Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Willem de Zwijger, Prins van Oranje

by Ruth Putnam · Dutch · Gutenberg #28868 · 1,332,356 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Willem de Zwijger, Prins van Oranje
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Author: Ruth Putnam

Editor: August Hendrik Pieter Blaauw

Illustrator: J. H. Isings

Translator: D. C. Nijhoff


        
Release date: May 18, 2009 [eBook #28868]
                Most recently updated: January 5, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/28868

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
        https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WILLEM DE ZWIJGER, PRINS VAN ORANJE ***




Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/








                           Willem de Zwijger

                    Prins van Oranje voor Nederland

                                  door

                              Ruth Putnam,

                      Voor Nederland bewerkt door

                             D.C. Nijhoff.

                          Nieuwe uitgave door

                            A. H. P. Blaauw


                    Met 32 platen van J.H. Isings Jr

                        Alkmaar--Gebr. Kluitman.

                                 1910.






INHOUD.


Hoofdstuk                                                       Bladz.

I.          Nassau en Oranje                                        1
II.         De jeugd van Willem van Oranje en zijn eerste
            veldtochten. 1531-1555                                 13
III.        De nieuwe Meester      32
IV.         Diplomatieke onderhandelingen. Filips' vertrek.
            1558-1559                                              44
V.          Familiebetrekkingen. Huwelijk met Anna van Saksen.
            1559-1561                                              56
VI.         Twist met Granvelle. Huiselijk leven van Oranje.
            Overwinning op den Kardinaal. 1561-1564                68
VII.        Granvelle vertrokken. Verbond der Edelen. Oranje's
            houding. 1565-1566                                     86
VIII.       Aanbieding van het smeekschrift en de gevolgen.
            Oranje in Antwerpen. 1566                             105
IX.         De hersteller van de orde na den Beeldenstorm.
            De nieuwe eed. 1566-1567                              118
X.          De slag van Austruweel. Oranje en het oproer in
            Antwerpen. Vertrek van den Prins. 1567                139
XI.         De uitgeweken Prins. 1567                             150
XII.        Gewapend verzet. 1568                                 162
XIII.       Donkere dagen. 1569-1571                              181
XIV.        Huiselijk verdriet                                    197
XV.         Eerste voordeelen. 1572                               209
XVI.        De Prins in Holland. Belegerde steden. 1572-1573      222
XVII.       Onderhandelingen. Beleg van Alkmaar. Vertrek van
            Alva. 1573                                            241
XVIII.      Mook en Leiden. 1574                                  252
XIX.        Vergeefsche Vredesonderhandelingen. 1574-1575         268
XX.         Het derde huwelijk van den Prins met Charlotte van
            Bourbon. 1575                                         273
XXI.        Unie van Delft. Oranje en het Zuiden. 1575-1576       286
XXII.       De Staatsgreep van 4 September en de Pacificatie
            van Gent. 1576                                        296
XXIII.      Don Juan van Oostenrijk en de Prins van Oranje.
            Het Eeuwig Edict. 1576-1577                           307
XXIV.       Oranje's wantrouwen bevestigd. Gevolgen van Don
            Juans verraad. 1577                                   315
XXV.        Familiebanden. Oranje's verheffing. Tweede Unie
            van Brussel. Intocht van Matthias. 1577-1578          331
XXVI.       Moeilijke dagen. Don Juan. Parma. De Prins te
            Gent. 1578                                            346
XXVII.      Oranje en de Unie van Utrecht. Nieuwe angsten en
            gevaren. 1578-1579                                    358
XXVIII.     Anjou. Juliana's dood. Afzwering van Filips II.
            1580-1581                                             368
XXIX.       Ban en Apologie. 1580                                 377
XXX.        Komst van Anjou. Eerste moordaanslag op den Prins.
            1581-1582                                             387
XXXI.       Het Fransche Protectoraat. 1582-1583                  398
XXXII.      Het vierde huwelijk van Oranje met Louise de
            Coligny. 1583-1584                                    405
XXXIII.     Oranje's staatkunde gedurende zijn laatste
            levensjaar. 1583-1584                                 409
XXXIV.      De Prins vermoord. 1584                               417
            Slot                                                  429
            Volgorde der illustratiën                             439
            Aanteekeningen bij de platen                          440






HOOFDSTUK I.

NASSAU EN ORANJE.


Onze Nederlandsche held, Willem van Nassau, bekend als de Prins
van Oranje, als de Zwijger, is een treffend voorbeeld van een man,
wiens benamingen niet juist zijn persoon beschrijven. Hij was niet in
Holland geboren, hij zag Oranje nooit en was zeker niet stilzwijgend.

Hij was geen geboren prins. Zijn voorouders waren eenvoudige Duitsche
edelen, die in Nassau, een landstreek ten Oosten van den Rijn aan
beide zijden van de rivier de Lahn gelegen, woonden. Verschillende
takken van de Nassausche familie bezaten dit grondgebied, en het
was zóó rijk aan bronnen, dat een groot gedeelte van het inkomen der
latere hertogen van Nassau zijn oorsprong vindt in de opbrengst van
het hoofdgeld, door de bezoekers dier bronnen betaald.

Bovendien is het land zeer vruchtbaar in wijnsoorten, terwijl de
bodem veel minerale producten bevat, die echter pas later werden
geëxploiteerd. Bergachtige heuvels doorkruisen het land en de rijkdom
van riviertjes verhoogt niet alleen de vruchtbaarheid, maar maakt
dit glooiende terrein tot een schilderachtig gebied. Door den grooten
staat, dien men voerde, waren tal van goedgelegen heuvels met woningen
der familie Nassau bezet, die eertijds veel op vestingen geleken,
maar wier ruïnes er nu uitzien, alsof ze een deel uitmaken van de
omliggende rotsen.

Over den oorsprong van de Nassaufamilie in deze streken zijn tal van
legenden in omloop, die zelfs tot den tijd van Caesar opklimmen.

Toen de Romeinsche Keizer in Gallië kwam, zoo verhaalt een dier
legenden, was er onder zijn officieren een broederpaar, de graven
Lebarten. Aan een van deze gaf Caesar een deel van Bourgondië,
aan den ander een kleine landstreek bij den mond van de Lahn met
de opbrengst van de brug, die Caesar te Coblentz, het punt van
samenvloeiing van Moezel en Rijn, had gebouwd. Hier stichtte de
graaf een kasteel en een dorp, waar nog de wapens van de Nassau's
te zien zijn; hij veranderde zijn naam in dien van Laurenburg en de
plaats werd een van die middelpunten van beschaving in het Noorden,
die de Romeinsche overwinnaar zoo hoog op prijs stelde.

Eenige geslachten later schoot eens een zijner nakomelingen, in de
Lahnvallei jagende, een hert op een berg en kwam bij toeval in een
streek, die hem zoo behaagde, dat hij aanstonds besloot, daar een
kasteel te bouwen. Bij de voltooiing daarvan noemde hij het "Nassau",
Nasse Auen, naar de natte weiden, die den berg omringden en hij werd
zoo aan zijn nieuwe woonplaats gehecht, dat hij zijn ouden titel
opgaf en sedert bekend was als graaf van Nassau.

Een ander verhaal vertelt, hoe in het jaar 210 n. C. Keizer Severus,
vergezeld door vele edele Romeinen, een reis in Duitschland deed. Het
was blijkbaar een gemakkelijke reis, want een van de edellieden vond
den tijd, om een kasteel op Nassau's grondgebied te stichten. De
toenmalige graaf protesteerde, maar hij ontving ten antwoord, dat
alle Romeinen bouwen mochten, waar hun dit behaagde. Dat koele woord
maakte de andere Duitsche edelen ongerust over de mogelijke inbreuk,
die er ook gemaakt kon worden op hun rechten en verscheidene van de
vrienden van Nassau boden aan, gezamenlijk met hem in persoon naar
Severus te gaan om zich te beklagen. De keizer hoorde hun taal en
zeide toen lachende: "Het hindert u de Romeinen als buren te hebben,
sedert gij gedwongen werdt hen als heeren te huldigen. Niemand zal
in zijn oude rechten en privileges worden gekrenkt. Gij edellieden
zijt gekomen onder de vleugels van den adelaar, hij zal uw werkelijke
rechten en privileges handhaven. Maar, Graaf van Nassau, wij hebben
gehoord, dat gij eene eenige dochter als erfgenaam hebt, zoodat na uw
dood uwe landen aan ons zullen vervallen. Geef dat meisje aan onzen
oom ten huwelijk; we zullen hem graaf van Nassau maken en hij zal uw
opvolger worden."

Nassau en zijn vrienden namen dit voorstel aan. De bruiloft werd met
groote vreugde gevierd en na den dood van den ouden graaf werd de
Romein, als Germaan genaturaliseerd, hoofd der familie.

Ook wordt nog als voorvader genoemd een zekere Nasua, die door Caesar
als leider van de Sueven wordt vermeld, doch dit behoort alles tot
het legendenrijk, hoewel het ontstaan van die verhalen begrijpelijk
is, daar het in dien ouden tijd onder de Germaansche edelen voor zeer
voornaam werd gehouden, hun afstamming van een van Caesars opvolgers
te kunnen bewijzen.

Eenige zekerheid van het huis Nassau te verkrijgen vóór de elfde
eeuw blijkt niet mogelijk te zijn. Naar alle waarschijnlijkheid was
Laurenburg de bakermat van het geslacht en was die naam de vroeger
bekende titel der familie, welke later door de stichting van Nassau
en het aannemen van dezen naam is vervangen.

Daar het eerstgeboorterecht voor de 16e eeuw in Duitschland alleen aan
den ouderen broer een zekeren voorrang verschafte, kwamen de goederen
bij overlijden òf door testamentairen wil òf door overeenkomsten aan
de verschillende erfgenamen. Ook de familie Nassau splitste zich in
takken, terwijl de bezittingen, bij het uitsterven van de mannelijke
lijn in elken tak, aan een ander vervielen, waardoor de onverdeelde
landen in den loop der eeuwen meer of minder hereenigd werden.



    GESLACHTSREGISTER VAN HET HUIS NASSAU-DILLENBURG. (1247-1606.)

                                 Otto I
                                1247-1290
                 [+] voor 3 Maart 1290, gehuwd met Agnes,
                 dochter van graaf Emich van Leiningen.
               ----------------------------------------------
                         |                       |
                     Hendrik I            5 andere kinderen.
                   1285 [+] 1343
                 geh. met Adelheid,
                 dochter van Diedrich,
                 Heer van Heinsberg.
                         |
               ----------------------------------------------
                         |                       |
                     Otto II              9 andere kinderen.
                 1318 [+] 25 Jan. 1351
                 geh. met Adelheid,
                 zuster van graaf
                 Hendrik van Vianden.
                         |
               ----------------------------------------------
                     |                    |            |
                   Jan I               Hendrik        Otto
               1340 [+] 1416          1351-1402.   1351-1384.
       geh. met Margaretha, dochter
       van graaf Adolf van der Mark.
                     |
-----------------------------------------------------------------------------
     |               |                |                  |          |
   Adolf          Jan II          Engelbert I        Hendrik    Jan III
  1384            bijgenaamd        1401-1442          1401.    [+] 1430.
 [+] 1420       “Met den helm”    geh. met Johanna,
   zonder         [+] 1443.       dochter en erfgename
 mann. nak.                       van Jan III, Heer
                                  van Polanen en Leek.
                                  (Eerste Heer van
                                  Breda uit het
                                  Nassausche Huis.)
                                      |
-------------------------------------------------------------------------------
      |               |             |          |         |        |
   Jan IV         Hendrik II   Margaretha.   Willem.   Maria.   Filips.
  1410-1475        [+] 1450.
geh. met Maria,
docht. van Jan,
Heer van Loon
en Heinsberg.
      |
-------------------------------------------------------------------------------
 |        |         |          |                 |                 |
Anna.  Johanna.  Adriana.  Engelbert II.     Jan V           Odilia.
                                            1455-1516
                                          geh. met Elisabeth,
                                          docht. van landgraaf
                                          Hendrik van Hessen.
                                                 |
-------------------------------------------------------------------------------
  |                  |           |          |                 |             |
Hendrik III       Jan        Ernst   Willem de Oude     Elizabeth     Maria
1483-1538         1484-1491.  1486.  of de Rijke        1488-1559   1491-na 1542
geh. 1. met                          1487-1559          geh. met     geh. met
Francesca,                          geh. 1. met         Jan graaf    Jodocus
docht. van                          Walpurga, dochter   van Wied     graaf van
hertog Jac.                         van graaf Jan       [+] 1533.    Holstein-
van Savoye.                         van Egmond                       Schaumburg
geh. 2. met                         ([+] 1529).                        [+] 1532.
Claudia,                            geh. 2. met
docht. van                          Juliana,
Prins Jan                           docht. van graaf
van Chalons                         Botha van Stolberg,
en Oranje.                          weduwe van graaf
   |                                Filips van Hanau.
 Réné                               [+] 1580.
1518-1544.                                |
Prins van                                 |
Oranje 1530                               |
geh. met                                  |
Anna, docht.                              |
van hert.                                 |
Ant. van                                  |
Lotharingen.                              |
   |                                      |
 Maria                                    |
gestorven                                 |
3 weken na                                |
de geboorte.                              |
                                          |
                                          |
----------------------------------------------------------------------------------------+
    |             |                 |               |           |              |        |
Elisabeth     Magdalena     Willem van Oranje  Hermanna   Jan de Oude    Lodewijk       |
1515-1523.    1522-1567     24 April 1533-     1534.      1536-1606.     1538-1574.     |
              geh. met      10 Juli 1584.                      |         (Sneuvelt      |
              Herman        (Diens                     --------------    op de          |
              graaf         familiestam                   |              Mookerheide.)  |
              van Moers     volgt                       Willem                          |
              en Nuenar.    later.)                     Lodewijk,                       |
              [+] 1578.                                 Voorvader van                   |
                                                        ons regeerend                   |
                                                        vorstenhuis.                    |
                                                                                        |
----------------------------------------------------------------------------------------+
|     |          |              |              |             |           |             |
|   Adolf      Anna         Elisabeth     Catharina      Juliana     Magdalena      Hendrik
| 1540-1568.   1541-1616    1543-1616     1543-1624      1546-1588.  1547-1630     1550-1574.
| (Sneuvelt    geh. met     geh. met      geh. met                   geh. met      (Sneuvelt
| bij Heili-   Albert       Koenraad      Gunther                    Wolfgang,      op de
| gerlee.)     graaf van    graaf         graaf                      graaf          Mooker-
|              Nassau-      van Solms-    van                        van            heide.)
|              Saarbrück    Braunfels.    Schwarzburg.               Hohenlohe
|              [+] 1593.  [+] 1592.   [+] 1583.                      [+] 1610.



De tak, waaruit Willem van Oranje is ontstaan, gaat terug tot
Ruprecht, de eerste, die den titel Laurenburg voor dien van Nassau
verwisselde. Zijn kleinzoon Hendrik de Rijke, die in het midden
der 13e eeuw leefde, was zeer gezien in het Rijk en stichtte het
kasteel Dillenburg, teneinde daardoor vasten voet te hebben in het
noordelijk gedeelte van zijn domeinen. Onder zijn twee zonen Walram
en Otto, de stichters van de Walramsche en Ottonische lijnen, werd
het voorvaderlijk goed verdeeld, terwijl beiden een deel hadden in
Nassau zelf.

Otto werd het hoofd van den Nassau-Dillenburger stam, waartoe ook
Willem van Oranje behoorde.

Zijn afstammelingen sloten rijke huwelijken, waardoor de familiebanden
werden vergroot, veel goud in de schatkist kwam, terwijl de gelegenheid
zich daardoor opende, nieuwe titels te verwerven. Vooral het huwelijk
van Otto II met Adelheid was een der rijkste verbintenissen, die
zooveel hebben toegevoegd bij de Nassausche bezittingen, o.a. Vianden,
dat Adelheid als bruidschat meebracht. (Zie geslachtsregister pag. 3.)

Onder Otto's oudsten zoon Jan werden verschillende stadsprivileges
aan Dillenburg toegestaan en in 1384 verkreeg hij van den keizer
de vergunning, om onder zijn eigen jurisdictie een gerechtshof te
bezitten.

Door het ongehuwd blijven van den eenen broer en het overlijden zonder
mannelijke nakomelingen van den anderen, verliet Engelbert, die reeds
vroeg een geestelijke gelofte had afgelegd, den geestelijken stand
en huwde met Johanna, eenig kind van Jan, Heer van Polanen en Leek,
welke gebeurtenis van zoo groot belang was, daar op die wijze de
Nederlandsche goederen in de familie werden gebracht en Engelbert in
staat werd gesteld een voorname positie in te nemen aan het hof van
Bourgondië, binnen welks kring zijn landen lagen.

Terwijl Engelbert zijn leven in de Nederlanden doorbracht, regeerde
zijn oudere broer Jan van Nassau over de familiegoederen aan den
oostkant van den Rijn. Hij leefde op zulk een voortdurenden voet van
oorlog met zijn buren, dat hij bekend stond als Jan "Met den helm",
daar hij nooit den tijd kon vinden, zich van zijn oorlogshoofdtooisel
te ontdoen. 't Schijnt een merkwaardig man geweest te zijn, over wiens
dapperheid nog vele legenden in omloop zijn in de buurt van Dillenburg.

Sedert den tijd van Jan I was de bezitting meer dan verdubbeld en
Jan IV werd nog rijker door zijn huwelijk met Maria, erfgename van
Loon en Heinsberg.

In 1475 overleed Jan IV en zijn erfgenamen Jan en Engelbert verdeelden
de landen bij overeenkomst, terwijl ze sommige goederen ter wille
van de titels gemeenschappelijk behielden. Het aldus verdeelde land
werd niet weder vereenigd dan na den dood van Willem III, Koning van
Engeland, in 1702.

Er was vastgesteld, dat bij gebreke van mannelijke erfgenamen van den
eenen broeder, de zoons van den anderen broer zouden erven. Dergelijke
schikkingen werden in de Nassau-Dillenburger familie meermalen gemaakt,
maar wat merkwaardiger was, ook uitgevoerd. Mochten er ook al processen
voorkomen bij den minsten twist met de naburen, de familiebetrekkingen
bleven altijd vriendschappelijk.

In overeenstemming met dit verdrag, volgens hetwelk Nassau aan den
ouderen, de Nederlandsche goederen aan den jongeren broer kwamen,
leefde Jan, de vijfde van dien naam, te Dillenburg, terwijl Engelbert
II Breda tot zijn hoofdkwartier maakte, waar hij echter niet lang
woonde, daar hij zijn leven in den dienst van Karel den Stoute van
Bourgondië en zijn opvolgers doorbracht.

Beide broers hebben zich nog al bekend gemaakt, hoewel op geheel
verschillend terrein.

Engelbert zou men de staatkundige voorganger van Willem van Oranje
kunnen noemen; hij was ridder van het Gulden Vlies en had een gewichtig
aandeel in de belangrijke staatkundige onderhandelingen van dien tijd.

In 1477 werd hij in den noodlottigen slag bij Nancy gevangen genomen
door de Zwitsers; zijn vrouw beloofde aan de kerk een reliquienkast
en een kaars, even zwaar wegende als de wapenrusting van haar man,
indien deze in veiligheid terugkeerde, hetgeen niet dan tegen een hoog
losgeld geschiedde. Ook aan het hof van Karels opvolgster, Maria van
Bourgondië, bekleedde Engelbert een voorname plaats en op haar huwelijk
met Maximiliaan had hij grooten invloed. In 1487 tijdens den Franschen
veldtocht werd hij nogmaals gevangen genomen en om zijn losprijs van
84.000 francs te betalen, was hij verplicht een deel van zijn goederen
o.a. Vianden, St. Vis en Daesberg aan zijn broeder Jan te verpanden.

In 1496 kwam tusschen Maximiliaan en Karel VIII een verdrag tot
stand, waarbij Engelbert als onderhandelaar optrad, terwijl, uit het
handels- en vriendschapsverdrag met Hendrik VII van Engeland in 1493,
ook zijn bekwaamheden als staatsman bleken. Toch treft hem eenigen
blaam gedurende zijn bestuur als stadhouder in de Nederlanden, toen
hij, na het dempen van een oproer te Brussel, de oproerlingen wel
begenadigde, maar hiervan 50 rijke kooplieden uitsloot en hen dwong,
hun leven door middel van zware losgelden te redden. Van deze sommen
bouwde hij het paleis der Nassau's in Brussel.

In Nassau was Jan niet minder werkzaam, hoewel in begrensder kring,
in vergelijking van zijn meer beroemden broeder. Hij bevorderde den
vooruitgang van zijn land en volk door het oprichten van rechtbanken,
het uitbreiden van den handel en het ontginnen van mijnen. In 1511
stichtte hij een kerk en school te Dillenburg. Door zijn huwelijk met
Elisabeth van Hessen, bereidde hij zijn zoon Willem een levenslang
verdriet, want daardoor had Nassau recht verkregen op een deel van de
Catzenellenbogen-goederen, waarover meer dan een halve eeuw is getwist.

In 1516 stierf Jan en liet twee zonen na, Hendrik en Willem. Reeds in
1504 werd Hendrik, die in het leven aan het Bourgondische hof door
Engelbert was ingeleid, ter gelegenheid van zijn huwelijk met de
rijke bruid Francesca, als de erfgenaam van zijn oom erkend, waarom
Hendrik ten gunste van zijn broeder Willem van het grootste deel van
zijn vaderlijk erfgoed in Duitschland afzag.

Hendrik was een waardig opvolger van zijn oom den staatsman en overtrof
hem zelfs, in zoover het tooneel zijner daden grooter was dan dat van
zijn voorganger. Kort na Engelberts dood toch vielen de Nederlanden
als erfenis ten deel aan hem, die reeds Koning van Spanje was en
later Keizer van Duitschland zou worden.

Hendriks leenheer, de heer van Bourgondië, aan wien hij krachtens zijn
Nederlandsche goederen trouw was verschuldigd, had alzoo als Karel V,
een rijk, waarbij dat van Karel den Stoute onbeteekenend en een macht,
waarbij de ingebeelde macht van Maximiliaan niets was.

Hendrik hoorde ook tijdens de minderjarigheid van den jongen vorst
een tijdlang tot zijn voogden en toen hij eenmaal de teugels van het
bewind aanvaard had, werd hij zijn zeer gewaardeerde raadgever. Ja,
men beweert zelfs, dat het bij de keizerskeuze in 1519 vooral
Hendriks groote invloed was, die de balans ten voordeele van Karel
deed overslaan tegenover Frederik van Saksen, wiens aanspraken door
vele keurvorsten werden verdedigd.

Dat de keizer nooit den dienst, hem toen door Hendrik bewezen, vergat,
is licht te begrijpen en we zien hem dan ook altijd in het persoonlijk
gevolg van den keizer, tenzij Hendrik hem verving in de Nederlanden
als zijn vertegenwoordiger, tenzij hem een diplomatieke zending naar
een vreemd hof werd toevertrouwd.

Op de voornaamste rijksdagen was Hendrik tegenwoordig en ook te
Augsburg, toen de confessie van het Protestantsch geloof werd
vastgesteld, voor welken nieuwen godsdienst hij echter weinig
sympathie had, in tegenstelling van zijn broer graaf Willem, die tot
het Protestantisme was overgegaan.

Hendrik was voortdurend aan het Fransche hof op verschillende
diplomatieke tochten en, ter erkenning van de voortreffelijke
diensten, door hem bij een dezer gelegenheden aan Frans I bewezen,
schonk deze hem de hand van Claudia, zuster van Philibert, prins van
Oranje-Chalons. Dit huwelijk was in zijn gevolgen nog gewichtiger
voor de Nassau's dan dat van Engelbert met de erfgename van Polanen en
Leck, want bij den dood van Philibert, zonder mannelijke erfgenamen,
werd hun zoon Réné tot legataris benoemd.

Hendriks bezittingen werden zeer vermeerderd door giften, aankoopen
en verbeurdverklaringen, zoodat Réné een veel grooter erfgoed ontving
dan zijn vader had verkregen.

De lucht van hun geboortegrond Nassau scheen de familie beter te
bekomen, dan die van de Nederlanden; misschien ook was het rustig
gravenleven bevorderlijker voor een hoogen ouderdom, dan het heen en
weer trekkend bestaan, waartoe de volgers van het huis van Bourgondië
verplicht waren. Geen der uitstekende Nassau's in Nederland bereikte
meer dan een middelbaren leeftijd en was de Duitsche bloeiende
stam niet in de gelegenheid geweest, om steeds nieuwe enten op den
Nederlandschen tak over te planten, dan zou geen Nassau het leiderschap
in Holland hebben kunnen op zich nemen, toen de noodzakelijkheid
van zulk een leider ontstond. Hendrik stierf in 1538, op 55-jarigen
leeftijd, één zoon Réné als opvolger voor zijne staten achterlatende,
die in 1530 Prins van Oranje geworden was.

Uit dankbaarheid aan zijn oom Philibert, van wien hij het rijkste
deel zijner erfenis ontving, was zijn gewone onderteekening: Réné van
Chalons. Zijn volle titel was: "Bij de gratie Gods Réné, Prins van
Oranje, geboren van Nassau en Chalons, graaf van Catzenellenbogen,
Vianden, Dietz, Tonnerre, Pointhièvre, Charny, Heer van Breda, Diest,
Warneton, Arlay, Roseroy en Chastelbelin."

Hij nam de wapens van Oranje en Chalons aan met het devies: "Je
maintiendrai Chalons". Willem van Oranje veranderde Chalons in Nassau,
maar later werd de spreuk eenvoudig: "Je maintiendrai", terwijl men
het voorwerp van dit werkwoord naar verkiezing invulde.

De titel van Oranje, door Réné in de Nassau-familie gebracht, werd zoo
geheel en al met hen vereenzelvigd en speelde zulk een belangrijke
rol in hun achtereenvolgende geschiedenis, dat een korte schets van
dit kleine vorstendom hier niet misplaatst kan zijn.

Oranje, een naam die zoo wereldberoemd is geworden, was een kleine
landstreek niet grooter dan 38.248,4 acres, in het Zuiden van
Frankrijk, ten Oosten van de Rhône gelegen.

Het graafschap Avignon ligt rondom het gewest, uitgezonderd waar de
Rhône de westelijke grens vormt. Dit kleine vorstendom behield althans
een nominale onafhankelijkheid van den Franschen souverein tot 1713,
toen het ten slotte werd afgestaan aan Lodewijk XIV.

In de 6e eeuw dreven de ruwe stammen van het Noorden de Romeinen uit
Oranje, zoowel als uit andere steden in de provinciën, maar ze werden
op hunne beurt door de Saracenen, die uit het Zuiden kwamen, verjaagd.

Jonckbloet heeft een modern Fransche vertaling geleverd van een oud
romantisch gedicht, getiteld: Guillaume d'Orange of Guillaume au
Court Nez; de held van dit verhaal, ridder aan het hof van Karel den
Groote, deed wonderen van dapperheid. Hij was het, die Oranje, dat
de rijkste en prachtigste stad van de Saraceensche steden geworden
was, bevrijdde, Orable, de Saraceensche prinses, die hem tegen haar
eigen geslacht bij de belegering hielp, huwde en het vorstendom uit
de handen van Karel den Groote ontving.

In de twaalfde eeuw bracht prinses Tiburge, bij gebreke aan mannelijke
erfgenamen, Oranje als huwelijksgoed aan haar echtgenoot, Bertrand
des Baux. Ook deze familie stierf uit in de mannelijke lijn en het
vorstendom ging door Marie des Baux aan haar echtgenoot Jean van
Chalons, stichter van het huis Oranje-Chalons over.

De achtereenvolgende heeren van Oranje verkozen als regel liever
het fortuin van den keizer te volgen, dan dat der Fransche koningen,
in wier rijk de armzalige bunders verzwolgen werden. Misschien was
dit eenvoudig de begeerte om met hun onafhankelijkheid van iemand,
aan wien zij geografisch hulde verplicht schenen, te bluffen. Doch
hoe dit ook zij, het gevolg van hun keuze was voor het vorstendom
niet gelukkig, daar de regeerende koning van Frankrijk, in het geval
hij zich openlijk aan de zijde van den keizer plaatste, onmiddellijk
er toe overging, het kleine arme land, dat bij afwezigheid van zijn
heer weerloos was, te confisqueeren.

Ook Réné bracht zijn leven door in het gevolg van den keizer en door
de voortdurende vijandschap tusschen dezen vorst en Frans I, werden
Réné's vorstendom en andere staten op Fransch grondgebied telkens
verbeurd verklaard. Er bleef dus weinig gelegenheid voor Réné over
om Oranje of Chalons te handhaven.

Was Frans op den jongen vorst zeer verbitterd wegens zijn actief en
dikwijls succesvol deelnemen aan de veldtochten, Réné stond in hoog
aanzien bij Keizer Karel, die hem in weerwil van zijn jeugd in 1540
tot stadhouder over Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht aanstelde
en hem tevens met de orde van het Gulden Vlies bekleedde. In 1542 trok
hij weer te velde en werd persoonlijk zeer geroemd, al was Karel ook
niet gelukkig in den veldtocht.

Toen Karel in 1544 zijn plan wilde volvoeren om naar Parijs te trekken
en het hiervoor noodzakelijk was Saint-Dizier, een vesting aan de
Marne, te bezetten, ontving Réné het opperbevel over de belegerende
troepen.

Den 17en Juli werd een aanval op de wallen gedaan en daarbij ontving
Réné een ernstige wond, waaraan hij reeds den volgenden dag op
26-jarigen leeftijd overleed. Hij werd door het geheele leger betreurd
en Karel was tegenwoordig, toen hij den laatsten ademtocht uitblies.

Had Réné een voorgevoel van zijn naderend einde gehad? Men zou het
haast zeggen, want op den 20en Juni had hij vergunning van den keizer
gevraagd en gekregen, om zijn uitersten wil te maken, waarbij hij
al wat hij geërfd had van zijn oom Philibert aan zijn kleinen neef
Willem, oudsten zoon van graaf Willem van Nassau, naliet.

Alzoo stierf de lijn Nassau-Breda wederom uit en krachtens de
overeenkomst, die tusschen Willem en Hendrik herhaald was, keerde
de Nederlandsche bezitting van de familie Nassau naar den Duitschen
tak terug. Réné's testament betrof alles wat hij bezat, maar was
alleen noodzakelijk voor de bezittingen, die hij van moederszijde had
gekregen. Hij liet dit alles na aan Willem en diens rechtstreeksche of
zijdelingsche erfgenamen of, indien deze ontbraken, aan de erfgenamen
van diens vrouwelijke erfgenamen. Op deze clausule beriep zich Pruisen
in 1702 voor zijn aanspraak op Oranje, toen Willems mannelijke lijn
met den dood van Willem III van Engeland uitstierf.

Het in den loop der eeuwen herhaaldelijk geconfisqueerde Oranje, kwam
dan ook dit jaar aan Frederik I, Koning van Pruisen, als erfgenaam
van Louise Henriëtte, kleindochter van Willem den Zwijger. In 1713
werd een nieuwe schikking gemaakt tusschen Frederik en Lodewijk. In
ruil met andere goederen werd toen het vorstendom aan den koning van
Frankrijk afgestaan en is sedert dien tijd een deel van het Fransche
rijk gebleven. Voor dit pesthol van Hugenoterij, zooals Lodewijk XIV
het noemde, werd alles gedaan om het minder aantrekkelijk te maken voor
de Protestanten. Drie duizend hunner verlieten de stad, gingen naar
Genève en vormden later een kleine kolonie in Pruisen. Van de 10.000
inwoners waren er op Kerstmis 1890 nog slechts 78 mannen, vrouwen
en kinderen, die in een kleine zijstraat voor hun Protestantsche
godsvereering te zamen kwamen.



Terwijl Hendrik zich vooral bewoog aan het Bourgondische hof,
speelde Willem daarentegen dezelfde stille rol in Dillenburg als
zijn vader. In 1516 verkreeg hij bij het overlijden van Jan V, de
Nassau-Dillenburgsche erfenis, terwijl aan zijn ouderen broer Hendrik
alleen zijn aandeel in het voorvaderlijk kasteel van Nassau toekwam.

Reeds in Augustus 1516 ontving Willem de eeden van getrouwheid, eerst
van zijn vazallen in Siegen en daarna van die in andere deelen van
zijn klein vorstendom.

Hoewel hij het recht had op al de titels van de Nederlandsche staten
van zijn broer, noemde hij zich eerst eenvoudig Graaf van Nassau,
Vianden en Dietz, waarbij hij pas later dien van Catzenellenbogen
voegde.

Hij werd de Rijke genaamd, maar deze rijkdom bestond meer in den
vorm van land met aanspraken daaraan verbonden, dan in geld en deze
naam zou meer toepasselijk zijn, als we denken aan zijn vijf zonen
en zeven dochters uit zijn huwelijk met Juliana van Stolberg.

Inderdaad vond de graaf het in 't minst geen gemakkelijke zaak aan
de gedurige eischen van den keizer te voldoen, die steeds naar den
eenen hoek van zijn wereldrijk om geld keek om het in een anderen
hoek weer uit te geven.

Van de voortdurende vijandschap en oneenigheden tusschen de huizen
Nassau en Hessen kreeg Willem ook ruim zijn deel, want de twist,
die reeds 15 jaar lang gevoerd werd over de aanspraken op de
Catzenellenbogen-staten, door Jan V begonnen ten behoeve van zijn
vrouw, werd door Willem na den dood van zijn vader overgenomen.

Geen rijksdag werd er gehouden, zonder dat die zaak te berde kwam;
geen voet zette de keizer op Duitsch grondgebied, zonder door de
Nassau's of Hessens geprest te worden om een beslissing te nemen. In
1520 nam Karel volgens zijn keizerlijk recht zelf de zaak in handen,
maar vertrouwde haar spoedig toe aan een commissie, daar hij zelf
te kort op één plaats vertoefde om het getuigengehoor te eindigen en
vonnis te vellen. Ook deze commissie had niet veel succes, want was
ze gereed met een beslissing, dan kon de keizer door zijn afwezigheid
niet tot uitvoering overgaan; de tijd verliep en men kon van voren
af weer beginnen.

In 1557 eindigde de strijd. Het besluit was, dat Hessen het grootste
deel van de landen verkreeg met de voorwaarde daarbij, dat Nassau
schadeloos gesteld zou worden. De Nassau's mochten de wapens en den
titel van Catzenellenbogen dragen, de Hessens die van Dietz. Indien
beiden, Willem van Oranje en zijn vader, zonder erfgenamen stierven,
dan moesten de Hessens het voorrecht hebben om de afgestane landen
terug te kunnen koopen, als ze dat verlangden. Zoo eindigde de zaak
tot niemands bevrediging, behalve tot die der scheidsrechters.

Hoe stond Graaf Willem tegenover de Hervorming?

In 1521 was hij op den beroemden rijksdag van Worms en de Wittenberger
monnik liet niet na, grooten indruk op hem te maken; toch vereenigde
hij zich niet met de eerste protestantsche bewegingen.

Misschien was het voorzichtigheid, die hem tot die neutrale houding
dreef en werd hij door de gedachte aan zijns broeders positie aan
het keizerlijk hof daartoe aangespoord; ook kan het zijn, dat hij
met het oog op zijn proces met Hessen ongeneigd was, openlijk een
stelling in te nemen, die den jongen keizer zou kunnen mishagen.

Eenige jaren later ontving hij op Dillenburg bezoek van den jongen
hertog Hans Frederik van Saksen, met het doel hem te bewegen, zich
bij de Evangelische partij aan te sluiten en na het vertrek van zijn
gast zond deze hem tal van geschriften van Luther toe en schreef bij
het eerste pakket:


    "Zooals ik u beloofde, zend ik U hierbij eenige van Luthers
    geschriften, zooveel als ik op dit oogenblik kon verzamelen. Ik
    hoop met Gods hulp daardoor een goed Christen van U te maken."


Frederiks hoop om een proseliet te winnen, werd niet zoo spoedig
vervuld, want al stond Willem in 1528 den monniken van het klooster
te Thron toe, zelf een reformatie te bewerken en hun invloed aan
te wenden om die op de gemeente van Old Weilnau en Wehrheim over
te brengen, toch bleef het voorloopig hierbij en pas langzamerhand
kwamen meer veranderingen.

In de hoop op een vonnis in zijn proces, ging hij ook naar den
Rijksdag van Augsburg, die in persoon door Karel werd gepresideerd;
zag Willem zijn wensch niet vervuld, wel werd de graaf versterkt
in zijn neiging tot de nieuwe leer, want na dien Rijksdag, waar de
Luthersche geloofsbelijdenis werd geformuleerd, werden volgens de
Dillenburgsche Kroniek "godsdienstige en kerkelijke verordeningen
veranderd en de mis afgeschaft."

Toch ging de hervorming in zijn staten slechts voet voor voet vooruit
en waren er bewijzen, die deden vermoeden, dat de graaf werd beschouwd
als iemand, die nog tusschen de partijen aarzelde.

In 1533, eigenaardig het geboortejaar van onzen Willem van Oranje,
nam de graaf twee maatregelen, die toonden, dat hij zich met de
hervorming had verbonden. Hij weigerde de orde van 't Gulden Vlies,
omdat daartoe een eed van trouw aan Rome noodzakelijk was en in de
kerken Siegen en Dillenburg voerde hij de "Neurenbergsche Reformatie"
in, eene confessie, die de markgraaf van Brandenburg in Frankrijk
had opgesteld. Ook liet hij in 1536 door den weinigen voortgang van
den nieuwen godsdienst, tengevolge van onwetende en luie predikers,
de "Nassausche Kerkregelingen" samenstellen, waarbij hij zelf een
inleiding schreef, ten einde "hun gemis aan oordeel door een kleine
verklaring en instructie te hulp te komen."

Graaf Willem gaf dus zelf de leiding aan, maar van dwang, in welke
richting ook, was in zijn rijk nooit sprake! Hij streefde er alleen
naar, beter onderwijs in te voeren. Het Duitsch was de taal, die
bij den doop gebruikt werd; voor de viering van het avondmaal moest
de predikant eene duidelijke uiteenzetting van zijne meening geven
en met eene algemeene belijdenis van de gemeente moest hij zich
tevreden stellen.

Na het avondmaal in beide gestalten mocht de mis in gewone kleeding en
met onschadelijke plechtigheden gecelebreerd worden. De opheffing van
de hostie was verboden. Bijzondere missen, ook die op gewone weekdagen,
waren eveneens verboden. In kerken, waar dagelijksche missen gewoon
waren geweest, moest een eenvoudige dienst worden gehouden, waar een
brief of evangelie werd gelezen en verklaard met gebed. In andere
kerken zou er een preek worden gehouden op Woensdagen. De kinderen
moesten ten minste tweemaal 's jaars worden geëxamineerd. Het
getal feestdagen, in een jaar toegestaan, werd tot zes-en-twintig
teruggebracht. De overige artikelen handelden over de levenswijze
der predikanten, over kerkbestuur, gebruik van den Duitschen bijbel
enz. Daar was ook een bijzonder verbod omtrent bijgeloovige vereering
van zaken. Het is duidelijk, dat deze regelingen met gezag werden
afgekondigd en dat Willem algeheele bisschoppelijke jurisdictie
in zijn landen had aangenomen. De eerste superintendent van de
Nassau-kerken was een zekere Erasmus Sarcerius, die een weldadigen
invloed uitoefende, welke lang in de nabuurschap van Dillenburg
nawerkte. Zijn arbeid werd echter door het Interim van 1548 vernietigd,
dat de kerkelijke zaken weer in een staat van onzekerheid bracht.

Na den Rijksdag van Augsburg n.l. was door de ligue der Schmalkalden
een defensieve alliantie gesloten tusschen de Protestantsche edelen en
sommige van de vrije steden, tengevolge waarvan Karel V den eersten
godsdienstvrede, dien van Neurenberg sloot. Door tegenwerking van
Filips van Hessen om zich bij die ligue aan te sluiten, wat Willems
plan was, kon Willem zijn staten nog juist sparen voor het gevaar van
gewikkeld te worden in den oorlog van Schmalkalden, die zoo noodlottig
werd voor zijn naburen Saksen en Hessen. Het zag er, na den slag te
Mühlberg in 1547, donker uit voor het protestantisme; Willem zond
zijn hervormde predikers weg en stond den terugkeer der priesters toe.

In dezen tijd werd door Granvelle, toen bisschop van Arras, veel
moeite gedaan om den graaf weer in de kerk terug te brengen. Zoo
wordt verhaald, dat na een redetwist over zijn godsdienstverandering,
graaf Willem aan Granvelle op vasten toon ten antwoord gaf: "Of het
waar is of niet weet ik niet, maar daar zijn zekere dingen, die tot
den godsdienst betrekking hebben, die mij zeer verontrusten."

Bij den godsdienstvrede van 1555 werd door den keizer toegestaan,
dat de godsdienstige zaken van elk land geregeld moesten worden
overeenkomstig den wil van den bestuurder en dit was het eerste
stuk van keizerlijke beteekenis, waaraan ook de onderteekening van
Nassau-Dillenburg is gehecht.

Natuurlijk was nu het gevolg van dezen vrede voor Nassau, dat de
Evangelische predikers weder hersteld werden, terwijl ook de Synoden
en kerkvisitatiën in 't leven werden teruggeroepen. Zonder tegenwerking
ging dit echter niet.

De bisschop van Trier liet niets na, om zijn gezag in Dietz te
herstellen en werd zonderling genoeg gesteund door Filips van Hessen,
den meest protesteerenden Protestant van allen, maar zulk een geducht
hater van Nassau, dat hij liever te weinig protesteerde, wanneer hij
daardoor zijn erfelijken vijand slechts kwellen kon, met wien hij
openlijk in vrede leefde.--Dat Filips Zwingliaansch en Willem geheel
Luthersch in zijn denkbeelden was, maakte den strijd nog heviger,
want het verschil tusschen deze beide takken van de hervorming begon
al even bitter te worden als tusschen de Protestanten en Katholieken.

Er was in de wijze waarop de hervorming in zijn landen werd ingevoerd
nooit eenig fanatisme. Zelfs in de aanvaarding van het Protestantsche
geloof was hij gematigd en hij beoefende verdraagzaamheid bij elke
hervorming, die hij invoerde; priesters, die weigerden de nieuwe
kerkverordeningen te aanvaarden, werden met consideratie behandeld
en in vele gevallen gepensionneerd. Zeker hoorde hij niet tot de
edelen, die de hervorming gebruikten als middel om hun inkomsten
te vermeerderen; geen kerkelijke noch monnikgoederen werden voor
wereldlijke bedoelingen gebruikt en er werd zorg gedragen, dat
alle kerkelijke inkomsten alleen zouden worden aangewend voor
gemeenschappelijke belangen.

Als krijgsman kan graaf Willem niet gerekend worden tot de groote en
uitstekende mannen van zijn dagen. Wel vergezelde hij zijn broeder
Hendrik bij de eerste veldtochten van Karel V tegen Frankrijk in
1511-1522 en was daardoor tegenwoordig bij het beleg van Mézières,
maar de latere aanbiedingen van Karel V, die hem het commando over
de geheele infanterie wilde geven en van Jan Frederik van Saksen, die
6000 gulden bood, als hij in zijn dienst wilde treden, sloeg hij af.

Militaire betrekkingen weigerde hij, maar dikwijls werd hij gekozen als
de vertrouwde, de raadgever en bemiddelaar van vele voorname vorsten
van het rijk, want men hield hem voor een man van gezond oordeel
en van zulk een onbevooroordeelden geest, als bij mogelijkheid
te vinden was in dat tijdvak van partijzucht en persoonlijken
invloed. Eigenaardig, dat bij zijn welbekend talent om moeilijkheden
van anderen te vereffenen en bij zijn grooten invloed aan het hof,
zijn eigen belangrijke zaak zoo lang aanhangig bleef.

Kan hij al niet onder de groote mannen van zijn geslacht gerekend
worden, zeker is het, dat hij een van de voornaamste bestuurders uit
het huis Nassau was.

Door het labyrinth van godsdienstige sympathieën en politieke
belangen, bedreigd nu door de eene, dan door de andere partij, met
verlies of verwoesting van zijn landen, heeft graaf Willem zich met
voorzichtigheid en standvastigheid bewogen. Hij heeft zijn land tegen
den oorlog met al zijn verwoestende gevolgen weten te vrijwaren en
liet aan zijn zonen zijn vaderlijk erfdeel, aanzienlijk vermeerderd,
achter. Zijn verhouding tot zijn onderdanen was uitstekend en hunne
belangen waren goed bij hem verzorgd.

In October 1559 stierf graaf Willem op den leeftijd van 72 jaar en
werd begraven in de keurige kleine kerk te Dillenburg, door zijn
vader gebouwd en door hem zelf veranderd.

Geen Duitsch staatsman ging met hem heen, maar een uitmuntend
bestuurder van het graafschap Nassau. Hij is alleen bekend geweest als
Willem de Oude of de Rijke, terwijl het voor zijn zoon was weggelegd,
Willem van Nassau te worden.






HOOFDSTUK II.

DE JEUGD VAN WILLEM VAN ORANJE EN ZIJN EERSTE VELDTOCHTEN 1531-1555.


Graaf Willem, over wien we in het vorige hoofdstuk een en ander
hebben meegedeeld, was in 1505, op achttien jarigen leeftijd gehuwd
met Walpurga, dochter van graaf Jan van Egmond. Uit dezen echt waren
twee dochters, waarvan alleen Magdalena, in 1538 getrouwd met graaf
Herman van Nuenar, de moeder overleefde.

Walpurga stierf in 1529 en aanstonds schijnt de quaestie van haar
opvolgster in de familie druk besproken te zijn, want kort na haar dood
ontving Willem van zijn broeder Hendrik van Nassau een brief, waarin
hij verschillende prinsessen van Lotharingen, Wurtemberg en Saksen
aanbeval als begeerenswaardige partijen voor zijn broeder. We kunnen
ons dien broederlijken aandrang tot een tweede huwelijk begrijpen,
wanneer we bedenken, dat in die dagen een chatelaine of dame van
het kasteel dringend noodzakelijk was. Niet alleen werd er in het
kasteel gesponnen en geweven en moesten er kleeren gemaakt worden,
geen kleinigheid als de bewoners talrijk waren, maar ook diende de
zuinigheid in acht genomen te worden.

Elk Duitsch edelman was verplicht een vast bedrag te betalen; de
keizerlijke rijksdagen, die nu in de eene dan in de andere stad
werden gehouden en het onophoudelijk oorlogvoeren gaven bovendien
aanleiding tot veel reizen. Bij trouwen begrafenisplechtigheden kwamen
bloedverwanten tot een zeer ver verwijderden graad te zamen en werden
overdadig onthaald en niet alleen bij dergelijke gebeurtenissen was
het aantal gasten op het kasteel zoo groot.

Dillenburg was, door haar ligging op een der wegen van Brunswijk,
Brandenburg en andere noordoostelijke gewesten naar Frankfort, in den
regel de plaats, waar vele zaken werden afgehandeld. De Dillenburgsche
Kroniek vermeldt o.a. een bezoek van Hendrik, den hertog van Brunswijk,
op het kasteel met een gevolg van 134 ruiters en van den markgraaf
van Thüringen met 150 volgelingen. Wat er dan te doen viel, behoeft
geen nadere vermelding.

Willem gaf echter niet zoo spoedig gehoor aan den raad van Hendrik
en het blijkt ook hieruit, dat haast geen karaktertrek van hem is
geweest, daar hij twee jaar wachtte, voor hij een nieuwe gravin ten
huwelijk vroeg.

Het was Juliana van Stolberg, weduwe van Filips van Hanau, waarmee
Graaf Willem in 1531 trouwde. Zij was geen onbekende voor hem; in
hetzelfde jaar dat Willem weduwnaar werd (1529), was ook Filips van
Hanau overleden, Juliana met 5 kinderen achterlatende. Willem, die
ook voogd van den minderjarigen Filips was geweest en toen tijdelijk
het bestuur over Hanau had gevoerd, werd thans bij zijn dood tot
uitvoerder benoemd van zijn uitersten wil en tevens tot voogd over
de kinderen. Met groote zorg had hij die taak ondernomen en daardoor
was hij tevens in de gelegenheid geweest, de jonge weduwe, met wie
hij nu huwde, beter te leeren kennen. Al zijn pleegkinderen nam hij
ter opvoeding in zijn eigen huishouden op. Woonde Willem wel eens te
Siegen, de vaste woonplaats was Dillenburg, waar ook de kinderen van
Juliana geboren werden.

Den 24en April 1533 werd de oudste zoon van Graaf Willem en Juliana
geboren. Hij ontving denzelfden naam als zijn vader en bij de
geboorte bestond niet het minste vooruitzicht voor den jongen Willem
om een grooter erfgoed te krijgen dan zijn vader hem kon geven, want
zoowel Hendrik als Réné van Nassau waren in hun volle levenskracht,
ja de laatste had nog niet eens het prinsdom Oranje geërfd, een naam,
die bestemd was wereldberoemd te worden.

Over de eerste jaren van Willem is zeer weinig bekend, maar zeker
is het, dat zijn jeugd niet eenzaam is geweest. Volgens de gewoonte
van dien tijd trachtte men de jonge edellieden van een vorstelijk
huisgezin geplaatst te krijgen, in een, als het kon, van hooger rang,
ten einde de opvoeding te voltooien. Het hof van Graaf Willem had
een uitstekenden naam en ouders achtten zich gelukkig, als zij er in
slaagden, hun zoons daar geplaatst te krijgen. Het gevolg hiervan was,
dat het kasteel steeds vol leven was, niet alleen door de vele jonge
edellieden, die er in huis waren, maar ook door het groot aantal
kinderen op het Dillenburger kasteel geboren.

In Juli 1544 sneuvelde Réné te Saint-Dizier, door welke gebeurtenis het
leven van den jongen Willem volkomen veranderde. Réné had toestemming
verzocht en gekregen om zijn uitersten wil te maken en Karel V had
deze beschikking, waarbij al de goederen op zijn Duitschen neef
Willem overgingen, goedgekeurd. Wel had Willem de Oude, krachtens
vroegere afspraken met zijn broer Hendrik, aanspraak mogen maken op het
Nassau-aandeel van de bezitting, maar de vader vond het verstandiger
te berusten in de keizerlijke sanctie, teneinde de opvolging van
zijn zoon in de moederlijke erfenis van Réné niet in de waagschaal
te stellen. Zooals de vermaking was beschreven, werd zij door Willem
den Oude voor zijn zoon aanvaard; dit bracht echter mee, wat Karel
V nadrukkelijk had vastgesteld, dat de jonge erfgenaam aan zijn hof
zou worden opgevoed.

Het wekt eenigszins bevreemding, dat Willem, op dat oogenblik toch
erkend protestant, erin toegestemd heeft, dat zijn zoon opgevoed zou
worden aan een hof, waar hij verplicht zou zijn, de voorschriften op
te volgen van een godsdienst, dien de vader zelf reeds had vaarwel
gezegd. Gedurende de afwezigheid van Karel V zou Willem in het
huisgezin van Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden, wonen
en deze werd geacht Lutheraansche sympathieën te koesteren, ja zelfs
wordt beweerd, dat zij den hervormden godsdienst had aangenomen.

Hoewel dit zeer onwaarschijnlijk is, daar geen lid van de
Oostenrijksche familie het zou gewaagd hebben, zoozeer den
overheerschenden ouderen broeder te weerstaan en in 1544 alle
kerkvormen nog door Maria werden in acht genomen, is Willems gedrag
in dezen verklaarbaar, als we bedenken, dat het Protestantisme nooit
zulk een levenskwestie voor Graaf Willem is geweest en men nog leefde
in een tijd, dat beide godsdiensten niet zoover van elkaar afweken
en er allerlei pogingen werden gedaan om ze te hereenigen.

Dat het protestant blijven de vooruitzichten van den zoon zeer zou
hebben benadeeld is zeker en deze wilde Graaf Willem niet opofferen,
zoodat we hem in Augustus 1544 met den jongen Prins naar Brabant
zien gaan, ter regeling van de beschikking bij Réné's dood gemaakt
en op den 28en dier maand verschenen beiden te Breda, ten einde de
begrafenis van Réné bij te wonen.

Voor het eerst kwam Willem op Nederlandschen bodem, voor het eerst
ook aan het Hof van Karel V.

De regeling van de erfenis schijnt spoediger in orde gekomen te zijn,
dan bij dergelijke gelegenheden dikwijls het geval was, want reeds
in September kwam met de weduwe van Réné een transactie tot stand,
waarbij deze van het haar bij testament toegekend vruchtgebruik tegen
andere voordeelen afzag.

Een belangrijke zaak, welke geregeld moest worden, was de voogdij over
den jongen prins; de keizer wilde den vader hiermee niet belasten,
met het oog op zijn Lutheraansche sympathieën, zoodat hij genoegen
moest nemen met een drietal voogden, waaronder Claude Bouton, heer
van Corbaron, een kamerheer van den keizer, die in 1545 feitelijk
tot gouverneur van Willem werd aangesteld.

Tegelijkertijd met deze benoeming van Corbaron was ook het hof van
Willem geregeld, waarbij de grootste zuinigheid betracht moest worden,
daar er nog al schulden te betalen waren en de verkregen goederen verre
van onbezwaard overgingen. De onkosten van het hof, dat behalve uit
den gouverneur en twee jonge graven, tijdgenooten van den Prins, uit
een stalmeester voor zijn negen paarden, een edelman, vijf bedienden
en een schoolmeester bestond, bedroegen ongeveer 3500 caroliguldens
per jaar, welke uit de inkomsten van Breda werden gevonden.

Het is jammer, dat over deze eerste jaren van Willem aan het hof
van Karel V zoo weinig bekend is geworden, ja, het is zelfs onzeker,
wanneer de Prins volkomen is opgenomen in de onmiddellijke omgeving
van den keizer.

Hij hield zijn verblijf te Breda en in het paleis te Brussel onder het
dagelijksch persoonlijk toezicht van zijn gouverneur, die steeds vol
lof over hem was en hem als zeer gewillig en volgzaam prees. Bovendien
kwam Willem geregeld aan het hof der landvoogdes, Maria van Hongarije,
die een wakend oog op hem hield en al haar best deed, gedurende de
minderjarigheid van den Prins het zwaar belaste Bredasche vermogen
in beteren staat te brengen; ook bewoog hij zich in het gevolg van
den keizer, wanneer deze zich in het land bevond.

Op de reizen van Karel V vinden we Willem in zijn gezelschap, zooals
uit de tegenwoordigheid op den Rijksdag van Augsburg in 1548 blijkt. In
dezen tijd schijnt de geheele opneming van den Prins in het gevolg
van den keizer overwogen te zijn en zoo vinden we hem ook bij de
huldigingsreis van Karels zoon Filips door de Nederlanden in 1549.

Het doel, dat vooral in deze eerste jaren bij Willems opvoeding op den
voorgrond stond, was, hem los te maken van zijn Duitsche verwanten
en hem tevens als Nederlandsch edelman nauwer aan het Brusselsche
hof en de Nederlandsche zaken te verbinden.

De keizer bemerkte spoedig het merkwaardige karakter van den jongen
en reeds op zeer jeugdigen leeftijd was hij de vriend, ja zelfs
de vertrouwde van den keizer. Zijn plaats was steeds om en bij den
keizerlijken meester en bij de meest gewichtige beraadslagingen was
Willem altijd aanwezig. Geheimen scheen de vorst niet voor hem te
hebben en zijn helder oordeel en scherp verstand kwamen door dit leven
al spoedig tot buitengewone ontwikkeling. Dat Karel V veel zorg aan
zijn opvoeding besteedde, blijkt wel uit het feit, dat Willem vijf
talen vloeiend sprak, terwijl Filips zich alleen in zijn moedertaal
kon uitdrukken en een weinig slecht Latijn sprak.

De vader van den Prins was niet onverdeeld ingenomen met de opvoeding,
welke zijn zoon kreeg. Hinderde het hem al, dat Maria zich krachtig
verzette tegen zijn wensch om gesteund te worden uit het vermogen
van den Prins, o. a. voor het voeren van het Catzenellenbogen-proces,
het krenkte den vader bepaald, dat men zijn zoon zoo uiterst karige
middelen toestond, gedurende zijn minderjarigheid. Willem riep
daartegen de hulp in van den meest invloedrijken minister van Karel V,
Granvelle, den bisschop van Arras, met het gevolg, dat deze naast Maria
van Hongarije de gewichtigste beschermer van den jongen Willem werd.

Jérome Granvelle, een jongere broeder van den kardinaal, werd
zijn onderwijzer en gouverneur, waarover Willems vader zich ten
zeerste verheugde. De vroegtijdige zelfstandigheid van den Prins
en ook zijn huwelijk met Anna van Buren, had Willem in hoofdzaak
aan dezen gouverneur te danken. Het gevolg hiervan was, dat de
vriendschapsbetrekkingen, aldus met de Granvelle's gevormd, van zeer
intiemen aard waren en de Prins bleef ook met den kardinaal op goeden
voet, tot kort voor de breuk tusschen hem en de Nederlandsche edelen.

Tot zijn achttiende jaar bleef de Prins aan het hof van den keizer;
welk edelman zou reeds op dien leeftijd een zoo schitterende
positie hebben ingenomen? Hij stond in blakende gunst van Karel V,
die nauwelijks den middelbaren leeftijd bereikt had; hij was jong,
goed opgevoed en ontwikkeld, rijk door eigen middelen en droeg daarbij
den titel van een onafhankelijk vorst. In 't kort, hij zou voor ieder
een bij uitstek begeerenswaardige schoonzoon zijn. Zoo dacht ook
Maximiliaan, graaf van Buren, een van de meest gewaardeerde generaals
van den keizer. Toen Karel hem, ter erkenning van gewichtige diensten,
den hertogstitel aanbood, weigerde Maximiliaan, omdat daaraan geen
geldelijke voordeelen waren verbonden en hij liever een rijke graaf
dan een arme hertog wilde wezen. Men verhaalt, dat de generaal van de
gelegenheid gebruik maakte en den keizer in plaats van een hoogeren
rang, den Prins van Oranje als echtgenoot zijner eenige dochter Anna
van Egmond vroeg, aan wie hij dan een aardigen bruidschat zou meegeven.

Reeds vroeger, zelfs toen de Prins pas 15 jaar was, had men over
een huwelijk gedacht, nog wel met een Spaansche dame, maar het is te
begrijpen, dat de verwanten van Willem dit ongaarne zagen en verheugd
waren, toen in 1550 weder over Anna van Buren gesproken werd.

Maximiliaan beleefde het echter niet Willems schoonvader te worden,
want op het einde van 1548 overleed hij en gaf als zijn laatste wil te
kennen, dit huwelijk gaarne te zien. Pas in 't laatst van 1550 stemde
de keizer toe in de verbintenis met Anna, waartegen hij aanvankelijk
op godsdienstige gronden bezwaren had gemaakt.

Den 9en Juli 1551 werd het huwelijk voltrokken en het jonge paar begon
het huishouden op schitterenden voet. In het begin van het volgende
jaar had de officieele huldiging van het vorstelijk echtpaar als heer
en vrouwe van Breda plaats. Gedurende twee dagen waren er schitterende
feesten te Breda, terwijl de stad als blijk van hulde, den Prins met
een geschenk van 20.000 gulden vereerde. Tevens werd de Prins uit zijn
voogdij ontslagen en mocht hij zelf over zijn goederen beschikken;
dit kon hij nu in ruimer mate doen en meer overeenkomstig zijn rang,
daar zijn jonge vrouw hem hiertoe in de gelegenheid stelde.

Willems vader in Dillenburg, die zich wel verheugde over het gesloten
huwelijk, scheen toch met eenige bezorgdheid vervuld te zijn over den
zoon; het hof te Brussel kenmerkte zich volstrekt niet door strenge
zeden en voor een nog zoo jong en onervaren edelman vond de vader
deze omgeving niet zonder gevaar. Hij was dan ook pas gerust, toen
hij de bepaalde toezegging verkreeg van "de bijzondere bescherming
en leiding der verstandige landvoogdes, die zich hare verhouding tot
hem nog altijd min of meer als een "moederlijke" dacht en ook in de
eerstvolgende jaren toonde, deze met ernst te willen waarnemen.

Er hebben vele geruchten geloopen omtrent het ongeluk uit deze
verbintenis voortgevloeid; tevens werd er verteld, dat Willem zeer
onvriendelijk was tegenover zijne vrouw, zelfs beschuldigt men den
Prins van haar vergiftigd of met een dolk gedood te hebben. Dit laatste
is een belachelijk sprookje, dat zelfs geen geloof vond bij hen,
die het verspreidden, maar 't is een bewijs, hoe ook dezen grooten
man geen laster gespaard is gebleven. Wat het onvriendelijk zijn
tegenover Anna betreft, ook dat moet valsch wezen, tenzij Willem
op zijn 19e jaar reeds een volleerde huichelaar was, hetgeen we
niet kunnen aannemen; in de twee-en-twintig brieven, die nog van
hem aan haar bestaan, geen zweem van die onvriendelijkheid, ze zijn
daarentegen buitengewoon aardig, echte ontboezemingen van een jongen,
in eenvoudigen stijl geschreven.

Uit hetzelfde jaar 1551 bestaat er een blijkbaar fabelachtig verhaal,
waarvan echter de beteekenis voor het leven van den Prins niet kan
ontkend worden. In dat jaar sloot Maurits van Saksen een verbond met
Hendrik II van Frankrijk tegen den keizer, ten einde aan zijn inbreuk
maken op de Duitsche vrijheid weerstand te bieden. Karel had gepoogd
de Duitsche edelen tot een staat van "beestachtige slavernij" te
brengen. In het bijzonder bedoelde dit verbond de bevrijding van Filips
van Hessen en Frederik van Saksen, die sedert den slag van Mühlberg
in 1547 werden gevangen gehouden. Nu was er een zekere maarschalk de
Vieilleville, die aan de hoven van Frans I en Hendrik II een voorname
rol vervulde, wiens mémoires, door zijn secretaris Vincent Carloix
geschreven, een der bronnen uitmaken van de Fransche geschiedenis van
dat tijdvak. De stijl daarvan is zeer helder en levendig, hoewel het
niet twijfelachtig is, dat, wanneer de herinnering den secretaris in
den steek liet, hij niet aarzelde schilderachtige bijzonderheden uit
zijn eigen verbeelding te schetsen. Deze nu geeft een minutieus verhaal
van een Duitsch gezantschap, dat in 1551 naar Fontainebleau ging met
het plan om een offensief en defensief verbond voor te bereiden.

Volgens hem stonden de hertog van Symerch en de graaf van Nassau aan
het hoofd dezer ambassade en was de graaf vergezeld door zijn zoon,
den Prins van Oranje.

Indien echter één kenmerk Graaf Willem onderscheidde, dan was het
voorzichtigheid. Hij was zoo gelukkig geweest aan den Schmalkaldischen
oorlog te ontsnappen en het is in het geheel niet waarschijnlijk,
dat hij zijn eigen belangen en die van zijn zoon zou in de waagschaal
gesteld hebben, door zulk een publieke daad van vijandschap tegen
den keizer, als deze zending naar Fontainebleau was. Daarbij, een
der voornaamste bedoelingen van Maurits' verbond met Frederik was,
om Filips van Hessen, Nassau's erfvijand en levenslangen bestrijder,
te bevrijden. Willem had nu zeker geen voordeel getrokken van de
gevangenschap van zijn vijand, door zijn Catzenellenbogen-landen
aan te randen, maar dit was ééne soort grootmoedigheid; een bepaalde
poging hem vrij te maken, zou een andere geweest zijn.

Waar of niet, het verhaal is te aardig om stilzwijgend voorbij te gaan.



De Graaf van Nassau vergezelde den hertog van Symerch, omdat hij zeer
bekend was met de zaken, het volk en de behoeften van Duitschland en
ook omdat het Fransch hem even vertrouwd was als zijn moedertaal.

Vieilleville legde het eerste ceremonieële bezoek af aan de gezanten
en bij zijn vertrek vroeg Nassau hem de vergunning om den maarschalk
naar zijn hotel te mogen begeleiden, waarmee hij zijn wensch te kennen
wilde geven, een meer intieme conversatie te hebben, daarbij voegende,
dat hij aan den maarschalk verwant was.

Vieilleville zeide, dat hij in Duitschland geene betrekkingen had
en Nassau vroeg hem toen, of hij niet verwant was aan het huis van
Oranje. Vieilleville antwoordde van ja, maar sinds den dood van
Philibert wist hij niet, aan wien het vorstendom was gekomen. Willem
deelde hem toen mede, dat zijn zoon de tegenwoordige bezitter
was. Vieilleville omhelsde daarop den graaf als zijn neef en drong er
op aan, dat hij den prins zou ontbieden, opdat hij ook hem kon omhelzen
en zij beiden zijn gasten mochten zijn. Nassau stemde daarin toe en
zei, dat het alleen het verlangen naar diezelfde hartelijke omhelzing
als neef was geweest, die zijn zoon bewogen had, met hem mee te komen.

Toen zij de tent, waar de maaltijd zou plaats hebben, binnentraden,
vielen de oogen van den graaf van Nassau op de wapens van Oranje. Het
dekkleed van het muildier, beladen met extra-proviand, waarop de
kwartieren van het schild van den gastheer waren geborduurd, was
ook van die wapens voorzien. Die attentie trof den graaf zoozeer,
dat hij zijn nieuw ontdekten neef weder warm omhelsde; hij zeide,
dat het hem nu niet langer verwonderde, dat zijn zoon een Fransch
hart had en hij voegde daarbij deze woorden:

"Ik geloof, dat als zijn hart werd geopend, men er een lelie in zou
vinden, want onophoudelijk spreekt hij van uw koning en uw volk. Ik
geloof, dat het hem zeer zou behagen tot den dienst der Fransche
kroon te behooren. Ik zal hem dat niet beletten, want zijn fortuin
zal hij nooit in den dienst des keizers maken. Om dat te doen, moet
men Spanjaard zijn en buiten noodzakelijkheid niets met ons volk te
maken hebben."

Nassau weidde daarop uit over de wijze, waarop de keizer de Duitsche
Staten en edelen had behandeld en voegde er bij, dat hij hartelijk
hoopte, dat Hendrik uit christelijke barmhartigheid hen onder zijn
bescherming zou nemen; zij waren aan hem verwant, terwijl de Italianen,
wien hij zooveel vriendelijkheid en lankmoedigheid had bewezen,
slechts vreemdelingen voor hem waren.

Gedurende dit gesprek kwam de Prins binnen. Hij was een jongmensch van
zeer bescheiden en aangenaam voorkomen, die, zonder een introductie
van zijn vader af te wachten, zich met nederigen eerbied in de armen
van den maarschalk de Vieilleville wierp. Hij vertelde, dat het doel
van zijn geheele reis enkel de begeerte geweest was, hem te zien en
hem zijn diensten aan te bieden; want hij wist, dat de maarschalk
het eenige sieraad was van het Fransche hof, met wien hij verlangde
te leven en te sterven. Onder zijn invloed zou hij gelukkig leven en
zijn jeugd gevormd kunnen worden.

Na hem voor die woorden te hebben bedankt, zei de maarschalk: "De
graaf, uw vader en ik, waren juist bezig er over te spreken, toen gij
binnenkwaamt, om van u een goed Franschman te maken, want hij, niet
minder dan ik, wenscht, dat gij van land en partij verandert. Het
komt ons beiden voor, dat dit zeer voordeelig voor u zijn zou, om
een menigte redenen, die ik u een anderen keer wel eens vertellen zal
(want het wordt tijd voor den maaltijd); doch de belangrijkste daarvan
is, dat de staat, welks naam gij draagt, in Frankrijk ligt.

"Dat is waar, inderdaad," zei de Prins, "maar het is niet het
grootste, zelfs niet het zesde deel van mijn bezittingen in de
Nederlanden. Niettemin is er één punt, dat mij schijnt te dwingen,
om aan Uw wensch te voldoen, n.l. dat de Prins van Spanje, zonder
eenige klaarblijkelijke reden, mij niet kan uitstaan; het is mij
onmogelijk, hem te behagen, hoewel ik niet in staat ben de oorzaak
van zijn animositeit te ontdekken; ik ben mij althans niet bewust,
hem ooit te hebben beleedigd."

"Dan zijt gij wel erg ongelukkig," antwoordde Vieilleville, "en als
hij erfgenaam van alles wordt, kunt gij wel uw rol in de staten van
het Keizerrijk en van Spanje opgeven."

"Daar is nog iets anders," voegde de Prins er bij, "iemand, zeer
bekwaam in sterrenwichelarij, die wonderlijk de diepten aller
wetenschap heeft gepeild, heeft me gewaarschuwd, dat ik bestemd ben
om door zijn hand te sterven of tengevolge van een samenzwering door
hem tegen mijn leven gesmeed."

"Maar waar denkt gij dan aan, arme Prins," zei Vieilleville, "dat
gij niet luistert naar den raad van uw vader en van mij? Wel! de
vrees daarvoor alleen is in staat te dooden. Wat die waarzegger u
heeft verteld, zal u het geheele leven in doodelijken angst doen
doorbrengen en het aldus verkorten."

"Het is mogelijk," zei de Prins, "maar de intieme vriendschap, die
de keizer, zijn vader, mij heeft bewezen en de gunsten, die ik van
hem heb ontvangen, hebben mij zóó aan zijn dienst gebonden, dat het
mij niet mogelijk zou zijn, hem te verlaten, al zag ik den dood nabij."

"Het is genoeg," hernam Vieilleville. "Had ik geweten, dat dit uw
laatste vaste besluit was, ik zou nooit een voorstel aan u gedaan
hebben en zoolang ik leef, zal ik er niet meer over spreken."

Na den maaltijd, waarbij ook andere Duitsche edelen in der haast
waren genoodigd, even goed als de Prins, had de Graaf een bijzonder
onderhoud met Vieilleville en drong hij daarin krachtig bij hem aan,
den koning te bewegen, om de voorstellen der Duitschers aan te nemen.

Vieilleville hernam, dat er niets was, dat hij meer begeerde dan
dit verbond, dat glorie aan Frankrijk brengen zou; maar zeide hij,
hij had weinig invloed op Hendrik, daar hij geen Montmorency was,
noch zelfs lid van den geheimen raad.

De gasten vertrokken en dienzelfden nacht werd Vieilleville door den
koning ontboden en hem meegedeeld, dat hij tot lid van den geheimen
raad was benoemd. Op de eerstvolgende vergadering nam hij stoutmoedig
een standpunt in tegenover de andere raadsleden, die Hendrik aanrieden
de aanbiedingen af te wijzen en hij sprak met zulk een goed succes,
dat Hendrik besloot in het verbond te treden en alzoo de kampioen
der Duitsche vrijheid werd.

De onderhandelingen werden voortgezet en er kwam een verdrag tot
stand, waarbij werd aangenomen, dat Hendrik maandelijks een zekere som
aan de Duitschers zou betalen, die onmiddellijk de operaties zouden
beginnen, terwijl de Fransche koning een afleiding in Luxemburg en op
de grenzen van de Nederlanden zou scheppen. Verder werd er bij bepaald,
dat hij bezit zou nemen van al de Fransch-sprekende steden, die hij
zou overwinnen en dat de Duitschers hem helpen zouden, om Milaan,
zijn vaderlijk erfgoed, te heroveren, zoodra hun eigen troebelen
vereffend waren.

Voor het vertrek van het gezantschap werden zij, na de gunstige
beëindiging hunner zending, op een Zondag, den 20en October, te
Fontainebleau genoodigd. Nadat ze zich te Chesnil verfrischt hadden,
werden ze in de groote hal te Fontainebleau binnengeleid, die zij,
volgens de beschrijving in de mémoires "zoo rijk versierd vonden,
dat ze met bewondering waren vervuld. Daar hingen de wapenschilden
van het Rijk, (behalve die van het huis van Oostenrijk) met die van de
afgezanten der keizerlijke steden aan den wand. Schitterende festoenen
en een verbazingwekkende overvloed van gouden en zilveren versiersels
zetten aan alles een grooten luister en pracht bij.

Zijne Majesteit kwam eindelijk ook binnen, vergezeld door zijn
prinsen en heeren, zoo rijk gekleed, dat ze allen wel voor koningen
konden doorgaan. De koning nam den hertog van Symerch en den graaf
van Nassau ter zijde, om met hen wat te praten; de connétable en
de prinsen onderhielden zich met de anderen door middel hunner
tolken. M. de Vieilleville wendde zich tot den Prins van Oranje,
die ook hem zocht, zoodat niemand aan zichzelf bleef overgelaten,
terwijl men op het diner wachtte, dat zou worden voorgediend.

Na het diner begon het bal, waarbij de koningin en al de hofdames
verschenen, zoo kostbaar gekleed, dat de Duitschers één en al verbazing
waren. Na den koninklijken dans in paren, werden de Duitsche dansen,
die de gasten beter kenden, uitgevoerd, met een gaillarde (een
destijds zeer bekenden dans) voor deze bijzondere gelegenheid, die
des te voordeeliger de gratie van onze Fransche jeugd deed uitkomen.

Niet een der gasten bood zich aan om de figuren daarvan mee te dansen,
behalve de Prins van Oranje, die zich zeer knap daarvan kweet en zeker
den prijs van de gaillarde gewonnen zou hebben, als hij met al zijn
houdingen, sprongen, draaiingen en bewegingen de maat van de muziek
had kunnen houden.

Op den volgenden dag keerde het gezantschap, beladen met geschenken
en vol toewijding aan den Franschen koning, naar Duitschland terug.

Dit romantische verhaal wordt bij vele geschiedschrijvers
aangetroffen, vooral de beschrijving van het bal, maar 't is wel
onwaarschijnlijk, dat zoo spoedig een definitieve overeenkomst
zou gesloten zijn. Dergelijke onverwachte ambassades met volkomen
volmachten en verdragen, geteekend en gesloten binnen enkele dagen,
zijn feiten, die alleen door geschiedschrijvers als Vieilleville's
secretaris worden verhaald. Ook wordt omtrent dit verbond door Pfister
het volgende meegedeeld:

"Maurits en koning Hendrik II van Frankrijk zochten met elkander
een overeenkomst te sluiten op zulk een wijze, dat het niet bekend
was, wie de eerste stappen gedaan had. Korten tijd te voren had Jan
Frederik van Saksen een alliantie met Frankrijk afgeslagen, omdat
die de veiligheid van het keizerrijk bedreigde. Maar de wanhopige
toestand stond niet langer halve maatregelen toe. De Fransche gezant,
Fraxinus, kwam op het eenzaam in het woud gelegen kasteel Friedewald
in Hessen. Hier traden de Duitsche vorsten, Keurvorst Maurits voor
zichzelf en zijn pupil George Frederik van Brandenburg-Anspach, hertog
Albert van Mecklenburg en de jonge landgraaf Willem van Hessen, tot
een defensief en offensief verbond met Hendrik van Frankrijk toe,
ten einde staatkundige en godsdienstige vrijheid te erlangen."

Daarop volgt een trek, die doet denken aan Vieilleville: "Terwijl de
verbondenen bezig waren de acte van het verdrag te teekenen, sloeg
een bliksemstraal, gepaard aan een hevigen donderslag een scheur in de
hal van Friedewald, hetgeen Fraxinus, overeenkomstig de oude meening,
als een goed voorteeken opvatte."

Het is, om kort te gaan, hoogst onwaarschijnlijk, dat de Graaf
van Nassau eenig deel aan de transactie heeft genomen en nog
onwaarschijnlijker, dat hij zulk een daad van onvoorzichtigheid en
trouweloosheid zou hebben verricht, om zijn zoon in operaties te
wikkelen tegen den keizer en het keizerlijke leger, waarbij hij juist
zijn opdracht had ontvangen.

In September 1551 n.l. ontving de Prins zijn eerste militaire benoeming
als kapitein van een ruiterafdeeling van 200 paarden en in April
van het volgende jaar kreeg hij van de regentes een tweede opdracht
als kolonel van tien compagnieën voetvolk. Dit was geen kolonelspost
alleen voor de eer, om, terwijl hij rustig aan het hof kon blijven,
den jongen man een uniform te leeren dragen, want de oorlog was
aanstaande, die ook hem op het slagveld roepen zou.

Het gesloten verbond tusschen Hendrik II en Maurits, waarvan we
boven spraken, was een feit en Karel V had de hulp noodig van al zijn
getrouwe onderdanen, die oud genoeg waren om de wapens te dragen.

De verbondenen waren overeengekomen, dat Hendrik in het vroege
voorjaar naar de Nederlanden zou optrekken en het keizerlijk leger,
voor zoover het daar was, zou bezighouden, zoodat Maurits bij het
openen der vijandelijkheden alleen de troepen zou ontmoeten, die
Karel toevallig bij zich in Duitschland had. De allerchristelijkste
koning verscheen met groot vertoon als de verdediger der vrijheid op
het oorlogstooneel. Hoewel er nieuwe vervolgingen tegen de Fransche
protestanten werden op touw gezet, omhelsde hij dapper de zaak der
Lutheranen aan gene zijde van den Rijn, die door de onderdrukkingen van
zijn meest katholieken broeder, den keizer, diep waren terneergeslagen.

Welk een schrik voor den keizer, toen hij te Innsbrück vernam,
dat Maurits zijn masker van getrouwheid had afgeworpen en in
Thüringen gereed stond, om zijn vroegeren meester met 2000 man
voetvolk en 5000 ruiters, die hij in het geheim had bijeenvergaard,
aan te vallen. Karel vluchtte, naar beweerd wordt verkleed als een
oude vrouw, van Innsbrück naar Villach, teneinde daar te overleggen,
welken weg hij verder zou inslaan.

Ofschoon Karel meer van onderhandelingen met Maurits dan van oorlog
verwachtte, gaf hij toch Maria van Hongarije, regentes der Nederlanden
bevel, den aanval der Fransche troepen aan de grenzen te stuiten.

Het gevolg hiervan was, dat in het vroege voorjaar van 1552 Maria
zich gereed maakte, de aanvallers op alle punten langs de grenzen,
die niet door natuurlijke middelen verdedigd waren, te gemoet te
gaan. Onder haar opperbevel trok Willem van Oranje aan het hoofd
van zijn tien compagnieën naar de grenzen. Voordat de veldtocht was
geopend, hadden Metz en Straatsburg zich reeds overgegeven en dit
succes der Franschen werd nog gevolgd door de overgave van Damvilliers,
Yvoy, Montmédy en andere kleine steden.

Door de verantwoordelijke positie van den Prins van Oranje,
onderhield hij een geheime briefwisseling met de Regentes Maria over
punten van tactiek, soldij, voorbereidingen van wapenschouwingen
enz. Hij onderhield niet alleen met haar correspondentie, doch ook
met zijn jonge vrouw, die als zijn plaatsvervangster in Breda was
achtergebleven. 't Zijn alle aardige, maar jongensachtige briefjes,
vol zorg voor zijn vrouw en vol van kleine nieuwstijdingen over den
loop van den veldtocht, dien zij blijkbaar in stilte volgde.

Uit Thorn, waar hij in Juni was, schreef hij het volgende aan Anna:


    Mijne vrouw!


    Deze dient, om U te berichten, dat ik gisteren brieven van
    de koningin ontving, zoo vriendelijk als ik niet geloof, dat
    zij ooit aan iemand van welken rang ook geschreven heeft; zij
    drukte er haar goedkeuring in uit over mijne eigenschappen en
    wenschte mij toe, dat ik altijd denzelfden ijver zou toonen,
    terwijl zij mij verzekerde van haar volkomen vertrouwen in
    mij. Ik bid God, dat hij mij de genade geeft, dien goeden naam
    te behouden. Ik ga morgen naar het leger en hoop te Tongeren
    te slapen, waar ik vijf mijner compagnieën moet afwachten. Ik
    hoop, dat God mij zal vergunnen in goede gezondheid en met een
    goeden naam terug te keeren, zoodat wij dan beter gelegenheid
    zuilen hebben van elkanders samenzijn te genieten. Ik verzoek
    U, mijn verontschuldigingen bij onze grootmoeder en onze
    moeder te maken, dat ik haar niet geschreven heb. Daarmee
    wil ik liever tot later wachten, want ik ben bang, hen
    met mijne brieven te vervelen, daar ik niets nieuws weet
    te vertellen. Zoodra ik iets weet, zal ik dit doen. Tevens
    verzoek ik U mijn nederigste groeten over te brengen aan uw
    geheele hofhouding; ik bid U, het hen allen zoo aangenaam te
    maken, dat ze U in het graafschap gezelschap blijven houden
    en Uwe eenzaamheid, die gij anders zoudt gevoelen, daardoor
    wat verlichten. Den Schepper biddende, al uwe wenschen te
    verhooren enz.


    Uw beste echtgenoot,

    Willem van Oranje.

    Aan Mevrouw de Prinses van Oranje.

    Uit Thorn, 7 Juni.


De jonge officier beklaagde zich ernstig over de vele ongemakken van
het kampleven en in een volgend briefje tracht hij haar gerust te
stellen over het gevaar, dat Brabant, door een inval der Franschen,
bedreigde.

Bovendien was een voortdurende oorzaak van angst de kwestie van
versterking; daarbij heerschten allerlei ziekten in het slecht
georganiseerde kamp onder de soldaten, zoodat de ondervindingen van den
veldtocht in den zomer van 1552 verre van aangenaam waren. Veldslagen
werden niet geleverd, doch de guerilla-oorlog putte het leger uit
en daarbij kwam nog de voortdurende geldnood in de schatkist van het
leger, zoodat de betaling der soldaten altijd ten achter was.

Karel was kwistig in beloften en verzekeringen, dat er geldversterking
uit Spanje op weg was, maar het weinige, ooit door het leger gezien,
werd van de onwillige Nederlanders afgeperst en gebruikt om de
Spaansche troepen te betalen.

"Daarom bid ik U, houd goeden moed en hoop, dat wij in onze onderneming
zullen slagen en dat wij een eind zullen maken aan het snoeven onzer
vijanden", schrijft Oranje uit Mons op den 11en Juli aan zijn vrouw
en ook hij doelde daarbij op de versterkingen zoowel aan soldaten
als aan geld, die naar mededeeling van de koningin waren aangekomen.

Vier dagen later schrijft hij haar uit het kamp te Dorle, dat zijn
regiment en de cavalerie een poging hadden gedaan om den Koning van
Frankrijk in een hinderlaag te lokken, doch dat er geruchten gingen,
dat de Fransche koning reeds over zijn grenzen was teruggetrokken.

Werd de oorlog dus slepende gevoerd, zonder dat er iets belangrijks
werd uitgericht, Karel zelf was bezig met onderhandelingen, die het
vredesverdrag van Passau (21 Aug. 1552) ten gevolge hadden.

Wel hadden de Duitsche edelen aan Hendrik de verzekering gegeven,
geen verdrag met Karel te sluiten, wanneer niet allereerst de Fransche
belangen werden behartigd, maar toen het tot dat punt kwam, werd er
alleen door de verbondenen een korte clausule aan toegevoegd, waarin
den koning van Frankrijk vergund werd, hun elke oorzaak van klacht
tegen den keizer mee te deelen.

Hendrik dacht er niet meer over de voordeden, door hem behaald, prijs
te geven; hij weigerde zijn troepen van den keizerlijken grond terug
te trekken en had zich reeds in September van bijna geheel Lotharingen
meester gemaakt.

Als wraak over den voorspoed van Hendriks leger verwoestte Maria
verscheidene dorpen in Champagne, maar het mocht haar niet gelukken
ook maar een enkele sterke plaats te nemen.

Door het verdrag van Passau had de keizer nu de handen vrij gekregen
om Hendrik voor zijn al te werkzame belangstelling in de zaken van
zijn buurman te straffen.

Het verlies van Metz was vooral zeer hinderlijk voor den keizer en
hij besloot geen enkele poging te sparen om het te hernemen.

Hij naderde vroeg in September den Rijn, waaruit Hendrik reeds
voor de leus zijn paarden had doen drinken en Maria lichtte weer
troepen, teneinde ter vermeerdering van het keizerlijk leger, een
detachement op te zenden. Oranje zond een bijzonder verzoekschrift
aan haar om met een volgende divisie te worden gezonden, waardoor
hij misschien de gelegenheid zou vinden op een spoedige beëindiging
van het Catzenellenbogen-proces aan te dringen. Filips van Hessen was
vrij geworden en nu hoopten de Nassau's op een gunstige schikking in
hun proces, daar zij zich gedurende de gevangenschap van hun buurman
zoo toegeeflijk hadden gedragen.

Maria wilde echter haar schikking niet veranderen en bleef er op staan,
dat het regiment van den Prins naar Artois zou gaan; wel keurde ze
goed, dat het commando aan een ander werd opgedragen, terwijl Oranje
dan met verlof mocht om den keizer te bezoeken. Willem ging op dit
voorstel niet in, want het was nog iets anders rechtstreeks naar den
keizer te gaan en een verzoek tot hem te richten dan een opdracht te
hebben, waardoor de gelegenheid zich zou kunnen voordoen in 's keizers
nabijheid te komen en dan een gunstige gelegenheid af te wachten om
zijn private belangen te behartigen.

De Prins ging dus niet met verlof, maar op weg om Brabant te
doorkruisen, na echter te Brussel een brief aan Karel geschreven te
hebben. Van Bouvignes aan de Maas, dat hij in October bereikte, kwam
de jonge kolonel in Arras, waar hij een zeer waardeerend schrijven
van Maria ontving voor zijn uitmuntende diensten.

Van hier schreef hij half November aan Anna, dat hij hoop had op
spoedige ontbinding van het leger, waardoor zijn liefste wensch tevens
vervuld zou worden haar spoedig terug te zien. ".... ik kan mijn
verlangen om U terug te zien, niet in schrift uitdrukken. Ik gevoel
mij alsof ik reeds een jaar van U verwijderd was," meldt hij o. a.

Die vurige wensch werd vervuld en de troepen van den prins werden te
Valenciennes op den 17en November ontbonden.

Nadat zijn compagnieën waren weggezonden, bedwong Oranje zijn
ongeduld om zijn vrouw te zien, want hij wilde zijn hulde aan
Karel gaan betuigen. Uit Thionville kon hij met een koerier, die
naar Brabant terugkeerde, enkele regels voor de prinses meegeven,
om haar te zeggen, dat "Monsieur van Arras" hem had aangeraden, een
dag bij Karel te gaan doorbrengen, omdat hij zoo in de buurt was;
tevens meldde hij, dat er gezegd werd, dat de keizer niet lang voor
Metz zou blijven. Dit bleek juist, want zes dagen later hief Karel,
ontmoedigd door het gemis aan succes, de belegering op, die 56 dagen
had geduurd en aan de belegeraars veel grooter schade berokkend had
dan aan de burgers der belegerde stad.

Bijna 3000 man stierven aan ziekte of vielen in de schermutselingen,
welke een ongelukkig deel uitmaakten van die akelige belegeringen. Dit
beleg van Metz is als een zeldzaam voorbeeld in de geschiedenis bekend,
omdat er door de overwinnende partij ridderlijke welwillendheid werd
betoond. De hertog van Guise voorzag de berooide keizerlijke soldaten,
die, na het vertrek van het voornaamste deel van het leger, op de
wegen rondzwierven, van versterkingen, zooveel als hij kon uitsparen
en beval aan Fransche geneesheeren al degenen te verzorgen, die te
ziek waren om naar de keizerlijke dorpen te kunnen worden overgebracht.

Karel trok naar Brussel, waar hij zoo rustig den geheelen winter bleef,
dat in Frankrijk reeds het gerucht van zijn dood werd verspreid. Zoover
was het wel niet, maar de gebeurtenissen van 1552, dat jaar vol
onaangename verassingen, hadden hem diep terneergedrukt. Zijn
hartewensch bleef, zich op den koning van Frankrijk te wreken. Het
geld hiervoor benoodigd moest uit Amerika komen; toen dit echter niet
kwam, vroeg hij aan de Nederlanden een subsidie, die met tegenzin
werd gegeven. Hollands aandeel alleen bedroeg 300.000 gulden en
zijn stoere burgers waren bijzonder toornig, dat ze dit bedrag naar
de grenzen van Artois moesten zenden, terwijl hun haringvisscherij
groote behoefte aan bescherming had.

Vroeg in den zomer van 1553 werd Karel wakker uit zijn
winterverdooving, trok te velde en deed een aanval op de stad
Thérouanne, een der peluwen genoemd, waarop de Fransche koning gerust
kon inslapen met de gedachte, dat zijn koninkrijk veilig was. Karel
verwoestte de stad zoo geheel, dat de naam tijdelijk van de kaart
van Frankrijk werd uitgewischt.

Dit troostrijke succes van den keizer had tengevolge, dat Hendrik de
feestelijkheden, verbonden aan het huwelijk van Diana van Poitiers
te Parijs, liet staken om de grenzen te bereiken en den keizer te
verdrijven.

In dit tweede jaar van zijn werkelijken dienst diende Oranje onder
den opperbevelhebber van het keizerlijk leger Emmanuel Philibert van
Savoye. Veel belangrijks werd er echter niet uitgericht, daar Karel
wijselijk een groot gevecht vermeed, maar toch langzaam vorderend
over de Fransche grenzen trok en bijna Amiens bereikte. In October
betrokken de soldaten hun winterkwartieren reeds.

In den winter, die nu volgde, trachtte Karel een verbintenis tusschen
Filips en Maria van Engeland tot stand te brengen, een huwelijk,
dat weinig goeds voor de Nederlanden voorspelde, terwijl Willem, die
zich te Breda bevond, nieuwe huurlingen poogde te verkrijgen om voor
de lentecampagne gereed te zijn. Hij ondervond daarbij van de zijde
der koningin niet veel medewerking; deze was zuinig van aard en wilde
geen handgeld geven, wel rijke beloften van toekomstige betalingen,
waarmee de Duitschers echter geen genoegen namen. De Prins deed haar
opmerken, dat de beste soldaten door andere vorsten zouden worden
gehuurd, zoo hij niet die huurpenning of dat handgeld kon betalen;
de koningin bleef doof voor zijn opmerkingen en behield haar penningen.

In de lente van 1554, op zijn 21e jaar, werd de jonge officier tot
den rang van hoofdcommandant bevorderd en toen hij in Juni te velde
trok, werden de vereenigde troepen van Brederode, van Schwarzburg,
Rosenberg en Buren onder zijn commando geplaatst.

Hendrik II marcheerde vroeg in Juli naar de grens en nam bezit van
Mariënburg, een versterkt jachtslot. Ook Dinant moest capituleeren en
daarop naderden de beide legers te Givet, waar ze 6 dagen lang op de
tegenovergestelde oevers van de Maas gekampeerd waren, met het volle
gezicht op elkaar.

Toen Karel, die te ziek was om Brussel te verlaten, vernam, dat
Philibert van Savoye was achteruitgeweken, blijkbaar onzeker hoe te
handelen, raapte hij alle kracht, die nog in zijn uitgeput lichaam was
overgebleven samen en verscheen plotseling, als een geest uit het graf,
te Namen. Het scheen, alsof hij een vernietigender nederlaag tegemoet
ging, dan hij ooit van te voren had geleden. Bij Metz had Karel zelf
gezegd, dat de Fortuin een vrouw was, die een jongen koning verre
verkoos boven een ouden keizer, maar thans bleek het anders te zijn,
want de vijand was verplicht terug te trekken en de keizer kreeg
daardoor een betere positie, dan hij drie jaar geleden had ingenomen.

Als weerwraak op de verwoesting in Artois, plunderde Karel het land
en volgde den terugtrekkenden vijand tot in Picardië; daarna trok de
keizer naar Brussel terug.

Hier werden verschillende pogingen beproefd om vrede met Frankrijk te
sluiten. Oranje was in het bijzonder ongerust; volgens hem moest er
in het aanstaande tractaat van zijne zaken nadrukkelijk sprake zijn,
daar hij nooit door zijn Fransche Staten als heer was erkend. De
onderhandelingen vorderden langzaam en opnieuw werden in de lente
van 1555 de vijandelijkheden in het ongelukkige grensland geopend.

Bij een lastbrief, gedateerd 22 Juli, benoemde Karel Oranje tot
hoofdcommandant over al de Nederlandsche troepen, die in de nabijheid
van Givet onder de wapens waren. Het is mogelijk, dat de Prins die
positie reeds eerder bekleedde, want hij zegt in zijn Apologie:

"Toen ik nog niet den leeftijd van 21 jaar had bereikt en niet aan het
hof, maar te Buren vertoefde, koos de keizer mij tot hoofdcommandant
gedurende de afwezigheid van den hertog van Savoye, niettegenstaande
de raadsheeren en de koningin verschillende andere officieren daarvoor
noemden, wier naam reeds gevestigd was, als de graven Bossu, Lalaing en
Maarten van Rossum, allen veteranen in den dienst en Aremberg, Meghen
en Egmond, die twaalf jaar ouder was dan ik." Hij voegde daarbij,
dat de bescheidenheid hem niet veroorloofde de redenen te herhalen,
die Karel tot die benoeming bewogen, daar het dan licht zou kunnen
schijnen, alsof hij zichzelf overschatte.

Dit was een zeer gewichtige positie, die evenals andere
verantwoordelijke betrekkingen, vele uitgaven eischte. De Prins had
een groot inkomen, maar dit zelfs dekte zijn uitgaven niet. Vandaar,
dat de kwestie van de financieële emolumenten aan zijn nieuwe
waardigheid verbonden zeer gewichtig voor hem was. Hij schreef er
ook zijn vrouw over en verzocht haar eens door zijn rechtsgeleerde
te laten onderzoeken, hoeveel de oude Prins van Oranje, de hertog van
Aerschot en de Bossu als inkomen hadden; hem was n.l. maandelijks 500
florijnen en 12 hellebaardiers beloofd, ieder tegen dubbele gage. Dit
was zeer weinig, vond de Prins en zelf schatte hij in zijn brief het
inkomen, dat hij maandelijks te verteren had op 2500 florijnen. Hoewel
altijd slecht bij kas, aarzelde hij niet nieuwe uitgaven te doen;
o.a. bestaan er brieven omtrent een gallerij, die de Prinses bezig
was te bouwen. Gedurende de overige zomermaanden was de Prins weer te
velde. Karel had besloten een rij van forten te bouwen om de bedreigde
streek in Brabant te beschermen.

De jonge generaal stond tegenover ervaren en geduchte tegenstanders,
zooals de hertog van Nevers en Châtillon, den admiraal van Frankrijk
(Coligny), die sedert wel het bewijs heeft gegeven welk een sterke
klant (rude partie) hij was. "Nochtans kon ik mij Goddank, tegen hen
staande houden en bouwde Philippeville en Charlemont voor hun oogen
(à la barbe), al woedde ook de pest in ons leger."

Behalve de pest, die niet kon bedwongen worden, vermeerderden de
onophoudelijke regens de hardheden van het kampleven en het gewone
gebrek aan fondsen dreef de ontmoedigde troepen tot een muiterij, die
de officieren slechts met moeite konden bedwingen. De oprichting der
forten was een tijdroovende bezigheid en in geenen deele aangenaam. Op
den 15en October schreef Oranje aan de Prinses: "Ik verzeker U, dat
het mijn eenig amusement is, buiten in den regen en in de modder bij
onze versterkingen te staan en als ik wat rust neem, dan doe ik dat
aan U gedachtig en stel mij de vraag voor, of ik nog lang hier zou
blijven, indien het aan mij lag."



Het schijnt vreemd, dat Karel dezen drukken tijd heeft uitgekozen
om zich aan het publieke leven te onttrekken. Na zijn laatste
krachtsinspanning in 1554, was hij rustig te Brussel gebleven,
alles voorbereidende voor dat befaamde afscheid van het Europeesch
tooneel, dat eindelijk plaats had op den namiddag van den 25en October
1555. Ontmoedigd door zijn afnemende macht, had hij besloten liever
vrijwillig afstand te doen van zijn rijk, dan getuige te zijn van de
vermindering der macht, die hij zoo lang had gehandhaafd. Onder de
vele hooge gasten, die verzocht waren om bij die niet alledaagsche
plechtigheid tegenwoordig te zijn, vergat de keizer zijn nieuwen
generaal niet. Deze was daar zeer mee ingenomen en schreef er de
Prinses over, haar tevens radende aan de hertogin van Aerschot of
aan Mad. Egmond te vragen, haar gedurende den korten tijd, dat ze in
Brussel zou zijn, te ontvangen; hij zou op den dag der plechtigheid met
de post komen, maar hoe lang hij bleef, kon de Prins nog niet zeggen.

Tengevolge van de late aankomst van den aartshertog Maximiliaan,
werd de plechtigheid verscheidene dagen uitgesteld en had niet voor
den 25en October plaats.

Het was een schitterende openbare plechtigheid, misschien een van de
meest bekende uit de 16e eeuw, die door verschillende tijdgenooten
en ooggetuigen in bijzonderheden is beschreven. Ook Karel had daaraan
maanden lang een buitengewone aandacht gewijd; hij kende den invloed
van staatkundig praalvertoon op het volk en hoopte door de pracht
van zijn afscheid de vernederende gebeurtenissen van de laatste jaren
zijner regeering te doen vergeten.

"De groote hal in het paleis te Brussel was luisterrijk versierd en
al de verzamelde gasten waren in de rijkste kleeding getooid. Op eene
verhevenheid aan het eind van de hal stonden drie schoone zetels,
de middelste voor den keizer, die ter linkerzijde voor de koningin
van Hongarije, die eveneens haar regentschap over de Nederlanden zou
nederleggen, die aan de rechterzijde voor den koning. Op dezelfde
verhevenheid ter rechterzijde stond een met tapijt bedekte bank voor
de ridders van het Gulden Vlies en aan den linkerkant, een weinig
lager, een dergelijke bank voor de prinsen en edelen; nog lager waren
andere banken geplaatst voor de drie collaterale raden, den raad van
state, van financiën en den geheimen raad. Onder die verhevenheid,
vlak tegenover hunne majesteiten, waren met tapijt bedekte banken
geplaatst voor de staten, die overeenkomstig hun rang zitting namen,
de staten van Brabant vooraan, dan die van Vlaanderen en de andere
daarachter naar hunne rangorde. Toen allen verzameld en gezeten waren,
hetgeen ongeveer te drie uur was, kwam de keizer van de zijde der kapel
de hal binnen, leunende op den schouder van den Prins van Oranje;
koning Filips en de koningin (Maria van Hongarije) volgden, beiden
begeleid door een groot gevolg van de voornaamste inheemsche edelen en
anderen, ridders van de orde, in groot tenue versierd met hun groote
halssnoeren, evenals hunne Majesteiten, de keizer en de koning. Hunne
Majesteiten namen plaats op de genoemde zetels, terwijl de edelen
en heeren, die in hun gevolg binnenkwamen, naast de verhevenheid aan
den kant van de hal tegenover den toren van het hof bleven...."

De geheele vergadering bleef staande, totdat het bevel gegeven
werd, dat ze hunne plaatsen zouden innemen, om de boodschap in den
behoorlijken vorm aan te hooren, tegelijk met de redevoeringen,
waarvan hier de hoofdinhoud volgt.

"Allereerst hield Philibert van Brussel, staatsraad en lid van den
geheimen Raad, een aanspraak tot de Staten-Generaal in naam van
den keizer, waarin hij diens besluit tot abdicatie en den formeelen
afstand van al zijn Nederlandsche waardigheden en bezittingen aan
Filips mededeelde. Hij somde al den grootschen arbeid op, dien Karel
had volbracht, waardoor hij ten volle het recht op rust had verdiend;
hij vroeg den Staten getrouwheid aan hun nieuwen souverein en bovenal
de instandhouding der plakkaten ten opzichte van den godsdienst,
die Karel had uitgevaardigd en Filips beloofde te handhaven."

Daarna rees de keizer van zijn zetel, wenkte den prins van Oranje
en steunende op zijn schouder, begon hij met zijn toespraak. Hij
herinnerde zijn volk, hoe werkzaam zijn leven was geweest. Sinds zijn
troonsbestijging in 1515 had hij negen reizen gedaan naar Duitschland,
zes naar Spanje, zeven naar Italië, vier naar Frankrijk, tien naar
de Nederlanden, twee naar Engeland, evenveel naar Afrika, alles te
zamen 40. Hij schetste zijn verschillende oorlogen, overwinningen
en vredesonderhandelingen. Die reizen, waartoe zijn plicht tegenover
zijn verschillende onderdanen hem had gedwongen, waren zoo vermoeiend
geweest, dat hij op 55 jarigen leeftijd een oud en gebroken man was.

Terecht zegt Motley, dat het wel moeilijk is, in te zien, hoe dit
op en neer gaan in de wereld, dit heen en weder reizen veel voordeel
heeft gebracht aan zijn beminde onderdanen, die inderdaad gewoonlijk
zijn komst een slecht voorteeken voor hun beurzen vonden, daar elk
nieuw bezoek aanleiding was tot vermeerderde en nieuwe schatting.

Karels eenig verdriet bij zijn afscheid was, dat hij een oorlog met
Frankrijk, die nog aan den gang was, als een erfgoed aan zijn zoon
moest achterlaten, maar die zou wel spoedig teneinde zijn. Hij vroeg
daarop vergeving aan zijn volk voor enkele dwalingen, die misschien in
zijn liefderijk bestuur waren ingeslopen, verzocht zijn zoon en alle
aanwezigen, de heilige kerk te bewaren en te beschermen, omhelsde
Filips en riep hem, zijn hand op zijn hoofd leggende, tot graaf van
Vlaanderen en souverein van de Nederlanden uit, terwijl hij in den
naam der heilige Drieëenheid het teeken des kruises maakte. Volgens
den Venetiaanschen gezant zonk hij aan het eind zijner rede uitgeput
op zijn troon neder, terwijl de geheele doorluchtige vergadering
tot tranen toe bewogen was. De Engelsche gezant te Brussel zegt
het nog sterker. "Daar was niet één man in de gansche vergadering,
die niet gedurende een groot deel van Karels rede overvloedig in
tranen uitbarstte."

Motley, de meesterlijke beschrijver van dezen afstand, noemt dat
afscheid met die tranen een verachtelijk comediespel, een stelselmatige
vertooning. Volgens dien schrijver waren de belangen der Nederlanders
nooit, zelfs niet in de tweede plaats, bij hun gebieder in aanmerking
gekomen; hun land was als de schatkamer beschouwd, waaruit Karel
putten kon en de door hem afgeperste sommen, werden aan langdurige
oorlogen verspild, voor de Nederlanders van even weinig belang,
als waren zij op een andere planeet gevoerd. Volgens onze groote
geschiedkundigen was men werkelijk in de Nederlanden aan den keizer
gehecht. Hij had zeker nooit de beurzen ontzien, maar daartegenover
het beste, dat hij aan die gewesten kon geven, de eenheid, aan de
Nederlanden geschonken. Met aandoening inderdaad zag men den 55
jarigen man vrijwillig van het wereldtooneel scheiden.



Filips sprak nu eenige woorden; hij betreurde het, de Fransche taal
niet voldoende machtig te zijn om zich daarin te uiten en verzocht
daarom de aandacht voor den Bisschop van Arras, die zijn tolk zou
wezen. Met veel omhaal van woorden deelde hij namens den nieuwen koning
mede, dat deze de gift van zijn vader aannam en zijne toewijding aan
zijn volk beloofde.

Deze lange rede werd beantwoord met een van gelijke lengte door
den Raadsheer Maes van Antwerpen, "een man van groote geleerdheid,
welsprekendheid en omslachtigheid tevens". Namens de Staten-Generaal
aanvaardde hij den afstand en drukte op buitengemeen wijdloopige
wijze hun spijt uit over het vertrek van den ouden souverein.

De regentes Maria van Hongarije, de "Christelijke Weduwe" volgens
Erasmus, volgde met een zorgvuldig voorbereide rede, waarbij ze afstand
deed van het bestuur, dat zij 23 jaren gevoerd had. De woordenrijke
Raadsheer gaf in welgekozen zinnen ten antwoord, dat er in al de
gewesten slechts één roep was over haar uitmuntend bestuur.

"Toen deze redevoeringen waren geëindigd, gingen Hunne Majesteiten in
dezelfde orde en langs denzelfden weg, dien ze binnengekomen waren,
weder heen, evenals de Staten-Generaal, overeenkomstig hun rang."

Zoo eindigde het groote schouwspel van de abdicatie. De formaliteiten
voor de verandering der regeering in de verschillende gewesten, die,
op zoo verscheiden wijze gekregen, natuurlijk zeer uiteenliepen,
volgden in de eerste dagen of weken daarna. De Spaansche kroon en
die van Indiën kwam niet aan Filips vóór 16 Januari 1556, terwijl de
keizerlijke scepter, die tot groot verdriet van Karel niet aan Filips,
maar aan zijn broeder Ferdinand verviel, eerst in Augustus van dat
jaar op dezen overging.

Met Karel V verdween een heldenfiguur in Europa en de Nederlandsche
gewesten gevoelden een zekeren trots op zijn wapenfeiten, in
weerwil van 't vele geld, dat zij voor zijn oorlogen hadden moeten
opbrengen. Al had hij slechts weinige van zijn 55 levensjaren op
Vlaamschen bodem doorgebracht, het volk bleef zich altijd herinneren,
dat hij een Vlaming van geboorte was. Hij sprak hun taal en als hij
bij hen vertoefde, dan was hij een hunner.

Hoe geheel anders met Filips. Hij was geheel en al een Spanjaard en
is dit ook altijd gebleven. Geen woord Fransch, laat staan Vlaamsch
kon hij spreken en in de plaats van de gemeenzaamheid van zijn vader
tegenover de noordelijke onderdanen, kwam nu het meesterachtige
van Filips.

Met Karels afstand van de regeering eindigt een belangrijk tijdperk
van het leven van Willem van Oranje.

Op 11 jarigen leeftijd aan 't hof van den keizer gekomen, had Karel
reeds vroeg de waarde van Willems karakter erkend en hem in zijn
omgeving een plaats toegewezen.

Onder leiding van Jérome de Granvelle had de knaap een uitstekende
opvoeding ontvangen, zoodat, terwijl de Prins van Spanje slechts zijn
moedertaal ter beschikking had, de Prins van Oranje o.a. het Fransch,
Duitsch en Vlaamsch meester was.

Op 18 jarigen leeftijd had hij zijn eerste militaire benoeming
gekregen en nog geen drie jaar later werd hij, met voorbijgaan van
vele officieren van naam, reeds tot hoofdcommandant aangewezen.

Toen Karel afstand deed mocht zijn troetelkind niet ontbreken, ja de
keizer schreef hem zelfs, die daad niet buiten zijn tegenwoordigheid
te willen verrichten!

Tot heden had hij een meester gediend onder wiens vaderlijke en
liefderijke zorg de Prins tot een man was opgegroeid, hoe geheel
anders zou het voor hem worden, thans de goddelijke superioriteit
te erkennen van een man, die slechts iets ouder was dan hij, wiens
karakter klein en onbeduidend was en wiens intellectueele talenten
zoo schraal mogelijk waren.

Welk een verschil tusschen deze twee mannen! "In plaats van listige
achterdocht van Filips toonde Oranje verstandige voorzichtigheid,
in plaats van willekeurige hardnekkigheid, krachtige standvastigheid,
in stede van vruchteloozen arbeid, onvermoeiden ijver."






HOOFDSTUK III.

DE NIEUWE MEESTER.


Het reisje naar Brussel, ter bijwoning van de abdicatie van den
keizer, was voor den Prins niet van langen duur, want hoewel de
schitterende kleine hoofdstad vol vroolijkheid was ter eere van
de vele vreemdelingen binnen haar wallen vereenigd, mocht Oranje
er maar kort van genieten en zien we hem op den 26en October, den
dag volgende op dien der plechtigheid, reeds weer bij de in aanbouw
zijnde forten terug.

Noch de feesten, noch het verblijf zijner vrouw te Brussel, ten
huize van de hertogin van Aerschot, hadden hem weerhouden zijn plicht
tegenover den nieuwen souverein te vervullen. Deze had van den aanvang
zijner regeering met dezelfde moeielijkheden als zijn vader te kampen;
gebrek aan geld, schaarste aan levensmiddelen en tengevolge hiervan
ontevredenheid onder de troepen.

Nauwelijks was Filips vier dagen aan het bewind, of de Prins ontving
reeds een schrijven, waarin hem spoedige toezending van 12000 kronen
werd beloofd, maar de vervulling dier belofte bleef achterwege en
de brieven in de herfst van 1555 tusschen hen gewisseld, waren vol
klachten van den een, vol beloften en verzekeringen van den ander.

"Wij zijn hier zonder een penning; de soldaten sterven van honger en
koude en aan het hof nemen ze niet meer notitie van ons, dan of wij
reeds dood waren. Stel u de mate van geduld voor, die ik gedwongen ben
uit te oefenen," schreef Oranje aan zijn vrouw, haar tevens meldende,
dat hij niet wist, wanneer ze ontbonden zouden worden, want dit kon
niet geschieden voor het geld was ontvangen.

In het begin van het nieuwe jaar werden de klachten der soldaten
luider en luider en groeiden zóó aan, dat ook Brussel niet onkundig
bleef. Hoe omstandig en scherp Willem van Oranje de moeilijkheden
ook had beschreven, toch nam Filips pas maatregelen, toen een zekere
Hans Bernard, kapitein eener onafhankelijke compagnie, een speciale
commissie aan den koning zond om de klachten over te brengen. Nog
stuurde hij echter geen geld, maar gaf den soldaten de vergunning het
land te verlaten! Tevergeefs poogde de kapitein den koning te doen
begrijpen, dat deze maatregel hem zeer zou benadeelen en bovendien
den geheelen ondergang van het platte land ten gevolge zou hebben.

De onderhandelingen over den vrede waren reeds maanden gevoerd en
hadden ten slotte het gevolg, dat er in Februari 1556 te Vaucelles
een wapenstilstand werd gesloten; te Philippeville en op andere
plaatsen bleven garnizoenen, maar het overschot der troepen werd
betaald en ontbonden.

De Prins van Oranje werd dus ook van zijn moeielijke plichten
ontheven en na een verblijf van zes achtereenvolgende maanden,
verliet hij op het einde van Januari het kamp. Men kan wel aannemen,
dat die treurige tijd er niet toe heeft meegewerkt om Filips bemind
te maken bij den Prins, die maar niet kon vinden, dat de schijnbaar
welwillende brieven van zijn vorst, krachtige middelen waren om de
oorlogskosten te bestrijden.

Filips had zich zeer welwillend tegenover Oranje betoond in deze eerste
maanden, want in November van het vorige jaar had hij hem bericht,
dat de Prins tot lid van den Raad van State was gekozen, een eer,
die door Willem erg koel werd beantwoord en nu, na zijn verblijf in
het kamp, reisde hij naar Antwerpen, teneinde aldaar in de Orde van
het Gulden Vlies te worden opgenomen.

Deze orde was in 1430 door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn
huwelijk met Isabella van Portugal gesticht. Ze werd ingesteld als het
meest schitterend sieraad en als de hechtste steun der heerschappij van
het Bourgondische huis. Door haar wilde men boven den onvervreemdbaren
adel van herkomst en geboorte, een nog hoogeren adel stellen, die
door den wil des konings zijn zou, wat in Engeland en Frankrijk de
pairs der kroon waren. De voorrechten van de ridders van het Gulden
Vlies waren vele; hun hoogste privilege was, dat ze alleen door hunne
medeleden konden worden gevonnist. Doch ook de plichten waren zeer
bindend. Ze moesten trouw zweren aan hun Bourgondischen heer; niet
minder trouw aan het katholiek geloof. Vandaar, dat de vader van Willem
van Oranje het ridderschap weigerde, gelijk we vroeger zagen, omdat
hij den eed om de Kerk getrouw te zijn, niet kon afleggen. De zoon,
na zijn komst in de Zuid-Nederlanden in de Katholieke kerk opgevoed,
zag in het afleggen van dien eed geen bezwaar; wel een bewijs, hoe
die opvoeding alle zaden van het Protestantsch geloof zijner ouders
in hem scheen te hebben verstikt en hoe de Prins althans in het jaar
1556 in het minst nog geen voorgevoel had van zijn roeping in zijn
aangenomen vaderland.

Tegelijk met hem werden er negentien nieuwe Vliesridders gekozen,
waarvan negen Nederlandsche edelen, een feit, dat op een geheel nieuwe
richting van bestuur scheen te wijzen en dientengevolge den staatsman
Granvelle met angst vervulde. Karel V toch was de vriend der steden
geweest. Filips toonde zich van stonde af een vriend der edelen. Hoe
weinig de toekomst aan die voorliefde beantwoord heeft, is bekend.

Willem van Oranje was de derde van de 19, die gekozen werd; op den
30en Januari ontving hij de halsketen, het teeken zijner nieuwe
waardigheid. Na die plechtigheid ging hij naar Breda, waar hij dien
zomer met korte tusschenpoozen bleef.

Het einde van den oorlog was voor de Nederlanden een zeer gelukkige
gebeurtenis; overal werden feesten gevierd en niet het minst had
de groote handelsstad Antwerpen haar vreugde aan den dag gelegd;
geheele ossen werden op de openbare pleinen gebraden en bij het
bezoek van Filips stroomde niet alleen de wijn, maar waren de wegen
met honderden eerepoorten versierd en strooide men bloemen voor zijn
voeten, ofschoon het in Februari was.

Men had nu in de Nederlanden verwacht, dat de koning zou overgaan
tot afdanking der troepen, die op kosten van deze gewesten werden
onderhouden, maar Filips, die bij de feesten in Antwerpen al zoo
onheilspellend somber had gekeken, dacht er niet over dit te doen. Het
leger moest op dezelfde sterkte worden gehouden, daar de wapenstilstand
wel van korten duur zou wezen en hiertoe was juist geld noodig,
vooral, omdat ook de soldij in langen tijd niet was betaald.

Toen de Prins in het legerkamp was, had hij reeds het bittere ongemak
van geldgebrek ondervonden tegenover de schuldeischers van den koning,
maar nu kwam hij voor nog grooter moeilijkheden te staan, nl. geld
van Filips' onderdanen te vragen.

In Maart zou er een vergadering van de Staten-Generaal zijn, waartoe
ook Oranje door een eigenhandig schrijven van Filips was opgeroepen.

De Prins haastte zich zijn meester te gehoorzamen en op den 12en had
de vergadering plaats, waar ook Egmond, Aremberg, Meghen en andere
heeren aanwezig waren.

De koning deed wanhopige pogingen bij die eerste vergadering van de
vertegenwoordigers der Nederlandsche gewesten natuurlijk te zijn. Zijn
geldgebrek was zeer drukkend, niettegenstaande de edelmoedigheid
zijner Engelsche vrouw en hij hoopte de afgevaardigden te overreden,
hem voldoende giften te schenken, teneinde zijn ledige schatkist aan
te vullen.

Het eigenlijke plan van Filips was een soort gedwongen heffing, een
blijvende belasting, maar toen hij zag, dat men dit niet wilde, nam
hij genoegen met een gift, die door de Staten-Generaal werd toegestaan.

Nadat dit besluit door de afgevaardigden was genomen, kwam nog het
moeilijkste werk, het inzamelen der gelden. Er was vooral in 's
Hertogenbosch oppositie tegen en de koning schreef een eigenhandigen
brief aan Oranje, waarin hij hem vroeg, daar heen te gaan, teneinde
den stadsraad tot rede te brengen. De Prins ging in September met
den raadsheer Noppenus naar die stad. Eerst bestond daar bezwaar,
een vergadering bijeen te roepen, omdat het college van schepenen
moest vernieuwd worden, m. a. w. de wet verzet. Toen er eindelijk een
vergadering was samengeroepen, weigerden de twee eerste afdeelingen
van den raad voor iedere contributie, welke ook, te stemmen, terwijl
de derde goed vond een zeker bedrag te geven, maar onder bepaalde
voorwaarden. Uit den langdradigen brief, dien Oranje aan den koning
over die zaak schreef, blijkt ten duidelijkste wat de Prins al niet
deed om den koning genoegen te doen en toch was hij geheel overtuigd
geworden, dat geen onwil, maar slechts onvermogen de Bosschenaren tot
verzet bracht en deed hij derhalve met het oog op de armoede der plaats
een beroep op de genade des konings. Dit herhaalde hij nog eens op den
7en October in een brief aan den hertog van Savoye, wiens bemiddeling
hij inriep ten gunste der inwoners van 's Hertogenbosch. "De armoede
der stad is zoo groot, dat het medelijden verwekt, die aan te zien,"
schreef hij.

Filips was geenszins genegen de stad ter wille te zijn en beval
Oranje andere pogingen aan te wenden, om haar tot gehoorzaamheid aan
den koning te brengen. Wat het eindresultaat van deze onderhandeling
geweest is, komt niet in eenig document, dat bekend is, voor; het
geval is alleen merkwaardig in zoover het bewijst, welke eerbiedige
pogingen door Oranje werden aangewend, om den wil van zijn souverein
te volbrengen, al was ook zijn sympathie voor de volkszaak opgewekt.



De wapenstilstand, die te Vaucelles in Februari 1556 voor vijf jaar
was gesloten, duurde nauwelijks tweemaal vijf maanden, want reeds in
Januari 1557 heropende Hendrik II, door verleidelijke aanbiedingen
van den Paus verlokt, de vijandelijkheden in Italië.

Paulus IV namelijk, Napolitaan van geboorte, haatte de Spanjaarden
als overheerschers van Napels en streefde van zijn eerste optreden
af naar niets meer, dan naar het verbreken van den vrede tusschen
Spanje en Frankrijk, ten einde, geholpen door Hendrik II, Napels aan
de macht van Filips te ontrukken.

Hoe onstaatkundig Granvelle dezen oorlog van Filips tegen den Paus
ook vond, hij werd verklaard, doch duurde slechts kort in Italië,
want Alva bracht door zijn toenmaals reeds bekende wreedheid de meeste
plaatsen onder de gehoorzaamheid van Spanje terug. Daarop verzoende
zich Filips met Paulus IV om des te feller een oorlog tegen Frankrijk
te kunnen voortzetten.

Oranje, die daarin overigens geen voorname rol speelde, werd wel
in den aanvang met allerlei zendingen belast, die daarmee verband
hielden. Zoo was het zijne taak, oversten zooals George von Holl te
overreden, de karige aanbiedingen aan te nemen, die zijn souverein
goed genoeg vond. Aan den hertog van Savoye schreef de Prins daarover
een langen brief, waarin hij berichtte, dat von Holl de voorwaarden
had aangenomen, mits hem een ruim tafelgeld met het oog op de duurte
der tijden werd toegestaan.

Bovendien werd Oranje met een zending naar den aartsbisschop van Keulen
belast, met het doel hem te overreden, zich met Filips te verbinden. Na
een kort oponthoud, ten gevolge van een koortsaanval op zijn reis van
Breda, kwam Oranje in Keulen aan en deed zijn best zijn opdracht tot
een goed einde te brengen. De aartsbisschop beweerde echter, dat hij
niet de vrijheid had een defensief verbond aan te gaan zonder eerst
zijn kapittel te hebben geraadpleegd.

Oranje keerde naar Breda terug en liet zijn schoonbroeder Nuenar
(gehuwd met zijn halfzuster Magdalena) achter om de beslissing van
den aartsbisschop af te wachten.

Op den 18en Mei vroeg en verkreeg Oranje vergunning naar Frankfort
te gaan, teneinde zijn vader te helpen bij den afloop van het
Catzenellenbogen-proces, dat, gelijk we zagen, in 1557 eindigde.

Terwijl de Prins voor particuliere belangen werkzaam was, deed
Filips een reis naar Engeland om, hoewel juist in tegenspraak met
de voorwaarden van zijn huwelijk, zijn vrouw door vriendelijke en de
ministers van haar door harde woorden, tot deelneming aan zijn oorlog
met Frankrijk over te halen.

Dit gelukte hem zonder veel moeite, zoodat Engeland zich in een geschil
gewikkeld zag, waarin het eigenlijk niet betrokken was. Later bleek,
dat dit volkomen streed met Engelands belangen en dat het daarin
alleen werd meegesleept door de hartstochtelijke verkleefdheid van
een zwakke, slechte en wreedaardige vrouw, die Filips haatte.

Nimmer scheen later de gelukszon zoo helder over den koning als in
den vroegen zomer van 1557, toen nog al zijn onderdanen hem getrouw
waren en hij de beurs zijner Engelsche echtgenoote geheel tot zijne
beschikking had. Wat zij ook tegenover haar volk moge geweest zijn,
tegenover hem was zij nooit karig.

In Mei trokken de troepen onder den Hertog van Savoye te velde
en de hoop op versterkingen van gindsche zijde van het kanaal werd
spoedig verwezenlijkt, al waren er nog vele bezwaren te overwinnen. De
Engelschen droegen zeker Frankrijk geen liefde toe, maar zij hadden
zulk een hartgrondigen haat tegen hun titulairen koning, dat ze zich
eerst krachtig verzetten tegen hulp aan Filips, zelfs in zijn oorlog
met hun erfelijken vijand.

Toch slaagde Maria erin, het verzet harer onderdanen te overwinnen en
kon zij haar echtgenoot van de hulp voorzien, waarom hij gevraagd
had. Filips nam afscheid van zijn onbeminnelijke maar hem zeer
liefhebbende echtgenoote en keerde voldaan naar Brussel terug.

Hier verzamelde hij zijn huursoldaten, die met de Spaansche
en Nederlandsche troepen, 35000 voetknechten en 12000 ruiters
bedroegen. Het leger werd spoedig nog versterkt door het Engelsche
hulpkorps van 8000 man onder den Hertog van Pembroke. In de nabijheid
van Givet werd deze geheele legermacht in het midden van Juli, onder
bescherming van het nieuwe fort Philippeville en onder commando van
den hertog van Savoye, vereenigd.

De Fransche legermacht werd in Picardië verzameld onder Montmorency,
bijgestaan door den maarschalk St. André en door Coligny, die reeds
gebleken was een gevreesde tegenstander te zijn.

De beide legers, ofschoon niet groot, bestonden uit uitgelezen troepen
en werden aangevoerd door de bloem van Europa's ridderschap. "Koningen
en Prinsen en de doorluchtigste Paladijnen der christenheid
rustten zich uit tot het groote tournooi, waartoe zij door heraut
en trompetgeschal waren opgeroepen" en onder hen bevond zich in het
leger van Filips, Lamoraal Graaf van Egmond, "de bataafsche held,
zonder kroon of rijk, maar met een even eerwaardigen stamboom als
waarop menig gekroond hoofd zich beroemen kon, brandende van begeerte,
zich in het worstelperk te onderscheiden."

Na enkele schermutselingen in de buurt van Guise en andere kleine
plaatsen, keerden de Spaansche troepen al hun macht tegen St. Quentin,
een belangrijke stad op den rechtstreekschen weg naar Parijs. Coligny
had die mogelijkheid voorzien en het gelukte hem de stad binnen te
komen, al was het zonder veel troepen, doch hij hoopte haar door
zijn bekwaamheid en ervaring te redden. St. Quentin was spoedig bijna
volkomen ingesloten.

Het gelukte echter Montmorency een gedeelte van zijn troepen binnen
de stad te brengen, zoodat het voor de belegeraars minder gunstig
was geworden en men besluiteloos werd, wat te doen. Ook Philibert
van Savoye was geheel uit het veld geslagen. Niet alzoo Egmond, die
in eene welsprekende rede den krijgsraad er op wees, van welk groot
gewicht het zou zijn den grooten Connétable Montmorency aan te vallen
en hem daardoor den terugtocht af te snijden.

Voor Egmonds hevige taal moesten alle bedenkingen wijken; men volgde
zijn raad, die boven alle verwachting met succes werd bekroond. Binnen
een uur werden 6000 Franschen gedood of gevangen genomen waaronder
de Connétable zelf, die gewond in 's vijands handen viel.

Men had aan Egmond de overwinning te danken, een overwinning, die
Frankrijk de gruwelijkste nederlaag bezorgde sedert de dagen van
den Zwarten Prins geleden. Een doodelijke slag was aan Frankrijk
toegebracht en de Vlaamsche grenzen waren thans beveiligd voor de
ellende, die het Fransche grondgebied ten deel viel.

"Egmond en St. Quentin," beide namen zouden thans van mond tot mond
gaan tot de uiterste grenzen van de heerschappij van den Spaanschen
souverein. Het leger van Montmorency was vernietigd, maar Coligny
was nog in St. Quentin en om de overwinning volkomen te maken, was
de inneming dier stad noodzakelijk.

Filips ging ondertusschen van Brussel naar Kamerijk en ontving de
gelukwenschen, die hem van alle zijden toestroomden.

De vruchten te plukken van deze groote overwinning, een onmiddellijke
aanval op Parijs te wagen, waarvoor de weg thans open was, dit
wilden al de bekende veldheeren; niet echter de vreesachtige, àl
te voorzichtige Filips, die er zich mee tevreden stelde, beleefd
de eerbewijzen voor de dapperheid van zijn generaal in ontvangst te
nemen, maar daarna liefst op veiligen afstand de verdere verwikkelingen
wilde afwachten.

Welk een contrast met zijn vader! Deze zou niet te Kamerijk hebben
gewacht, noch zelfs op de plaats der overwinning, maar Parijs zou
zijn doelwit zijn geweest, nu hem de weg zoo was gebaand.

Toen de keizer hoorde over dit eerste succes van de regeering van
zijn zoon, was zijn eerste vraag: "Is Filips in Parijs?" Maar dat
Mecca bereikte hij nooit, al was hij ook door het nemen van Chatelet,
Han en Noyon verder het Fransche grondgebied binnengedrongen, dan
aan zijn vader ooit was gelukt.

Duidelijk bleek hier, dat Filips van een anderen stempel was en hij
nagenoeg alle eigenschappen des geestes miste, die den keizer hadden
gesierd en die hem de harten deden winnen. In zich zelven gekeerd,
scheen het zijn hoofddoel te zijn, die eenzame rust te genieten,
die de Spanjaarden Sosiego noemen.

Wat St. Quentin aangaat, hoewel slechts door 800 man verdedigd, hield
de stad het dapper uit tot den 27en Augustus, toen er een gelijktijdige
aanval op vier van de bressen, die in de wallen geschoten waren,
plaats had. De stad gaf zich over, hoewel ze tot het laatst dapper
weerstand bood. Coligny toonde zich een uitstekend aanvoerder,
overal aanwezig, waar het gevaar het grootst was en toen de vijand
door een toren binnendrong, die men sterk genoeg dacht en onbewaakt
had gelaten, was het Coligny, die slechts door een paar man vergezeld
er heen ging. Hier werd hij overmeesterd en krijgsgevangen gemaakt
door een soldaat, die hem langs een der mijnen naar den Hertog van
Savoye bracht, van wien de soldaat tienduizend dukaten ontving tot
loon voor het zwaard van den Admiraal. Het was nl. een algemeen
erkend gebruik, dat degene, die den opperbevelhebber gevangen nam,
daarvoor een dergelijke groote som als geschenk ontving.

Het lot der stad was verschrikkelijk en de slachting, die er plaats
had, was een van de meest beruchte in de geschiedenis der belegeringen
van de 16e eeuw.

Een Spaansch krijgsman, die erbij tegenwoordig was en een dagboek
hield van al hetgeen er voorviel, schreef:


    "Ik wandelde door de stad en aanschouwde dit alles; het
    scheen mij een tweede verwoesting van Jeruzalem. Wat mij het
    meeste trof, was, dat ik geen enkelen ingezetene der stad
    overgebleven zag, die Franschman was of zich ervoor durfde
    uitgeven. Hoe ijdel en voorbijgaand, dacht ik, zijn de dingen
    dezer wereld. Nog geen zes dagen en wat was er niet al rijkdom
    in deze stad en thans is er geen steen op den andere gelaten."


De naam van Oranje wordt in geen der geschiedenisverhalen bij den slag
van St. Quentin bijzonder vermeld, maar van het midden van Juli af was
hij op het oorlogstooneel aanwezig en commandeerde een der compagnieën,
die de stad belegerden. Van uit het kamp voor St. Quentin deelde
hij zijn vrouw een en ander over de belegering mede; later, den 11en
September meldde hij haar, dat Han zich aan de genade van den koning
had overgegeven; hij betreurt in dien brief de groote verwoesting,
welke de Franschen er hebben aangericht. Aan het slot zegt hij nog,
dat hij onmiddellijk tijding zal zenden, wanneer hij weet, wat er
verder gedaan zal worden. Wederom is dit een bewijs, hoe gaarne Anna
van Buren geheel op de hoogte werd gehouden van den werkkring van den
Prins en tevens hoe deze steeds voortging haar voortdurend berichten
uit het kamp te zenden.

Uit hetzelfde kamp bij Han meldt hij haar den 27en September,
dat hij een lichten aanval van koorts heeft gehad, dien hij weder
terugverwacht. Hij had daar niet alléén last van dat ongezonde kamp,
want hij schreef, dat zijn broer zich eveneens sinds een paar dagen
onwel bevond.

De broeder hier bedoeld, was Lodewijk, derde zoon van Willem van Nassau
en Juliana van Stolberg. Het is bekend, hoe deze het lot van zijn
broer in de Nederlanden heeft gedeeld en hoe jammerlijk zijn uiteinde
is geweest. Telkens zullen we hem ontmoeten, werkzaam voor de zaak
des Prinsen en voor de bevrijding van ons vaderland. Als diplomaat
en als krijgsman stond hij in hooge achting; hij was een der edelste
kampioenen voor onze vrijheid, een schitterende, ridderlijke figuur,
waarop ons oog van ter zijde telkens met eerbied zal staren. In 1538
werd hij geboren en was dus vijf jaar jonger dan Willem van Oranje. In
tegenstelling met zijn broeders Jan en Adolf, die te Wittenberg
studeerden, bezocht Lodewijk Straatsburg en Genève, waar hij zijn
studiën volbracht. Is dit waar, dan verklaart zich daaruit het feit,
dat Lodewijk zich in later tijd eerder dan Prins Willem zelf, geneigd
betoonde, met de Calvinisten samen te werken. Doch het is de vraag
nog, of dit wel betrouwbaar is, aangezien de Duitsche vorsten en zoo
ook Willem de Oude omstreeks 1550, als echte Lutheranen een afkeer
hadden van het Calvinisme, waarvan Genève de hoofdzetel was.

In October 1556 kwam Lodewijk reeds in de Nederlanden. Niettegenstaande
Juliana van Stolberg hem onder al haar kinderen een bijzondere
liefde toedroeg, werd Lodewijk reeds vroeg door zijn vader naar
dat land gezonden, waar zijn oudste zoon reeds zulk een voorname
positie bekleedde en waar dus ook door diens invloed voor den
jongeren broeder beter gelegenheid bestaan zou, zich in de wereld
vooruit te helpen. De uitnemende eigenschappen van Lodewijk vielen
in de Nederlanden reeds spoedig in het oog. Filips II zelf betoonde
hem menige gunst, al was de jonge graaf ook Luthersch. Zijn innemend
karakter en groote bekwaamheden waren zonder twijfel de eenige oorzaak
van die onderscheiding. In 1557 nam hij deel aan den krijgstocht,
die ons bezig houdt, in het gevolg van den Prins van Oranje.



Na den veldtocht werd Brussel weer het hoofdkwartier van het leger,
al was er nog geen vrede gesloten met Frankrijk. Het was echter den
koning niet mogelijk geweest, de troepen bijeen te houden door de
slechte verstandhouding van de verschillende nationaliteiten. De
Engelschen haatten de Spanjaarden en wenschten niets liever dan zoo
spoedig mogelijk naar hun land terug te keeren, zoodat de koning
zich wel genoodzaakt zag hen te doen vertrekken. De Duitschers
klaagden over het gewone verschijnsel, de onregelmatige betaling en
tengevolge daarvan liepen er velen naar de Franschen over. De sterkte
der troepenmacht verminderde dus zoodanig, dat de koning blij was, het
overschot zijner troepen tot een lateren datum in de winterkwartieren
te kunnen terugtrekken.

Een van de voordeelen van de toenmalige oorlogen was de losprijs,
die door aanzienlijke gevangenen moest betaald worden, die dan goed
onder dak moesten worden gebracht, totdat het geld betaald was. Hoever
de regeering in haar eischen en vorderingen dan wel ging, blijkt
o.a. uit het geval, dat de koning Oranje noodzaakte, de gevangenen
van hertog Eric van Brunswijk op zijn kasteel te Breda te logeeren,
daar het volgens zijn meening niet voegzaam was, dat ze in een gewone
herberg hun nachtverblijf hadden. De Prins was zelf afwezig en de
Prinses moest ze maar ontvangen. Men proeft uit den brief, dien Oranje
naar aanleiding daarvan aan Filips schreef, dat hij er niets over
gesticht was. Hij kan dezen dienst wel niet aan den koning weigeren,
maar doet het blijkbaar met tegenzin en schrijft zelfs aan den vorst,
dat hij in geen geval voor de bewaking der gevangenen zorgen kan en
dat Filips daartoe andere maatregelen zal moeten nemen, die hem het
best zullen voorkomen.

De vorderingen, die aan den Prins werden gedaan, waren nu en dan zóó
bezwarend, dat hij ze weigerde te voldoen, zooals o.a. gebeurde met
50 wagens, waartoe Oranje werd geprest, doch die hij niet leverde.

Gedurende de wintermaanden was de Prins genoodzaakt dikwijls van zijn
huis en zijne vrouw afwezig te zijn, omdat hij geld moest trachten te
verkrijgen voor zijn meester, die in groote verlegenheid was. George
von Holl kwam uit Duitschland om de achterstallige betaling voor
zijn troepen te vragen en waarschijnlijk waren er andere kolonels
niet beter aan toe. De gelden, die de staten hadden geschonken,
waren blijkbaar niet voldoende geweest, de uitgaven van den laatsten
veldtocht te bekostigen. Eindelijk slaagde Oranje er in, te Antwerpen
een leening te sluiten met Engelsche kooplieden, hoewel hij zich met
onvoordeelige voorwaarden tevreden moest stellen, daar het crediet
van den koning zeer was gedaald.



Bij den troonsafstand van Karel V had deze bepaald, dat de Prins
van Oranje als gezant aanwezig zou zijn bij de overdracht van de
keizerlijke kroon op Karels broeder Ferdinand. Nadat die overdracht
reeds verscheidene malen was verdaagd, werd er eindelijk in Februari
1558 een Rijksdag te Frankfort gehouden, waarop de Prins met den
vice-kanselier Seld en den secretaris Haller tegenwoordig moest zijn,
om in naam van Karel in alle vormen de keizerlijke kroon op Ferdinand
over te dragen. Dientengevolge keerde Oranje, nadat die lastige leening
tot stand was gekomen, naar Breda terug, ten einde zich voor zijn
reis naar Duitschland gereed te maken. De zending werd op den 24en
Februari volbracht, maar Oranje bleef in Frankfort, om getuige te
zijn van Ferdinands kroning en ook om een bijzondere opdracht voor
Filips te volvoeren. In Maart schreef hij aan den koning, dat de
keizer het door Filips voorgesteld verbond met de Duitsche vorsten
hoogelijk goedkeurde, doch dat er eenige moeielijkheden ten gevolge
van Fransche intriges waren gerezen. "Nieuws is er niet," zoo voegt
hij er bij, "alleen dat de bisschop van Bayonne hier in het geheim
bezig is, kwaad te brouwen; ik hoop hem echter met behulp van den
(onlangs gekozen) Roomsch-Koning Maximiliaan en anderen te weerstaan."

Tijdens Oranje's afwezigheid werd zijn echtgenoote, Anna van Buren,
ernstig ongesteld. Op den 12en Maart schreef de Prins haar een brief,
toen hij het bericht van die ziekte gehoord had. Hij zond haastig
een zijner getrouwen, 't Serraets, naar Breda en liet zijn vrouw door
dezen vragen, hem tijding toe te zenden en den brief althans, zoo zij
dien niet meer kon schrijven, te onderteekenen. Zoo spoedig mogelijk
zou hij terugkomen en rechtstreeks naar Breda gaan. Anna werd echter
erger en toen haar echtgenoot op den 20en Maart Breda bereikte, was
alle hoop op herstel verdwenen en vier dagen later stierf ze. Zij was
25 jaar oud, toen ze den Prins ontviel en liet twee kinderen achter,
namelijk Maria, geboren in December 1553 en Filips Willem, geboren
19 December 1554. [1]

Zooals we reeds vroeger zeiden, wordt in verschillende documenten van
tijdgenooten erop gezinspeeld, dat het huwelijk van Anna van Buren
niet gelukkig is geweest, ja zelfs wordt Oranje beschuldigd haar
wreed te hebben behandeld en ontbreekt het evenmin aan duistere
aantijgingen, dat hij haar dood door geweldpleging zou hebben
verhaast. Een misdadiger dus van het ergste soort!

"Voor ons," zegt Bakhuizen van den Brink, "behoeft dit gerucht geen
wederlegging. Zou zulk een uitbarsting van dierlijke woede met de
kalme effenheid van 's Prinsen karakter gestrookt hebben?"

Maar er is meer, want dezelfde schrijver vraagt terecht, of de Prins in
dit geval wel met zooveel stoutheid later aan koning Filips den dood
van zijn zoon en van zijn echtgenoote zou hebben durven verwijten en
of de graaf van Egmond, die nauw aan 's Prinsen gemalin verwant was,
wel ooit in 1558 Willem van Oranje tot zijn executeur zou benoemd
hebben. Wien men van groote misdaden verdenkt, pleegt men niet de
uitvoering van zijn laatsten wil toe te vertrouwen.

De ongerijmdheid van het gerucht wordt daarbij geheel bewezen door
de getuigenis van een hofdame van Anna, Sophie von Miltitz genaamd,
die uitdrukkelijk naar de oorzaak van dat loopend gerucht gevraagd, in
volle verontwaardiging antwoordde: "Ik kan niet weten, wat lasterlijke
lieden mag bewogen hebben, om zulke schandelijke leugens te verbreiden;
maar één ding weet ik, dat het huwelijk van Anna en den Prins een
vriendelijke, gelukkige echt is geweest, gegrond op vaste liefde en
trouw." Toch heeft Groen van Prinsterer misschien geen ongelijk, als
hij beweert, dat Oranje's eerste huwelijk slechts middelmatig gelukkig
schijnt geweest te zijn, ja, hij voegt daaraan deze woorden toe, die
zeker niet uit zijn pen zouden gevloeid zijn, zoo deze uitnemende
onderzoeker van de archieven van het huis van Oranje daartoe geen
ernstige reden had: "De brieven aan zijn echtgenoote bevatten de
bekoorlijkste uitdrukkingen van teederheid, doch die misschien niet
overbodig waren, om sombere vermoedens tegen te gaan."

Een feit is het, dat vrij kort na den dood van Anna, Oranje een
avontuur had met de dochter van een Vlaamsch burger, waaruit het al te
duidelijk werd, dat hij op het stuk van zeden niet onberispelijk was
gebleven. De laster vond hierin een bodem, waarop het gemakkelijk viel
voort te bouwen en de volksverbeelding kreeg er vrij spel door. Doch
in elk geval is het een bewijs, dat Anna van Buren spoedig door hem
was vergeten. Zijn tweede huwelijk, zoo gauw na haar dood, wijst op
hetzelfde. En toch zouden we onbillijk zijn, indien wij niet geloofden,
dat de Prins door dien dood tijdelijk diep getroffen was. Anna,
hoewel wat teruggetrokken, eenvoudig en onbeteekenend, was in menig
opzicht een trouwe, zorgzame huisvrouw, die gedurende Oranje's vaak
terugkeerende afwezigheid zijn zaken met groote nauwgezetheid waarnam
en gaarne op de hoogte bleef van al zijn plannen en bewegingen. Kort
na haar dood schreef Oranje aan zijn vader:


    Beste Vader!


    Ik kan U niettegenstaande de droefheid van mijn hart toch niet
    onkundig laten, dat de zwakheid, waarin mijn vriendelijke
    lieve huisvrouw sinds een maand is vervallen, gelijk gij
    onlangs van mij te Dillenburg hebt vernomen, voor en na mijn
    terugkeer alhier van dag tot dag is vermeerderd en eindelijk
    zoo is toegenomen, dat zij Donderdag den 24en dezer loopende
    maand, tusschen 6 en 7 uur is overleden. Haar sterven was
    christelijk--ze is heengegaan naar God Almachtig, die haar
    ziel genadig en barmhartig zijn zal.


Ruim veertien dagen later spreekt hij in een brief, wederom aan zijn
vader, van het pijnlijk verlies door hem en zijn kinderen geleden.

Van Filips ontving Willem ook een hartelijk schrijven waaruit tevens
bleek, dat hij iemand uit Brussel had gezonden om naar den toestand
zoowel van Oranje, die ziek uit Frankfort was gekomen, als naar
zijn vrouw te vragen. Juist op het oogenblik van het vertrek waren
er nieuwe berichten gekomen, die Filips o.a. het overlijden van Anna
meldden. Eenige dagen later schreef Filips wederom aan Oranje. Dat deze
nog geen verslag over de onderhandelingen te Frankfort had uitgebracht,
kon Filips best begrijpen en hij raadde hem ook aan nog maar wat te
wachten, totdat zijn geest tot rust was gekomen. Aan hartelijkheid
ontbrak het in deze brieven dus niet.

In een schrijven aan Granvelle, den bisschop van Atrecht, die om
nadere bijzonderheden had gevraagd, zegt Oranje o.a. dat de dood van
zijn vrouw bij hem zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart
veroorzaakte, dat hij tengevolge daarvan een hevigen koortsaanval
kreeg, gepaard aan zenuwtrekkingen.

Wat blijkt uit deze brieven omtrent de verhouding van den Prins tot
zijn eerste echtgenoote? Al te veel nadruk mag er, dunkt mij, niet
gelegd worden op zijn aanval van hartstochtelijke smart, waarvan
de laatste brief aan Granvelle getuigt. De smart, zich in koorts en
zenuwtrekkingen openbarende, kan wel een gevolg van het besef geweest
zijn, dat hij niet ten volle voor zijne overledene geweest was,
wat hij had moeten en kunnen zijn. Doch wij herhalen, wie met deze
uitingen geloof zou willen slaan aan het lasterlijk gerucht, dat te
zijnen nadeele werd verspreid, zou Willem van Oranje moeten verdenken
van eene huichelarij en misdaad, die alle grenzen te buiten ging.

De Prins was in de jaren van zijn eerste huwelijk menigmaal
genoodzaakt, gescheiden van zijn vrouw te leven; zijn dienst in den
oorlog, zijn diplomatieke zendingen doemden haar tot een tamelijk
eenzaam bestaan. Terwijl zij meestal het kasteel te Breda bewoonde,
was hij op reis, in het kamp of in Brussel. Zijn leven daar was,
gelijk we nader zullen zien, zeer weelderig en rijk en toch blijkt
het voldoende uit al de brieven, die hij aan Anna schreef, dat hij
haar niet vergat. Zijn thuiskomst in Breda moet altijd een feest zijn
geweest voor de meestal eenzame vrouw. Zij heeft hem lief gehad tot
het einde, en zij is steeds zorgvol voor zijn kinderen en goederen
geweest. Haar testament, geheel te zijnen voordeele, was een laatste
bewijs van hare liefde en van haar vertrouwen op hem. Terecht is
van haar gezegd: "Voor den tijdgenoot, die het oor niet leende aan
rondgestrooide geruchten, blijft Anna door haar teruggetrokken leven
en haar vroegtijdig einde, een lieftallige figuur. Maar voor den
nakomeling bewaart zij de onaantastbare en zachte bekoring van een
visioen, dat wegdeinst, zonder zijn geheim te hebben geopenbaard."






HOOFDSTUK IV.

DIPLOMATIEKE ONDERHANDELINGEN. FILIPS' VERTREK 1558-1559.


Een lange rusttijd werd den Prins niet toegestaan om zijn verlies
te boven te komen en na zijn eigen ongesteldheid zijn krachten te
herwinnen. Op den 7en Mei ontbood Filips hem op zeer beslisten toon
naar Antwerpen om toezicht te houden op de hernieuwing van de wet
aldaar en in Juni beval de hertog van Savoye hem, zich zoo spoedig
mogelijk te haasten om met zijn bande d'ordonnance, Thionville,
een sterke stad aan de Moezel, te bevrijden.

De geestdrift van Filips voor militairen roem was spoedig uitgebluscht;
veel heftiger verlangde hij naar een verbond dan naar voortzetting van
den strijd met Frankrijk. In het vroege voorjaar hadden de bisschop
van Atrecht en de kardinaal van Lotharingen een samenkomst te Péronne,
waarbij zij tot het besluit kwamen, dat het wezenlijk belang van
Frankrijk en Spanje niet was, grondgebied van elkander te winnen,
maar den verborgen vijand, de ketterij, die zich in beide rijken
verspreid had, te bedwingen. Daar de onderhandelingen dier prelaten
echter geheim bleven, werden de vijandelijkheden tusschen beide
koninkrijken vroeg in den zomer heropend.

In plaats van den Connétable, die zooals we zagen zich in gevangenschap
bevond, was de hertog de Guise uit Italië gekomen, waar zijn roem er
nu niet bepaald op vooruit was gegaan, en die dus hoopte in de meer
noordelijke landen beter figuur te maken. Op Nieuwjaarsdag van 1558
verscheen hij voor Calais, waarvan de Guise door spionnenberichten
reeds wist, dat de bezetting zwak was. Na een hevig geschutvuur werd
de stad stormenderhand genomen. Meer dan twee eeuwen was zij in handen
der Engelschen geweest, die het hadden veroverd na een beleg, dat
twaalf maanden duurde; thans keerde het aan Frankrijk terug na een
belegering van zeven dagen. Nog zeven dagen later viel ook Guines,
waardoor Engelands koningen voor altijd het recht verloren om den
titel en de leliën van Frankrijk te voeren.

De Guise trok naar Luxemburg en veroverde Thionville, zoodat Oranje,
die volgens de orders van den hertog van Savoye daarheen moest
trekken, te laat kwam om nog hulp te bieden. De Franschen hadden dus
in den beginne wel succes, maar 't was niet van langen duur. Het plan
bestond bij de Franschen om de vereeniging te bewerken van de Guise
en de Thermes, die in Calais als bevelhebber was achtergebleven en
reeds met zijn nieuw verzameld leger de omstreken had geplunderd en
ook Duinkerken had genomen. De vereeniging van de beide Fransche
bevelhebbers te voorkomen en als het kon de Thermes van Calais af
te sluiten, was het doel van de tegenpartij. Reeds was de Fransche
bevelhebber van Duinkerken vertrokken, toen hij op zijn weg de held
van St. Quentin ontmoette, die zich met zijn troepen te Grevelingen
had opgesteld, een kleine stad aan het strand der zee, ongeveer
halfweg Calais en Duinkerken.

Daar noodzaakte Egmond zijn tegenstander slag te leveren, daar rende
hij aan het hoofd zijner escadrons op de Franschen in onder het:
"De vijand is ons, wie zijn vaderland lief heeft volge mij." Van
beide kanten werd met groote hardnekkigheid gestreden, doch de zege
was aan Egmond en op dezen 12en van Julimaand werd de uitgelezen
Fransche strijdmacht onder maarschalk de Thermes volkomen vernietigd
en vielen met hem vele andere officieren van adellijken bloede in
handen van Egmonds troepen.

De ongeloofelijke moed door den overwinnaar bij die gelegenheid
betoond, stal het hart van het volk en alleen de zure Alva, die Egmond
benijdde, deelde niet in de algemeene vreugde, daar hij zelf gehoopt
had het getij ten voordeele van zijn meester te doen keeren.

Thans was Egmond de held van St. Quentin en
Grevelingen. Niettegenstaande aan beide zijden de strijdkrachten
nog volkomen in orde en zeer machtig waren, was toch deze slag het
laatste tooneel van den zevenjarigen oorlog tusschen Frankrijk en
Spanje. Filips was bijzonder tevreden op de lauweren te kunnen rusten,
door zijn veldheer behaald; Hendrik was niet verlangend verdere
waagstukken te ondernemen en het volk aan beide kanten begeerde vurig
den vrede.

Algemeen was dus het verlangen, dat er geen verder uitstel met
de vredesonderhandelingen zou gemaakt worden, maar het was wat
gewaagd met de besprekingen te beginnen, terwijl de twee gewapende
legermachten nog in elkaars gezicht lagen. Daarom was de eerste
maatregel, de vreemde huurtroepen te ontbinden en de eigen troepen op
een veiligen afstand in te kwartieren. De preliminaire voorbereidselen
voor de vredesonderhandelingen werden te Rijssel geregeld onder den
Prins van Oranje, Ruy Gomez en den bisschop van Atrecht aan de eene
zijde, Montmorency en maarschalk St. André aan den anderen kant. Op
den 15en October werden de formeele onderhandelingen geopend in de
abdij van Cercamp, op het onzijdig grondgebied van Kamerijk. Daar
vereenigden zich de hertog van Alva, de president Viglius, de
kardinaal van Lotharingen, de bisschop van Artemis en Claude
l'Aubespine met hen, die te Rijssel waren geweest. Ook Maria van
Engeland zond afgevaardigden, maar het vraagstuk van Calais dreigde
te veelomvattend te worden, zoodat de geheele Engelsche zaak ter zijde
werd gelegd, om onafhankelijk van de Spaansch-Fransche belangen, door
een toekomstig congres te worden beslist. Men moet niet vergeten,
dat Oranje, hier ook aanwezig, pas 25 jaren telde en toch reeds als
een man van groot gewicht in deze hoogst belangrijke diplomatieke
vergadering gold. Daar viel wat te doen. Gedurende de laatste zeven
jaren had men onophoudelijk steden genomen en hernomen, welker bezit
van groote waarde geacht werd. Elk van deze moest in bijzonderheden
worden behandeld. Dan moest het verbeurd verklaarde grondgebied
van partijgenooten aan beide zijden worden teruggegeven en na de
vaststelling der losprijzen, de gijzelaars worden uitgewisseld. Uit
een brief van Oranje aan den hertog van Savoye blijkt, dat er hard
werd gewerkt om de zaak tot een goed einde te brengen en tevens meldt
Oranje aan den hertog, dat bij mogelijke teruggave van Piemont Zijne
Hoogheid over zijn huwelijk met Margareta, zuster van koning Hendrik,
een beslissing moet nemen, daar men deze echt als voorwaarde voor de
teruggave van de landen geëischt heeft. Voordat er eenig besluit in
die vergadering was genomen, had eene gebeurtenis plaats, waardoor
de geheele zaak zeer vereenvoudigd werd.

Maria, die zich het verlies van Calais zeer bijzonder aantrok,
eindigde haar ongelukkig en onbevredigd leven op den 17en November en
liet aldus haar echtgenoot vrij om zijn diplomatieke beloften met een
nieuwe huwelijksverbintenis te bezegelen. Haar dood en de opvolging van
Elisabeth veroorzaakte een tijdelijke opschorting der onderhandelingen.

Een schitterende lijkdienst werd tot haar nagedachtenis door Filips
in Brussel gevierd en daarna kon hij de vraag van een opvolgster
overwegen.

Nog een andere lijkdienst werd er, behalve die van Filips' ongelukkige
echtgenoote, in Brussel gehouden. Reeds den 21en September was keizer
Karel in het klooster St. Juste overleden, maar zijn zoon vond eerst
in het laatst van December tijd, om den doode in het openbaar de
laatste eer te bewijzen. De praalvertooning, die toen in Brussel
plaats had, was echter zoo schitterend, dat het uitstel er wel door
verontschuldigd werd.

De plechtigheden hadden plaats op 29 en 30 December 1558 en behalve
de prachtige rouwversiering van de kathedraal en de stad zelf, trok
van den grooten optocht, die door de stad ging, een schip het meest de
aandacht, zoo kunstig vervaardigd, dat, ofschoon onzichtbare helpers
het droegen, het door zeepaarden scheen voortbewogen. De bemanning
werd voorgesteld door drie zinnebeeldige personen. De Hoop, geheel in
't bruin gekleed met een zilveren anker in de hand, stond aan den
voorsteven; het Geloof, met den avondmaalskelk en het roode kruis
in een wit gewaad met een sluier van wit zijden gaas, zat op een
staatszetel vóór den bezaansmast, terwijl de Liefde in het rood met
een vlammend hart in de hand, aan het roer het schip bestuurde.

Eigenaardig is de beschrijving van een Engelschman, die aan zijn
chef een gedetailleerd verslag zond en waarin ook de Prins van Oranje
vermeld wordt.

"Nagenoeg middenin zag men een schip versierd met de banieren van
's keizers wapenen, en onder deze, vele banieren van de Turken en
Mooren, naar beneden gevallen en in 't water liggende. Het geheele
bovenste gedeelte van het schip was kostbaar gebeeldhouwd en verguld;
de voornaamste touwen en masten, de zeilen en toppen waren alle
zwart.... In het midden bij den grooten mast was een staatszetel
opgericht, waarop niemand zat. Daarvoor stond een meisje geheel in
het wit gekleed, haar aangezicht bedekt met een witten sluier. In
haar rechterhand had zij een rood kruis en in haar linkerhand een
kelk met het sacrament.... Daarna kwamen 24 paarden, die alle een
land voorstelden, waarover de keizer geregeerd had en voor ieder
paard ging een graaf of hertog....

De Prins van Oranje droeg het zwaard met de punt benedenwaarts.... En
toen de dienst was afgeloopen, kwam daar een edelman naar de
lijkkoets (zoover ik kon hooren was het de Prins van Oranje), die
voor de lijkkoets staande, met de hand op de kist sloeg en zeide:
"Hij is dood." Daarop een poos stilstaande, zeide hij: "Hij zal dood
blijven." En wederom na een pauze sloeg hij nog eens op de kist en
zeide: "Hij is dood en daar is een ander in zijn plaats opgestaan,
grooter dan hij ooit was."



Nadat Filips een vruchtelooze poging had gedaan om de hand van Maria's
opvolgster te verwerven en daarbij niet onduidelijk was afgewezen,
werden de onderhandelingen in Februari 1559 te Cateau Cambrésis, in
plaats van te Cercamp heropend en kwam het verdrag op den 3en April
tot stand. Geen der partijen behaalde na 8 jaren oorlog, die zooveel
moeite en kosten na zich had gesleept, eenig stoffelijk voordeel. Al
de veroverde plaatsen werden aan dien souverein teruggegeven, die ze
in 1551 had bezeten. Had indertijd de keizer de grootste verliezen
geleden, nu was zijn zoon aan den winnenden kant. Filips gaf aan
de Franschen vijf steden terug, die hij in Picardië had veroverd,
maar daarentegen stond Hendrik II hem meer dan 200 plaatsen in de
Nederlanden en in Italië af. Filips zou huwen met Elisabeth van Valois
en een bruidschat van 400.000 kronen ontvangen, ofschoon die dochter
van Hendrik II eigenlijk bestemd was geweest voor don Carlos.

Philibert van Savoye werd door het verdrag rijkelijk bevoordeeld. De
Fransche afgevaardigden hadden de belangen van 's konings zuster zeer
behartigd en hij had er in toegestemd Margareta van Valois te huwen,
die in haar bruidskorf een huwelijksgift van 300.000 kronen en de
verbeurd verklaarde vaderlijke goederen van den hertog medebracht.

Het wezenlijk motief, dat de twee monarchen er toe geleid had om tot
een schikking te komen, zonder elkander verder te bestrijden, was,
gelijk ik reeds zeide, hun wensch om een krachtdadig eind te maken
aan de ketterijen, die overal in hunne landen vermeerderden. Toen de
contracten waren geteekend, koos Hendrik Oranje, Aerschot en Egmond
uit, om hem naar Parijs te vergezellen en hem tot onderpand voor
de vervulling van het verdrag te strekken. Oranje ging daar dan ook
reeds vroeg in April heen.

Ongelukkig bestaan er geen particuliere brieven meer van Oranje
gedurende dit Parijsche bezoek. Kleine aanteekeningen, zooals hij
schreef uit het ongemakkelijke kampleven, eindigden voor altijd met
het leven van Anna van Buren. De brieven aan zijne bloedverwanten in
Dillenburg zijn verdwenen, zoodat het onbekend is gebleven, wat zijn
indrukken waren van de Fransche hoofdstad.

Toch is een eigenaardig verhaal bekend geworden, waaruit het
medelijdende hart van onzen Willem duidelijk blijkt.

"De Prins was te Parijs in een hotel gelogeerd, waar de provisiekamer
van den bottelier uitzag op een laan door middel van lage vensters met
ijzeren traliën. In de nabijheid stond een schenktafel met prachtig
zilver. Een booswicht, die dat ontdekt had, peinsde op middelen,
om er zich meester van te maken en voorzag zich van lange haken,
waardoor hij de stukken een voor een naar het ijzeren traliewerk
haalde en die niet door de gaten konden, met kracht omboog. Hij wist
op deze manier al het schoonste naar zich toe te halen.

"Dit onaangenaam geval verontrustte hen, die de zorg voor het zilver
hadden zeer, doch eindelijk werd de dief om een andere schurkenstreek
gevat; hij bekende, dat hij ook dezen diefstal had begaan en werd
tot den strop veroordeeld.

"Toen de dag van de strafoefening was aangebroken, werd juist op het
oogenblik, dat de goede Prins met den koning van de jacht terugkeerde,
de booswicht naar de galg geleid. De Prins zag dit en hoorde van een
voorbijganger, om welke misdaad hij den dood moest ondergaan. Deze,
die den Prins niet kende, antwoordde, dat het de man was, die het
zilveren vaatwerk van den Prins van Oranje had gestolen. Met aandrang
richtte de Prins zich daarop tot den koning, hem verzoekende het
leven van den misdadiger te sparen.

"De koning bewilligde er in en in vollen galop reed toen de Prins zelf
naar de menigte, die zich verzameld had om getuige te zijn van het
akelig schouwspel, staakte de executie tot de aankomst des konings
en redde alzoo den dief uit de handen van den beul. Na hem vermaand
te hebben, in de toekomst een beter leven te leiden, gaf hij hem in
naam des konings de volle vrijheid terug. Het grootste deel van het
zilver kreeg de Prins weerom."



De gijzelaars vonden blijkbaar het vaststellen der eindbepalingen
van het verdrag geen gemakkelijke zaak, want voortdurend werden die
om nietige redenen uitgesteld. Met veel pracht en plechtigheid werd
het huwelijksverdrag tusschen Elisabeth van Valois en Filips II op den
22en Juni, bij afwezigheid van den laatste gesloten, terwijl Alva zijn
gevolmachtigde was. Op den dag van het huwelijk had Oranje zoo hard
gewerkt, dat hij verplicht was den volgenden dag te bed te blijven.

Dat de onderhandelingen zoo langzaam vorderden, was ook onvermijdelijk,
daar beide partijen bevreesd waren te zullen worden bedrogen;
bovendien waren er tal van feesten, om de langwijligheid van de zaken
wat te breken.

Daaronder was ook een jachtpartij in de bosschen van Vincennes, waarbij
een belangrijk voorval plaats had. Op weg naar huis, waren Oranje en
de Fransche koning van de rest der ruiters afgedwaald. Terwijl zij
langzaam onder de boomen voort reden, begon Hendrik, in de meening, dat
de jonge Hollandsche staatsman het volle vertrouwen van zijn Spaanschen
koning genoot, hem te spreken over de bijzonderheden van het privaat
verdrag, dat hij met Alva had gesloten, ten einde de ketterij uit
de gezamenlijke landen van hem zelf en Filips uit te roeien. Wat er
in Oranje moet zijn omgegaan, toen hij van het vreeselijke plan der
vorsten hoorde, blijkt uit hetgeen hij later zelf in zijn Apologie
schreef, n.l. dat hij "door medelijden getroffen werd met zooveel
welvarende menschen, die aldus veroordeeld werden tot vernietiging,
in 't bijzonder met dat land, waaraan ik zooveel verplichting had en
waar men een inquisitie wilde invoeren, erger en wreeder dan die van
Spanje.... Van deze dingen getuige zijnde, beken ik, dat ik van dat
oogenblik af in ernst besloot, het Spaansche ongedierte uit dat land
te verdrijven en nooit heb ik berouw gehad over mijn besluit."

Of het geval zoo dramatisch is geweest als de Prins het voorstelt
in zijn Apologie, mag betwijfeld worden, als we bedenken, dat dit
stuk in 1580 werd geschreven, dus ruim 20 jaar na het voorval, doch
hier staat tegenover, dat Oranje deze geschiedenis reeds in 1562 aan
Granvelle moet hebben meegedeeld.

De zelfbeheersching, getoond bij dat gesprek in het bosch van
Vincennes, heeft den Prins den naam van den Zwijger geschonken, die hem
het eerst door Granvelle moet gegeven zijn. Niet om een doorloopende
karaktertrek, maar om een enkele daad is hem deze naam dus geschonken.

Op een der vele feesten, welke op die jachtpartij volgden, had het
tournooi plaats waarin Hendrik II gewond werd, met het gevolg, dat
hij enkele dagen later op 12 Juli overleed. Zelfs zijn lofredenaars
konden niets goeds van hem vermelden.

Waarschijnlijk was Oranje toen niet meer te Parijs, want hij haastte
zich, door Hendriks mededeeling verontrust, naar de Nederlanden te gaan
zoo spoedig hij verlof kon krijgen, onder belofte echter onmiddellijk
terug te keeren, zoodra hij werd opgeroepen.

Terwijl men in Parijs bezig was de eindbepalingen van het verdrag op te
stellen, maakte Filips zich gereed aan zijn hartewensch te voldoen,
de Nederlanden vaarwel te zeggen en die echt Spaansche rust te
genieten. Hij had van zijn verblijf in het Noorden meer dan genoeg;
de episode van zijn Engelsch huwelijk behoorde tot het verleden;
van nu af was hij tot zijn eigen erfgoed bepaald. Een nieuw huwelijk
was tot stand gekomen, terwijl het verbond met Frankrijk hem de
gelegenheid had geopend, de vrijheid der godsdienstige gedachte uit
te roeien, waartegen hij ieder jaar van zijn verder leven steeds meer
haat koesterde.

Wat verlangde hij terug naar Spanje, waar hij zich in de landstaal
zou kunnen uitdrukken en waar hij tenminste eene omgeving zou vinden,
die meer met hem in aard en karakter overeenkwam. Vrijwel gedwongen
was zijn verblijf in de Nederlanden geweest, maar nu belette hem
niets meer die gewesten vaarwel te zeggen. Voor hij echter kon
vertrekken, moest eerst zijn plaatsvervanger worden aangewezen,
want Philibert van Savoye, de opvolger van Maria van Hongarije, was
in zijn heerschappij over Piëmont hersteld en kon dus niet langer de
betrekking van landvoogd vervullen.

Men zegt, dat Egmond en Oranje zich een oogenblik zouden gevleid
hebben, dat de keus van den nieuwen landvoogd op een hunner vallen
zou, maar waarschijnlijk is dit niet; zij moesten direct begrepen
hebben, dat Nederlandsche edelen, hetzij inboorlingen als Egmond of
genaturaliseerd als Oranje, geen landvoogden zouden zijn naar het
hart van den tegenwoordigen koning.

Over twee mededingsters werd spoedig ernstig gedacht, n.l. de
hertogin van Parma en die van Lotharingen; deze laatste werd door de
Nederlandsche edelen begeerd, omdat zij onder haar naam zelf hoopten
te regeeren.

Oranje vooral ijverde zeer voor haar, hetgeen ook verband hield met
trouwplannen van den Prins.

Anna van Buren was slechts eenige maanden dood, toen Willem, het
voorbeeld van zijn koning volgende, begon uit te zien naar een
tweede echtverbintenis. Zelfs zeer kort na den dood zijner eerste
vrouw, had de Prins een liaison, die niet tot een huwelijk leidde,
maar toch te wereldkundig is geworden, om er niet van te spreken. Het
was een Vlaamsch meisje, Eva Eliver genaamd, dat hem bekoorde en hem
in September 1559 een zoon schonk, bekend onder den naam Justinus
van Nassau, welke natuurlijke zoon van den Prins, naar de gewoonte
der tijden, een opvoeding, overeenkomstig den stand van zijn vader
ontving en dientengevolge ook later gouverneur van Breda en admiraal
van Zeeland werd. Van een huwelijk met die Eva kon geen sprake zijn;
zij huwde later met den secretaris van de stad Hulst, A. Arondaux.

De Prins zelf moest eene vrouw zoeken van zijn stand en geboorte. De
eerste, op wie hij den blik vestigde, was Madame de Touteville, dochter
van den graaf van St. Pol, schoonzuster van den koning van Navarre en
weduwe van den hertog van Enghien. Deze weduwe, nauwelijks 17 jaar,
was een der rijkste en schoonste erfgenamen van Frankrijk. De Prins
leerde haar kennen tijdens zijn gijzelaarschap in Parijs en schijnt
om hare hand aanzoek te hebben gedaan. Ongetwijfeld was haar rijkdom,
bij den toenmaligen staat zijner eigen geldmiddelen, eene sterke
attractie voor Oranje. Doch zoowel Filips II als Hendrik II werkte
dit huwelijksplan tegen; Filips, omdat hij ongaarne de verbinding zag
van Nederlandsche heeren met Fransche geslachten; Hendrik, omdat hij
een ander voor de rijke erfdochter op het oog had, die haar echter
ook niet kreeg.

Toen dit huwelijksplan was afgesprongen, richtte Oranje zijn blik
op Renée van Lotharingen, oudste dochter van den hertog Frans
van Lotharingen en Christierna van Denemarken. Deze was de door
de Nederlandsche grooten, inzonderheid de door Oranje begeerde
opvolgster van den hertog van Savoye als landvoogdes der Nederlanden;
zij was, volgens Catharina de Medicis, "la plus glorieuse femme,
que je visse jamais." Haar schoonheid was niet minder beroemd, dan
die harer dochter. Misschien werd Oranje ook daardoor getroffen,
maar de hoofdbedoeling van zijne poging, om Renée te huwen, lag in
de politiek. Hare moeder, de fiere dochter van koning Christiaan
van Denemarken en van Isabella, zuster van Karel V, was een eigen
nicht van Filips II en zij had alle hoop, dat de koning van Spanje
haar tot landvoogdes zou benoemen. Zij was een zeer eerzuchtige
vrouw, steunde niet alleen elke poging om het huis Holstein
uit Denemarken te verdrijven, maar sprak ook haar woord mede in
de Europeesche staatkunde. Te Cateau-Cambrésis was zij zelfs een
ijverige onderhandelaarster en daar schijnt ook het huwelijksplan
van hare dochter met Oranje te zijn beraamd, omdat de laatstgenoemde
hare kansen om landvoogdes te worden, zeer groot achtte en hij alsdan
onder haar naam in de Nederlanden zou kunnen regeeren. Aan beide
verwachtingen werd de bodem ingeslagen. "Tusschen de niet verloving
van den Prins met Renée van Lotharingen en de niet benoeming van
Christierna tot landvoogdes is een duidelijk voelbaar verband." Koning
Filips schijnt zelf ook aan Christierna geschreven te hebben, dat zij
het aanzoek van Oranje van de hand moest slaan. In het openbaar hield
Filips zich, alsof hij dat huwelijk goedkeurde. Maar hij wilde zijn
heerschzuchtige nicht buiten de Nederlanden houden en buiten staat,
om onder de Nederlandsche edelen een partij te vormen.

Margareta werd tot landvoogdes gekozen, vooral door den invloed van
Granvelle. De benoeming van deze bastaardzuster van den koning was
de eerste gevoelige nederlaag voor de nationale partij onder Filips'
bestuur. Margareta was het oudste kind van den overleden keizer,
buiten huwelijk geboren, vier jaar voor zijn huwelijk, maar als
een erkende dochter, door de zorg van Karels tante en later van
zijn zuster, opgevoed. Op twaalfjarigen leeftijd was zij gehuwd met
Alexander de Medicis, een ellendigen nakomeling van de familie Medicis,
wiens dood binnen een jaar na dat huwelijk geen ongeluk was voor zijn
jonge vrouw. Haar tweede echtgenoot was Ottavio Farnese, zeven jaar
jonger dan zij, met wien zij vrij gelukkig was. Als vrouw was zij geen
aantrekkelijke persoonlijkheid. "De waarheid is, dat haar geest niet
alleen haar sekse te boven ging, maar zij ging zoo gekleed en had
zulk een houding, alsof zij niet was een vrouw met een mannelijken
geest, maar een man in vrouwenkleeren. Zij was zoo sterk, dat zij
aan de hertenjacht gewoonlijk mededeed, hetgeen de lichaamskracht
van vele mannen te boven ging. Op haar kin en bovenlip groeide een
baardje, dat haar mannelijke gelijkheid gaf en groot gezag. Zij had
een helderen geest en kon met wonderlijke handigheid de zaken van
alle kanten bekijken."

Op het punt van godsdienst was zij bekrompen en bijgeloovig, op 't
gebied van staatkunde reeds bedorven in de leerschool van Macchiavelli
en wat haar kundigheden betreft was zij zeer middelmatig; ze kon
nauwelijks het Fransch schrijven, dat te Brussel altijd als hoftaal
had gegolden.

Hoe kon deze vrouw, die bij haar verschijning liefde noch achting kon
inboezemen, bewaakt door het achterdochtig oog van Filips en geplaatst
onder de voogdij van Granvelle, een krachtige, vrije ontwikkeling
geven aan den adel, die haar omringde?



Ziedaar de nieuwe meesteres onder wie Oranje zijn loopbaan als
staatsman aanving. Zijn leerjaren waren voorbij. Als page had hij den
keizer trouw en loyaal gediend en onder zijn banieren zijn eerste
campagnejaren doorleefd. Met den nieuwen meester had hij forten
gebouwd en gekampeerd en daarna was hij ingewijd in het moeielijker
werk, om verdragen tot stand te brengen. Voortdurend was zijne
verantwoordelijkheid grooter geworden en nu stond hij aan den aanvang
van het moeilijkste deel van zijn loopbaan. De ondervinding, die hij
reeds had opgedaan en het hooge standpunt, dat hij innam onder de
Nederlandsche heeren, gaven hem recht om mede te werken aan het eerste
openbaar verzet tegen den wil des konings. Nog voor deze naar Spanje
terugkeerde, zou hij van den aanvang van dat verzet getuige zijn.

De eenige regelmatige regeeringstroepen in de Nederlanden waren de
zoogenaamde "bandes d'ordonnance", die uit 3000 ruiters bestonden, in
14 escadrons verdeeld, ieder onder het commando van een stadhouder of
edele. Behalve deze troepen waren er in het jaar 1559 nog omstreeks
4000 vreemde soldaten, voornamelijk Spanjaards, in het land
ingekwartierd. Wat moesten deze vreemde troepen nog na den vrede
in het land doen? Toen Hendrik II in het bosch van Vincennes zijn
vertrouwelijke mededeeling aan Oranje deed, was een van de punten,
die bijzonder de verontwaardiging van den Prins hadden gewekt, dat
die vreemde troepen van nu aan zouden gebruikt worden om de ketterij
te onderdrukken, daar hun diensten niet verder noodig waren tegen
een buitenlandschen vijand, sinds Frankrijk en Spanje zich hadden
verbonden. Om elke schikking dienaangaande te voorkomen, had Oranje
zijn verblijf in de Fransche hoofdstad bekort en zich huiswaarts
gespoed; hij wachtte slechts op een gelegenheid, om tegen het langer
verblijf dier Spaansche troepen op te treden.

De Staten-Generaal, die Filips, in strijd met het voorbeeld van Maria,
de vroegere landvoogdes en met de waarschuwing van Granvelle, kort na
den afstand van Karel V had bijeengeroepen, om beden toe te staan,
werden, al was de uitslag van die eerste samenroeping niet naar
wensch geweest, toch nog eenmaal vóór Filips' vertrek door hem te
Gent vereenigd om afscheid van hem te nemen en Margareta als Filips'
vertegenwoordiger te verwelkomen.

Op den vastgestelden dag waren de Staten vergaderd en verscheen
de koning met de nieuwe landvoogdes, den hertog van Savoye en
vele gezanten en edelen in hun midden. Aan Granvelle was de taak
toevertrouwd de afgevaardigden in naam van den vorst toe te spreken. In
sierlijken stijl en hoogdravende woorden werd meegedeeld, waarom
Filips zijn geliefde gewesten ging verlaten, dat alleen innige liefde
voor de Nederlanden hem had genoopt tot het einde van den oorlog
hier te blijven. Het achterlaten der Spaansche troepen werd met
een enkel woord vergoelijkt en aan de Staten op het hart gedrukt,
de edicten van wijlen zijn vader alle uit te voeren. Bovendien
verzocht de koning nogmaals een bede, nu van 3 millioen florijnen,
daarbij herinnerende aan de omstandigheid, dat al het geld, evenals
dat vroeger was geschied, ten nutte van de geliefde gewesten zou
worden besteed. Na het eindigen dezer rede gingen de Staten uiteen,
om volgens oud gebruik die bede te overwegen en op den volgenden dag
deelde elk gewest afzonderlijk zijn antwoord mede.

De Staten van Artois waren de eerste, die hun besluit moesten
voorlezen. In navolging van de rede van hun souverein spraken ze in
niet minder sierlijke woorden van hun innige verknochtheid aan hun
vorst; ze beloofden tevens plechtig, zoover hun aandeel betrof, de
nieuwe bede op te brengen. Filips had hen onder al die vleiende woorden
glimlachend aangekeken, maar op hetgeen aan het slot werd vermeld, had
de koning niet gerekend. De Staten toch eindigden met Zijne Majesteit
ernstig te verzoeken, als vergoeding voor hunne bereidvaardigheid,
onmiddellijk de Spaansche troepen uit de Nederlanden te verwijderen.

Bij deze onverwachte wending in de toespraak van de afgevaardigden
verdween niet alleen zijn glimlach, maar toonde de vorst zich diep
beleedigd. De Staten der andere gewesten volgden, maar verzochten
niet als die van Artois de verwijdering der vreemde troepen, doch
stelden dit vertrek als voorwaarde voor het verleenen van de bede.

Behalve de antwoorden der afzonderlijke Staten werd nog voor het
uiteengaan der vergadering een afzonderlijk formeel protest in naam der
Staten-Generaal aangeboden, onderteekend door den Prins van Oranje,
Egmond en vele andere Nederlandsche edelen. In dit protest werd de
zaak bij den rechten naam genoemd, werd gewezen op de rooverijen en
uitspattingen van het "Spaansche ongedierte" en bovendien met nadruk
aangedrongen de belangen van den Staat niet aan vreemdelingen, doch
zooals van ouds, aan inboorlingen over te laten.

Was Filips door de antwoorden der Staten reeds ten diepste beleedigd,
de aanbieding van het laatste verzoekschrift deed de maat bij hem
overloopen. Woedend stond hij op, verliet de vergadering onder het
uiten der woorden: "Of ze hem die ook een Spanjaard was, niet mede
het land wilden doen ruimen."

Voor het eerst had men zich in de noordelijke gewesten openlijk tegen
den Spaanschen koning verzet en Oranje, die zooals we zagen, het
stuk mede onderteekend had, was blijkbaar bij deze gelegenheid de man
geweest, die de leiding had gehad. Vandaar, dat het niet vreemd is,
dat men het volgend voorval vermeld heeft, al was het alleen maar
om uitdrukking te geven aan de algemeene opinie, dat de Prins van
Oranje de hoofdleider van die beweging in de zaak van het Spaansche
krijgsvolk is geweest.

Toen alle toebereidselen voor het vertrek van Filips gemaakt waren,
vertrok de koning naar Vlissingen, vanwaar de vloot naar Spanje
zou uitvaren. Onder de aanzienlijksten van deze gewesten, die hem
uitgeleide deden, behoorde ook de Prins van Oranje. Het afscheid
was zeer hartelijk; Filips omhelsde de edelen, doch zich tot den
Prins van Oranje keerende, verweet hij hem bitter de houding door
de Staten tegenover hem aangenomen. De Prins verontschuldigde zich,
zei dat alles langs regelmatigen weg was geschied en het niet zijne
beslissing, doch die van de Staten was geweest, waarop Filips den
Prins verontwaardigd bij den arm greep en uitriep: "No los estados,
ma vos, vos, vos!" "Niet de Staten, maar gij, gij, gij!"

De Prins van Oranje zou na deze openlijke beleediging zich niet aan
boord van 's konings schip hebben begeven, maar zich vergenoegd hebben
hem van den wal af een goede reis toe te wenschen!

Hoewel het verhaal niet geheel betrouwbaar is, kan het als bewijs
dienen hoe de tijdgenooten dachten over het aandeel, dat de Prins in
het verzet had en hoe ze hem als de ziel der beweging beschouwden.

Den 26en Augustus 1559 ging de vloot, uit negentig schepen bestaande,
te Vlissingen onder zeil en bracht den koning na een zeer stormachtige
reis behouden naar Spanje.

Wel had hij beloofd binnen drie of vier maanden de vreemde soldaten uit
het land te zenden, bij welke belofte zich de Staten hadden neergelegd,
maar het duurde nog tot 1561, eer het geschiedde. De Prins van Oranje
en Egmond werden met het opperbevel over de Spaansche regimenten
belast, doch eigenlijk voerden Romero en Mendoça het bevel. Oranje
en Egmond leenden alleen hun naam.

Dat deden ze ook bij het lichaam van den Raad van State. Ten einde
hun houding daarin, vooral die van Oranje, te begrijpen, is het
noodig, eenigszins van naderbij de regeeringslichamen te beschouwen,
die in werking waren bij het vertrek van Filips. De landvoogdes werd
bijgestaan door de drie Raden, die van 1531 af reeds onder Karel V
waren ingesteld, namelijk de Raad van State, die van Financiën en de
Geheime Raad. De beide laatsten waren onmisbare werktuigen voor de
regeering. Aan het hoofd van den Raad van Financiën stond Barlaimont;
aan dat van den Geheimen Raad, die zich met de administratie van
recht en wet ophield, was Viglius geplaatst. De Raad van State moest
op den algemeenen gang der regeering invloed uitoefenen; in zaken
van oorlog en vrede, van landsverdediging en rustbewaring moest die
Raad, uit de aanzienlijksten van het land samengesteld, de landvoogdes
voorlichten. Uit Nederlanders samengesteld, moest hij aan het volk ten
waarborg strekken, dat, wie ook landvoogd wezen mocht, de strekking der
regeering niet anti-nationaal zou wezen. De landvoogdes Maria echter
vond reeds in dien Raad een te groote beperking van haar eigen gezag,
en Granvelle, die bij Filips' vertrek door hem aan Margareta was
aangewezen als haar raadgever en die in alle drie Raden zitting had,
wist Margareta van Parma te overtuigen, dat ze niet beter kon doen,
dan Maria's voorbeeld te volgen en zoo weinig mogelijk den Raad van
State te raadplegen. Hij kon niet opgeheven worden, maar hij werd een
bloot sieraad, dat aan de regeering een nationalen glimp moest geven.

In dat lichaam, in oorspronkelijke bedoeling zoo veelbeteekenend,
maar afgedaald tot den rang van versiering, werd ook Oranje met Egmond
gekozen. Wel begrijpende dat zij, daarin zitting nemende, alleen als
instrument zouden dienen, begonnen ze met voor die eer te bedanken,
doch daar Filips hun een belangrijk geschenk in geld gaf, namen ze
de benoeming aan, op voorwaarde, dat ze dan ook werkelijk zouden
worden geraadpleegd. Ras ontdekten ze, hoe ze bedrogen waren, want
Granvelle, Viglius en Barlaimont overlegden eerst alles in de Consulta,
en brachten slechts in den Raad van State wat zij goedvonden. We
zullen nader zien, hoe onder tal van andere rechtmatige grieven, de
miskenning die Oranje in den Raad van State ondervond, den doorslag
tot zijn verzet heeft gegeven.



De verschillende gewesten werden onder stadhouders gebracht. Holland,
Zeeland en Utrecht kwamen onder het stadhouderschap van den Prins van
Oranje, gelijk Vlaanderen en Artois onder dat van Egmond; Gelderland en
Zutfen onder dat van Meghen; Friesland, Groningen en Overijsel onder
dat van Aremberg, enz. Het was dientengevolge de eerste taak van den
Prins, de staten van zijn bestuur samen te roepen en er voor te zorgen,
dat zij voorzieningen zouden treffen om hunne quota's (aandeelen
in de belasting) te voldoen. Te midden van deze bezigheden kwam er
een oproeping tot hem, om aanwezig te zijn bij de kroning van den
nieuwen koning van Frankrijk, Frans II, te Reims. In die dagen schreef
Margareta den Prins uit Brussel op den 13en September het volgende:


    "De weg, dien gij hebt ingeslagen, om de Hollanders te
    overreden, schijnt zeer goed geweest te zijn.... Ik zou
    liever gezien hebben, dat de Franschen u thans maar niet
    hadden opgeroepen, want ik heb voor het tegenwoordige uwe
    diensten zeer noodig. Men geeft mij echter de hoop, dat uw
    verblijf in Frankrijk van korten duur zal zijn."


Margareta beveelt verder Oranje ten krachtigste aan, in Frankrijk zijn
invloed aan te wenden, dat men zich haasten zal met de restitutiën, bij
den vrede bepaald; dan zal men ook van de zijde van den Spaanschen
koning alles aanwenden, om hetzelfde te doen. Ook stelt zij in
dat schrijven voor, in zoo verre eene verandering te brengen in de
plaatsing van de gehate Spaansche troepen, die onder commando (?) van
Egmond en Oranje waren gesteld, dat die naar de grenzen van Luxemburg
en Henegouwen zouden vertrekken.

In Reims volbracht de Prins zijne zending. Op 15 October 1559 was hij
in Brussel terug en daar ontving hij de droevige tijding, dat zijn
vader, graaf Willem van Nassau, den 6en October op den leeftijd van
72 jaar was gestorven. Bijna zijn geheele leven had Oranje, van zijn
vader verwijderd, doorgebracht en onder invloeden, die wel in staat
waren, een jongmensch van ouderlijke invloeden te vervreemden. Bij
den Prins was dit, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen,
niet het geval geweest. Bij de aanvaarding der erfenis van Chalons, had
Willem van het grootste deel van zijn erfgoed in Nassau afstand gedaan
en alleen ter wille der titels een zeker recht op de voorvaderlijke
kasteelen behouden. Nu werd hij natuurlijk het hoofd der familie en
als zoodanig ontving hij alle eer en onderscheiding aan het hoofd
der Nassau's verschuldigd; maar de Duitsche landen vielen terecht
aan zijne broeders ten deel, die op Duitschen bodem waren gebleven.






HOOFDSTUK V.

FAMILIEBETREKKINGEN. HUWELIJK MET ANNA VAN SAKSEN. 1559-1561.


Gedurende het eerste tiental jaren van het verblijf van Oranje
in de Nederlanden, schijnt alle omgang tusschen den Prins en zijn
betrekkingen te zijn vermeden; van briefwisseling zelfs is in die
dagen geen sprake. Wie zal het zeggen, of Karel V, die den Prins
aan zijn hof liet opvoeden, dat niet uit vrees voor het geloof van
Oranje's ouders heeft verboden. In 1556 vinden we echter, gelijk we
vroeger zagen, Lodewijk van Nassau in de Nederlanden, dienende onder
de bevelen van Oranje. Daarna vertoefden ook andere zijner broeders en
zusters aan zijn hof, zoodat er een nieuwe aanraking met het ouderlijk
huis scheen gekomen.

Een jaar later werden door hem te Frankfort familiezaken met zijn
vader geregeld en ook in 1558 vinden we den Prins te Dillenburg,
waar hem het bericht bereikte van de ziekte zijner eerste vrouw.

Wij kunnen ons voorstellen, hoe die toenadering vooral naar het hart
van de vrome Juliana van Stolberg was. Had Willem de Oude het nooit
zoo diep met de Hervorming opgenomen, reeds zeer vroeg was Juliana,
niettegenstaande haar vader en moeder aan de katholieke leer getrouw
bleven, door de opvoeding van haar oom, graaf Eberhard von Königstein,
een ijverige aanhangster der nieuwe leer geworden. Mildheid van
opvatting had zij zeker wel geleerd tijdens haar eerste huwelijk
met Filips van Hanau, die met groote nauwgezetheid aan de oude
kerkgebruiken vasthield; ook als zij in Hanau's kerkgebouw, onder het
gehoor van een Lutherschen prediker, een ander deel der Hanausche
bevolking in hetzelfde kerkgebouw naar de mis zag gaan. Toch kan
het niet anders dan met weemoed zijn geweest, dat zij haar oudsten
zoon uit haar tweede huwelijk, ter wille van de erfenis van Réné,
aan Karel V en aan het oud geloof moest afstaan.

Welk een vreugde moet het dan ook voor de moeder zijn geweest, toen
zij na den afstand van Karel V, van de zijde van dien bijna verloren
gewaanden knaap toenadering (ik zeg niet tot haar geloof), maar tot
het ouderlijk huis ontdekte.

Zeer angstvallig kon ze zich uiten over het katholieke geloof van
den Prins en over de vrees van besmetting harer andere kinderen,
die in de omgeving van haar zoon leefden. De begrafenis van Anna van
Buren gaf Juliana groote bekommernis; ze vreesde zelfs, dat haar zoon
Lodewijk daarbij zou moeten tegenwoordig zijn en zeer verheugd was ze,
toen haar werd meegedeeld, dat het "Frauenvolk" niet behoefde mee te
gaan. "Ik zou zelfs wel wenschen," schrijft ze, "dat de Prins zelf ook
niet tegenwoordig was bij die dingen, welke zoo tegen God strijden."

Juliana was een merkwaardige vrouw, een hoogst ernstige moeder, die
zich altijd bleef wijden aan het geluk van al de haren. Zij werd
door de kinderen als het middelpunt aller vereering beschouwd; ze
kweekte bij hen een onverstoorbare eenheid en aanhankelijkheid aan,
eigenschappen, die later van het hoogste gewicht zijn geworden voor
de bevrijding der Nederlanden, waaraan de meesten van haar zonen hun
leven en hun bloed gewijd hebben.



Dringende staatszaken hielden den Prins tot zijn innige droefheid van
de begrafenisplechtigheid zijns vaders terug, doch aan hartelijke
uitingen, later door daden gevolgd, is in de brieven van die dagen
geen gebrek. Hij erkent, dat het thans een heilige plicht voor hem is
geworden, in de voetstappen van den afgestorvene te treden en belooft
zijn moeder, die nog meer dan 20 jaren na den dood van haar man als
de hoogvereerde stammoeder aan het hoofd van haar huis bleef staan,
dat hij voor zijn broeders en zusters een tweede vader zal wezen.

Hiervan geeft hij al dadelijk een bewijs door den echt hartelijken
brief, dien hij naar aanleiding van het overlijden van zijn vader aan
zijn broeder Lodewijk zendt. Na zijn droefheid te hebben uitgedrukt
over het heengaan van hun goeden vader, spoort hij Lodewijk aan met
de andere broers en zusters in de voetstappen te treden van hun vader,
want dan, zegt hij, zal de goede naam van ons huis niet verloren gaan,
maar nog beter worden.

In overeenstemming en liefde te leven, noemt hij als voornaamste
hulpmiddel daartoe en van zijn kant geeft hij de verzekering hierin
te zullen voorgaan. Zoo aardig zegt hij aan het slot: "Laat ons
buitendien toezien, dat wij onze moeder voor de verplichting, die we
jegens haar hebben, bijstaan, haar dienen en aangenaam zijn in al wat
wij vermogen. Dan doet gij slechts uw plicht en verricht een dienst
welbehagelijk in de oogen van God, een zaak, die u uw gansche leven
tot eer strekken zal."

In een postscriptum van dien brief, welke 15 October uit Brussel was
verzonden, doelt Oranje nog op een reis, die de graaf van Schwartzburg,
zijn aanstaande zwager, met Lodewijk zou maken.

Deze reis hield verband met een huwelijksplan van Oranje met Anna
van Saksen, eenig kind en erfgename van Maurits van Saksen, den
beroemden bestrijder van Karel V. Zij was de kleindochter van Filips
van Hessen. De geschiedenis van dit tweede huwelijk, op zich zelf niet
zoo'n gewichtige gebeurtenis, heeft door hetgeen er ten onrechte door
velen aan verbonden is, een plaats in het leven van den Prins gekregen,
veel belangrijker, dan ze eigenlijk verdiende.

Men heeft er zijn geheele verandering van staatkunde en godsdienst
op gebouwd en zelfs tengevolge daarvan, lijnrecht tegen de waarheid
in, dit tweede huwelijk beschouwd als de oorzaak van Willems opstand
tegen Filips II.

Tot aan dit huwelijk, zoo beweren tal van geschiedschrijvers, was de
Prins een geloovig zoon der kerk en een getrouw onderdaan van Filips
II. Door den invloed zijner tweede vrouw is hij van de moederkerk
vervreemd en tot opstand tegen den Spaanschen koning aangezet. Zelfs
wordt Anna van Saksen voorgesteld als een andere Helena van onzen
Trojaanschen oorlog. Niets kan verder van de waarheid verwijderd zijn.

"De afval van de moederkerk, de opstand tegen Spanje is zoo weinig aan
den invloed van deze Anna te danken, dat juist denzelfden tijd, waarin
Oranje aan Filips de gehoorzaamheid opzegde, hij met zijn vrouw (door
haar schuld) in de meest volslagen onmin leefde; dat op het oogenblik,
toen hij goed en bloed ging wagen, zij haren gemaal opofferde en met
den koning van Spanje tegen hem ging onderhandelen. Ja zelfs toen de
kreet van vrijheid door Nederland weergalmde en de algemeene roepstem
den Prins aan het hoofd der beweging geplaatst had, zuchtte Anna
(als verdiende straf voor haar misdadig leven) in den kerker."

Anna van Saksen was een hartstochtelijke, zinnelijke vrouw; zij
heeft geenerlei invloed op Oranje uitgeoefend, alleen misschien in
zoover zij door haar ellendig gedrag en door de bittere ervaringen,
die de Prins van haar had, zijn gemoedsleven heeft verrijkt.

In een levensgeschiedenis van den Prins is het dus wel noodzakelijk
alles uitvoerig na te gaan wat met dit huwelijk in verband staat. Hoe
werd Anna zijn bruid en welke gebeurtenissen zijn uit dat huwelijk
voortgevloeid?



Na de beide mislukte huwelijksplannen, waarvan vroeger gesproken is,
eerst met Madame de Touteville en daarna met Renée van Lotharingen,
vermeed Willem van Oranje, bij het kiezen van een derde bruid,
vreezende voor eene hernieuwde tegenwerking van den koning en van
Granvelle, dezen in vertrouwen te nemen, voordat de zaak goed en wel
haar beslag had. Dezen keer wendde hij zijn blik naar Duitschland. Wij
zeiden het reeds, Anna was de dochter van den beroemden keurvorst
Maurits van Saksen, den overwinnaar van de Smalkaldische ligue bij
den slag bij Mühlberg, die daarna de vijand werd van Karel V en
den keizer tot het verdrag van Passau dwong, dat tot den voor de
Hervormden zoo voordeeligen vrede van Augsburg leidde. Maurits zelf
was in 1553 gestorven; zijne weduwe hertrouwde met Jan Frederik van
Saksen en zijn eenige dochter werd in Dresden aan het hof van haar
oom, Augustus, opgevoed, die Maurits als keurvorst was opgevolgd,
doch die niet in de schaduw kon staan van zijn dapperen broeder. Hij
was een kleingeestig, schraapzuchtig en flauwhartig man. Vooral de
tweede genoemde ondeugd maakte hem geneigd het oor te leenen aan
het aanzoek van den Prins van Oranje om de hand van zijne nicht en
pleegdochter. Geen huwelijk van haar met een der Duitsche vorsten
kon voordeeliger zijn; ja, zelfs hare verwijdering van den Duitschen
bodem vond Augustus voor zijn eigen veiligheid zekerder. De rijkdom
van den Prins gaf in zijn gedachten den doorslag. Wat beteekenden
toch de 35.000 rijksdaalders, die waren aangewezen als bruidsschat
van Anna o.a. bij de 70.000 gulden jaarlijksch inkomen, die de Prins
aan zijne kinderen uit dezen echt verzekerde? In weerwil van allen
tegenstand dreef de keurvorst dus die verbintenis met kracht door.

Want er waren vele bezwaren. En zelfs de grootvader der bruid heeft
niet opgehouden, ze als onoverkomelijk te doen gelden. Die grootvader
was Filips van Hessen. Wie zich de veete herinnert, waarvan vroeger
in den breede gesproken is, die er tusschen de graven van Hessen
en van Nassau bestond, eene veete, die reeds van de Middeleeuwen af
dagteekende en die sedert het proces Catzenellenbogen, door Willem den
Oudere tegen Hessen jarenlang gevoerd en grootendeels ten voordeele
van Nassau beslist, niet was verminderd, kan zich licht den wrevel
van Filips van Hessen verklaren over dit voorgenomen huwelijk. Daarbij
was Willem van Oranje de vertrouweling en geliefde beschermeling van
Karel V geweest en kan het wel anders, of de naam van den ouden keizer
klonk steeds in de ooren van den grijzen landgraaf als een sombere
herinnering aan zijn jarenlange gevangenschap na den slag bij Mühlberg.

Wat Filips van Hessen echter het meest in den persoon van den
Prins hinderde, was zijn katholiek geloof. Dat was voor den vurig
ijverenden Protestantschen landgraaf een ergernis zoo groot, dat
hij die onoverkomelijk achtte. 's Prinsen volgen van alle Roomsche
gebruiken, zijn bijwonen van de mis (gelijk nog onlangs toen hij in
Frankfort was), zijne onthouding van vleeschspijzen op vastendagen
en zoo meer--het waren alle gemoedelijk en eerlijk gemeende bezwaren
van Filips van Hessen tegen den bruidegom.

Men heeft het wel doen voorkomen, alsof die bezwaren niet zoo oprecht
gemeend waren en beweerd, dat Filips van Hessen daarom zoo tegen dit
huwelijk was, omdat hij een zijner eigen dochters met Oranje wilde
doen huwen en in dat geval niet zoozeer tegen den overgang zijner eigen
dochter tot de R. K. Kerk zou geweest zijn. Maar dit is een laaghartige
beschuldiging, door geen enkel historisch bewijs gestaafd. Toch hangt
dit verhaal niet geheel in de lucht. Het is een legende, voortgevloeid
uit een gesprek van Filips van Hessen met den graaf van Schwartzburg,
die Oranje's belangen bij den grootvader der bruid kwam verdedigen. Bij
die gelegenheid gaf de oude landgraaf zoo kras zijn onwil te kennen,
om zijn goedkeuring te hechten aan Oranje's huwelijk met zijn nicht,
dat hij zeide nog liever zijn eigen dochter aan Oranje als bruid te
willen geven dan de dochter zijner dochter. Men gevoelt, dit zeggen
staat niet gelijk met de aanbieding van de hand zijner dochter, maar
was eenvoudig een krasse manier van spreken, om zijn onwil uit te
drukken. Wat er overigens op Filips den Grootmoedige is aan te merken,
zijne weigering vloeide voort uit den ijver voor zijn geloof. Toch
heeft die weigering het tot stand komen van het huwelijk, jammer
genoeg, niet belet.

De bruid in quaestie was bij de eerste ontmoeting van den Prins van
Oranje zeer met hem ingenomen en zelfs hartstochtelijk op hem verliefd
geraakt. "Daar is geen ader in mijn lichaam," zei ze onder meer,
"die niet voor hem klopt. Wensch hem duizendmaal goedenavond en zeg
hem, dat hij er wel aan denke, dat ik hem nooit zal vergeten, al zou
het ook de geheele wereld leed doen," zoo sprak ze tot den graaf van
Schwartzburg, die Willems bemiddelaar was in deze zaak.

Het scheen wel, alsof haar eigenzinnigheid, die haar later tot zoo
diepen val heeft gebracht, ook in deze aangelegenheid haar voornaamste
raadsvrouw was. Door al de tegenwerking, die zij ondervond, werd haar
welgevallen in den Prins van dag tot dag grooter.

Of de bruidegom ook zoo hartstochtelijk was, mag betwijfeld
worden. Voor den Prins was dit tweede huwelijk bovenal een staatkundig
huwelijk. Anna's uiterlijk was alles behalve bekoorlijk; zij was
integendeel leelijk, ging mank en was een weinig misvormd. Maar
eendeels de verwantschap met Saksen en Hessen, anderdeels de
begeerte om buiten invloed van den koning van Spanje en Granvelle,
na herhaaldelijk door hen te zijn tegengewerkt, een huwelijk te
sluiten, prikkelden den Prins zeer. Daarbij viel ze hem bij de eerste
ontmoeting niet tegen, zoodat van zijne zijde alles gereed was, mits
hij, hetgeen toch eindelijk geschieden moest, slechts de toestemming
van zijn landheer, den koning van Spanje, kon verwerven. Ten einde
die te verkrijgen, het kan niet ontkend worden, heeft de prins een
tamelijk dubbelzinnige rol gespeeld. Al zijne diplomatie was noodig,
om Filips te winnen voor zijn huwelijk met een kettersche vorstin,
die daarbij de dochter was van den grootsten vijand van Filips'
vader. Door middel van Granvelle heeft hij den natuurlijken weerzin des
konings overwonnen. Hij trachtte dezen te overtuigen, dat het in het
rechtstreeksch belang van den koning zou zijn, indien hij hem door zijn
huwelijk het bondgenootschap van Duitsche vorsten kon verzekeren. En
wat den godsdienst aangaat, daaromtrent behoefde Filips zich niet te
verontrusten; hij zelf (de prins) wilde alleen den waren katholieken
godsdienst bevorderen, de koning kon zich daarop geheel verlaten.

Omstreeks dienzelfden tijd schreef de Prins een onderdanigen brief aan
den Paus over de "pest der ketterij," die hij in zijn prinsdom Oranje
hoopte te vernietigen en raadpleegde hij met Granvelle over de beste
middelen, om dit doel te bereiken. Den keurvorst Augustus van Saksen
bracht hij in den waan dat hij zelfs een geheim voorstander van het
Protestantisme was en tegenover Filips getuigde hij van den katholieken
godsdienst als van den "waren godsdienst". Aan Filips verzekert hij,
dat Anna van Saksen in de Nederlanden als een "katholieke" leven zal
en aan Augustus wordt beloofd, dat zijne aanstaande vrouw in hare
vertrekken een Evangelische preek zou kunnen hooren!

Er zouden inderdaad geene woorden te vinden zijn, scherp genoeg, om die
huichelarij te brandmerken, indien wij bij den prins in dat tijdvak
van zijn leven eenig godsdienstig gevoel aantroffen. Dat was in die
dagen kort en goed in het geheel niet 't geval. Hij moge ook toen
reeds beseft hebben, dat er eerlijke en oprechte menschen bij beide
eerediensten te vinden waren, zelf was hij, gelijk zijn meeste vrienden
uit die dagen, wier leven opging in aardsche belangen, ontbloot van
alle gevoelens, die godsdienstig genoemd kunnen worden. Waarneming
van kerkelijke plichten behoorde nu eenmaal tot de vormen van het
leven; daarom onttrok hij zich ook niet, maar zijn hart was er niet
bij. Was dat wel het geval geweest, dan zou het spelen met de heiligste
geloofsovertuigingen van anderen, gelijk hij in deze aangelegenheden
deed, nog meer ten zijnen nadeele moeten worden uitgelegd. Hoe weinig
ware levensernst bij den Prins in deze geheele huwelijkszaak in het
spel was, blijkt o. a. uit het lichtzinnig antwoord, dat hij aan de
keurvorstin gaf, toen deze haar vrees nog eens te kennen gaf over
pogingen, die Oranje misschien zou aanwenden, om zijn vrouw roomsch
te maken. Toen luidde zijn woord: "Hij zou haar niet vermoeien met
de melankolieke quaestie van den godsdienst. Hij zou haar Amadis de
Gaule en andere Spaansche ridderromans laten lezen en haar de gaillarde
leeren dansen." Of de Prins later nimmer berouw heeft gehad over deze
lichtzinnigheid, toen hij de gevolgen van die opvoeding in zijn eigen
huiselijk leven ondervond? Ongetwijfeld. Als schakel in de keten van
zijn karakterontwikkeling hebben wij vrede met deze levensfase--maar
de schakel zelf is niet te idealiseeren. Daar het echter een punt is in
de levensgeschiedenis des Prinsen, van te groot gewicht voor de kennis
van zijn persoonlijkheid, moeten we nog nader bij de preliminairen van
dat huwelijk stilstaan en hem zoo getrouw mogelijk volgen op den vrij
langen weg, die tot de voltrekking van dezen tweeden echt leidde. De
zaken van algemeen belang, die in dienzelfden tijd plaats hadden,
kunnen, voor zoover ze in verband staan met het leven van Oranje,
in het volgend hoofdstuk hunne plaats verkrijgen.



In October 1559 deed Lodewijk van Nassau, die toen reeds het volle
vertrouwen van den Prins genoot en die de natuurlijke tusschenpersoon
van den Prins en de Luthersche vorsten in Duitschland was, de eerste
formeele openingen voor dit huwelijk ten behoeve van zijn broeder. Zijn
voorstellen werden gevolgd door een bijzondere zending naar Dresden
van den graaf van Schwartzburg en George von Holl, denzelfden overste,
dien we ook vroeger leerden kennen. In April 1560 verkreeg de Prins
van Margareta de vergunning, naar Duitschland te gaan, ten einde
de nalatenschap van zijn overleden vader te regelen. Hij ging er
in Mei heen en was slechts eenige weken afwezig, maar had in dien
tijd een samenkomst met keurvorst Augustus te Deventer, waar zij de
huwelijkszaak bespraken, maar tot geene overeenstemming kwamen, die
trouwens moeilijk was. Oranje kon Filips van Spanje niet beleedigen,
door te veel te beloven en Augustus was bevreesd, om Filips van Hessen
te negeeren. In November 1560 werd het huwelijk voltrokken tusschen
graaf Schwartzburg en 's Prinsen zuster, Catharina van Nassau; ook
toen ging Oranje naar Duitschland om als hoofd van het huis Nassau
daarbij op te treden.

Sedert de samenkomst te Deventer was zijn eigen huwelijksplan hangende
gebleven. De oude landgraaf bleef zijn toestemming onthouden en
schreef talrijke brieven, om zijn redenen uiteen te zetten. Na het
huwelijk van zijn zuster ging Oranje naar Dresden, waar hij tien
dagen bleef en trouw de Luthersche kerk bezocht. Dat bezoek behoeft
niet als dubbelzinnig te worden aangemerkt, maar kan alleen als een
beleefdheid beschouwd worden, aan de familie zijner bruid bewezen. Het
was bij dat bezoek, dat de Prins den gunstigen indruk op Anna maakte,
die reeds vermeld werd.

Anna was toen in haar 17e levensjaar; ze was namelijk in 1544
geboren. Wij zeiden reeds, dat ze hoogst eigenzinnig was en zeer
moeilijk te leiden, een eigenschap trouwens, die zij niet van vreemden
had--want èn haar grootvader van moederszijde, Filips van Hessen, èn
haar vader, Maurits van Saksen, waren beide eigenzinnige mannen. Wat
echter bij dezen tot iets grootsch leidde, maakte de vrouwelijke
nakomelinge trotsch, ijverzuchtig en onhandelbaar. Zij wilde schitteren
in hooger rang, dan haar plaatsing aan het Saksische hof haar schenken
kon. Vandaar dat haar verbeelding geprikkeld werd door Oranje's plaats
aan het Bourgondische hof, het schitterendste van Europa. Toen hij
persoonlijk in Dresden kwam, werd zij geheel en al bekoord door zijn
hoffelijke manieren, die veel beschaafder waren dan die der Duitsche
edelen. De gracieuse toespraken van den hoveling klonken welgevallig
in de ooren van het jonge meisje, dat niet gewoon was aan sierlijke
spraakwendingen en zij begeerde van dat oogenblik af met al de kracht
van haar eigenzinnige en ongebreidelde natuur dit huwelijk.

Of de Prins eveneens van haar bekoord was, is een andere vraag;
ze viel hem niet tegen, meer wordt er niet van den indruk, door hem
ontvangen, gezegd. Maar de verbintenis kwam hem te pas en al miste
Anna dan ook schoonheid, zij had andere eigenschappen, die hij voor
zijn bruid nog van meer gewicht achtte. Op zijn terugkeer naar huis
schreef Oranje aan Granvelle, (met wien hij in die dagen op zulk een
intiemen voet verkeerde, dat hij na een reis in Brussel terug komende,
vaak eerst bij den kardinaal afstapte, voordat hij naar huis ging),
dat zijn bezoek een goeden uitslag had gehad, al meende Augustus dat
de bruiloft wel niet voor den Bartholomeusdag zou kunnen gevierd
worden, omdat er nog zooveel te doen was. Het struikelblok was de
toestemming van den landgraaf geweest, maar de keurvorst Augustus van
Saksen had nu besloten, onafhankelijk van die toestemming te handelen,
daar hij alleen beloofd had, den landgraaf Anna's huwelijk mede te
deelen. Wat den Spaanschen Filips aanging, die had op Oranje's brief
van 7 Februari 1560 geantwoord, dat zijne zuster die zaak beter zou
kunnen beoordeelen dan hij.

Gedurende de daarop volgende maanden besprak Granvelle af en toe
het onderwerp in zijn brieven met Filips en voegde er altijd bij,
dat hij hoopte, dat het plan niet zou doorgaan; want al had de Prins
zeker allen schijn van een katholiek, men kon nooit weten, wat iemand
onder vreemde invloeden zou doen enz. Na het bezoek in Dresden,
schreef Oranje wederom aan Filips en kondigde daarbij eenvoudig zijn
huwelijk aan. Hij vroeg geen vergunning, maar gaf alleen kennis van
zijn aanstaande verbintenis, zooals hij moest doen tegenover een man,
jegens wien hij verplichting had.

De brief met Filips' antwoord aan Oranje is niet bewaard, maar wel een
brief aan Granvelle, waarin hij zijn teleurstelling uitdrukt, dat het
huwelijk niet is afgesprongen. Toch gaf hij daarin zijn zuster verlof,
er in toe te stemmen, als er niets aan te doen was, daarbij voegende:
"Ik begrijp werkelijk niet, hoe de Prins kan huwen met de dochter
van iemand, die zoo tegen Zijne Majesteit den keizer is opgetreden,
als hertog Maurits deed."

Ondertusschen had Oranje met volharding geweigerd, een geschreven
overeenkomst te teekenen omtrent de toekomstige godsdienstige
gebruiken, die Anna zou in acht nemen. Hij verzekerde den bisschop,
de regentes en den koning, dat zijn vrouw zou leven als een
"Katholieke." Aan Filips van Hessen wilde hij geen ander onderpand
geven, dan de algemeene verzekering, dat hij de belangen zijner vrouw
zou behartigen. Met Augustus behandelde hij de zaak tamelijk licht,
als tusschen menschen van de wereld en aan diens echtgenoote, die
zich de quaestie van den godsdienst meer aantrok, antwoordde hij op
schalkschen toon hetgeen we reeds vermeldden van Amadis de Gaule en
van de gaillarde.

De kern der zaak is deze, dat Oranje op zeer diplomatieke manier
handelde en dat het alleen van het gezichtspunt afhangt, waar
men meent, dat de diplomatie ophoudt en de huichelarij begint. Van
persoonlijk godsdienstig gevoel was geen sprake, maar zeer duidelijk
komt zijn hardnekkige onafhankelijkheid in deze quaestie aan den
dag. Hij was bereid de zaak in een aangenaam licht te plaatsen voor
Filips van Spanje, maar hij smeekte hem niet om zijn toestemming. Zijn
eisch om de Spaansche troepen te verwijderen was zijn eerste daad
van onafhankelijkheid, het Saksisch huwelijk was zijn tweede, die
zeer spoedig door onafhankelijke daden, tot een andere orde van zaken
behoorende, zou worden gevolgd. Nochtans verlangde hij Filips' gunst
niet te verliezen en weigerde hij beslist eenig document te teekenen
betreffende Anna's waarnemen van godsdienstplichten, zooals Augustus
van hem hoopte te verkrijgen, om zich in de oogen zijner Duitsche
stamgenooten te rechtvaardigen.

De reis van den Prins naar Dresden heen en weer gaf aanleiding tot
veel banketeeren en vroolijkheid, waarbij de wijn en het bier niet
werden gespaard. Toen Oranje den keurvorst schreef, om hem voor zijn
ontvangst te danken, zei hij, dat hij en zijne vrienden zoo dikwijls
op Augustus' gezondheid hadden gedronken, dat ze er nog de kwade
gevolgen van bemerkten. In Januari schreef hij aan Schwartzburg,
dat hij "behouden in Breda was teruggekeerd, al hadden ze het ook
onderweg bont gemaakt, zooals gij reeds in den breede van uw broeder
Hans Gunther zult vernomen hebben....."

"Ik verzeker U, dat ik mij hier erg eenzaam gevoel; ik kan de goede
sier niet vergeten, die gij ons hebt bezorgd. Ik zou wel weer bij U
verlangen te zijn, zoowel om Uwentwille, als omdat ik mij dan dichter
bij "Fraielle (Fräulein) Ainge" (Anna) zou bevinden. Ik ben nog niet
aan het hof geweest, daar ik genoodzaakt was een reis naar Holland
te doen, zoodat ik geen nieuws weet."

Die bedoelde reis naar Holland geschiedde op Margareta's verzoek, om
geld van de Staten te krijgen. De harde vorst en daarop volgende dooi
maakten het reizen moeilijk en de strengen van de beurs der Staten
waren ook bevroren. Ze waren alleen bereid een zekere som te geven
op hun eigen voorwaarden, waartegen de regentes weer bezwaren had,
zoodat de taak van den stadhouder om verzoening tot stand te brengen,
geen sinecure bleek.

Op den 2en Maart schreef de oude landgraaf een beleefden en
uitvoerigen brief aan Oranje, hem nader uiteenzettende, waarom het hem
onmogelijk was, het huwelijk van Anna toe te staan. Behalve dat de
godsdienstquaestie onoverkomelijk was, kon hij ook niet goedvinden,
dat, daar Oranje's kinderen uit het eerste huwelijk noodzakelijk den
voorrang hadden, de te wachten kleinkinderen van den grooten keurvorst
een tweede plaats zouden innemen. Maar het was reeds bepaald, dat men
zich ontslagen zou rekenen van de toestemming van den ouden grootvader,
toen het duidelijk was geworden, dat men hem die nooit zou kunnen
afpersen; ook zonder Filips van Hessen werden de voorbereidingen voor
het huwelijk dus voortgezet.

In Maart verzoekt Oranje zijn broer Lodewijk, namens hem naar
den keurvorst Augustus te gaan om dezen de bedoeling van den Prins
inzake den godsdienst mondeling mee te deelen. Aan Fräulein Anna moet
Lodewijk de groeten overbrengen, haar bedanken voor de brieven en
tevens waarschuwen voor de moeilijkheden, die men nog in den weg zou
kunnen leggen. Mochten de menschen probeeren haar tot andere gedachten
te brengen, dan zal geen beter antwoord zijn, schrijft Oranje: "Waar
God wil, dat deze zaak tot een goed eind komt, daar zullen wij het
samen wel eens worden."

Aan het slot van den brief vertelt hij Lodewijk, dat hij een prachtigen
speurhond heeft gekregen, wit als sneeuw en dat hij een reiger heeft
geschoten, wiens vlucht een kwartier lang steeds stijgende duurde. Voor
Lodewijk een bericht om van te watertanden, want als de tijd van de
jacht was aangebroken, kon hij nauwelijks zijn ongeduld bedwingen een
uitstapje naar Brussel te maken en met zijn broeder de genoegens van de
valkenjacht in de Brabantsche of Luxemburgsche jachtvelden te smaken.

Lodewijk was altijd een getrouw afgezant en Anna bleek een zeer
bereidvaardige leerling te zijn, want zij schreef kort en goed aan
den Prins, na melding gemaakt te hebben van de pressie, die haar
grootmoeder op haar wilde uitoefenen; "Mijne gevoelens jegens Uwe
Hoogheid zijn dezelfde, als ik U laatst schreef en daar hoop ik
bij te blijven, want ik geloof vast, dat wat God heeft besloten,
de duivel niet verhinderen kan."

Na die samenkomst zond de keurvorst een klein document
aan Oranje, waarin werd vastgesteld, dat Anna protestantsche
godsdienstoefeningen mocht houden en haar kinderen Evangelisch gedoopt
zouden worden. Lodewijk zond dat document aan zijn broeder met de
opmerking erbij, dat het een vreemd, wijdloopig en spitsvondig stuk
was en ontraadde zijn broer het te teekenen. Inderdaad kon de Prins
er onmogelijk zijn naam onder zetten met het oog op zijn verhouding
tot Filips. Ook zijn bekende voorzichtigheid zou hem wel terughouden
van zulk een zelfvernietigende handelwijs. Hij besloot mondelinge
verzekeringen te geven en daarbij bleef hij.

Augustus maakte blijkbaar van de onderteekening geen conditio sine qua
non. Misschien voelde hij evenals Lodewijk, dat het schande zou wezen,
in het stadium, waarin men reeds gekomen was, terug te trekken en
in spijt van de weigering werden de voorbereidende maatregelen van
het huwelijk voortgezet, dat bepaald werd op den Bartholomeusdag,
een datum, die twaalf jaar later zeker niet zou gekozen zijn.

Nog stelde de Prins in Mei bij Lodewijk een belangstellend onderzoek
in naar de schikkingen, die hij moest treffen voor de bruiloft en
naar de kleuren der kleeding van de Prinses.

De Prins verlangde zeer, dat de Nederlandsche edelen hem naar Leipzig
zouden vergezellen, waar het huwelijk zou worden voltrokken, doch
Margareta gaf daartoe geen verlof; zij beweerde, dat zij niet alleen
kon worden gelaten in het bestuur, zoodat Montigny door Filips als
zijn persoonlijke vertegenwoordiger benoemd, de eenige Nederlandsche
heer van beteekenis was, bij die gelegenheid tegenwoordig. De koning
toonde dus zijn goedkeuring tot het huwelijk en droeg ook Margareta
op, een ring voor de bruid te koopen, voor welk doel hij een wissel
van 3000 kronen zond.

Filips van Hessen wilde op geenerlei wijze de feestelijkheid
in bescherming nemen en waarschuwde den keurvorst, dat hij geen
uitnoodiging tot zijn familie behoefde te richten, daar die toch
vergeefsch zou zijn. Hij bleef staande houden, dat er een jong,
onschuldig meisje werd opgeofferd en blootgesteld aan onnoemelijke
gevaren. Vele andere aanzienlijke gasten namen aan de feesten deel,
al werden ook de Nederlandsche edelen thuis gehouden en al bleef ook
de Hessische familie op een afstand.

De koningen van Spanje en Denemarken waren uitgenoodigd, doch lieten
zich door bijzondere gezanten vertegenwoordigen. Hertogen, keurvorsten,
markgraven, aartsbisschoppen en stadsraden namen de uitnoodigingen
aan en bleven niet in gebreke te verschijnen.

Iedere gast werd verzocht zijn eigen koks en botteliers, tafel- en
keukengereedschap mee te brengen; voor de spijzen zou echter ruim
worden gezorgd. Al de voornaamste gasten werden genoodigd dagelijks
met den keurvorst op het stadhuis te eten, daar de keurvorstelijke
woning voor de schitterende heeren en edelen, die zich op den 22en
Augustus in Leipzig moesten vereenigen, gerestaureerd werd.

Eigenaardige voorschriften waren gegeven om de orde te bewaren. Aan de
jonger

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/28868