
zelfs met gesloten oogen kon genieten, door goed den neus op te halen.
Na mijne intrede gevoelde ik mij hier geenszins op mijn gemak. Dicht
bij de deur stond onze zwarte bediende, die zelf al niet aan een
parfumeriewinkel deed denken, op orders te wachten, met een handdoek
voor het schoonvegen van borden en glazen, die mij reeds dadelijk
onpasselijk maakte; ik viel half ziek op den eersten zetel neer. Na
eenige oogenblikken kwam ik wat bij, spande mijne oogen zoo goed
mogelijk in en waagde het in 't rond te zien. Het eerst viel mijn blik
op mijn vijand van 's middags; hij droeg de sporen onzer ontmoeting in
een met bruin papier onder een vuil zijden zakdoek verbonden linkeroog,
met het andere staarde hij mij aan en op een woesten en brutalen toon
zwoer hij wraak over mijne handeling te zullen nemen. Hierin werd
hij gesteund door een ander, die naast hem zat en een onaangenaam
gezicht had, door een paar groote bakkebaarden niet mooier gemaakt.
Onnoodig is het verder uit te wijden over al wat mij naar het hoofd
geworpen werd; ik kan volstaan met de verklaring, dat de grooteren
allen tegen mij en de jongeren onzijdig waren. Van de eerste partij
ging eene soort van lastgeving uit, dat de andere helft eens wat
ruimte zoude maken en naar boven zoude opkrassen." »En jij, mijnheer
van Vuistenburg," zeide er een, »ruk maar op met de rest en laat je
leelijke tronie zoo weinig mogelijk hier zien."
De knapen gehoorzaamden in stilte en ikzelf had geen bezwaar hen te
volgen. Bij het heengaan voegde Murphy mij toe: »Zoo moordenaar, ik
zie, dat je weet te gehoorzamen, en dat is maar goed ook, want ik had
al een beschuit klaar, om je naar den kop te smijten." Die beleediging
moest ik nog slikken, maar maakte het mij niet duidelijker wat de
admiraal toch bedoeld kon hebben met zijn gezegde, van die »goede
manieren", die ik aan boord te leeren had.
Ik sloot mij nu meer aan bij de jongere adelborsten, en wij begaven
ons voor een ongestoord onderhoud naar voren op den bak. Na langdurig
overleg, werd ik, ofschoon het mijn eerste avond aan boord was, met
algemeene stemmen als hun leider verkozen. Die eerepost had ik te
danken aan mijn kloekmoedig optreden tegen de tirannie der oudsten
en inzonderheid aan mijn aanval tegen Murphy. Door hen vernam ik
nu veel van de wijze, waarop het bij ons toeging; hoe wij door den
commandant, met het oog op de oefeningen en vermeerdering van kennis,
ingedeeld waren en onder toezicht stonden; hoe wij voornamelijk,
en het beste, in het vloeken werden opgeleid; hoe goed wij nagegaan
werden; hoe wij wel ten volle aan de tafel mochten bijbetalen,--maar
om de beste provisiën door anderen te zien opeten. Mijn bloed kookte
bij die verhalen van hunne onderdrukking, en plechtig verklaarde ik
liever te zullen sterven, dan zulk eene behandeling te gedoogen.
Het werd tijd om onze nachtkwartieren te gaan betrekken. Onder het
halfdek, in 't gezicht van den schildwacht bij de kerkdeur hing mijne
hangmat. Men wees mij, hoe ik daarin moest klimmen, en lachte mij uit,
toen ik er aan de andere zijde even vlug weer uitgleed. Ik moest mij
hier het zedelijk overwicht van die kereltjes, alleen omdat zij reeds
ettelijke weken aan boord waren, wel laten welgevallen en voor goede
munt opnemen, dat zij mij voor een »baar" uitmaakten. Die plagerijen
waren echter nog al goedaardig, en na nogmaals den lachlust mijner
kameraden te hebben gaande gemaakt, slaagde ik er eindelijk in het ware
evenwichtspunt in mijn slingerend bed te vinden en viel spoedig in een
diepe rust. Doch tegen ongeveer vier uren in den morgen werd daaraan
een gewelddadig einde gemaakt, want op dat oogenblik kwam met een ruk
het hoofdeneinde van mijn hangmat naar beneden, en ik viel met mijn
hoofd op het dek, terwijl mijne beenen nog in de lucht bleken hangen,
evenals van de arme Sally, toen zij in het bootje een bruinvisch
ving. Ontdaan door den schok en niet zeer spoedig tot een helder
inzicht van de zaken gebracht doordien mijn bloed naar de beenen steeg
en ik daardoor niet vatte hoe die kanonnen tegen den zolder aangeplakt
waren, had ik eenigen tijd noodig, vóór ik mij kon oprichten.
De schildwacht voor de kerk, die de toedracht der zaak gezien had en
den dader had opgemerkt, kwam medelijdend ter mijner hulp. Hij knoopte
de gebroken lijn aaneen en hing mijne hangmat weder op, maar kon mij
niet overhalen mij andermaal in dat verraderlijke bed te wagen, want
ik dacht niet dadelijk, dat dit touw met opzet doorgesneden was. Te
bang voor eene nieuwe tuimeling, wikkelde ik mij in mijne dekens en
legde mij neer op eene kist, van waar ik een wakend oog kon houden
op de plek, waar ik neergebonsd was.
En gelukkig was die inval van mij, want nog maar weinig minuten later
kwam Murphy, van de hondewacht afgelost, naar omlaag, zag mijne hangmat
weer hangen, meende dat ik er inlag, nam zijn mes en sneed de lijn aan
het boveneinde weer door. »Zoo," zeide ik in mijzelf, »waart gij dat,
die mij de eerste maal ook hebt laten vallen, op het gevaar af mij
een hersenschudding te bezorgen, en het nu weer beproeft!" Ik deed
eene gelofte van wraak en vervulde die spoedig. Als een struikroover,
kroop ik ineen opdat hij mij niet zou gewaarworden en loerde, tot
ik hem in zijn eigene hangmat had zien kruipen en zijn solo in het
snurken kon waarnemen. Zachtjes schoof ik een paar schrootbossen
onder zijn hoofdeinde, zoodat hij in zijn val op de scherpe randen
zou neerkomen, (al had hij zich te pletter gevallen, 't kon mij niets
schelen, ik dorstte immers naar wraak) en stil, maar met één ruk,
sneed ik zijn touw door. Hij viel op de wijze, die ik voorzien had,
gaf een diepen snik en bleef liggen. Ik had weer haastig mijn kist en
mijn deken opgezocht en hield mij slapende, terwijl de schildwacht,
die gelukkig gezien had, hoe Murphy mij het eerst had afgesneden,
met een lantaarn nader-bij kwam, de schrootbossen weer naar hun plaats
terugschoof, en hem bewusteloos ziende, den sergeant van de mariniers
waarschuwde en verzocht den ziekenoppasser mede te brengen.
Toen de sergeant naar voren was gegaan, fluisterde hij mij toe: »Blijf
stilliggen; ik heb alles gezien, maar als zij er achterkwamen, zoudt ge
een leelijke pijp rooken." Murphy had weinig vrienden, zoo het scheen:
iedereen verheugde zich in het voorgevallene. Ik bleef stil in mijn
deken gewikkeld, terwijl de ziekenvader de belangrijke wond verbond
en na geruimen tijd er eerst in slaagde hem bij te brengen. Doch
wel veertien dagen moest mijn vijand zijn bed houden. Het vermoeden
viel niet op mij, of zoo er soms al over gedacht mocht zijn, begreep
men zeer goed, dat ik niet de aanvaller was. Het geheim bleef goed
bewaard, ik gaf den marinier een guinje present en verhief hem tot
mijn oppasser.
Een enkel woord tot mijne verontschuldiging zal hier niet misplaatst
te achten zijn. Ik gaf hierboven een staaltje van mijne hardheid
en onverzoenlijkheid. Hartstochten als deze behoorden zeker
op mijn leeftijd nog sluimerende te blijven, maar juist door de
onmenschkundige handelingen van diegenen, waaraan men mij als kind
had toevertrouwd, waren zij reeds vroeg ontkiemd. Dit waren nu de
vruchten mijner slechte opvoeding. En in welk eene omgeving was ik
nu, op een leeftijd voor diepe indrukken zoo vatbaar, geraakt? Op
een schip moest ik samenleven met een driehonderdtal mannen uit den
laagsten stand der maatschappij. Met vloeken werd elk gesprek gekruid;
de eenige zondagviering bestond in verwisseling van kleederen en meer
vrijen tijd tot ongebondenheid.
Welk voorbeeld de officieren aan hun jeugdiger scheepsmakkers gaven,
heb ik hierboven reeds met een enkel voorbeeld aangetoond. Wat de
adelborsten onderling aanging, hiervan viel mede weinig goeds te
zeggen. Taal en manieren waren niet beter dan die van het volk;
hunne levenswijze was misschien iets meer verfijnd. Hun eenig
genoegen aan den wal bestond in dronkenschap en liederlijkheid,
hunne gesprekken aan boord liepen over weinig anders en zij waren
trotsch op die feiten. Wel mocht de commandant mij opgemerkt hebben,
dat op een oorlogsschip alles zijn tegenwicht vond; maar in het
adelborstenverblijf was zulks dan overeenkomstig de zeden der wilden,
voor wie lichaamskracht het hoogste is en beslist of men tiran dan wel
slachtoffer zal wezen. De schooltucht was nog heilig bij de tirannie
in een adelborsten-longroom in het jaar 1803.
Tiranniseeren werkt altijd hoogst nadeelig. Niemand wordt er beter
door. Ik geef gaarne toe, dat jongelieden uit de hoogere standen eenige
partij kunnen trekken uit den omgang met minderen, en dat het een
jong aristocraat geen schade doet, eens een pak slaag op te loopen
van een burgermanszoon. Maar hij, die als slaaf wordt opgebracht,
eindigt met tiran te zijn, wanneer hij zelf de macht in handen
krijgt. Onze aard brengt er ons toe om anderen te doen ondervinden,
waar wijzelven in geleden hebben. De moed en geestkracht van een
flinken jongen zullen door eene slechte behandeling, waartegen hij
niet is opgewassen, gebroken worden, om dikwijls plaats te maken
voor lijdelijke onderwerping met een onbevredigd gevoel naar wraak,
dat hem levenslang bijblijft.
Ik had aanleg voor dit laatste. Het zal uit sommige mijner verdere
lotgevallen nog meermalen blijken, dat het slechte zaad, zoo vroeg en
zoo mild in mij gezaaid, zeer welig opschoot. Toen ik pas aan boord
kwam, schrikte ik terug van al de ruwheid, die ik zag. Langzamerhand
gewende ik aan den omgang met al wat slecht was. In weinige maanden
was ik juist als de anderen. Misschien ware ik langer bestand gebleven
tegen den invloed der slechte voorbeelden, als zij mij met geweld
waren opgedrongen; maar bij bespotting mijner levensopvatting legde
ik spoediger de wapenen neer. Mijn jonge kameraads, die mij hoogstens
zes maanden in dienst vooruit waren, waren reeds oud in verdorvenheid;
zij lachten om mijne onschuld en heetten mij »papkind" of »schoolmiss",
doch brachten mij spoedig op gelijke hoogte. Den leeftijd voor volkomen
loszinnigheid hadden wij noch niet bereikt, maar de aanleg was bij
ons allen aanwezig.
Ik was nog geen twee dagen aan boord, toen mijne makkers er op
aandrongen, dat ik eens den grooten top zou inklimmen. In vol
vertrouwen enterde ik het want in als een geoefend klimmer, maar was
nog niet zeer hoog, toen ik ingehaald werd door een marsgast en een
zijner maats, die mij zonder plichtplegingen elk bij een arm pakten
en behoorlijk aan een paar hoofdtouwen vastbonden. Zij lachten om
mijne tegenwerpingen. Ik vroeg, wat dit te beduiden had, waarop de
marsgast, heel beleefd de hand aan zijne muts brengende, antwoordde,
dat dit de manier was, waarop alle heeren behandeld werden, den
eersten keer dat zij het tuig inkwamen, en dat het slechts aan mij
stond mij los te koopen. Ik keek om hulp omlaag naar het halfdek,
doch daar stond iedereen mij uit te lachen, en niet het minst die
kleine apen van jonkers, die mij derwaarts verlokt hadden en veel pret
in hun grap hadden. Geen uitweg ziende, vroeg ik, wat ik te betalen
had. De marsgast zeide, dat zeven shillings een fatsoenlijk losgeld
was. Ik beloofde die som te zullen geven, werd losgemaakt en voldeed,
op het dek teruggekomen, mijne schatting.
Dit kleine voorval nu niet eens medegerekend, had ik aan boord nog
niet veel anders dan wreedheid en onderdrukking te lijden gehad;
dit versterkte mijn diep leedwezen ooit den voet op een schip
gezet te hebben. Alleen wanneer ik Murphy met zijn verbonden hoofd
in zijne kooi zag liggen, gevoelde ik eene aangename voldoening,
die mij verder drong om te zijner tijd met iedereen af te rekenen,
die mij iets schuldig was gebleven.
Toen ik drie weken aan boord was, werd het schip zeeklaar
gerapporteerd. Bij den eersten officier was ik nog al in gunst geraakt,
door met ijver de mij opgedragen diensten te vervullen. Ik was bij
eene wacht ingedeeld, in de voormars geplaatst en aangewezen bij de
divisie voorste kanonnen in de kuilbatterij. Van de adelborsten had
ik gehoord, dat de eerste officier een hard, onaangenaam man was,
vooral lastig tegen degenen, die het eenmaal bij hem verkorven hadden;
maar ik moet eerlijk zeggen, dat ik die meening niet kon deelen en
hem altijd als een echt gentleman achting heb toegedragen. Met den
tweeden officier was ik op lang zoo'n goeden voet niet. Ik had dezen
eens dienst geweigerd, omdat ik meende, dat hij daarin buiten zijn
macht ging, en dit vergaf hij mij nimmer.
Murphy was weer hersteld en deed zijn dienst; zijn haat tegen
mij was geenszins verminderd, en nooit had ik rust in zijne
tegenwoordigheid. Eens wierp hij mij met kracht een harde beschuit naar
het hoofd, mij daarbij een onteerenden scheldnaam gevende. In eens
was het met mijne zelfbeheersching gedaan en was al, wat ik reeds
door mijne heftige geaardheid had moeten lijden, glad vergeten;
het bloed kookte mij in het hoofd en droppelde van mijn gewond
voorhoofd. Verblind van woede, greep ik een koperen kandelaar, die,
om zeevast te staan, vol lood was gegoten, en wierp dien met alle
kracht in zijne richting. Als hij niet tijdig gebukt had, zou het
zeker zijne laatste beleediging zijn geweest; nu evenwel kreeg onze
zwarte jongen, die achter hem stond, het voorwerp tegen den schouder;
kermende werd de arme man naar den ziekenboeg gebracht en bleef
verscheidene dagen onder dokters handen.
Murphy vloog op tot onmiddellijke wraakneming, maar werd daarin
teruggehouden door zijn oudste collega's, die beweerden dat mijne
overtreding een meer plechtige strafoefening vorderde. Door een soort
van rechtbank, waar de ontvangen provocatie eenvoudigheidshalve niet in
rekening werd gebracht, werd ik schuldig verklaard aan »insubordinatie
tegen een oudere," en »het geven van een slecht voorbeeld aan de
jongeren," en veroordeeld om afgeranseld te worden met behulp van
een kous met nat zand gevuld. Met het aangezicht op tafel, werd ik
door de vier krachtigsten vastgehouden, terwijl de dokter-assistent,
die ook ons logies deelde, mijn pols vatte om waar te nemen, hoeveel
ik kon verdragen; Murphy trad, op eigen verzoek, als beul op. Bij elk
ander zou ik het bij de onuitstaanbare pijnen, die ik leed, hebben
uitgeschreeuwd; maar nu was het mijn eer te na en zou ik mij eerder
hebben laten doodslaan, dan een kik te geven. Na een uiterst gestreng
pak, gaven het koude zweet en eene flauwte aan, dat ik niet meer kon
verduren. Ik werd losgelaten met het bevel om veertien dagen achtereen
op mijzelf te eten op mijn kist. Nauwelijks was ik overeind en weder
bij adem, of ik verklaarde op de ernstigste manier, dat elke herhaling
van de ondervonden beleediging een herhaling van het feit, waarvoor
ik nu straf had geleden, ten gevolge zoude hebben en dat ik dan bij
den commandant om recht zou vragen. »En," zeide ik, mij bijzonder
tot Murphy wendende, »ik ben het geweest, die laatst uwe hangmat heb
afgesneden, waardoor gij bijna den kop te pletter gevallen hebt. Dat
was voor uw lafhartige daad aan mij; en ik zal het weer doen, al heb
ik er nog zoo onder te lijden; elke daad van dwingelandij, die ge aan
mij begaat, zal zijne wraak vinden. Beproef maar eens, of ik ook woord
houden zal." Hij grijnslachte en werd bleek, maar durfde, als echte
lafaard, niets meer ondernemen. Ik werd de voor-longroom uitgejaagd
en hoorde nog achter mij zeggen: »Nu, dat is een kwaadaardige duivel!"
Dit heftige tooneel had een soort van wapenstilstand ten
gevolge. Murphy begreep, dat hij bij de eerste provocatie den kandelaar
naar zijn hoofd, of een mes in zijne ribben zou krijgen; den vrede,
dien ik niet door zijn medelijden kon verkrijgen, had ik nu aan zijne
vrees te danken. De zaak werd druk op het schip besproken. Daar het bij
de officieren in de longroom verkeerd werd voorgedragen, veroordeelde
men mij. Bij de bemanning, waar men Murphy algemeen haatte, geraakte
ik er door in gunst; mijn flinke weerstand wekte bewondering.
De houding der officieren was zoo koel, dat ik mijn troost maar bij de
mindere schepelingen zocht. Dit was mij in zooverre nuttig dat ik nu
snelle vorderingen maakte in de practijk van mijn vak en veel leerde
uit de verschillende oordeelvellingen over het algemeen gebrek aan
zeemanschap bij de officieren, uit den mond dier oude echte zeelui
opgevangen. Onze goede verstandhouding gaf aanleiding tot de volgende
overeenkomst: zij beloofden mij nooit te zullen wegloopen uit eenige
sloep, waarmede ik in dienst aan den wal zou zijn; ik daarentegen
zou hen altijd veroorloven, om zoo lang mogelijk naar de kroegen
te gaan. Ongelukkig echter ontbraken er, in spijt van ons contract,
toch twee man uit de sloep, waarmede ik daags voor ons vertrek naar
zee was uitgezonden, en omdat ik buiten mijn boekje was gegaan met
hen te vergunnen in een drankwinkel te loopen, werd ik, toen ik aan
boord kwam, van het halfdek ontzet en alleen voor den dienst in den
voortop aangewezen.
DERDE HOOFDSTUK.
Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding,
waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de
strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier
mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden
invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens
moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.
Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de
commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan
ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem
te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik
had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was
de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een
der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen
van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had,
bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was
ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de
algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn
jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor
de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.
De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik
ging als »alle hens op" was naar boven, zoo ook gedurende den tijd,
dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek,
zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De
matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en
beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen
en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen,
dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die
eerlijke pikbroeken sleet.
Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort
na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen,
en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof
mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn
manschappen. »Ware het niet," zoo vervolgde hij, »om uw overigens
goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil
nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen,
dat gij u in 't vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij
laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten."
De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen,
kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken
vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid
te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner
ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als
een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens
menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden,
aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling
niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy's kooi had
afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen,
en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf
en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide
bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of
mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk
te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het
leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben,"
vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen,
en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een
berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de
grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden."
De kolonel luisterde aandachtig naar mijne verdediging, welke,
naar ik meende, eenigen indruk op hem maakte. Later vernam ik, dat
hij den heer Handstone onder handen had genomen over de bijzondere
gestrengheid, die hij in mijn geval getoond had; hij merkte op,
dat ik òf later een uitstekend officier zou worden, òf dat er niets
van mij zou terechtkomen. Mijzelf was gebleken, dat ik tegenover de
grootere vijandschap van mijn oudste kameraden, door mijn weerstand
bieden aan hun wederrechtelijke handelingen, eenige machtige vrienden
in het schip had gekregen, van welken de commandant een was. Ook enkele
officieren begonnen mij recht te laten wedervaren en bewonderden dien,
voor de gevolgen zoo onverschilligen, geest van verzet in mij. De
omkeer in de algemeene stemming bleek uit de talrijke uitnoodigingen
die ik aan de kajuits- en officierstafel kreeg. De jongste kadets
ontvingen mij nu weer openlijk in hun midden; doch de ouderen bleven
mij met achterdocht behandelen.
Spoedig maakte ik nu met de jongens van mijn leeftijd een geregeld
verbond van onderlinge bescherming, dat een gewichtige rol zou
vervullen in onze toekomstige twisten. Een paar hunner hielden zich
flink aan de gemaakte overeenkomst; de anderen beloofden wel, maar
kwamen op het gewichtige oogenblik niet uit den hoek. Ons contract was
hoogst eenvoudig, slechts uit twee artikelen samengesteld. Het eerste
hield de op elk rustende verplichting in: om het eerste harde of zware
voorwerp, dat men grijpen kon, dengene naar het hoofd te smijten,
die een onzer sloeg, altijd wanneer de aanvaller te sterk scheen te
zijn om hem op de gewone manier te bevechten. Het tweede artikel was
een herinnering aan onze rechten als deelgenoot van de tafel, waaraan
wij allen hetzelfde bedrag betaalden, en bepaalde, dat wij ons door
list zouden zien te verschaffen, wat ons door kracht werd onthouden.
Mijn uitlegging bij art. 1 was, dat wij ons daardoor een behoorlijke,
beleefde behandeling van de anderen zouden verzekeren; want voortaan
zouden zij zich wel wachten om met ons te beginnen, nu het voor hen zoo
gevaarlijk kon afloopen;--bij art. 2, dat wij nu voortaan gelijk zouden
opdeelen en niet langer behoefden aan te zien, dat de oudsten mooi
weer speelden van de smakelijkste aan ons gezamenlijk toebehoorende
provisiën en dranken. Aangezien ik de uitvinder van dit contract was,
kon men mij met recht als de leider van de oppositie beschouwen.
Eindelijk zeilden wij uit, met last om ons te vereenigen met de
vloot, die onder bevel van lord Nelson vóór Cadix kruiste. Ik wil
niet uitvoerig zijn in mijn beschrijving van den overtocht door het
Kanaal en de golf van Biscaye. Ik was meesttijds zoo zeeziek als
een juffrouw die den overtocht maakt in de Dover-packet, maar had
niet zooveel gelegenheid als deze om er mij aan toe te geven, daar
voor mij de dienst boven in het tuig of als wachthebbende aan dek,
onverbiddelijk was. Wij bereikten ons station en kwamen onder de orders
van den onsterfelijken Nelson, slechts weinige uren vóór den zeeslag,
die hem het leven kostte toen hij 's lands eer ophield. De geschiedenis
van dien gedenkwaardigen slag is zoo dikwijls en uitvoerig beschreven,
dat ik er niets meer aan weet toe te voegen. Inderdaad echter verbaast
het mij, dat bij zulk een verwarring en de overeenstemming van alle
zeegevechten, van zulk een treffen nog zooveel bijzonderheden kunnen
gemeld worden. Ik maakte destijds een opmerking, die mij later telkens
met verdubbelde overtuiging weer in de gedachte kwam, en die was:
dat de admiraal, als eenmaal het gevecht aan den gang was, weinig meer
aan het oppercommando kon doen, want hij kon evenmin zien als gezien
worden; hij kon geen partij trekken van 's vijands zwakke punten of
fouten, evenmin als die aan zijne eigene zijde verdedigen of verbergen;
zijn eigen vlaggeschip, de Victory, een onzer schoonste driedekkers,
lag, als 't ware vastgemeerd, langs zijde van een Fransch linieschip
van 80 stukken.
Dezelfde opmerkingen las ik later in een werk over de zeetactiek,
en zij bevestigden volkomen mijne meening. Er was in het begin van
den slag een oogenblik waarin ik, jong als ik was, een geweldigen
angst gevoelde voor den roem en de eer van mijn vaderland. Het was
toen ik de trotsche leiders onzer beide liniën blootgesteld zag aan
het vereenigd kruisvuur van zoovele schepen. Ik vond, dat Nelson
zich te veel blootgaf, en dat denk ik nu nog. Ondervinding heeft
bewaarheid, wat jeugdige phantaisie zich verbeeldde; 's vijands
centrum had vernield moeten worden door onze zeven driedeksschepen,
waarvan thans sommige, die in de achterhoede behoorden, weinig aandeel
aan den strijd konden nemen. Behalve om den indruk, dien zij maakten,
hadden zij zeer geschikt op de reede van Spithead kunnen blijven. Het
is geenszins mijn bedoeling om hier een aanmerking te maken op de
bevelhebbers dier schepen: neen, alleen toevallige omstandigheden,
zwakke koelte en de plicht aan elk opgelegd om zijn standplaats in de
linie te behouden, veroorzaakten, dat zij het grootste deel van den
dag nolens volens werkeloos op den achtergrond moesten blijven. Andere
schepen daarentegen hadden benijdenswaardige positiën, doch maakten,
zooals ik later van enkele daarop dienende officieren vernam,
niet al het gebruik, dat zij daarvan konden. Deze fout aan onzen
kant werd echter ruim opgewogen door dergelijke, op gelijke wijze
veroorzaakte misslagen bij den vijand, en zoo is toch stellig de
overwinning door ons behaald. De Britsche vloot had een hooge waarde;
en wij moeten erkennen dat op dien dag »toen Engeland verwachtte,
dat ieder zijn plicht zou doen", slechts weinigen de hoop van hun
vaderland teleurstelden.
Ik zal nimmer de electrieke schok vergeten, die het ophijschen van het
sein tot het gevecht op de geheele vloot teweegbracht. Bij niets is
het beter te vergelijken dan bij een lange, in brand gestoken loop
buskruit. Aannemende, dat alle Engelschen in hoofdkaraktertrekken
overeenstemmen, was hetzelfde gevoel, dezelfde geestdrift op elk
schip te bespeuren; menigen verharden zeebonk rolden de tranen langs
de wangen, toen de woorden, die het sein inhield, hardop herhaald
werden. Zij brachten elk vroeger roemrijk feit in herinnering,
en vervulden den geest met nieuwe, stoute verwachtingen, die voor
zoovelen, helaas! echter nooit werden verwezenlijkt. Zonder de
minste verwarring nam elk zijn plaats in de batterij of elders voor
het gevecht in, en van dat oogenblik af lag op ieders gelaat kalme,
besliste vastberadenheid te lezen.
Mijn commandant was, ofschoon ons schip in geene der liniën behoorde,
volstrekt niet bang voor de schoten, en hoewel wij niet in het
vuur behoefden te komen, vóór wij daartoe sein ontvingen, achtte
hij het toch plichtmatig zoo dicht mogelijk in de nabijheid onzer
in den strijd gewikkelde schepen te blijven, om waar het noodig
was, hulp te kunnen bieden. Ik was geplaatst bij de allervoorste
stukken van onze kuilbatterij, toen ook voor ons de order kwam om
slagvaardig te zijn. Ofschoon op een betrekkelijk kleine schaal,
ken ik weinig tooneelen, die zulk een indruk maken als een schip
bij »alarm". Het sein daartoe wordt op last van den bevelhebber
door den tamboer gegeven en benedendeks herhaald. Onmiddellijk
worden alle loopende werkzaamheden gestaakt, en moet ieder man
aan boord de hem alleen voor die gelegenheden opgedragen bezigheid
vervullen. Slechts kort duurt de schijnbare verwarring, die hiervan
het gevolg is. Aan dek worden de minst handige zeilen geborgen,
op de onderra's de enterdreggen uitgebracht, in de marsen en in
de rusten de valreepen van het steng- en onderwant met de gesjorde
hangmatten beveiligd, de pompen en brandspuit gereedgemaakt om water
te geven. In de batterijen wordt de noodige voorraad scherp opgehaald,
worden de kanonnen ontsjord, gewischt en geladen, en eindelijk door
elk schepeling het hem aangewezen wapen, hetzij geweer, pistool,
piek of enterbijl ter hand genomen. Het einde der manoeuvre is, dat
elk zijn plaats bij de kanonnen weer inneemt. Hiermede treedt een
volledige stilte in, waarbij slechts de bevelen gehoord mogen worden,
voorzoover dit onder eene kanonade van zoovele schepen mogelijk
kan zijn. Trotsch is het gezicht op de lange rijen vuurmonden, elk
met een tiental matrozen en mariniers bemand. Achter elk stuk staat
de commandant met het richten en afvuren belast, in het midscheeps
worden de lonten brandende gehouden. Over een zeker aantal stukken
beveelt een der officieren. Aan dek is de commandant, meer dan ooit de
groote man, de ziel van het schip. Hij heeft naast zich den eersten
officier, achter zich een paar jonkers om bevelen naar voren of naar
omlaag over te brengen. Onder het groote luik in het tusschendeks is
het slagverband klaargemaakt, en zijn de dokters in afwachting der
gekwetsten, die hun toegezonden zullen worden: messen, zagen, tangen,
sponzen, kommen met azijn en water, deden op de verbandtafel liggende
of gereedgezet, aan allerlei pijnlijke operatiën denken; deze dingen
althans benemen alle poëzie aan een zeegevecht. Vóór op den bak is de
schipper of opperbootsman geplaatst; en in de ware beteekenis van het
woord »overal" de baas timmerman met zijn helper. Waar toch door een
kogel schade in den romp of in de rondhouten wordt teweeggebracht, is
hij de man om het te herstellen. Het gezicht op de ambulance werkte,
zooals ik zeg, alleen wat ontnuchterend op mijn gevoel. »Wie weet,"
dacht ik, »hoe spoedig ik, verminkt en bloedende en bewusteloos naar
hier wordt gebracht, om met al die snijwerktuigen kennis te maken!" Ik
wendde mij af, en deed mijn best aan die mogelijkheid niet te denken.
Zoodra de vloot op kwam zeilen, om den vijand aan te tasten, deden wij
hetzelfde, zoo na mogelijk bij het vlaggeschip houdende, waarvan wij
bevel kregen de seinen te herhalen. De handige wijze, waarop dit plaats
vond, verbaasde mij. Het was onbegrijpelijk, hoe bijna gelijktijdig
van onzen top dezelfde seinvlaggen woeien, die bij den admiraal waren
opgeheschen. Die vlaggen gingen nog wel ineengerold naar boven, dáár
werden zij eerst losgetrokken. Er was dus veel handigheid aan boord
van den repetiteur noodig om ze zoo snel op een afstand te herkennen.
Het zal niet overbodig zijn hier mede te deelen, dat het in die
tijden een soort van stilzwijgende overeenkomst bij het vechten was,
dat een linieschip nooit een fregat aantastte of dit moest zelf met
den aanval begonnen zijn, of wel zich tusschen de strijdende partijen
in begeven hebben. Iets soortgelijks had bij den zeeslag van Aboukir
plaats gevonden, waar onze Orion, met ééne volle laag het Fransche
fregat l'Artemise, tot straf voor zijne vermetelheid, had in den grond
geboord. Op grond hiervan zouden wij zeker schotvrij gebleven zijn,
ware het niet, dat menige verdwaalde kogel, voor een ander schip
bestemd, ons ongelukkigerwijze onder weg ontmoet had. Sommige hiervan
richtten onder onze bemanning nog heel wat schade aan.
Trotsch zeilden de twee Britsche liniën, evenwijdig aan elkander, bijna
loodrecht in op de gebogen slagorde van de vereenigde vijandelijke
vloten. De voorhoede was nauwelijks binnen kanonschots afstand, of
de Royal Sovereign en de Victory ontvingen een hevig vuur; maar toen
eerstgenoemde opstak achter den spiegel van de Spaansche Santa Anna,
en de laatste de Fransche Redoutable aan boord klampte, waren beide
vloten door een dikke rookkolom van kruitdamp omhuld en viel er weinig
meer te zien dan het overboord gaan van masten, of het hier en daar
afdrijven van eenig geheel onttakeld schip.
Het bleek, dat een dezer een Engelsch schip was, en onze commandant
ziende, dat het tusschen twee vijandelijke vaartuigen in zou geraken,
zeilde er op af, om het op sleeptouw te nemen; juist echter openden
twee der linieschepen, in wier vuurlijn wij kwamen, een hevig vuur
op elkander en werden wij het doelwit hunner misschoten. Ik lag
juist uit een der boegpoorten te kijken, toen ons op die hoogte,
tusschen wind en water, een kogel trof. Voor het eerst zag ik van
zoo nabij de uitwerking van een zwaar schot: het maakte een grooten
plas, daarbij een voor mij zeer vreemd geluid en overstelpte mij met
water. Onwillekeurig sprong ik achteruit, wat ik meen dat menigen
dapperen kerel zou overkomen zijn, doch ik werd daarvoor uitgelachen
door een paar der aan mijne stukken geplaatste matrozen. Hierdoor
beschaamd, nam ik mij voor, niet andermaal dergelijke zwakheid te
laten blijken.
Dit schot werd spoedig door meerdere gevolgd, die niet zoo onschuldig
waren; een kwam dezelfde boegpoort in en doodde toevallig de twee man,
die getuigen van mijne wankeling waren geweest. Ik moet tot mijne
schande erkennen, dat hun verlies mij alleen ongevoelig liet, omdat
zij nu niets meer van mij konden navertellen. Overigens zouden mijne
gewaarwordingen bij deze gelegenheid, moeielijk zijn weer te geven. Het
was nog geen zes weken geleden, dat ik allerlei streken op de school
uithaalde en den ondermeester in den vijver liet duikelen,--en nu,
in eens als 't ware, zonder de minste voorbereiding, was ik in het
midden van een bloedigen strijd, zelf een medespeler in de gewichtige
gebeurtenissen, die voor het lot der beschaafde wereld zoo gewichtig
waren.
Een versnelde bloedsomloop, een soort van vrees voor den dood, een
nog grooter vrees voor schande, dwongen mij dikwijls van plaats
te veranderen; en er werd eenige tijd toe gevorderd en vooral
redeneerkracht om mij daarover heen te brengen en mij zoo veilig te
doen gevoelen als in de haven. Eindelijk kwam ik daartoe, en toen
was ik verlegen over de zenuwachtige stemming, waarin ik verkeerd had
vóór het vuren begon. Het is waar, ik bad in stilte: maar mijn gebed
was niet gegrond op geloof, op vertrouwen of op hoop--ik bad alleen om
uitredding uit mijn oogenblikkelijk gevaarlijken toestand; mijn woorden
waren slechts korte, vrome ontboezemingen, zonder de minste gedachte of
berouw over vroeger gedrag of voornemen tot beterschap in de toekomst.
Toen echter eenmaal het gevecht in vollen gang was, ging dit gevoel
ook over, en bleef ik even onverschillig bij het gezicht van een armen
kerel, die middendoor geschoten was, alsof ik voorbij een slagerswinkel
ging. Ik weet niet of dit voor een bewijs mag gelden, dat ik ongevoelig
van aard was; maar zeker weet ik, dat meer mijne nieuwsgierigheid
voldaan, dan mijn hart gepijnigd was, toen een kartetsschot van den
vijand bij ons zeven man doodde en nog drie bovendien verwondde. Het
speet mij voor degenen die het trof, en voor niets ter wereld zou ik
hun kwaad toegewenscht hebben, doch in mijn soort was ik een wijsgeer:
gaarne bracht ik oorzaak en gevolg in verband; en in 't geheim was
ik voldaan het effect van een kartetsschot met eigen oogen gezien
te hebben.
Tegen vier uren des namiddags begon het gevecht te verflauwen,
klaarde de lucht op en werd de kalme zeespiegel door een aanwakkerend
koeltje gerimpeld. De twee vijandelijke vloten konden elkaars
verliezen in oogenschouw nemen. Wij telden nog negentien of twintig
linieschepen. Sommige van 's vijands schepen zagen wij in de richting
van Cadix vluchten; vier andere ontsnapten ons te loefwaarts. Toen er
een sloep van ons naar een ander nabijzijnd schip ging, sprong ik er
in, en vernam toen den dood van lord Nelson. Toen ik dit bericht bij
onzen kolonel overbracht, bracht hij hulde aan de nagedachtenis van
dien held en liet daarna zijn oog met welgevallen op mij rusten. Ik
was de eenige jonker, die bijzonder veel activiteit had aan den
dag gelegd, en werd op grond daarvan onmiddellijk met een boodschap
naar een nabij liggend vaartuig gezonden. De eerste officier gaf in
overweging om een officier van eenigen meerderen diensttijd weg te
zenden. »Neen," zeide de commandant, »laat hem gaan; de jongen is
daar zeer geschikt voor!" Ik stak van boord, niet weinig verheugd
over het in mij gestelde vertrouwen.
Toen ik bij het avondeten mijne kameraads in de voorlongroom
ontmoette, deed het mij leed weer het onaangename gelaat van Murphy
te aanschouwen. Ik had mij zoo gevleid, dat een of andere gelukkige
kogel mij van zijn gehate persoonlijkheid voor goed zou verlost hebben;
maar zijn tijd scheen nog niet gekomen te zijn.
»De duivel heeft een mooie vangst gehad vandaag," zeide een aan onze
tafel deelnemende oude masters-assistent, terwijl hij zijn glas grog
aan den mond bracht.
»Jammer genoeg, dat gij en een paar anderen, die ik niet noemen zal,
dien dans zijt ontsprongen," dacht ik bij mijzelve.
»Als er dan toch veel dooden moeten zijn," zeide een ander, »dan voor
mijn part maar wat luitenants, dat geeft nog bevordering!"
Bij het aan boord gehouden appèl, bleken er van onze equipage negen
man gedood en dertien gekwetst te zijn. Dit betrekkelijk groot aantal
was voor sommigen een soort van voldoening en volstrekt geen reden
tot spijt. Hunne ijdelheid was er door gestreeld, dat er onder de
linieschepen voorkwamen, waar de slachting zooveel geringer was
geweest.
Wanneer ik daartoe gelegenheid kon vinden, was ik in de ziekenboeg
tegenwoordig bij de verpleging onzer gewonden en getuige van het
afzetten van armen en beenen, zonder dat zulks mij bijzonder aandeed;
menigeen, die zich in het gevecht met de grootste koelbloedigheid
had gedragen, werd weekhartig bij dit lijden. Tot mijn schande moet
ik erkennen, dat ik, uit louter zucht om achter de tot nu toe voor
mij verborgen zaken te komen, met belangstelling de werkzaamheden der
chirurgijns naging en de pijn van de arme lijders in het geheel niet
telde. Was ik dan werkelijk zoo verhard van gemoed, dat ik er alles
voor overhad om een goed inzicht te krijgen in de samenstelling van
het menschelijke lichaam?
Kort na den slag bij Trafalgar werd ons schip naar Portsmouth
gezonden, om duplicaat-brieven over te brengen. Op een morgen, dat
wij het onder ons over de aanstaande tehuiskomst hadden, hoorde ik
een van de adelborsten zeggen, dat »hij zijn ouden vader voor eene
nieuwe uitrusting zou laten opdokken." Ik vroeg, wat hij daarmede
bedoelde, werd uitgemaakt voor een »baar," omdat ik dit niet wist,
en toen ingelicht. »Weet ge niet," zeide mijn leermeester, »dat na elk
zeegevecht, in het schippersboek veel meer zeildoek, touwwerk en verf
wordt afgeschreven dan door den vijand weggeschoten of beschadigd is?"
Ik nam dit op het gezag van den spreker aan, niet wetende of het waar
of onwaar was, waarop hij voortging: »Waar zouden witte verschans-
en sloepskleeden, bovenbramstengen, vergulde wapenborden en andere
versierselen op een schip vandaan moeten komen, als het niet heette,
dat al die zaken in het gevecht verloren of overboord gevallen
waren? De schadelijst wordt aan den admiraal ingediend, hij teekent
de aanvragen, en de magazijnmeester moet, of hij wil of niet, met
de behoeften op de proppen komen. Ik diende eens op een korvet,
toen een zwaar fregat van vierenveertig stukken, ons zoo netjes
aanzeilde dat ons kluifhout medeging en zijn groote (mooiweers-)
kluiver over onze fokkera kwam te hangen. Hij was van fijn Russisch
linnen gemaakt en werd bij ons versneden voor verschansingkleeden,
terwijl ieder van de matrozen er nog een broek uit kreeg. Welnu,
op dezelfde wijze, waarop wij oom George (hiermede bedoelde hij ons
geëerbiedigd hoofd van den Staat) voor onzen inventaris beetnemen,
zoo ben ik voornemens mijn ouden heer voor een nieuw stel kleeren in
den nek te zien. Daarvoor heet nu mijn heele kist overboord te gaan
met al wat ik heb, en dan kom ik bij mijne oudjes thuis, precies
klaar om naar de laatste mode weer opgetuigd te worden."
»En wilt ge nu werkelijk uwe ouders op die manier oplichten?" vroeg
ik op schijnbaar hoogst onschuldigen toon.
»Wel zeker, goedaardige domoor. Hoe kan ik op den duur fatsoenlijk
voor den dag komen, als ik niet een goed gebruik weet te maken van
een zeeslag, zooals nu door ons bijgewoond werd?"
De ontvangen wenk stemde mij tot nadenken. Het kwam niet eens in mij
op, dat, als ik op een redelijke wijze mijnen ouders aan het verstand
had gebracht, dat mijne uitrusting onvoldoende was, om altijd netjes
gekleed op het halfdek te verschijnen, zij met alle liefde nog van
alles voor mij aangekocht zouden hebben. Maar het zat nu eenmaal in mij
om onoprecht te zijn, met streken om te gaan. Waar het in mijn eigen
belang was, wist ik op zijn tijd evengoed de waarheid te vertellen
als een leugen; maar hier verbeeldde ik mij, dat bedriegerij een
flink stuk van verdienste was, en daarom besloot ik die in practijk
te brengen, al was het alleen om daarmede opgang te maken bij mijne
onwaardige makkers. Wat ik langs eervollen weg zou gedaan gekregen
hebben, wilde ik nu, louter uit zucht om te bedriegen, uit genoegen
om mijn vader om den tuin te leiden, langs slinkschen weg verwerven.
Aan het schip waren eenige herstellingen te doen, en door de
goedheid van den commandant, die nog al met mij ingenomen was,
kreeg ik verlof,--ik, die juist zoo noodig had gehad om aan boord
te blijven en tegenwoordig te zijn bij het af- en weder optuigen,
ledighalen, verstuwen van den ballast en het dokken, om uit een en
ander de noodige leering te trekken. Dat verlof vroeg ik minder uit
verlangen om mijn ouders eens weer te zien, dan wel om, thuis komende,
den noodigen ophef te kunnen maken, zoowel van den belangrijken
zeeslag, als van al het andere, wat ik in dien korten tijd van drie
maanden had bijgewoond. Het was mij een behoefte om effect te maken,
en daarom wist ik (door briefwisseling met een mijner zusters op de
hoogte daarvan) voor het oogenblik van mijne thuiskomst een dag te
kiezen, waarop mijne ouders een groot gezelschap ontvingen, en een uur,
waarop zij juist aan tafel waren gezeten.
VIERDE HOOFDSTUK.
Aan de deur van ons huis gekomen, liet ik zachtjes den klopper vallen,
zei geen woord tegen den bediende die mij de deur opende, doch stoof
met een groote drukte de eetzaal in, waar ik als een dakpan binnen en
mijne moeder om den hals viel. »Goede hemel, mijn kind!" was al wat zij
kon uitbrengen, vóór zij flauw viel. Mijn vader, die juist de helft
van zijn bord soep verorberd had, vloog op, om mij te omhelzen en om
moeder bij te brengen. Het geheele gezelschap rees overeind als een
vlucht opgeschrikte patrijzen; een van de dames zou juist een lepel
soep aan den mond brengen, toen haar buurman haar die met de elleboog
uit de handen sloeg, waardoor zij een spiksplinternieuwe zijden japon
bedierf; ons kleine schoothondje Carlo hief een oorverdoovend gekef
aan; kortom, ik had er niet beter in kunnen slagen om de grootst
mogelijke verwarring teweeg te brengen.
Langzamerhand kwam alles tot rust en mijn moeder ook weer bij,--mijn
vader schudde mij de hand,--de gasten stemden overeen in de verklaring,
dat ik een knappe, belangwekkende jongen was, de dames namen weer
plaats, en het was mij aangenaam te kunnen opmerken, dat ik den eetlust
niet had verstoord. Ik was in de gelegenheid spoedig te toonen dat
ik hierin niet achterlijk was. De ontberingen, van het scheepsleven
hadden mij van een goede tafel niet afkeerig gemaakt, en ik speelde
mijn partij goed mede, als de heeren op mijn gezondheid dronken. De
tot mij gerichte vragen wist ik alle even vloeiend te beantwoorden,
en ik was zoo woordenrijk, dat de vragers zeker wel eens spijt kregen
mij aan den praat gebracht te hebben.
Ik gaf een opgesmukte beschrijving van den zeeslag, sprak, opgeblazen
als ik was, met lof over sommige van de vlag- en hoofdofficieren,
haalde minachtend mijne schouders op over anderen en beschuldigde er
zelfs eenigen van niets minder dan lafhartigheid. Nu en dan gebruikte
ik, om mijn woorden meer kracht bij te zetten, een hartigen vloek;
dan keek mijn vader ernstig, hief mijn moeder bestraffend een
vinger op, lachten de heeren en zeiden de dames heel toegefelijk:
»zoo'n jongen!--wat een vuur--wat een verrukking--wat heeft hij
opgemerkt!" Zij brachten het hierdoor echter niet verder bij mij,
dan dat ik ze in mijzelf met den naam van »domme ganzen" betitelde.
Des anderen daags, toen de hartelijkheid van het wederzien nog niet
bekoeld was, bracht ik bij het ontbijt bij mijne ouders mijne kist
met goed ter sprake; toevallig gaf, gelukkig voor mij, mijn vader
juist hiertoe aanleiding, door te vragen, hoe mijne kleeren zich
gehouden hadden.
»Vrij treurig," zeide ik, onder het verwerken van mijn derde eitje,
(ik was nog uitgerammeld van den honger).
»Vrij treurig?" herhaalde mijn vader. »Mij dunkt, gij waart toch in
allen deele ruim voorzien."
»Dat is zoo, vader," zeide ik; »maar u kunt u geene voorstelling
maken, van wat het zeggen wil, als een schip klaar voor 't gevecht
wordt gemaakt; al wat niet te heet of te zwaar is om aan te pakken,
wordt overboord geslingerd met eene handigheid, zooals.... zooals ik
bijvoorbeeld deze boterham inneem. »Van wie is die steken-doos?"--»Van
Mr. Spratt, mijnheer."--»Die verd..... Mr. Spratt, ik zal hem leeren
hoe hij een andermaal op zijn steken-doos moet passen; weg er mee"--en
over de lijvalreep zeilde de doos in zee. Spratt's vader was een
hoedenmaker in Londen, wij lachten er dus om."
»Eilieve Frank," vroeg mijne moeder, »deden zij met uw doos ook zoo?"
»Zij ging denzelfden weg op. Ik keek haar na, toen zij naar achteren
dreef, en kreeg tranen in de oogen, toen ik bedacht, hoe boos u
zoudt zijn."
»Maar de kist, Frank, wat is er met uwe kist gebeurd? Ge hebt gezegd,
dat die Vandalen ten minste zware voorwerpen ontzagen, en de uwe was,
ik heb nog de rekeningen liggen, van een eerbiedwekkend gewicht."
»Dat is zoo, vader; hoeveel lichter zij haar ook gemaakt hebben, den
eersten dag in zee. Ik lag er op,--zoo zeeziek als een hond,--toen de
eerste officier en de luitenant van de week omlaag de ronde deden na
het schoonschip maken; ik en mijne Noachs arke lagen in den weg.--»Wel,
wien hebben wij daar?" zeide mijnheer Handstone. »O, het is jonker
Mildmay maar, met zijn kist," zeide de sergeant van de mariniers,
van wiens terrein ik erkennen moet een stuk in beslag genomen te
hebben. »Zoo!" herhaalde de eerste officier, »ik zag het aan voor een
van de pijlers van de nieuwe brug, en de eigenaar voor een dronken
Ierschen heibaas."--Ik was te ziek om op hunne woorden te letten."
»Gij laat uw ontbijt in den steek," waarschuwde mijn zuster.
»O, ik wil graag nog een half broodje en een kop koffie," zeide ik.
»Die arme jongen!" zeide mijne moeder, »wat moet hij uitgestaan
hebben!"
»O, ik heb nog lang niet alles verteld, beste moeder; het is een
wonder, dat ik het er levend afgebracht heb."
»Levend afgebracht!" zeide mijne tante Julia. »Hier is een kleinigheid,
beste jongen, voor de vernieuwing van hetgeen gij in dienst van den
lande verloren hebt. Wel, flinke vent! wat zouden wij er naar aan
toe zijn, als wij geen zeelui hadden!"
Ik stak de kleine gift--het was een bankje van tien pond--op, maakte
een eind aan mijn ontbijt, door de toevoeging van een snede ham op
een Fransch broodje, aan de reeds ingescheepte eetwaren en vervolgde
mijn verhaal. »Het eerste wat Mr. Handstone zeide was, dat mijn kist
veel te groot was; daarop liet hij volgen: »Roep mij den timmerman
hier.--Kijk, baas, neem deze kist onder handen; er moet minstens
een voet in de lengte, en een voet in de hoogte af."--»Best, meneer,"
zeide de baas. »Kom jonker, ga er eens af en geef mij den sleutel." Zoo
ziek als ik was, begreep ik volkomen, dat hier noch tegenwerpingen,
noch smeekingen zouden baten; dus scharrelde ik van mijne ligplaats
af, gaf den sleutel aan den timmerman, die de kist openmaakte, en
met de noodige vlugheid al mijn schatten op het dek uitpakte. Spoedig
had ik al de adelborsten om mij heen. De potjes met confituren en het
krentenbrood, door u, beste aller moeders, met zoo veel zorg ingepakt,
werden voor mijn oogen verdeeld en verslonden. Een hunner stak zijn
morsigen poot in een pot vlierbessen-gelei, die u mij medegegeven
hadt voor het geval van verkoudheid, en hield mij een handvol voor
den mond, en dat, terwijl hij wist, dat ik het zoo te kwaad had met
de zeeziekte."
»O," riep mijne zuster, »ik zal nooit van mijn leven weer gelei
kunnen zien!"
»Die ruwe vlegels!" zei tante.
»Om kort te gaan," vervolgde ik, »al wat bruikbaar was, werd
ingerekend, en daar ik mij zoo ziek gevoelde, liet mij dit
onverschillig; maar toen zij op een lachenden toon oneerbiedig over
u, dierbare moeder, begonnen te spreken, werd ik woedend en zou hen
aangevlogen zijn."
»Nu 't is niets, mijn jongen," zeide moeder. »Wij zullen alles wel
weer in orde brengen."
»Ja, dat zal wel dienen," bracht vader hiertusschen in; »maar als
't je blieft, geen confituren of koek meer, mijn waarde.--Vertel
verder, Frank!"
»Wel, vader, een half uur later was mijn kist weer klaar; maar nu
zij toch eens aan het afzagen waren, hadden zij er nog best een voet
meer af kunnen nemen, want er bleef ruimte te over om op te bergen,
wat men mij overgelaten had. De ledige potjes kwamen natuurlijk aan
de mariniers, om hun poetsolie in te bewaren; en daar eenige andere
zware artikelen weggekaapt waren, was ik niet meer in zorg waar ik
die stoppen moest. Daarna, dat weet u, kwam de zeeslag, en toen gingen
kist en hangmat, de heele rommel naar den----."
»Worden bij zoo'n gelegenheid alle kisten en kooigoederen overboord
geworpen?" vroeg mijn vader, mij in de oogen ziende met een strengen,
uitvorschenden blik, dien ik moeite had om te doorstaan.
»Ja, altijd alles wat in den weg staat, en mijn kist hinderde, en
voort er mede. Ik had vreeselijk het land; maar u begrijpt, dat ik
den eersten officier niet kon aanvliegen; zij zouden mij behoorlijk
aan een der raas opgeknoopt hebben."
»De Hemel zij gedankt, lieveling, dat gij u ingehouden hebt," zeide
mijn moeder. »Wat gebeurd is, kan hersteld worden, maar zoo iets zou ik
nooit te boven gekomen zijn. En uwe boeken, wat is daarmede gebeurd?"
»Alles ging mede. Zij liggen ergens vóór de straat van Gibraltar;--ik
ben ze alle kwijt, behalve mijn Bijbel; die is gered, omdat ik er
juist daags vóór het gevecht in had liggen lezen."
»Voortreffelijke jongen!" riepen moeder en tante in koor uit, »ik
weet zeker, dat hij de waarheid zegt."
»Ik hoop het," zeide mijn vader droogjes; »maar men moet toch
erkennen, dat die zeegevechten, hoe roemrijk ook voor Oud-Engeland,
zeer kostbare genoegens zijn voor de ouders van jonge adelborsten,
tenzij die jongens er zelf hun hachje bij inschieten."
Of mijn vader nu wantrouwig begon te worden, dan wel tegen nog meer
vragen opzag, uit vrees van nog meer sterke stukjes te hooren, weet
ik niet; maar ik was blijde, dat het verhoor een einde had genomen
en ik met goed fatsoen weg kon gaan. Tot mijn schande moet ik zeggen,
dat de Bijbel, die zoo goed dienst had gedaan om mij moeders gunst te
verzekeren, slechts ééns open was geslagen sedert ik van huis ging,
en dat was om na te zien of er ook bankbriefjes tusschen de bladen
in weggestopt waren, wat ik gehoord had, dat men wel eens meer bij
jongelui deed om te zien of zij wel trouw in dat Boek lazen.
Mijn nieuwe eischen werden alle ingewilligd met te meer spoed,
daar ik thuis erg lastig begon te worden; mijn zee-manieren waren
dikwijls erg stuitend in onze huiskamer. Mijn moeder, tante en
zuster waren heel andere dames dan die, welke ik in onze zeeplaatsen
ontmoet had. Mijn vloeken en den baas spelen over onze bedienden was
zeer hinderlijk en bracht er toe bij, dat men tegen mijn ophanden
vertrek niet erg opzag. Met blijdschap hoorde men mij het einde van
mijn verlof aankondigen. Daar ik er nu alles van gehad had, kon ik de
familie koeltjes verlaten, en toen de wagen vóórkwam, sprong ik er in,
reed naar het Gouden Kruis, en meldde mij den volgenden morgen weer
aan boord.
Door het meerendeel mijner kameraden werd ik hartelijk verwelkomd;
Murphy en een paar zijner trawanten deden daarin niet mede. Geen
enkel oogenblik dacht ik met wroeging aan de leugens en huichelarij,
waarmede ik mijne brave ouders bedrogen en opgelicht had. De lezer
zal wel begrepen hebben, dat in het omstandig verhaal omtrent mijne
kist geen woord waarheid was, behalve dat verkleinen op last van den
eersten officier en het rooven van mijn lekkernijen. Dat ik veel van
mijn uitrusting kwijt was, was de waarheid; maar ik had een en ander
verloren door eigen zorgeloosheid, niet omdat het overboord geworpen
was. Toen ik daags na mijn komst op het schip den sleutel van mijn
kist miste, overtuigde de snelle vermindering mijner bezittingen den
eersten officier, dat het restant heel wat beknopter kon gepakt worden,
en dit had het inkorten van mijn kist ten gevolge.
Mijn nieuwe kleeren bracht ik in een koffer mede, en daar deze zeer
handig was, slaagde ik er voortaan in, den boel beter bij elkaar
te houden dan vroeger. Het geld, dat mij toegestopt was, vond zijn
weg wel. Ik begon eenigszins meer aan mijn uiterlijk te hechten,
daar ik opgemerkt had, dat de best gekleede adelborsten in den regel
de aangenaamste dienstbaantjes hadden. Ik werd daardoor dikwijls
aangewezen om gezelschappen met dames, die het schip kwamen bekijken
of bij commandant of officieren kwamen dineeren, met de sloep af
te halen. Ik had tamelijk veel praats en was geen onknappe jongen,
en hoewel nog al ontwikkeld, had ik bij de dames veel vóór, omdat
ik zoo'n aardig, lief jonkertje was, zoo schijnbaar doodonschuldig
van hart en manieren. De reden was, dat ik aan boord onder heel wat
strenger tucht stond, dan in het ouderlijk huis, waar ik mijn vader,
die overigens een zeer knap man was en zijn wereld wel kende, doch
van zeezaken verbazend slecht op de hoogte was, in een zekeren zin,
als hij op mijn terrein kwam, behandelde als dien ondermeester:
ook hij en zijn gansche gezelschap gingen kopje onder in den vijver
hunner onwetendheid. Zoo groot is de macht van plaatselijke kennis
en slimheid over abstracte wetenschap en ervaring.
Mijn laatste slagen te huis had mijn zelfvertrouwen in niet geringe
mate ontwikkeld. Aan schijnbare zedigheid paarde ik eene onovertroffen
schaamteloosheid en hierin won ik het verre van mijne tijdgenooten. Ik
meen hiermede van mijne jongensjaren voor goed te kunnen afstappen. De
drie eerste proefjaren van een leven als adelborst leveren alleen
lotgevallen, die als zij in alle bijzonderheden verteld werden,
meer zouden tegenstaan dan met genoegen worden gelezen en veel eer
tot een afschrikkend dan een aanmoedigend voorbeeld zouden strekken;
stilzwijgend stap ik dus dien tijd voorbij om over te gaan tot mijn
leeftijd van zestien jaren, toen ik reeds zeer opgeschoten was en een
uiterlijk voorkomen had gekregen, waarop ik met recht meende trotsch
te mogen zijn.
In allen deele, behalve waar het godsdienst en zedelijkheid betrof,
hield de vooruitgang van mijn geest gelijken tred met dien van mijn
lichaam. In moraliteit kwam ik meer en meer te kort, ja er brak een
tijd aan, dat ik die, als nuttelooze lading, als ballast, overboord
had gezet. Bij mijn flink gebouwd lichaam deed de verdorvenheid
mijner ziel slechts denken aan een prachtig gepleisterd praalgraf,
waarin van binnen bederf heerschte,--aan een prachtige slang, die, in
weerwil van hare gouden en azuren schubben, een hevig gif verborg. Ik
koesterde hooghartigheid, wraakzucht, bedrog en eigenliefde;--mijne
beste vermogens gingen op in de onedelste bedoelingen.
In de kennis van mijn vak maakte ik goede vorderingen. Het was mij
toen een groot genoegen mij daarvoor in te spannen. Hierbij had ik
het voorrecht om aan mijne eigene krachten overgelaten te zijn, daar
ik nog steeds met mijn oudere collega's op een gespannen voet was en
daardoor weinig voortgeholpen werd. Kostte het mij wat meer moeite,
het geleerde kwam er beter bij mij in door eigen onderzoek. Door den
tijd werd ik een goed navigateur, en tevens een bekwaam zeeman.
Mijne verhouding tot de jongere adelborsten en ook tot de mindere
schepelingen liet weinig te wenschen over. Ik was zoowel te trotsch om
zelf een tiran te zijn, als om mij aan de dwingelandij van anderen te
onderwerpen. Naarmate ik krachtiger werd, wist ik beter mijne plaats
te bewaren, mij te doen eerbiedigen. De kleine schermutselingen,
die zoo al eens onder ons voorvielen, waren eene goede oefenschool
en bezorgden mij, door de vele kleine overwinningen, eene vreedzame
onzijdigheid. Vocht ik wel eens met de ouderen en was ik daarbij
niet gelukkig, toch had ik het voorrecht dat ik, om de toenemende
hardheid mijner vuisten, meer en meer door elk, Murphy hiervan niet
uitgezonderd, met volkomen vrede gelaten werd.
Aan mijn betere opvoeding had ik bovendien een zedelijk overwicht
in de voor-longroom te danken. Doch helaas! ook dit was werkelijk
slechts weinig in mijn waar belang. Ik werd daardoor in veel opzichten
de vraagbaak en albeslisser bij letterkundige twisten, en liet mij
daarop weer veel te veel voorstaan. Mijn omgang werd dikwijls gezocht;
dit bracht mij menigmaal in minder gewenschte gezelschappen. Ik had
een goede stem en bespeelde een paar muziekinstrumenten; hieraan
had ik veel vrijaf in den dienst, en tal van uitnoodigingen in de
officiers-longroom te danken, waar ik meer wijn en grog te drinken en
meer onbehoorlijke gesprekken te hooren kreeg, dan mij dienstig waren.
Wij kregen bevel tot een kruistocht op de Fransche kust, en daar nu
de jongste haven-admiraal een oude grief tegen onzen kolonel had,
zwoer hij bij hoog en laag, dat wij dadelijk uitzeilen zouden, klaar
of niet klaar. Het sein daartoe werd geheschen op het oogenblik,
dat wij aan weerszijden bezig waren water en victualie, buskruit en
munitie van de lichters in te hijschen en de halfdeksbatterij nog
geheel en al van zijne plaats stond. Schot op schot viel van de Royal
William, te gelijk met het sein tot anker lichten door de Gladiator,
het vlaggeschip van den haven-admiraal, herhaald.
De commandant, eenigszins bevreesd voor het mogelijk, per telegraaf,
verkeerd overbrengen van het relaas naar Londen, en wellicht inziende,
dat hij het wel wat veel op den eersten officier had laten aankomen,
gaf den last om er maar goedschiks aan te voldoen; alles werd met
onvergefelijken spoed aan boord gesmeten, wat niet op het schip
thuis behoorde naar den wal gejaagd, het anker gelicht, de zeilen
in top geheschen en voort ging het met een flinke Noordelijke bries,
over de roede van Yarmouth langs de Needles in zee, in een staat van
verwarring, zooals ik nooit meer hoop te aanschouwen.
De schout-bij-nacht sir Hurricane Humbug stond, zooals ik later
vernam, boven bij de strandbatterij naar ons te kijken en mompelde:
»Die verd..... kerel!" (onzen kolonel bedoelende) »daar gaat hij
eindelijk. Ik was al bang, dat hij van het lange liggen zich een bank
onder het schip gemaakt had!"
Dat »haastige spoed, zelden goed is" komt nog meer in zeezaken dan
in andere omstandigheden uit. Zoo was het voor ons schip thans bijna
noodlottig geworden. Hadden wij een vijand ontmoet, dan zouden wij
òf de vlag hebben moeten onteeren door te vluchten, òf genomen zijn
geworden. Nauwelijks waren wij de Needles gepasseerd, of de nacht
brak aan en daarmede kwam een zware NNW. storm. Alle hens was tot
vier uren des morgens in de weer om de sloepen en ankers te sjorren,
zijtakels op te brengen, de aan dek gebleven victualie op te ruimen en
het onderwant met de stagen aan te zetten, daar dit ten gevolge van
het werken van het schip, verontrustend bijgerekt was. Toen dit met
groote inspanning ten uitvoer gebracht was en de kanonnen buitengewoon
gesjord waren, ging de storm in een orkaan over.
Ongeveer te negen uren des morgens viel een, pas kort te voren te
Portsmouth aangeworven, marinier overboord; en hoewel nu verscheidene
ferme gasten in een van de sloepen sprongen en verzochten, dat deze
zoude gestreken worden om hem te redden, werd zulks door den commandant
geweigerd, daar hij koel berekende, dat de kans grooter was om zeven
man er bij te verliezen dan dien eenen te redden,--en zoo werd de arme
kerel aan zijn lot overgelaten. Wel lag het schip bij en had geene
vaart, doch het dreef veel harder dwars uit, dan de ongelukkige,
die evenwel een uitstekend zwemmer bleek te zijn, zwemmen kon.
Het was zeer hard, om de krachtige, maar onvoldoende pogingen aan
te zien, die de arme man aanwendde om het schip weer te bereiken;
al zijne inspanning had alleen tot uitwerking, zijn doodstrijd te
verlengen. Wij bleven hem in 't zicht houden tot hij eene mijl aan
loevert was, nu eens op den kop eener berghooge golf, dan weer in de
diepte tusschen twee golven wegzinkende; eindelijk zagen wij niets
meer! Zijn droevig einde werd lang in het schip betreurd. Destijds
meende ik, dat het wreedheid van den commandant was, om niet de sloep
tot zijne redding van boord te zenden; maar nu ik meer ondervinding
heb, denk ik er anders over en ben overtuigd, dat hij alleen uit
harde noodzakelijkheid van twee rampen de minste koos.
Het lot van dezen jongen man was een ernstige waarschuwing voor
mij. Ik had mij aangewend erg roekeloos te zijn en met nieuw
aangeleerde acrobatische toeren te koop te loopen, zoodat enkele oude
kwartiermeesters en sommige officieren reeds voorspeld hadden, dat
het slecht met mij af zou loopen. Er was alleen verschil van meening
of ik verdrinken zou, dan wel bestemd was mijn nek te breken; voor
het laatste deed ik genoeg mijn best door als een aap in het tuig op
en neer te vliegen. Geen van der marsgasten was daarin zoo vlug als
ik. Ik liep over de marsraas tot aan den nok uit, zonder mijne handen
vast te houden, ging langs de stagen van mast tot mast, of gleed in
een oogwenk langs het marseval naar omlaag; en daar ik een volleerd
zwemmer was, telde ik de kans om te verdrinken al zeer weinig. Toen
ik echter dien armen marinier had zien verdrinken, die even goed,
zoo niet beter dan ik zwemmen kon, werd ik veel voorzichtiger. Ik
had opgemerkt, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin zwemmen
nutteloos is; en hoe gezien ik ook bij de matrozen mocht wezen, was
het duidelijk dat, zelfs al ontbrak het hun niet aan den goeden wil,
zij daarom nog niet altijd in de mogelijkheid zouden zijn om mij te
hulp te komen. Van dien tijd af paste ik boven wat meer op mijn tellen.
Kort nadat wij in zee gestoken waren, gebeurde er iets, dat mij een
groote voldoening gaf. Murphy, wiens aard er toe leidde om tegen
iedereen, dien hij de baas meende te zijn, onbeschoft te wezen, kreeg
twist met een bedaard, hoogst fatsoenlijk jongmensch, een adelborst,
die slechts tijdelijk aan boord was als passagier, om overgevoerd te
worden naar zijn eigen, in de Golf van Biskaye kruisend schip. De jonge
man, gevoelig voor die onbehoorlijke behandeling, daagde Murphy tot
vechten uit, wat door dezen werd aangenomen; maar daar onze passagier
aangenomen had om bij den commandant te gaan dineeren, stelde hij voor
den strijd tot na tafel uit te stellen, daar hij liever niet met een
blauw geslagen oog in de kajuit wilde verschijnen. Murphy beschouwde
dit als een voorwendsel en beleedigde zijne tegenpartij nog eens
opnieuw, door hem toe te voegen, dat hij niet durfde, als hij niet
door den wijn opgewonden was en dat hij stellig wel niet vechten zou,
als hij aan tafel geen wijn genoeg te drinken had gekregen.
De kordate jongeling gaf geen antwoord op dien schimp; hij kleedde zich
en ging naar de kajuit. Het diner was voorbij, en na het opzetten
van de wacht, riep hij Murphy op de achterkoebrug, waar hij hem
een pak slaag toediende, zooals hij nog nooit in zijn leven gehad
had. Het gevecht, of beter gezegd, het pak, duurde niet langer dan een
kwartier, en de jonge bovenrolsgast legde daarbij zooveel handigheid
aan den dag en maakte zoo'n uitmuntend gebruik van zijne vuisten,
dat de ruwe kracht van zijn vijand dezen niets baatte, hij slechts
verdedigender wijze kon te werk gaan, en blijde was zich in het logies
terug te kunnen trekken, in koor uitgejouwd door al de adelborsten,
waarbij ik zorgde niet achter te blijven. Met zoo'n duidelijk bewijs
voor oogen van de voordeelen der kunst van zelfverdediging, besloot
ik mij daarop bijzonder toe te leggen; met den jongen vreemdeling als
leermeester, werd ik in korten tijd zoo'n goed bokser, dat ik Murphy
en zijn aanhang gerust staan durfde.
Op één gedeelte van mijnen dienst had ik, eerlijk moet ik er voor
uitkomen, veel tegen: dit was het wacht doen met den nacht. Ik was
een liefhebber van slapen en kon 's avonds na tien uren mijne oogen
niet meer openhouden. Er was volstrekt niets tegen te doen; vergeefs
besproeiden mijn eigen kameraden mij zeer vrijgevig uit eene puts
met water, vergeefs werd ik onderhouden of bestraft door den eersten
officier,--als de eerste helft van mijne wacht om was, kon niets
mijn slapende geestkracht doen ontwaken. Ik was een der dweepziekste
dienaars van den god Morpheus; en in zijne vereering leed ik allerlei
vervolging. De eerste officier nam mij op zijn eigen wacht en beproefde
alle mogelijke middelen, zoowel met goedheid, als met strengheid, om
mij die hebbelijkheid af te leeren. Ik wist steeds aan zijn waakzaam
oog te ontsnappen en hier of daar een verborgen hoek te vinden, om het
overige van de wacht te slapen; en den volgenden morgen werd ik even
geregeld naar de voormars gezonden, om het grootste deel van den dag
te boeten voor mijne tekortkomingen in de duisternis. Ik geloof, dat
ik van mijne twee eerste dienstjaren wel de helft van mijne wakende
uren in de bovenste verdiepingen doorbracht.
Dáár zorgde ik evenwel altijd boeken bij mij te hebben, en zeker
sleet ik zóó beter en gezonder mijn tijd, dan ik anders omlaag in ons
donker logies zou gedaan hebben. Mr. Handstone, ofschoon een lastig
zeeschip, was op-en-top een gentleman; veel belang stellende in de
jonge, onder hem dienende officieren, deed hij alle moeite hen voort
te helpen en te onderrichten. Meermalen onderhield hij mij ernstig
over deze onbehoorlijkheid in mijn gedrag; mijn antwoord was trouw,
dat ik daarvan evenzeer overtuigd was als hijzelf, maar dat ik er niets
aan kon veranderen; dat ik alle straffen daarvoor eerlijk verdiende,
en mij in dit opzicht geheel op zijne goedheid verliet. Dikwijls riep
hij mij op de wacht te loefwaarts bij zich en knoopte een gesprek aan
over alles wat hij meende, dat mij belangstelling kon inboezemen of
opwekken. Bemerkende, dat ik nog al veel aan geschiedenis had gedaan,
vroeg hij dikwijls mijne zienswijze, of gaf zijne eigene met een groote
dosis gezond verstand; maar altijd werd op een gegeven oogenblik het
gewicht mijner oogleden zoo zwaar, dat ik soms, als hij midden in
eene lange redeneering was, stil de kuiltrap wist af te sluipen en
hem zijne slot-oratie tegen de wolken liet ten einde brengen.
Nu, dit was toch wel een beetje al te erg en werd ook als zoodanig
beschouwd. Ik had niet alleen dienstverzuim gepleegd, maar ook gebrek
aan eerbied aan mijn meerdere getoond. Bovendien was hij nog het
meeste boos geworden, omdat hij mijn verdwijnen eerst opgemerkt had
uit de kwalijk verborgen vroolijkheid van het andere wachtpersoneel.
Eindelijk werd mijne ongenade bij hem voltooid door eene handeling,
waarbij ik echter niet alle schuld had. Eens op een morgen had hij mij
reeds te zeven uren naar de vóórbramzaling gezonden, en liet mij daar,
hetzij omdat hij in een kwade luim was, hetzij doordien hij mij vergat,
den geheelen dag blijven. Toen hij omlaag ging om te eten, liet ik mij
in de mars zakken, vond daar een gezellig plekje om te slapen in een
der bramlijzeilen, en had den uitkijk boven opgedragen mij te wekken,
als de eerste officier weer aan dek kon komen. Juist was ik druk in
den dienst van mijn geliefden god Morpheus, de uitkijk had verzuimd
een oogje op de achtertrap te houden, de eerste officier kwam op dek,
en zich mijner herinnerende, keek hij naar boven en riep mij toe.
Die stem hoorende, schrikte ik op en klom aan den voorkant der
steng weer zoo vlug mogelijk naar boven, hopende dat hij mij bij
de reeds ingevallen schemering niet zien zou. Maar ik had hierin
misgerekend. Hij zag, wat voor alle partijen maar beter was geweest
niet te zien. Hij riep de drie man die in de mars werkzaam waren
toe hem te zeggen, waar ik mij bevond. Zij antwoordden: »Op de
zaling." »Wat!" schreeuwde Handstone, met een vloek er op: »wilt
ge soms vertellen, dat ik hem niet duidelijk juist naar boven zag
klimmen?"
»Neen, mijnheer," antwoordden de matrozen, »hij zit nu zeker op de
bramzaling te slapen."
»Kom allen naar omlaag, jelui leugenbeesten," beval de eerste officier
»en ik zal je leeren waarheid te spreken!"
Ik, die op dat oogenblik kalm mijnen strafzetel weer ingenomen had,
kreeg ook bevel om af te komen; alle vier moesten wij op 't halfdek
komen, waar wij volgenderwijze ondervraagd werden:
»Welnu" zeide de eerste officier tegen den marsgast, »hoe durft gij
zeggen, dat de jonker op de zaling zat, terwijl ik hem met eigen
oogen langs de marsdraaireep zag opklimmen?"
Het speet mij voor de kerels, die om mij te helpen, zich in
moeielijkheden hadden gewerkt, en ik wilde juist met de volle waarheid
voor den dag komen, toen tot mijne groote verbazing de man stoutweg
antwoordde: »Ik verzeker u, dat hij op de zaling zat, mijnheer,
op mijn eerewoord."
»Uw eerewoord!" riep de eerste officier verachtelijk. Daarop zich
achtereenvolgens tot de beide andere mannen wendende, deed hij hun
dezelfde vraag en ontving hetzelfde besliste antwoord; dit was zoo
sterk, dat ik mij nu al begon in te beelden, dat ik werkelijk boven
gebleven was en de rest maar gedroomd had. »En nu, mijnheer," wendde
hij zich het laatste tot mij, »ik vraag u thans op uw woord van eer
als officier en als fatsoenlijk man: waar waart gij, toen ik het
eerste naar boven riep?"
»Op de zaling, sir," was mijn antwoord.
»Dan zal ik het aannemen," zeide hij; »daar gij officier en gentleman
zijt, ben ik verplicht u te gelooven." Hierop keerde hij zich om en
ging heen woedend, zooals ik hem nog nooit gezien had.
Ik begreep duidelijk, dat hij mij toch niet geloofde en dat ik
nu voortaan voor goed uit zijne gunst was. Maar als men nu eens
onpartijdig over mijne handeling wil nadenken, hoe kon ik in dit geval
anders gedaan hebben? Men had mij bepaald op de bramzaling vergeten;
ik was al mijn eten misgeloopen; en die arme matrozen hadden alleen
om mij voor straf te vrijwaren, een onbeschaamden leugen verteld, met
groote kans om daarvoor een pak op hun broek op te loopen. Had ik hen
nu in den steek gelaten, dan zouden zij hiervan niet vrijgekomen zijn,
en ikzelf zou bij iedereen aan boord afgedaan hebben; vandaar dat
ik werkelijk meende, dat ik als man van eer en van fatsoen verplicht
was een leugen te vertellen, ten einde die arme kerels voor een zeer
wreede bestraffing te vrijwaren.
Ware ik alleen in deze zaak betrokken gebleven, ik zou zeker, ofschoon
geen aanspraak op martelaarschap beoogende, eerlijk de waarheid
hebben gezegd. Het was alles de schuld van den eersten officier zelf:
ten eerste was hij begonnen met te gestreng te zijn, en ten tweede
had hij het onderzoek in eene zaak van zoo ondergeschikt belang veel
te ver doorgezet. Toch hinderde het mij geweldig, dat ik er in was
geraakt; zoodra dan ook de eerste officier genoegzaam bekoeld was,
zoodat ik veronderstellen kon, dat de betrokken matrozen vrij van
straf zouden blijven, ging ik naar hem toe en verklaarde hem mijn
gedrag en den tweestrijd, waarin ik geweest was. Hij ontving mijne
excuses zeer koel en nooit zijn wij weer goede vrienden geworden.
Onze kolonel, die nog al vermetel was, slaagde er in den vijand op
de Fransche kust eenig nadeel toe te brengen. Ik zag kans om bij een
onzer sloepen-expedities mede te slippen; wij landden, overrompelden
een batterij en vernagelden de stukken. De Fransche soldaten vluchtten
in aller ijl en gaven ons gelegenheid om eenige visschershutten te
plunderen. Ik liep met de anderen mede om ook eenigen buit te snappen,
en..... ik snapte een koopje. Buiten een der hutten lag een kolossale
visch met den bek open; ik stak er een vinger in om hem weg te sleepen;
maar mijne vangst was nog allesbehalve dood, hapte toe en beet mij
het vleesch door tot op het been. Mijn bloed vloeide, en dit was het
eenige dat deze tocht ons gekost heeft.
Ofschoon ik er zelf ook aan schuldig was, kon ik dat plunderen door
de anderen niet goed aanzien. De matrozen kaapten allerlei dingen,
waar zij letterlijk niets aan hadden, om weer weg te smijten in ruil
voor even nuttelooze dingen. Meermalen bedacht ik later dat ik voor
mijn aandeel behoorlijk gestraft werd en dat het ook niet aanging
geheel onschuldige, ongelukkige wezens de ellende van den oorlog
te laten medegevoelen. Onze volgende ontmoeting had echter nog meer
ernstige gevolgen voor de grootste, de onschuldigste slachtoffers van
den oorlog, waarvan de bewerkers intusschen rustig op hunne donzen
bedden sliepen, als hadden zij aan dat alles geen deel.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Na het gebeurde op de voorbramzaling zou het mij nimmer gelukt zijn het
vertrouwen en de achting van onzen eersten officier te herwinnen. Hij
was ongetwijfeld een uitmuntend en streng dienstdoend officier en
kon daardoor onmogelijk iets wat hij beschouwde te zijn een inbreuk
op de eer, door de vingers zien. Toen het toeval dan ook kort daarna
medebracht, dat wij van elkaar scheidden, was mij dit niet onaangenaam.
Eens jaagden wij in de baai van Arcasson op een vaartuig, dat,
zooals gewoonlijk, zijn heil onder den wal nabij eene batterij zocht;
en onze commandant besloot, zooals dit nu zijne gewoonte was, het
daar vandaan te laten halen. Tot dit doel werden de noodige sloepen
bewapend, daarvoor de bemanning aangewezen en alles voorbereid voor een
aanval op den volgenden morgen. Het bevel over dezen tocht werd aan den
eersten officier opgedragen, die dit volijverig aanvaardde en in zeer
opgewekte stemming naar bed ging, in het vooruitzicht van den roem en
het voordeel, die de volgende dag hem zou brengen. Hij was dapper en
bedaard bij een gevecht, zoodat de matrozen hem vol vertrouwen, als
den leider tot een zekere overwinning, volgden. Of nu ditmaal zijn
slaap door onrustige droomen gekweld was geworden, dan wel nadere
overpeinzing van de moeielijke en gevaarlijke taak die hem wachtte,
hem verontrust had, weet ik niet; maar des morgens viel ons allen een
belangrijke verandering in zijne wijze van doen op. Zijn ijver was
verdwenen; met langzame en afgemeten passen, stapte hij over het dek,
schijnbaar in diepe gedachten verzonken, en wat hij anders nooit was,
ditmaal stil en droefgeestig en onverschillig voor de dienstzaken.
De sloepen werden klaargemaakt, de officieren waren er reeds in, de
riemen werden opgezet, de oogen der jeugdige krijgshelden fonkelden
van geestdrift en nog liet de heer Handstone, steeds in diep gepeins
op dek loopende, zich wachten. Ten laatste ontving hij een herinnering
van den commandant, die hem op luider toon dan gewoonlijk vroeg, of
hij nu van plan was om het bevel te aanvaarden, Zijn antwoord was:
»Wel zeker, onmiddellijk," en toen stapte hij flink en krachtig het
halfdek over en liet zich in zijne sloep af.
Ik volgde en zette mij naast hem neder; hij keek mij vreemd en
onverschillig aan; ware hij in zijne gewone stemming geweest,
ongetwijfeld zou hij mij in eene der andere sloepen gezonden
hebben. Wij hadden een heel eind te roeien, vóór wij het voorwerp
van onzen aanval bereikten, terwijl het zoo dicht mogelijk onder den
wal geankerd lag en gereed was ons te ontvangen. Eene volle laag van
kartetsen was onze eerste begroeting. Deze had op ons volk dezelfde
uitwerking als de sporen op een strijdros. Wij kwamen langs zijde en
enterden het vaartuig. Handstone had in een oogenblik zijne gewone
opgewektheid herkregen, moedigde zijne manschappen aan, klom met de
sabel tusschen de tanden tegen het boord op, terwijl ons volk een salvo
van geweerschoten loste en daarna hun onverschrokken aanvoerder volgde.
In onze sloep, die het eerst op zijde was gekomen, waren in minder dan
een oogenblik elf man van de vierentwintig dood of buiten gevecht. Dit
niet tellende, sprong de eerste officier vooruit. Ik volgde hem op de
hielen; van de verschansing was hij dadelijk op het dek, en vóórdat
ik mijn zwaard kon trekken om hem bij te staan, viel hij achterover
tegen mij aan, sleepte mij in zijnen val mede en was een lijk. Zijn
lichaam was door dertien geweerkogels getroffen.
Ik had geene gelegenheid om onder hem weg te komen, vóór er
op ons getrapt werd en ik bijna stikte onder het gedrang mijner
scheepsmakkers, die vurig om den prijs te nemen of om ons verlies te
wreken, met onweerstaanbare dapperheid voortrukten. Ik werd voor dood
gehouden en dienovereenkomstig behandeld, zoodat men mijn lichaam
gebruikte als een trede aan den valreep, waar de trap ingenomen
was. Daar bleef ik liggen, bijna flauw van de drukking en half gestikt
in het bloed van mijn heldhaftigen aanvoerder, op wiens borst mijn
hoofd rustte, terwijl ik, ter beschutting van mijn schedel tegen de
hakken mijner vrienden en de wapens mijner vijanden, mijne handen om
het achterhoofd hield. Daar ik nog nadenken kon, kwam ik echter tot de
overtuiging, dat voorloopig een verandering van positie niet in mijn
belang was. Binnen acht minuten was de strijd beslist, ofschoon het mij
in mijn neteligen toestand, oneindig lang scheen. Vóór het afgeloopen
was, geraakte ik geheel in onmacht, en toen ik weder bijkwam was het
vaartuig onder zeil en buiten bereik van de schoten der versterking.
De eerste oogenblikken van rust na het bloedbad werden besteed
tot onderzoek naar de dooden en gewonden. Ik werd tot de eersten
gerekend en tusschen de stukken, naast de ontzielde lichamen van
den eersten officier en de overigen neergelegd. Een frissche koelte,
die de geschutpoort inwoei, bracht mij een weinig tot mijzelven, maar
flauw en ziek als ik mij gevoelde, had ik de macht, noch de neiging
om beweging te maken; mijn hoofd duizelde, ik wist niet goed meer wat
er met mij gebeurd was en bleef in een soort van bedwelming, totdat de
prijs bij het fregat was aangekomen en de hoera's van gelukwensching en
overwinning door de aan boord achtergeblevenen mij in de ooren klonken.
Met de eerste sloep kwam de dokter met zijne helpers over, om de dooden
te onderzoeken en aan de gekwetsten de eerste hulp te verleenen. Murphy
kwam ook mede. Hij was niet bij de expeditie geweest; toen hij mijn
dood gewaand lichaam zag, raakte hij het met de punt van zijn voet
aan, daarbij uitroepende: »Daar hebben we een jongen haan, dien zij
het kraaien verleerd hebben! Wel wonder, want het jong was voor de
galg bestemd."
Het geluid van 's kerels gehate stem zou voldoende geweest zijn om mij
uit mijn graf op te wekken, maar zoover was het nog lang niet met mij;
zwakjes riep ik uit: »Je liegt," wat te midden van het droevige tooneel
rondom mij een smakelijk gelach ten zijnen koste teweegbracht. Ik
werd naar boord overgevoerd, te bed gebracht en adergelaten; spoedig
was ik in staat om de bijzonderheden onzer ontmoeting te vertellen,
doch een geruimen tijd bleef ik gevaarlijk ziek.
De uitlating van Murphy bij mijn dood gewaand lichaam en mijn
bondig antwoord gaven aanleiding tot veel vroolijkheid aan boord; de
adelborsten sarden hem door hem den redder van mijn leven te noemen,
daar niets dan zijn gehate stem mij uit den doodslaap had kunnen
wekken. Het treurig lot van den eersten officier werd door ons allen
betreurd, ofschoon ik niet ontveinzen kan, dat het mij in dit geval,
evenals den vorigen keer toen de dood een paar getuigen van mijn
vechtangst had weggenomen, niet erg speet. Toen ik eenmaal wist,
dat ik zijne goede meening verbeurd had, was het mij vrij aangenaam,
dat ik hem nooit meer ontmoeten zou. Het bleek nu, dat hij een sterk
voorgevoel van zijn dood had gehad; dikwijls had ik van het bestaan
van iets dergelijks gehoord, maar dit nog nooit bijgewoond.
De prijs, die door ons genomen was, heette l'Aimable Julie; zij was
geladen met koffie, katoen en indigo, voerde veertien stukken en telde
vóór het gevecht zevenenveertig koppen, waarvan er acht sneuvelden en
zestien gewond raakten. Daar dit buitenkansje voorviel kort vóór wij
naar onze haven moesten terugkeeren, zetten wij spoedig koers naar
Spitheads reede, alwaar onze commandant een hartelijke verwelkoming
van den admiraal ontving. Toen ons rapport ingediend en de averijlijst
opgemaakt en aan den admiraal opgezonden was, kregen wij per keerende
post last om ons zeeklaar te maken. De bestemming was onbekend,
en zelfs voor den commandant een geheim. De matrozenvrouwen echter
beweerden te weten, dat wij naar de Middellandsche zee moesten,
en zoo kwam het ook uit.
Slechts enkele dagen werden ons gegund om ons haastig klaar te maken;
hiervan maakte ik ook gebruik om een paar malen naar huis te schrijven,
waardoor ik verkreeg wat ik beoogde, namelijk het noodige geld. Wij
gingen onder zeil en bereikten spoedig, zonder ongevallen, Gibraltar,
waar wij de algemeene order vonden, die op elk uit Engeland aangekomen
schip geldig is, namelijk, om ons te gaan stellen onder de bevelen
van den admiraal te Malta. Weinige uren waren voldoende om onzen
victualie- en watervoorraad aan te vullen; toen zetten wij onze reis
voort, in grooter haast om van Gibraltar weg te komen, dan om Malta te
bereiken,--zooveel mogelijk de bochten van de Spaansche kust volgende,
in de hoop onder weg een en ander op te pikken, dat ons te La Valette
een even hartelijke ontvangst zou bezorgen, als onlangs te Portsmouth
ons deel werd.
Vroegtijdig, den tweeden morgen na ons vertrek, liepen wij Kaap de
Gata in 't zicht. Met de ochtendschemering ontdekten wij vier zeilen
bovenswinds en dicht onder de kust. Begunstigd door een lichte koelte,
zetten wij alle zeilen bij voor de jacht. Verscheidene uren achtereen
wonnen wij slechts weinig, en tegen den avond ging de wind geheel
liggen. Toen werden de sloepen gereedgemaakt om de vervolging voort te
zetten, en wij staken van boord, elk een eenigszins uiteenloopenden
koers nemende. Ik was bij den master in de giek, en daar deze het
snelst roeide, kwamen wij spoedig bij eene der feloeken aan. Wij
losten er eenige geweerschoten op; doch daar er weer een zuchtje
was doorgekomen, weigerde het vaartuig bij te draaien. Toen werd
bijzonder op den man aan het roer gemikt en deze ook werkelijk
getroffen; de eenige verandering, die wij daarmede verkregen was,
dat hij den helmstok met de rechterhand moest loslaten, doch nu met
de linkerhand bleef doorsturen. Wij van onzen kant bleven op dien
onverschrokken kerel doorvuren, maar 't was zóó eigenlijk niets beter
dan moordenaarswerk, daar hij zich niet kon verdedigen, doch slechts
trachtte te ontkomen.
Ten laatste, na eens goed opgehaald te hebben, gelukte het ons met den
sloepshaak in den spiegel van het scheepje te pikken, maar nauwelijks
waren de riemen ingelegd, of men sloeg van boord onzen haak weer los,
en wij dreven een goed eind achter. Daar nu de bries geheel opraakte,
konden wij zoodoende spoedig weer oproeien, kwamen langs zijde en namen
het vaartuig in bezit. De arme roerganger was tot het laatst toe zijn
dienst blijven waarnemen, ofschoon hij geweldig bloedde. Wij boden hem
alle hulp en vroegen, waarom hij zich niet eerder had overgegeven. Hij
antwoordde fier, dat hij een Oud Castiliaan was. Of hij van meening
was, dat een spoediger overgave onteerend zou geweest zijn, dan wel
uit eigen ondervinding geleerd had, dat men tot het laatste oogenblik
nooit weten kan hoe het loopt, kan ik hier niet uitmaken. Maar zeker
is het, dat ik nooit iemand ontmoette, die zich kraniger hield. Gaarne
had ik alles willen geven wat ik bezat om de wonden te kunnen heelen
van dien geduldigen, zachtzinnigen, doch onversaagden ouden man,
die geene klacht uitte, maar zich aan zijn noodlot onderwierp met
eene zielegrootheid, die zelfs Socrates hem benijd zou hebben. Hij
had vier kogelwonden en overleefde, zooals te verwachten was, slechts
enkele uren zijne gevangenneming.
Tot onze verbazing bemerkten wij, dat dit scheepje met de drie andere,
waarvan er nog een door de sloepen genomen was, van Lima uitgezeild
was. Zij voerden slechts één mast, de bemanning was twaalf koppen
sterk en de inhoud ongeveer dertig ton: de lading bestond uit koper,
huiden, was en cochenille, en zij hadden toen vijf maanden reis. Hunne
bestemming Valencia zouden zij binnen een dag bereikt hebben, indien
zij niet door ons onderschept waren geworden. Wisselvallige kansen
van den oorlog toch! Deze dappere schipper had, na een zorgelijke en
vermoeiende reis, het vooruitzicht binnen enkele uren bij de zijnen
aan te landen en hen te verblijden met het loon voor zijn eerlijke
arbeidzaamheid en ondernemingsgeest,--toen eensklaps door ons aan al
die zoete verwachtingen de bodem werd ingeslagen. Voor ons kwam het
prijsgeld binnen onder de tranen, zoo al niet de vervloekingen van
zijne weduwe en weezen!
Door eenig bericht, dat onze kolonel met den prijs opdeed, werd hij
genoopt om van hier naar de Balearische eilanden over te steken. Wij
liepen Iviza in 't zicht en zeilden er langs, naar de baai van Palma
op het eiland Majorca; tot onze teleurstelling vonden wij hier niets
en zetten onzen koers om het eiland voort.
Hier gebeurde iets zoo vreemds, dat het bijna niet te gelooven is;
toch is geen twijfel denkbaar, omdat er buiten mij nog anderen getuige
van zijn geweest. De zee was spiegelglad en het weer prachtig schoon;
onze afstand van den wal bedroeg meer dan 5/4 mijl, toen de commandant
de schootsverheid van onze kuilbatterij willende bepalen, den konstabel
gelastte een der achttienponders op de kust te richten. De konstabel
verzocht om een doel op te geven. Toevallig zag men van boord een
mensch langs het witte strand loopen, en daar er, om den grooten
afstand, schijnbaar niet de geringste kans bestond hem te kunnen
treffen en het slechts een klein stipje geleek, werd hij als doelwit
aangewezen. Het schot ging af en de man viel getroffen neder. Op
dit oogenblik zag men eenig rundvee uit den boschrand te voorschijn
komen, en werden daarop sloepen van boord gezonden om eenige daarvan
te schieten en weg te kapen.
Bij het aan wal stappen, bevonden wij, dat ons slachtoffer door den
kogel middendoor was geschoten; en het zonderlingste van de zaak
was, dat hij een man van stand bleek te zijn. Hij was zeer netjes
gekleed en droeg een korte zwarte broek, waaruit zijden kousen te
voorschijn kwamen; toen hij het doodelijk schot ontving was hij in
een van de werken van Ovidius lezende, welk boek ik hem nog uit de
handen moest nemen.
Dikwijls hoort men van de wonderdadige uitwerking van een toevallig
afgegaan schot, maar wie had ooit kunnen veronderstellen, dat
die ongelukkige kogel zoover komen en zooveel onheil stichten
zou. Wij begroeven den armen heer in het zand, nadat ik nog een klein
miniatuurportret van een mooie jonge vrouw van zijn hals had afgenomen
en nog een kostbare borstspeld bij mij had gestoken. Twee of drie
van de koeien schoten wij neer: deze werden gevild en gevierendeeld
in de sloep geladen, zoo keerden wij naar boord terug. Ik leverde
de kostbaarheden bij den commandant in, doch deze gelastte mij ze te
bewaren, tot er soms navraag van de familie gedaan mocht worden. Jaren
daarna had ik die nog in mijn bezit.
Twee dagen later ontmoetten wij weer een vaartuig, dat er verdacht
uitzag; daar het stil was, werden terstond de gewapende sloepen op de
jacht uitgezonden. Deze verkenden het, naderbij komende, voor eene
chebèque, varende onder Fransche vlag; die vlag werd echter spoedig
neergehaald en door geen andere vervangen. Toen wij binnen stem-bereik
kwamen, riepen zij ons toe om voorbij te gaan, onder bedreiging van
te zullen vuren, als wij nader kwamen. Zoodanige waarschuwing kon op
een Britsch officier, maar vooral op zulke vuurvreters als wij waren,
geen invloed hebben. Wij bleven er dus op aanroeien en geraakten in
een wanhopigen strijd, waarbij de partijen even sterk in aantal waren,
doch zij het voordeel hadden op hun dek te staan en door verschansingen
beschut te zijn. Wij echter behielden de overhand, kwamen aan boord
en namen het vaartuig in bezit met een verlies aan onze zijde van
zestien, en aan hunnen kant van zesentwintig man, zoo dooden als
gewonden. Maar groot was onze ontsteltenis, toen wij gewaarwerden het
bloed van eigen bondgenooten vergoten te hebben. Het scheepje bleek een
kaper uit Gibraltar te zijn; zij hadden ons voor Franschen aangezien,
omdat in onze sloepen de riemen in ijzeren dollen geroeid werden op
de Fransche manier; en wij hadden gemeend, dat zij Franschen waren om
hun vlag en later om de taal, waarin zij ons toegeroepen hadden. In
dit gevecht verloren wij drie officieren en verscheidenen van onze
beste matrozen. De kaper had eene uit allerlei natiën bijeengeraapte
bemanning; het meerendeel waren Grieken; en ofschoon zij een vrijbrief
van den gouverneur van Gibraltar wisten te toonen, kwam het ons voor,
dat zij weinig op de nationaliteit van eenig schip letten zouden,
zoodra zij slechts begrepen, dat het hun niet te sterk was.
Na deze ongelukkige vergissing gingen wij naar Malta door; de kolonel
was eenigszins bevreesd voor een berisping van den admiraal voor
zijne ondoordachte handeling om de sloepen af te zenden naar een
schip, waarvan hij de weerbaarheid niet kende. Gelukkig voor hem was
de admiraal afwezig, en toen wij hem later ontmoetten, hadden wij
weer zooveel prijzen er bij genomen, dat deze kleinigheid er onder
doorliep en met den mantel der liefde bedekt werd.
Tijdens ons verblijf in de haven van Malta viel op een goeden nacht
mijn vriend Murphy overboord en dat nog wel terwijl alle sloepen
uit het water geheschen waren. Hij kon niet zwemmen en zou zeker
verdronken zijn, als ik niet overboord gesprongen was en hem boven
water gehouden had tot er hulp kwam opdagen. De lieden aan boord
verkondigden over deze mijne daad meer lof dan die verdiende. Iemand
onder zulke omstandigheden het leven te redden, is een verdienstelijke
daad; maar mijn eigen leven te wagen voor een ander, die van mijne
komst aan boord af steeds getoond had mijn bitterste vijand te zijn,
was veel meer dan zij verwacht hadden, en ontegenzeggelijk de edelste
wraak, die ik had kunnen nemen. Maar hierin waren zij mis,--zij
kenden mij nog niet genoeg; het was slechts mijne ijdelheid geweest
en het verlangen om mijnen vijand te verpletteren onder zijne zware
verplichtingen, die mij tot zijne redding hadden doen besluiten;
bovendien toen ik van de valreep zijn gespartel stond aan te zien,
begon ik te vreezen, dat al de wraak, die ik voor hem opgegaard had,
mij daar in eens dreigde te ontgaan. Om kort te gaan, ik kon Murphy
niet missen, en redde hem alleen om dezelfde reden, waarom een kat
nog een paar malen de gevangen muis loslaat.
Murphy erkende de verplichting die hij aan mij had, en betuigde, dat
hij in vrees voor den dood had verkeerd, maar binnen een paar dagen
vergat hij wat hij mij schuldig was, voltooide zijn eigen schande en
was oorzaak dat mijn karakter verheven werd ten koste van zijnen goeden
naam. Om een zeer onbeduidende reden wierp hij mij een kom vuil water
in het aangezicht, toen ik eens langs hem ging; dit was een schoone
aanleiding om aan mijn lievelingshartstocht te voldoen. Reeds lang
had ik op een aanleiding tot twist met hem gewacht, maar daar hij op
onzen overtocht naar Gibraltar tot Malta ziek was geweest, had die
ontbroken. Hij was nu hersteld en in 't volle genot zijner krachten,
zoodat hij vreemd opkeek van mij den eersten slag te ontvangen. Een
worsteling volgde; ik bracht al mijne bokslessen in practijk en
wond mijzelf tot gloeihitte op bij het herdenken aan de vroeger
van hem ondervonden beleedigingen. Tot zijn eer moet ik zeggen, dat
hij zich heel goed hield,--maar er stond voor hem veel op het spel;
verloor ik het, welnu dan bleef alles zooals vroeger, maar voor hem
was het een gansch ander geval. Een gevallen tiran kan zijne vrienden
wel tellen. Dol van woede bij de gelukkige stompen, die ik hem in 't
aangezicht toebracht, verloor hij zijne kalmte, terwijl ik doodbedaard
bleef; zijne bewegingen waren zoo wild, dat ik al zijne slagen wist
te keeren en met woeker terugbetaalde. Eindelijk bleef hem niets
over dan zich gewonnen te geven met half dichtgeslagen oogen en een
zoodanig met bloed bevlekt, opgezwollen gezicht, dat hij zelfs voor
zijne vrienden, als hij die bezeten had, onkenbaar zou zijn geweest.
Ik was er zonder eenig merkteeken afgekomen; de meesten onzer waren
met gemaakte prijzen medegezonden en dus van boord afwezig; maar
de twee oudsten uit onze voorlongroom, een oude masters-assistent,
die geen kans had om ooit bevorderd te worden, en de jonge dokter,
die mij bij den pols had gehouden, toen ik voor mijne zoogenaamde
insubordinatie had moeten boeten, waren nu, als getuigen van Murphy,
bij het gevecht tegenwoordig geweest. In beginsel had ik aangenomen,
om als ik in den strijd gelukkig was geweest, de behaalde voordeelen
te vervolgen. De juichtonen der overwinning galmden door ons verblijf:
de jongsten bewierookten mij met triomfzangen en gaven groote ergernis
aan het bovengenoemde drietal. De jonge dokter, een bleekneuzig,
dom, pokdalig en ziekelijk uitziend jong man, was dwaas genoeg om
hardop te zeggen, dat, omdat ik Murphy een pak slaag had gegeven,
ik nog niet denken moest, dat ik nu de baas in de voorlongroom
was. Mijn antwoord hierop was een beschuit, die ik als een seinschot
van waarschuwing in zijn gezicht slingerde; en op hem toespringende,
vóór hij zijne lange beenen onder de tafel had kunnen uittrekken,
vatte ik hem met mijne hand in zijn halsdas en draaide die zoo stijf
dicht, dat ik hem half deed stikken, terwijl ik onderwijl zijn hoofd
eenige malen zeer onzacht met het beschot liet kennis maken.
Toen hij mooi zwart in 't gelaat begon te worden, liet ik los, hem
vragende of hij soms nog voldoening verlangde, waarop hij ontkennend
antwoordde; en van dien dag af was hij altijd behoorlijk onderdanig
jegens mij. De andere oudere heer, een stevige koopvaardijlobbes,
gevoelde zich zeer onaangenaam gestemd bij de achtereenvolgende
nederlagen van zijne bondgenooten, en zou, geloof ik, graag een
afzonderlijken vrede met mij gesloten hebben. Hij had er in 't geheel
niet over gedacht om den dokter te hulp te komen, ofschoon deze er
hem herhaaldelijk om gesmeekt had. Het was mij een groot genoegen
dit op te merken, en ik was nu te gewilliger ook hem zijn aandeel
te geven, nu ik zag, dat hij er weinig zin in had. Maar het was hem
daarom niet geschonken. Om twaalf uren in dien nacht, werd ik van de
eerste wacht afgelost en vond, omlaag komende, den ouden assistent in
een verregaanden staat van dronkenschap. Zoo rolde hij in zijne kooi
en viel in slaap. Toen hij daar »als een zwijn" lag, nam ik een stuk
helschen steen, maakte dit nat en trok allerlei streepen en figuren
over zijne getaande physionomie. Zijne op zichzelve reeds buitengewoon
leelijke tronie had nu veel van een getatoueerden Nieuw-Zeelander. Den
volgenden morgen, toen hij zijn toilet ging maken, was mijne partij
in stille verwachting naar de ontknooping. Hij opende een oude
toiletdoos, zette scheermes en zeep klaar, haalde een ouden riem en
plaatste een driehoekig stuk spiegelglas tegen het opstaande deksel,
gereed om zich in te zeepen. Wie beschrijft de afschuw en verbazing,
waarmede hij terugsprong bij het zien zijner eigene beeltenis? Hij
overtrof Roscius bij het aanschouwen van den geest van Hamlet. Met
zijn natgemaakten voorvinger wilde hij de vlekken uitwisschen, maar
de schoone teekeningen wilden niet verdwijnen, en wij stonden als
kleine saters rondom hem te schateren van het lachen.
Ik vertelde hem boutweg, dat hij evenals Murphy en de dokter, mijn merk
droeg; en, voegde ik er met een wreede spotternij, die ik beter gedaan
had voor mij te houden, bij: ik wilde vandaag nu al mijne onderdanen
eens in zwarte livrei zien. Ik vroeg, of hij voldaan was over mijne
schikking, of dat hij daartegen appèl wenschte aan te teekenen;
hij gaf te kennen, dat hij het er bij zou laten.
Zoo had ik, in ééne vierentwintig uren de groote bondgenooten, zoo
lang mijne onderdrukkers, ten onder gebracht. De gevolgen mijner
overwinning kan ik in een paar woorden mededeelen. Van dit oogenblik
af, evengoed als ware er eene omwenteling geweest, heerschte er in de
voorlongroom vrijheid en gelijkheid, al liet de broederschap nog wel
iets te wenschen over. Mijn invloed was nu groot genoeg geworden om
aan allerlei wederrechtelijkheden een eind te kunnen maken, en dit
deed ik ook trouw. De vroeger zoo hinderlijke tirannie der oudsten
was volkomen gebroken. Daar nu in het vervolg ook bleek, dat ik niet
zoo twistziek was als men vroeger dacht, maakten mijne handelingen
een werkelijk zeer gunstigen indruk ook bij de officieren.
Wij verlieten Malta, in de verwachting onzen opperbevelhebber
(eskadercommandant) in de buurt van Toulon te vinden. Nu heeft zelden
de commandant van een fregat een groot verlangen om bij zijn admiraal
te komen, tenzij hij gewichtige brieven moet overbrengen. Dit laatste
was thans niet het geval; met een zwaren oostelijken storm achter
ons, vlogen wij westwaarts de Middellandsche zee door en moesten
toen weer langs de Spaansche en Fransche kusten opwerken. »Het is een
slechte wind, die niemand wat goeds aanwaait", zegt het spreekwoord;
dit ondervonden ook wij weer; hadden wij nabij Toulon gekruist met het
overige deel van de vloot, dan zou het ons al bitter weinig voordeel
hebben opgeleverd om eenige prijzen te maken, want het prijsgeld
moest dan in zooveel deelen verbrokkeld worden. Onze kolonel, die een
slimme kerel was, maakte liever buit op eigen gelegenheid, en als er
iets genomen was, zond hij het altijd bij voorkeur naar Gibraltar;
ten eerste, omdat wij dan weer daarheen gezonden werden om ons volk
terug te halen, en ten tweede, omdat hij uit ervaring wist, dat men
bij het admiraliteitshof te Malta erg knoeide en dat dáár altijd veel
aan den strijkstok bleef hangen.
Al wat wij tot nu toe genomen hadden werd dan ook voor de formaliteit
der prijsverklaring naar Gibraltar gezonden, en nu vonden wij
gelegenheid er nog wat aan toe te voegen. Wij hadden het geluk
eerst een groot schip te vermeesteren, en daarna weer eene brik. De
laatste had eene lading tabak en wijn in. Met het bevel over deze
brik werd ik belast, en geen eerste minister had ooit zoo'n drukkende
verantwoordelijkheid bij zoo'n gebrekkigen steun. De bemanning van het
fregat was, door de vele gemaakte prijzen, die naar eene haven onder
zeil waren, en door de ongelukkige ontmoeting met den kaper zoo gedund,
dat mij slechts drie man konden afgestaan worden. Ik was echter zoo
blijde met mijn eerste commandement, dat ik geen bezwaar gemaakt zou
hebben, zelfs al had ik alleen met een hond en een varken moeten varen.
De sloep van het fregat bracht ons over. Er woei een fiksche
Oostenwind; dadelijk legde ik het roer op en stuurde op de oude rots
aan. Toen de wind later toenam en storm werd, hield ik hem maar
recht van achteren, doch moest spoedig besluiten de bramzeilen te
bergen. Met groote moeite, en één voor één, wisten wij dit gedaan te
krijgen. Toen bleek het noodig een paar reven in de marszeilen te
steken, maar dit ging niet. Wij namen de proef met een zoogenaamd
Spaansch rif, d.i. wij lieten de marszeilen op den rand loopen en
zetten de riftalies stijf, doch wij bleven vóór den wind, die nog
steeds onrustwekkend toenam, door het water vliegen. Onze lading
(wijn en tabak) was ongelukkigerwijs door een Spanjaard en niet door
een Engelschman gestuwd. Het onderscheid was voor mij niet van belang
ontbloot. Een Engelschman zou, met het oog op het bekende gebrek
zijner landgenooten, den wijn beneden en de tabak boven geborgen
hebben. Doch juist het omgekeerde was gebeurd. Mijn volkje was er
spoedig achtergekomen en had zich heel gauw meer dan half bedronken.
Alles ging nog goed tot twee uren des morgens, toen mijn roerganger,
die men aan zijn lot overgelaten had, ook behoefte aan eene
»hartversterking" begon te krijgen, en de anderen niet kunnende
wekken om hem een dropje te brengen, vond, dat hij heel best het schip
zichzelf kon laten sturen, zoolang hij even naar het kraantje liep.
Nauwelijks was echter het roer losgelaten, of het vaartuig vloog
in den wind op, en kwam dwarsscheeps te liggen; die veranderde
windrichting op de zeilen kostte ons den grooten mast, die even boven
dek afbrak. Gelukkig bleef de fokkemast behouden; de roerganger,
nog geen tijd gehad hebbende zich te bedrinken, ijlde naar zijn post
terug en de beide andere matrozen werden nuchter van schrik.
Zoo goed en zoo kwaad als het ging, wisten wij de vleet kwijt te
raken. Wij kregen het vaartuig weer vóór den wind, en zóó ging het
verder. Maar de Engelsche zeeman, die op zijn tijd de noodige stoutheid
weet aan den dag te leggen, is bij eene andere gelegenheid ook weer
hoogst onvoorzichtig, en ziet bij gevaar de gevolgen licht over het
hoofd. In plaats dat het verlies van het groottuig eene waarschuwing
voor hen was tot matigheid, had dit op mijn volk juist een omgekeerde
werking. Nu de helft van de zeilen zichzelve geborgen had, was het met
de overgebleven helft een veel gemakkelijker huishouden; zij konden
nu tweemaal zoo gemakkelijk dronken zijn dan te voren. Deze regel
van drieën werd, mijns ondanks, behoorlijk in toepassing gebracht,
en zoolang de verdere reis duurde, waren zij altijd onbekwaam door
den wijn.
De fortuin begunstigt ons dikwijls het meest, wanneer wij dit het
minste verdienen. Ik wist, dat wij bijna onmogelijk het nauw van
Gibraltar konden uithollen zonder het te bemerken. Den derden dag,
nadat wij het fregat verlaten hadden, liepen wij vroeg de rots in het
zicht en rondden ten twee uren de punt van Europa. Ik had mijn volk
order gegeven de ankerkabels op te steken en, zooals dat aan jonge
officieren wel eens meer overkomt, er op gerekend, dat het uitgevoerd
was, omdat ik het gezegd had en zij »ja" geantwoord hadden. Het was
niet in mij opgekomen om te gaan zien of mijn bevel volbracht was;
om de waarheid te zeggen, had ik zelf ook werk genoeg om handen. Ik
stond aan het roer van 's nachts twaalf uren tot zes uren 's morgens,
te gelijk scherp naar het land uitkijkende; toen had ik mij laten
aflossen en nadat ik het roer overgegeven had, was ik tot tien
uren in een diepen slaap gevallen: toen was al mijn verstand noodig
geworden om te zorgen, dat wij de baai inliepen, en niet de straat
uitstormden, en daardoor ontging mij die heele kabelgeschiedenis,
tot op het oogenblik dat wij de ankers noodig kregen.
Toen ik, met ons prijs-sein in top, langs den achtersteven van een
der in de baai liggende oorlogsschepen zeilde, riep de wachthebbende
officier mij toe, dat ik »zeil zou minderen." Jawel, dacht ik, niets
liever dan dat, maar hoe dit gedaan te krijgen? Mijn bemanning was
daartoe door dronkenschap buiten staat, en toen ik terugriep om mij
daarvoor assistentie te zenden, waren wij zoo hard doorgezeild, dat
men door den harden wind mij niet verstaan kon of wilde. Nood breekt
wet. Ik liep te veel vaart om ten anker te kunnen gaan en zag onder de
andere schepen een groot transportschip liggen, dat, naar ik meende,
beter dan elk ander een stootje kon verdragen. Te meer liet ik voor
dat doel het oog op dat vaartuig vallen, omdat ik wist, dat de reeders
van zulk soort schepen gewoonlijk gauwdieven zijn, die er niets om
geven om het gouvernement op duizenden ponden sterling aan onkosten
te jagen. Toevallig lag hij juist bij de ankerplaats voor prijzen,
en daar ik geene andere kans zag om te komen, waar ik wezen wilde,
stuurde ik recht op het transportschip aan en liep hem vierkant in
de zijde tot groote verbazing van kapitein, stuurman en volk.
De gewone uitroepingen, vloeken en verwenschingen volgden den
schok. Hierop was ik voorbereid, evenals op het verlies van mijn
voortuig, dat, kennis makende met de fokkera van het transportschip,
ons over stuurboordsverschansing verliet en daardoor het vraagstuk
van zeilmindering volledig oploste. Mijn schoone brik was eerst
tot een kotter herleid en nu bleef er niets dan een romp over, die
gelukkig waterdicht was gebleven. Met geringe moeite kwam ik van het
groote schip vrij en commandeerde daarop op fieren toon: »Laat vallen
het anker!"
Maar jawel: mijn anker viel, dat was zeker, maar het gaf ons niets,
mijn vaartuig had er geen houvast aan wegens het verzuim van de
kabelopstekerij. Wij bleven dus drijvende, en toen wij achter een
der fregatten gekomen waren, zond de commandant daarvan, ziende dat
ook de andere kabel niet vast was, vriendelijk een sloep met volk
tot mijne hulp; en te vijf uren lag ik eindelijk veilig in de baai
en stapte ik op mijn halfdek op en neder, even trotsch als Columbus,
toen hij de Amerikaansche eilanden ontdekt had.
Maar kort, zeer kort duurde mijne macht! Den volgenden morgen reeds
kwam ons fregat binnen. De kolonel liet mij halen, en ik gaf hem
verslag van mijne reis en mijn wedervaren. Minzaam troostte hij mij
over den ondervonden tegenspoed, en in plaats van mij een aanmerking
te maken over het verlies mijner masten, zeide hij dat het, alles
samengenomen, nog wonder was, dat ik het schip had weten binnen te
brengen. Nog geen veertien dagen lagen wij voor Gibraltar, toen er
bericht kwam, dat de Fransche legers Spanje waren binnengetrokken,
en kort daarop kwam bevel uit Engeland om tegen de Spanjaarden geene
vijandelijkheden meer te plegen. Dit was voor ons wat men noemt »een
klontje uit de pap", daar nu alle kans op prijsgeld vervlogen was;
doch tegelijkertijd vermeerderden onze werkzaamheden en werd er
voortaan veel grooter activiteit van ons gevergd, dan het geval zou
zijn geweest, indien de oorlog met Spanje had voortgeduurd.
Wij kregen nu last ons bij het eskader in de wateren van Toulon te
voegen, doch moesten onder weg Carthagena bezoeken en in die haven
den toestand van de Spaansche vloot opnemen. Door den gouverneur van
de plaats en de Spaansche zeeofficieren werden wij met de meeste
hoffelijkheid ontvangen. De laatsten deden zich als zeer bekwaam
en welopgevoed voor. Hunne schepen echter lagen voor het meerendeel
afgetuigd, en voor eene nieuwe uitrusting ontbraken de middelen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Natuurlijkerwijs zeer verlangende om een land te zien, waar wij zooveel
jaren achtereen buiten waren gesloten, verzochten en verkregen wij
allen vergunning om naar den wal te gaan. Dit werd ook aan de matrozen
toegestaan, die er in troepjes van vijftien of twintig man gebruik
van maakten. In de straten werden wij achtervolgd en aangegaapt door
het volk; doch tevens vermeden zij met ons in aanraking te komen. Van
overoude tijden af hebben de herbergen in Spanje een slechten naam
gehad, welken die in deze stad naar behooren ophielden. Meestal werden
zij door het laagste gespuis, door oplichters en roovers bezocht, die
er geene gewetenszaak van maakten om voor afwisseling ook eens een
moord te plegen. Het eten was er afschuwelijk. Alles was bereid met
knoflook en olie. De olla podrida met de onafscheidelijke tomato-saus
waren onuitstaanbaar, maar den wijn vonden wij, adelborsten, nog
al genietbaar. Als wij soms in een dier huizen ons maal gebruikten,
zochten de roovers twist met ons; en daar zij steeds met hunne dolken
gewapend waren, was het onze zaak op verdediging bedacht te zijn;
gingen wij aan tafel zitten, dan lieten wij steeds duidelijk den
loop onzer pistolen blinken en daarmede hielden wij hen, die even
lafhartig als diefachtig waren, op een eerbiedigen afstand. Onze
matrozen evenwel, die minder voorzichtig en ook zelden gewapend waren,
werden herhaaldelijk door die schurken aangerand, beroofd en sommigen
zelfs vermoord.
Eens was ook ik bijkans hun slachtoffer geworden. Toen ik op zekeren
avond met den tweeden master wandelde, werden wij door vier van die
onverlaten aangeklampt. Uit de vreemde wijze, waarop zij hunne mantels
omhadden, bemerkten wij weldra, dat zij daaronder wapens verborgen. Ik
verzocht mijn kameraad zijn dolk gereed te houden, goed tegen mij aan
te sluiten en niemand tusschen ons en den muur door te laten. Ons op
onze hoede ziende, wenschten zij ons »buenas noches" (goeden nacht)
en beproefden ons op ons gemak te brengen met een praatje en vroegen
een sigaar, die mijn makker bijna zou gegeven hebben, had ik hem niet
gewaarschuwd vooral geen oogenblik de hand van zijn ponjaard te nemen,
want dit hadden zij juist gaarne gewenscht.
In deze verdedigende houding bleven wij doorwandelen, tot wij bijna op
de plaza, het groote marktplein waren, alwaar vele menschen bijeen,
volgens plaatselijke gewoonte, in den maneschijn pantoffelparade
maakten. »Nu," riep ik mijn vriend toe, »nu ons weggemaakt. Volg
mij snel, als ik het op een loopen zet, en dan tot op het midden
der plaza." Onze list gelukte, wij ontliepen de dieven, die het niet
dadelijk begrepen hadden en bovendien in de vlugheid hunner bewegingen
door hun zware mantels verhinderd waren. Op de politie in Spanje had
door ons niet gerekend kunnen worden.
Behalve nog eenmaal om te voldoen aan een uitnoodiging bij den
Spaanschen admiraal, die al de officieren gevraagd had, was dit de
laatste maal, dat ik 's avonds aan den wal ging.
Van Carthagena werd de reis in de richting van Toulon voortgezet,
in de nabijheid waarvan wij ons onder de vlag stelden. Onze
eskaderchef gaf ons last om te gaan kruisen tusschen Perpignan
en Marseille. Des anderen daags reeds verlieten wij de vloot en
hielden de kust voortdurend in onrust. Geen schip durfde zich buiten
den wal vertoonen; wie het beproefd had, zou in onze handen zijn
gevallen. Om de kustbatterijen gaven wij niets. Wij brachten deze
met onze achttienponders tot zwijgen, of wij landden en lieten ze
in de lucht springen. Bij een dezer kleine schermutselingen was ik
bijna gevangengenomen en zou ik in dat geval al de eer en roem en de
wonderdadige ontkomingen, die in de volgende bladzijden vermeld zijn,
misgeloopen zijn. Misschien had men mij neergesabeld, maar anders
zou ik stellig als krijgsgevangene voor de volgende zes jaren, die
de oorlog nog duren zou, naar de vesting Verdun weggevoerd zijn.
Wij waren geland om een versterking te bestormen en zoo mogelijk
in de lucht te doen vliegen, waartoe wij een grooten zak buskruit
en een lange lont met ons voerden. Alles ging aanvankelijk even
voorspoedig. Wij kwamen toen aan een kanaal, waar wij over moesten. De
beste zwemmers werden vóór geroepen, om het kruit droog over te
brengen. Ik bood mij, onder meer anderen, daarvoor aan. Gemakshalve
liet ik schoenen en kousen staan; en nadat wij de batterij genomen
hadden, keek ik zóó oplettend naar de kist met telegraphische seinen,
dat ik geheel niet meer dacht aan de voorgenomen ontploffing, tot
ik het schreeuwen van »Loop, loop!" hoorde door degenen die aan de
buitenzijde de lont hadden aangestoken.
Op dat oogenblik stond ik op den dertig voet hoogen, glooienden
muur van het fort. Een gedeelte sprong, de rest gleed ik af en
liep wat ik loopen kon onder een hagelbui van steenen, die aan een
uitbarsting van den Vesuvius deed denken. Ik kwam er zonder letsel
af, doch in den sprong had ik mijn voet bezeerd en leed daaraan veel
pijn. Twee velden met stoppels bezet moest ik overtrekken, en daar
mijne schoenen aan gindsche zijde van het kanaal stonden, kreeg
ik van het scherpe stroo in mijne wond, dat mij bijna dol maakte,
zoodat ik veel neiging gevoelde er maar bij neer te gaan zitten en
mijn lot af te wachten. Gelukkig echter bleef ik het volhouden en had
bijna de sloepen bereikt. Men had mijne afwezigheid niet opgemerkt en
was reeds van wal gestoken, toen in de verte een geluid als van een
naderenden donder mijn oor trof. Ik bemerkte spoedig, dat dit ruiterij
uit het nabijgelegen Cotte was, te laat opdagende om de batterij te
helpen verdedigen; ik deed daarop eene uiterste krachtsinspanning en
sprong in zee, de sloepen achterna. Zoo na waren zij mij op de hielen,
dat eenige vijandelijke jagers op hunne paarden mij te water volgden
en hunne pistolen op mij losten. De sloepen waren reeds een kwart
mijl van de kust opgeroeid, toen de officieren gelukkig de cavalerie
opmerkten, en tegelijkertijd ook mij in de peiling kregen; een der
sloepen kwam mij te gemoet, en met groote moeite werd ik opgevischt;
doch ik was van vermoeienis en bloedverlies zoo uitgeput, dat ik voor
half dood aan boord werd gedragen; door mijne wonden lag het been open,
en wel eene maand lang bleef ik onder geneeskundige behandeling.
Toen ik bijna hersteld was, namen wij een schip, waarmede Murphy
als prijsmeester werd weggezonden; denzelfden avond nog pakten wij
een schoener van haar ankerplaats weg. Het bevel over het laatste
vaartuig werd weder aan mij opgedragen. Het was nacht geworden vóór
ik daarmede weg kon, en in de groote verwarring aan boord had men
verzuimd het vaatje sterken drank voor mijzelf en de bemanning bestemd,
mede te geven. Hierdoor kwam ik van het eene uiterste in het andere;
op mijn vorig schip had ik te veel drank gehad, maar hier had ik
gebrek. Daar wij van nature dorstig uitgevallen waren, behoefde ons
verlangen naar drank werkelijk geene aanmoediging van de zoutevisch,
die het hoofdbestanddeel der lading en daardoor ook van onze voeding
uitmaakte, en sterk hinderde ons het gemis van onzen borrel.
Den derden dag na het verlaten van ons fregat met bestemming naar
Gibraltar zag ik voor mij uit onder den Spaanschen wal een schip, dat
ik voor dat van Murphy herkende aan een bijzonder teeken in zijn groot
marszeil. Ik zette alle dienstdoende zeilen bij om hem in te halen,
in de hoop van hem wat drank te kunnen verkrijgen, wetende dat hij
veel meer dan het noodige aan boord had. Toen ik naderde, zette ook
hij alle mogelijke zeilen bij, doch tegen donker was ik zoo nabij,
dat hij bijna gepraaid kon worden; dichter kwam ik niet; toen deed
ik een paar seinschoten met de kleine drie-ponders, die mijn schoener
voerde. Ofschoon ik deze herhaalde, werd er geen notitie van genomen
en toen het geheel donker was geworden, raakten wij uit elkanders
gezicht, om eerst weer in Gibraltar samen te treffen.
Den volgenden morgen liep ik drie Spaansche visschersvaartuigen op. Zij
hielden mij voor een Franschen kaper, lieten hunne lijnen slippen en
maakten zeil. Ik kwam echter met hen op en loste een schot, waarop
zij zich overgaven. Toen ik hen langs zijde liet komen en bevond, dat
elk een vat wijn aan boord had, verklaarde ik dat deel hunner lading
als contrabande prijs, maar bood eerlijk betaling aan voor hetgeen ik
hun ontnam. Toen zij vernamen dat wij »Ingleses" waren, weigerden zij
deze aan te nemen, in hunne blijdschap van niet in Fransche handen te
zijn gevallen. Toen wist ik het door een geschenk van tabak met hen
goed te maken. Zij boden mij van alles uit hun vaartuig aan, maar
op een edele manier wees ik dit af, omdat ik nu had wat mij noodig
was. Wij scheidden daarop in de beste stemming, zij roepende: »Viva
Inglaterra!" en wij hunne gezondheid drinkende met hun eigen wijn.
Nog gingen er verscheidene dagen voorbij voor wij Gibraltar haalden;
meestal waren de winden flauw bij zeer schoon weder; toen wij
eenmaal de ontdekking gedaan hadden dat de visschersbooten wijn aan
boord hadden, vulden wij daarvan, zoo dikwijls dit noodig was, onzen
wijnkelder zonder bezwaar van de inkomende rechten; en ik had reden
om te gelooven, dat Zijne Majesteit Koning George om onze vrijgevige
handeling niets verloor van de hem toekomende populariteit. Toen wij
eindelijk te Gibraltar binnenliepen, had ik nog een paar goede vaatjes
over, om mijne kameraads te kunnen onthalen; hoewel het mij speet te
ervaren, dat ons schip en al de vooruitgezonden prijzen reeds voor ons
in de haven waren gekomen. Murphy echter kwam nog een dag na mij aan.
Ik stond toen juist bij ons op het halfdek; en tot mijne verbazing,
hoorde ik hem rapporteeren, dat hij door een Franschen kaper
achternagezeten was, doch dezen na een gevecht van vier uren,
had doen afdeinzen;--zijn tuig had nog al schade geleden, maar
hij had er niemand bij verloren. Ik liet dat praatje tot 's avonds
doorgaan. Sommigen geloofden hem, maar anderen twijfelden aan het
verhaal. Bij het diner in de longroom ging zijn bluf alle perken
te buiten; en toen hij halfdronken mijn schoener met drie man ging
vergrooten tot een zwaarbemande brik, werd ik onpasselijk van
al die leugentaal, vertelde de geschiedenis naar volle waarheid
en zond om den kwartiermeester, die bij mij was geweest, om te
getuigen. Van dat tijdstip af, werd hij een voorwerp van algemeene
verachting op het schip. Iedere leugen was een Murphy en iedere
Murphy een leugenaar. Tegen dezen smaad kon hij niet langer op; en
hij gevoelde zich ten laatste zoo weinig op zijn gemak, dat hij geen
bezwaar maakte, toen de commandant hem eene overplaatsing voorstelde;
zijn slechte naam bleef hem volgen, waar hij ging, en hij is nooit
bevorderd geworden. Voor mij was het eene streelende zelfvoldoening
mij volledig op dien man te hebben kunnen wreken en daarna de eerste
aanleiding te zijn geweest voor zijne verwijdering uit een eervol
beroep, dat hij te schande maakte.
Het was thans, voor de fregatten vooral, verre van rusttijd. Wanneer ik
hier den naam van ons schip en van onzen bevelhebber noemde, dan zouden
's lands geschiedboeken getuigenis kunnen afleggen, hoe wij, veel meer
dan menig ander, verdienstelijk zijn geweest in de zaak der Spaansche
bevrijding. Het zuiden van Spanje werd het tooneel van een wreeden,
bloedigen krijg. Ons station liep van Barcelona tot aan Perpignan op
Fransch gebied. Onze dienst (juist een, waarvoor onze commandant een
bijzondere geschiktheid bezat) bestond: in het verleenen van steun
aan de guerrillabenden, het onderscheppen van 's vijands toevoer
van levensmiddelen, zoowel wanneer deze langs de zee beproefd werd,
als over den weg langs het zeestrand, en ook het verdrijven van den
vijand uit elke versterking, waarin hij zich mocht genesteld hebben.
Voor tochten, die met dezen dienst in verband stonden, was ik dikwijls
drie of vier weken aan een stuk van boord, behoorende tot eene divisie
onder bevel van den derden officier. Dikwijls hadden wij daarbij veel
ontberingen te verduren. Zoo konden wij gewoonlijk niet meer dan voor
de eerste week voldoende levensmiddelen medevoeren. Op het punt van
kleeding waren wij hoogst eenvoudig; met schoenen en kousen hielden
wij ons niet op, aan linnengoed deden wij niet, en hoeden wisten wij
haast niet meer hoe die er uitzagen; voor hoofddeksel wonden wij ons
een doek om het hoofd en zoo klauterden wij, wanneer het voorkwam,
over rotsen of baggerden door de natte ravijnen in gezelschap van
onze nieuwe bondgenooten, de geharde bergbewoners.
Hoezeer dezen ook onze dapperheid bewonderden, voor onze ideeën en
onze wijze van handelen hadden zij geene sympathie. Met een vroolijk
hart deelden zij hun voedsel met ons, maar zij bleven altijd even
hardvochtig tegenover gevangengenomen Franschen; en nooit gelukte
het ons door overreding hun leven gespaard te krijgen, wanneer dezen
daartoe onze tusschenkomst afsmeekten. Zij werden vóór onze oogen
neergesabeld of anders naar den top van eenigen heuvel gesleept,
van waar men het zicht had op eene Fransche versterking, en dáár,
ten aanschouwe hunner landgenooten, wreedaardig verminkt.
Niet ten onrechte zal de lezer die afschuwelijke barbaarschheid
veroordeelen, maar hij houde toch ook in het oog, dat bij dit volk door
de langdurig ondergane mishandelingen alle gevoel was uitgedoofd. Roof,
brand, moord en hongersnood was altijd de nasleep geweest van de
invallen der Franschen; en hoezeer wij ook begaan waren met het lot
der ongelukkigen, die thans in hunne handen vielen, hoe gaarne wij dit
voor hen afgewend hadden, moesten wij toegeven, dat de wraakneming
zeer te begrijpen was. Bij zulk een ongeregelden oorlog, leefden
wij somtijds in overdaad, en andere keeren leden wij honger. Eens
gebeurde het, dat wij, flauw van den honger, een monnik ontmoetten. Wij
verzochten hem ons een plaats te wijzen, waar wij, hetzij met geld,
hetzij met goede woorden of op eene andere wijze eten konden krijgen;
maar hij wist niets en had ook geen geld, omdat, zooals hij zeide,
zijne kloosterorde zulks verbood. Doch toon hij in zekere gejaagdheid
van ons af wilde komen en zich omdraaide, meenden wij iets te hooren
rammelen; en daar nu eenmaal de nood de wetten breekt, veroorloofden
wij ons de vrijheid hem nader te onderzoeken. Werkelijk vonden wij
een aardig sommetje geld, dat wij voor hem in bewaring namen, onder
de verzekering, dat ons geweten ons die handeling voorschreef, omdat
zijne orde hem verbood geld te hebben. Groot achtten wij ook voor hem
het bezwaar niet, omdat hij leefde te midden eener bevolking, die niet
zou kunnen gedoogen dat hij gebrek leed. Wij behielden den gemaakten
buit, zetten die om in voedsel, kwamen spoedig daarop weer bij onzen
troep en meenden dat de zaak daarbij blijven zou; maar de monnik was
ons op eenigen afstand gevolgd, en wij zagen hem den heuvel opkomen
waar wij gelegerd waren. Om ontdekking te voorkomen, maakten wij ons
onkenbaar. De monnik diende zijne klacht in bij het guerrillahoofd,
wiens oogen vlammen schoten over de onwaardige behandeling, die zijn
priester beweerde ondervonden te hebben, en zeker zou er bloed gevloeid
zijn, ware hij bij machte geweest de schuldigen aan te wijzen.
Ik trok een effen gezicht bij mijne veranderde kleeding, en toen hij
mij bijzonder opnam, alsof hij vermoeden had, keek ik hem vierkant
in de oogen, met de volle macht mijner weergalooze onbeschaamdheid,
en vroeg hem in luiden en dreigenden toon in het Fransch, of hij mij
soms voor een struikroover aanzag. Die vraag en de wijze, waarop hij
gedaan werd, bracht den priester tot zwijgen, ofschoon hij nog niet
voldaan scheen. Hij liet zich schijnbaar wijsmaken door eenigen van
ons volk, dat hij vermoedelijk door een anderen troep was beroofd
geworden, en op de vervolging daarvan ging hij nu af. Het was mij
aangenaam hem te zien vertrekken. Bij het heengaan wierp hij nog een
scherp onderzoekenden blik op mij, dien ik beantwoordde met eenen
blik van kwalijk verborgen woede en minachting.
Eenigen tijd vóór bovenverhaalde geschiedenis was mijn schip tot andere
diensten aangewezen; en daar ik toen geene gelegenheid had gehad om
naar boord terug te keeren, werd ik tijdelijk op eenen anderen bodem
overgeplaatst. Voor verdere bijzonderheden wordt naar het volgende
hoofdstuk verwezen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De commandant van het fregat, waarop ik nu kwam, stond bij de zeemacht
zoo goed aangeschreven, dat lord Collingwood bij voorkeur aan hem de
meest vertrouwelijke zendingen opdroeg; zoo kregen wij de order om
de Spanjaarden te helpen in hunne verdediging der gewichtige vesting
Rosas in Catalonië. Hierboven is al met een enkel woord aangestipt
dat de Fransche generaal St. Cyr die provincie was binnengetrokken en,
eenmaal in het bezit van Figueras en Gerona, begeerige blikken sloeg
op het kasteel Trinity, zuidoostwaarts gelegen, waarvan het bezit de
voorloper van den val van Rosas moest zijn.
Mijn bevelhebber nam van die versterking de verdediging op zich,
ofschoon eerst kort geleden die positie door een anderen zeeofficier,
als onhoudbaar, was verlaten geworden. Hoewel ik slechts tijdelijk aan
boord was, deed ik aanzoek om van de landingspartij te wezen en werd
ik dienovereenkomstig medegezonden. Ter bestemden plaatse aangekomen,
moest ik erkennen, dat de officier, die van de verdediging afgezien
had, in mijne oogen nog zoo dom niet was. Het kasteel was niet veel
meer dan een bouwval. Hoopen puin en houtwerk, gebroken affuiten en
gesprongen kanonnen, schenen mij een zeer ongunstig slagveld toe. Het
eenige voordeel, dat ik aan onze zijde kon opmerken, was: dat de
bres, die onze aanvallers in een der muren geschoten hadden, te steil
was voor beklimming en dat zij daarbij onder allerlei neerstortende
steenen moesten bedolven worden, terwijl wij hen van alles naar het
hoofd konden werpen. Daar hierop onze voornaamste kans gebouwd was,
hadden wij slechts te beletten, dat de vijand de vóórwerken binnenkwam,
die echter niet zeer veel te beteekenen hadden.
Tegenover dit voordeel stond een zeer ernstig nadeel. Het kasteel was
gebouwd dicht bij den top van een steilen heuvel, waarvan het hooger
gelegen deel in de macht was van den vijand, die zich hierdoor in
hetzelfde horizontale vlak bevond met ons dak. Op die hoogte waren nu
driehonderd Zwitsersche scherpschutters geposteerd, die, van achter
aarden wallen op vijftig ellen afstand, een geregeld geweervuur op
ons onderhielden. Elk hoofd, dat zich boven den muur blootgaf, was
het doelwit voor wel twintig kogels tegelijk, en dezelfde onafgebroken
hoffelijkheid betoonden zij ook aan onze sloepen bij hunne landing.
Op eenen anderen, meer Noordwaarts gelegen heuvel, dus meer landwaarts
in, hadden de Franschen eene batterij van zes vierentwintigponders
opgesteld. Die vroolijke buurman was slechts driehonderd el van ons
verwijderd, en met uitzondering van den tijd, dien de stukken af en
toe noodig hadden om te bekoelen, schoten zij door van zonsopgang tot
zonsondergang. Ik had in mijne jonge jaren nooit kunnen denken, dat ik
ooit zooveel kans zou loopen om tot eene zeef te worden geschoten,
als zich hier in dit helsche kasteel aanbood. In werkelijkheid
werden wij niet royaal behandeld, tegen zulk een macht waren wij
niet bestand; maar onze bevelhebber was zeer onversaagd, en ik had
gevraagd om mede te gaan, en dus nu geen recht van klagen. Het vuur,
waaraan wij blootstonden, was zóó juist, dat wij na elk schot wel den
steen konden aanwijzen, die bij het volgende getroffen zou worden, en
herhaaldelijk werden er van onze manschappen gewond door splinters die
van het graniet onzer muren afstoven, terwijl anderen, als patrijzen
uit een vlucht, uitgepikt werden door de Zwitsersche bataljons op
den nabijzijnden heuveltop.
Onze bezetting in het kasteel bestond uit honderd en dertig Engelsche
matrozen en mariniers, eene compagnie Spaansche en eene andere,
bestaande uit Zwitsersche troepen in Spaanschen dienst. Nooit was
eenige krijgsmacht slechter betaald en gevoed en beter beschoten
geworden. Wij hokten allen onder elkaar; vuil, van de vlooien levendig
stroo, diende ons voor ligging; ons eten was naar evenredigheid
even fijn; doch de bevelhebber had het niets beter dan de minste
man. Vechten kan somtijds een aangename bezigheid zijn, maar overdaad
is in alles schadelijk of onaangenaam; en hier hadden wij er meer dan
genoeg van, zonder den trouwen compagnon, een behoorlijk maal eten
op zijn tijd. Mij blijft het onbegrijpelijk, hoe een man zijn dienst
behoorlijk kan blijven doen, zonder goede voeding; maar hier was ik
met menig ander gedwongen dit te beproeven, en wanneer, wat dikwijls
gebeurde, de sloepen niet aan wal konden komen, werd er pro forma toch
voor ons eten geluid, omdat de commandant van een geregelden dienst
hield, en in dit geval vulden wij onze magen slechts met koud water.
Menigmaal had ik mijn ouden oom hooren zeggen, dat niemand weet
wat hij kan, vóór hij het beproefd heeft. Nu, hier gaf de vijand
ons overvloedig gelegenheid om proeven af te leggen in vernuft,
werkzaamheid, waakzaamheid en onthouding. Toen de arme Penelope,
zoo zegt de fabelleer, haar net weefde, ontrafelde zij des nachts
het werk van den dag. Met ons gebeurde het omgekeerde: gedurende den
dag werd al onze arbeid van 's nachts weer vernietigd. Het nachtelijk
duister werd gebruikt om de zandzakken te vullen voor het dichtmaken
van eenige bres en voor het wegwerken van losse steenen, om opnieuw
gereed te zijn 's vijands vuur te weerstaan, dat van zons opkomst af
stellig weer zou beginnen. Dergelijke bezigheden, afgewisseld door
aanhoudend en waakzaam wacht doen tegen overrompeling, namen zooveel
van onzen rusttijd af, dat er van slapen al heel weinig inkwam, en,
zooals gezegd is, vorderden onze maaltijden ook niet veel.
Een onzer verdedigingsmiddelen was zeer oorspronkelijk en zou zeker een
ingenieur aan 't lachen gebracht hebben. De commandant liet van lange,
grenen planken, die hij van boord ontbood, een soort van brugbedekking
timmeren, die hij schuin af uit de bres liet hangen; deze liet hij
met allerlei koksafval vet smeeren; konden nu de vijanden in onze
stelling komen, dan moesten zij daarop springen en verdwenen met
vliegende vaart langs dit hellende vlak in de droge gracht beneden,
waar zij, omdat het eene aanmerkelijke valhoogte was, vrij onaangenaam
gestemd aankwamen en veelal zouden hebben moeten wachten tot zij door
of vanwege den dokter opgezocht werden; en als zij erg netjes beneden
gekomen waren, stond het geheel aan hen, om hetzelfde nog eens te
beproeven. Het was een soort van vernuftig uitgedachte muizenval;
destijds gaven wij juist zooveel om het leven van een Franschman,
als om dat van zoo'n kleinen nachtrustverstoorder.
Nog een ander kunstje was door ons verzonnen. Aan boord was eene
groote voorraad vischhaken; deze werden overal geplant, waar verwacht
kon worden, dat de vijand handen of voeten plaatsen zou. De bres zelf
was ondermijnd, en de mijn geladen met bommen en handgranaten; geladen
geweerloopen, tot aan de monding vol kogels, waren daarop gericht en
op allerlei plaatsen vastgezet. Ziedaar onze verdedigingsmiddelen;
in aanmerking nemende, dat wij in de drie weken, die wij nu op het
kasteel waren, bij zulke kwade tegenkansen, slechts twintig man hadden
verloren, zal men toestemmen, dat dit verwonderlijk was. Intusschen
naderden wij eene oplossing.
Op een morgen, heel vroeg, was het mijne beurt van uitkijk. De laag
mist, die in dat land 's nacht tusschen de heuvels hangt en in de
dalen bijna tot op den bodem drukt, was aan het opstijgen en verdunnen
en boven ons hoofd begon de glans der sterren te verbleeken, toen ik
over den kasteelmuur in de richting van de bres keek. De commandant
kwam juist te voorschijn en vroeg mij, waar ik zoo heen staarde. Ik
antwoordde, dat ik dit zelf niet goed wist; maar dat zich een ongewoon
verschijnsel voordeed in het dal over de bres. Hij luisterde een
oogenblik, keek scherp door zijnen nachtkijker, en riep toen in
eens op zijn flinken toon, doch gedempt uit: »Onder de wapens!--Daar
komen zij!"
Binnen drie minuten was iedereen op zijn post, en, ofschoon alles
vlug in zijn werk was gegaan, was er geen tijd te verliezen, want
toen reeds was de zwarte colonne van den vijand, zich als een slang
door de vallei voortkronkelende, duidelijk zichtbaar. Met de dappere
volharding, waarvoor Napoleons troepen zoo bekend waren, begonnen
zij in stilte de bres te beklimmen. Het was een angstig en gewichtig
oogenblik, maar de kalmte en beslistheid van het kleine garnizoen
waren er tegen opgewassen.
Het bevel ging rond om goed te mikken, en eene volle laag van
de verdekt opgestelde kanonnen en geweren werd op het dichtste
gedeelte van den vijand gelost. Zij kwamen tot staan,--en allerlei
verwarde kreten stegen tot ons op. In verwarring werd eenige
passen teruggetrokken, toen weer standgehouden en opnieuw tot den
aanval voorwaarts gerukt; van toen af aan werd van weerszijden het
vuur geregeld onderhouden. De groote vierentwintigponder-batterij,
en de nog dichter bij gelegen Zwitsersche keursoldaten vuurden mede
onverpoosd op ons en moedigden met luide juichtonen hunne kameraden tot
de bestorming aan. Toen zij naderden en boven onze mijn kwamen, werd de
mijnlont ontstoken, en met een donderenden slag vloog een groot aantal
de lucht in om weer met het puin neer te komen en daaronder begraven
te worden. Gekerm, gezucht, verwarde stemmen, Fransche angstkreten en
Engelsche hoerrah's werden alle dooreen gehoord! De vreugdetonen der
overwinnaars weerkaatsten van heuvel tot heuvel! Ruim bedeelden wij
de aanvallers met handgranaten, en kegelden wij daarmede nog heele
gelederen van de been. Ik moet erkennen, dat de Franschen zich flink
hielden, ofschoon zij bij hoopen waren gevallen. Ik gilde van woede
en opgewondenheid, en allen vochten wij als bulhonden, wel overtuigd,
dat er geen kwartier gegeven zou worden.
Tien minuten had het vuren geduurd, menig dapper krijger had
in 't zand gebeten; het hoofd der aanvalscolonne was door de
mijnontploffing gedood; toch was onder hen de orde weer hersteld,
en toen de dag aanbrak, was de hoofdmacht weer halverwege de bres
voorwaarts gerukt. Weder naderde ons, onder aanvoering van hunnen
kolonel, een uitgezochte troep van duizend man over de lijken hunner
gevallen kameraden.
De dappere aanvoerder scheen even koel en berekenend, alsof hij
eene danspartij leidde; met uitgetrokken degen wees hij op de bres,
en duidelijk hoorden wij zijn: »suivez moi!" Ik was jaloersch op
dien held--jaloersch, dat hij een Franschman was, en ik smeet hem
een brandende handgranaat tusschen de voeten. Hij raapte deze op en
wierp haar een grooten afstand van zich.
»Kijk mij zoo'n bedaarden kerel eens!" zeide de commandant, die naast
mij stond, »ik zal hem er nog een geven;" maar ook deze schopte de
ander met evenveel sang froid als waardigheid van zich af. »Die man
schijnt voor niets gevoelig te zijn, dan voor een ons lood in zijne
ledige maag; het is jammer zoo'n kranigen vent te dooden, maar er
zit niets anders op."
Zoo zeggende, nam hij mij een geweer uit de handen, dat ik juist
geladen had, mikte en vuurde; de vijandelijke aanvoerder wankelde,
bracht de hand aan zijne borst en viel achterover in de armen van een
zijner manschappen, waarvan eene partij de wapens neerlegde, en hem
op hunne schouders namen, als onbewust van of onverschillig voor de
slachting, die in hunne onmiddellijke nabijheid plaats vond. De kleine
troep werd nu het doelwit van onze schutters; allen werden daarvan
neergeschoten. De kolonel, opnieuw aan zichzelf overgelaten, kroop
nog enkele passen verder, tot hij een klein boschje bereikte, geen
tien el verwijderd van de plek, waar hij doodelijk gewond was. Hier
viel hij neer; de degen, dien hij nog in de rechtervuist klemde, bleef
tegen eene struik overeind en wees opwaarts, als toonde bij den weg,
dien de geest van zijn heldhaftigen eigenaar gegaan was.
Met den dood van den kolonel ging de kans van dien dag voor de
Franschen verloren. Wij zagen duidelijk, dat de overige officieren
hun plicht deden, door woorden en voorbeeld hun manschappen vooruit
zochten te drijven en voorgingen, maar alles was tevergeefs. Wij zagen
hen eigenhandig hunne vluchtelingen doorsteken; doch ook dat bleef
zonder uitwerking; voorloopig hadden zij van vechten genoeg. De eerste
aandrang, het eerste vuur was bekoeld met den dood van hun aanvoerder,
en langzamerhand werd het een algemeen sauve qui peut, dat den aanval
besloot en ons den tijd liet om adem te halen en onze dooden te tellen.
Zoodra de Franschen uit hunne batterijen bespeurden, dat de aanval
mislukt, en de aanvoerder der onderneming gesneuveld was, vuurden zij
van daar nog eens duchtig op ons los. Ik stak mijn hoed op de punt
mijner bajonet, boven den wal uit, en kreeg er in eene minuut tijds
twintig kogelgaten in; gelukkig stak mijn hoofd er op dat oogenblik
niet in.
Toen het vuren der batterijen ophield, wat nu en dan op gezette
tijdstippen plaats vond, hadden wij gelegenheid om een onderzoek in
te stellen naar het punt, waar wij aangevallen waren. Stormladders
en lijken lagen in menigte daar ter plaatse. Al de gewonden waren
medegedragen; in hunne grijze kapotjassen gekleed, lag daar tal van
manschappen der Fransche keurbenden, als verbruikt kanonnenvleesch
dooreen. Het was een treurig gezicht, die strijders van soms meer
dan zes voet lang, die menigen grooten veldslag overleefd hadden,
daar voor altijd onbewegelijk te zien!
De nachten waren koud, en ik nam mij in stilte voor een dier
kapotjassen te bemachtigen en mijnen commandant de sabel van den
gesneuvelden kolonel ten geschenke aan te bieden. Zoodra dus de
duisternis ingevallen was, wandelde ik de bres uit en wist mij
eerst meester te maken van een stormladder, die ik het kasteel
binnenbracht. Zooveel voor den koning gedaan hebbende, ging ik een
tweede maal uit om voor mijzelven te zorgen.
Het was toen juist pikdonker. Ik strompelde voort, tegen een hevigen
stormwind in, die mij door groote stof- en kalkwolken bijna blind
maakte; doch van den te volgen weg was ik volkomen zeker. Toch was
het iets hyena-achtigs om in die duisternis mij te midden van zooveel
dooden te bewegen, en er kwam een oogenblik, dat ik met afgrijzen
aan mijnen toestand dacht. Tusschen de windvlagen in was het eene
huiveringwekkende stilte, waarbij ik in de zwarte duisternis soms
meende mijn angstig hart te hooren kloppen. Het is juist om zoodanige
reden, dat ik weinig ingenomen ben met nachtelijke aanvallen; men kan
zoo zelden ten volle op zijne manschappen staat maken; meestentijds
mislukken zij, omdat zoo weinigen in het duister denzelfden moed
bezitten als in het licht. Vrees en duisternis gaan altijd samen,
de laatste verbergt de eerste en moedigt ze daarom aan.
Van het eene lijk naar het andere tastende, kroop ik behoedzaam
voorwaarts. Bij het eerste lichaam, dat ik met de hand aanraakte,
stolde mij bijna het bloed in de aderen. Ik voelde den ontvleesden
elleboog van een grenadier, die door een handgranaat geveld was
geworden. »Vriend," zeide ik, »naar den aard van uwe wond te oordeelen,
is aan uwe overjas niet veel meer aan." Het naastvolgende voorwerp,
dat ik bevoelde, had een beteren dood gehad. Een geweerkogel door
het hoofd had hem van alle aardsche zorgen ontheven. Daar zijne
erfgenamen niet bij de hand waren, maakte ik er geene gewetenszaak
van, zijne kapotjas van hem over te nemen, wat nu nog niet eens heel
gemakkelijk ging, omdat het lichaam koud en stijf was geworden.
Ik had nu evenwel mijn plan uitgevoerd, trok dadelijk mijn nieuw
kleedingstuk aan en ging nu op 's kolonels degen af; maar hier
scheen mij een Franschman vóór te zijn geweest. De kolonel lag er
nog, stijf en wel, doch zijn zwaard was niet te vinden. Juist was
ik op het punt terug te keeren, toen ik weer een vijand ontmoette,
ditmaal geen dood maar een levend exemplaar.
»Qui vive?" vroeg een zachte stem.
»Anglais, bête," antwoordde ik zachtjes, en voegde er bij: »mais les
corsaires ne se battent pas."
»C'est vrai," zeide hij, en daarop bonsoir brommende, was hij
spoedig verdwenen. Ik scharrelde naar het kasteel terug, gaf het
wachtwoord voor den schildwacht en pronkte, zeer voldaan, met mijn
groote overjas, die mij door velen zoodanig benijd werd, dat zij er
ook eens op uitgingen om iets dergelijks te bemachtigen.
In enkele dagen tijds waren de lijken vóór de bres geheel geplunderd
door allerlei nachtelijke bezoekers; dat van den kolonel bleef
geëerbiedigd. De gebruiken van den oorlog, zoowel als die der
menschelijkheid, brachten mede, dat het stoffelijk overblijfsel van
dezen held eene eervolle begrafenis toekwam; en onze bevelhebber,
die de ridderlijkheid zelve was, droeg mij op om een witte vlag,
als vredesein aan eene piek omhoog te steken en de lijken te gaan
begraven, als de vijand dit toeliet.
Ik ging dus, vergezeld van eenige manschappen, met eene spade en een
breekijzer naar buiten; maar de tirailleurs op den heuvel begonnen
zoodanig op ons te vuren, dat er een onzer gewond werd. Ik keek naar
den commandant, als om te zeggen: »moet ik doorgaan?" Hij wenkte
met de hand om door te zetten, en ik begon naast een der dooden een
graf te graven, waarop de vijand, mijn bedoeling ziende, het vuren
staakte. Verscheidenen had ik nu reeds begraven, toen de commandant
ook naar buiten en bij mij kwam, met plan om van de gelegenheid
gebruik te maken om 's vijands positie te verkennen. Hij werd van
uit het fort herkend en men raadde spoedig zijne bedoeling.
Wij stonden nu bij het lijk van den kolonel, gereed om dit de laatste
eer te bewijzen, toen de commandant een brillanten ring aan een der
vingers ziende zitten, tot een der matrozen zeide: »Neem hem dat ding
maar af; hij heeft er nu toch niets meer aan." De man beproefde het,
maar kon door de stijfheid van het lid, den ring niet op of neer
krijgen. »Hij zal uw mes niet voelen", zeide de commandant. »Arme
kerel, een vinger meer of minder maakt weinig voor hem uit; snijd
maar af."
De matroos begon met zijn mes het vingerlid af te zagen, toen een
vierentwintigponder, midden door onzen troep heenging, 's mans schoen
van den voet medenam, en een ander de spade uit de hand sloeg. »Nu,
stop hem er maar snel onder!" zeide de commandant.
Zoo gezegd, zoo gedaan; daar kwam een tweede schot, niet zoo netjes
gericht als zijn voorganger, maar de kogel beploegde den grond aan onze
voeten en joeg ons het zand in de oogen. Men begon het ons warm te
maken. Het volk werd nu gelast om naar het kasteel terug te trekken,
waaraan dadelijk gevolg werd gegeven. De commandant zelf echter
liet zich niet zenuwachtig maken: hij wandelde doodbedaard terug,
onverschillig voor de hagelbui van geweerkogels, die ons thans door
de Zwitsers werden toegezonden. Te meer was dit voor mij niet alles,
omdat ik als adjudant denzelfden langzamen pas naast den bevelhebber
moest houden, terwijl ik elk oogenblik een kogel achterin kon krijgen
en het litteeken in dat geval nooit zou hebben durven vertoonen. Ik
vond zoo'n begrafenispas, na den afloop der eigenlijke plechtigheid,
allesbehalve noodzakelijk; maar mijn dappere commandant, die nog
nooit voor de Franschen op de loop was gegaan, vond geene aanleiding
om daar juist heden mede te beginnen.
Onder dergelijke opmerkingen had ik achter hem geloopen, en, toen
er meer en meer schoten vielen, stapte ik wat door, kwam eerst naast
hem en wilde hem toen tusschen mij en het vuur in brengen. »Kolonel,"
zeide ik, »daar ik nog maar adelborst ben, stel ik veel minder prijs
op de eer, dan u doet; wanneer het u dus hetzelfde is, zoude ik wel
graag onder uwe lij willen blijven." Hij lachte en zeide: »o, ik wist
niet, dat gij nog hier waart; ik dacht, dat gij met de anderen waart
medegetrokken; maar nu gij toch uit uw gewonen doen zijt, mijnheer
Mildmay, zal ik u maar liever voor mijne beschutting doen dienen. Mijn
leven heeft hier nog eenige waarde, doch het uwe slechts weinig,
en ik heb slechts eene boodschap te zenden om in uwe plaats van
boord dadelijk een anderen adelborst te krijgen: dus wees zoo goed,
laat u een beetje zakken en doe voor mij den dienst van kogelvanger!"
»Zeker, sir", zeide ik, »onmiddellijk"; en ik betrok den mij aangewezen
post.
»Nu", zeide de commandant, »als zij je soms te pakken hebben, dan
zal ik u op de schouders nemen!"
Ik betuigde mijne erkentelijkheid voor zijne goede bedoeling en voor
de eer, die mij wachtte; maar ik hoopte, toch dat ik hem dien last
niet zou bezorgen. Of nu de vijand medelijden had met mijne jeugd
en onschuld, of dat zij opzettelijk misschoten, weet ik niet; maar
wel, dat ik zeer blijde was heelhuids in het kasteel aan te landen en
genoegen zou hebben genomen met elken maatregel, die mij weer aan het
meer comfortabele leven in de voorlongroom aan boord zou teruggegeven
hebben. Alle menschelijke genoegens zijn toch maar betrekkelijk, en
nooit werd ik hiervan beter overtuigd, dan door de gebeurtenissen bij
dit gedenkwaardige beleg. Het geluk, en de welbekende lafhartigheid
der Spanjaarden, verlosten mij spoedig uit dezen toestand; zij gaven
de citadel over en daardoor werd het verder behoud van het kasteel
nutteloos. Wij verlieten het dus zoodra mogelijk en trokken met de
noodige haast op onze sloepen terug, waar wij, in weerwil van het
tot 't laatst volgehouden snelvuur der tirailleurs op den heuvel,
behouden aankwamen en naar boord gingen.
Er was een merkwaardig iets bij voorgevallen. De Zwitsersche
huurtroepen in Franschen en in Spaanschen dienst, dus vijandig
tegenover elkander staande, vochten altijd met de grootste dapperheid
en deden steeds hun plicht met onnavolgbare getrouwheid; doch, op zoo
korten afstand geposteerd, en zoo veelvuldig met elkaar in aanraking
komende, sloten zij onderling dikwijls een wapenstilstand van een
kwartier, in welken tijd zij naar wederzijdsche vrienden onderzoek
deden; dikwijls herkenden zij dan over en weer vaders, zoons of
nauwe betrekkingen, die aan beide zijden strijd voerden. Nadat zij
te zamen gelachen en grappen gemaakt hadden, werd de wapenstilstand
weer opgeheven, en kort daarop mikten en vuurden zij weer, alsof zij
volkomen vreemd aan elkander waren; maar, zooals ik vroeger al eens
opgemerkt heb, was voor hen het oorlogen een beroep.
Van Rosas vertrokken wij nu weer, om ons met den admiraal bij Toulon
te vereenigen; en, vernemende, dat eene batterij van zes metalen
kanonnen, in de haven van Silva, kans had binnen weinige uren in
handen der Franschen te vallen, liepen wij daar binnen en ankerden
op pistoolschotsafstand daarvan. Zware gijnblokken werden nu op den
top van elk der masten genaaid, daardoor stevige reepen geschoren en
de einden daarvan den wal opgebracht, op de kanonnen gestoken en drie
daarvan, één voor één met het spil naar boord opgedraaid. Het uiteinde
was weer naar de batterij terug, om opnieuw opgestoken te worden,
toen onze gasten aldaar door de Franschen overvallen werden en met
verlies van één man, die gevangengenomen werd, naar den waterkant
teruggejaagd werden.
De partij aan wal, niet sterk genoeg om weerstand te bieden, scheepte
zich in met achterlating van eene sloep onder een heftig vuur van de
Franschen, die zich intusschen achter steenen en rotsblokken opgesteld
hadden. Dat vuur werd van boord goed en van tijd tot tijd ook met een
zwaar schot beantwoord; maar zij hadden het voordeel van hunne stelling
en bezorgden ons daardoor verscheidene gekwetsten. Met zonsondergang
eindigde dit; toen kwam er van den wal een bootje door een Spanjaard
geroeid en bracht een brief over van den kapitein, die de Fransche
afdeeling commandeerde, aan onzen bevelhebber gericht. Die brief
behelsde de beleefde groeten van den Franschen chef aan den onzen,
»het speet hem, dat hij genoodzaakt was geweest ons overbrengen van
de kanonnen te verhinderen, klaagde over het koude weer, en dat hij
in zoo groote haast had moeten afmarcheeren, dat hem de tijd had
ontbroken de noodige provisiën mede te nemen, en aangezien er altijd
welwillendheid bestond entre braves gens,--of wij niet voor hem en
zijne manschappen een kan of wat rum te missen hadden."
Dit verzoek werd met een beleefd briefje en door den gevraagden
sterken drank beantwoord. De Engelsche bevelhebber hoopte, dat de
Fransche kapitein het zich zoo aangenaam mogelijk zou maken en een
bon repos mocht genieten. Doch onze commandant was van plan, den
Franschman den drank te laten betalen, al was dit niet in klinkende
munt; te één uur in den morgen zond hij de rekening in.
Het was op dat oogenblik stil als de dood; de Fransche wacht had zich
verkwikt en was in het volle genot van des commandants zegening, toen
deze ons de opmerking maakte, dat het toch zonde en jammer zou zijn,
die eene sloep, die nog aan wal was te verliezen en de drie andere
metalen vuurmonden achter te moeten laten;--hij stelde daarom voor
een en ander te gaan halen. Vijf of zes der onzen ontkleedden zich,
gingen zachtjes te water en zwommen zonder het minste leven te maken
naar den wal. Het water was koud en benam mij zelfs korten tijd
de ademhaling. Wij landden bij de batterij, verzekerden eerst onze
sloep en kropen toen zachtjes naar de plaats, waar het eind van onzen
reep nog naast de stukken lag. Onder het opsteken daarvan telden wij
verscheidene Franschen, die er dicht-bij lagen, de wacht hielden,
maar in diepen slaap waren.
Het zou ons gemakkelijk gevallen zijn hen allen te dooden, maar in
aanmerking nemende, dat zij verkeerden onder den invloed van onze rum,
verfoeiden wij een dergelijke inbreuk op de gastvrijheid. De meeste
geweren echter, die zij naast zich neergelegd hadden, namen wij in
bewaring, en, even stil als wij gekomen waren, klommen wij in de sloep,
duwden af en roeiden naar boord terug met twee van de riemen. Het
geplas daarvan deed enkelen der soldaten ontwaken, opspringen en met
de hen overgebleven geweren o
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/28872