Zoölogische Philosophie
by Jean Baptiste Pierre Antoine de Monet de Lamarck · Dutch · Gutenberg #27664 · 419,667 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Zoölogische Philosophie
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Zoölogische Philosophie
Author: Jean Baptiste Pierre Antoine de Monet de Lamarck
Translator: J. Metzelaar
Release date: December 30, 2008 [eBook #27664]
Most recently updated: January 4, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27664
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZOÖLOGISCHE PHILOSOPHIE ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Wetenschap
Zoölogische Philosophie
Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der Dieren etc. door
J. B. P. A. Lamarck. vertaald door Dr. J. Metzelaar. Met een woord
vooraf van Prof. Dr. C. Ph. Sluiter
Eerste Deel
La postérité vous admirera,
elle vous vengera, mon pêre.
(Gedenkteeken voor Lamarck,
Jardin des Plantes, Parijs.)
Uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope
Lectuur--Amsterdam
Gedrukt ter drukkerij van de Wereldbibliotheek
VOORWOORD
Door Prof. Dr. C. Ph. Sluiter
Het ligt in den aard der bijzondere takken van wetenschap, dat het
feitenmateriaal en de methoden van onderzoek van geslacht op geslacht
worden overgenomen, maar dat de philosophische achtergrond, waarop de
onderzoekers van toenmaals stonden, niet gekend, of tenminste vergeten
wordt. Hierdoor wordt dikwijls onrecht aangedaan aan hun nagedachtenis,
aan de waardeering van hun arbeid. Dit geldt zeker voor een aantal
land- en tijdgenooten van Lamarck, de z.g. materialistische philosophen
uit den Revolutie-tijd, en zeker niet het minst voor Lamarck.
Het heeft zijn eigenaardige moeilijkheden, om een man als Lamarck naar
waarde te schatten, meer dan een eeuw, nadat zijn belangrijkste werken:
"Philosophie Zoologique" in 1809 en "Histoire naturelle des Animaux
sans vertèbres" in 1815-1822 verschenen. In den veelbewogen tijd
van zijn eigen leven werd zijn beteekenis voor de ontwikkeling der
biologische wetenschap zoo goed als geheel miskend. Zijn "Philosophie
Zoologique" werd doodgezwegen of hoogstens met spot begroet, en
zelfs zijn geestverwanten en vrienden, zooals Latreille en Geoffroy
St. Hilaire waardeerden in hem vooral den grooten vakgeleerde, zoodat
laatstgenoemde hem zelfs als den "Franschen Linnaeus" begroette,
wat al zeer weinig de groote gaven van Lamarck weergeeft.
Van zijn talrijke geschriften hebben de meeste thans voor ons nog
slechts historische waarde; niemand zal meer naar zijn chemische of
physische verhandelingen grijpen, of zelfs naar zijn "Flore française"
of naar zijn "Histoire naturelle des Animaux sans vertèbres" om zich
over plant of dier op de hoogte te stellen. Maar... geldt datzelfde
ook voor zijn "Philosophie Zoologique"? Mij dunkt van niet en zoo was
het, naar ik meen, een goede gedachte de "Philosophie Zoologique" voor
een grooteren kring in het hollandsch toegankelijk te maken. Onder de
verschillende evolutietheorieën, die heden ten dage bij de biologen
meer of minder instemming vinden, neemt nog altijd het lamarckisme,
of "neolamarckisme", zooals het in zijn gewijzigden vorm heet, een
belangrijke plaats in.
Doordat het zich aansluit aan het onmiddellijk waargenomene
in de natuur, n.l. de aanpassing der dieren aan de uitwendige
omstandigheden, is het voor velen de meest aanneembare, misschien de
meest "menschelijke" voorstelling geworden, al is men zich zeer goed
van de bezwaren bewust, die er tegen in gebracht kunnen worden.
Het is zeer gemakkelijk, de leer van Lamarck belachlijk te maken,
door enkele voorbeelden, uit hun verband gerukt, als typische specimina
van zijn voorstellingen ten beste te geven. Maar leest men zijn eigen,
oorspronkelijk werk zonder bevooroordeeling, dan is zeker spotternij
het laatste, wat men bij zich zal voelen opkomen. Diepe ernst en
volkomen overtuiging spreekt uit alles, wat hij schrijft. Het is waar,
de taal is niet boeiend, bloemrijk of meeslepend, hij vervalt telkens
in herhalingen, maar toch blijft men doorlezen en begrijpt meer en
meer, dat aan de gewone voorstelling van het Lamarckisme in hand-
en leerboeken een belangrijk iets ontbreekt, n.l. de wijsgeerige
achtergrond, die aan al zijn beschouwingen een dieperen zin
geeft. Weliswaar maakt zijn philosophische natuurbeschouwing op ons
vaak een wat naïeven indruk; begrippen uit zijn tijd als de "fluida"
zijn voorstellingen, waar wij tegenwoordig niet verder mee komen. Maar
ook hierin hebben wij zijn wijze van denken te beoordeelen naar den
tijd, waarin hij leefde, en dan ziet men, hoe hij telkens met een
helderzienden blik en goed doordachte redeneering tot inzichten kwam,
die niet veel afwijken van wat wij nu op hechteren grondslag omtrent
de beteekenis van verschillende organen weten. Men denke bijv. aan zijn
tegenstelling der groote- tegenover de overige hersenen, overeenkomende
met onze tegenwoordige opvatting van Neencephalon en Palaeëncephalon
(Edinger).
Evenwel, het bleven veelal geniale concepties, die slechts zelden
door eigen onderzoek getracht werden bewaarheid te worden. Uitgaande
van de grondgedachten was zijn systeem uiterst zorgvuldig en
goedberedeneerd opgebouwd. Bleek echter de grondstelling onhoudbaar,
dan zijn natuurlijk ook de verdere besluiten, waartoe hij komt,
voor ons van geen belang. (Dit geldt bijna voor al zijn physische
en chemische verhandelingen). Bij zijn biologischen gedachtengang
volgt men echter ook thans nog Lamarck met groote belangstelling,
al zal er altijd wel een zekere twijfel blijven bestaan.
Maar... dit geldt voor alle evolutietheorieën, en of het daarom
wenschelijk is, vooreerst ze maar alle te laten rusten, en alleen
waarnemingen te verzamelen, moge ieder voor zich uitmaken. De meeste
biologen zullen toch wel eenige voorliefde hebben voor een bepaalde
richting en dan is het zeker goed in het origineel het werk van een
geniaal man als Lamarck te leeren kennen, die voorzeker de eerste
ernstige en stellig niet de minst logisch denkende evolutionist was.
VOORREDE VAN DEN VERTALER
_Motto_: "Peut-il y avoir, en histoire naturelle
une considération plus importante, et à laquelle
on doive donner plus d'attention que celle que
je viens d'exposer?"
Lamarck, _Phil. Zoöl. cap._ VII, _fin_.
Van de Philosophie Zoologique van Jean Baptiste de Lamarck bestond
nog steeds geen Hollandsche uitgave; en toch mag die in onzen tijd
van oplevende belangstelling voor dezen classicus der afstammingsleer
een behoefte heeten. Want van de toenemende waardeering voor zijne
denkbeelden onder de zoölogen, met name de palaeozoölogen getuigen
de verschillende richtingen der lamarckisten en neolamarckianen.
Voorzeker zijn de leidende gedachten van Lamarck van blijvende waarde,
ondanks de verouderde détails. En laten wij over deze laatste, al
mogen zij ons thans ook zelfs wat wonderlijk voorkomen, niet te hard
oordeelen, en bedenken, dat wij moderne biologen op de schouders
van deze pioniers zijn opgeheven! Wijzen wij o.m. op de treffende
onderscheiding tusschen organisatie- en aanpassingskenmerken in
hoofdstuk V en VI.
Uiterst curieus zijn voor een zoöloog de "toevoegingen" aan het einde,
waaruit hij met één slag het conflict begrijpt tusschen Lamarck en
een man als Cuvier. Maar zijn glimlach besterve bij de magistrale
slotalinea!
Deze vertaling is gebaseerd op de oorspronkelijke editie van 1809
(Paris, Libraire Dentu). Aan de directie van het K. Z. G. Natura Artis
Magistra onze dank voor de vriendelijkheid, uit zijn bibliotheek
dit zeldzame werk te hebben mogen leenen!--De herdruk bezorgd door
Ch. Martins (Paris 1873) bevat, naast enkele emendaties, nogal
wat kleine fouten; hierop schijnt ook de herdruk van 1907 alsmede
de Duitsche bewerking van Prof. Arnold Lang te berusten, al welke
uitgaven mij ter beschikking stonden, en waaruit slechts zelden,
en dan met vermelding, geput is.
Van annoteeren is geheel afgezien. Hiervoor zij in de eerste plaats
verwezen naar de "Geschichte des Lamarckismus" van Dr. Adolf Wagner
(Stuttgart 1909); voorts naar cap. VII-IX van F. Kühner, "Lamarck,
die Lehre vom Leben", Eug. Diederichs, Jena 1913.--Ten gerieve van
den niet geheel deskundigen lezer is echter bij sommige al te sterk
verouderde plaatsen een waarschuwend () geplaatst.
In de lijsten van het VIIIe hoofdstuk in het origineel komen de genera
voor onder hun latijnsche of verfranschte, jazelfs onder de Fransche
namen. Ik heb daarin meer eenheid gebracht door de wetenschappelijke
nomenclatuur voorop te stellen en daaraan zooveel mogelijk het
Hollandsche aequivalent toe te voegen.
De vertaling is een onverkorte, in die beteekenis, dat vrijwel
geen enkele zin van den hoofdtext is weggelaten (Dit geldt niet
voor de noten!). Wel heb ik mij veelal veroorloofd, de wijdloopige
uitdrukkingswijze wat te bekorten: den stijl dus bondiger te maken
waardoor het volumen tot op ongeveer 9/10 is terug-gebracht. Mogelijk,
dat de lectuur hier en daar op den modernen lezer alsnog een eenigszins
breedsprakigen indruk maakt door de vele herhalingen. Uit eerbied voor
den peetvader der Biologie heb ik mij echter niet aan coupures willen
bezondigen. Ook is er bij de woordkeuze rekening gehouden met het feit,
dat wij hier een werk voor ons hebben van meer dan een eeuw oud.
En hiermee heb ik mijn bescheiden daad van piëteit verricht tegenover
den zoo vereerden Meester.
Tot slot wil ik hier dank brengen aan hen, die mij bij de vertaling
zijn behulpzaam geweest, en wel naast Professor Sluiter in de eerste
plaats aan den heer Justus Meyer, Zandvoort.
Amsterdam, April 1921. Dr. J. METZELAAR
VOORREDE
De ondervinding, bij het onderwijs opgedaan, heeft mij doen gevoelen,
hoezeer op het oogenblik een zoölogische philosophie, d.w.z. een geheel
van voorschriften en beginselen der dierstudie--ook toepasselijk op
andere deelen der natuurwetenschap--van pas zou zijn, aangezien onze
zoölogische kennis sinds ongeveer 30 jaar aanmerkelijk is gevorderd.
Ik heb daarom een schets van die philosophie trachten te ontwerpen
ten gebruike bij mijn lessen en tot beter begrip van mijn leerlingen:
destijds had ik geen ander doel.
Maar daar ik, om te komen tot het opstellen van beginselen en regelen
als studiegids verplicht was de samenstelling der onderscheidene
bekende dieren te onderzoeken, te letten op de bijzondere verschillen
bij elke dier-familie, -orde en -klasse, de eigenschappen te
vergelijken, die alle rassen van dieren eraan ontleenen, kortom:
de meest algemeene verschijnselen in de voornaamste gevallen te
leeren kennen, zoo werd ik gaandeweg geleid tot zeer belangwekkende
wetenschappelijke overwegingen en tot het onderzoeken van de
moeilijkste zoölogische vraagstukken.
Hoe kon ik ook die eigenaardige trapsgewijze afdaling der dierlijke
organismen in een reeks van de volkomenste tot de onvolkomenste onder
oogen zien, zonder den grond te onderzoeken van dat onbetwistbare en
merkwaardige feit, door zeer veel bewijzen gestaafd? Moest ik wel niet
denken, dat de natuur achtereenvolgens de verschillende levensvormen
had voortgebracht, al voortschrijdende van het eenvoudige tot het
samengestelde? Immers, aldus trapsgewijs opklimmende in de reeks
der dieren wordt de organisatie allengs samengestelder op een hoogst
opmerkelijke manier.
Deze gedachte werd in mijn oogen des te waarschijnlijker, toen ik
besefte, dat de allereenvoudigste organismen geen enkel bijzonder
orgaan of vermogen vertoonen, maar alleen die, welke aan alle
levende wezens gemeen zijn; en dat, naarmate de natuur geleidelijk de
onderscheidene bijzondere organen schiep, en aldus meer en meer de
dierlijke organisatie verwikkelde, de dieren al naar hun organische
geleding verschillende speciale vermogens verkregen, talrijk en op
den voorgrond tredend bij de meest volkomene onder hen.
Deze aandacht-boeiende beschouwingen deden mij weldra onderzoeken,
waaruit het leven werkelijk bestaat en welke voorwaarden dat
natuurverschijnsel stelt om zich zelf voort te brengen en lichamelijk
te bestendigen. Ik kon mij te minder aan dat onderzoek onttrekken,
overtuigd als ik was, uitsluitend bij de simpelste organismen de
oplossing te kunnen vinden van een klaarblijkelijk zoo moeilijk
probleem, daar alleen deze _alle_ noodzakelijke levensvoorwaarden
vertoonen en niets verwarrends daarenboven.
Daar dus de levensvoorwaarden op den laagsten trap van bewerktuiging
volledig en tegelijk in hun eenvoudigsten vorm aanwezig zijn, ging
het erom, te weten, hoe dezelve door een of andere wijziging tot een
minder eenvoudige had kunnen leiden en tot de àl samengestelder trappen
der dierenreeks. Ik meende de oplossing van mijn probleem te zien, met
behulp der volgende beschouwingen waartoe de waarneming mij geleid had:
Ten eerste bewijzen een menigte bekende feiten, dat het voortdurend
gebruik van een orgaan tot zijn ontwikkeling bijdraagt, het versterkt
en zelfs vergroot, terwijl een tot gewoonte geworden niet-gebruik
die ontwikkeling benadeelt, het ontwaardigt en gaandeweg doet afnemen
en ten slotte doet verdwijnen, indien dat onbruik langdurig aanhoudt
bij alle nakomelingen. Men begrijpt dus, dat als een verandering van
omstandigheden een dierenras dwingt tot wijziging van gewoonten, de
minder gebruikte organen dan meer en meer ten gronde gaan. Anderzijds
ontwikkelen zich de veel-gebruikte deelen beter en erlangen afmetingen
en kracht in verhouding tot het gebruik, dat de individuen ervan maken.
Ten tweede werd ik al nadenkend overtuigd, dat naarmate de vloeistoffen
van een organisme in beweging versneld worden, zij het doorstroomende
zachte celweefsel wijzigen, er doorgangen en verschillende kanalen
in openen, kortom er verschillende organen doen ontstaan, al naar
hun eigene organisatie.
Op grond dezer beide overwegingen beschouwde ik het als zeker, dat
de _vloeistofbeweging_ in de dieren--allengs met de samengestelder
wordende bewerktuiging versneld--en de _invloed_ der nieuwe
_omstandigheden_--waaraan ze blootgesteld werden bij de verspreiding
over de bewoonbare wereld--de twee voorname oorzaken waren, die hen
tot den tegenwoordigen toestand gebracht hebben.
Ik heb mij in dit werk volstrekt niet bepaald tot het uiteenzetten
der wezenlijke levensvoorwaarden bij de eenvoudigste organismen of der
oorzaken van de toenemende verwikkeling der dierlijke organisatie vanaf
de onvolmaakste tot de volmaakste. Maar daar ik in de mogelijkheid
geloof de physische gezien het vervolg] oorzaken van het _gevoel_
te leeren kennen, waarover zooveel dieren beschikken, heb ik ook
daarmede mij beziggehouden.
Overtuigd, dat geen enkele stof zelf het vermogen tot voelen kan hebben
en het gevoel zelf zich slechts openbaart bij de verrichtingen van een
daarop ingericht orgaan-systeem, heb ik gezocht naar het mechanisme
van dat bewonderenswaardige verschijnsel, en ik geloof het gevonden
te hebben.
Bij het inzamelen van positieve waarnemingen hieraangaande werd het
mij duidelijk, dat tot het tot stand komen van _gevoel_ reeds een
zeer samengesteld zenuwtoestel noodig is, en in veel hooger mate nog
voor _intelligentie_.
Ik ben daardoor overtuigd geworden, dat een zeer onvolkomen
zenuwstelsel--gelijk bij de laaggeplaatste dieren, waar het voor 't
eerst optrad--in dien toestand slechts in staat is tot het opwekken
der spierbewegingen en nog niet van eenig gevoel. Op dat stadium
vertoont het slechts zenuwknoopen waarvan vezels uitgaan, en noch
een buikstreng, noch ruggemerg, noch hersenen.
In verder voortgeschreden toestand zien we die genoemde deelen
optreden; het middelpunt van het gevoel is de hersenen, vanwaar de
zenuwen ontspringen naar eenige bijzondere zintuigen. De betreffende
dieren verheugen zich dan in het vermogen tot gevoel.
Vervolgens heb ik getracht het mechanisme te bepalen, waardoor
gewaarwordingen geschieden, en aangetoond, dat deze bij dieren zonder
verstandsorgaan niet meer dan een indruk teweegbrengen, volstrekt nog
geen gedachte, óók als zij, ondanks de aanwezigheid van zoo'n orgaan,
niet worden opgemerkt.
Ik heb, om de waarheid te zeggen, bij mijzelf nog niet uitgemaakt,
of in dat mechanisme de gewaarwordingen geschieden door uitzenden van
zenuwfluida vanaf het geprikkelde punt, of enkel door een beweging
(trilling, _vert._) in datzelfde fluidum. Dat inmiddels de duur
van zekere gewaarwordingen evenredig is met dien der veroorzaakte
indrukken doet mij naar de laatste meening overhellen.
Mijn waarnemingen zouden geen voldoende licht gebracht hebben over
het onderhavige onderwerp, als ik niet tot de erkenning en het bewijs
gekomen was, dat gevoel en prikkelbaarheid twee zeer verschillende
verschijnselen zijn; dat zij geenerlei gemeenschappelijken oorsprong
hebben, zooals men heeft gedacht; dat het eerste n.l. een vermogen
is, eigen aan bepaalde dieren, een bijzonder stel werktuigen
vereischende, terwijl de tweede zooiets niet behoeft en aan alle
dierlijke organisatie gemeen is.
Door verwarring dezer beide nu zal men zich licht kunnen vergissen in
den uitleg der meeste verschijnselen op het gebied van bewerktuiging
der dieren. Vooral als men de beginselen van gevoel en beweging en
den zetel hiervan bij de betreffende dieren proefondervindelijk tracht
uit te vorschen.
Nadat men bijv. jeugdige dieren had onthoofd of het ruggemerg
doorgesneden tusschen achterhoofd en atlas of er een sonde in
gestoken had, heeft men verschillende bewegingen--veroorzaakt door
luchtinblazing in de longen--gehouden voor een bewijs van het weer
opleven van het gevoel. Intusschen zijn deze gevolgen slechts te
danken: eenerzijds aan de niet-uitgebluschte _prikkelbaarheid_--die
immers nog eenigen tijd na den dood aanhoudt,--anderzijds aan bepaalde
spiertrekkingen, door die inblazing opgewekt, als de ruggestreng nog
niet over de heele lengte door de sonde is verwoest.
Als ik nu niet de organische werkkracht, die beweging en gevoel
teweegbrengt _had leeren kennen_ als volkomen onafhankelijk van
elkaar--ofschoon voor beide nerveuse inwerking noodig is--en als ik
niet opgemerkt had, dat men verschillende spieren kan bewegen zonder
eenige gewaarwording daarvan, en ook omgekeerd, dan had ik die in
diertjes zonder hoofd of hersenen opgewekte bewegingen voor teekenen
van _gevoel_ gehouden, en ik zou mij vergist hebben.
Indien een individu niet in staat is--van nature of anderszins--om
van een gewaarwording te getuigen, en niet door geluiden uiting geeft
aan de geleden pijn, zoo heeft men geen enkel ander zeker teeken voor
zoo'n gewaarwording, dan de wetenschap, dat het stel gevoelsorganen
niet verwoest, en ongeschonden is. Spierbewegingen zonder meer zijn
nog geen bewijs voor gevoel.
Nadat ik mijn inzichten omtrent deze dingen gevormd had, ging ik het
_innerlijke gevoel_ beschouwen, d.w.z. dat levensbesef slechts eigen
aan dieren in staat tot voelen. Ik bracht het in verband met alle
bekende, correspondeerende feiten, alsmede mijne eigene waarnemingen
en kwam weldra tot de slotsom, dat dit innerlijke gevoel een wezenlijke
kracht is, die men niet stilzwijgend voorbij kan gaan.
Niets schijnt mij inderdaad belangrijker dan _dit innerlijke_ gevoel
(bij den mensch en de dieren met een daarop ingericht, zenuwstelsel)
opgewekt door physische en psychische [1] behoeften en op zijn beurt
weer de bron, waaruit bewegingen en handelingen hun middelen tot
uitvoering putten. Niemand had er aandacht aan besteed, voor zoover
ik weet, zoodat alle mogelijke verklaringen voor de voornaamste
verschijnselen in het dierlijk organisme onvoldoende bleven door
deze leemte in de kennis van een hunner hoofdoorzaken. Intusschen
hebben wij een soort donker besef van het bestaan van deze innerlijke
macht bij het gewagen van de ontroeringen, die wij zelf in tallooze
omstandigheden ondergaan. Want het woord _gemoedsbeweging_ (dat ik
niet gevormd heb) wordt in het spraakgebruik nogal vaak aangewend,
om bovengenoemde feiten aan te duiden.
Toen ik gemerkt had, dat het innerlijk gevoel door verschillende
oorzaken vermag bewogen te worden en dan kan optreden als opwekker van
handelingen, werd ik getroffen door de menigvuldige bekende feiten,
die dit bevestigen; terwijl de moeilijkheden omtrent de oorzakelijke
prikkels tot actie, die mij al sinds lang bezwaard hadden, mij thans
geheel verdwenen bleken.
Mijzelf nogal geslaagd achtende in het vatten van een waarheid--n.l. om
de kracht, die de bewegingen der dieren voortbrengt, toe te schrijven
aan het innerlijke gevoel--had ik intusschen nog maar een deel van
de moeilijkheden van dat onderzoek opgeruimd. Want klaarblijkelijk
bezitten niet alle bekende dieren een zenuwstelsel en kunnen 't ook
niet bezitten. Derhalve zijn ook niet alle met dat innerlijke gevoel
begaafd, en hebben dus bij hen de uitgevoerde bewegingen een anderen
oorsprong.
Eenmaal zoover gekomen werd het mij weldra duidelijk, dat een groot
aantal dieren zich in hetzelfde geval moesten bevinden als de planten,
wier leven niet zou kunnen bestaan en zich daadwerkelijk bestendigen
zonder prikkels van buitenaf.
En daar ik al dikwerf gemerkt had, dat de natuur verschillende middelen
aanwendt om tot hetzelfde doel te komen, bleef hieromtrent bij mij
geen twijfel meer bestaan.
Zoo geloof ik dan, dat de laagste dieren, zonder zenuwstelsel, slechts
leven met behulp van de prikkels, uit de buitenwereld ontvangen,
d.w.z. doordat fijne en immer-beweeglijke fluida uit de omgeving
onophoudelijk in de organismen doordringen en er het leven onderhouden,
voorzoover hun toestand dit mogelijk maakt. Deze zoo vaak overwogen
gedachte nu, naar allen schijn door zooveel feiten bevestigd, en
bij mijn weten door geen enkel tegengesproken en waarvoor ook het
plantenleven kennelijk getuigt, zij werpt m.i. een straal van licht
op de hoofdoorzaak van leven en beweging der dieren, waaraan zij
alles verschuldigd zijn, wat hen bezielt.
Deze beschouwing in verband brengende met de beide vorige--d.w.z. met
die aangaande de uitwerking der fluidenbeweging in de dieren
en 2e de veranderingen in hun omstandigheden en gewoonten--kon
ik de verbindingsdraad vatten tusschen de talrijke oorzaken der
verschijnselen van het dierlijk organisme naar zijn ontwikkeling en
verscheidenheid. Weldra zag ik het belang van dat middel van de natuur,
dat daarin bestaat, dat de nieuwgevormde individuën alles bewaren,
wat de voorouders door hun levens-loop en inwerking der omstandigheden
verworven hadden.
Toen ik nu had opgemerkt, dat bewegingen bij de dieren nooit worden
meegedeeld maar opgewekt, begreep ik, dat de natuur, eerst gedwongen
aan het omringend milieu de _opwekkende kracht_ te ontleenen tot
de bewegingen en handelingen der lagere dieren, deze kracht--bij de
groeiende samengesteldheid van de dierlijke organisatie--heeft weten
te verleggen naar hun innerlijk, en haar ten slotte ter beschikking
van het individu stelde.
Dit zijn de voornaamste onderwerpen, die ik heb trachten op te stellen
en te ontwikkelen in dit werk.
Zoo biedt dan de _Zoölogische Philosophie_ de resultaten van mijn
studiën over de dieren, hun algemeene en bijzondere eigenschappen,
de oorzaken van de verschillende ontwikkeling van hun organisatie,
en de vermogens, die zij daaraan ontleenen. Voor de samenstelling heb
ik het voornaamste materiaal gebruikt, verzameld voor een ontworpen
werk over de levende wezens onder den titel _Biologie_, hetwelk niet
door mij voltooid zal worden.
De talrijke opgesomde feiten staan vast, en de eruit afgeleide
gevolgtrekkingen schijnen mij dwingend juist en derhalve, naar mijn
overtuiging, moeilijk te verbeteren.
Intusschen--dit spreekt vanzelf--zullen verscheidene nieuwe
beschouwingen in dit werk al dadelijk den lezer ongunstig stemmen
door den natuurlijke weerstand van gevestigde meeningen tegen
opstandige nieuwe. Daar nu deze macht van oude ideeën over nieuwe
dit vooroordeel begunstigt, vooral als er eenig belang--hoe klein
ook--op het spel staat, zoo is bijgevolg, hoe moeilijk het ontdekken
van nieuwe waarheden bij de natuurstudie ook zij, de strijd voor hun
erkenning nog veel zwaarder.
Deze moeilijkheden van verschillenden oorsprong zijn in den grond
eerder vóór-, dan nadeelig voor ons weten. Want door die stroefheid
bij het toelaten van nieuwe denkbeelden zijn er een menigte schoon
schijnende, maar zonderlinge en ongegronde ideeën die, nauw geboren,
weer terugzinken in de vergetelheid. Ondertusschen worden soms
uitstekende inzichten en deugdelijke gedachten om dezelfde reden
verworpen of verwaarloosd. Maar beter, dat een eenmaal erkende waarheid
lang moet strijden zonder rechtmatige belangstelling te ondervinden,
dan dat alle voortbrengselen der weelderige menschelijke verbeelding
voetstoots aangenomen worden.
Hoe meer ik hierover peins, in 't bijzonder over de vele oorzaken,
die ons oordeel kunnen wijzigen, hoe meer ik overtuigd raak, dat,
uitgezonderd de door niemand betwijfelbare stoffelijke en abstracte
[2] feiten, alles verder slechts meening of redeneering is. En zooals
bekend, kan men tegenover de eene redeneering steeds de andere
stellen. Hoezeer dan ook de onderscheidene menschelijke meeningen
kennelijk mogen verschillen--in waarschijnlijkheid, bewijskracht of
zelfs in waarde--zoo komt het me toch voor, dat wij hen niet moeten
laken, die de onze afwijzen.
Moet men nu de meest-verspreide meeningen slechts gegrond achten? De
ondervinding leert toch, dat de verlichtste personen met het
meest-ontwikkelde verstand ten allen tijde slechts een kleine
minderheid vormen. Ontegenzeggelijk moesten de gezaghebbenden in de
wetenschap niet elkaar tellen, maar naar _waarde schatten_, ofschoon
inderdaad die appreciatie zeer moeilijk is.
Intusschen is het door de vele strenge voorwaarden voor een goed
oordeel nog niet altijd zeker, dat de als autoriteiten beschouwden
de zaken volkomen juist beoordeelen.
Voor den mensch zijn dus besliste waarheden, waarop hij met zekerheid
staat kan maken slechts: waarneembare feiten zonder de eruit afgeleide
gevolgtrekkingen; het bestaan van de natuur, die deze dingen vertoont
en ten slotte de wetten, die beweging en verandering harer deelen
beheerschen. Daarbuiten is alles onzekerheid, al hebben ook sommige
gevolgtrekkingen, theoriën, meeningen enz. veel meer waarschijnlijkheid
dan andere. Men kan op geen enkel der laatstgenoemde dingen bouwen,
daar zij, die deze verstandsbewerkingen uitvoeren, niet met zekerheid
de bij uitstek ware elementen daartoe uitsluitend en vollediglijk
gebruikt hebben. Daar voor ons niets vaststaat dan het bestaan van
lichamen, die onze zintuigen aandoen, en hun werkelijke eigenschappen,
en voorts de kenbare stoffelijke en abstracte feiten, moeten de in dit
werk uiteengezette gedachten, redeneeringen en uitleggingen eenvoudig
beschouwd worden als voorgeslagen meeningen mijnerzijds aangaande
den mogelijken toedracht van zaken.
Hoe dit zij, terwijl ik mij wijdde aan de waarnemingen, die leidden
tot de in dit werk uiteengezette beschouwingen heb ik ze met
vreugde overeenkomstig de waarheid bevonden, als belooning voor de
vermoeienissen mijner studiën en overdenkingen. En met hun publicatie
bedoel ik een uitnoodiging aan de verlichte natuurvrienden om ze na
te gaan en te beproeven en er hun eigen, passende gevolgtrekkingen
uit af te leiden.
Daar deze weg mij de eenige schijnt, die leidt, althans dicht
nadert tot de kennis van de waarheid, en deze kennis klaarblijkelijk
voordeeliger is dan de dwaling in haar plaats, zoo twijfel ik niet
aan zijn juistheid.
Men zal opmerken, dat ik met bijzonder behagen het tweede, en
vooral het derde deel van dit werk behandeld heb en zij mij veel
belangstelling ingeboezemd hebben. Ondertusschen moeten toch ook de
beginselen van de natuurlijke historie, die mij in het eerste deel
hebben beziggehouden, minstens beschouwd worden als zeer nuttige
dingen voor de wetenschap, daar zij het meest aansluiten bij de tot
heden geldende meeningen.
Ik zou voorts dit werk aanzienlijk hebben kunnen uitbreiden,
door elk onderdeel, naar zijn belangwekkenden inhoud, geheel uit
te werken. Maar, tot recht verstand mijner opmerkingen, gaf ik er
den voorkeur aan, mij tot een strikt noodzakelijke uiteenzetting te
beperken. Daardoor heb ik mijn lezers tijd bespaard, zonder hen aan
wanbegrip bloot te stellen.
Ik zal mijn voorgestelde doel bereikt hebben, als de vrienden der
natuurwetenschap voor zich in dit werk eenige nuttige inzichten
en beginselen vinden; als de hier uiteengezette eigen waarnemingen
bevestigd of accoord bevonden worden door hen, die zich met dezelfde
onderwerpen hebben beziggehouden; en indien de eruit ontsproten
gedachten, welke zij ook zijn, onze kennis kunnen vermeerderen of
ons op weg brengen naar onbekende waarheden.
INLEIDING
Om die bereikbare, stellige kennis te verkrijgen, die ons waarlijk
van nut is, moet men m.i. de natuur waarnemen, haar voortbrengselen
bestudeeren, de characteriseerende algemeene en bijzondere verhoudingen
opsporen, voorts de alom heerschende _orde_ trachten te begrijpen,
alsmede den voortgang der natuur, hare wetten, en de duizenderlei
middelen, door haar gebruikt om die orde te bewerkstelligen. Aldus
smaakt men tevens de zoetste genietingen, zoo geëigend als tegenwicht
tegenover de onvermijdelijke moeiten des levens.
Inderdaad, wat is er belangwekkender in de waarneming der natuur
dan de studie der dieren, het beschouwen van het verband van hun
samenstelling met die des menschen en van het vermogen van gewoonten,
levenswijze, klimaat en woonplaats om hun organen, eigenschappen
en eigenaardigheden te wijzigen? Of het onderzoek der verschillende
onder hen aangetroffen orgaanstelsels, waarnaar men de meer of minder
verwijderde betrekkingen vaststelt, die de plaats van een iegelijk
hunner in het natuurlijk systeem bepalen? Wat is er interessanter,
dan de algemeene indeeling, waartoe wij deze dieren brengen op grond
hunner grooter of kleiner samengesteldheid van bouw? Een indeeling,
die kon leiden tot de kennis van den weg zelf, dien de natuur gevolgd
heeft bij het scheppen van alle soorten.
Zeker, ontegenzeggelijk zijn al deze beschouwingen en nog verscheiden
andere, waartoe de dierstudie noodzakelijk leidt, zeer belangwekkend
voor alle natuurvrienden, die het ware in alles zoeken.
Merkwaardig intusschen, dat wij de voornaamste verschijnselen eerst
ter overdenking kregen sinds de voorkeur begon voor de studie der
lagere dieren, voornamelijk gebaseerd op hun anatomische onderzoek.
Niet minder merkwaardig is het, te moeten erkennen, dat bijna steeds
door de voortgezette onderzoekingen van de geringste objecten en
schijnbare kleinigheden in de natuur de belangrijke kennis gewonnen
is, leidende tot de ontdekking harer wetten en middelen en van
haar beloop. Deze waarheid, reeds door veel belangrijke feiten
bevestigd, zal in dit werk nog nader blijken en ons meer dan ooit
ervan overtuigen, dat bij de natuurstudie volstrekt niets verwaarloosd
mag worden.
Het voorwerp van de studie der dieren is niet uitsluitend, hunne
verschillende rassen te leeren kennen, en alle onderscheiden bijzondere
eigenaardigheden daartusschen te bepalen. Maar het geldt ook, te komen
tot de kennis van den oorsprong hunner vermogens, de oorzaaken van het
ontstaan en onderhouden van hun leven en voorts van de merkwaardige
voortschrijding hunner organisatie en van het aantal en de ontwikkeling
hunner vermogens.
Aan hun wortel zijn ongetwijfeld het physische en psychische één;
en men kan deze waarheid klaar doen uitkomen bij de studie van de
bewerktuiging der verschillende bekende dierorden. Het uit den wortel
ontsprotene is eerst nauwelijks, later duidelijk in twee groepen
onderscheiden, welke op zichzelf genomen eertijds mij--en velen nu
nog--toeschenen niets gemeenschappelijks te hebben.
Ondertusschen heeft men reeds den invloed leeren kennen van het
physische op het psychische [3]. Maar blijkbaar heeft men aan het
omgekeerde proces nog niet voldoende aandacht besteed. Voorwaar, deze
twee dingorden van gemeenschappelijken oorsprong werken op elkaar in,
vooral als zij het meest gescheiden lijken, en men is tegenwoordig
in staat, te bewijzen, dat zij elkaar onderling wijzigen.
Om de gemeenschappelijke afkomst van de twee resulteerende gebieden
aan te toonen, die in hun grootste onderscheiding het "_physische_"
en "_psychische_" uitmaken, heeft men een verkeerden weg gekozen. Men
is n.l. begonnen deze twee zoo kennelijk onderscheiden object-groepen
te bestudeeren bij den mensch zelf, wiens ten uiterste samengesteld
en volmaakt organisme in de oorzaken der levensverschijnselen,
gevoelens en functies het ingewikkeldst is, en waar het bijgevolg
't moeilijkst valt, den bron van zooveel verschijnselen te begrijpen.
Na het menschelijk organisme ter dege bestudeerd te hebben, had
men--inplaats van dadelijk te zoeken naar de "oorzaken" van het leven,
het physieke en psychische gevoel, kortom de hoogste menschelijke
vermogens--de organisatie der andere dieren moeten beschouwen,
de daartusschen bestaande verschillen, alsmede het verband met hun
resp. verrichtingen.
Indien men dat gedaan had, indien men den _vooruitgang_ in
samenstelling beschouwd had vanaf het eenvoudigste dier tot den mensch
toe, alsmede het achtereenvolgens verkrijgen van bijzondere nieuwe
organen, hoe de _behoeften_,--eerst nog in zeer gering, later in
groeiend aantal--den tendens tot hen bevredigende handelingen hebben
meegebracht, hoe de geregeld en versterkt uitgevoerde handelingen
de ontwikkeling van de haar volbrengende organen hebben veroorzaakt;
hoe de beweging-wekkende kracht bij de laagste dieren buiten hen kan
gelegen zijn en hen inmiddels toch bezielen. Hoe ten slotte deze kracht
in het dier zelf overgebracht en vastgelegd is, en hoe zij de bron
is geworden van het gevoel, en ten slotte van de verstandshandelingen.
Ik kan er bijvoegen, dat als men deze methode gevolgd had, men dan in
het geheel niet het _gevoel_ als de algemeene en onmiddellijke oorzaak
der bewegingen zou beschouwd hebben en het leven als een opvolging
van bewegingen, uitgevoerd krachtens de door verschillende organen
ontvangen gewaarwordingen, of anders, dat alle vitale bewegingen
voortgebracht werden door indrukken, in de gevoelige deelen
ontvangen. (_Rapp. du phys. et du moral de l'Homme, pp. 38-39, 85_).
Deze oorzaak zou tot op zekere hoogte gegrond schijnen ten opzichte
der hoogste dieren. Maar als het er zoo mee stond bij alles wat leeft,
dan zou dat àl het vermogen tot voelen bezitten. Men zou ons echter
nog moeten bewijzen, dat de planten of zelfs maar alle dieren in dat
geval verkeeren.
Ik erken in een dergelijke "algemeene" onderstelling volstrekt niet
den waren gang der natuur. Bij de grondvesting van het leven is zij
geenszins dadelijk begonnen met het stellen van een zoo uitnemend
vermogen als het gevoel. Zij heeft niet vermocht dit te scheppen in
de nog zoo onvolkomen onderste klassen van het dierenrijk.
De levende natuur heeft alles langzamerhand en gaandeweg gedaan,
daar kan men niet meer aan twijfelen.
Onder de verschillende onderwerpen, die ik mij voorstel in dit werk
uiteen te zetten, zal ik juist trachten aan te toonen,--door overal
bekende feiten aan te voeren--, dat de natuur in steeds samengestelder
diervormen progressief de verschillende bijzondere organen en functies
geschapen heeft.
Lang geleden dacht men, dat er een soort ladder of trapsgewijze keten
bestond tusschen de verschillende levensvormen. Bonnet heeft deze
meening ontwikkeld, maar hij heeft haar gansch niet bewezen met aan
de organisatie zelve ontleende werkelijke organieke feiten, wat toch
wel noodig was, vooral wat de dieren betreft. Hij kon dat ook niet,
want in zijn tijd had men nog niet de middelen ertoe.
Bij de bestudeering van dieren van alle klassen is er nog heel wat meer
te zien dan alleen hun toenemende samengestelde bewerktuiging. Hoe de
omstandigheden nieuwe behoeften meebrengen, deze weer handelingen,
deze weer, door herhaling, gewoonten en neigingen als resultaat van
het meerder of minder gebruik van een of ander orgaan: door welke
natuurlijke middelen al het door 't organisme verkregene te bewaren
en te volmaken is, enz. enz., dat zijn zeer belangrijke onderwerpen
voor de rationeele philosophie.
Maar deze dierenstudie, vooral van de lagere, werd zoolang
verwaarloosd, het vermoeden van hun groote belang lag nog zoover af,
en men is daarmee nog eerst zoo kortgeleden begonnen, dat men alle
reden heeft bij de voortzetting nog veel nieuw licht te verwachten.
Toen men begon werkelijk natuurlijke historie te studeeren en elk
rijk de aandacht der natuurvorschers kreeg, hebben de dierkundigen
hoofdzakelijk de gewervelde dieren onderzocht, d.w.z. de _zoogdieren_,
_vogels_, _kruipende dieren_ en ten slotte de _visschen_. Bij deze
klassen scheen de studie der soorten, grooter en beter bestembaar
als ze gewoonlijk zijn en meer ontwikkeld van bouw en functies,
meer te beloven dan die der ongewervelden.
En inderdaad, de uitermate kleine afmetingen der meeste ongewervelde
dieren, hun beperkte vermogens en het meer verwijderde verband hunner
organen met die van den mensch vergeleken bij de hoogere dieren,
heeft hen a.h.w. door het vulgus doen veracht en en hun zelfs tot
op onze dagen van de zijde der natuuronderzoekers slechts een zeer
matige belangstelling doen ten deel vallen.
Intusschen begint men terug te komen van dit vooroordeel, zoo
schadelijk voor de vooruitgang onzer kennis. Want sinds eenige
jaren lang deze eigenaardige dieren nauwlettend onderzocht zijn,
moet men bekennen, dat hun onderzoek zoowel voor den natuurvorscher
als den philosooph allerbelangwekkendst is, omdat het over talrijke
problemen der natuurlijke historie en dierkunde een licht werpt,
dat ànders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Belast met het onderwijs in de door mij dusgenoemde "_ongewervelde
dieren_" in het Museum voor Natuurlijke Historie gaven mij de
onderzoekingen aangaande deze talrijke dieren, het verzamelen van
de hen betreffende waarnemingen en feiten, en eindelijk het inzicht,
te danken aan hunne vergelijkende anatomie mij weldra een zeer hoog
denkbeeld van de belangstelling, welke die studie verdient.
Inderdaad moet het onderzoek van de _ongewervelden_ den natuurkenner
wel bijzonderlijk interesseeren, 1e. omdat de soorten dezer dieren
veel talrijker zijn dan van de gewervelden; 2e. omdat ze daardoor meer
gevarieerd zijn; 3e. wijl die variaties in samenstelling veel grooter,
ingrijpender en eigenaardig zijn; 4e. omdat de weg, dien de natuur
volgt om successievelijk de verschillende dierlijke organen te vormen
veel duidelijker uitgedrukt is in de mutaties, die zij ondergaan bij
de evertebraten en we daardoor veel beter het ontstaan zelf van de
organisatie, de oorzaak van hun samenstelling en ontwikkeling kunnen
begrijpen, dan door alle beschouwing van de meer volkomen dieren,
zooals de gewervelde.
Toen ik doordrongen was van deze waarheden voelde ik wel, dat om
ze aan mijn leerlingen te geven ik, in plaats van mij dadelijk in
bijzonderheden te verliezen, hun vóór alles de algemeene verhoudingen
omtrent alle dieren moest toonen; het verband des geheels, alsmede de
wezenlijk daarop betrekking hebbende beschouwingen. Vervolgens stelde
ik mij voor, de voornaamste momenten te bespreken, die dit geheel
verdeelen, om ze onder elkaar te vergelijken en elk afzonderlijk
beter te doen kennen.
Het ware middel toch, om te komen tot een deugdelijke kennis van een
onderwerp, zelfs tot in de kleinste onderdeelen, is: te beginnen met
het in zijn geheel te beschouwen; door te onderzoeken, òf massa, òf
uitgebreidheid, òf het geheel der samenstellende deelen. Dan moet
men zijn aard en oorsprong onderzoeken, welk verband er bestaat
met andere bekende verschijnselen, in één woord, het onder alle
gezichtspunten beschouwen, die licht kunnen verschaffen omtrent de
hun betreffende algemeene geldigheden. Men splitst vervolgens dat
onderwerp in zijn voornaamste deelen om ze afzonderlijk te beschouwen
in alle verhoudingen, die ons te hunnen opzichte kunnen inlichten. En
aldus voortgaande met verdeelen en onderverdeelen dringt men tot in de
kleinste details door, waarvan de bijzonderheden onderzocht worden,
tot de geringste toe. Aan het eind van dit onderzoek trekt men er de
conclusies uit en gaandeweg wordt zoo de wijsbegeerte dezer wetenschap
opgesteld en verbeterd.
Alleen langs dezen weg kan het menschelijk verstand de meest
uitgebreide, deugdelijke en stevig gegrondveste kennis erlangen,
in welke wetenschap ook. En alleen door deze wijze van analyse maakt
zij wezenlijke vorderingen en worden de betreffende onderwerpen nooit
verward maar volkomen doorgrond.
Ongelukkig is men bij de natuurstudie niet genoeg gewend deze methode
te volgen. De wel erkende noodzaak de afzonderlijke voorwerpen goed
waar te nemen heeft de gewoonte doen ontstaan, zich daarbij en bij hun
kleinste details te bepalen, zoodat zij voor de meeste natuurvorschers
het voornaamste onderwerp van studie geworden zijn. Het zou intusschen
voor de natuurwetenschappen een werkelijke remming zijn [4], indien men
in de waargenomen objecten slechts hardnekkiglijk den vorm, afmeting,
uitwendig voorkomen tot in de kleinste details, kleur enz. bleef zien,
en als die systematici zich niet verwaardigden zich tot beschouwingen
van hoogere orde op te werken, zooals het onderzoek naar de natuur
van het onderhavige voorwerp, naar de oorzaken der wijzigingen
en variaties, waaraan het is onderworpen, naar hunne onderlinge
betrekkingen en die met de andere bekende voorwerpen, enz.
Doordat men niet genoeg de geschetste methode volgt, merkt men zooveel
uiteenloopende richtingen op in het dienaangaande geleeraarde, zoowel
in de boeken, als elders, begrijpen de systematische specialisten
slechts hoogst moeilijk het algemeene verband tusschen de natuurvormen
of het ware plan der natuur en erkennen zij bijna geen harer wetten.
Eenerzijds nu overtuigd, dat men niet een methode moet volgen die
dusdanig de gedachten beperkt en benauwt, en anderzijds verplicht,
een nieuwe uitgave van mijn _Systeem der ongewervelde Dieren_ te
bezorgen, daar de snelle vorderingen der vergelijkende anatomie,
de nieuwe ontdekkingen der zoölogen en mijne eigene waarnemingen
mij in staat stelden, dit werk te verbeteren, heb ik gemeend in
een afzonderlijk werk onder den titel _Zoölogische Philosophie_ te
moeten verzamelen. 1e. De algemeene beginselen voor de studie van
het dierenrijk; 2e. de belangrijke waarnemingen, waarmee men daarbij
rekening moet houden; 3e. overwegingen betreffende de wetmatige
_groepeering_ der dieren en hun meest passende classificeering; 4e. de
gewichtigste gevolgtrekkingen natuurlijkerwijze uit een en ander af
te leiden en die de ware _philosophie_ der wetenschap grondvesten.
De "_Zoölogische philosophie_" is niet anders dan een omgewerkte
verbeterde en zeer vermeerderde uitgave mijner "_Onderzoekingen over
levende Wezens_". Zij is verdeeld in drie deelen, en elk daarvan weer
in verschillende hoofdstukken.
In het eerste deel, dat de voornaamste waargenomen feiten moet
bevatten en de algemeene beginselen der natuurwetenschappen, zal ik
eerst datgene behandelen, wat ik noem hun _kunstmatige hulpmiddelen_,
het belang van een beschouwing van de _overeenkomsten_ en van het
ons te vormen begrip van dusgenoemde levende "_soorten_". Na de
_algemeene geldigheden_ omtrent de dieren ontwikkeld te hebben,
zal ik uiteenzetten: primo de bewijzen voor een _trapsgewijze
afklimming_ in organisatie, die heerscht van het eene einde tot
het andere van een dierketen, waarbij de meest volkomen dieren aan
het begin zijn geplaatst; secundo zal ik aantoonen den invloed der
_omstandigheden en gewoonten_ op de dierlijke organen, als zijnde de
bron der oorzaken, die hun ontwikkeling bevorderen of remmen. Ik zal
dat gedeelte beëindigen met een beschouwing van de _natuurlijke orde_
der dieren en een eposé van hun _groepeering_ en _indeeling_.
In het tweede deel hoop ik mijn denkbeelden te geven over de orde
en gesteldheid, die den kern van het dierlijke leven uitmaken en ik
zal de wezenlijke bestaansvoorwaarden van dat bewonderenswaardige
natuurverschijnsel aanwijzen. Vervolgens zal ik de oorzaken trachten
te bepalen, die prikkelen tot organische bewegingen; die van
"spanning" en prikkelbaarheid; de eigenschappen van het celweefsel;
de eenige voorwaarden waarbij _generatio spontanea_ kan optreden;
de klaarblijkelijke gevolgen van de levensuitingen enz. enz.
In het derde deel zal ik ten slotte mijn gedachten uitspreken omtrent
de physieke oorzaken van het gevoel, de actieve vermogens en de
verstandshandelingen van zekere dieren.
Ik zal daarbij behandelen; 1e. den oorsprong en de vorming van het
zenuwstelsel; 2e. het "zenuwfluidum", slechts indirect te kennen, maar
welks bestaan bewezen wordt door de aan hetzelve bij uitstek eigen
verschijnselen; 3e. de stoffelijke gevoeligheid en het mechanisme der
gewaarwordingen; 4e. de kracht, die de bewegingen en handelingen der
dieren voortbrengt; 5e. den bron van den wil of het vermogen daartoe;
6e. de ideeën en hun verschillende rangorde; 7e. ten slotte eenige
bijzondere uitingen van het verstand, zooals de aandacht, de gedachten,
de verbeelding, de herinnering, enz.
De in het tweede en derde deel uiteengezette beschouwingen behelzen
ongetwijfeld zeer moeilijke en zelfs schijnbaar onoplosbare
onderwerpen. Maar ze zijn zoo belangwekkend, dat ook al de pogingen
ten hunnen opzichte van nut kunnen zijn, hetzij door het aantoonen
van nog niet opgemerkte waarheden, hetzij door den weg te banen,
die tot haar kan leiden.
ZOÖLOGISCHE PHILOSOPHIE
EERSTE DEEL
Beschouwingen over de natuurlijke historie der Dieren, hun
eigenaardigheden, verhoudingen, organisatie, rangschikking en indeeling
in soorten
HOOFDSTUK I
DE KUNSTMATIGE HULPMIDDELEN DER NATUURWETENSCHAPPEN
Overal in de natuur, waar de mensch zich zet tot het vergaren
van kennis, is hij gedwongen, verschillende middelen te gebruiken,
1e. om orde te scheppen tusschen de oneindig-talrijke en gevarieerde
beschouwde voorwerpen; 2e. om zonder verwarring in die onmetelijke
menigte òf belangwekkende groepen te onderscheiden, òf elk voorwerp op
zichzelf; 3e. tenslotte om alles wat men vernomen en gedacht heeft aan
zijns gelijken mee te deelen. Het daarbij door ons benoodigde dan vormt
wat ik noem de "_kunstmatige hulpmiddelen_" der natuurwetenschappen,
niet te verwarren met de wetten en handelingen zelf der natuur.
Evenzeer als het noodig is, in die wetenschap het kunstmatige van het
natuurlijke te onderscheiden, zoo moet men ook twee heel verschillende
drijfveeren tot natuurstudie uiteenhouden.
De eene is een "_economische_", omdat zij ontstaat uit de
menschelijke behoeften aan nooddruft en verpoozing met betrekking
tot de natuurvoortbrengselen, die hij zich ten nutte wil maken. Uit
dien hoofde interesseert hij zich slechts voor zulke, waarvan hij
voordeel wacht.
De andere, hiervan zeer verschillende drijfveer is de _wijsgeerige_,
die ons doet wenschen de natuur zelf in al haar geledingen te leeren
kennen, om haar beloop, wetten en verrichtingen te begrijpen, ons een
denkbeeld te vormen, van alles, wat zij laat ontstaan en bestaan,
i.e.w., die soort kennis verschaft, die den waren natuurvorscher
kenmerkt. Den weinigen van deze geestesrichting interesseeren alle
waarneembare natuurverschijnselen gelijkelijk.
De economische en amusements-behoeften deden eerst de verschillende
_hulpmiddelen_ bedenken, bij de natuurwetenschap in gebruik. Eenmaal
doordrongen van de belangstelling in de natuurstudie pasten wij hen
daarbij verder toe. Zoo zijn die middelen onontbeerlijk, zoowel bij
de bestudeering van bepaalde voorwerpen als ter bevordering der
natuurwetenschappen (i.h.a.), en ter oriënteering in haar enorme
hoeveelheid verschillende objecten.
Nu dwingt ons de _wijsgeerige_ belangstelling in de betreffende
wetenschappen--ofschoon minder algemeen gevoeld dan de economische--tot
scheiding van het kunstmatige en het natuurlijke en de behandeling
van het eerste binnen passende grenzen te houden, om aan het tweede
alle verdiende aandacht te schenken.
Die hulpmiddelen zijn:
1e. De systematische algemeene en bijzondere indeeling.
2e. De klassen.
3e. De orden.
4e. De families.
5e. De geslachten.
6e. De nomenclatuur, zoowel der verschillende afdeelingen
als der bijzondere voorwerpen.
Deze 6, in de natuurwetenschappen algemeen gebruikelijke, echte
kunst-middelen moeten dienen tot het rangschikken, indeelen,
bestudeeren, vergelijken, herkennen en aanhalen van de verschillende
waargenomen natuurvoortbrengselen. Iets dergelijks heeft de natuur niet
gedaan, en inplaats ons zelf te misleiden door ons werk met het hare te
verwarren, moeten wij erkennen, dat de _klassen_, _orden_, _families_,
_geslachten_ en desbetreffende _nomenclatuur_ hulpmiddelen van onze
vinding zijn, weliswaar onmisbaar, maar die men moet gebruiken volgens
overeengekomen beginselen om willekeurige veranderingen te vermijden,
die alle voordeel zouden te niet doen.
Zonder twijfel moest men onvermijdelijk de natuurvoortbrengselen
_groepeeren_ en onder hen verschillende indeelingen opstellen, zooals
klassen, orden, families en geslachten en z.g. _soorten_ afpalen
en al deze grootheden benoemen. De grenzen van ons kunnen eischen
het en wij behoeven zulke middelen als hulp bij het vastleggen van
onze kennis omtrent die wonderbaarlijke menigte tot in 't oneindige
verschillende, waarneembare natuurvormen.
Maar deze classificaties, dikwijls zoo gelukkig door de natuurvorschers
bedacht, evenals haar indeelingen en onderverdeelingen, zijn geheel en
al kunstmatig. Niets van dat alles bevindt zich in de natuur, ondanks
den grondslag, daaraan schijnbaar gegeven door zekere in schijn op
zichzelf staande deelen van de ons bekende natuurlijke reeks. Men kan
dan ook verzekeren, dat de natuur klassen, orden, families, geslachten
noch soorten werkelijk in constanten vorm heeft voortgebracht, maar
alleen individuen die elkaar opvolgen en gelijken op hun voortbrengers
[5]. Deze enkelingen nu behooren tot oneindig-verschillende rassen,
geschakeerd in allerlei vormen en allerlei graden van bewerktuiging die
onveranderd blijven zoolang geen oorzaak tot verandering op hen werkt.
Laten wij enkele korte uiteenzettingen geven omtrent elk der zes
genoemde hulpmiddelen.
_Systematische rangschikking._ Zoo noem ik--hetzij in het algemeen,
hetzij in het bijzonder--elke reeks dieren of planten, die niet
overeenkomt met de natuurlijke orde, d.w.z. deze noch geheel, noch
gedeeltelijk weergeeft en bijgevolg niet gegrond is op welbepaalde
onderlinge verhoudingen.
Men heeft tegenwoordig allen grond tot de erkenning, dat in de
natuur een gestelde orde heerscht onder al haar levende wezens,
volgens welke orde zij oorspronkelijk gevormd zijn.
Deze orde zelf bestaat in elk organisch rijk in wezen éénig en
ongedeeld en is te kennen uit de bijzondere en algemeene betrekkingen
tusschen haar verschillende samenstellende deelen. De organismen aan
beide einden van zoo'n geordende reeks hebben onderling het minst
wezenlijk verband en vertoonen in samenstelling en vorm de grootst
mogelijke verschillen.
Die orde zal, naarmate we haar leeren kennen, de systematische of
kunstmatige rangschikking vervangen, opgesteld om gemakkelijk de
verschillende waargenomen natuurvoorwerpen te groepeeren. Inderdaad
heeft men daarbij in de beginne slechts aan hun gemakkelijke
onderscheiding gedacht. En de werkelijke natuurlijke orde heeft men
des te langer ondoorvorscht gelaten, daar men haar bestaan zelfs
niet vermoedde.
Daardoor ontstonden allerlei kunstmatige systemen en methoden, gegrond
op zóó willekeurige beschouwingen, dat zij bijna door iederen auteur
beginselwijzigingen ondergingen.
Het _sexueele systeem_ van Linnaeus, zoo vernuftig het is,
vertegenwoordigt een algemeene _systematische indeeling_ der planten;
en de _entomologie_ van Fabricius een bijzondere dito voor de insecten.
De _philosophie_ der natuurwetenschappen heeft in den laatsten
tijd haar bekende vorderingen moeten maken, om ons--tenminste in
Frankrijk--te overtuigen van de noodzakelijkheid het _natuurlijke
systeem_ te bestudeeren, d.w.z. in onze indeelingen de natuurlijke
orde zelf te zoeken. Want deze is de eenige blijvende, onafhankelijke
van alle willekeur en de aandacht des onderzoekers waardige.
Bij de planten is de natuurlijke methode uiterst moeilijk te volgen,
door de nog duistere inwendige organisatie dier wezens en de mogelijke
verschillen daarin bij de onderscheidene families. Intusschen
heeft men na de geleerde onderzoekingen van Antoine Laurent de
Jussieu een grooten stap gedaan naar het natuurlijke systeem in de
botanie. Talrijke families zijn gevormd op het onderzoek der onderlinge
betrekkingen. Maar ons rest nog een deugdelijke bepaling van de
algemeene verhoudingen al dezer families onder elkaar en bijgevolg
van de heele Orde. Het begin daarvan heeft men werkelijk gevonden,
maar het midden en vooral het einde zijn nog aan willekeur ten prooi.
Met de dieren is het anders gesteld. Hun veel uitgesprokener
organisatie in verschillende meer begrijpelijke stelsels heeft hun
bewerking bevorderd. De natuurlijke Orde in het dierenrijk is dan
ook tegenwoordig in hoofdtrekken vast en voldoende omlijnd. Alleen
de grenzen der klassen, orden, families en geslachten zijn nog aan
willekeur prijsgegeven. De onder de dieren opgestelde _systematische
rangschikkingen_ zijn nog slechts bijzondere, die bijvoorbeeld leden
van één klasse betreffen, bijvoorbeeld van de _vogels_ of _visschen_.
Bij de levende wezens zijn de determineer-kenmerken voor de natuurlijke
betrekkingen van des te minder wezenlijken aard, hoe meer men afdaalt
van het algemeene tot het bijzondere, en de ware Orde der natuur
wordt zoo hoe langer hoe moeilijker herkenbaar.
_De klassen._ Men geeft den naam _klassen_ aan de algemeene
hoofd-afdeelingen van een natuurrijk. Over de andere namen spreken
we straks.
Hoe meer onze kennis vordert omtrent de betrekkingen tusschen de
samenstellende elementen van een rijk, hoe beter en natuurlijker
de opgestelde _klassen_ zijn, als men met die betrekkingen rekening
heeft gehouden. Desniettemin zijn zelfs tusschen de beste klassen de
grenzen kennelijk kunstmatig. Zij ondergaan dan ook steeds willekeurige
wijzigingen van den kant der auteurs, zoolang deze het niet eens
zijn over zekere betreffende hulp-principes, en zich daaraan niet
onderwerpen.
Zoo zullen dan, zelfs indien de natuurlijke Orde in een rijk volkomen
bekend was, de op te stellen _klassen_ altijd echt kunstmatige
verdeelsels blijven.
Intusschen schijnen vooral in het dierenrijk verscheidene van die
afdeelingen werkelijk door de natuur zelf geformeerd te zijn. En
zeker zal men nog lang nauwelijks gelooven, dat de zoogdieren,
vogels, enz. géén wèl onderscheiden, natuurlijke klassen zijn. En
toch is dat slechts inbeelding en tegelijk een gevolg van de grenzen
onzer kennis omtrent de bestaande of voormalige dieren. Hoe meer die
voortschrijdt, hoe meer bewijzen verkrijgen we, dat de grenzen, zelfs
van de meest-afgezonderd schijnende klassen, zich door onze nieuwe
ontdekkingen zien uitgewischt. Zoo schijnen al de _vogelbekdieren_ en
_mieren-egels_ het bestaan aan te duiden van overgangsvormen tusschen
vogels en zoogdieren. Hoeveel zou de natuurwetenschap er niet bij
winnen, als het groote Australische gebied, en nog verscheiden andere,
ons beter bekend waren.
Als _klassen_ de afdeelingen van den eersten graad zijn, volgt
daaruit, dat _daarin_ gevormde indeelingen zelf geen klassen kunnen
zijn; want dat is klaarblijkelijk minder passend. Toch doet men dat
wel. Brisson heeft, in zijn _Ornithologie_, de klasse der vogels
in verschillende bijzondere "klassen" verdeeld. Gelijk overal de
natuur aan wetten, zoo moet ook de wetenschap aan regels onderworpen
zijn. Bij gebreke daaraan,--of als zij niet opgevolgd worden--blijven
haar voortbrengselen onbestendig en haar doel gemist.
Moderne natuurkundigen hebben een verdeeling van een klasse in
meerdere _onderklassen_ ingevoerd, en anderen hebben dit denkbeeld
zelfs toegepast op geslachten, zoodat er _sub-genera_ gevormd
werden. Weldra zal ons systeem onder-klassen, -orden, -families,
-geslachten en -soorten rijk zijn. Dat is een onberaden misbruik dat
de rangorde en eenvoud van indeeling vernietigt, door Linnaeus in zijn
voorbeeld gesteld en door ieder aangenomen. De verscheidenheid der
tot een klasse behoorende dieren of planten is soms zoo groot, dat
het noodig is, daaronder veel afdeelingen en onder-afdeelingen op te
stellen. Maar het belang der wetenschap vordert voor elk daarvan steeds
den grootst mogelijken eenvoud, om de studie te vergemakkelijken. Dat
belang laat al die afdeelingen toe, maar verzet zich tegen een eigen
naam voor elk. Er moet een einde komen aan dat namenmisbruik, anders
zou de nomenclatuur nog een moeilijker onderwerp worden, dan de dingen
zelf, waar het om gaat.
_De Orden._ Den naam _orde_ moet men geven aan de voornaamste
afdeelingen van een klasse. En als deze zelf weer onder-verdeeling
toelaten, zijn die onderdeelen geen _orden_ meer. Die naam zou haar
kwalijk passen.
Zoo is bijvoorbeeld de klasse der weekdieren gereedelijk in twee
groote partijen te verdeelen, de eene met een kop, oogen enz. en
zich voortplantend door paring, de andere zonder kop en oogen
en paring. Deze _cephale_ en _acephale_ mollusken moeten dus als
de twee orden van die klasse beschouwd worden. Intusschen is elk
daarvan in meerdere merkwaardige parten te deelen. Maar dat is nog
geen reden om deze nu _orden_ of zelfs _onder-orden_ te noemen. Zij
kunnen als secties beschouwd worden, als groote families, zelf voor
onderverdeeling vatbaar.
Laat ons in onze hulpmiddelen den grooten eenvoud en rangorde bewaren,
door Linnaeus ingesteld. En laten we die orden voorzoover noodig in
onderdeelen splitsen, zonder bijzondere benamingen.
De orden moeten geteekend zijn door belangrijke kenmerken, alle
opgenomen leden betreffende. Maar men moet haar geen bijzondere naam
geven, toepasselijk op die leden zelf. Hetzelfde moet 't geval zijn
met de noodzakelijk onder de orden te formeeren secties.
_De Families._ Men geeft de naam _familie_ aan systematische groepen,
die eenerzijds kleiner zijn dan de (klassen en) orden, anderzijds
grooter dan de genera. Maar hoe natuurlijk ook de families zijn door
de onderlinge verwantschap van alle erin vervatte geslachten, toch
zijn de haar afbakenende grenzen altijd kunstmatig. De natuurvorschers
zullen dan ook door de verdere studie der natuurvoortbrengselen en
het vinden van nieuwe families steeds hare grenzen wijzigen. De een
verdeelt een familie in verscheiden nieuwe, de ander vereenigt er
verschillende tot één, weer een ander voegt eraan toe en verschuift
zoo de haar toegekende grenzen.
Als alle (_soorten_ genoemde) rassen van een natuurrijk volmaakt bekend
waren, en eveneens de ware betrekkingen tusschen elk daarvan alsmede
tusschen de verschillende gevormde groepen, zoodat overal het werkelijk
natuurlijk verband in de verdeeling der soorten tot stand gebracht
ware, dan zouden de klassen, orden, secties, en geslachten families
zijn van verschillende grootten. Want al die afdeelingen zouden grooter
of kleiner porties zijn der natuurlijke Orde. In dat geval zouden de
grenzen daartusschen uiterst lastig zijn vast te stellen. Willekeur
zou ze onophoudelijk doen varieeren en men zou het er slechts over
eens zijn, voor zoover ze door gapingen duidelijk afgeperkt zijn.
Gelukkig voor de in te voeren kunstbegrippen zijn er nog zóóveel
soorten dieren en planten onbekend--en daarbij vele wellicht voor
altoos, wegens de ontoegankelijkheid van hun verblijfplaats of andere
omstandigheden--dat de ontstane gapingen in de reeks, zoowel de dieren
als de planten ons nog lang--wellicht voorgoed--de begrenzing der
meeste afdeelingen zal mogelijk maken.
Gebruik en noodzaak vereischen voor elke familie en elk geslacht een
eigen, toepasselijken naam. Daaruit volgt, dat de schommelingen
in grenzen, uitbreiding en bepaling der families steeds
nomenclatuur-veranderingen zullen veroorzaken.
_De Geslachten._ Men geeft den naam _geslacht_ aan een vereeniging
van soorten volgens hun onderlinge betrekkingen en stelt aldus kleine
reeksen op, omschreven door willekeurig-gekozen grenzen.
Bij een goed genus gelijken alle bestreken soorten in de meest
wezenlijke en talrijke trekken op elkaar, moeten natuurlijkerwijze
naast elkaar geschikt worden en verschillende slechts onderling in
min-gewichtige opzichten, maar voldoende ter onderscheiding.
Zoo zijn de goede geslachten inderdaad kleine _families_,
d.w.z. werkelijke deelen der Natuurorde.
Maar gelijk de uitbreiding der als _families_ betitelde reeksen
gevarieerd worden door de auteurs, die willekeurig in de betreffende
grondleggende normen afwijken, zoo zijn ook de grenzen der _genera_
blootgesteld aan oneindige veranderingen, wijl zijlieden naar hun
believen hun determineerkenmerken wijzigen. En daar de geslachten elk
een eigen naam vereischen en elke verandering in de genusbepaling
bijna altijd naamswijziging meebrengt, zoo kan men moeilijk de
schade berekenen, welke die eeuwige wijzigingen aan den voortgang
der natuurwetenschappen toebrengen, hoe zij de synonymie overstelpen,
de nomenclatuur overladen en de studie lastig en onaangenaam maken.
Wanneer zullen de natuurkenners zich aan algemeen overeengekomen
beginselen onderwerpen, voor het opstellen van genera, enz. enz.? Maar,
verleid door de natuurlijke betrekkingen, herkend tusschen de
samengebrachte voorwerpen, gelooven zij bijna allen nog, dat de
opgestelde _geslachten_, _families_, _orden_ en _klassen_ werkelijk
natuurlijk zijn. Zij bedenken niet, dat weliswaar de goede reeksen,
op grond der onderlinge betrekkingen opgesteld, werkelijk in de
natuur bestaan,--als grooter of kleiner deelen harer Orde--maar dat
de scheidingslijnen, noodwendig van afstand tot afstand te trekken
om de Natuurorde in te deelen, daar geenszins zijn.
Bijgevolg zijn de geslachten, families, verschillende secties, orden
en zelfs de klassen werkelijke _kunstbegrippen_, hoe natuurlijk
de welgevormde series ook mogen zijn, die deze onderscheidene
afdeelingen uitmaken. Ongetwijfeld is hun opstelling noodig en ze
strekt klaarblijkelijk tot nut. Maar zij moet onderworpen worden aan
overeengekomen en algemeen erkende regelen, opdat niet door voortdurend
misbruik alle opgeleverde voordeel te loor ga.
_De Nomenclatuur_, het zesde kunstbegrip. Zoo noemt men het stelsel
van namen, toegekend, zoowel aan de afzonderlijke voorwerpen (alle
rassen of soorten) als aan de verschillende groepen daarvan (alle
genera, families en klassen).
Tot duidelijke aanduiding van het voorwerp onzer nomenclatuur,--die
slechts namen van soorten, genera, families en klassen behelst--moet
men haar onderscheiden van die eener ándere tak van wetenschap,
de _technologie_, welke uitsluitend deelen van natuurproducten
betreft. [6]
Stellig is de nomenclatuur in de natuurlijke historie een
noodzakelijk kunstbegrip, om onze denkbeelden omtrent de waargenomen
natuurvoortbrengselen vast te leggen en beide te kunnen overbrengen.
Gewis moet dit hulpmiddel, als alle andere, onderworpen worden aan
overeengekomen en algemeen opvolgende regelen. Weliswaar ontstaat het
algemeene en beklagenswaardige misbruik hoofdzakelijk door de steeds
talrijker verkeerde inkruipsels in de overige kunstbegrippen. Inderdaad
ondergaat de _nomenclatuur_ onbegrensde wijziging, doordat bij gebrek
aan vaste regels voor de vorming van _geslachten_, _families_ en
_klassen_ deze grootheden aan allerlei willekeur zijn blootgesteld. En
de reeds zoo uitgebreide _synonymie_ zal steeds aangroeien, en steeds
minder zulk een fnuikende wanorde kunnen goed maken.
Dat was nooit geschied, indien men niet in aanmerking had genomen, dat
alle in de serie van levende wezens te trekken scheidslijnen in wezen
kunstmatig zijn, behalve voor zoover ze volgen uit nog openstaande
gapingen. Maar men heeft dat niet bedacht. Men twijfelt dienaangaande
zelfs niet, en tot op onze dagen hebben de natuurvorschers vrijwel niet
anders beoogd, dan verscheidenheden tusschen de voorwerpen opstellen,
wat ik hoop aan te toonen [7].
Ziedaar de gevolgen van het verzuim te onderscheiden tusschen het
werkelijk-_kunstmatige_ en het natuurlijke en van het feit, dat men
zich niet beijverd heeft, passende regels te vinden, om de op te
stellen afdeelingen minder willekeurig te bepalen.
HOOFDSTUK II
BELANG VAN EEN BESCHOUWING OVER DE NATUURLIJKE OVEREENKOMSTEN
Men heeft onder de levende wezens den naam _overeenkomst_ tusschen twee
vergeleken voorwerpen gegeven aan trekken van analogie of gelijkenis,
in hun geheel genomen, waarbij men inmiddels aan de gewichtigste de
meeste waarde hecht. Hoe gelijkvormiger en omvattender ze zijn, hoe
belangrijker zijn die onderlinge betrekkingen. Zij duiden een soort
verwantschap aan tusschen de betreffende levende wezens en doen de
noodzakelijkheid gevoelen ze in onze indeelingen volgens den graad
hunner overeenkomst bijeen te plaatsen.
Welk een veranderden loop hebben de natuurwetenschappen niet genomen,
sinds men ernstig is begonnen, aandacht te schenken aan de onderlinge
overeenkomsten en vooral sinds men hun ware beginselen en waarde heeft
vastgesteld. Vòòr deze verandering waren onze botanische indeelingen
geheel ten prooi aan willekeur en aan mededinging onder de kunstmatige
stelsels van alle schrijvers. En in het dierenrijk vertoonde
de indeeling der ongewervelden--de meerderheid van alle bekende
dieren--zeer heterogene verzamelingen, bijvoorbeeld onder den naam
_insecten_ of _wormen_, van zeer uiteenloopende, ver-verwante dieren.
Gelukkig is de stand van zaken in dit opzicht veranderd. Voortaan is
men verzekerd van voortuitgang, bij de verdere studie der natuurlijke
historie.
Een beschouwing der _natuurlijke overeenkomsten_ verhindert elke
willekeur van onzen kant bij de pogingen tot een stelselmatige
indeeling der levende wezens. Zij toont ons de natuurwet, die ons
moet leiden in het natuurlijke systeem. Zij dwingt de natuurkenners
tot accoord omtrent den toe te kennen rang aan de voornaamste
samenstellende groepen van hun stelsel en voorts aan de bijzondere
voorwerpen, waaruit die zijn opgebouwd. Ten slotte brengt zij hen tot
het weergeven van de Orde zelve, die de natuur heeft gevolgd bij het
voortbrengen van haar schepselen.
Zoo moet dan de overeenkomst tusschen de verschillende dieren ons
voornaamste voorwerp van onderzoek zijn vóór elke indeeling of
classificatie.
De betrekkingen, waarover wij het hier hebben, betreffen niet
alleen die tusschen de soorten onderling, maar ook al de nauwere of
meer verwijderde algemeene betrekkingen tusschen de verschillende
vergeleken groepen.
Deze overeenkomsten, ofschoon--al naar het belang van de betreffende
deelen--van zeer verschillenden graad, kunnen zich inmiddels tot de
gedaante der uitwendige lichaamsdeelen uitstrekken. Als zij zoover
gaan, dat niet slechts de in-, maar ook de uitwendige organen geen
enkel aanwijsbaar verschil bieden, dan zijn de beschouwde voorwerpen
individuen van dezelfde soort. Maar als, ondanks vèrgaande, wezenlijke
overeenkomst, de uitwendige deelen voelbare verschillen vertoonen,
dan zijn het onderscheidene soorten van eenzelfde geslacht.
Het belangrijke onderzoek naar de onderlinge betrekkingen bepaalt
zich niet tot het vergelijken van klassen, families of zelfs soorten,
maar omvat ook een behandeling van de samenstellende deelen der
individuen. De vergelijking van gelijksoortige deelen met elkaar levert
een gewichtig middel tot herkenning van specifieke overeenkomst of
verschil tusschen de dieren.
Men heeft namelijk opgemerkt, dat de verhouding en schikking der
deelen van alle individuen van een soort of ras steeds dezelfde
blijven. Men heeft daaruit terecht besloten, dat bij onderzoek van
een paar afzonderlijke deelen is uit te maken, tot welke bekende of
nieuwe soort deze behooren.
Dit middel bevordert zeer onze kennis der natuurvoortbrengselen
in het tijdperk der waarneming. Maar de daaruit voortvloeiende
determinaties kunnen slechts beperkten tijd geldig zijn, want van
de rassen zelf verandert de toestand der deelen naarmate de op hen
in werkende omstandigheden zelf zich belangrijk wijzigen. Daar die
veranderingen zich uiterst langzaam en onmerkbaar voltrekken, schijnen
de verhoudingen en schikkingen den waarnemer steeds onveranderlijk
dezelfde. En als hij er ontmoet, die wèl afgeweken zijn, zoo meent hij,
die die verandering niet heeft zien plaats grijpen dat de bemerkte
verschillen altijd hebben bestaan.
Waar blijft het niettemin, dat men bij vergelijking van gelijksoortige
deelen van verschillende individuen de meerdere of mindere
overeenkomst tusschen die deelen gemakkelijk en zeker bepaalt, en
ze bijgevolg herkent als te behooren tot individuen van dezelfde dan
wel verschillende soort.
Slechts de algemeene gevolgtrekking gaat mank, als zijnde te overhaast
opgesteld. Bij meer dan een gelegenheid zal ik dat in den loop van
dit werk kunnen bewijzen.
De betrekkingen zijn steeds volledig, als zij slechts op de beschouwing
berusten van een op zichzelf genomen deel. Maar niettemin is haar
belang evenredig met het min of meer essentieele van het desbetreffende
deel.
Er zijn dus graden in de bevonden overeenkomsten te bepalen en de
belangrijkheid der betreffende deelen is van verschillende waarde. Deze
kennis zou waarlijk zonder toepassing en nut gebleven zijn, als
men bij de levende wezens niet had leeren onderscheiden tusschen
meer en minder wichtige deelen en als men bij de eerste niet het
geëigende beginsel had gevonden om tusschen hen (niet-willekeurige)
waarde-graden op te stellen.
Bij de dieren leveren de wezenlijke deelen voor instandhouding van
het leven en bij de planten die voor de voortplanting de belangrijkste
_overeenkomsten_.
Daarom zal men de onderlinge betrekkingen bij de dieren steeds voor
alles naar de inwendige _samenstelling_ bepalen en bij de planten
naar de _voortplantings_organen. Maar daar beide deze gewichtigste
deelen van verschillenden aard zijn, is het eenige passende middel,
om hun belangrijkheid uit te maken: te onderzoeken, welk hunner van
nature 't meest gebruikt wordt en het belang dier functie voor het
betreffende dier.
Bij de dieren worden terecht drieërlei bijzondere soorten organen
uitgezocht als de geschiktste voor het leveren der voornaamste
overeenkomsten.
In volgorde van gewicht zijn zij:
1e. _De gevoelsorganen_: de zenuwen met een middelpunt van
verbindingen, enkelvoudig (hersenen) of meervoudig (buikganglieketen).
2e. _De ademhalingsorganen_: de longen, kieuwen en tracheeën.
3e. _Het apparaat voor den bloedsomloop_: de slagaders en aders,
meest met een middelpunt van werking: het _hart_.
De eerste twee dezer organen worden meer algemeen gebruikt door de
natuur en zijn daardoor belangrijker dan het derde, want zij komen
nog voor bij de twee klassen ónder de crustaceeën, terwijl het
laatstgenoemde daar ontbreekt.
Van de twee eerstgenoemde winnen het weer de gevoelsorganen in
belang voor de onderlinge overeenkomsten, want zij veroorzaken
de meest-typische dierlijke functies en zonder hen zou er geen
spierbeweging plaats hebben.
Voor de gewassen, waar alleen de voortplantingsorganen punten van
overeenkomst-bepaling geven, zou ik die deelen in volgorde van waarde
aldus geven:
1e. De kiem met toebehooren (zaadlobben, perisperm) en zaad.
2e. De geslachtsdeelen der bloemen: de stamper en meeldraden.
3e. De hulsels van deze: kroon, kelk, enz.
4e. De vruchthulsels of pericarp.
5e. De ongeslachtelijke voortplantingsorganen.
Deze beginselen geven aan de natuurwetenschap een ongekende
duurzaamheid en houvast. De daarop gegronde betrekkingen zijn
volstrekt niet onderworpen aan wisselvalligheden van opvatting. Onze
algemeene indeelingen worden hechter, en naarmate wij ze met behulp
dezer middelen volmaken, naderen zij meer en meer tot de Orde der
natuur zelf.
Na het belang der verwantschap gevoeld te hebben, zag men inderdaad,
vooral sinds de laatste jaren, pogingen opkomen tot 't opstellen van
het z.g. "_natuurlijke systeem_" zijnde niets anders dan de door den
mensch uitgestippelde schets van den gang der natuur bij het doen
ontstaan harer schepselen.
Tegenwoordig moet men in Frankrijk niets meer hebben van die
kunstmatige stelsels, gebaseerd op kenmerken, die strijden met de
natuurlijke _betrekkingen_ tusschen de betreffende wezens, en waarop
berustende indeelingen schadelijk zijn voor den voortgang van onze
natuurkennis.
Ten opzichte der dieren is men tegenwoordig terecht overtuigd,
dat natuurlijke verwantschap alleen uit hun organisatie bepaald kan
worden. Bijgevolg zal de zoölogie het daarvoor verlangde licht meest
aan de vergelijkende anatomen ontleenen. Maar het zij opgemerkt,
dat wij voornamelijk de feiten uit hun werken moeten vergaren, en
niet altijd de daaruit getrokken conclusies. Want maar al te dikwijls
gaan deze van misleidende gezichtspunten uit, die ons zouden kunnen
hinderen in het zien van de wetten en het ware plan der natuur. De
mensch schijnt veroordeeld om bij elk nieuw-ontdekt feit te verdwalen
in de aanwijzing van de oorzaak. Zoo vruchtbaar is zijn verbeelding
in het scheppen van ideeën, waarbij hij dan al te zeer verzuimt zijn
oordeel te doen leiden door algemeene samenvattende beschouwingen,
die waarnemingen en andere feiten hem bieden kunnen.
Bij gereedelijke beoordeeling van de _natuurlijke betrekkingen_
tusschen de voorwerpen, blijken de naar dat beginsel bij elkaar
gegroepeerde soorten z.g. _geslachten_ te vormen. De geslachten, op
dezelfde wijze tot eenheden van hooger orde gerangschikt, stellen de
_families_ samen, deze op hun beurt _orden_, deze de hoofd-indeeling
der _klassen_ en zij weer die der _Rijken_.
Overal moeten dus de naar waarde geschatte natuurlijke betrekkingen
ons leiden bij het opstellen van al die afdeelingen.
Men is gerechtigd, aan te nemen, dat een indeeling der heele
reeks wezens van een Rijk op grond der onderlinge overeenkomsten
de _natuurlijke Orde_ zelf laat zien. Maar--gelijk ik in het vorige
hoofdstuk heb aangetoond--moet men daarbij voor oogen houden, dat de
verschillende om studie-redenen op te stellen afdeelingen volstrekt
niet in de natuur voorkomen, maar inderdaad kunstmatig zijn, ofschoon
natuurlijke deelen van die door de natuur ingestelde orde.
Voeg daarbij, dat onder de dieren de verwantschap hoofdzakelijk naar
de organisatie bepaald moet worden, en dat de hierbij toegepaste
beginselen niet den minsten twijfel aan hun gegrondheid moeten
laten, en men heeft bij alle beschouwingen een stevige basis voor de
_zoölogische philosophie_.
Elke wetenschap moet immers haar philosophie hebben, en slechts
op dezen weg kan zij ware vorderingen maken. Vergeefs zullen de
natuuronderzoekers hun tijd besteden met het beschrijven van nieuwe
soorten, en elke schakeering en kleine bijzonderheid gebruiken om
de geweldige lijst van ingeschreven soorten te vergrooten, i.e.w.,
om op alle manieren genera op te stellen en hun normen voortdurend
te wijzigen. Als de wijsbegeerte der wetenschap verwaarloosd wordt,
zullen zij werkelijken vooruitgang derven en het heele werk onvoltooid
blijven.
Eerst sinds het vaststellen der nauwere of meer verwijderde
betrekkingen tusschen de verschillende natuurvoortbrengselen en hun
afdeelingen heeft de natuurwetenschap eenige stevigheid van beginselen
gekregen en een philosophie, die haar werkelijk tot dien rang verheft.
Welk een voordeel trekt onze systematiek niet elken dag ter harer
volmaking uit de voortgezette bestudeering der overeenkomsten! Zoo
heb ik daarbij bevonden, dat de _infusiediertjes_ niet langer
met de polypen in dezelfde klasse konden worden vereenigd; dat de
_straaldieren_ evenmin daarmee saamgesmolten mochten worden; en dat
de geleiachtige dieren zooals de kwallen en naburige geslachten,
die Linne en Bruguiere zelfs onder de weekdieren plaatsten, wezenlijk
dichter stonden bij de zeeëgels en daarmee een afzonderlijke klasse
moesten vormen().
Voorts kwam ik bij die studieën tot de overtuiging dat de _wormen_
een afzonderlijke afdeeling vormden, zeer verschillend van de
_straaldieren_ en a fortiori van de _polypen_; dat de _spinachtigen_
geen deel meer uitmaken konden van de klasse der insecten en dat de
_rankpootigen_ noch ringwormen noch weekdieren waren.
Tenslotte kon ik door genoemde studiën tal van wezenlijke verbeteringen
aanbrengen in de afdeeling zelf der mollusken en bevond ik, dat de
_pteropoden_, zeer verwant met--schoon gescheiden van--de gasteropoden,
niet tusschen deze en de cephalopoden mochten geplaatst worden,
maar tusschen de hun naburige koplooze en de buikpootige weekdieren
in. Deze _pteropoden_ toch hebben geen oogen, gelijk alle acephalen,
en bijna geen kop, Hyalaea zelfs heelemaal niet. (Zie in hoofdstuk
VII de bijzondere indeeling der Mollusca).
Zoodra bij de gewassen de studie der overeenkomsten tusschen de
verschillende bekende families ons beter ingelicht zal hebben
omtrent den rang, dien elk in de algemeene reeks moet innemen, zal
ook hun indeeling geen plaats meer laten voor willekeur en meer gaan
overeenkomen met de Natuurlijke Orde zelve.
Zoo zijn dan de onderlinge betrekkingen van zoo kennelijk belang, dat
men haar bestudeering tegenwoordig moet beschouwen als de voornaamste
voor de bevordering der natuurwetenschap.
HOOFDSTUK III
OVER DE SOORT BIJ DE LEVENDE WEZENS EN HET BEGRIP DAARAAN TE HECHTEN
Het is geen bagatel, nauwkeurig het begrip te bepalen, dat we ons
te vormen hebben van z.g. _soorten_ onder de levende wezens, en
te onderzoeken, of inderdaad _soorten_ absoluut standvastig zijn,
dus even oud als de natuur zelf en alle van den aanvang af in hun
tegenwoordigen toestand bestaan hebben; of zij niet, onderworpen aan
mogelijke wijzigingen hunner omstandigheden, op de duur van karakter
en vorm veranderd zijn, zij het ook uiterst langzaam?
De oplossing van deze vraag is niet alleen van belang voor zoölogie
en botanie, maar ook voor de geschiedenis van den aardbol.
In een van de volgende hoofdstukken zal ik laten zien, dat elke soort
onder den invloed van de haar langen tijd omringende omstandigheden,
_gewoonten_ heeft aangenomen, welke op haar beurt een omvormende
werking hebben op de deelen van elk individu der soort, zoodat zij
deze met zichzelf in overeenstemming brengen.
Laten wij echter eerst eens het bestaande _soort_-begrip in oogenschouw
nemen.
_Soort_ noemt men elke verzameling van overeenkomstige individus,
die door huns gelijken zijn voortgebracht.
Deze bepaling is juist, want al wat leeft gelijkt steeds ten naaste bij
op datgene, waaruit het voortkomt. Maar men voegt er de onderstelling
aan toe, dat de een soort samenstellende eenheden nooit in specifieke
kenmerken veranderen en de _soort_ bijgevolg in de natuur volkomen
vast-staat.
Alleen tegen deze onderstelling wil ik den strijd aanbinden, wijl
zékere waarnemingen ten duidelijkste haar ongegrondheid doen blijken.
De bijna algemeene aanname [8] dat de _soorten_ levende wezens
door onveranderlijke kenmerken duurzaam onderscheiden zijn en hun
aanzijn even oud is als de natuur zelf, werd opgesteld in een tijd,
toen men nog niet voldoende had waargenomen en de natuurkennis nog
vrijwel nihil was. Elken dag wordt zij echter gelogenstraft voor
wie gereedelijk hun oogen den kost gegeven hebben, de natuur lang
gadegeslagen en met vrucht de groote en rijke collecties hebben
geraadpleegd in onze _Musea_.
Ieder, die zich veel met natuurlijke historie heeft beziggehouden,
weet dan ook, dat tegenwoordig de natuurvorschers de grootste moeite
hebben met de soortbepaling. In onwetendheid, dat _soorten_ inderdaad
slechts constant zijn ten opzichte "hunner" eigene omstandigheden
zoolang deze duren, en dat sommige afwijkende individuen rassen
vormen, overgaande in die van een naburige soort, bestempelen de
systematici willekeurig sommige exemplaren in verschillende landen
en levensvoorwaarden als variëteiten, andere als soorten. Daardoor
wordt dat gedeelte van het werk, dat de soortbepaling betreft, met
den dag gebrekkiger, d.w.z. verwarder en vol hindernissen.
Men heeft nu inderdaad reeds lang verzamelingen van individuen
bemerkt, die in samenstelling hunner deelen zòò op elkaar lijken en
van geslacht op geslacht zoolang men ze kent dezelfde blijven, dat men
zich gerechtigd waande ze te beschouwen als vormende onveranderlijke
_soorten_.
Daar men er intusschen geen acht op geslagen heeft, dat de elementen
van een soort zich zoo lang moeten bestendigen, als de hun levenswijze
beïnvloedende omstandigheden zich niet in wezen wijzigden, en daar de
heerschende vooroordeelen ingenomen waren met dat eeuwige "voortteelen
van gelijke individuen", zoo heeft men de soorten onveranderlijk en
even oud als de natuur geacht, elk afzonderlijk geschapen door den
oppersten Veroorzaker van al het bestaande.
Ongetwijfeld bestaat er niets dan door den wil van den oppersten
Schepper aller dingen. Maar kunnen wij hem regelen toekennen voor
de uitoefening van zijn wil en de gevolgde wegen vaststellen? Heeft
zijn oneindige macht niet een _orde der dingen_ kunnen scheppen,
die achtereenvolgens het aanzijn gaf aan alles, bekend en onbekend?
Waarlijk, hoe ook zijn wil geweest zij, de onmetelijkheid zijner macht
is steeds dezelfde. En hoe deze opperste wil zich ook volvoerd moge
hebben, niets kan er de grootte van verminderen.
Terwijl ik dus voor de besluiten van deze eeuwige wijsheid ontzag
heb, beperk ik mij binnen de grenzen van een eenvoudig waarnemer der
natuur. Indien ik dus op de wegen, waarlangs zij hare werken volvoert,
iets aan den dag breng, zal ik, zonder vrees mij te vergissen, zeggen,
dat 't den Schepper behaagd heeft, hetzelve zoo'n eigenschap en kracht
toe te kennen.
Het _soort_-begrip, dat men zich gevormd had, was vrij eenvoudig en
begrijpelijk en scheen bevestigd door de onderlinge vormgelijkenis
der nakomelingen. Zoo is het nòg gesteld met zeer veel z.g. "soorten",
die wij elken dag zien.
Intusschen, hoe meer onze kennis omtrent de verschillende organismen
vooruitgaat, waarmee haast alle deelen van de aardoppervlakte bedekt
zijn, hoe grooter wordt onze verlegenheid bij de soortbepalingen en
a fortiori bij de begrenzing en onderscheiding van geslachten.
Naarmate onze verzamelingen van natuurproducten rijker worden,
zien we bijna alle open plaatsen zich vullen en onze scheidslijnen
vervagen(). Wij vinden ons bepaald tot willekeurige definities, die
ons nu eens de geringste verschillen doet aangrijpen als kenmerken
van een _soort_, dan weer van variëteiten.
Ik herhaal het, hoe rijker onze collecties, hoe meer de bewijzen,
dat alles min of meer onderling is genuanceerd, de verschillen zich
verdoezelen en de natuur ons meestentijds slechts ondergeschikte en
soms zelfs kinderachtige bijzonderheden overlaat om onderscheidingen
op te stellen.
Menig genus onder de planten en dieren is door de vele _soorten_ zoo
uitgebreid, dat hun bestudeering bijna ondoenlijk is geworden. Deze
soorten toch,--in reeksen gerangschikt naar hun natuurlijke
overeenkomst,--vertoonen zulke geringe verschillen met hun buren, dat
zij in elkaar overgaan, eenigszins door elkaar loopen en met geen enkel
middel hun kleine onderlinge verschillen onder woorden te brengen zijn.
Slechts zij, die zich lang en veel bezig hebben gehouden met
de determineering van _soorten_--en rijke collecties hebben
geraadpleegd--kunnen weten, hoezeer deze vloeiend in elkaar overgaan,
en hoe hun hier en daar schijnbaar geïsoleerd voorkomen slechts
veroorzaakt wordt door het ons nog ontbreken van andere, meer naburige
maar nog niet verzamelde vormen.
Ik wil daarmee niet zeggen, dat de bestaande dieren een enkelvoudige
en gelijkmatige reeks vormen, maar veeleer een onregelmatige vertakte
serie zonder plotselinge overgangen tusschen de deelen--althans niet
van huis uit, indien ze er al mochten zijn door het verloren gaan
van enkele soorten.
Daaruit volgt, dat de _soorten_, die elken tak van de algemeene
reeks beëindigen, minstens aan een kant met andere, naburige soorten
samenhangen. Ziedaar wat ik thans, door kennis van zaken vermag aan
te toonen.
Ik heb geen enkele onderstelling noodig: ik roep alle waarnemende
natuurvorschers tot getuigen.
Niet alleen vele geslachten, maar heele orden en soms zelfs klassen
leveren ons reeds bijna volledige deelen van den aangeduiden
toestand. Als men dan uit de volgens de natuurlijke verwantschap in
reeksen gerangschikte _soorten_ één uitkiest en een eind verderop weer
één, dan zullen die twee soorten bij vergelijking groote verschillen
vertoonen.
Zoo zijn wij eenmaal begonnen de meest voor de hand liggende
natuurvoortbrengselen te zien. Toen waren de geslachts- en
soorts-kenmerken gemakkelijk op te stellen. Maar bij onze tegenwoordige
rijke verzamelingen zou men bij het vervolgen van bovengenoemde reeks
tusschen die twee zoo uiteenloopende soorten van de eene schakeering
vloeiend in de andere overgaan zonder opmerkelijke verschillen te
ontmoeten.
Ik stel hier de vraag, welk ervaren zoöloog of botanicus is niet
doordrongen van de grondslagen van het zoo juist uiteengezette?
Hoe kan men thans de _soorten_ bestudeeren of bevredigend determineeren
van die menigte polypen, straaldieren, wormen van allerlei orden en
vooral onder de insecten, waar alleen reeds de geslachten der _dag-_
en _nachtvlinders_, _motten_, _vliegen_, _sluipwespen_, _korenmotten_,
_bokkevers_, _loopkevers_ en _rozentorren_ zooveel verwante soorten
omvatten, die in allerlei schakeeringen vrijwel in elkander loopen?
Welk een menigte schelpen vertoonen ons niet de weekdieren van
alle landen en uit alle zeeën, die al onze onderscheidingsmiddelen
uit-putten.
Als men opstijgt tot de visschen, kruipende dieren, vogels, zelfs tot
de zoogdieren, overal zal men, behoudens nog aan te vullen gapingen,
schakeeringen ontwaren, die naburige soorten en zelfs geslachten onder
elkaar verbinden en vrijwel geen vat meer geven aan ons vernuft tot
het opstellen van goede verschilpunten.
Laat niet de botanie in haar verschillende onderdeelen een volkomen
overeenkomstigen stand van zaken zien? Welke moeilijkheden ondervindt
men inderdaad tegenwoordig niet bij de studie en bepaling der species
in de genera: _Lichen_, _Fucus_, _Carex_, _Poa_, _Piper_, _Euphorbia_,
_Erica_, _Hieracium_, _Solanum_, _Geranium_, _Mimosa_, etc. etc.!
Toen men deze geslachten vormde, kende men er nog slechts een klein
aantal soorten van, en was hun onderscheiding gemakkelijk. Maar
tegenwoordig, nu bijna alle leemten er tusschen gevuld zijn, dalen
onze soort-diagnosen noodwendig tot bijzonderheden af, en ook dat is
nog dikwijls onvoldoende.
Laat ons, dit alles ter dege vastgesteld zijnde, eens zoeken naar de
mogelijke oorzaken; of de natuur de middelen ertoe bezit, en of de
waarneming ons ten dien opzichte verder heeft kunnen brengen.
Menigvuldige feiten leeren, dat naarmate de leden van een soort
veranderen van standplaats, klimaat of levenswijze, zij daarvan
invloeden ondergaan, die gaandeweg de gesteldheid en verhoudingen
hunner deelen, hun vorm, functies, ja zelfs hun samenstelling wijzigen,
zoodat mettertijd hun heele wezen deelt in de ondergane veranderingen.
In hetzelfde klimaat doen eerst de verschillen in plaatselijke
omstandigheden de eraan blootgestelden varieeren. Maar allengs brengen
deze voortdurende invloeden bij de groepsgewijze onder dezelfde
levensvoorwaarden zich voortplantende individuen afwijkingen teweeg,
die c.q. van essentieel belang worden; zoodat na talrijke opvolgende
geslachten de _soort_ tenslotte in een nieuwe omgevormd is, van de
eerste onderscheiden.
Als bijvoorbeeld de zaden van een gras of andere vochtige-weide-plant
altemet naar de helling van een naburigen heuvel worden overgebracht,
waar de grond, schoon hooger gelegen, nog frisch genoeg is om de
plant te doen voortbestaan; als zij vervolgens, na vele generatiën
hoe langer hoe verder een droge en bijna dorre berghelling bestijgt en
ze slaagt erin, zich te handhaven en voort te planten; dan zal ze zóó
veranderd zijn, dat de botanici er een aparte _soort_ van zullen maken.
Hetzelfde gebeurt met de dieren, door omstandigheden gedwongen te
veranderen van klimaat, levenswijs en gewoonten. Maar de genoemde
oorzaken eischen ten hunnen aanzien nog meer tijd dan bij de planten,
om noemenswaardige wijzigingen teweeg te brengen.
De opvatting van hen, welke onder den naam _soort_ een verzameling
gelijksoortige wezens samen vatten, die zichzelf-gelijkblijvend
voortplanten en wier bestaan als zoodanig dus van dezelfde stonde
dagteekent als dat der natuur zelve, achtte het onmogelijk, dat
exemplaren, tot twee verschillende soorten behoorende, zich zouden
kunnen vermaagschappen.
Ongelukkig heeft de waarneming tot op heden geleerd, dat deze
beschouwing geenszins gegrond is. Want de onder de planten zoo
veelvuldige bastaarden en de zoo vaak bij de dieren opgemerkte paringen
tusschen individuen van zeer verschillende _soorten_ doen zien, dat
de gewaande vaste grenzen tusschen die soorten niet zoo stevig waren
als men wel dacht.
Weliswaar hebben veelal zulke singuliere paringen, vooral als zij heel
ongerijmd zijn, geen resultaat; althans zijn de nakomelingen in het
algemeen onvruchtbaar. Maar anderzijds weet men, dat in het geval van
elkaar nader staande ouders deze gebreken zich niet voordoen. Langs
dezen weg zijn dan ook inderdaad variëteiten te teelen, die ten slotte
rassen worden, en mettertijd z.g. "soorten". (N.B.!, vert.)
Laten wij, om te beoordeelen, of het _soort_-begrip eenigen waren grond
heeft, terugkomen op onze reeds uiteengezette beschouwingen. Zij doen
ons zien:
1e. Dat alle organismen van den aardbol in veel tijds letterlijk door
de natuur zijn voortgebracht.
2e. Dat de natuur tot op heden steeds begonnen is met het vormen
van de eenvoudigste organismen, en deze slechts langs directen weg;
ik bedoel: die eerste beginselen van organisatie, die men _generatio
spontanea_ noemt.
3e. Dat, waar die eerste beginselen van dier en plant gevormd zijn in
passende plaatsen en omstandigheden, de functies van het beginnend
leven en de organische bewegingen allengs noodwendig de organen
ontwikkeld en mettertijd gedifferentieerd hebben [9].
4e. Dat de aan de eerste levensuitingen van het organisme in
allen deele inhaerente groeikracht het aanzijn heeft gegeven aan
de verschillende wijzen van vermenigvuldigen en voortplanting,
en dat daardoor de verkregen vooruitgang in bewerktuiging, vorm en
verscheidenheid der deelen bewaard is gebleven.
5e. Dat op den langen duur met behulp van de (natuurlijk gunstige)
omstandigheden, van de veranderingen, door alle punten van het
aardoppervlak ondergaan, i.e.w. van de macht van nieuwe standplaatsen
en gewoonten tot wijziging der organen, álle thans levende wezens
onmerkbaar tot hun tegenwoordige gedaante gevormd zijn.
6e. Dat tenslotte, daar de levende lichamen elk voor zich in gelijken
trant zekere veranderingen in organisatie ondergaan hebben, ook de
z.g. "_sóórten_" onmerkbaar en achtereenvolgens aldus gevormd zijn,
slechts een betrekkelijke standvastigheid hebben, en niet even oud
als de natuur kunnen zijn.
Maar,--zal men zeggen,--zou men van deze onderstellingen
niet weerhouden worden alleen al door de beschouwing van de
bewonderenswaardige verscheidenheid in _instincten_ der verschillende
dieren en al de wonderen hunner _vaardigheid_?
Wie zou zijn stelsel zóó ver durven doorvoeren, te zeggen, dat de
natuur alléén die verbazend veelvoudige middelen, listen, handgrepen,
voorzorgen en geduld geschapen heeft, waarvan de _bouwkunst_ der dieren
ons zooveel voorbeelden levert? Is alleen wat wij ten dien aanzien
bij de _insecten_ waarnemen niet reeds duizend maal voldoende om ons
te doen gevoelen, dat de grenzen der natuurmacht haar volstrekt niet
veroorloven, zooveel voortreffelijks motu proprio voort te brengen
en den hardnekkigsten philosooph te overtuigen, dat hiervoor alleen
de wil van den oppersten schepper aller dingen noodig en volmachtig
is geweest?
Zonder twijfel zou het een stoutmoedige of liever geheel waanzinnige
bewering zijn, grenzen toe te kennen aan het vermogen van den
eersten Alveroorzaker. Maar daarom valt nog niet te ontkennen, dat
die oneindige macht bepaalde dingen heeft kunnen willen, waarvan we
in de natuur de kennelijke teekenen zien.
Laat dit zoo zijn; als ik zie, dat de _natuur_ zelf de genoemde
wonderen, de organismen met leven en gevoel voortbrengt; dat zij
hun organen en functies op ongekende schaal heeft vermenigvuldigd;
dat zij alleenlijk door middel der gewoontevormende _behoeften_
de bron heeft geschapen van alle handelingen en vermogens (vanaf de
eenvoudigste tot aan het _instinct_, _schranderheid_ en tenslotte
_oordeel_), moet ik dan niet in dat kunnen der natuur, in de Orde
der dingen erkennen: de uitvoering van des verhevenen Scheppers wil,
dat de natuur dat vermogen zou hebben?
Zal ik minder de grootheid van die eerste Oorzaak van alles bewonderen,
als het haar behaagd heeft, aldus te handelen, dan indien zij zich
voortdurend door wilsdaden bezig hield met de details van alle
bijzondere scheppingen, veranderingen, ontwikkelingen, verstoringen
en vernieuwingen, i.e.w. met alle wijzigingen, die zich algemeen in
het bestaande voltrekken?
Ik hoop dan ook te bewijzen, dat de natuur de middelen heeft, om zelf
datgene voort te brengen, wat we in haar bewonderen.
Intusschen werpt men nog tegen, dat al wat men ziet bij de levende
wezens van een onveranderlijke vormbestendigheid getuigt. En men denkt,
dat alle dieren, wier geschiedenis sinds 2-3000 jaar ons overgeleverd
is, steeds dezelfde zijn, niets verloren noch gewonnen hebben in
volmaking en vorm hunner organen.
Terwijl die schijnbare standvastigheid sinds lang voor een feitelijke
waarheid doorgaat, heeft men haar zoo juist nog bijzonderlijk trachten
te bewijzen in een Rapport over de door Geoffroy in Aegypte verzamelde
natuurhistorica. De rapporteurs drukken zich als volgt uit:
"De collectie heeft vooreerst dit eigenaardige, dat zij om zoo
te zeggen dieren van alle eeuwen bevat. Reeds sinds lang wenschte
men te weten, of de soorten mettertijd van vorm veranderen. Deze
schijnbaar beuzelachtige vraag is niettemin van wezenlijk belang
voor de geschiedenis van den aardbol en daardoor voor de oplossing
van duizend andere, die te maken hebben met de ernstigste voorwerpen
van menschelijke vereering.
"Nooit was men beter in de gelegenheid, haar uit te maken voor een
groot aantal merkwaardige soorten en nog duizenden andere. Het schijnt,
alsof het bijgeloof der oude Aegyptenaren geïnspireerd ware door de
natuur om een monument van haar geschiedenis achter te laten".
"Men kan," zoo vervolgt het rapport, "de vlucht zijner verbeelding
nauw meester worden, als men die volkomen herkenbare dieren ziet, met
de kleinste beentjes en haartjes nog bewaard, die 2-3000 jaar geleden
in Thebe of Memphis hun eigen priesters en altaren hadden... Maar
zonder ons te verliezen in al die gedachten daarover willen we ons
bepalen tot het resultaat uit dat deel der verzameling van Geoffroy,
dat deze dieren volmaakt overeenkomen met die van tegenwoordig" [10].
Ik verwerp niet de volkomen overeenstemming van die dieren met de
leden van dezelfde, thans levende soorten in dat land. Het zou ook
vreemd zijn, als 't anders ware. Want ligging en klimaat van Aegypte
zijn nog thans ten naaste bij dezelfde als destijds. Zoodat dus de
nòg onder gelijke omstandigheden levende vogels er niet gedwongen
kunnen zijn, hun gewoonten te veranderen.
Voorts, wie voelt er niet, dat de vogels, die zich zoo makkelijk kunnen
verplaatsen en passende kwartieren opzoeken, minder dan menig ander
dier onderworpen zijn aan de verschuivingen in locale omstandigheden,
en daardoor minder in hun gewoonten belemmerd.
Inderdaad is er in de zoo juist meegedeelde waarneming niets strijdigs
met mijn eigen desbetreffende beschouwingen, of een bewijs, dat die
dieren altijd in de natuur zouden bestaan hebben. Ze toont slechts
aan, dat zij 2-3000 jaar geleden in Aegypte leefden. En een iegelijk,
die éénigszins gewend is, na te denken en daarbij de gedenkteekenen
gade te slaan getuigende voor den hoogen ouderdom der natuur, zal
gereedelijk een tijdsverloop van 2-3000 jaar in dat verband naar
waarde weten te schatten.
Voorzeker zal ook altijd de schijnbare _standvastigheid_ van de dingen
der natuur door den gemeenen man voor de _werkelijkheid_ worden
gehouden, omdat men in het algemeen over alles slechts oordeelt in
verhouding tot zichzelf.
Voor den mensch,--die zijn opvattingen hieromtrent altijd grondt
op de door hemzelf bemerkte veranderingen,--zijn de tusschenpoozen
tusschen die mutaties _toestanden_ van oogenschijnlijk onbepaalde
_bestendigheid_, door den korten levensduur der individuen van
zijn soort. Daar ook de annalen zijner waarnemingen en feiten,
in kronieken geboekstaafd, zich slechts uitstrekken over eenige
duizenden jaren,--een langen duur voor hem zelf, maar uiterst kort in
verhouding tot de aeonen, waarin zich de groote veranderingen van de
aardkorst voltrekken,--schijnt alles op zijn planeet hem _duurzaam_
toe, en is hij geneigd tot afwijzen van de teekenen, welke de rond
hem opgehoopte of in den grond onder zijn voeten begraven monumenten
hem overal vertoonen.
Grootheden in ruimte en tijd zijn betrekkelijk. Laat de mensch
zich deze waarheid goed voor den geest houden, en hij zal zich wat
inbinden in zijn beslissingen ten opzichte van de _duurzaamheid_
in de natuur. [11]
De bewijzen voor de onmerkbare veranderingen der soorten en exemplaren,
naarmate ze worden gedwongen tot wijzigen hunner gewoonten of aannemen
van nieuwe, zijn niet alleen beperkt tot de beschouwing van de--al
te kleine--overzienbare tijdruimten. Want daarenboven wordt de
onderhavige quaestie op 't zeerst verduidelijkt door een schat van
waarnemingen gedurende tal van jaren verzameld. En ik kan zeggen,
dat onze feitenkennis tegenwoordig te ver is voortgeschreden, dan
dat de gezochte oplossing niet voor de hand zou liggen.
Behalve dat wij de invloeden en gevolgen van de heteroclite bevruchting
kennen, weten wij thans bijv. beslist, dat een straf volgehouden
verandering in verblijfplaats en levensgewoonten bij de dieren na
voldoenden tijd een zeer opmerkelijke omvorming der betreffende
exemplaren teweegbrengt.
Een vrijelijk in de vlakte levend en voortdurend rondrennend dier,
en een vogel, wiens nooddruft hem steeds over groote afstanden de
lucht doet doorklieven, ondergaan bij opsluiting in dierentuin, stal,
kooi of hoenderpark mettertijd opmerkelijke afwijkingen, vooral na
een reeks geslachten in hun nieuwen staat.
Het eerste dier verliest er grootendeels zijn licht- en vlugheid;
zijn lichaam wordt dik, zijn leden verliezen aan kracht en lenigheid
en zijn eigenschappen zijn niet meer dezelfde. Het tweede wordt log
en vleezig in allen deele en kan bijna niet meer vliegen.
In het 6e hoofdstuk van dit eerste deel zal ik gelegenheid hebben,
met welbekende feiten te bewijzen, dat afwijkende _omstandigheden_
het vermogen bezitten, om den dieren nieuwe behoeften bij te brengen
en tot nieuwe _handelingen_ te voeren; dat _déze_ nieuwe _gewoonten_
en _neigingen_ meebrengen, het meer of minder veelvuldige gebruik van
een of ander orgaan hetzelve weer wijzigt, hetzij door versterking,
ontwikkeling en uitbreiding, hetzij door verzwakken, vermageren,
en het per-slot zelfs doet verdwijnen.
Bij de gewassen zal men een dergelijken invloed zien van nieuwe
omstandigheden op hun levenswijze en den toestand hunner deelen. Zoodat
men bij de reeds lang door ons gekweekte niet over de veroorzaakte
omwenteling verwonderd zal zijn.
Zoo laat, gelijk reeds opgemerkt, de natuur ons strikt genomen slechts
op- en uit elkaar volgende individuen zien; _soorten_ echter zijn
slechts tijdelijk onveranderlijk.
Om de bestudeering en kennis van zooveel verschillende voorwerpen te
vergemakkelijken is het niettemin nuttig, den naam _soort_ te geven aan
elke verzameling van overeenkomstige enkelingen die zich in dezelfde
gedaante voortplanten zoolang hun omstandigheden niet voldoende gaan
afwijken om ook hun gewoonten, eigenaardigheden en vorm te wijzigen.
_Over de zoogenaamde uitgestorven soorten_
Het is nog steeds een vraag voor mij, of de middelen, door de natuur
gebruikt om het bestaan aan haar soorten en rassen te verzekeren,
zóó onvoldoende zijn geweest, dat sommige van hen thans geheel zouden
zijn vernietigd of uitgestorven.
Intusschen vertoonen ons de op zoo verschillende plaatsen in den grond
begraven overblijfselen de resten van een menigte verschillende dieren,
waarvan slechts een zeer klein deel met de ons bekende, thans levende
volkomen overeenstemmen.
Kan men daaruit nu met eenigen schijn van grond besluiten, dat
die fossiele soorten niet meer bestaan in de natuur? Er zijn nog
zooveel deelen van het aardoppervlak niet bezocht, zooveel andere,
waar vorschende blikken de natuur slechts terloops opnamen, en nog
andere, zooals verschillende deelen van den zeebodem, wiens dierlijke
bewoners we niet vermogen te verzamelen, dat de onbekende soorten
wel door deze oorden geherbergd zouden kunnen worden().
Als er werkelijk soorten zijn verloren gegaan, dàn waarschijnlijk
slechts onder de groote dieren uit de land-streken van onzen aardbol,
daar waar de mensch door zijn absolute heerschappij alle exemplaren
heeft kunnen dooden van die species, die hij niet heeft willen bewaren
of temmen. Daardoor is het mogelijk, dat de geslachten _Palaeotherium_,
_Anoplotherium_, _Megalonyx_, _Megatherium_, _Mastodon_ van Cuvier
en eenige andere soorten van reeds bekende genera niet meer in de
natuur bestaan. Intusschen is dat ook eenvoudig niet meer dan een
mogelijkheid.
Maar de dieren, die leven in den boezem der wateren, vooral in zee,
en bovendien alle kleinere soorten te land, welke lucht ademen, zijn
beveiligd tegen uitdelging door den mensch. Zij vermenigvuldigen zich
zoo snel, en de middelen om zich aan zijn vervolging en hinderlagen
te onttrekken zijn van dien aard, dat hij naar allen schijn een van
die soorten niet totaal kan uitroeien().
Dus _kunnen_ slechts de grootste soorten landdieren blootstaan aan
verdelging van de zijde des menschen, ofschoon dit feit nog niet
volledig bewezen is.
Niettemin behooren er onder de, van zoovele dieren gevonden,
fossiele overblijfselen een groot aantal tot soorten, wier volkomen
overeenkomstige levende analoga niet bekend zijn. De meeste van hen
zijn weekdieren met schelpen, welke laatste ons dan ook alleen zijn
overgebleven.
Omdat nu veel van die fossiele schelpen verschillen vertoonen,
waardoor men meent ze niet gelijk te mogen stellen met naburige,
levende, zijn het daarom noodwendig uitgestorven soorten? Waarom zouden
die verloren gegaan zijn, waar de mensch hun uitroeiïng niet heeft
kunnen bewerkstelligen? Ware het in tegendeel niet mogelijk, dat die
bedoelde fossielen nog bestonden, maar tot de tegenwoordig levende,
naburige soorten waren omgevormd?(). De volgende beschouwingen en
opmerkingen maken dit vermoeden zeer waarschijnlijk.
Elk welingelicht waarnemer weet, dat niets op aarde in denzelfden
toestand verhardt. Alles ondergaat er mettertijd meer of minder
ingrijpende wijzigingen, al naar den aard van het voorwerp, en zijn
omstandigheden. Hooggelegen plaatsen verlagen zich onophoudelijk
door de wisselende inwerking van zonneschijn, regen en nog
andere oorzaken; al wat ervan loslaat wordt meegesleurd naar de
diepten. Rivier- en zeebeddingen veranderen van gedaante en diepte en
verplaatsen zich onmerkbaar. I.e.w. alles hier op aard is onderhevig
aan beurtwisselingen in ligging, gestalte en aanzicht, en zelfs de
klimaten der verschillende landstreken zijn niet standvastig.
Waar nu,--gelijk ik zal beproeven aan te toonen,--afwijkende
omstandigheden voor de levende wezens (en vooral voor de dieren)
veranderingen in behoeften, gewoonten en levenswijzen meebrengen; en
waar deze wijzigingen de organen en hun deelen ombouwen of ontwikkelen,
zoo gevoelt men wel, dat elk levend wezen zachtjes aan varieeren moet,
vooral in de uitwendige deelen of kenmerken, ofschoon dat eerst na
gereeden tijd merkbaar wordt.
Men zij dus niet al te zeer verwonderd, dat onder de talrijke fossiele
resten uit alle landen der wereld van zoovele eertijds bestaande
dieren, er zoo weinige zijn, waarvan we de levende analoga kennen.
Integendeel, het meest verwonderlijk is nog, onder die menigvuldige
fossiele overblijfselen van weleer eenige te ontmoeten, wier
representanten nog heden bestaan. Dit feit, door onze palaeontologische
verzamelingen bewezen, doet ons vermoeden, dat juist deze de jongste
zijn. Zij hadden buiten twijfel nog geen tijd gehad, van gedaante
te veranderen.
De onderzoekers, die de waarnemingen omtrent de fossielen wilden
verklaren alsmede de omwentelingen op verschillende punten van
de aardkorst hebben,--onbewust van de afwijkingen, die de dieren
mettertijd meestal ondergaan,--ondersteld, dat een _algemeene aardramp_
had plaats gehad, die alles 't onderst boven gekeerd en de toenmaals
bestaande soorten grootendeels vernietigd had.
Jammer genoeg, dat dit gemakkelijke redmiddel uit de moeilijkheid bij
een poging tot verklaren der onbegrepen natuurverschijnselen slechts
grondt in de verbeelding, en door geen enkel bewijs gestaafd wordt.
_Plaatselijke catastrophen_, veroorzaakt bijv. door aardbevingen,
vulcanen en andere bijzondere oorzaken zijn voldoende bekend en in de
daardoor geteisterde streken heeft men verdervingen kunnen aanschouwen.
Maar waartoe een onbewezen _algemeene wereldramp_ aan te nemen,
als het beter bekende verloop der natuur in allen deele voldoende
rekenschap geeft van hare feiten? Als men overweegt, dat eenerzijds
de natuur niet plotseling werkt en zij overal bedachtzaam en stap
voor stap tewerk gaat, en anderzijds de bijzondere of plaatselijke
oorzaken der verstoringen, omwentelingen en ontzettingen den ganschen
aanblik onzer aarde kunnen verklaren--en nochtans onderworpen zijn aan
hare wetten en algemeenen loop,--zoo zal men--de onderstellingen--als
onnoodig--verwerpen, dat een wereldramp een groot deel van de eigen
werken der natuur is komen opbreken en verwoesten.
Hiermee genoeg over een onderwerp, dat licht ware uit te breiden;
beschouwen wij thans de algemeene en wezenlijke eigenschappen der
dieren.
HOOFDSTUK IV
ALGEMEENE OPMERKINGEN OVER DE DIEREN
In de dieren hebben wij levende wezens, in het algemeen zeer
opmerkelijk door eigenschappen, die onze bewondering en bestudeering
overwaard zijn. In gestalte, samenstelling en vermogens oneindig
verschillend, zijn ze in staat om zich--althans met sommige
deelen--te bewegen, zonder een stuwkracht van buiten af maar door
een _prikkelende oorzaak_, (bij den één 'n inwendige, bij den ander
een uitwendige.) Meerendeels kunnen ze van plaats veranderen en alle
bezitten ze bepaalde, bij uitstek prikkelbare deelen.
Men ziet, hoe bij verplaatsing de een kruipt, loopt, rent of springt,
de ander zich op vleugelen in de lucht verheft en de ruimte doorkruist,
weer andere rondzwemmen in den schoot van het water waarin zij leven.
Daar de dieren niet--gelijk de planten--voedsel onder hun naaste
bereik vinden,--de roofdieren zelfs hun buit moeten opzoeken en
vervolgen--werd het vermogen tot bewegen en verplaatsen vereischt om
zich het noodige voedsel te kunnen verschaffen.
Daar voorts de dieren geen tweeslachtigheid vertoonen zoodanig,
dat zij aan zich zelf genoeg zouden hebben(), was het voor de
voortplanting noodzakelijk, zich te kunnen verplaatsen tot het
volvoeren der bevruchting en ook, dat de omgeving de mogelijkheid
daartoe vergemakkelijkte voor die dieren, welke, als de _oesters_,
niet van plaats kunnen veranderen.
Aangezien dus dit vermogen tot beweging en verplaatsing in het belang
was van hun eigen voortbestaan en dat van de soort is het door de
behoeften aangeworven en verkregen.
In het tweede deel zullen wij den oorsprong zoeken van die merkwaardige
eigenschap en nog van de belangrijkste overige. Maar intusschen
zullen wij omtrent de dieren de volgende voor de hand liggende
opmerkingen maken.
1e. Dat sommige zich slechts geheel of gedeeltelijk bewegen nadat
hun prikkelbaarheid is opgewekt, nochtans geen enkele gewaarwording
ondervinden en dat van "wil" geen sprake kan zijn. Dit zijn de meest
onvolkomene.
2e. Dat andere dieren daarenboven in staat zijn tot het ondervinden
van gewaarwordingen, en ze innerlijk een zeer duister besef van
hun bestaan hebben, doordat ze slechts handelen door de inwendige
aandriften van begeerten die hen drijven tot een of ander voorwerp,
zoodat hun wil steeds afhankelijk meezwalkt.
3e. Dat weer andere niet alleen bovengenoemde bewegingen en
gewaarwordingen vertoonen, maar bovendien in staat zijn tot het vormen
van, zij het nog vage, voorstellingen, en hun handelen door een wil
overheerst wordt, nochtans onderworpen aan aandriften, die hen nog
uitsluitend tot bepaalde voorwerpen voeren.
4e. Dat ten slotte de meest volmaakte dieren in hooge mate alle
vorige eigenschappen vertoonen maar zich bovendien verheugen in het
vermogen tot heldere en nauwkeurige voorstellingen over de voorwerpen,
die hun zinnen hebben beroerd en hun aandacht getrokken, ja, die
voorstellingen tot op zekere hoogte vergelijken, combineeren en tot
samenstellingen en oordeelen verwerken; i.e.w. zij kunnen denken en
hun minder zwaar gekluisterde wil veroorlooft hun meer verschillende
handelingen te volbrengen.
Bij de laagste dieren zijn de levensacties schier zonder energie
en alleen de _prikkelbaarheid_ is genoeg voor de uitvoering der
vitale bewegingen. Maar vermits de levensenergie aangroeit met het
samengestelder worden van het organisme komt er een oogenblik,
dat hetzelve, om zich met de noodige snelheid te kunnen roeren,
grooter middelen van noode heeft. Daartoe is de spierwerking bij
den bloedsomloop toegepast, waarvan een aanjaging van den sapstroom
het gevolg was. Deze is vervolgens aangewakkerd in verhouding tot de
ervoor aangewende spierkracht. Daar tenslotte geen enkele spier kan
arbeiden zonder nerveusen influx, zoo is deze laatste overal noodig
bevonden voor de betreffende stroomversnelling.
Aldus heeft de natuur aan de--onvoldoende geworden--prikkelbaarheid
de spier- en zenuwwerking weten toe te voegen. Schoon de eerste
door de laatste wordt opgewekt, geschiedt dat nooit langs den weg
van het gevoel. In het tweede deel hoop ik dan ook aan te toonen,
dat gevoeligheid volstrekt niet noodig is voor de uitvoering van
vitale bewegingen, zelfs niet bij de hoogste dieren.
Zoo zijn dan de verschillende bestaande dieren niet alleen door
bijzonderheden van uitwendigen vorm, lichaamsgesteldheid, formaat,
enz. kennelijk van elkaar onderscheiden, maar ook door de vermogens,
waarmee zij zijn begiftigd. Sommige--de minst volkomene--zijn in dit
opzicht het meest beperkt, geen andere dan de typische levens-functies
vertoonende en zich niet bewegende dan door een kracht buiten
henzelf; daarentegen nemen van andere de vaardigheden allengs in
getal en volledigheid toe, totdat zij bij de meest volkomene een
bewonderenswaardig geheel vertoonen.
Deze feiten verbazen ons niet langer, als we eenmaal erkend hebben,
dat elke verkregen eigenschap het gevolg is van een bijzonder orgaan
of orgaanstelsel en dat vervolgens van het laagste tot het hoogste
dier het organisme geleidelijk samengestelder wordt, zoodat al die
lichaamsdeelen, tot de belangrijkste toe, achtereenvolgens ontstaan op
de verschillende trappen van het dierenrijk, en dan gaandeweg worden
door de ondergane wijzigingen, die hen aanpassen aan den toestand
van het betreffende organisme en zij eindelijk door hun samenspel in
de hoogere dieren die zoozeer gecompliceerde bewerktuiging vormen,
waarvan de meest verscheidene en opperste functies het gevolg zijn.
De beschouwing van de inwendige samenstelling der dieren en haar
verschillende systemen, en van de onderscheidene bijzondere organen
moeten dus voornamelijk onze aandacht richten bij de studie der dieren.
Zijn de dieren als natuurvoortbrengselen reeds bij uitstek
onderscheiden door hun beweeglijkheid, nog meer zijn ze het door
gevoeligheid.
Maar evenals de eerste nog zeer beperkt en onwillekeurig is bij de
laagste dieren en slechts tot stand komt door prikkels van buiten af,
maar, bij het volmaakter worden, ten slotte in het dier zelf--aan
zijn wil onderworpen--ontspringt, zoo is ook het gevoel in zijn
aanvang nog zeer duister en begrensd en roept vervolgens, bij verder
voortschrijdende ontwikkeling, op zijn hoogtepunt in de dieren de
elementen van het verstand in 't leven.
Inderdaad hebben de hoogere dieren eenvoudige en zelfs meer
samengestelde voorstellingen, hartstochten, geheugen, ja zij
dróómen,--d.w.z. dat die voorstellingen ongewild kunnen terugkomen--en
ze zijn tot op zekere hoogte vatbaar voor africhting. Is dat geen
merkwaardige uitkomst van de macht der natuur?
Aan een levend wezen het vermogen te geven, zich zelfstandig te
bewegen, de wereld buiten zich waar te nemen, er zich voorstellingen
van te vormen door de ontvangen indrukken met andere te vergelijken
en ook die voorstellingen weer te vergelijken en samen te stellen en
zich een óórdeel te vormen, (d.i. een voorstelling van andere orde)
i.e.w. te _denken_, dat is niet alleen het grootste wonder, waartoe
de natuur-kracht heeft kunnen komen, maar bovendien bewijst 't de
noodzakelijkheid van een aanzienlijk tijdsverloop, daar de natuur
alles geleidelijk tot stand brengt.
Vergeleken met de tijdperken, die wij bij onze gewone berekeningen
làng noemen, is er ongetwijfeld een enorme tijd en een aanmerkelijke
opvolgende variatie van omstandigheden noodig geweest om de organisatie
tot dien graad van samengesteldheid en ontwikkeling te hebben kunnen
opvoeren, die wij bij de meest volmaakte dieren zien. En waar reeds
de talrijke verschillende lagen, waaruit de aardkost bestaat, een
stellig getuigenis zijn van haar hoogen ouderdom, en waar de zeer
langzame maar aanhoudende verplaatsingen der zeebekkens,--bewezen
door vele sporen, die zij op hun weg hebben achtergelaten--, dezen
ouderdom nog bevestigen, zoo draagt een beschouwing van de door
de hoogste organismen bereikte volmaaktheid er harerzijds toe bij,
om deze waarheid allerwaarschijnlijkst te maken. [12]
Maar om dit nieuwe bewijs stevig te kunnen grondvesten, zullen we
eerst den vooruitgang zelf der organismen in het volle daglicht moeten
stellen. Men zal zoo mogelijk de werkelijkheid daarvan moeten aantoonen
en ten slotte de betreffende best-gestaafde feiten verzamelen en de
middelen opzoeken, die de natuur bezit, om het bestaan aan al haar
schepselen mogelijk te maken.
Ondertusschen merken wij op, dat ofschoon men de wezens van
de verschillende natuurrijken algemeen aanduidt met den naam
_natuurproducten_, men niettemin aan die uitdrukking geen enkel
positief begrip schijnt vast te knoopen.
Klaarblijkelijk staat het vooropgezette oordeel omtrent "afzonderlijke
scheppingen" de erkenning in den weg, dat de natuur zelf het
aanzijn vermag te geven aan zooveel verschillende wezens, hun rassen
onophoudelijk ofschoon geleidelijk te wijzigen en de overal waargenomen
algemeene Orde in stand te houden.
Wij willen alle meeningen over die belangrijke zaken ter zijde laten en
overal de natuur zelf bevragen om niet door onze verbeelding misleid
te worden.
Ten einde in gedachten alle bestaande dieren te omvademen en ze
gemakkelijk onder een gezichtspunt te brengen zij eraan herinnerd, dat
alle natuurproducten sinds lang in drie rijken verdeeld zijn, onder
de benamingen _dieren-_, _planten-_, en _delfstoffen-rijk_. Door die
indeeling worden de tot elk dier rijken behoorende wezens als onderling
gelijkwaardige vergeleken ondanks hun zeer uiteenloopenden oorsprong.
Reeds geruimen tijd heb ik een andere, meer kenschetsende indeeling
passender bevonden. Ik onderscheid nl. alle natuurvoortbrengselen in
twee groepen:
1e. Bewerktuigde, levende lichamen.
2e. Onbewerktuigde, levenlooze lichamen.
Planten en dieren vormen de eerste groep. Zij hebben, gelijk bekend,
de vermogens zich te voeden, te groeien en zich voort te planten en
zijn noodzakelijkerwijs onderworpen aan den dood.
Maar wat men niet zoo goed weet, omdat de gangbare onderstellingen
anders luiden, is, dat de levende lichamen bij de verrichtingen hunner
organen en bewegingen zelf hun eigen stoffen en afscheidingsproducten
bereiden [13]. En wat men nog minder weet, dat déze weer door hun
ontleding het ontstaan geven aan alle samengestelde, anorganische
stoffen in de natuur, wier verschillende soorten zich vermeerderen--al
naar de omstandigheden--door onmerkbaar ondergane veranderingen die hen
vereenvoudigen en op den duur de volledige ontbinding bewerkstelligen
hunner samenstellende elementen.()
De verschillende vaste en vloeibare levenlooze stoffen stellen de
tweede groep natuurvoortbrengselen samen, die meerendeels bekend zijn
onder den naam _mineralen_.
Men kan zeggen, dat er zich tusschen het al- en niet-levende een
onmetelijke _gaping_ bevindt, die verbiedt, deze twee soorten op één
lijn te stellen, noch ze door tusschentrappen te verbinden, wat men
tevergeefs beproefd heeft.
De levende wezens vallen vanzelf in twee afzonderlijke rijken,
gebaseerd op werkelijke verschillen, die de _planten_ van de _dieren_
scheiden. En,--ondanks al het daarover beweerde--ben ik overtuigd,
dat er op geen enkel punt een werkelijke overgang is tusschen die
twee rijken(), en bijgevolg er noch dierplanten, (uitgedrukt door
het woord _zoöphyten_) noch plantdieren zijn.
De prikkelbaarheid in alle of bepaalde deelen is de meest algemeene
eigenschap der dieren, méér dan het vermogen tot willekeurige
bewegingen en gevoel, méér zelfs dan de spijsverteering. Alle planten,
de z.g. "_gevoelige_" niet uitgezonderd, noch die, welke bij de minste
aanraking of een zuchtje wind bepaalde deelen bewegen, zijn geheel
verstoken van _prikkelbaarheid_, wat ik elders heb aangetoond.
Men weet, dat de prikkelbaarheid een wezenlijke eigenschap is voor
de dieren, (althans voor sommige hunner deelen die niet opgeheven
kan worden bij het levende dier zoolang het betreffende deel niet
beschadigd is). Zij uit zich in een oogenblikkelijke samentrekking van
alle prikkelbare deelen bij aanraking door een vreemd lichaam. Deze
samentrekking houdt tegelijk met haar oorzaak op en vernieuwt
zich evenzooveel keeren, als het betreffende deel, na ontspanning,
weerom geprikkeld wordt. Iets dergelijks nu is in geenen deele bij
de planten waargenomen.
Als ik de uitgespreide takken van het kruidje-roer-mij-niet (_Mimosa
pudica_) aanraak, zie ik, inplaats van een samentrekking dadelijk de
gewrichten der takken en stelen door den schok verslappen, waardoor die
deelen kunnen neerklappen en zelfs de blaadjes tegen elkaar slaan. Dit
gebeurd zijnde zal men tevergeefs verder de takken en bladeren dezer
plant aanraken, de werking herhaalt zich niet. Er is een vrij lange
tijd toe noodig--behalve als het zeer warm is--opdat de oorzaak van het
strekken der gewrichten al die deelen weer kan opheffen en uitbreiden,
zoodat ze zich bij een lichten schok weer kunnen samenvouwen.
Ik vermag in dat verschijnsel geen enkel verband te ondekken
met de _prikkelbaarheid_ der dieren; maar, met de wetenschap,
dat gedurende de vegetatieperiode, vooral bij warm weer, er in de
planten veel _elastische_ vloeistoffen optreden(), waarvan een deel
voortdurend uitgedampt wordt, heb ik de gevolgtrekking gemaakt, dat
bij de leguminosen die vloeistoffen zich wel eens bij voorkeur zouden
kunnen ophoopen in de gewrichten der bladeren alvorens te verdampen,
en dezelve aldus strekten en de bladen of blaadjes uitgespannen houden.
In dat geval zou de langzame vervluchtiging dier elastische fluiden
van de leguminosen in het algemeen bij nadering van den nacht het
verschijnsel van den "_slaap_" veroorzaken, en de plotselinge, door
een schokje opgewekte verdamping i.h. bijzonder bij _mimosa pudica_
de verkeerdelijk dusgenoemde _prikkelbaarheid_ [14].
Daar blijkens straks mee te deelen beredeneerde waarnemingen, de dieren
zonder uitzondering niet _gevoelig_ zijn, in staat tot het volbrengen
van _wilsdaden_ of, bijgevolg, tot willekeurige bewegingen, zoo is
de tot nu toe gegeven definitie van dieren--ter onderscheiding van
planten--ten eenen male onhoudbaar. Derhalve heb ik al voorgesteld,
haar door de volgende te vervangen, als zijnde meer overeenkomstig
de waarheid en geschikter, om beide natuurrijken te kenschetsen.
_Definitie van dieren_
_Dieren_ zijn bewerktuigde, levende wezens, voorzien van ten allen
tijde prikkelbare deelen, die bijna alle de spijzen verteeren,
waarmee ze zich voeden en die zich bewegen, deels door hun vrijen
of afhankelijken wil, deels door het opgewekt worden van hun
prikkelbaarheid.
_Definitie van planten_
_Planten_ zijn levende, bewerktuigde wezens, wier deelen nooit
prikkelbaar zijn, geen spijsvertering hebben en zich noch vrijwillig,
noch door werkelijke prikkelbaarheid bewegen.
Volgens deze definities, veel nauwkeuriger en gegronder dan de tot
op heden gebruikelijke, zijn dus de _dieren_ in de eerste plaats
van de _planten_ onderscheiden door de prikkelbaarheid van alle--of
bepaalde--deelen, en voorts door de bewegingen, die zij daarmee
kunnen verrichten, in casu door uitwendige oorzaken opgewekt, via
de irritabiliteit.
Het spreekt vanzelf, dat men deze nieuwe ideeën maar niet voetstoots
kan aannemen. Maar ik meen, dat elk niet-vooringenomen lezer, na
overweging van de in dit werk uiteengezette feiten en beschouwingen
hun onafwijsbaar den voorkeur zal geven boven de oude, als zijnde
deze met de waarneming klaarblijkelijk in strijd.
Laat ons deze algemeene gezichtspunten beëindigen met twee niet
onbelangwekkende opmerkingen. De eene betreffende het buitensporig
groote aantal dieren te land en te water; de andere over de door de
natuur aangewende middelen, om desniettegenstaande al het voorgebrachte
in zijn algemeene verhoudingen te bewaren.
Van de beide natuurrijken blijkt het dierenrijk verreweg het rijkst
en meest gevarieerd en vertoont op het gebied van organisatie de
meest bewonderenswaardige verschijnselen.
Het aardoppervlak, de boezem van het water, in zeker opzicht zelfs
de lucht worden bewoond door een zoo oneindige verscheidenheid
van dieren, dat waarschijnlijk een groot deel van hen altoos aan
onze onderzoekingen zal ontsnappen. Men heeft des te meer reden om
aldus te denken, daar de wonderbaarlijke vruchtbaarheid der natuur
in de allerkleinste soorten, de enorme uitgestrektheid der zeeën en
hun diepte op vele plaatsen ongetwijfeld ten allen tijde een bijna
onoverkomelijke hinderpaal zullen vormen tegen de vorderingen van
onze kennis in deze materie().
Een enkele klasse van de ongewervelde dieren, bijv. die der _insecten_
weegt, wat betreft het getal en de verscheidenheid van de daarin
bevatte voorwerpen, tegen het heele plantenrijk op. Die van de
_polypen_ is naar allen schijn nog veel talrijker(), zoodat men zich
nooit zal kunnen vleien al die daartoe behoorende dieren te kennen.
Door de ontzaglijke vermenigvuldiging van de kleinere soorten,
speciaal van de laagste dieren, zou die groote massa exemplaren wel
eens het bestaan kunnen bedreigen van bepaalde soorten en rassen,
en daarmee den verkregen vooruitgang in organisatie, in een woord,
de algemeene Orde, indien de natuur geen voorzorgen genomen had,
om die vermenigvuldiging binnen zekere grenzen te houden.
De dieren eten elkaar op, behalve de uitsluitende planteneters, maar
deze staan bloot aan het verslonden worden door de vleescheters. Men
weet, dat de sterkere en beter bewapende de zwakkere opeten en de
grootere soorten de kleinere. Niettemin verschalken de exemplaren
van dezelfde soort elkaar slechts zelden, de verdelgingskrijg wordt
tegen andere soorten gestreden.
De vruchtbaarheid der kleine diersoorten is van dien aard, dat zij
den aardbol voor de andere onbewoonbaar zouden maken, als de natuur
daartegen geen paal en perk had gesteld. Maar daar ze aan een menigte
andere dieren ten prooi strekken, hun levensduur zeer beperkt is
en temperatuurverlaging hen doet omkomen,(), zoo wordt hun aantal
steeds op het juiste peil gehouden voor de instandhouding van hun
soorten en van andere.
De grootere en sterkere dieren echter zouden wel aan het bestaan
van verscheiden andere soorten afbreuk kunnen doen, als zij zich al
te sterk voortplantten. Maar zij vreten elkaar op en planten zich
slechts langzaam voort met weinige tegelijk, hetgeen ook ten hunnen
aanzien het vereischte evenwicht doet bewaren.
De mensch ten slotte schijnt, afgezien van zijn eigenaardigheden,
zich onbeperkt te kunnen vermenigvuldigen, want zijn verstand en
hulpmiddelen beveiligen hem tegen inperking daarvan door verscheurende
dieren. Ja, hij beheerscht ze in die mate, dat, inplaats van de
grootste en sterkste dieren te moeten vreezen, hij ze veeleer kan
vernietigen en hun aantal iederen dag meer doet inkrimpen.
Maar de natuur heeft hem met verschillende hartstochten behept, die,
daar ze zich ongelukkig genoeg tezamen met zijn intellect ontwikkelen,
een dam opwerpen tegen de al te sterke voortteling van zijn geslacht.
De mensch schijnt inderdaad zelf belast, om voortdurend het aantal
van zijns gelijken te beperken. Want ik aarzel niet, te zeggen,
dat de aarde (naar allen schijn) nooit de bevolking zal herbergen,
die zij zou kunnen voeden. Verscheidene van hare bewoonbare streken
zullen bij tusschenpoozen zeer matigjes bevolkt zijn, ofschoon de
duur dier tijdperken voor ons niet te bepalen is.
Zoo blijft dan door wijze voorzorgen in alles de gestelde Orde
bewaard. De eeuwige veranderingen en vernieuwingen daarin worden binnen
onoverschrijdbare grenzen gehouden. De soorten levende wezens blijven
ondanks hun veranderingen in stand; de verkregen verbeteringen in
organisatie gaan nooit verloren. Alles wat wanorde, omverwerping,
abnormaliteit schijnt, is steeds in een hoogere algemeene Orde
opgenomen en doet daarin mede. En overal en altijd wordt onveranderlijk
de wil van den oppersten Schepper van de natuur en van al wat bestaat
uitgevoerd.
Alvorens ons nu bezig te houden met de _trapsgewijze afdaling_ en
_vereenvoudiging_ van de dierlijke organismen bij het voortschrijden
van de meest samengestelde naar de enkelvoudigste, willen we eens
den werkelijken staat van hun indeeling en ordening nagaan en de
beginselen, die men bij de opstelling daarvan heeft gebruikt; dan
zullen wij de bewijzen voor bedoelde afklimming beter kunnen volgen.
HOOFDSTUK V
OVER DE HUIDIGE INDEELING EN ORDENING DER DIEREN
Voor den vooruitgang der Zoölogische Philosophie en voor ons
eigen oogmerk is het noodig, den _huidigen stand_ van indeeling en
classificeering [15] der dieren onder oogen te zien; te onderzoeken,
hoe men ertoe gekomen is, omtrent welke beginselen men zich moet
verstaan en wat er nog te doen valt, om met die indeeling het dichtst
de Orde zelf der natuur te benaderen.
Maar om eenig profijt uit al die beschouwingen te trekken, moeten we
eerst het eigenlijke doel van indeeling en van groepeering bepalen,
want daartusschen bestaat verschil. Het doel van de _eerste_ toch
is niet alleen, om een gemakkelijk te raadplegen lijst te bezitten,
maar bovenal, om daarmee zooveel mogelijk de Orde voor te stellen,
die de natuur gevolgd heeft bij het voortbrengen van al die dieren,
bijzonderlijk uitgedrukt in hunne onderlinge overeenkomst. Van
een _classificeering_ daarentegen is het doel, met behulp van de
van afstand tot afstand getrokken scheidingslijnen in de algemeene
reeks dezer wezens rustpunten voor onze verbeelding te scheppen,
gemakkelijker reeds waargenomen soorten te kunnen herkennen, het
verband met andere te begrijpen, en nieuwgevonden soorten in elk kader
te kunnen passen. Dit onontbeerlijke hulpmiddel vergemakkelijkt de
studie voor ons kleine menschen, maar in werkelijkheid is het een
totaal onnatuurlijk kunstproduct, gelijk reeds aangetoond.
De juiste bepaling der _overeenkomsten_ zal in onze algemeene
indeelingen steeds de plaats bepalen van 1e., de groote massa's
of hoofdafdeelingen; 2e. de daaraan ondergeschikte groepen;
3e. de bijzondere soorten of rassen. Zietdaar dus het onschatbare
wetenschappelijke voordeel van de kennis der _verwantschappen_;
daar zij het werk van de natuur zelf zijn, zal geen onderzoeker
daaraan ooit willen of kunnen tornen, na ze eenmaal goed begrepen
te hebben. De _algemeene indeeling_ zal dus meer en meer een vasten
en volkomen vorm krijgen, naarmate onze kennis van de betrekkingen
tusschen de samenstellende elementen der natuurrijken vooruit gaat.
Anders is het met de _classificeering_ gesteld, d.w.z. met
die verschillende scheidslijnen, in de algemeene indeeling
getrokken. Waarlijk, zoolang er leemten in onze indeelingen te vullen
zijn, zullen wij altijd van die schijnbaar natuurlijke scheidingen
vinden, maar die illusie zal verdwijnen hoe meer men waarneemt. En
hebben wij er niet reeds verscheidene zien uitvloeien--tenminste onder
de kleinere eenheden--door de talrijke natuurkundige ontdekkingen
van de laatste halve eeuw?
Zoo zijn dan die grenzen, behalve de nog openstaande kloven, altijd
willekeurig en daarom in schommeling, zoolang de natuuronderzoekers
voor hare opstelling geen vaste beginselen overeenkomen.
In het dierenrijk is als zulk een beginsel te beschouwen, _dat
elke klasse dieren moet bevatten, door een bijzonder stelsel van
organisatie onderscheiden_. De strikte uitvoering daarvan is nogal
gemakkelijk. Want ofschoon de natuur niet plotseling van het eene
systeem op het andere overgaat, zoo zijn er toch onderlinge grenzen
te bepalen, daar als regel slechts weinige dieren die grenzen zoo
dicht naderen, dat er twijfel omtrent hun werkelijke klasse kan rijzen.
De scheidslijnen tusschen de onderdeelen der klassen zijn gewoonlijk
moeilijker vast te stellen, daar zij berusten op minder gewichtige
kenmerken, en dientengevolge willekeuriger zijn.
Alvorens nu den huidigen stand van de classificeering der dieren te
onderzoeken, willen we trachten aan te toonen, dat
_de rangschikking der levende wezens in haar groote groepen een reeks
moet vormen,_
en geen netvormige vertakking.
Daar de mensch gedoemd is, om eerst alle mogelijke dwalingen te begaan
alvorens een waarheid te erkennen bij het onderzoek van desbetreffende
feiten, zoo heeft men ontkend, dat de natuurvoortbrengselen in elk
rijk werkelijk een echte reeks zouden kunnen vormen volgens hun
overeenkomst of een _trapsgewijze opklimming_ in algemeene gesteldheid.
Zoo hebben dan verschillende natuurkundigen, met bepaalde, eenigszins
geïsoleerde soorten, geslachten en families voor oogen, zich verbeeld,
dat de levende wezens, al naar hun _natuurlijke betrekkingen_ dichter
of verder van elkaar zouden staan, vergelijkbaar met de verschillende
punten van een landkaart. Zij beschouwen de kleine, wel omschreven
reeksen, die men _natuurlijke families_ genoemd heeft, als zich onder
elkaar te verhouden op de wijze van een _netwerk_. Dit denkbeeld
nu, zoo naar den smaak van sommige modernen, is klaarblijkelijk
een vergissing. En ongetwijfeld zal het weer verdwijnen, als men
de organismen grondiger en algemeener zal kennen, en vooral als
men onderscheid zal maken tusschen kenmerken, die voortvloeien uit
aangenomen verblijfplaatsen en gewoonten, èn uit de meer of minder
volmaakte trap van bewerktuiging.
Intusschen zal ik aantoonen, dat de natuur bij het voortbrengen van
alle dieren en planten, in den langen loop der tijden, wel degelijk
in elk dezer rijken een echte _scala_ gevormd heeft met toenemende
samengesteldheid van organisatie. Maar dat, als wij de natuurvoorwerpen
naar hun natuurlijke betrekkingen rangschikken, die _scala_ slechts
tusschen de hoofdafdeelingen merkbare trappen vertoont, en niet bij de
soorten, of zelfs bij de geslachten. De reden van die bijzonderheid
is, dat de buitengewone verscheidenheid van omstandigheden, waarin
de verschillende soorten verkeeren, geheel onafhankelijk is van hun
toenemend gecompliceerde bewerktuiging, zooals ik zal laten zien, en
dat de eerste in de uitwendige vormen afwijkingen en abnormaliteiten
doet ontstaan, die niet alleen op rekening van de tweede kunnen
gesteld worden.
Er valt dus te bewijzen, dat de trapsgewijze reeks der dieren
voornamelijk de groepeering der hoofdafdeelingen aangaat, en
niet die der soorten of genera. Die reeks dan kan nl. slechts
bepaald worden door de plaatsing der grootere groepen--klassen en
grootere families--omdat deze elk een eigen bijzonder orgaanstelsel
vertoonen. En juist dit vertoont een afdalende orde vanaf het
meestsamengestelde tot het eenvoudigste. Maar op zich zelf beschouwd
vertoont elk lichaamsdeel gèèn zoo regelmatige gradeering, en des
te minder, naarmate het zelf van minder belang is en vatbaarder voor
wijziging door de omstandigheden.
Inderdaad houden de min-gewichtige organen onderling niet steeds
gelijken tred in volmaking of achteruitgang. Als men dan ook alle
soorten van een klasse nagaat, zal men zien, dat zeker lichaamsdeel in
een bepaalde soort de grootste volkomenheid heeft bereikt, terwijl een
ander deel, bij diezelfde soort slechts kommerlijk ontwikkeld zijnde,
bij haar collega een hooge vlucht heeft genomen.
Die onregelmatige variatie in de trapsgewijze ontwikkeling van
bijkomstige lichaamsdeelen komt, doordat deze meer dan andere aan
den invloed van uitwendige omstandigheden zijn blootgesteld. Zij
op hun beurt laten vorm en uitwendig voorkomen niet ongemoeid en
geven het aanzijn aan een zóó verstrekkende en eigenaardig-geordende
veelsoortigheid, dat inplaats evenals de hoofdgroepen in een simpele
lineaire reeks te kunnen gerangschikt worden, deze soorten vaak van hun
eigen afdeelingen zijdelingsche vertakkingen uitmaken, wier uiteinden
werkelijk afzonderlijke punten zijn.
Om het inwendige orgaansysteem te wijzigen is de hulp van
invloedrijke omstandigheden gedurende langer tijd noodig dan voor
de uitwendige. Niettemin merk ik op, dat als de omstandigheden het
noodig maken de natuur--weliswaar zonder sprongen--van het eene
systeem op het andere naburige overgaat. Ja, door dat vermogen heeft
zij ze alle achtereenvolgens kunnen vormen, vanaf de eenvoudigste
tot de meest samengestelde. Zij heeft dat vermogen in die mate,
dat niet alleen de overgang van het eene naar het andere systeem kan
plaats hebben tusschen twee naburige families, maar zelfs in een en
hetzelfde individu.
De stelsels met echte _longen_ voor de _ademhaling_ staan dichter
bij die met _kieuwen_ dan die met _tracheeën_. Zoo schrijdt de
natuur niet alleen van kieuwen tot longen bij naburige klassen en
families,--gelijk visschen en tweeslachtige dieren [16] uitwijzen,
maar die verandering kan zich zelfs in een enkel individu voltrekken,
dat dus achtereenvolgens de beide systemen gebruikt. Men weet, dat de
kikvorsch in larvalen toestand als dikkopje ademt door kieuwen, als
volkomen dier echter door longen. Maar nergens ziet men een trachee-
in een longsysteem overgaan.
Naar waarheid kan men dus zeggen, dat in elk natuurrijk de groote
groepen in een enkele, trapsgewijze reeks te rangschikken zijn,
overeenkomstig de toenemend samengestelde bewerktuiging, en dat deze
serie aan het begin de eenvoudigste en aan het eind de best-uitgeruste
en -georiënteerde organismen moet bevatten.
Zoo schijnt de werkelijke orde van de natuur te zijn, en zoo blijkt
bij de meest-nauwlettende waarneming en gezette studie van alle
eigenaardigheden van haar verloop.
Sinds wij in onze indeeling der natuurproducten de noodzakelijkheid
hebben beseft, om hunne onderlinge _betrekkingen_, ook tusschen de
verschillende groepen in aanmerking te nemen, kunnen we die reeks niet
meer naar welgevallen schikken. En de aldus nieuw-verworven kennis
omtrent den loop van de natuur dwingt ons, hare Orde aan te nemen.
Voor de systematiek is het eerst-verkregen resultaat van deze
werkmethode, dat de beide uiteinden der reeks de meest-uiteenloopende
wezens moeten bevatten, omdat ze verwantschappelijk, en dus organisch,
het verst van elkaar staan; aan het eene einde de meest-volkomene,
aan het andere noodwendig de ònvolkomenste, d.w.z. de eenvoudigste.
Bij de planten kent men van deze _natuurlijke reeks_ nog slechts
het ééne uiteinde goed, d.w.z. men weet, dat de cryptogamen daar
behooren. Doordat van we de planten nog niet zooveel weten als van
vele dieren, is het andere einde alsnog onzekerder. Daaruit volgt,
dat wij bij de planten nog geen vasten gids hebben voor de betrekkingen
tusschen de groote groepen, gelijk voor geslachten en families.
Bij de dieren echter zijn de twee uiteinden der reeks voorgoed
vastgesteld. Want zoolang het natuurlijke stelsel van kracht zal zijn
zullen noodwendig de zoogdieren de bovenste, de afgietseldiertjes de
onderste plaats innemen.
Er is dus, voor _dieren_ zoowel als voor _planten_ een Orde,
voortvloeiende uit de "middelen", ingesteld in de natuur door den
Oppersten Schepper aller dingen. Zij, de Natuur, is niet anders dan
de algemeene en onveranderlijke Orde, door den verheven Veroorzaker in
alles ingeschapen, en het geheel van de daarovergestelde algemeene en
bijzondere wetten. Door die voortdurend gebruikte middelen roept zij
onafgebroken haar voortbrengselen tot aanzijn, verandert en vernieuwt
ze onophoudelijk en bewaart alzoo overal de Orde des Geheels.
Wij zullen zien, dat deze natuurlijke orde--waarvan wij reeds
verschillende stukken bezitten in de goedbekende families en
geslachten--wat de dieren betreft thans in zijn geheel boven alle
willekeur is vastgesteld.
Maar de groote verscheidenheid der bekende dieren en het licht,
door de vergelijkende anatomie op hun samenstelling geworpen, doen
ons thans de middelen aan de hand, om ze alle definitief in te deelen
en de juiste plaats hunner voornaamste afdeelingen vast te stellen.
Een en ander zal men ontegenzeggelijk moeten toestemmen. Onderzoeken
we nu den
_Huidigen stand van indeeling en classificeering der Dieren._
Daar doel en beginselen dezer beide in den aanvang hunner bewerking
ten eenen male miskend werden, deed de arbeid der natuuronderzoekers
nog lang de stumperigheid onzer denkbeelden gevoelen. Het ging met
de natuurwetenschappen als met alle andere, waar men zich eerst laat
is gaan bezinnen op de grondleggende, regelende beginselen. Inplaats
van de levende wezens te classificeeren volgens een onomstootelijke
orde, had men slechts een overzichtelijke rangschikking op het oog,
en bleef daardoor vol willekeur.
Zoo bijv. gebruikte men wegens de duistere betrekkingen tusschen de
groote planten-groepen langen tijd kunstmatige botanische systemen. Zij
boden alle gemak van willekeurige groepeeringen. Ieder auteur stelde
naar eigen smaak een nieuw stelsel op. De heele _natuurlijke indeeling_
werd dan ook voor de planten opgeofferd. Eerst sinds het erkennen van
het belang der voortplantingsorganen, en vooral van sommige daarvan
boven andere begint de botanische systematiek meer volkomen te worden.
Bij de dieren evenwel zijn in het algemeen de betrekkingen,
die de groote groepen characteriseeren veel gemakkelijker te
onderscheiden. Verscheidene zulke groepen werden dan ook reeds bij het
begin van de beoefening der natuurlijke historie als zoodanig herkend.
Zoo verdeelde Aristoteles de dieren in twee hoofdafdeelingen,
"klassen", t.w.
1e. Dieren met bloed:
Levend-barende viervoeters,
Eierleggende viervoeters,
Visschen,
Vogels.
2e. Dieren zonder bloed:
Mollusca,
Crustacea,
Testacea,
Insecta.
De hoofdindeeling in twee groote groepen was vrij goed, maar het
door Aristoteles gebruikte criterium slecht. Immers, hij gaf den naam
bloed aan de voornaamste dierlijke vloeistof met roode kleur. En in
de meening, dat de dieren van de tweede groep alle slechts witte
of witachtige sappen hadden, beschouwde hij ze eens en vooral als
bloedeloos.
Zoo was dan het eerste ontwerp voor een classificatie der dieren,
althans het oudste, waarvan wij kennis dragen. Maar tevens is 't
het eerste voorbeeld van een indeeling in omgekeerde volgorde aan de
natuurlijke, daar men een, hoewel nog zeer gebrekkige, voortschrijding
vindt van het meer samengestelde naar het eenvoudigere.
Sinds dien tijd heeft men algemeen bij het indeelen der dieren die
verkeerde richting gevolgd, wat onze kennis van het natuurlijke proces
kennelijk heeft in den weg gestaan.
Moderne natuurvorschers hebben gemeend, de onderscheiding van
Aristoteles te verbeteren, door zijn eerste afdeeling te noemen _dieren
met rood bloed_ en de tweede _dieren met wit bloed_. Men weet echter
tegenwoordig, hoe onbevredigend deze kenschetsing is, aangezien er
ongewervelde dieren zijn met rood bloed (vele _anneliden_).
Volgens mij verdienen de lichaamsdeelen der dieren niet langer den naam
_bloed_ als ze niet meer circuleeren in slagaderlijke en aderlijke
vaten. Die vochten zijn dan zoo vereenvoudigd, zoo onvolkomen in
de samenstelling hunner elementen, dat men ze ten onrechte met
òmloopende vloeistoffen zou gelijk stellen. Bloed toe te schrijven
aan straaldieren of polypen zou dan ook gelijk staan met hetzelfde
te doen aan de planten.
Om alle dubbelzinnigheden en hypothetische beschouwingen te vermijden
heb ik op mijn eersten cursus in het Museum in het voorjaar van 1794
het geheel der bekende dieren in twee volkomen scherp onderscheiden
secties verdeeld, te weten:
Gewervelde dieren, (Vertebrata)
Ongewervelde dieren, (Evertebrata)
Ik deed aan mijn leerlingen opmerken, dat de _wervelkolom_ bij de
betreffende dieren het bezit van een meer of minder ontwikkeld geraamte
aanduidt, en een bouwplan naar verhouding; terwijl haar ontbreken
bij andere deze niet alleen zuiver van de eerste onderscheidt, maar
tevens beteekent, dat zij volgens een totaal verschillend stelsel
zijn georganiseerd.
Van Aristoteles tot Linnaeus verscheen niets van belang op het gebied
van onze systematiek. Maar in de laatste eeuw hebben de groote
natuurkundigen talrijke bijzondere waarnemingen omtrent de dieren
gedaan, voornamelijk over de ongewervelde. Sommige hebben hun anatomie
meer of minder volledig bekend gemaakt; andere beschreven nauwkeurig en
uitvoerig de gedaanteverwisselingen en gewoonten van een groot aantal
dezer dieren. En het gevolg van hun kostbare waarnemingen is geweest,
dat een uiterst belangrijk feitenmateriaal ter onzer kennis is gekomen.
Na de feiten verzameld te hebben en ons geleerd te hebben, met groote
nauwgezetheid de kenmerken van allerlei graad te bepalen gaf Linné,
een man van superieuren geest en een van de grootste natuuronderzoekers
ons de volgende indeeling der dieren.
Hij verdeelde het bekende dierenrijk in zes klassen, volgens drie
trappen of graden van organisatie:
Systeem der Dieren volgens Linnaeus.
------
TABLE
| |Klassen.
| |
|_Eerste graad._
|I. |Zoogdieren. |Hart met twee kamers; rood en warm bloed.
|II. |Vogels.
|III. |Tweeslachtige dieren |_Tweede graad._
| |(reptielen). |Hart met een kamer; rood en
koud bloed.
|IV. |Visschen.
| |
|_Derde graad._
|V. |Insecten. |Kleurlooze, koude lichaams-vloeistof.
|VI. |Wormen.
------
Behalve de omgekeerde volgorde, die deze indeeling met alle andere
gemeen heeft, zijn hare eerste vier klassen nu eens en vooral
vastgesteld; hun plaatsing in de algemeene reeks, zal voortaan altijd
de instemming der zoölogen erlangen, zoodat men er in de eerste plaats
den beroemden Zweed dankbaar voor moet zijn.
Anders is het gesteld met de twee laatste afdeelingen. Deze zijn
kwalijk geslaagd en ondoelmatig. En aangezien zij het grootste aantal
en de meest verscheidene bekende dieren omvatten, zoo hadden ze ook
talrijker moeten zijn. Men heeft ze dus moeten hervormen en door
andere vervangen.
Gelijk men ziet schonken Linné en zijn opvolgers zoo weinig aandacht
aan de noodzaak, om de _evertebraten_--met een kleurloos, koud
lichaamsvocht inplaats van bloed, wier bewerktuiging een zoo groote
verscheidenheid vertoont--verder te splitsen, dat zij deze talrijke
dieren slechts in twee klassen hebben verdeeld, t.w. _insecten_ en
_wormen_. Zoodat al wat niet als insect werd beschouwd, anders gezegd
alle ongelede ongewervelden zonder uitzondering tot de wormen gerekend
werden. Zij plaatsten de insecten ónder de visschen en daaronder weer
de wormen. Volgens Linnaeus vormden dus de wormen de laatste klasse
van het dierenrijk.
Deze beide klassen treft men nog in dien vorm in alle posthume uitgaven
van het _Systema naturae_ aan. En ofschoon de kardinale fout van die
indeeling, vergeleken met de natuurlijke Orde der dieren duidelijk
blijkt, en buiten twijfel de Linneaansche _wormen_-klasse slechts een
soort van chaos is, waarin ver uiteenloopende zaken vereenigd zijn,
woog de autoriteit van dien geleerde zoo zwaar voor de natuurkenners,
dat niemand durfde te tornen aan die monsterklasse der _vermes_.
Met de bedoeling, hierin eenige nuttige hervorming aan te brengen,
_stelde ik op mijn eersten cursus de volgende indeeling voor van
de evertebraten_, die ik inplaats van in twee, in vijf klassen
onderscheidde, in deze volgorde:
1e. Mollusca.
2e. Insecta.
3e. Vermes.
4e. Echinodermata.
5e. Polypi.
Deze klassen, bevatten eenige van de door _Bruguière_ ter indeeling
van de wormen voorgeslagen door mij niet in allen deele geadopteerde
orden, en de klasse der insecten van Linné.
Nadat nu door de komst van Cuvier te Parijs tegen het midden van het
jaar 1795 de aandacht der zoölogen gevestigd was op de anatomie der
dieren, zag ik tot mijn groote voldoening de beslissende bewijzen,
door hem gegeven voor den aan de _weekdieren_ toe te kennen voorrang
boven de _insecten_ in de algemeene reeks. Ik had dat al bij mijn
lessen gedaan, hetgeen echter door de natuuronderzoekers van deze
stad niet gunstig was opgenomen.
De verandering, door mij aangebracht in het gevoel van onbevredigdheid
met de Linneaansche indeeling, bevestigde Cuvier volkomen door de
uiteenzetting van de meest positieve feiten, waaronder verscheidene
weliswaar bekend, maar door ons nog niet in aanmerking genomen.
Vervolgens mijn voordeel doende met het licht, dat deze geleerde
sinds zijn komst over alle onderdeelen van de dierkunde wierp,
en in het bijzonder over de _ongewervelde_,--door hem witbloedige
genoemde--dieren, voegde ik successievelijk nieuwe klassen aan mijne
indeeling toe. Ik was de eerste, die ze instelde, maar, gelijk men
zien zal, duurde het lang, voor eenige daarvan werden aangenomen.
Weliswaar stellen de geschied-schrijvers weinig belang in de wetenschap
en des te minder in hare beoefenaars; niettemin schijnt het mij de
moeite waard, om de veranderingen in de classificatie gedurende
deze vijftien jaren te leeren kennen. Ziehier die, welke ik zelf
heb aangebracht.
Vooreerst veranderde ik de benaming _echinodermen_ in _radiariën_,
teneinde er de kwallen en verwante geslachten bij te voegen(). Deze
klasse is ondanks haar nut en noodzakelijkheid nog niet geaccepteerd.
Gedurende mijn lessen van het jaar 1799 heb ik de klasse der
_crustaceeën_ opgesteld. Cuvier begreep toen in zijn _Tableau des
Animaux_ (p. 451) nog de crustacea onder de insecten. En ofschoon deze
klasse er zich in wezenlijke punten van onderscheidt, duurde het zes
of zeven jaar, vóór eenige natuuronderzoekers ertoe konden besluiten,
haar aan te nemen.
Het volgend jaar, d.w.z. op mijn cursus van het jaar 1800 stelde
ik voor de _arachniden_ als een aparte klasse, gemakkelijk en
noodzakelijk, te onderscheiden. Hare karaktertrekken wezen van huis
uit op de aparte organisatie dezer dieren. Want het is onmogelijk, dat
organismen gelijk die der insecten, die alle een gedaanteverwisseling
ondergaan, zich in den loop van hun leven slechts eenmaal voortplanten
en slechts twee antennen, twee facetoogen en zes gelede pooten
hebben, het aanzijn kunnen geven aan dieren, die nooit van gedaante
verwisselen en overigens in verschillende eigenaardigheden afwijken van
de insecten. Deze waarheid is sindsdien door de waarneming bevestigd
geworden. Toch wordt die klasse der _arachniden_ nog in geen enkel
werk behalve de mijne toegelaten.
Toen Cuvier bij eenige dieren, die men onder den naam _vermes_ met
andere van totaal verschillende samenstelling verwarde, het bestaan van
arterieele en veneuse bloedvaten ontdekt had, gebruikte ik dadelijk
dat nieuwe feit voor het verbeteren van mijne classificeering. En op
mijn cursus van 1802 stelde ik de klasse der _anneliden_ op, achter
de mollusken en voor de crustacea, overeenkomstig hun anatomie.
Bij het geven van een nieuwe naam aan die nieuwe klasse kon ik den
ouden van "_wormen_" voor dieren bewaren, die dezen altijd hadden
gedragen en waaruit de _anneliden_ op anatomische gronden wederom
verwijderd moesten worden. Dus ik zette de _wormen_ achter de insecten
en onderscheidde ze wèl van de radiaten en _polypen_, waarmede men
ze nooit zal mogen vereenigen.
Mijne klasse der _anneliden_, gepubliceerd in mijn lessen en in mijne
_Recherches sur les corps vivans_ (p. 24) werd meerdere jaren lang door
de dierkundigen niet erkend. Niettemin begint men dat sedert ongeveer
twee jaar te doen; maar men oordeelt het noodig, er de benaming van te
wijzigen, nl. in die van _vermes_, zoodat men niet weet, wat te doen
met de eigenlijke _vermes_, die noch zenuwstelsel, noch bloedsomloop
bezitten. In deze verlegenheid vereenigt men ze met de klasse der
_polypen_, hoezeer ze hiervan ook in samenstelling mogen verschillen.
Zulke voorbeelden van later weer te niet gedane verbeteringen in
de classificeering, die ten slotte weer door den loop der dingen
noodzakelijk hersteld moesten worden zijn niet zeldzaam in de
natuurwetenschap.
Zoo had Linnaeus verscheidene geslachten van planten vereenigd die
Tournefort tevoren onderscheiden had, zooals Polygonum, Mimosa,
Justicia, Convallaria en nog vele andere. Tegenwoordig richten de
botanici die door L. geschrapte genera weer op.
Het vorige jaar--bij mijn colleges van 1807--heb ik ten slotte een
nieuwe, tiende klasse van evertebraten ingesteld, die der infusoria,
omdat ik mij na een gedegen onderzoek dezer lagere dieren overtuigd
heb, dat ik ze ten onrechte onder de polypen gerangschikt had.
Terwijl ik aldus de vruchten verzamelde van eigen waarneming en
de snelle vorderingen der vergelijkende _ontleedkunde_ grondvestte
ik achtereenvolgens de verschillende klassen mijner tegenwoordige
indeeling der _ongewervelden_. Opgenoemd in de gebruikelijke omgekeerde
volgorde zijn het de volgende:
Klassen:
Mollusca.
Cirrhipedia.
Annelida.
Crustacea.
Arachnidea.
Insecta.
Vermes.
Radiata.
Polypen.
Infusoria.
Ik zal bij de afzonderlijke behandeling dezer klassen aantoonen,
dat het noodzakelijke afdeelingen zijn, gebaseerd op derzelver
organisatie. En ofschoon er in de buurt van hun onderlinge grenzen
soorten kunnen, ja moeten voorkomen, die in zekeren zin overgangsvormen
tusschen twee klassen vormen, zoo zijn ze toch zóó passende, als onze
kunst maar vermag voort te brengen. Zoolang dan ook het belang der
wetenschap voorop zal staan, zal men niet buiten hun erkenning kunnen.
Als men derhalve bij de tien klassen der evertebraten de vier der
vertebraten van _Linné_ voegt, krijgt men als indeeling van alle
bekende dieren de volgende veertien klassen, die ik nog eens in
omgekeerde volgorde zal opsommen:
Gewervelde dieren.
1. Zoogdieren.
2. Vogels.
3. Kruipende dieren.
4. Visschen.
Ongewervelde dieren.
5. Weekdieren.
6. Rankpootigen.
7. Ringwormen.
8. Schaaldieren.
9. Spinachtigen.
10. Insecten.
11. Wormen.
12. Straaldieren.
13. Polypen.
14. Afgietseldiertjes [17].
We zouden thans eigenlijk een zeer belangrijke, ja dringende vraag
moeten opwerpen, die nooit diepgaande onderzocht schijnt, nl.:
Moet men, de klassen van het dierenrijk als een reeks van groepen
behandelend zijn weg vervolgen van het meest-gecompliceerde naar het
eenvoudigste, of wel omgekeerd?
Wij zullen trachten de oplossing dezer vraag te geven in hoofdstuk
VIII, het laatste van dit deel. Maar tevoren willen wij een zeer
merkwaardige zaak onderzoeken, onze aandacht overwaard, die ons
ten gids kan strekken bij het naspeuren van den door de natuur
gevolgden weg bij het tot aanzijn roepen van hare verschillende
voortbrengselen. Ik bedoel die eigenaardige _trapsgewijze afklimming_
van bewerktuiging in de natuurlijke reeks der dieren vanaf de
volkomenste en meest samengestelde tot aan de eenvoudigste en
onvolkomenste.
Ofschoon deze _gradatie_ niet zonder onvermijdelijke schokken gaat,
gelijk ik zal aantoonen, bestaat zij tusschen de hoofdgroepen zoo
klaarblijkelijk en, zelfs in de afwijkingen van haar gewonen baan, met
een zoo onwrikbare standvastigheid, dat zij ongetwijfeld onderworpen
is aan een of andere algemeene wet, die wij daarom moeten opsporen.
HOOFDSTUK VI
TRAPSGEWIJZE AFKLIMMING EN VEREENVOUDIGING DER ORGANISATIE VAN HET
EENE EINDE VAN DE KETEN DER DIEREN TOT HET ANDERE
Beschouwingen over het bovengenoemde onderwerp behooren tot de meest
belangwekkende op het gebied van de zoölogische philosophie. Ons
doel is dus, te weten te komen, of dat feit werkelijk aangetoond kan
worden; want in dat geval zal het een sterk licht werpen op den door
de natuur afgelegden weg en ons in den zadel helpen, om verscheidene
van haar meest belangrijke wetten te ontdekken.
Ik stel mij hier voor, te bewijzen, dat het betreffende feit inderdaad
bestaat, en het product is van een aanhoudend en gelijkmatig werkende
natuurwet; maar dat een voor de hand liggende, bijzondere oorzaak hier
en daar de te verwachten resultaten daarvan langs de heele keten der
dieren doet afwijken.
Vooreerst moet men erkennen, dat de algemeene reeks der dieren,
gerangschikt naar hunne natuurlijke betrekkingen, een serie van
afzonderlijke groepen vormt als gevolg van de verschillende stelsels
van bewerktuiging die door de natuur zijn gebruikt, en dat zelf weer
naar afnemend-samengestelde organisatie geplaatste groepen samen een
echte keten vormen.
Voorts merkt men op, dat er, behoudens afwijkingen, waarvan wij
de oorzaken nog nader zullen opsporen, van het eene einde van die
keten tot het andere een opvallende vereenvoudiging van bewerktuiging
heerscht en in overeenstemming hiermee een vermindering van het aantal
eigenschappen. Zoodat, indien aan het eene einde de in alle opzichten
meest volkomen dieren staan, men noodwendig aan den tegenovergestelden
kant de eenvoudigste en laagststaande ontwaart.
Tenslotte kan men zich overtuigen, dat alle bijzondere organen zich
gaandeweg van klasse tot klasse vereenvoudigen en veranderen, ginds nog
van voornaam belang, hier hoe langer hoe armzaliger en zwakker worden,
en hun plaatselijke concentratie verliezen om te eindigen met volkomen
te verdwijnen nog vóór het andere einde van de keten is bereikt.
Voorwaar schrijdt deze _degradatie_ niet altijd regelmatig voort;
want vaak ontbreekt er eenig orgaan of verandert het plotseling en
neemt soms daarbij zonderlinge gestalten aan, die met geen enkele
andere door herkenbare overgangen verbonden zijn. Ook verschijnt en
verdwijnt een orgaan dikwerf nog herhaaldelijk, alvorens definitief
van de baan te zijn. Maar men zal gevoelen, dat dit niet anders
heeft kunnen zijn; dat de oorzaak der toenemende samengesteldheid
van bewerktuiging verschillende afwijkingen in hare voortbrengselen
heeft moeten ondergaan, wijl deze vaak door een sterke werking van
buiten af gewijzigd worden. Nochtans zal men zien, dat de betreffende
_degradatie_ niet minder werkelijk voortgaat.
Indien de tendens tot voortdurende ontwikkeling der organismen de
eenige was, die invloed had op de dierlijke vormen en lichaamsdeelen,
zouden deze overal zeer regelmatig samengestelder worden. Maar verre
van dien: de natuur is gedwongen om wat zij volbrengt overal te
onderwerpen aan den invloed der omringende omstandigheden, die hare
voortbrengselen in allen deele doen varieeren. Ziedaar de bijzondere
oorzaak, die in den loop van de trapsgewijze _afklimming_ dikwijls
zonderlinge afwijkingen van het gewone verloop doet ontstaan.
Laat ons trachten in het volle licht te stellen: zoowel de progressieve
_vereenvoudiging_ der dierlijke organisatie als de oorzaak der
afwijkingen, die deze ondergaat.
Het is duidelijk, dat als de natuur slechts het aanzijn gegeven had
aan waterdieren, die alle steeds onder hetzelfde klimaat in dezelfde
soort water van dezelfde diepte geleefd hadden, enz., men dan in hun
organisatie een regelmatige _opklimming_ met vloeiende overgangen
zou gevonden hebben.
Intusschen heeft de natuur hare vermogens niet tusschen zoo
nauwe grenzen beperkt. Vooreerst al heeft zij in het water zelf
de omstandigheden belangrijk gedifferentieerd: zoet- en zeewater,
stilstaande en stroomende of bewogen wateren, warme en koude, ondiepe
en diepe bieden evenzoovele bijzondere omstandigheden voor de hen
bewonende dieren. Bij gelijken trap van organisatie ondergaan dan de
daaraan blootgestelde dierrassen speciale invloeden van elk ervan en
worden er door gewijzigd.
Nadat waterdieren van allerlei aard waren voortgebracht en bijzonder
gevarieerd met behulp der onderscheidene levensvoorwaarden van het
water, zijn sommige hun natte element ontrouw geworden, eerst aan
de oevers, om daarna geheel een landleven te gaan aannemen in de
dampkringslucht. Deze bevonden zich mettertijd in omstandigheden zóó
totaal verschillend van hunne vroegere en van zoo ingrijpenden invloed
op gewoonten en organen, dat de theoretische regelmatige _opklimming_
in bewerktuiging er op eigenaardige wijze door gewijzigd is zoodat
zij hier en daar nauwelijks meer herkenbaar is.
Deze door mij reeds lang onderzochte dingen, die ik met stellige
bewijzen zal staven geven mij aanleiding om het volgende _zoölogische
beginsel_ voor te stellen, welks grondslagen mij aan elken twijfel
ontheven schijnen:
_Het proces van voortschrijdende samengesteldheid van bewerktuiging
ondergaat hier en daar in de algemeene reeks der dieren afwijkingen
onder den invloed van de omgevende omstandigheden en de aangenomen
gewoonten._
Men heeft zich op grond dier _afwijkingen_ gerechtigd geacht, de
opvallende progressie in de dierlijke bewerktuiging zelf te verwerpen
en daarmee den weg, dien de natuur volgt bij het voortbrengen van
hare levende schepselen.
Intusschen zijn ondanks die genoemde anomalieën het algemeene
plan der natuur en haar gestadige procédé nog zeer goed te
onderkennen, alhoewel de gebruikte middelen tot in het oneindige
varieeren. Daartoe moet men de algemeene reeks der bekende dieren
in haar geheel beschouwen, en vervolgens in hare groote groepen
en men zal er de meest ondubbelzinnige bewijzen ontdekken van de
_trapsgewijze opklimming_ in de organisatie, onmiskenbaar ondanks de
opgenoemde afwijkingen. Ten slotte merke men op, dat overal, waar
geen uiterst-afwijkende omstandigheden aan het werk zijn geweest
men in die _opklimming_ vloeiende overgangen vindt in die deelen der
reeks, welke wij _families_ hebben genoemd. Die waarheid blijkt nog
treffender bij de studie van de z.g. "_soorten_". Want hoe meer wij
waarnemen, hoe moeilijker, ingewikkelder en uitvoeriger onze specifieke
onderscheidingen worden.
De opklimming in de samenstelling der dieren zal dus een onbetwistbaar
feit zijn, zoodra wij de stellige bewijzen tot in bijzonderheden
kunnen geven van wat zoo juist uiteengezet is. En daar wij de
dierenreeks beschouwen in omgekeerde volgorde als de natuur bij hunne
voortbrenging heeft gevolgd, doet zich de gradatie aan ons voor als
een merkwaardige _afdaling_, van het eene einde van den dierenketen
tot het andere behoudens de onderbrekingen als gevolg van de nog te
ontdekken natuurvoorwerpen en van de afwijkingen, veroorzaakt door
uitersten in levensomstandigheden.
Om nu met stellige feiten die _trapsgewijze afklimming_ in de dierlijke
organisatie te grondvesten willen we eerst eens een blik slaan op de
samenstelling en het geheel dezer reeks en de feiten ermee annex;
vervolgens zullen we hare veertien klassen snel de revue laten
passeeren.
Bij het onderzoek van de algemeene indeeling der dieren zooals ik die
in het vorige hoofdstuk heb voorgeslagen en die over het geheel door
de zoölogen eenstemmig wordt erkend--behoudens de bezwaren tegen de
grenzen van eenige klassen--springt één feit dadelijk in het oog, dat
op zichzelf al beslissend zou zijn voor mijn zaak, en wel het volgende:
Aan het eene einde van de serie, dat men gewoonlijk het "voorste"
noemt ziet men de in alle opzichten meest volkomen dieren met de
meestingewikkelde organisatie terwijl zich aan het andere einde de
laagst-bewerktuigde bevinden, wier dierlijkheid men ternauwernood
zou vermoeden.
Dit welbekende en inderdaad onweerlegbare feit wordt het eerste
bewijs voor de aan te toonen afklimming, want het is er de wezenlijke
voorwaarde voor.
Een ander bewijzend feit daarvoor is het volgende: De eerste vier
klassen van het dierenrijk bevatten dieren, zonder uitzondering met
_ruggegraat_, welke bij alle andere ten eenen male ontbreekt.
Men weet, dat die wervelkolom de ruggesteun is van het geraamte, dat
zonder haar niet kan bestaan en dat overal waar zij zich bevindt er
een meer of minder volledig en volkomen skelet is.
Voorts wijst, naar bekend, volmaking der functies op die der
betreffende organen.
Ofschoon nu hier de mensch niet in aanmerking komt doordat zijn
verstand zoozeer meerderwaardig is boven zijn lichamelijkheid, levert
hij ongetwijfeld het voorbeeld van de grootst mogelijke volmaaktheid;
hoe meer dan ook een dierlijk organisme het zijne nadert, hoe
volkomener is het.
Dit zoo zijnde merk ik op, dat het menschelijk lichaam niet alleen een
geleed skelet bezit, maar nog wel het in allen deele meest volledige
en volkomene. Dit geraamte verstevigt zijn lichaam, levert talrijke
aanhechtingsplaatsen voor de spieren en stelt hem in staat zijn
bewegingen vrijwel tot in het oneindige te varieeren.
Daar nu het _skelet_ een voornaam aandeel neemt in het bouwplan van het
menschelijk lichaam, zoo is het duidelijk, dat elk dier mèt geraamte
beter georganiseerd is dan zonder.
Dus zijn de _evertebraten_ onvolkomener dan de vertebraten. Plaatst
men dus aan het hoofd van de dierenreeks de meest volkomene, dan
vertoont zij een werkelijke afklimming in bewerktuiging, aangezien
na de eerste vier klassen alle volgende dieren een geraamte missen
en bijgevolg onvolkomener georganiseerd zijn.
Maar dat is niet alles: onder de gewervelde dieren zelf wordt die
afklimming ook opgemerkt. Wij zullen zien dat zij ook onder de
ongewervelde dieren bestaat, dat dus deze afklimming volgt uit het
door de natuur constant volgehouden plan en tegelijkertijd een gevolg
is van de omgekeerde richting, waarin wij hare orde vervolgen. Want
indien wij de werkelijke richting kozen van onvolkomen tot volkomen,
zouden we een toenemende samengesteldheid vinden en achtereenvolgens
de dierlijke functies in aantal en doeltreffendheid zien wassen. Laten
we daarom ten bewijze van de werkelijke degradatie eens schielijk de
verschillende klassen van het dierenrijk doorloopen.
De Zoogdieren
Dieren met melkklieren, vier ledematen en alle integreerende
lichaamsdeelen der meest volkomen dieren. Haar op eenige
plaatsen.
De zoogdieren (_Mammalia_), moeten blijkbaar aan een der uiteinden
van de keten der dieren staan, en wel op de plaats van de best
georganiseerde en functioneerende; want alleen onder hen vindt men
de meest ontwikkelde intelligentie.
Indien de ontwikkeling der functies die der betreffende
organen bewijst, dan zijn de zoog-dieren,--de eenige werkelijk
_levendbarende_()--het best bewerktuigd, omdat, gelijk bekend,
deze dieren meer verstand, meer eigenschappen en een meer volkomen
geheel van zintuigen hebben dan alle andere; overigens nadert hun
organisatie het meest tot die van den mensch. Zij toch vertoonen
ons een lichaam, in allen deele bevestigd door een geleed geraamte,
vollediger dan bij de vertebraten van de drie andere klassen. De
meeste hebben vier ledematen, afhankelijk van het skelet, en alle een
middenrif tusschen borst en buik; een hart met twee kamers en twee
boezems; rood en warm bloed; vrij in de borstkas opgehangen longen
waardoor alle bloed circuleert alvorens naar de andere lichaamsdeelen
gezonden te worden. Ten slotte zijn zij alleen echt _levendbarend_,
want alleen bij hen houdt het _foetus_, ingehuld in zijn bekleedselen,
nochtans met de moeder voortdurend verbinding, ontwikkelt er zich
ten haren koste en voedt zich na de geboorte nog eenigen tijd met
het zog van hare melkklieren.
Dus moeten de _zoogdieren_ de eerste plaats in het dierenrijk innemen,
in verband met hunne volmaking van organen en vermogens (_Recherches
sur les Corps vivans_, p. 15) aangezien men buiten hen geen echte
viviparie meer vindt, noch door een diaphragma in de borstkas
afgeperkte longen waar alle lichaamsbloed doorheen spoelt, enz. enz.
Nu is het werkelijk onder de _zoogdieren_ zelf vrij moeilijk,
onderscheid te maken tusschen datgene, wat inderdaad behoort tot
de door ons onderzochte trapsgewijze afklimming en de gevolgen van
omringende omstandigheden, van levenswijze en sinds langen tijd
aangenomen gewoonten.
Intusschen vindt men bij hen sporen van de algemeene trapsgewijze
rangschikking in organisatie; want zij wier ledematen tot grijpen
ingericht zijn staan boven die, welke er slechts mee loopen
kunnen. Onder de eerste bevindt zich de mensch. Wijl dus het
menschelijk organisme het meest volmaakt is, moet men het als type
beschouwen, waarnaar de meerdere of mindere volkomenheid van de andere
te beoordeelen is.
Zoo vertoonen de drie afdeelingen, waarin de klasse der _zoogdieren_,
zij het niet gelijkmatig, te onderscheiden is, een opmerkelijke
trapsgewijze afklimming in de bewerktuiging der betreffende dieren.
_Eerste afdeeling: genagelde zoogdieren_; (Unguiculata); zij bezitten
vier ledematen, platte of puntige nagels aan de uiteinden hunner
vingers, die daardoor niet omhuld worden. Die ledematen zijn in het
algemeen geschikt om te grijpen, althans zich aan de voorwerpen vast
te klemmen.--Onder hen in 't bijzonder bevinden zich de meest-volmaakt
georganiseerde dieren.
_Tweede afdeeling: hoefdieren_ (Ungulata); vier ledematen,
wier uiteinden geheel omhuld worden door een rond stuk hoorn,
z.g. "_hoef_". De voeten dienen slechts tot loopen of rennen en zijn
ongeschikt tot het boomleven of als grijporganen of tot het aanvallen
en verscheuren van andere dieren. De voeding geschiedt uitsluitend
met planten.
_Derde afdeeling: nagellooze zoogdieren_ (Exungulata); slechts twee
zeer korte, afgeplatte en tot zwemmen geschikte ledematen. De door de
huid omgeven vingers dragen geen nagels of andere hoornvormingen. Van
alle zoogdieren zijn zij het laagst bewerktuigd. Ze bezitten
bekken noch achterste ledematen en verzwelgen het voedsel
ongekauwd. Gewoonlijk leven zij in het water, maar komen aan de
oppervlakte om adem te halen. Men noemt ze cetacea (walvischachtigen).
Ofschoon de _tweeslachtige zoogdieren_ [18] eveneens het water bewonen,
waaruit zij slechts van tijd tot tijd aan land kruipen, zoo behooren
zij inderdaad tot de eerste afdeeling, van de natuurlijke Orde,
en niet tot die, welke de cetacea bevat.
Men zal nl. al dadelijk inzien, dat onderscheid dient gemaakt te
worden tusschen een _lageren trap_ van organisatie als gevolg 1e. van
woonplaats en aangenomen gewoonten, en 2e. van uit een geringeren
graad van volmaaktheid of bewerktuiging. Daardoor is voorzichtigheid
geboden bij de beschouwingen van details. Want aangezien de
levensomstandigheden, de bijzondere woonplaatsen de van buiten af
op-gedwongen gewoonten, levenswijze enz., een groot orgaan-omvormend
vermogen bezitten--gelijk ik nader zal laten zien--zoo zou men bepaalde
vormen verkeerdelijk aan oorzaken sub I kunnen toeschrijven.
Zoo is het duidelijk, dat de _amphibien_ [19] en de _walvisschen_, die
beide een dichte middenstof bewonen, waar goed-ontwikkelde ledematen
de bewegingen slechts zouden hinderen, het best gediend zijn van
zeer verkorte leden; dat uitsluitend de invloed van het water ze
heeft moeten maken tot wat ze zijn, en dat bijgevolg deze dieren
hun algemeenen lichaamsvorm danken aan het bewoonde milieu. Maar in
die _afdalende orde_, welke wij bij de _zoogdieren_ zelve tracht te
onderscheiden moeten de _tweeslachtigen_ van de _cetacea_ verwijderd
worden, wijl hun bewerktuiging in hare voornaamste deelen veel
minder gedegradeerd is; en men moet ze daarom nader brengen tot de
_genagelde zoogdieren_, terwijl de _walvischachtigen_, als zijnde de
minst volkomene, de laatste orde der klasse moeten vormen.
Thans zullen wij tot de _vogels_ overgaan, maar eerst wil ik nog
opmerken, dat van de _zoogdieren_ tot de _vogels_ geen overgang
bestaat. Hier is een leegte. Maar de natuur heeft zonder twijfel
dieren voortgebracht, die deze leegte ten naaste bij aanvullen, en
die een afzonderlijke klasse moeten vormen, indien zij noch onder de
zoogdieren, noch onder de vogels gerangschikt kunnen worden.
Dit is nu inderdaad gebleken, doordat men kort geleden in Nieuw-Holland
twee geslachten van zoogdieren ontdekt heeft, t.w.
Ornithorhynchus } Monotremata Geoffr.
Echidna. }
Deze dieren bezitten vier ledematen, geen melkklieren, tanden in kassen
noch lippen. Zij hebben slechts één afvoergang voor geslachtsproducten,
vaste- en vloeibare uitscheidingsstoffen, (cloaca). Het lijf is bedekt
met haren of stekels.
Zoogdieren zijn het niet, want ze hebben geen melkklieren en zijn
hoogstwaarschijnlijk eierleggend.
Het zijn geen vogels, want de longen zijn niet doorboord noch de armen
tot vleugels omgevormd. Reptielen zijn ze ten slotte ook niet, blijkens
hun twee hartkamers. Zij behooren dus tot een afzonderlijke klasse.
De Vogels.
Dieren zonder melkklieren, met twee pooten en twee tot vleugels
gewijzigde armen. Lichaam bedekt met veeren.
De tweede rang komt klaarblijkelijk aan de _vogels_ toe, want ofschoon
men bij hen gewis niet zooveel vermogens en verstand vindt als bij de
eersterangs-dieren, zoo zijn zij, ongeacht de monotremen, de eenige die
een hart met twee kamers en twee boezems, warm bloed, een geheel met
hersenen gevulde schedelholte en een in ribben gevatten romp hebben,
evenals de zoogdieren. Met deze laatste hebben ze dus zeer-aparte
kenmerken gemeen, die men bij geen der latere klassen zal terugvinden.
Vergeleken met de zoogdieren vertoonen nochtans de vogels een
kennelijk lageren trap van organisatie, geenszins afhankelijk van
de omstandigheden. Immers, als hoofdzaak missen zij de melkorganen,
slechts eigen aan de hoogst-ontwikkelde dieren, in verband met de
_echt-levendbarende_ wijze van voortplanten, die men zoowel bij de
vogels als bij een der na-volgende rangen vergeefs zou zoeken. In een
woord: ze _leggen eieren_. Hun in een anorganische z.g. eierschaal
gehulde foetus heeft weldra geen verbinding meer met de moeder en
ontwikkelt zich zonder aan haar direct voedsel te ontleenen.
Een _middenrif_, dat bij de mammaliën borst- en buik-holte volkomen,
zij het ietwat scheef, afscheidt, ontbreekt hier ten eenen male.
In de wervelkolom zijn slechts hals- en staartwervels bewegelijk, daar
dit voor de overige onnoodig is, en daarmede geen hinderpalen in den
weg gelegd worden aan de ontwikkeling van den kam van het borstbeen,
hetwelk thans op zijn beurt welhaast alle beweging onmogelijk maakt.
Immers, daar het sternum der vogels als steunpunt dient voor
pectoraalspieren, (door voortdurende, krachtige beweging zeer dik
en sterk geworden) is het zelve uiterst breed uitgegroeid met een
kam in het midden. Maar dit houdt verband met de gewoonten dezer
dieren, en niet met hun plaats in het systeem. Immers, een zoogdier:
de vleermuis vertoont eveneens een borstbeenkam.
Al het bloed der vogels doorstroomt de longen, alvorens de
andere lichaamsdeelen te bereiken. Dientengevolge geschiedt de
long-bloedzuivering hier nog even volledig als bij de zoogdieren;
later wordt dat stelsel niet meer aangetroffen.
Maar hier echter doet zich een zeer merkwaardige bijzonderheid
voor, welke zonder twijfel samenhangt met de levensomstandigheden
dezer dieren. De vogels, bij uitstek bewoners der lucht, die ze
onophoudelijk in alle richtingen doorklieven, hebben de gewoonte
aangenomen hun longen te doen zwellen ter verlichting, hetgeen deze
organen zijwaarts zakvormig heeft doen uitgroeien, en de--door de
plaatselijke warmte verdunde--lucht in staat gesteld heeft, longen
en omhulsels te doorboren en voorts in bijna alle lichaamsdeelen,
zelfs in de groote holle beenderen door te dringen, ja tot in de
schachten der pennen [20]. Desalniettemin ondergaat het bloed slechts
in de longen den vereischten invloed van de zuurstof, want de in de
andere lichaamsdeelen binnendringende lucht heeft een andere functie
dan voor de ademhaling.
Aldus staan de vogels met recht een trap onder de zoogdieren. Niet,
wijl hun longen een bijzonderheid bieden, die de eerste
missen,--evenals de veeren slechts een gevolg van het lucht-leven--doch
wijl ze een ander voortplantingssysteem bezitten dan de meest-volmaakte
dieren, nl. hetzelfde als het meerendeel der lagere klassen.
Onder de vogels zelf is de afklimming in organisatie zeer moeilijk
te onderkennen; onze kennis van hunne bewerktuiging is daarvoor nog
van te algemeenen aard. Men heeft dan ook tot heden vrij willekeurig
deze of gene orde aan het hoofd der klasse gesteld, en haar naar
welbehagen geëindigd.
Edoch, indien men in aanmerking neemt, dat de watervogels (zooals de
zwemvoetigen), de steltloopers en de hoenderachtigen het uitnemende
voordeel hebben, dat hun jongen dadelijk na het verlaten van het ei
kunnen loopen en zich voeden en bovenal, als men oplet, hoe onder de
zwemmers de vetganzen en pinguïns--wier bijna vederlooze, tot zwemmen
ongeschikte vleugels niet veel meer dan vinnen zijn--eenigermate
tot de cloaakdieren en walvischachtigen naderen, zoo zal men inzien,
dat de zwemvoetigen, steltloopers en hoenderachtigen de eerste drie
vogelorden moeten vormen en de duiven, zang-, roof- en klimvogels
de laatste vier. Voorzoover bekend kunnen bij hen de pas uitgekomen
jongen zich ook nog niet voortbewegen of voeden.
Ten slotte maken volgens deze beschouwingen de klimvogels de laatste
orde uit, als zijnde de eenige met twee teenen naar voren en twee
naar achteren, hetgeen op een nadere overeenkomst met de reptielen
(chamaeleon) schijnt te wijzen.
Reptielen.
Dieren met slechts een hartkamer, nog in het genot van
longademing, schoon onvolkomen. Huid glad of beschubd.
Op den derden rang komen natuurlijk (en noodzakelijk) de _reptielen_,
en zij zullen ons nieuwe en belangrijke bewijzen aan de hand doen
voor de _trapsgewijze afdaling_ der bewerktuiging van het eene tot het
andere einde der dieren-rij. Ten eerste heeft hun hart, met slechts één
hartholte, niet meer die gedaante, bij uitstek eigen aan de eerste-
en tweederangs dieren, en hun bloed is koud, bijna gelijk dat van de
leden der laagste rangen.
Een ander bewijs voor hun lageren trap van bewerktuiging vertoonen
de kruipende dieren ons in de ademhaling. Vooreerst zijn zij de
laatste, die nog door echte longen ademen, want na hen vinden wij in
geen enkele dierklasse dergelijke organen, hetgeen ik zal trachten
te bewijzen bij de weekdieren.--Ten tweede bestaat de long in 't
algemeen uit zeer groote cellen, naar verhouding weinig talrijk en
reeds sterk vereenvoudigd. Bij vele soorten ontbreekt dit orgaan
op jeugdigen leeftijd nog, en de functie wordt dan waargenomen
door _kieuwen_, ademhalingsorganen, welke bij geen der vorige rangen
gevonden worden. Soms worden hier beide systemen tegelijk bij hetzelfde
individu aangetroffen (jonge kikvorschachtigen).
Maar het beste bewijs voor hun _lagere rangorde_ in zake de ademing is
het feit, dat slechts een deel van het bloed door de longen passeert,
terwijl de rest de lichaams-deelen bereikt zonder "gelucht" te zijn.
Tenslotte beginnen de vier ledematen, zoo karakteristiek voor de
hoogere dieren, hier verloren te gaan, ja, veelal geheel te verdwijnen,
zooals bij haast alle slangen.
Onafhankelijk van de _vereenvoudiging_ in bewerktuiging, waarneembaar
in: hart-vorm, bloedtemperatuur--die ternauwernood boven die van de
omgeving stijgt--onvolkomen ademhaling en trapsgewijze vervlakking
der longen, bemerkt men voorts ook tusschen de reptielen onderling
belangrijke verschillen, zoodanig, dat de orden dezer klasse in
voorkomen en anatomie grooter verschillen vertoonen dan bij de twee
voorafgaande klassen. Sommige leven gewoonlijk op het land, en onder
hen kunnen de pootlooze soorten slechts kruipen. Andere bewonen
het natte element of wel afwisselend land en water. De huid is nu
eens glad, dan weer beschubd. Ofschoon alle slechts één hartkamer
hebben, zijn er sommige soorten met twee boezems, andere met een. Al
deze verschillen hangen af van de woonplaatsen, levenswijze, enz.;
zonder twijfel oefenen de omstandigheden grooteren invloed uit op een
organisatie, nog ver van het beoogde doel verwijderd, dan op zulke,
die reeds meer naar hun volmaking zijn voortgeschreden.
Wijl de kruipende dieren eieren leggen, (ook wanneer deze
intusschen in de moederschoot uitkomen), voorts een gewijzigd,
meest sterk vereenvoudigd skelet bezitten, een minder volkomen
ademhaling en bloedsomloop dan de zoogdieren en vogels en hunne
smalle hersenen de schedelholte niet geheel vullen, zoo zijn zij
minder volmaakt dan de twee voorafgaande klassen, aldus van hun
kant de voortdurend-_toenemende onvolkomenheid_ van organisatie
bevestigend. Reeds genoemd zijn de kieuwen der pasgeboren _batrachia_.
Indien men het ontbreken der pooten als een teeken voor lagere rangorde
zou opvatten, dan moesten de _slangen_ de laatste orde vormen; dit
ware echter een averechtsche opvatting. Immers, door het aannemen van
de gewoonte om zich te verbergen door vlak op den bodem te kruipen
heeft hun lichaam een overmatige lengte verkregen, vergeleken met
de dikte. Derhalve zouden lange pooten schadelijk geweest zijn voor
't zich kruipend verbergen, en korte pooten--waarvan ten hoogste
vier beschikbaar--niet in staat om het lijf voort te bewegen. Aldus
hebben de gewoonten dezer dieren hun pooten doen verdwijnen, en
niettegenstaande de _tweeslachtigen_ ze wel bezitten, zijn deze meer
overeenkomstig de visschen georganiseerd.
De bewijzen voor deze mijne belangrijke beschouwingen zullen gebaseerd
zijn op positieve feiten, en bijgevolg beveiligd voor--vergeefs
aangevoerde--tegenwerpingen.
De Visschen
Dieren, door kieuwen ademende, met gladde of beschubde huid
en voorzien van vinnen
Volgens onze plaatsing naar afklimmende orde van algemeene
bewerktuiging moeten de _visschen_ noodzakelijkerwijze op den vierden
rang worden geplaatst, dus na de _reptielen_. Inderdaad zijn zij ook
minder-volkomen bewerktuigd dan deze laatste!
Ongetwijfeld zijn hun algemeene lichaamsvorm, het ontbreken van een
insnoering tusschen kop en romp, en de verschillende vinvormige
ledematen een gevolg van de dichte middenstof, die zij bewonen,
en geen kenmerk van _lagere organisatie_. Toch is deze laatste
niet minder werkelijk, ja, blijkens hunne inwendige samenstelling,
aanzienlijk lager dan die der _reptielen_.
Bij hen vindt men het ademhalingsstelsel der hoogste dieren niet
terug, d.w.z., de--ontbrekende--ware longen zijn vervangen door
kieuwen, d.z. kamvormige, vaatrijke plaatjes, ten getale van vier
stel aan beide zijden van hals of kop geplaatst. Het door den bek
opgenomen water strijkt tusschen de kieuwbladen door, omspoelt de
talrijke vaten daarin, en de in het water vervatte lucht, schoon
in geringe hoeveelheid, werkt op het kieuw-bloed in, ter weldoende
lucht-verversching. Het water passeert daarna de zijdelingsche
openingen in den hals.
Merk op, dat hier voor de laatste maal het ingeademde fluide door
den mond heen het respiratie-orgaan bereikt().
Evenals de na-volgende rangen, missen ook deze dieren luchtpijp,
keel en echte stem (n'en déplaise de z.g. "_brommers_") alsmede
oogleden, enz.
Nochtans maken de visschen deel uit van de gewervelde dieren doch
zij beëindigen den vijfden trap van organisatie, wijl ze alleen met
de kruipende dieren de volgende eigenschappen gemeen hebben:
Een wervelkolom,
Zenuwen, in hersenen samenkomend die _niet_ de schedelholte
opvullen,
Eén hartkamer,
Koud bloed,
Uitsluitend inwendige gehoororganen.
De visschen zijn aldus georganiseerd: voortplanting door eieren;
lichaam zonder melkklieren en van den meest zwem-vaardigen vorm;
vinnen, welke niet geheel overeenkomen met de vier ledematen der
hoogere dieren; een zeer onvolledig skelet, zonderling vervormd
en bij de laagst-staande leden dezer klasse ter nauwernood
ontwikkeld; één hartkamer en koud bloed; kieuwen inplaats van
longen; zeer kleine hersenen; een tastzin zonder zin voor vormen en
klaarblijkelijk geen reukzin, wijl geuren slechts door de lucht worden
voortgeplant(). Kortom, het is duidelijk, dat ook deze dieren van hun
kant de _trapsgewijze afklimming_, welke wij in het heele dierenrijk
nagaan, bevestigen.
Bij een hoofd-indeeling dezer klasse zullen we zien, dat de
z.g. beenvisschen meer volkomen zijn dan de kraakbeenachtigen. Ook
onderling duiden deze twee groepen dus weer op een trapsgewijzen
teruggang, want laatstgenoemde groep bewijst door de zwakte der
steunende deelen--ook in de voortbewegingsorganen--dat bij hen het
skelet eindigt, of liever: dat de natuur daar juist met de vorming
ervan begonnen is.
Steeds verder gaande in een richting, tegengesteld aan de natuurlijke
Orde, moeten de laatste acht geslachten van deze klasse die visschen
omvatten, waarvan de kieuwopeningen, zonder operculum (kieuwdeksel)
of membraan, slechts zijdelingsche of keelstandige gaten zijn. Aan
't einde zullen ten slotte de lampreien en lancetvischjes moeten
komen, wijl zij ten eenen male verschillen van alle andere door de
onvolkomendheid van hun skelet en door hun naakt, slijmig lichaam
zonder zijdelingsche vinnen, enz.
Algemeene opmerkingen over de gewervelde dieren.
Ofschoon onderling sterk afwijkende, zoo blijken de gewervelde dieren
alle volgens een gemeenschappelijk organisatieschema gebouwd. Van de
visschen tot de zoogdieren opstijgende ziet men, dat dit grondplan
zich van klasse tot klasse volmaakt heeft, en eerst in de hoogste
zoogdieren voleindigd is. Doch tevens merkt men op, dat het type in den
loop zijner volmaking talrijke wijzigingen heeft ondergaan, en zelfs
zeer aanzienlijke, zoowel door den invloed van de omgeving, als door
de gewoonten, welke iedere soort gedwongen was, naar omstandigheden
aan te nemen.
Men ziet daaruit, dat indien de vertebraten onderling in organisatie
sterk verschillen, dit een gevolg van het feit is, dat de natuur
eerst bij de visschen een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering
van haar ontwerp, het vervolgens verder doorgevoerd bij de reptielen,
en bij de vogels nader tot zijn volmaking heeft gebracht, om het pas
bij de hoogste zoogdieren te voleinden.
Aan den anderen kant kan men niet nalaten op te merken, dat zoo al de
voltooiïng van dit plan niet overal van de visschen tot de zoogdieren
geleidelijk-vloeiend plaats heeft, dit zijn oorzaak vindt in de
bijzondere verschillende, soms zelfs tegenstrevende omstandigheden,
die wijzigend, tegenwerkend, ja zelfs richtingveranderend gewerkt
hebben gedurende de lange keten der opvolgende geslachten.
Verdwijnen van de wervelkolom.
Als men tot dit punt van de dierlijke ontwikkelingstrap genaderd is,
bevindt men, dat de wervelkolom totaal verdwijnt, en wijl deze de
kern is van ieder waar skelet en deze beenige stut een belangrijk
onderdeel uitmaakt van de organisatie der hoogste dieren, zoo zijn
alle _ongewervelden_, welke wij nu achtereenvolgens gaan beschouwen,
onvolkomener bewerktuigd dan de vier laatstbehandelde klassen. Van
nu af zullen dus de spieren geen steunpunten meer aan inwendige
deelen zoeken.
Bovendien ademen de _evertebraten_ nooit door cellige longen; geen
enkele heeft een stem, bijgevolg ook niet de betreffende organen. Ten
slotte schijnen ze meestal geen echt bloed te bezitten, d.i. die
meest roode vloeistof der gewervelde dieren, welke haar kleur slechts
dankt aan haren graad van bezwangering met bewegende lichaampjes,
en die voor alles een echten _omloop_ vertoont. Misbruik ware het,
den naam "_bloed_" ook te geven aan die vloeistof zonder kleur of
samenstelling, welke zich bijv. langzaam door de celsubstantie der
polypen beweegt. Moet men dienzelfden naam dan ook aan de plantensappen
geven?
Behalve de _wervelkolom_, gaat ook de _iris_ verloren, die de oogen
der hoogere dieren kenmerkt, want die der evertebraten zijn nooit
versierd met een duidelijk regenboogsvlies.
Ook de _nieren_ worden slechts bij de vertebraten gevonden, voor het
laatst bij de visschen. Voortaan geen ruggemerg meer, noch sympathisch
zenuwstelsel!
Belangrijk is het voorts, op te merken, dat bij de gewervelden,
en voornamelijk bij de hoogstontwikkelde daaronder, alle organen
afzonderlijk liggen, althans een eigen "haard" bezitten op evenzoovele
aparte plaatsen. Men zal zien, dat volstrekt het tegenovergestelde
plaats vindt, naarmate men zich naar het andere einde der scala
toe beweegt.
Het is dus duidelijk, dat de ongewervelde dieren alle primitiever
georganiseerd zijn, dan de gewervelde, met de zoogdieren, als de
meest-typische, aan den top.
Laat ons thans eens nagaan, of de klassen en groote families,
waarin de lange rij der _evertebraten_ ingedeeld wordt, eveneens een
_trapsgewijze afklimming_ aan kan wijzen in samenstelling en volmaking
van organisatie.
Ongewervelde Dieren (Evertebraten)
Komende tot de _evertebraten_ treden wij een oneindig rijk van
verschillende dieren binnen, de talrijkste van de heele natuur,
allerbelangwekkendst en merkwaardig verschillend in organisatie en
eigenschappen.
Bij de beschouwing van hen komt men tot de overtuiging, dat de
natuur bij hun achtereenvolgende schepping van de eenvoudigste tot
de meest-samengestelde heeft moeten voortschrijden. Waar zij nu een
systeem van organisatie voor oogen had, dat de groote volmaaktheid zou
mogelijk maken, (dat der vertebraten), een stelsel, geheel verschillend
van diegene, die zij aanvankelijk bij wijze van bruggen gedwongen
was te scheppen, zoo is het duidelijk, dat men onder deze talrijke
dieren niet een enkel, gaandeweg verbeterd systeem moet verwachten,
doch verschillende, onderling scherp onderscheiden stelsels, waarvan
elk heeft moeten ontspringen vanuit het begin-punt van ieder voornaam
orgaan.
Bij het in 't leven roepen van een bijzonder orgaan voor de
spijsvertering--zooals bij de _polypen_--heeft de natuur voor 't
eerst inderdaad een bijzonderen, standvastigen vorm gegeven aan de
betreffende dieren, terwijl de _infusoren_, die grondvesters van het
dierenrijk, noch de functie, noch den vorm of organisatie van dat
orgaan bezitten kunnen.
Toen moeder natuur daarop een apart _ademhalingswerktuig_ liet
ontstaan, en dit, al verbeterend, wijzigde in aanpassing aan de
levensomstandigheden der dieren, heeft zij zijn bouw gevarieerd,
al naarmate bestaan en ontwikkeling van de andere bijzondere organen
dat gaandeweg vereischten.
Met de schepping van een _zenuwstelsel_ werd het haar vervolgens tevens
mogelijk, een _spierstelsel_ voort te brengen waaarbij gepaarde deelen
een symmetrischen vorm bewerkstelligen. En als resultaat zien wij
verschillende nieuwe typen, naar gelang van de levensomstandigheden
en de nieuw-verworven deelen.
Toen de natuur tenslotte de dierlijke vloeistoffen voldoende in
beweging gebracht had, als begin van een _circulatie_, won de
bewerktuiging verder nog belangrijke bijzonderheden in onderscheid
met systemen zonder vloeistofomloop.
Om deze opvattingen te grondvesten en de afklimming en vereenvoudiging
der organisatie duidelijk te doen uitkomen zullen wij nu snel in
averechtsche richting de verschillende klassen der ongewervelde
dieren doorloopen.
Mollusca (Weekdieren).
Weeke, ongelede dieren, door kieuwen ademend, in het bezit van
een "mantel". Geen overlangsche zenuwknoopstreng of ruggemerg.
De vijfde rang bij het afdalen van de dierenscala behoort ongetwijfeld
aan de _weekdieren_, want, schoon als zijnde evertebraat van lagere
orde dan de visschen, zoo zijn zij desniettemin de bestgeorganiseerde
ongewervelden. Zij ademen door kieuwen, zeer variabel naar vorm,
grootte, naar de ligging binnen of buiten het dier en naar de genera en
de gewoonten derzelver leden. Alle bezitten zij hersenen en zenuwen,
echter zonder gangliënrij langs een gestrekte mergstreng; voorts
aderen en slagaderen en een of meer enkelvoudige harten. Zij zijn
de eenige bekende dieren met een zenuwstelsel en nochtans zonder
ruggemerg of buikgangliënketen.
De kieuwen, door de natuur bij uitstek bestemd voor de ademhaling in
het water, hebben wijzigingen in vorm en functie moeten ondergaan bij
die water-dieren, die zich veelvuldig aan de lucht zijn gaan bloot
stellen of zelfs, gelijk sommige soorten, daarin duurzaam zijn gaan
verblijven. Het respiratieorgaan dezer vormen heeft zich geleidelijk
aan die dampkringslucht aangepast; en dat is geen bloote aanname, want
men kent krabben (_Cancer ruricola_) die altoos op het land leven,
terwijl toch alle schaaldieren _kieuwen_ bezitten. Op den langen
duur is die gewoonte, om atmospherische lucht op te nemen, voor vele
weekdieren een noodzaak geworden; zij heeft het orgaan zelf gewijzigd,
dat, niet meer zóóveel aanraking met de in te ademen middenstof noodig
hebbende, zich aan de wanden van de kieuwholte heeft vastgehecht.
Daaruit volgt de onderscheiding van twee soorten kieuwen bij de
mollusken. De eene bestaat uit een netwerk van vaten, zich slingerend
zonder relief over het slijmvlies eener holte; deze kieuwen zijn
slechts geschikt voor lucht-ademen; men kan ze dus "_lucht-kieuwen_"
noemen. De andere soort daarentegen vertoont bijna altijd in of buiten
het dier uitspringende organen en vormt franjes of gekamde lamellen,
of ook wel strengetjes, enz. Zij kunnen de ademhaling slechts in
natte omgeving bewerkstelligen; ("_waterkieuwen_").
Indien nu de onderling-verschillende gewoonten der dieren hunne organen
overeenkomstig hebben gewijzigd, zoo mogen wij hier besluiten, dat
het voor recht begrip van sommige molluskenorden nuttig zal zijn,
die met lucht- te onderscheiden van die met waterkieuwen. Maar in
beide gevallen zijn het kieuwen, en het schijnt ons ongepast, te
spreken van weekdieren met longen. Wie weet niet, hoe vaak misbruik
van woorden en valsche aanwending van namen dienst hebben gedaan,
om zaken onnatuurlijk voor te stellen en ons in verwarring te brengen!
Is er bijv. zoo groot verschil tusschen het netwerk of streng van
bloedvaten in de huid van _Pneumodermon_ en dat van het inwendige
vlies bij een tuinslak? En toch ademt _Pneumodermon_ naar allen schijn
slechts water.
Overigens zullen wij eens nagaan, of er verband is tusschen de
lucht-kieuwen der mollusken en de longen der vertebraten.
Het eigenaardige van longen is hun sponsachtige structuur, samengesteld
uit min of meer talrijke cellen, waarin de buitenlucht steeds
doordringt, eerst door den mond en vervolgens door een kraakbeenachtig
kanaal, de _luchtpijp_, die zich vertakt tot _bronchiën_, welke in
celletjes uitmonden. De cellen en bronchiën vullen en ledigen zich
afwisselend door de opeenvolgende opzwelling en afplatting van de
lichaamsholte, zoodat kenmerkend voor de longen is een duidelijke,
afwisselende in- en uitademing. Dit orgaan kan slechts de aanraking
met lucht verdragen en wordt zelfs door water of een andere stof sterk
geprikkeld. Het is dus van een andere natuur dan de steeds ongepaarde
_kieuwholte_ van zekere weekdieren, die nooit opzwelling en afplatting
vertoont, noch _luchtpijp_ of _bronchiën_ en waarin het ingeademde
fluide nooit door den mond binnentreedt. Een dergelijke holte, die zich
buitendien dán weer aan het water en dán weer aan de lucht aanpast,
kan nooit long heeten. Met eenzelfden naam twee zoozeer verschillende
zaken aan te duiden, is geen wetenschap bevorderen, maar verwarren.
De _long_ is het eenige orgaan, dat aan dieren een stem kan geven. Na
de reptielen bezit geen enkel dier longen, ergo ook geen stem.
Mijne conclusie is, dat weekdieren nimmer door longen ademen(). Indien
ook al sommige van hen lucht inademen, zoo geldt dat ook voor sommige
schaaldieren, alsmede alle insecten. Nochtans bezit geen dezer dieren
echte longen.
Terwijl de weekdieren door hun algemeenen bouw, die onder dien der
visschen staat, ook hunnerzijds de afklimming in de dierenketen
bewijzen, zoo is deze onder de weekdieren onderling veel moeilijker
aantoonbaar, want onder de zeer talrijke en uiteenloopende diervormen
dezer klasse valt de onderscheiding zwaar tusschen 1e. wat op
rekening komt van die onderhavige afklimming en 2e. de gevolgen van
de woonplaatsen en levenswijzen der dieren.
Weliswaar zijn de beide orden, waarin de volkrijke klasse der
weekdieren wordt verdeeld, sterk met elkaar in contrast door het
gewicht der kenmerkende eigenschappen. De leden van de eerste orde
(_Mollusca cephalota_) bezitten een scherp afgeteekenden kop, oogen,
kaken of slurf, en planten zich door paring voort. Al deze kenmerken
worden bij de tweede (_Acephale weekdieren_) gemist. Zonder eenige
quaestie staat dus de tweede orde bij de eerste in organisatie ten
achteren.
Het is echter van belang, op te merken, dat het gemis van kop,
oogen, etc. bij de acephalen niet uitsluitend aan de algemeen lagere
bewerktuiging moet worden toegeschreven, in overeenstemming met het
feit, dat kop en oogen bij lagerstaande orden in de dieren-scala weer
terugkeeren. Integendeel, naar allen schijn is hier sprake van een
dier afleidingen van het volmakingsproces door de omstandigheden,
niet te vereenzelvigen met de oorzaken van de geleidelijke hoogere
organiseering der dieren.
Den invloed van gebruik of voortdurend, volkomen onbruik der organen
beschouwende, zullen wij zien, dat een kop, oogen, enz. voor de tweede
orde hoogst nutteloos waren geweest, wijl de groote ontwikkeling van
den mantel het gebruik toch onmogelijk gemaakt zou hebben.
Overeenkomstig die algemeene natuurwet, dat elk ongebruikt orgaan
degenereert, zachtjes aan verkomt en verarmt om ten slotte geheel
te verdwijnen, zijn kop, oogen, kaken enz. bij de acephalen geheel
vernietigd; overigens zullen wij daar nog meer voorbeelden van
ontmoeten.
Wijl de natuur bij de ongewervelde dieren geen inwendige steunpunten
voor de spieren meer had, heeft zij gene bij de _weekdieren_ vervangen
door een mantel. Deze is des te sterker en vaster naarmate de dieren
zich krachtiger bewegen en er uitsluitend op aangewezen zijn. Bij de
cephalen, met hun sterkere bewegingen, is die mantel enger, dikker en
steviger en onder hen zijn de naakte vormen (zonder schelp) bovendien
voorzien van een pantser binnen den mantel, dat nog steviger is dan
de mantel zelf en de samentrekking en 't voortkruipen van die dieren
(de naaktslakken) bijzonder vergemakkelijkt.
Maar als wij, inplaats van tegen den draad in te gaan, de dierlijke
scala van het minder- naar het meer-volmaakte doorloopen, zullen
wij spoedig inzien, dat de natuur op den drempel van het gewervelde
dier-type bij de mollusken gedwongen is geweest een verkorste of
hoornachtige huid als steun voor de spierbeweging op te geven en,
in voorbereiding van de verlegging dier aanhechtingspunten naar het
inwendige, de weekdieren in zekeren zin als overgangsvormen zijn te
beschouwen, zoodat zij hun bewegingen merkwaardig langzaam uitvoeren,
als hebbende nog slechts zwakke middelen daartoe().
Cirripedia (Rankvoetigen)
Dieren zonder oogen, door kieuwen ademend, met een mantel en
gelede pooten met hoornachtige huid.
De geheel opzichzelf staande _rankvoetigen_, waarvan men nog slechts
vier geslachten kent [21] moeten als een afzonderlijke, geheel
zelfstandige klasse der evertebraten opgevat worden().
Zij naderen tot de weekdieren door het bezit van een mantel, en ze
moeten onmiddellijk na de koplooze Mollusken geplaatst worden door
hun gemis van kop en oogen. Nochtans kunnen ze geen deel uitmaken van
de weekdieren, wijl hun zenuwstelsel, evenals dat der drie volgende
klassen, een _overlangsche ganglïenstreng_ vertoont. Voorts hebben ze
gelede armen met hoornige huid en verscheidene dwarse paren kaken. Dus
staan ze een rang lager dan de mollusken. De bloedsomloop geschiedt
door een echte circulatie, dus in aderen en slagaderen.
Deze dieren hechten zich aan voorwerpen in zee en verplaatsen zichzelf
dus niet; de bewegingen, bepalen zich voornamelijk tot de armen. Wijl
nu de mantel onbruikbaar was als steunpunt voor de armspieren, moesten
die in de huid dezer armen gezocht worden. Die huid is dan ook taai
en hoornachtig, als bij de insecten en schaaldieren.
Annelida (Ringwormen)
Langgerekte, geringde dieren, zonder gelede pooten, ademend
door kieuwen, in het bezit van een bloedvaatstelsel en
overlangsche zenuwknoopenstreng.
De klasse der _ringwormen_ komt noodzakelijkerwijze na de cirripedia,
wijl een mantel ten eenen male ontbreekt. Wijders moeten ze per se
voor de schaaldieren geplaatst worden, als behoorende niet tot de
geleedpootigen--wier keten niet onderbroken mag worden--terwijl hun
bouw een plaatsing na de insecten verbiedt.
Ofschoon deze dieren over het algemeen nog zeer weinig bekend zijn,
zoo bewijst nochtans hun organisatie, dat ook voor hen de wet
der degradatie of _trapsgewijze afklimming_ geldt, wijl ze bij de
_weekdieren_ ten achter staan door het bezit van een zenuwknoopenstreng
en bij de _cirripedia_ door het gemis van een mantel.
Aan hun gewoonte, te leven in aarde, slik of water--(en dan meest
in huizen van verschillend materiaal, die naar believen verlaten
of betrokken kunnen worden)--danken de anneliden hun gestrekten
vorm, die hen zoodanig op wormen doet gelijken, dat tot heden alle
natuurvorschers ze ermee verward hebben.
Hun inwendige bouw vertoont zeer kleine hersenen, een overlangsche
gangliënstreng, aderen en slagaderen, waarin het meest roodgekleurde
bloed circuleert; zij ademen door kieuwen, nu eens inwendig en
verborgen, dan weer uitwendig naar voren tredend.
Crustacea (Schaaldieren)
Dieren met geleed lichaam en gelede pooten, een verschaalde
huid, een bloedvaatstelsel en ademend door kieuwen.
Hier betreden wij het terrein der talrijke gelede dieren, wier
huidbekleeding stevig, verkorst, hoorn- of lederachtig is.
Hunne harde deelen bevinden zich alle uitwendig en wijl de natuur, die
bij de onmiddellijke voorouders van deze klasse juist een spierstelsel
had gevormd en daarvoor harde steundeelen noodig had, het systeem
van geledingen heeft moeten invoeren, om beweging mogelijk te maken.
Door Linnaeus en zijn opvolgers werden alle gelede dieren tot
een enkele klasse onder den naam _insecten_ vereenigd; maar ten
slotte heeft men ingezien, dat die groote dierenrij in eenige
belangrijke afdeelingen moet word
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/27664