Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Napoleon

by Herman Théodore Chappuis · Dutch · Gutenberg #27883 · 1,210,282 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Napoleon
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Napoleon

Author: Herman Théodore Chappuis

Editor: August Hendrik Pieter Blaauw


        
Release date: January 25, 2009 [eBook #27883]
                Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27883

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAPOLEON ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/







                                Napoleon

                             Geschetst door

                            H. TH. Chappuis,

                   Gepensionneerd luitenant-kolonel,
                   Ridder der Orde van de Eikenkroon,
                                  enz.

                        Tweede omgewerkte druk,

                                  Door

                            H. TH. Chappuis

                                   En

                            A. H. P. Blaauw,

      Leeraar in de geschiedenis aan de Cadettenschool te Alkmaar.


                         Met 32 groote platen.

                        Alkmaar--Gebr. Kluitman.

                                 1911.









           Gebr. Kluitman's Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.






VOORBERICHT

van den tweeden omgewerkten druk.


In de meening, dat niet alleen in Frankrijk, maar ook in ons land een
streven merkbaar was tot het verkrijgen van meerdere kennis van het
Napoleontische tijdperk, stelde de Luitenant-Kolonel H. Th. Chappuis
een schets van den "grooten Corsicaan" samen. Die verwachting werd
niet teleurgesteld, want spoedig bleek, dat na eenige jaren een tweede
druk zou noodig zijn. Reeds had de schrijver met de nieuwe bewerking
een begin gemaakt, toen hij te midden van dien arbeid overleed.

Het verzoek van de Uitgevers het werk voort te zetten, werd door mij
gaarne aanvaard, al ontveinsde ik mij de moeilijkheid niet een eenmaal
begonnen arbeid te voltooien. Van de opmerkingen bij den eersten druk
heb ik een dankbaar gebruik gemaakt.

Moge ook deze tweede druk, thans uitsluitend van groote platen naar de
meest bekende schilderijen voorzien, een even gunstig onthaal vinden
als de eerste uitgave.


Alkmaar, Februari 1911.      A. H. P. Blaauw.






EENIGE GERAADPLEEGDE BRONNEN.


M. Thiers. Histoire de la Révolution Française.

M. Thiers. Histoire du Consulat et de l'Empire.

York von Wartenburg. Napoleon als Feldherr.

Désiré Lacroix. Histoire de Napoléon.

De Bourrienne. Mémoires sur Napoléon I.

De Ségur. Napoléon et la Grande Armée en Russie.

Le général Gourgaud. Examen critique de l'ouvrage de Mr. de Ségur.
--Mémoires.

Le général de Marbot. Mémoires.

Le duc de Rovigo. Mémoires.

F. A. Mignet. Histoire de la Révolution Française.

A. Dayot. Napoléon raconté par l'image.

G. Bertin. La campagne de 1812, de 1813, de 1814.

Georges Barral. L'épopée de Waterloo.

W. A. E. Wüppermann. De vorming van het Nederl. Leger en de veldtocht
van 1815, enz.

Le Mémorial de Saint-Hélène.

Madame de Rémusat. Mémoires.

Constant. Mémoires.

Le baron Larrey. Madame Mère.

Mémoires du prince de Talleyrand.

Langfrey, P. Histoire de Napoléon I.

Le Maréchal Marmont. Mémoires.

Chaptal. Mes souvenirs sur Napoléon.

A. Vandal. Napoléon et Alexandre I.

E. Guillon. Nos écrivains militaires.

Napoléon.--Oeuvres.

Lord Rosebery. Napoleon. The last phase.

Jomini. Précis politique et militaire, etc.

Jomini. Traité des grandes opérations militaires, etc.

Le baron Fain. Manuscrit de 1812, etc.

Le prince de Metternich. Mémoires.

Le vicomte lord Wolseley. Le déclin et la chute de Napoléon.

Lavisse et Rambaud. Histoire Générale. Deel VIII, IX en X.

Jean Jaurès. Geschiedenis Fransche Revolutie.

A. Levy. Napoléon intime.

A. Levy. Napoléon et la paix.

Oscar Klein Hattingen. Napoleon der Erste. 2 d.

Frédéric Masson. Napoléon inconnu.

Frédéric Masson. Napoléon et sa famille, Deel I-IX.

Frédéric Masson. L'Impératrice Maria Louise 1809-1815.

Frédéric Masson. Napoléon et les femmes.

Frédéric Masson. Napoléon chez lui etc.

Frédéric Masson. Napoléon et son fils.

Frédéric Masson. Autour de Sainte-Hélène.

Frédéric Masson. Jadis.

Frédéric Masson. Jadis et Aujourd'hui.

Frédéric Masson. Le Sacre et le Couronnement de Napoléon.

Henry Houssaye. 1814.

Henry Houssaye. 1815. La première Restauration. Le retour de l'ile
d'Elbe. Les cents jours.

Henry Houssaye. 1815. Waterloo.

Henry Houssaye. 1815. La seconde Abdication. La Terreur blanche.

C. L. Schneider List. Herinneringen van den Luitenant-Generaal Frans
Carel List.

G. Clément. Campagne de 1813.

A. Grouard. La critique de la Campagne de 1815.

B. R. F. van Vlijmen. Vers la Bérésina.

Paul Gruyer. Napoléon Roi de l'ile d'Elbe.

J. Silvestre. De Waterloo à Sainte-Hélène.

Viscount Wolseley. The Decline and Fall of Napoleon.

Henri Welschinger. Le Pape et L'empereur 1804-1815.

Alex L. Kielland. Ringsum Napoleon. 2 d.

Armand Bourgeois. Le général Bonaparte et la Presse de son époque.

Paul Frémeaux. Les derniers jours de l'Empereur.






INHOUD.


    Hoofdstuk                                             Bladz.

    I.      Afkomst.--Geboorte.--Jeugd                        1
    II.     Een blik op de Fransche Omwenteling              18
    III.    Bij Toulon en te Parijs                          46
    IV.     13 Vendémiaire.--Joséphine                       55
    V.      De veldtocht in Italië.--1796                    62
    VI.     Bij Rivoli, op Mombello. De vrede                76
    VII.    Naar Egypte                                      92
    VIII.   Bonaparte wordt Eerste Consul                   110
    IX.     Vredesvoorstellen.--Marengo                     125
    X.      Vrede met Oostenrijk                            139
    XI.     Engeland en de vrede van Amiens                 152
    XII.    Consul voor het leven                           167
    XIII.   Oorlog met Engeland. Een nieuwe samenzwering    177
    XIV.    De Keizerskroon                                 191
    XV.     Oorlog in Duitschland                           204
    XVI.    Austerlitz.--Vrede van Presburg                 219
    XVII.   Jena.--Berlijn.--Eylau                          235
    XVIII.  Friedland.--Tilsit.--Fontainebleau              255
    XIX.    Het drama in Spanje                             267
    XX.     Naar Weenen.--Essling.--Wagram                  276
    XXI.    Echtscheiding.--Tweede huwelijk                 295
    XXII.   De Veldtocht tegen Rusland                      316
    XXIII.  Bij Borodino.--In Moskou                        332
    XXIV.   De Berezina                                     349
    XXV.    Lutzen.--Bautzen.--Leipzig                      360
    XXVI.   Parijs valt.--De Keizer abdiceert               379
    XXVII.  Op Elba.--In Frankrijk terug                    399
    XXVIII. Waterloo                                        412
    XXIX.   De Keizer verbannen                             429
    XXX.    St. Helena                                      438






VOLGORDE DER ILLUSTRATIËN.


     1.  Napoleon.
     2.  Bonaparte op de Militaire school te Brienne.
     3.  De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789.
     4.  Vertrek der Vrijwilligers. 1792.
     5.  Bonaparte voor Toulon.
     6.  Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.
     7.  Slag bij Rivoli. Januari 1797.
     8.  De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.
     9.  Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd. 1799.
    10.  Bonaparte als Consul.
    11.  Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.
    12.  Fontainebleau.
    13.  Malmaison.
    14.  Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.
    15.  Napoleon I. Keizer der Franschen.
    16.  De avond vóór den slag van Austerlitz. 2 December 1805.
    17.  Jena.
    18.  Slag bij Eylau.
    19.  De avond van Friedland.
    20.  Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.
    21.  Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.
    22.  De slag bij Wagram.
    23.  Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.
    24.  Napoleon en de Paus.
    25.  Napoleon en zijn zoon.
    26.  Moskou. 1812.
    27.  De overtocht van de Berezina.
    28.  Napoleon te Fontainebleau. 31 Maart 1814.
    29.  Afscheid van de Garde vóór het vertrek naar Elba.
    30.  De prins van Oranje bij Waterloo gewond.
    31.  Napoleon op de Bellerophon.
    32.  Napoleon op St. Helena.










HOOFDSTUK I.

Afkomst.--Geboorte.--Jeugd.


In de Middellandsche Zee, door de straat van Bonifacio van Sardinië
gescheiden, bevindt zich een groot bergachtig eiland Corsica met
slechts enkele kleine kustplaatsen als Ajaccio en Bastia. Het was
bedekt met onafzienbare strooken bijna ondoordringbaar struikgewas,
maquis geheeten en bewoond door eene bevolking van Italiaansche en
Grieksche afkomst, die in hare zeden, gewoonten en begrippen nog heden
ten dage weinig verschilt van hetgeen ze eeuwen geleden reeds was,
waartoe de geïsoleerde ligging van het eiland in niet geringe mate
heeft meegewerkt.

Nog sterker dan op Sardinië is men daar van meening, dat de belangen
van de familie, van het geslacht, de clan, op maatschappelijk en
financieel gebied moeten gaan voor die van ieder ander en de tijd heeft
dat beginsel nog dieper doen wortel schieten. Daar heeft de vader nog
de beschikking over het leven van zijn zonen; het oppergezag berust nog
bij het hoofd van den stam, den vader, of na diens dood den oudsten
zoon; ieder lid van een familie is hoofdelijk verantwoordelijk voor
het welzijn en den voorspoed van al de anderen; elk begrip van recht,
van algemeen belang is nog ondergeschikt aan dat van de belangen van
den clan.

De volksklasse, grootendeels bestaande uit visschers en geitenhoeders,
sluit zich aan bij die familie, welke de rijkste is, den meesten
invloed bezit, of haar het beste beschermt en zij blijft deze ook
trouw, zoolang de eenmaal aangegane verbintenissen behoorlijk worden
nageleefd.

Kapitaal in klinkende munt wordt er weinig aangetroffen. Belasting,
pacht, landhuur, alles wordt in natura betaald en daarvoor dienen
de kastanjes van de bergen, de geiten uit de maquis, het vee uit
de gemeenschappelijke weide, benevens graan, olijfolie, wijn en
visch. Van geitenhaar wordt in de bergen laken geweven. Zijn er dus
levensbehoeften in overvloed, toch kent het volk geen weelde en gemak,
want daarvoor ontbreekt het noodige geld en wie dit wil verdienen,
moet het eiland verlaten en naar Italië of Frankrijk gaan.

In 1746 had Corsica zich vrij verklaard van de heerschappij der
Genueezen; een opstand was hiervan het gevolg geweest. In 1755 had
Pascal Paoli, een vrijheidlievend en schrander staatsman, zich aan
het hoofd van de beweging gesteld, daarin krachtig gesteund door de
aanzienlijke geslachten, waardoor de onafhankelijkheid van het eiland
tien jaar lang was gehandhaafd. Toen was in dezen toestand verandering
gekomen, daar Engeland Paoli zijn hulp had aangeboden, maar door het
aannemen van dezen steun ontstond onder Paoli's partij verdeeldheid,
daar velen de geheime bedoelingen van Engeland begrepen. Ook Frankrijks
minister de Choiseul doorzag die, en zond troepen naar het eiland,
zoogenaamd om de souvereiniteitsrechten van Genua te helpen handhaven,
maar inderdaad om een landing der Engelschen met kracht van wapenen
te beletten. Tevens deed Choiseul Genua ernstige bedreigingen hooren,
omdat deze republiek vele Jezuïeten, die uit Frankrijk waren verbannen,
op Corsica gastvrijheid had verleend. Zich niet krachtig genoeg
gevoelende om weerstand te bieden, opende Genua onderhandelingen en
stond in 1768 zijn rechten op Corsica aan Frankrijk af, behoudens de
vrijheid van latere terugname tegen vergoeding der gemaakte onkosten.

Door deze oplossing van het vraagstuk verrast, wendde Paoli zich thans
tegen den nieuwen vijand, doch leed in Mei 1769 bij Ponte Novo een
zoo geduchte nederlaag, dat hij met ruim driehonderd volgelingen,
die hem niet wilden verlaten, op een paar Engelsche schepen zijn
toevlucht zocht en zich naar Engeland liet overbrengen.

Tijdens zijn verzet tegen Genua was de in 1746 te Ajaccio geboren
advocaat Carlo Maria Buonaparte of Bonaparte een zijner getrouwste
aanhangers geweest. Uit Italië afkomstig en van adellijken bloede, was
hij reeds op achttienjarigen leeftijd gehuwd met de toen veertienjarige
Laetitia Ramolino, eveneens van adellijke afkomst, verwant aan het
grafelijke geslacht des Col' Alto's en reeds op dien jeugdigen leeftijd
een vermaarde schoonheid. Toen Paoli de wapenen begon te keeren
tegen Frankrijk, had Bonaparte aan dit verzet geen deel willen nemen;
hij had het eiland verlaten en was eerst naar Ajaccio teruggekeerd,
toen het Fransche gezag hier voor goed was gevestigd. (1769).

Evenals het meerendeel zijner bloedverwanten, zooals de Benielli's en
de Paravicini's, was Carlo niet met aardsche goederen gezegend, maar
hij was schrander, sluw en op 't kantje af van brutaal; hij had in één
woord zelfvertrouwen en durf. Zoodra Corsica Fransch was geworden,
had hij begrepen van hoeveel nut en voordeel zijn wetenschappelijke
ontwikkeling doch vooral zijn kennis van de Fransche taal hem kon
zijn, aangezien zoo goed als niemand op het eiland die taal machtig
was. Het nieuwe gouvernement zou hem dus noodig hebben.

Zoodra hij de kans schoon zag, was hij begonnen dit nieuwe arbeidsveld
te exploiteeren. Telkens kon men hem nu te Parijs vinden in het
voorvertrek van dezen of genen minister, beleefd en onderdanig, waar
dit pas gaf, doortastend en taai, zelfs brutaal, als 't noodig was,
maar altijd gewapend met een request en den strijd niet opgevende,
voordat hij de verlangde handteekening had verkregen.

Op die manier wist hij o. a. te bewerken, dat het gouvernement
hem concessie verleende voor den aanleg van moerbeziënperken en
kweekerijen, voor het droogleggen van de zouthoudende moerassen,
enz. Hij was hierdoor veel op reis, altijd vervuld met nieuwe plannen
tot vermeerdering van den invloed en den welvaart van zijn familie,
wier zaakwaarnemer en pleitbezorger hij was. Veel tijd om zich met
zijn gezin, dat steeds in sterkte toenam, te bemoeien, had hij niet,
maar het huishouden was bij Laetitia in goede handen. Toen hij in
1785 overleed waren er van de twaalf kinderen nog acht in leven.

Den 15en Augustus 1769 werd hem een zoon geboren, die den naam ontving
van Napoleon, terwijl een jaar te voren Jozef het levenslicht had
aanschouwd. Hoewel gezond, had Napoleon een delicaat gestel, niet te
verwonderen, als men weet, dat zijn moeder, tijdens haar zwangerschap,
door den opstand van Paoli hiertoe gedwongen, weken lang ver van
haar woning in de bergen had rondgezworven en dus menigen bangen,
slapeloozen nacht had doorgebracht.

De eerste paar jaren rustig en stil, werd de kleine wereldburger met
zijn groot hoofd weldra een ondeugend, lastig en opvliegend baasje,
koppig als een ezel en daarbij zoo vechtlustig, dat ieder het met hem
te kwaad kreeg en vooral Jozef het vaak bij hem moest ontgelden. Wel
wachtte hem dan thuis de roede, want Laetitia spaarde deze niet, doch
om een pak slag meer of minder bekreunde hij zich bitter weinig. Onder
de strafoefening gaf hij geen kik en na afloop liep hij weer weg alsof
er niets was gebeurd. Aan al die ondeugende streken paarde hij echter
een zekere ridderlijkheid, want eens werd hij gestraft met een pak
slaag en vier dagen huisarrest op water en brood, omdat hij druiven
zou gekaapt hebben, 't geen een vriendinnetje had gedaan, maar hij
verried haar niet en zijn onschuld bleek pas, toen dit meisje zich
zelf kwam aangeven.

Hoorde hij, zooals zijn moeder later heeft gezegd, tot "le plus diable"
van hare kinderen, over zijn lust tot leeren had men echter geen
reden tot klagen. Van "de nonnen" had hij een weinig lezen en tellen
geleerd en op zijn achtste jaar op een jezuïetenschool geplaatst,
maakte hij daar spoedig zulke vorderingen, dat zijn vader voor hem
in den tuin een hokje liet maken, waar hij rustig kon werken, zonder
dat hij door het spelen der kleintjes--Lucien was in 1775, Elisa
(Marianne) in 1777 geboren--werd gestoord.

Altijd vervuld met plannen voor de toekomst, handig gebruik makende
van een koninklijk besluit van 1770, waarbij alleen die Corsicanen in
den Franschen adelstand zouden worden opgenomen, wier adelbrieven van
twee eeuwen vroeger dagteekenden, steunende bovendien op zijne positie
als assessor, lid van den Raad der Twaalf Edelen en afgevaardigde
van den Corsicaanschen adel aan het hof van Versailles, wist Carlo
steeds meer gunsten te verwerven. Door zijn vriendschap met graaf
de Marbeuf, gouverneur van het eiland, werd hij o. a. geholpen aan
twee studiebeurzen, een voor Jozef en een voor Napoleon; voor rijks
rekening zouden ze in Frankrijk worden opgeleid, Jozef tot geestelijke
en Napoleon tot militair. De jongen was in de wolken van geluk;
zijn liefste wensch zou worden verwezenlijkt. Had hij reeds vroeger
elk stuk papier, elke plank en schutting volgeteekend met soldaten,
nu zou hij zelf soldaat worden, een heusche, een echte.

Op het einde van 1778 vertrok Carlo met zijn twee zoons naar Frankrijk
om te Autun, waar de Marbeufs broeder bisschop was, eerst wat beter
Fransch te leeren spreken, want ze kenden nog weinig meer dan gebroken
Italiaansch en Corsicaansch patois. Het verdriet voor de eerste maal
moeder te verlaten was niet erg groot, bovendien had Napoleon zijn
broer bij zich en nog wel Jozef, aan wien hij zich nauw verbonden
gevoelde. In April werden ze reeds gescheiden, en ging Napoleon naar de
Koninklijke Militaire School te Brienne, een instelling, waar strenge
tucht heerschte, de leiding van het onderwijs zoo goed als geheel in
handen was van een aantal, voor het meerendeel onbeschaafde, weinig
ontwikkelde geestelijken en waarop alleen kinderen van adellijke
afkomst werden toegelaten.

Jozef schreide bitter bij het afscheid van zijn broertje--och, de
dreumesen waren samen nauwelijks twintig jaar oud--doch de kleine
Napoleon vergoot geen traan; zijn gezichtje bleef strak en elke uiting
van droefheid onderdrukte hij. Toch was hij, de latere jaren hebben
dit bewezen, Jozef toen reeds meer genegen dan deze hem.

Te Brienne, waar hij ruim vijf jaar gebleven is, begon voor den
leergierigen jongen in den volsten zin des woords een nieuw leven. In
het begin werd hij gefolterd door heimwee naar zijn geboorteland,
waarover hij met niemand kon spreken, en hij voelde zich in een kring
van jongens, die hem allen vreemd en dus vijandig waren en wier taal
hij ternauwernood verstond, zeer eenzaam en ongelukkig. Hij bleef dan
ook het liefst alleen en kreeg daardoor den naam trotsch en eenzelvig
te zijn; alleen aan Bourrienne legde hij zijn hart wel eens open,
dezelfde dien hij als consul tot eerste secretaris heeft genomen en
dien hij pas heeft ontslagen, toen hij de onloochenbare bewijzen van
's mans brutale schraapzucht en oneerlijke practijken tegenover de
leveranciers voor het leger in handen had. [1]

Weldra bleek met welk een reusachtigen werklust, met welk een taaie
werkkracht die magere, kleine knaap met zijn grijze, zonderling
lichtende oogen, was bezield. Niet alle studievakken waren hem
intusschen even lief; geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde waren
zijn beste vakken en daarin maakte hij groote vorderingen, maar in
de talen bleef hij een kruk en zijn schrift was bijna onleesbaar.

In de verhouding tot zijn kameraden kwam langzamerhand ook eenige
verbetering; in den winter van 1783, terwijl de sneeuw zeer hoog lag,
werd hij door hen zelfs tot aanvoerder gekozen bij den aanval en de
verdediging van uit sneeuw gebouwde wallen en het is zijn eerste roem,
als bewoners uit Brienne naar zijn sneeuwvesting komen zien. Zijn
vrije uren bracht hij het liefst in de bibliotheek door, waar hij
zich in de studie van Plutarchus of in de lectuur van een wijsgeerig
of letterkundig werk verdiepte; vooral de daden van de Grieksche en
Romeinsche helden boeiden hem, ze prikkelden zijn eerzucht, terwijl
hij bovenal voor Leonidas en zijn volk groote bewondering had, zoodat
zijn kameraden hem de Spartaan noemden.

Door de geringe mate van ontwikkeling en kennis der leeraren en
door de slechte verdeeling der leerstof bleef zijn wetenschappelijke
opvoeding niettemin gebrekkig, die hij dan ook in zijn luitenantstijd
van meet af weer onder handen heeft moeten nemen, doch leesbaar
schrijven zonder taalfouten heeft hij zich nooit meer kunnen eigen
maken. Van het Duitsch verstond hij later slechts enkele woorden,
zelfs Italiaansch sprak hij gebrekkig en voor het Spaansch had hij
steeds een tolk noodig, terwijl hij de Grieksche en Latijnsche
klassieken alleen door eenige meestal slechte vertalingen heeft
leeren kennen. Lucien en Jozef, die een meer academische opleiding
hadden genoten, al legden ze nooit een examen af, taxeerden hem als
wetenschappelijk man dan ook volstrekt niet hoog. In hun oog was hij
en is hij gebleven een soldaat, die succes heeft gehad zonder meer.

Ongeletterd was hij dus, maar wat hij bezat van nature, wat geen
leeraar ter wereld bij machte was geweest hem aan te brengen en hetgeen
zijn neuswijze broers misten, was zijn stijl de imperatoria brevitas,
zooals Frédéric Masson dezen schrijftrant noemt; met zijn korte,
krachtige glasheldere volzinnen, die als met de etsnaald het beeld
teekenden, dat hij het leger wilde inscherpen. Dien stijl dankte hij
aan zijn genie en hierin heeft hij zelfs Caesar overtroffen.

Toen de Keralio, inspecteur-generaal van het militair onderwijs
in 1784 zag welke reusachtige vorderingen Napoleon vooral in het
laatste jaar had gemaakt, was hij hierover zoo bijzonder tevreden,
dat hij over het bezwaar van zijn te jeugdigen leeftijd heenstapte
en hem voordroeg voor de Militaire School te Parijs. "Die knaap van
vijftien jaar met zijn onderdanig karakter en zeer geregeld gedrag,
die zich door zijn kennis van de wiskunde zoo gunstig onderscheidde,
zou een uitmuntend zeeman worden," schreef hij in zijn rapport.

Zoodoende vertrok Napoleon in October 1784 met vier andere jongens
onder geleide van een pater naar Parijs. Van een plaatsing bij
de marine kwam evenwel niets; het toch reeds zeer beperkte aantal
plaatsen was reeds door eenige hoog-adellijke jongelui met protectie
ingenomen. Napoleon zou derhalve den cursus volgen voor de artillerie.

Korten tijd te voren had Jozef aan zijn vader te kennen gegeven liever
niet tot geestelijke, maar evenals zijn broer tot artillerieofficier te
worden opgeleid. Treffend is de brief, welke Napoleon naar aanleiding
daarvan aan zijn vader schreef. "Laat hij maar hier komen te Brienne
Pater; Patrault, dien u kent, heeft mij beloofd hem wiskunde te
leeren. Wat zal ik blij zijn, als ik hem in October hier zie. Dan
is dat ook weer een zorg minder voor u en Jozef zal wat in zijn
schik wezen."

Hoewel hij zijn moeder in al die jaren in 't geheel niet, zijn
vader slechts een paar maal had gezien en er wegens de zeer hooge
portkosten slechts weinig brieven werden gewisseld, was de knaap met
zijn gedachten dus nog steeds bij huis en bij de zorgen, waaronder
zijn ouders gebukt gingen, want zij waren arm en het gezin was in de
laatste jaren nog toegenomen; in 1778 werd Louis, in 1780 Pauline,
in 1782 Caroline en in 1784 Jérome geboren.

Zijn wensch betreffende Jozef zou evenwel niet worden vervuld; in
Februari 1785 stierf zijn vader, ver van huis, te Montpellier aan
maagkanker en Jozef, die toen alleen bij hem was, had beloofd naar
Ajaccio terug te keeren om daar zijn moeder tot steun te wezen. De
brieven door Napoleon in die kommervolle dagen aan zijn moeder gericht,
getuigen van zijn kinderlijke liefde en hartelijke belangstelling
in al wat er ginds geschiedde. Aan zijn oud-oom Lucien, aartsdiaken
van Ajaccio, schrijft hij o. a. "Het zal onnoodig zijn U te zeggen,
hoe ik getroffen ben geweest door het ongeluk, dat over ons is
gekomen. Wij hebben in hem een vader verloren en God weet welk een
vader hij in zijn medegevoel en gehechtheid voor ons was... Gods wil
is onveranderlijk en Hij alleen kan ons troosten..."

Intusschen werkte hij aan de Militaire School te Parijs even hard
als te Brienne. Uitgezonderd Bauer, zijn onderwijzer in 't Duitsch,
die hem een domoor vond, waren al zijn andere leeraren zeer over
hem tevreden. Vooral Laplace, de beroemde wiskunstenaar, was met
hem ingenomen; zijn leeraar in de fraaie letteren noemde hem "een
stuk graniet, in een vulkaan verhit," en de heer de l'Esquille, die
hem les gaf in de geschiedenis, schreef in zijn rapport over hem:
"Corsicaan van geboorte en karakter, zal hij het ver brengen, als de
omstandigheden hem gunstig zijn."

Den 10en October 1785, dus nauwelijks zestien jaar oud, werd
hij als de 42e op een ranglijst van 58 cadetten bevorderd tot
tweede-luitenant,--zijn brevet dagteekende echter van den 1en
September--ingedeeld bij het artillerie regiment la Fère en aangewezen
om garnizoen te houden te Valence, een stadje aan de Rhône in het
zuiden van Frankrijk. Binnen een jaar had hij met succes een examen
afgelegd, waarvoor een ander meestal drie- of viermaal zooveel tijd
noodig had.

Reeds aan de Militaire school had hij een bewijs geleverd van zijn
scherpen blik op militaire aangelegenheden. Deze school was een
koninklijke instelling, telde jongelieden van den hoogsten adel onder
haar leerlingen, waarvoor jaarlijks twee duizend francs kostgeld werd
betaald, zoodat er groote weelde heerschte. In een hervormingsontwerp,
dat hij aan den directeur, markies de Timbrune, ter beoordeeling gaf,
schreef hij o. a.: "Zou het niet beter zijn, als de cadetten zich
zelf leerden bedienen en munitiebrood tot ontbijt kregen? Zou het
geen aanbeveling verdienen, als zij hun kleeding en schoeisel zelf
leerden schoonmaken? De meesten zijn arm; de dienst wacht hen. Aan een
matigen leefregel onderworpen, zouden zij hierdoor krachtiger worden,
de weersveranderingen beter kunnen verdragen, de vermoeienissen van
den oorlog moedig doorstaan en aan hun soldaten eerbied en blinde
trouw inboezemen."

Zelf heer en meester geworden, deed hij deze beginselen terstond in
practijk brengen. Aan de school te St. Cyr bewoonden de aanstaande
officieren der infanterie b.v. gezamelijk één kamer en aten uit de
militaire keuken. De cadetten aan de cavalerieschool te St. Germain
poetsten zelf hun paard en leerden het zelf pakken, zadelen en
beslaan.--"Voordat men over soldaten bevel voert, moet men zelf eerst
soldaat worden, en al de technische onderdeelen van het vak nauwkeurig
kennen; dan wordt hierdoor het onschatbare voordeel verkregen, dat men
zijn ondergeschikten in al hun diensten nagaan en tot gehoorzaamheid
kan dwingen."

Op denzelfden grondslag van eenvoud en degelijkheid vestigde hij
later ook de meisjesscholen te St. Dénis, Ecouen en elders, bestemd
om dochters van leden van het Legioen van Eer, een orde in 1802
door hem ingesteld, een behoorlijke opvoeding te geven. Al de op die
scholen benoodigde kleedingstukken moesten door de leerlingen zelven
worden vervaardigd. Stemmig, geheel in den trant der geestelijke
zusterscholen, was het costuum. Van het bezoeken van schouwburgen
of andere publieke vermakelijkheden was geen sprake. Hij verlangde,
dat de meisjes "eerbare vrouwen en goede huishoudsters zouden worden."

Niet weinig trotsch op zijn luitenantsrang bij het wapen, spoedde hij
zich in zijn nieuwe uniform naar de familie Permon, die hij reeds
te Ajaccio had leeren kennen en die nu te Parijs woonde, maar de
ontvangst viel niet mee, want Cécile, de jongste dochter des huizes,
zei lachend, dat hij met zijn spillebeenen in die geweldig groote
modellaarzen wel wat geleek op de Gelaarsde Kat en Laure, de oudste,
die later met Junot huwde en door Napoleon tot hertogin van Abrantès
werd verheven, stemde met haar in. Toch werd hij niet boos, want
een dag of wat later zond hij haar als speelgoed een koets met een
gelaarsde kat er voor en het sprookje van Perroult ten geschenke.

Met zijn kameraad en vriend, den eveneens nieuw benoemden luitenant
des Mazis, kwam hij begin November 1785 te Valence, huurde bij juffrouw
Bou, een oude vrijster, in 't Café du Cercle naast de biljardzaal voor
acht francs per maand een kamer, zoo armoedig gemeubeld dat "zelfs een
blind paard er geen schade kon aanrichten" en hij begon hier het leven
van den onbemiddelden officier in een klein garnizoen. Door den abt de
Saint-Ruff, een kennis van de Marbeufs, werd hem echter den toegang
geopend tot de voornaamste salons en vooral mevrouw de Colombier was
zeer vriendelijk voor hem, terwijl, naar men zegt, Napoleon korten tijd
een oogje had op haar dochter Caroline. In weerwil van zijn armoede,
want van een tractement van ongeveer elfhonderd francs, vielen niet
veel kromme sprongen te maken, genoot hij in dien eersten tijd volop
van hetgeen zijn nieuwe positie hem aanbood. Hij at met zijn kameraden
aan één tafel, leerde dansen, ging veel uit, werd overal vriendelijk
ontvangen, was voorkomend en beleefd, babbelde mee over alles en nog
wat en liet een jaar later bij zijn vertrek met verlof naar Ajaccio
niets dan aangename herinneringen achter; alleen had men hem zeer
beschroomd en nu en dan zwaarmoedig gevonden.

Hoe goed hij zich later, toen hij tot grootheid en macht was gekomen,
de personen herinnerde, die zich tegenover hem welwillend hadden
betoond; hoe erkentelijk hij zelfs nog was voor ieder blijk van
genegenheid, hem in zijn jeugd geschonken, valt op te maken uit de
lange lijst van personen uit dien tijd, aan welke hij een stoffelijk,
tastbaar bewijs hiervan gaf. Noch zijn leermeesters uit Brienne,
noch die van de Militaire School te Parijs, heeft hij vergeten;
aan allen heeft hij een positie geschonken, die een aanmerkelijke
verbetering bracht in hun lot!

De weduwe van zijn weldoener de Marbeuf verleende hij een jaargeld van
15000 francs; haar zoon benoemde hij tot baron van het Keizerrijk en
kolonel van een regiment lichte cavalerie; Caroline de Colombier
schonk hij de functie van hofdame bij zijn moeder, den heer
Bressieux, met wien zij in 1792 huwde, die van administrateur bij het
boschwezen. Camilla Hari, zijn min, de vrouw van een Corsicaanschen
schipper, gaf hij rijke geschenken en deed haar tegenwoordig zijn bij
zijn kroning en zelfs op zijn sterfbed beval hij haar nog aan bij de
uitvoerders van zijn laatsten wil, opdat zij en haar kinderen toch
nimmer gebrek zouden lijden.



Aanvankelijk door ziekte verplicht tot tweemaal toe verlenging van
verlof aan te vragen, bleef hij van half September 1786 tot Juni
1788 op Corsica en keerde toen eerst naar zijn inmiddels naar Auxonne
verlegd regiment terug; alleen van October tot December 1787 was hij
tijdelijk naar Frankrijk opgeroepen met het oog op de vrees van oorlog
met Pruisen ten behoeve van Nederland.

Toen hij na een afwezigheid van zeven jaar in zijn ouderlijk huis
terugkeerde, had hij zich eensklaps omringd gezien door een troepje
broertjes en zusjes, die hij vroeger slechts kort of in 't geheel niet
had gekend. Alleen Marianne-Elisa was afwezig, door haar plaatsing
als leerlinge op de Koninklijke meisjesschool te St. Cyr; Lucien
was dertien, Louis tien, Pauline acht, Caroline zes en Jérome vier
jaar. Met dat clubje speelde en ravotte hij als een schooljongen,
die met vacantie is; vooral Paulette, zooals Pauline door hem altijd
genoemd werd, was zijn lieveling en deze kon met haar guitig, mooi
gezichtje, haar aangeboren bevalligheid en looze streken geen kwaad
bij hem doen.

Terwijl hij te Ajaccio dus eenige vergoeding vond voor de volslagen
vreugdelooze jaren zijner jeugd, met volle teugen kon genieten van het
zoolang ontbeerde familieleven, terwijl hij zelf weder half Corsicaan
werd, ontdekte hij tevens, dat kommer en zorg zijn moeder met den dag
meer terneer drukten en dat de armoede haar aangrijnsde. Met den dood
van zijn vader was de steun, die de familie zoo lang van de Fransche
gouverneurs en ambtenaren had genoten, langzamerhand verdwenen;
verleende voorrechten waren ingetrokken, contracten niet meer
nagekomen; bovendien zagen de oude, Paoli trouw gebleven aanhangers
in de Bonapartes en hun aanhang thans geen echte patriotten meer,
doch slechts francisés, zooals ze werden genoemd. Hulp was voor hen,
ook van die zijde dus niet te verwachten.

Na Carlo's dood had oom Lucien, de aartsdiaken, het beheer
der geldzaken op zich genomen, maar sinds eenige maanden leed
hij aan heftige jichtaanvallen, zoodat hij het bed niet meer kon
verlaten. Zuinig, bij het gierige af, toonde hij zijn belangstelling
in het lot zijner nicht thans nog alleen door het bijeenschrapen
en in zijn matras verstoppen van elken franc, dien hij kon machtig
worden. Wel zou Jozef de aangewezen persoon zijn geweest, om als
oudste zoon de leiding der zaken thans in handen te nemen, maar Jozef
studeerde te Pisa in de rechten en Napoleon bleef dus alleen over.

Met dezelfde ijver en toewijding, welke hij tot nu toe had aan den dag
gelegd bij al wat hij op zich nam, toog hij dus aan den arbeid, schreef
brieven en verzoekschriften, diende zijn moeder als secretaris en was
haar tolk bij al haar onderhandelingen met de Fransche regeering. In
het najaar van 1787 in Frankrijk tijdelijk terug, trok hij naar Parijs
om hier met dezelfde onverzettelijke driestheid en taaiheid, welke
zijn vader hadden gekenmerkt, voor haar te solliciteeren en toen in
Juni 1788 zijn verlof om was, verliet hij zijn moeder slechts noode
om zich te Auxonne weder aan zijn beroep te wijden. Van den jeugdigen,
overmoedigen luitenant, die de pretjes najoeg en op iedere danspartij
werd gezien, was intusschen weinig meer overgebleven. 't Geen hij
in zijn ouderlijk huis had gezien, vervulde hem met zorg; zooveel
schulden, zooveel mondjes te vullen, wat moest daarvan het einde
wezen! Reeds vroeg had hij den ernst van het leven leeren kennen;
thans had hij begrepen, dat hij, de oudste zoon bijna, de eenige, die
een bezoldigde betrekking bekleedde, al zijn krachten moest inspannen
om zijn moeder te steunen. Werken, studeeren, kennis verzamelen waren
hiertoe de middelen en wel wetende, dat aan zijn wetenschappelijke
opvoeding nog zoo goed als alles ontbrak, begon hij van meet af aan
te studeeren.

Eerst wilde hij zijn vak volkomen onder de knie hebben, want aan
de school te Parijs was hem hiervan weinig meer onderwezen dan
het infanteriereglement en de grondbeginselen van den dienst in
vestingen, zelfs het gebruik en de bediening van een kanon kende
hij niet eens. Met grooten ijver begon hij dus aan zijn verdere
ontwikkeling en uit dien tijd is de stapel geschriften afkomstig,
die hem toen reeds stempelden tot een man van studie en ernstig
nadenken. De 38 cahiers met aanteekeningen en opmerkingen van zijn
land, zijn geschiedenis van Corsica, zijn studiën over de Sorbonne,
over de bul Unigenitas, zijn Memorie over het opstellen van kanonnen
tot het verkrijgen van worpvuur, zijn kort begrip der geschiedenis van
Engeland, zijn uittreksels uit Herodotus, Buffon, Plato en anderen,
zijn aanteekeningen op Neckers economische en wetgevende theorieën en
over Rousseau's leerstellingen zijn bewijzen te over voor zijn leer-
en werklust. Geen meteoor, geen plotseling te voorschijn getreden
wondermensch is hij geweest, geen man, wien de mantel van het genie
was om de schouders geworpen zonder meer. Van 't geen hij later als
krijgs- en als staatsman, als administrateur en als bewindvoerder, in
één woord op elk gebied heeft gewrocht, heeft hij zelf in die eerste
jaren als officier den grondslag gelegd; zijn aangeboren schranderheid,
zijn genie hielpen hem verder.

Te Auxonne trok hij weldra de aandacht van generaal du Teil, directeur
der artillerieschool en hieraan had hij te danken, dat hij, hoewel
piepjong officier door dezen werd aangenomen als lid eener commissie
van proefneming, een onderscheiding, die hem zoo verheugde, dat hij
zijn oom Fesch, een halfbroeder van zijn moeder, hierover een brief
schreef (Augustus 1788), maar hetgeen de jaloezie zijner kapiteins
tegelijkertijd niet weinig opwekte.

Intusschen leefde hij zoo armoedig en voedde hij zich zoo slecht,
dat de regimentsdokter zich over hem ongerust begon te maken. Om zijn
moeder te doen gelooven, dat hij volmaakt gezond was, schreef hij
deze intusschen: "Werken en nogmaals werken is al wat ik hier tot
ontspanning kan doen. Slechts eenmaal in de acht dagen kleed ik mij
om uit te gaan. 't Is ongeloofelijk zoo weinig ik sinds mijn ziekte
slaap. Om tien uur naar kooi, ben ik om vier weder op. Eens per dag
eet ik, om drie uur. Hierbij bevind ik mij zeer wel."

Zijn gezondheidstoestand en zijn brandend verlangen naar huis deden hem
in 1789 opnieuw zes maanden verlof vragen; de slechte verbindingswegen,
de groote afstanden en de zeereis in aanmerking genomen, was een
zoo lang verlof in die dagen niets vreemds. In September te Ajaccio
gekomen, vond hij al zijn broertjes en zusjes, Elisa, die zich nog
te St. Cyr bevond, uitgezonderd, bijeen en de bevolking in gisting
door al hetgeen inmiddels te Parijs was gebeurd en door de gedachte,
dat een omwenteling, in naam der vrijheid ondernomen, ook haar van
de vreemde overheersching zou bevrijden.

Van jongsaf volbloed-republikein, door 't geen hij aan de School te
Parijs had verduurd nog in die begrippen versterkt, trouw aanhanger
der stellingen van Rousseau, wierp hij zich te Ajaccio terstond midden
in den strijd, sprak luid en levendig in de revolutionnaire clubs,
en wist te bewerken, dat er alom nationale gardes werden opgeroepen
en dat de witte cocarde werd vervangen door de driekleurige. Dit
succes eenmaal verkregen, miste hij echter het noodige kapitaal om
stemmen te werven en zijn invloed te bevestigen; de afgunst kwam in
't spel. Men werd bevreesd, dat hij en zijn bloedverwanten de families,
die op het kussen zaten, zouden verdringen. Zijn vroegere relaties met
de Marbeuf en zijn jarenlang verblijf in Frankrijk werden hem thans
tot een verwijt gemaakt; de Bonapartes heetten geen echte Corsicanen,
geen patriotten meer en van al de materieele voordeelen, welke de
nieuwe toestanden meebrachten, kwam het leeuwenaandeel aan de vrienden
van Paoli. Zoo kreeg Jozef slechts een ondergeschikt baantje van 900
francs bij het directoire van het district Ajaccio en werd oom Fesch
slechts groot-vicaris; Lucien en hij zelf kregen niets.

Toch gaf hij de hoop niet op zijn familie vooruit te helpen. Na een
ballingschap van twintig jaar teruggekeerd, was Paoli overal met
geestdrift ontvangen en letterlijk oppermachtig geworden. Napoleon
zond hem zijn te Valence geschreven "Geschiedenis van Corsica"
waarvan Mirabeau o. a. had gezegd, dat die kleine historie een genie
van den eersten rang scheen aan te kondigen en tevens zijn "Open brief
aan Matteo Buttafuoca" een gloeiend smaadschrift op dezen adellijken
landgenoot "die Paoli kort te voren in de Nationale Vergadering had
gebrandmerkt als een man, die aristocraat, democraat, noch royalist,
in staatszaken slecht was te vertrouwen en in alles arglistig te
werk ging."

Zijn verloftijd was inmiddels half October verstreken, doch hierom
bekreunde hij zich niet, want de aanbevelingsbrieven, welke hij
van het districtsbestuur van Ajaccio had weten te verkrijgen en
o. a. inhielden, dat hij tot tweemaal getracht had naar Frankrijk
terug te gaan, doch dat tegenwind dit telkens had belet, waren zoo
vleiend, dat zijn kolonel bij zijn terugkeer (Januari 1791) hiermede
volkomen tevreden was en hem aan den minister zelfs voordroeg voor
de uitbetaling van zijn traktement tot den dag van terugkomst.

In Auxonne was hij thans niet meer alleen, want Louis, toen even
dertien jaar, had hij meegebracht. "Dan had zijn moeder een zorg
minder," had hij gezegd en hij zou hem wiskunde en latijn leeren en
later ook een artillerieofficier van hem trachten te maken. [2]

Een hokje van een kamertje met een slecht bed zonder gordijnen, een
tafel, een koffer, een kast en twee stoelen vormden in de kazerne te
Auxonne het verblijf van den toekomstigen Keizer, daarnaast in een nog
schameler gemeubeld vertrekje sliep de latere koning van Holland. Zelf
kookte Napoleon zijn potje, droog brood was zijn ontbijt, maar hij
had geen centime schuld; zelf overhoorde hij Louis zijn vragen voor
de Heilige Communie; trouw vergezelde hij hem naar de mis. Overigens
vertoonde hij zich slechts zelden in het openbaar. Zijn dienst, Louis'
lessen en zijn eigen studiën namen te veel tijd in beslag om veel uit
te gaan, maar wanneer hij zich een enkele maal ten huize van kapitein
de Gassendi of van de familie Chabert vertoonde, kon hij zeker zijn
van een hartelijke ontvangst, waartoe zijn gedrag tegenover Louis
in niet geringe mate bijdroeg. Wie zijn brieven uit dien tijd over
zijn broertje leest wordt getroffen door hun liefderijken, bijna
vaderlijken toon; hij prijst hem over zijn ijver, zijn werklust, zijn
goede vormen in gezelschap, waarin hij zich zoo gemakkelijk beweegt,
hetgeen juist Napoleon zelf niet bezat, ja, hij voorspelt wonderen
van hem en schreef aan Jozef. "Hij zal de beste worden van ons vieren."

In diezelfde dagen stelde hij zijn Dialogue sur l'amour op schrift
met den voor een jong officier vrij zonderlingen uitval, dat de liefde
meer kwaad doet dan goed en schadelijk is voor de gemeenschap en het
persoonlijk belang der menschen; zelf zal hij daar later wel eens
anders over denken dan als luitenant van de artillerie.

Een kleine verbetering in zijn omstandigheden kwam door zijn benoeming
tot eerste-luitenant (Mei 1791); tevens werd hij naar Valence
teruggeplaatst. Hier betrok hij terstond zijn vroeger kwartier bij
juffrouw Bou weder; hij werd een ijverig bezoeker van de club der
vrienden van de Constitutie en zette zich aan de beantwoording eener
prijsvraag, uitgeschreven door de Academie te Lyon en tot onderwerp
hebbende: "Het bepalen der waarheden en gevoelens, den mensch in te
prenten, ter bevordering van zijn eigen geluk."

Zijn arbeid werd niet bekroond; een der beoordeelaars noemde dien een
in krasse bewoordingen uitgedrukt droombeeld; een ander vond het geheel
te slecht gesteld en geschreven, om de aandacht te verdienen. Toch
bevatte het geschrift een reeks oorspronkelijke denkbeelden en verheven
gevoelens, en teekende het den vurigen aanhanger der republikeinsche
beginselen.

Door bemiddeling van generaal du Teil, die zijn beschermer was
gebleven in weerwil van Napoleons sterk geavanceerde begrippen, kreeg
hij in October 1791 weder eenige maanden verlof. De verkiezingen
waren op handen en hij wilde zijn broeder Jozef met alle macht ter
zijde staan om een goed bezoldigde staatsbetrekking--het doelwit
van elken rechtgeaarden Corsicaan--te veroveren. Door den dood
van oom Lucien, 16 October, was het kleine kapitaal, dat de man
door jarenlange spaarzaamheid had bijeengeschraapt, aan de kinderen
gekomen; er was dus geld om stemmen te koopen en helpers te werven;
in de woning van moeder Laetitia stroomde de wijn, de gansche familie
der Bonapartes kwam in 't geweer en door een daad van geweld, die in
een goed geordenden staat als volkomen onwettig zou zijn beschouwd,
doch die op Corsica gold voor een wonder van handigheid en durf,
wist Bonaparte zich te doen verkiezen tot luitenant-kolonel van
een der nieuw opgerichte bataljons vrijwillige nationale garde, op
een tractement gelijkstaande aan dat van kapitein bij zijn wapen,
honderd twee en zestig francs in de maand.

Wat een overwinning op de tegenpartij, die Pozzo di Borgo gekozen
had willen zien, wat een blijdschap in de woning der weduwe! Dat
Bonaparte die betrekking aanvaardde, was geheel in overeenstemming
met den inhoud eener wet, waarbij de officieren van het staande leger
hiertoe werden gemachtigd.

Nu begon Paoli weder met de Bonapartes te rekenen. Wel had hij over
Napoleons open brief aan Matteo Buttofuoco zijn afkeuring te kennen
gegeven en hem bronnen geweigerd voor zijn geschiedenis van Corsica,
maar in dien toestand was verandering gekomen, want Paoli begreep voor
zijn plannen de Bonapartes noodig te hebben. Na jarenlang verblijf
in Engeland met zijn parlementaire staatsinrichting had Paoli een
afkeer gekregen van de in Frankrijk heerschende toestanden en, hoewel
hij zijn plannen nog verborgen hield, streefde hij naar Corsica's
onafhankelijkheid, hetgeen Napoleon reeds had begrepen.

Onder deze omstandigheden was het verklaarbaar, dat Napoleon niet
veel lust had naar zijn standplaats terug te keeren, toen zijn
verlof ten einde liep en onder voorwendsel van zijn benoeming tot
luitenant-kolonel, bleef hij te Ajaccio. Toch begreep Napoleon, die wel
wist, dat zijn onmiddellijke chef, zijn kolonel, hem volstrekt niet
genegen was, dat hij gevaarlijk spel speelde en daarom zond hij een
langen brief aan zijn vriend, den Commissaris van Oorlog te Valence en
zette hem den stand van zaken uiteen. "Heiliger en dierbaarder plichten
dan die van den dienst strekken tot mijn rechtvaardiging en maken,
dat ik geen zelfverwijt gevoel," schreef hij o. a. en later nog weder:
"Onder zulke bedenkelijke omstandigheden behoort een goed Corsicaan
zich op zijn eerepost, dus in zijn land te bevinden."

Men leefde onder abnormale omstandigheden. De regeering te Parijs zag
dat stoutmoedig optreden van den Corsicaanschen artillerieofficier,
die zijn opleiding geheel aan Frankrijk had te danken, Fransch sprak en
op zijn eiland voor haar dus van groot nut kon wezen, waarschijnlijk
niet ongaarne, doch zijn kolonel dacht er anders over en deed hem
schrappen van de lijst der actief dienende officieren; Napoleon had
zijn betrekking verloren.

Bovendien was in April te Ajaccio een oproer uitgebroken, waarbij
niet alleen bloed had gevloeid, doch waarbij Napoleon een zeer
vreemdsoortige rol had vervuld en dit verergerde zijn toestand nog;
hij werd daarom naar Parijs geroepen om zich te verantwoorden.

Inmiddels was hij tot kapitein benoemd en in dien rang bleef
hij gehandhaafd, terwijl het hem niet zooveel moeite kostte zijn
houding bij het oproer te rechtvaardigen; ook voor het eigendunkelijk
wegblijven van zijn regiment werd een oog dichtgeknepen. Al was hij in
zijn rang gehandhaafd toch gelukte het hem niet in de eerstvolgende
maanden een plaats bij de artillerie te herkrijgen en zien we hem
van Mei tot September 1792 doelloos en arm te Parijs. Wel woonde
hier de familie Permon nog; wel vond hij zijn vriend de Bourrienne,
die intusschen gehuwd was, terug, maar zijn trots en zijn neiging tot
alleen zijn, beletten hem veel gebruik te maken van de gastvrijheid,
welke beiden hem aanboden. Eenige malen ging hij Elisa bezoeken te
St. Cyr; voorts leefde hij veel op straat, vervuld met de vraag
wat hij, op Corsica teruggekeerd, doen zou, een aanhanger worden
van Paoli en dan met de Engelschen heulen, of Frankrijk getrouw
blijven. Dat ijdelheid, eerzucht en gouddorst bij de meeste menschen
ook te Parijs de drijfveeren hunner daden waren, was hem niet lang
verborgen gebleven; doch te Parijs was het strijdperk ruimer; de kans
van slagen dus grooter. Bovendien bezat Frankrijk een leger, hier zou
hij dus echte soldaten te commandeeren krijgen, terwijl op Corsica
hoogstens eenige vrijwilligers onder zijne bevelen zouden staan.

In de Juni- en Augustusdagen van 1792 woonde hij te Parijs tooneelen
bij, die hij nimmer zou vergeten en hem een grooten afschuw van de
anarchie deden krijgen; op de journée van den 20 Juni volgde hij de
menigte en verbaasde zich er over, dat men het volk de Tuilerieën
had laten binnengaan; hoe gaarne zou hij toen artillerie tot zijne
beschikking hebben gehad. Op gevaar af van zelf te worden gevangen
genomen sprong hij den 8en Augustus bij den heer Permon zelfs
ridderlijk in de bres, toen een troep kerels, onder leiding van een
lid van het comité der sectie, waarin de woning van dezen heer lag,
zonder lastgeving een huiszoeking wilden doen.

Hoe hij over den toestand dacht, toonde hij in een brief aan
Jozef. "Een ieder zoekt zijn voordeel; laaghartiger dan ooit wordt
er geïntrigeerd en lasteren is een der middelen om op het kussen te
komen. Die hier aan 't hoofd staan zijn povere kerels; wie dat gedoe
van nabij bekijkt, moet bekennen, dat de volkeren slechts half de
moeite waard zijn, om hun gunst te verwerven. De geschiedenis van
Ajaccio ken je; die van Parijs is precies dezelfde; alleen zijn de
menschen hier misschien nog kleinzieliger en boosaardiger en zijn ze
nog grootere bedillers en vitters dan daar.."

Voorts schreef hij aan Lucien, die ook in de politiek was getreden
en op zijn zeventiende jaar reeds in de volksvergadering te Ajaccio
stond te wauwelen en een proclamatie tot de Corsicanen had gericht,
"dat zijn stuk een prul was met woorden te veel en ideeën te weinig
en dat men met hoogdravenden bombast bij het volk niet moest aankomen."

Maar nadat hij den 10en Augustus heeft bijgewoond, die bergen lijken in
de straten, die stapels doode Zwitsers voor de Tuilerieën heeft gezien,
als trouwe soldaten gevallen bij de verdediging van het paleis van
hun Koning; nadat hij tot de ontdekking is gekomen hoe geweldig de
dierlijkste hartstochten bij het volk der hoofdstad zijn ontketend,
bevangt hem bange bezorgdheid voor het leven zijner familie, want
ook op Corsica is het oproer.

Een paar dagen later komt het decreet, dat de school te St Cyr
wordt gesloten, dat de leerlingen zijn ontslagen en onder het
genot van reiskosten--20 sou per uur--naar haar woonplaats kunnen
terugkeeren. Geen bruidschat dus van drieduizend francs, geen uitzet
heeft Elisa meer te wachten en zij is al vijftien jaar.

In de eerste dagen van September grijpen te Parijs moordtooneelen
plaats, die in afschuwelijkheid al het tot nu toe gebeurde overtreffen;
en nog altoos heeft Napoleon zijn aanstelling niet en laat het
departement van oorlog bedolven onder stapels gewichtiger werk, hem
wachten. Waar moet hij met het meisje heen! Bij zich houden kan hij
haar niet.

Eindelijk wordt het lang verwachte brevet hem uitgereikt; nu vraagt
hij verlof zijn zuster naar Ajaccio terug te geleiden. Dit wordt
hem toegestaan; ook ontvangt hij de machtiging het bevel over zijn
bataljon nationale vrijwilligers weder op zich te nemen.

't Werd een reis met hindernissen; van Lyon moest ze per schip, de
Rhône af, worden voortgezet. Te Marseille was geen scheepsgelegenheid
en wachten dus de boodschap; maar eindelijk (October) werd Ajaccio
toch bereikt, en voor de eerste maal in dertien jaar zag Laetitia al
haar kinderen bijeen. Wel heerschte er vreugde, doch de toekomst was
donker. Jozef was niet verkozen tot afgevaardigde naar Parijs. Liever
lui dan moe, prat op zijn rechten als hoofd der familie, aangenaam
geprikkeld als de broertjes hem "graaf" noemden, daarbij tamelijk
onwetend, was hij blijkbaar niet in den smaak der kiezers gevallen.

Wederom had Napoleon over Paoli's ontvangst niet te klagen, doch hij
zelf was koel en geretireerd; reeds had hij een keuze gedaan. In hem
zou de oude demagoog geen partijgenoot vinden. In dit besluit werd
hij nog versterkt na terugkomst van een expeditie naar het eiland
Sardinië, welks vorst, de Koning van Savoije, met de Fransche Republiek
in oorlog was (28 Februari 1793).

Overtuigender dan ooit was hem op dezen totaal mislukten tocht,
waarbij hij de artillerie gecommandeerd had, gebleken, dat Paoli
heulde met de Engelschen en verraad pleegde.

Toch had deze bijna ongelooflijke toestand, waaraan Frankrijk alleen
door het zenden eener troepenmacht een einde had kunnen maken, nog
lang kunnen voortduren, wanneer Lucien door een dollen zet de bom
niet had doen barsten.

Vol eigenwaan, oordeelende over menschen en zaken, alsof hij een
ervaren man was, het hoofd vol stopwoorden en holle phrasen, die hij
met veel aplomb debiteerde en die zijn onwetende omgeving en vooral
zijn vrouwelijke familieleden in hem een ster van de eerste grootte,
een genie, deden zien, had deze mislukte leerling van Brienne en van
het gymnasium te Aix op zijn vijftiende jaar de studie er aan gegeven,
omdat er voor hem geen beurs meer beschikbaar was.

Hij was toen thuisgekomen en begonnen met het volkladden van stapels
papier en de politiek was alles voor hem, waarin hij dan ook spoedig
een heel heer meende te wezen. Bij Paoli was het hem mislukt diens
secretaris te worden, maar omdat hij vloeiend Italiaansch en Fransch
sprak, goed zijn woordje kon doen en een gunstigen indruk maakte, was
hij door den Franschen gezant de Sémonville bij diens komst te Ajaccio
als tolk gekozen en met dezen was hij later naar Toulon gereisd.

Nauwelijks hier, was hij naar zijn politieke club geloopen en had
daar een krachtige speech afgestoken tegen Paoli, hem beticht
van landverraad en tevens een adres opgesteld aan de Nationale
Conventie. Deze ontving dat juist in de dagen, toen het verraad van
Dumouriez ook bekend werd. (April)

"Ik heb onze vijanden een beslissenden stoot toegebracht. Daarop hadt
jelui niet gerekend" schreef hij aan zijn broers. Maar op hetgeen
thans volgde had hij zeker niet gerekend.

Opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen op last der Nationale
Conventie, wierp Paoli het masker af, beval de inhechtenisneming der
gansche familie Bonaparte en legde beslag op haar eigendommen. Terwijl
Lucien kalmpjes te Toulon zat, zag zijn moeder haar huis dus plunderen
en in vlammen opgaan, konden Jozef en Napoleon ternauwernood het
leven er afbrengen en achtten zich allen gelukkig, toen ze na dagen
lang omzwerven onder de hoede van eenige hun trouw gebleven herders
en bergbewoners aan boord konden komen van een Fransch schip, dat
voor de bezetting van Calvi te Toulon munitie zou gaan halen.

Geld, papieren, brieven, eigendomsbewijzen, alles was met één slag
verloren. Laetitia was straatarm geworden en 't was wel zeer hard
voor haar na vier en twintig jaar in vrede geleefd te hebben nu
alles verstrooid en verwoest te weten, maar als echte Corsicaansche
toonde ze haar rouw aan de buitenwereld niet, bleef kalm en bedaard
en schonk haar achttienjarigen zoon, die haar dit alles berokkend had,
volkomen vergiffenis.

Eerst te Toulon, later als het ook hier niet meer veilig is, in
een aangrenzend gehucht, zocht ze een onderdak en leefde in de
eerstvolgende drie maanden met haar kroost uitsluitend van rations
levensmiddelen, die haar als vluchtelinge door de Nationale Conventie
werden verstrekt en van hetgeen Napoleon, die terstond naar Nizza
was vertrokken, van zijn traktement als kapitein der artillerie kon
missen. Meer dan de helft stond de zoon haar af.

Napoleon was het meegeloopen, want door generaal du Teil, die te Nizza
commandeerde, was hij terstond belast geworden met de bewapening
der kustbatterijen aldaar, later met het transport van munitie
daarheen. Zijn achterstallig tractement, ongeveer drie duizend francs,
zou hem worden uitbetaald, terwijl hij door een vriend te Ajaccio
weder in het bezit kwam van eenig nog te vorderen geld en van een
deel van zijn goed.

Bij dit alles was hij een heftig republikein gebleven, hetgeen
o.a. bleek uit zijn Souper de Beaucaire, een later voor rijks rekening
in druk verschenen vlugschrift, waarin hij o.a. de onmacht van den
federalistischen opstand aantoont en de Marseillanen aanraadt weder
één te worden met de Conventie.

Ook Jozef had intusschen niet stilgezeten; terstond was hij naar
Parijs vertrokken en had hier van de Conventie gedaan gekregen, dat
een bedrag van 600.000 francs ter beschikking werd gesteld van de
uitgeweken Corsicaansche families. Door den afgevaardigde Saliceti,
uit Bastia afkomstig en een vriend van den huize, waarschijnlijk
hierin gesteund, had hij tevens kunnen zorgen, dat het aandeel der
Bonapartes hierin niet het kleinste was.






HOOFDSTUK II.

Een blik op de Fransche omwenteling.


Reeds een paar maal spraken we van opstanden te Parijs, waarbij
de Tuilerieën door het volk werden bestormd; mogelijk bewijzen wij
den lezers een dienst met in 't kort na te gaan, wat er in de jaren
1789-1795 in Frankrijk voorviel.

De oorzaken van de Fransche Omwenteling voeren ons terug naar den
tijd van Lodewijk XIV (1643-1715), onder wien Frankrijk tot een der
machtigste staten van Europa werd gemaakt. Getrouw aan zijn eenmaal
gesproken woorden "l'Etat, c'est moi" [3] regeerde hij volkomen
absoluut en had den adel, die in den Frondeoorlog reeds veel geleden
had, tot uitsluitend hofadel teruggebracht. Colbert zorgde voor
de uitbreiding van de handelsvloot, een krachtige oorlogsmarine en
het stichten van groote havens als Duinkerken, Brest, Toulon enz.;
Louvois, zijn minister van oorlog, wist het leger tot een groote
kracht te maken, waarmede ongeveer een kwart eeuw de strijd werd
aangebonden met de staten van Europa.

Wel waren uitbreiding van het land naar 't Noorden en Oosten, het
stichten van koloniën in de verschillende werelddeelen hiervan
o.a. het gevolg, maar die voordeelen werden gekocht voor groote
opofferingen, welke het land uitputten, terwijl de wreede vervolgingen
der protestanten Frankrijk nog beroofden van 400.000 harer beste
onderdanen, meenemende een schat op het gebied van kapitaal en
industrie, hetgeen aan Pruisen, Nederland en Engeland, waar de
emigranten zich vestigden, ten goede kwam. De zonnekoning deed Europa
verbaasd staan door zijn overwinningen in de oorlogen, door de luxe aan
zijn hof, door de prachtige werken, die in 't land werden aangelegd,
maar Frankrijk droeg er de lasten van en Lodewijk XV aanvaardde de
regeering met een schuld van bijna een milliard. En deze vorst?

Toen hij nog jong was, opende zijn gouverneur eens de vensters van
het paleis en zei, het kind op de menigte wijzende, die zich voor
het paleis had verzameld: "Al dat volk is voor U." Opgevoed in een
omgeving, waar men doordrongen was van het beginsel, eens door zijn
voorganger uitgesproken, kon men wèl hopen, niet veel verwachten.

De toestand werd er niet beter op; de financieele operaties van John
Law vernietigden het crediet van den staat en ruïneerden tal van
kleine renteniers; de zevenjarige oorlog kostte Frankrijk behalve
veel menschenlevens en geld, nog haar beste koloniën in Amerika en
Azië; de zedeloosheid van het hof werd het schandaal van dien tijd
en het volk, dat den vorst eens den naam van "Louis le Bien aimé"
had gegeven, werd met haat en afkeer vervuld van den koning, die niet
minder tiranniek als zijn voorganger regeerde.

Groot was de blijdschap, toen zijn dood in Frankrijk bekend werd en de
teugels van het bewind in handen kwamen van zijn kleinzoon Lodewijk XVI
(1774-1792), van wien men in het begin nog al goede verwachtingen had.

Zou hij veranderingen aanbrengen? Wat viel er niet te verbeteren! De
macht van den vorst was onbeperkt, uitvoerende en wetgevende macht
berustten bij den koning; het volk had geen invloed op de regeering,
kende evenmin staatkundige rechten; de rechterlijke macht was niet
onafhankelijk en meermalen werd in de rechtspraak door den vorst
ingegrepen, terwijl de beruchte "lettres de cachet" zonder eenigen
vorm van proces iemand in de gevangenis brachten; ze werden wel in
blanco verstrekt, zoodat men ze dan zelf kon invullen! De belastingen
waren drukkend, ongelijk verdeeld en werden geïnd door middel van een
pachtstelsel; soms moesten ze twee keer in een jaar worden opgebracht,
terwijl het grootste gedeelte van de opbrengst niet in de schatkist
vloeide, maar door hof en adel werd opgemaakt.

Het volk was verdeeld in standen met verschillende rechten en plichten;
allereerst kwamen adel en geestelijkheid, die, hoewel zij minstens twee
derden van het land bezaten, niet alleen geen belastingen opbrachten,
maar nog tal van privileges bezaten en tevens heerlijke rechtspraak
uitoefenden; zij waren eigenaars van de molens, de ovens en de
wijnpers; ze mochten tollen, marktrechten, belastingen in natura en
corveeën eischen. Kortom zij genoten wel al de voordeelen, maar het
dragen van de lasten der maatschappij kenden ze niet. Kenmerkten ze
zich door uiterlijke vormen en beschaving, ook door zedelijk bederf;
weelde, genotzucht en eerzucht waren hun hoofdeigenschappen en aan hun
roeping, voorgangers en leiders van het volk te zijn, voldeden ze niet
meer. Alleen de lage geestelijkheid maakte hierop een uitzondering,
maar deze was te arm en te weinig ontwikkeld om grooten invloed
uit te oefenen. Behalve deze bevoorrechten had men nog den 3en
stand, waartoe zoowel ambtenaren, groothandelaren en industrieelen,
als handwerkers, vrije boeren en loonarbeiders behoorden. Wel kon
men onder deze 25 millioen twee elementen onderscheiden, n.l. de
bourgeoisie en het lagere volk, maar zij waren bij het begin der
omwenteling onverdeeld, gingen samen strijden tegen de privileges
en misbruiken van hof, adel en geestelijkheid, bewust als zij zich
waren van hun gemeenschappelijken vijand.

De toestand onder het ancien régime was wel ellendig en werd vooral aan
het licht gebracht door den invloed van groote denkers en schrijvers
als Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopedisten Diderot
en d'Alembert, mannen, meest allen overleden, voordat de omwenteling
begon, maar die in hun geschriften de bestaande toestanden aanvielen
en middelen gaven ter verbetering.

Het was zoo waar, wat Lord Chesterfield reeds in 1754 zei:

"Kortom alle verschijnselen, die ik ooit in de geschiedenis als
voorboden van groote staatsveranderingen en omwentelingen aangetroffen
heb, worden thans in Frankrijk gevonden en nemen nog dagelijks toe."

Was Lodewijk XVI nu een verlichte, krachtige figuur geweest, die den
toestand juist inzag, zich wist te omringen door kundige, doortastende
raadslieden, die de nooden des volks begrepen, hierin verbetering
wilden brengen en hierbij door hem werden gerugsteund, dan was de
omwenteling waarschijnlijk niet door stroomen bloeds onteerd. Aan
deze voorwaarden voldeed de koning echter niet.

Goedhartig en zwak, wel vervuld met de gedachte aan zijn
verplichtingen, doch onbeduidend en wankelmoedig, zullen we hem nooit
flink zien doortasten, wanneer dit noodig is. Hij, die wel een steuntje
noodig had, werd ook niet door zijn omgeving geholpen. Zijn vrouw Marie
Antoinette, een dochter van Maria Theresia, als Oostenrijksche reeds
weinig bemind, was veel te onnadenkend en te hooghartig om hem in zijn
moeilijke taak bij te staan; zijn jongste broer de Graaf van Artois,
een levenslustig edelman, vormde steeds het hoofd der oppositie tegen
alle hervormingen en ook de Graaf van Provence, hoewel veel gematigder
van karakter, werkte den koninklijken broeder tegen.


                           Lodewijk XV 1715-1774.
                                     |
           +-------------------------+--------------------+
           |                         |                    |
Lodewijk XVI                Graaf van Provence      Graaf v. Artois
1774-1792 † 1793            Lodewijk XVIII          Karel X
geh. met Marie Antoinette.  1814-1824.              1824-1830
           |                                              |
   +-------+-----------+               +------------------+--+
   |                   |               |                     |
Lodewijk (XVII)  Maria Theresia   Hertog van         Hertog van Berry
† 1795.          † 1851           Angoulême † 1844.  vermoord 1820.
                 geh. met Hertog                             |
                 van Angoulême.                       Hendrik (V)
                                                     Hertog v. Bordeaux.
                                                     Graaf v. Chambord
                                                     † 1883.


Lodewijk XVI begon met de ministers van zijn voorganger te ontslaan,
benoemde wel tot controleur-generaal van de financiën Turgot, een
rechtschapen, eerlijk man, die zich reeds tevoren door zijn geschriften
had bekend gemaakt, doch droeg de leiding der buitenlandsche zaken
op aan Maurepas, "de Papegaai van het Regentschap," een volbloed
hoveling, uit welke benoeming al dadelijk de besluiteloosheid van
den koning bleek.

Een reeks van hervormingen volgde spoedig op elkaar, maar hoe kon
Turgot heerendiensten afschaffen, tolrechten opheffen enz., wanneer
niet de bevoorrechte standen inzagen, dat zij ten bate van het algemeen
van vele hunner privileges afstand moesten doen. Zij dachten er niet
over en ofschoon de koning eens had gezegd:

"Er zijn maar twee menschen, die het goed meenen met Frankrijk, dat
zijn Turgot en ik," kreeg deze in 1776 zijn ontslag en werd vervangen
door Necker, een bankier uit Genève. Deze had met dezelfde bezwaren
als zijn voorganger te kampen, maar het gelukte hem eenige millioenen
te leenen, die in den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog verdwenen,
en toen hij in zijn Compte Rendu au Roi den slechten financieelen
toestand van Frankrijk openbaar maakte, was het met zijn rijk uit en
viel ook hij door het verzet der hoogere standen. Inmiddels duurde de
oorlog in Amerika voort en zagen vele Franschen als Lafayette e.a.,
hoe de nieuwe ideeën daar hun toepassing vonden bij de stichting van
de Republiek der Vereenigde Staten, doch Frankrijks regeering trok
er geen les uit.

Calonne, die Necker was opgevolgd, wist nog honderd millioen te leenen,
waarvan nauwelijks een vierde in de schatkist terecht kwam. "Wanneer
ik iedereen de hand zie ophouden om wat te krijgen, houd ik mijn hoed
bij," zei de Graaf van Provence; in zijn hoed kwamen vijf en twintig,
in dien van den Graaf van Artois zes en vijftig millioen!

Een vergadering der notabelen, in 't begin van 1787
bijeengeroepen om over den toestand te beraadslagen, bracht geen
verbetering. Samengesteld uit de bevoorrechte klassen, was zij
tot het brengen van offers aan de schatkist niet te vinden. Zelfs
vergrootte zij het gevaar, want door haar werd thans wereldkundig,
dat de staatsschuld meer dan anderhalf milliard bedroeg en dat er op
de begrooting een jaarlijksch tekort was van honderdveertig millioen.

Het eenige middel om Frankrijk voor een staatsbankroet te vrijwaren
scheen nu te zijn de bijeenroeping der Etats-Généraux, waarop
reeds meermalen was aangedrongen. De koning had den adel verzocht te
bezuinigen, de parlementen belastingen in te schrijven, de kapitalisten
leeningen te sluiten; ten slotte had hij zich tot de notabelen gewend,
om een deel der staatslasten te dragen; allen hadden geweigerd. Nu was
hij wel gedwongen zich tot geheel Frankrijk te richten en riep daarom
de Etats-Généraux tegen den 5en Mei te Versailles bijeen, terwijl de
koning na lang aarzelen, op voorstel van Necker, die inmiddels was
teruggeroepen, had bepaald, dat de derde stand evenveel leden zou
afvaardigen als de adel en de geestelijkheid te zamen.

Uit de vaststelling van dit aantal moest nu ook, wilde de verdubbeling
van den 3en stand eenige waarde hebben, de stemming per hoofd volgen,
maar deze quaestie was echter nog niet door Necker opgelost. Het
gevaarlijke van deze besluiteloosheid zag men pas later in.

Door deze regeling stond de omwenteling voor de deur.

De verkiezingen, waarop van regeeringswege geen invloed werd
uitgeoefend, hadden plaats ongeveer op de wijze, zooals dat in 1614
was geschied; directe keuze van adel en geestelijkheid, trapsgewijze
voor den 3en stand.

De afgevaardigden kregen lastbrieven, z.g. cahiers mee, waarin de
wenschen der kiezers waren uitgedrukt; in die van den 3en stand vroeg
men stemming per hoofd, waarborgen voor beter financieel beheer,
opheffing of verplichte afkoop der feodale rechten, gelijkheid op 't
gebied der belastingen, afschaffing van de pijnbank en de doodstraf;
in enkele van hun cahiers eischte men de erkenning, dat de 3e stand
het volk, de natie is, een idee uitgedrukt in de bekende brochure
van Siéyès. "Wat is de 3e stand? Niets. Wat moet hij zijn? Alles."

Opmerkelijk, alle cahiers erkenden, dat de koninklijke macht, erfelijk
in mannelijke lijn, moest worden behouden. De 3e stand was dus in
1789 volkomen royalistisch.

De cahiers van adel en geestelijkheid droegen sporen van verdeeldheid;
wel waren er, die ook belasting voor de hoogere standen inhielden,
maar stemming per stand, niet hoofdelijk stond op hun programma. De
groote dag brak aan. Een ontzettende menigte stroomde den 5en Mei naar
Versailles, om van het schouwspel getuige te zijn; alle tribunes in de
vergaderzaal waren stampvol. Daar traden ze binnen, de afgevaardigden,
samen bijna 1200 in getal. Reeds deed het verschil in costuum tusschen
de drie standen pijnlijk aan; de geestelijkheid in plechtgewaad,
de adel in 't zwart met goudlaken vest en mouwopslagen en witte
pluimen op den hoed; de derde stand eenvoudig in 't zwart zonder
eenig versiersel. De koning had dit bevolen. Gevolgd door het geheele
hof en bij zijn komst geestdriftig toegejuicht, opende de koning de
vergadering met eenige nietszeggende woorden, hield evenals Necker
een redevoering, waarin over groote hervormingen niet werd gesproken,
de stemming per stand of per hoofd wel werd aangeroerd, doch niet
opgelost; tegen "gevaarlijke nieuwigheden" moest worden gewaakt;
alleen bleek, dat de Etats-Généraux vooral waren opgeroepen om in
den bestaanden geldnood te voorzien.

Welk een teleurstelling! Waren ze daarvoor naar Versailles gekomen? Of
zou Mirabeau's woord: "Het tekort is de schat der natie" in vervulling
gaan en de geldnood benuttigd worden om een Constitutie te krijgen?

Reeds den volgenden morgen begon de strijd over het onderzoek der
geloofsbrieven. De derde stand verlangde, dat dit zou plaats hebben
in de volle vergadering, dus samen met adel en geestelijkheid. Deze,
in een afzonderlijk lokaal vergaderd, verzette zich hiertegen. Pogingen
om tot een vergelijk te komen mislukten; intusschen wachtte de derde
stand, op aanraden van Mirabeau, geduldig maar vastberaden en dicht
aaneengesloten op een beslissing.

Vastbesloten zich te verklaren tot een vergadering, die het geheele
volk vertegenwoordigde, bezwoer de derde stand in de ochtendzitting
van den 28en Mei de geestelijkheid, in naam van den God des vredes
en van het algemeen belang, mede te werken.

Het hof bevreesd geworden, dat de geestelijkheid aan dezen oproep zou
voldoen, deed weder onderhandelingen beginnen. Zoo verliepen eenige
weken. 't Werd 10 Juni.

Op dezen datum begon de lawine der omwenteling haar val.

Begrijpende, dat de tijd tot handelen was gekomen, nam de derde stand
toen van den abt Siéyès, een zijner vertegenwoordigers, een motie
aan, die aan de zaak een einde maakte. Adel en geestelijkheid werden
n.l. uitgenoodigd in de zittingzaal te verschijnen, om tegenwoordig
te zijn bij het onderzoek der geloofsbrieven, "welk onderzoek in elk
geval, mèt of zònder hun bijzijn, thans zou plaats hebben."

Dit stoute optreden werd den 17en Juni weder op voorstel van Siéyès,
door een krachtiger besluit gevolgd. De derde stand constitueerde zich
tot een Nationale Vergadering; geen statenvergadering was er meer,
voor het gansche volk trad hij op.

Weg waren de drie standen, verdwenen uit het staatsbestuur! Zoolang
het onderzoek der geloofsbrieven niet had plaats gehad in den door
hen verlangden vorm, erkende de derde stand de beide andere niet meer.

Het eerste besluit, dat de Vergadering nam, was een daad van
souvereiniteit, want ze stelde de ondeelbaarheid vast van het
wetgevende lichaam en maakte de twee bevoorrechte standen hiermede
van haar afhankelijk.

Hoe het hof voorloopig in bedwang moest worden gehouden, was nu
de vraag. De Vergadering verklaarde de uitgeschreven belastingen
daarom voor onwettig, maar--beval die te blijven innen, zoolang zij
zitting hield. Tevens garandeerde zij de nationale schuld en stelde
de kapitalisten daardoor gerust, eindelijk voorzag ze in den nood
der volksklasse door het benoemen van een comité voor levensbehoeften.

Nam de bevolking vol geestdrift kennis van dit bedachtzame, doch
krachtige optreden, het hof en de hoogere standen voelden zich voor
de keuze gesteld: onderwerpen of toevlucht nemen tot geweld en ze
raadden den koning tot dit laatste; wat dacht men nu wel, een koning
bij de gratie Gods de wet te kunnen stellen?

Na lang beraad besloot de vorst nogmaals een koninklijke zitting te
houden en vreezende, dat de meeste geestelijken, in den tijd, noodig
om de zalen in orde te brengen, gemeene zaak zouden maken met den
derden stand, liet de koning de vergaderzaal zoolang sluiten.

Den 20en Juni vond de derde stand de deuren gesloten, de gewapende
macht ervoor!

Niet hier, dan ergens anders, was terstond het wachtwoord. Met den
president Bailly voorop, toegejuicht door het volk, zelfs begeleid
door enkele soldaten, toog de derde stand reeds versterkt door tal
van geestelijken, naar een nabijgelegen kaatsbaan. Hier zwoeren alle
afgevaardigden, het hart vol van de heiligheid hunner zending, met
opgeheven hand, "niet uiteen te gaan, voordat ze aan Frankrijk een
Grondwet hadden geschonken."

Den volgenden morgen was ook de kaatsbaan gesloten; de prinsen
hadden die afgehuurd. Thans richtte de stoet zich naar de kerk van
St. Louis. Voor het hof was de bom verkeerd gesprongen.

Den 23en was 't weer koninklijke zitting. Troepen omringden de
vergaderzaal! De gepriviligeerde standen traden het eerst binnen,
daarna de derde stand, na een uur in den regen gestaan te hebben; de
tribunes waren onbezet, de toegang was verboden. De geestelijkheid
zat links, de adel rechts, de derde stand in het midden der zaal,
alles als op 5 Mei, maar toch welk een verschil! Thans was de derde
stand zich bewust van zijn roeping, de vertegenwoordiging te wezen
van geheel de natie. Met allen luister van het ancien régime komt
de koning de vergaderzaal binnen; een doodsche stilte ontvangt den
vorst. Op hoogen toon uit hij zijn ontevredenheid over de ontstane
breuk; verklaart alle op 17 Juni genomen besluiten nietig, gelast
standsgewijze te vergaderen, dreigt met ontbinding en in geval
van tegenstand, met ernstige maatregelen, beveelt ten slotte de
afgevaardigden uiteen te gaan.

De koning vertrekt met zijn gevolg; adel en geestelijkheid volgen
zijn voorbeeld; de derde stand blijft zwijgend, roerloos zitten.

De groot-ceremoniemeester de Brézé, bemerkende, dat niet door alle
leden aan den last van zijn vorst werd voldaan, kwam terug en zei aan
den president: "Mijnheer gij hebt het bevel van den koning gehoord?"

Toen stond Mirabeau, de afstammeling van een der oudste adellijke
geslachten van Frankrijk, maar een volbloed aanhanger der volkspartij,
op, en zei aan de Brézé, dat hij geen plaats in deze vergadering had,
noch recht van spreken en verder: "Ga aan uw meester zeggen, dat wij
hier zijn door den wil van de natie en dat wij alleen van hier gaan
door de kracht der bajonetten."

"Wij zijn heden, wat we gisteren waren, laten wij voortgaan met
beraadslagen," liet Siéyès hierop volgen.

Kalm en vastberaden toog men aan den arbeid; alle genomen
besluiten bleven gehandhaafd, terwijl op voorstel van Mirabeau de
onschendbaarheid van de leden der Vergadering werd afgekondigd.

En de koning? Toen de Brézé hem overbracht, wat Mirabeau had gezegd,
gaf hij ten antwoord: "Als ze niet willen heengaan, moeten ze er
maar blijven." Den 23en Juni 1789 ging het koninklijke gezag in
Frankrijk verloren.

Dit krasse verzet had de koning niet verwacht, hij gaf toe; Necker,
eerst ontslagen--aan de zitting had hij geen deel willen nemen--werd
nogmaals teruggeroepen en de bevoorrechte standen ontvingen het
verzoek, thans het verzet te staken en zich met den derden stand
te vereenigen.

Zoo had alles nog terecht kunnen komen. Met voorzichtigheid en
eerlijkheid had de goede verstandhouding tusschen de kroon en de
Vergadering hersteld kunnen worden, doch van den eersten schrik
bekomen, ried het hof den zwakken vorst thans met geweld te beproeven,
wat met een vertoon van gezag niet was gelukt.

Wederom gaf Lodewijk aan dezen slechten raad gehoor. Troepen werden
rondom Parijs samengetrokken. Al die vreemde regimenten, wier trouw
aan den koning spreekwoordelijk was geworden, begonnen in de hoofdstad
echter onrust en wantrouwen te wekken. De Vergadering gaf den koning
dus in eerbiedige, doch manmoedige taal in overweging, die troepen
naar hun garnizoenen te doen terugkeeren. Een weigering was hierop
het antwoord.

In den tuin van het Palais Royal, door den Hertog van Orleans voor
het publiek opengesteld, hoorde men reeds heftige redevoeringen en
waarschuwde Camille Desmoulins in opruiende taal het volk voor de
door het hof genomen maatregelen. Den 12en Juli verspreidde zich te
Parijs het gerucht, 't geen waarheid bleek te bevatten, dat Necker
nogmaals was ontslagen en in een nieuw ministerie o.a. was benoemd,
de bij het volk zoo beruchte Foulon.

Op een verzoek van het volk om brood, had hij eens geantwoord:
"Als ze honger hebben, moeten ze maar gras eten!"

Nu volgden daden van geweld te Parijs.

Daar eischte men reeds een burgerwacht en de kiezersvergadering, die
sinds eenigen tijd op het stadhuis zitting hield, bracht dit verzoek,
aan de Vergadering over, die toegaf.

Parijs wapende zich; de smeden werkten dag en nacht; het Huis der
Invaliden werd geplunderd en de geweren, daar gevonden, verdeeld;
de klokken van het stadhuis en van de kerken riepen de bevolking te
wapen. Standjes tusschen de gardes françaises en de vreemde troepen
hadden plaats.

In den morgen van den 14en Juli trokken gewapende benden uit de
voorstad St. Antoine onder den kreet "Naar de Bastille" in de
richting van de staatsgevangenis, die achter haar zware, sombere
muren in vroeger tijden zooveel ongerechtigheden had zien gebeuren,
waar zooveel onschuldigen door een "lettre de cachet" waren geherbergd
geweest en van waaruit de kanonnen op de stad gericht heetten.

Verzocht, de sterkte over te geven, weigerde de gouverneur De Launay
hieraan te voldoen. Toen werd storm geloopen, de bezetting voor een
deel over de kling gejaagd, De Launay onthoofd. Binnen enkele weken was
de Bastille met den grond gelijk gemaakt. Merkwaardige gebeurtenis! Het
materieele symbool van het ancien régime was gevallen, welk feit niet
naliet grooten indruk op de tijdgenooten te maken en daaraan vooral
dankt het zijn historische beteekenis.

Nog altijd is 14 Juli Frankrijks feestdag; dan wappert de in die dagen
ontstane tricolore, het rood en blauw, de kleuren van de stad Parijs
met het wit, die der Bourbons.

Van het gebeurde onderricht, ontstelde de koning geducht. Hij begaf
zich naar de zittingzaal der Vergadering, beloofde de troepen te doen
vertrekken, Necker terug te roepen en zelf van Versailles naar Parijs
te gaan om hier rust te brengen en de genegenheid der bevolking te
herwinnen. Den 17en Juli volvoerde hij dit plan. Voorafgegaan door een
honderdtal leden van de Vergadering, omgeven door gewapende nationale
gardes, de pas opgerichte burgerwacht, reed hij zonder escorte naar
het stadhuis. Al de gezichten stonden somber en strak.

Maar wat is het Parijsche volk? Hoe weinig is er vaak noodig, het van
stemming te doen veranderen! Toen het zag, dat hij de nieuwgekozen
cocarde uit de handen van den pas benoemden burgemeester Bailly
aannam en op den hoed zette; toen het zag, dat hij zonder garde
tot zijn bescherming, tusschen de menigte door, de trappen van het
stadhuis besteeg, barstte het uit in vreugdekreten en daverde het:
"Leve de koning!" weder als een zegekreet door de lucht. De verzoening
scheen volkomen.

Nadat hij de benoeming van Bailly tot burgemeester (maire) van Parijs
en van den generaal Lafayette, uit den Amerikaanschen vrijheidsoorlog
welbekend, tot commandant der nationale garde, goedgekeurd en op deze
keuze des volks zijn stempel gedrukt had, keerde hij naar Versailles
en zijn in doodelijke onrust verkeerende familie terug.

Het gebeurde te Parijs bleef niet zonder uitwerking op de overige
steden van Frankrijk. Overal werden bataljons nationale gardes
opgericht, gemeentebesturen, uit de kiezers-comité's gekozen,
ingesteld; op het platte land werd het een ware stormloop tegen de
kasteelen van den adel, die hier uitgeplunderd, elders in vlammen
opgingen, een uiting van den haat der boeren tegen de feodale rechten,
de drukkende corveeën enz. Behalve in de Vendée, waar het landvolk
zijn heeren getrouw bleef, was het een ware anarchie, waartegen,
dit zag de Vergadering wel in, krachtige maatregelen noodig waren.

Ten einde verbetering te brengen op het platte land werd in den
gedenkwaardigen nacht van 4 op 5 Augustus door alle voorrechten
van adel en geestelijkheid een streep gehaald. De burggraaf de
Noailles en de hertog d' Aiguillon gaven het voorbeeld en stelden
de afschaffing voor van alle heerendiensten en den afkoop van alle
feodale rechten. Anderen volgden; binnen enkele uren waren alle
misbruiken verdwenen. Geen tienden, geen pensioenen meer zonder geldige
aanspraken, geen handel in vette baantjes enz. Ook de provincies en
steden deden afstand van hun privileges en keuren. Het oude Frankrijk
werd gesloopt.

In weinige weken had de omwenteling een reusachtige schrede voorwaarts
gedaan. De 17e Juni had de drie standen zien verdwijnen; toen waren
de Etats Généraux overgegaan in een Nationale Vergadering; de 23e
Juni was de sterfdag geweest van den zedelijken invloed der kroon,
de 14e Juli die van haar stoffelijke macht. De eerste berustte thans
bij de Vergadering, de laatste bij het volk. De besluiten van den
4en op den 5en Augustus hadden de kroon gezet op het werk.

Dat deze en later gevolgde, in het staatkundige en administratieve
raderwerk van den staat zoo diep ingrijpende besluiten lang niet altijd
met groote meerderheid van stemmen werden aangenomen, behoeft echter
geen betoog. De meerderheid van den adel en de hooge geestelijkheid,
die bij den nieuwen gang van zaken slechts kon verliezen, die in den
waan verkeerde, dat weldra alles tot den vorigen toestand zou zijn
wedergekeerd, werkte tegen, wat zij kon, woonde de zittingen niet bij
of trachtte deze te storen. Men werkte juist hierdoor het hardste
mede tot den val van het koningschap en tot hun eigen ondergang,
want zij deden de verbittering der volksklasse tegen hen ten top
stijgen en gaven door hun wegblijven de republikeinsgezinden in de
vergadering de gelegenheid, besluiten te nemen, die vaak wijdere
strekking hadden dan de voorstemmers bedoelden.

Wat het hof betreft, de prinsen van Condé en Conti hadden het voorbeeld
van 's konings broer, den Graaf van Artois, reeds gevolgd en waren het
land uitgeweken; de koning vernam met onverholen spijt de besluiten
door de Vergadering genomen en aarzelde zijn goedkeuring te hechten aan
de Verklaring van rechten van den mensch en den burger, waarin naar
het voorbeeld van de Amerikanen, verschillende politieke denkbeelden
werden ontwikkeld, die de grondslag van de constitutie moesten vormen.

Het scheen wel, dat allerlei omstandigheden moesten samenwerken om
den stand van zaken nog hachelijker te maken; misgewas, hagelslag,
de slecht geregelde aanvoer van graan waren oorzaak, dat er onder de
lagere volksklasse te Parijs bittere nood ontstond, er werd honger
geleden. Tevens werd bekend, dat den 1en October in het kasteel te
Versailles door de officieren van de lijfwacht aan die van het nieuw
in garnizoen gekomen regiment Vlaanderen een luisterrijk feestmaal
was aangeboden. De koning en de koningin waren in de zaal verschenen
en met geestdrift ontvangen; bij die gelegenheid zou de driekleurige
cocarde afgerukt, vertrapt en door de witte, die der Bourbons vervangen
zijn. Geruchten hadden reeds de ronde gedaan, dat het hof voornemens
was den koning naar Metz te voeren en dat het nieuw gekomen regiment
alleen diende om, als de kans gunstig was, de Vergadering uiteen
te jagen.

Was den 4en October de gisting reeds sterk, den 5en nam ze nog in
hevigheid toe. De bakkers hadden geen brood meer; groote troepen
hongerige vrouwen stroomden naar het stadhuis om hierover bij den
gemeenteraad te klagen, doch hier geen uitkomst vindende, zette de
menigte zich onder leiding van Maillard, een der hoofdpersonen van
den 14en Juli, in beweging in de richting van Versailles. Steeds
geweldiger werd de volkshoop, die, van allerlei wapens voorzien, zich
op weg begaf naar de Vergadering en de verblijfplaats van den vorst;
zelfs kanonnen werden op karren meegesleept.

Te Versailles gekomen en, door een hoop vrouwen vergezeld, in de
Vergadering toegelaten, diende Maillard hier zijn beklag in over den
hongersnood in de hoofdstad. De koning ontving een deputatie uit de
vrouwen, die de belofte kreeg, dat in den nood zou worden voorzien. Op
aandrang van Mounier, president van de Vergadering, besloot de koning
na lang aarzelen de besluiten goed te keuren. Men hoopte hiermede
de gemoederen te bedaren. Doch tevergeefs. In den morgen van den 6en
October waren er schoten gewisseld en enkele gardes gedood, reeds had
men een aanval op het kasteel gedaan, waarbij zelfs de koningin een
oogenblik in levensgevaar verkeerde. De komst van Lafayette met de
Nationale Garde bracht uitkomst voor de koninklijke familie; de koning
en zijn door het volk zoo gehate gemalin moesten zich op het balkon
vertoonen en het slot van het drama was, dat aan den volkswil werd
voldaan en de koninklijke familie, begeleid door honderd afgevaardigden
zich op weg naar de hoofdstad begaf om daar, door Lafayette bewaakt
en beschermd, haar intrek in het paleis der Tuilerieën te nemen.

Men was komen vragen om brood en had ten slotte den koning (bakker)
meegenomen.

De Constituante, zooals de Vergadering in die dagen werd geheeten,
verlegde haar zetel nu ook derwaarts, en begon weldra haar zittingen
te houden in de Manége van het paleis, een groot houten gebouw,
dat voor een vergadering zoo goed als alle eigenschappen miste.

Had men tot nu toe in Versailles het politieke centrum der revolutie
gehad, terwijl zich te Parijs de hoofdhaard der omwenteling bevond,
thans was alles in de hoofdstad geconcentreerd, hetgeen van grooten
invloed is geweest op het verdere verloop der omwenteling.

De emigratie nam na den 6en October reusachtige verhoudingen aan;
duizenden edelen vluchtten naar Turijn, waar de graaf van Artois
zich ophield; een nog grooter getal verzamelde zich te Coblentz en
begon van hier uit het buitenland tegen Frankrijk op te zetten; ook
de hertog van Orleans, een neef des konings, die aan het hof niet
gezien was en zelfs verdacht werd met het volk te heulen, verliet,
door Lafayette overgehaald, het land.

Onafgebroken zette de Constituante inmiddels haar arbeid voort. Zoo
decreteerde zij o.a. gelijkheid voor de wet voor alle staatsburgers
zonder onderscheid van rang of stand en de verplichting van allen
tot het betalen van belasting; de verbeurdverklaring van al de
geestelijke goederen (zij kwamen ter beschikking van den staat), de
afschaffing van alle kloosters en geestelijke orden en de afschaffing
der parlementen. Dan werd voor alle Franschen eenzelfde rechtspleging
ingesteld, eindelijk het rijk gesplitst in 83 departementen, verdeeld
in districten en gemeenten.

Den 4en Februari 1790 verscheen de koning vrijwel onverwacht, doch
luide toegejuicht in de zittingzaal. Hij verklaarde de nieuwgetroffen
regeling met alle macht te steunen, zijn zoon nu reeds tijdig op den
nieuwen stand van zaken voor te bereiden en hem tevens te gewennen
zijn geluk in dat van zijn volk te zoeken.

Parijs juichte over die woorden en was dien avond geïllumineerd;
de goede verhouding tusschen vorst en volk scheen wederom hersteld.

De tijd leerde anders. Tusschen het hof en de geestelijkheid, die in
hun verzet volhardden en de koningin, die naar de vertoogen van den
rechtschapen Lafayette niet wilde luisteren, stond de koning. Deze
was veel te zwak om zijn gezond verstand, dat hem ried met den toch
niet te keeren stroom mede te gaan, te laten heerschen over zijn hart,
dat hem dreef naar de emigrés en over zijn geloof, dat hem voerde naar
de geestelijkheid. Juist de besluiten over de geestelijke goederen,
die aan den staat waren gekomen en waardoor een volkomen verandering
in de verhouding van staat en kerk ontstond, hadden den koning pijnlijk
getroffen. [4]

In Juni vaardigde de Constituante een decreet uit tot afschaffing
van alle adellijke titels, waardoor de woede van den adel ten top
steeg. Den 14en Juli, op den verjaardag dus van den val der Bastille,
was het Champ de Mars getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Toen
legden de koning benevens de deputaties uit alle departementen, in
tegenwoordigheid van wel een half millioen juichende toeschouwers,
met wapperende banieren om een reusachtig altaar geschaard, na
een door Talleyrand, bisschop van Autun bediende mis, den eed op
de nieuwe grondwet af. Aan Maria Antoinette werd een geestdriftige
ovatie gebracht; ze hief den dauphin in de hoogte en riep: "Ook ik
en mijn zoon deelen in de gevoelens van de natie."

De verbroedering scheen dus algemeen; vreedzaam en rustig bewoog een
reusachtige volksmenigte zich op den avond van dit federatiefeest bij
't licht van een illuminatie in de Champs Elysées, maar die kalmte
en die rust waren slechts schijnbaar.

Den volgenden morgen begon de strijd opnieuw; terwijl er reeds uit
de Constituante een voorstel werd ingediend om ook de geestelijkheid
een afzonderlijken eed op de constitutie te doen afleggen, werden
tevens maatregelen genomen ter verbetering van het leger, de laatste
steunpilaar van het koninklijk gezag. Ook hierin, vooral bij de
infanterie heerschte sterke gisting. De officieren met hun chef,
generaal Bouillé aan de spits, waren koningsgezind en met reden,
want zij genoten al de gunstbewijzen; verdienste telde niet mee,
protectie deed alles; de minderen, in de hoop op meer soldij en
betere behandeling, hingen de volkspartij aan. Te Metz en daarna te
Nancy brak een oproer uit, dat door Bouillé slechts met moeite werd
onderdrukt. (31 Augustus.)

Necker zag, dat hij in den berooiden staat der schatkist geen
verbetering kon brengen; de roekelooze financieele politiek der
Constituante, die met de uitgifte van assignaten was voortgegaan, was
tegen zijn zin; hij nam dus ontslag. Het ministerie werd heengezonden,
omdat het 't vertrouwen van de Vergadering had verloren. Duportails,
de nieuwe minister van oorlog, ontnam Bouillé een groot deel van
zijn gezag.

Van vluchten naar het leger of naar het buitenland had de koning
tot nog toe niet willen hooren, al deed zijn omgeving hiertoe het
voorstel; terwijl hij dien zomer verblijf hield te St. Cloud, was
er wel gelegenheid, doch de vrees voor den burgeroorlog, als gevolg
hiervan, had hem weerhouden.

Thans ziende, dat de Constituante schier dagelijks machtiger werd
en vreezende, dat hem zelf weldra geen schaduw van gezag meer zou
overblijven, begon hij over zulk een vlucht te denken. Hij polste
dus Bouillé.

Intusschen werd in December een wet afgekondigd, waarbij alle
geestelijken verplicht werden een specialen eed op de grondwet af
te leggen. De paus, door Lodewijk XVI hiervan terstond onderricht,
stelde het geven van een antwoord, op de vraag of hij met deze regeling
genoegen nam, onder allerlei voorwendsels uit; om deze reden onthield
de koning zijn sanctie voorloopig aan de wet, doch ten laatste zwichtte
hij voor den op hem uitgeoefenden drang.

Groot waren de gevolgen van deze wet. Er ontstond een scheuring
onder de katholieke bevolking; de band tusschen Rome en de Fransche
geestelijkheid was verbroken, deze voortaan gesplitst in beëedigde en
onbeëedigde priesters, welke laatsten in niet geringe mate meewerkten
om de contra-revolutie in 't land aan te wakkeren.

Ook 's konings houding tegenover de revolutie was thans beslist
vijandig; van een eerlijk aanvaarden geen sprake meer. Wel ontving
het hof sinds eenige maanden raad van Mirabeau, maar, evenmin als
de vergadering dit deed, vertrouwde het hof den grooten staatsman,
die een der krachtigste medewerkers was geweest bij de omverwerping
van het ancien régime, maar die ook, doch 't hof zag dit niet in, aan
het koninklijk gezag zijn grootsten steun had verleend. Zijn ideaal
"de verzoening van het koninklijk gezag met de volkssouvereiniteit"
zag hij niet verwezenlijkt.

Den 2en April 1791 overleed de geniale man. Den dag na zijn dood
schreef Camille Desmoulins: "Met hoe groote ontroering heb ik naar
dien almachtigen kop staan kijken, dat prachtige magazijn van ideeën,
thans door den dood ontruimd." Deputaties uit alle oorden des lands
omstuwden de baar, gansch Frankrijk droeg rouw. Een zijner grootste
figuren was heengegaan. Zijn lijk werd naast dat van Descartes in de
tot een Pantheon herschapen kerk van Genoveva bijgezet. [5]

In den nacht van 20 op 21 Juni kwam het plan van den koning om te
vluchten tot uitvoering; generaal Bouillé zou hem behulpzaam zijn,
terwijl ook de keizer Leopold van Oostenrijk steun had toegezegd. In
alle stilte vertrok de koninklijke familie uit het paleis, in de
richting van Montmédy. Waarschijnlijk zou het zijn geslaagd, als niet
's konings eigen onvoorzichtigheid alles had bedorven. Telkens stak
hij het hoofd buiten het met zes paarden bespannen en dus toch reeds
zeer in het oog vallende rijtuig.

De gevolgen bleven niet uit. Te St. Menehould werd hij door den
zoon van den postmeester Drouet, een volbloed republikein, herkend
en te Varennes aangehouden. Als gevangene, onder bewaking van drie
commissarissen van de Constituante, begeleid door duizenden gewapende
burgers, werd hij naar Parijs teruggebracht, waar een dreigende
bevolking hem den 25en Juni ontving.

Eigenaardig, niet een kreet van verontwaardiging, doch van vrees uitte
men in Frankrijk, toen de vlucht bekend werd; men voelde zich verlaten,
zoodat de terugkeer met groote vreugde werd begroet, wel een bewijs
hoe royalistisch de Franschen nog waren. Was dit de stemming buiten
Parijs, ze was het niet van de hoofdstad. Daar veroorzaakte de vlucht
de eerste beweging ten gunste van de Republiek, waartoe de club der
Cordeliers het initiatief had genomen.

Vooral in deze dagen kwamen de clubs en politieke vereenigingen
meer op den voorgrond en deden hun invloed gelden. De invloedrijkste
was de Bretonsche Club, aanvankelijk te Versailles gevestigd, doch
in October 1789 verplaatst naar Parijs en herdoopt in "Genootschap
van de vrienden der constitutie;" ze hield haar zittingen in het
voormalige Jacobijnenklooster, waardoor de naam "Jacobijnen" ontstond,
die de aristocraten als spotnaam aan hare leden gaf. IJveraars voor de
constitutioneele monarchie, behoorden ze volstrekt niet in de eerste
jaren tot de uiterste linkerzijde; pas na den val van het koningschap
veranderde het karakter van de club en nam zij den naam aan van
"Genootschap der Jacobijnen, vrienden van de vrijheid en gelijkheid."

Veel democratischer was de Club der Cordeliers, geleid door mannen
als Marat, Danton en Camille Desmoulins; waren zij meer republikeinsch
gezind, hun invloed beperkte zich alleen tot Parijs.

Onmiddellijk na het bekend worden van de vlucht had de Constituante
den koning in de uitoefening van zijn macht geschorst en deze onder
haar toezicht aan de ministers opgedragen, dit bleef ook na terugkeer
gehandhaafd, zoodat feitelijk een voorloopige republiek was ingesteld
tot den 14en September, den dag waarop door den koning een eed op de
constitutie werd afgelegd.

De Club der Cordeliers trachtte afschaffing van het koningschap te
verkrijgen, hiermede in de hand gewerkt door enkele Jacobijnen, die
alleen Lodewijk XVI wilden doen vervallen verklaren van den troon. De
Nationale Vergadering wist met kracht deze plannen te verijdelen,
door het gepeupel op het Champ de Mars met behulp van de troepen
onder Lafayette uiteen te jagen.

Was deze poging om de republiek te vestigen mislukt, zij was oorzaak
tot scheuring van de Jacobijnenclub en de oprichting van de Club der
Feuillants onder leiding van Bailly en Lafayette.

De Constituante had haar reuzentaak voltooid. Ze werd ontbonden en
vervangen door een Wetgevende Vergadering, waarin op voorstel van
Robespierre geen leden van de Constituante mochten zitting hebben. Deze
wel onbaatzuchtige, doch onpractische bepaling was, jammer genoeg,
oorzaak, dat Frankrijks beste krachten op het gebied van wetgeving
en staatsbestuur ongebruikt bleven.

De koning en de koningin hadden zich moeten schikken in den toestand,
door de grondwet geschapen. Met den titel van Koning der Franschen,
het opperbevel over het leger, het recht van veto en een civiele
lijst van vijf en twintig millioen francs, liet de toekomst zich nog
zoo slecht niet aanzien.

De geestelijkheid was van haar reusachtige bezittingen beroofd,
de adel had opgehouden een afzonderlijke orde te wezen.



In het Wetgevende Lichaam hadden mannen van groote bekwaamheid als
Vergniaud, Guadet, Brissot en anderen zitting gekregen. Zij en hun
geestverwanten, eerst Brissotins genoemd, kregen na 1792 den naam
van Girondijnen, omdat de meesten uit het Zuiden afkomstig waren. In
de vergadering vormden zij aanvankelijk de meerderheid, sloten zich
eerst aan bij de Feuillants, voorstanders van de constitutie van 1791,
doch werden later meer democratisch gezind; ze wanhoopten aan het
voortbestaan van het koningschap; denkers, plannenmakers en redenaars
dachten zij zich een republiek met al haar deugden, met gestrenge
zeden en gelijke rechten voor allen; mannen van de daad waren ze niet.

Stuurden de Jacobijnen meer aan op de republiek en algemeen kiesrecht,
daarbij vooral steunende op de lagere volksklassen, de Girondijnen
wilden van dien steun niet weten; niet de hoofdstad, doch geheel
Frankrijk moest de revolutie besturen, meenden zij.

Reeds dadelijk deed de nieuwe vergadering van zich
spreken. Achtereenvolgens vaardigde zij een decreet uit tegen
de emigrés, die niet binnen zekeren tijd in het land zouden zijn
teruggekeerd en een tegen de priesters, die den van hen gevorderden
eed nog niet hadden afgelegd. [6] Dan eischte zij van het Duitsche
Rijk de ontwapening der aan de grenzen opeengehoopte emigrés,
bij wie een massa officieren zich inmiddels hadden aangesloten;
stelde 's konings broeder, den graaf van Provence, die tegelijk met
de koninklijke familie Parijs had verlaten en een menigte andere
edelen den 1en Januari 1792 in staat van beschuldiging, wegens
het eigendunkelijk nederleggen hunner functiën en verklaarde ten
slotte den 20en April den oorlog aan Oostenrijk, waar Keizer Leopold
overleden en door Frans II opgevolgd was. Lafayette, afgetreden als
commandant der Nationale Garde, was benoemd tot commandant van het
leger in 't centrum; de generaal Dumouriez "een talentvol officier,"
maar een intrigant tevens, werd met het opperbevel belast.

Thans beweerden de Girondijnen, die sterk tot den oorlog hadden
aangezet, zou de koning kleur moeten bekennen, het bewijs moeten
leveren, dat hij volkomen ter goeder trouw was, toen hij de
grondwet had bezworen. Ook zou hij zijn vrienden, de emigrés,
en zijn raadslieden, de geestelijken, thans openlijk afvallig
moeten worden. Wel had de koning zijn goedkeuring gehecht aan de
oorlogsverklaring, doch tegelijkertijd stond hij met de buitenlandsche
mogendheden in verbinding en leverde Marie Antoinette zelfs kort voor
de oorlogsverklaring het plan de campagne der Fransche generaals aan
de Oostenrijkers in handen! Zijn telkens gebleken onwil om de andere
decreten goed te keuren, had de verbittering tegen hem en zijn omgeving
bij het Parijsche volk niet weinig doen toenemen.

Alles scheen samen te moeten werken om deze ten top te voeren. Een
troepenmacht, de Oostenrijksche Nederlanden in 't laatst van April
binnengerukt, doch slecht geoefend en door gebrek aan bekwame
officieren slecht aangevoerd, werd bij Bergen aangegrepen door een
paniek, riep: Verraad! en sloeg op de vlucht; een andere afdeeling
onder generaal Dillon trof bij Lille hetzelfde lot. Dillon werd
zelfs door zijn eigen soldaten vermoord. Dat woord verraad vond
luiden weerklank te Parijs. Daar ontstond onder de volksklasse een
geprikkelde stemming, nog verhoogd door de verbittering over de
ellende en de opruiende taal van tal van volksleiders.

Een reeks nieuwe figuren was op den voorgrond getreden, afkomstig
uit de reeds genoemde clubs, zooals Marat, een voormalig arts,
gevaarlijk door den reusachtigen invloed, welke hij door zijn blad
l'Ami du peuple over het volk wist te verkrijgen; Danton vol wilde
hartstochten, met een herculische gestalte en een stem als een
bazuin, die, hoewel niet bloeddorstig van aard, in oogenblikken van
hartstochtelijke opgewondenheid niet bevreesd was uit te voeren,
hetgeen Marat in zijn moordzucht had bedacht.

De derde was Maximilaan Robespierre, een uit Arras afkomstig advocaat,
die in de Nationale Vergadering door de zwaarwichtigheid zijner
betoogen en zijn onbeholpen redenaarstrant zich nog al eens belachelijk
had gemaakt. Langzamerhand meer meester geworden over het woord en
den vorm, was hij met zijn schelle hooge stem begonnen op de tribune
bij de Jacobijnen leerstellingen te verkondigen, die, hoofdzakelijk
uit Rousseau geput, wel niet uitmuntten door oorspronkelijkheid, maar
door zijn meestal ongeletterde toehoorders gaarne werden gehoord. De
roep, die van hem uitging, dat hij, hoewel zeer arm, toch volstrekt
onomkoopbaar was en een hoogst zedelijk leven leidde, in die dagen
van partijstrijd reeds een aanbeveling bij de massa en de slimheid,
waarmede hij bij zijn betoogen in de club zijn eigen persoon steeds
aan het welzijn der natie wist te verbinden, hadden tengevolge, dat
zijn aanhang en invloed dagelijks aangroeiden. Camille Desmoulins
vond hem "een Aristides," Marat echter "een manneke," Condorcet "een
wezen zonder een enkele gedachte in 't brein, zonder eenig gevoel in
't hart." Napoleon heeft hem den zondebok der revolutie genoemd.

De demagogen, krachtig door het volk gesteund, kregen aanhoudend
meer invloed op de gemoederen. Het tijdperk, waarin de sansculottes
Frankrijk het ontzettende juk hunner tirannie zouden opleggen,
naderde snel.

Den 20en Juni begon het voorspel. Toen trok een bende van meer dan
acht duizend gewapende mannen en vrouwen onder leiding van Santerre,
een rijken bierbrouwer uit den faubourg St. Anthoine, eerst naar
de Wetgevende Vergadering en vervolgens naar de Tuilerieën, drong
daar tot de vertrekken des konings door, riep hem toe: "Bekrachtig
de besluiten," "Jaag de priesters weg," "Kies tusschen Coblentz
en Parijs," bespotte den vorst op allerlei wijze en was na eenige
uren pas tot heengaan te bewegen op dringend verzoek van Pétion,
den nieuw gekozen maire. Al dien tijd had de koning onmiskenbare
bewijzen gegeven van kalmte en zedelijken moed.

In de volgende dagen namen de oproerige bewegingen in de voorsteden,
waar voortdurend groot gebrek bleef heerschen, een aanhoudend
gevaarlijker karakter aan. Lafayette, verontwaardigd over de
gebeurtenissen van den 20en, rekenende op zijn groote populariteit
onder de bevolking en de nationale garde, kwam naar Parijs om in de
Wetgevende Vergadering tegen de grievende behandeling van den koning te
protesteeren, doch zonder succes. Ook het hof en in 't bijzonder Marie
Antoinette was van de door Lafayette aangeboden hulp niet gediend,
zoodat hij onverrichter zake naar het leger terugkeerde. Geruchten,
dat veertigduizend Pruisen en evenveel Oostenrijkers, onder het
opperbevel van den hertog van Brunswijk, de grenzen naderden, dat
de koningin met deze vijanden heulde en dat het hof in stilte de
maatregelen van de vergadering tot verdediging, tegenwerkte, deden de
ronde in de clubs. Het volk, dat de tribunes vulde, schreeuwde en wilde
maatregelen en toen het ministerie den 11en Juli een overzicht gaf van
Frankrijks hachelijke verhouding tegenover het buitenland, besloot de
president die mededeeling met een even plechtig, als indrukwekkend:
"Burgers, het vaderland is in gevaar!" Dienzelfden dag reeds deden
vijftien duizend vrijwilligers zich inschrijven als soldaat.

In die dagen ontstond de Marseillaise, het lied der revolutie, gedicht
en op muziek gezet door Rouget de l'Isle, een jong genieofficier,
vooral populair geworden door de 500 fédérés, die van Marseille naar
de hoofdstad trokken, het lied, dat later met de legers door Europa
zou gaan en dat thans nog het Fransche volkslied is.

Te midden van de groote geestdrift, die zich van allen had meester
gemaakt, werd het even hooghartige als laatdunkende manifest van den
hertog van Brunswijk in de hoofdstad bekend. Parijs werd daarin met
verwoesting bedreigd, wanneer de koninklijke familie nog eens zou
worden beleedigd; nationale gardes, met de wapens in de hand gevat,
zouden als "oproerlingen tegen hun koning" worden gestraft. 't Was
olie in het vuur! Den 3en Augustus eischten de sectiën, waarin de
hoofdstad was verdeeld, de vervallen verklaring des konings; in den
nacht van 9 op 10 Augustus installeerde zich op het stadhuis een
ultra-republikeinsche commune, alleen uit Jacobijnen samengesteld en
den 10en Augustus werden de Tuilerieën, die slechts enkele honderden
Zwitsers en nationale garden als verdedigers hadden, door het grauw
bestormd.

Bij de verdediging ontbrak alle leiding en eenheid, want Mandat,
de tijdelijke commandant der nationale garde, was reeds te voren
afgemaakt op de trappen van het raadhuis.

Beducht voor het leven van vrouw en kroost, zocht de koning, zonder
bevelen achter te laten, zijn toevlucht in de vergadering, vond achter
den president, in de benauwde loge van den verslaggever der Feuillants,
een plaatsje en zond van hier aan de Zwitsers bevel, het kasteel niet
te verdedigen. Deze order kwam te laat. Reeds was het bloedbad op de
pleinen, in den tuin en in de kamers begonnen. Bij honderden vielen de
brave Zwitsers op hun post. Bonaparte, die na den storm de Tuilerieën
bezocht, verklaarde later zelf, dat hij in niet een zijner veldslagen,
in zoo een kleine ruimte zooveel lijken had gezien als daar op het
voorplein bijeen lagen.

Onder den indruk van het gebeurde en onder drang der commune nam
de vergadering het besluit tot schorsing van het koningschap en
tot de bijeenroeping van een Nationale Conventie door algemeen
kiesrecht gekozen, terwijl een nieuw ministerie zou optreden, waarin
Danton minister van Justitie werd. Den 13en Augustus werd de geheele
koninklijke familie overgebracht naar het groote torengebouw van het
voormalige klooster le Temple en hier streng bewaakt. Alleen achter
sterke muren beweerde de steeds in macht en driestheid toenemende
commune, kon zij instaan voor de veiligheid der aan haar hoede
toevertrouwde personen.

Het drama van de koninklijke familie begon haar ontknooping te naderen;
geen Franschen verdedigden den 10en Augustus de woning meer, maar
Zwitsers en de trouw van deze dapperen is te Lüzern, naar een ontwerp
van Thorwaldsen, vereeuwigd door een in de rotsen uitgehouwen leeuw,
met een speer doorboord, rustende op een veld van leliën.

Te Parijs waren thans slechts twee officieele machthebbende
lichamen overgebleven, de Wetgevende vergadering en de Commune,
bij welke laatste Robespierre reeds eenigen tijd te voren benoemd
was tot openbaar aanklager. De eerste zorg van dezen raad met haar
ultra-revolutionnaire neigingen was, thans meester te worden over de
politie. Het Comité van Algemeene veiligheid werd daarvoor ingesteld en
te Parijs een Comité van toezicht opgericht, met Marat als voorzitter,
dat onmiddellijk aan het werk toog door de arrestatie van honderden
aristocraten, zoogenaamde "verdachten." De groote gemeenten volgden
dit voorbeeld.

Tevens werd door den drang der Jacobijnen een revolutionnaire rechtbank
opgericht. Van haar vonnissen was geen appèl.

Op voorstel van Danton begon einde Augustus de arrestatie van alle
slechte burgers, die zich sinds den 10en Augustus verscholen hielden.

Daar kwam den 2en September het bericht, dat Verdun was ingesloten;
Longwy "de ijzeren poort van Frankrijk" was reeds gevallen en mocht
dat met Verdun het geval worden, dan lag de weg naar Parijs voor den
vijand open.

Toen kwam de afschuwelijke raad van Marat, die voor geen wreedheid
terugdeinsde, dat het eenige middel om het vaderland te redden,
zou wezen, de ter doodbrenging van alle gevangenen!

Een der vreeselijkste tooneelen van de omwenteling speelde zich te
Parijs af. Van 2-6 September had in de gevangenissen de Abdy, la Force
enz. een ware slachting plaats onder "alle vijanden des vaderlands"
hoofdzakelijk edelen en geestelijken. Rede en menschelijkheid waren
verdwenen; het lijk van Prinses de Lamballe, een vriendin van Marie
Antoinette, werd geschonden en met haar hoofd op een piek liep men
voor de Temple op en neer!

De Vergadering was met ontzetting geslagen, maar deed niets om
aan het bloedbad een einde te maken; ook Danton was lijdelijk
toeschouwer. Alleen Roland, minister van binnenlandsche zaken,
had den moed alle autoriteiten verantwoordelijk te stellen voor
het gebeurde. Ten slotte beval de Vergadering een onderzoek naar
de raddraaiers, hetgeen tot niets leidde. Eenige enragés droegen de
schuld. Zij hadden gemeend "verraders" voor zich te hebben!

Deze bloedige Septemberdagen brachten de revolutie meer in discrediet,
dan men toen vermoedde.

Den 21en September verdween de Wetgevende Vergadering. Een Nationale
Conventie, reeds dadelijk 749 leden tellende, trad in haar plaats,
schafte den volgenden dag de koninklijke waardigheid af en verklaarde
bij monde van haar president Pétion, Frankrijk tot een Republiek.



Het succes van den hertog van Brunswijk in het noorden was niet van
langen duur. In Dumouriez, den voormaligen minister van oorlog,
die Lafayette had vervangen, vond hij een even talentvolle als
dappere tegenpartij, die hem, door het bezetten der passen van het
Argonnerwoud, den toegang afsloot tot het hart van het land. Den 20en
September bij Valmy, liet de dappere Kellerman aan den hertog zien,
met welk een heldenmoed en doodsverachting dat leger van schoen-
en kleermakersjongens, zooals de emigrés de soldaten der Republiek
met minachting betiteld hadden, onder een daverend: Allons enfants,
de la patrie met gevelde bajonet op zijn oude beproefde krijgers
instormden en ze terugsloegen.

"Van deze plaats en van dit uur dateert een nieuw tijdvak in de
wereldgeschiedenis," zei de bij het Pruisische leger aanwezige Goethe
op den avond van Valmy tot de aanwezigen bij het wachtvuur. Hij
begreep de beteekenis van dien dag; "het revolutionnaire Frankrijk
kon en wilde Europa weerstaan."

Gebrek, groote ontberingen, ziekte en slecht weer waren ten slotte
oorzaak, dat de hertog terugtrok.

Van deze omstandigheid trok Dumouriez partij. Flink versterkt in
aantal, maar slecht gevoed, geschoeid en gekleed, rukte zijn leger in
November d.a.v. de Zuidelijke Nederlanden binnen, behaalde niettemin
den 6en bij Jemappes een glansrijke overwinning en bezette het gansche
land tot aan de boorden van de Maas.



Had de Nationale Conventie met algemeene stemmen de Republiek
ingesteld, van eensgezindheid onder de leden was geen sprake. De
Jacobijnen, naar de hoogere banken, welke ze in de Vergadering
innamen, ook wel montagnards genoemd, sloten zich nauw aan bij de
revolutionnaire Commune; de Girondijnen duchtten dien grooten invloed,
wilden de leiding aan de hoofdstad ontnemen, vreesden voor het optreden
van een tiranniek triumfiraat Robespiere, Danton en Marat en werden
in hun strijd tegen de Jacobijnen gesteund door de middenpartij in
de vergadering, de "plaine" of "marais" genoemd.

Thans kwam de vraag, wat men met den koning doen zou, dezen strijd nog
geduchter maken. In December stelden Robespierre, Couthon en St. Just
dezen namens de Jacobijnen in staat van beschuldiging. Het vinden van
een ijzeren kistje in de Tuilerieën met brieven uit het buitenland,
die verrieden, dat de koning met Pruisen en de emigrés in 't geheim
betrekking had aangehouden--een feit, dat door hem onverstandig genoeg
werd ontkend--verergerde zijn toestand.

Met bijna algemeene stemmen werd hij den 15en Januari 1793 schuldig
verklaard aan samenzwering tegen de vrijheid en de veiligheid van
den Staat. Een poging der Girondijnen, het uit te spreken vonnis
aan het oordeel van het volk te onderwerpen, waarin zij een middel
zagen om den invloed van Parijs te fnuiken, mislukte. Wel stelden de
grijze Malesherbes en Desèze alles in het werk om hem te verdedigen,
wel trachtten Brissot en enkele Girondijnen uit vrees voor een
buitenlandschen oorlog het vonnis uit te stellen, doch het een noch
het ander had succes. Louis Capet, zooals hij thans naar een zijner
voorouders genoemd werd, onderging op den 21en Januari 1793 zijn
vonnis; hij werd geguillotineerd, hetgeen hij waardig en gelaten
onderging.

De laatste schakel met het ancien régime was verbroken!

De Jacobijnen hadden gezegevierd, de macht der Girondijnen volkomen te
breken, werd thans hun doelwit. Al de vorsten van Europa wierpen ze
den handschoen voor de voeten; zij zouden de vrijheid brengen aan de
gansche wereld. Alle dwingelanden wilden zij van den troon stooten;
vrijheid, gelijkheid en broederschap voor de tirannie van eeuwen in
de plaats doen treden.

Een macht van 300.000 werd onder de wapenen geroepen om de eer der
Republiek te handhaven zoowel in het buitenland, als in het binnenland;
in dit laatste met name in de Vendée en Bretagne was n.l. een opstand
onder de boeren uitgebroken, die weldra schrikwekkende afmetingen
aannam.

Bij het leger onder Dumouriez, die door de Jacobijnen niet ten
onrechte sterk verdacht werd van allesbehalve ultra-republikeinsche
beginselen, gingen de zaken inmiddels niet naar wensch. Een aanval op
de Vereenigde Nederlanden, in overleg met het ministerie van Oorlog
door Dumouriez beproefd, mislukte. De Oostenrijkers en de Pruisen
rukten België weder binnen en de slag bij Neerwinden (18 Maart 1793)
was voor de Republiek noodlottig.

Dumouriez, die in stilte het plan had gevormd den oudsten zoon van
Philippe Egalité, die als generaal onder hem diende, bij welslagen,
door zijn leger tot koning te doen uitroepen, dan naar Parijs te
rukken, en aan den druk der Jacobijnen met één slag een einde te
maken, wachtte het oogenblik niet af, waarop hij door de Conventie ter
verantwoording zou worden geroepen. Hij knoopte vredesonderhandelingen
aan met den Oostenrijkschen Kolonel Mack en toen hem bleek, dat zijn
soldaten de Republiek getrouw bleven, liep hij naar de Oostenrijkers
over. De laatste dertig jaren zijns levens heeft deze talentvolle,
maar steeds intrigeerende man in ballingschap doorgebracht, hij is
in Engeland overleden.

Het verraad van Dumouriez, de ongunstige toestand der legers en de
gevaren, waaraan het land was blootgesteld, drongen de Conventie
weldra tot een nieuwen maatregel. Den 6en April 1793 werd het Comité
de Salut Public ingesteld. Het zou bestaan uit twaalf leden, die in
't geheim moesten beraadslagen, ook zouden zij op de handelingen
van het uitvoerend bewind toezicht houden en achter de zaken
spoed zetten. Aanvankelijk gevormd door de neutrale leden van de
Conventie, geraakte het spoedig geheel in handen van de Bergpartij, met
Robespierre, St. Just, Couthon, Collot d' Herbois en Billaud-Varennes
als leiders. De werkzaamheden werden door verschillende onder-comité's
verdeeld, terwijl het zich in de provincie door afgevaardigden
deed vertegenwoordigen. Aan dit lichaam ondergeschikt, was het
Comité van Algemeene Veiligheid, eveneens van twaalf leden, belast
met het opsporen en arresteeren van allen, die verdacht werden van
contra-revolutionnaire neigingen, terwijl ten slotte de Revolutionnaire
Rechtbank, met den beruchten Foucquier Tinville als openbaar aanklager,
zich onledig hield met het vonnissen der gevangenen.

De Conventie met haar tal van kleurlooze leden werd in de handen van
het Comité de Salut Public een willoos werktuig. Door de afgevaardigden
van het Comité waren de legers aan dit laatste onderworpen; door de
wet der verdachten beschikte dit over de bijzondere personen; door
de genoemde rechtbank over het leven van allen. In de volksmassa,
die in de clubs beraadslaagde, vond het zijn steun.

Het antwoord van Europa op Frankrijks uitdaging had niet lang op zich
laten wachten. Over dien koningsmoord, "de verfoeilijkste daad, die
in de historie was opgeteekend," zooals Pitt in het parlement zei,
diep verontwaardigd, beducht voor de ver strekkende gevolgen, welke
de omwentelingen ook voor hun onderdanen kon brengen, bang voor hun
eigen troon, verklaarden tal van vorsten met Oostenrijk en Pruisen
aan de spits, den oorlog aan de Republiek.

Van deze coalitie was Engeland onder den alvermogenden minister Pitt
de ziel. Het had geweigerd de vervallenverklaring van den koning te
erkennen en zich hierom reeds den 1en Februari 1793 door de Conventie
den oorlog zien verklaren. Ditzelfde lot was ook aan de Republiek
der Vereenigde Nederlanden te beurt gevallen. Binnen zes maanden
had Pitt zeven verbonden gesloten en zes tractaten tot het verleenen
van geldelijken steun. Ook Spanje met zijn nieuwen minister Godoy,
bijgenaamd de Vredevorst, had zich op zijn raad, evenals het geheele
Duitsche Rijk bij de coalitie gevoegd.

Door het grauw gesteund, meester over den gemeenteraad, heerschten de
Jacobijnen met hun 800 clubs in de departementen, van nu af zoo goed
als onbeperkt. Wel werd Marat als president der club door de Conventie
voor de rechtbank gedaagd wegens opruiïng tegen de gematigden in dit
staatslichaam, maar hij werd vrijgesproken en in zegepraal rondgedragen
(24 April).

Van dit oogenblik trad het grauw zelf vermeteler op, overstroomde de
publieke tribune in de zittingzaal en sprak mede in het debat. Een
poging, door de Girondijnen beproefd om de daden van den gemeenteraad
door een commissie te doen nagaan, waardoor heel wat gruwelen aan
het licht zouden zijn gebracht, werd door het grauw verijdeld, de
commissie ontbonden.

De verbittering tegen de gematigden, thans beschuldigd van
het heulen met den vijand en de emigrés en van het aansporen
tot een contra-revolutie, werd door de Jacobijnen aanhoudend
meer opgezweept. Telkens deed de Commune zich in de Conventie
gelden. Henriot, de commandant der nationale garde, geheel op de
hand der Jacobijnen, deed ten slotte zelfs vuurmonden in batterij
komen voor de Tuilerieën om de zittingzaal in elkander te schieten,
als aan den wil des volks niet werd voldaan! Den 31en Mei viel de
partij der Girondijnen; hun aanvoerders werden gevangen genomen;
anderen namen de vlucht (2 Juni).

Van nu af had de Conventie haar vrijheid van beraadslagen totaal
verloren. Robespierre met zijn aanhang nam de teugels in handen. Het
schrikbewind begon!

Na den val der Girondijnen kwam het geheele zuiden met Lyon,
Marseille en Toulon aan de spits in verzet; zelfs vormden zich
hier gewapende benden om naar Parijs te marcheeren. Tegenover hen
stonden de aanhangers der Conventie. In het westen, aan de Loire,
in de Vendée en in Bretagne was de gansche bevolking als één man
tegenover de afgevaardigden uit de Conventie opgetreden. Hier stonden,
door de emigrés en Engelsch goud gesteund, Stofflet en Charette aan
het hoofd der royalisten tegenover de regeeringstroepen.

Ook bijzondere personen gaven bewijzen van hun afschuw over hetgeen
in Parijs gebeurde. Zoo toog Charlotte Corday, een vijf en twintig
jarig mooi meisje uit Caën, een volbloed aanhangster der omwenteling
op deugdzamen grondslag, naar de hoofdstad, zocht Marat op, die in
de departementen den meesten schrik had verspreid, en stootte hem
een mes door het hart, om, zooals zij voor de rechtbank verklaarde,
"haar land vrede te schenken." Onwrikbaar kalm hoorde zij haar
doodvonnis aan; even kalm betrad zij het schavot. (15 Juli). Half
Parijs volgde de begrafenis van Marats hart in den tuin van de club
der Cordeliers. Toen zijn inboedel werd ontzegeld, vond men slechts
een assignaat van vijf francs, zijn gansche bezitting.

De Conventie was dus van alle zijden door gevaren omringd; zoowel in
het binnen- als in het buitenland stond de vijand. Daarbij dreigde
hongersnood, door het blokkeeren van alle havens door Engeland.

Het Comité de Salut Public trok alle macht aan zich en heerschte
onbeperkt.

Door de levée en masse riep het Comité het gansche volk onder de
wapenen tegenover den buitenlandschen vijand; alle mannen tusschen
18 en 40 jaar werden opgeroepen en voor het einde van het jaar
beschikte men reeds over een leger van 650.000 man; Carnot, lid van
het Comité leidde de operaties. Het gebrek aan geoefendheid moest
vergoed worden door het aantal en de geestdrift der troepen, terwijl
steeds aanvallend moest worden opgetreden; een hevig kanonvuur en
dan onder het zingen van de Marseillaise, of het "Ça ira" er met
de bajonet op in. Commissarissen bij het leger zorgden voor strenge
tucht, zonden generaals, die nederlagen leden, op naar Parijs, waar
ze werden geguillotineerd (de Beauharnais en Custine o. a.) Er moest
overwonnen worden en er werd overwonnen, al was het ten koste van
vele slachtoffers.

Einde 1793 was Frankrijk bijna geheel van vijanden gezuiverd. Voor
een inval behoefde de Republiek niet meer te vreezen.

Tegenover den vijand in het binnenland trad de beruchte wet der
suspects met volle kracht in werking. De gevangenissen vulden
zich met leden uit de gegoede burgerij en den handelsstand; alle
vreemdelingen, alle aanhangers van een constitutioneel koningschap,
of van een gematigde republiek, werden--voorloopig heette het--in
hechtenis genomen.

Over het geheele land werden afgevaardigden van het Centrale Comité
verspreid met uitgebreide macht. Over de steden in opstand werd de
banvloek uitgesproken, te Lyon de bevolking door de afgevaardigden
Collot d'Herbois en Couthon voor een gedeelte over de kling gejaagd;
te Toulon gebeurde ongeveer hetzelfde onder Fréron en Barras, "den
roofvogel der revolutie;" in Nantes maakte zich Carrier berucht.

In Parijs stond op de Place de la Concorde de guillotine bijna niet
stil. Den 16en October viel het hoofd van Maria Antoinette, nadat haar
reeds geruimen tijd te voren haar kinderen waren ontnomen en na een
verhoor, dat in bijzonderheden afschuwwekkend is. Den 31en d. a. v. zag
men een en twintig der in Juni gevangen genomen Girondijnen, onder
het zingen der Marseillaise, het schavot beklimmen; den 6en December
deelde hetzelfde lot de hertog van Orleans, een beginselloos man,
veracht door de koningin, door den koning verdacht te streven naar
het oppergezag, door het volk niet vertrouwd, al had hij ook zijn
naam verwisseld voor dien van Philippe Egalité.

In de jaartelling en in den godsdienst werd nu ook een volslagen
omkeer gebracht.

De gregoriaansche tijdrekening werd door de republikeinsche vervangen;
deze dagteekende van het jaar I der vrijheid. Het jaar begon dus op
22 September 1792 toen het koningschap was gevallen; iedere maand
telde nu dertig dagen verdeeld in drie decades; den laatsten van
iedere decade was 't rustdag. De maanden werden genoemd naar het
jaargetijde, waarin zij vielen, zooals October nu Vendémiaire heette,
daarop volgde Brumaire, Frimaire enz. De vijf of zes overschietende
dagen, jours complémentaires genoemd, dienden voor feestelijkheden,
gewijd aan het genie, den arbeid, de schoone daden, de belooning,
de meening en de omwenteling.

Een nieuwe godsdienst, die der Rede, werd afgekondigd en de hoofdkerk
de Nôtre Dame, op voorstel van Chaumette, lid der Commune herdoopt
in een republikeinsch gebouw, den Tempel der Rede. Ook buiten Parijs
volgde men dit voorbeeld, werden kerken "onchristelijkt" en feesten
gegeven, waarbij jonge vrouwen als godinnen der rede fungeerden. Welk
een toestand!

Intusschen bleef de valbijl haar werk verrichten; den 11en November
viel het hoofd van den edelen Bailly; den 15en ontving de Conventie
van Fouché en Collot d'Herbois uit Lyon een brief, waarin zij pochten
op de door hen gehouden strafoefeningen en een uit Rouen, meldende,
dat de oud-minister Roland zelfmoord had gepleegd. Enkele dagen
tevoren was diens jonge vrouw te Parijs onthoofd, welk lot weldra
ook prinses Elisabeth, zuster des konings, onderging.

Al die onschuldig gevallen hoofden, die gruwelijke dwingelandij waren
ten slotte oorzaak, dat in den boezem der Conventie en zelfs onder
de leiders ontevredenheid ontstond. Had Robespierre zich al verzet
tegen de anarchistische neigingen van Hébert, die vooral in zijn blad
"Le Père Duchesne" door Camille Desmoulins "een der riolen van Parijs"
genoemd, hun uiting vonden, hij werd hierin gesteund door Danton en
Camille Desmoulins, die steeds op meer gematigdheid aandrongen en aan
het schrikbewind een einde wilden zien. Van dit laatste was Robespierre
volstrekt niet gediend en nadat eerst Hébert ten val was gebracht,
boetten weldra Danton en Camille Desmoulins onder de valbijl voor hun
"onzuivere beginselen als republikein en hun gematigdheid."

Thans stond Robespierre alleen, gesteund door zijn trawanten als
St. Just en Couthon. Doodsangst heerschte alom. Niemand zag uitkomst.

Toch was deze niet meer zoover af.

Robespierre had den eeredienst vervangen door dien van het Hoogste
Wezen; in Juni (20en Prairial) zou deze in geheel Frankrijk worden
ingewijd. Plechtige feesten moesten hiermede gepaard gaan en de
volksmenner had zich door de Conventie doen aanwijzen om daarbij als
hoogepriester op te treden. Op weg naar het feestterrein stapte de
dictator met een glans van trots en bevredigde ijdelheid op zijn
gezicht een pas of vijftien voor zijn medeleden uit. Dit wekte
reeds den toorn op. Het woord "Tiran!" moest hij hooren.--"Tiran,
er zijn nog Brutussen!" beet Bourdon hem toe. Hij zon op wraak.--Een
paar dagen later diende hij in de Conventie een wet in, waarbij de
Revolutionnaire Rechtbank het recht verkreeg alleen op overtuiging
van de schuld vonnis te vellen, terwijl tegenover samenzweerders de
wet geen verdedigers toeliet. Wel kwam men tegen deze schandelijke
wet in verzet, doch het baatte niet; ze werd aangenomen.

Foucquier Tinville greep deze nieuwe wet terstond aan als een middel
om in de propvolle gevangenissen ruimte te krijgen. Van verhoor was
bijna geen sprake; als het begon, stonden de schavotkarretjes buiten
reeds te wachten op hun vracht, la fournee.

"Hier heb je de winners in de loterij van Sinte
Guillotine!" schreeuwden de kleine nieuwsventers onder de vensters
der gevangenen. Het Avondblad noemden de bewaarders de lijst der
gevangenen, die den volgenden dag zouden worden voorgebracht.

Het aantal doodvonnissen nam op schrikbarende wijze toe, bedroeg
in twee maanden meer dan anders in een jaar. Veilig voelde zich
niemand meer.

Het voortbestaan van het schrikbewind werd door velen overbodig
geacht; niet alleen was er geen vijand meer op de grenzen, maar
Jourdan had bij Fleurus in de Zuidelijke Nederlanden overwonnen;
de opgestane steden waren ten onder gebracht, het vaderland dus niet
meer in gevaar. Waarvoor dan dat bloedige werk van de Revolutionnaire
Rechtbank?

De ellende duurde voort alleen ten genoegen van den machtigen dictator
en zijn aanhang; tot die overtuiging kwam men algemeen, toch duurde
het lang voor de moed er was hem aan te vallen en neer te werpen.

In het comité van algemeene veiligheid beraamde men het plan tot zijn
val; Billaud-Varennes en Collot d' Herbois, leden van het Comité
de Salut Public namen er aan deel. Den 7en Thermidor (25 Juli)
werd in de Nationale Conventie een lang rapport voorgelezen, waarin
men te velde trok tegen hen, die in weerwil van de overwinningen,
nieuwe plannen tot vervolging beraamden. Het was de eerste openlijke
pijl op Robespierre gericht. Deze verscheen den volgenden dag in
de Conventie, verdedigde de genomen maatregelen, beschuldigde zijn
tegenpartij, maar 't succes was niet groot. In zijn club, waar hij 's
avonds zijn redevoering herhaalde, werd hij enthousiast toegejuicht,
Billaud-Varennes en Collot d' Herbois werden echter uitgejouwd en
zelfs buiten de vergadering gezet.

Den 9en Thermidor was de beslissende dag. Als Robespierre de zaal
der Conventie binnentreedt en St.-Just het woord neemt om zijn
verdachtmakingen tegen zijn tegenpartij te beginnen, wordt hij dadelijk
in de rede gevallen. Billaud-Varennes neemt het woord, waarschuwt de
Conventie voor het dreigende gevaar, klaagt Robespierre aan, noemt
zijn medeplichtigen in de Commune en brandmerkt zijn gedrag en zijn
streven naar het oppergezag met bittere vlijmende taal.

Als hij zwijgt zijn alle oogen op Robespierre gericht. Deze vliegt
naar de tribune, maar een dreunend: "Weg met de tiran!" weerklinkt. Aan
het woord laat men hem niet komen. "Het bloed van Danton verstikt je"
bijt men hem toe. Met algemeene stemmen wordt tot gevangenneming van
hem, Couthon en St.-Just besloten. Onder gejuich voeren de gendarmes
hen weg.

Thans werpt de commune het masker af. De gevangenen worden bevrijd
en naar het stadhuis gevoerd, terwijl Henriot het grauw opruit en
zelfs kanonnen tegen de Tuilerieën in batterij doet komen, maar de
kanonniers weigeren vuur te geven.

De Conventie stelt Henriot, Robespierre en de commune buiten de wet,
benoemt Barras tot commandant der nationale garde ter verdediging
van het gouvernement. Het verzet is gebroken en den 10en Thermidor
worden Robespierre, Couthon, St.-Just en een twintigtal aanhangers
geguillotineerd, eenige dagen later door een zeventigtal leden der
commune en twaalf van de de Revolutionnaire Rechtbank gevolgd.

Frankrijk herademde, nu het zich bevrijd voelde van den man, die vriend
en vijand had opgeofferd om zich tot dictator te doen verheffen; men
verpersoonlijkte in hem al het buitensporige van het schrikbewind en
geloofde de Republiek gered, tot rust gebracht door zijn val.

Al was dit overdreven, toch kregen de gematigden onder de
Thermidoristen de leiding in handen. Zij beperkten de groote macht
van het Comité de Salut Public, schaften de beruchte wet van Juni
1794 omtrent het vonnissen af; de commune moest haar gezag aan de
conventie afstaan; de club der Jacobijnen met haar 800 afdeelingen
in de departementen werd gesloten.

Carrier, Fouquier Tinville lieten het leven onder de valbijl, anderen
werden naar Cayenne verbannen. Een laatste poging in Mei 1795 om
het door honger gekwelde gepeupel in oproer te brengen, werd met
kracht onderdrukt.

De voorstad Saint-Anthoine, de bakermat van zooveel ongerechtigheden,
werd toen tevens ontwapend.



Inmiddels hadden de legers der Republiek schitterende bewijzen gegeven
van hetgeen zij onder vaderlandsliefde verstonden. Slecht gekleed en
gevoed, vaak slecht bewapend, hadden ze in de Vendée onder Westerman en
Kléber den opstand in 't begin van 1794 zoo goed als geheel onderdrukt,
Pichegru had na Jourdans overwinning bij Fleurus de Engelschen naar
Holland gedreven en den 20en Januari zelfs Amsterdam bezet. Ook in 't
zuiden aan de Pyreneën en in Italië hadden die jonge, maar energieke
krijgers zich tegenover de Spanjaarden en Piëmonteezen ais helden
gedragen.

Met Pruisen en met Spanje werd eindelijk vrede gesloten (5 April
en 22 Juli 1795). Ten slotte schafte de Conventie de democratische
grondwet van 1793 af--tot uitvoering was zij nog niet gekomen--en
droeg het uitvoerend bewind op aan een Directoire van vijf leden,
de wetgevende macht aan twee raden, dien der Vijfhonderd, welke de
wetten zou voordragen en dien der Ouden, welke ze moest onderzoeken
en er over beslissen. Ter voorkoming van een royalistische meerderheid
had de Conventie bepaald, dat twee derden van haar leden in de nieuwe
vertegenwoordiging zou overgaan. De in groote getale teruggekeerde
royalisten zagen hierdoor hun macht gefnuikt en begonnen een opstand
in de straten van Parijs.

Het was op den voor Bonaparte zoo gedenkwaardigen 13en Vendémiaire.






HOOFDSTUK III.

Bij Toulon en te Parijs.


Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht gecompromitteerd,
doch niet ontmoedigd, richtte Lucien tal van adressen rechtstreeks
aan de Conventie en kreeg daardoor eindelijk een baantje van
twaalf honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-Maximin; hij
begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er door de
volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité gekozen
in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers zonder
proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en
herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon,
terwijl hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de
kroon zette door een huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den
herbergier, bij wien hij inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij,
dat lezen kon noch schrijven, doch dat haar negentienjarigen man met
haar fluweelzachte zwarte oogen en haar ongemeen schrander kopje tot
aan haar dood heeft weten te boeien.

Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte
tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich
zelf staan.

Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels
onder handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg
de vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat
driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.

Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg
van Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica,
die van Toulon zou scheep gaan, doch door een opstand in deze stad
hierin verhinderd, was Jozef in de eerste dagen van September door de
representanten der Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris
van Oorlog 1e klasse op een tractement van zesduizend francs benevens
rations, vrij logies en bureaukosten.

Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor
alle zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een
veiliger verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds
aanmerkelijk verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking
en zij zelve werd door de Conventie van het noodige voorzien.

Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der
familie invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie
van generaal Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke
Toulon was bij Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als
zijn plaatsvervanger. Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren
kennen als inspecteur van de artillerie; het vlugschrift Le Souper de
Beaucaire had voldoende bewezen, dat Napoleon een republikein was in
merg en been en een ander knap artillerieofficier was niet dadelijk
bij de hand.

Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen, Spanjaarden,
Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel nog zoo
goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de
binnenreede moesten beschermen en het fort de l' Eguilette, gelegen op
een kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat
het geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam
man, letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de
representant Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij:
de artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom
ik met drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer
grappig dan uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door
Generaal Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl
op verzoek van Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen
n.l. generaal du Teil, waardoor de zeer onwetende officieren van den
staf werden gedwongen hun aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat
te temperen.

Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding
reeds verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig
tot Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den
19en October werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met
verdubbelde kracht aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van
het bevel hem letterlijk was aangeboren en hoe hij de kunst verstond
zijn minderen door woord en daad voor zich in te nemen. Hoewel hij
den afgevaardigde Gasparin steeds heeft voorgesteld als de man,
die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem met zijn gezag
gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed soldaat er
in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk
gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de
in den krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.

Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een
artillerist naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den
aanzetter uit de hand van den doode en helpt den vuurmond bedienen,
tot hij wordt afgelost; als de Engelsche generaal O'Hara, gouverneur
van Toulon, een uitval beproeft is hij het, die onopgemerkt aan de
spits van een bataljon door de loopgraven nadert en die uitval zoo
krachtig helpt afweren. O'Hara zelf wordt letterlijk tusschen zijn
eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij der Mannen
zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt en
haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen
te kort komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij
zelf het vuur leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn
lijf doodgeschoten en voor de eerste maal werd hij gewond door een
bajonet van een Engelschman.

Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van
Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d'Or op te merken
bij het springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot
voor zich had, met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst
niet deed opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en
nam Napoleon hem tot zijn adjudant.

Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook
Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O'Hara krachtig
had terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil,
zijn onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog:
"Ik kan geen woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te
schetsen. Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is
te vermetel. Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan
U, Minister, de taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek."

Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon
zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der
Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen)
en het arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen,
zeilde weg en liet de bevolking verder aan haar lot over. Toen
de stad was genomen, maakte de afgevaardigde Barras kort recht en
werden vele verdedigers dood geschoten; zoo wilde het de Conventie,
want alle verraders moesten worden uitgeroeid. Wel had de Republiek
een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot in vlammen was
opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon verlatende,
hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands verloren.

Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal
brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen
van Januari 1794 door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen
rang bevestigd en werd hij tevens belast met het bevel over de
artillerie bij het leger van Italië en met de bewapening van de
kust. Twaalf duizend francs tractement met vivres, vrij logies en
emolumenten was een schat van belang. Hij zelf dacht niet eens aan
dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef ondanks dezen
onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve haar
waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar
zoon in 't voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met
de kleintjes gevolgd was.

De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen
de knaap uit angst voor 't geen hij te Lyon gezien had niet had
durven doorreizen naar Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan
de artillerieschool te volgen; zelfs had hij hem benoemd tot zijn
adjudant en hem den luitenantsrang geschonken bij een afdeeling
vrijwillige artillerie, waarover hij had te bevelen.

In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre,
die met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van
Italië was geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had
gezien en thans een door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad
goedgekeurd veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het
succes was groot, maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in
het rapport dienaangaande kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op
Robespierre's voorstel ingegaan, dan had hij toen in de plaats van
Henriot het commando kunnen krijgen over de nationale garde te Parijs,
doch het vooruitzicht chef te worden over een bende halfgewapende,
slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den volbloed soldaat,
niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden en keerde
tegen den zomer naar Nizza terug.

Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn "handigheid
in zaken" en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter
van den in Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet,
die Marie-Julie, jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den
intiemen kring gevat, geestig en--zeer rijk, want 150.000 francs,
haar bruidschat, belegd in nationale goederen, was bij den lagen
koers der assignaten in die dagen een groot fortuin. Op haar beurt
zag de familie Clary een verbintenis met een heer van adellijke
afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet ongaarne;
bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie hoog
stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering
te schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren
reeds gevallen, de gevangenissen met "verdachten" overvol en nog
dagelijks hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak
tienduizenden francs beliepen.

Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid,
dat zoo rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus
1794 werd het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer
dan vroeger als oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en
Pauline altijd aan Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds
Jozef, die ten slotte besliste, terwijl Lucien en Marianne alleen
van hem raad aannamen.

Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de
generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al
stond hij thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk
gaf niet zooveel waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds
zeker was.



Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te
Parijs inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger
beschreven. Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het
rijk van Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan
de tijding doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte,
die zoowel over het Alpenleger als over dat van Italië het toezicht
uitoefenden en Bonaparte toch reeds een kwaad hart toedroegen, of deze
werd beschuldigd van landverraad en op hun last gevangen genomen. Hij
had op intiemen voet verkeerd met de jonge Robespierre en Ricord;
door hen was hij belast geworden met een geheime zending naar Genua
en hier zou hem door den vijand een millioen francs zijn beloofd,
bij elkander genomen, misdaden genoeg om een generaal in die dagen
naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad toen zij de
positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel wat
meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog
zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.

Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling
opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de
waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden;
hij had hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden
niet erkend, geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij
veel van die volstrekt niet onbaatzuchtige representanten een zaak
van groot gewicht en hij was dus in zekeren zin hun persoonlijke
vijand geworden. Toen een ernstig onderzoek zijner papieren tot niets
leidde en hij zich omtrent die bevolen reis naar Genua volkomen had
kunnen verantwoorden, waren de representanten wel verplicht den man
voorloopig weder los te laten, "dien zij na de terechtstelling van
den samenzweerder Robespierre als maatregel van algemeene veiligheid
hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en militaire kennis
in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon wezen."

Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte
blijkbaar spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds
werd hij door Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol
had gespeeld, belast met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar
Corsica, dat nog altijd in Engelsche handen was. Van deze gelegenheid
maakte hij terstond gebruik om Jozef te belasten met de goed betaalde
functie van inspecteur over de hospitalen te Toulon.

De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche
marine waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere,
doch tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam
het bevel de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had
dus een half jaar tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig
verblijf te Marseille bij zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door
een wijziging in de indeeling der legers, die o.a. aan twintig divisie-
en acht en vijftig brigade-generaals de nonactiviteit had gebracht,
was ook hij van zijn commando ontheven en "zijn verdienste en zijn
deugdelijke kennis in aanmerking genomen," als brigadegeneraal
ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling, waartegen de
toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets kon
aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld
onder de bevelen van een ander.

Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen
niet; hij nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als
adjudanten mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader
van Marmont logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen,
tegelijkertijd nog dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de
militaire school van Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van
luitenant der artillerie voor hem machtig kon worden. Eindelijk te
Parijs gekomen, vond hij de toestanden hier geheel gewijzigd.

Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad
onder de uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was
men binnengestormd, bloed had gevloeid en een nieuwe periode van
ellende en doodsangst had gedreigd, maar ten slotte hadden de
gematigden en het goedgezinde deel der burgerij de zege behaald
en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was geweest, dat eene
heftige vervolging was begonnen tegen al wat met Robespierre en de
Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou was benoemd tot
commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het beheer over de
legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der artillerie
Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen van
Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder
toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk
zijn vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was
geweest; reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het
leger in de Vendée was ingedeeld, niet als generaal der artillerie,
doch als commandant eener brigade infanterie.

Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel
tegen de officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie,
gedegradeerd dus! Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn
vroeger commando terug, doch ontving een weigerend antwoord. "Hij
was nog veel te jong voor zulk een positie," zei Aubry, jaloersch op
het succes van zijn wapenbroeder. "Op het slagveld gaat die jeugd
snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf Bonaparte den ander,
die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord; zijn protest hielp
hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te redden zond
Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar meldde zich
tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den zomer
van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef "zijn
eenigen vriend," zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te
bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken
in de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen
vuile laarzen aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange
haar in twee tressen oreilles de chien langs de ooren afhangende, een
echt beeld van armoede en verwaarloozing, sloop hij langs de straten.

Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier
bleek duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: "Aan
het leven hecht ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade;
ik verkeer voortdurend in den zielstoestand van den soldaat aan den
vooravond van een veldslag. Innig overtuigd, dat wanneer de dood om
ons heen waart om aan alles eensklaps een einde te maken, bekommerd
zijn een dwaasheid is, doet alles mij het noodlot trotseeren. Houdt
die toestand aan, dan zal het slot wezen, dat ik voor een naderend
rijtuig niet eens meer uit den weg ga."

Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij
zijn ouden schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen
toestand bracht zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees
weder de gedachte bij hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij
de artillerie van den Grooten Heer, die zijn leger wilde organiseeren
en om officieren had verzocht; dan zou hij niet bij de toen nog zoo
geminachte infanterie [7] behoeven te dienen, want hij zou er als
generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens meenemen,
die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar Marseille
en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.

Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk
trad met Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, "dien gelukkigen
schelm," zooals hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens
verbintenis met Julie had vernomen.

Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch,
hoewel Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn
zin te weinig en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.

Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij
zijn familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen,
wanneer dit noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder
verloren, maar was door zijn vijanden uit wraakzucht, voor 't geen
hij indertijd te Saint-Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet
en liep als zooveel anderen, dus groot gevaar voor zijn leven.

Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet
voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn
invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een
baantje voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook
voor Jozef was hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was
verkeken, poogde Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der
havens van Italië, maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een
post op Chio b. v. was hij niet gediend. Consul op een eiland! Wat was
dat nu voor hem, zoo'n knap, zoo'n groot man, die op Corsica reeds
zooveel hooge betrekkingen had bekleed. Iets beters moest Napoleon
voor hem, het hoofd van het geslacht, dus zien machtig te worden en
nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.

Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels
een plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij
zijn vorderingen en geraakte over, "dien besten, braven, vlijtigen,
goedhartigen" jongen in zijn brieven niet uitgepraat.

Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den
loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij
verlangde naar Parijs! Broer "Napolione" moest daar een kostschool
voor hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen,
want de kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met
de zorg voor zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die
zomerdagen door Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door
Doulcet de Pontécoulant.

Door het lid der Conventie Boissy d' Anglas op Bonaparte gewezen als
op "een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met
kennis van zaken daarover sprak," verzocht Pontécoulant "dien jonkman
met zijn doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk
uiterlijk" bij hem te komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem
bij de afdeeling, belast met het ontwerpen der veldtochtsplannen en
met het toezicht op de operaties te land en ter zee. Deze gelegenheid
om weder aan het werk te komen, greep Bonaparte gretig aan; in de
volgende weken ontwierp hij het plan van aanval op de Oostenrijkers,
dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf uit te voeren
en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de oogen
van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te
plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.

De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen
krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een
spaak in 't wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren
chef van het personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein,
was Bonaparte, die een domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op
zijn plaats kon zetten, volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn
verzoek te voldoen. Daarop nam Bonaparte zijn ontslag van het bureau
en begon nogmaals werk te maken van een detacheering bij het leger
van den Sultan. Ook het Comité de Salut Public had daar wel ooren
naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten erkenden o. a. Jean
Debry. "Eerst behoort het Comité dien opperofficier te beloonen voor
de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan kan er
later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven," zei
hij o. a. bij de beraadslaging over dit punt. [8]

Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte's kansen dus zeer
mooi te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf
schreef hij aan Jozef "dat het besluit reeds zou zijn geteekend en
de datum van het vertrek vastgesteld als er te Parijs bij de partij
der reactie niet zooveel gisting heerschte." Binnen enkele dagen zou
echter alles wel zijn afgeloopen schreef hij verder. Dat die partij de
zege zou wegdragen duchtte hij niet. "De genius der vrijheid verlaat
haar verdedigers niet," schreef hij.

Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche
wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot
levensleer en levensregel had gekozen was vervat in zijn: "In 't
verschiet zie ik alleen liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het
geval niet, is het toch zaak te leven bij den dag. Een man van moed
rekent niet met de toekomst."

Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die
toekomst, in zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een
volslagen omkeer worden gebracht.






HOOFDSTUK IV.

13 Vendémiaire. Joséphine.


Nadat de constitutie van het jaar III met een Directoire van vijf
leden als uitvoerende macht den 22en Augustus 1795 was aangenomen,
moesten de leden van het wetgevend lichaam worden gekozen. Reeds
vleiden zich de royalisten en de emigrés, die in de laatste maanden
bij duizenden in het land teruggekeerd of uit hun schuilhoeken te
voorschijn gekomen waren, dat zij bij die verkiezingen verreweg de
meerderheid zouden hebben, waardoor hun kansen bij een tegenomwenteling
dus aanmerkelijk moesten vermeerderen, toen een decreet der Conventie
besliste, dat de Raad van Vijfhonderd voor twee derden zou bestaan uit
haar vroegere leden. Waren dit dezelfde mannen, die den 10en Augustus
1792 tot den val van het koningschap hun steun hadden verleend en
later over Lodewijk XVI het doodvonnis hadden uitgesproken? Zeker het
waren deze volbloed republikeinen, maar tevens de mannen, die drie
jaar lang tegenover gansch Europa pal hadden gestaan en door bijna
ongeloofelijke bewijzen van volharding en energie Frankrijk van de
vreemde overheersching hadden gered.

De royalisten, de emigrés en de rijke burgerij te Parijs zagen in dit
decreet een terugkeer naar den tijd van la Terreur en de heerschappij
der guillotine. In de meeste verkiezingssectiën te Parijs werd het
dus verworpen, in de departementen echter met overgroote meerderheid
aangenomen. Niettemin besloten de royalisten, van ouds wetende,
dat hetgeen in de hoofdstad geschiedde, in de departementen meestal
navolging vond, een poging te doen om weder op het kussen te komen. Te
Parijs lag slechts een bezetting van enkele duizenden soldaten, zij
hadden de sectiën en wel 40.000 aanhangers achter zich; de kansen
stonden dus mooi. In de sectiën Lepelletier, Luxembourg, le Temple
enz., waar de rijken de meerderheid vormden, werd den 12en Vendémiaire
(4 October) openlijk verzet tegen de Conventie afgekondigd; wapens
werden rondgedeeld en onder de burgerij het gerucht verspreid, dat
de regeering terug wilde naar de dagen van het schrikbewind.

In dezen uitersten nood was voor de Conventie krachtig ingrijpen een
eerste vereischte; generaal Menou, commandant van de troepenmacht
in Parijs, die de opstand niet vermocht te dempen, ja het verzet der
royalisten door zijn slap optreden nog had versterkt, werd gevangen
genomen; Barras kwam in zijn plaats, maar als leider van soldaten
volkomen ongeschikt, nam hij o.a. op raad van Carnot, Bonaparte als
tweede bevelhebber. "De degen eenmaal getrokken, zou niet meer worden
opgestoken voor de orde was hersteld," had Napoleon aan Barras gezegd,
toen hij het commando aannam. En hij hield woord.

Toen in den laten namiddag van den 13en Vendémiaire de opstandelingen
van verschillende zijden oprukten, werden ze zoo krachtig door de
troepen van de Conventie ontvangen, dat het verzet werd gebroken; aan
het beleid van Bonaparte dankte de Conventie haar behoud, want hij,
niet Barras, was de ziel der verdediging geweest.

De Conventie toonde zich niet ondankbaar, tien dagen later benoemde
ze hem tot divisiegeneraal bij de artillerie, nog tien dagen later
tot opperbevelhebber van het leger in het binnenland. Barras was lid
geworden van het Directoire.

Uit was het ineens met de plannen om naar Turkije te gaan. In drie
weken tijd had Bonaparte een standpunt bereikt, zoo hoog, dat de
invloed der bureaux van Oorlog hem niet meer kon schaden; weder "kon
hij dienen en nuttig zijn." Een zee van werk wachtte hem, want alleen
de reorganisatie der nationale garde--honderd en vier bataljons--was
een reuzentaak; hier tegen zag hij niet op. De legermacht te Parijs
bracht hij samen in één kamp. De oud-militairen, die hem den 13en
Vendémiaire vrijwillig hun hulp hadden aangeboden vereenigde hij
tot een korps; voor het Directoire en de beide Raden schiep hij een
lijfwacht en bracht aldus binnen enkele maanden in en om de hoofdstad
een macht bijeen, groot genoeg om het gepeupel in bedwang te houden,
dat honger leed, de waarde van het papieren geld met den dag zag
verminderen en dus weinig aanmoediging noodig had om tot oproer over
te slaan. Die militaire macht diende tevens om de Jacobijnen ontzag in
te boezemen, die zich hadden vereenigd onder den naam van de Club van
't Panthéon en opnieuw den kop begonnen op te steken.

Ook op zijn moreele leven deed deze reusachtige omkeer in zijn lot
terstond zijn invloed gevoelen. Hij leefde letterlijk geheel op; het
armoedige vertrekje in een klein logement, dat hem zoolang tot woning
had gediend, verwisselde hij met een ruim hotel op den boulevard,
hij schafte zich paard en rijtuig aan, huurde een loge in de comedie
en liet zich een nieuwe uniform maken, stellig geen weelde, want
de tegenwoordige was tot op den draad versleten. Tevens begon hij
voor zijn moeder te zorgen, zond haar eenige duizenden baar geld en
assignaten en herhaalde die zendingen geregeld iedere maand. "Mama
is van alles overvloedig voorzien; ik heb haar zestig duizend francs
doen toekomen" kon hij in Januari 1796 aan Jozef melden. Ondanks al
zijn werk bleef hij ook voortdurend vervuld met het lot en de belangen
van zijn broers. Louis heeft hij terstond een luitenantsbrevet doen
geven en hem opgenomen in zijn staf. Lucien, die armoede geleden en
gevangen gezeten had, bezorgde hij een betrekking als Commissaris
van Oorlog bij het leger van het Noorden.

Veel eer legde hij hiermee echter niet in, want Lucien vond het
leven te Parijs, waar hij nu op kosten van broer Napoleon mocht
rondscharrelen, zoo heerlijk, dat hij eerst in Februari 1796 afreisde
naar Gorinchem. Reeds in die dagen bleek, dat de man voor geregelden,
gezetten arbeid alle lust en geschiktheid ontbrak; op de tribune
disputeeren met de Jacobijnen en royalisten ging hem beter af, maar
tucht en plichtsgevoel waren hem onbekend.

Eindelijk werd de toekomst van Jozef, zijn boezemvriend, den broeder
"wiens afwezigheid hij dagelijks sterker gevoelde" een voorwerp van
zijn zorg. Jozef verveelde zich te Genua en wilde consul worden; ook
wilde hij deelnemen aan de uitrusting van twee kaperschepen. "Kom
naar Parijs; hier staan tafel en bed, paard en rijtuig tot je
beschikking. Ik mis je bijzijn in zoo hoog mate" schreef Napoleon
hem. Ook Jérôme vergat hij niet, maar plaatste hem te Parijs voor
zijn rekening op een kostschool. Naar waarheid mocht hij dus aan Jozef
schrijven, dat hij niet meer kon doen, dan hij voor allen deed, want
na zijn naaste familie kwamen de neefjes en verdere bloedverwanten
als oom Fesch, Ramolino en anderen aan de beurt.

Of de op deze wijze door hem bevoordeelden hem erkentelijk waren? Wel
neen! Volgens de Corsicaansche begrippen deed hij hiermede slechts
zijn plicht tegenover den clan. Het geluk had hem gediend; nu had hij
ook te zorgen, dat zijn gansche geslacht hierin deelde. Of de leden
hiervan eenige geschiktheid bezaten voor de betrekkingen, waartoe ze
door dit begrip van nepotisme werden geroepen, werd niet gevraagd. Had
Bonaparte, keizer geworden, aan het verlangen van den clan en in de
eerste plaats van zijn moeder voldaan, dan had hij niet alleen Corsica
maar gansch Frankrijk aan zijn bloedverwanten ten prooi gegeven om het
naar hartelust te exploiteeren en voor eigen voordeel te gebruiken,
doch aan dezen drang heeft hij echter niet toegegeven; hij heeft
Frankrijk tegen dezen inval behoed en hierdoor alleen reeds den dank
der natie verdiend, maar de Corsicanen hebben hem deze tekortkoming
tegenover hen nooit vergeven.

Dit vooropgesteld, zal men zich eenig begrip kunnen vormen van de
toornige verbazing in den ganschen clan, toen de tijding kwam, dat
Napoleon den 9en Maart 1796, zonder eenig lid der familie hierin te
kennen, was gehuwd met een dame uit de Parijsche groote wereld, met
de weduwe van den in 1794 onthoofden burggraaf de Beauharnais, een
vrouw, die reeds twee groote kinderen had, die, al werd het tegendeel
beweerd, geen fortuin bezat en op wier zedelijk gedrag heel wat viel
af te dingen. Moeder Laetitia was verontwaardigd, dat haar toestemming
niet was gevraagd; de zusters werden terstond in hooge mate afgunstig
op een schoonzuster, die burggravin was, die heel andere manieren
had dan zij en die haar met haar mooie, rijke toiletten stellig zou
overschaduwen; en de broers, doch vooral Lucien, die haar te Parijs
een paar maal had gezien en haar een "oude vrouw" noemde, begonnen
terstond tegenover haar voet te geven aan een vijandige gezindheid,
welke haar oorsprong vond in minachting en jaloezie, die slechts
zelden uitkwam door een daad, doch die Joséphine niettemin bijna
tot aan haar dood heeft vervolgd. Door het huwelijk met hun broer,
had zij hen volgens Corsicaansche begrippen, in hun rechten op diens
fortuin te kort gedaan; dit kon haar niet worden vergeven.

Hoe Bonaparte tot zulk een vrijwel onberaden echtverbintenis was
gekomen?

Als zooveel andere mannen van zijn leeftijd had hij vroeger reeds
trouwplannen gekoesterd; we zagen, hoe hij Désirée Clary het hof had
gemaakt, maar tot een huwelijk was het niet gekomen. Zijn verblijf te
Parijs na Mei 1795 had in zijn denken en doen een geduchte verandering
gebracht. Een brief van 7 Juli van dat jaar aan Jozef, voor wien hij
geen geheimen had, getuigt van den diepen indruk door die oplevende,
genotzoekende groote stad teweeggebracht op hem, den grasgroenen
provinciaal, die tot nog toe meer bij een bivakvuur dan naast een
salonhaard gezeten had en armoedig en gestreng republikeinsch was
opgevoed.

"Weelde, genotzucht en kunst herleven verbazend snel," schreef
hij. "Een Louis d'or geldt hier 750 francs in papier. Gisteren werd
Phèdre opgevoerd ten bate eener voormalige actrice; driedubbele
prijzen werden gevraagd, toch was de zaal stampvol. Equipages,
mooie toiletten bij de vleet, alsof ze nooit waren weg geweest. Al
wat afleiding en genot kan verschaffen is hier bijeen. In de comedie,
op de wandelingen, in de bibliotheken, overal ziet men vrouwen. Dit is
de eenige plaats ter wereld, waar deze verdienen het roer in handen
te hebben. De mannen zijn dan ook op haar verzot, denken alleen aan
haar, leven alleen voor en door haar. Zes maanden hier en een vrouw
weet precies wat men haar verschuldigd, hoe groot haar macht is."

In September had hij de kleine, bescheiden Désirée nog niet vergeten
en verzocht hij Jozef zelfs, hem een beslissend antwoord te zenden op
zijn vraag of zij hem genegen was. Dit antwoord liet zich wachten. De
13en Vendémiaire bracht den halfvergeten veroveraar van Toulon met
één ruk op den voorgrond. Al de salons stonden eensklaps wagenwijd
voor hem open en bij de beeldschoone mevrouw Tallien, de zeer intieme
vriendin van Barras, maakte hij voor de eerste maal wat nader kennis
met Joséphine de Beauharnais. Tot nu toe had hij haar slechts uit de
verte gezien. Verblindend, overweldigend was de indruk, door haar,
de dame uit de groote wereld, op zijn hart en zijn zinnen gemaakt
en het duurde niet lang of hij verzocht haar een bezoek te mogen
brengen. De omvang zijner dagelijksche bezigheden schijnt hem echter
belet te hebben die bezoeken dikwijls te herhalen, want den 28en
October schreef zij hem:


    "Gij komt niet meer bij een vriendin, die u zeer genegen is;
    hebt gij haar vergeten? Dit is niet lief van u, want zij
    bemint u.--Kom morgen bij mij dejeuneeren; ik moet eens met
    u praten over uw belangen. Bonsoir mijn vriend. Ik omhels u.

    Weduwe Beauharnais."


Bonaparte kwam; weldra bestond tusschen beiden een intieme verhouding,
in die dagen volstrekt niets vreemds in die kringen. Joséphine had
toen reeds een veel bewogen leven achter zich. Geboren op Martinique,
creoolsche van afkomst, was mejuffrouw Tascher de la Pagerie op
zestienjarigen leeftijd gehuwd met de Beauharnais.

In 1779 had deze haar meegenomen naar Parijs, haar bedrogen en
verlaten, al bestond daarvoor geen enkele reden en zich eerst in
de dagen der revolutie met haar verzoend. Aan het hof was zij nooit
toegelaten. Een korte poos, toen de generaal voorzitter was van de
Constituante en daarna opperbevelhebber van het Rijnleger, was zij
te Parijs gelukkig geweest, had ze een salon gehad en gasten ontvangen.

Het schrikbewind had aan al dit fraais met één slag een einde gemaakt;
de Beauharnais was gevangen genomen en onthoofd; zij zelve in den
kerker geworpen. Hier had zij kennis gemaakt met Thérèse de Fontenay,
een dame, die den afgevaardigde Tallien in haar netten had gevangen,
die dezen gewetenloozen republikein haar hand had beloofd, als hij
haar de vrijheid wist terug te bezorgen. Zij had Joséphine's bevrijding
eveneens bewerkt.

Dus als door een wonder ontkomen aan den dood op het schavot, zoo
goed als geruïneerd, zonder vooruitzichten, was Joséphine met haar
twee kinderen, gesteund door enkele vriendinnen en door enkele heeren,
met wie zij in de gevangenis had kennis gemaakt, een leven begonnen,
dat haar goeden naam schade deed. Door geld te leenen en rechts en
links schulden te maken, vond zij de middelen om tijdelijk een eigen
staat te voeren, rijtuig te houden en in de rue Chantereine, aan
't einde der stad, een klein hotel te huren, dat weinig meer dan
een drietal bruikbare kamers en een stal bevatte. Met zijn sofa's
en in alle hoeken verspreide mahonie- en citroenhouten tafeltjes
met marmeren bladen en verguld koperen versiersels, maakte 't geheel
voor een leek toch eenige vertooning. Een paar groote glazen kasten
met verzilverd eetservies,--van echt zilver waren slechts een dozijn
lepels en vorken voorhanden--werkten hiertoe mede.

Ook in Joséphine's linnenkast heerschte geen weelde. Wel
zestien japonnen benevens eenige shawls, doch bijster weinig
ondergoed--b.v. slechts zes rokken--was er in te vinden. Aan het
uiterlijk was blijkbaar alles opgeofferd.

Van die vergulde armoede had Bonaparte, op dit gebied zelf volstrekt
niet verwend, bij zijn eerste bezoek echter niets bespeurd; hij had
slechts oogen gehad voor de dame, die hem ontving, die een stem had
als muziek, de mooiste kleine handjes en voetjes, welke hij nog ooit
had gezien en wier fluweelzachte oogen met lange, gebogen wimpers,
guitig uitdagend wipneusje en glimlachend lief mondje met een licht
gepoederde blonde pruik,--de mode dier dagen--een allervriendelijkst
geheel vormden.

Dat haar tanden toen reeds veel hadden geleden, dat poeder en
blanketsel reeds te hulp waren geroepen om de eerste sporen van
verval te verbergen, zag hij niet; dat Hortense, het veertienjarige
dochtertje, bij madame Campan op kostschool, haar "engelachtig
moedertje" de hoogst enkele maal, dat deze haar kwam bezoeken, om
die reden alleen onder de kin een zoentje mocht geven, wist hij niet;
hij zag slechts háár. Désirée Clary was vergeten; aan mevrouw Permon,
die weduwe geworden en daarop zonder succes door hem ten huwelijk
was gevraagd, dacht hij niet meer; dat Joséphine zes jaar ouder was
dan hij, wilde hij niet weten; dat Ségur, de Caulaincourt en andere
heeren van "het oude hof" bijzonder vertrouwelijk met haar omgingen,
doch zich nooit met hun vrouw bij haar vertoonden, zag hij niet en
evenmin deerde het den verliefden man, dat zij Tallien en Barras onder
haar allerintiemste kennissen telde. De liefde, die zoo dikwijls spot
met vormen en zedelijkheid, ja met alles, had zijn jong zuidelijk
bloed aan 't gisten gebracht. Van nu af zou ondanks alles, jaren lang
slechts één vrouw ter wereld voor hem bestaan, zijn Joséphine.

"Ze waren "doodelijk" van elkander," schreef een tijdgenoot,
die het weten kòn. Doch wist hij het wel?--Op Bonaparte was dat
"doodelijk" in den ruimsten zin des woords toepasselijk; alleen in
haar nabijheid voelde hij zich gelukkig. Bij haar was het effect,
door zijn onstuimigen blinden hartstocht op haar creoolsche
natuur aanvankelijk teweeggebracht, weldra sterk verminderd en
door verzadiging gevolgd. Toen hij haar in 't begin van 1796 ten
huwelijk vroeg, was zijn persoon haar zelfs tamelijk onverschillig
geworden. Toch nam zij zijn aanzoek aan, zoogenaamd omdat zij haar
kinderen, om wie zij zich echter nooit veel had bekreund, hierdoor een
tweeden vader schonk, maar feitelijk omdat haar geldmiddelen zoo goed
als uitgeput waren, haar jeugd haar verliet, de kans op beter dus zeer
gering voor haar werd en mevrouw Tallien en Barras haar verzekerden,
dat hij weldra in Italië opperbevelhebber zou worden en zij, mocht
hij komen te vallen, in elk geval pensioen kreeg, en eindelijk omdat
zij, evenals bijna al de vrouwen uit dien tijd, bijgeloovig was en
haar indertijd op Martinique door een oude negerin was voorspeld, dat
zij nog eenmaal een kroon dragen zou. Beviel het huwelijk haar niet,
dan was echtscheiding bovendien altijd een eenvoudig middel om een
band te verbreken, waaraan de geestelijke wijding toch ontbrak. Zij
nam dus zijn aanzoek aan. Den 8en Maart 1796 werd een contract
geteekend, waarbij o.a. alle gemeenschap van goederen tusschen
beiden was uitgesloten; Joséphine bleef voogdes over haar kinderen
en Bonaparte bracht, zooals de notaris Raguideau terecht opmerkte,
niets mede ten huwelijk dan "mantel en degen."

Met Barras, Tallien, Lemarrois, een adjudant van Bonaparte en Calmelet,
Joséphine's zaakwaarnemer als eenige getuigen, werd de echtverbintenis
den 9en zonder eenig uiterlijk vertoon gesloten. Twee dagen later
reeds was Bonaparte als opperbevelhebber op weg naar het leger van
Italië. Barras had goed gezien; het Directoire had den jeugdigen
generaal het veldtochtsplan ter uitvoering gegeven, dat deze het jaar
te voren bij het departement van Oorlog zelf had ontworpen en dat
Scherer als het werk van een gek had verklaard en als te dolzinnig
en te vermetel niet had aangedurfd. Joséphine bleef achter in het
hotel van de rue Chantereine, deed voorloopig geen afstand van haar
vroegeren naam en bleef dus "de weduwe Beauharnais" bracht ook in
haar levenswijze, haar pretjes en haar gewoonten geen verandering
en gunde zich vaak niet eens den tijd om de van liefde en hartstocht
gloeiende epistels te lezen, die haar man, al had hij 't nog zoo druk,
bijna dagelijks met iederen koerier toezond. Eén uit velen vinde hier
een plaats:


    "Als ik op 't punt sta mijn bestaan te verwenschen, breng
    ik de hand naar mijn hart; daar rust je portret. Ik bekijk
    het en de liefde is voor mij het volmaakte geluk; alles lacht
    mij toe behalve de tijd, dien ik doorbreng buiten het bijzijn
    van mijn hartsvriendin."


Met die beeltenis voor zich deed hij iederen avond zijn gebed; toen
het glas er van brak, was hij de wanhoop nabij.






HOOFDSTUK V.

De Veldtocht in Italië. 1796.


Niet zonder grond hadden de hem vijandig gezinde Parijsche blaadjes
bij zijn vertrek den draak gestoken met zijn nieuw commando, want het
leger van nog geen veertig duizend man, dat hij te Nizza gekomen,
met het front naar het Noorden tusschen de Var en de Apennijnen
vond staan, geleek meer op een bende in lompen gehulde uitgehongerde
landslieden met stukken boomschors tot schoeisel, dan op een geregelden
soldatentroep. De paarden waren tot geraamten afgevallen; soldij was
in maanden niet uitbetaald; vivres waren in even zooveel tijd niet
verstrekt. Van roof en plundering werd geleefd. Kort na zijn komst
schreef hij dus terecht aan het Directoire: "De soldaat zonder voedsel
komt tot uitbarstingen van woede, die iemand doen blozen mensch te
heeten. De inname van Ceva en Mondovi kan in de behoefte voorzien
en ik zal vreeswekkende voorbeelden stellen. Tot orde en krijgstucht
zal ik die struikroovers dwingen, of ik leg het bevel er over neder."

Een leger van vijftigduizend man had hij gevraagd; geen enkelen
soldaat had men hem toegezonden; zoo schraal was zijn krijgskas
voorzien, dat hij de generaals bij zijn komst ieder slechts tachtig
francs in goud kon ter hand stellen in mindering op hun achterstallig
tractement. Hij zelf door de grenadiers vóór zijn komst spottend
"Generaal Vendémiaire" genoemd, genoot niet het minste vertrouwen;
bijna niemand kende hem. Toch aarzelde hij geen seconde.

Nog geen uur was hij in zijn hoofdkwartier of hij had de
sterktestaten ter hand genomen, den kolonel Berthier, een werkkracht
bij uitnemendheid, tot zijn chef van den staf benoemd en zich op de
hoogte gesteld van den toestand.

Als divisie-generaals had hij Massena, een Italiaan, ongeletterd
maar schrander, vindingrijk in 't gevaar en ongelooflijk taai
en volhardend, den reusachtigen Augereau, een Parijzenaar uit de
voorsteden, vroeger onderofficier-schermmeester, dapper als staal en
zeer gezien bij den troep, voorts Laharpe, een Zwitser van den goeden
stempel en Serurier, een voormalig majoor van het koninklijke leger,
Steingel een Elzasser van geboorte en volgens Napoleon een uitmuntende
voorhoede-generaal. Het vertrouwen te winnen zijner onderbevelhebbers
en de liefde zijner krijgers was voor hem thans een eerste vereischte;
hij wist dat hem hiertoe slechts één middel ten dienste stond,
den vijand aan te grijpen en te verslaan. Terstond gaf hij hiertoe
bevelen. Te Albenga sprak hij de officieren toe, deed een beroep op
hun moed en plichtsgevoel en wees hun op het land aan de overzijde
van de Apennijnen, waar ze ruimschoots zouden beloond worden voor
hetgeen ze tot nu toe hadden ontbeerd.

Reeds kort na aankomst te Nizza had hij zijn soldaten gezegd; "Gij
hebt reeds genoeg ellende doorstaan; ik zal er een einde aan maken,"
en wijzende in de richting Piëmont, "daar zullen we brood, magazijnen,
kleederen, artillerie, paarden en geld voor belooning ontvangen. Weg
met alle hindernissen tusschen ons en den vijand; met de bajonet moet
ge hem altijd op 't lijf vallen."

Door deze kernachtige woorden won hij het vertrouwen zijner soldaten
en had hij bij hen het pleit reeds gewonnen. De uitbetaling van een
deel der achterstallige soldij deed de rest.

Reeds den 5en April stond hij bij Albenga, tachtig kilometer ten oosten
van Nizza; in dien zelfden tijd hadden de Sardiniërs, ongeveer vijf
en twintig duizend man sterk, onder Colli bij Ceva in 't gebergte,
een sterkte ingenomen op den rechter vleugel van Beaulieu. Deze was
met een circa tweemaal zoo sterke macht door Lombardije gemarcheerd
naar Genua om hier gemeenschap te zoeken met de Engelsche vloot en op
te treden tegen de Franschen aan de Var. Een deel zijner macht stond
bij Dego, ten noorden van de Alpen, zijn centrum onder d'Argenteau
hield bij Montenotte de hoogste toppen bezet; zijn linkervleugel,
evenals de andere afdeelingen front makende naar het westen, was
Genua gepasseerd en tusschen de bergen en de zee opgesteld. Viel
Bonaparte, die oprukte in de richting van deze stad, hem nu aan, dan
kon d'Argenteau, rekende hij, uit het gebergte komende, de Franschen
bij Savona in de linkerflank vallen en in zee werpen.

Den 11en April stiet Beaulieu inderdaad op Laharpe, die de Fransche
voorhoede commandeerde, en wierp hem terug, doch in den daarop
volgenden nacht gaf Bonaparte, door het onverzettelijk standhouden
van den kolonel Rampon bij Montenotte hierin ridderlijk gesteund,
uitvoering aan het plan, dat hij had ontworpen. Terwijl hij zijn
voorposten tegenover Beaulieu liet staan, zond hij de divisie Laharpe,
door Augereau als reserve gevolgd, naar Montenotte, Massena langs
een omweg door 't gebergte in d'Argenteau's rug, greep hem aan,
sloeg hem met zwaar verlies terug naar Dego, en bereikte het dal van
de Bormida nog denzelfden dag; hier stond hij nu midden tusschen de
bondgenooten in, links van hem de Sardiniërs, die de bergpassen van
Millesimo bezet hielden en Turijn dekten, rechts slechts enkele in
het gebergte verspreide, zwakke Oostenrijksche afdeelingen, en vóór
hem Dego. Zijn vermetel plan was met succes bekroond en het centrum
zijner tegenpartij doorgebroken.

De drie volgende dagen vochten Bonaparte's bandieten als helden. "De
zege of de dood!" hebben zij in hun vanen geschreven; den 15en April
volgt de beslissing. Half vernietigd vlucht het Oostenrijksche leger
naar Milaan; de Sardiniërs hebben de passen van Millesimo verloren en
gaan op Ceva en Mondovi terug. Italië staat voor Bonaparte open. Zijn
soldaten hebben het volste vertrouwen in hem gekregen; één blik uit
zijn adelaarsoog is voldoende om hem blindelings te doen gehoorzamen;
zijn generaals hebben hem leeren kennen, vol aandacht en bewondering
luisteren zij reeds naar zijn korte, zaakkundige bevelen.

Eén rustdag slechts, eerlijk verdiend, dan vangt de marsch aan naar
Ceva, de Sardiniërs achterna. Als de toppen van de Monte Zemoto
zijn bereikt kunnen de krijgers de heerlijke vlakten van Piëmont en
Lombardije aanschouwen; de Tanaro, de Stura en de Po, hun wateren
stuwende naar de Adriatische Zee, liggen aan hun voet; de met sneeuw
en ijs gepantserde Alpenreuzen vormen den achtergrond.

De grens van "Het beloofde land," zooals hun chef het had geheeten,
is bereikt!

"Hannibal trok vóór eeuwen de Alpen over; wij trekken er om heen,"
riep hij zelf bewogen uit. Acht dagen later is Cherasco bereikt. Victor
Amadeus, den koning van Sardinië, sloeg de schrik om 't hart; ondanks
de vertoogen van den Oostenrijkschen en den Britschen gezant sloot
hij den 28en April een wapenstilstand. Bonaparte kreeg hierdoor de
beschikking over de rijke magazijnen van Ceva, werd meester over de
wegen door Piëmont, zag den afstand tusschen Parijs en de oevers van
de Po aanmerkelijk verkort en kreeg de zekerheid, dat hij geen vijand
in zijn rug achterliet. Als een handig staatsman had hij hiertoe bij
den koning de kans laten doorschemeren op vergrooting van grondgebied
in Lombardije, zoodra Oostenrijk zou zijn bedwongen.

Reeds voelde hij zich zeer sterk. Aan het Directoire, dat een
wapenstilstand moest bekrachtigen, schreef hij: "In het stellen der
vredesvoorwaarden zijt gij geheel vrij; de voornaamste vestingen zijn
in mijn handen."

Ook aan Joséphine schreef hij weder. Junot, die een deel der veroverde
zegeteekenen naar Parijs brengen zou, had den brief bij zich. "Kom
spoedig. Talm je, dan vindt ge mij ziek. Al die vermoeienissen en je
afwezigheid zijn te veel op eens."--'t Was waar; de koorts verteerde
hem; een hardnekkige hoest kwelde hem dag en nacht.--"Maar je komt,
niet waar? Je zult hier bij mij wezen, in mijn armen, aan mijn
hart. Kom, o, kom!"

Maar Joséphine kwam niet. Zij vond het veel te prettig om aan den
arm van Junot gevierd te worden als de echtgenoote van den beroemden
burger-generaal en zoowel met dien knappen huzarenofficier als met den
kolonel Joachim Murat, die op last van Bonaparte eveneens tropeeën
was komen dragen naar het Directoire, te coquetteeren. Napoleons
hartstochtelijke brieven lieten haar koud; slechts nu en dan
beantwoordde zij die met een kattebelletje. Zelfs de beleefde vertoogen
van Jozef, door Bonaparte met vertrouwelijke dépêches uit Genua naar
Parijs gezonden, baatten niet; eerst wendde mevrouw ziekte voor,
daarna een begin van zwangerschap.

"Wat een grappige vent toch, die Bonaparte," mompelde zij bij
de ontvangst van zijn hierop gevolgd schrijven met liefdevolle
verontschuldigingen over zijn grenzenloos verlangen naar haar.

Inmiddels zette de generaal, in stilte zielsongelukkig zijn zegetocht
door Lombardije voort, trok bij Piacenza in plaats van bij Valence,
zooals de vijand verwacht had, de Po over, dwong den hertog van
Parma den 9en Mei tot een wapenstilstand en het betalen van een paar
millioen francs oorlogsschatting en greep Beaulieu, die naar de Adda
was geweken, den daarop volgenden dag bij Lodi aan. Hier bestormde
hij aan de spits zijner grenadiers de eenige hierover de Adda voerende
brug, verwierf zich door dit bijna ongeëvenaarde heldenfeit bij zijn
krijgers den eerenaam van le petit Caporal en trok vijf dagen later
door de juichende, opgewonden bevolking omgeven, het te zijner eere
versierde Milaan binnen. In zeventien dagen tijd had hij Lombardije
veroverd. Hij was letterlijk de afgod zijner soldaten geworden en
zelfs die enkele oudere generaals als Serurier en Kilmaine, die in
stilte tegen hem oppositie voerden, hadden eerbied gekregen voor
de overweldigende kracht der feiten, voor de macht van zijn wil. In
weerwil van dit succes had het weinig gescheeld, of het ministerie
van oorlog had door een onhandigen zet alles weer bedorven.

Den 14en Mei had Bonaparte te Lodi bericht ontvangen, dat, zoodra het
Alpenleger Italië was binnengerukt, hij het commando met Kellerman zou
moeten deelen. Deze zou dan ten noorden van de Po, hij zelf tegenover
Rome en Napels optreden.

"Dan leg ik het opperbevel neder," antwoordde hij terstond. "Ik heb
den veldtocht gevoerd zonder iemand raad te vragen. Had ik mij naar de
inzichten van een ander moeten voegen, dan was er niets van terecht
gekomen... Ieder heeft zijn eigen wijze van oorlog voeren. Generaal
Kellerman heeft meer ervaring dan ik, en zal het beter doen dan
ik. Samen brengen wij niets goeds voor den dag. Trouwens acht ik één
slechten generaal beter dan twee goede. Evenals regeeren is oorlog
voeren een quaestie van tact. In afwachting van nadere bevelen ruk
ik naar de Mincio."

Carnot liet zich dit gezegd zijn en trok de order in. Hierop had
Bonaparte inmiddels niet eens gewacht, want, zooals hij in zijn
proclamatie van den 20en aan de troepen had gezegd: "Veel was er wel
reeds gedaan doch nog lang niet genoeg. Van Lombardije mocht geen
Capua worden gemaakt. Geforceerde marschen moesten nog afgelegd,
nieuwe lauweren geplukt en Rome gestraft worden, omdat het Fransche
gezanten lafhartig had laten vermoorden."

De bevolking kon echter gerust zijn, had hij hierop doen volgen. Tegen
haar voerde de Republiek geen oorlog; integendeel. Maar het Romeinsche
volk, dat zooveel eeuwen lang in slavenketenen had gezucht, moest
wakker geschud.--Reeds den 19en waren de bevelen tot den afmarsch naar
de Mincio dus gegeven, achter welke rivier Beaulieu zijn macht tusschen
Peschiera en Mantua in verschillende detachementen had opgesteld. Eerst
werd nog te Milaan, daarna te Pavia een opstand onderdrukt, door het
landvolk onder leiding van eenige fanatieke geestelijken begonnen,--om
een voorbeeld te stellen gaf Bonaparte laatstgenoemde stad drie uur
lang ter plundering over aan zijn soldaten,--en den 30en Mei stonden
de twee partijen bij Borghetto weder tegenover elkander en hieuwen
de nieuwgevormde Fransche escadrons, door Murat zelf aangevoerd,
zoo krachtig in op de Oostenrijksche cavalerie, dat deze moest wijken.

Om de veiligheid van zijn eigen persoon had Bonaparte zich tot
heden weinig bekreund; dit veranderde echter, nu hij, bij het einde
van dit gevecht in een gehucht afgestegen, den vijand bijna in
handen was gevallen en zich alleen door een snelle vlucht had kunnen
redden. Onder toezicht van zijn vriend de Bessières, een even bedaard
als onverschrokken cavalerie-officier, werd een escadron Guides
gevormd, de kern van de later opgerichte Escadrons van Dienst. Van
dezen uitgelezen ruitertroep, dien Napoleon slechts zelden uit de
hand gaf, telde iedere man minstens tien jaar dienst.

Beaulieu's zwakke positie achter de Mincio bij Borghetto door
midden brekende, wendde Bonaparte zich daarop naar Peschiera, dat op
Venetiaansch grondgebied aan het Gardameer was gelegen, om hier met
Beaulieu's achterhoede op haar terugtocht naar Tyrol af te rekenen en
hem zelf het ontkomen in die richting te beletten. De grijze, reeds
ruim zeventigjarige generaal wachtte hem echter niet af, doch liet
bezetting achter in de sterke vesting Mantua, gelegen op een eiland
in de Mincio, en zocht door een nachtmarsch achter de Etsch een goed
heenkomen. Den 1en Juni kon Bonaparte dus uit zijn hoofdkwartier
Peschiera schrijven "dat de vijand geheel uit Boven-Italië was
verdreven, en dat zijn eigen voorposten stonden op de bergen van
Duitschland." Dank zij de marschvaardigheid zijner infanterie,
die enkele malen acht en veertig kilometers afstand achtereen had
afgelegd, had hij dit succes binnen acht dagen na zijn vertrek van
de Adda behaald.

Versterkt door detachementen van het leger der Alpen gaf hij zijn
macht thans een andere indeeling; Massena kreeg met 18000 man last de
noordelijke toegangen aan weerszijden van het Gardameer af te sluiten
met drie reserves, een in een kamp tusschen dit meer en de Etsch,
een bij Verona en een bij Peschiera. Dan konden de Oostenrijkers
gerust nogmaals komen opdagen. Serurier zou met 5000 man Mantua
insluiten; een korps van ruim het dubbele dezer sterkte, waaronder
de divisie Augereau behield Bonaparte zelf bij zich bij Roverbello,
terwijl circa 9000 man in Lombardije's vestingen garnizoen hielden,
o. a. te Milaan, welks citadel nog in 's vijands handen was.

Den 3en Juni had Massena Verona, dat aan Venetië behoorde, bezet
en had Bonaparte zijn hoofddoel, het bezetten van de Etschlinie
bereikt. Achter deze ondoorwaadbare rivier met haar veelal steile
oevers en met Verona en Legnano er voor, kon hij de loop der dingen
afwachten; hier was hij meester over Boven-Italië, kon over Venetië,
dat een zeer dubbelzinnige rol begon te spelen, een wakend oog houden
en nu ook het zielsverlangen van het Directoire bevredigen en Rome
dus een les geven, die het zou heugen.

De koning van Napels, ook het dreigende gevaar inziende, haastte
zich een wapenstilstand te sluiten, die Bonaparte zeer van pas kwam,
want het Oostenrijksche leger werd hierdoor terstond met bijna 3000
Napolitaansche ruiters verzwakt. De marsch van de divisie Augereau
naar de legatiën werd dus niet gestoord; den 19en Juni werd Bologna
bezet. Ferrara door den kardinaal-legaat verdedigd, werd door Bonaparte
zelf genomen, en reeds den 23en Juni was alle verzet gebroken, en
was paus Pius VI verheugd, dat hij een wapenstilstand mocht sluiten,
mits hij een gezant naar Parijs zond om te onderhandelen over een
definitieven vrede. De voorwaarden, hem gesteld, waren echter niet
malsch.--Hij zou nu ondervinden, dat men over de Fransche Republiek
niet straffeloos den banvloek uitsprak, den kruistocht tegen haar
predikte en haar gezanten binnen Rome's muren liet vermoorden. De
legatiën Bologna en Ferrara bleven in Fransche handen; Ancona kreeg
Fransch garnizoen; een en twintig millioen oorlogskosten moesten
betaald, eindelijk moest, evenals in Parma was geschied, een schat
van kunstwerken en kostbare schilderijen aan het museum van Parijs
worden afgestaan.

Weinig had het gescheeld of te Livorno, waar de Engelschen zoo goed
als heer en meester waren en van hier hun leger op Corsica voordurend
van alles voorzagen, waren een groot aantal rijk beladen Engelsche
koopvaarders bijna tegelijkertijd in Bonaparte's handen gevallen. Ook
hier legde hij garnizoen en zijn landgenoot Gentili, bijgestaan door
duizenden Corsicanen, verdreef in October d.a.v. al de roodrokken
van het eiland. Te Florence bij den groothertog van Toscane, die hem
verzocht zijn gast te wezen, ontving hij bericht, dat de citadel
van Milaan zich op 29 Juni had overgegeven. Het hier buitgemaakte
belegeringsgeschut kon hem nu tegenover Mantua goede diensten bewijzen.

Ondanks al zijn overwinningen, ondanks al de hulde hem gebracht,
was Bonaparte in die dagen als mensch diep ongelukkig. Hij miste
zijn vrouw. Wel had hij Jozef naar Parijs gezonden om haar afreis
naar Milaan te bespoedigen, maar Jozef had ook zijn eigen belangen en
die van Corsica in het oog te houden; voorts kende hij den toestand,
was Joséphine niet genegen en gevoelde weinig lust, ook al uit vrees
voor oneenigheid, als tusschenpersoon dienst te doen. De brieven
van zijn broer liet hij dus grootendeels onbeantwoord en vond het
raadzamer op Joséphine onderhands invloed te laten uitoefenen door
het Directoire. In de brieven aan leden van dit college had Bonaparte
kortaf te kennen gegeven, dat hij ziek was en dat, wanneer men hem
zijn vrouw niet zond, hij zijn ontslag nam en terugkeerde naar Parijs.

In gezelschap van Jozef, Junot, haar schoothondje, en zekeren luitenant
Charles, een zéér intiemen kennis van haar, begon Joséphine, tranen
met tuiten schreiende en zoo diep bedroefd, alsof zij van de wereld
moest scheiden, ten slotte de lange reis naar Milaan, waar het
prachtige hotel Serbelloni den 9en Juli zijn gastvrije deuren voor
haar opende. Haar man vond ze hier echter niet, hij was te Verona
druk bezig met het nemen van maatregelen tegenover een nieuw leger van
ongeveer 70.000 man, dat onder den ouden doch energieken en vermetelen
veldmaarschalk Würmser in Tyrol werd samengetrokken.

Tevergeefs smeekte hij haar te Verona bij hem te komen.--"Ik heb
je noodig; ik ben dood af en voel me ziek," schreef hij, doch zij
bleef waar zij was. Toen liet hij alles in den steek, rende naar
Milaan, bleef hier twee dagen met haar alleen, overstelpte haar met
liefkoozingen, had haar koelheid tegenover hem volslagen vergeten
en vertrok weder even snel als hij was gekomen.--Zwaar werk wachtte
hem. Mantua was nog niet genomen, een coup de main er tegen was
mislukt.--"Zulke ondernemingen hangen louter af van 't toeval, van
't blaffen van een hond, van 't snateren van een gans," schreef hij
den 12en Juli aan het Directoire.

Zes dagen later werden de loopgraven onder zijn persoonlijke leiding
geopend. Naar Verona teruggekeerd, hield hij Würmsers bewegingen
scherp in het oog. "Wee hem, die thans slecht rekent," had hij gezegd.

Den 29en begon Würmsers plan van aanval zich te teekenen. Terwijl de
generaal Quosdanovich naderde langs den westelijken oever van het
Gardameer en Brescia bezette, terwijl een detachement van slechts
5000 man ter misleiding van Bonaparte door het dal van de Brenta
zich naar het zuiden bewoog, greep Würmser Massena's voorhoede bij
la Corona omvattend aan en sloeg haar onder zware verliezen terug.

Bonaparte zag den toestand zeer donker in en was ongerust en
zenuwachtig; aan Augereau schreef hij, dat de gemeenschap met Milaan
en Verona nu was afgesneden en dat hij dus maatregelen moest nemen
voor den terugtocht; aan Serurier gaf hij order het beleg van Mantua
op te breken, de affuiten te verbranden, het buskruit in 't water
te werpen, alle staatseigendommen ijlings naar Milaan te zenden en
dan zijn rug te komen dekken; tevens deed hij, wat hij tot heden
nog nooit had gedaan, hij raadpleegde zijn onderbevelhebbers. Allen
stemden voorzichtigheidshalve voor den terugtocht; Augereau alleen
niet. "Hij had nog een troep puike grenadiers; zonder gevecht gingen
die niet aan den haal," zei de Parijzenaar, die alleen te rade ging
met zijn moed. Met die woorden was bij Bonaparte het oogenblik van
onzekerheid en aarzeling reeds weder voorbij. Augereau had gelijk,
hij zou niet teruggaan. In de eerste dagen van Augustus volgden nu een
reeks van bloedige gevechten bij Salo, Lonato enz. aan de zuidzijde
van het Gardameer. Würmser is intusschen Mantua gaan ontzetten, vindt
daar de sporen van Seruriers overhaasten aftocht, rukt daarna naar het
noorden om zijn bij Lonato geslagen divisiën te hulp te komen en grijpt
den 5en Augustus Bonaparte bij Castiglione aan. Nu doen Augereau's
grenadiers de woorden van hun chef eer aan en krijgt Würmser van
Augereau en Massena, die voor zijn front staan en van Serurier, die
hem in zijn rug aantast een zoo geduchte klap, dat hij ijlings naar
Tyrol aftrekt. Bonaparte kon zijn vroegere stellingen weder innemen.

Dit was het slot van den zoogenaamden vijfdaagschen veldtocht; dank
zij de taaiheid en het volhardingsvermogen van zijn infanterie en het
genie van zijn chef had het kleine Fransche leger gezegepraald over
een macht van bijna de dubbele sterkte. Terstond werd Mantua weder
ingesloten. Te Milaan en in de legatiën Bologna en Ferrara ging over
dit ongeloofelijke succes een juichtoon op.

Te Venetië, te Rome en te Napels, waar men intusschen den verrader
gespeeld en Oostenrijk gesteund had, zat men daarentegen in zak
en asch. Bonaparte was voor dit maal echter nog genadig en nam op
de verraders geen wraak. Ernstiger zaken dan deze vorderden zijn
aandacht. Zoodra de generaal Moreau in Duitschland den Donau zou hebben
overschreden, wilde hij Würmser achterna. Dat deze nog bijna 40 000
man had overgehouden, bevredigde hem niet; eerst wanneer hij voor
goed met hem had afgerekend, zou hij de handen vrij hebben tegenover
Venetië en Rome.

September was 't echter reeds geworden, voordat Moreau zijn
tegenpartij, aartshertog Karel, ver genoeg had teruggedrongen, den
Donau overgegaan en naar München op marsch was. Intusschen ontwierp
Bonaparte een nieuw veldtochtsplan, schonk zijn soldaten rust en
mocht zich eenige dagen verheugen in 't bijzijn van zijn vrouw.

Eindelijk, eindelijk was Joséphine gezwicht voor den hartstochtelijken
toon zijner brieven, waarin hij aandrong op haar komst in zijn
hoofdkwartier, en had zij het hotel Serbelloni, waar zij zich het
leven zeer aangenaam maakte, verlaten. Feitelijk verveelden haar de
forsche bewijzen van liefde, die hij haar telkens en telkens weder
schonk, de jonge luitenants te Milaan en vooral den reeds genoemden
adjudant Charles vond zij veel aardiger dan haar bleeken, broodmageren
door koortsen gekwelden echtvriend, die haar in zijn brieven vol
ijverzucht nu eens met monster, tiran en wreedaard betitelde en dan
weder op de knieën vergiffenis vroeg, omdat hij een paar voor haar
bestemde epistels had geopend. "Nimmer, nimmer zou dit weder gebeuren,"
beloofde hij.

Dat bezoek was echter een korte vreugde, want vooral de Oostenrijksche
cavalerie begon weder zeer roerig te worden; Bonaparte zond zijn
vrouw dus terug naar Milaan, een reis die onder deze omstandigheden
volstrekt niet van gevaar was ontbloot, terwijl de hierbij doorgestane
angst en ellende voor haar slechts ten deele werden vergoed, door den
schat van cadeaux in geld, cameeën, parelen en andere kostbaarheden,
haar op dezen tocht door generaals, de gemeentebesturen en--niet
te vergeten--de leveranciers van het leger geschonken. Volbloed
creoolsche, even bar verkwistend als onnadenkend, begreep zij niet,
dat zij door het aannemen van zulke rijke voorwerpen en van geld
vooral, den goeden naam van Bonaparte schade deed. Hebzuchtig was
zij volstrekt niet; het geld wierp zij weg met volle handen; door
al haar winkeliers, in de eerste plaats door de modewinkels, werd
zij schandelijk afgezet, ja, bestolen. Voortdurend zat zij diep in
schulden, en in de volgende jaren werd het niet beter, maar ze bezat
graag mooie dingen; wat men haar gaf nam zij dus aan, en toen Bonaparte
hierachter kwam en haar dwong eenige dier geschenken terug te geven,
zorgde zij wel, dat hij later nooit meer een stuk te zien kreeg of
het heette gekocht; en personen, die haar hierbij hielpen liegen,
telde zij in haar omgeving genoeg.

Terwijl zij dus terugkeerde naar het hotel Serbelloni en in
gezelschap van "dien aartsgrappigen clown," dien luitenant Charles,
de handige tusschenpersoon bij alle transacties met schuldeischers
en leveranciers, de verveling trachtte te verdrijven, was Bonaparte
Italiaansch Tyrol binnengedrongen om Würmser op te zoeken en te
vernietigen, doch had, rekening houdende met de mogelijkheid, dat
deze middelerwijl een poging zou doen om de Etsch van de oostzijde te
naderen en Mantua te ontzetten, Peschiera, Verona en Legnano bezet
gehouden. In de eerste dagen van September kwam het nu in de nauwe
bergpassen en op de kale rotsen van Roveredo tot een verwoed gevecht,
dat met den aftocht der zwaar gehavende Oostenrijkers eindigde.

Den 5en te Trente, de hoofdstad van Tyrol gekomen, vernam Bonaparte,
dat hij Würmser zelf niet tegenover zich had gehad, doch dat deze, meer
oostelijk uithalende, door het dal van de Brenta naar 't zuiden was
gemarcheerd, met de Etsch of Mantua tot doel. Feitelijk stond Bonaparte
nu in den rug zijner tegenpartij en op diens hoofdverbindingslijn
met Tyrol.

Würmser volgen, afsnijden en aangrijpen is terstond zijn plan! Den
8en haalt hij hem in bij Bassano en geeft hem een klap zoo geducht,
dat Würmser nog slechts zijn heil kan zoeken binnen dezelfde veste,
die hij zou gaan ontzetten. Hij mocht nog van geluk spreken, want
was de positie aan de Etsch bij Legnano en de brug aldaar door de
Franschen bezet gebleven, [9] dan was hij door Massena en Augereau
tegen deze rivier gedrongen en verplicht geweest in het open veld te
capituleeren. Wederom was het de bijna ongeloofelijke marschsnelheid
zijner infanterie geweest, die Bonaparte dit geweldige resultaat had
doen verwerven. In 1805 zeiden zijn soldaten, dat hij een nieuwe
manier van oorlogvoeren had uitgevonden, niet meer met de bajonet
doch met de beenen. Vooral op dit deel van den veldtocht in Italië
was dit geheel van toepassing.

Van zijn prachtige, talrijke cavalerie had Würmser bijna geen nut
gehad; thans kon hij de paarden er van doen slachten en inzouten om
zijn soldaten aan den kost te helpen.

Bonaparte keerde terug naar Milaan.--"Nooit nog hadden wij zulk
een aanhoudend en groot succes; Italië, Frioul en Tyrol zijn geheel
voor de Republiek gewonnen.--Binnen enkele dagen zien wij elkander
weder. Voor al mijn werk en al mijn zwoegen zal dit de liefelijkste
belooning zijn. Duizend vurige en dol verliefde zoentjes," [10]
had hij Joséphine te voren geschreven; doch zij antwoordde niet; in
zijn brief van den 17en met zijn teekenend: "Je bent even leelijk
als lichtzinnig; dat je je armen man, die je liefheeft, bedriegt,
is laag van je," verried duidelijk genoeg, dat hij aan haar trouw
begon te twijfelen. De maand November zou hem in dit opzicht nòg
smartelijker indrukken brengen.



Weder was het Directoire uitbundig in zijn lof. "Tegenover het
vaderland had het leger zich opnieuw verdienstelijk gemaakt!" schreef
het;

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/27883