Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het Verloren Tooverland

by J. Blicher-Clausen · Dutch · Gutenberg #27658 · 362,109 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het Verloren Tooverland
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het Verloren Tooverland

Author: J. Blicher-Clausen

Translator: D. Logeman-van der Willigen


        
Release date: December 29, 2008 [eBook #27658]
                Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27658

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERLOREN TOOVERLAND ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/










                    Het Verloren Tooverland

                Naar de zevende Deensche uitgave

                              Van

                       J. Blicher-Clausen

                              Door

                  D. Logeman-Van der Willigen

                          Vierde druk

                    Utrecht--H. Honig--1905









                                Schrijf! schrijf!
                                Heerlijk Leven!
                                Goed of kwaad,
                                gering of groot,
                                schrijf, wat gij wilt!
                                Ik stel mij open
                                voor het blijde, voor het droeve--
                                doch laat niet ledig
                                de bladen wit....!





Op een avond zat ik vóór Klampenborg's concertzaal. Het was een
volmaakte kalme Juni-avond; de schepen gleden over de Öresund en in
de verte zag men den rook van een stoomboot.

Ik waande mij alleen op het terras boven het restaurant--tot ik
plotseling, vóór één der vensters der concertzaal, een donkere
vrouwengestalte bemerkte. Zij zat voorovergebogen, met de handen in
haar schoot en wendde het bleeke gelaat naar de verlichte zaal.

Van de drukke menschenmassa, die voortdurend daar beneden heen en
weer liep, had zij zich afgekeerd en klaarblijkelijk drong het gegons
van stemmen ook niet tot haar door. Misschien hoorde zij zelfs het
orkest niet, dat een fantasie van Chopin speelde. Af en toe trok zij
het kanten doekje wat dichter om zich heen, alsof zij het koud had,
maar geen enkele maal draaide zij daarbij het hoofd om.

Er lag over deze gedaante zoo iets onuitsprekelijk verlatens, dat
ik mij onwillekeurig voorover boog om haar gezicht te zien. Maar dit
gelukte mij slechts ten deele. Zij hield de oogen voortdurend op één
punt gericht, maar het was duidelijk, dat zij keek zonder te zien. Het
was alsof iets ver, ver weg haar oogen verblindde... Het leven was
vermoedelijk hard voor haar geweest... Het had haar misschien te
midden van genot en dans ontrukt aan al wat haar lief was. En nu
zat zij hier--alleen--aan het raam van een verlichte zaal, waar de
muziek speelde...

Ik weet niet, waarom de slanke driemaster daarginds zich plotseling
aan mijn innerlijk oog als een spookschip voordeed... Misschien wel,
doordat die donkere gestalte zoo onbewegelijk stil zat en doordat er
uit iedere plooi van haar zwart gewaad een doodszucht scheen op te
stijgen... Luisterend, voorovergebogen zat zij daar en keek zonder
te zien..., keek alles voorbij, keek door alles heen... Met brandende
oogen staarde zij in het verloren tooverland van haar jeugd----!

Zooals ik dien avond onder de tonen van een fantasie van Chopin
haar geschiedenis hoorde, heb ik getracht die hier weer te geven,
even eenvoudig zooals die is, in een boek, niet voor groote, maar
voor stille denkers.


                                                        De Schrijfster.












                                                "Goed of kwaad,
                                                gering of groot,
                                                schrijf--wat ge wilt!"


Met lichte, kleine, haastige passen kwam zij naar Vesterbro
aangedanst. Neen, eigenlijk liep zij, maar zóó licht trad zij over de
bevroren sneeuw, dat het was alsof zij danste. Haar schaatsen hingen
los over haar ronden arm en zongen, al bengelend, een kletterenden
wals, als hadden zij den laatsten tocht op de meren daarginds nog
niet vergeten.

Er was iets aantrekkelijks in haar frisch, jong aangezicht en in
het gekletter van haar schaatsen, zoodat een ieder haar aan- en nog
eens nakeek. Het was alsof zij, waar zij ging, vreugde om zich heen
verspreidde.

Het roodbruine haar hing in dartele, kleine krulletjes over haar
voorhoofd en schitterde als goud in de zon. Haar bonten muts stond
achter op haar hoofd, halverwege over de dikke haarvlechten, die
tot een zwaren knoop in haar nek waren samengebonden. Haar mond was
half geopend, als kon die, gesloten, niet genoeg van de schitterende
zonnelucht naar binnen krijgen. Klaar en open was het voorhoofd,
groot en wakker waren de oogen.

Met een geheimzinnig glimlachje dacht zij aan hetgeen de jonge
tooneelspeler haar toegefluisterd had, toen hij haar hielp met het
afdoen van haar schaatsen, nadat zij met hem op het meer gereden
had. Vol jeugdige geestdrift herdacht zij ieder woord, dat hij gezegd
had; ongekunsteld gaf zij toe aan haar gevoel, hetgeen haar juist
zoozeer verschillen deed van de meeste behaagzieke, alles behalve
naïeve jonge meisjes, die men iederen dag op straat ontmoet.

Zij was nu het plein vóór het stadhuis genaderd en zou verder de stad
ingaan, toen zij plotseling van meening veranderde en de Studiestræde
insloeg. Daar ging zij een van de eerste poorten in en belde aan bij
oom Frans.

Oom Frans, een oom van vaders zijde, was leeraar aan het gymnasium. Oom
Frans en zij waren altijd de beste vrienden geweest. Zij bekommerde
zich niet om vroegere schoolkennissen, wist niet waar zij gebleven
waren of wat zij uitvoerden,--zij had aan niemand behoefte, want zij
had immers oom Frans.

Oom Frans was slechts vijf en dertig jaar oud, maar zijn dik, zwart
haar, dat evenals het hare golfde, begon bij de slapen al wat grijs te
worden. Vroeg grijs worden lag in de familie. De vorm van het hoofd,
de gebogen neus, de houding en de gang, hadden veel van de hare,
doch de duidelijke, vaste trekken, die den mond karakteriseerden,
waren bij haar nog vaag en zwak--als het ware onaf.

Toen zij aan zijn deur gekomen was, belde zij niet aan zooals andere
menschen dat doen. Haar bellen bestond in drie korte slagen met haar
schaatsen tegen de voordeur, die dadelijk er op werd opengedaan.

"Zoo, je hebt dus voor mij ook nog een oogenblikje kunnen vinden,"
klonk een diepe, aangename stem, terwijl haar ééne kleine handje
bijna geheel in een paar groote, zachte mannenhanden wegzonk. "Of
is er," ging hij door, terwijl hij glimlachend haar hand losliet,
"misschien wat aan de schaatsen in orde te maken?"

"Als u vandaag in slecht humeur bent, ga ik dadelijk weg, hoor!" zeide
zij, terwijl zij zich naar de deur wendde.

"Zoo, ga je?" klonk het op volkomen kalmen toon achter haar.

Toen begon zij luid te lachen. "Kom, wees nou lief," zeide zij,
terwijl zij haar handen door zijn haar liet gaan.

"Met wien heb je vandaag gereden?" vroeg hij, terwijl hij haar de
schaatsen van den arm nam.

Zij bloosde even, toen zij, zonder op te zien, antwoordde:

"Met Peter Dam."

"Dat holle vat?"

Toen vloog zij verbitterd op en zeide: "U mag niet op die manier over
hem praten. Ik zag hem gisteren avond als Graaf de Clairvaux. U weet
niet, hoe prachtig hij was en hoe hij speelde!"

"Jawel--ik zag hem ook."

"Is 't waar? Maar waar zat u dan?"

"Vijf rijen achter jou."

"Ik begrijp niet, dat ik u niet gezien heb."

"Dat begrijp ik heel goed," was 't droge antwoord. "Je keek voortdurend
naar hem--en toen 't scherm viel, keek je daar naar."

Zij bloosde nog erger en zeide: "Nou, wat vindt u er dan van?"

"Hij was bepaald schitterend--neen, wees maar niet bang, het is geen
ironie, hij was werkelijk mooi."

"En hoe vindt u dat hij speelt?"

"Hij is te veel tooneelspeler, om mensch te kunnen zijn. Maar je zult
niettegenstaande dat toch wel verliefd op hem worden, is 't niet waar?"

Zij zweeg en hij ging naar haar toe. Zij zat op de canapé en hield
de handen voor haar gezicht. Zachtjes lichtte hij haar hoofd op en
wilde haar in de oogen zien. Doch dit gelukte hem niet, want haar
oogen stonden vol tranen. Hij kuste ze weg, zoodat zijn lippen er
zout en nat van werden.

"Kaja," zeide hij, "in de liefde mag je je nooit met minder dan het
allerbeste tevreden stellen. Denk daar altijd aan. Je moet in het
leven nooit iets doen zonder innige overtuiging, nooit je geweten
in slaap sussen, in niets, maar vooral niet, waar het liefde geldt,
want die wreekt zich bitter."

Met een glans van nieuwsgierigheid in haar oogen keek zij op: "Heeft
u misschien zelf----?"

"Neen," zeide hij, zich van haar afwendend, "ik ben vroeg gehard,
daarom heb ik mij nooit gebrand."

Plotseling bedacht zij, hoe terughoudend hij altijd tegenover dames
was, en hoe weinig indruk de wierook, dien zij voor hem brandden,
op hem maakte. Zij herinnerde zich hoe de jonge meisjes, die hij
les gaf, een zekeren dag zijn geheele tafel met de fijnste bloemen
beladen hadden en hoe hij de bloemen kalm op zij geschoven en met zijn
beminnelijksten glimlach gezegd had: "Ik dank u hartelijk, dames, en
ik waardeer uw goeden wil, doch als u nog eens iets te geven hebt,
geef 't dan liever aan dien armen, blinden man, die bij mij in de
buurt woont." Ieder ander zou hierdoor zijn gunst verspeeld hebben,
doch oom Frans niet; die kon zich alles veroorloven. En van dien dag
af regende het geldstukken in den hoed van den blinde.

Ze kon eigenlijk ook heel goed begrijpen, dat ze veel van oom Frans
hielden, want niemand was zoo goed, zoo fijn en zoo mooi als hij----

Toen zij zoover met haar beschouwingen gekomen was, haalde zij een vel
beschreven papier uit haar zak en ontvouwde het met een vaag gevoel,
dat zij behoefte had aan een soort rechtvaardiging.

"Wat heb je daar?" zeide hij, terwijl hij naast haar op de canapé
ging zitten.

"Ik kwam eigenlijk hier om u dit te laten zien," zeide zij, terwijl
zij met haar handen het papier glad streek.

Hij keek haastig over haar schouders. "Verzen?" zeide hij,
"Liefdeverzen?"

"Neen, volstrekt niet. Ik vond het verleden in uw gedenkboek, en
toen heb ik het overgeschreven, omdat het mij meer zeide dan al wat
ik tot nu toe gelezen heb--omdat het tot zekere hoogte uitdrukt,
wat ik zelf in het diepst mijner ziel voel, omdat ik er hetzelfde
verlangen in lees, denzelfden drang om iets te beleven, het komt er
niet op aan wat, als 't alleen het leven maar inhoud geeft!"

En toen las zij met haar zielvolle, buigzame stem:


            "Ik stond eenmaal
            met een open boek--
            dat boek was mijn Leven!
            Schrijf! schrijf!
            smeekte ik een ieder,
            en mijn oogen brandden,
            terwijl zij smeekten--:
            Goed of kwaad,
            gering of groot,
            schrijf, wat gij wilt!

            Ik stel mij open
            voor het blijde, het droeve,
            doch laat niet ledig
            de bladen wit...

            En het Leven schreef
            met kleuren, die waren
            als bloed zoo rood!
            Het Leven kwam
            en al mijn bladen
            scheurde het stuk...

            En dagen kwamen
            en vlogen voorbij,
            snel als een bliksem;
            dagen van kracht en warmte,
            dagen vol zon...
            En dagen kwamen,
            en kropen, kropen
            als slakken voorbij:
            dagen van zorg en verdriet.--
            Maar alle, o! alle--
            ik had ze geleefd!

            O, wat al runen,
            diep en krachtig
            die dagen ook griften
            hier in mijn hart;
            runen, als bloed rood,
            runen, als vuur heet,
            inzet van 's Levens
            dobbelspel--
            toch bid en smeek ik:
            Schrijf meer, schrijf voort!
            schrijf, heerlijk Leven!
            al wat u lust!

            Mij open stel ik
            voor het blijde, voor het droeve....
            Doch laat niet ledig
            de bladen wit!"


Zij knikte en stond op. "Ik kwam alleen maar, om u dat te zeggen,"
zei zij en keerde zich van hem af.

Hij keek naar haar fijne, slanke gestalte, naar haar frissche, jonge
gezicht en zeide toen met verbazing:

"Maar je bent pas negentien jaar, kind--over een maand ben je pas
negentien!"

"Nou, wat zou dat?"

"Hoe kan je nu al zoo vreeselijk verlangen? Hoe heb je er tijd voor
gehad? Je bent nog zoo jong!"

"Dat weet ik niet," zeide zij, terwijl zij reeds bij de deur stond.

"Bij den een is zeker de drang erger dan bij den ander."

Een eigenaardige, zachte glimlach gleed over zijn lippen.

"Zoo, en nu stel je je open?" zeide hij slechts, langzaam en zacht.

Zij knikte: "Voor het blijde, het droeve--doch laat niet ledig de
bladen wit!"

Er was iets, dat plotseling zijn keel toeschroefde en dat hem
verhinderde haar goedendag te zeggen. Hij wenkte slechts met zijn
hand tot afscheid, toen zij de trappen afging. En toch had hij een
gevoel, alsof hij haar achterna moest rennen en haar toeroepen:
"Waarom doe je dat? Waarom gooi je je hals over kop in een leven,
dat maar een half leven is? Waarom wacht je niet tot iets geheels je
aangeboden wordt? Niemand begrijpt je zóó goed als ik. Niemand kan
meer van je houden!"

Doch hij lachte bitter en wierp de deur zóó hard achter zich toe,
dat het heele huis dreunde.

Toen liep hij naar het raam en bleef, met zijn handen diep in zijn
jaszakken, staan uitkijken. Zij zou juist den hoek naar Vesterbro
omdraaien, keerde zich eerst nog even om en groette hem met haar
hand. Het was of hij daarbij haar oogen zag.

Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij haar als kind voor 't eerst in
zijn armen nam, reeds gezegd had: "Dat kind heeft al een paar heel
bizondere, wakkere oogen." Later had hij er dikwijls aan gedacht. Haar
grooten, wakkeren blik had hij boven alles in haar lief. Die vrije,
open oogen staan voortdurend op den uitkijk, die zoeken steeds rond,
waar er iets te beleven valt, dacht hij verder. Dààr stond zij dus
met haar levensboek open in haar handen en vol verwachting wendde
zij de witte bladen naar het licht:


            Schrijf! schrijf,
            heerlijk Leven!
            En mijn oogen brandden,
            terwijl zij smeekten----


Doch als het Leven niet schrijven wilde, zou zij zelf schrijven,
en de bladen vullen van haar boek, zóó was zij. Zij zou niet kunnen
wachten--de drang naar ondervinding brandde als koorts in haar
aderen. Hij voelde en begreep dit, terwijl hij met zijn gedachten
bij haar was.

Doch dat zij zich zelf zou kunnen vergooien aan dien ellendigen
phrasenmaker, die zich tevreden stelde met anderen het hoofd op hol te
brengen, zonder dat hij er zelf 't minst bij dacht of voelde--daar was
hij van overtuigd--dat was toch al te erg! Die door vrouwen verwende
fantast, die half verliefd was op iedereen, doch slechts geheel op
zich zelf.

Dat zij dat zou kunnen! Oom Frans had voor de meeste acteurs altijd een
groote antipathie gevoeld. Zijn sterk-ware natuur kon het leugenachtige
in hun wezen niet verdragen, dat was hem een doorn in het oog!

Een paar jaar geleden had Kaja hem een vreeselijken schrik op 't lijf
gejaagd, die hem nog lang in de beenen was blijven zitten. Zij nam
zangles bij een bekenden meester en haar orgaan ontwikkelde zich tot
een mooi, krachtig geluid.

Op een zekeren dag kwam zij oom Frans vertellen, dat zij op proef
ging voor de opera. Oom Frans, die haar genoeg kende, om te weten,
dat tegenspraak haar nog meer zou aanzetten, nam geduldig zijn hoed
en ging met haar mee naar den kapelmeester. Onderweg zeide hij geen
woord, maar later was hij overtuigd, dat hij inwendig een dringend
gebed gedaan had, dat zij zou afgewezen worden, en zijn vreugde kende
geen grenzen, toen zij afgewezen werd.

"Dat mankeerde er nog maar aan, dat je in dat wespennest terecht
was gekomen," zeide hij, terwijl hij hoonend met zijn hoofd naar den
schouwburg wees, toen zij samen over Kongens Nijtorv naar huis liepen.

Zij scheen niet bizonder teleurgesteld, doch haar belangstelling in
het tooneel werd er niet minder door--die werd door het fantastische
in haar natuur gevoed. En nu zou het er op uit loopen, dat zij verliefd
werd op een acteur van een tweede-rang's theater!

Hij ging naar zijn schrijftafel en nam het boek op, waarover zij hem
gesproken had. Hij kreeg een groote aanvechting, om het in het vuur
te gooien, als zou hij tegelijk daarmee al haar valsche gevoelens
verbranden kunnen.

"Gedenkboek" had hij het genoemd, maar het waren niet zijn eigen
gedachten en herinneringen, die dat boek inhield--of liever: zij
waren door een ander geschreven. Hij had een goeden vriend gehad,
die jong gestorven was. Dag en nacht had hij bij zijn ziekbed gezeten,
met hem gesproken, voor hem gelezen en hem verpleegd met vrouwelijke
teederheid. De zieke had een sterk bewogen gemoedsleven en een fijn
gevoel voor mooie, welluidende taal. En hij was dol op oom Frans.

Toen hij gestorven was, vond men in zijn nalatenschap een pakje, waarop
met fijne, bevende letters de naam van oom Frans geschreven stond. Dat
was het "Gedenkboek." Oom Frans nam het mee naar huis. Het waren
verschillende gedachten en stemmingen--grootendeels in verzen--door
elkaar opgeschreven, zoodat men voortdurend nieuwe indrukken kreeg.

En toch was er--niet in den vorm, maar in de keuze van materiaal,
een stempel van persoonlijkheid, die den lezer verbazen moest. Oom
Frans las de gedichten zóó dikwijls, dat hij ze op het laatst van
buiten kende. Hij vond dat hij het zijn vriend verplicht was. Het
was als een samenleven met zijn laatste gedachten.

Doch het merkwaardige was, dat toen oom Frans de verzen van buiten
geleerd had, het hem toescheen, dat hij die zelf gemaakt had.

"Het is zonderling," dacht hij. "Ik weet, dat ik geen twee regels op
elkaar kan doen rijmen en toch heb ik die verzen gemaakt."

Zachtjes zeide hij één van de verzen, daar hij 't meest van hield,
voor zich zelf op, tot er plotseling een glimlach over zijn gelaat
gleed. Nu begreep hij het. Gedurende al de lange weken, dat hij
bij 't ziekbed van zijn vriend gezeten had en zijn gedachten en
gevoelens aan den zieke had meegedeeld, had zijn vriend ze tot verzen
omgeschapen. De inhoud der gedichten, der fantasieën was van hem,
de vorm slechts was van een ander. Van dat oogenblik af hoorde het
"Gedenkboek" hem dubbel toe, en de gedachten die het inhield, herkende
hij gaarne voor de zijne.

Nooit had hij een ander een oog in het boek laten slaan dan Kaja,
die van kind af bij hem binnenliep, zoowel in zijn woning, als in
zijn hart.

Hij, die van nature zóó menschenschuw en zóó bang was, anderen
te toonen, wat hij dacht, had zich voor dat kind volkomen bloot
gelegd. Dat kind had al zijn liefde, vóór zij zelfs nog volwassen
was. En dat zij het nooit gemerkt had! Dat zij hem nooit anders
beschouwd had dan als "oom" Frans!

Het was dom van hem, dat hij nooit getracht had haar op het spoor
te brengen. Doch als zij hem op haar kinderlijke, onstuimige manier
om den hals vloog, of op zijn schoot zat en haar handen door zijn
haar haalde, durfde hij haar nooit wegjagen met iets, waarvan hij de
gevolgen niet kende.

De gedachte alleen, dat haar vertrouwen daardoor misschien verminderen
zou, deed hem zwijgen. Want haar vertrouwen wilde hij hebben--daar
was hij gierig op--want hij wist immers dat zij 't nooit aan anderen
gegeven had. Zij waren niet voor niets familie van elkaar.

Hij lachte heimelijk in zichzelf. "De zebra's" had de familie hen
genoemd en hij vond zelf, dat dit een geschikte naam was. Zij hadden
hetzelfde fijne, kleine hoofd, met golvend haar, dat over het voorhoofd
neerviel--alleen met dit verschil, dat zijn haar zwart en het hare
lichtend roodbruin was; zij hadden beiden een langen, rechten hals,
beiden denzelfden haastigen, licht voorovergebogen gang, dien lange,
slanke menschen dikwijls hebben.

Hij ging naar de tafel en bleef vóór een portretje van Kaja als kind
stil staan. Het was een heele galerij van Kaja's, tot nu toe van
ieder jaar één. Hij nam het allereerste fotografietje in zijn handen
en bleef er lang naar staren.

"Hoe is 't mogelijk, dat er werkelijk een oogenblik was, dat ik niet
van haar hield," zeide hij, "omdat zij zoo vreeselijk schreeuwen kon!"

Kaja had namelijk haar eerste levensjaren schreeuwend
doorgebracht. Eerst schreeuwde zij, zonder dat iemand ooit eenige
oorzaak er voor ontdekken kon--toen schreeuwde zij door het tanden
krijgen, en toen zij die had, schreeuwde zij door de mazelen. En toen
de mazelen over waren, kreeg zij kinkhoest en toen schreeuwde ze,
of haar leven er mee gemoeid was.

Toen oom Frans als jong student daar in huis kwam, vroeg hij altijd
of er niet één enkele kamer in het heele huis was, waar men dat kind
niet kon hooren schreeuwen, en hij vermeed altijd haar kant uit te
zien. Doch toen ging hij voor een half jaar weg en toen hij terugkwam,
was zij een gezond, mooi kind geworden met dezelfde notenbruine huid,
die zij nu had en een paar oogen, die iedereen deden stilstaan. Eerst
bleef zij, met haar hoofdje op zij en den eenen vinger in haar mond,
hem standvastig met haar groote oogen aankijken--toen ging zij moedig
op hem af en vroeg hem ronduit: "Hebt u iets voor me meegebracht?" En
toen het antwoord ontkennend luidde, wist zij eerst niet goed, wat
zij doen zou, doch kwam toen naast hem staan en zeide:

"Kaja wil u een zoentje geven."

Verlegen had hij haar opgetild en toen hij voor 't eerst haar
zachte armpjes om zijn hals voelde, had hij zich op genade af
overgegeven. Sinds dat oogenblik waren zij vrienden. Kaja was eenig
kind, de moeder was zwak, af en toe niet wel bij 't hoofd en lag
meestal te bed--de vader ging geheel in zijn zaken op. Daardoor
werd het oom Frans, die haar eigenlijk opvoedde. Iederen dag haalde
hij haar af voor een wandeling. En als zij dan naast hem liep te
springen en hem, als alle kinderen, met vragen overstelpte, was
hij even vroolijk als zij. En hoe grooter zij werd, des te grooter
werd ook zijn vreugde. En de laatste vijf jaren, dat zij niet alleen
vertrouwen gaf, maar ook vertrouwen deelen kon, was hun samenzijn een
bron van waar geluk voor oom Frans geworden. Nu voelde hij eerst, hoe
rijk het bewustzijn, dat hij alleen haar gedachten kende evenals zij
alleen de zijne, hem gemaakt had. Zij had nooit "vriendinnen" gehad
en was daardoor gelukkig de klip van allerlei jongemeisjesdwaasheden
ontgaan, waarop zoovele jonge Kopenhaagsche dames stranden, en had
zich geen kinderachtige woorden eigen gemaakt, zooals alleen een
Kopenhaagsch jongmeisje gebruikt, en die haar langer bijblijven dan
zij zelf vermoedt. Gebeurde het een enkele maal, dat zij met zoo iets
aan kwam, dan hield oom Frans haar zoo vreeselijk voor den mal, dat
het geen tweede maal voorviel. Hoe duidelijk herinnerde hij zich haar
nog den dag na haar aanneming! Zij kwam in een lange, zwarte japon,
die haar jonge lichaam stijf omspande, naar hem toe en zeide:

"Het is onverdragelijk om volwassen te zijn."

"Waarom?"

"Omdat je als kind veel vrijer bent."

Toen verviel hij in gedachten: Zij zou toch niet bedoelen, dat er
verandering in hun verhouding komen zou?

"Wat bedoel je?" vroeg hij en keek haar vlak in 't gezicht.

"Wel, je kunt je met korte rokken toch veel gemakkelijker bewegen,"
zeide zij, terwijl zij op haar hielen ronddraaide.

Toen was hij gerust gesteld. Hij bemerkte aldra, dat zij hun
dagelijksche wandelingen als van-zelf-sprekend bleef beschouwen,
en als hij haar een dag lang eens niet gezien had, vloog zij hem,
evenals vroeger, altijd om den hals. En juist dit soort vreugde waagde
hij niet, ooit in haar te verstoren. Daarom hield hij streng over
zichzelf de wacht en zeide nooit iets van hetgeen zijn hart steeds
meer vervulde. Als hij nu terugdacht, wist hij zelf niet meer, wanneer
hij begonnen was, haar lief te hebben. Hij kon zich de overgang van
een puur vaderlijk gevoel, waarmee hij haar in den beginne altijd
tegemoet trad, tot het groote, alles overweldigende gevoel, dat hem
nu beheerschte, niet meer herinneren. Doch hij was er van overtuigd,
dat het vele jaren geleden was, dat hij tot de ontdekking kwam,
dat zij op de heele aarde de eenige vrouw was, aan wie hij zich met
lichaam en ziel zou kunnen geven.

En op dit oogenblik noemde hij zichzelf een armen stakker en een
ellendigen idioot, omdat hij 't haar nooit had laten merken. Dan zou
alles nu misschien heel anders geweest zijn.

Doch een oogenblik daarna schudde hij weer droevig het hoofd.

"Neen, wij kennen elkaar te goed," zei hij. "Omdat we familie van
elkaar zijn, denkt zij aan geen liefde. En als 't geen volmaakte
liefde wezen kan, dan heb ik maar liever in 't geheel niets."

Oom Frans had tot motto: "Eisch alles! Geef alles!" En hij nam nooit
iets aan zonder innige overtuiging, suste nooit zijn geweten in slaap,
noch voor zichzelf noch als het op anderen aankwam. Langzaam liep
hij de kamer door, bleef toen vóór het raam staan en keek naar buiten.

Wat verlangde hij naar haar--bijna reeds voordat zij nog weg was! Hoe
voelde hij, dat zij met alle kracht van lichaam en ziel aan hem
gebonden was!

Hij ging aan zijn schrijftafel zitten en beproefde te schrijven,
doch den geheelen dag vervolgden hem de regels:


            En het Leven schreef
            met kleuren, die waren
            als bloed zoo rood!
            Het Leven kwam
            en al mijn bladen
            scheurde het stuk!











                                        "To be, or not to be--
                                        that is the question."


Peter Dam stond in de kleedkamer van het theater de laatste sporen
van het poeder van zijn mooi gezicht af te vegen. Toen goot hij wat
brillantine over zijn krullend haar, trok een lok over zijn voorhoofd
en wierp een laatsten blik in den spiegel. Een beeldhouwer had geen
beter model voor een Hamlet kunnen wenschen.

Haastig zette hij zijn hoed op, deed zijn jas aan en ging de trap
af. Buiten wachtte Kaja hem in een rijtuig op.

En zoodra het portier gesloten was, zeide hij: "Nou, hoe heb ik
gespeeld?"

"Heerlijk mooi!" fluisterde zij, terwijl zij zich dicht tegen hem
aandrukte.

En in het licht van de lantaarn, zag hij hoe haar oogen vol geestdrift
straalden. Hij kuste haar op de wangen--die fijn behaard en zacht
waren en hem altijd aan een perzik deden denken.

"De menschen klapten ook erg," zeide hij, met duidelijke
zelfvoldoening.

"O ja? Daar heb ik niet op gelet. Ik was heelemaal in het stuk. En
wat er aan ontbrak, fantaseerde ik er bij."

"Ja, jij fantaseert ook altijd," zeide hij een weinig stuursch.

"Mag ik dat dan niet?" Glimlachend keek zij naar hem op.

"--Ja--wel--maar 't is in ieder geval een gevaarlijk iets," zeide hij,
zonder te weten hoeveel waarheid hij sprak. Want als zij niet het
noodige er bij gefantaseerd had, zou zij nu nooit op dat oogenblik
als zijn verloofde in het rijtuig naast hem zitten.

Zij hielden vóór een café stil en gingen er samen binnen.

"Het is toch zoo vervelend, dat moeder altijd ziek is en dat we niet
thuis kunnen soupeeren," zeide zij, bijna verontschuldigend.

"Ik vind 't hier heel gezellig," zeide hij, terwijl hij zich koesterde
in al de warme vrouwenblikken, die hem toegeworpen werden, terwijl
zij de eetzaal door liepen.

Zij gingen samen aan een tafeltje zitten. Vlak over hen zat één
der actrices van het theater. Vertrouwelijk knikte zij Peter Dam
goedendag. Kaja zag het en een onaangenaam gevoel ging haar door
de leden.

"Ken je haar intiem?" zeide zij.

"Neen--waarom?"

"Omdat zij zoo familiaar groette."

"Kom, onder kameraden! Je weet wel, dat de omgang achter de schermen
heel anders is dan er vóór."

"Ja, maar ik begrijp niet waarom," zeide zij vrijmoedig.

"Een acteur moet toch even goed waar zijn.--To be, or not to be--that
is the question!"

Hij lachte om haar naïeviteit en dronk er eens op, dat zij met de
jaren meer ervaren worden zou, doch toen hij zag, hoe ernstig zij 't
opnam, veranderde hij plotseling van toon en zeide met zijn zachtste,
innemendste stem,--waardoor hij haar altijd weer won:

"Jij zult me leeren eerlijk zijn. Als ik jou maar eerst heb zal het
beste in mij tot ontwikkeling komen."

En fluisterend voegde hij er bij:

"Heb je al over het trouwen gesproken?"

Zij knikte.

"Vader denkt met het voorjaar," zeide zij.

Hij greep haar beide handen en overlaadde ze met kussen.

"Ik ben koning van het geluks-tooverland!" zeide hij, zóó luid,
dat zij verschrikt haar hand op zijn mond hield.

Zulke oogenblikken was Peter Dam onwederstaanbaar en hij zag aan haar
glinsterende oogen, hoe verliefd zij was.

Het geluk zong om haar lippen, haar stem werd zacht, haar gang
feestelijk. Hij was trotsch op haar, terwijl zij samen weggingen. Doch
bij de deur keerde hij zich om en zond, achter haar rug, het actricetje
een kushand toe.

Zij namen weer een rijtuig. Hij ging met haar mee tot haar
huis. Onderweg spraken zij over niets anders dan over "het huis der
jonggehuwden," zooals hij schertsend hun toekomstige woning noemde. Zij
had reeds veel inkoopen gedaan. Iederen dag wilde zij meer koopen. Nog
nooit te voren had zij, als nu, het genot gevoeld van als eenig kind
de middelen te hebben, om te kunnen koopen wat zij wenschte.

Zij liet haar fantasie den vrijen loop. Zijn kamer zou in empirestijl
zijn en de zitkamer in rococo--geen namaak--allemaal echte oude
meubelen, die haar iets zeggen zouden.

Of hij bijvoorbeeld nooit gemerkt had, hoe een oude kast een heele
familiegeschiedenis vertellen kon?--Neen, dat had hij eigenlijk
nooit. Wel, dan zou zij hem dat wel leeren, en zij lachte luid en
vroolijk.

"Wat treft het nu juist ongelukkig," zeide hij, toen zij voor haar
huisdeur stonden, "dat ik het de volgende maand zoo vreeselijk druk heb
met 't instudeeren van een nieuwe rol. We zullen dan maar weinig samen
kunnen zijn!" Doch zij sloeg haar armen om zijn hals en fluisterde:
"Des te heerlijker is 't daarna." Heftig trok hij haar naar zich toe
en zeide: "Ieder uur van den dag zal ik naar je verlangen."--"Dat
mag je," zeide zij, "maar de kunst heeft ook haar recht. Daar zal ik
nooit tusschen komen, integendeel, ik zal die nog voor je trachten
te verhoogen."

"Alsof je dat al niet gedaan hebt! Alsof het niet door jou is, dat
ik van avond zoo goed speelde!"

Zij sloot zijn mond met een kus en ging haastig de voordeur binnen,
doch hij duwde die weer open en fluisterde in het donker: "Waar
trouwen we dus?"

"Natuurlijk in het meest afgelegen dorpskerkje, dat ik vinden kan."

"Waarom dat?" vroeg hij teleurgesteld.

"Omdat jij bent, die je bent. Ons huwelijk zal geen tooneelspel zijn,"
klonk het besliste antwoord.

"Zoo'n dorpskerk met een valsch zingende koster is allesbehalve
indrukwekkend," beproefde hij in 't midden te brengen. "Ik zal trouwen
in den verst verwijderden uithoek," zeide zij, "en er zal niemand
anders bij tegenwoordig zijn dan vader en oom Frans. Maar," vervolgde
zij plagend, terwijl zij op de trap naar de eerste verdieping stond
en zich over de leuning naar beneden boog. "Je mag gerust wegblijven,
als je liever wilt."

Het was, of hij in het donker haar roodbruin haar zag lichten en haar
oogen glinsteren.

En hij fluisterde terug, terwijl hij in drie sprongen de trap op vloog:
"Toovenares! Elf! Zeenimf! die je bent."

Toen hoorde hij de deur achter haar sluiten en ging hij naar huis in
een volmaakten liefderoes.










                            "Nooit wordt op aarde belofte zoo rijk
                            verbonden met reine gedachten,
                            dan waar twee bouwen één zelfde huis,
                            twee menschen uitwerpen één anker."


Kaja maakte iederen dag met oom Frans hun gewone wandeling. En daar
Peter Dam steeds door repetities in beslag werd genomen, sprak het
ook als 't ware van zelf, dat Kaja en oom Frans de toekomstige woning
gereed maakten.

Peter Dam's geest heerschte nergens in den edelen stijl en de
rechte lijnen der kamers--de familie Halling was het, die er haar
karakteristieken stempel op had gedrukt.

Oom Frans betrapte zichzelf op een wonderlijke vergissing. Het was
hem, alsof hij het toekomstig huis voor Kaja en zichzelf in orde
maakte. Daardoor werd alles--tot in de kleinste bizonderheden--naar
zijn en naar haar smaak ingericht; daardoor ontzag hij geen moeite,
om alles zoo volmaakt mogelijk te doen worden. Hij draafde naar
schrijnwerker en zadelmaker, hij kocht gordijnroeden en nam de maat
voor portières, hij liet practische, kleine hoekkasten maken en hij
was 't, die haar hielp bij het koopen van tapijten en gordijnen. 's
Avonds zaten zij samen in zijn kamer en maakten een teekening van dat
gedeelte van de kamers, waar nog iets ontbrak--en naast elkaar gezeten,
over de teekening heengebogen, verdiepten zij zich zóó geheel in hun
werk dat hun beider lokken over de tafel gleden en hun handen elkaar
aanraakten. En als zij dan weg was, zeide hij in zichzelf:

"Het is niet mogelijk, dat ik haar zal moeten missen, niet mogelijk,
dat zij met Peter Dam trouwt. Wij beiden, wij zijn voor elkaar
geschapen. Als wij samen zijn, bestaat er niets om ons heen. Hoe kan
zij toch zóó blind zijn, dat zij dat niet ziet? Hij begrijpt haar
volstrekt niet, maar ik begrijp haar, ik weet wat zij zeggen zal, vóór
de woorden over haar lippen zijn. Op een zekeren dag zal zij komen
en zeggen: Dit huis was voor ons beiden bestemd, oom Frans! Daarin
kan niemand anders wonen dan u en ik.--En dan zullen wij er samen
intrekken en dan zullen op de geheele wereld geen gelukkiger menschen
zijn dan wij!"

Als oom Frans later aan dezen tijd terug dacht, was het hem, of zij
samen in een tooverland hadden rondgedwaald, waar het wonderlijkste
natuurlijk was en waar de fantasie grooter was dan de werkelijkheid.

En Kaja? Haar gevoelens waren van zóó verschillenden aard,
haar stemmingen zóó veelvoudig, dat zij ze niet uit elkaar kon
houden. Er was niets, dat zij oom Frans niet durfde zeggen, doch
als zij over Peter Dam beginnen wilde, kon zij de woorden niet uit
haar keel krijgen. Doch des te meer dacht zij aan hem. Achter iedere
repliek vond zij hem weer; ieder levenloos meubelstuk van de woning,
die zij met zooveel ijver gereed maakte, sprak haar van hem. Maar
over hem praten deed zij zoo goed als nooit. Dit bracht oom Frans op
een dwaalspoor: niet dat hij meende, dat zij zich vrij en ongebonden
voelde, maar het was hem alsof er iets wonderlijks gebeuren zou. Hij
wachtte op wat komen zou--en uit zijn geheele wezen straalden zulk
een jeugdige kracht en frischheid, zulk een blijde verwachting dat
Kaja er verbaasd over was.

"Lieve, oude oom Frans," zeide zij, terwijl zij haar hand door
zijn haren streek: "Het is, alsof u twintig jaar jonger bent! En uw
sprookjesstem is onweerstaanbaar."

Zij zeide altijd, dat oom Frans een sprookjesstem had. Reeds toen zij
als kind op zijn knie zat, luisterde zij meer naar zijn stem dan naar
de woorden. En later verklaarde zij haar voelen op de volgende manier:

"Sprookjesstemmen, oom Frans, zijn stemmen, waar zooveel meer achter
zit dan ze ooit uitspreken. Men moet er naar luisteren, of men wil
of niet. Het is, alsof ze altijd weer iets nieuws vertellen----"

Gewoonlijk maakte hij er een gekheidje van, maar heden avond legde
hij plotseling zijn arm op haar schouders en zeide: "Jij bent het
sprookje, jij----"



Zoo naderde de dag vóór het huwelijk.

Peter Dam speelde één van zijne voornaamste rollen en zij zou
hem niet voor den volgenden dag bij het trouwen zien. Hij was 's
morgens bij haar gekomen en was overweldigend in zijn liefde en in
zijn omhelzingen geweest. En hij had er zich hevig over beklaagd,
dat het tooneel hem de laatste maanden bijna geen tijd gegeven had,
om met haar samen te zijn, die altijd in zijn gedachten was geweest.

Hij schilderde haar in warme kleuren, hoe hij op het tooneel altijd
naar haar verlangde en hoe zijn geheele spel slechts werd tot één
hulde aan haar. Hij vond het gewoon onrechtvaardig, dat zij hun geluk
niet ongestoord genieten mochten. Zij dachten er geen van beiden aan,
dat juist het niet voortdurend samen zijn vóór hun huwelijk voor beiden
zoowel gevaarlijk als gelukkig was. Voor haar gevaarlijk--zij kende den
man niet, aan wien zij zich gegeven had;--voor hem gelukkig, nu bleef
hij voor haar de openbaring van schoonheid en jeugd, de altijd even
nieuwe en frissche. Zij hadden nooit tijd voor een ernstig gesprek,
zij zag nooit wat bij hem waarheid en wat verdichtsel was. Zij leefde
geheel in haar liefdedroomen, waar alles licht en kleuren was.

Oom Frans en zij gingen een laatste maal naar de nieuwe woning, om
nog eens te overzien of alles in orde was. Zij vloog over de zachte
tapijten en onderzocht met trotsche oogen de gezellige kamers. Neuriënd
liep zij van de eene plaats naar de andere en scheen ieder voorwerp
met haar blikken te liefkoozen.

"Het is, of alles op ons staat te wachten," zeide zij. "Het is,
alsof alles luistert naar de voetstappen, die komen zullen--!"

"En kijk!" riep zij plotseling uit. "Hier staan rozen! Groote,
gele! Die zijn van u, oom Frans!"

Hij knikte.

"Ik heb ze van morgen hier gebracht," zeide hij. "Ik wist, dat je er
zooveel van hieldt."

Zij kuste de geurende bloemen; toen nam zij het glas in haar beide
handen en zette het op een tafeltje dicht bij de deur.

"Die zullen de eerste zijn, die ons begroeten," zeide zij.

Oom Frans zat op de canapé en volgde haar met de oogen. Als hij
later aan dat oogenblik terugdacht, geloofde hij, dat hij aan
oogenblikkelijke verstandsverbijstering geleden had. Zóó zeker was
hij geweest, dat zij naar hem toe zou komen, haar wang tegen de zijne
leggen en met haar innigste stem zeggen zou: "Dit alles is voor u en
voor mij alleen. Onze geest heerscht over deze kleine wereld--daarom
zullen wij er in wonen en er heerschen."

En hij betrapte er zich op, dat hij zeide:

"Die deur zullen we verbergen. Wij houden geen van beiden van veel
deuren."

En zij ging er dadelijk op in en zeide:

"U hebt gelijk. We zullen er een portière vóór hangen!"

En in een oogenblik had zij het kleine trapje gehaald, dat zij gewoon
waren te gebruiken, en begon zij aan den arbeid.

Trouw als altijd stond hij haar ter zijde, en toen het gereed was,
gingen zij samen op de sofa zitten. Zij drukte de gevouwen handen in
haar schoot en keek verrukt om zich heen.

"Wat is 't hier keurig!" zeide zij. "Gelooft u, dat iemand het netter
kan hebben dan wij?" Doch plotseling vulden haar oogen zich met tranen.

"Arm moedertje, dat in 't donker zitten moet en nooit iets van al de
heerlijkheid hier zal kunnen zien," zeide zij. "Wat zou ik zonder u
alleen zijn, oom Frans!"

En zij greep met beide handen zijn hand, zoodat hem een electrische
stroom door de leden voer.

"Nu komt het!" dacht hij.

Toen wierp zij zich aan zijn borst en slingerde haar armen om zijn
hals en fluisterde:

"Ik ben zoo blij, dat u er morgen bij zult zijn, u bent alles tegelijk,
mijn moeder en mijn vader, mijn vriend en mijn broer. Ik kan mij geen
geluk voorstellen, dat u niet deelen zoudt."

Hij werd plotseling duizelig. Het was, alsof er iets voor zijn voeten
in stukken viel en hij voelde zelf, hoe ijskoud en bleek zijn gezicht
werd. Hij bemerkte duidelijk aan de wijze, waarop zij hem liefkoosde
en aanhaalde en aan het ongedwongene van haar heele zijn, dat er geen
sprake van liefde voor hem bij haar was. Voor haar was hij "oom"
Frans, die al groot was, toen zij klein was, en die in haar oogen
altijd oud zou zijn, omdat hij zeventien jaar ouder was dan zij.

Zij merkte de verandering in hem en riep angstig uit:

"U wordt toch niet ziek! Er is toch niets met uw hart?"

Hij lachte bitter.

"Ja--" zeide hij, "het was iets met mijn hart, maar--je behoeft niet
bang te zijn--nu is het over."

Hij herinnerde zich hoe zij als half volwassen meisje dikwijls zoo stil
als een muis bevend van angst vóór zijn deur gestaan had, omdat zij
wist, dat hij aan een hartkwaal leed. Als hij dan zijn deur uitkwam
en vroeg, wat zij daar deed, drukte zij zich tegen hem aan en zeide
met bevende stem:

"Ik kreeg plotseling zoo'n angst, dat u dood zoudt zijn. Want ze zeggen
op school, dat men met een hartkwaal soms op eens kan sterven. En u
mag niet vóór mij sterven, hoor oom Frans, verstaat u, u mag niet!"

Nu was er iets van dezelfde vrees in haar stem, toen zij zich over
hem neerboog.

"Denk er om, wat u mij beloofd heeft," zeide zij, met een mislukte
poging om te glimlachen, "u mag niet sterven vóór mij."

"Nu komt het er minder op aan," zeide hij bitter. "Nu heb je immers
Peter Dam?"

"Ik heb niemand dan u!" liet zij zich onwillekeurig
ontvallen. "Niemand, die ik moeilijker missen kan dan u!"

Een glans van vreugde straalde even in zijn oogen, doch niet dan om
straks weer te verdooven. Snel keerde hij zich naar haar toe en vroeg
haar kortaf:

"Weet je zeker, dat je genoeg van hem houdt?"

"Genoeg--ja, hoe meent u?" zeide zij aarzelend.

"Weet je zeker, dat je niet je eigen wat wijs maakt?"

"Ja, dat weet ik zeker," antwoordde zij haastig--doch haar stem
klonk onzeker--zij hoorde het zelf en kon het niet verklaren. "Men
kan ook wel te veel verlangen," zeide zij als slot voor een gedachte,
die zij niet uitgesproken had.

"Niet waar het liefde betreft!" viel hij uit. "In de liefde is het
beste nog niet goed genoeg! Kijk eens, hier!"

Hij haalde een ring van zijn horlogeketting af.

"Dien ring heeft mijn moeder altijd gedragen," zeide hij, "toen
zij in de kist lag, nam ik dien van haar gerimpelde hand. Daarin
staat geschreven: Eisch alles! Geef alles! Sinds dat oogenblik heb
ik dat motto tot het mijne gemaakt. Het heft iemand op. Wees nooit
tevreden met minder dan het beste in de innigste verhoudingen. Wees
nooit tevreden waar het het dierbaarste offer geldt, met minder dan
het allerhoogste!"

Toen boog hij zich over haar heen en schoof den ring aan haar vinger.

"Ik geef je dien ter herinnering aan dezen avond," zeide hij. Zij
wist niet waarom, maar in deze woorden klonk haar een soort vaarwel
en één voor één begonnen haar tranen in haar schoot neer te vallen.

"Oom Frans," fluisterde zij. "Wij zullen elkaar toch wel iederen dag
zien zooals gewoonlijk?"

"Dat weet ik niet," zeide hij, terwijl hij op wilde staan, maar
toen zij haar met tranen gevulde oogen naar hem toekeerde, drukte
hij haar innig tegen zijn borst en voegde er bij: "Natuurlijk--wij
tweeën kunnen elkaar immers niet missen?"

Even bleven zij zonder een woord te spreken, zoo samen zitten--toen
stonden zij, als onder een stilzwijgende overeenkomst, tegelijk op,
deden het licht uit en verlieten samen het huis. Toen de deur achter
hen dicht sloeg, kreeg hij een gevoel alsof hij plotseling zijn te
huis verloren had. Alsof hij, met zijn hart vol liefde, buitengesloten
was dààr, waar het geluk huisde en waar een ander zijn plaats had
ingenomen, hoewel die altijd de zijne geweest was, de zijne nog was
en in aller eeuwigheid de zijne blijven zou!











                                Waar klokjes klein
                                voor 't huwelijk luiden
                                van twee, die elkaar beminnen,
                                daar is het, als nooden
                                die klokjes klein,
                                op bedden van louter rozen,
                                tot spelen, dansen, koozen....

                                Doch luister goed,
                                en in 't hel gelui
                                hoort plechtigen ernst gij klinken,
                                den ernst van het Leven,
                                zóó diep en zóó groot
                                als nooit te voren feest u bood....


In het kleine, afgelegen dorpskerkje in het Zuidwesten van Sjælland,
dat Kaja voor haar huwelijksplechtigheid had uitgekozen, scheen de
zon vreedzaam op de witgekalkte muren en tusschen de reten van de
oude grafsteenen, die er in gemetseld waren.

Het was één van die weinige voorjaarsachtige dagen, die Maart te
genieten geeft. De eerste leeuweriken wedijverden in hun gezang met
het gelui der kerkklokken, en het zaad op de vlakke velden schitterde
reeds vettig groen, terwijl langs de slootkanten hier en daar nog wat
sneeuw te zien was.--De oude predikant stond buiten de sakristie op
het bruidspaar dat komen zou, te wachten en leunde met zijn arm op
de altaartafel. In een breeden, warmen straal viel de zon boven door
het koorvenster op zijn witte haar.

Hij ook had zijn wederwaardigheden gehad. Van een drukke, krachtige
bevolking in Jutland, waar men hem liefgehad en begrepen had, waar zijn
kerk tot de laatste plaats toe bezet was, en waar de menschen mijlen
ver uit den omtrek kwamen, om hem te hooren, was hij naar een kalme,
Sjællandsche gemeente gekomen, waar zijn eenige vaste toehoorders
bestonden in de apothekersvrouw met twee dochters en drie oude vrouwen
uit het armenhuis.

"Ja, moeder, ik had zeker behoefte aan een onderdompeling," zeide
hij tot zijn kleine, bleeke vrouw. "Ik was daar ginds te veel in de
mode gekomen. Het loopt altijd mis als een predikant trotsch op het
aantal zijner toehoorders begint te worden."

"Ja, op deze hier zal je niet trotsch behoeven te worden," zeide
zij, terwijl zij aan de leêge stoelen en de zes menschen dacht. Maar
langzaam en zeker, na veertien jaar onafgebroken arbeiden, was het
aantal van zes tot honderd gestegen.

Eén van de eerste Zondagen, dat de predikant naar de kerk ging,
zag hij op het land buiten de pastorie een boer aan 't ploegen.

"Zoo, ben je vandaag aan het ploegen?" zeide hij.

"Ja, ik ploeg, zooals u ziet," was het lakonieke antwoord.

De predikant schudde, als in gedachten, een paar maal het hoofd en
zeide toen:

"Ja, het is beter op het land te loopen en aan Onzen Lieven Heer te
denken dan in de kerk te zitten en aan zijn land te denken."

Toen hij wegging, keek de boer hem na, doch den volgenden Zondag zat
hij in de kerk en langzamerhand kwamen er meer. Het grootste opzien
wekte het, toen op zekeren dag ook de dokter zijn plaats onder den
preekstoel innam. De predikant had hem bij een ziekenbezoek ontmoet,
waar de dokter met zijn gewone openhartigheid verklaarde, dat het
er niet veel op aankwam of de zieke al met den predikant sprak,
ja of neen, want het ware Christendom konden de menschen toch maar
alleen van het leven zelf leeren. Daarop had de oude predikant een
oogenblik gezwegen, doch toen had hij zijn handen op de schouders van
den dokter gelegd, en gezegd: "Kan het leven den menschen ook leeren,
blijmoedig te sterven?"

"Neen, dat is te veel gevraagd," gaf de dokter glimlachend ten
antwoord.

"Wel, dàt kan het Christendom."

De dokter had niet geantwoord. Hij had slechts de deur naar de
ziekenkamer geopend, wijd geopend. Doch den volgende Zondag zat hij
in de kerk--en kort er op zat hij er weer.



Een gesloten rijtuig hield voor den ingang van het kerkje stil, en
de klokkeluider hield op met bellen en keek van uit zijn kijkgat
nieuwsgierig op de aangekomenen neer. De bruid, in reiscostuum,
liep gearmd met haar vader. Achter haar kwamen twee heeren, die
niets met elkaar schenen uit te staan te hebben, maar die toch mee
de kerk ingingen. Dit waren Peter Dam en oom Frans. Een armoedig,
klein serafienorgel begon te spelen, toen zij binnenkwamen, en bij
het altaar stond de oude predikant hen op te wachten. Peter Dam was
aangedaan. Dit werd hij reeds bij de eerste tonen van het orgel, en
ieder keer, als hij naar Kaja keek, vulde zijn oogen zich met tranen.

De plaats, de omgeving en de ernst van 't oogenblik waren er de
oorzaak van. Hij was gauw geroerd--dat lag in zijn temperament. Hij
had dat met de meeste acteurs gemeen, dat zij niet alleen anderen
kunnen ontroeren, doch zelf ook spoedig ontroerd zijn. En het stond
hem goed aangedaan te zijn.

Kaja keek naar oom Frans met een blik, die zeggen wilde: "Ziet u wel,
hoe mooi hij is en hoe goed!" Maar oom Frans keek alle kanten op,
behalve dien van Kaja. Hij bestudeerde de afkalking van de witte muren
en het beeldhouwwerk van het doopfont. Hij geraakte geheel verdiept
in de beschouwing van twee grafsteenen aan zijn voet en wijdde toen
al zijn aandacht aan den predikant. Toen hij hem een tijdlang had
gadegeslagen, knikte hij langzaam met zijn hoofd, als wilde hij
daarmee zeggen: "Hem mag ik wel lijden." Oom Frans gaf anders niet
veel om dominees. Hij was de leer van Kirkegaard toegedaan en had
een bepaalden angst voor een algemeen Christendom.

Nooit of zelden zette hij een voet in een kerk, doch thuis boven de
schrijftafel in zijn kamer hing een groot crucifix en daaronder stonden
alle werken van Sören Kirkegaard in stijve, bruinlinnen banden. Daar
oefende hij zijn godsdienst uit. De psalm was uit en het paar trad
vóór het altaar. De oude predikant stond achter de altaarstafel en
keek hen met zijn zachte oogen aan.

Hij kon de oogen van de bruid niet goed zien. Toen deed hij even
zijn bril af en veegde de glazen met zijn zakdoek af, om helderder
te kunnen kijken.

Doch Kaja keek niet naar hem, haar oogen zochten oom Frans, die een
paar ellen van haar af aan den anderen kant zat. Waarom keek hij toch
niet eens op! Dat hij nu geen enkelen blik voor haar over had!

Zij had lust, het een of ander te doen, dat hem noodzaken zou
op te kijken. Doch oom Frans had, zoodra de psalm uit was, zich
voorovergebogen en zat nu met zijn ellebogen op de knieën en zijn
gezicht tusschen zijn handen toe te hooren. Geen enkel maal zag hij
onder de toespraak op. Toen werd zij plotseling getroffen door het
waas van verlatenheid en verdriet, dat er over zijn heele wezen was
uitgespreid, en toen ging het als vuur door haar leden, dat het om
haar was, dat hij leed! Het verschil van zeventien jaar, dat tot
nu toe hun verhouding zoo volmaakt vriendschappelijk gemaakt had,
was op éénmaal weggevaagd--en zij zag slechts in hem den man, wien
zij haar volkomen vertrouwen gegeven en wiens vertrouwen zij terug
gekregen had. Wat had zij tot nu toe Peter Dam gegeven en wat van
hem terugontvangen? Slechts vluchtige woorden en verliefde gedachten!

Zij kreeg een gevoel, alsof zij hem eigenlijk in het geheel niet
kende, en alsof zij trouweloos tegenover oom Frans geweest was. En
allerlei herinneringen schoten in haar op, herinneringen van een
liefde, die van jaar tot jaar voor haar was opgespaard en dag aan
dag zich geuit had in duizenderlei kleinigheden, die slechts hij
en zij kenden--gedurende lange wandelingen, die zij samen gemaakt,
in fijne, kleine opmerkingen, die zij samen gedaan en in diepe,
ernstige gesprekken, die zij samen gehouden hadden.

Zij had een gevoel, alsof zij zijn naam hardop door de kerk zou
moeten uitroepen, om hem deze daad ongedaan te laten maken, vóór het
te laat was. Doch het was, alsof zij haar lippen niet van elkaar kon
krijgen. En hij verroerde zich geen enkele maal onder haar blik--zij
kon zelfs niet de minste beweging in de vast gesloten vingers gewaar
worden.

"--Aldus vraag ik u--Kaja Halling--"

Zij rilde en voelde, hoe zij tot haar lippen toe wit werd. De oogen
van den ouden dominee keken haar vragend aan en zij bemerkte, dat hij
even wachtte om haar tijd tot antwoorden te geven. Machinaalweg bijna,
richtte zij haar oogen van oom Frans naar Peter Dam, wiens schoon,
ontroerd aangezicht juist door de zon beschenen werd. En toen was
het haar, of alles, wat zij zooeven doordacht had, niets was dan
een kwade droom. Peter Dam was jong, Peter Dam was schoon! Of hij
nu juist dát was, waaraan oom Frans dacht, toen hij zeide: "In de
liefde mag je je nooit vergenoegen dan met het allerbeste," dat wist
zij niet--doch dat hoopte zij.

En zij deed, wat zoo vele vrouwen vóór haar deden en wat zoo vele
vrouwen nog na haar zullen doen. Zij zondigde tegen haar eigen,
ware zelf--zij gaf toe, en suste haar geweten in slaap.

Na de plechtigheid kwam de oude predikant gelukwenschen. Deelnemend
vroeg hij naar de gezondheid van oom Frans. Hij zag, hoe bleek hij was,
en hij meende, dat hij onder de toespraak ziek geworden was. Beleefd
drukte hij den vader van de jonggetrouwde vrouw de hand en hij groette
haar zelf zoo vriendelijk mogelijk. Peter Dam's handen echter hield
hij lang tusschen de zijne en gaf hem vele heilwenschen mede voor de
kunst en voor het leven. Het was duidelijk, dat hij zijn oude hart
gewonnen had.

Oom Frans stond achter hen en sloeg beiden met zijn klein, ironisch
glimlachje gade. Hij hoorde Peter Dam verzekeren, dat hij nooit
dezen dag, noch de woorden die hij gesproken had, vergeten zou. En
hij hoorde, hoe de predikant zijn warme vreugde uitsprak, zooveel
waar gevoel en ernstig begrijpen te ontmoeten in een jongmensch,
wiens leven zoo veelzijdig was als het zijne. Peter Dam geloofde
op dat oogenblik oprecht in zijn aandoening--die was dan ook waar,
in zoover die gevoeld was--hij garandeerde echter niet, hoe lang die
duren zou. En steeds herhaalde hij met zijn warmste stem: "Ik dank
u, waarde Heer, ik dank u hartelijk!" Oom Frans schraapte zijn keel
op een manier, die Peter Dam plotseling deed zwijgen; toen gaf oom
Frans den ouden predikant vriendelijk een hand. Hij zeide niets,
maar dacht in zich zelf: "U bevalt mij door uw kinderlijkheid, uw
beminnelijke onschuld en uw aandoenlijk groot vertrouwen!"

De organist sloot het orgel en liep haastig de kerk door. In de open
kerkdeur bleef hij het jonge paar staan nakijken dat juist in een
rijtuig steeg, dat hen naar het station zou voeren.

De oude predikant stond groetend, met zijn hoed in de hand,
bij het portier. De zon scheen op zijn witte haren en de klokken
luidden--die wonderlijke klokken, die vreugde en verdriet, lijden en
hoop, en zooveel zon en tevens zooveel bittere teleurstelling in het
menschenleven verkondigen....











                                "Waar twee elkander vonden,
                                daar bouwt men op veilig strand;
                                twee glijden al zingend de zee in,
                                --één duwt de boot van land."


Denzelfden avond trokken de jonggehuwden naar hun huis in de stad en
brachten daar hun wittebroodsweken door.

Peter Dam had zich nooit van een voordeeliger kant laten kennen dan
in dien tijd, toen zijn aangezicht louter zon was. Het meest ware
in zijn natuur--het kinderlijk naïeve--was voor korten tijd op den
voorgrond getreden. Het was, of hij in reiner lucht herleefde. Die
rustige kamers, die hij met Kaja samen bewoonde, dat, volgens zijn
omstandigheden, volmaakt weelderige tehuis dat hij het recht had
het zijne te noemen, dat alles oefende tijdelijk een verzachtenden
invloed op zijn karakter. En hij was tot over de ooren verliefd op
zijn jonge vrouw.

Hij overlaadde haar met de kostbaarste bloemen, en de mooiste en
liefste woordjes voegde hij haar toe. Als zij samen over elkaar aan
tafel zaten, kon hij soms plotseling zijn vork en mes neerleggen,
om haar aan te staren.

's Avonds moest zij urenlang voor hem zingen, doch dan luisterde hij
niet naar de muziek, maar keek slechts naar haar gezicht, terwijl zij
zong. Hij droeg altijd zorg, dat er een roode kap over het licht was.

"Ik zie zoo graag je hals onder dat licht," zeide hij--"dat is gewoon
een volmaakt kunstgenot."

Als deze bewondering en aanbidding geen indruk op haar gemaakt hadden,
zou zij geen vrouw geweest zijn. Zij geloofde dan ook de eerste maanden
volkomen aan haar geluk en verwarmde zich aan de zonnestralen, die
hij op haar neer liet vallen.

Als Peter Dam in het theater was, was zij thuis met de bloemen bezig,
of nam het stof af. Zij dacht er nooit over dan uit te gaan--kalm
en rustig ging zij haar gang, in de kamers die de zijne en de hare
waren, en waar zij ieder meubel zoo liefhad, hoewel zij er zich
op betrapte, dat zij meer aan hun gezamenlijke bezittingen dacht,
dan aan hem zelf. Zij had haar tehuis bijna hartstochtelijk lief
gekregen. Als zij de plooien van een of andere portière gladstreek,
die haar en oom Frans bij 't ophangen bizondere moeite had gegeven,
kon zij soms door een plotselinge onrust overvallen worden, een angst
om te denken,--denken, wat ze zoo goed als nooit deed in dien tijd,
dat voelde zij wel.

"Leven! leven! Alleen maar leven! Niet denken!" zooals Peter
Dam zeide. Dat was het leven, dat zij nu leidde. Als zij zich de
aanvechtingen herinnerde, die zij vóór het altaar in zich had voelen
opkomen, glimlachte zij. Oom Frans had daar immers volmaakt rustig
zitten toezien, terwijl zij bijna van angst stikte! Met oom Frans
trouwen zou slechts een voortzetting geweest zijn van het leven,
dat zij tot nu toe geleid had--maar dit leven was iets nieuws, dit
was een ondervinding, waarnaar zij altijd zoo verlangd had!

"Schrijf, schrijf! Heerlijk leven!" neuriede zij, terwijl zij van de
eene kamer naar de andere ging.

Zonder dat zij zelf verklaren kon waarom, hield zij zich dien tijd
op een afstand van oom Frans. Zij bloosde altijd, als zij zijn blik
ontmoette--en dat ergerde haar, want zij had zich toch over niets
te schamen.

Een maand na hun huwelijk had zij hem ten eten gevraagd. Zij vloog
hem niet om den hals, zooals vroeger--en zij zag, dat het hem pijn
deed, zij zag het aan het trekken van zijn mondhoeken--maar hij zeide
niets. Kalm volgde hij haar naar de zitkamer, waar hij bij een venster
plaats nam.

Het viel haar op, dat hij in 't geheel de kamers niet eens rondkeek,
doch alleen zijn blikken richtte op dengeen, waarmee hij sprak, of
anders het raam uitkeek. Zij zou zoo graag gezegd hebben: "Is dat niet
mooi? En dat dan? En dat daar?" Maar er was iets, dat haar terughield.

Aan tafel had hij op de gezondheid van de jonggetrouwden gedronken en
had hij haar met zijn ouden glimlach eens toegeknikt--en toen had zij
plotseling tranen in haar oogen gekregen en zich diep over haar bord
moeten heenbuigen, opdat niemand ze zien zou. 's Avonds wilde Peter
Dam haar volgens gewoonte laten zingen. Doch toen had zij de roode
kap van het licht afgedaan, onder voorwendsel dat die haar hinderde,
en dat zij beter in het halfdonker spelen kon. Daarna was het haar
nooit recht duidelijk, waarom het haar op dat oogenblik zoo wonderlijk
droef te moede was geworden--misschien was het wel, omdat oom Frans,
met de handen vóór zijn oogen, achter haar zat, zij had het wel niet
gezien, zij durfde niet omkijken, maar zij voelde het.

Eerst had zij één van de liederen opgeslagen, die zij het meest
neuriede:


            "Waar twee elkander vonden,
            daar bouwt men op veilig strand;
            Twee glijden al zingend de zee in,
            één duwt de boot van land."


Doch toen had zij plotseling de muziek uit haar handen laten glijden
en was in gedachten vervallen.

Ja, gelukkig had zij zich gevoeld al deze weken, en iedere dag was als
een nieuw feest geweest voor haar en Peter Dam, doch niettegenstaande
alles had zij het gezang in de boot gemist en had zij af en toe een
gevoel gehad alsof zij alleen de zee ingleed--nu meer dan ooit. En
op dat oogenblik werd dat gevoel haar zóó machtig, dat zij er zich
met geweld aan onttrekken moest. Toen was zij plotseling één van haar
vroolijkste liederen gaan zingen. Doch toen zij op wilde staan en de
piano dicht doen, had oom Frans met zijn zachte stem gezegd--en het
was, alsof de woorden uit de diepste duisternis tot haar kwamen--:
"Nu heb je zooveel voor anderen gezongen, wil je nu tot slot niet
één heel klein liedje voor mij zingen?" En zij had toegegeven en zong:


            "Wat is voor de meesten het Leven?
            Alleen verdriet!
            De grondtoon van alles in 't Leven?
            Alleen verdriet!"
            . . . . . . . . . . . .


Maar toen het uit was, had zij zichzelf plechtig beloofd, dat het
lang duren zou, vóór zij oom Frans weer ten eten vroeg.

Zoolang zij hem niet zag, was zij gelukkig, maar zoodra hij kwam,
werd zij door een onverklaarbaren angst overvallen en was het alsof
de zon achter de wolken verdween.

Op een zekeren dag gaf Peter Dam haar onbewust een verklaring van
dien angst, doordat hij zeide: "Die oom Frans is een wonderlijk heer;
het is alsof hij iemand tot nadenken dwingt."

"Daar heb je gelijk in," antwoordde zij, terwijl hij aan haar gezicht
zag, hoe diep zij haar woorden voelde. En haastig vervolgde hij:
"'t Is dom; als men jong is, moet men leven en niet denken! Wij
bijvoorbeeld, wij denken ook niet,--wat zeg jij?"

Maar dat had hij liever vóór zich moeten houden. Kaja maakte zich
zachtjes uit zijn omhelzing los en antwoordde: "Ja, wij denken
ook niet, wij leven als twee groote kinderen. Als jij niet over het
theater vertelt, dan praten we over liefde, en als we niet over liefde
praten--vertel jij van het theater."

"Alsof het leven van kinderen niet het gelukkigste is!" zeide hij--om
toch iets te zeggen. Maar zij kreeg er een angstig voorgevoel van,
dat dàt leven het eenige was, dat hij leven kon.

Als oom Frans hen een enkele maal bezocht, zat Kaja hem in stilte
gade te slaan. Het was, alsof hij nu in haar oogen nog edeler was dan
vroeger. Ook hij had zijn deel van het Leven gekregen, geleden had
hij, en er is niets, dat den mensch meer adelt dan verdriet. Het was,
of dàt zijn stempel op zijn aangezicht gedrukt had, of dàt hem in
Kaja's oogen "edeler" schijnen deed. Zij dacht er aan, hoe eenvoudig
hij was. Hij had zichzelf nooit hoog gesteld en altijd het uiterste
van zijn krachten gevergd.

Hij hoorde tot de sterk persoonlijke menschen, die den moed hebben, er
idealen op na te houden. En dat soort menschen zijn het, die den top
bereiken--het laatste en hoogste doel! Peter Dam had nooit ingezien,
hoe klein hij was--daarom bereikte hij nooit den top.










                                                        "Glück auf!"


Toen het tooneelseizoen uit was, vertrokken de jonggehuwden naar
buiten. Zij huurden een klein huisje in Espergærde, waar zij den
geheelen zomer bleven.

Ondertusschen voerde oom Frans een sinds lang gekoesterd plan uit--hij
reisde naar Tyrol en Noord-Italië en bracht daar zijn geheele vacantie
door. Hij deed het niet, omdat hij ook maar één oogenblik meende,
zijn gedachten te kunnen ontvlieden, doch om op die manier ten minste
bevrijd te zijn van de kwelling, Kaja met Peter Dam samen te zien. Want
het werd hem steeds ondragelijker op te merken, hoe kwajongensachtig
en ongegeneerd Peter Dam haar behandelde. Hij wist niet, of het was
doordat zij dat zag, dat haar vroolijkheid altijd meer gekunsteld werd
en haar woorden meer geforceerd klonken, doch hij kende haar te goed,
om zich hierdoor te laten misleiden. Den geringsten wanklank in haar
stem vingen zijn ooren op.

De voortdurende strijd om zijn gevoelens te verbergen pakte hem geducht
aan--zijn gezicht werd smaller en zijn oogen werden grooter. Zij vroeg
hem, of hij niet wel was. Hij antwoordde, dat hem niets scheelde,
doch dat hij meende, dat een reisje hem toch geen kwaad zou doen. Zij
herademde, toen hij dat zeide. Hij zag het en het deed hem pijn. Hij
begreep niet, dat ook voor haar de strijd begonnen was, de zwaarste
strijd, dien een mensch op aarde voeren kan--de strijd weg van hen,
die men liefheeft. Hij vertrok zonder haar goedendag te zeggen,
hij zond haar slechts een paar woordjes op een briefkaart.

Zijn afwezigheid gaf haar een groot gevoel van verlichting. Zij wilde
niet toegeven aan het knagend verlangen dat haar kwelde; zij wilde
gelukkig zijn met Peter Dam. Al haar teederheid, al haar toewijding
schonk zij hem en hèm alleen. Zij sloot haar oogen voor de leegte
van zijn zieleleven, voor zijn vluchtige gevoelens. Met ongelooflijke
wilskracht trachtte zij te voelen en te denken, zooals zij voelde en
dacht in haar eerste verliefdheid, toen zij zijn knappe gestalte en
mooi, veranderlijk gezicht voor het eerst gezien had. Iedere indruk
van schoonheid, dien zij zich van hem herinnerde, haalde zij zich met
geweld vóór den geest en zij voorkwam zijn wenschen met een overdreven
geestdrift, die ieder psycholoog zou verbaasd hebben,--alleen niet
Peter Dam.

Peter Dam zelf maakte het best onder den invloed van al deze
teederheid, hoewel die niet zijn beste hoedanigheden te voorschijn
riep; integendeel, hij had niet de minste consideratie voor haar. Hij
verbeeldde zich, dat zijn macht over haar grenzenloos was en hij zich
daardoor alles veroorloven kon, wat hij wilde. Hij ging uit en kwam
thuis, wanneer het hem goeddocht. Soms was het laat in den nacht,
vóór hij huiswaarts keerde. Nooit vroeg zij dan, waar hij geweest
was. Zij was doodsbang, haar laatste houvast te missen.

Zij streed uit al haar macht, om zichzelf te dwingen hem lief te
hebben, zooals hij nu eenmaal was, met zijn goedkoope phrases en
zijn Deensche goedigheid, met zijn oppervlakkig gevoelsleven en zijn
weinig ontwikkeld verstand--altijd met zichzelf ingenomen, maar ook
zelf innemend af en toe, als hij wilde. Doch op het laatst werden
de phrases haar toch te onbeduidend en zijn veronachtzaming haar
te kwetsend, en toen oom Frans haar in het najaar terug zag, viel
't hem op, wat een verandering er in haar had plaats gegrepen. Het
was alsof een strijd haar al haar krachten ontnomen had.

In den winter werd het wat beter. Peter Dam speelde een groote rol,
die hem geheel vervulde. Verscheidene keeren per dag repeteerde hij die
voor haar en hij kon altijd rekenen op een levendige belangstelling
van haar kant. Zij verbeterde en wees hem den weg, vormde hem en
probeerde zijn spel inhoud te geven, en moedigde hem aan. En zij ging
er zoo volkomen in op, dat zij al het andere om zich heen vergat. En
er waren oogenblikken dat zijn spel haar zóó betooverde, dat hij zijn
vroegere macht over haar geheel terugwon.

Bij de eerste opvoering zat zij dicht bij het tooneel en volgde hem,
van het oogenblik af dat hij binnenkwam, ingespannen met haar oogen.

Er was--ook voor haar--iets betooverends in den storm van toejuiching,
die na zijn eerste groote repliek losbrak.

Doch op éénmaal, toen zij zich vooroverboog en hem met aandacht
gadesloeg, gingen haar oogen weer open. Toen bemerkte zij iederen
wanklank in zijn stem en hoorde het leege pathos van zijn woorden.

En toen hij thuis kwam met een grooten lauwerkrans over zijn arm
en van voldane ijdelheid straalde, kon zij niet nalaten te zeggen:
"Hier bij mij speelde je beter, toen was je meer waar."

Doch Peter Dam was niet toegankelijk voor kritiek--en wel het
allerminst den avond, dat hij zoo van alle kanten bewierookt was. Hij
sprak haar op onaangenamen toon met harde woorden, die juist niet
altijd even kiesch gekozen waren, tegen, en nam ten slotte zijn hoed
en verliet zonder goedendag te zeggen het huis.

Toen hij weg was, voelde zij zich wonderlijk verlaten en verweet zij
zichzelf, dat zij hem maar niet genomen had, zooals hij nu eenmaal was:
als een groot kind.

"Waarom verlang ik altijd meer van hem, dan hij geven kan?" dacht zij,
terwijl zij haar saamgeknepen handen in haar schoot drukte. "Ik wist
toch wel, dat ik met een kind trouwde."

En zij glimlachte op een wijze, die haar op dat oogenblik sterk op
oom Frans deed gelijken.

Terzelfdertijd werd er gebeld. Zij stond op en deed open. Oom Frans
stond vóór haar met een prachtig bouquet gele rozen.

"Ik wou komen feliciteeren," zeide hij, terwijl hij haar de bloemen
gaf. "Je man heeft van avond een groote overwinning behaald."

"Ja, niet waar?" zeide zij, terwijl zij haar gezicht in de rozen
verborg.

"Maar waar is hij?" zeide oom Frans, terwijl hij door de openstaande
deur de zitkamer inkeek.

"Hij werd boos en ging weg," antwoordde Kaja.

En met een lichten glimlach bukte zij, om den lauwerkrans op te rapen,
dien hij op den grond geworpen had.

"Peter kan zoo slecht kritiek verdragen," voegde zij er vergoelijkend
bij.

"En jij was misschien een beetje te streng voor hem, toen hij duizelig
van al den wierook thuis kwam?" zeide oom Frans schertsend.

Zij kreeg tranen in haar oogen, toen zij zijn goedig glimlachje
opmerkte.

"Ja, dat was ik zeker wel," antwoordde zij--"maar nu is het te laat."

"Volstrekt niet," zeide oom Frans haastig, "ik zal hem gaan
opzoeken." En vóór dat zij iets in het midden kon brengen, was hij
al de trap af. Zij bleef een oogenblik met den lauwerkrans in de eene
hand en de rozen in de andere, staan, toen legde zij den krans op de
vleugelpiano en haalde een vaas met water om er de rozen één voor één
in te zetten. Langzaam en voorzichtig liet zij de bloemen door haar
vingers glijden. Toen ging zij op den stoel zitten, die het dichtst
bij de deur stond, en luisterde aandachtig naar ieder geluid op de
trappen. De vaas met bloemen hield zij in haar hand en zij boog er
zich gedurig over heen en liet de zijzachte bloempjes haar wangen
streelen. Zij dacht er aan, hoe zij vroeger, als zij oom Frans eens
echt wilde aanhalen, haar wang tegen de zijne streelde. Of hij nu
haar liefkoozingen missen zou?--Toen zette zij plotseling de vaas
hard op de tafel neer en sprong op. Zij had voetstappen op de trap
gehoord. Voordat men belde, had zij al opengedaan.

Peter Dam kwam met oom Frans gearmd binnen. Beiden zagen er vroolijk
uit.

"Dank," zeide Kaja zacht en innig.

"Ja, als hij," en met dat woord sloeg Peter Dam oom Frans eens
duchtig op de schouders, "met eerbetoon aan komt zetten, dan moet
men wel toegeven. Hij overlaadt me anders nu juist niet met lof,
maar van avond is hij onuitputtelijk!"

Kaja's oogen straalden.

"Je speelde ook uitstekend," zeide zij.

"Kom, zoo is 't goed, nou beval je mij," lachte hij vergenoegd,
terwijl hij haar om haar middel vastgreep, "nu kan ik zien, dat je
verstandig begint te worden."

In de vroolijkste stemming gingen zij alle drie de eetkamer in, waar
Kaja wijn en bloemen op de gedekte tafel gereed had gezet. Peter
Dam was verder op den avond het liefste kind, dat er op aarde
rondwandelt. Hij was nooit beminnelijker dan wanneer zijn ijdelheid
voldaan was en hij had genoeg artistenbloed in zich, om zijn ijdelheid
niet belachelijk te doen schijnen.

Oom Frans stond dien avond op het punt zijn hart aan hem te
verliezen--en Kaja keek hem aan met oogen, die gelukkiger stonden dan
zij in vele maanden gestaan hadden. Het verhief hem in haar oogen,
dat oom Frans hem als artist erkende--zij had nooit gedacht, dat hij
dat zoo onbewimpeld doen zou als nu. Zij hief haar glas op en keek
naar Peter Dam.

"Glück auf!" zeide zij zacht--meer tegen zichzelf dan tegen hem.

En oom Frans--niet Peter Dam--antwoordde op dezelfde zachte, innige
wijze:

"Glück auf--!"










                    "Nog houd ik wel trotsch, ja, trotsch houd ik
                                                            't hoofd,
                    hoog boven de worstlende stroomen,
                    doch iederen dag, dat zorg en verdriet
                    omhangen mijn woon met hun rouwsomber kleed,
                    dan, wakend, leef ik van droomen."


Een maand later zat Kaja in het donker vóór de piano. Peter Dam lag
schommelend, met een sigaar in den mond, in een gemakkelijken stoel
dicht achter haar. Plotseling hield zij midden onder het zingen op,
ging naar hem toe en fluisterde hem, terwijl zij zich over zijn stoel
heenboog, geheimzinnig in het oor:

"Zeg, over een half jaar, dan zijn we niet meer alleen, dan zijn we
met ons drieën. Verbeeld je dat er heusch twee kleine voetjes hier
door de kamer zullen trippelen, die we de onze kunnen noemen. Is het
niet heerlijk, zeg?"

Zij sloeg haar armen achter om haar hals, zoodat haar fijne hoofdje
in haar handen rustte. In het duister glinsterden haar oogen met
een wonderlijken blik, die veraf scheen, doch tevens straalde er een
warmte uit, die slechts een groot geluk veroorzaken kan. "Is het niet
wonderlijk heerlijk?" herhaalde zij in zichzelf.

"Heerlijk?" zeide hij, terwijl hij rechtop in zijn stoel ging
zitten. "O ja, maar het geeft toch ook allerlei moeilijkheden."

"Gewoonlijk zijn het nu juist de mannen niet, die daar aan denken,"
gaf zij kortweg ten antwoord. "Maar je bent zeker bang voor je
vrijheid? Want als er kinderen zijn, moet er rekenschap gehouden
worden met wat hun toekomt."

"Ja juist," zeide hij, en de gedachte, dat zij hem misschien beter
begreep dan hij eerst vermoedde, deed hem goed. "Ik vind, dat we het
nu zoo goed hebben."

"Vindt je? Je bent au fond al heel bescheiden in je eischen," zeide
zij op snijdend ironischen toon.

Slechts de woorden drongen tot hem door, niet de toon van haar stem.

"Ik weet eigenlijk niet, wat je nog meer verlangt," zeide hij, zonder
te voelen, hoe zijn woorden haar kwetsen moesten. "We hebben immers
alles, wat ons hart begeert."

"Behalve samenleven," zeide zij. "Is het je nooit opgevallen, dat
wij zoo goed als nooit samen praten? Jij kunt er misschien buiten,
jij hebt geen behoefte, om van gedachten te wisselen, jij praat genoeg
in het theater en met je vrienden daar, maar ik niet. Ik mis het en
zóó erg, dat ik het soms niet kan uithouden."

Vol verbazing keek hij haar aan. Een oogenblik kreeg hij een gevoel,
alsof hetgeen zij van hem eischte, iets was, dat hij haar nooit zou
kunnen geven--doch met een gemak, dat hem in 't bloed scheen te zitten,
schoof hij dadelijk die gedachte van zich af, vond een uitweg en zeide:
"Nu krijg je dan gezelschap. Voor jou is het dus uitstekend, dat er
een kind komt."

Zij stond nog in dezelfde houding met haar armen achter om haar
hals geslagen, en zij keek hem aan met een paar oogen, die hem
de zijne neer deden slaan; toen keerde zij hem plotseling den rug
toe en verdween in de aangrenzende kamer. De volgende dagen was zij
zeer stil en lusteloos zoolang hij bij haar was, doch zoodra als hij
verdween, herleefde zij. Dan zat zij bij het raam sokjes te haken of
roze kousjes te breien of miniatuur hempjes te naaien, of belachelijk
kleine, sneeuwwitte, wollen manteltjes in elkaar te zetten.

Voor het eerst had haar ziel den drempel overschreden naar het groote
mysterie, dat voor iedere nadenkende vrouw zoowel een heiligdom als
de bron van veel lijden is. Zij leefde haar eigen kleine wereld alleen
met haar kind.

Als zij in 't donker zat en haar voorhoofd tegen het hout van
het venster drukte, dan dacht zij kindergedachten en droomde zij
kinderdroomen--weeke, kleine gedachtetjes, bijna zonder vorm,
vluchtige, korte droomen, die op wonderlijke wijze haar ziel
vereenigden met de ziel van het wezentje, dat het licht nog niet
aanschouwd had.

Zij had een gevoel, alsof zij plotseling oneindig rijk geworden was,
doch tegelijkertijd voelde zij een steeds aangroeiende behoefte, om
dien rijkdom met iemand te deelen. Peter Dam zou haar voor altijd voor
zich gewonnen hebben, indien hij haar gedurende dien tijd slechts het
tiende gedeelte van de sympathie gegeven had, waar haar natuur behoefte
aan had. Nu sprak zij nooit met hem over haar innigste gewaarwordingen,
zij verborg ze, integendeel, zooveel mogelijk. Slechts als zij wist,
dat zij geheel alleen in huis was, zeker dat noch hij noch de meid
haar hooren kon, zong zij met halve stem--altijd weer opnieuw--doch
steeds heel zacht, alsof zij bang was iemand wakker te maken, het
kleine, bekende wiegeliedje:


            "Thou art my first born, whose sweet smile
            brings joy unto my loving heart,
            The dearest treasure God can send;
            my purest gem, dear child, thou art!
            Sleep, oh Sleep! Sleep, oh Sleep!"


Den vreeselijken angst, die haar soms bekruipen kon, verborg zij
dapper.--Peter Dam ging dien tijd meer dan ooit op in zijn theaterwerk
en was slechts weinig thuis. Een zekeren avond viel het hem echter
toch op, hoe bleek en lijdend zij er uitzag.

"Scheelt er iets aan, lieve?" zeide hij met iets van de oude
teederheid. Toen slingerde zij plotseling de armen om zijn hals en gaf,
zonder weerstand, haar gepijnigde ziel lucht. "O, ik ben zoo bang, zoo
vreeselijk bang," zeide zij. "Nacht en dag word ik er door vervolgd!"

Een koud gevoel van onbehagen voer hem door de leden. "Ben je bang,
dat je dood zult gaan?" fluisterde hij. Een hoonende glimlach gleed
over haar lippen, terwijl zij antwoordde: "Ik niet, maar het kind! Ik
geloof, dat ik heelemaal niet mag durven hopen, dat het levend ter
wereld zal komen!"

"De duivel hale 't kind als jijzelf er maar door komt!" zeide
hij--hij wilde op dat oogenblik volstrekt niet iets ruws zeggen,
hij voelde alleen maar, dat hij op de een of andere manier troosten
moest en maakte gebruik van wat er in zijn natuur het dichtst bij
de hand lag. "Weet je," zeide hij, terwijl hij zichzelf hoe langer
hoe meer opwond, "hoe meer ik er aan denk, des te minder vind ik,
dat een kind hier in huis passen zou. Ik verzeker je--dat ik het
volstrekt niet mis."

Zij keek hem met een paar wonderlijk glasachtige oogen aan en zeide
niets anders dan: "Maar ik dan!" Hij zag de diepe teleurstelling niet,
die er in die woorden verborgen lag, hij begreep niet hoezeer die het
gevoel van leegte in haar huwelijk openbaarden. "Kom, daar geraak je
wel over heen," zeide hij op zijn gewone, lichtvaardige manier. "Als
alles voorbij is, ga je een beetje op reis, en als je thuis komt, is
alles weer vergeten." En bemoedigend streelde hij haar koude handen,
die samengeknepen in haar schoot lagen, met een voldaan gevoel,
dat hij zijn zaakjes ditmaal goed verricht had. "Daarenboven heb je
mij toch"--voegde hij er bij en wachtte een oogenblik op antwoord;
doch toen dit uitbleef, stond hij op, kuste haar vluchtig en zeide:
"Ik ga van avond met één van mijn vrienden een beetje uit. Dat vindt
je wel goed?"

"Zeker, ga jij maar," zeide zij onverschillig, zonder op te zien.

Zij had plotseling een gevoel, alsof 't een wildvreemde man was, die
daar bij haar in de kamer stond. Hij knikte en vertrok. Hij dacht er
geen oogenblik aan, toen hij met een sigaar in zijn mond de drukst
bezochte straten doorslenterde, dat hij dien avond een mijlenlangen
afstand tusschen hen had gelegd. Zachtjes liep hij vóór zich uit
te fluiten. "Het is een verduiveld vervelende toestand waarin zij
is," zeide hij in zich zelf. "En dan daarbij nog zoo afschuwelijk
onesthetisch."

Hij drentelde een café in, en daar vond hij het kleine actricetje
van het theater. Zij schoof haar stoel dadelijk naar den zijnen toe
en zij brachten een geanimeerd avondje samen door.

Thuis zat Kaja onbeweeglijk op dezelfde plaats. Zij wist niet, wanneer
hij heengegaan was, of hoe lang zij reeds zoo gezeten had--zij wist
slechts dat hij haar in haar beste en diepste gevoelens gekwetst
had. Een vrouw wordt nu eenmaal nooit dieper gekrenkt dan in haar
gevoel van moeder. Dat is niet alleen haar duizend-ringig pantser,
maar ook haar duizenden malen te kwetsen Achilleshiel. Laat het ter
wereld brengen van een nieuw menschenkind voor een ieder nog zoo
alledaagsch en gewoon zijn--voor de vrouw, die het aangaat, is het
ieder maal een even groot wonder en ieder maal zal zij tenminste van
den man een weinig medegevoel eischen.

Gebrek aan medegevoel, juist dan, is al dikwijls de klip geweest,
waarop het geluk van menig huwelijk strandde.

Kaja voelde dien avond, toen zij alleen in de koude kamer zat, waar
het vuur langzamerhand was uitgestorven, dat er iets in haar was, dat
schipbreuk had geleden--en zij wist ook, dat, of het kind zou leven
of sterven, de man die het diepste met haar niet had kunnen deelen,
haar voor altijd vreemd zou blijven.

O, gelukkig zij, die een moeder hebben om mee te praten!" liet zij
zich plotseling ontsnappen en barstte toen in tranen uit.

Zij was slechts negen jaar oud, toen haar moeder naar Oringe gebracht
werd, en zij had niet veel begrepen van het lijden, dat er aan vooraf
was gegaan. Zij herinnerde zich alleen maar, dat haar moeder zwak
was en meest te bed lag, en dat zij als heel klein kind graag in de
ziekenkamer aan het bed van haar moeder zat, en het heerlijk vond de
zachte hand van de zieke door haar haar te voelen gaan.

Nog zag zij de kamer zoo duidelijk vóór zich--het bed waarin haar
moeder lag met een bleek aangezicht en diepe, onrustige, donkere
oogen--het zonnelicht, dat langzaam door de neergelaten jaloezieën
naar binnen gleed--en de drukkende stilte; zelfs de schaduwen schenen
in de hoeken ingeslapen te zijn.

Later was zij bang voor haar moeder geworden, omdat zij haar eens
dicht bij zich had geroepen en haar toen zóó onstuimig tegen zich
aangedrukt had, dat de ziekenverpleegster haar van haar moeder had los
moeten rukken. Sinds dat oogenblik ging zij altijd met haar stoeltje
een eind verder van het bed af zitten.

Toen haar moeder weggebracht zou worden, was oom Frans haar voor
een wandeling komen halen--hij wilde haar een treurige herinnering
besparen--maar zij had toch door het raam iets van haar moeders
gezicht gezien, toen zij het rijtuig instapte, en zij kon den angst,
dien zij toen in die oogen gelezen had, nooit vergeten. Daarna had
zij altijd slechts met een gevoel van afschuw aan haar kunnen denken,
doch nu herinnerde zij zich slechts de zachte hand, die haar haar
gestreeld had, en een hevig verlangen welde in haar op, om haar armen
om den hals van de zieke te slaan en haar liefdenaampjes in het oor
te fluisteren en te zien in hoeverre het tot haar doordrong. Haar
samenzijn met haar eigen kind gaf de niet tot haar recht gekomen
liefde voor haar moeder nieuwe kracht en nieuw voedsel.

Den volgenden morgen stond zij vroeg op. Zij wilde met den
ochtend-sneltrein naar Vordingborg. Met een klein reistaschje in
de hand liep zij haastig de straten door; uit angst van te laat
te komen holde zij op het laatst bijna. Op korten afstand van het
station ontmoette zij oom Frans, die van zijn morgenwandeling in het
park terugkeerde.

Zij had hem sinds lang niet gezien. Hij kwam slechts zelden bij hen
nu. Ieder maal, dat hij haar gezien had, had hij zulk een harden
strijd te strijden, dat hij de noodzakelijkheid er van inzag, om zich
op een afstand te houden. Daarbij waande hij haar nu gelukkig. Zij
verborg altijd haar ontstemdheid als hij kwam, en als hij er was,
spreidde zijn tegenwoordigheid zulk een glans over den dag, dat het
haar gemakkelijk viel zoowel hem als zichzelf een rad voor oogen te
draaien. Doch heden moest hij wel de pijnlijke uitdrukking van haar
gelaat zien, en hij hield haar oogenblikkelijk staande.

"Waar ga je naar toe?" vroeg hij zonder inleiding.

"Naar Oringe," zeide zij ademloos. "Houd me niet op, het is hoog tijd."

Doch hij ging haar vlak in den weg staan.

"Naar Oringe?" herhaalde hij. "Dat kan je niet meenen."

"Zeker meen ik het," zeide zij ongeduldig en wilde hem op zijde duwen.

Doch toen greep hij met beide handen haar polsen vast en zeide:
"Waar denk je aan? Je zoudt je kind immers voor altijd ongelukkig
kunnen maken!"

Zij antwoordde niet, doch zij voelde het bloed naar haar wangen
vloeien en plotseling lachte zij kort en bitter.

Het geheele geval kwam haar zoo tragi-komisch voor. Nacht en dag was
zij bezorgd voor het kind dat komen zou, en nu zou zij het plotseling
blootstellen aan de vreeselijkste aller ziekten! Oom Frans moest het
zijn, die haar tot rede bracht en haar leerde, welke haar plichten
waren tegenover haar eigen kind--! Hij zou het zijn, die het voor
haar redde----!

Volgens zijn oude, intieme manier had hij zijn arm in den haren
gestoken, en zij ging, met hetzelfde gevoel van veiligheid dat zij als
kind had, zonder tegenwerping met hem mee. Hij keerde met haar naar
het park terug, en dicht bij den ingang gingen zij op een bank zitten.

"Is 't nu beter?" zeide hij--en aan den toon van zijn stem voelde zij,
hoe lief hij haar had.

En meer was er niet noodig, om haar in een hevig snikken te doen
losbarsten. Zij had hem te lang gemist.

Verschrikt sprong oom Frans op en zeide troostend: "Mijn lieve,
zoete Kaja! Mijn eigen, lieve Kaja!"

Hij kon 't bijna niet meer uithouden, die tranen zoo zonder ophouden
door haar vingers te zien neervallen en één oogenblik kwam de gedachte
in hem op: zij is toch niet gelukkig, doch hij schoof die weer van
zich af en weet de schuld aan haar toestand.

"Mijn eigen, lieve kleine, waar wou je met je moeder over praten?"

Zij lichtte even haar hoofd op, doch liet het dadelijk weer zinken.

"Ik.... Och, ik wou alleen maar met haar over het kind praten. Ik
wou haar zeggen, dat ik zoo bang ben, dat het sterven zal--en dat ik
't niet meer uithouden kan, dien angst alleen te moeten dragen!"

Oogenblikkelijk begreep hij haar, doch hij vroeg naar niets. Hij ging
slechts zachtjes door met haar te troosten.

"Zoo'n angst is heel gewoon," zeide hij, "daar moet je je niet om
bekommeren. Je zult een flinken, gezonden jongen krijgen, dat zal je
zien, en een wonder van schoonheid zal hij ook zijn!"

"Denkt u?"

Zij keek op en lachte door haar tranen heen.

"Ja, voor mij zal hij dat zeker zijn," ging hij door, "en ik zal hem
op alle mogelijke manieren verwennen."

Zij stonden op en liepen samen langzaam het park door.

De Aprilzon viel verwarmend neer over de groene hellingen en de dichte
heesters, waarvan de laatste blaadjes onder een pasgevallen regenbui
juist uitgekomen waren.

Hij zag met genoegen, hoe haar wangen weer kleur en haar oogen
weer glans kregen. Het was of zij vrijer ademde en zich opgelucht
voelde. Maar toen werd zij plotseling weer ernstig en zeide:

"Oom Frans, ik zou willen, dat ik uw hart had."

"Waarom?"

"Ten eerste, omdat het zoo warm en zoo groot is, en ten tweede
omdat.... omdat het zoo spoedig kan ophouden te kloppen."

Hij wierp haar een haastigen, vragenden blik toe, dien zij met
een weemoedig glimlachje beantwoordde. Dit was voor het eerst, dat
zij toonde, hoe wanhopend zij wezen kon. Een oogenblik liepen zij
zwijgend naast elkander door. Zij zag aan de heftige wijze, waarop
hij zijn stok vasthield en af en toe er hard mee op de steenen sloeg,
dat hij met zichzelf streed, doch langzamerhand werd de uitdrukking
van zijn gezicht kalmer en zag zij weer den vasten trek om den mond,
dien zij zoo goed kende.

"Waar dacht u aan?" zeide zij, toen zij hem haar hand tot afscheid
toestak.

"Ik dacht aan een gezegde van Browning, dat je misschien wel kent:

    "If happiness comes, life will be sweet, if it does not
    come, life will be bitter--bitter--and not sweet--but yet to
    be born."

Zij keek hem recht in de oogen.

"But yet to be born," hernam zij toen mechanisch, terwijl zij langzaam
met het hoofd knikte.... "yet to be born...."












                                    "Zijn heele leven streed hij
                                    om het roode goud alleen,
                                    steeds heeft hem 't geluk bedrogen,
                                    dat bedriegen kan als geen."


Half Mei vertrok Kaja naar buiten. Peter Dam kon niet vóór het einde
van Juni komen, doch hij vond, dat zij behoefte had aan buitenlucht en
drong er op aan, dat zij zoo gauw mogelijk met de meid vertrok. Hij kon
gedurende dien tijd uitstekend "en garçon" leven. Zijn zelfopoffering
deed haar aan, en niet dan na veel tegenstreven, gaf zij toe en begon
te pakken.

Zij zou zeker minder moeilijkheden gemaakt hebben, indien zij gehoord
had, hoe Peter Dam zong en floot, den dag dat zij vertrokken was. Hij
was precies een schooljongen, die vacantie had gekregen.

"Ben je weduwnaar?" zeide het kleine actricetje en zette groote
oogen op. "Hoe heerlijk! Dan zullen we 't eerst echt gezellig hebben,
hè?" En ondertusschen keek zij hem met een paar betooverende oogen aan.

Als antwoord gaf hij haar een kus op den mond en verklaarde, dat
hij even veel lust had om zich te amuseeren als zij. Aldus was de
vriendschapsbond gesloten en nam het vroolijk leventje een aanvang.

Ondertusschen zat Kaja buiten in de kleine boerenwoning, waar zij
dezelfde kamers gehuurd had van het vorige jaar. Vóór had zij het
uitzicht op een groot, vruchtbaar klaverveld en achter lag het bosch,
dat aan één kant op een groote weide uitliep, waar vroolijke kleine
beekjes kabbelden tusschen glibberige steenen.

Als zij 's morgens wakker lag, luisterde zij naar het zacht kirren van
de woudduiven, en overdag zat zij in het klaverveld naar het gezang
van een leeuwerik te hooren, terwijl zij om het hardst arbeidde met de
zwaluw, die dons voor haar nestje bijéén verzamelde. Haar gemoed was in
dien tijd week en bizonder vatbaar voor indrukken; het was alsof zij
alles om zich heen in zich op wilde nemen, van de vrouw aan de bron
bij het boschhek af, tot de sprinkhanen die op haar rok sprongen, toe.

"Die Mevrouw heeft toch een prachtig gezicht!" zeide de vrouw aan de
bron, als Kaja glimlachend en groetend voorbij kwam met haar hoed aan
den arm schommelend, terwijl haar roodgulden haar in de zon schitterde.

Er lag zulk een stralende hoop over haar fijne gestalte, haar zachte
bewegingen en haar wiegelenden gang, dat het was, alsof een weerschijn
ervan zich over haar geheele omgeving verspreidde.

's Avonds zat zij òf vóór het huisje te lezen, òf op een houten
bankje bij het wiegje, dat zij zelf met lichtblauwe stof en breede,
witte kanten in orde had gemaakt. Urenlang kon zij er naar zitten
staren en zich verbeelden, dat zij een klein, zacht kinderwangetje
op het kussentje zag rusten. Doch, dan werd zij plotseling onrustig
en angstig, omdat zij zoo alleen was en verlangde zij naar gezelschap.

Op een zekeren dag schreef zij haar vader, dat zij hem gaarne
wilde zien. En hij kwam dan ook dadelijk--maar zóó armzalig was hun
samenleven geweest en zóó weinig gemeenschap hadden zij, dat zij
weldra zwijgend tegenover elkaar zaten en niet wisten, waar ze over
spreken zouden. Haar vader was koopman en een zeer gesloten, vrijwel
in weinig belangstellend mensch. Hij ging geheel in zijn zaken op,
die hij met het grootste verstand leidde. Daardoor had Mijnheer
Halling zijn vrouw veronachtzaamd. Als hij aan zijn vrouw dacht,
deed hij dat altijd met de rustige overtuiging, dat zij het 't best
had, waar zij nu was--zonder eenigen bepaalden wensch om verandering
in den tegenwoordigen toestand te zien--en als hij aan Kaja dacht,
was het met dezelfde kalme overtuiging, dat hij gedaan had, wat hij
kon, door haar een goeden bruidschat mede te geven, en dat hij nu de
verantwoording rustig aan een ander kon overlaten.

Zij zaten samen te eten aan een klein tafeltje, dat Kaja naar den
tuin onder den ouden kastanjeboom gebracht had.

Langen tijd hadden zij gezwegen, tot Kaja plotseling de stilte verbrak
en zeide: "Is het niet wonderlijk, dat wij samen geen conversatie
hebben? Is het toch eigenlijk niet opvallend, hoe vreemd we elkaar
zijn?"

"Vreemd?" herhaalde hij met onzekeren blik. "Ik heb ook nooit veel
tijd over gehad."

Zij lachte flauwtjes.

Toen zeide zij bitter: "Ik heb geen moeder gehad en tot zekere hoogte
ook geen vader."

"Je hebt misschien wel gelijk," antwoordde hij ontwijkend----"Maar je
hadt in ieder geval oom Frans," voegde hij er toen verontschuldigend
bij.

Zij keek hem vlak in het gezicht, op een manier, die hem 't bloed
naar de kaken riep.

"Dat is heel waar," zeide zij, "op oom Frans kan men vertrouwen. Mijn
vriend zou hij hebben moeten zijn en alleen mijn vriend--in plaats
daarvan werd hij zoowel mijn vader als mijn moeder, mijn vriend en
mijn broer! Hij schuift de verantwoording niet van zich af.--Maar
het was jammer voor hem," voegde zij er droevig bij, "jammer voor
ons beiden. Wat is er intusschen van zijn jeugd geworden?"

Verlegen keek haar vader opzij.

"Ik begrijp niet, waarom je daar nu over praat," zeide hij toen,
"vroeger heb je er blijkbaar nooit over gedacht."

Toen boog zij zich zóó ver voorover, dat haar aangezicht het zijne
aanraakte en zeide:

"Neen, maar nu dat ik een wezen in mij omdraag, waarvoor ik
verantwoordelijk wezen zal, nu begin ik te begrijpen, wat u mij te
kort hebt gedaan. Over moeder spreek ik niet, die ziel was ziek,
maar over u wel--want u was toch mijn vader!"

Onrustig stond hij op.

"Ik geloof niet, dat het goed voor je is, nu over zulke dingen te
spreken," zeide hij. Doch zij hoorde hem niet.

Toen zeide zij, met een stem, waarin zoo'n ernstige aanklacht lag, dat
hij die wel voelen moest: "Als u mij niet in die verhouding tegenover
oom Frans geplaatst had, zou alles nu geheel anders wezen. En,"--voegde
zij er na een oogenblik bij--"ik heb er dikwijls over gedacht, of u
au fond niet de oorzaak van moeder's ziekte was."

"Maar Kaja!"

Hij was doodsbleek geworden en veegde het zweet van zijn voorhoofd.

"Ja," zeide zij, "ik heb er over nagedacht en vind, dat, als een man
trouwt met zijn zaak in plaats van met zijn vrouw, het dan niet te
verwonderen is, dat zijn vrouw gek wordt."

Hij kromp inéén onder haar vorschenden blik, die hem geen oogenblik
ontweek.

"Je weet bepaald niet, wat je zegt," beproefde hij aarzelend in
't midden te brengen.

"Ja, ik weet heel goed wat ik zeg," zeide zij, "zoodra ik weer gewoon
ben, ga ik naar moeder, om eens met haar te praten--lang met haar te
praten--dan zal ik zien of ik onrechtvaardig veroordeeld heb. Weet u,
dat ik al onderweg geweest ben?"

"Waarachtig?" riep hij verschrikt uit.

"Ja, verbaast u dat zoo erg? Het zou u eerder moeten verbazen, dat
ik sinds mijn negende jaar nooit permissie gevraagd heb om haar te
bezoeken--en dat u er mij nooit toe aangemoedigd heeft."

Hij schudde zijn hoofd en zeide: "Zij is ongeneeslijk."

"Ik ga er toch naar toe," antwoordde zij; "zoodra ik kan, ga ik
er naar toe. Tot nu toe heb ik niet begrepen, dat ik haar iets
verschuldigd ben, maar deze maanden hebben 't mij geleerd en ik zal
't nooit meer vergeten!"

Hij wilde iets zeggen, doch bedacht zich. In plaats daarvan stak hij
een sigaar aan en sneed haar, door zijn hardnekkig zwijgen, iedere
mogelijkheid tot gedachtenwisseling af.

's Avonds bracht zij hem naar het station en als twee vreemden
spraken zij over de onverschilligste zaken. Toen de trein weg was
en zij alleen naar huis terugkeerde, had zij een grooter gevoel van
leegte dan ooit te voren.

Hoewel 't seizoen reeds lang ten einde en Sint Jan ook reeds voorbij
was, had Peter Dam niet meer dan een paar nietszeggende briefjes
geschreven en haar zelfs nog geen enkele maal bezocht.

Toen overviel haar plotseling een hevig verlangen naar oom Frans,
en wel met zulk een intense kracht, dat zij zich geen oogenblik
bedacht, doch dadelijk naar het postkantoor ging en er het volgende
briefje schreef:

"Kunt u uw vacantie van 't jaar niet hier doorbrengen?

Ik heb zoo'n vreeselijke behoefte om met iemand te kunnen spreken. In
het huis naast het mijne is een kamer open. Er groeien rozen tegen den
muur en het ziet uit op een groot klaverveld--zoo hoog opgeschoten,
dat men er tot de knieën in verdwijnt--en u houdt immers zooveel
van klaver?

Kom dus maar, als u kunt!

                                                        Kaja."

Zij begreep zelf niet, wat een votum van vertrouwen zij hem gaf,
toen zij dien brief verzond--doch hij begreep het en stelde haar
vertrouwen niet teleur.



Zoodra de scholen sloten, kwam oom Frans. Heel stil alsof het de
natuurlijkste zaak ter wereld was, gleed hij weer haar leven in. Hij
pakte zijn koffers uit, sloeg zijn boekenplank op en versierde het
kamertje, dat hij gehuurd had, met oude portretten van Kaja. Als zij
in zijn kamer zat, kreeg zij een gevoel, alsof zij weer kind geworden
was en alsof het gelukkige, kinderlijke gevoel van veiligheid weer
over haar gekomen was.

"Maar waar is het gedenkboek?" zeide zij op zekeren dag, toen zij de
boeken op zijn schrijftafel doorbladerde.

"Dat heb ik verbrand," klonk het korte antwoord.

"Verbrand!" riep zij uit. "Hoe zonde! Hoe kon u dat doen?" Bijna
instinctmatig voelde zij, dat hij dat gedaan had om een zeker klein
versje, dat zoo zeker over haar lot beslist had, en toch herhaalde
zij mechanisch: "Hoe kon u dat doen?"

Zij wachtte een oogenblik op antwoord, doch hij bleef zwijgen. En daar
zij gewoon waren elkaars zwijgen te eerbiedigen, doelde zij nooit
in het vervolg meer op het gedenkboek. Slechts eenige dagen later,
toen hij haar een paar van Shelley's gedichten had voorgelezen,
vroeg zij hem: "Zeg me eens eerlijk, oom Frans, heeft u werkelijk
nooit zelf verzen gemaakt?"

"Waarom?"

"Omdat u zoo mooi verzen voorleest."

"Dat is heel iets anders dan er te maken. Ik zou beter op mijn hoofd
kunnen gaan staan dan twee regels poëzie schrijven."

"Dat is toch merkwaardig! Ik dacht dat alle menschen verzen konden
maken--ik meen op enkele oogenblikken van hun leven," voegde zij er
weifelend bij.

"Wel, wel--je praat misschien uit ondervinding?"

"Ja, u hoeft tenminste niet te denken, dat ik soms mijn ziel ook niet
eens in verzen lucht geef!" zeide zij, met een guitig glimlachje.

"Jij?--Wanneer komen ze uit?"

"Ach, u weet heel goed, dat ik 't zoo niet meen. In mijn heele leven
zou ik nog geen honderd bladzijden kunnen vullen--maar dan zijn ze ook
te goed om gedrukt te worden. Begrijp mij wel, niet voor anderen, maar
voor mij zelf. Ik schrijf nooit iets, dat ik niet eerst gezongen heb,
zoodat er dan ook altijd een beetje van mijn hartebloed aan kleeft--en
ik houd er niet van, dat vreemde handen mijn hart beroeren...."

Hij lachte om de grappige manier, waarop zij zich uitdrukte, doch
tegelijkertijd boog hij zich naar haar toe en zeide:

"Maar mijn hand is toch geen vreemde hand."

Zij begreep hem dadelijk.

"U kunt ze toch niet lezen," zeide zij, "want de meeste zijn in
't geheel niet opgeschreven--maar 's avonds zal ik ze voor u zingen."

En zoo gebeurde het. Iederen morgen zaten zij samen onder den ouden
kastanjeboom--zij naaide en hij las haar voor--en iederen avond
zong zij op oude, bekende zangmuziek haar eigen, trillende woorden,
terwijl hij, met zijn zachten, breedgeranden hoed diep over zijn
voorhoofd, zat toe te luisteren. En als de zon aan 't ondergaan
was, liepen zij samen het klaverland door, tusschen glinsterende,
roode papavers en gele paardebloemen, en dan was zij het meestal die
sprak. Dan sprak zij over het kind--haar geheele ziel was één lofzang
voor het kind. Zij wachtte er niet op moeder te zullen worden, zij
was het reeds. Zij leefde en ademde met het kleine hartje, dat zij
onder het hare kloppen voelde, en dat gevoel was haar heilig. En zij
vertelde vol glorie, hoe het kind haar zijn eerste glimlachje geven
en hoe het zijn eerste wankelende schreden wagen zou.

Zij verzekerde oom Frans, dat zij streng in haar eischen wezen zou,
omdat zij zich sterk in haar liefde voelde. Haar kind zou een wonder
van gehoorzaamheid zijn!

En alles nam hij ernstig op, oom Frans, en zij behoefde nooit bang te
wezen verkeerd begrepen te worden. Hij gaf nauwkeurig acht op al haar
afwisselende gemoedsstemmingen--hij verplaatste zich in de fijnste
aandoeningen harer ziel--hij werd het nooit moede. Af en toe kreeg
zij een gevoel, alsof hij haar hart in zijn handen ronddroeg en tot de
geringste trilling er van gewaar werd. En dan dacht zij aan het versje:


            "Zijn heele leven streed hij
            om het roode goud alleen,
            steeds heeft hem 't geluk bedrogen,
            dat bedriegen kan als geen.

            Eén harte sloeg hem tegen
            gestaag in vreugd' en in rouw....
            De jaren kwamen en gingen--
            onwrikbaar bleef het getrouw.

            Toen lei hij zijn hand op dat harte,
            --het was hem zoo droef en benauwd--
            Daar glimlachte 't vóór zijn oogen
            van louter rood-warm goud!"


Op een zekeren dag tegen het einde van de maand kwam Peter Dam. Hij
was in een uitstekend humeur en sprak luid.

Hij kwam 's morgens en vertrok 's avonds weer.

"Je hebt er zeker niets tegen," zeide hij, "dat ik met één van mijn
vrienden eens een tochtje naar Bornholm maak? Jij hebt toch oom Frans."

"Ja," zeide zij, terwijl zij op haar eigenaardig-stille, gelukkige
manier glimlachte, "ik heb oom Frans toch."

En hij werd zóó dankbaar door haar meegaandheid, dat hij voor 't
eerst over 't kind begon te praten. Doch toen zweeg zij plotseling.

En in het beste humeur reisde hij nog denzelfden avond weg.

Toen hij vertrokken was, herademde oom Frans, doch Kaja bleef nog
lang gedrukt en zwijgend. Hoewel zij hem geen oogenblik miste, zag zij
hem toch met een gevoel van bitterheid heengaan;--het was haar, alsof
hij door zijn vertrek iemand onrecht aandeed, niet haarzelf--maar het
kind. Het was toch even goed het zijne. En dat hij er zóó onverschillig
onder bleef, bracht haar geheele gemoed in opstand.

Ondertusschen bleef Peter Dam de geheele vacantie op Bornholm en zoo
gebeurde het, dat oom Frans, geestelijk gesproken, de vader van het
kind werd. Hem sprak zij er over op de warme, stille wijze, die haar
eigen was, met haar stem die zoo geheimzinnig klinken kon en haar
oogen, die zoo wonderlijk nadenkend en bezield konden wezen.

Hem toonde zij het wiegje met de fijne, lichtblauwe, zijden
gordijntjes, die zij met zooveel zwijgenden eerbied opzij wist te
schuiven. Nooit zou zij het aan iemand anders dan aan oom Frans hebben
kunnen toonen.

En hij zou nooit vergeten, hoe zij hem toegefluisterd had: "Kom eens
kijken!" en op haar teenen, hem vóór, de trap was opgegaan.--Hij
merkte, dat hij onwillekeurig hetzelfde deed.

Bij de deur van een klein zolderkamertje bleef zij staan, en deed
die toen heel voorzichtig, o, zoo voorzichtig! open. Toen duwde zij
hem zachtjes vóór haar de kamer in en sloot de deur weer achter zich.

Midden in de kamer stond het wiegje--zacht en lief, fijn en blauw--een
klein koninkrijk, dat op zijn heerscher wachtte! En er naast stond zij
zelf met gevouwen handen en haar hoofdje wat ter zijde, terwijl een
uitdrukking van heilige aandacht over haar gelaat verspreid lag. Het
rood-gouden haar kroesde over haar slapen en het bloed zag men gaan
onder haar doorschijnende, fijne wangen.

Hij had haar nooit meer liefgehad dan op dat oogenblik, toen het
diepste en vrouwelijkste van haar natuur zoo zeer op den voorgrond
trad. Toen voelde hij weer dezelfde wonderlijke gevoelens in zich
opkomen, die hij ook eenige weken vóór het huwelijk gehad had. Zooals
hij zich toen verbeeldde, dat het de woning was van haar en van
hem, die zij samen in gereedheid brachten, zoo verbeeldde hij zich
nu één oogenblik, dat 't haar en zijn kind was, waarop zij samen
wachtten. Zonder dat hij 't zelf wist, streek hij met zijn hand over
het wiegje, en er sprak zooveel teederheid uit deze enkele beweging,
dat zij geheel onwillekeurig zijn hand greep en die kuste.

Toen deed zij zachtjes de deur weer open en ging op haar teenen
naar beneden.










                    "Zoo lieflijk lonkte al 't weigebloemt ons tegen,
                    als hadden gras en kruiden duizend oogen.
                    Als had elk groenend blaadje een stem gekregen,
                    zoo veêlde en kweelde 't in de looverbogen."


Zij liepen samen door het klaverveld--weelderige, dichte klaver,
hoogopgeschoten, welriekende klaver, die de lucht om hen heen met
een stroom van wellust vervulde.

"Wat verderop was het gras gemaaid en noodigden groote hooihoopen
tot rusten uit. Zij gingen het boschhek door naar de weide.

De oude vrouw bij de bron knikte hen toe en zeide:

"Nu is Mevrouw zeker wel blij dat Mijnheer gekomen is?" terwijl zij
oom Frans met haar gulsten glimlach aanzag. Kaja knikte slechts en
liep door, terwijl het bloed haar naar de wangen steeg. Voor het
eerst voelde zij zich achteruit gezet door het bewustzijn, dat haar
man haar veronachtzaamde.

Zou het Peter Dam niet hebben moeten zijn, die zich gedurende dezen
tijd voor haar opofferde? Was het niet beneden alle kritiek, dat het
oom Frans wezen moest, die deze dagen en weken van verwachting met haar
deelde? Zij zuchtte zoo diep en bitter, dat hij staan bleef en haar
arm door den zijnen haalde. Zooals altijd trok hij de pijnveroorzakende
naald uit de wonde.

"Het was heel lief van je, me hier te willen hebben," zeide hij. "Van
je geboorte af heb ik al zooveel met je gedeeld, dat ik mij niet zou
kunnen voorstellen ook dit niet met je te deelen. En je weet ook heel
goed, dat ik 't liefst mijn vacantie ergens buiten rustig doorbreng,
terwijl je man daarentegen behoefte heeft aan een opfrisschend toertje
met goede vrienden."

Zij was hem dankbaar voor die tactvolle woorden en zeide:

"Ja, de menschen zijn zoo verschillend."

Zij had geen lust, hem te vertellen, dat het dien dag juist drie
weken geleden was, sinds zij bericht van Peter Dam gehad had, en
dat het toen slechts een paar regels op een open briefkaart geweest
waren. Zij miste zijn brieven niet, en toch voelde zij zich door zijn
stilzwijgen gekrenkt.

Zij zelf had drie brieven geschreven, die ieder maal korter en kouder
geweest waren,

"Zullen we hier niet eens wat gaan zitten?" zeide hij, terwijl hij
haar voerde naar een ouden boomstronk, die wonderlijk verlaten aan
den oever van een beekje stond, dat midden door het hooge veldgras
liep. Het beekje stroomde en murmelde tusschen de met mos bedekte
steenen, terwijl de veldbloemen aan den oever stonden toe te luisteren.

De witte boksbaard knikte de gele dotterbloem vriendelijk toe. De
ronde ranonkel kuste den ooievaarsbek. De wilde wikke babbelde met
de witte sterrebloem en de winde kroop van den ouden boomstronk af
en omhelsde het sappige standelkruid, alsof het de natuurlijkste
zaak ter wereld was. De blauwe eerenprijs fluisterde met het bruine
nagelkruid en de groene waterkers waagde een mislukte poging, om
de slanke morgenster te bereiken. Doch boven alles verhief zich het
waterlisch met zijn fijne stengels en sierlijke vormen. Die durfde
niemand kussen of toefluisteren!

Het minste windje blies een bloempje om en wierp het in de beek,
waar het in het zilver-klare water als een roode vlinder schitterde,
en het was alsof er gezang weerklonk uit de lucht, die met het
bloempje henenvlood.

Kaja en oom Frans zaten aan den oever toe te luisteren. Zij dachten
hetzelfde en voelden hetzelfde. De liefde bond hun zielen samen. Het
gezang van de babbelende beek aan hun voeten was hun de schoonste
muziek, die hun innigste gevoelens scheen uit te drukken en waar
zij een weerklank van hun geheelen levensloop in meenden terug te
vinden. En toen dachten zij beiden, hoe het leven hun droomkasteelen
omver had geworpen, als kaartenhuizen omgeblazen, en hoe zij hier als
twee gelukkige menschen bij elkaar hadden kunnen zitten, als één van
hen niet tegen beter weten in gehandeld had...

Doch daarover spraken zij niet--instinctmatig vermeden zij, wat tot
een verklaring had kunnen leiden.

"Oom Frans," zeide zij slechts, "wat zal 't eenzaam zijn, als u
weg is."

Hij antwoordde niet dadelijk. Hij dacht er aan, hoe hij nog slechts
twee dagen bij haar wezen zou, en bij die gedachte kromp zijn hart
inéén. Hij wist niet, hoe hij haar of zichzelf zou kunnen troosten.

"Ik zal Zondags overkomen," zeide hij toen--"als ik mag."

Zij stak hem beide handen toe en antwoordde:

"Dan zal ik iederen dag verlangen, dat het maar Zondag was!"

Hij voelde, dat hij haar niet aan durfde zien, terwijl zij dat zeide,
en boog zich neer, om een kevertje, dat in een spinneweb geraakt was,
te bevrijden.

"Ja," zeide hij toen bij wijze van afleiding, "je hebt behoefte om
eens met iemand te praten--en je weet, dat je oude oom Frans je trouw
is--op hem kan je altijd rekenen."

Zij begreep dadelijk, waarom hij "oude" oom Frans zeide. Vóór alles
wilde hij den voet van vertrouwlijkheid bewaren, waarop zij tot nu toe
gestaan hadden--nooit zou hij haar tegemoet willen treden met woorden,
waarnaar zij niet hooren mocht. Hij zou het wel volhouden! Hij hoorde
tot die menschen, die tot zoo iets in staat zijn. En plotseling
begreep zij, dat de liefde van een man zóó sterk kan wezen, dat die
levenslang zijn paden rein houdt.

En terwijl zij met haar wakkere oogen voor zich uit zat te staren, kwam
opeens alles haar zóó warm en stralend voor, dat een groote blijdschap
zich van haar meester maakte en zij zachtjes begon te zingen:


            "Zoo lieflijk lonkte al 't weigebloemt ons tegen,
            als hadden gras en kruiden duizend oogen.
            Als had elk groenend blaadje een stem gekregen,
            zoo veêlde en kweelde 't in de looverbogen."


"Weet u nog wel, oom Frans?"

"Ja, dat heb ik je zelf geleerd, heel lang geleden!" antwoordde hij.

"Heel lang geleden," herhaalde zij.

En aan haar voeten wuifde het schoone waterlisch... De beek kabbelde
en het riet suisde....



De laatste dagen van Augustus ging oom Frans naar de stad terug en
toen bleef Kaja alleen achter.

Zoodra hij weg was, werd zij weer door haar vroegeren angst overvallen,
hoewel nu in anderen vorm. De angst voor het kind ging over in een
angst voor oom Frans. Zij had hetzelfde wanhopende gevoel, dat zij
als kind had, als zij vóór de deur stond te luisteren en niet binnen
durfde gaan, uit vrees hem dood te zullen vinden. En zoodra zij 's
avonds haar oogen sloot, zag zij hem vóór zich, dood, of, liep zij
achter zijn baar.... Zij hoorde de klokken luiden en zij zag zichzelf
langzaam, heel langzaam achter de kist loopen. En zij voelde, hoe
zij door het ontzettend gevoel van verlatenheid, dat haar overviel,
geen voet verzetten kon. Als zij dan ontwaakte, riep zij fluisterend
in het donker uit:

"Arme baby, arme kleine baby, wat moet er van jou worden, als hij
sterft?"

En nu zij hem niet meer dagelijks zag, schreef zij hem. En in haar
brieven sprak zij over het kind, zooals zij er met hem zelf over
gepraat had, en hij antwoordde op dezelfde manier.

Hij vertelde haar, dat hij zich geabonneerd had op de nieuwe uitgave
van de sprookjes van Andersen. Dat zou iets voor het kind zijn.

En zij beschreef hem, hoe zij het kamertje naast de zitkamer thuis
tot kinderkamer zou inrichten, zoodat zij altijd het wiegje zou kunnen
zien. Want niemand anders dan zij zelf zou het kind mogen aanraken. Dag
en nacht zou zij er bij zijn. En hij vroeg schertsend, of hij audiëntie
bij zijn Koninklijke Hoogheid zou moeten vragen, of dat hij gewoon
buiten de deur moest zingen: "O, mijn lieve Augustijn----!"

Als zij zijn handschrift maar zag, was zij reeds gekalmeerd en verliet
de wanhopende angst haar voor een oogenblik.

Zij kreeg een brief van Peter Dam, waarin hij haar vroeg, wanneer zij
thuis dacht te komen. Zijn tijd werd den geheelen dag door repetities
in beslag genomen, schreef hij.

Zij schreef terug, dat zij buiten wilde blijven tot na de geboorte
van het kind en in October terug zou keeren.

Per ommegaande kreeg zij antwoord van hem, dat hij dat een bizonder
verstandig besluit vond, waaraan hij volkomen zijn goedkeuring hechtte.

Tusschen de regels las zij, hoe blij hij was, dat zij weg bleef en
dat deed haar vreeselijk pijn. Eerlijk gezegd had zij in het diepst
van haar ziel wel eens getwijfeld aan zijn trouw, doch zij wilde er
niet aan toegeven, nu vooral niet--haar heele natuur kwam er tegen
in opstand.

Toen las zij op een avond in de courant, dat Peter Dam en de
actrice, Mejuffrouw S...., die de vacantie samen op Bornholm hadden
doorgebracht, nu naar de stad teruggekeerd waren. Toen steeg de
verontwaardiging haar met woeste golven naar het hoofd. Doch het
volgende oogenblik schaamde zij zich over zichzelf; hoe was 't
mogelijk, dat zij, al was 't ook maar gedurende zeer korten tijd
van haar leven, zich zoodanig door de uiterlijke schoonheid van een
man had laten vervoeren, zonder dat zij ooit gevraagd had, wat die
schoone bolster inhield! En hoe had zij zich kunnen verbeelden, dat
zij hem werkelijk liefhad--hoe had zij zich zelf geweld kunnen aandoen,
om hem lief te hebben, hoe had zij haar oogen kunnen sluiten voor het
leege van het samenleven? Tot den dag toe, dat hij haar in haar diepste
gevoelens tegenover het kind kwetste, had zij absoluut willen gelooven,
dat zij hem liefhad. En met pijnlijke klaarheid stond dat oogenblik in
de kerk haar nu voor den geest, toen het haar op eens duidelijk werd,
dat oom Frans iets anders en iets meer voor haar had kunnen worden dan
hij tot nu toe geweest was. Zij boog het hoofd en heete tranen vielen
in haar schoot. Tegenover hem--ja, tegenover hem had zij gezondigd.

De slag, die haar nu trof, was dus niet veel meer dan
rechtvaardig. Langen tijd bleef zij onbeweeglijk zitten met haar
handen vast samengeknepen in haar schoot. En langzaam en vol bitterheid
gingen de volgende regels haar door de ziel:


            En het Leven schreef
            met kleuren, die waren
            als bloed zoo rood!
            Het Leven kwam,
            en al mijn bladen
            scheurde het stuk....











                                    "Zielen zijn er op aarde,
                                    en niemand zal 't ooit veranderen,
                                    wier lot het is, te dienen
                                    te blijven dienen voor anderen."


Een van de laatste dagen van September--toen de leeuweriken zongen
over de geoogste velden en de eerste trekvogels naar het Zuiden
vlogen--toen het bosch geel begon te worden en de meren blauwer, toen
de lucht zoo stil was en de beek zoo zachtjes voortstroomde, dat het
bijna was, alsof zij geheel had opgehouden haar golfjes tusschen het
hooge weidegras voort te stuwen,--kwam haar kleine jongen ter wereld.

Hij had haar bijna het leven gekost. Zij was nog bewusteloos, toen
hij voor 't eerst in zijn badje spartelde en met groote, verbaasde
oogen deze wonderlijke wereld inkeek.

Doch toen men hem uit het water tilde, gaf hij een schreeuw, een
kleinen, doordringenden kinderkreet, die haar ontwaken deed. Zij
draaide het hoofd om en keek naar het kind. Toen gleed er een stralende
glimlach over haar aangezicht--doch al spoedig sloot zij de oogen weer
en kwamen er tranen onder de lange wimpers te voorschijn. Niemand
aan wien zij haar vreugde kon uitjubelen! Niemand, om de blijdschap
met haar te deelen!

De dokter keek haar medelijdend aan en zeide: "Zal ik uw man laten
komen?"

Doch zij schudde beslist het hoofd.

"Mijn man kan onmogelijk komen," zeide zij, "hij moet vanavond
spelen." Zij hoorde zelf, hoe belachelijk het klonk en een lichte
blos gleed over haar gelaat.

"Zijn er geen anderen, die--"

"Neen, dank u, vandaag niet." En vermoeid sloot zij de oogen.

Den volgenden dag had zij koorts.

En een jagende angst voer haar door de leden: "Als ik nu eens stierf,
wat moet er dan van het kind worden?" En zij steunde luid. Toen
antwoordden, bijna mechanisch, haar eigen gedachten: "Dan moet oom
Frans voor hem zorgen."

"Doch eerst moet ik weten, dat hij mij al 't verdriet, dat ik
hem aangedaan heb, vergeeft," ging zij verder met haar gedachten
voort. "Vóórdat ik hiervan zeker ben, kan ik niet sterven. Wis en
zeker niet!" En toen lichtte zij haar brandend hoofd van het kussen
op en verzocht, om oom Frans te telegrafeeren.

Een paar uur later was hij er. Heel zacht trad hij de kamer binnen en
zij zag aan zijn bleeke aangezicht, hoe angstig hij geweest was. Zij
zag het aan zijn arm, die beefde, toen hij een stoel nam en dien dicht
bij het bed zette om er op te gaan zitten. Doch zij had geen vermoeden
hoe sterk de spanning geweest was, vóór hij zijn hoofd naast haar op
het kussen legde en in tranen uitbarstte.

Zij had hem nooit van haar leven zien huilen en zij schrikte er zóó
van, dat zij niet wist wat zij doen zou. Zachtjes sloeg zij haar
arm om zijn hals en fluisterde slechts: "Lieve oom Frans! Lieve,
zoete oom Frans!"

Toen hoorde hij aan haar stem, hoe zwak zij was en op hetzelfde
oogenblik had hij zijn zelfbeheersching teruggekregen. Haastig stond
hij op en bleef met haar hand in de zijne bij het bed staan. Toen
zeide hij verontschuldigend: "Het was uit puur genoegen van je weer
te zien! Goddank, dat je nu buiten gevaar bent!"

Doch zij schudde het hoofd.

"Ik ben niet buiten gevaar," zeide zij, "daarom liet ik om u
telegrafeeren. Ik zou niet kunnen sterven, zonder dat u ieder donker
hoekje van mijn hart kent--u, aan wien ik van kind af al mijn gedachten
toevertrouwde. Ik moet weten, dat u mij vergeven hebt."

"Ik heb niets te vergeven," fluisterde hij met bevende lippen.

Met van koorts glinsterende oogen keek zij hem aan, terwijl zij
doorging: "Ja, dat hebt u wel. Ik heb sterk tegen u gezondigd,
en ook--tegen mijzelf. Herinnert u u nog, dat u tegen mij zeide:
Sus je geweten nooit in slaap, waar het liefde aangaat! En--ik heb
het toch gedaan."

"Ja, maar je wist het zelf niet,"--bracht hij haastig in 't midden.

Doch zij spaarde zichzelf niet.

"Ja, ik wist het wél," zeide zij. "Toen ik met Peter Dam voor het
altaar stond, begreep ik plotseling, dat ik jou lief had. Maar ik
legde de stem in mijn binnenste het zwijgen op en deed al mijn best,
om mijzelf iets anders wijs te maken."

Hij kneep haar hand met zoo'n intense kracht, dat zij het van pijn
had kunnen uitschreeuwen.

"God, waarom deedt je dat?" zeide hij en er klonk zoo'n bitter verdriet
in zijn stem, dat het haar door de ziel sneed.

"Ja, waarom deed ik het?" zeide zij, in zich zelven. "Weet ik 't
eigenlijk zelf wel? Het op de proef gestelde, het oude, het echte,
dat was u, dat was jij--hij was het nieuwe, het teleurstellende. Hij
was de ondervinding," voegde zij er bitter bij. "O, maar daarom mag
je nu niet minder van me houden," klonk het toen smeekend als uit
een diep vertwijfelde ziel.

Oom Frans lachte even en zeide toen, vol zelfvertrouwen:

"Eens heb ik je mijn heele liefde gegeven, en ik neem nooit één van
mijn gaven terug."

Zij was niet bij machte, om te antwoorden. Zij legde zijn hand tegen
haar wangen en liet er als toevallig haar lippen over heen glijden.

"Er komt nog iets," fluisterde zij.

Hij boog zich naar haar toe, om beter te kunnen verstaan, wat zij
zeide.

"Als ik sterf, wil jij dan het kind nemen?"

"Je zult niet sterven."

"Maar als ik nu toch sterf?"

Hij knikte.

"Dan neem ik het kind," zei hij, terwijl hij onwillekeurig naar het
kind zocht. "Kom!" zeide zij, terwijl zij probeerde haar hoofd op te
heffen. "Ik zal je hem laten zien. Ik zelf, hoor--ik zelf!"

Hij schoof het wiegje zoo dicht mogelijk bij het bed, zoodat zij er
met haar armen bij kon. En zacht-eerbiedig, alsof zij iets heiligs
aanraakte, schoof zij de lichtblauwe zijden gordijntjes op zij.

"Zie je, hoe hij op je lijkt?" zeide zij.

Hij bukte en kreeg onwillekeurig een schok. Dat was geen gewone
familiegelijkenis, die hij daar zag--neen, dat kleine gezichtje geleek
op hem tot in de kleinste bizonderheden! Die gespleten kin, die vorm
van oogen, die gebogen neus--alles was een getrouwe kopie van hem zelf!

Nooit had hij een grooter bewijs kunnen vinden voor haar groote liefde
voor hem, dan in hetgeen hij dààr vóór zich zag. En onwillekeurig
ging hij op zijn knieën vóór het wiegje liggen van het kind, dat het
zijne niet was, doch dat toch meer verwant met hem was dan met eenig
ander mensch op aarde--het kind, welks geestelijke physionomie hij met
zulk een kracht had gekneed, dat het zich zelfs lichamelijk daarnaar
gevormd had. Nooit had hij zich meer verwant gevoeld met haar dan op
dat oogenblik.

Een groot gevoel van geluk doorstroomde hem--tevens een gevoel van
verwondering, van hoop en van trots, omdat zij hem liefhad--doch
bijna tegelijkertijd veranderde dat gevoel in bitterheid.

Waarom zou hij altijd oom Frans moeten wezen--het heele leven lang
slechts oom Frans?

Waarom zou hij meer ten offer brengen dan alle anderen, pleegvader
zijn in plaats van vader--vriend in plaats van echtgenoot?

Was er iets, dat den menschen het recht gaf een last dien zij zelf niet
torsen konden, op de schouders van anderen te leggen? Was hij zichzelf
dan niets verschuldigd? Konden alle anderen het offer ontwijken--hij
alleen niet?

Het scheelde niet veel, of hij vergat hoe ziek zij was en hij vroeg
zoowel God als de menschen in heftige woorden om rekenschap, zóó kwam
zijn geheele gemoed in opstand. Nu wilde hij zijn recht hebben, zijn
deel van het geluk! En geheel en al zou hij het hebben--met minder
stelde hij zich niet tevreden!

En een paar regels uit het gedenkboek schoten hem in de gedachte en
brachten hem tot kalmte:


            "Zielen zijn er op aarde,
            en niemand zal 't ooit veranderen,
            wier lot het is te dienen,
            te blijven dienen voor anderen."


Hij glimlachte weemoedig als tegen een oud bekende--en onder dien
glimlach vond oom Frans zichzelf weer terug.

Kalm wendde hij zich naar Kaja, die angstig al zijn bewegingen gevolgd
en met haar vluggen blik al de gedachten in zijn bewegelijke trekken
gelezen had. Doch tegelijkertijd zag hij aan de veranderde uitdrukking
van haar oogen dat zij het bewustzijn verloren had.

"Hij mag niet binnenkomen!" zeide zij, terwijl zij met strakken blik
naar de deur staarde. "Hij mag het kind niet aanraken! Hij zeide zelf,
dat het er niet veel toe deed of het stierf! Dat vergeet ik nooit!"

Met een diepen zucht viel zij op het kussen neer en haar voorhoofd
en handen werden plotseling ijskoud.

Drie dagen en drie nachten woedde de koorts. Drie dagen en drie
nachten zat hij bij haar bed, hield haar brandende handen in de zijne
en verfrischte de ijscompressen op haar voorhoofd.

Op den morgen van den vierden dag herkreeg zij het bewustzijn. Zij
sloeg haar oogen op en zag hem.

"Hoe goed, dat je kwam!" zeide zij. "Ik geloof, dat ik beter word
als jij hier maar bent."

En zij legde haar hand in de zijne, zooals een kind zijn hand legt
in die van dengeen waarop het vertrouwt. Toen sloot zij opnieuw de
oogen. En met haar aangezicht naar het zijne gewend, sliep zij haar
eersten, gezonden, rustigen slaap.



In de laatste dagen van October, toen de avonden regenachtig en koud
begonnen te worden en zij voortdurend den dichten bladerregen tegen
de ruiten hoorde, keerde Kaja naar huis in de stad terug.

Peter Dam ontving haar met zichtbare verlegenheid, sprak gedwongen
over honderd dingen tegelijk en deed een onhandige poging, om zich
voor het kind te interesseeren.

Doch er was iets in haar blik, dat hem zeide, dat hij doorzien was,
en toen gaf hij het komediespelen in zijn eigen huis op.

Zij zette het wiegje in het kleine kamertje, dat aan de zitkamer
grensde, en week dag noch nacht van de zijde van haar kind. Op
straat reed zij hem in een klein mandenwagentje en dan kreeg zij
een gevoel, alsof zij als een slak haar huis op haar rug ronddroeg,
want voor haar was de jongen haar "huis", haar alles. Als zij hem
's morgens baadde en zijn kleine, ronde hoofdje in haar hand hield,
terwijl hij met zijn zachte lichaampje in 't water rondplaste, voelde
zij zich zóó gelukkig, zooals slechts zij zich gelukkig kunnen voelen,
die zulk een klein kinderkopje, dat voor hen de heele wereld is, in
hun hand gevoeld hebben! Peter Dam was er zelden bij, als zij het
kind verzorgde, en als hij een enkele maal kwam, bleef hij bij de
deur staan en verdween, zoodra het kind begon te schreeuwen.

Het viel haar op, zoo veranderd als hij de laatste maanden was. Zijn
haar was dun geworden, zijn blik ontwijkend en zijn gang moeilijk. Zij
behoefde niets te vragen en deed dit ook niet--zij hield zich slechts
op een afstand. Hij zou wijs gedaan hebben, indien hij de koele
verhouding, bijna als van twee vreemden, waarin zij nu tot elkaar
stonden, kalm verdragen had, doch hij eischte daarentegen dat zij
wat meer voor hem zou leven en de kindermeid voor het kind liet zorgen.

"Ik heb het eerste recht op je," zeide hij.

Toen stond zij krachtig tegen hem op en zeide:

"Je hebt geen recht meer, je hebt je recht verspeeld."

"Je hebt al een heel wonderlijke wijze van spreken," zeide hij met
een poging tot superioriteit, doch hij zag, dat die niet opging,
bloosde en keek op zij.

Toen keek zij hem vlak in de oogen en vroeg hem:

"Ben je misschien vergeten, waar jij je tijd doorbracht, toen ik het
kind verwachtte?"

"Ik--?" Hij zocht naar zijn woorden en stamelde--"Ja, ìk--"

"Je ging op reis met een andere vrouw. Je was het met haar eens
toen, en al lang daarvóór ook. Heb je ooit wel goed begrepen, wat
een grenzenlooze bespotting van het huwelijk er in dat feit schuilt?"

Zij sprak zóó beslist, dat hij de onmogelijkheid van een
zelfverdediging inzag; in plaats daarvan zocht hij een uitweg en zeide:
"Je hebt je toch zeker gauw getroost, want jij hadt immers oom Frans?"

Zij had hem op dat oogenblik een klap in zijn gezicht kunnen geven,
zóó verachtelijk vond ze hem, doch tegelijkertijd werd ze als verlamd
door zijn grove, lage gedachten.

Hij nam haar zwijgen verkeerd op en zeide met een zijdelingschen blik
op den jongen in de wieg:

"Je maakt mij niet wijs, dat de gelijkenis dààr alleen maar toevallig
is?"

Toen balde zij haar vuisten vóór zijn aangezicht en werd bleek
van woede.

"Als je het nog eens waagt, op die manier over hem te spreken, jij,
die niet waard bent, zijn voetzolen te kussen--dan verlaat ik het
huis," zeide zij. "Versta je 't? Geen minuut langer blijf ik dan!"

Hij werd bang voor haar heftigheid, bang voor den ijskouden klank
van haar stem. En plotseling werd hij angstig, dat zij gevolg aan
haar bedreiging geven en hem verlaten zou.

En hij sloot zijn oogen niet voor de voordeelen, die zijn huwelijk
met haar hem geschonken had. Deftige, oude families hadden door haar
hem in hun midden ontvangen en zijn geheele maatschappelijke positie
was daardoor verbeterd. Wel is waar had hij reeds meer dan de helft
van haar vermogen opgemaakt, doch er was toch altijd nog wat over en
daarbij hield hij ook nog wel van haar, op zijn manier altijd. Hij had
wel lust, om zich met anderen te amuseeren, maar niet om met anderen
te trouwen. Tot vrouw begeerde hij haar alleen. En plotseling werd
hij ootmoedig en zeide:

"Ik vraag je duizendmaal vergiffenis! Ik weet, dat ik slecht
tegenover je gehandeld heb en ik wil niet eens beproeven, mij te
verontschuldigen. Je hebt het recht, boos te zijn--maar je moet
dan ook toegeven, dat je je het laatste half jaar niet veel om mij
bekommerd hebt!"

"Dat geef ik toe," zeide zij eerlijk--"ik hoef niet bang te zijn, om
oprecht tegenover je te wezen. Ik zocht eerst bescherming bij jou, maar
jij stootte mij van je af. Je kwetste mij op de gevoeligste plaats,
die ik had. Ik voelde me angstig en ellendig--en het was oom Frans, die
mij troostte. Daarna was ik vol hoop en vreugde, en het was oom Frans,
die de blijdschap met mij deelde. Onze gedachten toefden altijd bij het
kind, vóór het geboren was. Wij spraken over het kind, schreven elkaar
over het kind. Geen vrouw zou mij met meer fijn gevoel en teederder
zachtheid tegemoet hebben kunnen treden dan hij dat deed. Het was
dus wel niet te verwonderen, dat het kind op hem ging lijken."

Haar wangen waren rood van ontroering en er was zoo iets reins en
trotsch in haar blik, terwijl zij sprak, dat hij onwillekeurig zijn
oogen neersloeg.

"Maar hoe zou jij dat kunnen begrijpen!" zeide zij. "Hoe zou jij
kunnen begrijpen, dat twee menschen elkaar lief kunnen hebben zonder
te zondigen? Want oom Frans en ik hebben elkaar lief--nu weet je
het. En toch hebben wij er geen van beiden aan gedacht, om jou te
bedriegen. Zelfs toen ik ontdekte, hoe vreeselijk trouweloos je waart,
dacht ik er geen oogenblik aan, je huis te verlaten. Uit volmaakten,
vrijen wil, deed ik den stap, die ons leven samen moest voeren;
nu zal ik zelf ook de gevolgen van dien stap moeten dragen."

"Doch één ding voeg ik er bij--" zeide zij, terwijl zij zich in
haar volle lengte oprichtte en haar hoofd trotsch achterover wierp:
"Ik wil mijzelf als vrouw kunnen blijven achten. Ik zal je huishouden
waarnemen, en je kind verzorgen, maar ik wil niet leven als je vrouw,
terwijl ik 't in werkelijkheid niet ben. En ik herhaal, wat ik zooeven
zeide: als je het nog eens waagt op die manier over oom Frans te
praten, dan verlaat ik, zonder dat ik mij een oogenblik bedenk,
het huis."

Zij was mooi, terwijl zij zóó voor hem stond en al de vroegere liefde
ontwaakte met nieuwe kracht in zijn borst--en gelijk hiermee zijn
jaloezie.

"Er zit iets achter!" viel hij plotseling uit.

"Er zit volstrekt niets achter," antwoordde zij volkomen kalm.

"Je weet heel goed, dat ik de waarheid spreek."

Ja, dat wist hij en zijn stem werd weer zacht en aangedaan, toen hij
zeide: "Ik beloof je, dat het de laatste maal zal zijn, dat je over
mij te klagen hebt. Wil je het dan nog eens met mij probeeren?"

"Ja," zeide zij. "Dat wil ik."

Maar nu hij éénmaal bang gemaakt was, greep hij ook naar al de wapens,
die hij tot zijn beschikking had, en voegde er bij: "Daarenboven moeten
er voor een scheiding twee menschen zijn, evenals voor een huwelijk,
dat weet je toch? En daarvoor zal ik mijn stem nooit geven. Verlaat
je me dan toch, dan houd ik het kind, daar heb ik 't recht toe."

Hij zag, hoe zij tot haar lippen toe wit werd. Doch zij antwoordde
niets anders dan: "Ik vind, dat degeen die zijn leven voor het kind
op het spel gezet heeft, het eerste recht heeft."

"Dan vergis je je toch. Als 't een jongen is, kan de man hem
opeischen. Je bent volkomen vrij natuurlijk--maar dan zal je ook weten,
dat je te kiezen hebt tusschen hem en mij--of geen van ons beiden."

Hij ging driftig heen en zij hoorde hem de voordeur hard achter zich
toeslaan. Toen bleef zij achter, met een ongelukkig gevoel voor haar
geheele leven gebonden te zijn, en met haar hoofd in 't wiegekussentje
gedrukt, barstte zij in tranen uit.










                                "De Prinses in het betooverde slot!"


De volgende dagen liep zij gejaagd heen en weer, zonder ergens rust
te kunnen vinden. En het verlangen naar de moeder, die ze in zoovele
jaren niet gezien had, werd weer in haar wakker.

Het bleeke aangezicht achter het rijtuigraampje doemde weer vóór
haar op en knoopte den band tusschen hen dubbel vast, nu zij zelf
moeder was.

Zij gaf de meid alle mogelijke inlichtingen voor het kind, drukte haar
op het hart dat zij voortdurend een oogje op de wieg moest houden,
terwijl zij weg was, en vertrok toen met den morgensneltrein naar
Vordingborg.

Toen zij te Oringe aankwam, vroeg zij den eersten geneesheer te
spreken.

"Waarom wilt u eigenlijk nu uw moeder zien--na zooveel jaren?" zeide
hij, terwijl hij haar scherp aanzag.

"Omdat"--en een oogenblik zocht zij naar haar woorden, doch kon
per slot niet anders dan volkomen oprecht antwoorden--"omdat ik zoo
vreeselijk naar haar verlang."

Hij wierp een haastigen blik op haar bleek, ernstig aangezicht--en
schudde toen het hoofd, terwijl hij zeide: "U zult er niet het
minste plezier van hebben. Want u weet toch, dat zij nu volkomen
ongeneeslijk is?"

Zij knikte zonder te antwoorden.

"En weet u ook, dat zij het laatste jaar heelemaal in de war is en
haar omgeving zelfs niet herkent?" zeide hij.

"Neen, dat wist ik niet."

"Zou het dan maar niet beter zijn, als u haar niet zag?" waagde hij
nog eens in het midden te brengen.

"O, neen, alsjeblieft, toe alsjeblieft, laat mij bij haar," smeekte
zij.

"Wel, zooals u wilt, Mevrouw. Doch dan is het 't best, als ik u eerst
wat inlicht--want het is absoluut noodzakelijk, dat u op haar ideeën
ingaat. Tegenspreken doet haar maar lijden. Ziet u, zij heeft het idee,
dat zij de prinses is van het betooverde slot--zij wacht slechts op
den prins! Ik heb ondertusschen bemerkt, dat zij altijd kalmer wordt,
als zij bezoek van huis krijgt. Vele dagen daarna is zij dan vroolijk
en tevreden, doch dan begint de onrust weer. Daarom schreef ik ongeveer
een jaar geleden aan uw vader, of het niet mogelijk wezen kon, dat
hij éénmaal in de week hierheen kwam--maar hij antwoordde, dat zijn
zaken beslag legden op zijn tijd en dat het hem onmogelijk was."

Kaja sloeg haar oogen neer--zij had een blik uit de oogen achter de
brilleglazen vóór haar opgevangen, waarin zij ongeveer hetzelfde las,
als zij nu voelde. Zij schaamde zich over haar eigen vader. "Is--hij
dan--in 't geheel niet hier geweest?" stamelde zij.

"Neen--maar hij zendt zijn broer," klonk het korte antwoord. "Mijnheer
Frans Halling vroeg mij op zekeren dag, of hij niet voor zijn broer
kon doorgaan--hun stem is zoowat hetzelfde, dat is dan ook trouwens
de eenige gelijkenis, die ik heb kunnen ontdekken," voegde hij er
kalm bij. "En nu komt hij bijna iederen Zondag en ik verzeker u,
dat hij een bizonder geschikte manier heeft, om met de zieke om
te gaan. Hij heeft een merkwaardig scherp psychologisch oog en is
daarbij van een fijne natuur. Den laatsten tijd verbeeldt zij zich,
dat hij de adjudant van den prins is, die haar iedere week gewichtige
mededeelingen komt doen, en hij heeft een merkwaardig kalmeerenden
invloed op haar. Hij had dokter moeten zijn, die man, dokter voor
krankzinnigen--en geen leeraar."

Terwijl hij sprak, steeg het bloed haar al meer en meer naar de wangen.

Oom Frans! Ja, natuurlijk. Wie anders dan hij zou dit hebben kunnen
doen? Zijn vrijen tijd opofferen voor een krankzinnige, zonder er
ooit het minste van te gewagen!

Alsof oom Frans zijn aalmoezen niet altijd in stilte gaf--alsof hij
niet altijd zijn gaven aan de armen anoniem zond, zonder er hoegenaamd
eenigen dank voor te krijgen!

En terwijl zij daar zat, vond zij zichzelf zoo klein en hem zoo
groot. Een warme stroom van dankbaarheid voer haar door de leden. Het
deed haar goed, aan hem te denken. Zij was trotsch op hem. "Ja,
hij is niet als iedereen--" zeide zij en bemerkte niet, dat zij haar
gedachten hardop dacht.

De geneesheer keek haar aan en glimlachte. "Ja, dat is ook juist wat
ik bedoel," zeide hij. Toen keek hij vluchtig naar de klok. "Wilt u,
dat ik met u mee naar haar toe ga?" vroeg hij.

"Neen, dank u, ik wil liefst alleen gaan." Zij stond op, doch bleef
met de hand aan den deurknop even staan en zeide: "Geef me alleen
antwoord op één vraag: was er niet een tijd, lang geleden, dat zij
thuis had moeten komen om te kunnen herstellen?"

Zij zag, dat hij met antwoorden aarzelde. Toen trok hij zijn schouders
wat achteruit en zeide: "Ik durf niets met zekerheid zeggen, doch
in ieder geval is er door de huisgenooten niet de minste poging
toe gedaan."

Het was, of zij bij die woorden in elkaar zou zinken, zoo wonderlijk
en pijnlijk voelde zij zich aangedaan. De dokter zag het en kreeg
medelijden met haar. "Ik merk, dat de situatie u niet heelemaal
bekend was," zeide hij--"doch hoe alles nu ook staat, één ding is
nu tenminste zeker: dat zij nergens beter wezen kon dan hier. En ik
geloof, dat zelfs gedurende den tijd, waarop u doelt, zij hier minder
leed dan zij thuis zou geleden hebben. Het zou zeer de vraag geweest
zijn, of een thuiskomst toenmaals een verbetering in den toestand
gebracht zou hebben. Zij is de eerste vrouw niet, die lijden moet
door de schuld van den man."

Hij duwde haar zachtjes de deur uit en gaf een verpleegster bevel,
haar naar de zieke toe te brengen. Het was of haar voeten onder haar
trilden, toen zij op den drempel stond, en toen zij binnen gekomen
was, verborg zij het aangezicht in haar handen. De zieke stond vóór
den spiegel en was druk bezig met een sieraad in het haar te steken.

Bij het geluid van de deur, keerde zij zich om en schreed met groote
waardigheid het vertrek door. "Wie ben je?" vroeg zij, terwijl ze de
in elkaar gedoken gestalte bij de deur gadesloeg.

"O, een bedelaarster!" antwoordde zij zelf. "Wacht, ik zal je wat
geld geven, de prins voorziet mij altijd rijkelijk."

Zij haalde een beurs met oude koperen munten te voorschijn en zocht
er in, tot zij de grootste gevonden had.

"Daar," zeide zij, "de beste is nog niet goed genoeg voor je."

Doch Kaja's oogen stonden zóó vol tranen, dat zij niets zag.

"Moeder! Arm, lief moedertje!" was alles, wat zij kon uitbrengen.

De zieke was dicht naar haar toe gekomen en zeide toen, plotseling
wantrouwend:

"Want je bent toch wel een bedelaarster, zeg?"

Kaja greep haar magere handen en bedekte ze met kussen.

"Ja," zeide zei snikkend, "ik ben een bedelaarster. Ik bedel om de
liefde, die het leven mij onthouden heeft. En ik vind het leven zoo
moeilijk, o, zoo moeilijk!"

Onwillekeurig legde zij haar hoofd tegen de borst van de zieke en
sloeg de armen om haar hals. Het was, of zij op eens al de teederheid
geven wilde, die zij gedurende zoovele jaren had opgespaard.

De zieke begreep, dat zij troosten moest en streelde zachtjes haar
wang.

"Ik houd van je," fluisterde zij; "ik had eens een klein meisje,
dat op je leek. Maar zij was veel schooner, versta je--want zij was
een vorstenkind. Zij kon mij net zoo kussen als jij, met haar armen
zoo om mijn hals gekneld----"

Kaja durfde nauwelijks ademen en nog veel minder opzien.

"Herinnert u zich haar nog?" zeide zij met een stem, die van aandoening
trilde. "Toe, vertel me iets van haar."

De zieke bracht haar hand aan haar voorhoofd en zeide toen:

"Neen, ik herinner mij niets meer--het is zoo lang geleden."

Zij liep een paar maal de kamer op en neer en bleef toen weer
stilstaan.

"Haar vader was niet goed tegen mij," zeide zij--"en toen werd
ik ziek. Ik droomde zoo akelig, maar toen ik wakker werd, was ik
veranderd. En nu ben ik prinses in het betooverde slot--ik wacht alleen
maar op den prins. Iederen Zondag komt zijn adjudant met groeten en
berichten. Gisteren was hij hier ook en toen zeide hij, dat ik den
prins iederen dag verwachten kon--daarom maak ik mij mooi. Kom, ga mee,
dan zal ik je eens laten zien, wat de prins mij gezonden heeft."

Zij ging weer naar den spiegel en haalde een nieuw versiersel voor
den dag.

"Vindt je niet, dat het mij goed staat?" zeide zij, terwijl zij het
op haar borst hield. "Kom eens kijken!"

Maar Kaja verroerde zich niet. Zij was op een stoel bij de deur
neergezonken en bleef daar vóór zich uit zitten staren. Zij zag
plotseling den modernen tijd met al zijn wondeplekken vóór zich:
het grenzenloos egoïsme, al de bandelooze liefde, en het volkomen
gebrek aan lust tot opoffering.

En toen scheen 't haar, alsof het alleen maar kwam, doordat de
menschen hun eigen geweten in slaap sussen. De vrouw, waar het haar
idealen gold, de man, waar het zijn eer betrof--en zij zelf dan? O,
als zij haar geweten niet in slaap gesust had, als zij niet tegen
beter weten in gehandeld had--dan zou zij er nu niet haar heele
verdere leven voor behoeven te boeten!

Alles scheen haar zoo droef en hopeloos, slechts één lichtpunt
verscheen er aan haar horizont, en dat was oom Frans. Aan hem te
denken was plotseling voet op rotsgrond krijgen, na lang in stuifzand
rondgedwaald te hebben.

Zij had zich het laatste uur zoo wonderlijk terneergeslagen gevoeld,
bijna gebroken;--nu was zij weer getroost. Zoo lang er mannen waren als
oom Frans, zoo lang ook zouden er krachtige menschen staan tegenover
de zwakken, sterke willen, die zich niet buigen lieten,--dat slag
van lieden, waaraan de maatschappij het meest behoefte had: mannen
uit één stuk.

Zij werd uit haar gedachten gewekt, doordat de zieke, die druk aan
het passen en probeeren was geweest, weer naar haar toe kwam.

"Ken je mijn adjudant?" zeide zij. "Hij is op en top een
gentleman. Zijn geheele wezen is zoo fijn en eerbiedig--en zijn stem
is zóó zacht, ja, zijn stem zou ik niet kunnen beschrijven."

Kaja glimlachte.

"Neen," zeide zij, "dat kan niemand. Want hij heeft een sprookjesstem."

De zieke keek haar verwonderd aan.

"Je hebt hem misschien aan de poort ontmoet," zeide zij--"en toen
heeft hij je zeker iets gegeven?"

Kaja knikte.

"Ja," zeide zij toen zacht en innig, "hij heeft mij alles gegeven,
wat hij bezat."

"Ik begrijp je niet--." De zieke werd plotseling onrustig en zag
verward en angstig uit haar oogen. "Ik weet niet, wie je bent!" zeide
zij. "Je zegt, dat je een bedelaarster bent, maar je handen zijn smal
en fijn. En je kent mijn adjudant, die je aalmoezen geeft! Je zult
me zeggen wie je bent, hoor, versta je me?"

Zij bleef vóór Kaja staan en keek haar met krankzinnige blikken
aan. Toen begreep Kaja, dat zij op den gedachtengang van de zieke
moest ingaan en dat het er hier eerst en vooral op aan kwam, haar
te kalmeeren.

"Ik ben bij den prins in dienst," zeide zij--"en ik kom u zijn
groeten brengen."

Toen gleed er een straal van blijdschap over het gelaat van de zieke
en haar geheele gestalte nam een waardige kalmte aan.

"Dat dacht ik wel," zeide zij en richtte zich op; "hij weet wat hij
mij verschuldigd is. Verzocht hij je anders nog iets te zeggen?"

Kaja bedacht zich even, vóór zij antwoordde:

"Hij verzocht mij u te zeggen, dat u gelukkig en tevreden moest zijn
tot hij komt."

Zacht lachend ging zij naar den spiegel en bekeek haar eigen beeld,
en herhaalde toen, terwijl zij zich zelf in het glas toeknikte:

"Ja, gelukkig en tevreden. Zeg hem, dat ik dit altijd ben."

Kaja had een gevoel in haar keel, alsof zij stikken zou--zij wilde
iets zeggen, doch op hetzelfde oogenblik kwam de verpleegster zachtjes
aan de deur en wenkte haar met den vinger op den mond om stil heen
te gaan. Kaja begreep, dat zij gaan moest zonder afscheid te nemen,
en vertrok zoo zacht mogelijk.

Het laatste, wat zij van haar moeder zag, terwijl zij achteruit naar
de deur ging, was de trotsche, hoopvolle glimlach waarmee zij een
nieuw sieraad in het dikke haar stak, terwijl zij steeds tegen het
beeld in den spiegel knikte en met zachte stem herhaalde--"gelukkig
en tevreden--gelukkig en tevreden--"



Toen Kaja thuis kwam stond oom Frans met groote belangstelling naar
den jongen te kijken, die in zijn badkuip rondspartelde. Hij hield
hem een glinsterenden rammelaar vóór, wierp hem water in zijn gezicht
en lokte hem het eerste glimlachje van zijn lippen.

Zij bleef op den drempel staan en sloeg hen beiden gade. Zij voelde
zich op dat oogenblik zoo oneindig rijk--rijk in haar moederliefde--en
rijk in het bewustzijn, dat zij een vriend had, waarop zij te allen
tijde rekenen kon.

Doch tegelijkertijd sneed de tegenstelling tusschen hetgeen zij gezien
had en deze idylle, haar zóó scherp door de ziel, dat de tranen haar
uit de oogen sprongen.

Zij deed de deur achter zich toe. Op het geluid wendde oom Frans
zich plotseling om, en toen hij haar bewogen trekken zag, vroeg hij
angstig vorschend:

"Maar Kaja! waar ben je geweest?"

Zij schudde zonder antwoorden het hoofd en zond de meid naar de keuken
om een warmen handdoek. Voorzichtig tilde zij het kind uit het bad,
droogde zorgvuldig zijn kleine, warme lichaampje af en kuste zijn
mollige beentjes en armpjes.

"Wat ben ik gelukkig, dat ik jou heb--en dat jij je moeder nooit zult
behoeven te missen!" zeide zij met tranen in haar stem.

Hij keek haar droevig aan.

"Je bent daarginds geweest," zeide hij dadelijk.

Zij knikte.

"Waarom nam je mij niet mee? Ik zou je graag het ergste bespaard
hebben," zeide hij.

Met een eigenaardigen glans in haar oogen, keek zij op en zeide:

"Je hebt me al genoeg bespaard. Ik zou bijna willen zeggen, dat je
me te veel bespaard hebt. Maar ik zal je nooit genoeg kunnen danken."

Hij keerde zijn gelaat van haar af.

"Je hoeft me niet te danken," zeide hij, "ik deed het alleen voor haar,
die ik liefheb!"

"Jawel, ik doe 't toch!----En hemel, als ik dan bedenk, hoe ik je
beloond heb!" ging zij opgewonden door. "Alles heb je me bespaard,
zelfs hetgeen er in huis omging. Want dat er iets gebeurd is, dat weet
ik nu. Als zij in tijds teruggekomen was, zou zij gered zijn--geloof
je dat ook niet?"

Hij keerde zich om en zeide langzaam:

"Niet zooals de verhouding toen was."

Zij had het kind in de wieg gelegd--keek nog even of het wel sliep
en ging toen op de sofa naast oom Frans zitten.

"Vertel me wat van haar. Leg me alles eens uit," zeide zei.

Hij knikte.

"Het is niet voor niets, dat zij steeds over den prins praat,"
zei hij. "Zij hoort tot die vrouwen, die hun heele leven op hem
wachten. De meeste wachten misschien, meer of minder onbewust, op
den "man", maar het soort, dat ik hier op het oog heb, wacht op den
"prins". Geestelijk gesproken, moet hij van koninklijken bloede zijn,
versta je? Hun gedachtenweefsel is zóó dun, hun droomen zijn zóó
fijn en daarmee omweven zij hem, dien zij wachten----. Dit soort
vrouwen heeft altijd iets eigenaardigs, dat zich verraadt door een
nadenkenden blik en door een glans van jeugd, die over hun geheele
wezen uitgespreid schijnt, zelfs al is de eerste jeugd voorbij.

"Zij heeft dezen glans--zij heeft dien nog. Toen zij met mijn broer
trouwde, meende zij, dat hij de prins was, doch zij vergiste zich. Hij
schoof haar, voor zijn eigen belangen, op zij--hij veronachtzaamde haar
en bekommerde er zich niet om, toen hij zag, dat zij er onder leed. Na
jouw geboorte was zij jarenlang ziek en lag meest te bed. Vergeet niet,
dat 't niet gemakkelijk is voor een man, een vrouw te hebben die altijd
ziek is. Probeer of je hem niet een beetje te verontschuldigen vindt--"

Zij legde haar hand op zijn mond.

"Moet ik 't misschien ook verontschuldigen, dat hij haar ontrouw
was?" zeide zij.

"Neen--dat zeker niet!"

"Want, dat was hetgeen haar brak," ging zij door. "Hemel, als ik
bedenk, dat vader ook zoo geweest is," zeide zij en knelde haar tanden
samen, vergetende dat zij door dat ééne "ook" zichzelf aan oom Frans
bloot gaf.

Tot nu toe had hij er aan getwijfeld, of zij haar mans levenswijze
kende--nu had hij plotseling zekerheid en het was een verlichting
voor hem. Doch met die fijngevoeligheid, die zijn innerlijk wezen
kenmerkte, begreep hij, dat zij het liefst den strijd alleen ten
einde voeren wilde, en bracht het gesprek weer op de zieke.

"Zij is nu gelukkiger dan zij in vele jaren geweest is," zeide hij.

Zij zweeg even--en vroeg toen:

"Waar praat je met haar over als je er heen gaat?"

"Natuurlijk over den prins. Ik tracht mij te verbeelden, hoe goed,
hoe jong en hoe mooi hij zou kunnen zijn, en dan vertel ik haar kleine
trekjes van zijn fijne natuur en dan geef ik haar groote bewijzen
van zijn goed hart."

Zij keek hem aan en glimlachte.

"Ja, dat is wel iets, dat jij zult kunnen," zeide zij met groote
bewondering in haar stem.

Zij nam den kleinen rammelaar, die nog op zijn knie lag en begon er
mee te spelen.

"En hoe wonderlijk, dat jij 't ook weer zijn moet, die hem zijn eerste
speelgoed geeft!" zeide zij, toen hij opstond, om heen te gaan.

Hij stak haar de hand toe en zeide:

"Als je er een volgend maal weer heen wilt, dan neem je mij mee,
hé? Beloof je mij dat?"

"Dat beloof ik je." Toen legde zij haar beide handen op zijn schouders,
keek hem trouwhartig in de oogen en zeide:

"Dag, oom Frans--dank voor alles!"

Toen hij weg was, bleef zij nog lang naar den rammelaar in haar hand
staan staren. Toen bracht zij dien hartstochtelijk aan haar lippen
en kuste hem ééns en nog ééns en nog ééns--en stopte hem toen in het
wiegje aan de voetjes van den kleinen jongen.











                                                "Leven is lijden--
                                                willen is strijden!"


De volgende maanden ontweken Peter Dam en Kaja elkaar zooveel
mogelijk. Zij ging op in de zorg voor haar kind en schoof met geweld
alle andere gedachten op zij.

Eén van de eerste, echte vorstdagen in Januari keerde zij van een
flinke wandeling langs de meren naar huis terug. Plotseling bleef zij
in gedachten bij de ijsbaan stil staan. Zij kòn niet begrijpen, dat
het slechts twee jaar geleden was, dat zij ook zoo jong en vroolijk
daar had schaatsen gereden en toen zoo van ganscher harte gezongen had:


            "Schrijf meer, schrijf voort!
            Schrijf, heerlijk Leven,
            al wat u lust."


Zij bleef, met haar armen tegen een van de oude boomen aan den oever
geleund, stilstaan, en volgde de voorbijgangers met haar oogen.

Daar kwam een jongmensch sierlijk over de baan gezwierd. Zijn korte
jas spande stijf om zijn slanke leden en zijn lange zijden das wapperde
in den wind. Het was of een verfrisschend windje iemand tegenstroomde
en allen keken hem vol bewondering na.

Zóó was hij haar twee jaar geleden ook tegemoet gereden, toen zij
haar schaatsen aan 't vastbinden was, en zóó had hij haar hand in
de zijne genomen en waren zij samen over de blanke vlakte gegleden
van de ijsbaan naar de lange, hobbelige levensbaan, waar men zoowel
kleine en onaangename als groote, aangename tochten samen aflegt, en
waar men niet alleen elkaar de hand geeft, doch waar men elkaar bij
't hart moet vasthouden, als men samen den weg vervolgen wil.

Peter Dam was op dit oogenblik even mooi als twee jaar geleden. De
frissche wind had zijn wangen hooger gekleurd en zijn muts zat zóó
ver op zijn voorhoofd, dat men niet zag hoe dun zijn haar geworden was.

Hij deed een paar mooie streken op het ijs en ging toen af op een
jonge, blonde dame in blauw wandelcostuum.--Kaja kende haar goed. Het
was één van haar oude schoolvriendinnen. Vrijmoedig slingerde hij
zijn arm om haar middel en Kaja hoorde hen zacht lachen, toen zij
haar voorbij gleden. Fluisterend keken de menschen hen na.

Zij verborg zich achter den boom, waartegen zij leunde, en wachtte,
tot zij terugkwamen. Zij deed dit machinaal weg, niet omdat zij
't eigenlijk wilde, maar omdat iets haar dwong te blijven.

Daar kwamen zij aangesuisd en bleven een paar ellen van Kaja af, met
hun rug naar haar toe, stilstaan. Zij hoorde hem duidelijk zeggen:
"Dus van avond om elf uur kom ik je halen!" En haar antwoorden:
"Maar wees voorzichtig, als je komt, hoor!"

Toen keerde zij zich plotseling om en ging door de stad terug. Onderweg
stond zij een paar maal stil en haalde eens diep adem, als wilde
zij haar longen met versche lucht vullen. Zij was ernstig en diep
vertoornd. Toen liep zij weer haastig en vastberaden door, als iemand
die een vast besluit genomen heeft. Zij ging regelrecht naar oom Frans.

Hij moest juist van school zijn thuis gekomen, want hij stond nog
bij de voordeur en was zijn goed aan 't ophangen.

"Oom Frans," zeide zij zonder de minste inleiding: "Ik wil geen
dag langer onder zijn dak blijven; het is een beleediging hetzelfde
huis met hem te deelen. Ik wil van hem af--hoor je--wat 't ook kost,
ik wil van hem af."

Oom Frans had haar hand in de zijne genomen en trok haar mee de kamer
in. Daar liet hij haar op de sofa zitten en bleef, zonder spreken,
voor haar staan. Dit was hem zóó onverwacht overvallen, dat hij zijn
gewone zelfbeheersching miste. Bliksemsnel doorkruisten allerlei
gedachten zijn brein. Wat was dat voor een stralend geluksland dat
hij plotseling vóór zijn oogen zag? Wat was dat voor een gevoel van
jubelende vrijheid, dat zich op dat oogenblik van hem meester maakte?--

Hij keek haar eens aan, zooals zij daar vóór hem zat, blozend door
haar vluggen gang en door de sterke gemoedsbeweging.

"Van hem af, wat het ook kost!" herhaalde zij heftig.

Hij keek haar vorschend aan, terwijl hij haar vroeg: "En als hij nu
't kind opeischt?"

"Ik weet, dat hij 't doen zal," zeide zij bitter, "dat heeft hij
mij vooruit al gezegd. Maar hij kan me niet weigeren het te zien
zoo dikwijls als ik wil. Hoe 't ook zij, ik kan 't nu niet langer
uithouden! Ik wil niet méér verdragen, dan ik al verdragen heb. Ik moet
het toch niet zóó ver laten komen, dat ik ook mijzelve ga verachten,
omdat ik den moed mis van hem af te gaan?"

Hij had haar nog nooit te voren in zoo hevigen opstand gezien. Haar
handen lagen saamgeknepen op haar knie--zij ademde gejaagd en een
uitdrukking van onwrikbare standvastigheid lag over haar gezicht.

Hij was op het punt, haar in zijn armen te nemen, haar tegen zijn
hart te drukken en tot haar te zeggen: "Blijf nu meteen! Je weet,
dat je hier altijd een thuis hebt!" Doch tegelijkertijd was het,
alsof uit de verte een noodkreet tot hem doordrong. Alsof dat kleine
kind, waar hij zich op zoo wonderlijke wijze aan verwant gevoelde,
plotseling zijn kleine, dikke armpjes uitstrekte en om hulp rìep. Hij
zag zoo duidelijk voor zijn oogen, hoe het zijn kleine handjes aan den
rand van het bad vastklemde om zich op te kunnen houden, en hoe het
hem met zijn groote, ronde oogen aankeek, alsof 't al zijn heil van
hem verwachtte. Ja, al zijn heil, alles! Geen kleine aalmoes--maar
alles, alles! Zou hij doen alsof hij het niet begreep----alsof hij
het niet wist, dat het er op dit oogenblik juist op aankwam, zich
staande te houden?"

Hij streek herhaalde malen met zijn hand door zijn dikke haar, als
wilde hij op die manier zijn gedachten in het reine brengen.

Toen ging hij stil naast haar zitten. Nooit had hij een heviger
storm te doorworstelen gehad. En 't was, of die zijn ziel aan stukken
scheurde.

Een heel voorjaarsleven zong in zijn bloed en deed zijn hart
ontvlammen. De jonge vrouw, die daar vóór hem stond, was de zijne,
haar wilde hij bezitten--zij zelf wilde immers den muur omverwerpen,
die hen scheidde?

En dan eischte een klein kind in de wieg, dat hij haar op zij
zou schuiven! Opnieuw kwam zijn geheele ziel in opstand tegen dat
offer--en opnieuw legden de woorden: "Eisch alles! Geef alles!" ieder
ander gevoel het zwijgen op.

"Ben je vergeten, wat je zeide, dien dag dat je van het bezoek aan
je moeder thuis kwam?" klonk het gedempt, doch beslist.

Zij schrok op en keek hem met een bijna versteende uitdrukking op
haar gelaat aan. Het was goed, dat hij haar blik niet opving.

"Je zei tegen je jongen: Wat ben ik gelukkig, dat ik jou heb--en dat
jij je moeder nooit zult missen!" Terwijl hij sprak, durfde hij haar
niet aanzien. Hij voelde, hoe zijn woorden doodend over hun geluk
heenvielen...

Eenige minuten verliepen onder een volmaakt stilzwijgen. Al wat men
hoorde was het langzaam, regelmatig tikken van de oude klok boven de
sofa en een straatjongen, die op zijn vingers floot.

Toen stond zij langzaam op.

"Je hebt gelijk, oom Frans!" zeide zij. "Je hebt altijd gelijk."

Zij keerde zich om en ging zwijgend naar de deur.

"Je bent toch niet boos op mij?" Hij veegde het zweet van zijn
voorhoofd en deed een mislukte poging om te glimlachen.

Zij draaide zich om en legde haar beide handen op zijn schouders,
zooals zij gewoon was.

"Boos!" zeide zij. "Ach, oom Frans, je weet heel goed, dat ik op jou
niet boos kan zijn!"

Toen liep zij haastig de trappen af. Doch bij het eerste portaaltje
hield zij stil en riep zonder opkijken naar boven: "Je mag vooreerst
niet bij me komen! Ik geloof--ik geloof, dat ik 't leven beter dragen
kan, als ik je niet zie."

Hij kon niet antwoorden--hij boog zich slechts over de leuning naar
beneden en zag haar met zijn oogen na, terwijl zij wegging. Hij hoorde
de deur achter haar toeslaan en hij kreeg een gevoel alsof hij haar
voor altijd weggejaagd had.

Toen zag hij haar door het venster langzaam--o, zoo langzaam, de
straat doorgaan. En hij wist, dat zij nooit terug zou keeren. Toen
werd het haar van oom Frans in één nacht geheel grijs.











                                            "Als zwanen, zwart,
                                            over donkere meren
                                            uitspannend haar veeren
                                            met snerpend geklag,

                                            zoo drijven van smart
                                            mijn uren henen....
                                            In weenen, stenen
                                            kwijnt heel mijn dag."


Indien Kaja de kracht gekend had van haar eigen verlangen en zich
bewust was geweest, hoe pijnlijk dat in haar binnenste zou rondwoelen,
dan zou zij zeker zichzelf het genoegen van de korte bezoeken van oom
Frans niet ontzegd hebben. Als lichtpuntjes hadden zijn schaarsche
visites over haar eenzamen levensweg gestraald. Nu ontwaakte zij
altijd met een gevoel van gemis. Slechts de zorgen, die zij aan het
kind besteedde, konden haar een oogenblik doen vergeten. Maar ieder
maal als het kind sliep, ontwaakte haar verlangen met nieuwe kracht
en dan wist zij met zichzelf geen raad. Zij kon opvliegen, als zij
voetstappen op de trap hoorde--in de hoop, dat hij 't wezen zou--maar
dadelijk daarna schudde zij het hoofd over haar eigen dwaasheid. Alsof
het oom Frans ooit zou invallen tóch te komen, terwijl zij hem zelf
verzocht had weg te blijven!

Overdag beproefde zij moedig vol te houden, doch iederen avond
als zij het kind ter ruste had gelegd en slechts het zacht roode
lantaarntje boven zijn wieg de kamer flauw verlichtte, was het alsof
haar verlangen haar vanéén zou rijten. Dan wist zij niets beters
te doen dan in de zitkamer aan den vleugel te gaan zitten en haar
vertwijfeling in liederen lucht te geven.

Er was toch niemand die haar hooren kon. Slechts een straal van het
lantaarnlicht op straat gleed over haar voeten en verdween in de vouwen
van haar zwarte kleed. En die lichtstraal zweeg. Die lag slechts op
den grond vóór haar de tonen in zich op te nemen, die alleen hoorde
haar zingen, hoorde al haar droeve liederen.

En als zij dan gezongen had haar droeve liederen en ook haar gedwongen
vroolijke liederen, dan kon zij soms zwijgend bij het klavier blijven
zitten, met de lippen nog half geopend, als luisterde zij diep, diep
inwendig naar gedachten, die zij de hare voelde tegemoet treden----



Het ontging Kaja niet dat Peter Dam den laatsten tijd wonderlijk
veranderd was. Soms zag zij, hoe hij haar met bijna schuwen eerbied
zat gade te slaan. Doch het meest verbaasde het haar, dat hij af en
toe naar de wieg ging en naar het kind keek, en ieder keer als hij
dat deed, zag zij tranen in zijn oogen.

Op zekeren avond bleef hij tegen zijn gewoonte thuis. Hij stond toe
te kijken, terwijl zij het kind ter ruste legde en toen hij haar het
oude wiegeliedje: slaap kindje, slaap! hoorde zingen, barstte hij
plotseling in tranen uit.

Zij hechtte anders niet veel gewicht aan zijn verschillende
gemoedsstemmingen--daarvoor hadden zij haar te dikwijls
teleurgesteld--doch nu onderscheidde zij zeer goed een toon van
waarheid in zijn wanhopend weenen. Zoodra het kind in slaap gevallen
was, ging zij naar hem toe en legde vriendelijk haar hand op zijn arm.

"Waarom wil je toch zoo'n treurig leven blijven leiden?" zeide
zij. "Waarom wil je niet beproeven, de achting voor je zelf terug
te winnen?"

"Het is te laat," zeide hij.

"Waarom te laat?"

"Omdat--ach, je kunt het even goed dadelijk weten--omdat de kapitein
wil dat ik met haar trouw."

"Over wien heb je 't?"

"Over kapitein Ström."

"O, is het zijn dochter, waarmee je schaatsen rijdt?"

"Hoe weet jij dat...."

"Ik heb je op een avond bij het meer gezien," zeide zij koud.

Plotseling zweeg hij. Hoe was 't mogelijk, dat zij nooit met een
enkel woord op deze verhouding gedoeld had!

Op eens begreep hij, wat een afgrond er tusschen hen in gekomen
was--een afgrond zóó diep, als die tusschen twee menschen die op
verschillende manier denken, op verschillende manier handelen en die
een verschillende levensopvatting hebben, maar wezen kan. En toen hij
bedacht, hoe licht en vertrouwelijk zij hem eens tegemoet was gekomen,
ging er een steek door zijn hart.

"Dat is dan ook wel het eenige, wat je nu te doen staat," zeide zij
op denzelfden vreemden toon als zooeven.

"Wat?"

"Haar te trouwen."

"Ja, ik weet heel goed, dat jij bereid bent," klonk het ruw.

"Slechts op één voorwaarde."

Verbaasd keek hij op.

Had zij werkelijk voorwaarden? Vatte zij niet met blijdschap de
gelegenheid aan, die haar vrij zou maken?

"Ik begrijp je niet," zeide hij, hoewel hij haar op hetzelfde oogenblik
goed begreep.

Zij keek hem recht in de oogen en zeide onverschrokken:

"Als jij je niet al het recht op het kind ontzegt, dan eisch ik mijn
recht en blijf hier als jouw vrouw."

Hij antwoordde niet. Hij zat haar aan te staren. Het was of het nu voor
hem opging wat hij verloor, toen hij deze vrouw van zich afschoof,
die liever haar eigen hart in stukken liet scheuren dan zich van het
kind, waaraan zij het leven gegeven had, te laten wegrukken. En hij
was op het punt zijn recht te doen gelden, om haar op die manier vast
te houden. Doch toen kwam het gezicht van den kapitein hem weer voor
den geest, toen hij gezegd had: "Ik eisch van u, dat u haar trouwt!"

Dat gezicht kon hij niet vergeten; het stond in zijn geheugen
vastgegrift, zoo doodsbleek was het geweest en zulk een hevige
bedreiging had er uit gesproken. En daarbij had hij Henny beloofd,
te scheiden.

Henny en hij waren het er over eens, dat zij elkander volmaakt vrij
zouden laten, als hun verhouding voor het oog van de wereld maar
zuiver was. Zij zou nooit zoo tegen hem opstaan als Kaja dat gedaan
had. Hij zou het bij haar veel gemakkelijker hebben. Wel beschouwd,
viel er niet veel meer te overdenken....

Ondertusschen stond zij, met haar armen over haar borst gekruist,
vóór hem. Haar gelaat kenteekende een groote spanning. Het was
bijna onnoodig, dat zij streed om haar aandoening te verbergen,
haar gejaagde ademhaling verraadde haar toch--en plotseling kreeg
hij lust, haar nog wat te pijnigen. "Ja, dan is het maar het best,
dat alles blijft zooals het is," zeide hij.

Het was alsof zij door een onzichtbaren slag getroffen was, alsof
zij in elkaar zonk. Doch zij redeneerde niet verder met hem, keerde
hem slechts den rug toe en ging naar de deur.

Met één sprong stond hij naast haar.

"Ik wou je alleen maar een beetje pijnigen," zeide hij. "Je zult je
zin hebben. Ik geef je het volle recht over het kind."

Met een ruk wendde zij zich naar hem toe. Zij antwoordde niet, doch hij
zag aan de wijze, waarop zij plotseling het hoofd oprichtte, flink en
onvervaard, hoe bevrijd zij zich voelde. En toen hij haar blik opving,
moest hij onwillekeurig de hand over zijn oogen strijken, zooals men
dat doet voor een al te sterk zonlicht. Zóó straalden en lichtten
haar blikken, zóó glinsterde en schitterde ook alles om haar heen.

Want op dat oogenblik staarde zij in "het beloofde land" en was zij
zijn tegenwoordigheid nauw gewaar. Hij voelde weer denzelfden steek
in zijn hart en keerde zich van haar af. "Ik mag het kind toch wel
komen zien?" zeide hij.

"Zoo vaak je wilt," zeide zij met plotselinge warmte in haar
stem. "Maar," en vol verbazing keek zij hem aan, "houdt je dan
heusch van het kind?... O, als je van 't kind houdt, dan doet het me
vreeselijk pijn voor je," voegde zij er bij.

En den heelen nacht lag zij er aan te denken, hoe vreeselijk het voor
hem wezen moest, om het kind te missen. Zij ging zoover, dat zij het
bijna zonde vond, hem er van te scheiden.

Doch Peter Dam sliep even rustig als gewoonlijk. Overdag moest hij al
genoeg vermoeienissen doormaken, 's nachts moest hij een ongestoorde
rust genieten, anders hield hij 't niet vol.

Den volgenden morgen sprak hij er met het grootste gemak en volkomen
natuurlijk over, hoe zij alles zouden regelen, en zij kon niet nalaten
te glimlachen bij de gedachte, wat een angstigen nacht zij voor hem
had doorgemaakt.

Een vierde van haar fortuin stond vast. Met de rente daarvan en een
toelage van vijfhonderd kronen 's jaars kon zij zonder moeite met
het kind leven. Hij stelde voor, haar de vijfhonderd kronen uit te
keeren, doch zij verklaarde beslist, dat zij zelf voor den jongen
zorgen wilde;--voor hem te werken, zou haar een geluk zijn.

Hij keek haar eens aan, haalde zijn schouders op en vond haar ijver
vrijwel overdreven--doch hij beproefde niet lang haar over te halen.

Wilde zij absoluut die vijfhonderd kronen niet hebben--enfin, dan
zou hij ze wel gebruiken. En fluitend liep hij de trap af.



Kaja had een paar regels aan oom Frans geschreven, waarin zij hem
in weinige woorden het voorgevallene vertelde en hem verzocht, een
kleine woning voor haar en het kind te huren.

"Zoo gauw als je maar iets vindt, dat geschikt is," stond er in haar
briefje, "want ik wil hier liefst dadelijk vandaan."

Vijf uur geleden moest hij dien brief reeds ontvangen hebben en nog was
hij niet gekomen. Nog zat zij in elkaar gedoken bij de open deur vlak
bij den gang, naar de bekende voetstappen op de trap te luisteren. De
oude angst had haar weer bevangen en haar hart bonsde in haar borst.

Als hij nu eens dood was! Als hij het nooit beleven zou dat zij vrij
was! Als zij hem nooit zou kunnen zeggen:

"Over drie jaar, over drie jaar gaan we samen naar het beloofde land!"

Een heel uur lang had zij de kamer al op en neer geloopen--zij had
den jongen uit de wieg genomen, hem er weer in gelegd--alles zonder te
weten, wat zij eigenlijk deed--nu lag het kind met den rammelaar van
oom Frans te spelen en keek haar aan met een paar oogen, die zóó op
de zijne geleken, dat zij ze ieder keer weer kussen moest. Het kind
liet den rammelaar vallen, en terwijl zij bukte om hem op te rapen,
hoorde zij de bel en snel als de wind was zij bij de deur.

Zoo pijnlijk was haar angst geweest, en zoo ontzettend was haar vreugde
nu, dat zij deed, wat zij zoo lang zij getrouwd was niet gedaan had,
zij vloog hem om den hals.

En hij hield haar in zijn armen, als een jong vogeltje verborg hij haar
dicht aan zijn borst--het was of zij geheel in zijn omhelzing verdween.

Als een lofzang zonder woorden was die omhelzing!

Doch toen zij merkte, hoe zijn handen beefden, toen hij telkens weer
haar hoofd aan zijn borst drukte en haar op de oogen kuste, wist zij,
hoe ook hij geleden had.

Eindelijk liet hij haar los en gingen zij samen de zitkamer in. Zij
deed hem op den stoel met den hoogen rug bij het raam neerzitten en
nam hem zijn hoed en stok af.

"Ga je nu ook niet zitten?" zeide hij, terwijl hij naar een stoel
naast zich wees.

"Nog niet," zeide zij, "ik moet je eerst eens goed aankijken."

Zoodra het licht op zijn gezicht gevallen was, bemerkte zij, dat er een
verandering met hem had plaats gegrepen, sinds zij elkaar het laatst
gezien hadden. Eerst dacht zij dat het kwam door de fijne rimpeltjes
bij de ooghoeken, doch toen ontdekte zij, dat zijn grijze haar er de
oorzaak van was.

"Ach," zeide zij, en er klonk een eerlijke droefheid in haar diepe
stem, "je mooie, zwarte haar! Dat ik dat nu ook al grijs heb moeten
maken!"

"Dat heb jij volstrekt niet gedaan," zeide hij, ontwijkend, "dat is
al lang zoo geweest!"

"Een beetje bij de slapen en achter in je hals, ja--maar niet
zooals nu!"

"Ja, wat zal men er aan doen?" zeide hij, terwijl hij met een schelmsch
glimlachje de hand door zijn haren streek. "Je ziet, ik begin oud
te worden."

Toen boog zij zich voorzichtig over hem heen, als wilde zij ieder
grijs haartje dat zij zag, tellen.

"Weet je wel," zeide zij, "dat ik ieder grijs haartje beschouw als
voor mij gewonnen?"

Hij keek haar aan en knikte:

"Daar kan je zeker van zijn, hoor, en daar kan je tevreden over zijn
ook--gelukkig en tevreden."

Zij glimlachte.

"Gelukkig en tevreden--" herhaalde zij en bedacht, hoe zij zelf eens
dezelfde woorden gebruikt had.

"Maar waarom kwam je zoo laat?" vroeg zij plotseling. "Ik begon bang
te worden, dat je ziek was."

Hij lachte om de angstige uitdrukking, die zich reeds op haar gelaat
vertoonde, toen zij er slechts over sprak.

"Ik keek onderweg naar woningen," zeide hij. "En toevallig zag ik er
één, die voor je geschikt is, en ik durfde de gelegenheid niet voorbij
laten gaan. Het is ver buiten de stad--lichte, mooie kamers--niet te
groot--maar jij en het kind hebben zooveel plaats ook niet noodig."

"Neen, we kunnen ons met weinig tevreden stellen. En dan te weten dat
het ons heele eigen is--van Helle en van mij! Verbeeld je, dat je
dan thee bij ons komt drinken! Juist als vroeger, toen ik thee bij
jou kwam drinken en je me daarna voorlas. Weet je 't nog? We zullen
elkaar nu ook gaan voorlezen," ging zij vol ijver door, "we zullen
't precies zoo hebben als vroeger--elkaar volmaakt vertrouwen en
niets voor elkaar achterhouden."

"Ja, juist," zeide hij. "We moeten elkaar iederen dag zien, zonder
dat we ooit genoeg van elkaar krijgen. Iederen nieuwen dag, dien wij
beleven, zal de vreugde van onze liefde even groot en even heerlijk
zijn--dat eisch ik--met minder ben ik niet tevreden!"

"Daarin ligt juist je kracht," zeide zij, "en dat is het laatste,
wat ik in je missen wil."

"Maar drie jaar is een lange tijd," zeide hij, "een vreeselijk lange
tijd--ben je niet bang dat je liefde het zoo lang niet kan uithouden?"

Zij lachte, zacht en gelukkig----

"Ben jij niet bang, dat je geduld ten einde raken zal?" zeide zij.

Hij schudde het hoofd en lachte, evenals zij. "Jacob diende wel twaalf
jaar voor Rachel," zeide hij, "dan kan ik zeker drie jaar voor jou
dienen----drie jaar, die ons twintig jaren zullen schijnen," voegde
hij er bij.

Zij stond hem met haar verleidelijken glimlach aan te kijken en zeide:
"O, wat zal 't heerlijk zijn om met jou samen te leven! En wat zullen
we Helle om 't hardst liefhebben!"

En alsof hij zijn naam had hooren noemen, begon Helle op hetzelfde
oogenblik duchtig in zijn wieg te trappelen en gaf door een paar korte,
besliste kreten, zijn wensch te kennen om er ook bij te zijn--en
Kaja haastte zich hem op te nemen. Zij tilde hem op haar schouders
en danste met hem de kamer rond. De namiddagzon viel gedeeltelijk
over haar kleed, streelde de fijne huid van den jongen en straalde
verwarmend over haar gelukkig, jong aangezicht.

Hij stond hen aan te zien en het was alsof zij beiden al de zijnen
waren--zoo'n overweldigend gevoel van rijkdom doorstraalde hem.

"Stel je voor!" zeide hij zacht tot zichzelf, "dat het werkelijk
nog maar drie jaar is vóór we het beloofde land bereiken zullen! Het
tooverland van ons geluk!"

Zij bleef staan en keek hem aan.

Dat hij nu ook juist dezelfde gedachten had--en ze in dezelfde
woorden uitte!

Hij ging naar haar toe en met het kind op haar schouders, drukte zij
zich tegen hem aan.

"Mijn eigen kleine wereld!" zeide zij zacht en innig, terwijl zij
haar oogen van het kind naar hem, en van hem weer naar het kind
liet glijden. "Neen!" zeide zij plotseling, terwijl zij haar hoofd
weer tegen zijn borst drukte: "Mijn eigen groote, heerlijk zalige
wereld----!"










                                        "En dagen kwamen
                                        en vlogen voorbij,
                                        snel als de bliksem:
                                        dagen van kracht en warmte,
                                        dagen vol zon....


Als een jaar later iemand hun één van beiden gevraagd had, waar de tijd
gebleven was, zouden zij het noch voor zichzelf, noch voor anderen
hebben kunnen verklaren, zoo waren uren, dagen, weken en maanden
voor hen voorbijgevlogen. Lichter dan de eerste blauwe vlinder een
eersten warmen voorjaarsdag over het jonge groen vliegt, vlugger dan
de eerste zwaluw zingend langs de eerste, witte zomerwolken zweeft.

Geen van beiden wist, waar de tijd gebleven was, doch af en toe zeide
zij: "Waar blijven de dagen, oom Frans? Het is, alsof ik ze vast moet
houden, alsof ze anders geheel in het niet zinken; het leven wordt àl
te kort voor ons, als we er met zulke reuzenstappen doorheen vliegen."

Doch hij lachte slechts en zeide: "Ja, ja, zoo moet het zijn. Denk
er maar aan, dat het beter is, kort en rijk te leven dan lang en arm."

Oom Frans was jonger dan ooit te voren. De guitige uitdrukking was in
zijn oogen teruggekomen en hij liep weer even recht en veerkrachtig
als voorheen. Op straat neuriede hij meestal zacht in zichzelf,
af en toe betrapte hij er zich zelfs op, dat hij hardop zong!

Het was of er altijd een lach speelde om de fijne, beweeglijke lijnen
van den mond, niet bepaald een glimlach maar zulk een blij gelukkige
trek, dat men de oogen niet van zijn mond kon afhouden.

Kaja was slanker en bleeker dan gewoonlijk, maar zij straalde van
vreugde als zij over het correctiewerk gebogen zat, dat oom Frans
haar verschaft had, en waarmee zij ongeveer de vijfhonderd kronen
verdiende, die zij noodig had, om er met de rente van haar klein
kapitaal van te kunnen leven.

En Helle? Ja, Helle maakte het misschien wel het allerbest. Hij was
begonnen op zijn kleine, korte, dikke beentjes de kamer rond te zeilen
en hij deed dit met een gewichtigheid, alsof hij heer en meester
was van 't heelal. Oom Frans noemde hem "De Czaar", als hij bij zijn
moeders stoel stil bleef staan en met een echte commandostem riep:

"Helle op!" Doch zoodra hij op haar schoot zat, veranderde de
uitdrukking van zijn gezichtje en stonden zijn oogjes weer schelmsch en
zacht, en dan verborg hij met een gelukzaligen zucht zijn hoofdje aan
haar borst. Zijn zwarte krulhaar viel, evenals dat van oom Frans, over
zijn voorhoofd, en zijn oogen waren even veranderlijk van kleur als de
zijne, maar mond en kin geleken meer op die van Kaja. Het eenige, wat
Helle van Peter Dam geërfd scheen te hebben, was zijn sterk gebouwde,
krachtige gestalte en de bizonder schoongevormde, kleine ooren.

Het was of Peter Dam zijn bestaan vergeten was.

Den dag, dat Kaja met het kind op de armen de trap af ging, om weg te
rijden, stond hij hen aan de deur met vochtige oogen na te kijken,
en had hij een gevoel of met deze twee, het beste wat hij had, hem
verliet. Doch een paar uur later was er geen spoor van verdriet meer
op zijn aangezicht waar te nemen.

Een week later kwam hij naar Helle hooren en toen hij wegging, liet
zij hem vriendelijk uit en verzocht hem zoo dikwijls te komen, als
hij behoefte voelde om het kind te zien.

Doch sinds dien had zij hem niet meer gezien. Zij hoorde dat hij
koninklijke toestemming aangevraagd had, om te trouwen vóór den bij de
wet bepaalden tijd, en zij hoopte oprecht voor hem, dat hij die krijgen
zou. Over 't geheel dacht zij aan hem als aan een volmaakt vreemde.

Oom Frans bracht onder een zwijgende overeenkomst al zijn avonden
bij haar door. Hij kwam vroeg in den namiddag. Dan lazen zij eerst
samen of maakten een wandeling.

Helle mocht verdiept zijn in zijn meest geliefde spelen, huizen bouwen
die altijd invielen, zoodra hij ze met de grootste moeite had opgezet,
of water pompen uit een pomp, die nooit leeg werd--zoodra hij de
voetstappen van oom Frans hoorde, stond hij dadelijk op en liep naar de
deur. Er was niets ter wereld zoo heerlijk dan op de schouders van oom
Frans te zitten en hem duchtig aan zijn haar te trekken, of paard te
rijden op zijn knie, terwijl oom Frans er de vroolijkste wijsjes bij
floot. Dan was het: "Helle iets vertellen", en oom Frans werd nooit
moe in 't verzinnen van nieuwe verhalen. Al de liefkoozingen, die hij
haar niet geven durfde, verdeed hij aan den jongen. Zij glimlachte,
als zij het zag. Hij sprak nooit tegen haar over liefde, maar hij
verstond de kunst, haar op duizenderlei wijzen met zijn teederheid
te omringen en er haar altijd weer van te overtuigen.

Op een goeden dag kwam hij thuis met een groot hobbelpaard. "Dat
is voor Helle," zei hij, als antwoord op haar vragenden blik. Een
ander maal was het een ganglamp. "Want ik heb gemerkt, dat je je
tegen de kast in den hoek stoot, als je me uitlaat," klonk het bijna
verontschuldigend. En op een zekeren dag kwam hij onverwacht met een
met bont gevoerden mantel. "Je mag er niet boos om zijn, maar ik ben
bang, dat je het te koud hebt in den ouden," zeide hij en hing den
mantel zonder verdere complimenten om haar schouders.

Het gevoel dat zij altijd in zijn gedachten was, maakte haar oneindig
gelukkig.... en als zij alle drie, even verdiept in 't spel, op den
grond lagen, dan ontbrak er slechts één ding, om hun geluk volmaakt
te doen zijn.



Zij hadden het tot een vasten regel gemaakt, iederen Zondag naar
Oringe te gaan. Zij hadden de rollen op zich genomen van adjudant
van den prins en van hofdame van de prinses, en oefenden een sterk
kalmeerenden invloed op de zieke. Als zij eens oversloegen, werd
zij dadelijk onrustig en woelig, en zoo werd het gewoonte, dat zij
altijd kwamen.

Kaja had een gevoel, alsof zij nooit haar schuld tegenover haar
moeder vereffenen kon, de schuld van al die jaren, dat zij zich niet
om haar bekommerd had en zij als dood voor haar geweest was! En het
was alsof zij zich ook verantwoordelijk gevoelde voor haar vader,
die zijn schuld tegenover zijn vrouw vergrootte, iederen dag, die
verliep, zonder dat hij naar haar omkeek. En Kaja wist nauwelijks,
hoe zij dit alles goed kon maken.

Doch oom Frans, die zag, dat dit gevoel licht tot ziekelijke
overdrijving kon overslaan, zeide op zekeren dag op zijn gewonen,
kalmen toon:

"Als zij mij goed genoeg vindt, om in de plaats van den prins te komen,
dan vind ik, dat jij er ook wel vrede mee zoudt kunnen hebben en mij
kalm alleen laten gaan."

En toen werd zij een beetje verlegen.

"Je bent veel te goed," zeide zij, blozend, toen zij hem zag
glimlachen. Maar daarna tobde zij er niet meer over.

Den eersten zomer, dat zij met het kind alleen woonde, bleef zij in
de stad, ook gedurende de vacantie, doch den zomer dat de jongen twee
jaar werd, stelde oom Frans voor, dat zij van half Juli tot het einde
van Augustus naar buiten zouden gaan. Het zou zoo goed voor Helle
zijn eens naar hartelust de buitenlucht te genieten.

Vol enthousiasme ging zij op zijn voorstel in.

"Maar waar naar toe?" vroeg zij.

"Ik stel voor naar Rödvig. Daar is 't heerlijk baden en er is een
verrukkelijk kreupelbosch."

"Goed, dan gaan we naar Rödvig!" riep zij stralend uit.

"Hoera, Helle! Nou zal je plezier hebben! Huizen in 't zand bouwen
en de leeuweriken hooren zingen!"

En uitgelaten sprong zij met den jongen in het rond, die haar bij haar
hoofd vast greep en met zijn kleine voetjes tegen haar aantrapte. Oom
Frans volgde hen met zijn gelukkige oogen.

"Wat zullen we 't daar heerlijk hebben," zeide hij.

Zoowel zij als hij beschouwden 't als iets dat van zelf sprak, dat
hij mee zou gaan.

Maar er waren anderen, die 't niet met dezelfde oogen beschouwden,
en Kaja werd op straat dikwijls staande gehouden door kennissen,
die vroegen:

"Is het heusch waar, dat je met oom Frans naar buiten gaat?"

Zij bloosde van verontwaardiging over de insinuatie, maar antwoordde
moedig:

"Ja, waarom zou ik niet?"

"Waarom?" klonk het dan in koor, beleedigd. "Hemel, Kaja, je kent de
wereld. Er is van den winter al genoeg over jullie gesproken, omdat
hij je zooveel bezoekt, maar als je nu op den koop toe nog met hem naar
buiten gaat, dan begrijp je heel goed wat de menschen zeggen zullen!"

Haar vingers jeukten, om de spreekster een paar flinke klappen om haar
ooren te geven, maar zij bedwong zich. Zij wierp het hoofd in den nek,
zooals zij altijd deed, als zij verontwaardigd was, en zeide trotsch:

"Ik geef geen cent om het oordeel der menschen. Ik heb niets te
verbergen--en hij evenmin."

Doch tegenover een bizonder opdringerige, oude vriendin viel zij,
terwijl zij van verontwaardiging met haar voeten op de straatsteenen
stampte, uit: "Kunnen de menschen hier in de stad zich dan in 't
geheel geen denkbeeld vormen van een reine verhouding?"

Doch daar de opmerkingen zich steeds herhaalden en iederen dag nieuwe
toespelingen haar ter oore kwamen, begon het haar op het laatst toch
pijn te doen.

Zooals iedere reine vrouw was ook zij teergevoelig, waar het haar
reputatie aanging. Het deed haar zeer, dat iemand die besmetten
kon. Doch allermeest pijnigde het haar, dat hun innigste private leven,
hun fijne, mooie verhouding, die slechts hij en zij kenden, door
nieuwsgierige vingers bezoedeld en aan de kritiek van kleingeestige
wezens onderworpen werd. Zij kon, zoo dikwijls zij wilde, voor zichzelf
herhalen: "Ik ben aan niemand rekenschap verschuldigd, waar het onze
verhouding aangaat--dat gaat niemand anders aan dan hem en mij,"--toch
vervolgde haar het bewustzijn, dat nieuwsgierige oogen hen gadesloegen
en zij begon er over te denken, of het maar niet het best zou zijn,
als zij, zoo ver mogelijk van elkaar, ergens naar buiten gingen. Doch
aan den anderen kant kwam haar heele gemoed er tegen in opstand,
volmaakt onverschilligen menschen zulk een offer te brengen. Zij,
die zoo gierig was op iedere seconde die zij samen doorbrachten! Zij,
die slechts leefde de uren, dat hij bij haar was! Zij kon noch wilde
dit offer brengen. En de oude angst ontwaakte weer in haar: Als hij
eens plotseling stierf! Wat zou zij zich dan iedere minuut, die zij
niet met hem doorgebracht had, beklagen!

's Nachts lag zij met allerlei verwarde gedachten wakker. Doch zij
kon er niet toe komen, er met hem over te spreken, het was of zij er
zich over schaamde.

Het oordeel der menschen! Wat was dat voor hem? De zoogenaamde
publieke opinie--wat gaf hij er om? Hij ging zijn eigen weg, zooals
hij altijd gedaan had, en zij wist, dat hij met oneindige minachting op
zoogenaamde vormen neerzag. Doch de strijd liet zijn sporen achter. Zij
werd bleek en stil, en toen zij haar koffers voor de reis begon te
pakken, was de vreugde voor de reis verdwenen.

Zij liep rond als iemand die graag vroolijk wilde zijn, maar het
niet kon.

Hij sloeg haar nauwkeurig gade, en zij was er zeker van, dat hij
zag wat zij dacht, maar zeide niets. Het was, of hij haar alleen den
strijd ten einde wilde laten voeren.

De dag vóór zij op reis zouden gaan, brak aan. Oom Frans zat in de
zitkamer met Helle te spelen. Zij liep heen en weer en legde kleeren
in den koffer, die half gepakt bij de deur stond. Plotseling zeide
zij, schijnbaar onverschillig, terwijl zij zich diep in den koffer
neerboog, om haar blozen te verbergen: "Heb je voor ons alle drie
kamers in het hotel besteld?"

"Neen," antwoordde hij kortaf, "ik heb alleen een kamer voor Helle
en jou besteld."

"Waar logeer jij dan?"

Plotseling keerde zij zich geheel naar hem toe.

"Ik weet het nog niet juist--als ik mee ga, neem ik misschien een
kamer bij den een of anderen visscher aan 't strand."

"Als je meegaat?" vroeg zij angstig.

Toen stond hij driftig op en zeide:

"Ja, want ik kom alleen, als we den geheelen dag samen kunnen
zijn. Begrijp je? Niet een paar karig toebedeelde uurtjes per dag,
maar den heelen dag. Ik kom niet, als je van plan bent mij voor wat
"mag" of wat "niet mag" op te offeren--en ik ben bang, dat je daar
de laatste dagen mee bezig bent geweest, nietwaar?"

Zij was vuurrood geworden en haar oogen stonden vol tranen. Toen
zeide zij met bevende stem: "Och, toe, wees niet boos op me."

Met Helle aan de hand ging hij naar haar toe en de jongen stak
oogenblikkelijk zijn andere handje naar zijn moeder uit die het
haastig vast greep.

"Zie je," zeide hij, terwijl hij haar diep in de oogen keek, "zoolang
wij tweeën elkaar vrij in de oogen kunnen zien met dat handje in de
onze, zoolang zijn wij niemand anders rekenschap verschuldigd. We zijn
in 't geheel geen ziel rekenschap verschuldigd," ging hij heftig door,
"dan aan den jongen hier. Tegenover hem zullen we eenmaal kunnen
staan als twee reine menschen. Hij zal zich nooit over ons behoeven
te schamen."

Zij had de hand van den jongen losgelaten en sloeg haar arm om
zijn hals.

"Oom Frans!" zeide zij met vochtige oogen, terwijl zij hem gekscherend
bij den kraag van zijn jas schudde--"ik bezweer je, dat, waar je ook
naar toe trekt in de wereld, daar gaan Helle en ik mee, hoor--je kunt
nooit meer van ons af. En geen minuut van den dag zal ik je onthouden."

"Geen minuut! Beloof je me dat?" vroeg hij stralend.

"Dat beloof ik."

Haar geheele wezen straalde zóó van liefde, dat hij een gevoel kreeg,
alsof hij haar nu in zijn armen nemen moest en haar niet meer loslaten,
vóór zij geheel de zijne was. Doch toen keerde hij zich met een ruk
om, tilde Helle op zijn schouders en sprong met hem de kamer rond.

"Meer, meer!" gilde Helle, en schopte met zijn beentjes oom Frans op
de borst.

En oom Frans sprong en danste, dat het een lust was.










Als Kaja later aan dezen tijd terugdacht, begon haar hart altijd even
snel te kloppen als toen, dat haar geheele ziel juichte van vreugde,
juichte van geluk!

In dien tijd had zij Rödvig's strand en Rödvig's bosch voor eeuwig
liefgekregen. Dáár, waar de wilde rozen zich slingerden om de
kamperfoelie, als wilden zij gezamenlijk den weg naar een tooverslot
verbergen, dáár groeide hun geluk voor altijd op, dáár ontwikkelde
zich hun gedachtenleven in vollen rijkdom, en dáár begonnen zij voor
het eerst samen te spreken over het tehuis, dat zij bouwen zouden,
en ontwerpen en plannen voor de toekomst te maken.

"Nu nog maar anderhalf jaar!" konden zij tegen elkaar zeggen en zij
spraken over die anderhalf jaar of het slechts een week was.

Urenlang konden zij aan het strand zitten luisteren naar de golven,
of zacht samen praten, terwijl Helle om hen heen in het zand speelde
en hen af en toe met zijn helderen kinderlach in de rede viel. Of zij
lieten steentjes over het water keilen of schertsten met de visschers
en verdiepten zich in de kleine genoegens en verdrietelijkheden van
het dagelijksch leven--doch ieder maal dat zij bij 't kreupelbosch
kwamen, was het alsof zij door een toovermacht werden aangegrepen. Dan
bleven zij stilstaan, en, terwijl zij elkaar aanzagen, zeiden zij
soms vragend:

"Vindt je niet, dat het precies is, alsof we hier samen een tooverland
ingaan?"

En geen van beiden dacht er aan, dat hun liefde het tooverland was, dat
zijn draden spon over dagen en jaren, tusschen rozen en kamperfoelie
recht door naar het tooverslot, naar het beloofde land, dat hun in
dien tijd meer nabij scheen dan het bosch, waarin zij liepen, meer
nabij dan de lucht, die zij inademden en het mos, dat zij betraden. O,
heerlijk, heerlijk kreupelbosch! Met uw verrukkelijke paadjes, die
zoo smal zijn, dat men ze nauwelijks ziet, en zóó diep, alsof ze nooit
eindigen--met uw woudduiven die altijd kirren, met uw nachtegalen die
zingen tot lang na Sint Jan--met uw kleine, plotseling te voorschijn
komende watertjes, en uw geur--uw wonderlijk zaligen geur van volle,
gele kamperfoelie! Geen wonder dat gij iemand de ziel betoovert! Geen
wonder, dat de twee menschen, die hun lichtste levensdagen in uw schoot
doorleefden, u nooit meer kunnen vergeten! Hun liefde werd even licht
en harmonisch als overgangskleuren in de toppen van het jonge hout. Het
was of zij inéénvloeide met de zonnenevelen over het blanke water.--

Helle werd daarbuiten door de zon verbrand en flink, zijn geheele
kleine persoontje straalde van gezondheid, en hij danste van
plezier, als hij tusschen hen inliep met zijn kleine, dikke handjes
vertrouwelijk in de hunne. Hij maakte hen menigmaal door zijn grappige
invallen, en door zijn volhardende pogingen, om zich verstaanbaar
uit te drukken, aan het lachen.

Als zij zoo, met den jongen tusschen hen in, door het dorp liepen,
was de familiegelijkenis zóó in 't oogvallend, dat het niemand ontgaan
kon, en tegelijkertijd lag er een glans van geluk over de geheele
groep, die zich in alles om hen heen, zelfs in de aangezichten van
de menschen die zij tegenkwamen, scheen te weerspiegelen.

"De gelukkige familie" noemden de menschen uit het dorp hen en zij
hadden, als zij hen ontmoetten, een vaag gevoel, iets wonderlijks
gezien te hebben.

En voor "de gelukkige familie" was iedere nieuwe dag, dien zij
beleefden, een nieuwe vreugde. Zij wisten niet, waar de dagen en
weken bleven--al wat zij wisten, toen de laatste dag aanbrak, was,
dat het leven heerlijk was geweest.

Geen van beiden vonden zij woorden, die hun geluk konden
uitdrukken--doch zij dachten hetzelfde en hun gedachten kruisten
elkaar, en verkondigden elkaar wat zij beiden voelden. Het eene
oogenblik liep hij te fluiten, het andere zij te zingen, en altijd
sprong de jongen juichend tusschen hen in.

Iederen avond, als zij alleen naar het strand liepen, ging zij op
een hoogen steen aan het water zitten, met haar handen onder de knie
gevouwen, en dan zong zij met haar diepe, warme stem.... en haar
gezang vlood ver weg van de kust, ging ver weg over de golvende,
frissche zee....

Dan lag hij in het zand naast haar en keek haar aan met zijn oogen,
die van kleur veranderden, evenals het water van de zee daar vóór hen.

En ieder maal, als zij ophield, zeide hij: "Nog wat!"

En dan zong zij weer één van zijn lievelingsliederen. En dan volgde
hij de scherp sprekende lijnen van haar mond met zijn oogen, als zij
na het zingen vóór zich uit zat te staren, met haar lippen nog half
geopend, tot hij plotseling zijn oogen toekneep en weer zeide:

"Nog wat! Zing over de blijdschap van het leven en de vreugde van
den dood."

Doch dan zweeg zij.

"Ik begrijp je niet," zeide zij, "alle anderen spreken van angst voor
den dood--van lijden en vrees om te sterven--maar jij praat alleen
maar van de vreugde."

Hij keek haar eens aan.

"Ik geloof ook, dat het een vreugde is," zeide hij. "Jij hebt misschien
nooit een pop zien openbarsten en een vlinder zien uitvliegen--maar
ik heb dat gezien meer dan eens. Urenlang kan ik een pop gadeslaan,
die op de gedaantewisseling wacht--ademloos kan ik het oogenblik staan
te verbeiden, dat het wonder geschieden zal. En zelf voel ik iets
van de vrijheidsvreugde, die de pop bezielen moet, als zij voor het
eerst voelt, dat zij vleugels heeft. Wat bekommert de vlinder zich
om de doode pop! Vleugels heeft zij, óp naar de zon vliegt zij--zij
denkt niet meer aan hetgeen nu stof is! Doch de menschen kunnen niet
nalaten, te denken aan het leeg omhulsel, en dat maakt, dat men den
dood vreest! En dan is het toch ook slechts een pop, die vlinder
wordt! Want wat gebeurt als er een mensch sterft? Niets anders dan
dat de ziel vleugels krijgt! En dat is toch een reden tot vreugde,
zou ik meenen?"

Zij zuchtte diep.

"Och ja," zeide zij, "als jij het op die manier zegt, dan ben ik
het met je eens. Maar als ik den dood zie, dan geeft die mij angst,
een grooten, vreeselijken angst!"

Hij antwoordde niet--hij scheen in gedachten verzonken.

"Ik zou je wel eens willen voorlezen, wat Sören Kirkegaard over den
dood zegt," zeide hij.

Doch zij schudde het hoofd.

"Ik heb nooit de verwantschap tusschen hem en jou begrepen,"  zeide
zij. "Hij kende slechts de droefheid van het leven.--En jij praat
over de vreugde van te sterven! Zijn natuur was even uit zijn verband
gerukt als de jouwe harmonisch is."

Hij zweeg even, terwijl een zwakke glimlach zich aan zijn mondhoeken
vertoonde. Toen zeide hij:

"Ja, ik ken zijn paradoxen, maar toch staat hij als een reuzeneik
tusschen al het andere jonge groen. Het tegenwoordig geslacht zal
nooit over zijn zeer sterk individualisme heenkomen. Het heeft niet
veel gescheeld of hij heeft zoowel zichzelf als anderen door zijn
eischen, aan een Christen gesteld, ten onder gebracht, maar toch--als
ik er mij een kiezen moest, dan koos ik hem, 't is of er voor anderen
geen plaats is."











                                        "En dagen kwamen
                                        en kropen, kropen
                                        als slakken voorbij,
                                        dagen van zorg en verdriet--
                                        Maar alle, o! alle--
                                        ik had ze geleefd!"


Den morgen, dat zij Rödvig verlaten zouden, kwam er bericht van
den eersten geneesheer van Oringe, dat mevrouw Halling een hevige
zenuwkoorts had gekregen, en hij geloofde niet, dat zij nog vele dagen
te leven had. Als zij komen wilden, om haar nog te zien, moesten zij
dit zoo spoedig mogelijk doen.

Denzelfden morgen gingen zij er heen en namen den jongen mee. Den
geheelen weg over was Kaja zeer stil en het was oom Frans, die Helle
moest bezig houden. Op zijn knie stond hij te trappelen en te lachen
over de "tuf, tuf" en iedere nieuwe reiziger, die instapte, begroette
hij met een kushand. En op zijn schoot viel hij ten laatste in slaap
met het gekrulde, zwarte hoofdje en de samengeknepen knuistjes dicht
tegen zijn borst.

Toen zij aan het gesticht kwamen, lieten zij Helle aan een verpleegster
over en gingen samen naar de ziekenkamer. Buiten de deur bleef Kaja
even stilstaan en haalde diep adem.

"Ik ben bang," zeide zij--"ik ben bang voor den dood."

Op zijn eigenaardige, vertrouwelijke manier nam hij haar hand in de
zijne en als altijd kalmeerde haar dit.

"En ik ben juist blij, dat ik je toonen kan, hoe mooi die is,"
zeide hij.

Zij gingen samen binnen, en dadelijk wendde de zieke het hoofd om.

"Wat voor bericht heb je voor mij van den prins?" zeide zij, terwijl
zij haar van koorts gloeiende oogen op hem vestigde.

Kalm ging hij naast haar zitten. Toen zeide hij:

"De prins laat u weten, dat u nu kunt gaan, waarheen u wilt. De
gevangenis is open!"

De oogen van de zieke glinsterden. Zij streek het zware grijze haar
van haar voorhoofd en richtte zich op haar ellebogen op.

"Het is goed, dat je kwam," zeide zij. "Je begrijpt altijd, wat ik
bedoel. Er is iets hierna--een heel ander leven dan dit--beschrijf
me dat eens."

Oom Frans boog zich naar haar toe en fluisterde haar in het oor:
"Ik weet niet, hoe het is," zeide hij, "ik heb het zelf nooit
ondervonden. Maar als ik er aan denk, is het alsof ik ketens hoor
vallen."

"Juist,--" zeide zij. "Ik ken dat geluid. Altijd als ik hier
binnenkwam, was het alsof ik ketens hoorde rammelen. O, je moest eens
weten, hoe vreeselijk dat was!" Zij rilde. "Ik liep en liep om ze te
ontvluchten, maar altijd rammelden ze achter mij aan. En nu zullen
ze vallen, zeg je? O, wat een groot, onmetelijk geluk!"

Oom Frans keek haar vlak in 't gezicht, waar de dood al zijn kenteekens
gedrukt had.

"Ja," zeide hij met warme stem, "nu zullen we u gelukkig zien."

Kaja lag op haar knieën bij het bed en drukte haar hoofd vast in
de kussens.

"Arm, arm moedertje!" was al wat zij zeide, "arm moedertje!"

De zieke richtte het hoofd op en luisterde. Er was iets in die stem,
dat tot haar doordrong, maar zij kon zich niet verklaren, wat het was.

Zij liet haar moede hand op Kaja's hoofd neerdalen en keek oom
Frans aan.

"Tegen haar moet je goed zijn," zeide zij; "zij lijkt op een klein
meisje dat ik eens gehad heb."

Kaja barstte in tranen uit--lang en hevig weende zij met de handen
vóór haar aangezicht--tot de zieke onrustig begon te worden en zeide:

"Ik kan je niet troosten, al mijn troost is weg."

Toen legde oom Frans zijn hand krachtig op Kaja's schouder en zeide:

"Houd je nu in! Laat haar nu gelukkig sterven!"

En oogenblikkelijk stond Kaja op, droogde haar oogen en ging op een
stoel naast het bed zitten. Oom Frans zat aan den anderen kant en
over het doodsleger staken zij elkaar de handen toe. Zoo zaten zij
zwijgend, de verandering die komen zou, af te wachten. Ieder maal
dat Kaja haar hoofd wilde afwenden, fluisterde hij: "Neen, blijf
haar aanzien, je moet haar gezicht zien als de ketens vallen." En
met tegenzin gehoorzaamde zij hem.

Doch bij het eerste rochelend geluid uit de keel der zieke kromp zij
in elkaar en wendde zich af. "Neen, het is te vreeselijk. Ik wil het
niet zien!"

En met zijn blik dwong hij haar naar haar plaats terug en zeide:
"Het is laf om het te ontloopen. Als je den dood niet krachtig in de
oogen ziet, zal je er altijd bang voor blijven."

En toen begon zij de zieke aan te staren--zij volgde de wisselende
uitdrukking van de dwalende oogen en zag, hoe de moede handen het
dek bevoelden en vastgrepen, en toen zij het koude zweet over de
bleeke wangen vóór haar zag neerdruppelen, was het of zij het voelde
op haar eigen voorhoofd. Doch plotseling werd zij achter al het
vreeselijke iets anders gewaar. Zij begon achter de gebroken oogen
de hoop op vrijheid van een gevangen ziel te zien... een geest,
die zich zingend een weg baande door het lichamelijk omhulsel... En
langzamerhand kreeg zij hetzelfde gevoel als oom Frans, wanneer
hij over de pop stond heengebogen en wachtte op het oogenblik, dat
de vlinder zou uitvliegen. Zachtjes aan begon zij het gevoel van
juichende feestvreugde te begrijpen, dat een ziel doortrillen moet,
als zij gewaar wordt, dat zij vleugels krijgt!

Zij begreep, dat, na de geboorte, dit het gewichtigste oogenblik
in het menschelijk leven is. Het eerste, groote oogenblik is dat,
wanneer de ziel den drempel naar haar bestaan op aarde overschrijdt,
het tweede en laatste, wanneer de ketens vallen!

De zieke had haar oogen wijd open. "Ach neen!" zeide zij plotseling
smeekend. "Trap er niet op! Het is maar een klein wormpje, maar het
heeft toch ook een ziel!"

Oom Frans glimlachte. "Het is wonderlijk," zeide hij, "ik dacht juist
hoe goed zij altijd geweest was. Als zij vóór God's rechterstoel
stond en haar gevraagd werd: "Wat hebt gij gedaan?" dan zou zij kunnen
antwoorden: "Ik heb nooit iets dat leefde, met voeten getreden." En
er zijn er niet veel onder ons die hetzelfde zeggen kunnen."

Kaja keek hem aan, met tranen aan haar lange oogwimpers. "Ja jij kunt
hetzelfde zeggen," zeide zij. "Er is niemand zoo goed en fijn als
jij. Ik ben overtuigd, dat zij gedurende al deze jaren gevoeld heeft,
dat jij de harmonie in haar ongelukkig, uit elkaar gerukt bestaan
hersteld hebt. Daarom hadt je die wonderlijke macht over haar."

"Neen, neen!" riep de zieke plotseling luid, terwijl zij zich
oprichtte, "Mijn prins zal anders zijn! Op hem zou hij moeten gelijken,
die dáár zit. Zijn oogen zouden even sterk moeten zijn, zijn handen
even zacht, zijn gemoed even trouw en nooit zou een offer hem te
groot moeten wezen. In één ding slechts in één, zou hij op de vrouw
moeten gelijken: hij zou voor haar die hij liefhad, alles moeten kunnen
opofferen. Maar hij, aan wien ik denk," en zij lachte hard en bitter,
"iederen dag van mijn leven trapte hij mij en het deed hem genoegen
te zien, hoe ik leed. En zijn handen," zij rilde, "zijn handen waren
zoo groot en zoo hard."

Oom Frans boog zich voorover en legde zijn hand op het koortsheete
voorhoofd der zieke. Toen wendde zij haar verwilderden blik naar
hem toe.

"Zeg het aan niemand," fluisterde zij. "Als ik iets gezegd heb,
verberg het in je eigen hart. Alle vrouwen, die het diepst lijden,
lijden in stilte.--Wij durven er niet over spreken, zoolang wij
leven--wij durven het niet fluisteren in ons stervensuur. Het grootste
en zwaarste raadsel van ons leven hier op aarde nemen wij mee in den
schoot van de aarde----"

Hij nam haar hand, die onrustig aan de deken plukte, in de zijne en
zeide: "Dat is goed, de vrouw moet ook in stilte lijden."

En onder den invloed van zijn diepe, kalme stem sloot zij de oogen
en werd rustig. Doch een half uur later rees zij weer op.

"Zie!" zeide zij, terwijl zij met glinsterende oogen vóór zich
uit staarde. "De deuren staan wijd open! Ik wil er uit! Ik wil
vliegen!----Maar ik kan niet," klonk het klagend, "want ik heb geen
vleugels--"

"Blijf stil liggen," zeide oom Frans, "dan zult u de vleugels voelen
groeien."

En onbewegelijk bleef de zieke liggen. Haar geheele aangezicht was
één enkele, hoopvolle glimlach.

"Kijk eens, hoe mooi!" zeide oom Frans. Hij nam Kaja's hand en bracht
haar nader bij de zieke. Zij had haar hoofd in het kussen verborgen,
als was zij bang om den dood in de oogen te zien; nu richtte zij zich
op en volgde de richting van zijn blik. Doch de stervende zag haar
niet meer--haar oogen barstten onder de warmte van een stralend, ver
verwijderd licht, en zij hadden een uitdrukking van iemand die lang
gevangen gezeten heeft, en nu plotseling loskomt. "De vleugels--"
was al wat zij fluisterden--"de vleugels----!"

"Nu heeft zij ze," zeide oom Frans en spreidde stil het laken over
haar aangezicht.

"Laat mij haar nog éénmaal zien!" smeekte Kaja, en kuste snikkend
de koude handen, die een oogenblik te voren nog tastend de hare
zochten. Doch oom Frans nam haar hand in de zijne en ging met haar
naar de aangrenzende kamer.

"Waarom zou je meer willen zien," zeide hij, "wat nu over is, is
niet mooi."

En rillend drukte zij zich tegen hem aan.

"De dood is in ieder geval vreeselijk," zeide zij.

"Maar een bevrijding--" voegde hij er bij. "Denk eens wat een
bevrijding voor een ziel als de hare!"

"Maar een bevrijding die scheidt--die duizenden mijlen tusschen ons in
legt," zeide zij, terwijl zij over zijn schouders naar het bed keek,
waar de doode lag.

"Dat vind ik niet," zeide hij op zijn kalme, zachte manier. "Wat zijn
tijd en ruimte voor een ziel, die vleugels heeft--?"

Doch zij kon een gevoel van afkeer niet van zich afzetten en
onwillekeurig nam zij den jongen in haar armen, die geheel onbewust,
dat de dood hem een oogenblik geleden voorbij was gegaan, op den
grond zat te spelen.

Zij drukte het kind vast tegen zich aan en zeide, met de oogen stijf
op oom Frans gericht:

"Ik hoop, dat ik het eerst van ons drieën sterf, want ik zou noch jou,
noch den jongen kunnen missen. Neen, neen, ik zou niet kunnen!"

Haar oogen stonden zóó angstig en haar stem klonk zóó bevend, dat hij
niets beters te doen wist, dan haar bange hoofdje aan zijn borst te
drukken en haar rood-gouden haren zacht te streelen en haar zachte
wangen, met de bijna kinderlijke ronding, liefkoozend te aaien....



Dagen en weken lang daarna werd zij door iets vervolgd, dat haar dag
noch nacht rust liet.

Het was, of zij een stem hoorde vragen, wien zij liever missen zou,
hem of den jongen, hem of den jongen--?

En wien zij ook koos, altijd was het alsof haar hart breken zou. Zij
voelde het met koortsheete, pijnlijke, harde slagen naar haar keel
slaan. En plotseling kreeg zij een vreeselijken angst, dat zij de
ziekte van haar moeder had overgeërfd.

Op het laatst kon zij het niet langer uithouden en vertelde al

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/27658