Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Natuur en Menschen in Indië

by Augusta de Wit · Dutch · Gutenberg #28259 · 729,301 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Natuur en Menschen in Indië
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Natuur en Menschen in Indië

Author: Augusta de Wit


        
Release date: March 6, 2009 [eBook #28259]
                Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/28259

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
        https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NATUUR EN MENSCHEN IN INDIË ***




Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/








                             Augusta de Wit

                      Natuur en Menschen in Indië

                          Met 45 illustraties



                       Nederlandsche Bibliotheek

                      Onder leiding van L. Simons


                Boeken zijn de universiteit onzer dagen.

                            Uitgegeven door:
            De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
                               Amsterdam








AANKOMST


Sabang op Poeloe-Weh


Dit rotsige eilandje dan, is de uiterste spits van Indië, de
ver-vooruitspringende kaap van die wereld van bergen, te allen kant
door zee omgolfd. Bij het flauwe wisselvallige schijnsel dat van maan
en sterren uit een lucht vol drijvende wolken valt, zien wij het
zwart en steil opstaan uit zee, een duister berggevaarte dichtbij,
daarachter in wijden zwaai de verte in wijkend een baai, waarvan
de heuvelige kust als een lager gezonkene, dichtere, donkerdere
wolk tegen den hemel ligt. Een enkel groot licht schijnt uit die
duisternissen. Is het een ster? is het een sein?

Het schip streeft recht op de wijde baai toe. Van de brug af, waar
ik sta, is het zonderling om te zien, die smalle wig van planken
met de dunne lijnen van de reeling er om heen, en daarboven het als
spinneweb zoo teer toonende takelwerk, dat licht op en neer beweegt
tegen de sterrelucht; zoo smal, zoo broos, zoo fijn alles, midden door
die geweldig golvende zee zijn eigen onnaspeurlijken weg houdend,
recht op dien zwarten muur van rotsen aan, waartegen een enkele van
die onafzienbaar lange golven het wel te pletter lijkt te kunnen
slaan. En wat is dat ster-achtige licht nu, daar zoo ver?

Plotseling vlamt een purperen gloed over de plecht, de brug, tegen
mast en schoorsteenen omhoog. Twee matrozen zwaaien fakkels rood
Bengaalsch licht, een op het dek, de ander hoog op den schuins
omhoogstrevenden tentbalk, op de uiterste hoogste spits van het
schip. In zijn beide, steil opgestrekte handen zwaait hij de fakkels
hoog boven zijn hoofd. Wolken purperen licht en rook waaien uit die
wervelende vlammenbronnen. Vuurrood staat de halfnaakte fakkelzwaaier
met zijn steile armen en achterover geworpen hoofd, vuurrood de
dicht opeengedrongen drom mannen, haastig uit het donkere diep van
het schip naar boven gerend om den eersten blik op de Indische kust,
vuurrood aan weerszij van die smalle wig menschen de zee, waar het
schuim, in lange lijnen schuins wegstrevend van den boeg, bloost als
een strooisel rozen. En, meteen, flikkeren, ontelbaar, lichtjes op uit
die bergachtige duisternis vooruit en veranderen het gesteente in een
woonplaats van menschen. Het Bengaalsche licht is het sein geweest,
dat het naderende schip de mail aan boord heeft; nu haast alles in
Sabang het tegemoet. Als wij aankomen staat de pier vol menschen. In
het electrische licht schitteren de witgekleede Hollanders fel uit
de bonte menigte van inlanders en Chineezen te voorschijn.

Wij gaan aan wal om de haven-inrichtingen te zien, waarheen de
waarnemende administrateur van de maatschappij Sabang ons vriendelijk
zijn geleide heeft aangeboden.

Sabang is trotsch op die inrichtingen--vijf electrisch gedreven
kolentips, en uitmuntend ingerichte loodsen langs een verre lengte
van de prachtige haven. De natuurlijke voordelen van de diepe, tegen
zeegang en wind van alle zijden beschermde baai zijn door zulk gerief
zoozeer verhoogd, dat Sabang nu voor de beste en best-ingerichte
haven van het geheele Oosten wordt geroemd, en dat door de zeelui
van allerlei landaard die hier komen kolen innemen. De Engelschen
maken geen uitzondering. Zij spreken met de daad de meening tegen,
indertijd door de naar Poeloe-Weh afgevaardigde deskundigen tegenover
de Engelsche regeering geuit: dat de baai voor een haven niet geschikt
was: Veel Engelsche schepen vallen hier binnen.

Een groote handelshaven zal Sabang echter eerst kunnen worden
wanneer haar achterland Atjeh, en met name de peper-cultuur aldaar,
zich ontwikkelt.

Het werkvolk dat de haven, de electrische centrale en de gasfabriek
bedient--ijs wordt hier met behulp van uit Europa geïmporteerd
zwavelig zuur gemaakt van het water uit het meertje, waaraan Poeloeh
Weh (zoetwater-eiland) zijn naam ontleent--het werkvolk bestaat niet
uit eilanders, maar uit Javanen van Midden-Java en Chineezen, enkele
Arabieren ook. Sabang is alweer een van de vele sluizen waardoor Java
en China hun te veel aan hongerige menschen spuien. De Chineezen zag
ik bij mijn aankomst aan het werk, in de kolenloods, waar zij den tip
bedienden--bij zestien tegelijk hingen zij de volle zware kolenmanden
aan de sterk-gehaakte kettingstreng, die ze de hoogte in trok of ze
de slurf geweest ware van het olifantachtige monster dat daar zoo
zwart en geweldig omhoog stond, den kop uitgerekt over het schip.

De groote hoed, dien zij als bescherming tegen het neerstuivende
kolengruis droegen, hield hun gezicht in de schaduw: maar aan hun
bouw--zij liepen half-naakt--en meer nog aan de vlugheid en veerkracht
van hun bewegingen was te zien dat zij jong waren, welgevoed en
gezond. Ik hoorde hen prijzen verre boven de Javanen, om hun ijver
en werklust. Bij den bouw van de haven, zeide men mij, toen de zware
blokken koraalsteen opgestapeld moesten tegen de zee, arbeidden de
Chineezen met een voortvarendheid, of zij, om het loon niet enkel,
maar om het werk zelf ook, met pleizier in wat zij tot stand brachten,
zich inspanden: zij lachten, als een moeilijk te verplaatsen blok ten
laatste goed lag en vast. Terwijl de Javanen onverschillig en loom
waren. Hun minderheid in spierkracht en algeheele vitaliteit bij de
Chineezen vergeleken, schijnt mij een bijna voldoende verklaring voor
die minderheid van hun werk. Zoowel Chineezen als Javanen schuiven
en rooken opium.

Ik zag den volgenden ochtend de wijk van het werkvolk, waar inlanders
en Chineezen van elkander gescheiden wonen in op het oog zindelijke,
ruime, wèl-gebouwde huizen, aan weerskanten van een goed-gerioleerden
weg. De Chineezen zijn hier--volgens hun gewoonte--zonder gezinnen. Van
de Javanen hebben sommigen hun vrouw bij zich. Een aantal vrouwen zag
ik in een groote koele schuur aan het malen van de rijst, volgens
een methode, die de korrel het binnenste vliesje, het zoogenaamde
zilvervlies, laat behouden. Het dieet van rijst met het zilvervlies is
een afdoend voorbehoedmiddel gebleken tegen de beri-beri, waaronder
het volk vroeger zwaar te lijden had. De korrel is echter minder
oogelijk dan de gepelde blanke rijst. Vandaar een vooroordeel ertegen,
dat nog altijd niet geheel overwonnen is. In zake uitbetaling van het
loon, voedselverstrekking en feestdagen worden Javanen en Chineezen
behandeld elk volgens zijn nationale gewoonten. Die ik zag waren allen
welvarend van voorkomen, en de vrouwen ordentelijk, zelfs min of meer
sierlijk, in de kleeren. Voor enkele huizen stonden bloemen: de kleine
jasmijnstruik, die hier melatih heet, een roosje, een Canna, in een
oud petroleumblik op de trap, een oleander of een citroenboompje in den
vollen grond ervoor. Er groeiden vruchtboomen in de ruimte tusschen de
huizen, bananen, kokospalmen, brood-boomen, die met hun breed spreidend
gebladerte het zinken dak der huizenrij koel hielden. In de groote,
gemeenschappelijke keuken voor de Javanen waren vrouwen bezig met het
morgen-maal. Er lag iets opgewekts in het voorkomen van het geheele
koelie-dorpje, menschen en dingen. Ik nam mezelve stellig voor terug
te komen om de al te vluchtige indrukken te verdiepen, en tevens, na
de menschen ook de natuur van Poeloe-Weh te leeren kennen. Zij moet
zeer schoon zijn: van de kust af is dat al wel te zien; en ik hoorde
wonderen van de "zeetuinen"--de banken en zandplaten met allerlei bont
en zonderling zeegewas begroeid, waarboven, in het lucht-klare water,
de prachtig-gekleurde visschen spelen.

Over de reeling der Willem II geleund, zag ik nog lang naar de
schoone welig-groene bergen en den wijd-uitgegoten glans der baai,
waar een vloot van spiegelende schepen dreef. Strak en zwart stonden
de reikhalzende kolentips tegen den vroeg-ochtendhemel. Daar ginder was
de ijsfabriek--een stukje door menschen gemaakten winter, onaantastbaar
onder den gloed der tropische zon; en de electrische centrale ernaast,
die een elementaire kracht temt tot drager van lasten en stoker van
vuren, in dienst van meesters, duizenden mijlen ver weg. De koelies,
Chineezen, Javanen, Arabieren, aan het lossen van alweer een ander
schip, waren te zien als een bonte wemelende hoop, waar hier en ginder,
in bevelende houding, een witgekleede Westerling tusschen stond: een
"Europeaan," als men hier, kenteekenend, zegt voor Hollander.

Een overstelpend rijke en schoone natuur, bijna ongerept nog, en te
midden daarvan, zonder eenigen overgang of geleidelijkheid, toegepaste
wetenschap en modern grootbedrijf; een heterogene groep Westerlingen
als vertegenwoordigers van een enkel blank heerschers-ras staande
tegenover een heterogenen drom Oosterlingen, samengesmolten tot éen
enkel bruin ras van overheerschten; en over alles heen dat tijdelijke,
voorloopige, het altijddoor komen om weer weg te gaan: het waren de
elementen van het leven in Indië, die daar, op het rots-eilandje,
zichtbaar, naast elkander lagen.

Terwijl Sabang weggleed achter de ronding van den gezichtseinder,
dacht ik: "Dit is dan de inleiding geweest."






JAVA


Van Tandjong Priok naar Djombang


Neen, ik geloof niet dat het ergens op deze schoone wereld schooner
is dan hier op Java! Zooveel schoons heb ik toch al gezien; maar
zoo veel en zoo velerlei allerschoonst als nú, hier, nooit nog,
nergens. Bijna zeven uur lang onderweg van Tandjong Priok naar
Bandoeng in de Preanger: na de rustpooze van den nacht, 's ochtends
om 6 uur verder tot 's avonds 7, toen de trein stilhield aan het
Djombangsche station: in die haast twintig uur, en op dien afstand
van het uiterste Westen tot den Oosthoek van Java zag ik, altijddoor,
ontelbaar, in de bontste verscheidenheid, en onophoudelijk veranderend,
alle schoonheden van hemel, licht, atmosfeer, van velden en tintelende
heuvels, stroomende wateren, bergen blauw tegen de blauwe lucht, een
vlakte wijd uitgegoten als de zee zelve; van jaargetij en klimaat,
anders in de vlakte, anders in de hoogte, stroomend van regen hier,
dor en heet nog elders; en van menschelijk werk en bedrijf ook,
dat, het schoonst van alles, met al die schoone verandering van
uur en grond en seizoen mede veranderde. Het was zulk een feest,
zoo overvloedig, dat de oogen en de gedachte niet dan een duizelend
deel van den rijkdom grijpen of vasthouden konden.

Van Tandjong Priok naar Batavia loopt de weg door een moeras-streek,
ruig van een haast-verbijsterend rijken groei van onnoembaar-vele
soorten heester-gewas met varens en palmen vermengd, waar hier
en ginder boomgroepen uit opsteken, en, overal, bij duizenden de
wijd-open lichtpaarse bloemkelken van een weelderig slingerkruid
overheen gestippeld liggen. Dan komen, even, de vóorstations van de
stad: Weltevreden en Meester-Cornelis. Tusschen witgekleede Hollanders
staan Chineezen gestaart, maar verder op zijn Europeesch gekleed: en
daar wachten sierlijk gekleede Javaansche vrouwtjes op den "vuurwagen"
die hen naar stad zal brengen; een venter van vruchten en zoetigheidjes
zit op den grond gehurkt, tusschen zijn volle manden; door open
deuren heen komt een breedte van het stationsplein te zien, en een
reeks tweewielige rijtuigen met heel kleine hitjes bespannen. Dan
verdwijnt dat alles weer. Een inlandsche wijk komt te zien langs de
lijn. Daar staan, ieder op zijn eigen, door een bloeiende haag omsloten
erf, aardige huisjes, met het karakteristieke dak; het lijkt op een
zittenden vogel, hals opgerekt, vleugels uitgespreid--dat zelfs aan het
armelijkste Javaansche hutje zulk een sierlijk voorkomen geeft. Veel
van die erfjes zijn met vruchtboomen beplant, als moestuin aangelegd;
en de tuiniers zijn er aan het werk, terwijl hier en ginder, onder
een afdakje, een vrouw te voorschijn komt om den trein na te kijken,
en een paar naakte kinderen die met jonge geitjes sollend, op een
draf naar de heg geloopen komen, krijschend van pret. Nu verdwijnt het
gehuchtje, het laatste eenzame hutje verdwijnt. Het landschap begint
te golven, de weg stijgt, aan weerskanten komen heuvels op. Overal,
uit het pluimige groen van bamboeboschjes te voorschijn, die luchtig
aan de hellingen hangen, wuivend op den lichten wind, breken beekjes
te voorschijn en wit-beschuimde kleine watervallen. De heuvels worden
steiler, de spoorweg loopt nu vlak langs de hellingen, halfweg er
tegen op nu en dan, door een kleine tunnel dan weer, een eind verder
over een brug, die de bocht van het tracé mede-makend over een ravijn
heen is gebouwd. Telkens als de heuvelwand uiteen wijkt verschijnt
een prachtiger vergezicht, over een voorgrond van rijstvelden, in
trage glooiïngen klimmend, heen, naar al hooger en steiler stijgende
hoogten in de verte. Met zonsondergang is de hoogvlakte van Bandoeng
bereikt, flonkergroen binnen een hemelwijden kring van bergen.

Den volgenden dag om 6 uur begon de reis van Bandoeng naar Djombang. Nu
was het nog veel heerlijker! Daar lag de prachtige vlakte, floersig
nog van fijnen nevel, die overal boven de blankstaande rijstvelden
hing te gloren in het morgenrood. De bergen waren blauw als de blauwe
hemel zelf, de eene toppenreeks van de andere, nog hoogere, gescheiden
door lange witte wolkensleepen, die al helderder blonken in het al
verhelderende licht. Een overheerlijk kleurenspel begon over het
geheele wijde landschap. De roode dageraadswolken kleurden de sawah
dat de jonge rijsthalmen leken te staan in een purperen meer. Onder
het optrekkende nevelwit werden ontelbare tinten van groen levendig,
van dat allerteerste, der pas uitgeplante rijst, dat nog haast geel is,
tot het zware blauw-groen van her en der verspreide dorpsboschjes. De
gedaante van de verre bergen verscheen als kleur, blauwig-zwarte
diepten naast purper-bruine en fel-groene hoogten. De verre ketenen
waren zoo fijn, zoo ijl, zoo doorzichtig als de lucht. Veel louterder
en luchtiger dan wolken leken zij een deining van azuren hemelzee
zelve, onafzienbaar lange rijen luchtgolven, flonkerend getopt. Een
onuitsprekelijk gevoel van vreugde en verlangende kracht sprong
overeind in het hart, antwoordend op al die schoonheid van land,
en zon en die veerkrachtige golving naar telkens alweer zulk een
blinkend hoogen top van de klare bergen door de klare lucht.

Op de rijstvelden was het landvolk al aan den arbeid; het was
verwonderlijk om te zien op hoe velerlei wijs. De bouw van de rijst
is afhankelijk van water; en de ligging, hooger of lager tegen een
heuveltje aan, of in de vlakte, de richting van een kloof in het verre
gebergte misschien, die den regenbrengenden westenwind doorliet of
keerde, maakten zooveel verschil hier, dat op dicht bijeen gelegen
velden al de verschillende stadiën van bewerking van den grond en van
groei van het gewas vielen waar te nemen. Ik zag de bruine kluiten
ploegen, en een weinig verder het blankstaande veld eggen, waar
het buffelspan plonsend door het water waadde, tot over de knieën
toe. Vrouwen--alleen vrouwen, niet een enkele man was er bij--waren
bezig met het uitzetten van de gelig-groene bossen zaailingen, die
een drager, behoedzaam over het smalle dijkje loopend, haar bracht,
bij twintigtallen tegelijk aan beide uiteinden van zijn zwiepend
juk gehangen. Er werd gewied. Er werd water in- en uitgelaten op de
velden. En op éen plek zag ik zelfs den oogst beginnen: feestelijk
gekleede vrouwen die hun gladden zwarten haarwrong met een bloem
hadden versierd, plukten, vlak langs den spoorweg, een voor een de
zwaar-knikkende halmen af, die zij, tot een schoof bijeen vlijden in
hun armen. Niet dan gebrekkig kan het gezegd worden hoe overschoon
het alles was, hoe wonderlijk de pracht van dat landschap, waar de
velden meeren waren en heuvels stonden als torens van groen kristal,
van spits tot grondvesten kabbelig overvloten van klaar water dat
trapsgewijs afdalende rijstakkertjes doorschijnend maakte, en hoe
de glorie van den duizelhoogen hemel, en hoe het loutere blauw der
bergen zoo volkomen overeenstemde met het geruste bewegen van die
fijne bloembont gekleede menschen op den akker. De grootsche rijkdom
der natuur overweldigde niet maar dróeg den mensch.

Op die flonkergroene hoogvlakten van Bandoeng en Lelès volgde het
lage land langs de Zuiderkust; het lag vlak als een golflooze,
dofgroene zee, waar de nog donkerder groene boschjes die van binnen
dorpen zijn, als klippen steil en plotseling uit opstaken. Aan
de kleine stationnetjes was het druk van inlanders, marktgangers
klaarblijkelijk. De dracht der vrouwen was weer eenigszins anders
dan in het hoogland. Maar ook déze droegen die lange sjerp, de van
rechterschouder naar linkerheup geslagen slendang, die tegelijk sieraad
is en gereedschap, om het zoo uit te drukken; want zij dragen er al hun
lasten in, van een kind af, schrijlings op hun heup gezeten met den
kleinen rug tegen de slendang geleund, tot hun sirih-doos, portietje
rijst voor den tocht en bos vruchten voor de markt toe. Bijzonder
veel en prachtig ooft zag ik hier. Mijn medereizigers vertelden mij
dat er inderdaad in Djokjakarta beter ooft wordt geteeld dan ergens
elders op Java.

De dag ging ten einde. Van de moerasvelden, purperig in
wolkenspiegeling, keerde het landbouwersvolk naar huis, den lichten
houten ploeg over den schouder. Bedaard stapten de groote grijze
buffels, grazend langs den weg. Boven de dorps-boschjes stegen de
dunne blauwe rookwolkjes uit van het rijs-vuur waarop de huisvrouwen
de rijst kookten voor het gezin. Weinige minuten later was het overal
stil. Bij het minderende licht zag ik de bergen weer verschijnen in
het Westen eerst, dan in het Oosten. De geweldige massa die zoo zwart
doemde tegen de klaarheid der opengaande sterrelucht was de Kloet,
aan den voet waarvan Djombang ligt.

Wij bereikten het station een uur over den tijd. De trein had langzaam
moeten rijden, hoorde ik, over een aanzienlijk gedeelte van den weg
waar verzakking dreigde. De ingenieurskunst heeft wonderen gedaan
bij den bouw van deze lijn: maar de altijdwerkende aardkorst van de
vulcanenstreek vastleggen kan geen menschenkunst.

De volle maan bescheen den weg naar het gastvrije huis waar ik gewacht
werd. Ik zag rietvelden blauw-blank glinsteren, en fel-wit een steilen
fabrieksschoorsteen. Overdag, ik wist het wel, zou dit alles arbeid
zijn: maar nu mocht ik het zien als schoonheid, na de schoonheid van
morgen en middag en avond, de schoonheid van den nacht.





In het Dorp


Het woord is misleidend door de associaties die het oproept. In
niets gelijkt een Javaansch dorp op wat in Europa met dien naam wordt
genoemd. Zijn meest zichtbare trek is zijn onzichtbaarheid. Met huizen,
wegen en menschen ligt het diep verborgen in dichtheid van geboomte,
waarom dat dichtst groeiende van alle tropisch gewas, de bamboe,
nog als een levende muur is opgericht. Aan den rechtlijnigen vorm
alleen, en, nu en dan, aan de rookwolkjes die er uit opstijgen,
is zulk een bosch dat van binnen een dorp is, te onderkennen van
een bosch van enkel boomen, een bosch dóor en dóor. In deze streek,
waar de suikerindustrie aan tienduizenden handen werk geeft, staan de
dorpen, de "dessa's," zoo dicht op elkander, dat men in enkele uren
gaans er gemakkelijk twintig door wandelen kan. Als steile donkere
eilanden rijzen zij allerwegen op boven de lichtgroene en blauwige
zee van rijstvelden en riettuinen, en hier en ginder zijn ze samen
gegroeid tot als een vastland dat den halven horizon donker maakt.

Waar, door het wijkende rijstgroen, zulk een bosch doordringt tot
aan den grooten weg toe, ziet de voorbijganger er hier en ginder
een opening in. Daar staat een luchtige, uit gele bamboestijlen
ineengevoegde poort, waaraan een bord, wit met zwarte letters,
Latijnsche boven Javaansche, beschilderd: Dessa zus, onderdistrict
zóo: en zonderling genoeg lijken zulke schriftteekens en zulk
een stadhuiswoord aan den ingang van een woud. De rechte breede
schemergroene laan, waarvan de poort den ingang vormt, is de hoofdweg
van het dorp. Er loopen kinderen te spelen, spiernaakt, met ronde
glimmende rijst-buikjes. Een akkerman, den lichten houten ploeg over
den schouder, drijft zijn ossenspan voor zich uit, naar het veld. Een
vrouwtje komt er aan, op weg naar de markt, haar koopwaar in de bonte
sjerp, de "slendang," die zij schuins van schouder naar heup geslagen
heeft. En het getokkel van den rijststamper in het holle blok komt
van her en der uit haast ondoordringbare dichtheid van loover tegelijk
met kirren en diep-gorgelend geroekoe van gekooide tortelduiven.

Groen is hier alles, groen, een van alle kanten opstijgende,
uitspreidende, neerhangende volte van groen, een hol niet, niet een
spelonk, neen, een berg van groen, waarin holen en gangen gewroet
zijn, als de holen en gangen van konijnen in een zandhoop. Aan de
regelmatigheid alleen van die gangen, recht en rechthoekig op elkaar,
is de menschelijke gedachte te herkennen, die naar een nieuwe wet de
natuur herschept.

Aan weerszij van de rechte lanen, en door een strakke haag er
van afgescheiden, die, hier een bamboe staketsel is, en ginder
een bloeiende hegge, liggen, ieder afzonderlijk op het eigen erf,
de woonhuizen, bruine, als vogelnesten van vezel gevlochten hutjes,
waarvan het met "alang-alang" (het breedbladige gras der wildernis)
bespreide dak, van vier zijden steil opgetrokken naar een hoogen
nok, en omgeven van een traag-glooienden afdakvormenden rand, bij den
eersten oogopslag doet denken aan een vogel, die met waaksch-opgestoken
kop en gespreide vlerken het nest bebroedt. Pisangboomen met
hun zeegroene prachtig gebogen vaandels van bladeren staan er
omheen. Terzijde, in de schaduw van de donkere met witten bloesem
getooide citroenstruiken bij den put staat een vrouw rijst te
stampen. En allicht komt een tweede te zien, in de open huisdeur,
waar zij, neergehurkt naast het komfoor vol glorende houtskool en het
ijzeren pannetje met gesmolten was, bezig is een sarong te batikken.

Het binnenkomen in die huisjes is niet moeilijk: de bewoners ontvangen
vriendelijk een belangstellenden bezoeker, al lachen zij tersluiks
om die belangstelling die zij onbegrijpelijk vinden. Ik ben er in
verscheiden geweest, die alle op elkander leken. Door een open deur,
die gewoonlijk enkel een stuk wand is, verschuifbaar in de groeven
van een onderen boven-dorpel van bamboe, kwam ik in een vensterloos
vertrek, waar het licht blauwig naar binnen weefde door de van
bamboereepen gevlochten wanden. De vloer was de begane grond zelf,
ten ruwste gelijk gemaakt en hard door stampen met houten juffers. Voor
alle huisraad stonden er een paar slaapbanken--in fatsoen als heel lage
niet breede tafels--van naast elkaar gevoegde bamboe-schalmhelften, met
een bonte rietmat bespreid, en waarop wel eens een enkel klein, vuil
kussentje lag. Een van de slaapbanken, die van de ouders kennelijk,
was afgeschut met een laag rieten scherm. En aan de hoeken daarvan,
en hier en ginder aan pennen in de stijlen van het huis gedreven,
hing een sarong, een slendang, een reusachtige hoed van bladeren en
vezels gevlochten, van een meter middellijn soms, de beschutting
van den akkerman tegen zon zoowel als regen. Een tafel en stoelen
van Europeesch fatsoen en gebrekkig inlandsch maaksel, zag ik maar
in een enkele woning; met de petroleum-hanglamp (Duitsch fabrikaat,
zou ik zeggen) is dat klaarblijkelijk al weelde. Maar stellig wist
ik in den eenen hoek landbouwgereedschap te liggen, een spade, een
houweel, een groot kapmes; en in den anderen allicht het batik-gerei
van de huisvrouw, met, troostend er naast, het sirih-doosje waarin de
geliefde versnapering, betel-noot, gambir, sirih-blad en een weinigje
kalk, om er een smakelijke pruim van te rollen.

Tegen dit éene vertrek--slaap-, eet- en woonruimte tegelijk--dat
het heele huisje inneemt, is dan op zijde, onder de voortgezette
glooiïng van het afdak, een keukentje aangebouwd. Op den grond is
een lage gemetselde oven die gestookt wordt met kokosnootdoppen,
droog riet en rijsthout; de huisvrouw moet al in beteren doen zijn
als zij er houtskool voor gebruikt. Als zij voor dat oventje doende
is met haar pot, zit zij gehurkt. Zij heeft er aarden pannen, potten
en kannen voor, die onder de zwartigheid van roet en lang gebruik
een mooie tint van rood of zachtgeel laten zien. De rijst kookt zij
in een mandje van fijn vlechtwerk. En verder heeft zij een wan om
de zelf-gestampte rijst te wannen. Zij doet dit met een eigenaardige
draaiende beweging, waardoor niet enkel het kaf wordt weggeslingerd,
maar de groote grove korrels van de kleine en gebrokene afgescheiden
komen te liggen. Een bamboe drievoet, waarop 's avonds het olielampje
komt te staan, voltooit de inrichting van de keuken. Zij heeft geen
schoorsteen. De rook zoekt zijn weg naar buiten, als het licht naar
binnen: door het vlechtwerk van de wanden.

Zoó zien de meeste dessa-huisjes er uit, woningen van arm volkje
dat of nooit eigen akker bezeten heeft, of bij de al erger wordende
versnippering van hun familiebezit zoo smalle reepjes zich toegewezen
ziet dat het loonende van den bouw verloren gaat, en zij het veldje
liever verkoopen aan een rijkeren dorpsgenoot,--een woekeraar veelal,
met den eerbied-eischenden titel van "hadji" getooid sedert een tocht
naar Mekka; of, langs allerlei omwegen, om de letter der wet die het
verbiedt ongerept te laten, aan een Chinees of Arabier.

De woningen van de rijkeren zijn kenbaar, vooral aan de aanwezigheid
van een rijstschuur en een stal op het erf. En een enkele maal ziet men
zulk een huis wel van steen en met pannendak gebouwd. Het meest komt
dat voor in de buurt van fabrieken. Deze hebben altijd bouwmateriaal
van noode. Vanzelf ontstaan kleine Inlandsche ondernemingen, waar
van de klei, hier en daar op sawah-gronden te vinden, steenen worden
gebakken en pannen. De opzichters, de "mandoers," en de eigenaars
van trekvee die in den oogsttijd het suikerriet vervoeren, verdienen
genoeg om een huis van steenen en pannen te zetten, zoo niet ineens,
dan zoetjes aan, zoodat men wel eens gemetselde grondslagen ziet die
een tijd van voorspoed in de toekomst wachten om de hoogte in te
groeien; of een steenen huis, voorloopig met blad gedekt. Er zijn
stellig zeer veel meer steenen Inlanderhuizen in de dorpen nu, dan
een jaar of tien geleden.

In zulk een steenen huis is meer gerief te vinden, natuurlijk, dan
in het rieten hutje. Er staat in het slaapvertrek, dat afgeschoten
is van de woonruimte, een kleerenkist: de bewoners hebben méer
dan het éene stel dat de armeren dragen tot het in lompen van hen
afvalt, of het tweede, dat gewoonlijk bij den pandhuishouder ligt
opgeborgen. De keuken is een afzonderlijk gebouwtje, met een loods er
naast voor brandstoffen, waar de houten ploeg ligt en de eggen. En
misschien is er, behalve den buffelstal, ook nog een stal voor een
hitje, en staat zelfs, ergens onder een afdak, een licht wagentje
geborgen. Maar zoo iets is zeldzaam, zelfs onder meergegoeden. Wat
echter opvalt aan de erven van allerarmsten en gegoeden gelijkelijk,
is de verwaarloozing van den grond. Het vóorerf ziet er knap uit:
slordigheid daar zou den nalatige straf en boete bezorgen vanwege het
dessa-bestuur. Maar verderop, daar waar het niet in het oog valt, is
het ellendig gesteld. Groote stukken grond--vruchtbare grond--liggen
overwoekerd van onkruid. Wordt er al geplant--cassave bijvoorbeeld
en verschillende peulvruchten,--dan blijft het veld jaar in jaar uit
zonder mest, terwijl de velerlei afval, die daarvoor te gebruiken zou
zijn, verbrand wordt en zelfs stalmest onverzameld blijft liggen. "Mest
maakt den grond te heet"--antwoordde mij gisteren een vrouwtje, met wie
ik daarover sprak. Haast nergens ook ziet men eenigermate onderhouden
vruchtboomen. Wat groeit moet maar groeien zooals het wil. Het een
neemt het andere licht en lucht weg. Behalve de kokospalmen, die
zichzelven redden met hun hoog boven alle ander vruchtgeboomte in de
zonnige lucht opgestoken kruinen, vindt geen enkele andere ooftboom
zijn behoef. En wat een rijke gaard kon wezen, is niet anders dan een
wildernis, als zoodanig zeker mooi, zoo vol fonkelschaduw en gouden
lichtgesprankel als zijn ondoordringbare looverdichtheid zit, maar den
mensch van geenerlei nut. De kleine, wrange, rimpelige vruchten zijn
zelfs den vogels en den dievenden eekhorentjes te zuur. Aandrang op
verbetering, door het Bestuur geoefend, heeft tot nog toe maar weinig
geholpen. De dessaman laat zijn erf verwilderen. Het is een van die
hier zoo menigvuldige gevallen van gebrek te midden der rijkste natuur
geleden, waarvan de verklaring zeker niet in het voor de hand liggende
en hedendaagsche gevonden kan worden.



Het eerste wat de ervarene uit het aanzien van een dessa te weten komt,
dat is het karakter van het dessa-hoofd, den loerah, als zoodanig. Een
goed onderhouden omheining en poort, een effen dessaweg, slooten waar
het water frisch doorstroomt, en nette voor-erven bij de huisjes, dat
wil zeggen: de loerah is ijverig, nauwlettend en heeft den wind onder
zijn volkje. Een heg vol gaten en neergetrapt hier en ginder, een weg
die naar gelang van het seizoen zandpad is of modderbeek, stinkende
slooten en erven met een paar slordige bezemzwaaien zoowat aangeveegd,
dat wil zeggen: de loerah is liever lui dan moe, en als hij niet op
zijn eigen veld is, ligt hij strootjes te rooken op de baleh-baleh
(de slaapbank) thuis. Zoo de loerah is, zoo is zijn dorp, en zoo het
dorp is, zoo is ook weer de loerah. De twee maken--en breken--elkaar.

De Javaansche dessa is, men weet het, haar eigen baas. De
N. I. regeering bemoeit zich niet, of althans zoo weinig als maar
eenigermate mogelijk, met haar aangelegenheden. En de loerah, het
dessahoofd, is de rechtstreeks door de stemgerechtige dessalieden
zelven gekozene, die ook op een klacht hunnerzijds weder afgezet
kan worden. Zijn functies zijn: belastingheffen, toezicht houden
op veiligheid van persoon en have, waken over de behoorlijke
vervulling van dessa-diensten, door de daartoe verplichte mannen,
en regeling van de periodieke verdeeling der dessa-velden, daar
waar het communale bezit heerscht. De belastingheffing verbindt hem
met de N. I. regeering: al zijn andere functies worden verricht ten
behoeve van enkel en alleen de dessa, wier beambte hij is. De dessa
betaalt hem daarvoor niet in geld, maar in grond, met "sawahs,"
welker grootte verband houdt met ligging en grondgesteldheid van
het dessagebied. De N. I. regeering betaalt hem met een percentage
van de belasting. Dat alles lijkt eenvoudig, duidelijk en nauwkeurig
bepaald, en de inlandsche dorps-organisatie een model van democratische
instelling. Dat eenvoud, duidelijkheid en nauwkeurigheid eigenschappen
zijn van de abstraheerende gedachte en geenszins van het werkelijke
leven, en dat de inhoud van een instelling en haar vorm tweeërlei
dingen zijn, begrijpt, voor de hoeveelste maal! wie wat nader met
dessa's en met loerahs kennis maakt.

Van de loerahs hier in den omtrek heb ik er enkele leeren kennen, van
den ouden stijl, van den nieuwen stijl en van wat men den "permanenten
stijl" zou kunnen noemen.

Een van den ouden stijl is de loerah van (ik zal fantasie-namen geven)
van Djatirang. Wij bezochten hem onverwachts. Aan het uiterlijk der
dessa al hadden wij gezien dat de loerah een zorgvuldig administrator
was. Het voorkomen van zijn huis bevestigde dien indruk. Het was een
woning zooals een eenigermate gegoede dessaman er een bouwt, ruim,
koel, maar zonder eenige overdaad. Er was een afzonderlijk gedeelte
voor het ontvangen van gasten alleen bestemd, een "pendoppo," die
hier het voorgedeelte van het huis vormde (het staat wel eens geheel
afzonderlijk, als een luchtig huisje, op pilaren, zonder muren). Deze
pendoppo, wier vloer de begane grond was, had een rieten dak,
onder het hooge midden waarvan, als een soort tweede zoldering, om
de doorstralende hitte af te weren, een vierkante horde van bamboe
vlechtwerk hing. Een dubbele rij houten pilaartjes liep door de
geheele lengte van het vertrek, dat, schat ik, vijftien meter op
twaalf geweest zal zijn. En in het midden stond een ronde houten
tafel, met eenige stoelen er omheen en een hanglampje van gegoten
metaal er boven. Een oud, vrij vuil kamerscherm verborg den toegang
tot het binnenhuis. Voor versiering hingen aan de pilaren portretten
van de Koningin, den Prins, den Mikado en den Keizer van China, in
dubbeltallen, elk portret tegenover zijn duplicaat. (En wat beteekent
anders symmetrie, als 't u belieft?)

De loerah kwam met zooveel haast als zijn deftigheid toeliet, toen
hij van ons bezoek vernam.

Het was een man van een goede vijftig, met een schrander, energiek
gezicht, grof van trekken en donkerbruin, als in tegenstelling met dat
der aanzienlijken, het type van den kleinen man is op Java. De medaille
voor vijf-en-twintigjarige ambtsvervulling, een groot paars kristal in
zilveren sterrepunten gevat, gloorde op het zwart lustre jasje, dat hij
in der haast aangeschoten had: een mooi-gebatikte sarong hing hem om
de beenen met dien specialen drie- en vierdubbelen plooi van voren,
die aan het kleedingstuk het karakter geeft van een feestkostuum;
en de loerah hield--uiterste elegantie,--de slippen van die lang
afhangende plooien met een sierlijken duim en wijsvinger op, zoodat
zijn sarong als een waaier terzijde van hem uitgespreid stond. Op
eenigen afstand van ons hurkte hij neer op den grond, en maakte de
"sembah," den groet van saamgevouwen handen, opgeheven naar het even
nijgend gezicht. Toen wij naar zijn familie vroegen (mijn tochtgenoot
deed het woord voor mij, die het Maleisch nog slechts onvoldoende
ken) deed hij zijn vrouw halen, een aardig persoontje, zoo jong dat
zij eer zijn kleindochter had kunnen wezen. Wij hoorden later dat
zij de tiende was in een reeks echtgenooten, die hij om der wille
van de huiselijke harmonie oordeelkundig verdeeld hield over tien
afzonderlijke huishoudens in even zoo vele onderling op behoorlijken
afstand gelegen dessa's. De kinderen uit al die huwelijken waren ten
getale van tien in zijn eigen huis aanwezig, de oudste een knappe jonge
man, zelf al vader van opgeschoten jongens, het jongste een zuigeling
op den arm van zijn moeder. De kinders zagen er allen welvarende uit,
en diegenen onder hen die gekleed waren, zaten knap in de kleeren. Naar
school ging geen van hen. De loerah had het zelf zonder lezen en
schrijven ver genoeg gebracht in de wereld. En als zijn jongens op
de schoolbanken moesten zitten, wie zou dan de buffels hoeden, en
gras gaan snijden, 's ochtends? Hij hoopte dat zijn oudste zoon te
zijner tijd hem opvolgen zou als loerah. Dat zal wel. De dessa is
best tevreden met hem en zijn heele familie. Als een bewijs van de
tucht die hij handhaaft, zeide men mij dat er in deze dessa nooit
iets gestolen werd. Dat wil niet zeggen dat er geen dieven zijn;
maar dat ze naar een andere dessa gaan als ze willen stelen.

De loerah van Gandasoli is van een nieuwer type. Hij is een deftig
man, niet bruin, maar matgeel in het gezicht, met een hoogen neus,
en een zorgvuldig verpleegd snorretje. Hij draagt een staanden kraag,
een gouden horlogeketting, en verscheiden ringen aan zijn fijne
langgenagelde vingers. Zijn vrouw heeft diamanten in de ooren en gouden
spelden aan haar kabaja van donkerpaarse zij. Zijn schoonzoon is naar
Mekka geweest, en draagt, zijn Panislamitische gezindheid openlijk ten
toon spreidend, niet alleen den tulband, maar, over zijn Javanen-sarong
heen, ook nog den witten neteldoekschen rok der Arabische mode.

De loerah--die tegelijkertijd "bau" is, d. w. z. loerah over een
complex van kleinere dessa's--had ons verwacht en ontving ons in
zijn pendoppo, de sierlijkste ontvangstzaal wel die men hoeft te
wenschen, met het groen en de koelte van een welverzorgden tuin rondom,
beschilderde pijlers en aan de zoldering beeldhouwwerk. Hij gaf ons
de hand, met een lichte buiging, voor hij op den grond nederhurkte, en
onder het gesprek liet hij merken, dat hij Hollandsch niet alleen, maar
zelfs een dozijn woorden Engelsch verstond. Zijn dochtertjes werden
binnengeroepen en kwamen aan de hand der in paarse zij gekleede moeder,
de twee kleinsten in jurkjes zooals Hollandsche kinders er dragen. De
"bau" bestemt zijn zoons voor het loerah-schap of voor den dienst als
schrijver op een gouvernementsbureau: zij gaan allen op de Hollandsche
school te Djombang. De "bau" heeft een keurig rijtuigje met een span
goed-getuigde hitten ervoor. En zijn woonhuis is geriefelijk gemaakt
met Europeesche meubels, met bedden zelfs, die door neteldoeksche
gordijnen beschermd worden tegen de muskieten. Als verfrissching bood
hij ons Pilsener bier aan, waarvan hij zelf, met vrouw en schoonzoon,
meedronk. Dat alleen al was een aanduiding van zijn positie en zijn
eigen waardeering ervan. De boersche loerah van Djatirang had, op
een afstand neerhurkend, toegezien hoe wij het zoete water dronken
uit de kokosnoten, op ons verzoek versch van den boom gehaald.

De loerah van Merangan was niet thuis, toen wij hem wilden
bezoeken. Wij moesten dus volstaan met, terwijl de bediende heen
was gegaan om ons bezoek aan te melden, wat rond te zien in zijn
pendoppo, waar een prachtige gamelan stond, zeker een duizend
gulden waard. De deur naar het binnenhuis was kunstig gebeeldhouwd
en gestoken, zóó dat de paneelen, evenals Moorsche mesjrebijeh's,
het licht en de koelte doorlieten. Portretten van heerschers (dat
mist nergens!) hingen aan den muur, de Tsaar tegenover den Duitschen
Keizer. En een levensgroot in hout gebeeldhouwd hert, wien een klein
rood streepje langs het oog geschilderd was om een doodelijke wond
van jagershand te verzinnebeelden, lag aan een driemaal omgewonden
ketting op zij van de deur.

Dessa Merangan heeft een ellendig-arm voorkomen, in sterke
tegenstelling met al deze weelde in het huis van den loerah. De
verklaring bleek die weelde zelf. De loerah van Merangan weet zich
andere inkomsten uit zijn dessa te verschaffen dan de bij de wet
bepaalde. Hij leent geld uit: markt-vrouwtjes komen 's ochtends bij
hem om f 1 en brengen 's avonds f 1.25 weerom: als men bedenken wil,
dat op pasardagen vrijwel iedere dessavrouw gaat, als koopster of als
verkoopster, en dat elke vijfde dag een pasardag is, krijgt men een
kijk op des loerah's "verdienste." Grooter sommen ook leent hij uit:
bijvoorbeeld, op de vervaldagen der belastingen, wanneer de dessalieden
het geld niet gereed hebben liggen. Die dessalieden zouden naar een
door de regeering ingestelde voorschotbank kunnen gaan. Maar daar
moeten zij het tegen 12 pct. in het jaar geleende geld op zijn tijd
terugbetalen. En de loerah vraagt wel 200 of 300 pct. in het jaar,
maar daarentegen is hij schikkelijk op terugbetalings-termijnen. En
vooral--hij is de loerah! Hoe zou Kromo naar een ander durven gaan,
als zijn eigen loerah hem geld wil leenen?

Verder: er wordt nog al eens gestolen in de dessa. Diefstallen moeten
aan het licht gebracht: er moet "ketrangan," helderheid komen in zulk
een zaak, dat eischt het gewestelijk bestuur. Maar voor "ketrangan"
zijn, als volgens Montecuculi voor den oorlog, drie dingen noodig: het
eerste is geld, het tweede is geld, en het derde is geld. Is dat geld
bij den loerah, dan is de ketrangan bij den assistent-resident. Een
"schuldige" wordt gestraft, een verdachte gaat vrij uit, en iedereen is
tevreden. De Hollandsche ambtenaar met de "ketrangan," de "schuldige"
met een kleinen troost in klinkende argumenten, de verdachte met
zijn buit en zijn vrijheid, en de loerah met de drie bovengenoemde
noodige dingen.

Dit zijn een paar van de meest bekende manieren waarop loerah's als
die van Merangan de duiten van den boer in de dubbeltjes van den
loerah veranderen. Zonder twijfel zijn er nog een menigte meer.

En de dessa's waar die tooverkunstenaars heerschen zijn zoo goed
te onderkennen als de dessa's van den ijverigen en van den luien
loerah. Hun bijzonder kenmerk is: een rijke loerah-woning te midden
van armzalige boeren-hutjes.

Mij wordt verteld, dat het ouderwetsche loerah-type zachtjes aan
verdwijnt voor het elegante nieuwe, en dat onder beiderlei slag
degelijke dorps-bestuurders worden gevonden. Omtrent de verhouding
waarin het "permanente type" tot de twee andere staat, hoorde ik
niet veel.



De loerah van Njamploengan is, wegens gebleken onbetrouwbaarheid
in den dienst, ontslagen. Nu is het dorp in spanning over de keuze
van een nieuw hoofd. Het ambt moet begeerlijk wezen, want van de
pasars--elken dag is er markt, in elk dorp, ongerekend de groote
markten die om de vijf dagen gehouden worden--van de pasars komt
de tijding dat er wel zes of zeven candidaten zijn, waaronder een
broeder van den afgezetten loerah, en dat de stemmenwervers het druk
hebben. Met klinkende argumenten, buiten gezicht en gehoor van den
meest argwanenden Nederlandschen ambtenaar te berde gebracht, en
waarvan alleen een verre echo op te vangen valt uit dorpspraatjes,
trachten zij stemgerechtigden te overtuigen, ieder van de verdiensten
van zijn lastgever. De argumenten wegen, schijnt het, op tegen een
rijksdaalder in den regel, soms zelfs tegen een gulden of vier. Of,
om te beter te kunnen kiezen, er wel eens argumenten worden aangehoord
van twee, of zelfs van meer zijden?

Op den vastgestelden dag, 's ochtends om acht uur, ga ik naar
Njamploengan, en het huis van den afgezetten loerah, waar de
vergadering en verkiezing gehouden wordt. De weg is bont van de
menschen. (Altijd weer treft dat: dat bonte. In Holland is een straat
vol menschen zwart: op Java is zij zoo kleurig als een bloemtuin. En
stil, stil! geen geluid uit nóg zulk een volte; en ordelijk: nergens
een die stoot of dringt.) Als spreeuwen op een telegraafdraad zitten
zij, mannetje aan mannetje, op den hoogen berm aan weerszij van
den weg. Er zit een geheele drom gehurkt voor de poort van een der
candidaten, den broeder van den afgezetten loerah. En weer een bonte
zwijgende menigte omringt de poort van den vorigen loerah--het bordje
met "Jachman, Loerah" er op, dat zoo trotsch daar prijkte, is weg,
zie ik,--en heeft zich, ter weerszij van den oprit, in rijen op zijn
erf geschaard, van den ingang af tot vlak voor het huis toe.

In de pendoppo komt de vader van Jachman de binnentredenden
tegemoet. De oude is in zijn tijd zelf loerah geweest, en treedt
met een zekere waardigheid op. Hij ziet er uit als iemand die een
kleinen tegenslag in zaken gehad heeft, maar vertrouwt dien spoedig
te boven te komen. Jachman, de ongeluksvogel, zit neerslachtig tegen
den muur gehurkt. Op de plaats naast hem heeft klaarblijkelijk
de oude heer gezeten; en een derde lijkt wel te wachten op den
broeder-candidaat-loerah, die het tijdelijk gezonken aanzien der
familie, hoopt men, weer zal in de hoogte brengen. Bij den ingang van
de pendoppo rechts, hurken op een mat een half dozijn dessa-beambten
bijeen, kenbaar aan hun roode, gele en groene bandelieren. De ronde
tafel met een inktkoker er op, en twee leuningstoelen er naast,
wacht op den controleur en den wedana, de leiders der vergadering.

Hun komst wordt geseind door een plotselingen opstoot onder de al
dichter toegestroomde menigte op het erf. Ineens is alles leeg. Als
zij hun plaats hebben ingenomen en de twee lichte rijtuigjes zijn de
poort uit, golft de menschendrom weer te voorschijn uit de struiken, de
heg, het slootje, het veld, manshooge ketela, waar ze zich verborgen
had. Maar de zon brandt fel. En een heele troep zoekt de schaduw
van de ketela weer op. De schoone planten, die op lupinen gelijken,
reusachtig vergroot, houden breed hun frisch groen loof geheven
tegen het zonnelicht, dat in druppels en uiteenspattende stralen er
doorheen schiet. In hun bonte kleeren, wit, geel, paars, lichtrood,
zit het nieuwsgierige volkje daar te glanzen in de fonkelige schaduw,
tusschen stengels en bladeren in.

De assistent-wedana is bezig met luider stem de rol op te lezen van de
stemgerechtigden; onder dat geroep, dat door het altijd weerkeeren van
de diep-sonore Javaansche Ô, als een slag op een bronzen bekken, tot
een soort galmend recitatief wordt, komen een voor een de geroepenen
binnen, die een druk-doende dorpsschrijver met de hand op hun schouder
nederdrukt, ieder op zijn plaats in rijen van tien. Zoo komen ze te
zitten met zijn tachtigen. Er is een vrouw bij, die de schrijver bij
den arm neemt, en op een afzonderlijke plaats zet. Als weduwe die grond
bezit heeft zij het stemrecht, dat in deze dessa aan grondbezitters (en
aan hen alleen) toekomt. De gedrongen menigte toekijkers daar buiten,
voor zoover het menschen van Njamploengan zijn, zijn "bijwoners":
lieden zonder eigendom, die met werken huisvesting verdienen bij de
meer gegoeden.

De controleur spreekt in 't Javaansch de kiezers toe, hun verklarende
waarom Jachman uit zijn ambt ontzet is, wat de plichten zijn van
den loerah, wat de rechten der bevolking, welke de bescherming die
de N. I. regeering haar toezegt tegenover een hoofd dat zijn ambt
misbruikt. Zij zitten te luisteren met inpassibele gezichten, de
oogen op den grond. Nu en dan zegt er een--altijd dezelfde is het,
een met zorg gekleed man van middelbaren leeftijd, die zich voelt,
klaarblijkelijk: "Ingeh"--ja. En dan zien de anderen hem ter sluiks
aan, bewonderend: die durft! Zoo maar ja! zeggen, hardop, tegen den
heer controleur en den wedana--een wedana die tegelijk Patih is,
nog wel, en die daar zit als een Hollander bijna, met een witte jas,
precies als die de controleur draagt, een gouden horlogeketting, en
een gouden lorgnet! De wedana-patih neemt op zijn beurt het woord:
"Ingeh! Ingeh!"--Zij hebben alles goed begrepen.

Nu komen de candidaten te voorschijn voor het loerahschap--zes
of zeven niet, maar tien. Zij moeten--een bijzonderheid die te
denken geeft--hun kris afgeven. De zelfbewuste schrijver stapt
met een trofee van tien sierlijke dolken heen. Dan hurken de tien
mededingers op een rij vooraan. Al het volk buiten komt naar voren
gedrongen om hen te zien: zelfs de wegschuilers in het ketela-veld
verlaten de koelte daarvoor. Zij hebben den tijd van kijken,
terwijl de candidaten antwoorden op de vragen naar naam, beroep,
leeftijd en woonplaats. De vraag naar den leeftijd brengt allen
in verlegenheid. Wie weet dat nu?! Het wordt een gissen, waarbij de
wedana en de controleur helpen. "Dertig jaar? en je bent al grijs! Eer
vijftig, zou ik zeggen."--Goed! Vijftig jaar ben ik.--Maar ben je
dat nu wezenlijk?--Wie weet? Misschien vijf en veertig!--Best. Je
bent vijf en veertig.--De tweede zoon van het oude dessahoofd,
een jonge kerel met een stoutmoedig gezicht, geeft ook dertig op,
wat hij waarschijnlijk nog niet is; en voor zijn beroep dat van
karrevoerder. Als de laatste van de tien de vragen heeft beantwoord,
krijgen zij allen het bevel zich om te keeren. Nu zitten ze dus met
het gezicht naar de kiezers. Buiten is het een muur van gespannen
toekijkenden.

De controleur vraagt: of de kiezers deze mannen kennen voor eerlijke
lieden, en aan wie het dessa-bestuur goed toevertrouwd zou zijn? Of
zij gezond zijn en sterk? Of zij nooit in de gevangenis gezeten
hebben?--Ingeh!--Ingeh!--Botèn. (Neen). Dan kan de verkiezing
beginnen. De zelfbewuste schrijver en eenige ambtgenooten jagen
de toekijkers buiten uiteen en doen de kiezers naar buiten
gaan. De candidaten, die zich weer hebben omgekeerd, hooren een
vermanende toespraak aan van den controleur. Dan worden de kiezers
weer binnengelaten. En ieder hurkt neer achter den candidaat
zijner keuze. De oude loerah gaat zitten achter zijn zoon, den
karrevoerder. De weduwe ook. Het blijkt dat zij niet eens weet wie hij
is en hoe hij heet. Onder het gelach der anderen zegt een buurman 't
haar zachtjes voor. De gezichten van de candidaten zijn merkwaardig
om te bezien. Géén kijkt om, om te weten hoeveel er achter hem,
hoevelen er achter zijn mededingers zitten. Maar zij schijnen het te
voelen. Een, die niet een enkelen voorstemmer heeft, zit treurig in
een werkelijk treffende houding van droefheid. Een ander, even arm aan
vrienden, houdt zich onverschillig, en een derde lotgenoot doet of hij
in het algemeen nieuwsgierig is naar den afloop. De karrevoerder heeft
zulk een langen sleep stemmers achter zich aan, dat ze het lange huis
uit en een eindweegs den tuin in zijn, wanneer de drukke schrijver
zich met de zaak bemoeit, en van die lange rij een korte dubbele
maakt. Hij merkt het, de karreman. Zijn gezicht staat hevig gespannen,
zijn oogen vliegen heen en weer. Maar hij houdt zich goed. Hij ziet
niet om. Alle tachtig kiezers hebben gekozen. De schrijver telt,
de controleur en de wedana controleeren. De namen van de candidaten
worden nog eens opgelezen: de dubbele namen, op zijn Javaansch: de naam
op den trouwdag aangenomen, de naam als kind gedragen. "Niti, alias
Moedjadi." Aan dat "alias," zonderling klinkend voor een Westerling
tusschen die Javaansche namen, zijn ze al goed gewend: ze spreken
het vloeiend uit. De karreman heeft de meerderheid, blijkt het: 44
stemmen. Nog eens vraagt de controleur den kiezers, of ze bij hun
verklaring blijven, dat er niets is te zeggen op den candidaat.--Zij
blijven er bij. "Dan zal ik den heer president de keuze voorleggen."

De kiezers gaan het huis uit, het volk stroomt toe, de karreman is
omringd van vrienden, die hem streelen, den arm om zijn schouders
leggen, hem omhelzen bijna. Van de niet-gekozenen zijn er drie zoozeer
verslagen, dat zij vergeten hun kris terug te vragen,--hun kris, het
familie-erfstuk, den allerkostbaarsten schat! De schrijver loopt hen
na met de wapens. De oude loerah kijkt tevreden. Zelfs de afgezette
is niet zoo neerslachtig of verlegen meer als straks. De familie
is gerehabiliteerd.

Thuiskomend hoorde ik--alweer zat de zegsman op den pasar--dat de
karrevoerder, pas getrouwd met de dochter van een rijken loerah uit de
buurt, f 5 per stem had betaald uit den zak van zijn schoonvader. Wat
hem niet had belet tegenover den controleur de plechtige verklaring
af te leggen dat hij niemand met eenigerlei dwang, belofte of gift
bewogen had tot het uitbrengen van zijn stem op hem, zoomin als het
de ontvangers van de f 5 belet had te ontkennen dat zij op zulk een
wijze bewogen waren geworden tot hun verkiezing van den karreman.

Dat wil overigens niet zeggen dat de karreman geen geschikte
loerah voor Njamploengan zal zijn, al zullen die schoonvaderlijke
f 200 wel uit Njamploengansche gordels weer te voorschijn moeten
komen. Njamploengan heeft al een oude voorkeur voor zijn familie, als
uit de herhaalde keuze blijkt. Zijn familie is gegoed. En dat moet de
familie van een loerah zijn. Of hoe wil hij anders, als de nood aan
den dessa-man komt, diens borg zijn voor hoofdgeld of landrente? Zóo
zit het.

Voor den Oosterling is de vraag eenvoudig.

En de Westerling, die er eindelijk in geslaagd is den hem ongewonen
gedachtengang zoo eenigermate te volgen, vraagt zich tevergeefs af wàt
de dessa nu eigenlijk is: een communistische dorpsorganisatie, als de
Russische "mir" van onze dagen, of de Germaansche markgenootschap
van het verre verleden; een familie-bezit, als deze of gene
Hollandsche stad in den ergst-vervallen pruikentijd; een soort
economisch-politieke onderneming, waarvan de loerah en zijn familie
eigenaar en aandeelhouders zijn?





Rijstoogst


De velden staan rijp. Het landvolk gaat aan 't oogsten. Nu is de arbeid
vreugd. Tot dit hoogtepunt van het landbouwersjaar heeft een geheele
reeks van verrichtingen en godsdienstige plechtigheden het akkervolk
opgevoerd. Elke nieuwe toestand van den akker en van de plant, van
de eerste bereiding van den grond, en van het strooien van het zaad
af, is gewijd geworden met een "slametan," een offer aan geesten,
goden, voorouders, aan Moeder Aarde en Vader Hemel, een eerbetoon
aan de seizoenen, aan zon, maan en sterren, een inzegening van het
landbouwgereedschap, een bezwering van schadelijk gedierte. Als
twaalfde komt nu het schoonste van al de feesten, de oogst der rijpe
aren, en de groote Slametan, de "Sedekah Boemi," het offermaal van
den oogst dat straks de geheele dessa vieren zal in de woning van den
loerah. En het feest-zelf is niet feestelijker voor den boer en zijn
gezin dan het blijde werk, het oogsten.

Vroeg in den morgen--de zon is nog achter den nevelenden en wolkenden
Keloet-berg--komen zij er aan, op weg naar het veld, de vrouwen,
die hun dolkvormig rijstmesje als een sieraad achter in den kraag der
kabaya hebben steken, om te plukken, de mans, met draagstok of juk,
om de bossen te torsen, naar waar de eigenaar van het veld ze zal
tellen om ieder zijn loon uit te keeren. Voor het vroolijke werk zijn
ze vroolijk gekleed, licht en kleurig. Alleen oude menschen dragen
het stemmige effen blauw, en even-geschakeerd bruin. Al wat jong
is verheldert dat met geel, rood, rose, paars, helgroen. De mannen
hebben witte, gele, blauwe zonnehoeden op. Van de meisjes dragen er
vele bloemen in het haar, en sieradiën in de ooren en om den hals. Het
tanige rijstveld--want het bruin en grauw der verdorde halmen verdoft
het zuivere aren-goud--wordt zoo fleurig als een bloemtuin waar zij
er in gaan.

En of ze bloemen plukten ook, zoo licht en sierlijk bewegen die
oogstende vrouwen. Zij hebben een mesje in den vorm van een dolk:
aan houten gevest een houten kling waaraan een smal ijzer scherpte
geeft. Dit dolkje houden zij in de rechterhand, met twee vingers aan
weerskanten van de greep, en den duim vrij, om den halm, dien zij
met de linkerhand omvatten, tegen het lemmet aan te drukken. Zóó,
alsof zij een ruiker zochten, die zij bloem voor bloem garen en
bijeenhouden in den gebogen linkerarm, gaan zij langzaam door het
veld. Boven het schurende geruisch van de dorre halmen waarlangs zij
heen strijken, klinken hun stemmen in een zacht-vroolijk gegons. Zoo
bont als vlinders zijn zij om te zien in hun kleurige kleedij, zoo
tevreden-druk als bijen. Het is hun eigen voedsel dat zij halen. Want
zij worden betaald, straks, niet in geld, maar in rijst. Van elke
vijftien bossen in de eene dessa, van elke tien in de andere is
één voor den oogster. De gezinnen van de pluksters brengen hun
bossen samen ieder op zijn eigen plek; men moet zien hoe zij ze
daar behandelen en schikken. Zij komen er aan, den arm vol aren;
zuiver-geel, zwaar, zacht-ineengezegen hangt de volle schoof. Met
een handige beweging grijpen zij haar wringend aan, terwijl zij een
koord van halmen er om heen slaan; en zoo sierlijk als hadden zij
een ruiker in de hand, kappen zij de korte stelen gelijk, geven er
nog een paar lichte slagen tegen aan, met de vlakke hand, en zetten
het schootje op een rij bij de andere, die daar staan te blinken,
in het midden dun, boven en beneden breed van schuins uitspreidende
aren en stengeleinden. Hun heele gedrag is dat van menschen die met
liefde iets doen wat zij heel pleizierig vinden. Van de spanning
die zoo sterk te voorschijn komt in den oogst van het Westen, onder
de sikkel-zwaaiende mannen, en diep naar den grond bukkende vrouwen,
is hier niets te zien. Er is gezegd, dat tijd gewonnen zou worden als
de Javaan ook de sikkel gebruikte, en men heeft zich met afkeuring er
over verbaasd dat hij het niet wilde. Maar een goede reden voor dien
onwil is duidelijk. Dit met de hand plukken eischt een menigte handen,
en elk van die handen beurt loon. Het gebruik van een sikkel zou de
overgroote menigte buiten werk en loon stellen. Een bijkomstige reden
is, dat de Javaan het stroo laat staan, omdat hij er geen gebruik voor
heeft. Met de hand kan de halm korter onder de aar afgesneden worden
dan met een sikkel zou kunnen. Aan zulke practische redenen geeft de
"adat" de wijding van traditie en godsdienstig gevoel: en daarmee is
de gewoonte onaantastbaar geworden.

Naarmate de vrouwen hun bossen aanbrengen dragen de mannen die naar
den berm van den weg. Daar komt straks de eigenaar om ze te tellen. Al
dunner en bleeker wordt het veld, al blinkender de berm. De oogsters
gaan zitten tusschen hun bossen. Een sukkeldravende marskramer, die uit
de verte al de drukte ontwaard heeft, komt er bij met zijn schommelende
kastje vol vruchtenstroop en rijstkoekjes. Een paar buffelkarren
wachten op hun vracht van schooven. Eenige "sadoo's"--dos-à-dos heette
oorspronkelijk het tweewielige door een hit getrokken voertuigje--staan
te wachten op mogelijke klanten, de boomen op den grond, het hitje
los, en grazend hier of daar in de schaduw. Het is een vertier als
op een pasar, langs den kant van het veld, tot de eigenaar bezien en
nageteld heeft, en ieder van de oogsters met zijn deel rijst naar huis
gaat. De mannen dragen de bossen twee aan twee over een stok hangend,
of opgestapeld in een soort aan het juk hangende kooien, zoo hoog
en breed, dat de drager verdwijnt tusschen de schommelende gouden
schelven. De vrouwen tassen ze op in de breed-uitgehaalde slendang, en
torsen tusschen arm en heup. Thuis gekomen spreiden zij de bossen uit
om te drogen. En in de middagzon is het een geschitter van fijnstralig
en rondfonkelend goud, waarheen men ziet. De voorerven van alle huisjes
liggen overspreid met halmen. Wie aan zijn erf geen ruimte genoeg had,
is op het dak van zijn huis geklommen en heeft de aren gestrooid over
het in de zon blakerende riet. En een ander weer heeft zijn rijst
naar den grooten weg gedragen. De prachtige rijkdomskleur verguldt
de bermen, den kant van de waterleiding, de bruggen, en tot zelfs
de baan tusschen de rails van de stoomtram toe. Naakte, rondbuikige
kinders houden er de wacht bij, spelend onderwijl met vlieger-oplaten.

Het is een bekoorlijk gezicht, al dat jonge goedje midden in het
blinkend voedsel. En moeilijk zich te verweren tegen de betooverende
voorstelling, dat daar voor onze oogen het Leven groeit, korrels uit de
aarde, menschjes uit de korrels, in een overvloed die, onuitputtelijk,
altijd-door zich vernieuwen zal. De schijn is zoo schoon! Maar de
werkelijkheid ligt geheel anders, er naast. Rondom de afgeoogste
velden staan er andere nog hoog in het gewas. Daar staan de halmen dun
tusschen woekerend onkruid. Plekken vaal groen, in het geel, voren en
kuilen van laag-gebleven groeisel tusschen het hoog-opgeschotene toonen
waar de grond verarmd is, waar het voedende water niet is gekomen,
waar na de verstopping een plotselinge overstrooming van de leidingen
het verderfelijke vulcaanzand heeft uitgestort, dat sedert de groote
uitbarsting van 1902 onstelpbaar afvloeit van den Kloet. Hier en
daar komen ook de fouten aan den dag, door den boer bij de bewerking
begaan. Het land is ondiep geploegd; hij heeft, om den lagen prijs,
slechte rijst genomen om uit te zaaien; de jonge planten zijn te lang
op de kweekbedding gelaten en bij het overplanten op het rijstveld niet
ingekort. Aan parallel loopende strepen van donkerder groen is te zien
waar de mest nagewerkt heeft, die de suikerplanter het vorige jaar,
toen hij den akker in huur had, aanbracht in de plantgeulen van het
riet, een verrijking van den grond, waar de boer zijn rijst op teren
laat, zonder er verder iets bij te voegen. Niet anders dan een magere
oogst kan hier gehaald. En zullen de boeren zelfs dat weinige in de
schuur bergen? Van den eersten oogstdag af al hebben de karren der
Chineesche opkoopers zwaar geladen langs den weg gereden. Wat daar
op lag was de oogst van zóo en zóo veel kleine boeren, de dubbele en
driedubbele waarde van het "voorschot" dat de woekeraar hun aanbood,
drie maanden geleden, toen zij geld noodig hadden voor de belasting,
voor zaai-rijst, voor den slamettan ter wijding van het werkbegin,
voor de afdoening van schuld van verleden jaar, voor de honderd en
een dingen waarvoor een Javaan altijd in geldnood zit. En die oogst
gaat naar de stad, wachtend op den tijd van schaarschte en hooge
prijzen. Er zal niet veel van terugkomen in kleine boerenhuisjes.

Hoeveel komt daar eigenlijk? hoeveel Javaansche rijst? Is het
overvloedig? Is het zelfs maar genoeg? Op geen millioenen pikols
na. Invoer in Java en Madoera, over 1907, aan gepelde rijst voor een
waarde van bijna tien millioen gulden. [1] Invoer in het achterland
van Soerabaja alleen, gedurende 1909, aan rijst uit Saigon en
Rangoon voornamelijk, een hoeveelheid van ruim 2 millioen pikols;
invoer in 1910, toen de oogst bijzonder slecht was, omtrent 4 1/2
millioen pikols, voor een bedrag van tusschen 22 en 25 millioen,
[2] voor deze streek alleen. Inplaats van den schijnbaren overvloed
is er een verschrikkelijk tekort.

Hoe zal dat te beteren zijn?

Van Karel Holle, "den vriend van den landman" wordt, onder vele andere
verhalen, dit gedaan: de boeren zijner streek, gewoon hem in alles
om hulp en raad te vragen, kwamen op een goeden dag bij hem met de
bede hun toch het machtige toovermiddel te openbaren, waardoor zijn
velden zooveel rijker oogst droegen dan de hunne. Toen toonde hij
hun een zilverstuk.

Zilver voor landbouw-onderwijs, zilver voor landbouw-crediet, zilver
voor irrigatie vooral, zilver genoeg, met dat toovermiddel ware de
schoone schijn van Java's rijkdom wel te hertooveren in een schooner
werkelijkheid.

Maar totdat die talisman wordt aangewend....





Sultans-Land


De Sultan van Djokjakarta huwt zes van zijn dochters uit. Sedert het
begin van de feestelijkheden stroomt het van feestvierders naar de
hoofdstad, uit het sultanaat niet alleen en uit het andere vorstenland,
Soerakarta, maar uit al de omliggende residenties, Madioen, Kediri,
de Kedoe. Dat is een geregelde, aanhoudende, geluidlooze beweging
van honderden en honderden en honderden donkere, donker-gekleede,
gedempt-sprekende menschen, al maar de breede tamarindenlaan langs,
die van het station naar het hart der stad gaat. De Westerlingen
verdwijnen te eenenmaal voor de oogen en voor de gedachte. Zij zijn
er niet meer. Daar staan langs den weg wel groote witte huizen, daar
staan, in lange rijen, de winkels, daar staat, met hooge pijlers en
blinkenden marmeren vloer, de societeit; en diep in, achter de twee
reusachtige waringins van den ingang en een wijden tuin vol grauwe
godenbeelden, het residentie-gebouw: maar zij lijken daar slechts te
staan ter wille van den donkeren menschenstroom, zóo als hooge dijken
staan langs een rivier. De dijken zijn er, dat is goed, maar daaraan
denken wij verder niet, we zien naar de rivier.

Het zwaarst en het langzaamst stuwt de stroom langs den grooten
weg dáar waar de passar gehouden wordt. Het feest is tegelijk een
marktgang. Het boerenvolk van den omtrek komt verkoopen en koopen op
de hoofdplaats. De rijst, de vruchten, de kippen en duiven, die ze
in bengelende korven, aan een zwiependen bamboestaak, in de slendang,
op de achterover gebogen hand hebben meegedragen van huis, worden in
den loop van den ochtend centen en dubbeltjes, en voor de middag om
is, feest-tooi. Koopers en verkoopers, druk aan het toonen, bekijken,
loven en bieden, houden op telkens als er midden op den breeden weg,
uit de verte al aangekondigd door den glimp van vergulden pajong,
een kratonbewoner of aanzienlijk gast van den Sultan nadert.

Bij menigten komen zij. Het zijn de leenmannen van den suzerein,
houders van apanage-gronden, hoofden van districten, van dorpen, van
gehuchten, tot wier leen-plicht en hulde het behoort op de feesten
van den leenheer te verschijnen met gevolg en geschenken. Zij toonen
hun rang in den breederen of smalleren gouden rand van den pajong,
dien een dienaar hun boven 't hoofd houdt en in 't aantal hunner
volgelingen; hun rijkdom in hun juweelen-tooi en de pracht van de kris
die zij op den rug dragen, schuins door den gordel gestoken, zóo dat
het korte buis er door opgelicht wordt. Hoogmoedig, met een strakken
blik voor zich ziende, gaan zij door de menigte, die rechts en links
voor hen uitwijkt. Zij hebben een ander type dan het geringe volk,
het type van den Hindoe: lang gezicht, hoogen, scherp gebogen neus,
gelige tint. In blik en houding toonen zij den trots van hun afkomst,
al deze edelen, wier voorouders, voor vijftien eeuwen met die van den
Sultan als veroveraars op Java gekomen zijn. De minste zoo goed als de
machtigste onder hen is in deze dagen des Sultans gast in den Kraton.

Het Sultans-verblijf ligt hoog-ommuurd, als een stad in de stad. Het
groote voor-plein, van den hoofdingang uit te overzien, is wijd als
een veld. De waringinboomen, in onafgebroken rij langs de vier zijden
van het vierkant staande--zij zijn geschoren en behouwen tot het
fatsoen van reusachtige staatsie-pajongs, natuur-dingen, herschapen
tot verheerlijking van den vorst--de geweldige waringinboomen lijken
klein in die ruimte. Maar die ontzaglijke verhouding is het eenige
dat den indruk van vorstelijkheid geeft. Wat achter de waringin-rijen
te zien komt aan gebouwen is armoedig. Gebouwen is te aanzienlijk een
woord voor die wanden van bamboe en daken van blad, die de bewakers van
poort en plein beschutten. En wat achter een tweede poort en tweede
plein te zien komt is weinig deftiger. Het geheel doet eer denken
aan een geringe stadswijk dan aan de omgeving van een vorsten-woon.

Dat belet den inlander niet, den Kraton te beschouwen met een tegelijk
verheerlijkenden en vreesachtigen eerbied. En inderdaad heeft hij
daar ook reden toe: het onoogelijke gewar van vele huisjes, muren,
pleintjes, nauwe straten omsluit den Bezitter van al het hunne. De
grond van Djokja is het eigendom van den Sultan. Volkomen als een
middeleeuwsch vorst in Europa, en nog machtiger zelfs dan die, in
dit opzicht dat geen geestelijke macht tegenover hem staat, zooals
de kerk stond tegenover de koningen van den feodalen tijd, is hij de
groot-grondbezitter, de eenige. Alle andere bezit is van het zijne
afgeleid, voorwaardelijk, tijdelijk. Dat weet de "gogol," de kleine
man, de boer. En tegenover die wetenschap--en ervaring!--beduidt
het voor hem al zeer weinig--zelfs als hij het werkelijk weet, wat
betwijfeld mag, in zoover "weten" gelijkgesteld wordt met begrijpen
en conclusie trekken--beduidt het voor hem weinig of niets dat
de politieke macht van den Sultan niet meer is dan een al haast
weggekrompen schaduw. De economische houdt hem in dienstbaarheid
van dat hij geboren wordt totdat hij sterft. Niet zijn geld--want
geld heeft hij niet--maar zijn arbeid en de arbeid van zijn vrouw en
de arbeid van zijn kinderen, is des Sultans, door middel van al de
vazallen die langs een lange afdalende reeks grond van den Sultan
"in leen" hebben. Hij wordt voor dien arbeid betaald, alweer in
grond: de Hollandsche ondernemer, suiker-planter of tabaks-bouwer
[3] of de Javaansche apanage-houder voor wien hij werkt, staat
hem dien af, juist zóoveel als hem, met hulp van zijn heele gezin,
en bijverdienstetjes hier en ginder, in het leven kan houden. De
oogst van al het overige gaat langs de weer opklimmende reeks van
dorpshoofden, ondernemers of apanage-houders, regenten, toemeng-goens,
edelen, prinsen van allerlei rang naar den Kandjeng Sultan Hamangkoe
Boewana, den "Drager der Wereld."

De inkomsten van het Sultanaat bedragen (met inbegrip van de rijkskas)
vier millioen: die van den Sultan persoonlijk een millioen ongeveer. De
Ratoe (de wettige gemalin), de kroonprins en trouwens al de leden
der uitgebreide vorstenfamilie hebben, naar gelang van hun rang,
eigen inkomsten uit de landen waarmee zij door den Sultan, of door
diens "minister der domeinen" Mangko Boemi, den "Drager van den
Grond" beleend worden. Dat niettemin de omgeving van den vorst
zoo schamel is, valt te begrijpen, door wie bedenkt, ten eerste
hoeveel geld er achterblijft in hoevele van die vele handen tusschen
de gevende van den kleinen boer en de ontvangende van den Sultan
uitgestrekt; en ten tweede, hoeveel monden hun dagelijksch voedsel
en hoeveel lichamen kleeding en huisvesting uit die vorstelijke
hand verwachten. De inlander of ook wel de halfbloed--welk een
menigte van menigten Indo-Europeanen zijn er te Djokja!--zal den
vreemdeling, trotsch, zeggen: "Er wonen tienduizend menschen,
mannen, vrouwen en kinderen, in den Kraton." Een ambtenaar van het
binnenlandsch bestuur, uitstekend kenner van Djokjasche toestanden,
zegt mij: Vierduizend. Vierduizend--dat is een gezin dat wel eenige
honderdduizenden in het jaar vereten, verkleeden, verwonen kan,
zonder het bijzonder weelderig te doen....

Op dit oogenblik is het groote gezin bezig zich te tooien voor de
bruiloft; zes dochters van het gezinshoofd. In de kleine huisjes zitten
overal mannen en vrouwen te naaien aan sitsen badjoe's--zwart sits
met blauwe bloemen en groene bladers is het in éen wijk, rood-en-geel
sits in een andere, en verderop rose, en lichtgroen, en paarsig;
iedere prins kleedt zijn gevolg van dienaren in eenzelfde kleur. Het
zal vroolijk staan in den grooten optocht. De tienduizenden uit
het Sultanaat, uit Soerakarta, Kediri, Madioen, de Kedoe verheugen
zich daarop.

De Djokjasche societeit staat aan den viersprong van breede, prachtig
door waringin- en tamarindeloover overhangen lanen, waar de weg langs
gaat van den Danoeredjon, het verblijf van den rijksbestierder, naar
den kraton. De stoet zal straks voorbijkomen, die van den Danoeradjon,
waar de zes bruidegoms te gast zijn bij den Rijksbestierder, de
huwelijksgeschenken naar de Sultansdochters in den kraton brengt. Op
het bordes van het witte gebouw zit een groepje Hollanders, mannen en
vrouwen in witte kleeren. Aan den overkant van den weg, tusschen de
geweldige waringin-stammen, is het een glooiïng van bruine zwartoogde
gezichten, van den grond op waar de kinders tegen elkander aangedrongen
zitten, tot de hoogte van de achterste der op vijf, zes, zeven rijen
achter elkander staande volwassenen, duizenden en duizenden die haast
roerloos wachten. Tusschen dat brokje wit en die lange helling bruin
door bewegen groepjes kratonbedienden, volk van den pasar vlak bij,
en nu en dan een ruiter, of een rijtuig waarin zorgvuldig gekleede
Javanen hoogmoedig in blik en houding zitten, achter wie een dienaar
een vergulden pajong gesloten opgericht houdt: het zijn familieleden
van den Sultan op weg naar den Danoeredjon, waar de stoet opgesteld
zal worden. De onafhankelijke prins, Pakoe Alam, is met zijn vrouw en
zijn zusters in de societeit, en kijkt met de Hollanders toe. Er wordt
verteld dat de Sultan hem zijn Hollanders-manieren, zijn wit-linnen
pak, zijn zuiver Hollandsch op de Hoogere Burgerschool geleerd, en
zijn automobiel zeer kwalijk neemt; en dat hij zich daar weinig aan
stoort. Sedert een uur ongeveer zijn aldoor troepjes voorbijgekomen,
die straks deel zullen uitmaken van den stoet. Vrouwen in zijden
kabaia's en met fonkelende sieradiën op de borst en in den zwarten
glimmenden haarknoop, die op zilveren presenteerblaadjes met een
lap fluweel of zijde toegedekte kostbaarheden dragen; lange reeksen
kraton-bedienden, voorafgegaan door twee aan twee onder een kleurigen
pajong wandelende hoogere beambten, die een groenen triomfboog
van saamgesnoerde en versierde stengels suikerriet dragen, en in
sierlijke potten allerlei gewas: rijst, sirih, terong (aubergine),
ketela, tabak, in verzinnebeelding van den wensch, dat het aan de
dingen van dagelijksche behoefte en genot den jonggehuwden nooit
moge ontbreken. De bedienden hebben boven den donkeren sarong--niet
anders dan bruin in velerlei schakeering wordt in de Vorstenlanden
gedragen--bonte baadjes aan van sits, rood, rose, geel, fel groen,
gebloemd op zwarten grond. De beambten in het zwart dragen den
"koeloek," het staatsie-hoofddeksel, een afgeknotten kegel, soms
glimmend zwart of glimmend vuurrood gelakt, soms kleurloos en
doorzichtig: daar hangt het haar in een wrong en lossen sliert of
sierlijk gedraaiden krul onder uit.

Achter de dragers der symbolische planten komen er die in op
een baar staande of aan draagstokken hangende huisjes--huisjes
met deur en vensters en een dak, zoo geschilderd, dat het met
roode pannen gedekt lijkt,--allerlei keukengerei dragen: sierlijk
gevlochten mandwerk, aarden potten, pannen, kruiken, en zoowaar,
allernuchterst grijs-geëmailleerd goed, tot zelfs een ketel op
een petroleumtoestel toe. De prijzen hangen er nog aan. Een stem
uit de groep Hollanders zegt: "Dat gaat overmorgen terug naar
den winkel: de gewone afspraak." Twee ganzen in een kooi, die met
halfgespreide vlerken hun evenwicht probeeren te houden tegen het
geschommel in, komen achteraan: en daarachter een heele rij mannen
met leege kooien over het hoofd gestelpt: woningen voor de duiven,
die in geen Javaansch heem ontbreken mogen. Na een poos verschijnen
muzikanten: op sierlijke stellages dragen zij gamelan-speeltuig. In
telkens andere wanorde, zooals het toeval het heeft geschikt, komen
zes maal achtereen dergelijke groepen, de zes afdeelingen die den
stoet zullen samenstellen, voorbij. Een half uur nadat de laatste
verdwenen is, komt, pajong-dragers voorop, de geordende optocht uit
de richting van den Danoeredjon er aan. Vroolijk van al dat blauw,
paars, rozerood, vermiljoen, groen, oranje, geel, dat getemperd
en in onderlinge overeenstemming wordt gebracht door het stemmige
bruin van de sarongs, en waarboven, gouden, hier en daar een pajong
schittert, beweegt de bonte stoet door lommer en licht. Er boven uit,
als bootjes op een kleurigen stroom, varen de drie groen-en-gouden
draagstoelen der bruidegoms-zusters en -nichten, die, als afgezanten,
de geschenken gaan aanbieden aan de bruiden. Door de glazen wanden
komt maar even een glimp te zien van hun zacht-kleurige kleedij, en
van het getintel van goud en edelsteenen overal op hen. De laatste
draagstoel is voorbij. De stoet wordt onregelmatig: kinders loopen
nieuwsgierig er tusschen door: de vrouwen lachen en babbelen. Onder de
mannen zijn er die, bedaard, een strootje opsteken, terwijl zij, even,
het met roodpannen-dak beschilderde huisje, het petroleum-stel, den
ketel van grijs email, of de kooi met de waggelende ganzen, neerzetten
op den weg. Met al zijn symbolen wordt de stoet zelf een symbool,
in zijn staatsie, geleenden pronk, namaak van Westersche dingen,
nalatigheid en wanorde een symbool van Vorstenlandsche toestanden.



In den kraton wordt "de Ontmoeting der Bruiden en Bruidegoms" plechtig
gevierd. Het feest is in "de Gouden Troonzaal."

Wat verrassing na de gore armoe der buitenwijken, die kern van pracht
in het Sultansverblijf!

De "zaal" is een "pendoppo," zooals ook door mindere hoofden,
bij welgestelde loerahs zelfs, gebouwd wordt voor ontvangst van
gasten: maar in het prachtige. Een marmeren, rondom met treden
oprijzende vloer; gebeeldhouwde, beschilderde en vergulde pijlers;
en een koepeldak dat prachtig rood en goud uitstraalt van een gouden
hoogte. De gouden troonzetel van den Sultan, waarnaast de vergulde
leuningstoel staat van den resident, glanst in het midden van al dat
wit en rood en goud. En de sultan zelf is niettegenstaande de somberte
van zijn kleedij een enkele flikkering, zooveel goud en edelgesteente
hangt hem om hoofddoek en kris-scheede, op de borst, om den hals, aan
de vingers. Door de spiegelglazen wanden der troonzaal heen flikkert
bont als een zwerm kapellen op een bloembed een geheele schaar kleine
meisjes, op den marmeren vloer van een tweede, lager gelegen zaal
neergehurkt, de jonge zustertjes van de bruiden, wel vijftien of
twintig, prachtig in feesttooi, armen en schouders bloot, en behangen
met kleinoodiën, de kleine gezichten beschilderd en omlijst door
scherpe punten van het weggeschoren en bijgeschilderd haar, waarvan
de wrong, hoog tegen het achterhoofd, overspannen is door zilveren
netwerk, en vlak in het midden beprijkt met een scharlakenroode bloem.

Achter die tweede marmeren zaal gaan weer treden omhoog naar een derde,
op den achtergrond waarvan in nissen tusschen rood en gouden wanden,
twee staatsiebedden schemeren, met zijden kussens bespreid. Een leger
dienende vrouwen, ook met ontbloote armen en schouders en sarong hoog
gegordeld onder zijden boezemkleed, zit op gekruiste beenen langs den
rechterwand der zaal. In het midden, tusschen de twee praalbedden,
in een schijn van heel zachtgekleurde en glanzige stoffen, zijn al de
oudere, getrouwde zusters bijeen; weder een twintig wel. En links,
alleen, zitten de zes bruiden, uit de verte te zien als een zóó
neergestreken pauwenvlucht, enkel goud en flonkering.

Er is muziek geweest: het Wilhelmus, het Wien Neerlandsch bloed,
met oorverscheurenden wanklank van geweldig geslagen bronzen
gamelan-bekkens, van harpen, cithers en Perzische viool tusschen
trompetgeschetter door. De Sultan is opgestaan en gearmd met den
Resident--zonderling genoeg die zwart-gerokte Westerling naast den
sarong en hoofddoek en flonkerende kris dragenden Javaan--naar den
opgang der gouden troonzaal gegaan, van die achterste zaal uit,
waar de zes bruiden, kruipende genaderd, hem de knie hebben gekust.

En nu naderen, van den eenen kant de bruiden, ieder tusschen twee
oudere zusters, van den anderen de bruidegoms, ieder tusschen twee
oudere broeders.

Het is verblindend, verbijsterend prachtig.

Geen vrouwen lijken dat meer, die fonkelende gestalten, die daar zoo
langzaam, met neergehouden oogleden, voorbijgaan, maar wezens uit een
vreemde wereld. Met elke schrede die zij doen, loopen flikkeringen
van rood en goud hen van voet tot boezem. De uiteinden van een
somber-blauwe, van glanzen zilver en brons doorspeelde sjerp, die
van achteren in rond-uitstaande plooiïng bochtig onder het middel
hangt, zijn van voren over elkaar geslagen, en maken een lichte
fladder-beweging voor hun knieën. Een snoer van bloemen en lichtgroene
bladers hangt daar luchtig over heen. Boven het met goud beschilderde
boezemkleed van purperen zij, hangen op de geelgezalfde en bepoederde
borst, in haar geheele breedte haar bedekkend, drie halve manen van
in zilver gevatte diamanten, de eene boven de andere. Aan weerszij
van het beschilderde gezicht, strak als een masker, stralen zilveren
en diamanten oorsieraden, als vleugels gespreid en afstaande. Een
lichtgroene aigrette siddert op het hoofd. En aan de strak neergehouden
armen en aan de handen, in de handen der geleidende zusters gevat,
pralen spangen, banden, ringen, van de schouders af tot aan de spitsen
der vingers toe.

De bruigoms, die hen tegemoet komen, naakt van hals tot gordel, en met
gelijken tooi van ringen, armspangen en diamanten trits van halve manen
op de borst behangen, dragen prachtige krissen en een hoofd-sieraad,
half helm, half fantastische kroon. Vlak tegenover elkander houden
zij stil: zes bruiden tusschen twaalf zusters, zes bruigoms tusschen
twaalf broeders: zij schijnen afgodsbeelden te midden van dienende
priesters. Een lichte beweging gaat opeens langs de roerlooze rij:
de acolyten hebben bruiden en bruigoms elk een klein voorwerp in
de hand gegeven. Het is een peperhuisje van pisang-blad gedraaid,
dat de bestanddeelen bevat van de sirih-pruim. Zonder de oogen op
te heffen werpen de paren het elkander toe. Dan bukken de bruigoms
en bieden uit een voor hen neergezette schaal hun bruid rijst aan:
een zinnebeeld van de gemeenschappelijke maaltijden van nu aan.

Zij wijken terug van elkaar. De Sultan treedt tusschen bruiden en
bruigoms. Dan komt de hoogste in rang naar voren, Joedonegoro, die de
aangenomen zoon van den Sultan is, en omvat zijn bruid. Zijn broeder
treedt naast hem. Te samen beuren zij haar op en dragen haar naar de
poort van den Kraton. De andere volgen, iedere bruid door bruigom
en bruigoms-broeder gedragen. De kleine zustertjes wachten bij de
draagstoelen, waarnaast aan weerskanten tien in het rood gedoste
dragers staan. Bruiden en bruidsmeisjes worden er in getild. En de
stoet verdwijnt, de donkere poorten uit.

De menigte toeschouwers gaat, zonder eenig gerucht te maken, uiteen. De
Hollanders zoeken hun rijtuigen te bereiken zonder bespat te worden
door de modder en de plassen, die de stortregen van dezen ochtend
op het voorplein heeft achtergelaten. En een enkele haast zich om
nog eens, van de societeit uit, den stoet te zien van de gasten
die straks deel zullen nemen aan het feestmaal in den Danoeredjon,
en den dans zullen zien dien de dansers van den Sultan daar opvoeren.



Het eigenaardige van Djokja is, dat men er niet aan
went. Integendeel. Hoe langer men deze stad bekijkt, hoe meer vreemde,
onverwachte, verwonderlijke dingen men er vindt. Niet onder de
Hollandsche bevolking alleen, hoewel daar waarlijk ook genoeg! noch
zelfs onder de Indo-Europeesche, hoewel dáár van een soort waarvan men
de wedergade zou moeten zoeken, (barok als het klinkt) in verhalen van
Gogol of Turgenjew. Maar onder de Javaansche bevolking. Het Djokja
van de Djokjaneezen. Dat is het verwonderlijkste van alles. De
wonderlijkheid zit voor een deel hierin, dat in de geheele, een
zeventig duizend bewoners bergende stad, maar tweeërlei menschen
wonen en die van de onderling scherpst contrasteerende klassen der
maatschappij: namelijk vorsten met hun omgeving, en arm volk. Wat
overal elders op de wereld tusschen die twee uitersten verbindend
leeft, bestaat hier òf niet, òf alleen in een vorm waarvan men aarzelt
te zeggen of het er een van worden is of van vergaan. In de verre
middeleeuwen hebben, misschien in een of ander handwerk bedreven
hoorigen, die van tijd tot tijd hun werk ruilden met dat van de
hoorigen van een anderen gebieder, zóó om een kasteel heen gewoond
als ambachtsvolk en kleine handeldrijvenden hier in Djokja om den
kraton. Die vergelijking zal maken wie het stadsvolk beschouwt als
verkeerende in een staat van wording, met feodale toestanden achter
en burgerlijke vóór zich. En hij zal de drukte op den passar aanzien
voor een teeken van al sterker wordend handelsvertier.

Die passar, midden in de stad, aan een breede, door prachtige
tamarinden beschaduwde laan, is een plek van altijd hernieuwde
bekoring. Telkens anders en telkens weder even mooi. In den half-donker
van de lange loodsen en op de fel-bezonde paden daar tusschen, waar de
duizenden koopers en kramers ordelijk verdeeld blijven, is het aldoor
een blinken en verschieten van kleuren, een wemelend voorbijglijden
van bewegingen, gezichten die lachen en ernstig worden, gestalten
die, bukkend, aandragen met altijd meer koopwaar. Verschillende
ruimten zijn bestemd voor verschillende waar. Langs den straatweg,
als ware het de zoom van den passar, zit in een lange rij het volk
der marskramers. Netjes geschikt op een gevlochten mat, stallen zij
hun garen en band uit, kammen, zeep, knoopen, den gewonen inhoud ook
van een Westerlingen-mars; en tabak, inlandsche tabak, door Javanen
geteeld. Maar achter dien zoom beginnen de verschillende wijken van
de markt, de groepen loodsen voor een en dezelfde waar bestemd. In het
Hollandsch en in het Javaansch staat het boven den ingang geschreven:
vleesch, groenten, vruchten, visch, geweven goederen, ijzerwerk. Vaste
gewoonte, schijnt het, vult aan waar administratieve voorzorg te
kort is geschoten, en vogels van gelijke pluimage betrekken gelijk
verblijf. De goudsmeden en handelaars in juweelen zitten in één loods
bij elkaar, en bij elkaar de Britsch-Indiërs met hun balen zij en hun
borduurwerk van goud op fluweel, en de vogelverkoopers hebben allen
aan den uithoek van de markt bij de brug, hun rijen kooien opgehangen,
waarin rijstdiefjes, dwerg-papagaaien, beo's en vooral honderden
duiven zich zitten te nebben in den zonneschijn. Hier is het altijd
druk. Want een duif mag op geen Javaansch erf ontbreken; haar gekir
brengt immers geluk aan! En liefhebbers van duiven-wedstrijden hurken
in kringen om de neergezette kooi, waar de koopman een vogel in wijst,
die hoog vliegen, of in bijzonder diepe en krachtige tonen koeren
kan. De markt-drentelaars komen hier bijeen in getale. De duiven
gaan van hand tot hand, betast, geaaid, bekeken, gecritiseerd. Een
waronghouder loopt er tusschen door met glazen geschaafd ijs, waarop
vruchtennat is gegoten, rijst in zakjes van pisang-blad gekookt, en
sigaretten. Er wordt veel verhaald, veel gebluft en veel, met groote
heftigheid, tegengesproken.

Vrouwen ziet men hier zelden of nooit. Die gaan naar de markt om zaken
te doen. Ze komen uit den geheelen omtrek van de stad, uit gehuchten
tot op twaalf en vijftien kilometer afstands gelegen. Ze zijn in den
nacht op weg gegaan, om de koelte, en om vroeg te komen, en vijf of
zes uren onderweg geweest met een zwaren last op den rug: vruchten,
groenten, aardappelen, allerlei kweeksel uit de koele heuvelstreek,
bloemen van hun eigen erf, zoetigheid pas bereid, gevlochten matjes in
rollen, waaronder het kleine figuur der draagster verdwijnt, potten,
schalen, schenkkannen van rood aardewerk, behoedzaam opgebouwd tot een
heuvel, die alleen over den weg lijkt te wandelen. Zij komen verkoopen
om te koopen. De tros pisangs of de stronk boerekool in hun linkerhand
verandert in een mandje rijst voor het huishouden, tabak voor den man,
garen en naalden voor haar zelve, in haar rechter. Daar zijn er die
met niet anders dan een paar doerèn-vruchten in haar slendang komen
en met een waarde van drie stuivers aan rijst en medicijnen weggaan,
en den morgen goed besteed achten, als zij thuis komen, nog juist op
tijd om voor het middagmaal te zorgen. Om zulke allerkleinstigheidjes
gaat het hier.

Er zijn, dat is waar, ook winkeltjes in de stad, door inlanders
gehouden. In een afzonderlijke wijk staan ze bij elkaar. Maar
ook in die winkeltjes is alles gering, klein, schamel. Het zijn
wezenlijk "winkels" in den oorspronkelijken zin, in een hoekje van een
aanzienlijker gebouw weggedoken stalletjes. Maar weinig lijken zij op
de overvolle blinkende toko's der Chineezen in de wijk vlak er naast.

Met de Javaansche industrie staat het niet anders of beter
geschapen. Er is betrekkelijk veel nijverheid in Djokja: maar, alweer,
van een armelijk, sukkelend slag. In een afzonderlijke wijk bijeen
wonen bij voorbeeld kleermakers. Ik kwam door die buurt in de week voor
de kraton-feesten en herkende ze als de hunne, toen ik in de deur en
onder het afdak van al die lage, vuile, uit het lood gezakte huisjes
mannen zag zitten naaien aan baadjes van allemaal hetzelfde zwarte,
groen-en-blauw bebloemde sits. In een andere wijk, vrijwel buiten
de stad, voor men aan het zonderlinge rood-en-witte gedenkteeken
komt dat de een of andere sultan voor zijn gemalin heeft opgericht,
wonen de batikkers: men ziet de kains en hoofddoeken hangen, in het
halfdonker der openstaande huizen. Er zijn schoenmakers, timmerlui
en schrijnwerkers, vervaardigers van wayang-poppen en dergelijke
curiositeiten, waarnaar de al veelvuldiger naar Djokja komende
vreemdeling vraagt, goud- en zilversmeden, en zelfs een enkele
wapensmid, die de edele oude kunst van het pamor-smeden uitoefent en
een meester is in zijn vak.

Maar wat is dat alles arm en klein!

Ik ben in eenige van die huisjes geweest: bij een batikster,
een goudsmid, den wapensmid. En overal heb ik hetzelfde gevonden:
vlijtig werk, gebrekkig werktuig, schamelste verdienste. De batikster
mag misschien niet eens medegerekend: zij is een Britsch-Indische en
heeft, zoo niet industrieel dan toch commercieel moderne idees. Haar
winkel heet "The Old Curiosity Shop." (Jawel: wij lezen Dickens weer,
tegenwoordig.) Het staat er vol snuisterijen, Javaansche, echte,
mooie en ook andere. Maar de eigenlijke werkplaats, op het achtererf,
daar is het alles op zijn echt Djokjaasch: nauw, donker, een doolhof
je van galerijtjes, loodsen, potstalletjes, hokken, met een trap op
hier en een trap af daar, een paar vrouwen aan den arbeid onder een
zonnezeil, eenige kuipen met blauwe, bruine en gele verf rondom een
put, droogtonnen tusschen djamboe- en sawoe manila-boomen gespannen,
waaraan kaïns, half nog in de was, hangen uit te druipen, en in een
trillenden kring van hitte en bleekrooden schijn, een houtskool-vuur
in steenen komfoor, waarop was staat te smelten. Het verwonderlijke
is het mooie werk in zulk een omgeving gemaakt.

De goudsmid is al niet beter behuisd of ingericht. Met zijn drie
helpers zit hij op den vloer van zijn werkplaats achter een raampje van
bamboestijlen, waardoor het licht maar karig naar binnen komt. In een
wonderlijk tafeltje--geen voet hoog is het blad boven den grond--heeft
hij allerlei laadjes en hokjes waar hij goud en zilver, edelsteenen,
en de gewichten van zijn goudschaaltje in bewaart, die niet anders
zijn dan de mooie roode zaadpitten van een zekere klimplant. Zijn
helpers komen 's ochtends op de fiets--hun drie machines staan in
een hoek geleund. Maar hij smelt zijn goud en zilver in een aarden
kroesje, dat hij op een potscherf te midden van gloeiende houtskolen
zet; en daar hurkt hij naast om met een waaier-vlagje van gevlochten
palm-vezel den gloed aan te wakkeren. Door de werkplaats ziet men
in zijn huis. Dat de vrouw op orde en een zeker decorum gesteld is,
blijkt uit het bescheiden "praalbed" in een nis van den muur, een
soort bedstede, en waarvoor ook gordijntjes hangen, opgebouwd. Maar
niettemin is zij in versleten, verschoten kleeren gestoken, en van
de kinders is er maar één gekleed, en dat ten halve enkel, alleen
met een baadje, waaronder zijn naakte beenen mager te voorschijn komen.

De wapensmid is, als gezegd, een meester in zijn vak, een man van
overgeërfde bekwaamheid. Hij verhaalt u met een rustigen trots,
dat zijn voorvaderen de wapensmeden waren van de Keizers van
Mataram. Zijn zoon, en zijn kleinzoon, die, met een broederszoon,
zijn helpers zijn in de smidse, zetten de traditie van het geslacht
voort. Op het kleine, zware aambeeld, dat de litteekens toont van
den arbeid van vier generaties, smeedt hij die prachtige krissen,
waar op het blauwzwart van het staal het fel-blanke nikkel in figuren
van bladers, golven, vlammen blinkt. Daar zijn er bij die vorsten
worden aangeboden als waardig geschenk. En hij werkt even vlijtig,
de oude man met zijn zoon en kleinzoon, als vaardiglijk. Niettemin
zou hij zijn gezin niet kunnen verzorgen, als zijn vrouw niet een
bijverdienste aanbracht met het houden van een "warong" aan den weg.

Zoo staat het met de Djokjasche nijverheid.

En van die stoffelijke armoe is een geestelijke het gevolg. Deze
ambachtslieden hanteeren hun ambacht als iets doods. Zij herhalen
tot in het oneindige een paar gegeven voorbeelden. Daar is niet één
batikster die ooit een nieuwe teekening bedenkt. De goudsmid maakt
oorknoppen en armbanden nù precies zooals hij ze twintig jaar geleden
gemaakt heeft en over twintig jaar nog maken zal. Zelfs de wapensmid
houdt zich aan de vijf traditioneele motieven voor de versiering van
zijn krissen, en heeft nog nooit bedacht of hij ook niet eens wat
anders zou kunnen smeden dan die en lans-punten. Gelukkig nog, wanneer
de ambachtsman zich aan de Javaansche traditie houdt en niet vervalt
in de zin-leege navolging van slechte westersche voorbeelden! Heb ik
bij den goudsmid geen (vertaalden) Duitschen catalogus van armbanden,
ringen en broches zien slingeren? "Geloof, Hoop en Liefde"--symbool,
anker, kruis en hart vereend, om als kabaja-speld te dragen, een
briljanten "sieraad" in den vorm van een vraagteeken (dàt suggereerde
ten minste een en ander, hoewel dan zeker niet-bedoelde dingen) en
een dasspeld die een jockey-pet was met een karwats er om heen. En
venten de bewerkers van buffelleer geen ceintuurs met wayangpoppen
beschilderd, langs de hotels, en de batiksters geen (gedrukte)
tafelloopers met vergeetmijnietjes in de hoeken?

De Javaansche koopman is arm.

De Javaansche ambachtsman is arm, arm aan het lijf, arm aan de ziel.

Zij zijn een arm volkje, wonend in steegjes en krotjes rondom het
zwaar-ommuurde verblijf van een van duizenden bloedverwanten en
dienaren omgeven vorst.

Tusschen die twee is niets.

Nòg niets?

Of niets méér?

Dàt is het wat men zou willen weten.





Suikerland


Telkens rijst voor oogen, die zoeken wat de gedachte weet dat te
vinden is, de verbergende wand op van heuvelklingen en steilen
berg. Wie daar boven uit kon stijgen! Wie neer kon kijken op Djokja
van de ruime hoogten uit, waar de sperwer spiedend drijft! Hij
zou het land zien liggen als van donkere berg-eilanden doorbroken,
een prachtig-blauwgroene zee, waar her en der, meeuwen gelijk, die
rustend drijven op een golf, verblindend witte stippen blinken. En
begon het te donkeren, dan zou hij de zwartgeworden zee overgloord
zien van veruitstralende blanke helderheden, zoo vele als hij eerst
witte stippen had geteld, en overal tusschen die blanke en gestadige
glanzen in, rood geflakker, rosse rook, een mist, een dunnen nevel van
vuur, dien de wind verdicht tot vlammen of uiteendrijft in smeulenden
rook; en glimmende vonken zou hij, als levende wezens zeker van hun
weg, door brand en duisternis heen zien bewegen op de groote blanke
licht-eilanden toe. Dan had hij Djokja gezien als suikerland met de
witte fabrieksschoorsteenen te midden van de blauwgroene riet-tuinen,
en, door de duisternis glimmend, de locomotieven van de lange treinen,
die langs afgeoogste velden, waar heuvels verbranden van dor blad,
riet naar de stampende molens dragen. En die schijnbaar zoo van
zelf sprekende vereeniging van industrie en landbouw, die complexen
van fabriek en suikerrietveld ziende, die een heel land innemen,
had hij voor eigen oogen gehad een ding zóó zonderling, dat het
wel éénig mag heeten: de vereeniging, zooals zij waarschijnlijk
nergens elders op de wereld te vinden is, van twintigste-eeuwsche
arbeidsmethode en middeleeuwsche heerschappij over grond en
menschen. Het wonderlijk samengroeisel staat op het punt van een
gescheiden te worden. Binnenkort zal het levende deel tot krachtiger
ontwikkeling gekomen, het afstervende in ontbinding verdwenen zijn. En
dan zal wie het niet met eigen oogen zag moeite hebben te gelooven dat
het ooit bestond, dat ooit een industrie in samenwerking vereenigd
heeft gehouden de nieuwste machines uit Hengelo, Amsterdam, Halle,
Brunswijk, Glasgow, de methodes van het groot-kapitalisme, en het
wetenschappelijk onderzoek aan den eenen kant, met, aan den anderen,
feodaal landbezit en de arbeidskracht van een volk, dat met huis,
erf en veld te zamen voor zoo en zooveel jaar tegen zoo en zooveel
geld gepacht wordt van den vorst als van zijn bezitter.

De zonderlinge toestand is een gevolg van overoude oorzaken, en zelf
al oud.

Overal op Java gold vroeger de vorst als de eigenaar van den grond:
maar zijn eigendomsrecht werd beperkt door dat van den ontginner. Wie
woesten grond maakte tot vruchtbaren, verkreeg daardoor dien grond
in eigendom. In de streek die later de Vorstenlanden zou heeten,
veranderde die toestand ten voordeele van den vorst. Wanneer en door
welke oorzaken schijnt niet bekend; maar bij hun komst in de streek
vonden de Hollanders dien veranderden toestand als een gevestigden
en klaarblijkelijk sedert zeer lang reeds heerschenden. In het
toen geldende stelsel was de vorst onbeperkt eigenaar van den grond
en feitelijk onbeperkt eigenaar van de krachten der bewoners. Zij
konden niet anders bezitten dan wat hij hun gaf, en in ruil daarvoor
moesten zij betalen wat hij van hen eischte. Dat was niet minder dan
de helft van al het gewas en diensten tot aan de alleruiterste grens
van hun krachten. Uit dat bezit aan grond en krachten onderhield de
vorst zijn dienaren. De leden van zijn familie, de machtige edelen,
de legeraanvoerders, de bestuurders van gewesten, kortom allen, die,
onder welken titel dan ook, een deel van zijn gezag uitoefenden,
ontvingen een overeenkomstig deel van zijn bezit: land en menschen,
waarvan zij echter weer, evenals het volk, schatting in oogst en
diensten aan hem moesten opbrengen. Van den Soenan af tot op den
laagst in rang staanden edelman of ambtenaar toe, was er als een
trap waarlangs verplichtingen daalden, rechten opklommen. De Sultan
had alle rechten en geen verplichtingen; zijn laagste vazal enkele
rechten en vele verplichtingen; het gemeene volk geene rechten en
alle verplichtingen. De Oost-Indische Compagnie trad geleidelijk in
des Sultans plaats en besnoeide zijn macht ten voordeele van hare
eigene, doch liet in de hoofdzaak het oude stelsel voortbestaan:
van het geheele land, na aftrek van een bepaald gedeelte (1/5) als
betaling van toezicht houdende hoofden, was de helft voor het volk,
de helft voor den vorst. Opeenvolgende wijzigingen, waarvan de diepst
ingrijpende door Daendels en later door Raffles werden aangebracht,
lieten altijd nog dit stelsel ongerept. En het bleef bestaan toen in de
19de eeuw eindelijk de Hollandsche ondernemer optrad en in de plaats
kwam van den Javaanschen edelman of ambtenaar, den vorstenvazal. Als
aan dezen werd nu aan hem de helft toegewezen van den oogst, door
de bevolking geteeld, en als deze had nu hij het recht op arbeid en
diensten van den boer; als deze ook betaalde hij voor het een en het
ander schatting aan den vorst.

Het groote onderscheid echter was dit: dat de Hollandsche ondernemer
geen rijst behoefde als de Javaansche apanage-houder, maar wel
arbeid om een voordeeliger product dan rijst te telen. Hij trof
daarom een schikking met de boeren. Inplaats van rijst zouden zij
hem, onbetaald, zooveel arbeid leveren als voldoende zou wezen
om de verschuldigde hoeveelheid rijst te telen, doch dien arbeid
besteden aan de cultuur van suikerriet. Wat daarvoor meer noodig
was dan voor rijst, zou hij hun betalen; de cultuur van het riet
namelijk eischt veel meer arbeid dan die van de rijst. Daar, verder,
op tijd en kracht van den boer de velerlei diensten die hij onder
allerlei benamingen aan den Sultan bewijzen moest, zwaar drukten,
kocht de Hollandsche ondernemer voor zooveel mogelijk die diensten
af. De Sultan nam genoegen met het geld instee van den dienst. En
zoo werd de rijstbouwer van den Sultan rietbouwer van den fabrikant,
verhoudingen uit den tijd van de Hindoevorsten overgebracht op de
moderne industrie, en de Djokjasche sawahs veranderd in wimpelende
riettuinen, waar in de plaats van het wachtershuisje, speelplaats van
op rijstdiefjes passende kinderen, de fabriek verrees, dreunend van den
slag der door een beek gedreven machine. Die fabrieken uit het begin
der jaren achttienhonderd, klein nog en eenvoudig ingericht, waren
het eigendom van één man, den oprichter. Gewoonlijk was het iemand
op goed geluk naar Java gegaan--een koloniaal soms, of een matroos,
een enkele maal een Franschman, langs allerlei wonderlijke wegen uit
de legers van Napoleon zoo ver weg gedwaald; mannen die kwamen zonder
een rooden duit op zak; maar vol goeden moed en durf en inzicht
in toestanden en karakters. Zij vonden hun weg naar het hof, en,
dikwijls, naar de gunst van den Sultan. Er waren er die met dochters
uit den Kraton trouwden, en bij wijze van bruidschat land in leen
kregen: groote fortuinen werden op zulk een grondslag opgebouwd. De
teelt van het riet, het maken van de suiker kon op een primitieve,
weinig-kostbare wijze geschieden; er was nog geen ziekte in het riet,
nog geen concurrentie op de markt, nog geen dwang van welken aard ook
tot vermeerdering van productie en vermindering van uitgaven. Maar
ook dat veranderde. De slechte jaren kwamen. Wat nu niet mee kon met
den nieuwen tijd moest voorgoed achterblijven en ging ten onder.

Van de kleine met waterkracht gedreven fabriekjes verdween het
laatste. De rijkdom van één man was niet voldoende voor den bouw en
de inrichting van de groote nieuwe fabrieken, voor het aanschaffen
van de dure nieuwe machines, voor het pachten van de groote complexen
land. Geheele families werden gezamenlijk eigenaar, vennootschappen,
maatschappijen. De aandeelen kwamen aan de markt. En wie vandaag
deze of gene van de achttien groote fabrieken in Djokja ziet, wier
schoorsteenen uit het blauwig blinkende rietveld opsteken als uit
een zomersche zee een vuurtoren, kan zich vermaken met de gedachte,
dat op hetzelfde oogenblik misschien de een of andere couponknipper
in Amsterdam of Den Haag of Harleveen in den vorm van een strookje
papier de hem competeerende portie naar zich toe haalt van de
schatten, onder dien blinkenden schoorsteen uit dat wimpelende riet
te voorschijn geperst; en dat de orde-, vrede- en menschlievende
Nederlander, zachtzinniglijk aldus knippende, metterdaad zich
verklaart voor afstammeling-naar-den-gelde en politiek erfgenaam
van oude Djokjasche Sultans en Soenans van Mataram, de verdrukkers,
uitzuigers en keelbeulen van hun volk.

Wel wonderlijk hangen in deze wonderlijke wereld de dingen aan
elkaar....



Wie in dezen tijd langs Djokjasche wegen gaat, beweegt zich te
midden van een gestadig stroomende rivier van riet. Het is riet op
de lange vrachttreinen, riet op tram-wagons, riet op lorriereeksen,
riet op buffelkarren. Het lijkt of de velden zelf zijn opgestaan
en bewegen. De lucht is vol van den zachten geur, die uit de snede
der afgekapte halmen opstijgt. Op de kale akkers loopen buffels het
lichtgroene kruid af te weiden, dat in den schemerdonker tusschen de
hooge stengels is opgegroeid, mannen laden een kar vol met afgestroopt
blad, waarmee zij het dak van hun huisje in de dessa nieuw gaan dekken,
om een brandenden hoop afval speelt een bende spiernaakte jongens met
het triomfante pleizier dat jongens de heele wereld over in een vuurtje
hebben. En naast dat afgeoogste veld staan rechts en links andere
nog in vollen rijkdom, blinkend en wimpelend; en verderop glanzen,
laag bij den grond, de akkers, waar het jonge riet, in het begin
van het jaar aan stekken in den grond gezet, al forsch en bladerrijk
staat; en verre weg, tegen de wijkende bruine en roodachtig-paarse
hellingen aan, wazen hier en ginder, vegen van teeder groen, dat
alweer suikerriet is, in de koelte gezaaid en opgekweekt tot het,
telkens van een hooger naar een lager gelegen veld gebracht, rijp
zal wezen voor het planten in de vlakte. En verder weg nog, niet
voor het oog zichtbaar meer, maar duidelijk genoeg staat het voor de
gedachte, groeit het riet van de proefstations, de zorgelijk behoede,
beschutte, begoten en gekoesterde eerstelingen van nieuwe soorten,
uit verre streken hierheen gebracht, of gekweekt uit de vermenging
van de beste der inheemsche rietsoorten. Van zoo ver af begint het
al,--dat bewegen van het riet naar de fabriek toe: heel langzaam eerst,
met kweeken en stekken; telkens komen de stekken ván stekken uit hun
verte en hun hoogte wat dichter bij de fabriek--het proefstation, de
"grootmoeder-tuin," de "moeder-tuin," de bibit-tuin; dan plotseling
omlaag de vlakte in, naar het veld, waar de stekken zullen opgroeien
tot rijpe planten; dan, na een jaar of veertien maanden, de oogst en
de snelle stroom naar de fabriek toe.

De dagen door golft die stroom, de nachten door. De zon schijnt er op,
de maan en de nachtgloor der sterren. Over zijn monding in de fabriek
gaat het felle electrische licht op, wanneer de zon is ondergegaan
over zijn bronnen op de heuvels.

Rondom is de zwarte tropische nacht, de zwarte hemel staat vol
sterrengeflikker, immense boomkruinen maken een donkerte midden
in donkerheid. En te midden van die duisternis, die als een wal
ondoordringbaar staat, schittert, als de klaarlichte dag zoo wit,
de fabriek met haar reeks van stralende ramen en hoog in de lucht
zwevende groepen blanke lampen. De passar aan beide zijden van den
grooten weg en midden op een door boomen omgeven pleintje, waar
dozijnen vrouwtjes zitten met uitstallingen van allerlei eetwaar; de
groepen koelies, op hun hielen gehurkt, die onder praten en gelach
en met het rooken van een strootje zich verpoozen; de lange rechte
straat, aan weerskanten waarvan de witgekalkte employés-huizen staan,
elk in zijn bloeiend tuintje: dat alles komt met zoo vele en scherpe
bijzonderheden uit, als zelfs in den zonneschijn niet. En door die
felle klaarheid beweegt nu de lange trein rietwagens, zwarte wagens,
bevracht met achter en voor in een boog afhangende halmen-bundels,
groene, bruine, paarsige; de grauwe buffels en de roodbonte ossen
trekken bedaard stappend. De karrevoerders zitten half in slaap: hun
beesten kennen den draai van den weg naar de weegbrug. Op het plein bij
het pakhuis loopen al buffels los: zij grazen nog wat langs den berm,
terwijl zij naar stal gaan. Voor de groote fabriekspoort, waar de
rails van Decauville-lijnen en spoorwegen, elkander kruisend, ruiten
van een reusachtig dambord maken, loopen, schijnbaar vanzelf, wagens
de fabriek in en weer uit, hooggeladen naar binnen, hol en hoekig
naar buiten. Koelies loopen duwend en roepend mee. Ze zijn anders dan
anders, hier en nu. Het meestal onhoorbare volk is luidruchtig. Zij
joelen als er een zijn bundel riet onhandig van den wagen gooit,
als er een uitglijdt op den glibberigen vloer, als een karredrijver
zijn ossen niet bijtijds uit den weg kan krijgen. Het felle licht,
de snelle beweging, het dreunende geluid uit de fabriek, die sterke
menschelijke wil die zich doet gelden tegenover de donker-stille
natuur, heeft hun eigen levenswil gaande gemaakt.

In de fabriek staat de molen te zingen met een geweldige stem. Prachtig
gaat de klank op uit het ijzer-zwarte en staal-blanke gevaarte dat
daar staat te draaien met zijn pletterende rol en te dreunen met al
zijn platen, krukken, hefboomen, een klank als van een orgel waar
verschillende registers tegelijk in uitgetrokken zijn, zoo dat de
vox humana zingt en ook de bazuinen, en een fijne, klare, hooge toon
drijft op een dreunende wolk van donkere galmen. De grond-zelf geeft
mee met het harmonische gedaver. En die menigte van machines, waaraan
blinkende dingen bewegen, stangen en krukken opgaan en neer, wielen
wentelen, riemen trillen, lijken te bewegen alle op de maat van dat
geweldige gezang, het gezang van den pletterenden, malenden molen,
die, als een reusachtige werkman, overvol van kracht uit volle borst
zingt bij zijn werk.

De molen zingt, de machines draaien en dansen. Het riet komt naar
binnen gestroomd, of ook het riet luisterde naar die muziek. Hier is de
lange groene stroom, op de verre heuvels ontsprongen, aan zijn monding
gekomen. Met golven schiet de vloed van stengels den "carrier" langs
en, de wentelende brug over, den molen in. Een vormelooze massa komt
er uit aan den eenen kant, een troebele beek aan den anderen. En door
gemetselde kanalen en vijvers heen stroomt onophoudelijk het vuile,
met taai geel wit schuim bedekte sap, dat vermengd met zuiverende
kalk en zwaveldampen, verhit in reusachtige ketels, bezonken,
gefilterd, verdampt, gekookt, ten laatste uit de centrifuges door
bukkende vrouwen wordt losgemaakt als sneeuwwitte suiker. Bergen
gelige suiker liggen in een anderen hoek van de fabriek: daar staan
de half-naakte koelies, tot aan de knieën ingezonken, met groote
houten spaden in te scheppen. Ontelbaar in de rij, staan de zakken
vol bruine melasse, uitpuilend onder den druk van de zware stroop,
die na enkele oogenblikken zoo hard is geworden als steen. Door goten,
die, als duizend-pooten, op ontelbare, bewegelijke stangen staan, al
maar heen en weer schuddend, loopt gelige en blanke en bruine suiker
met schokken voort. Suiker, als zwarte modder, borrelt in een diepen
bak. Suiker wordt met lange bezems bijeengeveegd als stof van den
grond. En in het laboratorium staat, precieus in kleine stopfleschjes
geborgen, suiker, die van vlakke kristalletjes flikkert als de sneeuw,
als sneeuw zoo smetteloos, zoo fel wit.

Straks stroomt al dat product de fabriek uit. De kostbare witte
suiker naar de haven, waar de schepen al wachten op den last voor
Britsch-Indië, Japan, Australië, Amerika; de gele en bruinige naar
de booten op Amsterdam, waar de raffinaderijen stampen en stoomen,
de melasse naar de arakbranderijen en de fabrieken van vee-voeder. En
de lange treinen, die de suiker dus veranderd en nog altijd verder
te veranderen wegdragen, komen de lange treinen tegen, die de suiker
aandragen in haar oorspronkelijke gedaante, als lang, zwaar-buigend,
groen en bruin en paarsig riet.





Armoeland


Djokjakarta is het land van ongerijmdheden en tegenstellingen. Er zijn
er onder die meer nog dan het verbijsterde verstand het geschokte
en verontwaardigde gevoel treffen. Daarvan is wel de ergste: de
tegenstelling tusschen den rijkdom dien Westersche wetenschap
en werkwijze te voorschijn brengen uit den Djokjaschen grond,
en de ellende van het dienzelfden grond bebouwende en mede dien
rijkdom helpende voortbrengen Djokjasche volk, terneergedrukt onder
middeleeuwsch-despotische instellingen.

Die ellende is nog niet eens het ergst in den vorm van armoe. Zeker
zijn deze menschen arm. Ik ben in dessa's geweest waar--als men de
woning van den bekel uitzonderde--in al die huisjes samen voor nog
geen f 5 aan huisraad en kleeren was; en de waarde van de huizen
zelf werd door de bewoners op f 1.50 geschat: dat althans was de som
die zij bij den administrateur kwamen vragen na een brand, om nieuw
te bouwen. Maar in de aangrenzende gouvernementslanden, in de Kedoe
bijvoorbeeld, zijn stellig even arme dorpen te vinden.

Zij is erger in den vorm van ziekte. Er is veel oogziekte hier en
veel huiduitslag. Wie een groote menigte bij elkaar ziet, niet in
de stad, waar zorgvuldige kleeding een aangenamen schijn spreidt
over uitgemergelde gedaanten, maar op de velden, waar de menschen
half-naakt aan het werk te voorschijn komen zooals zij werkelijk zijn,
krijgt een indruk van verregaande zwakte en lichamelijke ontaarding:
een troep kinderen is een allerdroevigst schouwspel; niets kinderlijks
meer is er in die hoekige holle gezichten met de rood-ontstoken oogen,
niets dat er uitziet of het wil groeien, aan die scharminkelige kleine
lichamen. Maar lichamelijk leed is er ook in andere streken van Java
veel en erg onder gering volk.

Neen, de ergste ellende van dit volk, en de eigenlijk-Vorstenlandsche
dat is zijn geestelijke ellende, zijn stompe, onverschillige
willoosheid. Uit die doffe gezichten is zelfs de uitdrukking van
verlangen naar iets beters verdwenen. En wie hen in hun dagelijksch
zijn en doen eenigen tijd waarneemt, voelt soms de vrees in zich
opkomen, dat zij van iets beters geen baat zouden hebben. Een mensch
die al te lang honger heeft geleden, verdraagt geen spijs; die al te
zwaar geboeid is geweest, kan zijn leden niet gebruiken, als hij de
vrijheid herwint.

Het Djokjasche volk is gewonnen, geboren en getogen in een wereld,
die, met alles wat op haar leeft, en beweegt, het eigendom is van éen
oppermachtig wezen, zoo verheven en in alles volmaakt, dat hij een
godheid schijnt meer dan een mensch. De macht van den Sultan is zoo
alomtegenwoordig, alles omvattend, alles doordringend in die wereld,
als in de stoffelijke de dampkring. Er is geen ontkomen aan, er is
geen mogelijkheid van leven daarbuiten, er is geen verzet of verweer
tegen. Zooals de aarde gedrenkt wordt door regen en verwoest wordt
door regen, en niet anders dan lijdelijk kan zijn onder de lafenis of
onder de vernieling, zoo wordt door den wil van den Sultan het volk
beweldadigd of te gronde gericht en kan niet anders dan lijdelijk
wezen onder genade of onder gramschap.

De Sultan echter is ver. Hij woont in zijn prachtigen kraton. Een
gering man ziet hem niet, dan, misschien eens, éénmaal, in zijn
leven, wanneer hij in het gevolg van zijn bekel, die zelf weer in
het gevolg is van den apanagehouder, machtig edelman of prins uit
het Sultansgeslacht, naar den kraton opgaat, schatting en geschenken
dragend. Dichter bij, en door die nabijheid grooter van invloed op
zijn dagelijksch bestaan, is de apanagehouder, de pachter-leenman van
den Sultan, in alle machten en rechten over hemzelven, zijn grond en
zijn gewas, des Sultans plaatsvervanger. Voor den apanagehouder is de
helft van zijn oogst in den Westmoesson, het derde van zijn oogst in
den Oostmoesson. Voor den apanagehouder zijn de beste vruchten van
zijn erf.

De apanagehouder bouwt een huis, geeft een feest, maakt een reis,
trouwt een zoon of dochter uit: de kleine man brengt bamboe uit het
bosch, de steenen die hij zelf gebakken heeft, uit den oven en bouwt
het huis; hij neemt voor een paar dagen eten in een gevlochten zakje en
zijn draagjuk over de schouders, en volgt als lastdrager zweetend en
dravend den apanagehouder op reis; hij gaat houtskool branden in het
bosch, haalt de laatste rijst uit zijn schuur, slacht een paar kippen
of zijn geit, en brengt alles naar de keuken, waar de feestmaaltijd van
den apanagehouder wordt bereid. De rijst van den apanagehouder wordt
rijp op het veld, de rivier bedreigt zijn gronden, zijn vee heeft
herders noodig op een nieuwe wei, zijn huis bewaking tegen dieven:
de kleine man bouwt wachterhuisjes en zet er zijn kinderen op wacht,
hij gaat naar de rivier en bouwt dammen van bamboe-vlechtwerk en
keien, hij stuurt zijn zoon om de buffels te weiden, en gaat zelf
des nachts waken bij het huis van den apanagehouder. Soms komt de
apanagehouder met zijn vrouwen en zijn kinderen en zijn dienaren de
apanage bezoeken. De bekel ontruimt zijn huis voor hem en bedient
hem, hurkende, zelf. De apanagehouder blijft met zijn vrouwen, zijn
kinderen en zijn dienaren tot er niets meer in of om de dessa is,
dat de moeite van het blijven loont.

Op den apanagehouder volgt de bekel, zijn pachter-rentmeester. Die
is vlak bij den kleinen man, en door die allernaaste nabijheid is
diens invloed op zijn leven het allergrootst. Al wat de apanagehouder
doet, dat doet ook de bekel; maar hij doet het nog veel erger. Zooals
immers de apanagehouder pacht opbrengt aan den vorst, zoo brengt de
bekel pacht op aan den apanagehouder. Daarom, als de vorst een pikol
rijst eischt of een gulden belasting of een dag arbeid, eischt de
apanagehouder twee pikols, twee gulden, twee dagen; en de bekel,
natuurlijk, drie pikols, drie guldens, drie dagen. En omdat de
bekel zelf in de dessa leeft en precies weet wat er in ieder huis
gebeurt, kan hij den dessaman "vinden" op honderd manieren, waarvan de
apanagehouder niet weet. En de kleine man brengt zijn rijst; betaalt
zijn koperen duiten, arbeidt op het veld van den bekel, in zijn stal,
op zijn erf, aan zijn waterleiding, aan zijn huis. De bekel is de
plaatsvervanger van den apanagehouder, die de plaatsvervanger is van
den Sultan, die alle macht en recht over alle dingen en menschen bezit:
hoe zou een gering mensch anders kunnen dan hem in alles gehoorzamen!

Nu komt voor den apanagehouder een Hollander in de plaats, een
suikerplanter: Kromo verneemt het op een goeden dag. Zijn dessa, zijn
velden en hijzelf zijn nu van den suikerplanter, zooals ze vroeger
waren van een Javaanschen ambtenaar, hoveling, zoon, dochter of
afstammeling tot in het vierde geslacht van den Sultan. De macht-hebber
is een andere, de macht is dezelfde over hem. Het is waar dat de
macht-hebber hem met die macht tot andere dingen dwingt: niet meer
tot rijstplanten, aanbrengen van levensmiddelen en bouwmaterialen,
dragen van lasten, maar tot het bouwen van suikerriet en het werken
aan wegen en bruggen. Het is ook waar, dat hij van den Hollander eenig
geld verdienen kan, wat hij nooit verdiende van den Javaan, voor
werk trouwens dat zwaarder is dan het werken voor den Javaan. Maar
wat ook anders is geworden, dit éene is gebleven: de dwang. En dien
dwang te verdragen van een Hollander valt Kromo nòg zwaarder dan hem
te verdragen van een Javaan. Als hij zich veilig weet, uit hij zijn
geringschatting voor zijn nieuwen eigenaar door hem te vergelijken
bij een ondergeschikte van den vroegeren, den apanagehouder: hij
noemt den planter "een blanken bekel."

De bruine bekel overigens is gebleven. Hij die vroeger oogst deed
opbrengen, doet nu arbeid opbrengen: dat is het eenige verschil,
voor Kromo géen, in zoover het zijn afhankelijkheid van den bekel
betreft. Soms is die er zelfs nog erger op geworden: want voor
den arbeid volgens Westersche werkwijzen is toezicht noodig, welk
toezicht wordt uitgeoefend door een "mandoer." En dikwijls is de bekel
tevens die mandoer--de Hollandsche ondernemer heeft voor zijn nieuwe
doeleinden de oude organisatie gebruikt. De bekelmandoer heeft Kromo
nu niet alleen bij de resultaten van zijn werk, maar ook bij zijn werk
zelf in zijn macht. Wordt een gewone dessaman tot mandoer gemaakt,
dan is almee voor hem de winst niet groot. De dessaman-mandoer maakt
van zijn nieuwe plichten vliegensvlug nieuwe rechten: als hij zorgen
moet voor het werk van den planter, zal hij tegelijkertijd zorgen voor
zichzelf. Daarmee volgt hij de eeuwenheugende traditie, daarmee volgt
hij het voorbeeld van den Sultan en den apanagehouder en den bekel:
hij neemt zijn plaats in, in de rij van verdrukkers en verdrukten,
die, als de symbolische dieren der Oostersche kunst de een op den
rug van den ander staan. En met nog een machthebber meér bovenop hem,
hurkt Kromo als onderste op den grond.

Daar zit hij.



In het beeldhouw-werk, dat het geweldige Baraboedhoer-monument versiert
en die overschoone tempels van Mendoet, Kalassan Prambanan en zooveel
anders nog als er over is gebleven uit het tempelbouwende verleden van
Java, is een der altijd weer terugkeerende voorstellingen, de houding
van diepe nederigheid en zelfvergetende toewijding, aangenomen door
elken mindere tegenover zijn meerdere, door een dienaar tegenover
zijn heer, door een zoon tegenover zijn vader, door een krijgsman
tegenover zijn vorst.

In de wajang-vertooningen der aloude drama's, zooals die tot op
dit oogenblik toe gehouden worden--onlangs werd de bruiloft der zes
Sultansdochters er door opgeluisterd--zijn altijd weer terugkeerende
uitdrukkingen, de formules van nederig verlof vragen van een mindere
aan zijn meerdere,--verlof om voor hem te verschijnen, om te spreken,
om heen te gaan, ten einde zijn bevelen uit te voeren.

Het duizendjarig beeldhouw-werk, het duizendjarig drama aanschouwend
met die ontroering, die uitgaat van dingen, verdwenen en vergeten
uit de stoffelijke werkelijkheid, doch onvergankelijk levend door de
kunst, verwondert de Westerling zich over de zinnebeeldende kracht
der Oostersche kunst en haar idealiseerend vermogen: tot welk een
hoogte heeft zij alledaagsche dingen opgevoerd! Welk een gedachtevorm
gevonden voor het vormloos-stoffelijke!

Laat diezelfde Westerling er nu getuige van zijn hoe een Djokjasche
koeli,--een lastdrager, een karrevoerder, een bemodderde werker in
het suikerriet-veld--den administrateur tegemoet komt, die hem tot
zich roept, of, vooral, den Javaanschen ambtenaar op reis door de
streek, den wedana, den Regent: dan zal hij, verbaasd, zien hoe wat
hij voor den stijl der hooge kunst had gehouden, de stijl is van het
dagelijksch leven: de koeli houdt zich in de houding, hij spreekt in
de taal van de tempelreliefs en de wajang-vertooningen. Die aloude
voorstellingen gaven, zeer weinig veranderd slechts, de werkelijkheid
van dien tijd weder. En een ter hoofdzaak gelijke werkelijkheid geeft
het ceremonieel weder dat de hedendaagsche koelie in acht neemt wanneer
hij hoog-Javaansch spreekt en "sembah" verricht tegen een machtiger
dan hij. Zoo drukt hij zijn diep besef uit van de macht van dien
andere, en van zijn eigen afhankelijkheid. Niet alleen zijn lichaam
vernedert zich in die neergedoken ineengebogen houding; neen! in de
hof-taal die hij spreekt vernedert zich zijn gedachte-zelf. Daar is
in hem niets meer dat overeind staat.

Laat iemand hem nu zeggen dat hij "rechten" heeft; hoe zal hem dat
aandoen? Hoe zal het een lamme aandoen, wanneer men hem wijst naar
de hooge bergen?

De kleine man heeft rechten, en meér rechten op Hollandsche
ondernemingen dan op Javaansche apanages. Maar hij laat die niet
gelden. Hoe zou hij?

Er zijn landhuurders geweest die van die gelaten onderwerping aan het
onrecht, die geestelijke zwakte van den kleinen man, een afschuwelijk
misbruik maakten. Eén wordt er genoemd die door onmenschelijke
dwingelandij en afpersing het ongelukkige volk op zijn land zoover
heeft gebracht, dat de geheele bevolking van twee dorpen emigreerde,
velden en huizen, het weinige, alles wat zij in de wereld bezat, er aan
gevend om maar aan hem te ontkomen. Hij liet de vruchtboomen omkappen
en de huisjes verbranden en plantte nog meér tabak dan waarvoor hij
anders plaats had gehad. Zoo volslagen verstoken van menschelijk gevoel
niet alleen, maar van alle schaamte en begrip van recht was deze man,
dien de andere landhuurders hadden uitgestooten uit hun vereeniging,
dat hij hulp van de regeering eischte om zijn onwettige praktijken
tegenover de eindelijk zich verwerende bevolking door te zetten.

Er is een eind gemaakt aan het schandaal. En uit het vele kwaad is
dit goede voortgekomen, dat de Resident, van zijn bevoegdheid gebruik
makende, voor landbouw-ondernemingen in Djokja nadere bepalingen
vaststelde, die het landhuur-reglement aanvulden en verbeterden
ten gunste van de inlandsche bevolking. Dat was in 1906. De nieuwe
bepalingen worden, naar ik hoor, over het algemeen vrijwel in acht
genomen, en op vele fabrieken zelfs zeer stipt. Van eene weet ik door
eigen waarneming, dat de beheerder niet alleen nauwgezet zich aan
zijn exploitatie-regeling houdt, maar op werkelijk humane wijze de
bevolking op zijn landen te hulp komt in haar behoeften. Hij laat hen
den tijd om hun velden naar den eisch te bewerken; hij laat hen vrij
cultuurdiensten te verrichten in de uren die hen het best schikken, in
verband met den arbeid op hun eigen grond; van het recht op éen dag van
de vijf heerendienst (inplaats van éen dag op de zeven) hem toekomende
in ruil voor de velerlei feodale lasten, waarvan de onderneming het
volk heeft losgekocht, maakt hij géen gebruik; vroeger-onbetaalde
arbeid (als bijvoorbeeld het inhalen van den oogst) die verzacht is
geworden tot betaalden, hoewel verplichten arbeid, wordt gaandeweg
tot geheel-vrijen arbeid gemaakt; bij slechten oogst krijgt het volk
hulp; er is een school gebouwd op de onderneming. Zooals deze eene
zijn er méer. Ook brengt, afgezien zelfs van den goeden wil van een
administrateur en een directie, de landverhuur aan Hollanders der
bevolking voordeel aan. In het systeem van wisselbouw profiteeren
hun velden van de diepe bewerking en de bemesting, het vorig jaar
daarop aangebracht voor de teelt van het suikerriet: als streepen van
donkerder groen liggen op het lichte groen der rijst de vorig-jaarsche
plantgeulen van den goed-verzorgden riet-tuin geteekend. Evenzeer komen
hun de waterleidingen, de dammen en de sluizen ten goede, die zij in
dienst van den planter hebben gebouwd. Zij leeren betere werkwijzen van
hem, als blijkt uit den inlandschen tabak-bouw. De vele dessa-lieden,
die geen recht op de velden hebben--(van het gezin erft de oudste zoon
alleen dit recht)--krijgen gelegenheid tot geldverdienen in vrijen
arbeid op het veld, bij het oogst-transport en vooral in de fabriek.

Maar niettemin, niettegenstaande zulke algemeene voordeelen als
de Westersche exploitatie op zichzelf en zulke bijzondere als het
rechtvaardigheidsgevoel van een goeden beheerder aan het volk van
Djokja aanbrengen, blijft het er slecht aan toe. Die voordeelen
maken de nadeelen niet goed. De hoeveelheid loon die zij derven door
gedwongen arbeid is te groot. Het stuk land is te groot dat zij
moeten laten aan den ondernemer. En boven alle mate veel te groot
is de macht van den man die tusschen hen en den ondernemer in staat,
de macht van den bekel.

De bekel is de verpersoonlijking van het verderfelijke oude systeem,
dat sterker is dan welke goede wil ook. Zijn ambt is erfelijk, een
lange traditie verleent hem prestige tegenover het dessa-volk. De
landhuurder, die hem kent als een verdrukker van het volk, kan
hem niet ontslaan. Daarvoor is een vonnis van de rechtbank noodig,
na behoorlijk onderzoek. Maar hoe bewijzen van schuld te krijgen,
als de verdrukten tegen den verdrukker niet willen getuigen? De
bekel-mandoer houdt den koelies een gedeelte af van hun loon: hij
laat hen om niet, werken op zijn ambtsveld; hij ziet vruchten op hun
erf, kippen en duiven in de kooi, een geit in den stal, en beveelt
den koelie hem die te brengen: heeft de koelie bij zeldzaam toeval,
geld, dan "leent" hij het; heeft de koelie een knappe dochter dan
neemt hij haar tot bijvrouw, maakt den schoonvader in alles gedwee
door de vrees van een verstooting, en verstoot haar toch, wanneer
er van het huisgezin niets meer te halen is. En de koelie verdraagt
dat alles en zwijgt. Het is de bekel, wiens vader en grootvader zijn
eigen vader en grootvader op dezelfde wijze geplaagd hebben. Eerst als
hij geen keus meer heeft dan tusschen totalen ondergang en verzet,
verzet hij zich, op de éénig voor hem mogelijke wijze, langs een
omweg. De bekel is verantwoordelijk voor het werk op de onderneming:
hij treft, hem in die verantwoordelijkheid. Hij verwaarloost de tuinen,
slecht, of slechts in schijn arbeidend; hij steekt het rijpe riet in
brand. De menschkundige of, om precies te spreken, de Djokjaneeskundige
administrateur, die in plaats van tegen onwilligen en brandstichters
tegen den bekel een onderzoek met de noodige omzichtigheid begint,
en, vóór alles, zorgt dat geen weerwraak hen die de waarheid zeggen
treffen kan, verneemt dàn eerst van toestanden, die hij van tevoren
zoo min had kunnen weten als verhelpen.

De reorganisatie is op komst, die het monsterlijke vergroeisel van
feodalisme en moderne industrie vaneen scheidt, den inlander zijn
deel aan den grond hergeeft in den ouden vorm van gemeenschappelijk
grondbezit, den ondernemer tegen hooger loon ook beter, immers
niet-gedwongen, arbeid aanbiedt en door een geregeld belastingstelsel
en betalingen uit de Rijkskas de verandering voltooit, die een
eeuw geleden al begon, het omzetten van betaling in grond en
arbeid in betaling met geld. Iedereen zal daarbij gebaat zijn,
behalve de kleine-groote tiran, de bekel, die verdwijnen moet. En
zoo zouden zelfs op dit oogenblik de nu nog heerschende toestanden
eigenlijk geen andere beteekenis meer hebben dan een historische,
als het niet was om de uitwerking, die zij, een zoo lange reeks van
geslachten door, hebben gehad op den inlander, om zijn geestelijke
ellende, die niet tegelijk met de oorzaken, waaruit zij ontstond,
opgeheven kan worden. De kleine man mort tegen de verandering, die
toch om zijnentwille gebeurt. "De Kompenie wil den heer Sultan het
land afnemen en ons alles wat wij verdienen, voor belastingen." Dat
heeft de bekel hun gezegd; aan den bekel, hun onderdrukker, maar hun
Javaanschen, hun erfelijken, hun rechtmatigen onderdrukker, houden
zij zich tegenover den Hollander, zelfs wanneer die als helper komt.

Het onrecht heeft te lang geduurd: de geesten zijn er naar gegroeid,
vergroeid. De gedachten zijn krom en klein geworden, de wil hangt
slap. Wie dat goed gezien heeft en begrepen, zal niet verbaasd staan,
noch teleurgesteld, als de reorganisatie aanvankelijk dit volk weinig
baat. Den zieke moet den tijd gelaten om weer gezond te worden en
het gebruik te winnen van zijn nieuwe krachten. Dan eerst zal voor
hem een nieuw leven kunnen beginnen.





Djokjasche Landheeren


Er zijn er geen meer. Een reorganisatie, dieper gaande dan eenige
die het beleid van regeerders bedenken of bewerkstelligen kan, heeft
hen weg-georganiseerd: de hervorming van de suikerteelt na de groote
crisis. De omstandigheden zijn verdwenen en kunnen nooit wederkeeren,
waaronder, op andere wijze dan alle andere Indische ondernemers, de
Djokjasche landheeren van den ouden stempel groot geworden zijn. Zij
waren een afzonderlijk geslacht.

Niet van suiker kweekten zij een grondige en omvattende kennis, maar
van menschen, van Djokjasche menschen, van den Sultan, den Kraton en
den land-houdenden adel, meest van al. De grond was onuitputtelijk
rijk: elken dag in den Oostmoesson scheen de zon, elken dag in
den Westmoesson regende de regen, wat kon het riet anders doen dan
groeien? Het water, dat langs den van noord naar zuid hellenden grond
stroomt met gelijkmatig verval, draaide hun rietmolen, geen concurrent
streefde hun opzij, laat staan voorbij, met lage prijzen; hoe konden
ze anders dan grof geld verdienen? Maar die het in zijn hand had of
zon, regen, water, grond, voor hen veranderden in goud, dat was de
Sultan, en met hem zijn ontelbare familie en de adel. Die moesten zij
te vriend krijgen en hebben en houden, als zij landheeren wilden zijn.

De taak was geen lichte; en zwaarder dan voor anderen moet zij
voor hen zijn geweest, die, men kan wel zeggen zonder uitzondering,
voortkwamen uit een omgeving aan alle hoofschheid vreemd.

Het was niet de bloem der natie, die in hun tijd naar "den Oost"
ging. Van de gouverneurs-generaal zelfs der pas ontbonden Oost-Indische
Compagnie waren er vele, die niet eens tot den eenigermate beschaafden
stand behoorden. Wij weten van een soldaat, een sergeant, een matroos,
een kajuitsjongen die Landvoogd werden, van raadsleden naar de kolonie
gekomen uit het weeshuis, als gesjeesd student, als kwakzalver. [4]
De aanstaande Djokjasche landheeren, erfgenamen in een zekeren zin
van de Compagnie, wier val hun opkomst immers pas mogelijk maakte,
waren huns gelijken en kornuiten. En er zullen er wel ettelijke onder
geweest zijn van het slag wien de Compagnie den recommandatiebrief
placht mee te geven, met de drie H's, die niet beteekenden "Helpt Hem
Haastig," maar "Houdt Hem Hier." Dat alles was weerbarstig hout om
er hovelingen uit te snijden, al hoefden het dan ook maar hovelingen
op zijn Javaansch te zijn.

Maar het geluk diende hen. Zij kwamen op het tijdstip dat het
Oostersch-feodale stelsel juist genoeg vervallen was om weerloos te
zijn tegen het indringen van een nieuw krachtig element, maar nog
sterk genoeg om tegen al wat minder sterk was zich te weren. Er was
een bres gevallen in den kraton-muur; wie er dóor kon zat daar binnen
veilig en op zijn gemak. De bres was ongeveer een halve eeuw geleden
uitgebroken, in 1755, toen de Compagnie, krachtens voor enkele jaren
verkregen rechten het oude keizerrijk van Mataram deelde in Soerakarta
en Djokjakarta. De Djokjasche Sultan die (als tot op dezen dag toe) het
prestige miste dat, in de oogen der Vorstenlandsche Javanen, den uit
de oudere lijn stammenden Soesoehoenan van Solo omgeeft, wilde althans
een hofstaat hebben aan dien van zijn Soloschen bloedverwant gelijk;
en een even groot aantal ambtenaren, als vroeger in het onverdeelde
Mataram met landbezit bij wijze van salaris was beloond, moest nu van
de helft van die oppervlakte zijn deel krijgen. Wanhopige pogingen
tot oplossing van de onoplosbare moeilijkheden hadden voor eenig
resultaat, de ontevredenheid der apanagehouders. Het werd nog erger
toen Raffles kwam, en het zoozeer besnoeide gebied van den Sultan
(dat alweer het gebied der apanagehouders was) nog verder besnoeide,
zóo ver, dat hij in het leven sneed.

Onder het eene voorwendsel of het andere of zonder eenig voorwendsel
hoegenaamd, nam Raffles den Sultan land af: de Kedoe en de
Patjitanstreek, waar de beste apanages lagen; gronden voor den
onafhankelijken> Prins dien hij (het voorbeeld van Daendels in Solo
volgend) instelde, den Pakoe-Alam; gronden voor den Chinees van wien
hij een Javaansch edelman maakte; gronden voor den onafhankelijken
Prins van Solo, tot loon voor zijn diensten aan Raffles bewezen in
den oorlog tegen Djokja.

De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het
was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de 18de eeuw al,
begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan
land moesten te kort doen; zij zetten het systeem voort ten opzichte
van de andere groote leenmannen. [5] Dat had zijn grenzen echter, om
begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van
weinig veel op dezelfde manier als de Westersche vorsten het hebben
gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door
het burgerlijke stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt
vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte,
de maat. De oude Sultan Sépoeh, onder wien de eerste huurders in 't
land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon zóó knap meten dat een
land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten,
bij den tweeden keer vijftien bouw groot bleek, en bij een derden
misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd,
als de Sultan maar vaak genoeg liet opmeten. De ambtenaren en de
sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die
"nieuwe landen van den Sultan." Maar alweer moest er geld bij om
dat luchtige grondbezit toch éenig gewicht te geven, al maar meer
van het verwenschte geld dat er niet was en nog erger "niet-was"
dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had
weggehaald. Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden
ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw. De
Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op
voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek de tooverstaf
die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji's gaf de
Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche ondernemers.

Daar waren de landhuurders aan boord van het schip dat hen naar
de Goudkust varen zou; maar zij moesten zeemanschap gebruiken,
daar waren gevaarlijke klippen te ontzeilen. De vijandschap van de
vroegere apanagehouders eerst, die zelfs tegen redelijke vergoeding
in geld zich verzetten omdat, als zijzelven wel merkten, het geld
hun door de vingers liep, terwijl de levering in naturaliën nergens
anders heen kon dan naar hun maag. En daarnaast de vijandschap van
Hollandsche koloniebestuurders, die den staat de rol toewenschten,
vroeger vervuld door de Compagnie, die van groothandelaar, en
den universeel-erfgenaam van haar belangen bedreigd vonden door de
Djokjasche mindere legatarissen. De landheeren schenen tot schipbreuk
gedoemd en ondergang, toen de voorstanders van het vernieuwd-oude het
verbod teweeg brachten van landverhuur aan Europeanen. Maar de nood
van den Kraton werd hun uitkomst. Want het Sultanaat kon de enorme
sommen niet opbrengen als schadeloosstelling voor het verbreken der
aangegane contracten gevorderd. Wat lang al gebrouwd had brak los: de
Java-oorlog, waarvoor de gekrenkte rechten van Dipa Negara aanleiding
waren en voorwendsel. En het stelsel kwam ten val, dat tot zulke
noodlottige uitkomsten had geleid. Het verbod van landverhuur werd
door de opvolgers van den verbieder te niet gedaan. En na beëindiging
van den Java-oorlog begon een nieuwe, voorspoedige periode voor de
landhuurders. Dat was wel hun glorietijd. Toen werden de grondslagen
gelegd voor die reusachtige, rijkdomgebouwen, die hoe vervallen,
afgebroken, verminderd dan ook, tot op den dag van vandaag toe voor
zoovele hunner afstammelingen de prachtige levensherberg zijn. De
Javaansche adel kon hun niet langer schaden. De Nederlandsche regeering
liet hen met rust, van cultuur-stelsel en verbod van ontginning van
woeste gronden verschoond, die in de gouvernementslanden den lust
tot ondernemen stuitten. De Sultan was hun vriend. Voor de vullers
van zijn schatkist, voor de bestrijders van zijn vijanden, wat zou
voor die te goed wezen? Hij gaf hun voorrechten, arbeiders, land,
voor weinig pacht soms, in een enkel geval om niet; hij gaf hun
prachtige geschenken in huizen, goud, edelgesteenten; soms gaf hij
hun een dochter of kleindochter tot vrouw. De landheeren waren in het
pronkvertrek en in de schatkamer geïnstalleerd van den ouden feodalen
burcht, door de bres waarvan hun aanvoerders van 1800 zich heen hadden
gewrongen. Zij zijn er een goede halve eeuw in gebleven. Het verblijf
heeft vele en wonderlijke dingen gedaan aan hun uiterlijken, zoowel
als aan hun innerlijken mensch. Wie op den huidigen dag door Djokja
gaat, door stad en ommelanden, zal van die dingen de laatste sporen
nog gewaar worden aan hun achterkleinkinderen.



Wat de Djokjasche Indo-families, afstammelingen van de oude landheeren,
onderscheidt van alle andere, is, spelend in haast ontelbare
schakeeringen, de vermenging van het Javaansch-aristocratische met
het Westersch-democratische element.

In hun uiterlijk komt dat te voorschijn in de gelige tint der huid,
veel lichter dan zij elders bij Indo's is, en in den snit van het
gezicht, dat smal is, en in kaak en kin wat zwak, maar nooit grof
gevormd; terwijl bij alle rankheid de lichaamsbouw krachtig is en de
bewegingen vlug.

In het innerlijk toont zich de vermenging in ondernemingslust
en doorzettingsvermogen, waartegenover de spilzucht staan en de
achteloosheid in geldzaken van in erfelijken rijkdom opgegroeide
aanzienlijken, voor wie zulke geringschatting van wat voor de groote
meerderheid het levensbelang is, een teeken is van superioriteit;
en vooral in een vormelijkheid en een zekere verfijning die uit
het Oostersche principe voortkomt, en in een aan het dichterlijke
verwanten aanleg, die op zijn alleronverwachtst schuil kan gaan voor
Westersche nuchterheden, en een enkele maal ook wel voor Westersche
ruwheid, hoewel dat toch maar zelden. Westersch in het algemeen,
niet in het bijzonder Hollandsch: er is hier veel vreemd bloed.

Fransch bijvoorbeeld. De stichter van een der oudste en machtigste
landheerenfamilies in de Vorstenlanden was een Franschman, een kok uit
de Napoleontische legers, die in zijn pollepel een maarschalksstaf
bleek te bezitten. Hij kwam langs de hemel weet welke wonderlijke
wegen naar Java en aan het hof van den opvolger van dien Sultan Sepoeh,
die zulk een opmerkelijk talent had voor het uitbreiden van land door
meting. Het was een man van echt-franschen geest, voortvarend, moedig,
en verliefd op het buitengewone, dat de verbeelding aanvuurt; maar
tegelijk van het puur-avontuurlijke en romantische teruggehouden door
een precies begrip van de waarde van geld. Hij begon met den Sultan
lekkere schotels voor te zetten, en won zijn waardeering als kok. De
weg door de maag naar het hart was een korte bij den vorstelijken
lekkerbek. De knappe kok werd kameraad en bleek als beraden in--altijd
benarde en hopeloos verwarde--geldelijke zaken zijn gewicht in goud
waard. De Sultan gaf hem goud, in den vorm van land, en, om hem te meer
aan zich te binden, een van zijn dochters (hij was er vrijgevig mee en
kòn het zijn). De Franschman veranderde zijn voor een Javaansche tong
niet uit te spreken naam, en schikte zich ook verder naar Javaanschen
landaard. Als gemaal van een Sultansdochter leefde hij Sultan-lijk
op zijn met breede roeden gemeten landen. Hij bouwde er een huis dat
eer een kraton genoemd mocht, een labyrinth van gebouwen met een muur
van ettelijke voeten dik en zware poorten er om heen. Hij richtte
een eigen legercorps op, dat hij,--dacht hij nog aan den Grooten
Keizer?--zijn "legioen" noemde. Hij had zijn eigen muziekkorps, zijn
eigen menagerie, zijn eigen stoet jagers. En hij had ook een kris en
een speer, die als de wapenen der legendarische helden van het Westen,
als Durandal en Excalibur, een eigen naam hadden. Met die kris en
die speer trok hij, aan het hoofd van zijn legioen op tegen Dipa
Negara's benden in 1825. En de dikke muur van zijn kraton weerstond
alle aanvallen. Toen hij met zijn sultansdochter de zilveren bruiloft
vierde was niet enkel het geheele hof met alle edelen en ambtenaren
bij hem te gast en niet enkel de andere landhuurders, allemaal met
vrouwen, kinderen en dienstboden, maar de geheele bevolking van de
streek, voor wie hij een goed en rechtvaardig meester was.

Een landgenoot van hem kwam in de jaren 50, ook een soldaat, en ook uit
een "Napoleontisch" leger: uit dat van den derden Napoleon, dat in de
Krim had gevochten. Wie weet, had hij niet voor Sebastopol gestaan?,
den aanval gezien van "The Light Brigade" en gehoord hoe er gezegd
werd: "C'est magnifique mais ce n'est pas la guerre!" Er bleef iets
als een atmosfeer van avontuur en gevaar om hem zweven, zelfs hier
in Djokja. Hij kwam een samenzwering op het spoor in den kraton. Een
van de bijvrouwen van den Sultan, een eerzuchtige, geestkrachtige,
onversaagde vrouw, zooals er tusschenbeide, verwonderlijk, opstaan
uit den allen geest en moed verstikkenden druk van het kratonleven,
was de ziel ervan. Haar bewoog het eenige wat zelfs onder zulken druk
niet te verpletteren is: de moederliefde. Zij wilde haar zoon tot
troonopvolger doen verklaren, in plaats van den zoon der Sultane. In
het geheim had zij reeds een aanzienlijken aanhang. Haar toeleg werd
ontdekt en zij vluchtte, niet om zich met haar zoontje te bergen,
maar integendeel, om van een veilige plaats uit den strijd openlijk te
beginnen. De Fransche dragonder zette haar en haar gewapend geleide
in den nacht na, joeg de mannen op de vlucht, en bracht haar met het
kind terug in den kraton. De regeering, wie de schrik van 25 nog niet
uit het geheugen was gegaan, beval hem aan in de gunst van den Koning,
die den dragonder tweeden luitenant maakte. Toen hij, altijd nog in
Djokja, het vijftigjarige jubileum van zijn officierschap vierde,
werd de grijze tweede luitenant bevorderd tot kapitein.

De Hollanders, ook de soldaten onder hen, lieten zich veel minder aan
de glorie der wapenen gelegen liggen. Zij waren--ten minste de besten
onder hen waren--in hun hart kooplui; kooplui dan van het heroïsche
slag dat in Holland bloeide in de zeventiende eeuw, en waarvan onder
de aanzienlijke geldmannen van hun eigen tijd, renteniers als zij geen
speculanten waren, al lang de laatste eigenschappen waren verloren
gegaan. Met gerechtvaardigden trots spreken hun afstammelingen heden
van hen. Van dezen, die ontwikkelingen voorzag, toen zelfs nog niet in
beginsel aanwezig, en aan zijn land telkens nieuwe stukken aanvoegde,
zoodat het als met scherpe wiggen drong in nog onbezet gebied,
overal waar water overvloedig was. Van genen die op zijn landen
om de vijf paal een post had waar acht paarden gestald stonden,
met het aanlichten van den dag uitreed, zijn velden langs, en niet
terug kwam voor het donkerde. Hij wist alles wat overal gebeurde,
hij was alomtegenwoordig. Vermoeidheid kende hij niet, het woord
"gemak" had geen zin voor hem. Van een derde, geplaagd met een zwak
gestel, dat de kilte van de Djokjasche nachten slecht verdroeg: maar
die rheumatieklijder als hij was, er op uit ging, elken dag om de
ontginningen te inspecteeren, die hij overal in de streek had liggen.

Dat is het Westersche element, dat niet ten onder te brengen was door
welke verslappende invloeden ook. Maar niettemin liet het Oostersche
zich ook gelden: in hen, wel is waar, niet zoo sterk als in hun
kinderen. Bijna allen werden zij hartstochtelijke dobbelaars in den
omgang met de kratonbewoners, voor wie dobbelen de eenige uitkomst is
uit de doodschheid van hun leege dagen. Zij dronken zwaar ook. En zoo
niet zij zelf, dan hun kinderen, verkwistten ontzaggelijke rijkdommen
op geheel Oostersche manier, dat wil zeggen, zonder eenigen smaak of
zin, in pure, baldadige, roekeloosheid.

Van dit alles dragen hun huidige afstammelingen het kenmerk.

Niet in gelijke mate. Als in de industrie, waaruit hun macht en
beteekenis is voortgekomen, is ook in die kleine wereld-op-zich-zelf,
die de oud-Djokjasche families vormen, een element te onderscheiden dat
ten onder gaat, en een ander dat zich snel vervormt, zich aanpassend
aan nieuwe omstandigheden: terwijl bovendien, tusschen de twee in,
een derde staat, onveranderlijk, in zijn hoedanigheid, maar slinkend
bij den dag.

Dit element is een kleine, en al kleiner wordende groep, dat de oude
kenmerken duidelijk vertoont. Bij de andere twee zijn ze verbasterd.

Daar is, aan den eenen kant, de groote meerderheid die gaandeweg
terugzinkt in het Inlander-element. Het is alleen nog maar het bezit
van wat meer of minder fortuin dat, een onzekere afsluiting, hen
daarvan scheidt. Of zij zelven in steenen huizen wonen, "Europeesch"
huisraad gebruiken en--bij gelegenheid--in Europeesche dracht voor
den dag komen, hun naaste familie woont in den kampong, en zij zelven
voelen zich daar thuis.

Aan den anderen kant staat een groep, weinig in getal maar door
karaktereigenschappen de sterkste, die binnen afzienbaren tijd geheel
Hollander zal zijn geworden. De mannen die "in het landelijke" zijn
hebben een technische opvoeding ontvangen in Holland. En--ontwikkeling
van de allerlaatste jaren--onder de meisjes zijn er die zich
zelfstandig willen maken door een beroep, soms een waarvoor studie
aan de universiteit noodig is.

Over blijven, als erfgenamen van den ouden tijd, eenige weinige,
oudere menschen, tijdgenooten, velen van hen, van den ouden Sultan,
en zijn goede vrienden en bloedverwanten, die hij aanspreekt met
"broeder" als zij onder elkander zijn, en die de jonge pangeran's
en raden ajoe's "Oom" noemen. Zij zijn de bewaarders van al wat in
Djokja het verleden is: de hoofsche etiquette, de geschiedenis van
het Sultanaat en die van het oude landheerendom, die immers een eeuw
lang dezelfde geschiedenis geweest zijn; van de opvattingen en zeden
van vroeger. Veel merkwaardigs, veel moois ook is daaronder. En al
te gader heeft het de aandoenlijke bekoring van wat uniek geweest is,
en wat spoedig voor altijd verdwenen zal zijn.





Madjawarna


Langs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer
zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw omheen was met
een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend
water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna. De zendeling van
den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een
ontginning op de kruin van den heuvel toonen hoe Madjawarna, als zoo
menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van
een enkel gezin midden in de wildernis.

Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door
het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door een hoog
en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige
bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen. Alles was er bruin:
bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin
van gladde, rechte zuilen van stammen, waar geen loover van afhing,
waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde
het groen der geweldige kruinen tegen de lucht, schuins doorstraald
van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei
fijne schelle tonen, boven het diepe gekoer van woudduiven uit en de
lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld,
daar in de hoogte en waar wij gingen in den halfdonker.

Eén enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager,
armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs het
ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als
zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de ribben
schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij
vonden het spoor van een ander mensch, die kort geleden hier gegaan
was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting
door buffels gesleept, had een glimmende streep getrokken over het
pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken
was het djati-woud minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte,
breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het
licht door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de
wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen van
zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder
en nog eenzamer dan te voren.

De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen
werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld. En midden in
de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den
ontginner, van bamboe gevlochten, bleek en glimmig nog van nieuwheid.

Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en
schemerdonker als het bosch zelf: zóo rook het er ook: een reuk van
grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover
ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De kinderen, een kloek met
kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten
elk zijn plaats op de mat en tusschen de stoelen. De man vertelde,
met zijn zachte gedempte stem.

Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht
om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw zei een
woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag
het verstandig-blikkende gezicht over het donzige koppetje van den
zuigeling heen.

Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen
was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De maïskolven van
den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan
rijen onder het lage dak. En op het veld rijpten de nieuwe al. Zij
toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor
nieuwe ontginning; in hun hart en handen was moed. Zij hoopten enkel
op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen
vruchtbaren grond, die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.

Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud
zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat de kiem
was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van
gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist zulk een kiem,
zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden,
Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden in het wilde woud, dat de
vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn
Mohamedaansche dorpsgenooten niet langer op zijn plaats had gevoeld,
een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen
voor zich en zijn gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te
helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al
spoedig een dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt
van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen
zich daar kwamen neerzetten.

Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen
en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven, de breede
wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er
zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed ook. De dorpsvelden
zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en
ruige grauwe buffels die den ploeg trekken door den drassigen akker,
een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de
rivier met een frisch gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke
rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.

Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen
de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn om
te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor,
consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de
dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een "Ik vraag verlof," meer
gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad of hulp,
die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine
voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen na-middag zou men
vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.

Wongso komt de hulp van den "pandita" vragen in een moeilijk geval. Hij
heeft zijn huis--zijn mooi huis, met een pas nieuw dak!--verhuurd
aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer
't niet dorst weigeren. Maar de mantri staat bekend voor een kwaden
betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene "sembah" na
de andere ontvouwt Wongso een plan, zooals een duizend jaar geleden
menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland,
Engeland het den abt van een machtig klooster voorgelegd heeft, als
zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: hij wil zijn
huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen
van den boozen mantri. Gelukkiger in dit opzicht dan de Westersche
grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze
niet heel en al te verliezen, weet Wongso dat hij het maar voor het
vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.

Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid
of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan sawah,
dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita
registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen bij den
Landraad. Pas als hij den "brief" van den Landraad in handen heeft
"zal zijn hart koel zijn." Nu, namelijk, "brandt het."

Sidin--het is de rijkaard van het dorp--komt de geboorte aangeven
van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen
riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita,
met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank late halen
en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te
bewaren geeft voor zijn kind.

Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst
met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita tot
scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende
oogen, links en rechts van de kamermat.

Niti's huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de
brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij zal niet zeggen
dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze
zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten waarvan de pandita
immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk
genoeg aan te zien dat hij van des pandita's alwetendheid uitredding
verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.

En inmiddels staan Mbôq-Ari, Mbôq-Sarinten, Sima en Sarkina te
wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren,
het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een
dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling, nu er sprake
is van vrijen en trouwen.

Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt
in zulke dingen.

Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den
godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede voor
hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.

De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, zóó als
zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen van hem
verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks
weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat hij hun
allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van
een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken daarbij, dat niet de
schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is
het moeilijke probleem dat dag aan dag den zendeling in het Javaansche
dorp wordt gesteld.

Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan
Madjawarna, toen Kruijt hier in '64 zijn levenswerk begon, vond hij
de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen
waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting, en de strengere
moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder
den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld, ná feesten waarbij
verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en
gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke euvelen die hij hoofdzakelijk,
zoo niet uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos
hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen
vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de
dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner een overwegend
aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij
samenwerking met die ontginners, immers Christenen), de mogelijkheid
daartoe.

Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking,
verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting
tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde
elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve door den
bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook
een spaarbank werd opgericht, een kweekschool voor onderwijzers en ten
slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen
voor al hare behoeften, lichamelijke, zedelijke, verstandelijke,
huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander
ten slotte daar had opgebouwd. Hij mocht verwachten dat zij zou
groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De
welvaart in Madjawarna en de omliggende Christendessa's is daarvan
een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar
de geheele streek, in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt,
heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.

Het hospitaal dat in '92 werd opgericht om vijftig patiënten te
bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer dan
tweehonderd. [6] Er is onlangs--voornamelijk de suikerfabrikanten
van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen--een doelmatig
ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende
afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek wordt door gemiddeld
honderdtwintig patiënten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen,
waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen komen.

De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig,
gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche
onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het
zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd dichterlijke
waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar
binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk door vuilen
uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik
al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen. En onder die vele en
velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe,
als verflensende bloemetjes slap en bleek hangende in de draagsjerp van
de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling
van wat er geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In
de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan
wonden. De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns,
scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe hakken,
hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond
tot op het been toe. Zij werken in fabrieken: de gewoonte maakt hen
onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend
geweest eerst. Maar fatalistische onverschilligheid, verwaarloozing,
onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den
doekoen, maken van een schram al spoedig een etterende, invretende
wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te
heelen krijgen, dag aan dag.

Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende
getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft, bevorderen
de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei
afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel. De
behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet
betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid voortbrengen:
veel pijn verzachten.

Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden
arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek (l'art de
préciser les choses qu'on ignore) geen flauwe voorstelling geeft:
schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der "Egyptische
oogziekte;" (Egypte, Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere)
en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf
al zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp
hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging veld onder
de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al
grijzer en donkerder zag worden om zich heen, en zich niet meer uit
huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den
zendingsdokter komt, en zelfs voor de deur van de donkere kamer, en
voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe
druppels uit het spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de
gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven
naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is,
als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar dichterbij komende
vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel
klein glansje poogt te vangen onder den blinddoek, en een ander, door
een zwarten bril heen, zijn hand beziet, duidelijk voor het eerst
weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil,
ontroerend-geduldig, met een bloempje of een stuk speelgoed, dat een
verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den
dokter hooren, verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat
ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.

Er zijn véél kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei
ziekten, operatie-patiëntjes ook, véle. Men moet zich den angst en
den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt,
eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat beteekent: een
overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet
alleen, maar op het wantrouwen, de vrees, den haat die drie honderd
jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.

Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht
dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis niet
gestreefd naar bekeering der patiënten. Wel vindt de Christen er de
gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt, doch den Mohammedaan
wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis
der zending zoeken.

Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij
is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke
wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders,
en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven, hun
kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de
meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar in een naburige
dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie
van Mohammedanen tot Christen-kinderen zelfs als van bijna vier tot
een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar
voor weinig of niets tegenover de winst die hun kinderen voor het
geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het
geval is analoog met dat van het hospitaal, in zoover als ook de
school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven:
want de inlandsche dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het
op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door
weinig nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een
vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis
zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken
zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk gericht,
onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.

De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats
op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen zin; de
ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot
dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een methode, die door
de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons
te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen leider der school is
gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.

De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af:
zulk een kleintje komt in de fröbelklasse. Met zijn vijfde of zesde
begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in
zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven kan worden als:
het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn
welzijn dienstbaar maken van de ervaringen van zijn dagelijksch leven,
zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche
volkskarakter heeft een eigenaardige neiging tot het verzamelen van
volkomen onnutte mystieke "kennis;" die neiging wordt tegengegaan. De
kinderen leeren, stelselmatig, door aanschouwing, begrip en toepassing,
belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren
alles omtrent hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten
die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen
van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur,
een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een paard en een
buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren
behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden zij geprikkeld tot
zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze ná-doen
dat zooveel bedorven heeft en altijd nog bederft van den goeden
aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met
welk een pleizier en handigheid de kleine knutselaar van klei en van
rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving
in het klein nabootst en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De
twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving,
en zichzelven in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring
zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid,
van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren,
herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op de sawah, in de
warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het
vijfde en zesde jaar wordt de kring uitgebreid tot de uiterste, voor
hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel
Java, waarbij hij dan de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur,
de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van
verkeer, de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn,
maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig jaar, ontwikkeld
hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van
Java voor zoover ze voor hem bevattelijk en nuttig zijn, leert hij in
dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen
langs specifiek-Javaansche lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar
(dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling
zooveel begrip van de samenleving als hij om harent- zoowel als om
zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te
ontwikkelen en zijn zin voor de gemeenschap.

Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En
zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats en
winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat
de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen er
gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost
kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo meer precairen
landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor
meisjes, een naaischool onder leiding van de onderwijzersvrouw, en een
zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken
kring, de vrouw van den zendeling aan een vast aantal dochters van
gemeenteleden geeft.

Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het
die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid van
Madjawarna en zijn omgeving.



Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van
overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:


    "Slechts vernieuwing kan behouden
    Achter raakt wie stil blijft staan,"


heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem,
dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo velerlei
nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn
stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te vernieuwen en vernieuwend
te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een
vernieuwing en verbetering van zijn zedelijk bestaan. De resultaten
zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk
bemerkbaar op dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch
al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche
dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare,
zoowel als in de huiselijke zeden.

Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur
niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een nieuwigheid
die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde
van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen scheiding ooit denkbaar
geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans
sedert de Mohammedaansche verovering is de beheerscher van het land
het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en
afdalend gezag dit twee-ledige: staatkundig en kerkelijk. Nog altijd
is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta
de opperheer van Java, koning en priester tegelijk. (De Sultan
van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van
vreemden tot de heerscherswaardigheid gekomen tak, geniet niet
hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen
schijnen en den regen vallen. Als het hem gebeuren mag den Soenan te
zien--Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo--zal hij
het heele jaar gezond blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een
scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan gegeten heeft, en bergt die
als "djimat," als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat
hij niet zoo ver als de Vorstenlander die uit vergodenden eerbied
den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken
als waarop de Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt
toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne
nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt
hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch gebruik is
voor hem de "adat" bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit
de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend bezit. Geen
grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door
een huwelijk met een Solosche of Djokjasche vorstendochter.

Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in
aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek is de
hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester,
die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit bij de
offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester,
haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd, dat
was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd
gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming: men vreesde voor
oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs
heeft de groote vernieuwing haar beslag gekregen. Misschien hielp
daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam:
het ontginnersrecht dat gezag geeft over de dessa, en de godsdienst
van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn
opvolgers beschermde. Maar in andere christendorpen ligt het geval
anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook,
is dit nieuwe er ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen
beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd
dezelfde voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en
dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen
deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering
geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen rustend
bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis
en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar, zichtbaar beter is,
wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk
vastgehouden oude.

In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is
tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef
in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als
gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal scheiden
en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der
kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie die zorg zich uit op
een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de
toekomst der kinderen. Zij hebben een spaarbank-boekje op den naam
van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen
op school, zoo lang zij maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en
-verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding,
wat onder gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere
vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt niet
in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind
vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het ongeloofelijke. Den
geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de
"slendang" niet uit. Als het kikt wordt het aan de borst gelegd. Zelfs
in de kerk. Geen sprake er van dat het een oogenblik, op nog zoo
veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan nòg zoo goede
hoede van een ander toevertrouwd. "Als mijn kind niet uit mij drinkt,
sterft mijn kind." Het "drinkt uit zijn moeder" nog wanneer het al
begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje
zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten bij het
rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der
geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een strootje opsteekt en
wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen
is het uit. Tegenover een volwassen kind zijn ouders streng, om niet
te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt
gestraft en gewoonlijk niet rechtvaardig of redelijk, laat staan
zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet
gevraagd bij een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending
de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring
van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot
echtgenoot nemen. "Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen, maar ik
zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben" heeft al eens een
àl te autoritairen vader tot inzicht en toegeven gebracht. Terwijl
een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door
een tweeden eisch der zending: dat het jonge paar een eigen woning
hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een
gebruik dat, als bekend, ook onder het Russische boerenvolk heerscht,
(altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en
Russen, in het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers)
de lezers van Gorki's novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn
hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor
hun ontstaan afgesneden.

De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der
nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk verboden, zóo als
bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en
niettemin, hoe langer hoe meer helaas, gedronken worden), wordt toch
drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast
te wezen, evenals het leenen tegen woeker-rente, de "nieuwe adat"
is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel
niet meer voorkomt onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer
onder hen.

Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar
het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke bekeering van den
Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan
in hun eigen organen, uit de herhaalde klachten over het langzame
vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van
volwassenen tot het Christendom, en de kracht die, alle belijdenis
van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische
bijgeloof en de fataliteits-idee, beide even verderfelijk, nog over
den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten
schijnt het gewettigd de gevolgtrekking te maken dat de zending tot
dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als
tot die andere doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en
maatschappelijk-zedelijke gelegen.

"In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de
oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar al te
vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen
van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen, die.... als
een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen
worden, zijn schaarsch." [7]

"Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den
godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond, de andere
zoover mogelijk uitgestrekt." [8]

"Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer
ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep gezonken
volk te doen worden." [9]

"Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen
Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te kleeden; toont bij
toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten;
van opium-pijp, dansmeiden en spel is geheel afstand gedaan; de
lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de
kinderen, ook de meisjes, gaan allen school; en van echtscheiding,
anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst
zelden, gesproken; politiezaken komen niet voor." [10]

Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als
Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig tracht te
staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven
zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de eéne-kostelijke acht en
dat hij "Christen" wordt om vooruit te komen in de wereld.

Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan
zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen zich
daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen
bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat over de beweging
der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door
middel daarvan, de maatschappij haar eigen voorwaartschen gang gaat,
naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.





Een bevloeiïngswerk.


In het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den
drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele "tijdelijke
rivieren" op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten
vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe. Haar
bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai
naar elkander toe buigende landruggen ingesloten, waarvandaan de grond
langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van
de bergen komende zijrivieren der Solo vloeit. In den Westmoesson,
als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond,
zwelt de Pritjetan tot een sleurenden stroom die over zinking en
zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de
regens ophouden ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een
slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en
al smallere kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne
trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt
verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking
die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen die nog
bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote
djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad
dat zij op de passars in den omtrek verkochten als inpak-materiaal
voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen
trachtten zij tabak te telen; in de kuilen rijst. Het gebeurde soms
wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den
nu verschroeiden, dan verdronken grond niet éenmaal een eenigszins
voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim,
om niet overvallen en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden
voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe
woud kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan
de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam; niemand
was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk,
en een toekomst te beginnen van allengs toenemende welvaart, werd
verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken
tot den wèl-geregelden bevloeier van de streek.

Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op
Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K. M2. oppervlakte
heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in
een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier; de capaciteit
zal zijn van tien millioen M3.; zeventien M. hoog bij vierhonderd
lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die
de watermassa tegenhoudt; en het langs twee kanalen rechts en links
van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan
zesduizend bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend
bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest
heerlijk zijn te zien hoe zoo iets wèrd. Wij gingen.

Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei is de tocht
een gang van de volheid der technische beschaving terug naar
de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel fabrieken en
spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door
zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken, waarvan het groote
wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen
driftig gemaakt riviertje; de stad Djombang dan, het drukke station
van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven;
weer fabrieken, groote, pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag;
de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange
bruggen, zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere
als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven op
vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan
gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende
rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de
boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche winkeltjes en
woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar
nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel vliegen zwermen vogels
op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat,
verdord in de laatste gloeiende weken, waarin niet een enkele bui is
gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam,
geluideloos, lusteloos door den geringen oogst. Er staan armelijke
huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten
dak. Dan is ook dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van
het bosch.

Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine
zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn kenmerken op
aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens,
met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan,
heelenal grijs: hier is het bosch "geringd." Om de stammen heen loopt
een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Zóó
moet de boom doodgaan, "sterven op stam." Het duurt twee jaar voor de
laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd
is tot bouwstof. Mager als geraamten, strak als steen staat het
bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het
herbeginnende groen, dof grof groen van djati met verrassend daar
tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk
van een tamarinde, een lente van een boom, en, schitterend in de zon,
djoewars in vollen bloei, goudgeel.

Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de
boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien, in de
hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend;
de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende ijzeren wagens
met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden
komen. De exploitatiechef der tram, onze gids op dezen tocht,
legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de
uitvinder is en eerste toepasser. Het is niet mogelijk, dat, zelfs
bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht
raken. In den regentijd, als de boschwegen in moeras veranderen, gaat
ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg,
de eene ijzeren staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het
bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men
nu met den aanleg van zulke monorails.

Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van
hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een lorrie. Er is
een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde leege
petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies
duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers van jonge
djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken
door een stortbui, plotseling gisteren gevallen. Heuvel op kruipen,
heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen
glooiïngen op en in kuilen akkertjes van enkele voeten in het vierkant,
armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars
gaan bukkend door het bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende
heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in
den omtrek. Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar,
wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan
voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.

Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het
wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon, de groote
aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen,
waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder den dam door,
geleid zal worden naar de bevloeiïngs-kanalen. Op een uitgestrektheid
cementen vloer aan gene zij van den duiker is een ploeg werkvolk
aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het
uitgegoten cement vast te stampen, onder toezicht van den mandoer,
een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd,
die als een zeeman op het schommelende scheepsdek, wijdbeens staat,
en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt
de bedding van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een
echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen. Het
mag niet gestopt--levend water laat zich niet terugdringen: het
vingersmalle straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit
gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje
gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli
is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert tusschen
gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen
uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot effen rust komen
voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan,
die wat nu moeras is en zandwoestijn bij beurten zullen veranderen
in vruchtbaar veld.

Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het
langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende. Er wordt
beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen
kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is de hoop steenslag
gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden
schervenberg. Het onafgebroken geknetter van brekenden hamerslag en
verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den
steenslag-heuvel staat een gehucht van loodsen, blinkend met daken
van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines
wordt de verbrijzelde steen gemengd met zand en met cement: eindeloos
komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen
ver weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren,
gevuld zijn.

Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die
aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende haken. Dan
worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten
over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig net van ijzeren
mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in
onverbrekelijken vorm en vastigheid zal vangen. De groote dam, die op
den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier
gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor binnensten kern zulk
een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water
kan niet door het beton. De druk en drang van het water verwringt
het ijzer niet.

De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet
volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee torens op
den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water
toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting van een nood-overlaat;
de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op
den duiker.

De "rivier" is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij
komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of zij niet verder
meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen
in plasjes. Er is een inspanning van gedachte en verbeelding toe
noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes
weken een stroomende zee zal zijn. "De Pritjetan heeft in banjir-tijd
een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde," zegt de ingenieur,
en laat ons in nadenken over de cijfers, die voor de leeken-gedachte
niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal,
de wijde blauwige holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is:
"Over drie jaar vaart daar onze motor-boot." De herinnering aan
Hollandsche plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot
de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.

Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen
zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap in kaart gebracht
te beschouwen.

Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele
wijde overweldigende werkelijkheid gevangen in teekens. Toovenaars
hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten
wilden dwingen in menschendienst. Daar staat het plan van het werk,
de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren,
en de tooverteekening zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden,
en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder
onbekend wordt voor het indringende denken der zoekers, de Natuur,
zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in
den dienst van de maatschappij.






BALI


Singaradja


De boot die van Soerabaja uit de buurt ingaat der kleine
Soenda-Eilanden komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het
aanlichten van den dag al is de Balische kust in zicht gekomen. Twee
doorschijnend blauwe toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim,
spits de eene, de andere als een lange golf geleidelijk op zich
heffende. Zij groeien de breedte en de diepte in, tot een groep van
schoone bergen, tot een lange keten dan, donker langs de hellingen
van woud. Langs den voet in wijde slingers van kaap en inham,
loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend strand weg; breedten
flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder schijnende zon witte
zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren bergwand. In de
diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels helder rood;
dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip niet stil,
of in een zwerm van bootjes, kano's, prauwen, komt, met den oogst
van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het
aangestevende schip tegemoet komt. De schuitjes liggen opgehoopt met
vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede
prauwen, bij dertig en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven,
zoo sierlijk van bouw, dat de groep denken doet aan een in 't nauw
gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de
dobberende vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het
schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk
van lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.

Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water
reikt, is een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij van
de pier schepen en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche
zeilers, Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch galjoen
van voor naar achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide
wieken zwemmende zwanen op het water; bij twintig tegelijk dobberen
geankerd de Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen
schuins hangende kokospalmen. Naast den vervallenden dooden-tempel,
vlak aan het water, waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten
nog staan, ligt een groot pakhuis, onder het afdak waarvan troepen
vrouwen koffie verlezen. Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren
waar bergen huiden liggen opgestapeld. En de lange winkelstraat is
vol van allerlei Chineesch en Britsch-Indisch goed. Als overal in
aan zee gelegen handelsplaatsen heeft ook hier het drukke verkeer
het lands-eigene weggesleten. In die lange, nauwe straat, waar de
winkeltjes tegen elkander aangedrongen staan, is niets te zien dat niet
in een Soerabajasche of Semarangsche winkelbuurt van het mindere slag
ook gevonden kan worden. Het is er Oostersch-internationaal. In de
schaduwige diepte van de openstaande koophuizen komen, donker tegen
een achtergrond van bonte sarongs en stukken sits, haviksprofielen
van magere Arabieren te zien en paffig-witte vollemaansgezichten
van Britsch-Indiërs wien een met goud geborduurd kapje schuin op het
haar staat. Armeniërs, zwart gebaard, met tapir-gezichten, een en al
neus en vooruitstekende bovenlip, wandelen gewichtig, zelf-bewust als
mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en Chineezen van alle slag,
gezeten handelsmannen, marskramers, die hun staart in een vettigen
krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij bewonen een geheele
buurt, rechthoekig op de zeestraat aangebouwd. Het is goed te zien
hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het eiland al
sedert oudsher is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten, met
een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers
aan snoeren over den schouder.

Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt
een lange, breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met
jonge tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het
afvloeiende sawah-water en een leiding, die uit de bronnen van het
gebergte--hoog en blauw in het verschiet--het zuivere drinkwater
de vlakte in brengt. Ten halve maar verborgen achter die westersche
regelmatigheid en orde begint hier het echte Bali, het Bali van de
Baliërs. Een muur langs de heuvelhooge bermen van den weg beneemt het
gezicht op de Inlander-huizen; maar de daken, dicht opeen, zonder
ergens een groenen boom ertusschen, de gevels van grauwen steen of
klei, een rijstschuurtje, door als pauwen gevleugelde leeuwenbeelden
bewaakt, een godenhuisje, versierd en bebloemd, komen hier en ginder
er boven uit. De pasar ligt op een viersprong, en daarnaast, tusschen
geboomte, het aan vier zijden open feest-gebouw, door een vervaarlijk
gevlerkt, geklauwd en geslagtand monster boven den hoofdingang bewaakt;
wat verderop de ommuurde badplaats der aanzienlijken; en daar, waar
de weg begint te klimmen naar de heuvel-gehuchten, de dorpstempel
met zijn prachtig getooide poorten, aan weerszij waarvan, de knots
op de knie, boloogde reuzen de wacht houden.

Op dezen weg is het van het aanlichten van den dag tot schemeravond
druk van volk.

Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de
vrouwen. Zij dragen zware lasten--zoo zwaar, dat zij zonder hulp die
niet op kunnen tillen--op het hoofd, en de voortdurende spanning
heeft de spieren van hals, borst en rug tot volkomen schoonheid
ontwikkeld. Een arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met
de andere hand een tip van de donkere boven-sarong sierlijk optillend,
waaronder een bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel
naakte bovenlijf omfladderd van een dunne, kleurige slendang, purper,
oranjegeel, fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende
passen, een weinig draaiend. Het is een lust hen aan te zien komen,
een lust hen na te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen
den linkerkant van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen
in gestoken, tjempaka's meest, of roode en witte oleanders. Zij zien
er uit, niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar
een feest gaan.

De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche
ledematen. Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid. Van de
Hollanders, die zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs
armelijk-gekleeden, ja zelfs koelies, hebben hun sarong op een
doordacht-sierlijke wijze geschikt, met een van voren tot op den
grond afhangende slip, die, men begrijpt niet recht hoe, wegwuift voor
elke schrede die zij neerzetten. Het kastenstelsel heerscht op Bali,
sedert, haast vijfhonderd jaar geleden, de Javaansche Hindoes, in
volksverhuizing vluchtend voor den Islam, het hier invoerden. [11]
Maar van de scherpe afscheiding die de echte Hindoe-zede eischt,
is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als van Javaansche
gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een krachtig ras
zijn geweest, dat oorspronkelijke Baliërvolk, dat trekken van zijn
wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver nageslacht toe,
tegen zooveel en zoo sterke vreemde invloeden in.

Of de hedendaagsche Baliërs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen
van niet. Want zij plachten vanouds op de Baliërs van het binnenland,
de Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun
oud-Heidensche gebruiken in eere hielden, met minachting neer te
zien als op "boschmenschen." En met trots noemen zij zichzelven
Javanen-afstammelingen, "lieden van Madjapahit." Maar de herinnering
heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een
herinnering die niet in de hersens zit maar in het bloed, onbewust
en onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die
"boschmenschen," zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Baliër van
vandaag juist als Baliër kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin,
zijn levenslust.





Een wijk van de stad


In den zuidwestelijken hoek van den wegen-viersprong bij Singaradja
ligt een wijk gevoegd, waarbinnen alles bijeen is wat tot de
samenstelling behoort van een Balische stad: een buurt geringe
huisjes, een badplaats, de markt, de feest-loods, eenige huizen van
aanzienlijke leden der drie kasten, en de dorps-tempel. De aanleiding
tot mijn eerste bezoek daar,--het gold de geringe buurt,--was een
eenigszins griezelige. Er was gesproken in de pasanggrahan, over
de wijzen waarop de Baliërs handelen met hun dooden. De Hindoe-wet
beveelt lijkverbranding. Maar de ceremonie is kostbaar: van twee
tot drieduizend gulden is er mee gemoeid. Hoe doen de armen? De
allerarmsten, was het antwoord, begraven hun dooden tot tijd en wijle
een lijkverbranding plaats heeft. Hun wordt dan door den rijke verlof
gegeven tot mededoen, en de opgegraven overblijfselen, of als die in
stof zijn verdwenen, een den doode verbeeldende figuur van lontarblad,
wordt meegedragen in den stoet en bij het feest der verbranding. Die
echter eenigermate bemiddeld zijn, houden het stoffelijk overschot van
die hun lief zijn geweest, in hun woning. De echt-Balische manier is,
door een bijzondere behandeling het lijk te doen krimpen en drogen,
tot het hard is als hout; in windsels stijf gewikkeld blijft het dan,
in een afzonderlijk opgericht huisje, op het familie-erf, den dag
der verbranding afwachten. Onder Westerlingen-invloed heeft zich dit
gebruik veranderd in het kist

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/28259