Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

by Herman Teirlinck · Dutch · Gutenberg #28068 · 873,872 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Author: Herman Teirlinck


        
Release date: February 14, 2009 [eBook #28068]
                Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/28068

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
        https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET IVOREN AAPJE: EEN ROMAN VAN BRUSSELSCH LEVEN ***




Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/









                   Nederlandsche Bibliotheek

                   Onder leiding van L Simons

                        Herman Teirlinck


                        Het Ivoren Aapje

                 Een roman van Brusselsch leven


              Uitgegeven door de Maatschappij voor
                   Goede en Goedkoope Lectuur
                           Amsterdam






VOORBERICHT.


Enkele hoofdstukken uit het "Ivoren Aapje", voortijds in het
maandschrift De XXe EEUW verschenen, hebben--naar ik verneem--bij
sommige lezers veronderstellingen gewekt, die niets met de bedoelingen
van dees werk en de inzichten van den schrijver te maken hebben. Er
werd namelijk beweerd, dat meer dan éene romanfiguur, naar de
werkelijkheid uitgebeeld, geheel met bestaande belgische of fransche
personages ware te identificeren.

Tegen zulke identificatie teeken ik uitdrukkelijk protest aan.

Zeker--ik heb waarlijk geen reden om het te ontkennen--psychologische
gegevens, bij 't nagaan van levende en bekende mensch-typen opgedaan,
werden hier schaamteloos aangewend. "On prend son bien où on le
trouve," zei Molière en ik ben blij, dat ik mij op zoo hoog een
autoriteit ter verontschuldiging beroepen kan. Ik zou bezwaarlijk
kunnen staande houden, dat bijvoorbeeld een Lieven Lazare in
het roman niet werd geïnspireerd door wat mij over een befaamden
prozaschrijver, dien ik persoonlijk niet eens ken, zijn eigen proza
heeft geleerd. Daarvan nu afleiden, dat wezenlijk Lieven Lazare een
ten voete uit geschilderd portret van dien schrijver is, zoude op
zijn minst vermetel zijn, zelfs daar waar ik niet geaarzeld heb,
zijne geschreven woorden haast letterlijk over te nemen.

Mijn realisme, in zoover de behandeling van de hier aangebrachte
kunstmotieven onder deze conventioneele benaming mag geheeten worden,
is geen slaafsche namaak van de werkelijkheid. Voor wie lezen kan
hoop ik, dat ik het nauwelijks hoef te zeggen. Dit gansche "Ivoren
Aapje" is de vrucht van eene verbeelding, welke ik beproefd heb aan
werkelijkheid te toetsen. Er kan dus geen sprake zijn van identificatie
mijner hoofdfiguren. De litterair-betrachte menschelijkheid van die
hoofdfiguren is, met fouten en dwalingen en zwakheden en al, van mij
en alleen van mij. Ik houd er mij verantwoordelijk voor en het is niet
mogelijk, dat mijnheer X.... of Z.... aansprakelijk gemaakt worde,
waar en hoe ik hem ook, in de oogen van een realiteits-dollen lezer,
doe handelen of spreken. Uit een oogpunt van litteraire kunst, zou
het overigens van mijnentwege tamelijk nuchter geweest zijn anders
te handelen dan ik hier ter voorlichting beweer.

Wat ik omtrent mijne personages verklaar, geldt ook voor de
omstandigheden, waarbinnen de door mij opgezette dramatische handeling
gebeurt. Ik heb willen een beeld ophangen van het Brusselsche leven en
inzonderheid van de Brusselsche hooge burgerij. Wat ik daar o.a. zoo
al van belgische politiek en Brusselsche publieke huizen vertel, kan
schijnbaar een spiegel van de werkelijkheid zijn. Mij mag nochtans
geen de minste toespeling of bedekte insinuatie verweten worden. Ik
ben de geschiedschrijver van een Brussel, dat mijne verbeelding binnen
de vormen van het ware Brussel heeft opgebouwd. Ook de historische
waarde van mijn verhaal behoort mij dus toe. Ik ben wel verplicht al
mijne rechten dienaangaande op te eischen, wil ik de zuiverheid van
mijn kunstenaarsstandpunt voor mogelijke aantijgingen vrijwaren.

En ik doe het in de overtuiging, dat de lezer, aldus voorbereid,
met vastere onafhankelijkheid het boek kan opslaan. Indien hij het
verveeld mocht dichtdoen, heb ik dan toch de zekerheid, dat zijn
misnoegd ongeduld aan mijne ontoereikbare krachten is te wijten,
en niet aan een misverstand.


                                                    Herman Teirlinck.







                    Opgedragen aan mijn Vader.










EERSTE GEDEELTE.


I.

DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE


Stil, stil is de hooge kamer. Tegen de neergelaten venstergordijnen
blauwt de vroege Meimorgen en verwisselt zijn violette klaarte met
het ongelijke kaarsenlicht. Twaalf groote kaarsen branden aan het
hoofdeinde van het zwarte praalbed, waar, in de opene zwaar-eiken
kist, wit uitrust de doode mevrouw Chanteraine. Aan de wanden hangen,
breed-neervouwend, met zilver betikkeld en berand, de rouwfloersen
zwaar en roerloos. In gele beweeglijke schemering reikt hoog en somber
de stille kamer. Hier houdt de tijd op zijn tastbaren gang en geen
werkzame vinger kruipt over een geheimzinnig horlogegezicht. Het is
alsof deze kamer buiten de vergankelijke wereld stond. Hier gebeurt
de eeuwigheid. Rond de sponde en tot tegen de kist kleuren de bloemen
in tuilen door mekaar of gevlochten kroonsgewijs. 't Is een levende
hoop van geurende bloemen. De geur walmt in de kamer, flauw, met iets
vunzigs erom, iets ongemeens. De sponde is donker en veelvervig.

Vooraan, knielend over een lagen stoel, bidt een oude priester. Zijn
oude hoofd blinkt grijs boven zijn zwart kleed uit, onder het
waggelend kaarsenvuur. Zijn hoofd neigt diep naar voren, en zijne
bleeke handen rusten op de stoelleuning, saamgebracht in vrome
onbeweeglijke houding. Onbeweeglijk is hij gansch. Geen plooiken
roert over hem. Zijne oogen zijn gesloten. Hij is als een stuk van
de hooge kamer, dewelke zelve als de stilte is en de eindeloosheid.

Ernest Verlat blijft nog een poos bij de deur staan, steunend tegen de
deur. Het gaat hem zoo vreemd in het hoofd. Het dreunt en klopt er zoo
pijnlijk. Het zindert er alsof daar iets barsten zou van binnen. Is
dat moeder, dat witte ding, die lichte doorzichtige witheid op die
massale stede van floers en van bloemen, die wonderlijke witheid in
zwaren eik besloten? Gisteren-avond lag ze nog in 't klare, gewone bed,
vrij op het klare kussen. Het slaat in zijne borst:

--Moet alles zoo rap, zoo rap ....?

Hij nadert traag. De oude priester ziet niet om en bidt. Ernest staat
nevens hem, stijf rechtop, en staart met strakke blikken naar zijn
moeder. Aldoor kleppert het door zijne hersens:

--Moeder .... moeder ....

O! kon hij eens warm doorweenen, kon dat harde gebons in zijn hoofd
week worden en uitvloeien met heeten tranenvloed, kon hij vergaan in
een breed-snikkend al-verterend verdriet, en niet denken, niet denken
meer. Sinds moeders dood is hij, door innerlijke koorts gejaagd,
rechtgebleven, versteend in eenzelvige droefenis. Als steenen wegen
eenzelvige gedachten op zijn hart. En weenen kan hij nog niet. Aldoor
denken en zijn eigen opvreten in zelfverwijt. Dat moeder zoo plots ziek
werd en ineens stierf, 't was zijne schuld. 't Verleden ligt open,
en halsstarrig wroet hij daarin. Hij voedt met steeds hernieuwde
gepeinzen de wroeging die als een gier in zijne hersens huist. Hij
heeft geen andere gepeinzen dan die tot spijs voor zijne wroeging
dienen. En zoo ratelt het onverpoosd in hem:

--Moeder .... ik heb u lief, ik heb u lief .... wat is alles schielijk
gebeurd .... dat niet meer te veranderen is.. door mij, door mij,
enkel door mij....

Hij maakt zijn leed tot zichtbare onuitgesproken woorden, waarbij
hij hoopt dat hij eindelijk zal kunnen weenen.

Straks breekt zijn hoofd. Als er daar iets gebroken is, breekt dan
misschien de ondragelijke pijn? Hij bijt op zijne tanden, zijne
vuisten werken tegen mekaar, zijne blikken liggen vast op moeders
aangezicht. Als er iets breekt onder zijn schedel, zal hij weenen. In
hem ook zit een onzekere gewaarwording--dat hij weenen moet, als een
uitwendig teeken van zijn groote harteleed. Niet onecht is zijn wee,
maar diep en overdadig. Zijn geest echter zoekt het theatrale gebaar,
dat zijn wee vertolken moet. Wel strijdt seffens zijn geest tegen die
verzoeking, seffens daarop hertracht heimelijk de bezorgde gedachte
naar 't uiterlijk verdriet. Dan nog sterker golft het zelfverwijt,
dan wil hij om die oolijke begeerte zijn eigen kastijden, en zoo
foltert hij zich met het schuldgevoel, dat door hem zijne doode moeder
beleedigd wordt.

Zonder rust is die strijd. Hij staat paalrecht en stijf. Hij voelt
niet de oogen van den ouden priester op hem, denkt evenwel vluggelings:

--Beziet hij me? ....

En hij zelf ziet zich staan, terwijl hij toch niet weenen kan en wel
zou willen weenen. Hij hoopt dan de aandoeningen opeen over hem,
schept met groote brokken weemoed het verleden tot een lillende
wroeging te voorschijn en hijgt onder 't bonzen, dat aanhoudend door
zijn slapen slaat.



Bleek, als door een wazig floers heen, klaart op, bijkans alover
moeders bleek gezicht, zijne kindsheid. Hij was een lichtblonde jongen,
toen vader stierf. Vader was raadsheer bij het hof van cassatie, een
goede man, te oud getrouwd, die zijn zoon, zijn dochtertje en zijne
jonge vrouw op zijne handen droeg. Vader stierf. Ernest werd naar het
athenaeum en Francine, zijn zusje, op pensioen bij nonnen gestuurd. 't
Werd, in het groote huis, op de Regentielaan, een sober, grijs leven,
even opgekleurd door de bestendige aanwezigheid van moeders jongsten
oom, mijnheer du Bessy. Mijnheer du Bessy was, door de familie, tot
Ernest's en Francine's voogd aangesteld. Hij was waarlijk een lief
opgeruimd ventje, de zestig jaar voorbij, fier op zijn baronetblazoen,
en arm. Hij kwam bij mevrouw Verlat inwonen en werd, spijts zijn zeer
lichtzinnig karakter, een uitmuntende gids voor Ernest. Na drie jaar
hertrouwde mevrouw Verlat en Ernest kreeg vaders vriend, mijnheer
Chanteraine, prokureur-generaal bij het beroepshof, als tweeden
vader. Vijf en twintig maanden duurde dat huwelijk. Mevrouw Chanteraine
maakte zeer veel toilet, voerde een leven van overdreven weelde en
lette niet meer op haar zoon, die nu gansch aan het eigenaardig
geleide van mijnheer du Bessy werd overgeleverd. Ernest leed wel
een tijd onder die plotselinge verwijdering, maar het trof hem niet
zoo ongemeen en de lichte elegantie van zijn voogd hielp mede om het
ongemak te besluieren. Hij leefde door in den slenter van recepties,
feestmalen en avondpartijen, zag zijne moeder gedurig omringd en
omfleurd. Hij zelf bewonderde zijne moeder, dewelke in de volle
pracht van een rijpe schoonheid zeer aanzette tot bewondering. Hij
vergat dat hij haar nooit anders zag dan in de staatsie van rijkdom
en vrouwenluxus, en dat zij nooit op den drempel van zijne kamer
meer verscheen, nooit, bij uchtend, aan de sponde van zijn bed,
nooit over hem boog en hem bedekte met een licht van lach, dat hij
wel wist .... eens .... eens .... Hij kòn 't niet vergeten, al groeide
boven hem een schaduw van pijnlijke vergetelheid. Hij werd een stille
jongen, een droomende jongen. Hij las veel, verwijlde in een wereld
van roerende fantazij en lag soms uren en uren, door late avonden,
te suffen over verzen. Hij dichtte zelf. Hierin had hij de leering
van mijnheer du Bessy ontvangen. Mijnheer du Bessy was een dichter
van madrigalen en rondeelkens.

Ernest bestond bijna buiten moeders zorgen en geheel buiten de
herinnering aan zijn zusje. Francine kwam eens in 't jaar naar huis,
bleef enkele dagen, was een broos bleek meisje met een vroom-gemanierde
houding die in het hotel van de Regentielaan niet thuis hoorde. Ze kwam
en ging. 't Gebeurde eens in 't jaar, en gebeurde het waarlijk? Niemand
zag naar heur om, en 't leek wel alsof het niet gebeurde. Zij ging,
en 't was al niet meer gebeurd. Tusschen deze drie wezens, waar de
komst van mijnheer Chanteraine stilaan de lauwte van eene zonderlinge
onverschilligheid had gebracht, behield mijnheer du Bessy toch, als
teere snoerkens, de banden van een natuurlijke genegenheid. De invloed
van den minzamen baronet was zekerlijk niet zwaarwichtig; ook werd deze
invloed te grillig, te ongeregeld bewerkt om het tijdelijk doel van
mijnheer du Bessy stelselmatig te bevorderen. Maar mijnheer du Bessy
was elkendeen zoo innig sympathiek, dat hij het verwantschapsgevoel
onder de leden van de verlaten familie wist te bewaren.

Mijnheer Chanteraine bezweek aan een schielijke beroerte. Het was,
korten tijd na dit ongeval, alsof mevrouw Chanteraine hare kinderen
wedervond. Ze riep Francine uit het pensionaat, verwonderde zich
over hare schoonheid, liet haar thuis een goed onderwijs geven en
was bezorgd omtrent de minste regeling van deze nieuwe opvoeding. Ze
had gedurig wat op te merken--de taalmeesteres was te streng, de
borduurmeesteres was niet kunstig, de zangmeesteres was leelijk. Ze
placht te zuchten, terwijl ze Francine kuste:

--Och, wat doen ze alweer met mijn dierbaar kind! ....

Ze merkte dan dat Francine's oogen er moede uitzagen, dat haar
goudblonde haar niet meer zoo glansde, dat de blos op hare wangen
doffer werd, dat haar stem niet zoo fijnhelder opzilverde; ze aaide
haar kind en troetelde het, klagend en deernisvol:

--Wat doen ze, wat doen ze toch, lieve Fran!....

En Francine lachte en was dankbaar.

Met Ernest deed mevrouw Chanteraine nog gevoeliger. Hare liefde
straalde over hem en warmde gretig zijn kleinste begeerten. Niets
kon ze hem weigeren, verlangend en aandachtig ging ze zijn
wil te gemoet. Ze was schrander van zinnen en kon met ongewone
teergevoeligheid de luttele geheimen raden, die optikkelden, menig en
veranderlijk, in zijne jonge ziel. Die behandeling oefende op hem een
onverwachten invloed. Hij werd eerst zeer minzaam, dan uitgelaten, dan
verwend en tiranniek. Toen hij het athenaeum verliet en student werd
in de rechten, sprong hij als een woestaard in het studentenleven. Hij
bleef laat uit, was op alle partijen, braste geweldig en verging in een
roes van ziekelijk gezwabber. 't Mocht geld kosten. Na een tijd was hij
tot de overtuiging gedaald dat het geld kosten móest. Daar was immers
geld. Hij eischte 't in overdaad en moeder dierf niet weigeren. Wel
berispte de oude du Bessy zijn bedorven neef. 't En baatte. De student
boemelde, deed gemeen in late kroegen, hield er een danseresje op na,
dat hem in het Zomerpaleis was aangekleefd en zijn kleederen met
patchouli besmette. Moeder zeide niets. Een groote ernst was over
moeders gezicht gekomen. Ze zag alles, ze wist alles. Brieven van
sletjes vielen haar in de handen. Ze zweeg. Hare oogen werden grijzer
en haar voorhoofd bleef niet zoo glad-effen. Soms was haar gelaat,
boven het malsche zwart van haar kleed, krijtwit en eendelijk. Soms
waren hare oogleden blauwrood, en kleurloos hare lippen. Soms schenen
hare handen zoo bleek, zoo mager, zoo akelig-lang .... Ernest lette
op niets. De weken en maanden woeien over hem, en hij ging maar door,
in zijn roes voortrakkerend, en ploeterend midden zijn lage pret. Toen
ontmoette hij Simon Peter.

Hij ontmoette Peter in het atelier van zijn joelmakker Florjan
Pacôme, den schilder van viezigheidjes. Het trof hem hoe schoon en
sterk de blik van Peter was, hoe adellijk zijn groot, breed-grootsch
voorkomen, en hoe stil en rechtzinnig het gebaar van zijne struische
beeldhouwershanden. Hij was dadelijk zeer erg met hem ingenomen. Hij
las hem zijn verzen voor, besprak ze met hem, voelde allengs, uitgaande
van zijn nieuwen vriend, het gewicht van een ernstiger, zwaarder,
humaner leven. Simon Peter redeneerde sober en beeldend. Hij was
ouder dan Ernest, rustiger, verdraagzaam. Ze praatten veel over
de pas-ontstane revolutionaire beweging, waarbij Peter scheen
aangesloten. Beiden toonden zich danig volksgezind. Maar geleidelijk
moest bij Ernest de overgang naar het grondiger leven gebeuren. Te veel
vraagstukken lagen in de nieuwe toekomst te glanzen. De openbaring
maakte hem dronken en met lichtzinnige geestdrift kleefde hij heel
de vrije nieuwigheid aan.

In die nieuwigheid was liefde aan het gloeien als een wonderlijk
juweel. Hij werd verliefd. Hij werd verliefd op de dochter van een
fanatiek-katholiek schrijver, een meisje met ongewone gaven van
gelaten, zelf-verloochenend gevoel. Ernest was sterkelijk door haar
gemind. Hij stortte zich algeheel in de laaiing. 't Docht hem dat
nu de weg beslist voor hem gekozen en open lag. Hij kwam bij zijne
moeder aan en zeide dat hij het meisje huwen zou.

Voor het eerst, terwijl hij verlegen sprak tot haar die zweeg en
ernstig opkeek, merkte hij hoe oud en hoog-stil zij geworden was. Hij
voelde een onbekende angstigheid drukken op zijne borst. Was deze
vrouw niet zijne moeder? Hij herkende, op een slag van zijn herwonnen
geweten, de vrouw, wier lach eens als een licht hem bedekken kwam en
welke hij verloren waande. Het was maar toen hij neerzitten ging en
over het tafelberd ineens te weenen begon, dat mevrouw Chanteraine
de stilte brak, waarlangs haar zoon tot haar was gekomen. Nog nooit
had zij zich tegen een gril, tegen een wil van hem verzet. Nu, met
bedaarde, effene bewoording, lei ze tusschen hen beiden de koude
verklaring, dat hij met dat meisje niet trouwen mocht. Ze sprak van
zijn niet voldoenden ouderdom, van zijne in slempspel versmeten
gezondheid, van zijn naam en van zijn toekomst. Lang sprak ze,
haar gedachte lengde zich uit over een eentonigen vloed van grijze
volzinnen, en bevreesd, beklemd, verwonnen luisterde hij toe. Ze
kuste hem en verliet hem. Dagen slierden om, dagen aan dagen. Meer
warmte, meer gezelligheid was in huis teruggekomen; maar, gelijk een
killig water, bleef liggen tusschen Ernest en zijne moeder haar wil,
dat hij niet trouwen mocht. Niet eens steigerde zijn wil daartegen
op. Het witte gelaat van mevrouw Chanteraine, met gedachten van leed
overladen, benauwde hem, spookte alom de hooge kamers rond. 's Avonds,
rechtuitgestrekt op zijn bed, lag hij vaak halfluide te stamelen
"of zij nu waarlijk zijne moeder was? ...." Warme geuten schoten
naar zijne slapen, waar ze uitdruppelden in plotselijk zweet, en hij
schaamde zich. Zoo sleet de tijd.

Op Kerstavond gebeurde die leelijke slag....

Het meisje ging zwanger, had alles aan haar vader bekend, en de vader,
wiens dweepzucht en gestrengheid hem niet toelieten een gevallen meisje
op te rapen, zette haar aan de deur. Op Kerstavond zei Ernest aan zijne
moeder dat het meisje zwanger ging, dat haar vader haar had aan de
deur gezet en dat moeder nu eens goed bedenken zou of 't niet raadzaam
was dat hij trouwde. Het ernstige gezicht van mevrouw Chanteraine
betrok, hare grijze oogen werden rond en groot. Een zonderlinge
glimlach krulde hare lippen, binstdat schielijk een rechte rimpel,
van weerskanten haren neus, de witte wangen neerwaarts snokte. Dan
opende ze haar mond die, een heele poos, gelijk een vierkante gaping,
daar somberde. Ze zeeg zachtekens in hare zwarte kleeren thoope op het
roode karpet. Men droeg ze in haar kamer. Men riep den dokter, mijnheer
du Bessy en pastoor Doening, den ouden vriend van den huize. Als ze
weer bekwam, deed ze seffens Ernest roepen en wilde alleen zijn met
hem. Toen lachte ze vriendelijk haar zoon tegen en zei dat alles wel
goed was en zich zou schikken geleidelijk; hij moest het meisje bij
haar brengen, en zij zou haar liefhebben. Ze vroeg dikwijls:

--Heeft zij u lief, mijn jongen?

Hij moest dan maar gauw trouwen. Pastoor Doening zou dat allemaal
regelen, en dan zouden ze tezaam in een lief huisje wonen, heel
dichtebij, ergens rond den Bloemenhof. Heel dichtebij, hoor! Hij moest
dan zijne studiën voleinden en een hoog magistraat worden, zooals
vader zaliger. Ze leek zóo ganschelijk gelukkig. Ze huilde stille....

Ernest trouwde. Alles werd aangelegd en besteld zooals 't moeder
wilde. Maar moeder kon uit haar bed niet meer.

En moeder stierf.

Waar moeder ligt, op de sombere koets bekleurd met paarse en mauve
en wit-violette bloemkransen, in de stilte, die hangt om de hooge
kamer en roerloos den roerloozen dood begeleidt, schemert het bevende
kaarsenlicht en speelt met verfplekken en donkerten. Over moeder
heen speelt het eenderlijk. 't Vloeit bleek uit op moeders matbleek
gelaat, scherpt den neus tegen de schaduw, die van den neusrug op de
beenderige wang, tot in de dompe oogholten, vlekt. Effen is het blanke
voorhoofd, alsof daar nooit een streepken smart was doorgerimpeld,
en glad, dof-wit onder de kaars, spannen de kaken over het uitpuilend
schedelbeen. Half-ontsloten gaapt de liplooze mond--hebben daar ooit
lippen bewogen, heeft daar ooit een kleur langs gelachen, heeft ooit
een zinrijk geluid geklonken uit dezen mond, waar rust, zonder einde,
de eeuwigheid geluideloos? Een doorzichtig Sineesch netelfloers plooit
licht op het donkere haar en vouwt over het kleine hoofdkussen tot
langs de wegzinkende schouders. Wit, tot aan het voeteinde toe, is het
lijk rechtuit-gelengd in de kiste. Over de borst, dewelke even oprondt,
liggen tegaar de witte mooie handen om het wit-ivoren Krist-kruis ....

Tusschen de zwarte kandelaars heen, doet nu Ernest een stap. Zijn
knie sliert langs de malsche kronen en zijne handen raken de koude
nattigheid van bloemtuilen. Hij schrikt bij het schielijk-veranderd
uitzicht van deze dingen--hoe groot worden ineens de koperen knoppen
van de kist en hoe klaar-afgeteekend liggen daar moeders handen! Het
lichtgespeel verschilt en moeders aangezicht is zoo plots uitgelengd
tusschen de plooien van de licht-zijige netelvool. En alweer ziet
Ernest hoe hij zelf hier vóor zijn moeder staat, en hij staat recht
overeind als een stake. Hij ziet over zijn eigen gelaat de pijnlijke
pees, die zijn lippen neerwaarts drukt en tot in de hoeken van zijn
oogen trilt. Hij ziet zijne handen langs zijn rouwrok wit nederhangen,
en vluggelings schiet door zijn geest de heimelijke vraag of 't zoo
passend is en of insgelijks de oude priester het ziet. Hij buigt
zich langzaam, plukt in den dikken bloemenhoop witte en teer-roze
rozen. Hij zoent de rozen, die geuren en zoet-bedwelmend over
zijn mond aanwalmen. Hij legt ze rond moeders hoofd. Traag schikt
hij ze, zoekt onwillekeurig de bleeke kleureffekten, brengt daar
een zachte schakeering van licht-amber, wit-roze, safraan-roze,
wit-geel en blank. Zijne vingeren werken om de natte kelken, mijden
de nadering van het kille hoofd, van het jeukend gewaad, en zorgen
dat niets beweegt van die witte doening, die versteend rust in den
dood. Hij vreest de doode, omdat ze thans bedeeld is met de machten
van het onbekende, en hij raadt den vreeselijken toets van dat koude
hoofd, zooals hij soms in hollen nacht de spoken voelt, die uit de
duisternis een lichaam krijgen. Zijne vingeren leggen tot een losse
kroon de rozen om het koude hoofd. Dan, lang, strak, staart hij op
het koude aangezicht. Hij verzint, in rappe sprongen van zijn koorts,
de eenvormige beelden van zelfverwijt. Hij staart op de doode en zijn
koorts klopt door zijn gedachte:

--Sta op! sta op! en kijk naar mij ....

Hij voelt den tijd heel dicht komen bij de gebeurtenis die hij verzint,
en hij verwacht zich erop, dat moeders oogen gaan openschuiven en
een leven brengen in het wassig gelaat. 't Is àl fantazije. Het is
de gebeurlijke straf, maar hij weet wel, dat ze niet zal gebeuren. O,
moest moeder nu eens opblikken naar hem en met overweldigende sterkte
dringen tot diep binnen hem, daar alles blootleggend wat er zijne
oolijke lafheid is--zou hij dan vergaan, verwoest en verdrongen tot
in de waarachtige kleinigheid van zijne ziel? Zoo juist weet hij
alles wel, maar moeder zal niet opblikken. Bij zwakkelingen komt
de vervaarlijke hallucinatie, die den geest op hol brengt. Bij hem
zal 't niet gebeuren. Bij hem is 't alles een gewikkeld spel van
vizioenaire gissingen, die leuteren buiten het bereik der logische
werkelijkheid. Maar 't is toch een kant van zijn waarlijk verdriet,
en het hijgt mede met het lijdelijk slaan dat door zijne slapen
dreunt. Dan komt de wanhoop, omdat alles onherstelbaar is. Dan
herziet hij de moeder van vroeger, de lieve mevrouw Verlat, zoo
keurig en zindelijk voorkomend uit de verte van den verleden tijd en
buigend, met zoenen op haar mond, over de blonde hoofden van Ernest
en Francine. Dan herziet hij de heerlijke mevrouw Chanteraine,
de onverschillige pracht, die glansde langs hare mooie lenigheid,
de verschillige weelde van hare vele toiletten, den sekuren blos die
den lonk van oogen opwakkerde en de blankheid der keel verteederde,
de uitmuntende mevrouw Chanteraine, zoo zwierig werkzaam met lachjes
en voorname salutatiën in 't gewoel van blikkerende onthaalsalons. Dan
nog herziet hij de allerlaatste rouwfiguur, het bleeke ernstige gezicht
boven het effen-zwart kleed, den gulzigen mond, snakkend naar stille
kinderliefde, de oogen die volgden en zochten, beangstigd, bezorgd,
begaafd, in moederangst, met wonderbare verduldigheid. Zoo was moeder,
zoo, eindelijk, de moeder veropenbaard. Naastbij geuren, flauw, de
bloemranken, de tombe van geurende bloemen, en iets ongemeens, dat
opwolkt bij poozen, precies uit de donkerheid van het staatsiebed. Er
dibbert een nieuwe geut naar Ernest's wangen en tot op zijne oogleden
stijgt de vlugge heetigheid. Maar hij kan niet weenen, al kittelt de
goede aandoening in zijn neus. 't Slaat aldoor zijn schedel binnen,
als een geweld van hamerschokken:

--O moeder, ik heb u niet bij wete zeer gedaan ....

En seffens weet hij niet meer of hij zich nog houdt gelijk hij
moet. Hij kan die bezorgdheid niet wegdringen uit hem, en gedurig
neemt hij zijn minste gebaar in acht, wil al zijn doen op de maat
brengen van zijn groot leed. Hij is bij oogenblikken geheel vol
met die bijzonderlijke aandacht, en dan zou hij wel gaarne zijlings
omkijken naar pastoor Doening, den ouden priester, die roerloos zit
en bidt. Hij durft niet omkijken, verlegen wegens de reden, die hem
omkijken doet. Hij voelt wel dat hij niet enkelvoudig en gemakkelijk
kan omkijken, en hij vreest den blik, die tegen zijn blik mocht
stooten en raden de dubbelzinnigheid. Toch, en al meteen, kijkt hij om.

De oude priester bukt onbeweeglijk over de leuning van zijn stoel. Zijn
grijze hoofd buigt ver over de leuning juist boven den bleeken glans
van zijne saamgevouwen handen. Zeker heeft hij geen enkele maal zijn
gelaat geheven naar het kaarsenlicht en tusschen zijne zwarte schouders
hangt het nederig grijze hoofd, gelijk een zwaar gebed. Ernest voelt
de droefenis die op den ouden priester weegt, en voelt tegelijk hoe
diep zijne moeder door elkendeen vereerd werd en bemind. 't Jaagt een
versche aandoening op in hem en grooter nog lijkt hem het verlies,
dat hij heeft aan zijn doode moeder. Zou, geheel en volledig, het leed
van den ouden priester rechtzinnig zijn? Is het dan mogelijk dat men
zich, gelaten en gansch, aan éene aandoening kan overgeven, zoodanig
dat het gemoed en den geest meegaan zonder hindernis en geheel het
wezen in éene richting wordt bestierd? Hij denkt daaraan, terwijl hij
algelijk bewust is dat zijn wee niet uitsluitelijk meester wordt van
hem, en dat er ievers, boven zijn zinnen, wakende loert het toezicht
van zijne kleine ziel.





II.

DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE

(Vervolg).


Dien morgen sloeg leutig de gulden meizon tegen de ruiten van
Francine's kamer. Ze tokkelde, als een regen van licht, tegen de
ruiten. Ze druppelde de groenzijden gordijnen langs, dibberde over
de zware franje en, waar 't kon, vlaagde binnen klabetterend. Zoo
viel ze op het kleine tafeltje Louis XV, juist te midden op het rood
marmeren tafelberd, pletste verder open langs de witte vacht, vóor 't
mahoniehouten bed, kroop hooger op, tegen 't bed aan, totdat ze daar,
tusschen de plooien van een blauw-satijnen bovensargie, over een lieve
roze hand kwam streelen. Al de rest van de vierkante kamer was nog
met blauw-grijze schemering omdaan. Heel lui en lauw was de kamer,
zwaar van 't warme ademleven, hetwelk als een wiegelende zwoelte in
de lucht hing.

De roze hand roerde nu even. De vingertjes krulden eens dicht toe,
bijeen en toen langzaam weer uit elkaar, zoodat ze eindelijk, stil
als te voren, gelijk wonderlijke spoelen schoon lagen op het blauwe
satijn. Daarbinst zwol de gansche sargie, herrok hare plooien, en
een zucht voer lang en luidelijk op, boven het witte hoofdkussen.

Te midden van het witte hoofdkussen rustte, zacht ademend opnieuw, het
kleine hoofd, zacht in de schaduw en omlokt met de gouden gloeiing van
geel-gulden haar. De gesloten oogen, het kleine neusje en de kin, 't
kleurde altegare effen uit met de wangen en het roommatte voorhoofd. 't
Was niet te merken dat, van weerskanten, iets, als een bleeke blos,
in de bleeke verve levendig werd, maar de mond, met zijn kersen-blonk,
blekte zeer voornaam, malsch en versch en uitmuntend. De lippen waren
niet geheel dicht, en het leven luwde er zoetekens over.

Nog bewoog die helverlichte hand. De bloote arm, die precies
van tusschen het zware haargoud was heengedrongen, herroerde op
de zijige bedekking. 't Was alsof nu Francine ontwaken zou. Een
nieuwe zucht blies ruischend boven haar rooden mond en vluggelings
trilden hare wimpers. Ze ontwaakte toch algelijk niet seffens, want
hare oogen bleven gesloten en de zon aaide weer rustig op hare roze
hand. Geleidelijk kwam haar bemeesteren de leelijke onrust van deze
laatste dagen, en 't gebeurde zoo 's ochtends, dat ze, nog slapende,
reeds de angst voelde naderen, die zich te nacht verwijderd had.

Ze ontwaakte met een schok. Wijd-open rondden hare groene oogen en
staarden onbeweeglijk rechtop naar de zoldering ....

Zoo bleef ze een poos. Zoo lag ze te glariën, verwijlend in een verte,
waar ze niets wist en niets herkende. Dan, terwijl ze zich overeind
zette en haar los haar met een rappe beweging naar achter smeet,
tuurde ze verwonderd de kamer rond. Hare hand, waar ze gansch op
leunde, drukte dieper in het beddedons, en haar hoofdje zeeg traag
zijdewaarts, op haar naakten schouder. Nog gleden hare groene blikken,
van de vergulde versiersels der zoldering allangs de met dof-geel
brokaat behangen muren, lager over het klein marmeren toiletgerief tot
op het oranje tapijt met zijn bleek-karmijnen bloemen. Toen vloeide
alles saam in een plotselinge nattigheid en ze begon halfluide te
snikken. Haar hoofd schokte bij elk geweld van haar boezem en de
lichte kant die op haar borst rond blauwe snoerkens thoopfrommelde,
rok rap uit iedermaal. Dieper drong in het kussen de tengere hand en
dieper, al schokkend, zakte het hoofd. Op mekaar stapelden zich de
dikke haarlokken en zwaarder werd de rijkdom van het haargoud. De
arm plooide eindelijk en het gezichtje zeeg voorover, weg in dat
overvloedig goud. En Francine weende aldoor, gelaten in weldadigen
tranenvloed. Het lauwe leven, dat straks stille en matelijk door de
zoele kamerlucht asemde, was thans beroerd en overrompeld.

Als ze weer recht kroop, was heel rood heur aangezicht en glom het nat
uit rond de oogen, welke nog baadden in de sterke aandoening. Ze nam,
achter het kussen, het zijden doekje met lavendelwater, dat zij er 's
avonds had weggestopt, en vaagde daarmede alover haar voorhoofd, hare
wimpers en haar mond, binstwijl stille de opfrisschende geur snuivend
die walmde als een goed windje. De geur schoot, docht het haar,
tot binnen in hare hersens, zoodat hare kleine gedachtjes nevenseen
zeer duidelijk te voorschijn opwipten, gelijk soms in ochtendheesters,
wanneer 't gewaai van zonnelicht den nevel verdrijft, schoon zichtbaar
de verscheidene vogeltjes joepen, elk naar eigen gedoe ....

En ze dacht het eerst, op die manier, aan Simon Peter. Ze rok zich
uit, liet zich achterover zinken op hare ellebogen, lengde hare
beenen buiten de sargie en gleed zoo langs den malschen bedderug tot
op de witte groote vacht. Daar stonden, naast mekaar, hare kleine
poppevoetjes op de witte vacht. Ze leunde nog tegen het bed. Haar wit
lichte hemdje viel in rechte plooien nederwaarts, gansch wit waar het
haar lichaam niet raakte, en bleek koraal-rozig doorglanzend op den
klein-dubbelen boezem, op de heupen, op de beenen. Ze hief tegelijk
hare armen op en pakte, in twee mooie wrongen, het mooie haar boven
op haar hoofd samen. Maar het bleef daar niet thoopegeleid: 't zeeg
van de zwaarte tot in haar hals, waar 't gulden en gewichtig massief
rusten bleef.

Onderwijl dacht ze aan Simon Peter. Ze zag waarlijk zijn groote
struische gestalte, zijn bleek gelaat vol ernst en gepeinzen, zijne
zwarte oogen die zoo lang op haar konden staren en haar omdoen met
de goedheid die er uitstraalde onverpoosd. Ze zag dat wit gelaat met
den grooten zwarten baard en den forschen arendsneus erboven, zijn
blanke voorhoofd, marmerhard en fijn-gebult. Zij dacht waarlijk aan
hem, omdat hij zoo kalm-sterk was, zoo groot en edel-denkend, terwijl
zij zelve zoo klein en kinderachtig deed en zoo luttele gedachtekens
liet opflappen. Op die wijze, elke ochtends en veel overdag, dacht
zij aan hem. Hij was een machtiger broeder dan Ernest en hij had
breeder schouders om op te rusten. Nu dat moeder gestorven was,
bleef Simon als een schoone steun.

Ze trok hare kousen aan, stak hare voetjes in de roode muilslofjes,
die daar veerdig stonden, en pantoffelde korttrippelend naar de
toilettafel. Ze kwam vóór den hoogen spiegel staan en zag, in een rap
zicht over haar gansche lijf, hoe ze in 't blauwe kamerlicht oprankte
blank en blond en blozend tallenkant. Naast den spiegel, aan een
koperen knop hing het grijze morgenjapon, beverfd met kleine groene en
violette bloempjes, die door mekaar in het dichte gevouw wegschoven. Ze
wierp het lichte japon om hare schouders en 't golfde breed uit, woei
rond haar leên en ruischte langzaam tot het met rustige bloempjes
eindelijk nederhing. Toen schelde ze voor Mariëtte, de kamermeid.

Mariëtte kwam rap en gedienstig en hielp Francine in haar opschik. Ze
was zeer handig en beweeglijk. Omdat ze merkte dat Francine geweend
had, begon ze een vlug getater vol vriendelijkheid.

--Heeft mejuffrouw goed geslapen? .... O! Het is buiten zoo'n mooi
weer. Kijk maar naar 't venster, mejuffer. Echt lenteweer. Wil ik de
gordijn wegpakken?

--Ga uw gang, Mariëtte .... ik heb zoo'n hoofdpijn ..... Och!

't Groote ongeluk, dat moeder dood was, viel over haar, en ze zeide
nu dat ze hoofdpijn voelde om te toonen dat ze gevoelig was. Ze
boog sierlijk haar hoofdje, terwijl Mariëtte heur haar ontvlocht,
en ze zweeg, als in een droom luisterend naar het gebabbel van
de kamermeid. Ze begreep dat Mariëtte zoo dol doorpraatte uit
gedienstigheid en om den akeligen dag met lichte figuurkens in te
leiden. Maar ze schaamde zich erover, dat ze mocht beïnvloed worden
en zich verwijderen van haar smart. Ze zweeg maar, en mijmerde,
bleef lang uitkijken naar 't volle zonnelicht, dat met vrije geuten
binnenviel. Ze voelde 't ijverig vingerenwerk van Mariëtte om haar,
dat gejeuk op haar hoofd, 't kittelend gefleer van handen in roerende
haren. 't Maakte haar stil en lui. Ze dacht alweer aan Simon Peter ....

Vóór ze haar keurslijf aanreeg, bracht Mariëtte de dampende chocolade
en de beschuitjes met zeem. Ze bracht het op een breed Japansch
draagbord, zwart-verlakt en bebloemd met aardige versiersels,
goud-bespikkeld en opgelicht met klare verven. De witte dampende
chocoladepot, het honingvaatje, het bordje met beschuiten, het
broze tasje en 't zilverwerk, 't leuterde er fraai te midden, onder
de volle straling der zon. Terwijl Mariëtte zwijgend om de kamer
ijverde en alles nog te pas schikte voor verder gebruik, schoof
Francine een lagen stoel bij tafel, wierp er een licht kussen op en
zette zich te ontbijten. Ze schonk zonder aandacht den geurenden
drank, die uitwalmde de gansche kamer door en de kamerlauwte ging
verdikken. Ze liet de witte suikerkorreltjes er in regenen en al
smeltend weer tot schuim opborrelen. Ze brak de droge beschuitjes,
streek met het ronde smeermesje den gelen zeem erover en snuisterde
traagbekkend eraan. Snoezig hief ze hare lippen boven hare tanden
naar voren, om ze in de zoetigheid niet te bemorsen. Ze dronk met
kleine slokjes. Het kopje tikte kort, als zij 't op het porseleinen
bord nederzette. Dan speelde ze met het zilveren lepeltje, klonk het
tegen het witte tasje of deed het in evenwicht wiegen op haar duim.

--Wel, zei ze zuchtend, is mevrouw Verlat reeds op?

--Ja zeker, juffrouw, ze heeft het al zeer druk gehad dezen morgen,
maar mijnheer Peter helpt haar goed. Mijnheer Peter is zeer vroeg
aangekomen, juffrouw.

--O zoo! ....

Het lepeltje wiegelde op haar duim. Op het kristallen honingvaatje
blikkerde de zon. Francine smakte langzaam, dronk nog eens, bracht
hare roode lippen saam, thoopegefronst en gedrongen tot een klein
rond mondje. Toen zonk ze achterover tegen de leuning, in het lichte
kussen. Het zilveren lepeltje viel.

--Kijk eens, Mariëtte, vroeg ze, houdt ge niet waarlijk van deze kamer?

--Het is een mooie lieve kamer, mejuffrouw.

--Ja wel, eene lieve kamer .... maar mijne echte, breedere kamer,
ginds thuis, daar houd ik meer van .... Och, Mariëtte, roep toch even
Vere boven, zeg aan Mevrouw Verlat .... roep mevrouw Verlat .... het
is hier niet om uit te houden!

De deur klonk achter Mariëtte dicht. Francine stond schielijk recht
en schelde.

--Neen, zei ze somber, als Mariëtte de deur openstiet, ga maar liefst
niet .... 't Is gekheid. Ze zou gaan denken dat ik ziek ben. Ik zal
zelf wel beneden gaan.

Dan stiller en vriendelijk, zich nederzettend:

--Zie ik er ziekelijk uit, Mariëtte?

Mariëtte meende van neen. Een beetje koortsig, korzelig en gejaagd,
meende ze.

--O ik ben niet wel, Mariëtte, dat zal Vere wel merken. Mijne oogen
zijn betraand en gezwollen, niet waar? Mijn hoofd gloeit en klopt. Kunt
ge dat alles niet zien toch, Mariëtte?

--Haast niet, juffrouw, haast heelemaal niet, ik verzeker u.

Francine brak beschuitjes en kruimelde ze over de rood-bestippelde
servet. Daarbinst nam Mariëtte de muilslofjes weg en bracht schoenen
met hooge hakken. Op een laag bankje rustten Francine's kleine
voetjes. Mariëtte knoopte de spannende schoenen toe. 't Sloeg negen
uren beneden, op de groote klok van het vestibule.

--Hemel! hoe rap gaat de tijd! .... Wat zou Ernest nu doen? Heeft
hij dan heel den nacht ginder doorgebracht, Mariëtte?

--Ik geloof ja, juffrouw ....

--Dat is toch akelig, niet waar, Mariëtte? .... O! het is een groot
ongeluk!

Terwijl Mariëtte haar dat zwarte rouwkleed aantrok, sprak ze niet. Ze
had een ernstig gezichtje. Hare groene oogen keken ernstig rechtuit,
maar rozig waren haar wangen en haar mond bleef rood van frisch en
overdadig leven. Het kleed somberde om haar, gewichtig en zwaar. Het
deed nog feller opgloeien het goud van heur massieve haar, en haar
gelaat blonk klein en liefelijk uit, in blanke mooiheid en doorzichtige
blosjes daar langs. Bleek hingen, als bloemen, haar fijne handen
tegen het zwarte kleed.

Ze ging vóor den grooten spiegel staan, keerde zich half rechts om,
dan links, deed de plooien in den rok uitrekken of breken, boog haar
leên en hief haren arm. Ze lei een dubbele rang doffe gitparelen rond
haren hals. Ze wendde zich naar Mariëtte:

--Ik dank u--laat me alleen ....

Nog stond ze vóor den spiegel. De zon kaatste achter haar tegen het
gele brokaat van het muurbehangsel. Ze mompelde:

--Hoe bar zie ik er uit!

Ze nam uit een lade van de toilettafel een nieuw-zijden zakdoekje met
zwarte bolletjes op de randen, goot er een paar druppels reukwater op
en verliet de kamer. Op de trap moest ze zich bedenken of ze alles
bijhad en alles in orde was. Ze dacht nog eens vluggelings aan haar
geldtasje, haar poeierdoosje, haar pennemesje, haar drie kleine
sleuteltjes, haar zakdoekje .... Ze dacht even aan Simon Peter,
alsof hij daarbij hoorde. Ze had wel alles bij, en rustig gleed ze
de trap af in 't breede geruisch van haar nieuw kleed.

Ze vond hare schoonzuster in de verandah. Vere keek op, als ze
Francine's lichten stap hoorde kloppen op het houten parket. Haar
bleek-ovale gezicht met de diepe blauwe oogen kwam juist opsteken in
een smalle zonnestreep, die verder tegen den wand op het ebbenhouten
étagère een onyxen naakt-figuurtje zeer zonderling en bijna alleen te
beglanzen lag. Het naakt-figuurtje glom en al de rest vaagde weg in
ondergeschikte kleurenspeling: de groene muur met oker-bruine friezen,
de vele schilderijen daarop, bronzen beeldhouwwerk op het schouwblad,
de zwaar-groene meubileering, 't verdoezelde tot eene traag-levende
grijsheid. Hoofdzakelijk en met een zonnestraal bekletst glom het
naakt-figuurtje van onyx. Dat was aardig. Eronder blikte het stille
gelaat van Vere, vermoeid en te bleek. Stil glimlachte Vere's gelaat:

--Goêmorgen, liefje .... hebt ge wel wat gerust?

--Ach ja .... ach ja ....

Francine boog en kuste Vere op het voorhoofd. Toen schudde ze haar
kopje en kloeg:

--Ik voel me niet lekker .... zeker ....

--Och, zie! dat moet allemaal voorbijgaan; dat doet de tijd, mijn
zoete Fran.

--O! maar gij .... gij ziet zoo wit, wit .... wit ....

--Dat moet allemaal voorbij .... Het belangrijkste nu is,
dat wij erdoor geraken. Veel hangt van ons zelf af, vindt ge
niet? Waarachtig. Ik heb zeer veel medelijden met Ernest bijvoorbeeld.

--Ho! ik ook, beste Vere .... Arme jongen! En Simon heeft u goed
geholpen, niet waar?

--Simon is een edel man. Hij heeft hier alles geschikt. En nu is hij
ginder, bij Ernest, met Oomken.

--Met Oomken .... Hoe mal! Nu had ik Oomken heelemaal vergeten.

Ze rechtte zich en lachte meteen gulzig. Ze klopte met hare hakjes
tegen den vloer en gichelde zilverig:

--Dat is toch raar, ten minste .... Wel, Oomken!

Ze lachte door: Oomken! Oomken! .... Ze werd rood tot op hare
slapen en haar boezem schokte. Ze zweeg plots. Ze keek naar het
stapeltje doodbrieven, die, vóor Vere, op de groene tafel vlekten
wit-en-zwart. Ze vroeg ernstig, laag:

--Adressen schrijven? Nog .... ?

Ze zag ineens moeder liggen, moeder op het witte bed waar ze gisteren
en eergisteren lag, en straks de begrafenis. Ze zeeg op een stoel
neder en begon luide te snikken, aldoor jammerend:

--Moederken! .... mijn moederken! .... waar zijt ge nu?

Vere ging over haar neigen, vatte haar gansch in hare armen, zoende
haar in heur dichte haar en troostte met innig gestreel dat groote
leed, hetwelk zoo ineens en zoo geweldig opschoot. Francine wou
eindelijk bedaren. Maar nu wilde ze seffens bij moeder gaan, seffens
naar het andere huis, waar moeder lag. Ze moest nog eens moeder zien,
eer men ze wegdroeg.

--Kom .... kom rap .... Wilt ge niet gaan met mij?

Dan moest ze bloemen hebben. Waren er wel bloemen genoeg ginder? Dat
had Simon geschikt.. dat had Simon geschikt, ja, maar ze wilde het
precies weten. Ze was er zeker van dat er niet eens bloemen genoeg
waren. Ze wilde veel, veel bloemen, volle vrachten met witte en
teer-blauwe en paarse, versch geplukt en nog met frissche nattigheid
bepereld. Had daar dan niemand aan gedacht? Dat was toch niet
mogelijk. Vere zei dat ze de groote koets zou doen inspannen. Maar
neen, dat duurt, en hoe laat is het, hoe laat reeds is het, in Gods
name? Ze zouden saam te voet gaan. Roep gauw Mariëtte. Ze zouden enkel
haar kapeliene opwerpen, en Mariëtte zou medeloopen om de bloemen
te dragen, gedeeltelijk. Dat geraakt zoo wel in orde. Ze hijgde,
en kuste, bij vlagen van zenuwachtigheid, Vere die knikte met dikke,
ernstige tranen in hare oogen.

--Kom .... kom .... och kom!

Geen verzet baatte. Vere dacht dat Francine op straat redelijk
en kalm zou worden, en ze riep Mariëtte. Ze kleedden zich aan in
allerhaast, speldden de groote zwarte vool vast aan hun hoed en
drilden koortsig langs de huizen. Mariëtte volgde. Ze drilden, dicht
bij mekaar gedrongen. Vere, grooter en breeder dan Francine, leidde den
gang. Francine hing aan haar arm. De blijde lentezon viel van de daken,
plaste op de grijze steenen, flikkerde tegen de ruiten. Leven roerde
allentwege en de zon gloorde daar te midden, wipte langs loopende
menschen heen, vlekte kleurig op trams en rijtuigen en wagens uiteen,
of rustte, als een groote vlinder met onrustige vlerken, op een vlak
verlaten plein.

Op een plein, achter de St. Bonifaciuskerk, vonden ze een
bloemenwinkel. Ze hadden niet gesproken onderwege. Ontspannen jubelde
Francine:

--Dàar! dàar!

Vooruit liep ze binnen. Ze zag niet om naar de oude juffrouw, die met
een stroopgezicht naar haar toe kwam suikerlachen. Ze bestelde zonder
mate. Vroege lelies waren uitgestald bij bundels, krokuskelken dicht
bijeen, zeldzame tulpen, violen van Parma en geurende tubereuzen. Ze
kocht alles op en stapelde de bloemen in Mariëtte's armen op hoopen. Ze
belaadde Vere met violen. Gedurig blonken tranen door hare wimpers,
die ze wegvingerde ongemerkt. Dan betaalde ze en weer waren alle drie
op weg. Francine wilde van geen huurrijtuig weten. Ze hoorde hare
harde hielen slaan op de steenen en 't schokte weldadig door haar
lijf op. Ze trippelde in de zon. De zon stoof uit in de lucht, waar
ontelbare lichtkorrels dooreenwemelden, en zij omdeed alles met eene
verkwikkende warmte die traagzaam en doordringend was. Francine meende
dat hare gedachten als klare vaantjes in de zon wapperden en dat hare
smart heel klein uitvloeide onder het groote groote licht. Ze vermeed
de schaduwzijden der straat om gansch in de klaterende zonplassen
te plonsen, en ze keek tusschenbeide om naar Mariëtte, zich gauw
eens deugd doende aan 't schaterend gedoe der bloemen, die, gelijk
een gewichtig belang, sterk de zon naar voren droegen. Ze waren een
gewichtig belang in het overige bedrijf der stad.

Als Francine op de Regentielaan kwam, kon ze niet meer zoo hard
loopen. Ze hing zwaar aan Vere's arm en hare rokken sleepten. Ze
werd zeer angstig en stond daar nu te hijgen vóor de groote poort
van het hoogstille huis. Het docht haar dat het een vreemde woonste
was; ze herkende niet goed meer den platten drempelarduin en de twee
zwart marmeren bollen die, van weerskanten de poort, den muur voor
wielen-aanstoot bevrijdden. Ook de elektrische bel rinkelde zonderling
daarbinnen ....

Bij de deur van het salon liet ze hare bloemen vallen, hare armen
zegen omlaag en ze stond te staren naar Ko, den ouden knecht, die
in zijn nieuw rouwpak vóor haar, tegen het gedempte vensterlicht,
opsomberde. Onwillekeurig vroeg ze:

--Zijt gij het, Ko?

Seffens trad, uit de nevenkamer, mijnheer du Bessy. Hij liep met
open armen naar Francine en Vere, omhelsde ze en kon niet spreken eer
hij drie-viermaal een dikken snik met geweld had neergezwolgen. Toen
hakkelde hij:

--Och, kinderen, wat doet ge hier?

Vere vouwde haar vool zijlings op en bracht insgelijks Francine's
vool alover hare schouders. Vere was uitermate bleek.

--Fran wilde bloemen brengen, zeide ze.

--O ja, weende Francine, o ja, Oomken, als het u belieft, laat me
bij moederken gaan!

Mijnheer du Bessy schudde zijn hoofd. Hij zag er wel oud uit, mijnheer
du Bessy; maar, gelijk altijd, waren zijn blinkende haren, schoon
zwart geverfd, geleid in een wit-rechte streep tot op zijn hoog-witte
halsboordje van achter, en zijn snor en kinnebaardje zwart-glansden
onverbeterlijk. Hij zag er zeer oud uit. Rimpelige zakjes bultten
onder zijn oogen en zijn voorhoofd lag gebroken menigmaal. Boven zijn
hagelwit dasje en zijn zwarten rok was zijn aangezicht bijna geel. Hij
schudde zijn hoofd en sloot radeloos Francine in zijne armen. Hij
blikte benauwd naar Vere, alsof hij zeggen wou: Wat moeten we nu doen,
lieve hemel! Hij vroeg:

--Waar is Ernest?

Hij keerde zich om naar de kleine nevenkamer en vroeg het nog:

--Simon, waar is Ernest?

Uit de nevenkamer trad nu de stille Simon Peter te voorschijn. Zijn
groote gestalte steeg boven het bleeke tapijt en groeide ontzaglijk
tegen de klaarte die daarnaast volop aan het zonnen was. Hij groette
stil. Hij deed zoo stil over zijn gansch wezen en hij was gelijk
een die blijft in kiesche verwachting. Hij merkte mijnheer du Bessy's
wanhoop, maar wist geen raad. Ernest was in de groote kamer met pastoor
Doening, zei hij. Hij sprak bijna fluisterend. Hij nam Francine bij
de hand, nadat hij de gevallen bloemen had opgeraapt. Hij leidde
Francine uit het schemerige salon en Vere volgde met Oomken.

In het kleine nevenplaatsje leefde fraai en kwistig de Meizon. Simon
had het venster wijdopen gezet, dat uitzicht gaf op den tuin. De
tuin was lichtgroen en prevelde. Kleine windjes voeren langs het
jonge getwijg en vogeltjes tjirrelden door elkander. De Lente asemde
binnen. Bijen kwamen tot in het raam wiegen, gonsden langs de ruiten
op en schoten weg, de vrije ruimte door.

--Rust hier een beetje, juffrouw Francine, zei Simon.

Hij schoof op de tafel de groote zilveren schaal zijwaarts,
welke vol met kaartjes en brieven stond, en deed Mariëtte de dikke
bloemenvracht daar leggen. Toen sprak hij, op zijn stille manier, van
de bloemen. Zij geurden zoo versch, zei hij. Ze waren zoo helkleurig,
zoo gansch mooi. Waar had ze zulke mooie gekregen? O dáar, op den
hoek van dat bloote plein? Zoo! Hij kende den winkel wel. Hij kende
de oude juffrouw wel, met haar jeleivette kin en haar honinglachje.

--Ja, ja.... lachte Francine, zóo is ze. Hoor eens aan, Vere, was de
juffrouw niet waarlijk zóo?

Stil sprak Simon van de bloemen. Het was nog niet de volle tijd van de
heerlijke bloemen, maar deze bleek-paarse tulpen waren zeldzaam. Had
juffrouw Francine die zelf gekozen? Francine knikte gretig. Simon
dacht het wel dat zij die gekozen had om hunne wonderteere kleur. En
deze ongemeene tubereuzen? Hield ze veel van tubereuzen? En mevrouw
Verlat? Hij hield meer van viooltjes. Die ruiken niet zoo sterk,
maar de herinnering ervan is trouwer. Francine zei met gulzigheid:

--Ik heb vooral viooltjes gevraagd, niet waar, Vere?

De lelies vond hij uitstekend. Hij prees ze zeer. Hij kon er lang
over praten. Mijnheer du Bessy was geneigd een vers uit het Ars
Amandi van St.-Gomair bij deze gelegenheid te pas te brengen. Hij
wist ook een hoop liefelijks van de leliën te vertellen en 't schoot
hem almeteen te binnen. Maar iets kropte ongelijk in zijne keel,
en hij zweeg. Hij voelde ook dat hij niet zoo bedaard en zacht als
Simon zou kunnen spreken. Hij luisterde meegaande. Vere insgelijks
luisterde met geveinsde belangstelling. Ze deden aldus getweeën mede
aan het broze werk, dat Simon langs eenvormige woorden optrok rond
Francine. Ze luisterden in gedwongen houding, terwijl elders hunne
bezorgde aandacht verwijlde. En krokus had juffrouw Francine ook
medegebracht. Hoe minzaam ziet er het fijne krokuskelkje uit! Krokus
doet zoo heerlijk tenger in een Kopenhaagsch vaasje, wist ze dat wel?

--Ik heb op mijne kamer Kopenhaagsch goed, eenig mooi, mijnheer Simon.

--Hewel, in zoo'n vaasje, laat er een trosselken krokus in
bellen. Francine zuchtte:

--Moeder hield zoo veel van die witte krokus ....

Ze stond dan ineens verschrikt recht en keek verward rond. Ze toetste
plots het heimelijk ongemak dat hier in huis spookte, en begon te
huilen. Niets troostte haar meer. Ze kreet dat ze bij moeder moest,
en dat al de bloemen voor moeder waren. Ze wilde naar boven ijlen, in
moeders kamer. Simon hield haar zacht tegen en Oomken, binstdat zijn
gemoed volschoot, schudde zijn kop. Moeder lag niet meer in hare kamer.

--Waar dan? Waar dan, als het u blieft? Waarom spreekt gijlie nu
niet meer?

Ze smeekte. Ze ging Vere kussen en weende op Vere's schouder. Simon
vertrok schielijk; hij zou eens gaan kijken, en ze moesten alle drie
wachten tot hij terugkwam. Francine bad:

--Wat hebben ze met moederken gedaan? Oomkelief, waarom moet ik
wachten? Waar is Ernest?

Oomken stotterde, mompelde tusschen zijne tanden, kon niets dan
schuddebollen. En Vere zweeg. Vere was uitermate bleek en hare blauwe
oogen waren als met een grijs floers omhangen.

--O, steende Francine, ik weet het wel, Vere, wat gij denkt. Ik mag
het wel zeggen wat ge denkt. Ge denkt dat moeder u niet liefhad. O,
ik heb zoo veel verdriet!..

--Neen, Fran, dat denk ik niet. God beware me, hoe kunt ge dat zeggen?

--Ik weet het. Ik zie het toch. Och, moeder heeft u misschien iets
misdaan .... in den beginne .... maar ze had u toch lief, nadien ....

--Zij heeft mij niets misdaan, Fran. Evenmin als mijn vader. Ik denk
aan mijn vader, Fran. Ik denk aan alles .... Ik denk ....

Koortsig sloeg Francine hare beide armen om Vere's hals en snikte. Vere
mocht niet boos zijn op haar. Vere moest haar vergiffenis schenken.

--Ik ben zoo diep ongelukkig, Vere-lief.

Simon kwam en gaf een teeken dat ze gaan zouden. Hij scheen zeer
bezorgd en keek steelsgewijs op naar Francine, die, snikkend en
betraand, met moeite al hare bloemen van de tafel opnam in hare
handen. Ze gingen zwijgend het breede vestibule door en zagen over de
deur van de hooge ontvangstzaal hangen de zwarte gordijnen met zilveren
franjen. Was het dáar? Francine werd bang en blikte verbaasd in het
stille gelaat van Simon. Ze voelde dat hare beenen zouden knikken en
dat ze te wege was lang-uit achterover te stuiken. Hare handen beefden
om de zware bloemenlading. Simon schoof de gordijn op zijde, opende
langzaam de dubbele deur en de groote kamer gaapte als een nacht.

Onder het gele licht van de twaalf kaarsen rees het praalbed. Links
zat pastoor Doening geknield en aan den anderen kant stond Ernest
staakrecht in zijn zwarten rok. Op het praalbed, in de opene kist
die nu haast onzichtbaar onder de vele kronen verkleurde, lag moeder,
wit, wit, bijna doorzichtig, licht-wit.

Vere boog, onder haar zwarte vool, haar hoofd, en bracht de handen
saam in biddende houding. Francine trad met rappe schokken vooruit,
ging stijf, stokkig-stappend, het gansche lijf als een rechten paal
voorover stekend. Ze reikte zenuwachtig de levende bloemen. Ze reikte
de bloemen terwijl ze nog voortschokte op hare klinkende hakken, en
haar mondje viel open, en hare groene oogen werden rond en uitermate
groot. Ernest keek niet op; maar pastoor Doening hief zich recht en
zijn grijze hoofd neeg naar Francine. Mijnheer du Bessy beet op zijne
lippen. Simon had stil de deur dichtgedaan.





III.

DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE

(Slot.)


Toen de kist in de statige lijkkoets was opgesloten kwam de
ceremoniemeester buigen vóor Ernest Verlat en mijnheer du Bessy, die,
getweeën, als eenige geleiders van den rouw, in de duistere kamer
waren gebleven. Ze hadden er de vele vrienden en kennissen ontvangen,
die al te reke het praalbed waren voorbijgeschoven, gelijk zwijgende
schimmen, al te reke malkander vooruitduwend en glijdend met witte
onverschillige gezichten .... De ceremoniemeester boog en dit was
het teeken, dat alles vaardig wachtte. Ernest trad met Oomken het
vestibule door en stond een oogenblikje verblind door het helle
straatlicht, op den drempel van de breede huispoort. Ook de poort was
met zwarte draperieën behangen. Ernest voelde hun zware somberheid
wegen boven hem, onder het geweldige licht. Hij pinkoogde in de zon,
merkte ineens al de hoofden van het toekijkende volk gericht naar
hem. 't Besef klaarde op in zijn geest, dat hij, op deze stonde,
de groote figuur was van de gebeurende plechtigheid. De oogen van
het volk staken op hem als naalden en, in een rappe gewaarwording,
vatte hij de vragende houding van al die geesten:

--Is hij aangedaan? Weent hij? Ziet hij er bleek uit? Is hij ziek? Is
hij waarlijk een boemelaar? Het schijnt dat zijne moeder van verdriet
gestorven is? Hij is verouderd, geloof ik?

Hij kwam zijn eigen vóor als een barakgek met uitgestalde smarte, ten
beste overgegeven aan het nieuwsgierig gepeupel. En toch, al voelde
hij diep het valsch-klaterige van zijn toestand, toch lette hij erop,
om sympathiek te blijven. Het streelde zijn leed, dat de menschen
zouden zien en zeggen: Arme jongen! hoe hard een slag is het hem! ....

Hij bleef dus een oogenblik op den drempel staan onder het wegend
zwarte floers. Hij zag vooraan, midden in de straat, den grooten
vierkanten wagen, van bovenaan, waar het kruis zilverblinkend
uitstak, tot over de wielen behangen met kransen en bloemen, sterk
schitterend tegen het grauwe gelommerte dat onder de olmenkronen
der laan te donkeren hing. Een leegte was rond den wagen. De grijze
straatsteenen waren er bekletst met zinderende zon en, dáar, eendelijk,
een beetje gebogen in zijn nauwe kleed en blootshoofds, stond
pastoor Doening. Verder krioelde, somber, massaal, laag-ruischend,
de menigte. Ernest trad vooruit, langs de blakke steenenleegte,
in de zinderende zon. De zon stortte op zijn voorhoofd en trilde,
gelijk tikkelende lichtdroppels, op zijne goud-omrande brilglazen. Hij
boog rijzekens zijn hoofd, ging onder al die blikken, als onder een
lage brug, heen en sloot half zijne oogen. Een zenuw trok de puntjes
van zijn mond omlaag naar zijne kin. Hij behield nadien met opzet de
drukking van die zenuw, en voelde daardoor over zijn aangezicht komen
een masker van innige, nu gelaten lijdelijkheid. Zoo was dan zijne
houding, die hem in overeenstemming moest brengen met het karakter zelf
van de pijnlijke plechtigheid. Hij deed het voor 't publiek. Hij kon
zich aan den drang niet onttrekken, om de nieuwsgierigheid van die
loerende koppen te beantwoorden. Hij veinsde niet zijn leed, maar
hij voelde zich gedwongen zijn leed te toonen. Hij wilde begrepen
worden. Hij kon niet anders ....

Hij behield deze aangezette uiterlijkheid heel den weg door. Hij
behield ze in de kerk, terwijl de zeven pastoors om het hooge
catafalque de lange, triestige zangen zongen, en terwijl, vóor
hem, en op een trage rij, al het zwarte volk ter offerande
voorbij slofferde. Hij keek er niet naar. Hij had, over de
fluweelen stoelleuning zijn aangezicht gebogen en bleef zoo,
onbeweeglijk. Hij zag, van al die opkomende menschen, alleen de
verschillige voetenparen. De voeten slierden op de blauwe kareelen
te voorschijn overhand, klein-stappend en ongemakkelijk, tot ze, in
het heengaan, vasteren gang kregen en rap wegzoolden al piepend. Hij
raadde echter de koppen die boven hem uitstaken, de bloote koppen,
met nuchtere gelaten, van lui, die akelig-ernstig uitkijken en gemeen
worden in plechtigheid. Allen wierpen gauw een blik op hem, dat raadde
hij. Het kleine gedacht, dat hij vermenigvuldigd voelde opduiken boven
die roerende lijn van koppen, speelde als een streelende schemering
om zijn hoofd:

--Och ja, hij is wel verslagen .... waarlijk, hij ziet er verslagen
uit ....

En zoo, eender gezegde aan eender gezegde, voort. Na den dienst in de
kerk, moest hij met mijnheer du Bessy en pastoor Doening in een rijtuig
stijgen, en ze reden de stad door, de voorstede en buitenwijken door,
eindelijk in 't volle veld, langs den Leuvenschen steenweg, naar het
kerkhof. Hij zag de gevels in zonnekladden voorbij blekkeren. Hij zag,
tegen de zwarte diepte van het rijtuig het droef-bleeke gezicht van
Oomken boven het glanzende boordje en de helwitte das. Daarnaast,
precies verder in de donkerte, het stilopklarend hoofd van pastoor
Doening, die droomend, langs de portière, uitkeek naar de zon. Hij
voelde altijd een onduidelijk ongemak, in de aanwezigheid van den
ouden droomenden man ....

Op het kerkhof, terwijl hij weer achter het lijk te voet tusschen
de vele prachtzerken heenstapte, herkwam in zijne hersens dat sterke
bonzen van dezen morgen. Was het dat de scheiding hem nu duidelijker
en pijnlijker docht? Er spookte iets om hem, iets dat hier in de
lucht hing, dat bedeeld was met de groote rustigheid van deze aarde,
zoo zeldzaam door hem betreden. Daar waarde een vlucht van onzichtbare
wezens, vlerken die ver zich uitrepten, alsof ze reikten boven aarde
en uren. Hier, in deze omwaaiende heimelijkheid, zou voortaan moeder
begraven zijn. Hij beeldde zich gedurig in, al starende naar de
zilveren franjen die waggelden over de kist:

--Daar ligt ze, zoo dichtebij ....

Hij raakte haast haar hoofd .... Hier zou ze liggen, onder het
verschillig bedrijf der seizoenen, jaren en jaren eenderlijk. Hij had
rozen om hare slapen geleid. Zoo zou ze liggen. En 't dreunde op zijn
schedelbeen, gelijk hamerslagen;

--Moeder.... moederken....

Droog bleven zijne oogen. In zijne borst, met zijn adem mee, zwoegde
een onstuimige golving. Hij onderhield ze met zijn droef-spekuleerend
gedacht, wilde zijn pijn langs een hijgenden omgang in eene warme,
lyrische hoogte brengen, waar hij zou kunnen weenen. Hij volhardde in
het gistend uitbeelden van moeders dood, voelde de zenuwsmart die de
klopping joeg door zijne hersens. En 't kwam alles op moeder neder,
op dat lieve ding, dat wit uitlengde binnen de harde kist en in den
drang van de stuwende menigte werd weggedragen.

Hij staat vóor het graf. De zwarte wagen staat stille vóor het
graf. Het volk ruischt aan, perst zich in een wijden kring, en wordt
gansch stil. Na het eenvormig wielen-gedaver en 't langzaam gekloef
van paarden, na het gelijke, aaneensloffend geluid, daarachter, van
al die slenterende menschenvoeten, valt nu, plotselijk, de stille
lucht alom. De stilte valt als eene schrikkelijke voorbereiding. Het
dunkt Ernest, dat de slagen harder en harder aanstormen tegen zijne
slapen. De kist wordt bloot uit de bloemen gehaald; op de berrie, laag
bij den grond, ligt de kist. De priesters, in wit gewaad, kleuren onder
de zon, de wierook walmt zwaar, de half-luide gebeden gonzen om. De
kist is het middelpunt van alles, ligt daar in haar geelbruinen eik,
en de zon leutert op elken koperen knop. Het zilveren kruis spettert
op de borst van de kist.

O moeder, vergeef het verdragen leed. Zie uw zoon aan, die bedwelmd
in zijn zwakheid ommeduizelt. Hij tracht zijn eigen te herkennen en
verliest zijn eenvoud in al zijne onmacht. Hij weet nog wel, lieve
moeder, uwe ontelbare weldaden, uwe goedheid die zonder einde was. Hij
herinnert zich zeer hoe hij u heeft miskend, hoe hij twijfelde aan
uwe zorgen en onverschillig bleef bij uwe wanhoop. Wat zal hij doen,
nu hij achterblijft met het beeld van uwe liefde en gij niet meer
komen zult om te zien hoe innig-trouw hij het bewaart? O moeder,
zie mij aan. Ik weet niet hoe te handelen met die menschen. Ik wil
vergaan in mijn leed, ik wil alleen zijn met u, ik wil u vereeren
met de hulde van mijne wroeging. Moeder, moeder, ik heb u verwoest
en ik heb u zóo lief!....

Krijscht daar niet eene koord om het hout? Gaapt
daar niet de sterke aarde? Het bonst, het stoot, het
dondert. Moeder! .... Moederken! .... Rustig gaapt de aarde, en
rustig staat, nevens de holte, de berrie bloot. Nu breekt het, nu,
eindelijk, breekt er iets in zijn hoofd, de felle warmte schiet
op rond hem en overdoet hem gansch. Een donkere man staat tegen
den gulden muur der zon, nadert zonder oogen, reikt bloemen en
bloemen. Het schemert en het danst alles in de ronde, wat oprijst
tegen den geweldigen zonnemuur. Ernest ziet nog, daar diepe, het
zilveren kruis op de borst van de kist. Hij raadt nog de koperen
knoppen, maar de eikenkleur smelt weg in de struische verve van den
grond. Hij laat de bloemen neerbladeren, staat een poosje versteend
met opgeheven arm. Oomken dringt hem zoetekens zijdewaarts en werpt
ook bloemen. Dan komt iedereen, en iedereen heft boven het graf een
trage hand, en de bloemen rijzen, kelkje na kelkje.

Pastoor Doening neemt Ernest onder den arm, klopt gemoedelijk op
zijne hand:

--Ween zoo niet, mijn jongen, zegt hij, uwe moeder is thans gelukkig
....

Hij kijkt verwonderd op. Hij blikt in 't kalme gezicht van pastoor
Doening. Ween ik? peinst hij. Hij spreekt niet. Hij staart onthutst,
merkt zeer duidelijk de droge lippen van pastoor Doening, en de zon,
metallisch, stippelend op zijn grijze hoofd. O ja, nu voelt hij
't. Nu is 't goed. Nu weent hij waarlijk. Pastoor Doening moet het
zien. Laat het hem maar zien. Hij drukt op den arm van den ouden man,
plots zeer vertrouwelijk. Hij durft nu opzien naar het zwijgend gelaat
van den ouden droomenden man ....

Heel den middag sliep hij. Hij was overmoede, had zich thuis seffens
ontdaan van Oomken, om gauw zijne studeerkamer te bereiken. De roode
gordijnen van het breede venster boven zijne leestafel, deed hij
dicht en de dag, die toch binnendrong, kwam om gansch de kamer een
rozige klaarte leggen. Hij zette zich in een lagen leunstoel en sloot,
al denkend, zijne oogen. Hij dacht over de gebeurtenis na, over de
verleden dagen en over de toekomst. Hij had een gevoel van ontlasting,
die zijne overspannen zenuwen bevrijdde en tevens de moeheid in zijne
leden verduidelijkte. De leelijkste uren waren voorbij, de rest zou
geleidelijk gebeuren. Hij was niet ontevreden over zijne houding sinds
moeder's dood. Ofschoon hij 't niet precies beredeneerde, streek eene
snelle streeling langs zijn geest: hij had zich goed gedragen. Hij
beschouwde 't inderdaad als een rol, dien hij had moeten vervullen. Hij
dierf zijn eigen niet in deze ware klaarte bezien, maar, hoe hij zich
ook beloog met romantische middeltjes, de klaarte schoot door zijne
gedachten. Hij wist dat hij "speelde." Hij veinsde niet, hij huichelde
niet: hij dichtte om bestwil, fantazeerde meegaandelijk, kleedde, naar
den eisch der omstandigheden, zijne minste aandoeningen. Nu, terwijl
hij in eenigheid te denken zat, kon hij zonder uiterlijke ornamenten
aan zijne moeder denken. Hij dacht aan haar met veel liefde; maar hij
verwonderde zich dat zij al zooverre van hem verwijderd was. Binstdat
een grijze vaak op zijne oogen kwam wegen, kon hij nog dit gevoel
ontleden, want werktuigelijk liet hij niets in zijn idee ongemerkt of
onbegrepen voorbijgaan. Hij bekende dat moeder hem al zoo verre scheen.

In der waarheid was moeder dood. Hij had zich dat van den beginne
af aan met redelijkheid opgedrongen, en de zenuwkoorts had hij er
met gevoelsbombast bij gehaald. De hartstochtelijke en plechtige
gevalletjes van de laatste drie dagen waren parasiet-uitslagen van
die zenuwkoorts. Het groote leed lag dieper en de gebeurtenis was
van algemeener aard. Moeder was dood. Het overige was ziekelijk
verzinsel en gestikuleerende romantiek. Iedereen moet eens sterven,
en moeder was gestorven. Daarom had hij er zich van kunnen overtuigen,
dat alles redelijk was toegegaan. Daarom ook docht het hem nu, na al
de vele smarteffekten en zijn verschillig opgewonden bedrijf, na de
vooruit beraamde plechtigheid en, tusschen-in, de kleine opborreling
van zijne waarachtige wroeging, dat het echte ongeval verder reikte
in het verleden en dat de doode zich reeds verwijderd had.

Hij sliep in, langzaam en zacht. Als hij wakker schoot, was de
venstergordijn doffer geworden. De gloed, binnen de kamer, voer
doezelig om, begrauwd met de twijfelachtige schaduw van vespertijd. Hij
schoot wakker met een schok, en seffens herviel hij, rond moeders
afsterven, in gepeinzen. Zijn hoofd werd rustiger. Hij voelde zich
verkeeren op eene plaats van overgang. Het gebeurde was af. De toekomst
zou gebeuren met een versch en ongeraden gelaat.

De sukkelige Ko, stijf in zijn rouwpak, bracht een schotel met
brieven. Terwijl hij weer vertrok en zijn ronden zwarten rug opstak
in het klaardere deurgat, ging Ernest hem na. 't Was of hij denken zou:

--Hoe speelt deze zijn deel in de komedie?

Hij had gelet op het zeer treurende aangezicht van Ko. Ko zag er
oprecht uit, maar het was misschien een simpel teeken dat hij zich
goed uitdrukken kon. Ko werd, reeds vóor twee-en-twintig jaren,
in den dienst van mevrouw Chanteraine aangenomen. Het was niet
onwaarschijnlijk dat de oude kerel zich aan zijne meesteres gewend
had of gehecht. Hoelang zou zijne droefheid duren?

De zilveren schotel stond vóor Ernest, en de witte brieven schervelden
er over elkander. Daar lag weer een stapel uiterlijkheid van
spelende menschen. Daar moest hij doorwoelen en nieuwe gezichten
voorbereiden. Als hij die menschen ontmoette ergens, zou hij weer
maskeren en jagen, in overeenstemming met wat elk van hen geschreven
had. Hij kon zich daarvan niet bevrijden. Het was gek en onmenschelijk,
maar hij wist toch goed dat hij het doen zou. Hij nam enkele brieven,
brak den omslag, keek naar de handteekening of alleen naar het
geschrift, en lei ze op zijde, om later te lezen.

Hij deed zoo met velen. 't Waren brieven van nauwbekenden, korte
woorden van hooge lui of lange plattigheidjes van onderdanen Een
brief was er van Florjan Pacôme, den schilder van bar-meiden. Hij
herinnerde zich ineens dat hij de smalle puntschoenen van Florjan
over de blauwe kerkkareelen had zien ter offerande doorschuiven. De
jongen schreef nu over zijne deelneming in Ernest's verdriet. Ernest
glimlachte even. Hij zag hoe Florjan het briefje had geschreven:
lang en mager, gebogen over een taveernetafel, met zijne fijne spitse
vingeren alle tien op het geurend papiertje en onhandig de pen langs
krulletjes omvoerend. Waarlijk, het briefje geurde. Een gemeene
heliotroopreuk walmde boven de kleine ongelijke letters. Het was, tot
in het uiterste, Florjan's karakter: alles wilde hij fijn en keurig
aanleggen, zooals hij er in zijn kunst geraffineerd-modern wilde
uitzien. Zijne deelneming lag in een slimmen omdraai van gezochte en
gemanierde woorden. Ernest lei het briefje op zijde. Hij peinsde:

--Deze veinst, maar heeft zich blootgemaakt.

Hij kon er geen oogenblik aan denken dat Florjan's medelijden oprecht
was. Florjan was, meende hij, bij uitmuntendheid een huichelaar. Al wat
hij deed, aan schilderkunde of anderszins, was tweeslachtig of droeg,
duidelijk, den stempel van plagiaat. Florjan had een zeer ontwikkeld
assimilatievermogen; maar hij kon het niet, dan op een laag peil en
in vieze bedrijven, gebruiken. Gelijk hij bestond echter, toonde hij
zich. Daar lette Ernest bijzonderlijk op. Florjan was, van éen stuk,
een kortgewiekte bedrieger. Zoo gedroeg hij zich dan toch, op slot
van rekening, als een eenvoudig-recht-handelend man, die nooit hoefde
met zijn eigen in konflikt te treden. Binstdat Ernest mijmerde in
dezen zin, ontsloot hij werktuigelijk de andere brieven. In zijn
geest schoven de menschen voorbij, snel en eenderlijk.

Bij den brief van Rupert Sörge schoot óp zijne aandacht. Hij las
langzaam den korten brief, terwijl hij zich de sierlijke gestalte te
binnen bracht van den nieuwen vriend, welken hij, evenals Simon Peter,
in het atelier van Pacôme had opgedaan. Hij zag Sörge's bleek-ovale
gezicht, met de diep-gloeiende oogen, het zwarte snorretje, de
glanzende favoris, en het evenrondlokkend blauw-zwarte haar. Het trof
hem nu hoe fijn Sörge zich aanstelde in alles, en deze brief insgelijks
was subtiel-sober, gelijk al wat hij deed of gebaarde. Hij had de
weldadige goedheid van Peter, maar ze was fijner-gesnaard en drong,
als met broze draadjes, verder en dieper. Hij was geen kunstenaar. Hij
leefde rijk, zijn leven vullend met zijn eigen. Ernest was seffens
groot vriend met hem geworden, en bekende dat hij een buitengewoon
mensch was. Driemaal herlas hij het briefje. De woorden, daar stille
en ongekunsteld neergelegd, rankten saam tot eene stemming vol echte
en klare gevoeligheid. 't Was alsof hij neerblikte in de pure diepte
van vijvervrede. Het deed hem sterk aan.

Juist klopte Simon Peter en trad binnen. Hij zette zich onder het
breede venster. Zijn zwarte baard somberde weg in de zwaarte van zijn
zwarte frak, maar bleek blonk zijn hoog voorhoofd. Hij zat heel recht,
vroeg zacht:

--Hee-wel! ouwe jongen, gaat ge u wat opknappen?

Zijne handen rustten wit op zijne knieën. Zijne stem klonk als een
zoete troost. Ernest zuchtte eens, keek langzaam op, knikte. Hij voelde
zoo duidelijk dat Simon bevreesd was hem alleen te laten, en dat hij
nu kwam praten om 't naderen van den avondstond te bedekken met gewone
geluiden en gewoon gebaar. Hij was er dankbaar voor en wilde toonen ook
dat hij 't noodig had. Hij wachtte, eer hij sprak. De korte stilte lag
bloot op de wonde, die Simon heelen wilde. Toen zei Ernest dat hij veel
beter was, dat hij geslapen had en zich thans probeerde op te beuren.

--Het zal wel gaan, mijn goede Simon. Ik dank u hartelijk.

--Och ja, troostte Simon, ge moet maar naar voren opblikken. Dat
is heel de zaak. Met dat verdiepen in gedane dingen, dat eenvormig
inwerken in 't verleden, schiet ge niet op. Ge ontzenuwt gansch,
demoralizeert en ontbindt u, wordt een rotte lap. Ik wil u niet den
troost geven van volzinnen, Ernest. Ik vind dat uw leed moet zijn volte
hebben en dan traagzaam kan vergaan. Ik vind het goed alzoo. Het is de
waarheid, die niet kan getroost worden noch verborgen. Maar ik zeg u:
spekuleer niet met het verleden. Kijk voorwaarts.

Ernest knikte ja. Hij zou doen zooals Simon 't aanried. Veel toch
hing van eigen wilskracht af, en hij zou zich in acht nemen. Hij
sprak onwillekeurig van Sörge's brief:

--Daar hebt ge Sörge, zei hij. Hij schrijft dat hij niet troosten wil,
maar zijne vriendschap aanbiedt als een steun. Lees eens zijn brief,
Simon. Hij is vol roerende simpelheid. Het spijt me dat ge niet zoo
erg met Rupert ingenomen zijt als ik.

--Ja toch.... waar haalt ge dat?

--Wees niet overmoedig. Ik zie het best. Als Rupert bij me komt,
wordt ge somber en stilzwijgend. Meent ge dat hij hier eene reeds
bezeten plaats wil innemen? Onzin.

--Ik begrijp u niet, waarlijk niet.

--Ik meen: vreest gij dat hij u kwetst in uwe vriendschap voor ons,
of dat hij mij treft in mijne genegenheid voor u? Onzin, onzin. Hij
is heel anders dan gij. Hij beweegt zich op een gansch verschillend
terrein. Hij is zoo schrander en zoo fijngevoelig, zoo uitmuntend
hedendaagsch. Is er iets dat moet verdedigd worden bij hem? Simon,
zeg het mij. Wat hapert er?

--Maar, lieve vriend, ik ben heelemaal op zulke vragen niet
voorbereid. Daar komt ge nu ineens mede voor den dag. Ik ben zeer
verwonderd. Ik weet niet wat ge bedoelt. Ik herhaal: ik weet het niet,
Ernest. Wat wilt ge mij doen zeggen? Ik waardeer Sörge zeer. Hij is
een allergevoeligst man en een sterke geest. Al oefent hij in schijn
geen kunst, hij is grooter kunstenaar dan wij allen: zijn onweergâlijk
meesterstuk is hij zelf. Ik stel hem hoog op prijs. Dat hoort ge
nu. Maar ik voel me niet, in losse genegenheid, aangetrokken door hem.

--O! daar heb ik u! Daar hapert iets.... zei ik het niet?

--Om met de bloote waarheid uit te pakken, Ernest--ik ben bang voor
dien man.

--Nee, geen raadsels .... ik heb hoofdpijn.

Simon stond recht, kwam over Ernest bukken, legde zijn breede zware
hand op zijn schouder. Ernest keek op en zag den genegen glimlach in
Simon's zwarten baard. Simon vroeg:

--Willen we nu rustig blijven en een poosje afbreken met onze ijdele
ontledingsgewoonte? Laat, vandaag, de avond naderen. In den peiselijken
avond kunnen we altegare uwe verleden moeder gedenken, en, binst de
stilte, uit ons ganscher hart, haar hulde brengen gezamenlijk. Ik ben
bij u gekomen om u in de eetzaal te brengen, waar iedereen wacht op u.

En hij lachte goedig, drukte op den schouder van Ernest, sprak gedempt
en overhalend. Ernest vatte zijne handen ....

Maar gelijk een rap windje kwam Francine binnen stuiven. Ze bleef
palstaan, als ze Simon zag, bloosde en opende zeer wonderlijk hare
groote groene oogen. Terwijl Simon achteruit week, sprong ze naar
voren en viel in de armen van Ernest. Ze weende, dook haar hoofdje
in zijnen hals, kuste hem. En aldoor snikte ze onderwijl:

--Mijn arme broer, mijn arme, arme broer! Ach Heere! hebt ge nog
zoo'n hoofdpijn?

Ze streelde hem met hare kleine handjes over zijne kaken, over zijn
blonde snor, in zijn bruin-blonde haren. Had hij inderdaad nog veel
pijn? O! het was zoo'n lieve, dierbare moeder! En had hij gezien de
krokussen, die zij had medegebracht voor moeder? Maar het was zoo
akelig-donker in de groote zaal, waar moeder was. Waarom hadden ze
't toch zoo buitenmate donker gemaakt? Zij zou nooit durven in de
eendelijke zaal gaan. Nooit meer in haar leven!

Hij stilde haar, zoende heur goud-geurende lokken, omsloot in beide
handen haar mooi kopje, dat traande en kloeg. Hij keek minzaam in haar
aangezicht, tot ze bedaarde en te glimlachen begon. Ze glimlachte
schuchter, kinderlijk; hare tanden perelden in de halve schemering
en hare natte lippen glansden. Ze lachte eindelijk zeer vrij,
vertelde dat ze goed gewend was aan hare nieuwe kamer en dat ze wel
verlangde om niet naar het groote huis op de Regentielaan te moeten
teruggaan. Ze zou al haar klein gerief door Mariëtte doen halen en
't was niet eene zeer groote vracht. Ze kon 't wel missen, maar ze
had het toch ook wel noodig. Vere stelde zich met eene te simpele
toilet tevreden. Het allernoodzakelijkste ontbrak bij Vere. Vere
had ook geen kamermeid. Vere wilde geen kamermeid. Hoe deed Vere,
om dan toch degelijk gekleed uit hare kamer te komen? Beeld u dat in.

Zoo was ze aan den gang. Ze blikte somtijds naar Simon Peter,
die bij de roode venstergordijn stond en, alover Ernest's hoofd,
droomend staarde op Francine. Ze verlieten alle drie tegelijk de
studeerkamer. Ernest had zijn linkerarm om de leên van zijn zusje
geslagen en zoo gingen ze de trap af.

Het avondmaal was uitzonderlijk stil. Mijnheer du Bessy zat alleen
aan een kant van de groot-vierkante tafel. Vere zat naast Peter,
rechts, en links zat Ernest met Francine. Een kant bleef ledig. Een
stoel stond er en een bord. 't Was, juist rechtover mijnheer du Bessy,
de open plaats van pastoor Doening.

Oomken sprak niet, at met moeite een zierken. Hij tuurde onnoozel
rond, tuurde een heelen tijd naar de twee mooie vijfarmige kandelaars,
die op het blak-witte ammelaken en langs de glazen en schotels hun
roerende klaarten wierpen. Hij zat te dubben op het pasteitje-met-kip,
dat op zijn witte bord lag, juist te midden. De oude Ko had het juist
te midden geleid. Het had bruin-gerookte randen en de gulden saus
glom er over heen. Mijnheer du Bessy merkte het goed, staarde als een
die niet weet wat nu daarmede te beginnen. Hij moest zich werkelijk
bedenken, eer hij het pasteitje met mes en vork aandurfde. Soms
luisterde hij naar de korte gesprekken, viel er te onpas in, ja
zeggend, of nee-hoor! of gunstig knikkebollend. Ko bracht hem altijd
versche spijs. Hij hief zijne oogen op naar Ko, blikte dwaas in het
onveranderlijk-droef gelaat van Ko, en dankte zonderling. De spijzen
hadden voor hem ongewone uitzichten. Hij belonkte ze met schijnbare
belangstelling, liet ze een lange poos ongetaakt op zijn schotel,
scheen er eindelijk kennis mede te maken. Maar dan juist had hij geen
trek, en hij tuurde alweer naar de mooie kandelaars. Hij schrikte
als iemand hem aansprak. Vroeg Francine:

--Oomken, smaakt het niet?

Dan schrikte hij, stak zijn kop nuchter vooruit, mummelde met
werktuigelijke beleefdheid:

--Als het u belieft?

Seffens was hij weer weg in gepeinzen. Hij hoorde Simon Peter
kalm spreken van het schoone meiweder, en Ernest kalm antwoorden,
en Vere spaarzaam medepraten, en boven alles, er tusschen in als
kinder-wispelturigheid, het heldere getater van Francine. Hij zag
overhand alles na en, dadelijk alles vergetend, herzag en herzag. Op
den schoorsteen stond een hooge spiegel in gouden lijst, en vooraan, op
een kleine klokkekast, een blauw-groen porseleinen meisjeskopje. Tegen
den diep-bruinen wand, aan de beide zijden van den spiegel, hing
het geschilderd portret van moeder en van den ouden heer Verlat,
haar eersten gade. Hij keek bij voorkeur naar den spiegel en het
porseleinen kopje, dierf niet kijken daarnaast, waar de portretten
zacht te voorschijn kleurden. Zijn geest echter was vol met die twee
gebeurtenissen, en hij had schoon het klokkekopje te bezien en te
beletten, hij geraakte er niet toe om gansch erop zijne aandacht te
dwingen. Dan zonk hij achterwaarts, in het verleden. Hij wist nog
goed hoe diep de brave heer Verlat zijn nichtje beminde. Hoe oud was
ze toen? Wacht, dat wist hij te berekenen. Negentien. De du Bessy's
waren niet rijk, Verlat integendeel had flinke renten. Hij kwam alle
avonden zijn hof maken, en, al was hij niet zoo jong meer, men ontving
hem hartelijk. Verlat werd du Bessy's beste vriend en hij zou trouwen
met het nichtje. Dat was besloten. Hoe eerlijk zag er het nichtje
uit in haar witte huwelijksgewaad! Ha! Ha! du Bessy had een beetje
geweend dien avond. Ze was zoo jong, zoo jong.. Maar Verlat was een
uitstekend man, een man met een hart van louter adel. Wel! ze zouden
gelukkig zijn, had du Bessy gezeid. En du Bessy begon een leventje
van een lichtmis, woonde heel alleen, bezocht haast nooit zijn goeden
vriend en zijn kostbare nichtje. Maar hij wist toch heel goed dat ze
gelukkig waren. Deed hij niet? Ja wel. Hij ging op informaties. Toen
kregen ze een zoontje, en naderhand een dochtertje. De kinderen
groeiden op en du Bessy werd oud; du Bessy woonde nu zeer, zeer
alleen, voelde 't zoo smartelijk, hunkerde naar dat kleine jongetje
en dat broze meisje. Ha! Ha! du Bessy weende nog af en toe een beetje
.... Verlat stierf.

Verder mijmerde Oomken niet. De rest was een vage veeg in den
verstreken tijd. Hij herbegon liefst, van vooraan, den droom langs
het lieve nichtje dat trouwde met den ouden vriend, en hij zat
daar, met zijne vork in zijne hand, te staren op het blauw-groene
porseleinkopje. Ineens--juist hing eene ongemakkelijke stilte over
de tafel--zei hij:

--Wil ik eens wat vertellen?

Zijn kop bloosde. Zijn zwarte knevels en zijn geitebaardje blonken
als voorheen. Ook zijne oogen waren met een nieuw leven beroerd. Zijne
wangen echter hingen flets en groeven rimpelden op zijn voorhoofd. Hij
blikte iedereen in het aangezicht, keek verward en zijn halsboordje
stond wit en stijfrecht, langer en smaller in schijn dan het was.

--Wie ooit, sprak hij dof, zal den naam kennen van dien geel-harigen
faun die dagen aan dagen aan den oever van Oceanos' rijk, in het hooge
lisch te loeren zat? Hij zat waarlijk in het hooge lisch, terwijl hem
niemand daar vermoedde, en hij floot, op rieten, aardige deuntjes,
van vroeg in den morgen dat hij te loeren zat. Maar zijn deuntjes waren
lang niet vroolijk, en het leek wel alsof niemand in het lisch leefde,
tenzij de kleine wind die door de halmen kloeg en verder wegstreek,
gelijk een zucht, alover de zee.. Alover de zee.

Francine vestigde op hem hare groen-blinkende oogen glimlachte half,
had seffens eene groote aandacht voor het witte sprookje dat Oomken
zoo schielijk in de grijze stilte deed optikkelen. Oomken scheen zich
te bedenken, belonkte zijne tien vingeren, die al te zaam rond den
gebloemden rand van zijn dessert-schoteltje lagen, herhaalde nog:
"alover de zee" en:

--Dat is toch jammer, hee? fluisterde hij, dat is toch jammer.... dat
ze gestorven is.... dat ze gestorven is....?

Men keek hem aan met verbazing. Mijnheer du Bessy voltooide in
gepeinzen het vertelseltje dat hij begonnen had. 't Ging vlug en jagend
door zijne hersens; doch hij kon niet weerstaan aan de gewoonte die
hem sinds lange jaren beheerschte, om alles wat hij dacht of voelde
met mythologische decoratie te omhangen.

En zoo ging in hem de gebeurtenis van een faun die wachtte op Dione, de
jonge dochter van Oceanos, god van het schuim en de baren. Ze placht
in de nabijheid te dartelen op het roerende rijk. Ze was schoon,
en geen nimfe was schooner dan Dione, dochter van Oceanos. Maar de
faun was onbekend. Wie zal hem ooit kennen, vraag ik u?....

De hazelnoten lagen binnen hunne roode sluts op een kristallen
schaal. Een zeldzame meloen rondde zijn oranje bulten op onder het
kaarsenlicht, en vroege kersen bloosden op een stapelken in een
zilveren kom. Vere staarde Oomken aan. Van deernis kwam haar gemoed
vol, en ze was te wege hem te omhelzen en te sussen als een kind,
tot hij bedaren zou.

--Welnu, dacht Oomken, daar kwam op een morgen Zeus over het water,
en hij werd op Dione verliefd. Alzoo kaapte hij Dione, dochter van
de zee. Van blijdschap weende de faun in het lisch. Ja juist, van
blijdschap. Sindsdien, oud geworden en half-blind, blijft hij gedoken
bij den oever, dagen aan dagen, en schuifelt op zijn rieten tuig zijn
zonderlijke deuntjes, alover de zee. Kent gij hem niet? Zijn gele haar
is gelijk den gloed van de avondzon. Hij luistert naar 't gespeel
van Aphroditè, op de baren; want alle uchtends komt dartelen op het
roerende rijk Aphroditè, de hemelsche, dochter van Dione en van Zeus.

--Verder! Verder! lispelde Francine, terwijl ze in de uitlengende
stilte verrukt hare handjes samenbracht.

--Mijn kind, sprak Oomken, glimlachend, het is al zoo langen tijd
geleden .... Ik weet het niet meer.

Hij glimlachte vreemd, en 't was alsof hij weer zeer hoofsch en
zeer galant werd. Hij was zoo ineens met zijn vertelsel in de stilte
gevallen, had met kleine gebaren zijne woorden omsierd. Hij deed gelijk
vroeger, brillant-sprekend en traag-voornaam. Maar zijne oogen droomden
zonderling, en als hij met vertellen ophield, droomden ze voort,
alover het glimlachje, waarmede hij Francine bejegend had. Nu echter
stapelde op de wit-glanzende eettafel de stilte hare onzichtbare
lagen ongemak. Mijnheer du Bessy bemerkte niet dat iedereen hem
verlegen aankeek en niet wist hoe die onverwachtsche verzinsels uit
te leggen. Hij tuurde naar een trossel druiven, die Vere op zijn
bordje geleid had, en overhand naar de kristallen kom met water,
ernevens geschoven. Werktuigelijk plukte hij de blauwe druiven
en doopte ze herhaalde malen in de glinsterende kom. Hij zoog het
frissche sap. Soms hing een druppeltje in zijn snor, en 't biggelde
daar, en 't viel op zijn witte servet. De toppen van zijne vingeren
glommen. Hij zweeg. Hij had zich in nieuwe gepeinzen verwijderd.

Simon Peter wilde de ondragelijke lucht breken en de stemming redden
door behendige gezegden. Hij probeerde met eene lichte toespeling op
het mooie verhaaltje van mijnheer du Bessy. Zijne korte, gemaakte
volzinnen ploften in de ruimte als in een poel. Nog zwaarder werd
de lucht. De lucht werd inderdaad benauwd. Hij kwam vol met de
verschillige bangheid van allen, tot, op een einde, eeniglijk er
waarde het beeld van moeder, die overleden was. Al de oogen waren
schuchter op het ammelaken gevestigd, staarden naar het lichtgespeel
langs de glazen, de schotels en het rijk-beverfde fruit. Al de
geesten drongen integendeel door den nacht heen, slenterden over
het donkere kerkhof, zagen de versche aarde, waaronder moeder haren
eersten doodnacht doorbracht. De oude Ko stond, achter Oomkens stoel,
stijf overeind. Langzamerhand zakte zijn hoofd op zijne borst neder,
en zijne blikken lagen vast op de blanke tafelbedekking, met al de
andere blikken, en tusschen de schoon-uitgebeitelde voeten van de
vijfarmige kandelaars.

Zoo vond pastoor Doening het treurende gezelschap. Hij kwam binnen
zonder gerucht, groette stil, verwonderd. Hij was een groote zwarte
gestalte in het licht. Zijn grijze hoofd kleurde zilverig, taakte,
gevoelig, de angstigheid die in de kamer aanwezig was.



Vere en Ernest begaven zich te bed, als iedereen reeds was gaan
slapen. Hunne kamer was niet zeer hel verlicht. Twee gaspitten onder
mat-groene bokalen vlamden op het breed-marmeren schoorsteenblad en
wierpen in de ruimte een zacht-groene klaarte. Het bed lag onder haar
blauw-satijnen met kant overladen sargie toegedekt.

Ernest had zich op een lagen zetel, in een hoek van de kamer,
neergezet. Zijne knieën staken op, zijn rug duwde tegen de malsche
leuning. Na dezen vermoeienden dag, voelde hij zich lam en lui
en ontzenuwd. Hij kon zich niet inbeelden dat hij vandaag nog bij
moeders praalkoetse had gestaan. Het docht hem dat het langen tijd
was geleden. Hij zat uitgeput. De beelden van zijn smart konden niet
meer inwerken op hem en aandoeningen verwekken. Al zijn geestelijk
bedrijf lengde op eene lijn uit in kleurlooze schemering.

Hij zag nu hoe Vere zich zindelijk uitkleedde, hoe ze een oogenblik
half naakt stond, in wit-licht hemd, op hare donkere onderjaponnen,
die om hare voeten waren nedergevallen. Haar struisch-gewichtig lijf
schaduwde door het fijne linnen. Hij zag hoe ze seffens haar kamerkleed
aantrok, en dan, met groote zorgvuldigheid, hare rokken een voor een
van den grond nam en plooide en ordelijk over den breeden stoelrug
hing. Ze deed en ging geluideloos. Dan kwam ze vóor den spiegel van
de toilettafel staan, ontstak een hooge kaars zonder lichtscherm, en
ontvlocht langzaam hare bruine haarstrengen. Ze streek een enkele maal
met een kam erover en wrong ze saam tot een dikke torsade, die donker
op-pakte in haren hals. De kaarsvlam wippelde in de luchtbeweging
van hare breede pagode-mouwen en deed de blauwe schaduwen over haar
roomgele kamerjapon schuiven en uitrekken, mede met de gebaren van
hare uit het kleed naakt-rozig oprankende armen.

Ernest keek peinzend toe. Traag gleden door zijn geest voorbij
de opeenvolgende gebeurtenissen, die hij met deze vrouw beleefd
had--hunne eerste liefde, de philosophische gesprekken met den
uitstekenden schrijver Lieven Lazare, haar vader, de in driftige
foltering volbrachte ondergang van Vere, haar vlucht van huis onder
vaderlijken vloek na de bekentenis van hare zwangerschap. Het was
alles, goed nagekeken, eigenlijk zeer burgerlijk aangelegd en 't bleef
een lamme boedel. Wel had hij Vere lief. Hij kon echter zijn eigen
bekennen dat die liefde niet zoo echt-zuiver was en dat ze, in ruime
mate, met hartstocht en deernis was vermengd. Het zou, al meer en meer,
een troebel gevoel worden, zwaar van vreemde invloeden. Hij zou het
niet anders dan door veel wilskracht, gesteund op veel redelijkheid,
kunnen in leven behouden. Hij had buiten haar geëvolueerd. Buiten
haar had hij zich gansch ontwikkeld, en hij was nu een ander man, die
zich, ten opzichte van haar, alleen nog herinnerde dat hij, in een
tijd van geringer sensatievermogen, haar sterkelijk bemind had. Zoo
meende hij. De waarheid lag daar in eene grijze effenheid als eene
vlakte zonder rimpels. Hij verlangde Vere niet eens meer. Hij zou het
zich tot eene gewoonte opdwingen haar lief en ernstig te behandelen,
en van zijne hoogere begripskracht zou hij gebruik maken om haar met
zorg te verbergen dat hij haar niet zooals vroeger liefhad. Dat was
eenvoudiglijk zijne plicht. En dat was dan toch, evenals liefde zelve,
een daad van deugddoende schoonheid.

Hij had over die soort gewaarwordingen aleens met Sörge
gesproken. Sörge voelde de verhoudingen fijner dan hij. Hij wist
de minste roerselen van vertwijfeling te omhangen met passende
woorden. Hij placht te zeggen, terwijl hij zich, als naar gewoonte,
achterover neerlegde in zijn zetel: "De hoop duurt langer dan de
liefde. Hoe zonderling! Maar waarom ook houden wij ons aan éene
vrouw?" Hij zei het oolijk, met een lachje, alsof hij een luchtig
fantazietje verkocht. Ernest zag nochtans de gronden van zulke
zetten zeer goed, en hij verwonderde zich dat hij 't zoo goed zien
kon, in Sörge's aanwezigheid, en, buiten Sörge's bereik, zoo gansch
verschillig handelde. Nu voor het eerst, al gingen zijne gedachten
nog zoo kleur- en vormloos om, toetste hij duidelijk de gebreken
van zijne verhouding tot Vere. Hij was uit de gewone betrekkingen
opgegroeid, en Vere verwijlde er te midden-in. Hij had Vere gekend,
toen hij nog geheel onder Peter's invloed zijn leven bedreef. Die
liefde voor Vere was inderdaad een vrucht van Peter's gezelschap.

Het was een daad geweest van louter goedheid. 't Gebeurde ook in die
periode van "eerlijke omwenteling," juist na het leelijke geweld der
boemeljaren. Het was een daad geweest, gelijk Peter er altijd plegen
zou. Maar Peter zou ook nooit opgaan in schooner verfijning en zich
verheffen boven de burgerlijkheid van zijne zeden en gebruiken. Het
kon in zijne kunst insgelijks worden opgemerkt. Zijne kunst was
massaal en zwaar-lomp. Het zat zóo in de vizie, niet alleen in
de uitwerking. Zijne beelden waren neerdrukkende vormen, gedaanten
zonder doorzichtigheid, eene gebeurtenis in lengte en breedte, zonder
diepte. Hij zou burgerlijk blijven.

Vere keerde zich om naar Ernest, bekeek hem lang, ging buigen over
hem en, zwijgend, kuste hem op zijn voorhoofd. Dan knielde ze vóor
het bed, viel voorover op de gele sargie, waar ze in hare saamgevouwen
handen haar aangezicht dook, en begon stille te bidden.

Ze bad zoo elken avond. Het leek Ernest dat zij 't echter vandaag
zoo bijzonder-theatraal aanlegde en het krenkte hem ineens. Hij vond
het theatraal. Hij was nochtans gekrenkt, omdat hijzelf niet anders
dan theatraal had kunnen handelen en zich bij moeders dood als een
komediant had gedragen. Nu zag hij Vere's gebaar. Hij was op het
oogenblik te zwak om in te zien dat ze eerlijk deed. Het leek hem
theatraal. Had hij zóo niet willen wezen en had hij niet een akelig
theaterbombast gespeeld? Hij werd prikkelbaar. Zijne knieën staken
puntig nevenseen en hij tokkelde met al zijne vingeren erover. Hij
zei kort:

--Doe niet gek. Ik ben niet in staat om het aan te zien.

Ze schrikte en stond schielijk overeind. Nog nooit had hij haar
op deze barsche manier aangesproken. Ze schreef het seffens
toe aan zijne overspanning, keek hem goedig in de oogen, blikte
ongeloovig-verwonderd. Hij voelde dat hij niet zoo ruw had moeten
uitvallen, voelde zijn ongelijk. 't Maakte hem nog korzeliger. Wat
moest ze zich zoo onecht aanstellen, en thans weer, terwijl ze hem
aankeek, wat moest dat overdreven gedoe beduiden? Ze fluisterde,
verlegen:

--Ik geloof niet dat ge onrechtvaardig zijt, Ernest?

O! Het kon toch wel eens waar zijn, op een einde.

Zijn wrevel kon hem onrechtvaardig maken. Het was uit te leggen,
na die flauwe manieren, en die flauwe vraag daarop.

--Allemaal aanstellerij, kind! Ik mag toch hopen dat ge mijn toestand
een beetje in acht wilt nemen?

Hij sprong uit den zetel en stapte naar den anderen hoek van de
kamer. Dat ze hem niet antwoordde, was hem nog lastiger. Hij wilde
niet dat ze hem medelijdend aankeek. Hij wilde niet dat ze hem van zoo
hoog behandelde. Daar had ze geen recht toe. Wat meende ze toch? Hij
stak zijne handen in zijne broekzakken en wierp haar, met een gemeen
lachje, toe:

--Ge bidt natuurlijk voor moeder?

--Ja, Ernest, sprak ze, bijna hijgend, ik wilde voor uwe moeder bidden.

--Ha zoo!

Hij schokschouderde, voelde dat hij er niet bovenop geraakte, dat ze,
in de verhouding, den hoogsten kant behield. Met brutaliteit zou
zijn toestand nog verslechten. Een redelooze toorn ziedde in hem,
kookte op en spande brandend om zijne slapen. Hij hakkelde dof:

--Het mag wel--inderdaad--we kunnen er ons al biddend--beter aan
gewennen--dat wij ze met ons wanbedrag--hebben doodgedaan....

Nog steeds stond Vere bij het bed. Haar roomgele nachtjapon bleekte
roerloos op tegen de gulden verve van de met lichten kant overwalmde
sargie. Ze kwam nu, zwaar-tredend op hem af, vatte zijn arm, wilde
hem dwingen op te kijken. Haar boezem zwol sterk en vlug.

--Nee, zei ze, nee, Ernest, dat meent ge niet! ....

--Waarom zou ik het niet meenen? Het is toch de waarheid.

Hij snauwde haar toe, om er gauw van af te zijn.

Hij was niet meer in staat zijn woorden te meten. Hij wist niet hoe
killig en bijtend zijn stem klonk. Hij zag niet op naar heur. Ze
drukte op zijn arm.

--Gij weet dat ik geen schuld heb, Ernest.

--Dat zegt gij maar ....

Ze werd koud onder het harde verwijt. Dieper drukte ze op zijn
arm. Haar adem schoof ruchtbaar over hare lippen.

--O Ernest, fluisterde ze, ik word bang voor u ....

Dat ontbrak er aan. Wat hoefde ze nu nog met haar angst te
kabotineeren? 't Zou schoon worden. Maar daar ging hij niet op in. 't
Was over-genoeg zoo. Hij wilde zich ontdoen van hare handdrukking,
schudde zijn arm en week tegen den muur. Ze wankelde en hij ergerde
zich al meer:

--Laat me los. Spreek simpel, of kruip in bed.

Ze naderde weer, vatte opnieuw zijne armen, begon met een pijnlijken
gil te huilen. Haar hoofd schokte op zijne borst bij elken snik. Zijne
gramschap schoot plotseling los en hij riep:

--Vere, breng me niet tot geweld. Laat me los. Ik kan het niet
uithouden.

Hij wrong zich tusschen haar en den muur vrij, schikte wrevelig zijn
halsboordje, blies het kaarslichtje uit, dat op de toiletkamer om
en weer wapperde. Haar weenen dreef hem tot een uiterste scherpe
woede. Hij kon 't niet weerhouden, keerde zich rap naar heur toe en
stiet ruw in haar gezicht:

--Ik heb me toch niet in uwe armen geworpen, geloof ik? Ik heb alles
niet zoo doortrapt aan boord gelegd? Hou nu maar op met komedie,
alsjeblieft. We zijn wettig getrouwd.

Terwijl hij sprak, besefte hij het laffe van zijn woorden. Toch was
hij verwonderd dat Vere wild opsteigerde en haar hoofd forsch recht
smeet. Hare wangen gloeiden koortsig. Hare stem was onherkenbaar:

--Denk er aan, Ernest, sprak ze, dat ik uw kind draag.

Daar hadt ge 't. Hij had er zich kunnen op verwachten. Het had nog
lang geduurd, eer ze er mede voor den dag kwam. 't Was er nu uit. Hij
keek een oogenblik verlegen toe, verlegen om de wanhoop die uit hare
oogen schoot. Hij zei zachter:

--Ga-slapen.

Maar zij lengde zich uit in het groene gaslicht, werd eene
breed-sterke gestalte en haar hoofd rees rots-hard op boven het bleeke
nachtgewaad. Ze werd rustiger, ze kon rustig spreken en sprak. Hij
wist haar niets meer te beletten. Hij stond verslagen en vernederd,
zei gedurig:

--Ga te bed .... ga slapen, om de liefde Gods!

Ze wuifde zacht met hare hand, vertelde, van den beginne af aan,
het gansche geval, en dwong hem, door den vreemden eenvoud van hare
woorden, tot stilzwijgendheid. Ze hield het echter niet tot het einde
vol. Wanneer ze haar vader herdacht, zijne gramschap en zijn vloek,
barstte ze in tranen los.

Hij gaf het op, om verder te twisten met haar. Hij werd ineens moe,
zuchtte nog, terwijl hij, zich neerzettend in den zetel, zijne
oogen sloot:

--Ik vraag u: ga slapen ....

Ze deed langzaam haar kamerjapon over haar lichaam glijden, liet het
neervallen aan hare voeten en, nadat ze het gele deken had weggeplooid,
steeg zij in bed. Ze dekte zich tot op haar gelaat en weende voort,
een langen tijd. Eindelijk bedaarde ze, scheen in te slapen en roerde
niet meer.

Ernest zat met gesloten oogen. Alles roezemoesde dooreen in zijn
kop. Het bonzen van dezen morgen en middag herkwam met versch gedreun,
en de pijn zinderde door zijne hersens. Hoe akelig scheidde de
dag! Hoe ellendig te moede bleef hij, na al de herrie en 't slameur,
over, daar zittend in een lagen zetel onder een bleek-groen licht,
terwijl alom gaande waren de stille nacht en de herinnering aan moeder!

Hij stond recht, naderde het bed, voelde de lauwte die opwalmde boven
de rond-bultige bedekking. Vere was met haar rug naar hem gekeerd. Hij
zag haar donker haar, op een dikke volte gestapeld, in een diepte van
het kussen zwaar-somberen. Hij hoorde haar adem leven. Hij verteederde
gansch, stak zijne handen uit naar heur, wilde hare bloote schouders
raken. Ze bewoog zich niet. Ze zei zeer zacht:

--Kom nu, Ernest ....

Droomde ze? Hij trok schielijk zijne handen terug, luisterde toe,
hoorde, gelijk te voren, haar kleinen adem leven. Toen schoof hij
langzaam en voorzichtig de sargie op zijde. Haar hals kwam diep-wit te
voorschijn; dan, onder het geborduurd hemdbandje, haar ronde schouders,
en lager haar weelderige arm. Hij werd week-zinnelijk. Hij boog zich
voorover tot de zwoele geur van haar warm lijf in zijn neus kwam
luwen. Hij had geen moed meer tot niets, tot niets in de wereld;
hij lispelde duizelig:

--Vere .... Vere ....

Ze draaide zich om, keek hem aan met natte oogen, keek goedig,
uitermate goedig, zooals altijd.





IV.

PASTOOR EMANUEL DOENING.


Pastoor Doening bezat, tot een graad van klare innigheid, de gave
van evenwicht. Hij had zich geen wet voorgesteld, maar hij leefde
ongedwongen volgens de eenige wet der natuur. Ik kan zeggen dat
er tusschen het wezen van pastoor Doening en den groei van eene
bloem alleen een verschil is van plan. Hij leefde naar het gebod van
zijn menschelijk instinkt--zijn genie bestond echter hierin, dat dit
instinkt van allen invloed was ontlast en als eene onfeilbare drijfveer
werkte. Hij leefde in de waarheid van zijn leven. Hij beredeneerde
noch zijn toestand in den tijd, noch de verhoudingen van de dingen
rond hem. Zijne teedere macht van intuïtie was de uitslag van een
inderdaad buitengemeen-helder gevoel. Weinige menschen bezitten
die helderheid van aandoening en kunnen zonder twijfelen handelen
naar zekere organische verordeningen, welke berusten op de geheime
roerselen van het humaan instinkt. Bij pastoor Doening was gewoonlijk
de rede een gevoel geworden. Zijne woorden waren, evenals zijne daden,
de onverlegen uitdrukkingen of uitslagen van dit zeldzaam gevoel.

Het is noodig dat hier het bestaan en de ontwikkeling van een dergelijk
gestel opgehelderd worde. Het is noodig en het is schoon de gronden aan
te toonen, waarop rustend en werkzaam was dees uitzonderlijk emotioneel
verschijnsel: een man getuige van zijne aldoor rhythmische gebaren en
toch, in geeste, niet de bewuste dader er van. Hij zelf zag de diepte
niet, waar borrelden, als ijsheldere fonteinen, zijne aandoeningen,
noch en raakte de wijdte tot waar reikten de trillende draden van
zijn gracelijk gevoel.



Hij werd geboren niet verre van Ronse, in dat heerlijke
Zuid-Oostvlaanderen, waar het vruchtbare land zich tooit met de
wispelturige sierlijkheid van heuvels en groene bergagen. Zijne ouders
waren eigenaars van uitgestrekte gronden, gelegen langs de levendige
Scheldevallei op bijna gelijken afstand van Ronse en Oudenaarde. De
groote hoeve, waar hij werd opgebracht, was eenig en groot in het
dal. Hare witte muren blonken als krijt in de groene verven van het
landschap en haar breed gebrokkeld schaliedak glansde warm en zwaar,
gelijk eene heete muts. De wolken aan den hemel voeren als reuzenadems
boven dat rustige huis ....

De oude boer Doening was een zwijger. Van 's morgens vroeg liep hij
op 't veld, tusschen het werkende volk, altijd op het onvermoeide
veld, dat zweette of dampte of walmde van korenaren, of ver uitruste,
uitgestrekt als eene doode, alles zoo naar den gang van het drijvende
seizoen. Hij was zeer stijf in zijne manieren en streng in zijne zeden,
en telkens als hij de groote kamer binnenstapte, waar moeder Doening
met Victorien en Emanuel speelde of anderszins bezig was, vielen,
gelijk een natte doek uit de zoldering, de stilte en de eerbied daar,
die alom den kouden boer vergezelden, 's Avonds zat hij denkend bij
den haard. Hij rookte nooit. Hij zat stijf op een stoel, de knieën
hoekig en recht naast elkander, de ellebogen tegen zijne zijden en de
breede, kneukelige handen even overeen op zijn mageren schoot. Soms
roerden zijne duimen. Maar stijf rechtop bleven zijn hooge hals, zijn
beenderig hoofd, en roerloos staarden zijne oogen, strakke beteekenis
van dit stugge peinzende boerenbeeld.

Emanuel's moeder was geheel een daartegenovergesteld wezen. Hoe deed
ze moeite, het lieve vrouwtje, om haar leutig gemoed en haar ruchtige
liefde, in Doening's bijzijn, te bedwingen! Ze had een klaar gezichtje,
omkranst met een zijig grijs haar, en verlicht met al de blijdschap
van hare gauwe blikken. Ze was niet groot. Ze placht te loopen rond
den huize, al dansend gelijk een jong veulen. Wanneer ze toornig
was--want aleens deden de meiden verkeerd in de keuken--neep ze,
plots rood-wordend, hare oogen dicht, bleef zoo een poosje, precies
te wege uit te barsten in schrikkelijke woede, en schoot uit in een
lach. Dat was het karakteristiek teeken van dat levendig menschje,
omdat ze, in alles, op die zelfde eigenaardige wijze, te handelen
scheen. Ze had een gulden hart.

Victorien was ouder dan Emanuel. Hij was een groote blonde jongen,
flink opgeschoten, met grove leden. Hij hield veel van het veldleven
en hielp mede aan het akkerwerk. Emanuel kon dat voorbeeld, spijts de
dringende wenken van vader Doening, niet volgen. Hij was teer-gebouwd,
keek droomend langs de groote huiskamer, waar moeder huppelde
met vlugge manieren. Hij droomde aan het venster. De verschillige
werking van het vierkante hof was gebeurende onder het gaande licht
van den verschilligen dag. De hennen pikkelden over den mesthoop. De
haan lengde zich uit boven zijne sporen en schudde zijne veêren eer
hij kraaien zou. De heerlijke mesthoop goud-glansde tegen de blauwe
kalkmuren. De stalknecht luibeende, allinks en alrechts zich bukkend
over klavergroen, of mooschend, met onlustige handen, in bruin-roode
beethoopen en witgele rapen. Hij was een oud man en heette Vinus;
tot zijn twaalfde jaar had Emanuel geen anderen vriend dan Vinus ....

Maar toen kwam op de hoeve Renildeken inwonen en de kleur der dagen
was verwisseld. Renildeken was acht jaren oud, en ze droeg een
spannend kleedje dat haar lijf nauw maakte als het kelkbuisje van
sommige leliën, en hare armen rilden gelijk de wiegeling van eenzame
halmen. Ze had heel kleine voetjes en een kopje van porselein. Na den
dood van haar vader, Doening's broeder, kwam ze nu op de vierkante
hoeve wonen en dadelijk was Emanuel zeer ingenomen met haar. Van
's morgens in den vroege waren ze saam. Ze liepen in den tuin, deden
allerlei zottigheid, speelden met Poelie den hond en met Djolle, de
geit. Daar was in den tuin een priëelken van glycienen. Vooraan gloeide
een begoniaperk en van weerskanten geurde een dubbele syringastruik. Op
een bankje zaten zij er nevenseen, beladen met de zoete donkerheid,
die onder het roerende loover wemelde. Het loover roerde, de wind
streek langs en over den tuin, er was een heerlijke golving in de
lucht. Emanuel en Renildeken zwegen. Hare hand rustte op zijn knie,
en ze keken naar het werkzaam gedoe van den wind en naar het spel van
de hemelklaarte. Soms hadden ze een kort praatje over de wolken. Ze
beeldden zich gaarne de verre ruimte in, waar varen de wolken als
schepen met volle zeilen. Ze raakten getweeën de duizelige aandoening
der eindeloosheid, terwijl de wijde wind boven het ruischend priëelken
zoefde en toog. Renilde schoof dichter bij Emanuel aan. Haar verwonderd
gezichtje blonk schoon uit boven haar nauw keurslijfje, want haar kleed
was gelijk een keurslijfje zoo nauw. Heel rond waren hare oogen. Hare
wimpers schaduwden eromme, en het was alsof een zacht poeier op hare
bleeke wangen lag. Zoo zag 't Emanuel, en hij voelde haar handje warm
en wegend op zijnen knie drukken.

Soms, na een leutigen rit door den tuin, waren heure haarvlechten
losgeschud. Dan vlocht hij het platte zijig haar weer tot strengen. Het
was hem een ongemeene weldaad, dat hij zijn voorzichtige vingeren
over haar broze kopke bewegen mocht, zoo in de vlakke zon, die de
lokjes deed glimmen en krullen. De zon spetterde overal en de struiken
waren, langs den grond, als vlammen van zonderlinge verve. De bijen
gonsden. Een koppel witte vlinders wipten in de heete ruimte over
malkander.

Het gebeurde ook dat de kwade regen hen binnenjoeg. Ze vonden
een lieve schuilplaats bij Vinus in den stal. Ze roken er den
zwaren geur der koeien, al zittend op een frisschen klaverhoop,
en Vinus kwam, rechtover hen, op den harden rand van zijn beddebak
leunen. Hij smoorde er en dampte langzaam. Een draadje was om
den steel van zijne pijp gewonden. Binst dat de ruchtige regen
neerspatte op 't voorhof en klepperde op de dakpannen, vertelde hij
wel eens een trage historie. Hij vertelde van Peer-Lapeu, of van
Jaakske-met-ze-fluitje of van de Zeven Prinsessen van Mississippi. De
koeien kauwden verduldig. Tusschenbeide draaide er eene haren grooten
kop en keek met droomende oogen uit de half-duisternis en haar muil
verging, zonder haast, van rechts naar links. Ze kluppelde met haren
staart. De dakgoten geraakten boordevol en begonnen lawaai te maken
op de vloerkareelen daarbuiten.

Wanneer echter de avond mooi was en de zon het ronde westen
beschilderde, gingen Emanuel en Renildeken langs de Scheldeoevers
wandelen. De Schelde was gelijk een violet lint met zilveren en gulden
blikkering. Ze voer wijd-kronkelend door de platte meerschen. Tegen
den hemel steeg bol, blauw en goedig, de struische Kluisberg en
achteraan wapperde de pracht van het avondvuur. Ze kuierden nevens
't water. De kikvorschen sprongen vóor hunne voeten uit het gras, en
bij elken stap steeg een wolkje muggen en kleine vliegen en sprinkhanen
rondom. De bleekroode kardamienen trilden tenden hunne hooge stengels.

--Nu denk ik aan de prinsessen, Mane, zei Renildeke, en in hare
strakke oogen leefde inderdaad een beeld van droomende wonderlijkheid.

--O ja, antwoordde Emanuel, dat is omdat ge al die kasteelen ziet
boven den Kluisberg.

Boven den Kluisberg hingen in roerlooze verscheidenheid de paarse
en purperen en oranje wolken. Zij vormden er een verre water, waar
opdook een eiland van goud. Schoon zichtbaar tusschen het teere loover
steeg daar, met zijn verschillige koepels en talrijke torens, een
hemelsch kasteel. Renildeken keek ernaar en zocht er de vensters, de
deuren, de breede gaanderijen, en de fonteinen die voor de middelpoort
opschoten in den vorm van een doorzichtigen waaier. Het eiland geleek
op een uitmuntend park, en het gewas stond er liefelijk geschoren of
gebeiteld in levend koper. De lanen lagen effen en klaar. Eene groote
stilte versierde het landschap.

--Nu merkt ge toch, sprak Renildeken, dat alles wat Vinus ons verteld
heeft, waar is.

Emanuel werd zeer ernstig en zei met een innig gevoel:

--Hoe zou het anders?

Hij drukte de kleine hand van Renildeken, die nevens hem stond in haar
donker smal kleedje, heel luttel en gracelijk midden de sterk-groene
weidevlakte ....

Maar 's winters, bij hard weder, bleven ze in de warme huiskamer. Ze
waren er meestal alleen met moeder Doening, want vader en Victorien
hadden hun werk in de schuren en stal. Moeder Doening liep, als
naar gewoonte, lachend of pruttelend over en weer, en ze maakte veel
gedruisch bij de ronkende kachel, onder de potten en de pannen. In
den namiddag stond de machtige ketel op 't vuur en werd de koedrank
gekookt. De sterke geur van ontdooiende beeten en bladersap walmde
om den huize. Emanuel zat met zijn nichtje bij 't venster, waar
blauwde de flauwe winterdag. Als het sneeuwde, tuurden ze naar
den gang der waggelende vlokken, en alles op de hoeve werd wit en
licht en doodstil. Andertijds las Emanuel voor uit een groot boek,
dat verhaalde van het leven der Heiligen. Hij had eene zachte stem,
en ze klonk eigenaardig in de keuken, geheel afgezonderd van moeders
rumoerig bedrijf. Renildeken hoorde niets dan deze lieve stem, die het
leven der Heiligen uitbeeldde in den droeven wintertijd. Ze zat op de
bank en leunde met haar porseleinen hoofdje tegen het raamberd, juist
in de witte plooien van de venstergordijn. Hare witte handen lagen
saamgevouwen op haren schoot, licht als een asem of een geur. Soms
schoot een zenuwrukje door hare leden en dan roerde haar nauw lijfje
gansch: dat was eene zonderlinge gewoonte bij haar. Wanneer Emanuel
onder 't lezen even opkeek, trof hij den peinzenden blik van hare
ronde oogen die, als een dubbel lichtsignaal, waren op hem gevest. Dan
glimlachte ze, en het waren gulden uren ....

Zoo, al naar den gang van den tijd, groeiden ze op. De schoolmeester
van het dorp kwam hun leering geven in de taalkunde en het rekenen en
de geschiedenis. Emanuel was zeventien jaar oud geworden. Vader Doening
riep hem in het koude salet en vroeg hem wat hij zinnens was te doen
in de toekomst. Van deze onderhandeling met zijn vader heeft Pastoor
Doening altijd eene zeer scherpe herinnering bewaard, omdat het de
eerste aanval was, dien zijne heerlijke kinder-illuzie te verduren had.

Hij voelde, onder de koude blikken van zijn vader, plots een schokkend
leed. Moest hij iets doen in de toekomst, dat niet de voortzetting
was van hetgeen hij nu deed en in het verleden dag aan dag gedaan had?

--Ge wordt nu een jonkman, sprak boer Doening; er kan geen
kwestie zijn van langer hier om te kuieren met sprookjesboeken en
meisjesgekheid. Het kan mij niet schelen wat er van u gewordt, maar
droomen in luiheid mag niet. Uw broer Victorien zal voor de boerderij
zorgen. Daar moet iets van een anderen aard verzonnen worden voor
u. Ik heb er met moeder al over nagedacht. Moeder is in die soort
van zaken nog al oolijk. Zij meent dat het u best zou staan, als ge
priester wierdt.

Het viel Emanuel zeer hard. Hij dacht aan Renildeken, aan al de mooie
dagen die hij doorbracht met haar. Hij zag ze in haar smal kleedje
en zag hare zoete wangen, die bepoeierd schenen met een geurig meel
van zeldzame bloemen. Heur bleek-glanzend haar lag plat en in twee
rechte strengen gevlochten. Hij vroeg aan vader Doening wat deze met
Renildeken zou doen.

--Wel drommels, jongen, viel Doening uit, waar bekommert ge u
mede? Renildeken blijft bij ons. Ze heeft geld en zal later wel een
jongen boer vinden uit de streek. Ondertusschen zal de schoolmeester
haar nog maar wat onderwijs geven. Dat komt alles wel in orde. Het
staat met u lang zoo genadig niet.

O! neen, dacht Emanuel, het staat met mij zoo genadig niet. Ik heb
zoo langen tijd aan mijn ongeluk gesponnen en de ellende van mijn
toekomst voorbereid. En hij voelde het massale noodlot, zooals dat in
het Heiligenboek beschreven staat. Vluchtig zag hij de oude letters
en de zware prenten, en speurde hij den reuk die uit de malsche
bladzijden opstoof.

--Vader, sprak hij, ik zal er binst deze week over nadenken.

Hij dacht er inderdaad van den morgen tot den avond over na, en 's
nachts insgelijks, behalve binst de weinige uren, welke hij slapend
sleet. Al die diepe mijmering bracht hem eindelijk tot de zekerheid,
dat hij het buiten Renildeken's aanwezigheid niet lang uithouden
zou. Hij vluchtte haar om zijn gedachte zelfstandig te maken; doch
hij voelde zich immer inniger met haar verbonden dan toen hij haar
verlaten had. Ze merkte het ongemak dat hem kwelde, en op haar peinzend
gezichtje lag, gelijk een nieuw en delikaat gepoeier, de zoetigheid
van haar medelijden.

Eens zat ze alleen en heel bleek op de gladde bank van het
priëelken. Emanuel slenterde langs daar en hij was waarlijk verschrikt,
omdat zij er zoo treurig uitzag. Hij vatte seffens haar handje,
dat killig was en daar rustte op haar zwart kleedje gelijk een koude
manestraal.

--Rene, zijt ge ziek?

Ze wachtte, eer ze hem antwoord gaf. Al de geluiden van den tuin
tikkelden uitermate duidelijk op in de lucht binst deze korte
stilte--en niet het minst de schokkende tjirreling van een koninksken,
dat in de linker syringa zat. Toen sprak ze:

--Ik weet het niet, Mane; maar het is me helder geworden, waarom ge
sinds dagen zoo vreemd te moede zijt. Ik heb geraden dat ge verhuizen
moet ....

Hij keek haar aan. Het trof hem dat ze verhuizen zei. Hoe akelig juist,
hoe scherp-waar klonk dat woord! Verhuizen, dat is in een ander huis
gaan, een ander nest ievers maken, en het oude hangt ledig, terwijl de
wind en het onweder het aanvallen langs allen kant. Het schoone leven
dat hij met Renildeken gesleten had, schoot met levende kleuren door
zijn geest. Hij werd week en aangedaan. Hij voelde haar killig handje,
en zijn tranen rolden ....

Toen begon hij het geval uit te leggen. Ze luisterde en sprak geen
woord. Haar gewoonlijk zenuwrukje snokte door al hare leden. Ze
knikte. Ze tuurde alover den tuin, waar de zon losbandig bezig
was. Poelie, de hond, lag lang uitgestrekt bij het hek en hapte
soms naar een lastigen horzel. Het koninksken wipte al meteen in den
rechter syringastruik.

Nadat Emanuel alles verklaard had, zei ze:

--Mane, ge moet een priester worden, ge moet een heilige worden,
zooals die velen uit het oude boek.

Ze weende niet. Ze was een oud vrouwtje, heel nauw-gespannen in
haar keurslijfje, heel klein en broos, met een kopje van doorzichtig
porselein en oogen vol met verduldige ervaring ...



Wanneer dus Renildeken aan hare vlugge ziekte gestorven was, verliet
Emanuel de witte hoeve en sloot zich op in het Seminarie. Hij werd
priester, doceerde een tijd de theologie te Leuven, en, na den dood
van zijne ouders, maakte gebruik van het niet geringe vermogen
dat zij hem achterlieten, om te Brussel een zindelijk huis op te
trekken en er stille, door het rumoerige stadsleven heen, zijne fijne
emotiviteit te oefenen. Hij had geen bezigheid: hij ontwikkelde met
eene instinktmatige zorgvuldigheid de machten van gevoel, welke hij in
zijne kindsheid had vergaard. Hij bebouwde dat aandoenlijk eigendom
en legde er zich met onbewust vernuft op toe om het kostbare zaad,
dat God in hem had neergelegd, tot vruchten van liefde te doen gedijen.

Het huis dat hij te Brussel bezat, was een der fraaiste van de
Hamerstraat. De wijk was buitengewoon rustig. Eene burgerlijke
voornaamheid maakte er de lucht eenvormig-grijs en benevelde, met
een toonlooze deftigheid, de verschillige stadsluchten. Van de effen
huisgevels, waar de vensters als beloken oogen schenen te slapen,
viel de grijze kilte op den grijzen steenweg neder. De deuren stonden
glanzend in hunne versche verve en de loerspiegeltjes die tallenkant
naast de ramen uitstaken, waren het eenig teeken van de bedrijvigheid
der bewoners. Het was eene doode straat en, gelijk wolken, stoof er
de nagalm van het ronkende leven dat, ginder tenden, op de breede
lanen woelde.

Pastoor Doening had deze wijk gekozen omdat hij ze, op haar uiterlijk
beschouwd, vereenzelvigd voelde met de stemming, waarin hij,
zooals een spinne te midden van hare web, schoonspinnend te leven
zat. Hij voelde zich hier eenzaam en zelfstandig. Zijn huis was met
sobriëteit aangelegd, maar het droeg niet die magere strengheid,
die in vele pastorijen zoo killig aandoet. Het was helder, innig,
geheel modern in zijn bewerking, en 't had een uitzicht van mooi
bedaren. In de breede kamer, waar hij meerendeels zat en die met gele
gordijnen van de luchtige tuinveranda gescheiden was, had hij eene
mahoniehouten bibliotheek geplaatst en al de overige meubileering,
die keurig en eenvoudig was, had hij in halve ronde om den wijden
open haard geschikt. Op het schouwblad stond een marmeren borstbeeld
van Guido Gezelle. Er boven hing een oud tafereel van Giorgione,
de Heilige Magdalena bij het Kruis.

Lange uren zat hier pastoor Doening. Hij deed veel aan Vlaamsche
literatuur en toetste de troebele opkomst der Vlaamsche letteren aan
de fijne kritiek van zijn onfeilbare zinnen. Hij had een kultus voor
Gezelle, dien hij als een Europeesch genie aanzag en een der zuiverste
dichters van de XIXe eeuw noemde. Hij had op het kollegie Gezelle
gekend en hij wist de strijdende machten die, in hun worstelend
geharrewar, den groot-menschelijken Westvlaming gedurende zoovele
jaren tot zwijgen hadden gedwongen. Ze waren een tijdlang vrienden
geweest, en deze vriendschap had niet weinig bijgedragen tot de
organische ontwikkeling van Doening's gevoeligheid. Toen Gezelle
stierf, bleef hij lang denken aan den witten dood van Renildeken;
want met Gezelle verloor hij, op een andere schaal van zijne kultuur,
het eender iets dat hij met Renildeken verloren had.

Hij ging gaarne om met de menschen. Als hij zijne ivoren eenzaamheid
verliet, wandelde hij op de Louizalaan onder de menschen. Hij had
de menschen lief, de onbekende menschen die wandelen of loopen en
lijden of vroolijk zijn. Hij keek ze vluggelings in het aangezicht,
kwam in rappe voeling met allen, bewaarde van allen een beeld van
kleuren of lijnen. Hij lachte op de kinderen die ommendom de blanke
schorten der meiden speelden. Ruiters reden hem voorbij. Automobielen
en mooie gespannen gleden haastig over het makadam. Een verloren
hondje snoof, onder de boomen, de lucht op. Pastoor Doening ging,
kort-stappend en alles beloerend, en hij had een groot genot aan
het zicht der bonte dametoiletten, die de laan zoo heerlijk levend
maakten onder de gouden zon. Hij had nooit een stok mede. Hij droeg
gemeenlijk in zijne linkerhand een paar zwarte handschoenen van zeer
zachte zijde, en hij deed ze wiegen of stillekens slaan tegen zijn
kleed. Zijn rechterhand was altijd vrij. Hij vingerde ermede langs de
kleine satijnen knoopjes op zijn borst, juist boven de platte plooien
van zijn sluier. Zijn hoofd was even gebogen en klein waren de randen
van zijn hoed. Zijn haar was niet gansch wit, maar het zilverde op
de krullen van losse lokken zeer kostbaar.

Hij bezocht families van burgerlijken rang. Overal werd hij met
gretigheid onthaald, want zijn taal was vloeiend en zingend, en hij
koesterde zoo eigenaardige gepeinzen. Hij had eene wondere manier om
de aandacht te boeien, en iedereen zweeg terwijl hij sprak. Hij sprak
met goesting en nogal veel, meestal over kunst en politiek. Hij was
niet buitengewoon diepzinnig en zaakrijk in zijne woorden. Hij was
een maker van stemmingen en hij tokkelde met zijne rake volzinnetjes
op het weeke gevoel van het gezelschap. In enkele huisgezinnen
stond te allen tijde zijn bord op de tafel. Hij maakte van die
gunst geen misbruik en deed liefst na het dîner zijn intrede. Het
docht hem dat de menschen, na het eten, een malscher terrein waren
voor de oefeningen van zijne bijzondere welsprekendheid. Bij de
Chanteraine's echter zag men hem zeer dikwijls middagmalen. Hij
had veel gehouden van mevrouw Chanteraine, omdat hij veel hield van
zwakke en lijdende zielen, en hij was een groot vriend van mijnheer
du Bessy en van Simon Peter, omdat hij zijn vrienden zocht onder
de praatziekste even graag als onder de diepzinnigste mannen. Om de
twee dagen deed hij zijn spelletje schaak met mijnheer du Bessy, en
hij schepte een pittig genoegen in de mythologische zinspelingen van
den ouden baronet en in zijne vrijzinnige opvattingetjes van liefde
en politiek. Ze waren het nooit over eenig onderwerp eens, maar geen
van beiden zou die liefelijke oneenigheid tot een ongemak drijven. In
dezen handel met mijnheer du Bessy vond pastoor Doening eene rustige
verpoozing na den geestelijken arbeid overdag. Hij vond er ook het
genot van het nuttelooze, wanneer het nuttelooze een vorm wordt van
den luxus. Juist dat ijdel en sierlijk gepraat streelde hem als een
zonderlinge luiheid, die zooals eene zacht-duizelige geur is of zooals
een teer-grijze half-tint. Hij leunde languit in den lagen zetel,
zag het helle licht vlekken en glanzen op du Bessy's hoofd en volgde
onwillekeurig de vorming van zijne pantheïstische beelden. Francine
zong bij het klavier. De gulden friezen boven den wand blonken gelijk
metallische linten. Een marmeren klok met onyx-zuilen roerde op den
schoorsteen zijn korten slinger rap.

Boven zijne liefde tot de menschen reikte zijne bewondering voor
mevrouw Verlat. Hij kon lange kijken naar heur en voelde dat zij groot
was in hare gebaren. Hij bewonderde de effenheid van haar gemoed,
waarlangs zij eene verdraagzame teederheid van gewaarwordingen
en gevoelsdaden uitweefde. Zoo spreidde zij over al haar doen en
denken, gelijk langzame voolen, de langmoedige trezoren van haar
hart. Pastoor Doening had ten opzichte van mevrouw Chanteraine eene
gemakkelijker genegenheid in zich opgewekt. Meer ingewikkeld was,
jegens Vere, zijne gevoelige houding. Sommige oogenblikken ervan
herinnerden hem aan eene vreemde ernstigheid, die Renildeken in den
laatsten tijd van haar witte leven vertoond had. Andere riepen hem
het hobbelige voorhoofd van Gezelle vóor den geest, in de dagen van
passie en verslagenheid. Hij dacht er dikwijls aan en hij was bang
dat, al indringende langs dien sentimenteelen weg, hij eens de klare
waarheid zou raken, die een ontgoocheling moest zijn.

Op een schoonen Junidag kwam mijnheer du Bessy bezoek brengen aan
pastoor Doening. De oude Doka nam seffens het schaakbord en zette de
thee, als naar gewoonte. Het was, sinds de begrafenis van mevrouw
Chanteraine, de tweede maal dat zij bijeenzaten. Ernest en Vere en
Francine waren weggevlucht in een stille villa aan zee om er, bij 't
gedruisch van het machtig water, van lieverlede te bedaren. Mijnheer
du Bessy was met de kinderen niet meegegaan en te Brussel gebleven,
deels omdat hij de zee niet verdragen kon, deels om den troost van
de woelige stad niet te missen. Na een maand schreef hij aan Doening
om de vroegere partijtjes maar weer aan te pakken; en nu zat hij bij
den haard, vóor het donkere speeltafeltje waar de witte en zwarte
pions opstaken als de boomtronken van een winterlandschap. De gele
gordijn was vóor de veranda weggeschoven en de sterke zon viel met
geweld binnen. Ze drong echter niet tot op den schoorsteen. Haar
verste tipje blekte tegen den koperen kandelaar, die met een hooge
witte kaars op den hoek van de schrijftafel stond.

Mijnheer du Bessy was weer de oude luchtige mijnheer du Bessy. Zijn
haar lag zwart en glimmend van 't blanketsel, in eene rechte streep
tot in zijn nek, van waar het, naar beide kanten schoon opgekamd,
tot ten halve over zijne ooren, in den vorm van een krulletje kwam
liggen. Zijne snor was hard en vol. Zijn rouwpak deed de blanke
scherpte van zijn hoog halsboordje uitschijnen. Hij had losse,
sierlijke gebaren.

--Mijn waarde vriend, zei hij met voorname stem-effekten en
eene deftigheid die, als 't ware, tot het gewicht behoorde van
zijne woorden, denk niet dat ik mij, voor de beoordeeling van de
hedendaagsche politiek, meer dan het noodig is, mijne eenigszins
aristokratische afstamming herinner, of dat ik mij zou laten
meesleepen in een gewarrel van kleine hatelijkheidjes; ik bekijk en
begrijp en bestatig. Het zicht der moderne stroomingen maakt op mij
een ongunstigen indruk, en ik weet niet welke lafheid mij belet te
verklaren dat ik de afschaffing der slavernij betreur. Let wel, ik
denk op dit oogenblik aan de serven, de onvrijen en de patriciërs,
zooals zij een voortreffelijke maatschappelijke combinatie vormden,
onder de eigenaardige leiding der olympische goden. De menschen van
dezen tijd missen inspiratie. Zij loopen op hol, langs de bedriegelijke
wegen van hunne redeneering. Zij kunnen niets opofferen en willen aan
alles een voedsel geven. De Spartanen dachten anders daarover. Maar
welke zijn dan toch ónze uitslagen? Het is nog niet zoolang geleden
dat het hartje der wereld de zegevierende opkomst van een tiers-état
bewonderde. Wij zijn nu getuigen van de kletterende inbreuk der
proletariërs, een vierden staat, zal ik maar zeggen. Morgen heeft
deze ook zijn zatte bekomste, en dan rijst een vijfde staat, de
geweldige massa van zieken en gebrekkigen, achterlingen, idioten,
dwergen en gedrochtelijken. En zoo, mijn goede pastoor Doening,
wordt al talrijker de staat der onvolledigen, de staat die aan het
gebeuren is, al talrijker en talrijker, naarmate de redeneering
hooger holt. Dat noemt gij vooruitgang. Maar zeg mij, bid ik u: wie
gaat in zulke omstandigheden vooruit? Tegenover éen die vooruitgaat,
zijn er duizend die achterblijven, en gaat hij, eenling, verder voort,
al tien duizend blijven achter. Verstaat ge dat? O! het schrikkelijk
zicht van den staat der achterblijvers, als die het ook eens al te
gelijk voelen dat ze honger hebben en d'r bovenop moeten!

Mijnheer du Bessy keek zonder aandacht op het schaakbord naar de
witte koningin en den zwaren koning en deed een zwakken zet. Hij
hernam dadelijk:

--Spreek mij niet anders en oolijker van ekonomische wetten,
die berusten op de koude ervaring der dingen. Ik zeg het u: uwe
volksemancipatie gaat bankroet! Gij meent dat ge de menschheid
vooruithelpt, en gij maakt achterlingen! Ik zeg en ik zeg het u,
mijn beste vriend: zelfs de wetenschappelijke vooruitgang kan niet
opwegen tegen het vreeslijke feit, dat zij al grooter en grooter
meerderheid achter laat in den dompel. En moet die meerderheid eens
regeeren? .... Ge glimlacht. Inderdaad, het is om mee te lachen. Ik
neem uw paard, mijnheer, en zet uw koning schaak!

--Dat is erger, zei pastoor Doening dubbend, terwijl zijne vingeren
over de satijnen knoopjes van zijn kleed kriebelden en hij stille
schartte, met zijn linkerhand, over zijne kin. Het spel stond
ineens slecht voor hem. Hij begon heel nauwkeurig over het spel na
te denken. De oude Doka slofte een oogenblik in de veranda. De zon
lag er roerloos.

--Nu, sprak mijnheer du Bessy al draaiend met zijne duimen, we mogen
het wel bekennen. Europa is rot, en ik verlang met ongeduld naar
de deugdelijke aftakeling die wij vanwege een geïnspireerd ras te
verwachten hebben. Dat komt wellicht nog vroeger dan ge meent. In
afwachting is het me leed dat een brave jongen, zooals Simon, zich de
zaak zoo nuchter aantrekt. Wat bedoelt hij daarmee? En wat gaat hij
zich wegsmijten in een revolutionaire beweging, waar hij zijn beste
vermogens verteert? Want het zal u niet ontsnapt zijn dat Simon Peter
zeer erg met de Joodsche onlusten ingenomen is en er uitziet alsof
hij in geheime kringen oproer stookt. Ik vrees dat hij nooit in de
gratie der goden herkomt, de dwaze, die zijn schoone jaren verlauwt in
zottigheid, terwijl de liefde en haar lusten optrekken, onvoldaan. Hij
lijkt wel op dien armen Lieven Lazare, welke oud geworden is te midden
van zijn steenen princiepen, en daar nu ligt gelijk een zuur hoopken
droog mos. Ha! ha! dat is de bekende straf van Anteroos, den wrokkigen
God der wedermin, die, zooals ge wel weet, gevierd wordt met allerlei
liefelijkheid in Thespiae, aan den voet van den Helicon.

De blauwe theekopjes stonden op een bleek schenkbord met den
ronden buik van den tinnen theepot. De zilveren suikerschaal
was van zeer zuiver Japanneesch fabrikaat, fijn bewerkt in de
teekening der versiersels en in de uitvoering van de verschillige
metaaltinten. Mijnheer du Bessy dronk een slokje en pastoor Doening,
nadat hij den leelijken zet behendig op het schaakbord beantwoord
had, sprak:

--Ik ken, geloof ik, dezen Lieven Lazare beter dan gij hem kent, du
Bessy. Het is een zeer goed man, maar hij is onstuimig en eenzijdig
in zijne liefde. Ik kan u van hem menige aardige historie vertellen,
waarvan niet de minst mooie betrekking hebben tot uwe lichtzinnige
ekonomische bespiegelingen en juist slaan op wat gij daar van steenen
princiepen zegt. Mijnheer Lazare is een katholiek uit éen stuk,
zooals gij een pantheïst zijt uit honderd versmeten brokkelingen. De
stugheid van den eenen is even onredelijk als de mozaïekgeest van den
anderen. Begrijp goed dat ik u niet tegenover malkander plaats. Mijne
vergelijking berust op eene wending van woorden, die mij aangenaam
is en welke gij me moet vergeven. Ik vrees niet dat gij eens tot den
grond van uw wezenlijken aard terugkeert, want gij zijt een kristen
en gelooft in den eenigen God. Ik ken den pleizierigen draai van uwe
gepeinzen. Zij zijn zooals de kermismolen en zij hebben een spel
van blikkertjes en zilveren franjen, en al de paardjes dragen een
flinke kleur. Daarom komen de kinderen errond staan, neem het mij
niet kwalijk. Maar ik wilde u over mijnheer Lazare spreken. Gelooft
gij niet met mij, dat het nu tijd wordt om den koppigen man met zijne
dochter te verzoenen?

Mijnheer du Bessy, al spelend met zijn lepeltje op den rand van het
theebord, was van meening dat dit, voor zijn part, gebeuren mocht.

--Ik had gewenscht, wedervoer pastoor Doening, dat gij mijn voorstel
gretiger aannemen zoudt, mijn beste du Bessy. Gij weet dat Lazare op
zijn kamertje in eigenzinnigheid zijn hart opvreet, en dat mevrouw
Verlat zeer lijdend is. Het ware een goede daad. Mijn vriend, ik heb
dezen ouden man in deze kamer op een avond zien binnenkomen en het
zal mij bijblijven zoolang ik leef. Het regende tamelijk. Hij droeg
een grijze overjas en de regen perelde erover. Zijn vilten hoed was
malsch en zwaar. Zoo kwam hij. De avond kleurde hard-blauw in de
veranda en ik herinner me goed, dat de kandelaar, die altijd daar op
den hoek van mijn schrijftafel staat, dien avond op uitstekende wijze
te glimmen stond. Ik heb Lazare zien huilen als een wild dier. Hij
stiet met zijne vuisten tegen zijn kalen kop, hijgde en jamerde,
en de druppels vielen gelijk rappe perels langs de plooien van zijn
grijze overjas. Daar buiten regende het inderdaad en ik kon de vlaag
hooren pletsen op het steenen voorpleintje van den tuin. Dat was de
dag, waarop zijne dochter hem verlaten had. Sindsdien is hij als een
gewonde leeuw. Hij woont in de Steenstraat op de derde verdieping van
een oud huis en schrijft er voort zijne oproerige boeken. Nader hem met
geen hulp. Hij haat al de menschen en gebruikt gruwelijke woorden om
het uit te roepen. Geef hem geen geld. Doe hem geen onrecht, want hij
wantrouwt u allen. Maar kunnen wij hem zijne dochter niet wedergeven?

De belangstelling van mijnheer du Bessy was algauw opgewekt en hij
trad het plan van pastoor Doening geestdriftig bij. Alles gebeurde bij
hem met onverwachte schokjes. Zijne eerste onverschilligheid was nu
eene ijverige belangstelling geworden. Er werd dus dadelijk besloten
dat mijnheer du Bessy, des anderen daags, bij Lieven Lazare zou gaan
aankloppen om hem tot de gewenschte toenadering aan te sporen.

Nog heel warm door zijn edelmoedig voornemen verliet mijnheer du
Bessy het huis van pastoor Doening en trok, vóór hij middagmalen
zou, de lage stad in. Hij zette zich, aan de terras van een groot
koffiehuis op de Anspachlaan, in een rieten zetel en bestelde een
glas port. Er was veel volk te been en de zon speelde schuins langs
de roerende massa's van menschen en rijtuigen.

--Het is, dacht mijnheer du Bessy, eene mooie zending. Ik ben verheugd
dat ik een zoo lieven dienst aan onze goede Vere bewijzen kan, en
het doet mij, jegens den ouden Lazare, ook deugd. Jammer dat de man
zoo brutaal-katholiek is.

Zoo dacht hij en dronk, met kleine slokjes, den rooden port. Hij lonkte
naar de dames die in hun versche zomertoilet voorbijliepen. Enkele
hadden een karmijn-rooden hoed met purperen bloemen. Andere droegen
witte kapelienen licht-beladen met gele en moeren druiven. Ze liepen,
zich even schorsend, op hunne hooge hakken voorbij.

--De mode, dacht mijnheer du Bessy, zal dees jaar naar eene zeer
zeldzame bordeaux-kleur overgaan. Ik kan daar een paar lijnen in mijn
dagboek over schrijven.

Wanneer zijn glas ten halve ledig was, vroeg hij een blad papier en een
bode. Hij nam zijn gouden potlood, dat aan zijn horlogeketting hing,
en stelde een lang telegram op, voor Simon Peter. Hij verzocht hem
om zonder uitstel eens bij mijnheer Lieven Lazare binnen te loopen
en den ouden man over eene algeheele verzoening te polsen. Ik berust
met gansch mijn hart op u, schreef hij, om, met de hulp der Goden,
dat zaakje in orde te brengen.

Toen dronk hij, tot op den bodem, zijn glas ledig en ging uitzien
naar het dîner.



Pastoor Doening, van zijn kant, at in de veranda een pastei met
ossenvleesch en een geurig duifje. Tot laat in den avond zat hij
te werken. De studeerkamer was rustig. Het witte hoofd van Gezelle
heerschte er stille en volmachtig, en pastoor Doening boog over de
blanke boeken zijn zilverig haar, waarlangs het gaslicht blikkerde.

Het was niet verre van middernacht, als hij zijn bril neerlegde
en opstond om slapen te gaan. Hij stak de hooge kaars aan en trad
langzaam de trap op. Hij zette den kandelaar op het marmeren blad
van de kleine toilettafel en bleef een tijd te midden van de kamer
staan. Zoo deed hij gemeenlijk. Hij herzag in zijn geest het werk en de
daden van den vervlogen dag, en dacht daarna aan de dierbare wezens,
die zijn leven vervulden met hunne beelden van liefde. Zijn smal bed
stond rond en gezellig onder de klare bedekking. Een zwarte vacht
lag ervoor. Een portret van vader Doening en moeder hing aan den
wand erboven. In een hoek van de kamer stond op een kleinen eiken
altaar een koperen Kristusbeeld. Pastoor Doening dacht aan Vere,
de dochter van Lieven Lazare, en hij dacht aan den dooden dichter,
en hij dacht aan Renildeken. Hij had dien avond een zeer klaar zicht
van Renildeken. Hij zag ze heel klein en nauw aan gindschen groenen
boord der Schelde staan, in de wijde groene meerschen. De Schelde was
als een zilveren lint met violette ondertinten. Het westen straalde
geel en oranje om den struischen kop van den Kluisberg en de hemel
was bebouwd met een wonderbaar kasteel van goud en opaal. In haar
spannend kleedje stond daar Renildeken. Haar plat-zijig haar lag
glanzend op haar porseleinen hoofdje. Ze keek vreemd en goedig ....

Dan ging pastoor Doening naar den eiken altaar, waar het koperen
beeld zijn vlammende armen reikte, en knielde op het lage bankje,
dat vooraan stond.

Het was een ongelijk bankje op vier lompe pikkels. De plank was glad
van ouderdom; want hoe lange was het al niet geleden, dat Emanuel
er zat, onder de glyciene van het priëelken, naast Renildeken, die
droomend haar licht handje op zijn knie lei, als een asem of een
geur ....?





V.

MIJNHEER LIEVEN LAZARE, PAMFLETSCHRIJVER, EN MIJNHEER JOHAN DOXA,
GOTHIEKER.


De Steenstraat komt uit op de Henegouwlaan en de Koolmarkt, in het
centrum van de lage stad. Ze is zeer smal en de kasseide hobbelt er,
zoodat de kleine trottoirs hier en daar met trappen zijn gebroken. Ze
is vuil en grijs overdag en erbarmlijk verlicht in den avond. De gevels
hangen voorover, alsof ze wat te vertellen hadden aan de huizen van
den overkant. Een arm volkje neringdoeners woont er--schoenlappers,
fruit- en groentevrouwen, strijksters en herbergiers.

Daar woonde ook mijnheer Lieven Lazare. Hij had twee kamers gehuurd
op de derde verdieping van een oud huis, juist onder het dak. Op de
tweede verdieping huisde een kleermaker met zijne twee zoons, waarvan
de eene geheel onnoozel was en de andere half-kreupel. Op de eerste
leefde eene gepensioneerde dame met drie zwarte hondjes. Zij kweekte
ook konijnen en verpestte de trap met een zuren dierenreuk. Beneden
was de huurmeester, een klein-winkelier, die achter zijne vierkante
ruiten een veelsoortig visschersgerief verkocht. De huurmeester
duldde geen huurders met kleine kinderen; maar hijzelf nestte in het
achterhuis met negen springlevende jongens, waarvan de oudste binnen
een half-jaar zijne eerste kommunie zou doen. Hij heette mijnheer
Josse. Te oordeelen naar de bijzondere lijvigheid van madame Josse,
was het duidelijk, dat hij zich niet aan het negende schreeuwerken
zinnens was te houden. Het leek een wonderlijk huis, als ge u wilt
herinneren, dat de gepensioneerde dame van 't eerste een kweekerij
voor konijnen hield, hetgeen door mijnheer Josse veroorloofd werd.

De kamers van Lieven Lazare waren zeer naakt, vooral de kleine
slaapkamer die langs een schuinsch dakvenster uitzicht gaf op de
ongezonde achterbuurt. Er stond een ijzeren bed, een tafel met een
schotel, een waterkan, een stuk zeep op een speelkaart, een kam en een
tandenborsteltje. Twee stoelen leunden tegen den muur, waar, in een
grove lijst, het beeld hing van den heiligen Franciscus van Assise. Het
tinnen wijwatervaatje was aan de lijst van de deur genageld.

De andere kamer was grooter, luchtiger en, evenals de slaapkamer, met
witte kalk bestreken. Hier werkte mijnheer Lazare. De tafel was vol
met dagbladen, boeken, kohieren en brieven. Hier zat hij gewoonlijk
in een lagen zetel, zijn breeden rug gebogen over het tafelberd,
zijn ellebogen breed uitgezet en zijn kaalronde hoofd naar voren,
wroetend in de vele papieren. Het was een groot man met bol gelaat,
een klein neusje en een dikke grijze snor daaronder. Hij had een
helderblauwen blik. Dien morgen snuffelde hij over de tafel, waar de
Junizon alles overhoop gooide met haar jeugdig licht. Na een tijdje
rechtte hij zenuwachtig zijn zwaar lijf, wierp zijne pen op den
vloer en begon zeer knorrig zijne harde knevels om te draaien. Hij
had mooie witte handen, niet groot, een beetje poezelig.

--Verrekt! riep hij uit, laat ze stikken in hun schande! Waar bemors
ik mijn geest mee, o God!

Hij stond op en ging naar het venster, dat breed was en verguld met
al het zonnegeweld. Hij kon van daar een randje zien van de straat
en de hoofden der menschen die er voorbijliepen. Een zware wagen
waggelde over de steenen. Het koffiekopje, dat op een stoel stond,
rinkelde. Hij keerde zich verwonderd om en zag het witte kopje op den
stoel staan. Een grove boterham lag er nevens. Hij glimlachte droef,
ging weer neerzitten en schoof den stoel bij zich. Hij at, maar de
koffie was koud en het brood bezwaard met harde korsten.

--Dieven, mompelde hij.

Toen werd er tweemaal op de deur geklopt.



Het leven van mijnheer Lieven Lazare was de voortdurige herhaling van
dezelfde hoop en dezelfde zorgen. Hij had altijd de armoede gevlucht
en was er nooit in gelukt. Daarom haatte hij de menschen. Hij
haatte de menschen om hunne betrekkingen tot wat hij noemde "het
gouden kalf." Met een hart dat naar rijkdom schreide, bezong hij
de kristelijke weelde der armoede. Hij had een zeer mooien roman
geschreven, waar hij de zoetheid van de armoede tot een deel van Gods
genade verhief. Zijn echt persoonlijk werk was een ruwe geesel-arbeid
en hij gaf bijtende pamfletten uit tegen al wie bezat en vergaarde. Hij
voerde, ten dienste hiervan, eene heerlijke taal. Zijn proza was hard,
klaar, ijzig, zeer voortreffelijk gedokumenteerd. Deze arme man was een
geleerde theoloog en een schelder. "Mijn leven is te kort om elkendeen
zijn stamp te geven," schreef hij, en dat meende hij werkelijk. Om
zulk een toestand ineens begrijpelijk te maken, moet ik wijzen op de
vele verbitteringen, die hij alreeds in zijne vroege jeugd te verduren
had. Hij was van aard eenigszins eerzuchtig. Hij bewonderde de pracht
die met geld is te bereiken, en de macht die steunt op het geld. Zijn
brandende liefde vond geen uitweg in de armoede, waar hij zijne hopen
verteerde. Hij wilde groot zijn en mild. Hij had de passie der aalmoes.

Hij werd bedrogen. Zijne makkers bedrogen hem en hij was te eerlijk om
het hen niet, als een zweepslag, in het aangezicht te slingeren. Hij
beminde, op twintigjarigen leeftijd, een vrouw die hem bedroog. Hij
wierp ze, uit eene hoogte van acht meters, door het venster op de
straat. Hij was te gevoelig om den minsten aanval niet dadelijk
te merken, en niet lenig genoeg om hem, als ongemerkt, te laten
voorbijgaan.

Met een dergelijk karakter moest hij seffens buiten de algemeene orde
gesmeten worden. Dat gebeurde. Nadat hij zich bij alle katholieke
dagbladen en tijdschriften als redakteur had aangeboden en bij
alle, door de schuld van zijn onbewimpelde handelingen, van de hand
werd gewezen, keerde hij zich met vreeselijke woede tegen allen
tegelijk. Het werd zoo erg dat de rijke priesters die hem weleens
toeschoten in nood, voorgoed hunne deur en hun beurs gesloten
hielden. Ook tegen die richtte hij zijne toornige schriften.

"Kijk nu, schreef hij ergens, naar dees dorre land, waar de stank nog
walmt van de vluchtende honden. Dat noemen zij de aarde van God! Hier
hebben zij Gods woord gepreekt! O, zal God in zijne lankmoedigheid,
tot koude asch het vuur laten vallen, dat Gods Zoon op zijn hart heeft
gedragen? Of wil hij, in zijne geheime gepeinzen, de toekomst vrijwaren
voor de kinderen der lasteraars? Ze stikken in de onwetendheid van
God. Gods woord sterft als het hun tongen raakt, en daar ligt nu,
als een modder, de doode Mare, die eens blakende liefde was. Dat heb
ik twintig jaar lang gekondigd, doch wat baat mijn krijtende ellende
in deze woestenij van ontbinding? Ik heb gedacht dat er nog eene
kerk was, dat er nog een priester was, dat er nog een getuigenis
was van God. IJdele hoop! Alle aardsche toevlucht is onmogelijk en
het lijkt alsof God rilt in mij, vol verachting, verlangend om ook
die laatste vesting te verlaten .... Mijn God, uw wil geschiede,
en uw voornemen is beminnelijk! Uw altaar wordt bezoedeld met al de
smerigheid der vleezige zatheid. Uw heilige naam raakt de gekankerde
tanden van ketterij en ontucht, en zie! de handen van de verlaagde
priesterschap veinzen in de pestlucht het goddelijk gebaar van Uwe
zegening! Zal het duren? En is het U zoet dat ik, van op het bloote
stroo der armoede, met mijn kleine woorden Uwen geweldigen toorn hun
in het aangezicht slinger?--O God! Uwe inzichten zijn verborgen en
Uwe blikken hebt Gij van ons afgewend! Wees mij genadig ...."

Er bleven hem eindelijk maar drie vrienden meer over: Pastoor Doening,
Simon Peter, de beeldhouwer, en de schilder Johan Doxa.

Deze Johan Doxa was een klein dik ventje met een ronden kroezelkop
en malsche putjes in zijne kaken. Men kon er al niet meer van zeggen
dan dat hij goedig was, niet zeer vernuftig, zwak en oprecht. Deze
gezamenlijke hoedanigheden maakten van hem een dompelaar, niet
bestand tegen de luttele aanvalletjes van het gewone leven, een
schamelen menschenschuwe en, op slot van rekening, dan toch nog een
gelukkigen jongen. Hij was het altijd geweest, van kindsbeen af. Al
was hij op school de zondenbok en er onvermijdelijk aangewezen om alle
muilperen, die zoo maar uit lol in de lucht omklonken, met een lachje
en een schokje langs een van zijne bolle waggelkaken op te vangen,
toch leefde hij uit puur genot, vet wordend en heerlijk-lui. Hij
was, op twintigjarigen leeftijd, een oude, trage Johan Doxa met
een dikken kinderkop, grijze cirkeloogen en blonde krullen in zijn
nek. Hij schilderde. Hij schilderde portretten op kleine doeken,
werkte maanden en maanden daaraan, likte en overlikte de gladde
olieverf en hield niet op voor dat alle detailleering haarfijn was
nagebootst en rot gepenseeld. Hij bekwam, op die manier, uitslagen die
niet zonder verdienste waren; maar hij bleef, dank zij deze langzame
bewerking, een zeer arm kunstenaar. Lieven Lazare was uitermate met
Doxa's schilderijen ingenomen en hij verklaarde, na enkele weken,
dat Johan Doxa zijn eenige en waardige vriend was. In zijn boek
"Ploerten" schreef hij hieromtrent:

"Hij (Johan Doxa) kon een groot kunstenaar worden, maar wat moest
mij dat schelen, als ik alleen dát aan hem hebben zou? Hij was een
katholiek. Daarom had ik hem lief en daarom bewonderde ik hem als
eenen broeder. Had God hem op mijn weg geplaatst in de regeling van
Zijne allerzoetste voorzienigheid? Niets gebeurt buiten de wenken van
God en ik dankte Hem, omdat het Hem behaagd had mijne eenzaamheid
met eene onverwachte vriendschap te troosten. Ik bezat dus een
vriend. Het docht mij dat hij, alover de vele jaren van ketterij en
laster, rechtstreeks uit de kinderlijke middeleeuwen naar mij gekomen
was. Inderdaad, hij was een kind. Hij lachte stil als ik hem dat zei,
en zijne oogen herinnerden mij aan de zaligheid der cherubijnen. Hij
toonde, wanneer hij schilderde, het geduld van een gothieker. Hij
was arm, evenals ik, en ik gaf hem eten."

Te dien tijde bewoonde Lieven Lazare, in de Kathelijnewijk, een
zeer ongezonde kamer, welke hij zes maanden nadien "om wille der
monsterachtige schraapzuchtigheid van een éenoogigen huismeester"
verliet. Dit gebeurde in 1883. Lieven Lazare had, éen jaar daarvóor,
een zeer minzaam meisje ontmoet en was er nu mede getrouwd. De
schrikkelijke armoede, waaruit het schrijven van een paar boeken
en het opstellen van een tiental pamfletten hen niet vermocht te
redden, ontbond de groote liefde niet, die het vunzige kamertje van
de Kathelijnewijk ophelderde. Lieven Lazare beminde hartstochtelijk
zijne vrouw en vond dat ze met alle kristelijke gratiën te gelijk
versierd ging. Dit was ongeveer de waarheid, want geene vrouw heeft
ooit zoo ganschelijk en zoo belangloos haar echtgenoot aanbeden,
en geen man ter wereld was ooit maar half zoo grillig-desperaat, zoo
klagend-toornig, zoo ingewikkeld en moeielijk van humeur tegenover
haar. Ze stierf in het kraambed en liet Lazare een rood kindeken na,
dat hij Veronika noemde, naar den wensch van de lieve doode.

Veronika werd geboren te Dilbeek en Johan Doxa was haar peter bij de
doopvont. In "Ploerten" vind ik de volgende aardige bladzijde:

"Johan was stralend van eene vreemde vreugde, die zijn aangezicht met
eene onbegrijpelijke klaarte belichtte. Hij had twee putjes in zijne
kaken en zijne oogen waren niet zoo hel-grijs meer, maar beladen met
eene sombere en diepe gloeiing, welke mij meer dan eens ontstelde,
dien heugelijken dag. Het was duidelijk dat de Inzichten van den
Goddelijken Wil hem bezighielden, gelijk een wonderlijk alaam, voor
Gods lusten. Dit denkbeeld overstelpte mij, en ik drukte geestdriftig
Johan's hand. In de kerk echter steeg mijne aandoening tot barstens
toe, als een zonderling onweder, in al mijne leden op. De moeder
van Johan, die ik met vroomheid gedenk in mijne gebeden, hield het
kind boven de vont. De priester naderde met Gods Woord, en Johan
stond, zwijgend en innig, als Gods Woord zelve--.. O mijn kind! o
begunstigde, die onder zulke heerlijke omstandigheden den Eersten
Troost hebt ontvangen, wat zal ik doen voor u, wanneer het den Hemel
belieft mij in den roes van mijne zonden en de bitterheid van mijne
armoede te verlaten? .... Maar wat zal er geworden van u, indien uwe
doode moeder, ginder hooge, niet met de zoete wenken van haar hart
uwen onzekeren wandel begeleidt langs deze aarde van ellende!"

Veronika groeide op. Ze werd een lief meisje, zacht, gedienstig
en minzaam. De strenge zorgen van haar vader omsloten haar in de
regels van een fanatiek-katholieke opvoeding, waarnaar zij zich,
in den beginne geleidelijk, gehoorzaam wist te schikken. Ze was
inderdaad eene uitmuntende natuur, uitzonderlijk begaafd en, naarmate
ze opschoot en flink werd, steeg ze boven het overdreven en wilde
geweld van vaders opvattingen.

Ondertusschen was Johan Doxa ook getrouwd. Hij had zich overgegeven aan
eene middelmatige vrouw uit het volk, weduwe van een politieagent. Dit
gebeurde op zeer geheimzinnige wijze en was de oorzaak der eerste
ruzie, die tusschen hem en Lieven Lazare ontstond. Johan, die zich
geheel als eene kreatuur van Lazare beschouwde, had den moed niet
om aan zijn vriend de toestemming tot dat huwelijk te vragen en
durfde nog minder tot de simpele verklaring overgaan, dat hij, zelfs
zonder die toestemming, zinnens was "er een eind aan te maken." Een
eind aan wat? Dat wist hij niet, maar hij werd, jegens Lazare, zeer
verlegen omdat hij 't doen moest. Het huwelijk was, in zijn idee, iets
dat men doen moet, iets waartoe men gedwongen is. De vrouw van den
politieagent woonde in het huis, waar hij een zolderkamertje met een
duivenkot gehuurd had, nummer 82 op de Papenvest. Hijzelf gebruikte
het duivenkot niet. Hij had het aan den politieagent afgestaan, die
er, om zijn pleizier, dakzitters in kweekte. Johan hoorde gaarne,
terwijl hij over de fijn gestreken kleuren van een afgebeuld doek
gebogen zat, het zachte getroetel der duiven of hun ruischenden
vleugelslag, als ze, langs den witten kijker, hun vlucht namen over
het grauw-roode spel van pannen en schoorsteenen. Maar de politieagent
stierf schielijk, hetgeen Johan zeer betreurde, want hij ging reeds op
een vriendschappelijken voet met hem om [1]. Men bracht den armen man
op eene berrie naar huis. Zijne vrouw die niet leelijk was en Juliëtte
heette, werd wanhopig en viel over zijn roerloos lijk aan het weenen.

Nu merkte Lieven Lazare dat Johan Doxa er sinds eenigen tijd zeer
neerslachtig uitzag. Hij ondervroeg hem daaromtrent. Johan lachte
even, schuw en angstig, sprak niet, kuchte en speekte. Op een morgen
besloot Lazare zijn vriend eens forsig aan te pakken en kost wat kost
van hem te vernemen wat hem zoo zwaar op het hart lag. Hij verliet de
kamers, die hij voor een tijdje in de Broekstraat bewoonde, en begaf
zich naar de Papenvest. Hij kende het huis, al was hij er maar eens
binnengeloopen, sedert lang. Hij klom de steile trap op, struikelde
over een hoop kinderen, die er speelden, rook den viezen geur die
alom walmde. Hij kwam vóor het lage deurtje van de zolderkamer,
en klopte. Hij klopte eene tweede maal. Hij riep Johan door het
sleutelgat.

"Ik hoorde [2] nu duidelijk een roezemoezend bedgescharrel en Johan's
gedempte stem. Ga weg, loop weg, smeekte Johan dof, kruip in de
kast, kruip in het duivenkot .... o Heere! hoort ge dan niet, Lazare
staat vóor de deur! .... Ik stond versteend. De twijfel knelde mij
als een stalen gesp en ik voelde mij ineens precies door God zelf
verlaten. Johan was daarbinnen, overgegeven aan de gemeenste der
zonden, want niets, meer dan de onkuischheid, verlaagt den mensch
in het aangezicht van God. Ik hoorde het spottend gegichel van
eene vrouw. Ik schreeuwde: Doe open! Een vreeselijke klank droeg
mijn woord en ik herkende mijn eigen stem niet. Toen--dewijl hij
bang was, niet zonder reden--deed hij open, en ik zag hem, tegen
den muur gedrongen, zijn vuile buik als een mestzak daar hangend,
onder het scheefgetrokken hemd. Ik zag de roste haarpijlkens stekelig
rechtstaan op zijne bloote dikke beenen en tegelijk zijn ronden kop,
bleekglimmend van laffen angst. Op het bed lag zij. Zij was zeer
onverlegen, en hare naakte armen lengden zich op het hoofdkussen in
hare donkere haren, en hare keel was wit en lang, gelijk eene baan van
melk. De duiven, achter de berden, deden een zoet geruisch. Ik sprak
niet in den beginne. Ik wachtte naar de schrikkelijke vermaledijding,
die de Hemel mij zou ingeven. Ik hief mijne hand op en werd gewaar
dat ik ging losbarsten in tranen. God vernedert mij uitermate, dacht
ik. Zijn naam is gebenedijd."

Het bleek seffens dat Johan Doxa zich aan geen de minste misdaad had
vergrepen. Hij was wettig en kerkelijk getrouwd. Hij had dat zoo
stillekens gedaan, en zijne neerslachtigheid, die daarop volgde,
had geen andere oorzaak, dan dat hij 't over zijne tong niet kon
krijgen om het aan Lieven te bekennen.

Lieven bleef langen tijd zonder nog naar Johan te willen omzien. Zijn
boek krioelt van profetische vloeken naar het adres van den "verloren
vriend, welke zijn goddelijk instinkt heeft overgegeven aan al de
hoererijen van zijn zwakheid." Zijn dochtertje die vóor dien tijd met
mijnheer Doxa speelde gelijk met een verduldig kind, mocht zijn naam
niet meer uitspreken, en Lieven jammerde maar door, met een Elias'
passie, over de bitterheid van "den kelk met eindeloozen bodem,
kostbare tastelijkheid van Gods wil." Daar kwamen dagen van diepe
armoede, dagen vol met den last van leven, dagen zonder lust en
zonder troost. Er moest worden geld gebedeld om brood te koopen. De
beenhouwer gaf geen krediet meer en de wereld scheen, op den drempel
van het kamertje, dichtgemuurd. Lieven schold, in donderende brieven,
de menschen uit die hem eertijds hadden de hand gereikt en hem nu, moe
van geven tegen ondankbaarheid, een stuk van honderd frank weigeren
dierven. Aan een jongeren dichter, die hem ter inzage zijne verzen
zond, schreef hij:

"Ik ben zonder moed. Gij zegt dat ge mij zeer bewondert, en gij stuurt
mij een manuskript. Wanneer zullen zij een daad doen zij, die mij
een groot man noemen? Vergeef mij dat ik mijn brief ongefrankeerd aan
de post toevertrouw. Mijne laatste centen heb ik dezen morgen in de
klauwen van een kalen bakker gelaten. Ik heb er een droog pasteitje
met krenten voor gekregen, dat mij door mijn dochtertje Veronika werd
gevraagd. Zij vroeg het, mijnheer, met een bevend stemmetje, hetwelk
gij niet kent en mij buiten alle mate aandoet. Ik heb geen schaamte dat
ik u dat schrijven moet. Ik ben zonder moed. Ik roep het u en allen,
nog en nogmaals, zooals ik het al sinds twintig jaren doe. Maar het
behaagt God, mij in Zijne nabijheid te behouden, want niemand helpt
mij uit dezen staat van mizerie. Ja, mijnheer, God buigt zich, op
deze stonde, boven mijne schouders en ik voel zijn adem van liefde,
en ik ben, in waarheid, zeer verwijderd van u. Zijne besluiten zijn
allerbeminnelijkst. Wat moet ik hier bijvoegen? Ik ken u niet. Ik
wacht tot ge iets doet, dat u mij kenbaar maakt.

Op een kersmisdag ging hij met Veronika bij Johan Doxa. De ontmoeting
was eigenaardig. Lieven was koud en voornaam. Hij werd zeer liefelijk
ontvangen en mevrouw Doxa deed haar best om er minzaam uit te zien. Ze
scheen ganschelijk te hebben vergeten dat mijnheer Lazare's vroegere
behandeling wel zeer beleedigend was geweest en wilde zelfs nu niet
merken dat zijne houding vrij stijf en hoogmoedig leek. Mijnheer
Lazare inderdaad stelde zich dees bezoek voor als een verplichten
stap in de modder en hij spreidde om geheel zijn wezen en staatsie
een minachtend medelijden ten toon, dat duidelijk beteekenen wilde:
"Zie, nu kom ik hier, gedreven door God, als een zendeling, die
dankbaar het kruis draagt van vernedering en gehoorzaamheid." Hij
stond op den drempel. Zijn groot lichaam schaduwde breed en massaal
in het klare deurgat, en hij zei, kijkende naar Doxa:

--Welnu, Doxa?

De profetische klank zijner stem trof Doxa uitermate. Deze zat bij
het venster, naast eene wit-houten tafel en vóor een klein doek,
dat hij verduldig aan het beschilderen was. Zijn rond palet was
bestekeld met eene menigte puntige penseelen en op het tafelbord
hief een porseleinen koffiekan haren lekkeren buik in het zilveren
winterlicht. Zijn mond werd ineens droog en zijn keel raspig. Hij
glimlachte nuchter en dwaas-verwonderd, terwijl zijn kop boven de
koffiekan bollig uitstak. De kan was vet in haar witte verve.

Nadat mevrouw Doxa een flesch met cognac had opgehaald en seffens de
geurige grogjes deed dampen, sprak Lieven Lazare die zich nederzette
bij het vuur:

--Ik ben dus, Johan Doxa, bij u gekomen, met het inzicht van den
Eersten Persoon. Ik heb alles doodgewrongen wat in mijn lijf van
passie zich opwierp tegen deze vreemde toenadering. Wees er mij niet
dankbaar om. Ik ben het middel, terwijl het doel, dat van daarhooge
is aangewezen, mij onbekend blijft. Het moet u verwonderen dat God
zich verwaardigen wil te neigen over u? Het is de waarheid, noch
min noch meer. Het woord dat ik voer, is een stoffelijke gedaante
van Zijne barmhartigheid, want Hij zal zich uwer ontfermen. Wees
bedaard. Spreek niet. Roep niet. Wij zijn blind als de bedelaars
van de parabel. Het oog van God straalt, onzichtbaar, boven ons,
door alle tijden der Eeuwigheid.

Mijnheer Doxa blikte benauwd naar mijnheer Lazare. Even bibberden de
fijne penseeltjes langs het ronde palet. Tegen de blanke vensterklaarte
krulden zijne bleeke lokken en zijn hoofd was als dat van een
engelachtig kind, dat naar een vreeslijk sprookje luistert. Spreken
of roepen, daar was bij hem geen kwestie van; maar nu geloofde
hij het toch, terwijl Lieven hem tot bedaren aanzette. Moest hij
roepen? Holderdebolder klepperden dooreen in zijn bange hersens de
kleine verwarde gepeinzen, die hij, gelijk sprinkhanen, opjoeg.

--Johan Doxa, zei Lieven Lazare, ontdoe u van den ouden man. Ontdoe
u van de besmetting der zonde. Werp u, naakt en schreiend, in de
meren van berouw, die ik u toon, den Hemel zij dank! Ik merk dat
ge het beeld van Kristus op dit bonte doek wilt konterfeiten en dat
geen vrome aandoening uwe vleezige hand geleidt. O arbeid niet in de
duisternis; buig niet uw voorhoofd over de zwarte schimmen van uwe
menschenverbeelding; kijk op, en schud uw beladen lichaam. Ik zeg
het u: gij zijt zwaar van smerigheid.

Mevrouw Doxa was van meening dat hierop moest geantwoord worden. Ze
zette hare vuisten in hare heupen en ging te midden van de kamer
staan. Men moest zich zoo toch niet laten uitschelden. En dan nog
in uw eigen huis! Nee, dat was kras. Johan Doxa keek wanhopig naar
zijne vrouw, en beurtelings naar Lieven Lazare. Er viel een schoone
stilte, waarbinst de prettige koffiekan haar glimmenden buik stille
deed waggelen. Mevrouw Doxa plofte door deze fijne stilte, gelijk
een okernoot door een spinneweb. Ze kwetterde hare verontwaardiging
uit en hare lippen werden nat, karmijnrood en rap-roerend.

--Neen, mevrouw, wedervoer mijnheer Lazare afwerend, op dit terrein
zal ik u niet volgen. Wees niet toornig, bid ik u. Alleen de klank
mijner stem is mij eigen--de woorden, mevrouw, zijn van God.

Hij dronk eene helft van zijn walmend grogje, likte langzaam over
zijne dikke knevels en zette het glas, met een tikje, op het steenen
blad van de schouw. Veronika zat nevens hem op een lagen stoel. Ze
droeg een donker kleedje dat in rechte plooien openvouwde op hare
knieën, en een wit-pelsen manteltje dat ze had achterover geleid,
op den rug van den stoel. Ze scheen niet te hooren wat rond haar
gebeurde. Ze tuurde droomend naar de kachel die half-rood stond en
die ronkte bijwijlen, vol geheimen. Bij den aschbak lag een klein
oud hondje. Hij lag in een ronde mande, op een stuk gebloemd fluweel,
en zijn grijsmuiltje rustte over den rieten rand.

--Johan, sprak mijnheer Lazare, ik ben niet gekomen met, in mijne
handen, de warme herinnering van onze vroegere vriendschap. Ik ben
gekomen met de Goddelijke inspiratie. Ik ben arm. Ik draag in mij
de gratie der armoede. Ginder ligt het pak dat ik heb medegebracht,
en hier is Veronika.

Hij wees naar een bruin-papieren pak, dat hij achter de deur
neergeleid had.

--Ik heb dit pak medegebracht. Het is àl mijn goed, Johan. Het bevat
enkele handschriften en een beetje linnen. De rest is weg, verkocht,
gestolen--mijne kostbare boeken, mijne prenten en zeldzame houtsneden,
mijne kleederen, de geheele meubileering .... enfin .... ik ben beroofd
van de wereldsche bezittingen en alles is ijl rondom mij. Het is mij
ingegeven dat ik bij u komen zou. Zoo ben ik dan gekomen, niet omdat
gij zoudt deernis hebben met mij, maar omdat gij u zoudt bekeeren,
naar mijn voorbeeld en naar Gods wil.

Mijnheer Doxa was waarlijk gelukkig, toen, in den namiddag, de zaak
op een volle verzoening afliep. Mijnheer Lazare en zijne dochter
bleven elf dagen inwonen bij Doxa, die weldra aan het spelen was met
Veronika zooals voorheen. Hij vertelde haar wondere sprookjes, welke
hij vóor de vuist verzon, de lange winteravonden langs. Hij ging met
haar dagelijks de konijnen bezoeken die hij, in zijne slaapkamer, op
het duivenkot kweekte. Van duiven had hij geen verstand. 's Morgens
ging hij uit wandelen en Veronika vergezelde hem iedermaal. Zij
kuierden door het park, bleven bij de breede waterkommen verwijlen,
liepen tusschenbeide het muzeum eens binnen, waar 't lekker warm was
en soms zoo eenig-stil en gezellig. Hij droeg een kort winterjasje dat
op zijn ronden buik spande, en zijne smalle broekpijpen slodderden
op zijne grauwe rijgsnoeren thoop. Hij lachte altijd, werkte nooit,
had het schilderijdoek achter de kast gestoken en zijne borstels zoo
maar in een waterbak gedoopt.

Op een middag was hij met Veronika in de versche sneeuw gaan daggeren,
de breede Tervurenlaan op. De kille wind had in hun wangen gebeten en
ze kwamen rood en glinster-oogend thuis. Ze vonden mijnheer Lazare op
den drempel. Hij was aangekleed en droeg zijn bruin-papieren pak met
een rood-en-grijs touwtje aan de linkerhand. Doxa vernam dat zijne
vrouw zich "als een prij" gedragen had en dat Lazare, op staanden
voet en voor eeuwig, het huis verliet.

--Dit gebeurde op een sneeuwdag [3]. Ik nam Veronika bij de hand,
en het arme kind begon stil te weenen. Ik merkte ook dat Johan Doxa
in schijn zeer droevig was. Hij sprak niet, boog het hoofd. Het weer
was klaar. De schuinsche zon speelde hoog in de lucht. Ik had mijne
manuskripten en mijn linnen in een bruin pakpapier gewonden, en 'k
hoorde den zenuwachtigen stap van mevrouw Doxa om en weer de houten
kamer kloppen. Nadat ik mij tegenover Johan Doxa verklaard had en,
als onvoldoende verontschuldiging, zijne schuchtere bewering "dat
zijne vrouw waarschijnlijk zwanger ging en raar deed" ontvangen had
met een schouderophalen, nam ik dus Veronika bij de hand en trad de
trap af. Ik haastte mij niet. Ik wilde hem ten minste den tijd laten
tot bezinnen. Ik hoopte, in mijne goedheid, dat deze man, eindelijk
door God getaakt, mij zou achternasnellen, mij met een raak woord
of een smeekend gebaar tot den vrede zou terugbrengen .... Neen, hij
bleef daar hooge bij den drempel. Hij zweeg. Hij roerde niet. Buiten
was de winter bezig. Waar moest ik nu gaan, met dat povere kind,
o mijn God! Ik had geen geld, geen uitkomst. Die vent, dien ik mijn
vriend waande, had mij de deur uitgesmeten ...."

De avonturen die daarop volgden, waren àl droefheid en ellende. Het
was in dien hachelijken tijd pastoor Doening, die hem eindelijk
uit den nood redde. Lieven Lazare betrok een klein huisje te Evere,
dat mijnheer Doening voor hem gehuurd had en leefde er een langen
tijd. Daar was het dat hij zijne dochter tot vrouw zag opgroeien en hij
dien heerlijken roman schreef: "Een Keerpunt." Het leek alsof hij zich
aan geen pamfletten meer vergrammen zou. Die toestand veranderde echter
na de komst van Simon Peter, den Jood, tegen wien hij op theologisch
en ekonomisch gebied met beroerde geestdrift diskuteerde. Lange
stonden zaten ze te zaam in het priëelken van den tuin te praten
en te twisten, maar, hoe zonderling ook, de ijver van Lazare ging
nooit tot toorn over. Hij kon met Peter niet hatelijk doen en, na de
hevigste woorden, voelde hij toch zeer innig de deugdelijke warmte
van Peter's aanwezigheid en was hij telkens treurig, als Peter het
Eversche huisje verliet. Hij was minder ingenomen met Ernest Verlat,
die, na een tijdje, de wekelijksche wandeling naar Evere mededeed.

Ernest Verlat sprak niet veel met hem. Hij zat gewoonlijk in het
zonnig voorkamertje, waar er een breede Vlaamsche schouw was, geheel
met tinnen potten en aarden teelen bezet. Hij zat onder het violette
schouwkleed, sprak met Veronika die, bij het vensterlicht juist tegen
de getafelde venstergordijntjes, borduurde ....



Lieven Lazare had den gladden rand van zijn koffietas met zijn duim
geraakt, toen er op de deur van het zolderkamertje geklopt werd. Eer
hij zich omkeerde, had Simon Peter reeds de klink gedraaid en stond
hij, goedig-glimlachend, in de zwarte deurgaping.

--Nu, ouwe kerel!

Ze drukten malkander stevig de hand en Simon legde zijn strooien hoed
op de tafel neder.

Hij trok langzaam zijne handschoenen uit en streek met zijne struische
vingeren, die zeer wit waren en spierig, over den zwarten glans van
zijn baard. Mijnheer Lazare ging rechtover hem zitten, kruiste zijne
beenen, maakte 't zijn eigen seffens gezellig. Hij trommelde zacht
op den rug van een dik boek. Naderhand boog hij zich om een sigaar op
te nemen uit den lederen koker, dien Simon hem overreikte. Simon zei:

--Het is niet, omdat ik haastig ben, dat ik met de deur in huis wil
vallen, mijn vriend. Ik ben niet haastig om weg te zijn van hier,
maar ik haast mij u een boodschap te brengen, die ik van harte heb
aanvaard. Ik heb ze met gretigheid aanvaard, Lieven, en ge zult dit
wel willen bezien als een teeken van mijn genegenheid voor u .... en
de uwe ....

--Ik ben alleen, weet ge toch, gromde mijnheer Lazare.

Hij had de sigaar aangestoken en pafte breede wolken in de lucht. Ze
krulden vettig en traag, wuifden heerlijk open, schoven in de
zonnelagen, die dweers door de ruimte hingen. Wattige walmen bleven
haperen in zijne snor.

--We moeten vandaag kalm blijven en aandachtig, wedervoer Simon. Het
helpt niet als ge vijandig naar mijne woorden loert en mijne inzichten
verwaarloost. Men heeft u gekrenkt; maar uw gezag blijft ongeschonden,
vermits men alles vergoeden wil .... Neen, Lieven, val nu om Gods
wil niet uit tegen ons. Het is zoo ellendig en onnoodig.

--Waarom zegt ge "ons?"

--Laat me uitspreken. Ik zeg "ons" met reden. Ik begrijp u erbij
insgelijks. Wat wilt ge hier zitten als een gewond dier, u zelf
opknagend met uw haat tegen alle menschen? Kom, man. Werp af dat
misanthropisch Nessuskleed. Ge stikt immers daaronder .... en ge hebt
een dochter die u liefheeft! Ze vraagt naar u. Uwe plaats is ginder
aangeteekend. Uw zetel staat bij den haard. Doe nu een natuurlijke
daad. Hier gelden geen princiepen.

Mijnheer Lazare had geglimlacht. Hij luisterde verduldig, knipte
zenuwachtig met de punt van zijn pinknagel de asch van zijn sigaar,
deed zijn pantoffel wippelen op den top van zijn teen. Hij zweeg nog,
als reeds Simon ophield met spreken. 't Was of hij zich aan meer
verwachtte en positie had genomen om meer te hooren. Hij keek nu in
eens op, blikte vragend: "Uit?" en bracht toen zijne beide handen
overeen op zijne knie.

--Daar schuilt veel, mijnheer, zei hij in uwe weinige woorden. Het
blijkt dat ik thans verplicht ben uw geheugen wat op te frisschen. Ik
walg dat ik het doen moet. Over die zaak hebben wij 't nog nooit gehad,
omdat gij 't niet geraadzaam hebt gevonden voor uw vriend Verlat in
de bres te springen. Nu doet ge 't voor uw vriends vrouw. Dat is eene
andere stelling. Ze is echter even zot. Het zal u misschien verwonderen
dat ik de onzeggelijke lafheid mijner dochter heb aangenomen als een
bijzondere en uitgelezen gifte van God. Het heeft God behaagd mij
op die manier nog meer aan Hem te hechten. Hiermede heeft Hij mij
niet gekastijd, maar Hij heeft mij bewezen dat niets op de wereld
mij mag onoplettend maken of verkoelen in mijn liefde tot Hem. Het
is bijna een mirakel, mijnheer; want ik beminde mijn kind zooals de
menschen zeggen dat zij hunne kinderen totterdood beminnen. Ik wil
u dit Goddelijk verschijnsel van naderbij aantoonen.

Hij hief zijne sigaar op armslengte boven het tafelberd, zag de kleine
krulling van de uiterste dampwalmen al trillend opwiegelen. Hij liet ze
nadien stille neervallen op een wit schrijfblad, waar de doovende asch
uiteenstoof en vlekte. Hij bekeek dan mijnheer Peter in het aangezicht,
en zijne ronde neusvleugeltjes, welke zeer fijn waren en doorzichtig,
roerden een oogenblik. Hij zuchtte en sprak:

--Gij kent mij niet, Simon. Ik heb dus tevergeefs al die boeken
geschreven en al deze rimpels gesneden in mijn voorhoofd? Het is
jammer, inderdaad. O kerel, wat een strijd van jaren en jaren werd er
gestreden in mij--God eenerzijds, en anderzijds de Duivel! Verbeeld
u mij als kind. Verbeeld u een kind zonder ouders, opgeleid door
een zwakke grootmoeder, die mij op vijftien-jarigen ouderdom alleen
op deze wereld achterliet. Geld? Ik had een handvol geld! Ik had een
handvol geld! Zij hebben 't mij afgetruggeld, natuurlijk. Heeft iemand,
een enkel iemand maar, ingezien de ontzaglijke kracht welke opgroeide
in mij, die gratie uit den Hooge? Het was waarlijk een wonderbare
gratie, die mijne woorden tot vlammen van liefde blaken deden. Mijne
schoonheid kunt ge niet jeugd heeten noch eenvoud noch onschuld. Mijne
schoonheid lag in het vuur van mijn vleesch, hetwelk, door een wonder
van heiligheid, tot gistenden geest gedijde. Begrijp dat goed. Ik
was niet grondelijk bewust van mijn macht. Evenmin kent de schelle
pioen den gloed van hare kleuren. Ik was de drager van iets. Voelt
ge, mijnheer, dat dit het geheim is van mijn rampzalig leven? Ik was
de drager. Het ware kinderachtig hierop dieper aan te dringen--het
ligt bloot en klaar dat mij eene zending is toevertrouwd. Ik zelf
kon dàt niet weten--maar gij, gij allen die ooren hebt en oogen, gij,
tot wie ik als een spektakel gezonden werd, uit angst en uit lafheid
hebt gij niet willen zien en niet willen luisteren. Hemel! het ontbrak
mij nochtans niet aan woorden noch aan daden! Ik was een jongeling,
mijnheer, zooals alleen een is, die gemerkt gaat met Gods vinger en
beladen met Zijn wil. Ik was groot, struisch, helder en moedig. Nadat
ik twee jaren, als leergast, bij een boekbinder had vertoefd, verliet
ik dezen farizeeër, die zich mestte met mijn zweet. Ik was kort daarna
echter verplicht bij hem terug te komen, want de bloedhond had heel
de stad opgejaagd tegen mij en alle werk bij een ander meester werd
mij geweigerd. De boekbinder betaalde mij een loon van twee en dertig
stuivers in de week. Hij heette Ignaas Vierendeels en was een klein
mannetje met een gladden kop, een grauwen bril, een paarlemoeren
snuifdoos en korte broeken met gespen. Al liet hij mij weinig vrijen
tijd over, ik slaagde er in één boek te lezen op de tien, die ik binden
moest. Ik las Fransche en Engelsche romans en enkele Nederlandsche
bundels, die mij, om hunne stijfheid en onnatuurlijke techniek, zeer
ongenietbaar leken. Ik las de boeken van den goddelijken Pascal en de
slijmerige prullaria van het onding Renan; ik las Thackeray en Dickens,
die te handig zijn om boven het peil van een soort commercieële kunst
te stijgen; en ik las Victor Hugo, dien kafmolen, en Emile Zola,
dat varkensjong. Gij weet wat ik thans over de letterkunde denk. Als
boekbindersgast heb ik oordeelen geveld, die ik na zoolange jaren
niet heb moeten wijzigen. Op een uchtend, een zondag na de vroegmis,
kocht ik een pen en een koker, en op omslagpapier probeerde ik
het, zelf wat te schrijven. Ik schreef een voortreffelijk artikel
over de armzalige balletkunst van den troglodiet Leconte de Lisle,
en later een kritisch essay naar aanleiding van de protestantische
uitboezemingen van een Hollandschen wijsneus. Beide studiën werden
in alle tijdschriften geweigerd. Hoe raar! toen juist besloot ik
mijn krachten uitsluitend aan de letteren te wijden. Mijn schriften
werden met lachbuien, misprijzen of onverschilligheid bejegend, en ik
begon een leven van onzeggelijke mizerie. Maar ik was gezonden als een
toonbeeld, om alle leed, alle schande te schorsen. Ik duldde honger,
koude, oneer, vernedering. Eene vrouw die ik liefhad, bedroog mij met
een letterkundigen blikslager, en ik werd rechterlijk vervolgd omdat ik
ze, tot haar straf, uit het venster gooide. De dagblad-eigenaars en de
hooge geestelijkheid vonden dat ik te "brutaal" was. Ik heb éen voor
éen de sympathie van allen verloren, omdat ik te "brutaal" was. Men
liet mij, ter ontbinding, ploeteren in mijn schrikkelijke armoede; maar
ik bleef "brutaal." Ik bleef naïef de waarheid zeggen. De waarheid,
helaas! mijnheer! Ik zei de waarheid omtrent alles en aan iedereen, en
ik bekreunde mij nooit om de gevolgen. Dit is, zal u wel toeschijnen,
heel uw wezen blootstellen aan alle mogelijke vernietigingsalaam. Ik
verdomde 't. Ik stelde me vast voor, altijd onhandig, mateloos en
onvoorzichtig te zijn, en ik zou, allentwege te werk gaan met eene
eindelooze, gloeiende, vrije overdadigheid! Ik heb zeer veel geleden,
mijn waarde Simon....

Mijnheer Lazare teekende met zijn duim een halven cirkel in de ruimte,
langs een golvend gebaar dat zijn wensch beduidde, om al die jaren met
een schrap van zijn hand weg te vagen. Zijne wimpers zegen langzaam
als een vool, over zijn vurigen blik. Hij sprak, na een poosje:

--Door al die mottigheid van mijn leven en door de misten van mijn
zoekend gedacht, straalt, gelijk een dag-vol-zon, het gelaat en het
hart van mijne tweede vrouw. Wanneer ik denk aan haar, zijn vol licht
mijne duisterende oogen. God, om mij moed in te geven, heeft mij een
zicht willen toonen van de Hemelsche Gewesten, en hij schonk mij den
blik van mijne vrouw. Om echter het geweten van mijn zendelingsplichten
te scherpen en mijn ijver niet in luiheid van geluk te laten vertragen,
overlaadde Hij die tijdelijke klaarte met de schaduw van Zijne
onverbiddelijke hand. Zijne inzichten zijn zooals de schaduwen van
het Onbegrepen Woord en Zijne hand is gebenedijd. Mijne vrouw stierf
op een vrijdag, even na Laetare-tijd. Wij woonden toen te Dilbeek,
een dorp vol vooroordeelen in een struisch landschap van het kloekste
Brabant. Daar lag een tuintje met rozenperken en kleine wegelkens vóor
ons huis. Juist blonk er een lieve Junimorgen, bepereld met zilveren
dauw en omdaan met lichte floersen opalen licht. De venstergordijn
was klein en geel, gespikkeld met paarse ringen, en het hing sierlijk
gevouwen tegen de blikkerende vlakte van de dag-blanke ruit. Blij
klopte er de zon. Het was vroeg en frisch daarbuiten, maar in de kamer,
die lauw was en zwaar, haperde de trage nacht. Ik draaide het lamplicht
omlaag, en de zon viel levend binnen, blauw en gulden. Kort daarop
stierf mijne vrouw. Het laatste vaarwel dat, zwijgend en wonderlijk,
uit hare oogen mijwaarts blonk, was reeds beschenen met een voorglans
van Gods heimelijke glorie. Toen voelde ik me plots zoo alleen en
eendelijk zijn. Toen keek ik naar het kind. Toen weende en bad ik. Het
kind lag roze en rustig op hare borst, zijn handjes uiteen en omhoog,
gelijk twee kleine wanhopen naar den hemel gericht ....

--Ge beziet me ernstig, mijnheer, hernam Lieven Lazare, wellicht
toetst ge aan een teeken van mijne woorden den Goddelijken oorsprong
van mijne rampen? O! gij kent mij niet geheel, want in u schuilt een
deel van den Vijand, dien ik met scheldende waarheid bevecht. Allen
die mij liefhebben, zullen mij kennen, en zij zullen de uitverkoren
vrienden zijn van God. Maar ik wil probeeren mijn doen begrijpelijk
te maken bij u .... Ik bleef dus, na den dood van mijne vrouw, alleen
met het kind. Het was een lief en minzaam kind, en het werd weldra
de schat en het eenig stoffelijk genot van mijn leven. Verbeeld u
nu wat ik al voor mijn dochtertje te dragen had. Stel u voor dat
ik haar, spijts de ongelooflijke tegenkantingen van eene bedorven
kerk en de principiëele hardvochtigheid der zoogenaamde vrijdenkers,
tot een meisje van kristelijke, zegge menschelijke waarde wist op
te leiden! Onuitsprekelijk mirakel! Waar thans Lesbos en Sodoma met
openbare hondschheid worden bezongen en het Gulden Kalf majestatisch,
op een zonderlinge berrie van platte harten, gedragen wordt door
al de Joodsche mestbuiken en bloedzuigers--waar het dogma der Logen
omkleed is, als met een arlekijnspak, met Gods Woord, daar heb ik,
mijnheer, doen rijzen de zuivere klaarte van zulk vrouwenfiguur
.... Veronika! Veronika, mijnheer, ja. Maar ziet ge ten minste, in de
donkerheid van uwe verbeelding, iets dat lijkt op de afgrijselijke
hinderpalen, welke mij hebben in den weg gestaan? Ziet ge iets van
die vuiligheid en iets van mijn moed?

Mijnheer Lazare stond recht. Zijn breede gestalte steeg somber
tegen den witten kalkmuur en zijn gelaat blonk uit met kracht. Van
op de lagere huisverdieping klonk, boven het gewone straatlawaai,
een langzame mannenstem. Ze was niet fraai, noch helder. Ze droeg, als
uit eene holte, de eentonigheid van een traag lied en ze deed waarlijk
vreemd, gelijk een die zal gaan huilen in een najaarswind. Mijnheer
Lazare bracht stil zijn linkerhand over zijn voorhoofd, terwijl de
andere, zeer bleek, op den bruinen rug van zijn stoel rustte. Hij
zeide:

--Laat toe dat ik niet met versche woorden de herinnering aan mijn
laatst ongeluk verlevendige. Veronika is me ontstolen en zij is nu
zooals hare moeder: zij heeft me een uiterst vaarwel toegestuurd. God
heeft niet gewild dat ook dit vaarwel belicht werd met het goud van
Zijne gratie: Hij heeft geboden dat het uit de modder van menschen
tot mij komen zou. Zijn gebod is allergenadigst, en ik ben Zijne
zorgen onwaardig. Spreek mij nu nooit meer van die akelige dingen,
Simon. Ik heb niets te vergeven en niemand te vonnissen. Ik ben het
werktuig van God, en mijne dochter is dood.

Op dit oogenblik boog Simon Peter voorover, als eene voorbereiding
om hierop antwoord te geven. Zijn baard veranderde ineens van kleur,
wijl een straal van de Julizon juist zijn donkere glansen taakte. Maar
mijnheer Lazare weerde met een beslist gebaar van zijne beide handen
den stillen aanval af.

--Neen, Simon, sprak hij een beetje korzelig, dring niet aan. Het ware
spijtig, wanneer ik iets bij dit alles moest toevoegen, en den toon
overschrijden misschien, die past bij onze aangename vriendschap. Wat
ik u verteld heb, moet voldoende zijn om u te laten raden wat ik
liefst verzwijgen wil. Ik houd mij, voor de rest, aan deze verklaring
die onherroepelijk is: mijne dochter is dood in lijve en ziele--en
ik ben slechts een onbeschaafd werktuig van den aandachtigen God,
die werkzaam is door alle eeuwen der eeuwen.

Daar de holle stem op de lagere verdieping nu met versche klankbuien
opschoot, begon hij te lachen, kwam op Simon af en vatte hem bij de
schouders. Een traan blikkerde op zijne wimpers.

--Jongen, lachte hij luchtig, het weer zal veranderen. Als die
kleermakerszoon aan het zingen gaat, is het zeker dat het regenen
zal. Morgen valt er water.

Inderdaad, op de tweede verdieping woonde de kleermaker. Zijn oudste
zoon, die onnoozel was, had een vreemd en instinktmatig gevoel der
weersverwisselingen. Dan zong hij wilde, langzame wijzen, zooals, naar
men verhaalt, sommige fijngesnaarde en zinrijke dieren doen, welke
leven in verre gewesten, onder den vrijen hemel en het woeste gewas.





VI.

HET ONTSTAAN EN DE ONTWIKKELING DER VOLKSPARTIJ.


Te dien tijde was Brussel het brandpunt van eene geweldige ekonomische
beweging. Daar gistte eene kiemende revolutie, ontstaan uit de
eigenaardige verwikkelingen van den politieken toestand, en het is,
voor het verder verloop van deze geschiedenis, noodzakelijk dat
uitvoeriger hierop gewezen wordt.

Twintig lange jaren had de katholieke partij, dank zij eene
merkwaardige inrichtingstucht, met de steenen kracht van eene
overwegende en gehoorzame meerderheid het bewind kunnen behouden. De
liberalen, die vroeger hadden geregeerd, stonden nu machteloos met
een al te geestelijk, al te onpraktisch programma tegenover deze
klerikale behoudheidskracht. Het werd hun weldra geheel onmogelijk,
in eenige mate zelfs, op de zware, roerlooze massa der katholieke
overmacht te reageeren, en zij zochten een steun in de opkomst van de
sociaal-demokratische partij. Deze sociaal-demokratische partij, geleid
door mannen van onbetwistbaar talent en niet-geringe wetenschappelijke
waarde, had zich rasser in het stugge Walenland kunnen ontwikkelen
dan in Vlaanderen, waar eene blinde vroomheid en een eeuwenzwaar
godsdienstige beijvering de bevolking onder hare macht hield. Hare
richtinge scheen echter zoo voortreffelijk en haar ideaal zoo nieuw,
zoo breed, dat zij zich in alle standen al de ontevredenen, al de
verlaagden en vernederden, de gebrekkigen en de onwetenden dadelijk
aansloot. De sociaal-demokratische instelling berustte weldra op de
werking van den Werkmansbond eenerzijds,--machtige vereeniging van
Waalsche proletariërs, waarbij zich seffens de groote arbeiderskringen
der Vlaamsche dokken en weversfabrieken kwamen voegen--en anderzijds
op de meer verstandelijke, meer zich-zelf-bewuste medewerking der
Joden. Nu ijverde ze hardnekkig om over het Vlaamsche land het geweten
der verdrukte agrariërs in opstand te brengen.

De zonderlinge politische gebeurtenissen, welke ineens aanleiding
gaven tot de revolutionaire gisting, ontstonden, zeer onlangs, uit den
volgenden toestand: eene splitsing had eindelijk de massale eenheid
der klerikale regeering verbroken, en op deze heerlijk-harmonieuze
politische bewerktuiging kwam, uitbuitend en ontbindend, de "Unie der
vooruitstrevende katholieken" aanwassen. De gevolgen hiervan waren
onverwacht. Het liberale doktrinarisme, welke in dit feit niet ten
onrechte de onmiddellijke zegepraal van de geweldige sociaal-demokratie
raadde, verzaakte onverwijld zijn toevallig verbond met de proletariërs
en sloot zich aan bij de behoudheidsgezinde katholieken, terwijl nu de
overige min-opportunistische liberalen geen reden meer hadden om zich
niet dadelijk en algeheel bij de sociaal-demokratie in te lijven. De
ministeriëele klerikalen en de doktrinaire liberalen vormden nu wat
men het centrum placht te noemen. Dit centrum, hetwelk, om de vredige
volksomwenteling te keer te gaan, de meest achterlijke politische
beweging inzette, verhaastte de revolutie.

De oude hoofdman der katholieken en de ziel van het centrum was de
staatsminister Dissel. Mijnheer Dissel moest meer dan zeventig jaar
oud zijn, maar hij zag er uit als een klein levendig en vlug mannetje
van ver onder de zestig. Rond en kaal en gladgeschoren was zijn hoofd,
waar, gelijk twee stalen schichtjes, roerden zijn grijze oogen. Zijn
uitzicht was dat van een goedig en aandachtig mensch. Hij kon, zoo
bijzonder innemend, zijn onrustig kopje almeteen laten neerbuigen,
even schuins, zoodat het daar zoetjes en vlijtig te peinzen hing
op zijn enge borst. Hij was de bewerker geweest der wonderlijke
katholieke tucht, en hem was het te danken dat de behoudheidspartij
tot hare groote macht kon geraken. Gedurende twintig jaren had zij de
verschillende ministeries gevormd tot een verduldig alaam van zijn
scherpen partijgeest. Hij zelf had nooit een portefeuille willen
aannemen, maar hij was de eenige leader en het geheele ministerie
zelf. Zonder hem werd niets aangedurfd en zijn wenk, in alles, gold
als eene onverweerbare wet. Men kon hem een groot man noemen. Zijne
inzichten echter bevorderden een breed-menschelijk en hoog-philozofisch
ideaal, evenwijdig met de onmiddellijke voordeelen van een egoïstischen
en partijdigen welstand. Hij was een godsdienstige fanatieker, geheel
verbonden met de Roomsche kerk. Hij onderhandelde rechtstreeks met
het Vatikaan, en de benoeming van Belgische bisschoppen en prelaten
geschiedde naar zijn advies. Zijn beheer, dat daardoor zoo goed
als uitsluitend 's lands eenig beheer uitmaakte, berustte op de
ongemeene handigheid van zijne vele en verscheiden intrigen. Niemand
had vertrouwen in de middelen, welke hij tot de benadering van zijn
doel aanwendde, maar iedereen meende toch dat zijn doel bereikt zou
worden. Hij werd gevreesd door allen. Al had hij geen vrienden, talrijk
waren zij die zich zijn vrienden noemden, omdat het wel te gissen was
dat alle kansen aan zijn kant waren. Men wist niet recht goed hoe hij
zulke ontzaglijke macht verworven had. Hij had ze verworven. Hij was
waarlijk een machtig man, oppermachtig over alle anderen. Het volk
trosselde bedelend om hem heen.

Mijnheer Dissel kon de liberale partij niet als een ernstigen
hinderpaal aanzien. De sociaal-demokratie gaf hem meer zorgen. Hij
voelde dat zulke inrichting de stevigheid van de zijne in gevaar
kon brengen en dat hij al zijn knapheid zou noodig hebben om den
aanval te keer te gaan. De leidsman der proletarische beweging
was een Jood, genaamd Otten. Mijnheer Dissel meende te merken dat
mijnheer Otten uitzonderlijke hoedanigheden bezat en alleszins een
vijand was, waarmede men zou af te rekenen hebben. Nadat hij later
de overtuiging had opgedaan dat mijnheer Otten geholpen werd door
onbekende medewerkers, die bleken bedeeld te zijn met niet minder
politisch vernuft dan mijnheer Otten zelf, besloot hij van dan af de
sociaal-demokratische taktiek te storen.

Wat ook zijn plan was en hoe handig hij het had opgevat, het kwam
te laat: de heerschzucht van den oud-minister Wolf van Dueren stond
hem daar onverwachts in den weg en leidde plotseling zijne aandacht
anderwaarts. Mijnheer Wolf van Dueren kon het mijnheer Dissel niet
vergeven dat hij hem als minister had doen afdanken, en bereidde
achterbaks de opkomst van de "vooruitstrevende katholieken." Aldus
kwam de splitsing, en mijnheer Dissel was verplicht zich het
hoofd van het liberale doktrinarisme, mijnheer d'Ardoye, tot een
bondgenoot te maken. Het centrum ontstond van zelf, en het docht
iedereen dat hierdoor de opgang der sociaal-demokratie, voor een
tijdje ten minste, zou geknakt wezen. De uitslag echter was dat
de proletariërs, verontwaardigd door de onzedelijke toenadering van
Dissel, den fanatieker, tot d'Ardoye, den vrijmetselaar, als onder een
zweepslag opsprongen. Vrij geweldige meetingen werden overal gegeven
en groote optochten ingericht. Door overmoed aangespoord of door angst
gedreven, beantwoordde het centrum de rumoerige werkersbeweging met
de stemming van brutale partijwetten en de stelselmatige verdaging
van alle demokratische hervormingen. Zulke handelwijze, die het
volk verkrachtte zonder het te temmen, zou tot noodlottige gevolgen
leiden: na anderhalf jaar aanval en verweer was het blijkbaar dat de
revolutie aanwoei.

Het ultimatum van mijnheer Otten was overal nu, op duizenden plakkaten,
te lezen: algemeen stemrecht--belasting op het kapitaal--iedereen
soldaat--verplichtend onderwijs--taalgelijkheid. Maar de macht
van mijnheer Dissel steunde op het bedorven functionarisme en het
verslaafde leger, en het ultimatum van mijnheer Otten bleef voorloopig
een wensch, van welken men niet kon zeggen dat hij ooit eens zou
worden in aanmerking genomen. Onder dergelijke omstandigheden woei
de revolutie aan.

De arbeidersbond besloot in Mei 19.. tot eene algemeene
werkstaking. Die poging mislukte geheel en een tiental opstokers werden
met gevang gestraft. In September van hetzelfde jaar brak een oproer
los in de kolenmijnen van Mariemont. Veertien man werden gedood in een
hevigen strijd met de gendarmen, en de hulp van het leger moest worden
ingeroepen. Dit nog verliep zonder verdere politische gevolgen, en de
winter ging in betrekkelijke stilte voorbij over het land. In de maand
Februari deed mijnheer Dissel met den steun van het eensgezind centrum
een verkiezingswet stemmen, die zonder omwegen de redelijkste rechten
van de lagere volksklassen aan kant stiet en de Joodsche burgers zoo
goed als buiten de natie plaatste. Deze ongenadige behandeling was,
in den grond, eene grove fout: ze zette de vergramde minderheid tot
daadzakelijke en wanhopige werking aan.

Geheime komiteiten kwamen tot stand. Het zou nu een strijd worden op
leven en dood. Overal broeide in duisternis de gretige omwenteling. De
nachten die kwamen over de steden en de dorpen, gloeiden van eene
ongemeene koorts, en de lucht hing zwaar van wordende gebeurtenissen en
naderend geweld. De revolutionaire vergaderingen werden met de meeste
zorg en de grootste voorzichtigheid belegd. Alleen hoofdmannen van
aanzienlijke groepen of dezer zeer omzichtig gekozen afgevaardigden
liet men er toe, en, terwijl het nagenoeg zeker was dat de regeering
iets van den gevaarlijken toestand vermoedde, vreesde men algeheel
niet dat zij het gevaar mocht kennen vóor het onweerbaar in aantocht
zou zijn.

Maar de scherpzinnige mijnheer Dissel was niet met zulke middelen te
verblinden. De wijze, waarop hij de revolutie in hare wording trachtte
te verijdelen en zich tegelijkertijd de "Unie der vooruitstrevende
katholieken" tot een werktuig maakte, sluit zich rechtstreeks aan
bij de ontwikkeling van dit verhaal.

Korten tijd na de splitsing van de klerikale partij, trad een jonge
"unionist" [4] naast mijnheer Wolf van Dueren op het voorplan. Het
was een katholieke priester en heette Pezza. Zijn ouders waren
Belg-geworden Italianen en hij zelf had zijne theologische studiën
voleind in het Klein-Seminarie van Roeselaere. Hij had zich heel
veel bezig gehouden met de Vlaamsche beweging en was een warm
voorstander van de taalgelijkheid. Hij werd als onderpastoor benoemd
te St. Gooriks-Waaigem, een klein dorpje nabij Deinze, en sleet er,
met zijne zuster Lucia, een armoedig leventje, dat hij verdeelde onder
de verschillende bezigheden van zijn herderlijk beroep en de studie
van de Nederlandsche letterkunde. De parochianen praatten over hem
als over een stillen jongen, die nooit uit zijn humeur geraakte,
zeer spraakgierig was en vrij menschenschuw leek. Door onbekende
invloeden geholpen slaagde hij erin de aandacht van het heerschend
ministerie op hem te vestigen, en hij verliet al meteen de kleine
pastorij van St. Gooriks-Waaigem om een post van boekbewaarder in de
Bibliotheek van Burgondië te Brussel waar te nemen. Kort daarna sloot
hij zich aan bij de scheuringsgroep Wolf van Dueren, welke juist
in verzet was gekomen. Hij hield zich weldra, met niets anders dan
met politiek bezig, nam zijn ontslag op de bibliotheek, was op alle
meetings aanwezig, sprak overal klinkende redevoeringen uit, liep
Vlaanderen als een kristelijke bode van nieuwe maren om en omme. De
boeren hoorden voor het eerst het woord vrijheid uitspreken door een
die er niet dadelijk op liet volgen: weg met de papen! Hij was zelf
een paap. Hij werd beroemd. Hij werd de lieveling van die trage kloeke
bevolking, welke zich nu ging vernederd voelen en onder zijne leiding
hare rechten en haar geweten veroveren. Hij werd door de Vlaamsche
landbouwers naar de Kamers gezonden en pleitte er, met een ongemeen
vuur, voor de stoffelijke en geestelijke bevrijding van het Vlaamsche
volk. Hij stelde zich aan als tegenvoeter van het anti-flamingantsch
doktrinarisme en inzonderheid van mijnheer d'Ardoye die, op zichzelf,
een tamelijk volledige verpersoonlijking was van zijn partij.

Toen eindelijk het oproer aan het zieden begon, werd pastoor Pezza
onmiddellijk, als een onmisbaar element, bij het revolutionaire
komiteit ingelijfd. Hij was er zeer werkzaam, toonde veel aanleg voor
het instellen van duistere samenzweringen en scheen geestdriftig met
de zaak ingenomen. Hij werd geheimschrijver benoemd, vergaderde met
Otten en zijn vrienden, nam beslissingen op eigen hand voor het beste
profijt van de proletarische beweging. Hij betrok in het komplot den
majestatischen oud-minister Wolf van Dueren, die anders geen zin had
in dergelijke avonturen en toch maar aannam, met de hoop dat de uitslag
van dit alles de simpele halsrechting van mijnheer Dissel mocht zijn.

In Mei 19.. [5] stonden de zaken goed: vermoedelijk zou het geweld
in den loop van den naasten winter uitbreken, misschien vóor of zeer
kort na de algemeene verkiezingen. Den 30sten Mei werd een buitengoed
van mijnheer d'Ardoye bijna geheel vernield en in lichterlaaie
vlam gezet. Den 4den Juni vond men op den drempel van het huis
van mijnheer Dissel een blikken kistje met een dampende wiek. Uit
een chemisch onderzoek bleek dat het kistje eene vervaarlijke bom
was en dat mijnheer Dissel aan een zeldzaam toeval zijn leven te
danken had. Den 7den Juni werden mijnheer Otten en mijnheer Wolf
van Dueren tijdens eene nachtelijke bijeenkomst met drie betaalde
oproerstokers aangehouden. De dokumenten, welke men bij hen ten huize
vond, bewezen op afdoende wijze dat zij tegen de grondwettelijke
nationale instellingen samenzwoeren. Zij werden veroordeeld en in een
cel gestoken. De unionisten verhieven pastoor Pezza tot hun hoofdman.

Men kan niet zeggen dat de veroordeeling van Wolf en Otten de algemeene
gisting in het land verhaastte. Zij vertraagde ze ook niet, en het
zomergetij ging om, en de ingetogen gramschap van het volk zwol
en spande, barstensgereed. Sommige komiteiten braken nochthans af
met het hoofdkomiteit, waar nu in alleenheerschappij pastoor Pezza
fungeerde. Hiertoe werden zij achterbaks aangezet door Simon Peter,
die in het Joodsche midden veel invloed en heel wat te zeggen had. De
reden welke hij opgaf, berustte op de, naar zijne meening dubbelzinnige
houding van Pezza dien hij een avonturier noemde en verklaarde niet
langer te willen vertrouwen.

Simon Peter beschuldigde niet rechtstreeks pastoor Pezza; hij
had overigens geen bewijzen vóor te leggen. Verraad spookte in
de lucht. Hij had daarvan het klaar gevoel, en indien iemand
Otten verraden had, dan moest men in Pezza's omgeving gaan
zoeken of Pezza zelf er voor aanzien. Pastoor Pezza werd beloerd,
bespied--vruchteloos. Niets in zijn handel of wandel kon aanleiding
geven tot het vermoeden, welk Simon Peter had opgevat en welk hij,
naar hij beweerde, vooralsnog niet kon laten varen. De eerlijkheid
van Simon Peter werd door niemand in twijfel getrokken; maar niemand
evenwel kon ertoe besluiten de hand te leggen op een aanzienlijken
bondgenoot, die feitelijk aan het hoofd stond van de revolutionaire
beweging en alles te verwachten had van hare goede uitkomst.



De winter kwam aan. De verkiezingen naderden. Het land lag in koortsige
verwachting en de vochtige najaarsflarden sleepten mottig erover.

Het eerste volksgeweld gebeurde in September, te Brussel.

't Had, dien dag, al in de vroegte begonnen te miezel-regenen. Een
druppelende grijze dikte wolkte over de stad, die ongemeen daaronder
rumoerde. De lange huizenreken wasemden nattig weg, en het scheen
wel of ze eindeloos boven de blinkende straten uitrezen. Vol roerend
geverf klaarde de zeeverige lucht.

Gelijk een onrustig dier rumoerde de stad. Een angstige menigte
donkerde allentwege, slierde langs de gevels, daalde van de hooge
buurten naar de middellanen af. Ze kwamen in trage trossels grauwe
gedaanten en de bleeke gezichten blonken eenderlijk en akelig
nevenseen, terwijl ze blikten naar links en naar rechts al bijzende
over de schouders en de ruggen. Daar was soms muziek bij. De klare
kopers knetterden in den valen dag, en rythmisch daverden de holle
trommen. Dan wiegden al die zwarte lijven op gelijke maat langs de
waterglanzende kasseide en de witte voorhoofden schokten in kadens.

De regeering had sinds lang een ministeriëel besluit afgekondigd,
waarbij verboden werd in 't openbaar de roode vlag te hijschen. Al
die duistere mannen, die zwart wentelden in den grauwen uchtend,
droegen een roode dahlia op de borst of hadden zich een rooden lap
om den hals gesnoerd. De roode vlekken gloeiden vaak zeer warm in
de blauwe effenheid van het droomende kleurgezicht. De lage hemel
druppelde traag.

Van overal kwamen de gonzende troepen. Zij kwamen als uit den nacht
te voorschijn, en ze waren als de somber-aanzakkende davering van den
dag. Groepen vermengden zich, en dubbele groepen sloten verder weer
met dubbele groepen aan. Ze waren eindelijk een wemelende massa,
die in de wijde middellanen zich thoope drong. Op de Beursplaats,
waar insgelijks de donkere menschenstroom uit de lage stad al
ronkende kwam aanspoelen, was 't een dompige krioeling van koppen
en wit-klarende gezichten, waarlangs een schelle kleur of een harde
kreet soms als een schicht ging uitschieten. Het groote geelgrijze
Beursgebouw somberde opwaarts achter een wuivende floers van regen,
en mauve schaduwen gaapten tusschen de hooge gladde frontkolommen. Het
woog daar, boven de beweeglijke menigte, als een geweldig pak natte
verve binnen glimmende zuilen in een vierkant besloten.

Het raasde. 't Slierde hier langzaam naar twee richtingen uiteen: dikke
drommen lawaaiden noordwaarts, naar de statie; andere stuwden met trage
gedrongenheid naar de Kapelleplaats op, alle kleine straatjes door,
en kwamen aandaveren vóor het Volkshuis. Op het statieplein echter
woelde de meeste drang, die met de aankomst van manifestanten uit de
provincie voortdurig toenam. Het groote uitgangsportaal van het station
was bewaakt door een dubbele brigade politieagenten die, vóór de
breede drempelzuilen, eene wijde plaatsruimte open hielden. Nu stormden
overhand, bij 't inrijden van elken trein, de zwarte mannendrommen de
trappen omlage en stuwden in de zwelgende menschengaping op het plein
uiteen. Dan werd wederom de ledige plaatsruimte vóór 't portaal door
de politie vrijgedrongen. Het station was als een monster van steen,
dat, bij gorgelende geuten, een krioelende ploege koppen en lijven
uitspuwde in de stad.

De mannen waren stil. Ze kwamen meerendeels uit de noordergewesten,
van omtrent Antwerpen en Limburg, of uit Vlaanderen vandaan. 't
Waren Kempische mijnwerkers en Vlaamsche agrariërs. Ze hadden bleeke
vierkante voorhoofden, die uitglommen met een zonderlinge kracht in
het natte spel van de mistige Septemberverven. Ze keken stoer en wild
op naar voren, belast van binnen met een wil van wanhoop. Zij waren
lijk kudden, die men drijft langs enge wegen en die nu ineens op de
breede weidevlakte vrij zich smijten.

Maar ze waren zeer stil. Er kwam als een angst uit de holte van
het stationsportaal. Enkele benden waren door een troep muzikanten
vergezeld. De muzikanten speelden in de vochtigheid en de koperen
knettermaten klopten met eendelijke woestheid over de donkere
schouders heen.

Traag roerde heel die woeling van rakkers en dompelaars, wiegde gelijk
een werking van golven over het plein, breidde zich uit en gleed,
met pakjes bijeenloopers, langs de lanen, langzaam naar het Volkshuis
op. Om het station zelf verminderde de drang nauwelijks.

Een tijdje vóor de aankomst van den express-trein uit Oostende, kwamen
twee rijtuigen zich door de menigte een weg banen en stilstaan in den
kring der politieagenten, vlak tegen de ledige portaaltrap. Simon Peter
en mijnheer du Bessy sprongen uit het eerste rijtuig en liepen haastig
de spoorhalle binnen. Op het perron stond mijnheer du Bessy te blazen,
en wuifde met een blauw-zijden zakdoekje over zijn aangezicht.

--Simon, sprak hij, we hadden er een ander dagje kunnen voor uitkiezen.

--Och ja ....

--Dat moest gij toch vooruit weten, gij, die u ook aan die
plebejerszaak vuil maakt. Gij had ons deze akelige koers langs zwarte
lijven en het zicht op deze onzeggelijke mizerie kunnen sparen. Het
zal straks een heele toer zijn om er met de dames en de reiskoffers
door te geraken.

Hij snoof den reuk van zijn zakdoekje op, mompelde:

--Nu komt de express daardoor natuurlijk een hoop tijd over zijn uur
.... Maar zeg eens, Simon, is dat toch waarlijk waar dat ge u met dat
revolutionaire zooitje hebt laten inspannen? Wat meent ge? Dat alles is
een misverstand. Gij kent het volk niet en het volk weet niet wat gij
tot zijn voordeel bedoelt--en zoo slaat gijlie samen een verbond! Het
volk, kerel, is een willekeurige som van grove instinkten. Men kan
er wel over redeneeren en hare samenstelling met wetenschappelijke
nauwkeurigheid bepalen--maar men kan het volk niet genadig zijn. Het
ideaal van een volk is de volmaakste uitdrukking der middelmate,
eenerzijds begrensd met den nood panem en anderzijds met de begeerte
circenses. Daarrondom wilt gij nu gaan liegen, en in theoretisc

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/28068