De lelie van 's-Gravenhage
by Jacobus Jan Cremer · Dutch · Gutenberg #28175 · 936,124 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De lelie van 's-Gravenhage
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De lelie van 's-Gravenhage
Author: Jacobus Jan Cremer
Release date: February 24, 2009 [eBook #28175]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/28175
Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE ***
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/
De Lelie van 's-Gravenhage
Van
J. J. Cremer.
Zevende druk.
Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.
DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE.
EERSTE HOOFDSTUK.
Het was een koude, gure November-nacht in den jare 1595; donkere wolken
bedekten den hemel, en ontlastten zich in vreeselijke plasregens. Aan
de anders zoo liefelijke maan was het niet vergund door dat dichte
floers heen te dringen, en al vertoonde zij zich ook somwijlen,
een zwarte massa wolken beroofde het aardrijk toch spoedig weder
van haren glans, en het was slechts licht geweest, om den nacht nog
nachtelijker te maken.
Hooge populieren, reeds geheel van bladeren ontdaan, verhieven zich
aan weerskanten van den breeden zandweg, die tusschen de steden Leiden
en 's-Gravenhage was gelegen, en vertoonden zich als reusachtige
spooksels, die zich onstuimig heen en weer bewogen.
Het was in dien nacht en op dezen weg, dat eene kar, langzaam uit de
richting van Leiden komende, een kruisweg naderde. De duisternis liet
niet toe het zich daarin bevindende gezelschap te onderscheiden;
bovendien werd het door een linnen huif bedekt, en eenigermate
tegen wind en regen beschut. Na eenig stilzwijgen echter, sprak een
vrouwenstem, ongetwijfeld het woord tot den vooropzittenden voerman
richtende: "Let wel op, Casper! Gij weet dat wij bij het Steenen
kruis, den weg ter rechterzijde moeten inslaan!--Het is nu geen tijd
van slapen," duwde zij den man, hem hevig op den schouder slaande,
toe, daar zij bemerkte dat hij hare woorden niet gehoord had: "Wij
moeten rechts, verstaat gij?"
De aangesprokene, zoo onzacht uit zijne dommeling gewekt, wreef zich
geeuwende de oogen en keek in het rond.--"'t Is helsch donker," riep
hij eindelijk met een forsche stem: "ik zie weg noch steg."--"Dan
zult gij wél doen af te stappen en de plaats nader op te nemen,"
hernam de eerste.
Nadat Casper het paard had doen stilstaan, en het de teugels over den
kop geworpen had, voldeed hij nogmaals geeuwende en schier onwillig
aan het verzoek, dat meer nog naar een bevel geleek.
Behalve de twee sprekende ingevoerde personen moest er zich nog
een derde in het voertuig bevinden, die, wellicht door het luid
gevoerde gesprek, of wel door het plotseling stilhouden der kar,
was ontwaakt. Althans, nauwelijks had Casper den wagen verlaten,
of men hoorde een zacht gekreun, hetwelk door een kind moest worden
voortgebracht. De vrouw maakte een snelle achterwaartsche beweging
en het scheen alsof zij een kleed over den kermende geworpen had,
want, doffer en nauwelijks hoorbaar werd thans het klagend gekreun,
dat trouwens telkens meer en meer door het akelig gefluit van den
feller opstekenden stormwind verdoofd werd.
"De d..... mag weten waar wij zijn!" riep Casper, terugkomende: "ik zie
den zijweg niet. Dat die vervl.... maan er ook niet doorkomt!" ging
hij brommende voort: "men kan geen hand voor oogen zien."--De vrouw,
welke meer met de plaatselijke gesteldheid scheen bekend te zijn,
en met onbenevelde oogen had rond getuurd, stak nu het hoofd uit de
kar, en gebood den nog half slapenden Casper weder op te klimmen:
"Ik zie duidelijk," zeide zij, "dat wij de sloot nog op zijde hebben;
zij stuit tegen den kruisweg; rijd dus voort, en let wél op!"--Casper
gehoorzaamde, zonder te antwoorden, doch noodzaakte het trage paard,
door een: "Kovort, Bles!" hetwelk hij met een duchtigen zweepslag
deed vergezeld gaan, zijn langzamen tred weder aan te nemem.
Ruim tweehonderd schreden verder gekomen, ontdekte hij, zooals de
vrouw gezegd had, dat de sloot werkelijk stuitte. Hier moest hij
dus den gewonen rijweg verlaten en rechts inslaan. De kar verliet
het spoor, het wiel kraste tegen een steen, het voertuig helde naar
de linkerzijde en ware zeker omvergestort, zoo Casper niet een zwaren
slag op het stijve beest had doen nederkomen, dat, daardoor verschrikt,
eenen sprong voorwaarts deed. Door deze snelle beweging had het wiel
den steen verlaten, zoodat het evenwicht hersteld was.
"Bij alle heiligen! dat kruis had ons daar bijna den hals doen
breken!" zeide de vrouw, schijnbaar ontsteld: "Gij moet wat
voorzichtiger zijn," vervolgde zij: "nu, echter, kunnen wij niet
meer dwalen; houd slechts het spoor; binnen een goed half uur zijn
wij aan de Blankert."
Casper antwoordde niet, maar prevelde iets binnensmonds, dat veel
naar eene verwensching geleek. Zeker kon men echter overtuigd zijn
dat hem deze nachtelijke tocht, in zulk een weder, niet beviel.
Niemand sprak verder. De regen viel gestadig bij stroomen neder en had
den weg schier in een modderpoel veranderd. De kar schokte geweldig,
en het arme paard, telkens voortgezweept, scheen bijna niet meer in
staat, zijn vreemde vracht voort te sleepen. Eindelijk werd de stilte
weder afgebroken door het meer dan te voren hoorbare gekreun van
het kind, dat zich nu scheen te bewegen. De vrouw sprak fluisterend
eenige woorden, die alleen door het wezen tot hetwelk ze gericht
waren, konden verstaan worden, en vervolgde toen luid tot Casper:
"Mij dunkt, dat ik in de verte een schijnsel van licht ontdek?"
"Dit zal zeker de Blankert wezen," zeide Casper, die insgelijks het
licht ontwaarde: "Wij worden opgewacht. 't Is goed dat wij naderen,
want Bles zou 't geen tien minuten meer kroppen.--Vort, Bles!" en
het regende weer zweepslagen.
Inderdaad naderde het voertuig de Blankert, en duidelijk ontwaarden de
reizigers nu een persoon, die met een lantaarn op- en nederging. Nog
eenige stappen, nog eenige schokken, en het voertuig bevond zich voor
een opgehaalde brug, welke spoedig, door den persoon, die zich met
de lantaarn aan gene zijde bevond, werd neergelaten. Laatstgenoemde
trad nabij den wagen en lichtte er in.
"'t Bevel!" riep de vrouw uit de kar den onderzoekende toe. Dit scheen
het wachtwoord te zijn; althans eene toestemming tot voortrijden,
dat Casper gold, doch welker uitvoering hem niettemin veel moeite
kostte, volgde op dit gezegde.
Dof dreunende, rolde nu het voorgelichte voertuig over de breede
ophaalbrug, waarna de geleider het paard bij den kop vatte, het eerst
door een holle poort, vervolgens over een breede met steenen geplaveide
ruimte en eindelijk in een donkeren stal of schuur binnen voerde.
"Voor den duivel, dat heet boos weer!" zeide Casper, die bij het
binnenrijden was afgestapt: "geen kat of hond zou men er uitjagen;
doch grof geld weegt zwaar," ging hij in zich zelven voort, terwijl hij
den doorweekten ronden hoed met slappen rand, door heen en weerslaan,
van het water zocht te ontdoen.
De nieuwaangekomene, die hen zoo even ontvangen had, scheen zich echter
niet met hem in een gesprek te willen begeven, maar trad, nadat hij de
lantaarn in het midden van den stal aan een haak had gehangen, op de
kar toe. Wat daar gesproken werd kon men niet duidelijk onderscheiden,
dewijl het gesprek zeer zacht gevoerd werd.
De lantaarn verspreidde een schemerachtig licht door de ruimte of
stalling, doch evenwel helder genoeg, om meer nauwkeurig de personen,
die zich aan deze plaats bevonden, op te nemen, en hunne bewegingen
gade te slaan.
Het gelaat van Casper vertoonde die ruwheid van karakter, welke men
reeds eenigszins uit de weinige door hem gesprokene woorden heeft
kunnen opmaken. Zijne oogen waren klein, zijn neus die alle kenmerken
van 's mans neiging tot sterken drank droeg, was middelmatig, zijn
mond was groot en met breede lippen voorzien, terwijl rosachtig
haar zijn schedel bedekte 't welk thans, doornat van den regen, in
pieken nederhing. Zijne kleeding bestond uit een blauw linnen kiel,
een korte grijze broek, een paar wollen kousen en groote beslijkte
holsblokken. Nadat het gesprek bij de kar eenige oogenblikken geduurd
had, werd door de vrouw aan den vermoedelijken portier, een groot
pak overhandigd dat zeer zwaar scheen. Wat dit pak bevatte liet zich
weldra gissen. Dat klagend geluid, hetwelk wij reeds in den wagen
gehoord hebben, deed zich ook nu weder hooren. De portier nam het
hem toegereikte met beide handen vrij voorzichtig aan, en verdween
er mede door een tot dus verre onopgemerkte zijdeur.
De vrouw had hare plaats hernomen, en hoewel men haar door de
schemering niet duidelijk kon opnemen, zoo zag men toch een paar
glinsterende oogen, in de diepe kassen verscholen, van onder een paar
donkere wenkbrauwen uitkomen. Zij scheen van middelbaren leeftijd,
en was geheel in een bruinen mantel gehuld, waaraan eene kap was
bevestigd, die mede voor het grootste gedeelte haar hoofd en aangezicht
verborgen hield.
Een aanhoudend geprevel, dat na verloop van ongeveer acht seconden,
door een snelle beweging met de handen werd afgewisseld, gaf duidelijk
te kennen dat zij een hoogst plechtig werk verrichtte, en zou voorzeker
nog langer hebben voortgeduurd, zoo niet de portier ware teruggekomen
en Casper, die het hongerige paard inmiddels den voederzak aan den kop
had gebonden, een kelk met brandewijn had aangeboden, welke eerst door
dezen tot op een vierde geledigd, en vervolgens met een hoofdschuddend:
"Bah!" aan de prevelende werd toegereikt.
De portier, die den kelk weder aangenomen had, sprak opnieuw eenige
onverstaanbare woorden met de vrouw; overhandigde haar iets hetwelk
men niet onderscheiden kon, en Casper vervolgens vier kronen in de
hand stoppende, opende hij de groote dubbele deur, die hij bij het
binnenrijden achter het voertuig had dichtgeslagen.
"Gij zult spoed dienen te maken, om vóór het aanbreken van den dag
weder te huis te zijn," sprak hij eindelijk: "Voor zulk een tocht
en met zulke wegen hadt gij voor dien armzaligen knol wel wat beters
kunnen nemen!"
Om der vier kronen wille, vond Casper het geraden deze laatste
aanmerking des portiers niet te beantwoorden. "Vóór zessen zijn wij
reeds aan de Roemer," zeide hij; maakte toen den voederzak los; deed
het paard het bit in den bek, en dwong, met een: "Terug, Bles!" het
reeds zoozeer vermoeide beest eenige stappen achteruit te doen.
Buiten den stal gekomen, wendde hij den wagen naar de andere zijde:
nam de touwen leidsels in de hand, en beklom weder het voertuig.
De portier nam de lantaarn uit den haak; vatte het paard bij den kop,
en leidde alzoo het voertuig opnieuw over de ruimte, door de holle
poort, wier gewelven het geluid van den rollenden wagen weerkaatsten,
tot vóór de gemelde ophaalbrug.
Dof dreunde het voertuig over de eikenhouten planken; een wederzijdsch:
"Vaarwel," werd gewisseld, de portier haalde de klep der brug naar
boven, en de hand voor het schijnsel der lantaarn houdende, zag hij
de witte huif der kar langzaam in het nachtelijk duister verdwijnen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,--dertien jaren
dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur,
dat het vorstelijk 's-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen
wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op
straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard
verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men
staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden
en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een
en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats
te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte
zich uitstrekte.
Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets
buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste
aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een
blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt.
Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die
drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen?
Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer
dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige
personen voegen, die in een groep bij elkander stonden.
"Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een
kop grooter is dan onze Prins," sprak een klein, schraal en slecht
gekleed man.
"Drie pinten tegen eene!" herhaalde hij, uitdagende blikken om zich
heen werpende, terwijl hij eindelijk meer bepaald een jonkman bleef
aanzien, die even te voren het tegendeel beweerd had.
De jonkman die, naar het uitwendige te oordeelen, insgelijks niet
veel te verliezen had, scheen de uitdaging niet zeer gretig aan te
nemen, doch hetzij om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel
om zijne bekendheid met den bedoelden persoon te kennen te geven,
sprak hij na eenig stilzwijgen:
"Ongetwijfeld echter weet ik dat de markgraaf gezetter is dan Maurits,
ik heb...."
"Gelogen!" viel de eerste spreker hem driftig in de rede: "Gelogen
vriend! Spinola is lang en mager, lang als Gerrit Aal uit de Wijnstok,
en mager...."
"En mager, als Sebastiaan Bril, baardschraper uit het Scheerbekken,"
viel een forsche stem den spreker in de rede, welke laatste, op
het hooren noemen van zijn naam, zich verschrikt omwendde en achter
zich de forsche gestalte en het blozende gelaat van den waard uit de
Wijnstok ontdekte.
"Gerrit! Gerrit!" hernam de ontstelde baardschraper, zich herstellende:
"Gij deedt beter, mij in het vervolg niet meer met uw barbaarsche
stem te verschrikken, geloof mij, de Wijnstok zou mij voor 't laatst
gezien hebben."
"Bedaar, maat!" hervatte de dikke waard, die huiverde bij het
denkbeeld, door eigen toedoen een der beste kalanten uit zijn kroeg te
verjagen: "Bedaar! 't was niet kwaad gemeend.--Maar drommels!" ging hij
lachende voort: "Gij bediendet u zoo vrijpostig van mijne lengte, om
mij bij dien Spanjaard te vergelijken, dat mij evenzeer uw dunne beenen
het recht gaven, om de door u aangevangene vergelijking te voltooien."
Op deze aanmerking van Gerrit Aal, richtten zich verscheidene oogen
naar de dunne eenigszins kromme beenen des baardschrapers, welke in
uiterst versleten hozen staken, zoodat zij hier en daar hun natuurlijke
kleur vertoonden.
Een luid gelach was de uitwerking door deze opneming teweeggebracht,
en zeker had Gerrit zijn vertoornden klant voor altoos verloren, had
deze hem niet vertrouwelijk op den schouder geklopt en iets in het oor
gefluisterd, 't welk den kleinen man geheel scheen te bevredigen. Met
een luid: "Fiat, Gerrit!" scheen hij alle beleedigingen vergeten
te hebben, of ten minste geneigd te zijn, er zich niet verder over
te bekommeren.
"'t Zal mij dan eens wonder benieuwen, of die twee malkaar den
dolk niet in de ribben zullen stooten!" sprak een oud wijf met
een taankleurig gelaat, hetwelk in allerlei richtingen met plooien
en rimpels doorploegd was: "'t Was," ging zij krijschende voort:
"de eenige manier, om aan alle ruzie een einde te maken, want
razen en blazen zullen de kemphanen zoolang zij lucht in de longen
hebben. Vrede, ja! bij mijne ziel, vrede zouden ze maken! 't
Heeft wat in, een Spaansch varken schoon te krabben! Kokend
water moet er op! Kokend water, zeg ik, en dan krabben met man en
macht!--Bah!" reutelde zij in zich zelve voort, terwijl zij onze
groep eensklaps verliet: "Bah! ze zullen met zijden lappen een varken
schrapen!"
Ondertusschen was de jonkman, dien wij het eerst met Sebastiaan Bril
in eene woordenwisseling hebben aangetroffen, door een voorbijdringend
maagdeke vriendelijk toegeknikt. "De trein is in aantocht!" had zij
hem toegeroepen, en hem tegelijkertijd bij zijn wambuis grijpende,
met zich voortgetrokken, waaraan hij, geenszins onwillig, niet den
minsten weerstand geboden had.
Werkelijk kondigde een dichte drom van menschen, die allen van de
boschzijde kwamen aanstormen, duidelijk aan dat de zoolang verwachte
personen weldra zouden voorbijkomen.
De jonkman, aan wien in het vervolg door het meisje den naam van
Maarten gegeven werd, had met haar, weinige schreden van de plaats
waar wij hem het eerst aantroffen, op een steenen trap van een fraai
gebouw aan het einde van den Kneuterdijk gelegen, post gevat, en zag
nu, den arm om haar middel geslagen, dartel koutende, met het grootste
geduld de komst van den trein te gemoet.
Wij zullen de jonge lieden voor een oogenblik verlaten, om met onze
Lezers, die uit het op straat verhandelde slechts gedeeltelijk de
ware toedracht der zaak zullen begrepen hebben, zeer beknopt bij
de geschiedenis van dien dag stil te staan, en hun de oorzaak dier
feestelijkheden duidelijk te maken.
Filips III, Koning van Spanje, neigde tot vrede; verscheidene
beweegredenen drongen hem hiertoe, en voorzeker wel het meest
de aanzienlijke geldsommen die het krijgvoeren in de Vereenigde
Nederlandsche Gewesten aan den Spaanschen Staat kostten. Drie millioen,
zesmaal honderdduizend kronen toch werden er minstens jaarlijks
vereischt, om in de behoeften van dezen krijg te blijven voorzien.
Door de ongeloofelijke dapperheid en het kloek beleid van Prins
Maurits, was het den Spaanschen bevelhebber markgraaf Ambrosio
Spinola bijna onmogelijk geweest, over de stroomen tot in het hart
der Vereenigde Gewesten door te dringen, en zeker was het te voorzien,
dat de weinige sterke plaatsen, welke hij genomen had, niet te houden
zouden zijn, wanneer de Staten van Holland, door Frankrijk ondersteund,
opnieuw tot een aanvallenden krijg, die hun vroeger zoo wel gelukt was,
mochten besluiten.
De geschillen van den Staat van Venetië met den Paus, in welke
Filips zich gemengd had, dreigden hem nog bovendien met een krijg in
Italië, welke onmogelijk kon gevoerd worden, zoolang hij niet met de
Nederlanden bevredigd was.
Voorts morden de Portugeezen dat hunne schepen door de Staatschen
genomen, en hunne volkplantingen in de Oost-Indiën vermeesterd werden
zoodat én koophandel én zeevaart ten eenenmale bedorven werden.
Al deze krachtige redenen deden den jongen, in het oorlogen onbedreven
Filips vurig naar vrede verlangen. Reeds in het vorige jaar, 1607,
hadden de onderhandelingen een aanvang genomen, en had de aartshertog
Albertus, daartoe door zijn gemalin Isabella gemachtigd, den Staten
aangeboden, met hen, als met vrije volken, te onderhandelen, waarna,
op den 12den van Grasmaand, een binnenlandsche wapenschorsing gesloten
werd, met eenige bepalingen, en wel voornamelijk: dat de Koning van
Spanje binnen drie maanden de Vereenigde Gewesten insgelijks voor
vrije Landen zou erkennen.
Prins Maurits, hoewel aanvankelijk onwillig om met den vijand
tot vredesonderhandelingen over te gaan, had zich echter door den
schranderen advocaat Johan van Oldenbarneveld, die op goede gronden
voor den vrede ijverde, tot de ontvangst der vreemde gezanten laten
overhalen. Oorlogzuchtig van aard, koesterde de Prins echter den
heimelijken wensch, dat de onderhandelingen weldra door onoverkomelijke
hinderpalen mochten verijdeld en afgebroken worden. Zijn juiste
staatkunde deed hem echter duidelijk inzien, dat hij zich den haat
van vele edelen en burgers op den hals zou halen, indien hij zich
openlijk en met kracht tegen een aangebodene vredesonderhandeling op
billijke voorwaarden verzette.
En nu,--de Spaansche gezanten werden verwacht. Prins Maurits was
reeds een uur geleden, door zijne edelen omringd, de ambassade te
gemoet getogen. De algemeen beruchte markgraaf Ambrosio Spinola was
het hoofd van het gezantschap. Trompetgeschal liet zich in de verte
hooren; de trein naderde, en geenszins was het dus te verwonderen
dat aller oogen eensklaps naar ééne zijde gericht werden en dat alle
gesprekken, van welken aard ook, werden gestaakt, om door een zacht
gemompel te worden vervangen.
"Gij zult wél doen, Anne, een trap hooger te klimmen, als gij over al
die hoofden wilt heen zien," sprak Maarten halfluid tot het meisje,
hetwelk, op zijn arm leunende en zich al meermalen op de teenen
verheffende, getracht had haar hoofd boven de menigte te doen
uitkomen. Deze raad werd opgevolgd, en Maarten, die nu ook zijne
plaats verliet om weder achter haar post te vatten, sloeg den arm
om haar blanken hals, en beiden aanschouwden nu duidelijk, wat wij
onzen lezers zullen mededeelen.
Een korps hoornblazers en tamboers, door eenige hellebaardiers
voorafgegaan, opende den trein; hierop volgde een heraut van wapenen
te paard, en onmiddellijk daarna een prachtige staatsiewagen, met zes
kloeke paarden bespannen, wier blinkende hoofdstellen vroolijk in de
vriendelijke Februari-zon schitterden. De wagen, waarvan de wielen tot
even boven de naven door sierlijk geschilderde raderkassen overdekt
waren, bevatte op de hoeken vier vergulde ijzeren staven, die een
bijna koepelvormigen hemel onderschraagden, welke uit vier paneelen
bestaande, een punt formeerde, op welke eene grafelijke kroon bevestigd
was. Gordijnen van hemelsblauwe zijde, met gouden borduursels omzoomd,
omringden den hemel, en hingen, eenigszins op zijde geschoven, in
sierlijk breede plooien naar beneden. Het inwendige der koets was
geheel met rood fluweel bekleed, insgelijks met gouden boordsels
afgezet, en op de portieren prijkten de wapens van het huis van Oranje.
Vier pages, op het smaakvolst uitgedost, bevonden zich achter op het
rijtuig, hetwelk voorts omringd en gevolgd werd door een aantal edelen
en ridders te paard.
Vóór dat wij echter met onze beschouwingen bij het vervolg van den
trein stilstaan, werpen wij eerst een blik in het rijtuig zelf,
en ontdekken weldra twee personen, die elkander met vele uitwendige
hoffelijke gebaren levendig schijnen te onderhouden.
De een, ter linkerzijde gezeten, was middelmatig van gestalte en
eenigszins zwaarlijvig. De ander, ter rechterzijde, was rijziger, doch
niettemin van krachtigen lichaamsbouw. De eerste had lichtblauwe oogen,
waarin moed en vastberadenheid te lezen waren; gulle openhartigheid
zetelde op zijn eenigszins blozend gelaat, en niet zelden speelde
een ongekunstelde lach om zijne lippen; zijn hoofdhaar was blond en
een breede baard van dezelfde kleur, omgaf zijne kaken. De oogen
des anderen waren donkerbruin, en werden door lange wenkbrauwen
overschaduwd. De groote arendsneus gaf eene buitengewone fierheid
aan het gelaat, dat een meer zuidelijke tint had. Zijn hoofdhaar
was zwart, een kleine puntige baard omringde zijne spitse kin, en
forsche opgestreken knevels bedekten gedeeltelijk een kleinen mond,
die, wanneer hij zich tot een lach vertrok, twee rijen tanden als
van het blankst ivoor vertoonde.
Het waren Prins Maurits en Spinola, de twee beroemdste veldheeren
hunner eeuw, welke elkander vroeger nooit anders dan met de wapenen
in de vuist hadden ontmoet, en die thans, naast elkander gezeten, in
heuschheden wedijverden. Zooals wij gezegd hebben, de staatsiekoets
werd omringd en gevolgd door verscheidene Nederlandsche edelen,
in wier midden zich het overige gedeelte des gezantschaps bevond,
waaronder zich ook bevonden Don Juan De Mancicidor, geheimschrijver
des Konings van Spanje, Joan Richardot, Raad van State onder den
Aartshertog en President van den geheimen Raad, benevens de in
's-Hage reeds bekende monniken Neijen en Verreijken.
Op deze schaar van edelen en ridders te paard volgden verscheidene
koetsen met twee paarden bespannen. In de eerste dezer koetsen
bemerkte men, behalve den Pensionaris en den Burgemeester der stad
's-Gravenhage, ook 's Lands Advocaat en 's Prinsen eersten raadsman,
Johan van Oldenbarneveld, Heer van Berkel en Rodenrijs. In de overige
rijtuigen waren de leden van den Raad van State, volgens hun rang
of ouderdom gezeten, terwijl de trein eindelijk gesloten werd door
eenige hellebaardiers in volle wapenrusting.
"Zie, welk een heerlijk ros!" zeide Maarten, toen de edelen en
gezanten te paard de jonge lieden voorbij reden. "Welk een trotsch
dier!" vervolgde hij, terwijl hij met den vinger naar een schimmel
wees, waarop een jong ruiter gezeten was: "Bij mijne ziel, zóó fier
zag ik nooit een paardennek gekromd."
Anne, die op deze aanwijzing het beest vluchtig had opgenomen, scheen
evenwel meer geneigd haar geheele aandacht te wijden aan dengenen die
er op was gezeten, en van het ros op den ruiter springende, zeide zij,
Maartens opmerkingen vervolgende: "En wat golven die kastanje bruine
haarlokken schoon! Welk een edele houding!--hoe jammer dat hij nu
juist het hoofd naar de andere zijde heeft gewend."
Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps
behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd,
die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden
stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters
hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat;
en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde
zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe.
Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval,
't welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet,
aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet;
doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die
door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd
opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte
de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween
door de openstaande balkondeur.
Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was
noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden
duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde,
dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk zorgvuldig in zijn
wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog
eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres
herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken,
arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate
de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook
steeds grooter en grooter werd.
"Daar kan een slok op staan, Gerrit!" sprak de dunne baardschraper,
die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden:
"Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt,
en ik ben zoo koud als een steen geworden."
Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn
bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen,
die allen--evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten
of plechtigheden nog de gewoonte is,--voornemens waren de uitgestane
vermoeienissen met een dronk weg te spoelen.
De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende
de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat
door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger
werd.--Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog
en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende
aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den
wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben.
Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen
rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn
overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een
gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die
trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds
voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen.
"Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere
kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem
verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder
iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide
zij meermalen, als ik 's vaders klanten behendig stond in te zeepen:
Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren;
gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere
sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken"
vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die
dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken:
"zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne
heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en
Vorst heb in de waagschaal gesteld."
De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten;
doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend
oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met
het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker,
die dadelijk aldus vervolgde:
"Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons reeds
geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen,
en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de
verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat
was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan;
mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten
toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd
insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb
ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker
neusvleugel weggemaaid!--Van Der Noot, die het bevelhebberschap der
stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken,
en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der
Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd
en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.--In eene
monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en
kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door
het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.--Eenige
Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten;
de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk
door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden
verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik
werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat
te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die
er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van
lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit
toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te
storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner
soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met
tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan
het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was
overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio
Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en
dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden."
Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die
zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden,
spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene
voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed
aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes
over elkander slaande, ging hij voort: "Met scherpe blikken werd ik
ondervraagd, en 't was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar
alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer
van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne
ondervragers weten wilden.--Men prees mijn moed tot het aanvaarden
van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen
en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij
staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen,
en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der
krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar ontdekte ik daar veel
brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood
was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo
de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met
mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden
uitgewisseld.--Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te
gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd
veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt,
ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf
Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om
de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig
werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door
dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en
voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.--Lang leve Van Bergen! Ja
lang, lang leve die waardige graaf!" besloot in verrukking de kleine
barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide:
"tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij
leven!" en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer,
doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn
zetel op den steenen vloer.
De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den
beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven
zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen.
Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat
in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde.
De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden
huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade
glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk,
vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede.
DERDE HOOFDSTUK.
De zalen van 's Prinsen paleis op het Binnenhof waren prachtig
verlicht. Vele pages en ontelbare bedienden liepen in snelle vaart
op en neder, om alles te regelen of ten uitvoer te brengen.
Spaansche en Nederlandsche vlaggen waren smaakvol als tropeeën boven
de openstaande vleugeldeuren bevestigd. Aan het einde der groote
zaal bevond zich een voor die tijden uitmuntend orkest, hetwelk,
eenigszins in de hoogte geplaatst, achter bloeiende heesters en
rijk beladen oranjeboomen verscholen was. De zalen waren meest
alle met goudlederen behangsels bekleed, en sierlijke rustbanken,
met fluweelen zittingen, waren langs de wanden geschikt. Zilveren
drinkbekers en schenkkannen prijkten op groote bladen van hetzelfde
metaal, en bokalen van fijn Venetiaansch glas, waarin de wapens der
Prinsen van Oranje allerkeurigst gesneden waren, stonden in grooten
getale en van onderscheidene grootte, op een marmeren aanrecht,
waarachter in steenen kruiken of groene flesschen de edelste wijnen
voor de komenden gereed stonden.
Het was Prins Maurits, die den Spaanschen gezanten, weinige dagen na
hunne aankomst in 's-Hage, een luisterrijk bal wenschte te geven. Te
dien einde had hij de bloem der natie, voor zooverre zij daar kon
tegenwoordig wezen, ten zijnent genoodigd, en niets gespaard om alles
zoo prachtig mogelijk te maken.
Het uur voor de ontvangst naderde. De bedienden en hoflakeien begaven
zich naar hunne posten. Twee rijen van hellebaardiers stonden,
met lange hellebaarden, in het met marmeren steenen geplaveide
voorportaal. De koetsen rolden. De genoodigden kwamen, en weldra
waren de zalen van het Prinselijk paleis opgevuld met edelen, vrouwen,
jongelingen en maagden, die allen in pracht van kleedertooi schenen
te wedijveren. Zware damasten, zijden en satijnen kleedingstukken
boeiden de oogen der edele vrouwen, niets ontging dienaangaande
zelfs eenigermate hare aandacht. Bekoorlijke jonkvrouwen trokken als
krachtige magneten, de blikken der jonkers, ja zelfs der meer bejaarden
tot zich. Doch ook door háár bleef geen jong edelman onopgemerkt,
en elk dezer jonkvrouwen koos zich reeds met vurig verlangen, den
schoonsten en bevalligsten knaap, om door hem ten dans te worden
geleid. De gesprekken werden aanvankelijk zeer zacht gevoerd, en allen
wachtten op de komst der hooge personages, die de Spaansche gezanten
zouden binnenvoeren.
Eensklaps werden door twee pages de tot dusverre geslotene
vleugeldeuren eener aangrenzende zaal geopend.--Prins Maurits,
in prachtig feestgewaad, trad met zijn jongeren broeder Frederik
Hendrik de groote zaal binnen, vergezeld door de Spaansche gezanten
met hun gevolg benevens den Raad van State, welke eersten hij op de
hoffelijkste wijze aan de aanwezigen voorstelde. De edelen en vrouwen
hadden zich, bij het binnenkomen der Vorsten, allen naar die zijde
gekeerd, de mannen bogen hunne hoofden en de vrouwen neigden met de
meeste bevalligheid. Na vele dergelijke ceremoniën, werd door den
Prins zelf het teeken tot het aanvangnemen van den dans gegeven. Een
liefelijke muziek ruischte door de schoone heesters den aanwezigen
in de ooren. Edelen en vrouwen, jongelingen en jonkvrouwen, mengden
zich nu spoedig dooreen, ieder der mannen koos zich zijne dame, en
zij die door ouderdom of andere oorzaken zich den dans ontzegd zagen,
plaatsten zich op de rustbanken en namen nauwkeurig de voorbijtrekkende
paren in oogenschouw.
Het was een verrukkelijk tooneel die bloeiende paren te zien, en
die tevredene aangezichten, waarop gepaste vroolijkheid te lezen
stond. Wel werden niet al die jonkvrouwen door het voorwerp harer
heimelijke keuze ten dans gevoerd, doch allen schenen voldaan, aller
kout was hartelijk en gul, en niets stoorde haar vreugde.--De paren
werden en colonne gerangschikt: de menuet nam een aanvang.
Prins Maurits zelf opende het bal. De schoonste der schoonen was door
hem tot dat einde uitverkoren: het was de lelieblanke Adelgonde
Van Bergen, algemeen onder den naam van de Hagenlelie bekend,
die in de sierlijkste lichaamswendingen, aan 's Prinsen zijde haar
gevestigden roem als de bevalligste der Hollandsche jonkvrouwen,
op de schitterendste wijze handhaafde.
Aller oogen waren thans op haar gevestigd. Adelgonde was schoon,
te schoon zelfs om haar naar waarde te schetsen, en toch wagen wij
het van dat liefelijke gelaat te spreken, en te vermelden wat ieder
zoozeer aan haar boeide.
Wie had ooit zulke hemelsche oogen gezien? Men vergeve ons deze
uitdrukking, want hemelsch konden zij genoemd worden, de oogen,
welke de spiegels der reinste ziel waren. Schier bovenaardsche
zachtheid straalde uit die helderblauwe kijkers, welke niettemin
vroolijk rondstaarden en voor alle bekenden een vriendelijken blik
veil hadden. Haar neusje was datgene wat de Franschen ten huidigen
dage petit mutin zouden noemen, en wanneer de twee rozeroode lipjes,
die als voor de liefde geschapen schenen, zich tot een liefelijk
lachje plooiden, vertoonde zich op de wangen der Hagenlelie een
donzig kuiltje, hetwelk haar door vrouw Venus zelve zou zijn benijd
geworden. Twee rijen tanden, helder als kristal en witter dan de
sneeuw der Zwitsersche bergen, parelden in haar kleinen mond, en
hare haren die, gedeeltelijk zichtbaar, in sierlijke lokken langs
hare slapen nederhingen, waren van die satijnachtig blonde kleur, op
welke de Hollandsche maagden zich met recht mogen verheffen. Hals en
boezem die, volgens haar gelaat te oordeelen, het albast in schoonheid
verre moesten overtreffen, waren, door de dracht dier tijden, aan
het oog onttrokken. De breede fijn geplooide kraag omgaf den eerste,
terwijl haar ranke leest in een wit satijn keursje gesloten was,
't welk hare houding op het voordeeligst deed uitkomen. Haar kleed,
van dezelfde stoffage, en dat in breede plooien nederhing, was geheel
met een boordsel van wit donzig bont omzet, en liet, in het midden een
weinig opgenomen, het wit zijden onderkleed aanschouwen, hetwelk echter
niet te lang was om nog een paar der fijnste voetjes te laten zien,
die ooit te voren een sterveling gedragen hadden, en welke insgelijks
weder in wit satijnen schoentjes staken, wier rosetten vervangen
werden door een paar flonkerende diamanten van het zuiverste water.
Nog rest ons te zeggen dat haar poezele armen in de eng geslotene
mouwen van het onderkleed werden verborgen, en dat er drie rijen van
de edelste paarlen door haar hoofdtooisel geslingerd waren.
Nooit droeg zij een andere dan een geheel witte kleeding: doch,
blanker dan deze was haar liefelijk gelaat; terwijl weder de blankste,
de reinste ziel in dat bevallige lichaam huisvestte.
Ziedaar de Hagenlelie geschetst; ziedaar de twintigjarige Adelgonde,
zooals wij haar met onze zwakke pen waagden te beschrijven. Geen
ijdel beminnaar van bonte verven gispe hare liefde voor die kleur der
onschuld. O wij smeeken hem, aanschouw haar nogmaals in dat glanzige
gewaad, in die bevallige lichaamswendingen aan 's Prinsen zijde,
en gij zult verrukt zijn over ons ideaal van vrouwelijke schoonheid.
Was het te verwonderen dat ieder haar beschouwde? dat alle jongelingen
zich deze bloem tot gade wenschten, en de jonge Alonzo Spinola,
oudste zoon des markgraven, zijn eigen dame schier vergetende, met
gloeiende wangen dien hemelschen kelk, op kouden bodem gekweekt,
geen oogenblik uit het oog verloor?
De Prins had zijne dame naar eene rustbank gevoerd; twee of drie
paren te gelijk voerden nu beurtelings de menuet uit, en wedijverden
om Adelgonde Van Bergen in bevalligheid te evenaren.
Was het Alonzo geweest, die met zielsverrukking de schoone Adelgonde
had gadegeslagen, thans, nu de edele Spanjaard, aan de zijde van een
andere Hollandsche schoone, zijne gaven ten toon spreidde, bleven
ook hare blikken aan zijn minste bewegingen hangen, en met recht
verdiende de fiere jongeling deze onderscheiding.
Sierlijke bruine haarlokken omgolfden zijn schoon mannelijk gelaat;
donkerbruin waren zijne oogen; zijn neus was, evenals die zijns vaders,
eenigszins gewelfd; twee zwarte knevels zetelden boven den kleinen
mond, en een puntige baard van dezelfde kleur omgaf zijne kin. Zijne
kleeding was allerkeurigst, en behalve den breeden halskraag,
welke in die dagen, helaas! voor sieraad gehouden werd, omsloot een
prachtig wambuis, van lichtrood satijn met zilver doorstikt, zijn
breede borst en bovenlijf tot op het midden. De mouwen waren boven
de ellebogen opgedoft, en gevoerd met witte zijde, 't welk door
langwerpige openingen zichtbaar was. De wijde broek, die tot even
boven de knieën reikte, was van dezelfde stoffage; zijn welgevormde
beenen staken in fijne witte hozen, en zijn schoeisel bestond in
kleine lederen laarsjes, die van binnen met rozerood fluweel waren
gevoerd. Blinkende knoopjes versierden zijn wambuis. Een breede gordel,
met robijnen en andere edele steenen bezaaid, omgaf zijne lenden, en
bevatte nog bovendien een kostbaren staatsiedegen met prachtig gevest.
De menuet liep ten einde, en geurige mokka benevens kostelijke thee
werden den gasten in het fijnste porselein aangeboden. Prins Maurits
had zich met den markgraaf Spinola in een druk gesprek gewikkeld. Aan
het tegenovergestelde einde der zaal stonden verscheidene edelen
bijeen en voerden een geheimzinnig gesprek.
"Het kost mij niet weinig," sprak een kloek edelman die den herfst
zijns levens reeds zeer nabij scheen; "het kost mij waarachtig niet
weinig moeite, die Spaansche bloedhonden van zoo nabij te zien en
hen niet met het blanke zwaard tegemoet te snellen."
"In het bosch moet men met de wolven huilen," zeide een jonkman,
op wiens valsch gelaat men duidelijk de geschiktheid tot het ten
uitvoer brengen van dit door hem aangevoerde argument kon lezen.
"Wat moet je het geven!" vervolgde de eerste spreker, zonder op des
jonkmans woorden acht te slaan: "Zij hebben de schapenvacht gehuisvest,
zonder te bedenken dat er een levende wolf in steekt. Wie anders dan
de Advocaat kan de Staten en Prins Maurits tot dit gevaarlijk spel
hebben overgehaald?" Hij wierp een somberen blik op de veldheeren,
die zich nog steeds druk met elkander onderhielden, en verliet, met
een gelaat waar angstige bezorgdheid op te lezen stond, de edelen
tot wie hij gesproken had.
"De edele Van Bergen heeft gelijk: wij spelen een gewaagd spel,"
zeide de baron Van Doorn tot den Zandheuvel, zoodra Van Bergen hen
verlaten had: "zij willen tijd winnen en slaan daartoe een schijnbare
vredesonderhandeling voor, die nooit tot stand zal komen. Wij vieren
feesten, leggen gastmalen aan, terwijl de vijand zich versterkt,
om ons spoedig uit dien dommeligen slaap wreedaardig te doen ontwaken."
"Zoudt gij dan waarlijk van meening zijn dat Spanjes Koning niet
werkelijk den vrede wenscht?" sprak de jonker Van Wolkensteijn,
den laatsten spreker vragend aanziende.
"'t Kan zijn," hervatte deze, de schouders ophalende: "doch nimmer
zal ik gelooven, dat Spanje vrede zou sluiten met een gewest,
't welk hem de vaart op de Oost-Indiën zoo duchtig betwist."
Gedurende dit gesprek, hetwelk in dier voege nog eenigen tijd werd
voortgezet, viel er in een belendende zaal, een ander tooneel voor,
hetwelk aan onze Lezeressen wellicht meer belang zal inboezemen.
Alonzo Spinola, die de schoone Adelgonde, nadat de dans geëindigd was,
geen oogenblik uit het oog had verloren, naderde met een hoogen blos
doch ongedwongen houding, de beminnelijke jonkvrouw, en sprak haar,
in vrij goed Nederlandsch, met een sierlijke buiging, in dezer voege
aan: "Schoone jonkvrouw! voor weinige dagen deed het geluk mij een
wezen ontmoeten, hetwelk men, eenmaal gezien hebbende, nimmer kan
vergeten. Neen, ik bedroog mij niet toen ik, voor weinige oogenblikken,
in het gelaat der bekoorlijke danseres aan 's Vorsten Maurits zijde,
dezelfde hemelsche oogen zag schitteren die reeds eenmaal, door
een driewerf gezegend toeval, op mij gericht waren.--Zeker zou ik
u niet onaangemeld hebben genaderd," vervolgde hij met een bevallig
glimlachen: "doch dat zelfde gezegende toeval scheen mij daartoe het
recht te geven.--Deze fijne doek toch," ging hij voort, terwijl hij
den ons reeds bekenden zakdoek uit zijn wambuis te voorschijn trok:
"behoort aan niemand anders dan aan de bevallige jonkvrouw Van Bergen."
Adelgonde, die bij het naderen van den Spanjaard, insgelijks met
een sterken blos zijne komst had te gemoet gezien, had zich echter
weldra hersteld en, even opgestaan zijnde, met een lichte neiging
des jonkmans eerste woorden beantwoord.
"O!" sprak zij eindelijk, nadat zij den doek uit zijne hand had
aangenomen, met eene stem die Alonzo onbeschrijfelijk zoet en
welluidend in de ooren klonk: "O waarlijk, edele heer, gij zijt al
te verplichtend; een kleine onoplettendheid deed den doek aan mijne
vingeren ontglippen toen ik mijn vader, die zich in uw midden bevond,
van het balkon toewuifde.--Ik dank u zeer voor uwe behendigheid,"
vervolgde zij, niet zonder eenige verwarring, ziende dat de jongeling
haar zonder te antwoorden, met een vreemdsoortige uitdrukking, waarin
bijna aanbidding te lezen was, bleef aanstaren: "en ik reken mij
insgelijks gelukkig," voer zij, geheel in verwarring gerakende, voort:
"door dit toeval.... u... mij.... in de gelegenheid te zien gesteld,
eene kennismaking aan te knoopen, die...."
"Die slechts door den dood zal worden afgebroken!" sprak de jongeling
in vervoering; doch zich eensklaps bezinnende en heimelijk een
rondheid verwenschende, die hem schier altijd de gedachten op de
tong legde, ging hij langzamer en met verschuldigden eerbied voort:
"Verschooning edele jonkvrouw, verschooning voor het uiten van een
wensch, welke, zoo onstuimig ontboezemd, uw kiesch gevoel wellicht
kwetst, en mij voor altoos zou verstoken laten van een vriendschap,
die zoo vurig door mij wordt begeerd."
Adelgonde sprak niet, maar sloeg hare oogen naar beneden; de stem des
jonkmans had, wel verre van haar te kwetsen, de fijnste snaar harer
ziel doen trillen; een ongekend gevoel doortintelde hare aderen, en
toen zij, den blik weder opslaande, den jongeling zwijgend in de oogen
zag, scheen deze door haar vriendelijk lachje geheel gerustgesteld:
hij plaatste zich aan hare zijde, en vervolgde nu, door dat zelfde
lachje aangemoedigd, terwijl zijne rechterhand met de fraaie halsketen
die op zijne borst hing, doelloos speelde: "O Adelgonde!--verschoon
mij, dat ik u zoo ongevraagd bij dien schoonen naam durf noemen?--uw
eerste aanblik vervulde mij met duizend zoete droomen. Hoe dikwijls
brandde ik in die weinige dagen niet reeds van verlangen om háár
weder te zien die, van dat gezegende oogenblik af aan, mijn geheele
ziel beheerschte.--Rusteloos hield mijn geest zich met u bezig;
gestadig hield ik mijne oogen op den doek gevestigd, die mij door
een goeden geest, uit uwe handen was tegemoet gevoerd. Hoe brandde
ik van verlangen naar dit oogenblik, om u te zeggen, dat gij uit al
de oorden door mij bezocht, van al de maagden door mij aanschouwd,
de schoonste, de edelste en reinste zijt bevonden: dat gij alleen...."
"Houd op edele graaf," viel Adelgonde den vurigen jongeling schielijk
in de rede, die, zich zelven in zijne vervoering geheel vergetende,
haar bij de fraaie hand had willen vatten: "Matig uwe opgewondenheid,"
ging zij weder blozende voort: "gij kent mij niet; slechts weinige
oogenblikken hebt gij u in mijne nabijheid bevonden; slechts weinige
woorden nog heb ik u toegesproken, en reeds spreekt gij van mijne
deugden, van...."
"Alsof uw gelaat, uw oog bovenal, niet het toonbeeld, den spiegel
uwer reine ziel ware," voerde Alonzo, op Adelgondes laatste woorden,
haar overredend tegemoet: "Geloof mij edele jonkvrouw, waarachtige
liefde woont in mijne borst. O, geef mij slechts eenige hoop; laat
slechts één zoet woordeke uw rozemond ontglippen. O, zeg mij bovenal,
dat geen voorwerp nog uwe keuze heeft bepaald; dat ik u niet geheel
onverschillig, niet geheel...."
Hier hield Alonzo op met spreken; pijnlijk vragend staarde hij op het
blanke gelaat van de Hagenlelie; en Adelgonde, verrast en op zulk een
tooneel niet voorbereid, zag zwijgend voor zich neder; een traan, aan
het overrompeld vrouwelijk gemoed ontweld, parelde in haar hemelsblauw
oog. Doch zich als 't ware eensklaps bezinnende, stond zij schielijk
op: "Wij zullen elkander wederzien, edele graaf!" sprak zij halfluid,
maakte toen een bevallige neiging, en zich daarna snel verwijderende,
liet zij den jongen Spinola aan zich zelven over, die, alsof hij uit
een droom ontwaakte, haar met teedere oogen nastaarde. Het ontging
echter zijner aandacht niet, dat weinige schreden van die plaats,
een jong edelman haar tegemoet trad, die, na eene korte toespraak
haar den arm bood; hem een vluchtigen blik toewierp, en zich eindelijk
met de schoone Adelgonde onder de overige gasten mengde.
--Zou het inderdaad slechts een schoone droom zijn geweest,
dacht Alonzo bij zich zelven; zou dat bekoorlijk schepsel
slechts een baatzuchtige coquette zijn, die eerst met schijnbare
belangstelling mijn waarachtige liefdesontboezemingen aanhoorde,
om dat voorwerp, hetwelk haar meer dan zich zelven bemint, te
zekerder aan haar triomfwagen te hechten, alleen met het doel om
het getal harer aanbidders te vergrooten?--Maar neen! ging hij
in zich zelven voort, terwijl hij een hem aangeboden roemer met
kostbaren Rijnwijn van een zilveren schenkblad nam: neen! dat is
niet mogelijk; dat engelengelaat kan zóó niet huichelen. Neen:
Wij zullen elkander wederzien, heeft zij gezegd; ja, dat heeft zij
duidelijk gezegd; en 't was toch niet geveinsd, dat in haar oog, den
azuren hemel gelijk, die traan opwelde.--Maar toch.... zij verliet mij
eensklaps.... eensklaps.... juist in dat zoozeer gewenschte oogenblik,
toen ik een woord van liefde uit haren mond dacht te vernemen; en,
zich verwijderende, ijlt zij een ander tegemoet, dien zij wellicht
meer hare liefde waardig keurt, doch die haar nooit kan beminnen
zooals ik haar bemin!
Zeker zou Alonzo zijne bespiegelingen hebben voortgezet, en door zijn
driftig gestel nog langer tusschen hoop en vrees zijn geslingerd
geworden, ware de jonge edelman, die Adelgonde even te voren
was tegemoet gaan, en in wien wij de trekken van hem herkennen,
die in het vroeger met Van Bergen gevoerde gesprek, ons reeds zijn
huichelachtigen aard ontdekte, hem niet met een schijnbaar vriendelijk
gelaat ware genaderd, en, hem in zijne overpeinzingen storende,
vragend had aangesproken.
"Is het den edelen Alonzo Spinola vergund, met somberen blik een
luisterrijk bal bij te wonen, 't welk Maurits mede ter zijner eere
heeft aangelegd? Mag de edele graaf, wellicht treurende om eene
in zuidelijker streken verlaten geliefde, de ook niet te verwerpen
Hollandsche schoonen naar zich laten smachten, terwijl de muziek der
liefelijke fandango hem in de ooren klinkt?--Kom," vervolgde hij,
terwijl hij een zijdelings loerenden blik op Alonzo wierp: "kom! zij
zal u niet vergeten. Spoedig keert gij tot haar terug, en het zal haar
goed zijn te vernemen, dat gij, te midden der Nederlandsche maagden,
alleen aan háár dacht, die uw geheele hart schijnt te beheerschen."
Alonzo, die den onbescheiden vrager met eene buiging had begroet,
scheen niet geneigd zijne geheimen voor hem bloot te leggen. "'t Is
waar," sprak hij: "de fandango is een schoone dans, en zeer geliefd
in mijn vaderland, ik dacht niet dat die hier reeds bekend was."
Jonker Walter Van Rodenberg scheen niet voldaan met dit
antwoord. Gemeenzaam, als waren zij oude bekenden, nam hij Alonzo
onder den arm, en met hem de groote zaal binnenstappende, ging hij
fluisterende voort: "Gij zult mij toch moeten bekennen, dat zich hier
lieve schepseltjes in overvloed bevinden.--Zie," zeide hij, even met
den vinger wijzende: "ziet gij die lieve brunette, in rood satijnen
kleeding? zij is waarachtig niet slecht; of dat kleine zwarte ding
daar, wier levenslust haar uit de oogen straalt? Of misschien staat
u die lieve blondine daar beter aan?" vervolgde hij, op Adelgonde
wijzende, die juist aan de overzijde der zaal, aan den arm van Van
Wolkensteijn op en neder wandelde: "Nu, waarachtig, dan zou uwe keus
niet slecht te noemen zijn, het is de freule Van Bergen; de kwade
tongen betwisten haar wel is waar dien oud-adellijken naam, doch,"
ging hij voort, terwijl hij ter sluiks een blik wierp op Alonzo,
die bij deze laatste woorden zoo bleek als een doode geworden was:
"doch wat raakt der liefde naam of geboorte; eene vrouw blijft eene
vrouw; het genot van haar bezit blijft hetzelfde. De schoone zal mij
reeds verwachten," zeide hij, zien eensklaps verwijderende, en naar
Adelgonde toetredende, nam hij haar van den jonker Van Wolkensteijn
over, en voegde zich met haar bij de dansende paren.
Alonzo stond als aan den grond genageld. Wel had hij de vuile tong
des jonkers willen bestraffen, doch de macht had hem daartoe ten
eenenmale ontbroken. Roerloos stond hij daar; honderden gewaarwordingen
doorwoelden zijne borst, en--dankbaar zegende hij den volgenden morgen
de liefelijke droomen, die aan zijn overspannen geest, rust en kalmte
hadden teruggegeven.
VIERDE HOOFDSTUK.
De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder
gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteel den Oldenburgh,
hetwelk ongeveer op een uur afstands van 's-Gravenhage was gelegen. Met
strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks
bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig
waren opeengestapeld. Vroolijk knappend spatten de vonken en stegen
in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine
stofjes weder neer te komen.
Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed
gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in
zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De
wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten,
waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten
lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend,
in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen
schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood
gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele
kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu
geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen
doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk
's-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat--insgelijks
in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der
groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot,
en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren
de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde
wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar
hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel
gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.
Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof
teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen
hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch,
toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde
haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met
vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad
en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde
den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest
komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren
nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare
kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem,
en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met
één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan
het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten,
en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.
Eensklaps werd de deur geopend en de gravin de douairière Van Bergen
aangediend.
Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek
binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd
kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten
kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde
gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest
zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel
in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar
linkerschouder, gedeeltelijk over haar rug tot aan de knieën
hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden
halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met
twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid
aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar
gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar
schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs
aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere
afkomst deed denken.
Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen
gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De
bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als
dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op
een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats,
en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet,
hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet
op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich
naar hare kamer.
"Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?" begon de dame, zoodra zij
zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche
afkomst verried.
"Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege
voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast;
het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord."
"De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren,
die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch...."
"Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?" hernam Van Bergen,
hare rede aanvullende.
"Over zaken had ik u insgelijks te spreken," hervatte de dame:
"Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige
belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen,
dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven."
"Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik
ten twee uren in Den Haag word verwacht," zeide Van Bergen, terwijl
hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren,
met den voet terugstiet.
"Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat," hernam de
andere: "De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien,
en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen,
dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van
een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt,
slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.--Mon Dieu! hoe
is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die
aan de douairière van uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik,
van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te
kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men
van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige
kasteel nu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid
te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?--Impossible,
zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon,
die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten
kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen,
die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen."
Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij
haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.
Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na
eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: "Gij schijnt te vergeten
mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die,
behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden,
die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet
meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht,
en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de
hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze
aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is
henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken,
dat een andere vrouw," en hier sloeg de graaf een paar fonkelende
oogen op zijne bezoekster: "in hare rechten tredende, dien zoon
bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed
had recht verkregen.--Het grieft mij tevens diep," vervolgde hij,
terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder
de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield
nedergeslagen: "door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te
herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid
tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke
redenen, had verstooten.--Laat mij uitspreken, bid ik u," ging hij
voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: "Herinnert
gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap
heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts
zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland
te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb
teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteel den Blankert met
al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien
die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op
welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste
onrecht?--Neen, spaar uwe woorden mevrouw!" vervolgde hij, terwijl
hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: "Ik
weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest;
maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige
oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade
vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe
schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde,
om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw,
dat gij uw zondigen aard niet verloochenende, hem spoedig daarna
ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts
in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb
God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken
die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd,
tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen,
beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten
van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt,
hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden
verloren hebben.--Gij ziet," zoo eindigde hij: "dat, hoewel ik u in
verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken
toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag,
in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige
herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig
voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds
spoedig zult verlaten--verlaten, om rekenschap uwer daden af te
leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste
levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw
jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden."
Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en
overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen,
beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.
Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon
vuur schitterden, naar hem op. "Gij valt mij hard graaf," sprak zij
op diep verongelijkten toon: "Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is
het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te
kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om
door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon
gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de
grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone
Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik...."
"Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet
sneldet!" viel Van Bergen haar met een donderende stem in de
rede.--"Vertrek mevrouw," ging hij voort: "verlaat mijne woning! Wat ik
u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe
nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke
misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open,
die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer
u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk
deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit
tot u spreken zal."
De graaf floot driemalen. "Is de koets der gravin in gereedheid?" vroeg
hij een binnenkomenden bediende.
"Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort."
"Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden."
Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur;
maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van
het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het in haar voordeel
te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen,
volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets,
met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.
Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve
overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat
overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds
had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar
een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke
kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten,
dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde
en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.
De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich
zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.
--Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge
Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is
hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden,
dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft
hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo
oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde
getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is,
't welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft
gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen
dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?
Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar
toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene
ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op
dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.
--Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken
verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is
fierder en kloeker gebouwd? Wie toch, van al die jonkers, spreekt zóó
bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat
zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van
Alonzo's welluidende en zoetklinkende taal.
Zoo droomde Adelgonde voort,--aan Alonzo gelijk, geslingerd door
vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de
sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.
Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden
droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare
lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige
kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in
het kleeden behulpzaam te zijn.
Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke
Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw
Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer
jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd,
even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en
vriendschap van hare gebiedster ten volle waardig was. Hare gestalte
was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje,
dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden
de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart,
doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel
verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral
muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in
helderheid verre overtrof.
"De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten." begon
zij eenigszins spotachtig: "Gisteren, ja, toen moest er meer haast
gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten,
als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er
niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen,
en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd."
"Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!" zeide Adelgonde: "De graaf
is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een
bezoek op den Oldenburgh komen afleggen?"
"O!" hervatte Anne met een glimlachje: "er zijn zoovele vreemdelingen
in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen
opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!"
"Waar zijn uwe gedachten Anne?" hervatte Adelgonde, die, hoewel
heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier
wilde bekennen: "Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert
ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den
zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren
doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel
andere bezigheden."
"Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof
mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk
bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit
koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het
guurste weder iederen Zaterdag-avond naar den Oldenburgh. Maar al sta
ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd
alsof hij in een oven stond."
"Dan denkt gij dat die heeren voor den Oldenburgh zouden gloeien,
als uw Maarten voor zijn Anne?" vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel
scheen te bevallen.
"Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eens den Oldenburgh
als zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen," hernam het meisje:
"maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen,
zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen."
"Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest...."
"Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens
vertellen," viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: "Gij
moet dan weten dat ik u, toen die gezanten--of hoe men die menschen
noemt--in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het
balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman,
met haren, veel mooier dan de uwe of de mijne; juist tusschen onze
kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking
over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd
zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone
ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe
gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.--Neen
waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op
het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde,
ja bloosde--nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule."
Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze
liet zich niet afschrikken.
"Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen," vervolgde
zij: "dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien
zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst
heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te
behouden, het mooie stel zou schenden."
"Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster," zei
Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok:
"hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden."
"Ha ha!" zeide het meisje lachende: "er heeft dus gisteren op het bal
reeds een tête à tête plaats gehad, zooals de Franschen het noemen;
nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest
wel volgen."
"Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,"
hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.
"Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde," ging
Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen:
"Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij
eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed,
en kan u zeer veel van dienst zijn.--Daar is Maarten, die is volmaakt
voor een "poltron d'amour" geschikt, zooals de Franschen zeggen;
hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje
overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook
wel zoo'n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik
kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen
moest ik op een klein stukje perkament zetten: "ik bemin u!" en
dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart,
tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt
gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet,
want hij moet--evenals Maarten van mij--ook een vlokje van uw haar
hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle
avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.--O,
ik zou u nog veel meer kunnen vertellen," vervolgde zij, ziende dat
Adelgonde glimlachte: "Gij moet elkander een suikeren hartje geven,
en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags
uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken; u des
nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen,
en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan
ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt
gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel
dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat
men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan
drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel
eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft
ook veel ruwer handen dan ik.--Maar als hij mij zoent, zie, liefste
freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen,
zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!"
Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals
gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis
vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.
"Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!" sprak Adelgonde,
wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en
al was geweken. "Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als
Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten
eenenmale afgedaan."
"Toch niet! toch niet!" riep Anne: "hij heeft het suikeren hartje
geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou
ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd,
niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?"
"Gij meent het zeer goed met mij," zei de jonkvrouw vriendelijk:
"Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs," en te gelijk
verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen,
zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd
dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij
zelve die van hare kamenier.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herberg de Wijnstok
binnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van
Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht
te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk,
na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te
treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken,
was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur,
waaraan eene klink was bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een
tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij
voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in
het anders zoo armoedige vertrek.
Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het
rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den
ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel
oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit
geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben,
wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot
en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.
De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door
honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en
kopieën naar Raphaël d'Urbino's prachtige schilderijen. Portefeuilles
en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en
lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten
tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige
wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee
groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand
bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes
en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere
penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats
aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke
zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een
fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond
nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim
opgevulde vertrek.
Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het
genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner
van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.
Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een
slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde
trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het
gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op
te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets
zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange
zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de
schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit
gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke
als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.
Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode
verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte
liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het
penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het
bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer
volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de
beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling
in de armen, in eenvoudige witte kleeding, door den kunstenaar op het
zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er
werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste
eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch
in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het
beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des
kunstenaars moest wezen.
"Zoo! Geen penseelstreek meer!" riep hij, eensklaps eenige schreden
achteruitgaande: "Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste
trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat
hemelsche lachje!--Getroffen!--Getroffen zonder wederga!--Ja, zoo zag
zij mij aan!--Ja, juist zoo!--Met dat engelengelaat, met dat reine,
tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon
moet hebben aangezien! O heilige kunst!" vervolgde hij in dwepende
verrukking: "Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven,
wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden,
doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,--hemelsch! ja,
hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige
Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!--Zoo mag
ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,--wederzien,
na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij
zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu,
nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen:
mijn graf zal ook het uwe zijn!"
In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht
zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner
verbeelding uit, doch--liet ze plotseling weder als machteloos
zinken:--"Dwaas! dwaas!" sprak hij langzaam en met een diepen
zucht: "Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer
wenschen?--Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene
herschapen?--Dwaas!" ging hij voort: "Dwaas! het zijn slechts
verven--verven, door u zelven gemengd--door u zelven daarop
gebracht.--En gij bemint uw eigen maaksel?--Dit onvolkomen afdruksel
van dat prachtige origineel?"
"Slechts verven!" riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl
groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog
onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.
Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen;
zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan
zijn geprangd gemoed.--Eenige minuten bleef hij in dezen toestand;
toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand;
sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende,
doch klagende stem, de volgende woorden;
"Dáár, waar de Maas haar zilvren stroom
Langs hooge rotsen voert,
Daar droomde ik aan haar kabblend boord
In 't statig en toch lachend oord,
Een schoonen zoeten droom.
Ik droomde, dat in snelle vaart
Een jonkvrouw, fier en schoon,
Kwam rennen van der bergen top,
Haar arm geslagen om den kop
Van 't ongezadeld paard.
Haar angstkreet klonk van berg tot dal,
Door de echo weergekaatst;
Zij werd door vriend noch maag gehoord;
De klepper holde rustloos voort
En dreigde haar ten val.
Het ros, met schuim en stof bedekt,
Stoof pijlsnel langs mij heen;
Ik hoorde een klagend angstgeschrei;
Zij zag mij aan, en hield naar mij
Den blanken arm gestrekt.
Die blik, en 't kermend angstgeween
Ontvlamden mijn gemoed;
Met bliksemsnelheid vloog ik op
En greep den klepper bij den kop,
Die eensklaps roerloos scheen.
Eén schrede nog, en 't hollend beest,
Waar', met zijn schoonen last,
Gestort in 't zilverglanzend nat;
Eén schrede nog op 't aklig pad,
En 't waar' te laat geweest!
Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,
Zoo rein, vol melodie,
Toen was het of ik in dien stond
Mij bij het Godenheir bevond
En zuivren nectar dronk.
"O," klonk dat lieflijk rein geluid:
"Ik dank u, edle knaap!
Mijn redder, en mijn goede Geest!
't Waar' zonder u te laat geweest:
Gij hebt mijn val gestuit."
Ik droomde voort: Ik leidde haar
Den bergtop weder op,
Langs bloem en struik, langs mos en steen,
En voerde haar naar 't lustslot heen
Des graven Aduaar.
Ik droomde voort: Zij zag mij aan,
En nogmaals klonk haar stem,
Ten afscheid nu, een zacht: "Vaarwel!"
Zij drukte mij de hand, en snel
Was zij van dáár gegaan!
'k Ontwaakte. Hemel! was 't een droom?
Slechts ijdle hersenschim?
Had 'k dan die engel niet gezien?
Had 'k niet getracht haar hulp te biên
Aan d' oever van dien stroom?--
Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,
Reeds maanden, droef en lang.
Was 't werklijkheid of ideaal?
Slechts zinsbedrog?--Heb 'k dan haar taal
Niet hem hemelsch rein gehoord?"
Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een
bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking
gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument
gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret
aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk
herkende.
Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne
overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe
weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit de Wijnstok, het
onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.
Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en
beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te
lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel;
boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn
hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken:
"Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone
droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke
wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen,
't welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.--Droom niet,
Jakob," vervolgde zij: "ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij
vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de
werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen
uw deel zijn. Leef voor...."
Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en
vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag
haar niet, hij hoorde haar niet.
"Vaarwel heeft zij gezegd!" sprak hij eindelijk: "Vaarwel!.... doch
tot welken tijd?--Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen
omdolen in die streken waar ik droomde....--Droomde....?
Ontferming, hemel! was 't een droom?
Slechts ijdle hersenschim'?
Heb 'k dan die engel niet gezien?--
Ja! 'k heb getracht haar hulp te biên
Aan d' oever van den stroom!"
Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn
besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij
blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den
weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:
"Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke
kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, 't welk gij reeds
zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw
gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na
te jagen?--Gij droomt Jakob," vervolgde zij, terwijl zij met hare
hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde
streek. "Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u
aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!" De
jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had
haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping
aangehoord. "Gij zijt een goed meisje!" sprak hij, als ontwakende: "gij
hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik
gevoel mij zeer afgemat."
Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar,
door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker
nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware
gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene
inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den
jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof
zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou
hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening
naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met
aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling,
en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen
eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het
vertrek binnentrad.
De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder
iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje
dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel
met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.
"Waarachtig, een allerliefst tooneel!" sprak de jonker Van Rodenberg,
op spotachtigen toon: "een schoone die haar slapenden minnaar
bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!" ging hij, haar
aansprekende, eenigszins harder voort: "dat gij niet, evenals Potifars
huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt."
Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate
aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers
zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerende
vergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar
gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande
zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam
te zuiveren.
"Uw scherts is bitter en ongepast," sprak zij zachtjes: "De schilder is
ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder
u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken;
kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten."
"Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!" zeide Van Rodenberg:
"Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog,
toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als
een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel,
ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later
voort.--Kom, wakkere kunstenaar!" riep hij, op het bed toetredende:
"kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik
heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!"
"Om 's hemels wil, spreekt zacht," smeekte Klaartje. "De ongelukkige
is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie
weet of hij niet stervende is?--Ik bid u edele heer, ik bid u dringend:
ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn
einde nabij is."
"Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!" sprak Van Rodenberg. "Een
overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom
kom!" vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij
onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: "die comedie heeft
al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat
later terug, doch laat ons nu alleen."
Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet
beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.
De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd,
en staarde in het rond.
"Waar ben ik?" zeide hij: "Zij is er dus niet?--Alweder een
droom!--Doch 't is voorbij!"
"Het doet mij werkelijk leed," sprak Van Rodenberg die, in weerwil
van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet
willig scheen de waarheid te gelooven: "Het doet mij werkelijk leed
u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret
dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet
langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen;
het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn."
Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een
deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog
steeds de Madonna stond. "Bij mijne ziel!" riep hij na eenig zwijgen:
"wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame
van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik
waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het
staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar
het leven gemaald?"
Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind
gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter
sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den
jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.
"Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!--En
gij.... gij bemint haar?" riep hij, terwijl een lichte blos zijn
doodsbleek gelaat kleurde: "Waar is zij?--Spreek!--Ik zal haar dan
zien.... eindelijk wederzien!"
"Gij zijt dronken, knaap!" bromde Van Rodenberg: "Wilt gij op alle
mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van
Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u
kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan
die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!"
De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich
zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst;
wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze
op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.
ZESDE HOOFDSTUK.
Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen
na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig
verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed
hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder
verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.
--Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom
zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn
bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is
groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land
als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen
staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De
Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?
Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel
te zadelen.
"Moet ik uw genade vergezellen?" vroeg deze.
"Dat is niet noodig Ferdinand." antwoordde Alonzo: "Ik zal...."
Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van
Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.
"Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?" vroeg deze, met de hem zoo
eigen vrijpostige gemeenzaamheid: "Het was mij recht aangenaam kennis
met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier,
voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn, edele Spinola! Ik kom u
de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen."
"Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!" zeide Alonzo, nadat hij de
verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.
Ferdinand boog en vertrok.
"Gij zijt een vreemdeling in onze streken," vervolgde Van Rodenberg:
"en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u
mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat,
zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan
veraangenamen."--Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo
die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen
van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene
hand en schudde die trouwhartig.
"Gij maakt mij inderdaad verlegen," zeide hij: "Het is ongetwijfeld
veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren."
De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch
Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die
zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het
tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over
onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra
ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande
Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling,
toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter
begon te spreken.
"Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den
kop gejaagd," zeide hij: "Reeds menig wakker edelman heeft den
steven naar den Oldenburgh gewend, doch werd door fellen stormwind
teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest
het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten
loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen." Bij deze woorden
sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien
niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker,
waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd,
en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.
"Leve de vrijheid!" riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer
zwaaiende: "Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet
hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat
bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te
verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten
kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn."
Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij,
om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En
inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht--al gevoelde
hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,--kon in zaken
van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel
geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer
van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt.
"Uw bedoelingen zijn wellicht goed," zeide hij: "en zoo ik hoop, wilt
gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen
zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde
is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer
geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der
losbandigheid zijn."
"Wel wel!" zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden
fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken
en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam
van losbandige begiftigd.--Wij spreken in Holland ronde woorden:
wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat
mijne bedoelingen...."
"Ik ben te voorbarig geweest," viel Alonzo hem in de rede, daar hij
berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: "Mijne oordeelvellingen
waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd
beoordeeld," en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des
jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.
"Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen,
aan mijne losbandigheid overgegeven!" zeide Van Rodenberg: "Wij spreken
in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!"
Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde
als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een
goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig
zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich
zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid
en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde
en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande
hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen
medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken
met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?
"Welaan!" zeide Alonzo: "gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen
van dienst willen zijn?--Welnu dan:" en thans verhaalde hij met een
vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich
zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen
nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard,
en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden,
voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek
om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te
verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist,
of wat de wereld daarvan zeide.
De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het
uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking
van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne
groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen
neus wijder opengespalkt waren.
Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen
nu Alonzo geëindigd had, was het weder--hoewel meer dan te voren
gekunsteld--in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo's laatste
vraag, vrij natuurlijk lachende: "Booze roover! kwaamt gij daarom
herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem
uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er
bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch
wat de ent aanbelangt" vervolgde hij, zich even bezinnende: "ja,
die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld."
"Wat bedoelt gij?"
"Wat ieder weet," hervatte Van Rodenberg: "Zij is de natuurlijke
dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde
verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch," liet hij er
onmiddellijk op volgen: "gij hebt mij rondborstig uw geheimen
geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u,
dat gij mijne woorden zult geheim houden."
"Gij liegt!" riep Alonzo, opspringende: "Gij zegt iedereen weet de
zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding."
"En gij beleedigt mij!" hernam Van Rodenberg, mede opstaande;
doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: "Neen, ik
begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt
gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen
avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen
uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat
uur zal verwachten."
Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk
aannam.--"Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!" en hiermede verliet
de jonker haastig de kamer.
Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije
lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde
zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten
galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.
Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts
wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op
Den Haag aanreed.
De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo
verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween
ijlings in eene zijlaan.
--Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet
gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in
te slaan?"
Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan
zijne woning terugkwam.
Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem
aan de deur verbeidde.
Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de
zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?
Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande
Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niet te
breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den
schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.
Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het
aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde,
doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een
nauwe steeg in.
"Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!" zeide Alonzo:
"hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn."
"Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te
brengen," antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen,
opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen
te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige
trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap
trad op eene--zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte
vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend,
en, door het sterke licht dat Alonzo--in tegenstelling van de buiten
heerschende duisternis--op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in
het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam
echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige
zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen
rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden
van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde
hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden
stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier
heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan
de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.
De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam
was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd
gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij
terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen
een: "Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!" uit Van Rodenbergs
mond hem in de ooren klonk.
Verrast zag hij om: "Is het hier?" vroeg hij dadelijk op fluisterenden
toon: "dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo
teedere zaak wilt geven?"
"Bah!" zeide Van Rodenberg: "denkt gij daar nog aan! 't
Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te
maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die
ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar
thans niet om.--Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen
vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen." Deze laatste
woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de
ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends
stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo,
niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich
alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker.
"Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen
wijn gedronken," ging Van Rodenberg voort: "en hoewel er op onze
naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen
aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands
bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken
zal.--Gij zult mij eene welkomstteug," vervolgde hij tot Alonzo:
"voorzeker niet weigeren?"
De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld,
en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen
vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer
moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van
Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou
ter hand stellen.
"Nu," zeide hij, tegen zijn wil toegevende: "wij zullen uw wijn eens
proeven." De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van
Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze
in de bekers.
Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch
bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar
smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon
onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker
bescheid.
"De derde flesch!" riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel
slaande: "Doch voor den duivel!" vervolgde hij, een triomfanten
blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: "wij
kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij
zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of
goederen!" En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.
Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo
op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van
dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste
matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen
aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen
van nabij gezien had.
"Gij kunt uw gang gaan," zeide hij: "hoewel ik het u afraad; maar
ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad
beschouw."
"Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!" riep Van Rodenberg:
"welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een
verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij
eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid
zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!--Leve het spel!"
"De gierigaard alleen," zeide Arends, Van Rodenbergs woorden
vervolgende: "schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil
niets wagen, maar altijd zeker winnen."
"Maar gij!" ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: "Gij! door wiens
aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edel en vermogend,
zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te
wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet
weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!"
De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij
op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig,
hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren:
Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde,
en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den
kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. "Gij hebt
gewonnen!" zeide Van Rodenberg zeer koel: "Laat ons nogmaals drinken;
de fortuin is mij niet gunstig."
"Niettemin zullen wij nog één worp doen," sprak Alonzo, wien het
hinderde gewonnen te hebben.
"Welaan dan!" hernam Van Rodenberg: "doch dan zullen wij den inzet
verdubbelen: zeshonderd kronen!" Weder klonken de steenen in den kroes,
en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.
Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende,
vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel
en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij
gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar
niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening
aannemen.--Door een onafgebroken quitte ou double werd de schuld van
Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds
door hem verloren.
"Het geluk zit in uw kroes!" zeide hij eindelijk met een, door het
gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: "Geef mij uw
steenen, ik zet tweemaal double tegen quitte."
De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.
"Waartoe zou dit dienen?" vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte
middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een
snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen,
geveinsd lachende: "Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes
steekt, welnu hier is hij."
"Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!" riep Alonzo, eensklaps verwoed
opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: "Gij zijt
een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!--Mijne heeren!" ging
hij overluid voort, de zaal rondziende: "duldt gij een edelman in uw
midden die tevens een valsche speler is?"'
Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest
verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts
een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: "Gij zijt mijn gast,"
zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: "Gij zijt een
vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van
hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij
zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid
geworpen hebben!"
Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard. Alonzo, door
drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg
vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone
omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter
verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat
deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig
echter sprong Van Rodenberg weder overeind; trok zijn degen, en zou
Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen
hem hadden tegengehouden.
De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig
hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te
sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in
weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.
"Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!" zeide Alonzo eindelijk:
"doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig
bestaan."
"Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!" berstte Van
Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk
zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter
eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden
rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.
"Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft
lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden
ons leven zullen laten!"
Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat
nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede
gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het
andere gedreven.
"Den degen!" zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en
snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de
gewelfde ruimte.
Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte,
niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.
"Wie daar?" riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel
langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne
hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn
degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken:
"Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!" en tevens het nedervallen van
een lichaam.--"Zijt gij de graaf Spinola?" vroeg nogmaals dezelfde
stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde,
en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra
in de open lucht. "Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere
knaap!" zeide Alonzo: "doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht
u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?"
"Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!" zei de jongeling: "en daar
ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad,
was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van
pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen."
"Gij hebt braaf gehandeld," hernam Alonzo: "Doch gij hadt eene
boodschap aan mij?"
"Dit briefje moest ik u ter hand stellen," sprak de jonkman, die
niemand anders dan Maarten was: "Het komt van den Oldenburgh."
Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek
tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand,
begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:
"Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent
bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste
teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt."
Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den
Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe
Oosteinde insloegen.--De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde
een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met
rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware
vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde
weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich
de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede
ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden
teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven
der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen
en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een
schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben
hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun
rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen
niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg
was besteed, zou hebben toegebracht.
Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje
te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen,
diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden
voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord
en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal
plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze
willen mededeelen.
"Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als
mijn paard," zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpooten in
de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in
bedwang was te houden: "Zij zullen op de achterpooten gaan staan,
en ons wellicht uit den zadel werpen."
"Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja,
dan zou ik dit voorzeker gelooven," antwoordde de markgraaf Ambrosio
Spinola: "doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die
Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem
moeten wij vooral te vriend houden."
"Wij spelen een vermakelijk spel," zeide Don Juan De Mancicidor, die
den sprekenden ter zijde was gereden: "Waarachtig! wij handelen over
een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden,
die onze vijanden zijn."
"Dit is niets vreemds," hernam Spinola: "en was ook hier te berekenen;
doch zoo het al geen vrede zal zijn, bestand moet het toch worden."
"Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden," zeide Richardot:
"Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit
verwenschte kikkerland!"
"Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen," merkte
Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld:
"Ik ken hun aard," vervolgde hij: "dewijl mijn vader, Maarten Neijen,
een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden
godsdienst zullen zij nimmer toestaan."
"Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven," antwoordde de
toegesprokene. "Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden
opdoen."
"De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen," had
Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: "doch dit punt moet
met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen
over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten
tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch
verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende,
den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden."
"Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan," zeide Richardot:
"De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken."
"Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!" riep nu eensklaps de
kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden,
die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees:
"dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve,
en vervolgens kan u de laan, die op het kasteel den Oldenburgh
uitloopt, niet ontgaan."
"Dus kunnen wij onzen "Memento Mori" zijn afscheid, en onzen paarden
de sporen geven," zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp,
hetwelk deze met een tevreden: "Dank mijne heeren!" opraapte, waarna
hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen,
om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal
in den Wijnstok.
De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en
weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners van den Oldenburgh,
de aankomst der Spaansche gasten.
De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich
tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien
hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer
hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen,
en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere
vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins
Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en
bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig
zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar
dagen lang de grootste drukte op den Oldenburgh geheerscht had. Bij
zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou
ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven,
en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch
welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den
Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd,
de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte
slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende
zaal bevonden, zouden gezeten zijn.
Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra
gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten
was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren
om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen
die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen
beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog
somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op
zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken
dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met
de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den
minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar
misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan,
om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene
zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd,
die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het
Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds
met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende
dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden
had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige
stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met
de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd
van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijd
oprechte hartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van
Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer,
den beroemdsten van zijn tijd.
Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeer goed dien
somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen
zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen
des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt,
hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.
Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok,
was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers
laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen
dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.
Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het
gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van
Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten
was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op
haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten,
en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin,
met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om
aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken
zocht bezig te houden.
Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten;
des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin
de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van
Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der
laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij
den kruisweg, het Steenen kruis genaamd, met den degen te ontmoeten.
Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn
leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander,
in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een
blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan,
zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.
Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste
van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling
hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te
wreedaardiger voort.
En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des
jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte
vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de
laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed
zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te
voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden,
was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken,
hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie
hunner zielen duidelijk begrepen werd.
"Maar om 's hemels wil, dierbare jonkvrouw!" zeide Alonzo, toen het
middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige
woorden met Adelgonde kon wisselen: "wie toch heeft mij veroordeeld
in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken, zonder u
te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,--dat ik u
bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte
op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze
mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste
zal zijn ...!"' doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand
en vervolgde; "Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen, hem,
die u...." doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om
dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid
op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij
van toon en vervolgde zacht smeekend: "Ik bid u! schenk mij in dezen
stond het antwoord op de vraag: "Kunt gij mij waarlijk beminnen?"
Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden;
zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en
fluisterde zacht: "Alonzo, ik bemin u!" Dadelijk verwijderde zij zich,
en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.
Het was vrij donker toen de gasten van den Oldenburgh huiswaarts
keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank
te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan,
en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard
gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.
Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks
honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar 's-Hage
insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaalde
Steenen kruis aan.
De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden
zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou
mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij
met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken;
meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns
dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in
een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die
bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De
werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een
mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden,
dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat
zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich
dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige
bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn
laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer
moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest
zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den
bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje,
het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer
wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken;
hij zou niet op het veld van eer zijn gestorven, en nimmer zou hij
de zachte woorden: "Alonzo, ik bemin u!" meer hooren. Hij staarde in
de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.
Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een
zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre
een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was
bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig,
en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren,
dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.
"Wie daar?" riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks
hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.
--Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel
zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de
lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig
uitziende naar den zijweg waar zich het Steenen kruis bevinden moest.
Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn
rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim
met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw
kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het
licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende
sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende
opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte
hij niets.
--Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij
eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad,
of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen,
of ten minste opmerkzaam maken.--"Ik ben Alonzo Spinola!" riep
hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en
zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan
de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was dat
grinnikend lachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook
een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook
nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde
zeer aandachtig; doch--niet het minste geluid trof nu zijne ooren.
Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van
kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den
holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield,
want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk
duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen,
en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan
dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.
Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden,
of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van
Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende,
bond Alonzo het met den teugel aan den tak van een boom, die op den
hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon
eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden,
en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem
eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige
oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne
ooren trof.
"Gij zijt Alonzo Spinola!" riep eene stem, die den lach opvolgde,
welke Alonzo door merg en been had gedrongen; "Zie hier dan--de groete
van Van Rodenberg!" en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool
los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig
verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet;
maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het
vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een
woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in
een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een
zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het
bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen
dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te
redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na
vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl
de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich,
verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats
was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen
spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt,
zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond
hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan
het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door
het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het
onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op
welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht;
niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.
Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij
dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den
weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.
Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande
den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was
aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts
een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte
den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en
bewaard had.
Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een
verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren,
om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg
te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene
woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en
nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinige minuten slechts had hij
doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij
een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in
deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich,
die hem den toegang belette.
Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen
voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij
langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs
onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo
behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde
helling op; maar--vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware
eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen
en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.
Verscheiden malen deed hij van een: "Doe open!" de lucht weergalmen;
doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen,
hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder
te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de
zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds
tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij
de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van
binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.
"Wie daar?" riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo,
geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk,
in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: "Ik ben Alonzo Spinola, zoon
van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap
in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans
zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een
nacht te willen huisvesten."
"Zijt gij alleen?" vroeg de stem van binnen.
"Geheel alleen!" was Alonzo's antwoord: "zelfs mijn paard heb ik
door een samenloop van omstandigheden verloren." De deur werd nu
van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de
onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude
gure nachtlucht prijsgegeven.
Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken
tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder
gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier,
in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter
dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er
van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde
Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier
had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden,
ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog
mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid
kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven.
Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen
den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een
onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug,
benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de
overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de
zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude
rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen
op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal
te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken
te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en
den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem
nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél
verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven
gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een
overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen
die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle
onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: "van hun
buik," zooals zijn Verlosser gezegd had: "hun afgod maakten."--Het
waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen
verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen,
een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen
besluit, en toch, toch kon en mocht hij niet anders handelen.
Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn
legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken,
het raam openstiet.
Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke
Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van
buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn
gloeiende wangen aangenaam verfrischte.
"God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!" riep de
graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder
de zon uit de kimmen zag verrijzen. "Ja, groot en goedertieren waart
Gij, o God! toen op uw machtig woord: "Daar zij licht!" de prachtige
hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot
en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou
Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en
warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch,
waart Gij toen reeds een goedertieren en zorgend Vader, hoeveel te meer
zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden,
nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....--Ja,
genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!--Aan Uw gevallen zondig
schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren
Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat
niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten
bloed eeuwig zalig zou worden.--O, dank daarvoor, oneindig groot
en barmhartig Opperwezen!" ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne
handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: "Maar
dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken,
ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden,
dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt
willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot
zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem
nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben
ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O,
geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, 't welk ons bezield
heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden
gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts
alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te
schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze
vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin,
naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven,
gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben."
Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam
weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe
Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig
geledigd had.--Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen,
toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke
taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.
Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar
Burgman binnen.
"Goeden morgen uwe genade!" zeide deze: "dat heet ik vroeg opstaan. Om
halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht
is gesloten en de vijand is uit het veld."
"Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben," zeide Van
Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden:
"Het ontbijt moet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule
doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer
wensch te spreken."
"Zeer wel uwe genade!" antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten
uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn
heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen
zoo stug en afgetrokken was.
Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de
vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad
Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.
"Hebt gij wel geslapen, lieve vader?" vroeg zij, terwijl zij den
graaf een hartelijken zoen gaf: "Ik heb mij gehaast aan uw verzoek
te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?" en
tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.
"Ja lieve Gonne," antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen
blik beschouwende: "ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te
deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over
zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren
aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen
slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat
ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne
raadgevingen naar vermogen te ondersteunen."
"Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!" zeide Adelgonde,
die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen:
"Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief,
altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans,
in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te
slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij
schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met
één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken."
"Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!" hervatte
Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek
te vervolgen: "Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik
dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm
aanhooren." Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne,
en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: "Achttien jaren reeds
mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn
oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk
zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en
ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u
niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen;
ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar
thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor
te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om
zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt
u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins
waardig echtgenoot voor u zijn."
Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds
wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat
denkbeeld, en de vraag: "Hoe is zijn naam?" bestierf haar op de lippen.
"Ruim drie en twintig jaren geleden," ging Van Bergen voort;
"stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van
Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs
had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond
veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikken
stond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter
voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den
naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen
strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam
Van Rodenberg?"
Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.
De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging
toen voort: "Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore
gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou
het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een
Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid
wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand
heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof
verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo
ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog
tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij
u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde
een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is."
Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine
pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd
afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare
liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel
had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van
haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch
zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de
ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden,
om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim
te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van
dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden,
dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.
Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene
nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche,
doch thans natbekretene oogen aanzag: "Is het dan zonde lieve vader,
een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne
vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik
een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den
terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel
mij niet."
Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij
op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter
neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig
wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom
thans verzwegen, 't geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn
medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand
gebood hem te spreken.
"En zoo het voor uwe eer," ging Van Bergen voort: "voor uwe en mijne
rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwe wenschen liet varen,
en Van Rodenberg zocht te beminnen....?"
"Voor uw geluk, voor uwe rust!" viel Adelgonde hem snel in de rede:
"dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil
hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een
toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou
kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?"
"Luister dan, goede Gonne!" hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden
op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: "Luister
aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis
mededeelen.--Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes
en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar
blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in
den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra
vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij
waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er
steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des
huwelijks lief en leed...." Van Bergen hield eenige oogenblikken stil
en staarde strak voor zich neder.
"Ga voort lieve vader!" zei Adelgonde: "Gij hebt mij nog nooit van
mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit
heb mogen kennen."
Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: "Drie
jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs
om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk
werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde,
van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer
bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk
te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik
kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle
oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken,
en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken,
aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken
keerde ik op den Oldenburgh terug. De luiken waren gesloten. Sidderend
vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was
voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik
vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel
doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik
een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg
een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.--Waar is mijn
kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek
was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind
dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde,
die met rouwfloers was bekleed: "Helaas, uwe genade! zeide zij: het
lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het
met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het
zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!"
Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen:
"Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats;
drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij
nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden
van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen;
de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn
zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij
in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het
verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige
gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer
min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare
moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der
Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde
ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees
geslingerd op den Oldenburgh aan; doch, gerechte hemel! ook nu weder
waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij,
en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.--Wat is hier
voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij
daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter
ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken...."
Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik
hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn
leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest
lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem
vertroostend aanziende, zeide zij zacht:
"Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en
die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat
gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ..."
"Houd op! houd op!" riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: "O mijn
God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals
mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!"--riep hij nogmaals,
en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open
deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.
"Gonne, liefste Gonne!" smeekte Van Bergen, door dit toeval tot
zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel
plaatste: "Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid
niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch
eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan,
wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit,
eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden
schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg--door
wien weet de hemel--achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw
naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare
Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds
een liefderijk vader!
Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:
Een vreeselijke storm had over de teedere Hagenlelie gewoed!
NEGENDE HOOFDSTUK.
"Ik bid om verschooning, edele vrouw!" sprak Alonzo, toen hij
het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een
sierlijke buiging naderde: "Ik vraag u zeer om verschooning, dat een
ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht
uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en,
onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt."
"Maak geen complimenten mijnheer!" zeide de dame, met een Fransch
accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette:
"Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn
vriend en trouwen rentmeester Rosio!" vervolgde zij, Alonzo een man
voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek
gelezen had.
"De vermoeiden zijn ons steeds welkom," zeide Ambrosio, mede opstaande
en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene,
van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.
Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging
der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur,
zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.
Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal op den Oldenburgh
mede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf
voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald;
verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken
hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd
was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg
had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners,
in deze veilige haven had binnengevoerd.
"Het is onbegrijpelijk!" sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had,
terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: "onbegrijpelijk! dat
er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt
gewaakt. Den hemel zij echter gedankt," en zij maakte het teeken des
kruises: "dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer
der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom
wezen?" vervolgde zij; "Rosio zal mij wel den dienst willen doen,
een goede flesch te gaan halen."
Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne
gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonken gadesloeg,
bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk
knipoogen beantwoordde.
"Gij kent dus den graaf Van Bergen?" vroeg de dame toen Rosio
vertrokken was.
"Zooals ik u zeide, edele vrouw!" antwoordde Alonzo: "dezen middag
was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij
te leeren kennen."
"Dan is het al zeer toevallig," hernam de gravin: "dat gij uw
middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de
moeder komt zoeken."
"De graaf Van Bergen is uw zoon?" zeide Alonzo verrast, terwijl
hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde:
"Voorwaar mevrouw," ging hij voort: "het geleden ongeval wordt mij
thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen
heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen
graaf Van Bergen."
De douairière glimlachte. "Met recht verdient mijn zoon de eer die
ieder hem toekent," hernam zij: "ook ben ik niet weinig trotsch op hem:
hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne
dochter Adelgonde?" en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare
scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.
Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: "De freule is inderdaad
zeer schoon," antwoordde hij, zich herstellende: "nooit te voren,
mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe
kleindochter."
"Het is de algemeene opinie," hervatte de gravin: "men kan zeggen,
dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte
haar doet missen...."
"Een onwettige geboorte?" riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk
verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: "Is het dan waarheid
mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht
kon hebben uitgestrooid?"
"Gij hebt het niet geloofd mijnheer?" zeide de gravin, terwijl zij
haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene
kostbare ringen staken: "Inderdaad, het is zonderling," vervolgde zij:
"dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens
behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade."
Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den
indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt
hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden
toon voort: "Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig
zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van
haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen
hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat
zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet
na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteel den
Oldenburgh het zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon
van mijn onvergetelijken echtgenoot in zijn rang en stand staande te
houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen;
ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig,
hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!" en bij deze laatste woorden drukte
zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen
over hare wangen.
"Die schoone bloem!" zeide Alonzo met een diepen zucht: "Zoo hemelsch
schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!...."
"Het eenige middel om haar te redden," hernam de gravin Van Bergen,
"is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare
vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen;
doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht;
de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer
te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een
jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden,
de grootste verplichting heeft.--De jonker Van Rodenberg," vervolgde
zij, Alonzo even aanziende, "heeft hem reeds jaren lang op de
edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze
jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen,
of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke
blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte
en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo
Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren
man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal
deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden,
ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook,
als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk
schuldeischer worden."
Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug,
gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn
en bekers op de tafel plaatste.
"Nu Mechteld dood is," ving de rentmeester aan, "kan men ternauwernood
de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als
alle vrouwen Maria's waren, dan zouden wij mannen, wel Martha's moeten
worden.--Zie hier jonkman!" en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.
"Ik dank u mijnheer," zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende,
en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.
"Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten
nemen, edele gast!" zeide de gravin weder op minzamen toon: "Het zou
ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop
uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald." Een spotachtige
glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: "maar," vervolgde
zij: "toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en
deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken."
"Het spijt mij inderdaad," zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeen
hij gehoord had, ten eenenmale was geweken, "dat deze moeite voor
mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik."
"Het is te wenschen," hernam de gravin, "dat deze Bourgogne meer genade
in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw
schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen,
dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!" en terwijl
zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met
haar leeftijd zonderling in weerspraak was.
Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren
verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met
onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een
geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost
bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.
Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer
vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij
zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel
bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo
echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had,
liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in
den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.
"Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan," zeide Alonzo
opstaande: "Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te
zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde
gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!"
Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke
vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur
vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een
bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.
"De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven," zeide de
rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: "Van Rodenberg zit reeds
gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.--Treed binnen
jonker!" riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der
kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.
"Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!" zeide hij, zich in
een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. "De
onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te
staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen
ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te
vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit
de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en
waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een
flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald;
toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet
paste den ezel bij adem te laten, mij later in opspraak te brengen,
gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak
zal voorzeker niet uitlekken."
"Met dat al hebt gij niets gewonnen," zeide de gravin: "Uw medeminnaar
leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn
is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den
aanslag hebt gesmeed."
"Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer
bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege
kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak op
den Oldenburgh heeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling
te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem
verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De
vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde
te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad,
en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs
was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou
gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer,
en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje
zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra,
en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom."
"En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben," hernam de gravin
toen Van Rodenberg geëindigd had. "Doch wat vangen wij thans met
Spinola aan?"
"Hij slaapt voorzeker reeds als een roos," zeide Rosio: "Het ware
verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt...."
"Hij moet ongedeerd van hier vertrekken," viel Van Rodenberg hem in
de rede: "Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij
lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene
bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen;
of.... des noods heeft hij een moord begaan!"
Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een
hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als
lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit
aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel
gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich
toen op het groote ledikant.
Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende
droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de
zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in
een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en
saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen
er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch
veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende
slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te
zamen in allerlei vreemde sprongen en met luid misbaar hand aan hand
om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In
't eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief
de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich
voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper
zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote
blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend
geraamte rees uit de groeve omhoog. "Edele heer! edele heer!" riep het
kind angstig smeekend: "edele heer!" riep het nogmaals luider, Alonzo
bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een
schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de
slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende
oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne
legerstede stond. "Edele heer!" zeide zij nogmaals, en schudde den arm
van den jongeling met haar kleine hand: "Ontwaak! In 's hemels naam,
wil mij een oogenblik aanhooren."
"Wat verlangt gij van mij?" vroeg hij, zonderling te moede, en sprong
nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.
"O verschoon mij," bad het meisje: "verschoon mij dat ik uw
slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt
immers een edel en braaf heer?"
"Welnu," zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het
lieve kind aandachtig beschouwde, "spreek, wat verlangt gij van mij,
of wat hebt gij mij te zeggen?"
"Gij zult het straks vernemen," zeide het meisje: "doch volg mij
zonder gedruisch;" en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene
benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar
aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te
loopen, eerst later zullen mededeelen.
TIENDE HOOFDSTUK.
De natuur was heerlijk uit haar doodschen winterslaap ontwaakt. De
aarde lachte als een blijde, sierlijk getooide bruid, en heuvelen en
bosschen verkondigden de grootheid des Scheppers.
Wie zal het wagen den indruk te schetsen, het gevoel te malen, dat een
heerlijke lentedag op den sterveling uitoefent? Welke pen vermag den
zuiveren wellust te beschrijven, dien de mensch moet smaken, als hij
de verjongde natuur en haar verrukkelijk schoon gadeslaat? De verven
zijn te gevoelloos; het penseel is te slap; de gloeiende verbeelding
des dichters is te koud, om datgene uit te drukken, wat men slechts
gevoelen maar niet meedeelen kan. Die zoete balsemgeuren van het pas
ontloken groen; dat liefelijk gekweel der vogelen; die koesterende
stralen der vriendelijke zon: alles kan men genieten, al dat schoon
met onverzadelijke graagte genieten; stom van verrukking in aanbidding
vertoeven; nogmaals die lucht inademen; nogmaals de handen dankend
ten hemel heffen, maar spreken.... neen spreken kan de sterveling in
zulke oogenblikken niet.
Ook het kasteel den Oldenburgh lag te midden van dien prachtigen
lentedos. Geheel anders vertoonde het zich thans dan toen wij het
vroeger bezochten. Over het nog jeugdige groen der eikenboomen en
akkermaals-bosschages lag een fijne roodachtige tint verspreid. De
bladeren der beuken- en kastanje-boomen hadden een zacht groene
kleur. De grasperken waren als met madeliefjes en boterbloempjes
bezaaid, en in de weilanden, die zich rondom doch op verderen afstand
van het kasteel uitstrekten, graasden en loeiden de runderen, en
blaatten de schapen, terwijl zij den dorst hunner lammeren leschten. De
ooievaar stapte met statigen tred in hun midden rond, en begaf zich
behoedzaam naar de waterachtige plaatsen, ten einde zich den kwakkenden
kikvorsch ten buit te maken. De muggen gonsden door de lucht, en het
fijne, zilverachtige groen der wilgen was treffend in harmonie met
de warme kleur van den azuurblauwen hemel.
Twee jonge vrouwen wandelden op zulk een schoonen en verkwikkenden
lentedag door de paden en lanen, die het voornoemd kasteel omgaven. De
eene was doodsbleek, en leunde op den arm der andere die hare
dienstbare scheen. Zij was in het wit gekleed, en hield in hare hand
een korfje met voorjaarsbloemen.
"Wij moesten hier even rusten," ving zij met een zwakke stem aan:
"Dit priëel Anne, geeft zulk een mooi uitzicht over de weilanden."
"Dat zou ik u niet raden lieve freule!" antwoordde Adelgondes kamenier:
"de lucht is wel zacht, doch een klein tochtje zou u wellicht zeer
nadeelig zijn."
"O neen!" hernam Adelgonde: "Ik ben immers weer geheel hersteld; de
zoete meilucht zal mij niet schaden. Laat ons hier even gaan zitten,
want ik ben een weinig vermoeid."
"Sla dan ten minste dezen doek om uw hals," zei de bezorgde Anne:
"het is voor de eerste maal dat gij uwe kamer verlaat, en ik zou om
niets ter wereld willen, dat gij door mijne onvoorzichtigheid weder
ziek werdt."
"Dat heeft geen nood," zeide Adelgonde, den doek met een dankend knikje
aannemende: "niets kan mij eer herstellen dan Gods vrije natuur. Dit
is het eerste uur, na dien schrikke.... na den dag dat ik zoo ziek ben
geworden, waarin ik weer verlang te leven. Ja in dezen stond zelfs
ben ik dankbaar dat God mij heeft bewaard, en dat ik zijn schoone
aarde nog eens mag betreden."
"Maar waarom zoudt ge daar ook niet recht blijde om zijn, lieve
freule?" vroeg Anne: "Kijk, het kleine muschje, dat daar zoo tjilpend
van den eenen tak op den anderen springt, toont zijne blijdschap wel,
en zoudt gij dan op uw leeftijd--zooverre boven velen bevoorrecht--niet
heel dankbaar zijn dat gij gespaard werdt, om, zoo wij hopen, nog
vele jaren recht gelukkig en in vreugde te leven?"
"Gelukkig!" zeide Adelgonde zuchtend: "het vogeltje mag zich gelukkig
gevoelen en vrij rondfladderen; maar ik, helaas!" en weder slaakte
zij een diepen zucht.
"Wanneer uwe krachten geheel zijn teruggekomen, dan zult gij wel anders
spreken," hernam de kamenier: "Zulke zenuwkoortsen ondermijnen het
gestel, en mijnheer Bril, de barbier van den genadigen graaf, heeft
mij voor een paar dagen nog gezegd, dat als het lichaam van streek
is, de ziel ook van streek is, en dat ook de ziel weder in haar oude
doen komt als het lichaam sterker wordt. Wij zullen den tijd eens
afwachten freuletje-lief! De tijd baart rozen, zegt Maarten altijd;
en hoewel ik dat in vele dingen, en ook voor ú wel geloof, zoo kan ik
toch niet zeggen, dat hij voor Maarten heel veel mooie roosjes baart,
want de goede jongen werkt wel altijd ijverig en trouw, maar heel
veel verdienen doet hij niet."
"Is het reeds lang geleden dat uw minnaar hier was?" vroeg Adelgonde,
door de woorden van Anne op andere gedachten gebracht.
"Nog gisteravond," antwoordde het meisje: "maar drommels en
drommels! wat ben ik toch schrikkelijk dom en stoffelachtig!" vervolgde
zij, zich eensklaps bezinnende: "Nu hebt gij reden om mij dapper
te beknorren. Hij heeft mij iets voor u meegebracht!" Dit zeggende
haalde zij een briefje van onder haar rozerood jakje te voorschijn:
"Kijk freule, neem het mij toch niet kwalijk.... Wat ben ik toch
schrikkelijk vergeetachtig!"
Adelgonde zag dadelijk dat het opschrift aan haar gericht en door
Alonzo Spinola geschreven was; een licht blosje verspreidde zich
over haar gelaat, en terwijl zij, niet zonder eenige verwarring, de
dierbare letteren uit de hand van Anne overnam, om die met gretige
aandacht te doorlezen, sprong de bescheidene kamenier vlug van hare
zitplaats op, en ging een schoonen gelen vlinder najagen, die van
bloem tot bloem, nu eens her- en dan weder derwaarts in verschillende
richtingen rondfladderde.
Het briefje, dat Adelgonde geheel bezig hield, luidde als volgt:
"Dierbare jonkvrouw!
"Hoe dikwijls ziet men, helaas! dat er zich voor onze dierbaarste
wenschen onoverkomelijke hinderpalen in den weg plaatsen; hoe dikwerf
worden wij in onze schoonste vooruitzichten droevig teleurgesteld,
en zien wij den straks nog helderen horizont onzes levens zich
weldra in donkere nevelen hullen. Zoo is het ook mij gegaan, schoone
Adelgonde! Met verrukking herdenk ik gedurig den dag toen ik dacht uwe
liefde te bezitten; toen ik besloot mij die liefde waardig te maken;
toen ik mij den grootsten monarch te rijk waande, en geen sterveling
mij zoo gelukkig en zoo zalig toescheen. Maar nogmaals, helaas! ik
heb mij niet lang met dat zoete denkbeeld mogen verkwikken. Reeds
spoedig wierpen zich ook voor mijne wenschen groote hinderpalen in
den weg. Ik mag en kan er niet meer aan denken, dat gij eenmaal
nog de mijne zoudt kunnen worden. Vele redenen bestaan er voor
de gegrondheid van deze vernietigde hoop. En de voornaamste dier
oorzaken is: dat de hand der schoone Hagenlelie reeds aan een ander
is toegezegd. En zult gij met hem gelukkig zijn? Zal die echtgenoot
u liefhebben zooals ik u zou hebben liefgehad? O Adelgonde! mijn
horizont staat beneveld, maar ook het verschiet van uw huwelijksleven
dreigt door zwarte wolken verduisterd te worden. Luister naar den
raad van hem, die het oogenblik nooit zal vergeten toen hij voor
de eerste en wellicht ook voor de laatste maal de woorden: "Ik min
u!" van uwe lippen hoorde vloeien. Dierbare Adelgonde, beproef hem
die uw echtgenoot zal worden. Sla hem gade, overweeg nauwkeurig
eer gij den onherroepelijken stap doet, die voor uw geheele leven
beslist. Onderzoek of hij uwe liefde en achting waardig is. Beter
ware het dat gij op jeugdigen leeftijd als maagd moest sterven,
dan dat gij te laat u een ongelukkigen stap zoudt beklagen. Nogmaals,
onvergetelijke Adelgonde! nogmaals: onderzoek en beproef uw aanstaanden
echtgenoot. Ik ken hem, ik ken het karakter van Van Rodenberg, hij
is uwer onwaardig. Geen laster, door vuige jaloezie opgewekt, doet
mij dit ternederschrijven. Beproef hem, en stort u niet in het ongeluk.
"Behalve dezen raad, dien ik mij verplicht rekende u te geven, drong
mij nog een andere reden u te schrijven. Reeds vroeger had ik dit
gedaan, doch de treurige mare van uwe ernstige ongesteldheid hield
mij tot heden daarvan terug. Goddank! ik heb vernomen dat gij zoogoed
als hersteld zijt. Mijne gebeden voor uw herstel werden iederen dag
hemelwaarts gezonden. Doch nu, schoone Adelgonde! er is nóg iets,
't welk ik verplicht ben u mede te deelen. Ik ben de deelgenoot
geworden van een belangrijk geheim. Het zou mij niet mogelijk zijn
dit in zijn geheel ter neder te schrijven, en, wellicht vertrekken wij
reeds spoedig uit deze streken. Adelgonde! ik moet u kenbaar maken wat
mij is ter oore gekomen. Wil mij mijne bede niet weigeren! Ik wensch
u alleen te spreken. Gij zelve kunt bepalen waar ons onderhoud zal
plaats hebben, en dan--dan zal ik u voor het laatst zien, voor het
laatst spreken, en u tevens voor altijd vaarwel zeggen!
"O schenk slechts eenige regelen ten antwoord aan hem, die u dringend
smeekt zijn verzoek niet te weigeren, en die zich noemt:
Uw heilzoekende en heilwenschende vriend,
Alonzo.
Nog staarden de vochtige oogen van Adelgonde op het papier, nog herlas
zij de woorden, die zoozeer van des Spanjaards innige deelneming in
haar lot getuigden, toen Anne weder kwam aanhuppelen en tusschen hare
vingeren den gevangen vlinder omhoog hield: "Kijk eens freule!" riep
zij Adelgonde reeds uit de verte toe: "Kijk eens, welk een fraai
diertje, geel als citroen, en zoo vlug als een ree!"
"Foei, Anne!" zeide Adelgonde op bestraffenden toon: "moet gij dat
onschuldige vlindertje zijn vrijheid benemen? Gij weet niet wat het
zegt die te moeten missen. Geef het beestje zijn vrijheid terug!"
"Welnu, trek dan in vrede!" zeide Anne, en het diertje loslatende,
zag zij het vroolijk en snel henenvliegen.
"Geef mij nu uw arm en laat ons huiswaarts keeren!" zeide de freule. De
kleine kamerjuffer gehoorzaamde terstond, en beiden wandelden nu
weder door de lange zijlaan, stapten de brug, die aan de achterzijde
van het park uitkwam, over, en traden vervolgens het kasteel door de
kleine achterpoort binnen.
"Wel foei Gonne! gij zijt recht ondeugend," zeide de graaf Van Bergen
lachende, die juist de breede trappen afkwam toen de vrouwen de gang
inkwamen: "zoo te ontsnappen, zonder verlof te vragen! Ik had gehoopt u
de eerste maal dat gij de buitenlucht zoudt genieten, te vergezellen,
doch ik zal u daarvoor straffen, en kom mij daarom dezen middag bij
u als gast opdringen."
"Gij zult mij hartelijk welkom zijn," antwoordde Adelgonde: "Wat de
wandeling betreft, het liefste had ik die in uw gezelschap gedaan,
doch ik was bevreesd dat uwe bezigheden u met zouden toelaten...."
"Nu nu, spaar die verontschuldigingen maar," viel haar de graaf in
de rede: "Gij ziet er zeer goed uit, lieve kind! de lucht heeft u,
dunkt mij, veel goed gedaan. Over een uur ben ik bij u." Hij gaf haar
bij deze woorden een kus op het voorhoofd, en ging, terwijl zij zich
naar hare kamer begaf, zijne paarden en honden in de stallen opzoeken.
Nauwelijks was Gonne in haar grooten ziekenstoel gezeten of zij
haalde Alonzo's letteren weder te voorschijn, las deze nogmaals,
en besloot, daar zij, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, vrij
goed schrijven kon, onmiddellijk aan het verlangen van den edelen
jongeling te voldoen. Zij beantwoordde zijn brief met deze woorden:
"Geachte vriend!
Zoo toch mag en durf ik u noemen, daar gij toont een waar belang in
mijn lot te stellen. Uwe letteren heb ik in een vrij goeden welstand
ontvangen, en las die, toen ik voor de eerste maal na mijne ziekte
weder onder Gods vrijen hemel mocht ademhalen.--Gij hebt gelijk, wij
worden van elkander gescheiden. Gij hebt hinderpalen zien verrijzen,
die uwe wenschen in den weg traden, en voor mij, gij weet het, is de
droom onzer liefde eveneens in rook verdwenen.--Wat er ook van Van
Rodenberg zijn moge, hij zij dan edel of slecht, reeds zijn aanblik
hindert mij. Verdenk echter den liefderijksten en achtenswaardigsten
der vaders niet van hardheid; geloof niet dat hij mij dwingen zal
mijne keuze naar zijn wil te bepalen. Alles wat hij doet, beschouwt
hij in mijn belang.--Doch een treurige waarheid doet mij met groote
zelfopoffering besluiten zooveel mogelijk naar zijn begeerte te
handelen. Mijn geheele leven zal ik u dankbaar zijn voor uw warme
deelneming; doch, edele vriend! met de grootste moeielijkheid zal ik uw
laatste verzoek kunnen inwilligen. Mijne gezondheid laat mij niet toe
u des avonds ergens te ontmoeten. In mijne woning is dit onmogelijk,
en waar zou ik u dan kunnen zien?--Vertrouw aan het papier uw geheim,
doch zoo u dit niet doenlijk is, welnu, dan zal er wellicht in het
aangevangen warme seizoen nog wel een gelegenheid voor mij komen om
u aan te hooren en u vaarwel te zeggen."--Hier liet Adelgonde een
traan op het papier vallen, dien zij echter zorgvuldig zocht weg te
wisschen.--"Gods beste zegen vergezelle u op al uwe paden. Vergeet,
als gij in uw vaderland zult zijn teruggekeerd, dat er in deze streken
een hart voor u klopte. Vergeet den droom der moerassen, en haar die
zich noemt:
A. V. B."
Zorgvuldig verzegelde zij nu den brief en schreef het adres erop.
"Gij zult de bezorging van deze letteren op u nemen," zeide zij tot
haar kamermeisje, die zich met eenig vrouwelijk handwerk had onledig
gehouden.
"Volgaarne lieve freule!" antwoordde deze: "Maarten komt niet voor
Zaterdag, dus moet mijnheer Bril er zich mede belasten. Nu, hij is
ook in mijn dienst, en brengt mij schier iederen morgen de groete
van Maarten over. De brief moet in het logement van Gooswijn Meurkens
bezorgd worden, nietwaar?"
"Ja!" zeide Adelgonde, licht blozende: "hij moet dien persoonlijk
aan den jongen graaf Spinola overhandigen."
Anne nam den brief aan, verborg dien in haar keursje, en weldra
verscheen Burgman, om op de ziekenkamer de tafel voor het middagmaal
in gereedheid te brengen.
Het maal was spoedig ten einde geloopen, en de graaf, die heden
bijzonder opgeruimd was, schikte zijn stoel wel voldaan naast dien
zijner pleegdochter.
"Na lijden komt verblijden, lieve Gonne!" ving hij aan: "na regen
komt zonneschijn; na een strengen winter een verkwikkende lente. Ik
heb God om uitkomst gebeden; ik heb Hem gesmeekt u te bewaren, te
bewaren voor mij, uw teederminnenden vader."
Adelgonde zag haar pleegvader dankend aan, doch zuchtte diep.
"Maar ik wenschte uw beterschap niet," vervolgde hij, zeer wel
de oorzaak van dien zucht kennende: "ik wenschte die niet om u
neerslachtig en ongelukkig te zien; neen, dat zij verre, maar om u
evenals voorheen, vroolijk en opgeruimd te ontmoeten; om, evenals
vroeger, door uw aanhoudend en vriendelijk gesnap mij dat treurige
gedeelte uit mijn levensgeschiedenis te doen vergeten; om daardoor
mijn voorhoofd effen te houden, waarop zich anders maar al te dikwerf,
bij de sombere herinneringen, diepe groeven vertoonen...."
"En zal dat mogelijk zijn?" vroeg Adelgonde.
"Deze dag moet en zal voor u in alle deelen schoon zijn, dierbaar
kind!" hervatte de graaf, haar met innige liefde aanziende: "Geen
zwaar en moeielijk juk zal u drukken. Gij hebt uwe gezondheid en
tevens uwe vrijheid terug."
"Wat bedoelt gij?" vroeg Adelgonde verrast.
"Luister!" hernam Van Bergen: "Ik heb den aard en het karakter van
Walter leeren kennen. Zijn eerste bedreiging had mij reeds een slechten
indruk gegeven. Geldzucht is de drijfveer zijner keuze. Van Rodenberg
zal uw echtgenoot niet worden."
"Niet!" riep Adelgonde met een gemengd gevoel van dankbaarheid en
verrukking tevens. "Maar," vervolgde zij langzaam: "maar zijne
bedreiging? Zal hij mij niet aan de minachting der hardvochtige
wereld prijs geven, indien hij bekend maakt dat mijn brave gestorvene
ouders slechts arme geringe lieden waren? Zal zijne boosheid niet,
uit teleurgestelde winzucht, vlekken op uw naam werpen, mij wellicht
voor een kind.... der.... schande." zij zeide deze woorden schier
onhoorbaar: "laten doorgaan; en zal de booze wereld daar geen geloof
aan hechten?"
"Geen vrees!" antwoordde de graaf: "Zijn geldzucht is bevredigd; hij
zwijgt, en niemand ter wereld zal buiten ons weten, dat de schoone
Hagenlelie niet volgens de wetten van het bloed mijne dochter
is. Luister: Toen de crisis uwer ziekte gekomen was, en allen
voor uw behoud vreesden, toen kwam Van Rodenberg naar uw welstand
vernemen. Zijne teleurstelling was zichtbaar, doch ik rekende het
oogenblik gekomen dat ik hem moest mededeelen, dat gij gedurig reeds,
zoo wel in ijlende droomen als in helderder oogenblikken, uw tegenzin
in een huwelijk met hem hadt te kennen gegeven, en dat, zoo gij
hersteldet, gij toch nimmer zijne gemalin zoudt kunnen worden. Zijn
gelaat nam een wreedaardige plooi aan. Het kind van lage geboorte
versmaadt mijn naam? sprak hij scherp. O lieve Gonne! vergeef mij,
dat ik u zijne woorden herhaal, maar immers gij moet hem kennen,
nietwaar? Welnu, ging hij voort: dan zal de wereld ook weten wie de
dochter van den graaf Van Bergen is."
"Ik vreesde dit!" zeide Adelgonde met nedergeslagene oogen.
"Gij kunt begrijpen dat ik moeite had mijne bedaardheid te bewaren,"
hernam Van Bergen: "vooral daar hij het was, dien ik van zijne jeugd
af aan, steeds met weldaden heb overladen. Doch, het was de zoon
van mijn besten vriend Robbert! Ik hield mij in, en deed mij voor als
doorgrondde ik de laagheid zijner woorden niet. Dit zou u weinig baten,
antwoordde ik hem: Oneer is het niet. Ik zag hem glimlachen. Maar,
vervolgde ik: Gij weet Walter, wat ik steeds voor u geweest ben. Ik
gevoel dat gij een teleurstelling ondervindt. Van jongs af aan dacht
gij Adelgonde tot vrouw, en met haar mijne nalatenschap te bekomen. Dit
is een bittere teleurstelling; doch welk heil zou u een huwelijk
aanbrengen met eene vrouw, die u niet genegen is? Laat Adelgonde in
het bezit van haar naam: doe afstand van uw wensch, en zij schenkt
u de helft van het vermogen, dat zij na mijn dood zal bezitten."
"Gij zoudt....?" riep Adelgonde.
"Heb ik niet wél gedaan, lieve Gonne?" hernam Van Bergen. "Voorzeker
heb ik wat ruim over het uwe beschikt, doch thans blijft en zijt gij
mijne lieve dochter."
"Uwe liefde, uwe goedheid!" riep Adelgonde, hem om den hals vallende:
"o! die kan u alleen hiernamaals vergolden worden."
"Zoo is het mij goed," sprak de graaf: "gij zijt tevreden. Welnu Gonne,
zult gij nu weder gelukkig zijn?"
Adelgonde zweeg een oogenblik; zij beschouwde het vriendelijk
goedhartig gelaat van haar pleegvader, en zeide op vastberaden toon:
"Ja, ik zal, voor u levende, door uw wil te doen, door u in alles te
gehoorzamen, recht tevreden en ook gelukkig zijn."
"Amen!" zeide Van Bergen; ledigde toen zijn roemer, drukte het schoone
meisje een kus op de lippen, en verwijderde zich.
ELFDE HOOFDSTUK.
"Ik vind het heel niet aardig van u Pieter, dat gij mij de bloempjes
niet geven wilt; ik heb ze toch voor 't meest geplukt," sprak een
aardig meisje van ongeveer zes jaren tot haar broertje, dat ruim een
jaar ouder scheen en thans met een mandje bloemen op eenige passen
af stands van haar had postgevat.
"Foei, Neeltje!" antwoordde de goudgelokte jongen: "ik vind het van
ú niet aardig; waarom moet gij ze dan hebben? Ik heb vrij wat meer
moeite gehad! Hoe hoog heb ik dan niet moeten klimmen om bij dien
gouden regen te komen?"
"En hoe dikwijls heb ik dan niet moeten opspringen om dien tros
seringen beet te krijgen?" zeide Neeltje.
"Ja, maar ik heb mijn vingers bijna allen opengekrabd aan de pieken
van de acasia's," hernam Pieter.
"Och toe Pieterlief! geef mij nu maar het mandje?" smeekte het
aardige meisje.
"Nu dan Neeltje! hoor: als je met mij wilt gaan varen."
"Op de gracht?" vroeg het meisje: "Neen, dat durf ik niet."
"Bah! wat een bangert; en waarom niet?"
"Wel, omdat het niet mag."
"Maar, dat heeft ons vandaag toch niemand verboden."
"Vandaag, neen, dat is waar, maar gisteren zei Aafke toch, dat wij
volstrekt niet in de boot mochten gaan."
"Hoe kinderachtig!" zeide Pieter lachende: "Is het dan vandaag
dezelfde dag als gisteren. Kom, ga maar even mee; de boot ligt daar,
en als gij het doet, geloof ik wel dat ik u de bloemen zal geven."
"Zoudt gij dan niet denken dat Aafke ons beknorren zal?" vroeg Neeltje.
"Wel neen, toch niet, en als gij haar de bloemen geeft, dan is het
immers dadelijk weer over. Wij zullen heel prettig varen."
"Maar kunt gij wel roeien, Piet?"
"Ja, of ik!" antwoordde het knaapje, terwijl hij, bij de schuit
gekomen, haar van den paal, waaraan zij was vastgebonden, losmaakte:
"Kom maar hier Neeltje! Ziezoo, wees voorzichtig, val niet.... Ga
daar nu maar achter op de bank zitten."
"Hé Piet! als we nu maar geen knorren krijgen. Denkt gij niet? want
anders ga ik er nog liever weer uit."
"Neen, volstrekt niet! Als ge nu maar heel stil blijft zitten."
"Geef mij dan nu de bloemen; ge kunt ze nu toch niet vasthouden."
"Tralala!" lachte de kleine plaaggeest: "Ik heb u in de schuit,
en nu kan ik nog doen wat ik wil."
"Neen, maar dat vind ik nu al heel leelijk en stout," zeide het kleine
meisje, terwijl haar het huilen nader stond dan het lachen.
"Nu, wees maar stil," hernam de jongen, die bang was dat zijn zusje
zou huilen of roepen: "Ik heb er wat op gevonden; wij zullen het
mandje samen geven."
"Hoe kan dat?" vroeg Neeltje.
"Wel, dan houden wij het beiden vast als wij het geven."
"Ieder aan een kant?"
"Ja, vindt gij dat niet goed?"
"Ja, dat gaat nog al; maar dan mag ik toch zeggen, dat wij deze
bloemen voor Aafke hebben geplukt?"
"Nu, dat kan mij niet schelen; of gij dit zegt of ik, dat is mij
hetzelfde. Maar," vervolgde hij, terwijl hij al zijn krachten inspande
om de boot van het droge vlot te krijgen: "maar Neel! wat zit die
schuit vast, help mij eens even tegen de roeispaan drukken."
Neeltje gehoorzaamde en kwam zeer voorzichtig naar voren om den
kleinen jongen te helpen. Beiden hielden nu de roeispaan vast en
vereenigden hunne krachten om het vaartuig vlot te krijgen; doch
tevergeefs. "Ik zal de spaan eens tegen dien steen zetten," zeide de
knaap: "die is harder." Hij deed dit en de twee kinderen drukten en
persten met vereende krachten, totdat hunne aangezichtjes zoo rood
als scharlaken werden.
"Nog eens: één, twee, drie!" zeide de knaap; de roeispaan gleed langs
den steen af; de kinderen verloren hun evenwicht en beiden vielen
voorover in de schuit neder.
Een luid geween en geklaag was het begin en het besluit van dit
roeitochtje. Het schreien der kleinen werd ras vernomen, en het reeds
dikwerf genoemde Aafke kwam haastig aanloopen om de twee ongehoorzame
kinderen de behulpzame hand te bieden.
Spoedig waren zij uit de schuit op den vasten wal overgebracht. Pieter
bloedde uit den mond, dewijl hem twee tandjes waren losgevallen. Maar
Neeltje, hoewel van het hoofd tot de voeten beslijkt, had volstrekt
geen letsel bekomen.
"Foei! ik had het u zoo verboden," sprak de oudste zuster der nog
steeds weenende kinderen: "Ziedaar nu, Piet, de gevolgen van uw
ongehoorzaamheid."
"Maar," zeide Neeltje nog steeds snikkende: "maar.... Aaf.... Piet
heeft.... gezegd.... dat wel gisteren.... maar niet.... vandaag."
"Kom, dat weet hij wel beter," antwoordde Aafke: "eenmaal verboden
blijft verboden.--Maar zie, daar staat nog een mandje met bloemen in
de schuit.--Wacht," en meteen wipte zij weder in de boot en bracht
de bloemen mede terug.
"En die hadden.... wij nog wel.... voor u geplukt," zeide Pieter op
verongelijkten toon.
"Ja.... wij waren den ge....heelen morgen, voor u aan.... het zoeken
geweest...." hernam Neeltje weder, voortdurend hikkende.
"Welnu, ik beknor u immers niet meer," zeide Aafke: "Ik ben recht
blijde met de bloemen; maar wees nu nooit weer ongehoorzaam." Zij nam
vervolgens op iederen arm een der kleinen, nam het mandje insgelijks
mede, en liep toen zoo snel als de tamelijk zware vracht haar dit
toeliet, naar de woning van haar vader, die tuinman op het kasteel den
Blankert was. Hier waschte zij haar broer en zusje de aangezichten
en handjes schoon; bezorgde Pieter een glas water om zijn mond te
spoelen; gaf hun eenige schoone roode kersen; liet het toezicht over
de kleinen aan hare twaalfjarige zuster over, en snelde toen vlug
met de ruimgevulde bloemenmand ter deure uit.
Weldra was zij in het kasteel gekomen. Dadelijk verborg zij de bloemen
in een van de vertrekken der dienstboden; sneed toen eenige sneden van
een zeer groot grijsachtig brood; vulde eene kruik met helder water,
en stak zeer behendig een groot stuk kaas in den zak.
"Mijnheer Rosio, wilt gij mij den sleutel van den kelder geven?" vroeg
Aafke aan den rentmeester van de gravin Van Bergen, die in vroegere
jaren zijne gebiedster uit Frankrijk naar Holland was gevolgd en in
alle opzichten haar zeer bijzonder vertrouwen genoot.
"Gaat gij den boeteling nu reeds weder bezoeken?" vroeg Rosio.
"Ik zal hem zijn maal brengen," antwoordde het meisje: "het wordt
hoog tijd: En ik moet dan nog wel alles in het werk stellen om hem
tot het gebruiken der spijzen over te halen."
"Weigert hij te eten?"
"De twee laatste malen wilde hij volstrekt niets nuttigen. Gij hebt
mij bevolen te wachten totdat hij gedaan heeft."
"Eertijds verslond hij alles in een oogenblik," hernam Rosio;
"en thans...."
"Zooals ik u zeg," zeide Aafke: "ik moet hem schier bidden en smeeken
om te eten."
"De godsdienstijver kan overdreven worden," hernam Rosio. "Boetedoen
is goed en noodzakelijk, doch men moet niet verder gaan dan de Heilige
Kerk het beveelt. Hier is de sleutel; maar breng hem aan het verstand,
dat zijne zonden eeuwig gestraft zullen worden indien hij zijn geweten
nog bovendien met een zelfmoord zou bezwaren."
"Zeer goed!" zeide het meisje, en snelde met den grooten sleutel
naar het dienstbodenvertrek terug. Zij haalde de bloemen weder te
voorschijn en plaatste het daarmede gevulde mandje op het grijze
brood, dat zij onder in een spijskorf gelegd had; nam den korf in
de eene en de waterkruik in de andere hand, en ging, alzoo voorzien,
den zoogenaamden boeteling opzoeken.
Een smalle steenen wenteltrap voerde haar ongeveer twaalf voeten
onder de oppervlakte der aarde. Nog eenige schreden ging zij door
een nauwe en vochtige gang waarin het volkomen nacht was, en bevond
zich toen voor een zware met ijzer beslagene deur; lang zocht zij
met den sleutel naar het sleutelgat, doch eindelijk gelukte het haar
de deur te openen. Een zwavelachtige lucht drong haar tegemoet, en
een weifelachtige schemering, die de plaats waar zij binnengetreden
was aan een volstrekte duisternis onttrok, stelde haar in staat den
ongelukkigen bewoner van dit sombere verblijf te ontdekken.
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/28175