Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Don Quichot van La Mancha

by Miguel de Cervantes Saavedra · Dutch · Gutenberg #28469 · 488,289 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Don Quichot van La Mancha
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Don Quichot van La Mancha

Author: Miguel de Cervantes Saavedra

Editor: J. J. A. Goeverneur


        
Release date: April 1, 2009 [eBook #28469]
                Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/28469

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
        https://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA ***




Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net










                       Don Quichot van La Mancha

                                  Naar

                      Miguel Cervantes de Saavedra

                            Op nieuw bewerkt

                                  Door

                          J. J. A. Goeverneur


                         Met 8 gekleurde platen



                              Tweede druk

                               Amsterdam

                            Tj. van Holkema






                Boekdrukkerij van P. W. M. Trap, Leiden.






HOOFDSTUK I.

JONKER DON QUICHOT.


Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha,
een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje nog bij de
vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had
daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch schraal onderhoud
noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne
kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen lakenschen rok, een fluweelen
broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren
zijne nicht, een jong knap meisje van achttien jaren, eene oude
huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren,
water halen, hout klooven en verder huiselijk werk verrichten moest.

Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens
naam Don (Don is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste
jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang,
ofschoon ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal,
ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne
allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van
riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen vaak
eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen
verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk goed land na het
ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke
en zeldzame boeken het benoodigde geld in handen te krijgen. Op deze
wijze bracht hij daar mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen,
in 't lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten
avond zoozeer verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij
er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van
tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen
en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen en draken;
en 't ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke
en waarachtige waarheid hield en er niet minder geloof aan schonk,
dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam.

De vreemde verwarring zijner begrippen bracht hem tot het nog vreemder
voornemen, om tot vermeerdering van zijn roem en tot heil der wereld
een dolend ridder te worden, in ridderlijke wapenrusting het land door
te trekken en even zoo groote heldendaden te verrichten, als waarvan
hij in de oude romans gelezen had. Zijne verbeelding spiegelde hem met
levendige kleuren de ongehoorde avonturen en gevaren voor de oogen,
door welker heldhaftig bestaan hij zich een onvergankelijken roem
verzekeren moest. Door de kracht van zijn arm zag hij zich zelf reeds
tot machtig keizer gekroond, en hij meende, dat het hem althans zeker
gelukken moest een koningskroon te veroveren, gelijk al verschillende
dolende helden dat in den ouden tijd hadden gedaan. Hij gaf zich meer
en meer aan deze streelende gedachten over en achtte nu eindelijk
den tijd gekomen, om zijn dolzinnig besluit ten uitvoer te brengen.

Zijn eerste werk was, dat hij aan het opknappen en schoonmaken van eene
overoude, door een zijner voorzaten gedragen wapenrusting ging, welke
hij uit een donkeren hoek van de rommelkamer had opgeschommeld. In 't
zweet zijns aanschijns wreef hij er met een wollen lap en puimsteen de
roestvlekken af, en hij was innig voldaan, als hij na uren poetsen weer
een deel van het harnas goed glad en blank had gekregen. Eerst toen
hij hiermee eindelijk klaar was, bemerkte hij tot zijn niet geringe
schrik, dat nog een zeer belangrijk stuk aan zijne uitrusting ontbrak:
de helm namelijk.

Deze ongelukkige omstandigheid bracht hem in de grootste verlegenheid
en gaf hem veel kommer en zorg. In de hoop van den ontbrekenden helm
op te sporen, haalde hij in de rommelkamer alles onderstboven, doch
vond niets dan een oude stormkap, die bij de overige wapenstukken
volstrekt niet paste en vroeger denkelijk aan den een of anderen
geringen voetknecht had toebehoord. Desniettemin was hij met die vondst
niet weinig ingenomen en wist zijne scherpzinnigheid zeer spoedig
middelen te vinden, om de stormkap in een behoorlijken, schoon al niet
prachtigen helm te herscheppen. Hij nam bordpapier, waarvan hij met
veel moeite en getob de benedenhelft van den helm knutselde, hechtte
die aan de stormkap, verfde alles staalkleurig en kreeg zoo een ding,
dat wel nagenoeg het fatsoen van een ridderlijk hoofddeksel had.

Nu diende nog de proef te worden genomen, of zijn meesterstuk ook
sterk genoeg was, om den houw van een vijand te kunnen weerstaan. Om
daar zeker van te zijn, zette hij den helm op tafel, trok zijn zwaard
en deed dat met al de kracht van zijn arm daarop neervallen. Terstond
lag het heele ding in stukken, en onze held moest met schrik zien,
hoe de arbeid van verscheidene dagen, die hem zoo menigen zweetdroppel
gekost had, in een ommezien tijds was te niet gegaan.

Diep bedroefd zag hij de verwoesting aan. Hij had moeite, om zijne
tranen in te houden en zette zich stil in een hoek neer, om door diep
nadenken een middel uit te vinden om de schade te herstellen en in
weerwil van alle hindernissen toch in het bezit van een behoorlijken
helm te komen.

Na lang hoofdbreken kwam hij tot het besluit, om het bordpapier
van binnen van ijzeren staafjes te voorzien, ging terstond aan
het werk en kwam ook eindelijk tot zijn genoegen klaar. "Nu is hij
sterk genoeg!" dacht hij, maar had toch den moed niet, zijn maaksel
nogmaals aan zulk eene gevaarlijke proef te onderwerpen, zoodat hij
zich vergenoegde met zonder omstandigheden zijn helm voor den besten
en volmaaksten helm te verklaren, die ooit het hoofd eens dapperen
ridders had gedekt.

Toen dit nu beredderd was, besteedde hij drie of vier dagen, om een
gepasten en welluidenden naam voor zijn strijdros te bedenken. Het
arme beest had wel meer gebreken, dan een gulden centen en een pond
wichtjes heeft, aan zijn lijf, maar Don Quichot was toch van oordeel,
dat de hengst, daar die voortaan een edelen en beroemden ridder zou
dragen, ook volstrekt een naam moest hebben, die met zijne nieuwe
roeping en waardigheid strookte. Hij koos en koos weer, snuffelde al
zijne ridder- en heldengeschiedenissen door en kwam na veel wikken en
wegen tot het besluit, om aan zijn knol den liefelijken en welluidenden
naam van Rocinante te geven.

Na het afdoen van deze hoogst gelukkige aangelegenheid viel hem in, dat
ook hij zelf aan zijn ouden eerlijken naam een deftigen staart moest
hechten, en besloot hij dus, in 't vervolg als manhaftig en dapper
ridder onder den naam van Don Quichot van La Mancha op te treden.

Nu eindelijk zoo de hoofdzwarigheden overwonnen waren, nu zijne
wapenrusting blank gepoetst, Rocinante gedoopt en hij zelf van een
deftigen naam voorzien was, nu haperde er alleen nog maar aan, dat hij,
gelijk alle dolende ridders vóór hem, naar eene schoone dame rondzag,
tot wier eer en verheerlijking de te verrichten groote daden moesten
bedreven worden.

"Een dolend ridder," sprak hij bij zich zelf, "is een onding zonder
ridderlijke liefde. Hij is een boom zonder blad en bloesem, een lichaam
zonder ziel en geest. Hoe toch, als ik nu op mijne tochten een reus
ontmoet en hem door de kracht van mijn arm en van mijne dapperheid in
het stof neerwerp of hem van den kop tot de teenen in tweeën hak, moet
ik hem dan niet naar iemand heen zenden, om den roem mijner dapperheid
te verkonden en door heel de wereld te verbreiden? En tot wien kan ik
hem beter zenden, dan tot de uitverkorene dame van mijn hart, gelijk
in alle tijden ieder avontuurlijk ridder er eene bezeten heeft? Ik moet
en wil eene aangebedene van mijn hart en van mijne gedachten vinden!"

Eens tot dit besluit gekomen, vond hij de uitvoering er van zoo heel
moeielijk niet.

In de nabijheid zijner woning, in een klein gehucht, Toboso genaamd,
woonde eene flinke, stevige, gezonde boerenmeid. Don Quichot had haar
in vroeger tijd wel menigmaal gezien, en zij scheen hem recht geschikt
toe, om tot de koningin van zijn hart te worden uitverkoren. Zij
heette eigenlijk Aldonza Lorenzo, maar daar die naam hem niet mooi
en deftig genoeg klonk, zoo noemde hij haar Dulcinea van Toboso, daar
hij dit voor een recht hoogdravenden, welluidenden en geheimzinnigen
naam hield, die eerder aan eene prinses en hooge dame, dan aan eene
gewone boerendeerne deed denken. En dat immers was de hoofdzaak voor
onzen held.






HOOFDSTUK II.

HOE DON QUICHOT ZIJN EERSTEN TOCHT ONDERNEEMT.


Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de
volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen.

Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets
van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den
kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn
arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje
van zijn hoenderhof de wijde wereld in. Zielsvergenoegd, dat de eerste
stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij
op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk
al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had
kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur;
want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij
nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met
een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze
gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn
plan opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij
Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat
hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den
ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed
en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten.

Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol
van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle
kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht
of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om
zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne
blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan,
waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker
was, bereikte. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden,
die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds
van verre in de ooren klonken.

Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen
van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen
inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone
kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht
met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te
hebben. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij
zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een
dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal
verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten
te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet
weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de
teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg
toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te
houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de
beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding
echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die
zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden.

Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de
varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en
bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige
tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had
voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den
zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het
paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de
ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. De meiden echter,
toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen,
gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don
Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na,
riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn
mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene
diepe buiging: "Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch
niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige
oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is,
u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan."

Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten
de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk
een leven en misbaar, dat Don Quichot in 't eind ernstig boos begon
te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak:

"Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt
onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen;
want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven
aan uw dienst wensch toe te wijden."

De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van
haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don
Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog
juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een
vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede
bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij
de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat nader had
opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots
vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. Hij trad met eene
beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk:

"Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in
mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden."

Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en
meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van
den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met
alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn
ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld
tevergeefs zou zoeken.

De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik
hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het
in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen,
wat die verder zou te gelasten hebben.

In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen
der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk
bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te
ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt;
maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met
eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren
dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den
held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde
Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm
liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig
stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.

Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te
proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed
daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft,
in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu
natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had
stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit
was slecht gekookt en ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het
zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder
werd voorgezet.

Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar
nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch
toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn
schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen
zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van
lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg
om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te
verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte,
terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.

De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar
hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten
visch in niet geringe mate was toegenomen?--De dikke waard wist raad
daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en
goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk
in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den
wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde
de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening,
dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.

Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver
de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne
dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don
Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd
ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend,
dat de stokvisch forellen en 't beschimmelde brood pasteitjes waren,
en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en
misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan
ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat
hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna 't eenige, dat hem kwelde.






HOOFDSTUK III.

DE RIDDERSLAG.


Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte
Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich
daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend
de handen tot hem op.

"O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden," sprak hij tot hem,
"hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij
met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt,
waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot
heil en zegen zal strekken."

De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen
aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich in dit
geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid,
dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier
aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet
van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen,
wat hij van hem begeeren zou.

"Ik dank u voor uwe grootmoedigheid," sprak hij hierop "en zal u
nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen
vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel
van uw kasteel mijne wapenwake te houden. Hebt gij dat gedaan, dan
wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat
de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult;
want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den
dag van morgen af hoop te behooren."

De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen
ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het
bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus
nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te hebben, en
antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne
bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig
ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich
werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen
voor 't oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar
de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd.

"Maar toch, waardige held," voegde hij er bij, "kunt gij hier getroost
uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel
goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot,
en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles
zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen,
als er maar een op twee beenen loopt."

Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld
bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en
voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder
met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest.

"Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen 't
niet recht goed geweten hebben," antwoordde de guitige herbergier
met gemaakte deftigheid. "Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle
avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte
beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem
meenamen, om de in 't gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen,
en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden,
in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. Neem
dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge
van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en
andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt,
een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op
ontmoetingen en avonturen uit."

Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen
opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof
van den burcht te houden.

Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting naar
buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met
het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke
deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen.

Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich
al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van
Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet
van den rooster over te vertellen. De menschen liepen nu lachend
naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den
goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens
heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend,
eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en
begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling.

Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat
hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad dus buiten in
den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen,
daar hij anders niet bij het water kon komen. Zoodra nu echter Don
Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur
en keek den komende grimmig aan.

"Terug, vermetel ridder!" riep hij. "Wie gij ook zijn moogt, die u zoo
roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u,
dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan!"

De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal,
dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij
de riemen oppakte en ze, 't eene stuk rechts, 't ander links, op den
grond smeet.

Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide
de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en
liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver
neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk
bewusteloos neerstortte.

Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot
bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en
zette zijne wandeling met alle deftigheid voort.

Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver
die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was,
en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een
afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de
bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel,
die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen
op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele
sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht
deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en
met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk
machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu
zijn zwaard en riep uit:

"Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe
oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur
ik hier te bestaan heb."

De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide,
zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den
menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet
nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van
den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig
bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk
tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen
voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel
stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen.

De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen,
trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te
brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was,
wat hij hun vroeger ook al had gezegd. Zijne dringende toespraak en
des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den
schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont
en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den
deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan,
vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er
hoegenaamd niets was voorgevallen.

Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap voorgoed
een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar
terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan.

"Hoogedele heer," sprak hij op eerbiedigen toon, "gij hebt thans
ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer
wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus
niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij
verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag
te geven."

Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem
lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich
dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de
behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de
beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen
bij te dienen. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen,
vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen
op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het
daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop
eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot
nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en
sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar
eisch was afgeloopen.

De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor
hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den
stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk
niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. De
dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard,
maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor
de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen.






HOOFDSTUK IV.

WAARIN BRAAF GEROST EN GERANSELD WORDT.


De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet
en welgemoed zijn tocht vervolgde. Zijne opgewonden verbeelding
spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten
voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had
meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en
een schildknaap te voorzien. Dit deed hem dus besluiten naar zijne
woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar
het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. Het paard scheen
zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden
stal te verlangen. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven
nauwelijks de aarde te raken.

Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend
gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond
stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij
was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie
en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke
die klagende tonen uitstiet. De jongen was aan een boom vastgebonden
en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer
stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw
ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: "Mond open,
oogen toe, mijn jongen!"

Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij
den boer met donderende stem toevoegde: "Gij zijt een schandelijk
en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen
durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat
wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil u bewijzen,
dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt."

Bij het hooren van de dreigende stem en 't zien van den geharnasten
ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich
reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: "Edele heer,
deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hij
is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht
op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om 't
nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan
zegt hij, ofschoon 't een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze
vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen."

"Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!" riep Don Quichot, die uit
pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. "Gij liegt! Bind
terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet
op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden."

In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg
dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was.

"Negen en zestig realen," antwoordde snikkend de gauwdief.

Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van
verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som
terstond zonder tegenspraak te betalen.

"En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven,
dat geld geven kan ik niet," riep de boer. "Ik sleep de realen maar
zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis
wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem
eerlijk toekomt."

"Neen, meegaan wil ik niet," huilde de knaap. "Geloof mij, edele
ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij
mij bij levenden lijve 't arme vel over de ooren."

"Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij
moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel
moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder
zijn woord brak. Ga gerust met hem."

"Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!" huilebalkte de jongen. "Hij
is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets."

"Dat doet er niet toe," verklaarde Don Quichot; "ook onder de Haldudo's
kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal
ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende
ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de
beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom
met uw meester, mijn zoon! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar
ik u onder mijne bescherming heb genomen."

De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk
behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in
galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde
zich tot zijn knecht en zeide: "Kom nu hier, m'n kereltje: ik wil
je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier,
zeg ik!"

En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast,
waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend
brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder,
aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte.

"Roep nu je bevrijder, mijn zoon!" spotte de boer, terwijl hij zijne
slagen als hagel neer liet vallen. "Toe, roep hem nu en zie, of hij
je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester
rebellig te wezen. Klets, klets, klets!"

En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen
eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot
reispenning.

Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde
zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde
beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond
te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens zag hij in de verte eene
stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende
roofridders hield, niettegenstaande 't eenvoudig zes vreedzame
kooplieden met hunne dienaren waren, die van Toledo naar Murcia
trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde
zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen
gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die
onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend
voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster
in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en
bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos
afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij
hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij
zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe:

"Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij
verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene
dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden
aardbodem is!"

De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit
de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met
hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een
jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid:
"Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de
eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en
hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan
zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid,
waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne
overal uitbazuinen."

"Dat is maar dwaze praat!" voegde Don Quichot hun toe. "Als ik haar
toonde, zou 't geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën
neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen
zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op
aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden
neergeworpen. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te
gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de
edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting
te ontzeggen."

"Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig
maken?" antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust
bedwingende. "Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene,
en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen
tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit
dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en
voor en achter een bochel heeft."

"Ellendige, laaghartige schavuit!" riep Don Quichot, ten uiterste
verontwaardigd. "Doña [1] Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en
nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar
gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten."

En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen
en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat
hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig
toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk,
op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan,
struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder
met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door
de lucht vloog. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val
weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem
dat. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en
overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl
dezen daarbij zaten te schudden van lachen.

Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der
muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten,
den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij
steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit
de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee
zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los,
tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam
hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde
wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield,
maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling
aanriep, die hij van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers
ondergaan moest.

Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht
slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder
zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze
hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat
gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en
hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen.






HOOFDSTUK V.

HOE DON QUICHOT NAAR HUIS KWAM EN EEN SCHILDKNAAP VOND.


Verscheiden uren lag Don Quichot niet ver van zijn paard stijf en
roerloos op den grond en had tijd om over zijn treurig lot na te
denken, totdat toevallig een boer uit zijne nabuurschap dien weg langs
kwam en den ongelukkigen ridder daar zoo vond liggen. Die kwam hem te
hulp, maakte hem den helm van het hoofd los en vroeg deelnemend, hoe
het met hem was. De arme mishandelde gaf eerst volstrekt geen antwoord,
maar bracht toen op eens zulk een onzin en wartaal voor den dag, dat
de goede, eenvoudige boer er heel niet wijs uit kon worden. Het duurde
lang, voordat hij de waarheid eenigermate op het spoor kwam. Eindelijk
trok hij den gekneusde zonder omstandigheden de wapenrusting en de
kleederen van het lijf, onderzocht zijn geheele lichaam en vond
eene ontelbare menigte bruine, blauwe en groene plekken, die aan
de krachtige slagen van den verbolgen muilezeldrijver waren toe te
schrijven. Nu begreep hij zoo nagenoeg, wat hij te doen had, tilde
den armen ridder op Rocinante, bond hem op den zadel vast, pakte de
stukken der wapenrusting op zijn eigen paard, nam beide rossen bij
den teugel en geleidde den dolenden ridder op die wijze naar huis.

Onder weg kraamde Don Quichot zoo veel dwaze dingen uit, dat den
eenvoudigen boer hooren en zien verging en hij hartelijk blij was,
toen hij eindelijk zonder verdere ongelukken behouden Don Quichots
huis bereikt en daar terdege op de gesloten deur gebonsd had.

Zijne nicht en de oude huishoudster waren intusschen niet weinig
verbaasd geweest, toen zij op eens de afwezigheid van haren heer
bemerkten, die met ros en rusting spoorloos verdwenen scheen. In haar
angst en bezorgdheid zonden zij, toen eenige dagen verloopen waren,
naar den pastoor en den barbier van het stadje, verzochten dezen,
bij haar te komen, en deelden hun het vreemde geval in al zijne
kleuren en fleuren mee.

"Die verwenschte ridderboeken hebben hem het hoofd op hol gebracht,"
zeide de huishoudster tot den pastoor, "en het knapste verstand in
heel Spanje totaal te gronde gericht."

"Ja, ja, meester Nicolaas," klaagde het nichtje, zich tot den barbier
richtende, "mijn arme oom zat dagen en nachten lang in die domme boeken
te studeeren en las zoo lang, tot het hem groen en geel voor de oogen
werd. Soms smeet hij het boek weg, greep naar een ouden verroesten
degen, die aan den wand hing, haalde hem uit de schede en begon er als
een dolleman mee in de lucht te schermen. Als hij dan moe werd en 't
zweet hem bij 't gezicht neerliep, zeide hij, dat hij met vier machtige
reuzen had gekampt en alle vier doodgeslagen. Vervolgens dronk hij een
groot glas water en verklaarde, dat het een kostelijke wonderdrank
was, dien hij van zijn goeden vriend, den toovenaar Esquife, had
gekregen. En dan eindelijk nam hij zijne malle ridderhistories weer
op en las daarin, tot hij weer zoo'n nieuwe vlaag van razende dolheid
kreeg. Zoolang die ellendige boeken niet tot asch verbrand zijn,
krijgt mijn arme oom zeker zijn verstand niet weerom."

"Nu, dan willen wij er het vonnis over uitspreken en ze morgen aan
den dag zonder genade op het vuur te gooien."

Op dit oogenblik bonsde de boer buiten op de huisdeur, en de
verzamelden sprongen op en haastten zich naar buiten, om te zien,
wat er gaande was. Toen zij den verloren ridder Don Quichot herkende,
gaf de huishoudster een kreet van blijdschap en vroeg hem, waar
hij zoo lang geweest was. De arme man was echter niet in staat een
verstandig antwoord te geven. Hij kwam met allerlei onzin voor den dag,
en de boer, die hem gebracht had, moest het woord nemen en vertellen,
in welken toestand hij den dolenden held gevonden had. Deze werd nu
met alle zorg van het paard getild en te bed gebracht, waarop hij
terstond in een diepen slaap verzonk. De overigen bleven echter nog
tot laat opzitten, om te overleggen, wat zij doen moesten om de dwaze
inbeeldingen van den armen man zooveel mogelijk te keer te gaan of
althans voor het vervolg onschadelijk te maken.

Den volgenden morgen was de dag nauwelijks aan den hemel, of de
ongelukkige riddergeschiedenissen ondergingen het vonnis, dat den
vorigen avond onherroepelijk over haar was uitgesproken. De pastoor,
de barbier, de huishoudster en de nicht trokken daartoe gezamenlijk
naar de bibliotheek, sleepten de gansche vracht boeken naar buiten,
stapelden ze als een houtmijt op elkander en legden er een duchtig vuur
onder aan. De oude stroosnijders brandden als zwavelstokken, en het
duurde geen half uur, of van heel den rommel was niets meer over dan
een hoopje grauwe asch, die de wind naar alle richtingen verstrooide.

Om nu het goede werk te voltooien, deed de huishoudster toen
een metselaar komen, die nog dienzelfden dag de deur naar de
bibliotheek dichtmetselen moest, zoodat men er geen spoor meer van
kon ontdekken. Toen dit gedaan was, stelde zij zich gerust en meende
haren meester nu alle dolle kuren uit het hoofd te hebben gedreven of
toch te kunnen drijven, daar de onzinnige ridderromans, waaruit hij
al dat vergift had gezogen, nu voor altijd onschadelijk waren gemaakt.

Onderwijl werd Don Quichot wakker, sliep weer in, werd weer wakker,
at en dronk en vertelde allerlei dwaze dingen, totdat hij zich
eindelijk weer tamelijk wel gevoelde. Hij trok zijne kleeren aan,
sukkelde naar zijne bibliotheek, om daar wat in zijne geliefde boeken
te studeeren, en vond--geen vertrek en zelfs geen deur meer. Op zijne
verwonderde vraag vertelde zijne nicht hem, dat een booze toovenaar
de geheele bibliotheek weggehaald had; en daar dit verzinsel met de
denkbeelden van den ridder vrij goed overeenkwam, nam deze dat dan
ook geloovig aan.

De eenige gedachte, die Don Quichot thans nacht en dag bezighield,
was hoe hij best weer een nieuwen tocht zou ondernemen en aan een
schildknaap komen, die hem daarop vergezellen kon. Zijn buurman, een
eerlijke boer zonder bijzonder veel verstand, scheen hem voor zulk eene
betrekking de meest geschikte persoon toe, en hij gaf zich dus alle
moeite om den man over te halen. In den beginne wilde Sancho Panza,
zoo heette de boer, van al die dolende ridderschap hoegenaamd niets
hooren; doch Don Quichot deed hem zulke fraaie beloften en stelde hem
zoo duidelijk voor, dat hij wat vroeger of later een koninkrijk of een
eiland veroveren moest, waarop hij dan Sancho Panza als stadhouder
zou aanstellen, dat de goede man eindelijk toegaf en, in spijt van
vrouw en kinderen, tot het besluit kwam, den edelen Don te vergezellen.

Nadat op deze wijze eene voorname zwarigheid uit den weg geruimd
was, moest de ridder van La Mancha nog geld en schoon linnen zien
te bekomen. Hij verkocht en verpandde derhalve een goed deel van
zijn eigendommen en bracht zoodoende eene vrij aanzienlijke som
bijeen. Hierop lapte hij zijne wapenrusting weder op, bracht zijn
helm in behoorlijken staat, kondigde Sancho Panza het uur aan, waarop
zij opbreken zouden, en drukte hem op het hart, zich toch vooral van
een duchtigen knapzak te voorzien. Sancho Panza beloofde niet alleen
voor den knapzak, maar ook voor een rijdier te zullen zorgen, daar hij
zijn ezel op de reis meenemen wou. Nu wist Don Quichot zich wel niet
te herinneren, dat ooit een schildknaap op een grauwtje op avonturen
was uitgegaan, maar toch had hij er vrede mee, daar hij zich voornam,
den eersten den besten onheuschen ridder, met wien hij te doen kreeg,
zijn strijdros af te nemen en op die wijze beter voor Sancho Panza
dan voor zichzelf te zorgen.

Nadat zoo alles bezorgd en in orde gebracht was, verlieten Don Quichot
en zijn schildknaap in het holst van den nacht stil en heimelijk
hun vredig dorp, zonder dat een van beiden van zijne betrekkingen
afscheid had genomen. Zij haastten zich zoo veel mogelijk, om
niet achterhaald te worden, zelfs als men hen misschien nazetten
mocht. Sancho Panza bungelde op zijn ezel, rookte uit zijn kort
pijpje, blies ontzettende rookwolken in de lucht en droomde van het
hem toegezegde stadhouderschap zoo levendig, alsof hij het reeds goed
en wel in den zak had. Zij volgden denzelfden weg, dien Don Quichot
reeds vroeger had genomen, en raakten al spoedig in een zeer wijs
en te gelijk onderhoudend gesprek verdiept, waarin de ridder zijn
schildknaap opnieuw ongehoorde dingen voorspiegelde en hem beloofde,
dat hij al heel gauw koning en zijne vrouw en kinderen koningin en
prinsen of prinsessen zouden zijn. De eerlijke knaap nam al, wat zijn
meester hem voorpraatte, geloovig aan, terwijl het uitzicht op eene
zoo hooge waardigheid zijne eerzucht niet weinig streelde en zijne
oogen blind maakte voor alle onwaarschijnlijkheden.






HOOFDSTUK VI.

DON QUICHOT EN DE WINDMOLENS.


Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op
eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op
dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide:
"Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten
konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik
wil er op losgaan, op leven en dood met hen kampen en hun allen het
levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit
en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk
en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van
den aardbodem verdelgt."

"Wat voor reuzen dan?" vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en
niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.

"Daar staan zij," antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens,
"daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen
en meer lang zijn."

"Die dingen daar, doorluchtige heer?" vroeg Sancho, ten uiterste
verbaasd. "Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen
reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind
rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen."

"Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet," riep Don
Quichot. "Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat,
blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken
strijd met hen wagen zal."

Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de
ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden
schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen
naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders
voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd
gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht
bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:

"Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht
niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof
zal nederwerpen!"

Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens
langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord
en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:

"En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus,
toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade
smeeken."

Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn
hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming
tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild,
velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd
zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging
door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met
vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken,
terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en
gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza
toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met
schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen,
dat hij geen lid meer verroeren kon.

"Och lieve hemeltje!" riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar
zoo jammerlijk vond toegetakeld. "Heb ik u niet gezeid, dat ge u in
acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij
windmolens en geen reuzen voor zich had."

"Stil, stil, vriend Sancho!" kreunde Don Quichot met matte stem. "Ik
zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een
of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij
mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens
hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de
handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk
toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne
dapperheid overwonnen worden."

"Dat hoop ik!" zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind
en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.

Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas
van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was,
eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans
griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij
dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den
besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan
als lans te gebruiken.

"Gij zult zien, Sancho," zeide hij, "dat ik zelf met een zoo ellendig
werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal."

"'k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,"
antwoordde de schildknaap, "Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den
zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien
bij den val wat bezeerd?"

"Zoo is het," erkende de ridder, "en dat ik het niet hardop van pijn
uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen
heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet
betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was
't ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen."

"Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,"
antwoordde de schildknaap. "Ik had evenwel liever, dat gij maar
schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn
part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade
of letsel krijgt. Of is 't misschien ook aan de schildknapen der
dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?"

Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op,
maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar
hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit
gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam,
dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden,
doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.

"Eet en drink, zoo gij wilt," antwoordde de ridder. "Ik voor mij voel
nog geen honger."

Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte 't zich zoo
gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is;
hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en
zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen
wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen,
dat de grootste nathals in heel Spanje 't niet beter zou hebben
kunnen doen.

Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende
gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak,
totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten
halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun
nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door
de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap
en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek
er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed
geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea,
tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken
van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte
zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden
zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van
vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij
zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen,
en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den
wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel
magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn
meester tot het ontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot,
die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen
wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door
den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.

"Sancho," sprak hij, "hier op deze plaats zal het ons niet aan
avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel
te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval
namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken,
behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den
strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de
wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf
tot ridder geslagen zijt."

"Ei," antwoordde Sancho Panza, "in dit punt wil ik u dol gaarne
gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een
pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil, tegen dien
verweer ik mijne huid, om 't even of 't een ridder, een schildknaap
of maar een uit het gemeene volk is."

Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken
aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden
en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig
achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar
ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit
Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel
zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap
van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.

Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij
zeide tot zijn schildknaap:

"Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog
niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel
twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen,
en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan
met al de kracht van mijn arm te verzetten."

"Allerdapperste heer ridder," riep Sancho Panza vol schrik, "gij
bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van
de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige
andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet
allerleelijkst in de klem komt."

"Sancho Panza, zwijg stil!" gebood Don Quichot op hoogen toon. "Ik
heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen
nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik
van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is."

De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers
nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn
klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne
woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:

"Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en
geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over,
die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij,
mijn bevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe
misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen."

De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van
de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden
denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:

"Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch
verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige
dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in
die koets daar prinsessen of prinsen zitten."

"Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!" riep Don Quichot woedend,
velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten
monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen
man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke
vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte
zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht
gelukkig zijn lijf te bergen.

Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute
heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten
monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het
lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe,
vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en
baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon
te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten
hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende
monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn
muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den
onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter
zich had gelaten.

Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende
dame aan te spreken.

"Hooge en edele prinses," begon hij, "gij moogt nu weder naar
welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager
door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij
mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan de meesteresse mijns
harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden,
wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld
van twee schandelijke toovenaars bevrijdde."

Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van
geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat
zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder
toe, greep zijne lans en zeide:

"Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer
ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat."

Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij
nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor
zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:

"Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u
tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!"

"Wacht!" riep de Biscayer, "ge zult zien, met wien ge te doen
hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien,
wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat
ge kunt, kale jakhals van een edelman!"

Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de
borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los,
met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel
te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep
tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild
voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den
strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De
dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden,
waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.

De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De
Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die
dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild
en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte
van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge
patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. De gedachte aan haar
bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en
vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden
op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te
gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch
hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon
krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling,
waardoor 't hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een
tijdlang van 't lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was,
terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest
hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte
zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den
Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed
hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op
den grond stortte.

Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt
van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te
verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen
geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door
den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst
tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven
van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die
deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.

"Het leven zij hem dan geschonken," riep hij; "doch slechts onder
voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en
mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op
wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld."

De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht
zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite
weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres
kon vervolgen.

In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge
ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe,
die al weer hoog te paard zat en de wegrollende koets triomfeerend
naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij
zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit
geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.

"Ja, dat alles is mooi en wel," viel Sancho Panza hem eindelijk in
de rede; "maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij
na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? 'k Wil mezelf
niet roemen, maar 'k geloof, dat ik zoo'n knappe, fiksche stadhouder
zou wezen, als maar één denken durft."

"Sancho," antwoordde de ridder, "toen ik dat zei, meende ik een
eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets
dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen
is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat
die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar 't bloed uitloopt."

Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en
nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt
en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw
ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide
handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een
schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder,
die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op
schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel
moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer
op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.

Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en
ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had,
besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.

Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen
behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na
een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en
gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet.






HOOFDSTUK VII.

HOE DON QUICHOT MET PAARDENHOEDERS TWIST KRIJGT EN WAT HEM IN DE
HERBERG OVERKOMT.


Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch,
waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil
op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere,
liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven
verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden
eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten
Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras
vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en
verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.

Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen,
daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de
vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde
Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan
de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek
hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust
te houden.

De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang,
of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven
lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden
en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel
losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht,
dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels
en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij
eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den
geest scheen te zullen uitblazen.

De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het
arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide
Don Quichot tot zijn dienaar:

"Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden,
maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder
bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor
mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem."

"Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?" vroeg
Sancho. "Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën."

"Ik tel voor honderd," antwoordde de ridder en trok meteen zijn
zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza,
hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.

Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door 's mans
lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder
drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen
zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in
hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche
slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho
Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna
volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met
veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het
toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante
neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en
trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.

Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt
hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te
hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer
slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was
de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel
steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte,
klagende stem:

"Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!"

"Wat wilt gij van mij, Sancho?" vroeg Don Quichot op even flauwen en
klagenden toon.

"Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!" kreunde Sancho
Panza. "Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt."

"Ja, wel een pak!" stemde de ridder toe. "Als ik ongelukkige nu maar
den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons
gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen."

"Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?" vroeg
Sancho.

"Jawel," antwoordde Don Quichot; "ik zweer u, bij onze
dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem
in handen speelt."

"Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?"

"Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman
beschreven staat," antwoordde Don Quichot. "Wij moeten opbreken en
hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid
dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan."

Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en
hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug,
want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap
zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen,
daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen
last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg
op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den
teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte
wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer
voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet
volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat
zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in
den stal bracht.

Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te
ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel meer
hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch
wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was
gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling
wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op,
die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige
hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in
huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.

In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters
beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed,
waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.

Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig,
dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en
aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd
en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet
andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen
met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd,
dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op
zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond
liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam,
trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf
kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen
stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard
wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho
Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg,
slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen
troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks
op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te
weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo
ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een
denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden
ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de
meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles
gebeurde met zoo blinden ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar
een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar
heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen
uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.

Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek
in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk
gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem
uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep
zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als
koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep
met donderende stem: "Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!"

De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die
bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard,
trok hem daarbij en hield niet op te roepen: "Achting en ontzag voor
de hooge overheid!"

Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had,
geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen
in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: "De deuren toe! Alle deuren
in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is
een mensch vermoord."

Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht
staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver
kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat
zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander
heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de
keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.

Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot
bewustzijn en riep klagend: "Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij,
Sancho Panza?"

"'t Mocht wat, slapen!" bromde de schildknaap. "Ik wou maar, dat ik
sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een
aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan."

"Neen, gij vergist u, vriend!" antwoordde Don Quichot. "Wij zijn in
een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen,
kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker
aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo
geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond
één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte
de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een
allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen."

"Ik heb er nog erger van gelust," zeide Sancho Panza; "mij hebben
vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat
de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden,
daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen
dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt,
altijd dubbel en dwars mijn part."

"Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?" vroeg de ridder meelijdig.

"Bont en blauw geslagen hebben ze me!" antwoordde Sancho Panza op
grimmigen toon. "Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!"

"Wees maar bedaard, vriend!" troostte Don Quichot; "ik zal u den
kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds
alle pijnen en smarten wegneemt."

Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met
licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad
voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard
hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich
van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed
bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van
zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: "Nu, hoe gaat het je,
goede vriend?"

"Ik zou toch wat beleefder spreken," antwoordde Don Quichot op hoogen
toon. "Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?"

Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht
zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp en wierp haar
Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons
hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en
pruttelend heen.

"Ei," sprak Sancho Panza, "als dat geen lomperd is, dan laat ik mij
hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof 't maar
een aardigheid was."

"Ja, ja," kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed;
"maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat
olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier,
om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze
pijnen verzachten zal."

Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt
schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette
onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.

"Wie gij ook zijn moogt, waarde heer," zeide hij, "bezorg ons een
weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder,
dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en
van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een
betooverden Moor op zijn bed."

De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor
stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij
den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De
waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die
van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij
nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte
ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht,
dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch
toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met
eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu
draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de
proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks
had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te
geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem
geducht aan het zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken
en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot
viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij
zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden
en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten
volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den
wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de
hoop, dat hij, in 't bezit van dit middel, in 't vervolg alle kampen,
tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten,
geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.

Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij
dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder,
altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken
kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel
droppeltje in.

Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn
meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo
bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten
sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed
en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs
grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling
eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten
en tot bedaren te brengen.

"Hoor, Sancho," zeide hij, "ik geloof, dat de schuld alleen daaraan
ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen
maar een ridder helpen."

"Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien
dan?" schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.

Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en
had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij
zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn
leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.

Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde
hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar zoo flauw,
slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.

Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts
weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de
balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit
naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde
met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed
en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te
helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem
op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den
besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en
riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.

"Heer slotvoogd," sprak hij, "gij hebt mij vele en belangrijke diensten
bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand,
hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik
wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of
schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij
mijne riddereer zij 't gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik
u volkomen voldoening heb verschaft."

"Mijn beste heer ridder," antwoordde de waard doodbedaard, "uwe
gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met
wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel
recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te
betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en 't is daarom,
dat ik u met alle beleefdheid verzoek."

"Wat!" schreeuwde Don Quichot, "'t was dus een ellendige herberg,
waarin ik overnacht heb?"

"Eene herberg, ja," antwoordde de waard; "doch niet eene ellendige,
maar eene zeer voorname."

"Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd
heb," antwoordde Don Quichot. "Voor 't overige zult gij maar best
doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb
ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in
eenige herberg ook maar een penning betaald heeft."

"Dat gaat mij niets aan!" riep de waard driftig. "Betaal uwe schuld
en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of 'k zal
weten, wat me te doen staat, zotte kerel!"

"O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!" schreeuwde Don
Quichot; "gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je
onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet
onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen."

En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de
sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds
was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich
te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.

De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho
Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten
der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat,
als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel
minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens
dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld
van zijn heer en toonbeeld volgen.

De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien;
hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat
hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker
bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en
verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een
kwartpenning betalen zou.

Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders
uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren
komen pleisteren. 't Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus
veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza
aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner
liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den
armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in
de hoogte te gooien, zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek
in de pan 't onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des
te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De
arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze
duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.

Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van
zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus
stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur
in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de
huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond
wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg
terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis,
om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk
spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht
hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op-
en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt,
en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen,
indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet
zoo sterk was geweest.

Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang
ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te
klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange
beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders
koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen
over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten
daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw
schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend
gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij
die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho
Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten
hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden,
dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg
en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en
den waard geen penning betaald had.

De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn
knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel
en dwars betaald gekregen had.






HOOFDSTUK VIII.

DON QUICHOT EN DE SCHAPENKUDDEN, MET NOG ANDERE AVONTUREN.


Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en
krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon
krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:

"Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat
kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo
gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten
kunnen geweest zijn."

De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder
geen woord.

Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat
eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag
daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.

"Hoor, Sancho," sprak hij, "dit is de dag, dien de hemel tot mijn
geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de
proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na
honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk,
Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet
haar opstijgen."

"Dan moeten er twee legers zijn," zeide Sancho. "Daar van gindschen
kant komt eene tweede stofwolk op."

Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was
uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door
eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de
twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren;
want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen,
gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en
dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken
werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd,
maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten
weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden
opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot
verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende
heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig
de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.

"Wat te beginnen?" riep Don Quichot, zich in den zadel
vastzettende. "Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden
bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt
aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het
eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte
mouw, die koning is van de Garamanten."

Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al
zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput
en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen
waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste
dingen voor.

"Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?" vroeg Sancho Panza
eindelijk.

"Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de
christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft
begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een
goed christen is geworden."

"Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk," zeide
Sancho. "Als 't van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij
maar kunnen."

"Gij hebt het rechte inzicht, vriend," antwoordde Don Quichot; "maar
wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen
wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste
en dapperste ridders van beide legers bekendmaken."

Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden
nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken
niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag
Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles,
wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende
stem zijne inlichtingen te geven.

"Die ridder daar met de gele wapens," begon hij, "die een gekroonden
leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de
zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie
zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog
van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen
is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de
drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van
Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw,
groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op
donkerbruin veld met het opschrift "Miauw!" ter eere van zijne dame,
die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte
ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin
is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren
sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië."

Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en 't zou vermoeien
die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en
zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die
schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde
vetgemeste hamels was.

"Loop naar den drommel, heer!" barstte hij op eens los. "Ik zie noch
reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn
oog reikt."

"Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?" antwoordde Don Quichot. "Hoort
gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren der trompetten
en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?"

"Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!" verzekerde Sancho,
en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen,
en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en
rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.

"Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand," zeide
hij met fierheid. "Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en
berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de
overwinning zal met mij zijn."

Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij
Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel
den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: "Blijf, blijf, heer! Zoo
waar ik een zondig mensch ben, 't zijn enkel hamels en schapen,
waarop gij instormt!" Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.

Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen
door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit,
alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders
en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden
zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning
luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne
slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een
tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om
de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware
kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben
werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste
uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette
dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde
oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger
schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des
ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde
deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich
niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok van het paard
op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij
meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij
met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen,
pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en
lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.

Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan,
waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard
rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden
ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders
opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging
hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend,
toch weer half bij zijne bezinning.

"Nu," vroeg hij, "heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor
een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?"

"Sancho, gij zijt een ezel," antwoordde Don Quichot. "Merkt gij dan
niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft
veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij
de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan,
Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig
zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne
natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel
wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk
nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn
uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden."

Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die
den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden
verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te
werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al
wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn
armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem
overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig
merkte bij, wat het was, en kreeg zulk een gevoel van walging,
dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen,
wat deze hem had gedaan.

De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen
met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak
het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer
schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen
was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk
een dolzinnigen heer gebonden had.

Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met
moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van
zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte
zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje
stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.

"Sancho Panza," sprak de edele ridder, "gij zijt bedroefd om de
wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag
niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en 't zal spoedig
beter met ons gaan."

"Och wat!" bromde Sancho. "'t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren
gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch
onder worden."

"Wat!" riep de ridder, "de knapzak weg?"

"Nergens te vinden," antwoordde Sancho.

"Maar dan hebben we ook niets meer te eten."

"Geen sikkepitje," zei de schildknaap; "of we moeten het gras en de
kruiden kauwen, die de schapen overlieten."

"Dat alles zal zich wel schikken," troostte Don Quichot; "maar kijk
nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben
kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze
vroeger plachten te zitten."

Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde
en vroeg: "Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad,
gestrenge heer?"

"Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond."

"Heer," antwoordde Sancho, "bedenk wel, wat gij zegt."

"Vier zijn er geweest, zoo niet vijf," betuigde Don Quichot opnieuw.

"Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen," zeide de
schildknaap; "want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een
halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren."

"Ongelukkige, die ik ben!" riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd
uit. "Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een
mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is
meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich
voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen,
dolenden held!"

"Heer," zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig
te hebben aangehoord, "heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg
gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken,
want ik blaf van honger."

Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend
Rocinante. "Rij voorop, vriend," beval hij den schildknaap. "Ik wil
den weg volgen, dien gij inslaan zult."

Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig
eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden
landweg voort. 't Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij
dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden,
want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij
hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen
een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.

De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden
op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten
zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen
toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde
hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren
staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter
en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den
dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde
hij zich moedig en sprak:

"Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp
roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur."

"O wee, o wee!" zuchtte Sancho. "Daar komen weer reuzen en gedrochten,
en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal
't opnieuw weer slagen regenen."

"Geloof dat niet," antwoordde Don Quichot. "Al zijn 't ook nog zulke
grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken,
daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik
onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken."

"Ik wil mij goed zoeken te houden," zei Sancho Panza, hield zich
dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de
lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.

Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden,
die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat
zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde,
en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.

Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in
lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in
de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen
kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes
andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten
in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te
paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap
dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden
alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en
het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late
uur, de donkere nacht en de lijkbaar,--dit een en ander had ook den
dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.

Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don
Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem
de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op de baar
een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel
hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.

Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden
op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te
wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij
zijne stem en sprak:

"Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij
zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens
lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad
geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen."

"Heer ridder," gaf een der mannen tot antwoord, "houd ons niet op,
want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig
rekenschap van ons doen en laten te geven."

Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden;
maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege
beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend
riep: "Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al
de uwen bloedig tuchtigen en kastijden."

Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij,
steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te
voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat
kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel
op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard
tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk
verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en
't scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel
galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.

De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart
in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don
Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne
vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten
verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner
rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezen hakte de verwoede ridder,
zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne
mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels
meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich
al hun best.

Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij
was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste
verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de
machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.

Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte
op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand
ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn
muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en
gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man
des doods wilde zijn.

"Ach, heer ridder," stotterde de beangstigde man, "ik ben, gelijk
gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje
leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid
verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk
ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij
zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van
de kerk te slaan."

"Maar, bij mijn zwaard," schreeuwde Don Quichot, "als gij werkelijk
een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op
den grooten weg gebracht?"

"Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder," antwoordde de gevallene.

"En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord
op mijne eerste vraag geeft," riep Don Quichot.

"Ach, ik wil gaarne alles zeggen," antwoordde de man. "Ik en de twaalf
andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza,
en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder,
dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden."

"Wie heeft dien ridder omgebracht?" vroeg Don Quichot op barschen toon.

"Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete
koorts," was het antwoord.

"Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken," sprak
de dappere dolende held. "Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de
hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en
dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te
keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte
menschheid te hulp te komen."

"Ei, heer ridder," antwoordde de geestelijke, "bij mij is u dat niet
gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn
gebroken been u duidelijk kan bewijzen."

"Dat doet mij leed om uwentwil," betuigde de ridder; "doch gij hebt
dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond
behoorlijk antwoord op mijne vraag?"

"Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot
zoeken te troosten," zuchtte de geestelijke. "Maar, heer ridder,
wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder
mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en
stijgbeugel vastgeklemd."

"Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?" riep
Don Quichot. "Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden."

Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter
weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen
ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te
bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen
hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien
zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het
muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer
werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem,
zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis
te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En
Sancho Panza voegde er bij:

"En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeld
heeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van
de Droevige Figuur, is geweest."

Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn
schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige
Figuur te noemen.

"Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer," zeide Sancho Panza. "Kijk,
toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek,
moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste
en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien
heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet
geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo'n
geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt."

"Neen, dat is het zeker niet," antwoordde Don Quichot. "Maar wat ook
de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond
kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige
Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene
recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen."

"Die kosten kunt gij sparen, heer ridder," zei Sancho Panza. "Als
gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat
de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur
zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat
de honger en 't verlies van die tanden u zoo'n jammerlijk aanzien
gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.

Don Quichot lachte om Sancho's dol zeggen, maar bleef er toch bij,
dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige
figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar
lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder
tijdverlies voortzetten zou.






HOOFDSTUK IX.

DE MOLEN.


't Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar
door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal
uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten
zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt,
en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel
van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop
volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam,
braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de
donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun
weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks
twee passen ver zien konden.

Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen
als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging
gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu
eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en
ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen,
met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij
was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind,
die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid,
de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het
loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend,
schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te
doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een
popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante,
greep lans en schild en sprak:

"Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen, gelijk
nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig
te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij
dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier
op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien
tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan
mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten,
dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held,
onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is."

Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe,
en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den
zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster
om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en
ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn
ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk
het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef
toen onbeweeglijk staan.

Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:

"Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat
gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen
verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch
het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij
zoudt geen stap verder voortkomen."

Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar
Sancho's woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los,
zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van
het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij
alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat
Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij,
zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten,
wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou
komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel
bijna gehuild hebben van ongeduld.

"Troost u, gestrenge heer," voegde zijn guitachtige schildknaap hem
op deelnemenden toon toe, "troost u, want ik wil u, tot de dag komt,
een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt
komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten."

"Neen, ik zal niet afstijgen en slapen," verklaarde Don Quichot;
"maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren."

"Goed, gestrenge heer," zeide Sancho. "Luister dan goed toe en val
mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt
niet dulden kan."

"In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen
een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten
hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz."

"Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we
uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen,"
viel de ridder hem verdrietig in de rede. "Spreek als een verstandig
mensch, of houd liever den mond dicht."

"Goed, goed, heer!" riep Sancho Panza en vertelde verder.

"Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden
dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met
de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman
om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd
geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam
een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug,
nam weer eene geit en bracht haar ook over.--En nu, gestrenge heer,
tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er
ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den
besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.--De gindsche oever van de
rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon
glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de
geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog
eene geit naar de overzij."

"Maar, domme kerel," riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig,
"neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten,
en vertel dan verder."

"Ja, dat gaat niet," antwoordde Sancho. "Hoeveel geiten zijn er
nu over?"

"Hoe drommel, weet ik dat?" riep de ridder.

"Daar hebben we 't al!" zeide Sancho Panza. "Nu is mijn vertelsel
uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de
geiten dan ook niet beter geteld?"

"Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan
toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder."

"Neen, nu gaat dat niet meer," antwoordde Sancho, de schouders
ophalend. "Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren,
raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het
hoofd gegaan."

Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang
doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te
kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het
tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij
maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.

Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen
te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en
maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed
voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste
van alle avonturen te beginnen en te bestaan.

Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich
in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken
het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend
stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem
zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg,
terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.

Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen
waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te
midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval
zich in de diepte neerstortte. Aan den voet daarvan lagen eenige
ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk,
dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante
werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het
aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn
steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend
geraas aan.

Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen
Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk
rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.

Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige
oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust,
vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat
waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de
kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond
in voortdurende trilling en schudding hielden.

Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek
van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken
en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn
weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en
schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden,
maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van
pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders
mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen
en hij zelf hartelijk meelachen moest.

Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed
hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles,
wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken
had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef
nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen
zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar
slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op
eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige
en bescheiden houding weder aan.

"Vergeef mij, gestrenge heer," zeide hij; "ik gekte maar wat."

"Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken," antwoordde
de ridder. "Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw
onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven."

Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde
grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester
had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene
zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho's voorstel
geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich
rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.

Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog,
die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don
Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich
tot zijn schildknaap om en zeide:

"Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo
bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op
zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino,
draagt."

"Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!" antwoordde Sancho
Panza. "Wees niet al te voorbarig!"

"Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag
zoo kunnen vergissen?" riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon
te raken. "Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij
den gouden helm op zijn hoofd niet?"

"Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen
ezel, die veel van den mijnen heeft," was het koele antwoord. "Wel
heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht
onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet."

"Het is de helm van Mambrino, domkop!" schreeuwde Don Quichot. "Ga op
zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien,
dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal."

"En toch is het geen helm," bromde de schildknaap.

"Hondsvot, rekel, zwijg!" riep Don Quichot vol woede. "Als gij nog
een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken."

Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho 't maar het verstandigst,
op zij te gaan en geen mond meer open te doen.

Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er
ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook
maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne
verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om
zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede
man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank
geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op
des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn
oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een
appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in
werkelijkheid niets van bestond.

In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan
geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne
lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder
genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was,
schreeuwde hij hem toe: "Verweer u, roover en dief! of sta af, wat
u niet toekomt!"

De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden
lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel
liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle
lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat
noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene
snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.

Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken;
want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd
gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval
zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde,
terwijl hij zeide: "Waarachtig, een heel goed scheerbekken, en onder
broeders zijne acht realen waard."

Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die
het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te
vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide:
"Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer
maar, dat de helft van den helm ontbreekt!"

Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij
zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en
proestte het hardop uit.

"Waarom lacht gij?" vroeg Don Quichot dadelijk.

"Ei," antwoordde de schildknaap, "ik lach, als ik mij den dikken kop
voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben."

"Sancho, gij spreekt onverstandig!" zeide de ridder op berispenden
toon. "Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker
is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch
gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te
weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken,
maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat
op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in
eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo
laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien
Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd
heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen
gevalle is hij beter dan in 't geheel niets en kan hij mij desnoods
tegen een steenworp dekken."

"Als die maar niet uit een slinger komt," merkte Sancho spotachtig
aan. "Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor
een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de
eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en
krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als 't mijn eigendom was."

"Gij moogt het u niet toeëigenen," antwoordde Don Quichot. "Het zou
onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel
stilletjes staan."

"Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn
zadeltuig voor mijn dier meepakken," mompelde Sancho Panza en ging
dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester
daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op,
zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen
op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit
was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante
over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg,
zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.






HOOFDSTUK X.

HOE DON QUICHOT EENIGE ONGELUKKIGEN IN VRIJHEID STELT EN WAT HEM
VERDER OVERKOMT.


Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken
verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne
oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan
handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen
met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te
voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide:
"Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning
naar de haven worden geleid."

"Wat, tot dwangdienst?" riep Don Quichot verontwaardigd uit. "Doet
de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?"

"Dat zeg ik niet," sprak Sancho. "Die menschen zijn boosdoeners,
die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn."

"In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar
gedwongen daarheen?"

"Ja, zoo is het," zeide Sancho.

"Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand
verleenen," sprak Don Quichot.

"Maar in 's hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid,
en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf
heeft veroordeeld," riep Sancho angstig.

Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling,
en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de
wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te
willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen
geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het
schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht,
en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.

Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar
toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: "Niettegenstaande dat
wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van
zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren,
mij daarin niet hinderlijk zult zijn."

Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg
den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen
toestand was geraakt.

"Dat moogt gij gerust weten," antwoordde de kerel. "Kijk, ik was op
een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig
gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie
mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde
honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar
drie jaren lang vrij kost en logies te geven."

"En waarom zijt gij geboeid, vriend?" vroeg Don Quichot aan den
tweeden uit den troep.

"Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te
bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen
kunnen zeggen."

"Dat is waar," zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn
vergrijp.

"Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen,
juist toen ik die noodig had," antwoordde de schelm.

Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele
gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren,
die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne
boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag
vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange
galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond
als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.

Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig
onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:

"Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder
verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten
gaan, waarheen 't hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine
verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede
en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er
op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen."

De wachters lachten hardop.

"Ge schijnt mij een rare snaak toe!" riep hun aanvoerder. "Maak,
dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan
niet met dingen, die je geen zier aangaan!"

"Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!" schreeuwde Don Quichot vol
woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen
tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond
lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een
oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als
verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden,
tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot,
die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande
dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen
zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne
boeien te verbreken en zich in vrijheid te stellen. Het gevolg was,
dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden
moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op
de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten
weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens
van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had,
greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij,
zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende
houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al
Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen
hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij
geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.

Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch
niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur
denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de
wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan
de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn,
dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar
het nabijgelegen gebergte namen.

"Zwijg stil!" voegde Don Quichot hem barsch toe. "Ik weet best,
wat mij in dit roemrijk geval te doen staat."

Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten,
hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar
Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht
brengen zouden.

"Hoor, uwe edelheid," gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot
antwoord, "daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk
naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de
lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede
diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet."

"Hoe is dat, ondankbare snoodaard?" vroeg Don Quichot ten hoogste
verontwaardigd. "Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der
dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien
gij te doen hebt."

Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het
met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest
wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind
ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu
zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en
zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn
schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel
wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don
Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne
kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos,
of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken
van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg
den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den
wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn
broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner
rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn
bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet,
waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer
opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.

Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen
op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins
en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof 't hem verwonderde,
dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu
toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al
zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede,
en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over
de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand
ondankbaar behandeld hadden.






HOOFDSTUK XI.

SANCHO PANZA VERLIEST ZIJN EZEL EN DON QUICHOT SPEELT VOOR GEK.


Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking
der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:

"Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en
vergeefsch werk doet, als men aan 't gemeene volk weldaden bewijst. Die
schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond,
en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in
te laten."

"Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs
wordt," antwoordde Sancho Panza. "Voorts is 't maar best, dat wij
ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor
dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen
kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie,
dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten."

"Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw
verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop,
dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal."

Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk
zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op
de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der
roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en
zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden
hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena,
waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen
hun nachtleger opsloegen.

Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun
ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte
toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden
arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen
zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd,
hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met
alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps
langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo
hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds
uren ver van de beroofde twee verwijderd.

De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de
kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho
Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het
zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij
vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat
ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.

"Ach," lamenteerde de knaap, "ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap,
mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in 't vleesch
van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!"

"Kom, kom, Sancho, bedaar, man!" trooste de ridder zijn weeklagenden
dienaar; "gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben,
die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van
geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij
dieper in het gebergte komen."

De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de
grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.

Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer
verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en
avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke
woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo
diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho,
die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij
had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een
gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen
zou. Ten laatste werd het hem echter toch al te erg en besloot hij,
op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.

"Heer," begon hij, "ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven
en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met
vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de
wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg
geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve."

"Sancho Panza," antwoordde de ridder, "daar is raad voor, want weet,
dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot
den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen
heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig."

"Is er gevaar bij, heer ridder?" vroeg Sancho Panza.

"Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van
uwe werkzaamheid af."

"Van mijne werkzaamheid?" vroeg Sancho verwonderd.

"Zeker, mijn zoon," luidde des ridders antwoord, "want weet, dat, zoo
gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert,
gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf
een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn,
mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis
van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem
na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet
geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald
word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij
zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich
gedurende dien tijd Beltenebros."

"Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea
versmaad?" zeide Sancho Panza.

"Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho," antwoordde Don
Quichot; "want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen
dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over
praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden,
en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar
mijne aanbiddelijke meesteres Dulcinea van Toboso begeven en haar een
brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat
zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen."

Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen
moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot
voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die
rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene
heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit,
dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den
edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst
geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond
den vrijen teugel te vieren.

"Ha, ha!" riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek
was geworden, "ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil
beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje
tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit
is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door
de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen."

Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard
zakken en gaf dat een slag op den rug.

"Vlucht weg," riep hij dat toe, "vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef
u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den
waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim
in bosschen en wildernissen rond."

"Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer
ridder," zeide Sancho Panza; "maar toch reken ik 't beter, dat ik
maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea
aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn."

"Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest," antwoordde de ridder van de
droevige figuur. "Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in
mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen
berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb."

"Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb,
heer?" vroeg Sancho Panza verwonderd.

"O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen
uit het hoofd kijkt," antwoordde de ridder. "Vooreerst moet ik, daar ik
nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden
ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens
te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer
dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet."

"Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer," antwoordde de schildknaap;
"maar wees in 's hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd
tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken
en punten. Als ge toevallig op zoo'n punt te land kwaamt, kon 't met
alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat
die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan
met het hoofd in 't water te plompen of met vooraf een week, zacht
ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik
wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren
haar te berge rijzen. 't Is toch alles maar fopperij en malligheid,
edele heer!"

"Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling,
vriend Sancho," antwoordde Don Quichot. "Al de dingen, die ik wil
uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik
zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en 't zou dus niet
kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor
aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet."

"Heer, al 't linnen is met den ezel naar de maan gegaan," verzekerde
de schildknaap. "Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met
het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten
en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij
zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb,
en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen
van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over."

Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. "Gij hebt gelijk,
Sancho," zeide hij. "Doch hoe moeten wij 't aanleggen, om den brief
klaar te krijgen?"

"Ja, en 't papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,"
voegde zijn schildknaap er bij.

"Juist, juist!" riep Don Quichot, "dat mogen wij niet vergeten. Ik zal
alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten
den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren."

"Maar hoe moet het dan met de onderteekening?"

"De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit
onderteekend," verzekerde Don Quichot.

"Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan," zei Sancho;
"maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar
moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als
een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten."

"Dat is zoo," erkende Don Quichot, "en ik zal dus de lastgeving in
het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat
ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt
gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de
ridder van de droevige figuur.--Daar Dulcinea niet lezen kan, voor
zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen,
en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij
door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales,
zeer streng wordt opgevoed."

"Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge
en edele gebiedster?" vroeg Sancho Panza heel verwonderd.

"Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche
heelal te worden verheven."

"O, haar ken ik wel," zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik
schudde. "Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo
goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren,
dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een
trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe
boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwe hooge en
edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een
prinses of een koningin of zoo'n andere voorname hoogheid. Dat valt
me dan danig tegen! En 't is maar een geluk, edele heer, dat al de
lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe
gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij 't vlashekelen of
druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig
hebben bespot en uitgelachen."

"Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!" riep Don Quichot
verstoord. "Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste
en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele
zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren."

"Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene
schoonheid tevreden is," verklaarde Sancho Panza. "Schrijf nu den
brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan."

Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang
en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien
klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het
stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval
het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren
gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.

"Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af," zeide hij,
"en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren
zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak,
dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo'n
langen brief."

De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op
een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der
ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren
aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral
goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend
afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering
van zijne taak was.

"Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder," zeide Sancho. "Geef
mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar
niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, daar ik
er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er
versteld en verbijsterd van staat."

"En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden
met eigen oogen aanschouwdet," zeide Don Quichot. "Gij kunt dan
bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien,
en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene
van mijn hart maken."

"Neen, neen, laat dat rusten," antwoordde Sancho. "Wij hebben nog
gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten
krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons
beiden meer."

"Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon," zeide Don Quichot. "Al
waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar
niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier
in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt
het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven."

"Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!" zeide Sancho. "Maar nog één
ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze
schijnt mij vrij wat afgelegen, en 't zou een leelijk ding wezen,
als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden."

"Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het
hoofd," antwoordde Don Quichot. "Ik voor mij zal dezen omtrek niet
verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste
toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt
gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den
grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers
in mijne nabijheid terugbrengen."

"Welaan, dat wil ik doen," riep Sancho en sneed al dadelijk een
voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn
zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante
en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver
gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:

"Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad
zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan
met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek
zijt geworden."

"Ziet gij wel, dat ik gelijk had?" riep Don Quichot verheugd
uit. "Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen."

Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren
uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop
buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke
bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven
alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging
van zijns meesters dolheid weg kon rijden.

Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne
luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om
daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of
eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig
nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen,
omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen
uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij
zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten
naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te
maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een
menschenkind gedicht is.






HOOFDSTUK XII.

HOE DON QUICHOT UIT HET ROTSDAL BEVRIJDT WORDT.


Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam
al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den
volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige dagen door
eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het
oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd
opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij
juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk,
in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen
wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van
zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare
dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar
door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.

Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten,
die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: "Kijk eens,
heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder
Don Quichot op avonturen is uitgegaan?"

"Ja, waarlijk, hij is het," antwoordde de pastoor, "en hij zit op
den knol van zijn meester."

Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor
en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de
huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken
verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij
naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets
van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem:
"Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?"

De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht,
doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn
meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf,
dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen,
waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.

"Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho," sprak de barbier, die
terstond begreep, hoe het was, "als gij niet zeggen wilt, waar de
ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord
en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus
ook uw meester terugbezorgen, of 't zal leelijk met u afloopen."

"Ho, ho, maar zoo driftig niet!" riep Sancho Panza op barschen toon,
alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust
maakte. "Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan,
en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het
gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt."

Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al
de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat
hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo
een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met
verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen
graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu
van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen
nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief
te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso
geschreven had.

Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te
voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest
verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde
in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij
haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht
sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor
verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem,
waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.

"Daar is mij 't grootste ongeluk van mijn geheele leven
overkomen!" huilde Sancho. "Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan
ieder althans een gravenslot waard was."

"Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?" vroeg de barbier.

"Wel, doodeenvoudig," antwoordde Sancho. "Ik ben het zakboekje kwijt,
waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de
door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht
mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren."

De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen
heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezels af
te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust,
terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude
kleeren scheen te raken.

"Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen
gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,"
zei hij op onverschilligen toon.

"Toe dan, zeg hem ons voor," antwoordde de barbier. "Wij willen hem
dan later op papier brengen."

Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren
en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven
in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan
het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den
grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep
eindelijk in zijne verlegenheid:

"Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van
den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was:
Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!"

"Alleronbeperktste zal er gestaan hebben," zei de barbier lachend.

"Ja, ja, zoo was het vast," zeide Sancho; "en dan kwam verder: "De
verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en
ondankbare jonkvrouwe!" en zoo al voort tot aan het slot, dat was:
"De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de
Droevige Figuur."

De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden,
en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond
daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere
geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in
de herberg ook maar met een woord te reppen.

"Als mijn meester," zoo vervolgde hij, "zijne penitentie in het
rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een
keizerschap of toch voor 't minst een koningschap te veroveren. Zoo
hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en 't kan niet
anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel
licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn,
dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en mij
tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als
heel Spanje is."

Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en
innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol
verwondering de hoofden schudden.

"Hoever," fluisterde de pastoor den barbier toe, "hoever moet het
met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van
dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!"

Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza
uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar
gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog
vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op
de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute
plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer
of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.

"Wat!" vroeg Sancho, "kan een dolend ridder ook aartsbisschop
worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene
belooning te wachten!"

"Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette
prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats," antwoordde
de pastoor.

"Welaan," verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende,
"dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar 't voor hemzelf het
best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen."

"Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho," sprak de
pastoor. "Doch 't wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer
van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe
hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom,
vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd."

Sancho's schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden
en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang
buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne
uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot
pleizier doen, indien zij hem eene portie warm eten en Rocinante een
maaltje gerst buiten wilden zenden.

De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho
aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den
hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.

Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de
pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en
Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer
praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders
dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming
was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw
te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele
dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan
opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende
edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en
hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om
het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene
gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat
Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft,
en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou,
den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen
en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.

Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de
uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een
vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en
werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter
maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart,
waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam
de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen,
en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen
gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij
vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg
ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen
had gehouden.

Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf
bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok
aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een
groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de
vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel
niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts
en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten
volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed
diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier,
dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen
langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin
vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling
der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.

Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de
pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds
hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te
leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de
schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn
aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden
zij hierop hunnen tocht.

Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de
boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te
dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die,
naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het
bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.

Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om
te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers
in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij
van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn
waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden
Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.

De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, en daar
zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare
begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te
ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame
poets te helpen spelen.

"Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen," zeide zij, "en kan die rol
recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb,
die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe
dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich
aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken."

De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder
ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en
Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen
kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte
zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit
den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig
uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd
was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor
de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij
vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.

"Zeker weet ik dat, vriend Sancho," antwoordde de pastoor, om den
schildknaap wat te foppen. "Deze schoone jonkvrouw is eene prinses
en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen
gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus,
die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste
vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid."

Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd:
"Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn
heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen
waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin
en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij
dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar
hoe heet de schoone prinses eigenlijk?"

"Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,"
antwoordde de pastoor; "en ik wil mijn uiterste best doen, om uw
meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken
toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?"

"Och lieve hemeltje," zeide Sancho Panza, "ik vond hem half naakt, in
't bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend
naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien
kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd."

Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond
de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho,
die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem
goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende,
en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren
kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame,
de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel
niet te bederven, vooreerst achterbleven.

Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een
maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat
dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij
nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den
voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende
palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame
viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar
oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden
toon de volgende toespraak:

"Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne
knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven,
de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden,
die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te
smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken."

"En ik," antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, "zal u niet
eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe,
voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan."

"Neen, edele heer," verklaarde de smeekelinge, "hier zal ik neerknielen
in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd,
welke ik smeekend van u durfde vragen."

"Welaan dan," sprak Don Quichot, "zoo zij uwe bede u toegestaan, mits
zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning
en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben."

"Tegen niets van dat alles strijdt zij," antwoordde de hulpzoekende
jonkvrouw en richtte zich op.

Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde
hem in het oor: "Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame
veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een
geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de
verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk
Micomicon in 't land van Aethiopië."

"Zwijg!" beval de ridder op barschen toon. "Zij moge wezen, wie zij
wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft."

Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: "Spreek, doorluchtige
jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?"

"Ik bid en smeek, hooge ridder," zeide de dame, "dat uw grootmoedig
persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen,
voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader
hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke
wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft."

"Het zij u toegestaan, edele dame," antwoordde de ridder met veel
grootmoedigheid. "Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig
aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht
verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons
moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit
talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort."

De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe
wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als
hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan
wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn
schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en
hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde, en nu riep hij:
"Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame
moet geholpen worden."

De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën
gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om 't niet hardop uit
proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag,
dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne
gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don
Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel
meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande
dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op
den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden;
en dan kon 't niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot
een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde,
bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers
zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij
het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen
van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.

Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het
gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea
het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten,
kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet,
omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk
met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt
was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met
hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen
Rocinante ten gebruike overlaten.

Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er
volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame
tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den
ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te
staan en achter dezen op het muildier te kruipen.

De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg
af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen hij nu
echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en
achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas
op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.

Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den
roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde
zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat
verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij
zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.

Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden
ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen
bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte,
bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen
maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo
vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op
en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.

Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte
Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn
meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en
pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en
van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten,
van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot
op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.

Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder
van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende
hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.






HOOFDSTUK XIII.

DON QUICHOT VELT EENIGE REUZEN EN WORDT NAAR HUIS GEBRACHT.


In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd
verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar
welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon
bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij
goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen,
dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don
Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in
hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig
avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes,
de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen
oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen;
doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar 's ridders
ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.

Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap
alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd
niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea
van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van
Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die
schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde
stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots
vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in
zijn kraam te pas kwamen.

"Nu, Sancho Panza," begon Don Quichot, nadat hij zich languit op zijne
legerstede had uitgestrekt, "waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke
Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over
mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen,
want die zouden u hals en hoofd kosten."

"Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen
doen overschrijven en overbrengen," antwoordde Sancho Panza met de
handen in het haar. "Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder."

"Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt
spelden," sprak Don Quichot uitermate tevreden. "Gij moet weten, dat ik
zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe
waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u,
het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg,
waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij
niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren
in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?"

"Neen, dat deed zij niet," bromde Sancho Panza verdrietig. "Zij was
bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften."

"Wat?" vroeg Don Quichot. "Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat
de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten
veranderden?"

"Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove,
gele tarwe."

"Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,"
verklaarde de ridder. "Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van
mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij
u mijnen naam hoorde noemen?"

"Neen, volstrekt niet," antwoordde Sancho. "Zij stond midden in het
dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei,
dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond
sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht
met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij,
dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer
van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme boerendeerne loopen en
houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want
gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen
schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft."

"Zwijg!" beval Don Quichot met somberen ernst. "Ik mag uw wensch niet
vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso
nog mijne hooge en verhevene gebiedster is."

Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn
ontvlammen. "Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste
gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona
niet trouwt!" schreeuwde hij. "Denkt gij, dat u elken dag eene zoo
goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt
geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is
als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet
waard de wezenlijke en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw
haar in 's hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar
zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en
mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt,
en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben
en mijne schaapjes geschoren heb."

Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren,
geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen
woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed
op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho's
breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.

"Neem dat, gemeene boerenziel!" riep hij alstoen, "en hoed u in het
vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te
brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen
moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg,
zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken
schedel zal stampen."

Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche
bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige
Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen
uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op,
dook in een hoek neer en hield zich doodstil.

Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er
in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal
besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw
op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om
hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van
de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder
zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde
dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was
vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.

"Als wij hem eens daar hebben," voegde hij er bij, "zullen wij wel
zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt."

Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht
ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider
stemme riep: "Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp,
want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld,
dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo
waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de
prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk
glad van den romp heeft weggesabeld."

"Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?" vroeg de pastoor. "Zijt
ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot
dien reus geveld hebben, daar hij voor 't minst twee duizend mijlen
ver van hier woont!"

Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders
kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.

"Halt, roover," brulde hij, "halt, schandelijke booswicht! Ik heb u
nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist
in splinters worden geslagen."

En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige
houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis
er van trilde.

"Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn
meester bijstand te verleenen?" riep Sancho Panza. "Gaat in de kamer,
scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van
alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig
zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt
zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode
leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over
den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte
van een wijnzak had, in een hoek zien liggen."

"De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!" riep nu op eens
de waard. "Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol
rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht,
en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken
gezien heeft."

Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle
overigen volgden hem.

Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld
aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën
reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd;
hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich
daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn
verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links
steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en
stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten
was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen
vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand
verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld,
dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus,
die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven
en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die
met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht,
dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn
degen geboorde gaten stroomde.

Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een
woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig
op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was
niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren
geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.

Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met
zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet
wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol
ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam
uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en
te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke
verwoesting hij had aangericht.

Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon
dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: "Ik wist al lang,
dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze
zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar
ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik
met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde
na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein."

"Gij stomme rekel!" bulderde de waard, "wat leutert ge daar van bloed
en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders
is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd
totaal bedorven heeft?"

"Wat zou ik weten?" snauwde Sancho daartegen in. "Ik weet alleen,
dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet
vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd
naar de maan!"

De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de
beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht
hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder
noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal,
d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.

Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende,
zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. Hij viel
voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan,
als volgt:

"Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste
prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid
leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen
door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn
ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse
Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb."

"Hoort gij 't nu wel?" riep Sancho vroolijk. "Heb ik 't niet gezegd? Ik
sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den
reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan."

Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder
en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd
voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.

Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de
pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes
toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk
insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg,
namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus
niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld;
doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd
over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken
lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de
begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling
eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten,
in de hand drukten.

Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den
maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare
begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid,
droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar
te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden
ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de
verte verdwenen was, verklapte men aan Sancho, hoe 't met de zaak was
gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie,
welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem
echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen,
en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde
plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne
woonplaats terug te brengen.

De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter
kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne
zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de
prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem
volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats
van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en
dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man
stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu
zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen,
om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.

Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de
betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld,
en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en
gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en
noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop
besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier
van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels,
en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.

De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich
tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor
vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel
zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk
uit het hoofd drijven zou.

Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een
avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna 't
leven kostte.

Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet,
keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in 't wit gedoste
lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar
allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart
naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken,
dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de
verdorde velden doen neerruischen. Bij 't zien van hunne zonderlinge
en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte
in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder
verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd
hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat
namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze
schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.

Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld,
greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met
geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met
dreunende stem:

"Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen,
dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor
het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende
ridders behooren."

Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen
had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken
galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de
geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich
heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot
was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder
tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.

"Heer, bedroefde ridder," schreeuwde hij hem na, "waar wilt gij
dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij
zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet,
dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op
dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? God
helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet,
en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!"

Zoo brulde Sancho; doch 't was, zooals gezegd is, voor doovemansooren
gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede
vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in,
dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan
had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne
razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning
meer tegenhouden.

Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros
in en riep met dreigende stem: "Gij daar in witte kleederen, die uwe
aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in
het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!"

De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk
ook de eersten, die 's ridders toeroep vernamen en vol verbazing
bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij 't zien van de
wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk
voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:

"Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te
deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als 't wezen kan,
niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun
lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij
mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang
van stijl zijt, zwijg dan li

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/28469