Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Door het land der Skipetaren

by Karl May · Dutch · Gutenberg #27652 · 851,380 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Door het land der Skipetaren
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Door het land der Skipetaren

Author: Karl May

Illustrator: Jan Sluijters


        
Release date: December 29, 2008 [eBook #27652]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27652

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DOOR HET LAND DER SKIPETAREN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/









                  DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN

                  DOOR HET LAND DER SKIPETAREN


                              VAN

                          DR. KARL MAY

         Naar het 47ste duizendtal der Duitsche uitgave

         Met 8 Platen naar Teekeningen van Jan Sluyters


                          TWEEDE DRUK

                           AMSTERDAM
                         H. J. W. BECHT





   Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.









EERSTE HOOFDSTUK.

ONTMASKERD.


De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar
eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden,
die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer
afgelegen is.

Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen
dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die
voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van "recht"
eigenlijk geen sprake wezen kan.

Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet
kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan
ook ons optreden tegenover den Mubarek, [1] ons met het "gerecht" in
aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste
eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds
in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan,
op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige
wijze op te treden.

Toen wij ons naar het "gerechtsgebouw" begaven, begon de avond
reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de
binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs
den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.

Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter
ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarek had al
zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.

Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het
verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank
en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.

Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over
den geheelen omtrek een fantastisch licht verspreidde.

De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen
van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de
weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was,
scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.

Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de
Khawassen presenteerden de blanke sabel.

--O, Allah!--zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik
sidder van angst.

--Ik ook!

--Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun
sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?

--Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld
en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.

De vijf rechters hadden plaats genomen.

De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong
door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik
herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door 't gebruik van
oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar
gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.

Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op
de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje
stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt
bevatte.

De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was
het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem,
die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:

--In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa, wien
Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen
om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de
nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij
zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.

De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren
kregen was inderdaad belachelijk. Hij was ingespannen bezig met
ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd
overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper
verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.

Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:

--En wie heeft u geslagen?

--Deze!--antwoordde hij op Halef wijzende.

--Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus
beraadslagen wat ons in deze te doen staat.

Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met
luider stemme:

--De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig
zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal
worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa,
wien Allah zegene!

Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen
uit te barsten.

--En nu is het tweede vergrijp aan de orde!--verkondigde de
ambtenaar.--Manuwadschi kom naar voren en spreek!

De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan
ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer
beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:

--Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets
vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en
zelf zitten ging.

--Ik dank u!--zeide ik.--Het past den mindere den meerdere eer te
bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.

Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving
te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen,
wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de
lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn
ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij
zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.

Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte
blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam
eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en
schreeuwde mij ten slotte toe:

--Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en--

--Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw
zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen,
onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken
er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!

De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.

--Emir, ik gehoorzaam!--zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar
een wenk te geven.

Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders
had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha
was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek
hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:

--Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!

Hij wees daarbij naar mij.

De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.

--Terug!--riep ik hun toe.--Wie 't waagt mij aan te raken, schiet
ik neer.

Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik
zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.

--Wat is de aanleiding tot uw toorn?--vroeg ik den Kodscha. Waarom
staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.

Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde
beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel,
dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.

Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:

--Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel
onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een
Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil,
kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!

--Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek dan
verstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij
is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!

Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles
uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de
hand naar mij uit.

--Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de
hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...

Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een
zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken
en een geweldigen luchtsprong maakte.

Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na
een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende
kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den
Mubarek staan.

--Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk
heb. Halef, breng het licht eens naderbij.--En nu, menschen, ziet,
wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik
pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren
hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist,
aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien
en konden dubbel geslagen worden.

Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders
was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het
kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig
voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde
haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.

De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand
te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om
zich heen.

--Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet,
hindert niets!

De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij
had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet,
werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles
zien. Zij bleven rustig.

--Deze man,--ging ik voort,--dien gij allen voor een heilige houdt, is
een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivel zelf. Zijn
woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u
later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door,
om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat,
zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de
krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij
dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik,
die hij als kreupele draagt!

Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde
hun doel en gebruik.

--Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere
gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw
kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om
zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij
de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee
gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij
den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij
de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den
donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan
zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar
en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet
mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek
zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?

Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn,
want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.

Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen,
waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude
Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de
stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik,
op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus,
die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het
beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren
en de woorden: Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.

--Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap
gewikkeld,--ging ik voort,--wie weet waar hij die gestolen
heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te
vinden zijn.

--On iki zikkeler, twaalf muntstukken!--riep een vrouwenstem achter
mij.--Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.

Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband
uit de hand, bekeek dien en riep uit:

--Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke
voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.

Zij reikte hem haar man.

--Bij Allah, het is de uwe!--erkende hij.

--Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij
u is geweest,--zeide ik.

--De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat
eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen
en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik
een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.

--Nu, nu kent gij den dief!

--Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij
zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal------

--Zwijg nu!--viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer
welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer
tot staan zou zijn gebracht.

--Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens,
welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot
Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft
hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of
hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik
eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen
niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met
het gebeurde in kennis wordt gesteld.

Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle
kanten:

--Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de
voetzolen stuk!

--Sapijtijn iz ona bojunu!--Draait hem den hals om!--krijschte Nohuda,
die woedend was over den gepleegden diefstal.

De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:

--Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij
den armband eerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij--Aï, Aï!--

Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs
zweep onzacht op zijn rug neerkwam.

--Wacht schurk! riep de Hadschi.--Ik zal op uw rug schrijven dat wij
eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den
armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is
geen dief. Daar hebt gij uw loon!

Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit
brulde van pijn.

--Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik
van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha
wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan,
maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder
op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer
gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te
hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen,
en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk
voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.

--Bindt den kerel!--riep ik hun toe. Boeit hem!

Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke
ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.

De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was
zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten
tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij
ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank
niet met een misdadiger deelen.--En nu zullen wij op de rechtspraak
terug komen!--zei ik tegen den Kodscha Bascha.

--Kent gij de wetten van uw land?

--Natuurlijk moet ik die kennen!--antwoordde hij--ik heb immers aan
de hoogeschool gestudeerd.

--Dat geloof ik niet!

--Waarom niet?--vroeg hij beleedigd.--Ik ken het geheele geestelijk
recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de
eerste vier Khalifen.

--Kent gij dan ook het Mülteka el buher, wat uw burgerlijk en
strafrechterlijk wetboek is?

--Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.

--Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan
niet dienovereenkomstig.

--Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.

--Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den
grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven
moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld,
zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw
vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle
aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier
niet het geval.

--Ze zijn er immers allen!

--Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?

De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:--Ik
zal hem laten halen!

Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd,
en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:

--Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden
toestand waarin gij hem vindt!

Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men
had hem de handen op den rug gebonden.

--Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft
gebonden?--vroeg ik.--Wie heeft daartoe het bevel gegeven?

--De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:

--De Mubarek wilde het zóó!

--Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij
zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad
geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt
gehouden.

--Ik was in mijn recht!--verdedigde hij flauwtjes.

--Dat kunt gij mij niet bewijzen!

--O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling
zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder
mijn macht!

--En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog
eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met
hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat tot nu toe wel
gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen
en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij
kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien
en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik
verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!

--Dat moeten de Khawassen doen!

--Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote
onrechtvaardigheid.

Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.

--Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart
gij de Makredsch of Bilad i Kamse Mollatari in persoon.

--Hier zijn mijn papieren!

Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi
en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige
oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van
den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.

--Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.

--Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.

--Ik zal doen wat gij verlangt.

Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.

--Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.

--Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft
een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders
toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben
voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.

--Dat geloof ik niet!

--Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om
omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.

--Is dat waar?

Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was,
dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde,
dat deze hem de les had voorgezegd.

--Gij ziet,--aldus wendde ik mij tot den Bascha,--dat ik dezen man
geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon
van dien oude was, en nam hem met mij mede om daarvan wat naders te
weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen,
ben ik bereid mij te verdedigen!

--Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt
geen kwaad gedaan!

--Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden
tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar
de schuld van!

--En wie is die andere?

--Gij zelf!

--Ik?--Hoezoo?

--Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om 't aan te
geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?

--Alles wat ik kon!

--Zoo! En dat was?

--Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon
worden gedaan!

--En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!

--Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!

--Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als
gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad
heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan
Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?

--Omdat hij de knapste is!

--Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.

--Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?

--Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van
dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene
wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om
over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven
gelegenheid wildet geven om weg te komen.

--Effendi, wat denkt gij wel van mij!

--Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets
lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de
misdadigers liet zoeken.

--Zij zijn immers naar Doiran gereden!

--Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal
ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moest gij als
oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat
gij een vriend van die misdadigers zijt?

Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.

--Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.

--Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch
dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht
u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!

--Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om
zich aan te geven?

--Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!

--Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.

--Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad
zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.

--En moet ik dan weten bij wien?

--Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!

--Wat? Weet gij het?

--Ja, en heel nauwkeurig zelfs!

--Dan moet gij alwetend zijn!

--Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen
zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie
is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?

--Meent gij den Mubarek?

--Geraden!

--En bij hem zouden zij zijn?

--Precies!

--Gij vergist u.

--Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap
aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar
naar boven op den berg te gaan.

Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen
mij alsof die twee het met elkander eens waren.

--Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!--zeide hij.

--Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen
de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom
gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!

--Gij schertst toch zeker!

--Neen, het is mij volle ernst!

--In deze duisternis?

--Zijt gij bang?

--Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad
daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen
als de dag is aangebroken.

--Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens
wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.

--Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar
de ruïne kon gaan.

--Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er
lantaarns worden mede genomen!

--Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!

--Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis
blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha
meer waard zijn dan gij!

Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd,
maar zeide toch:

--Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen
welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!

--Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.

--Gaat de Mubarek meê?

--Ja, hij moet ons den weg wijzen!

--Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!--zeide hij,
en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.






TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN NACHTELIJKE TOCHT.


De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens,
fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij
velen der omstanders zich bij ons aansloten.

Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was
nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking;
daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.

Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige
rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn
bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide
zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van
Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.

Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de
ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien,
dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.

Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de
vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post
vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.

Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een
stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven
konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom
hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te
jagen, en om geen kans te loopen dat deze of gene met hen handgemeen
werd, want er waren vrouwen ook bij.

De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij
verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie
bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik
hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt,
voor het geval van een plotselinge gevangenneming.

--Wat moet gij daar binnen doen?--vroeg ik. Hij antwoordde niet. De
goede man scheen niets meer van mij te willen weten.

--Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten,
dat aan uw verzoek wordt voldaan.

Nu antwoordde hij.

--Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.

--Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis,
maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid
antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.

--Vraag maar op!

--Hebt gij bezoek?

--Neen.

--Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet
of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.

--Er is niemand, anders moest ik het weten.

--Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud
el Amasat?

--Ik ken noch den een noch den ander.

--En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.

--Dat is niet waar.

--Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt
gesteld.

--Dat is niet waar!

--En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet,
waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!

Hij antwoordde niet dadelijk. 't Kwam hem ongehoord voor, dat ik
alles weten zou.

Eindelijk antwoordde hij.

--Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen
wier namen gij hebt genoemd!

--Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb, en uit
medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen
hier in de nabijheid zijn!

Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging
met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar,
benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter
moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte
bood voor zoovele personen.--Toen Halef de klimop op zijde schoof,
hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.

--Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling
kwamen die voor stal werd gebruikt.

--Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij
toebehooren!--merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!

De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut,
hadden geboeid, [2] lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.

Niemand sprak een woord. Met Halef's hulp maakte ik hun touwen en
banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te
geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.

--Manach el Barscha, kent gij dezen man?--vroeg ik, naar den Mubarek
wijzende.

--Allah vervloeke u!--antwoordde hij.

--Barud el Amasat, kent gij hem?

--Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!--riep hij.

Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.

--Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze
beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter
uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg
de waarheid! Kent gij dezen man?

--Ja,--antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.

--Wie is hij?

--De oude Mubarek!

--Kent gij ook zijn werkelijken naam?

--Neen!

--Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?

--Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.

--En ik zou te Menlik vermoord worden?

--Ja!--

--En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de
gevangenis dooden.

--Zoo is het!

--En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart
speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.

--Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!

--Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw
kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!--En
mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:

--Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!

--Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.

--Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb,
is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest
om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar
de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit
bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan
beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den
grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.

Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien,
en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha
zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij
de behandeling der zaak te moeten overleggen.

Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit
iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet
noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige
voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou
kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha
werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij
elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.

--Dieven!--mompelde de Mubarek.

Halef's zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar
antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek
gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en
weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier
gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.

Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.

Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en
staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij
een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden,
was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen
gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den
ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van
mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed
besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot
den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden,
kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat
niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik
het kon verhinderen, er haar lippen op.

--Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi
en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.

Het was Nebatja, de kruidenzoekster.

--Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.--Waart gij reeds hier toen
wij de gevangenen kwamen halen?

--Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige
menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha
Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper
geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!

--Wie dan? De Mubarek?

--Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den
Kodscha Bascha.

--Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld
zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.

--Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!

--Is hij zoo slecht?

--Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in 't geheim alle dieven,
schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.

--Hoe weet gij dat?

--Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.

--Zijt gij dan dikwijls hier geweest?

--O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter
planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den
laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebt gij mijn
vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en
daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning
te zoeken.

--Een koning? Is dat ook een plant?

--Ja, kent gij die niet.

--Neen! Hoe is de naam van die plant?

--Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.

--Ja, die ken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.

--Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden
iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste
zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te
vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.

--Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke
natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.

--Dan zal ik u hem morgen avond brengen, dan is de glans nog niet
gedoofd.

--Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.

--Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.

--Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik
heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht
schrijft gij aan den distelkoning toe?

--De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering,
wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat
eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden,
doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog
van den rand van het graf redt.

--Hebt gij het wel eens beproefd?

--Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook
het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.

--Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er
nog ben. Weet gij waar ik woon?

--Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!

--Veel succes met den koning, Nebatja!--En zij ging heen.

Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou
hebben te danken, en 't zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster
dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.






DERDE HOOFDSTUK.

ONTVLUCHT!


Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den
Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen
fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.

Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten,
maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het
blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij
er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden
worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.

Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder
opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was:
hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng
genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht
een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.

Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld,
en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men
verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.

Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den
avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien
middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen
van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling,
en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.

Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap
bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij
mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam
was.

Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons
van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur
geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand
voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.

--Kim dir?--wie is daar? vroeg ik.

--O, dat is uw stem!--klonk een vrouwenstem.--Niet waar, gij zijt de
vreemde Effendi?

--Ja, en gij zijt de plantenzoekster!

--Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!

--Is het noodzakelijk?

--Zeker!

--En kan ik daarna weer gaan slapen?

--Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!

--Wacht, ik kom!

Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.

--Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.

--Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?

--Ja, zij zijn gevlucht.

--Hoe weet gij dat?

--Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.

--Hoezoo?

--Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.

--Sihdi;--zeide Halef.--Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op;
neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!

--Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens
hoeveel er waren.

--De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.

--Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?

--Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek
vijfduizend piasters gekregen.

--Weet gij dat zeker?

--Ik heb het duidelijk gehoord.

--Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te
verliezen.

--Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op
den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting
van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek,
die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De
vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten
was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij
spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou
komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer
zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch
op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naar Radowitsch
en Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy's u dan aanvallen.

--Wie zijn de Aladschy's?

--Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand
een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en
juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels,
vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen
werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden,
naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.

--Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu
naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!

Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het
feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat
er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee
minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko,
Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren,
maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven
hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden
zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den
straatweg naar Radowitsch te bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen
ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste
niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.

Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij
bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet
vallen, onzen gang te matigen.

Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge "I"
uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof
ik iemand hoorde vallen.

--Halt!--fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór
ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.

Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige
stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter
dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij
een val gekwetst.

Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen
de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom
onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid,
een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha
geleek.

Ik pakte hem bij de borst.

--Dur we sus,--Sta stil en zwijg!--gebood ik hem op gedempten toon.

--Ia Allah!--riep hij verschrikt.

--Wees stil, of ik sla u dood!

--Wie zijt gij?--vroeg hij.

--Kent gij mij niet?

--Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?

Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn
gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien
hij voor zich had.

--En gij! Wie zijt gij!--vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha,
die de gevangenen heeft losgelaten.

--Ej Müdschizat! O wonder!--schreeuwde hij.--Hij weet het!

Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig
vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten,
maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk
zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man
verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn
geweest om hem te vervolgen.

Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:

--Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk--Weg, weg uit de hut,
zoo gauw ge kunt!

--O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!--riep Halef uit. Gij hadt den
kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!

--Stil!--viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot
verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn
geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.

Toen klonk van boven de vraag:

--Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?

--Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,--De
vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!--luidde
het antwoord.

Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige
weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen
vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar
boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.

--Sihdi, bir top fisckenkler ile.--Heer, dat was een kanon met
raketten!--merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah,
het brandt!

--Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de
open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte
laaie. Een stem klonk ons tegemoet:

--Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!

Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus
een zeker mikpunt.

--Terug!--riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter
een naastbijstaanden boom terecht kwam.

De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter
tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van
alle raak waren.

In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De
vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich
bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen
hebben, want een stem riep:

--Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!--O ongeluk! Help! help! ik
ben getroffen!

--En nu vooruit!--riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong
van achter zijn boom te voorschijn.

--Halt!--waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is
mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!

--Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en
schavuiten!

Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel
verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te
volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven
geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden
had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men
op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die
onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.

--Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?--vroeg Halef. Hebt gij er
een vermoeden van?

--Neen, waar zij zijn, dat weet ik niet, maar wel wat zij zijn!

--Nu wat dan?

--Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.

--Begint gij mij weer te beknorren.

--Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet
in eens vooruitgesprongen waart.

--Hoe dan?

--Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open
plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!

--Dan waren zij toch al weg geweest.

--Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval
vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer
wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was
achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend
dat wij allen nog hier waren!

--En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.

--Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een
duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht
alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten,
zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren
komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.

--Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren
vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar
wat zullen wij nu doen?

--Luisteren!

Deze korte gedachtenwisseling was natuurlijk op gedempten toon
gevoerd. Het was waarschijnlijk dat de vier mannen niet ver weg waren
en wij mochten hen, door luid spreken, niet in onze nabijheid lokken.

Buitendien hadden wij ons zóó opgesteld, dat wij geheel in de schaduw
stonden.

Wij luisterden een oogenblik, maar het geknetter van de brandende
hut hinderde ons. Toen mijn oor er echter aan gewend was, hoorde ik
duidelijk het ritselen van takken. Ook Osko had het vernomen en vroeg:

--Hoort gij wel, Effendi, hoe zij zich daarginds een weg banen?

--Naar het geluid te oordeelen, zijn zij hier hoogstens een honderd
pas vandaan, en daar wij wel kunnen aannemen dat onder de boomen
geen struikgewas is, kan de cirkel die de boomen rondom den bergtop
beschrijven, niet zoo groot zijn. Dat hebben zij wel geweten en zijn
daarom dien kant uit gevlucht!

--Hoe kunnen zij dat weten? Gij zijt hier toch zelf vreemd.

--Manach el Barscha is reeds vaak hier geweest en bovendien de oude
Mubarek is immers bij hen!

Ik ging nu naar de hut en rukte een der dakstangen, die brandend
naar beneden hing, geheel los. Daar het hout zeer harsachtig was,
brandde die als een fakkel. Hiermede volgde ik de richting, die de
vluchtelingen schenen te hebben ingeslagen.

Mijn drie metgezellen sloten zich bij mij aan, terwijl zij hun geweren
gereed hielden om te schieten.

Het knetteren van het vuur had mij toch op een dwaalspoor gebracht. De
breedte van den boschrand was hier niet zoo groot als ik gedacht
had. Al zeer spoedig hadden wij den uitersten rand bereikt en zagen
nu duidelijk de plaats waar de vluchtelingen zich een weg hadden
gebaand. Wij volgden niet, en stonden een oogenblik later weder op
de vlakte, toen mijn fakkel uitdoofde. Toen hoorden wij onder ons
een paard hinneken, en dadelijk daarop weerklonk paardengetrappel
door de nachtelijke stilte.

--Odschurola, chowardalar! Vaarwel schurken! riep men ons met luider
stem toe.--Kyzartfiz jarijn dejil o bir gun dschehennemde!--Overmorgen
braadt gij in de hel!

Dat was duidelijk genoeg. En wanneer ik nog niet geweten had dat men
voornemens was ons op te wachten, dan had ik het nu gemakkelijk kunnen
raden. Zoo heel slim was dat volkje dus nog niet.

--Nu zijn zij weg! Wat nu te doen?

--Op het oogenblik niets. Wij zijn nu weer juist evenver als voor
onze aankomst hier in Ostromdscha. Onze vijanden zijn ons voor. Zij
zijn vrij en zelfs nog één man sterker. Nu kan de jacht weer op nieuw
beginnen, en wie weet of wij ooit weer zulk een goede gelegenheid
zullen hebben om hen te vangen als hier!

--Zeg dat wel, Sihdi. Die Kodscha Bascha moest gehangen worden.

--Hij heeft hen niet alleen vrij gelaten, maar hun ook hun paarden
teruggegeven.

--Gelooft gij dat?

--Natuurlijk. Gij hebt immers gehoord, dat zij paarden hadden. Die
hebben voor hen gereed gestaan.

--Dat zal hij natuurlijk ontkennen.

--Zijn leugens helpen hem niets. Ik heb een stuk uit zijn kaftan
gescheurd, dat ik in mijn zak gestoken heb.

--Maar hoe wilt gij het met hem aanleggen! Hebt gij eenige macht
over hem?

--Helaas, neen!

--Dan zal ik de zaak terhand nemen.

--Wat wilt gij doen!

--Dat komt vanzelf!

--Geen nieuwe dwaasheid, Halef!

--Wees maar niet bang, Sihdi. Ik zal niet overijld handelen maar de
zaak met de grootste kalmte en het meeste overleg behandelen. Moeten
wij niet eerst weer naar de hut terug gaan?

--Ja. Misschien valt er nog iets te redden.

Wij vonden, in weerwil van de duisternis gemakkelijk den weg terug,
dien wij nu kenden. De woning van den Mubarek scheen veel brandbare
stoffen te hebben bevat, want nog altijd sloegen de vlammen hoog op. De
brand, die van verre zichtbaar was had inmiddels vele menschen naar
boven gelokt.

Juist toen wij van onder de boomen te voorschijn traden, kwam de
Kodscha Bascha aanloopen, die, toen hij ons gewaar werd, met de armen
in de lucht zwaaiende op ons wees en riep:

--Grijpt hen! Vat hen! Pakt hen! Zij zijn de brandstichters!

Ik was over zooveel brutaliteit meer verbaasd dan vertoornd. Die man
bezat een groote dosis onbeschaamdheid. De aanwezigen, die allen wisten
hoe ik hem dien dag reeds had behandeld, haastten zich natuurlijk
niet om zijn bevel ten uitvoer te brengen.

Nu gebeurde er echter iets, waarop hij zeer zeker niet had gerekend.

De kleine Halef trad namelijk op hem toe en vroeg:

--Ne mi iz sewgülüm--Wat zijn wij, lieveling?

--Harakadschilarfiz! Brandstichters, zijt gij!--antwoordde hij.

--Gij vergist u, Kodscha Bascha. Wij zijn heel wat anders. Leerlooiers
zijn wij, en om u dat eens duidelijk te maken, zullen wij uw vel eens
in behandeling nemen. Niet uw geheele huid, want daarvoor hebben
wij geen tijd, maar alleen het deel dat wel goed stevig wezen mag,
daar gij er op zitten moet! Osko en Omar helpt eens een handje!

Dat lieten die beiden zich geen tweemaal zeggen, en tot groote
voldoening van de meesten der aanwezigen, kreeg de schurk een pak
zooals nog nimmer aan eenig overheidspersoon was uitgedeeld.

Toen Halef eindelijk zijn zweep weer in den gordel stak, gaf hij den
afgestrafte den volgenden goeden raad:

--En nu geef ik u in overweging, in de eerste dagen niet op iets hards
te gaan zitten, want dat zou u wel eens minder goed kunnen bekomen
en afbreuk doen aan de schoonheid van uw aangezicht en de harmonie
uwer gelaatstrekken. Gij moet onze edele daad geheel laten uitwerken,
en tot in lengte van dagen zult gij de vreemdelingen zegenen wier
komst voor u zoo heilzaam is geweest. Wij hopen dat gij ieder jaar
dezen dag feestelijk zult herdenken en ons in vriendelijk aandenken
houden. Sta nu op en betuig mij, met een kus uw hartelijken dank,
zooals het betaamt!

Een luid gelach volgde op deze, op plechtigen toon uitgesproken rede.

De Kodscha Bascha, wien Omar en Osko nu losgelaten hadden stond
langzaam op, en legde zijn beide handen op de door Halef reeds nader
beschreven plaats. Toen de kleine man in zijn nabijheid kwam, riep
hij hem woedend toe:

--Schurk! Hondsvot! Wat hebt gij gedaan! Het lichaam van een
overheidspersoon ontheiligd. Ik zal u en uw genooten in de boeien
laten sluiten!

--Houd u bedaard! viel Halef hem in de rede. Indien gij het een
ontheiliging noemt, dat gij maar twintig zweepslagen hebt ontvangen,
dan zijn wij gaarne bereid die fout onmiddellijk te herstellen. Leg
hem maar weer in positie!

--Neen! neen!--schreeuwde de oude schavuit angstig. Ik ga al! Ik ga al!

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch ik greep hem bij den arm
en ondervroeg hem op barschen toon, wat hij met de gevangenen had
uitgevoerd. Hardnekkig bleef hij ontkennen, dat hij hun de vrijheid
gegeven en daarvoor van den Mubarek een ruime belooning ontvangen
zou hebben. Toen ik hem dit laatste voor de voeten wierp sloeg hij
de handen in elkaar en riep uit:

--Wat zegt gij! Waarvan durft gij mij beschuldigen! Wie zijt gij,
dat gij het durft wagen een Kodscha Bascha voor een misdadiger uit
te maken! Geld zou ik hebben ontvangen! De gevangenen vrij hebben
gelaten? Ik zal u gevangen laten nemen en de wet in al haar strengheid
op u toepassen----neen, neen, ga heen, laat mij voorbij!

De laatste woorden golden Halef, die hem bij den arm greep, de zweep
ophief en dreigend uitriep:

--Moet ik ook nog andere plaatsen raken? Weet gij nu nog niet dat
dit geen manier is om ons te behandelen. Wanneer gij het waagt nog
één onaangenaam woord te zeggen, zult ge andermaal kennis maken met
mijn zweep.

Ik wendde mij nu tot de omstanders en deelde hun mede wat ik van
Nebatja had vernomen; echter zonder haar naam te noemen. Ik voegde er
bij, dat wij toen den Kodscha Bascha hadden ontmoet, die de misdadigers
had gewaarschuwd.

Toen trad een hunner naar voren, in wien ik onmiddellijk een der
bijzittende rechters herkende.

--Effendi, wat gij ons hier mededeelt, doet me verbaasd staan. Wij
hebben u veel te danken, want gij hebt een der grootste misdadigers
ontmaskerd, dien wij ooit hebben ontmoet. Indien hij en zijn
spitsbroeders werkelijk zijn ontvlucht, moet degeen die hen daarbij
behulpzaam geweest is, ten strengste worden gestraft. Ik heb u heden
gezien en gehoord, en geloof niet dat gij iets zult zeggen zonder
zeker te zijn van uw zaak. Gij moet dus wel geldige redenen hebben
om den Kodscha Bascha hier aan te klagen, en daar ik nu in rang op
hem volg, ben ik verplicht in zijn plaats op te treden, wanneer het
blijkt dat hij niet waardig is zijn ambt te bekleeden. Gij hebt u dus,
van nu af aan, tot mij te wenden.

De man was in elk geval eerlijk, al scheen het mij ook toe dat hij
niet zeer beslist zou durven optreden.

Zonder mij lang te bedenken antwoordde ik hem:

--Het verheugt mij in u een man te leeren kennen, wien het wel en wee
der burgers ter harte gaat, en ik hoop dat gij onpartijdig en zonder
vrees zult kunnen en durven optreden.

--Dat zal ik doen, maar dan moet gij mij van de waarheid uwer
beweringen overtuigen.

--Natuurlijk!

--Gij zult mij dus dienen te zeggen, hoe gij weet, dat Kodscha Bascha
hier boven is geweest en van den Mubarek geld ontvangen heeft.

--Neen, dat zeg ik niet!

--Waarom niet!

--Omdat ik de persoon, die mij een en ander heeft medegedeeld, niet
in moeilijkheden brengen wil.

--Dat zal niet gebeuren!

--Veroorloof mij, daaraan te twijfelen. Gij zijt een braaf man wat
echter niet van alle beambten kan worden gezegd. Ik ken u voldoende
om te weten dat, wanneer ik weg ben, de Kodscha Bascha weer zal doen
en laten wat hem goeddunkt, en de persoon van wien ik alles vernomen
heb, zou het dan hard hebben te verantwoorden. Het is dus beter dat
ik geen namen noem.

--Maar hoe kunt gij dan de bewijzen leveren?

--O, dat gaat wel. Het geld dat de Kodscha Bascha ontvangen heeft
moet òf in zijn zakken òf in zijn huis zijn, en dat hij hier boven
was en zich van mij heeft losgerukt, is eveneens zeer gemakkelijk te
bewijzen want ik hield een stuk van zijn kaftan in de hand.

--Dat is niet waar,--riep de beklaagde. Kijk maar of hier een stuk
uit is!

Hij wees met zijn beide handen naar de plaats, waar ik hem had
vastgegrepen. De kaftan was ongeschonden.

--Gij moet u vergist hebben!--zeide de plaatsvervangende rechter.

--En gij schertst!--hernam ik lachend.

--Hoezoo? vroeg hij verbaasd.

--Wanneer ik u aanzie, lijkt gij mij verstandig en slim genoeg, om
te hebben opgemerkt dat de Kodscha Bascha, zich reeds heeft verraden.

--Verraden?

--Ja, hebt gij niet gezien, waar hij heen wees, toen hij onze aandacht
op zijn kaftan vestigde?

--Ja zeker!

--Nu, waarheen dan?

--Boven aan de borst, links.

--Heb ik u echter verteld, waar ik het stuk heb uitgescheurd?

--Neen, Effendi.

--Nu, precies op dezelfde plaats die hij heeft aangewezen. Hoe weet
hij dat?

De man keek mij verbaasd aan, en vroeg:

--Effendi, zijt gij misschien een hoofd van de politie?

--Waarom vraagt gij dat?

--Omdat alleen zulk een hooggeplaatst beambte zulke scherpzinnige
gedachten hebben kan.

--Gij vergist u. Ik woon niet in het land van den Padischah, maar
in Nemtsche memlekedi, waar de burgers zoo volkomen volgens de wet
handelen, dat ieder kind de onvoorzichtigheid van den Kodscha Bascha
zou hebben opgemerkt en begrepen.

--Dan heeft Allah uw land met meer verstand gezegend dan het onze.

--Maar gij ziet toch wel in, dat ik gelijk heb?

--Ja, ja, wanneer hij naar die plek wijst, moet hij weten dat de kaftan
daar is gescheurd. Wat hebt gij daartegen in te brengen Kodscha Bascha?

--Ik zeg niets!--antwoordde de aangesprokene. Ik ben te trotsch om
langer met een Nemtsche te verkeeren.

--Uw houding is echter geenszins waardig. Waarom houdt ge uw handen
zoo voortdurend achter u? vroeg ik lachend.

--Zwijg!--riep hij toornig uit. Gij zult nog wel worden gestraft voor
uw onbeschaamdheid. Ziet gij dan niet, dat mijn kaftan in het geheel
niet gescheurd is.

--Zeker zie ik dat, maar ik zie ook dat dit een andere kaftan
is. Degeen die gij van morgen aanhadt, was ouder dan deze!

--Ik bezit er slechts één.

--Dat zullen wij zien!

--Ja, de Kodscha Bascha bezit slechts dezen éénen kaftan!--bevestigde
de knecht.

--Gij hebt slechts te spreken als u iets wordt gevraagd,--voegde ik
hem toe, en mij daarna tot den plaatsvervangenden rechter wendende
vroeg ik dezen:

--Weet gij ook hoeveel kaftans de Kodscha Bascha heeft?

--Neen, Effendi! Wat raken mij de kleederen van een ander!

--Maar gij weet mij wel te vertellen, waar hij de paarden der
misdadigers heeft gelaten!

--Ja, in zijn stal.

--Heeft hijzelf ook paarden?

--Ja!

--Hoeveel?

--Vier!

--Welke kleur hebben die?

--Die zijn zwart. Hij heeft een voorliefde voor donkere beesten,
niet waar Bascha?

--Wat kunnen mij de paarden van die menschen schelen?--antwoordde de
gevraagde. En aangezien met hem niets was aan te vangen, de verbrande
hut van den Mubarek geen verdere bewijsstukken kon opleveren en wij
hier niets meer vonden wat ons op den weg kon helpen de vluchtelingen
te vinden, of de schuld van den Kodscha Bascha te bewijzen, stelde
ik voor naar het gerechtsgebouw te gaan, om ons te overtuigen dat de
gevangenen werkelijk waren ontvlucht.

Juist toen wij op het punt stonden aan dit voornemen gevolg te geven,
zag ik den Hadschi haastig op zijde springen en even daarop klonk
het dreigend uit zijn mond:

--Halt! Gij blijft hier, of ik steek u mijn mes tusschen de ribben!

--Laat me los!--riep een andere stem. Ik heb niets met u te maken!

--Maar ik des te meer met u. Gij zijt gevangen!

--Oho!

--Ja, en als ge niet heel gauw goedschiks medegaat, dan heb ik hier
een zweep waarmede dan de knecht ook eens kennis kan maken, nadat ik
er zijn meester mede heb geliefkoosd!

De knecht had zich willen haasten om voor ons de woning van den
Kodscha Bascha te bereiken en zijn familie te waarschuwen. Hij werd
nu met zijn meester in het midden genomen.






VIERDE HOOFDSTUK.

HET ONDERZOEK.


En ten tweedemale ging een zonderlinge stoet bergaf. Eenige mannen
droegen fakkels om den weg te verlichten. Alle bewoners van de plaats
waren gealarmeerd en toen wij de binnenplaats bereikten, was het even
vol als des avonds.

De gevangenis was natuurlijk ledig. De paarden der boeven stonden in de
oude bouwvallige stal, maar die van den Kodscha Bascha waren verdwenen.

De beide knechts beweerden, dat die op een even onverklaarbare wijze
als de vier dieven, waren verdwenen.

--Nu zullen wij eens zien of wij het geld en den kaftan van den
Kodscha Bascha ook kunnen vinden!--zeide ik tot den rechter.

--Waar wilt gij dat zoeken?

--Bij zijn vrouw.

--Die zal ontkennen en liegen.

--Dat zullen wij afwachten. Het komt zeer veel aan op den toon,
waarop men spreekt. Ga maar mede naar binnen.

Wij traden nu het huis binnen, waartoe wij niemand anders verlof
gaven, den eigenaar natuurlijk het allerminst. De rechter was met de
plaatselijke inrichting bekend.

Hij ging in het donker vooruit en deed toen een deur open. Deze kwam
uit in een kleine kamer waar een tafel en een paar houten stoelen
stonden; langs den muur lag een lang kussen dat dienen moest voor
personen die op oostersche wijze wenschten plaats te nemen.

Op de tafel stond een steenen lamp en daarbij zat een oude vrouw.

--Dat is de vrouw!--zeide mijn metgezel.

Zij keek ons angstig aan. Ik stapte op haar toe, liet de kolf van
mijn geweer dreunend op den grond neerkomen en zeide op mijn meest
barschen toon:

--Jaschly kaftani senin kodschanun werde?--Waar is de oude kaftan
van uw man?

Indien zij van plan was geweest te liegen, werd zij door mijn toon
zoo overbluft dat zij antwoordde, terwijl zij op een tweede deur wees:

--Sandykda!--In de kist!

--Onu getir!--Haal dien.

Zij ging de deur uit. Ik hoorde een houten deksel openen en
weer dicht doen, waarna zij met het verlangde kleedingstuk terug
keerde. Ik nam het haar uit de hand en vouwde het open. Een deel van
den linkerborstkant ontbrak, en toen ik het afgescheurde stuk uit
mijn zak te voorschijn haalde en in het gat paste, kwam dat precies
uit. De vrouw sloeg angstig al onze bewegingen gade. Zij was zeker
volkomen van alles op de hoogte.

--Getir Aktsheji.--Breng het geld,--beval ik haar op denzelfden
barschen toon.

--Ne asl aktscha, welk geld?--vroeg zij aarzelend.

--Dat wat uw man van den Mubarek heeft gekregen. Waar is het? Gauw
wat!--hernam de rechter.

Hij deed daarbij moeite, om een even barschen toon, als ik aan te
slaan. Zij werd inderdaad zoo verlegen dat zij bevende bekende:

--Ook in de kist!

--Voor den dag er mede!

Zij ging weder in de donkere kamer, maar ditmaal duurde het wat langer
voor zij terug kwam. Het geld was zeker onder in de kist gestopt. Men
had het in een ouden, versleten tulband gewikkeld. De rechter telde
het, en het kwam volkomen overeen met de som die de kruidenzoekster
mij had genoemd.

--Wat moet daarmee gebeuren?--vroeg hij mij.

--Dat moet gij weten!--luidde mijn antwoord.

--Dan wordt het verbeurd verklaard.

--Natuurlijk. Gij moet het aan den opperrechter inzenden.

--Natuurlijk, en dat zal gebeuren zoodra de dag is aangebroken. Gaan
wij nu weer heen?

--Neen, ik heb eerst nog een paar woorden met deze vrouw te spreken, en
het zal haar danig berouwen, als zij mij niet geheel naar waarheid
antwoordt. Voor een vrouw van haar leeftijd is de bastonnade
levensgevaarlijk.

Toen viel zij op de knieën en hief smeekend de handen op.

--Geen bastonnade, geen bastonnade, groote beroemde, genadige
Effendi! Ik bemerk zeer goed dat alles is verraden en ik zal geen
enkele onwaarheid zeggen.

--Sta dan op. Gij moogt alleen voor Allah knielen. Uw man heeft de
vier mannen laten ontvluchten, niet waar?

--Zoo is het!

--En toen heeft hij hun vier paarden gegeven.

--Ja, alle vier.

--En waar zijn zij heengegaan?

--Naar----naar----Radowitsch.

Daar zij aarzelde, vermoedde ik dat zij nu slechts gedeeltelijk de
waarheid zeide. Daarom gelaste ik haar:

--Zeg alles! Waarom verzwijgt gij de andere plaatsen? Wanneer gij
niet oprecht zijt, zal ik genoodzaakt wezen om u naar de bank te
laten brengen en door meisjes te laten geeselen!

--Heer, ik zal het zeggen. Zij zijn naar Radowitsch gegaan en wilden
dan verder trekken naar Sbiganzy.

--Waarschijnlijk naar den slager Tschurak, die daar woont?

--Juist!

--En dan naar de hut in de rotskloof?

--Heer, hoe weet gij dat?

--Antwoordt!

--Ja, daar wilden zij heengaan.

--En dan verder?

--Dat weet ik niet.

--Wat willen zij daar uitvoeren?

--Dat heb ik niet gehoord; mijn man vertelt mij zulke dingen niet.

--Maar hij kent den Shoet?

--Misschien wel, dat weet ik niet.

--Hij heeft ook allerlei geheimzinnigs met den Mubarek gehad?

--Wat zij met elkander verhandeld hebben, weet ik niet; maar hij is
dikwijls naar boven op den berg bij den Mubarek geweest en die kwam
des nachts vaak bij ons.

--Hebt gij de gevangenen vandaag gadegeslagen?

--Ik heb hen gezien.

--Kent gij hen?

--Slechts een hunner, die vroeger wel af en toe hier kwam.

--Welken? Wellicht Manach el Barscha.

--Ik weet zijn naam niet. Hij is ontvanger van de Charadsch-belasting
in Usküb geweest.

--Dan was hij het! En wat weet gij nu nog meer van deze zaak?

--Niets, totaal niets, Effendi! Ik heb u alles gezegd wat ik zelf weet.

--Ik zie aan u dat gij de waarheid spreekt, en daarom zal ik u niet
langer kwellen. Maar misschien hebt gij den naam Aladschy wel eens
gehoord?

--Ook niet!

--Effendi!--vroeg de rechter--wat is daar mede aan de hand?

--Kent gij die?

--Neen, maar ik hoorde wel over die twee spreken.

--Het zijn er dus twee? Wat weet gij van hen?

--Het zijn de verschrikkelijkste Skipetaren, die er bestaan. Twee
broeders van reusachtige gestalte, wier kogels nooit missen en wier
messen steeds de plaats treffen waarvoor zij bestemd zijn. Hun bijlen
moeten eveneens zeer te vreezen wapens zijn. Zij slingeren die zoo
ver als een kogel vliegt, en treffen daarmede vast en zeker den nek
van dengeen op wien zij het gemunt hebben. Ook in het gebruik van
den slinger kennen zij hun weerga niet.

--Waar houden zij zich op?

--Overal waar een moord of ander misdrijf valt te begaan.

--Zijn zij ook al eens hier geweest?

--In Ostromdscha zelf nog niet, maar wel in den omtrek. Eerst kort
geleden zijn zij in de buurt van Kodschana gezien.

--Dat is niet ver hier vandaan. Ik geloof dat men dat plaatsje te
paard in ongeveer vijf uur kan bereiken.

--Het schijnt dat gij hier den omtrek goed kent!

--Och neen, ik schat zoo maar ongeveer. Gij weet niet, waar die beide
broeders vandaan komen?

--Men zegt dat zij van boven uit Kakandelen afkomstig zijn, uit de
bergen van de Schar Dogh, waar de oorspronkelijke Skipetaren wonen.

--En waarom worden zij dan de Aladschy genoemd?

--Omdat zij rijden op twee paarden, die evenals hun meester den
duivel in hun lijf schijnen te hebben. Zij moeten geboren zijn op
den dertienden van de maand Moharram, dat is de dag waarop de duivel
uit den hemel is verstooten. Hun meesters geven hun iederen dag een
volgeschreven blad uit den Koran te eten. Daarom zijn zij onkwetsbaar,
zoo vlug als de bliksem, gewaarborgd tegen iedere ziekte, en stappen
nooit mis.

--O wee! dan is het slecht met mij gesteld!

--Waarom?

--Mubarek heeft deze Aladschy's te hulp geroepen om op mij te loeren
en mij te dooden.

--Hoe weet gij dat?

--Van denzelfden persoon, die boven bij de hut alles heeft afgeluisterd
en ook dit heeft vernomen!

--En gelooft gij het?

--Volkomen!

--Het kan waar zijn, daar de beide booswichten hier in den omtrek
gezien zijn geworden. Effendi, neem u in acht. Dertig mannen als gij
zijt, vermogen niets tegen twee van zulke Skipetaren. Wanneer zij u
te pakken krijgen, zijt gij verloren. Ik meen het goed met u.

--Ik ben u dankbaar voor uw goede zorgen en bedoelingen, maar ik
vrees hen niet!

--Heer, overschat uw krachten niet!

--Neen, dat doe ik zeker niet, maar ik heb een beschermer bij mij,
op wien ik mij kan verlaten!

--En dat is?

--De kleine Hadschi, dien gij gezien hebt.

De man trok een lang gezicht, fronste de wenkbrauwen en zeide:

--Die! Die dwerg?

--Ja, maar gij kent hem niet.

--Met de zweep kan hij goed omgaan, dat is zeker, maar wat doet men
met een karwats tegenover zulke groote helden!

--O, ik maak mij daarover niet bevreesd. Want gij moet weten dat de
Hadschi dagelijks niet alleen een blad, maar een heele Sure uit den
Koran opeet. En daarom hebben zelfs de kanonskogels geen vat op hem!

--Heer, ik begrijp er werkelijk niets van, maar de Profeet is in den
zevenden Hemel en bij hem is alles mogelijk. Ik zal dien wonder-Hadschi
toch eens wat nauwkeuriger opnemen.

--Doe dat. Ik ben overtuigd dat hij zelfs niet bang is voor honderd
Skipetaren.

--Mag ik het eens probeeren?

--Wat wilt gij doen?

--Zachtjes van achter hem komen aanloopen en trachten om hem, met
mijn pistool, stilletjes een kogel in zijn hoofd te schieten.

--Ga uw gang!--antwoordde ik even ernstig als hij zijn vraag had
gemeend.

--En denkt gij, dat hij het in het geheel niet zal merken?

--Neen, merken zal hij het wel, want zoo stilletjes gaat dat nu niet
in zijn werk. Wanneer de kogel ook al tegen het hoofd afstuit, voelt
hij het daarom toch wel, zooals gij wel kunt begrijpen.

--Ja zeker!

--En dan ben ik bang, dat het u niet goed zou bekomen!

--Hoe zoo?

--Wel de teruggekaatste kogel zou waarschijnlijk u verwonden.

--Ja, dat zou mogelijk zijn.

--En zelfs indien dit niet het geval mocht wezen, kunt gij er bijna
zeker van zijn, dat de vertoornde Hadschi u ergens, waar gij het niet
te best hebben kunt, zijn mes in het lichaam stoot.

--Waar zou hij dan zoo boos om worden?

--Over uw ongeloof. Hij heeft buitendien niet gaarne dat men zonder
zijn bepaalde vergunning dergelijke proeven met hem neemt.

--Zou ik hem dan liever permissie vragen?

--Doe dat!

--En gelooft gij dat hij mij zijn toestemming zal geven?

--Ten minste als ik een goed woordje voor u doe!

--Doe dat dan!

--Ik beloof het u. Maar voor het oogenblik hebben wij gewichtiger
dingen te behandelen. Zijt gij nu van de schuld van den Kodscha
Bascha overtuigd?

--Volkomen!

--Dan laat ik hem aan u over. Ook zijn beide bedienden moet gij
gevangen nemen, want zij hebben hem geholpen. Wat mij betreft, ik
wil liever met de geheele zaak niets meer te maken hebben.

--Heer, hoe zal ik het zonder u klaar spelen!

--Dat moet gij zelf weten. Gij zijt toch Kasa Mufti. Toen de
Padischa u dat gewichtig ambt opdroeg, deed hij dat toch zeker in
het vertrouwen dat gij daartoe de noodige bekwaamheid zoudt bezitten,
en ik veronderstel dat gij dat vertrouwen niet zult willen beschamen!

--O, neen, zeker niet. Ik zal een streng en rechtvaardig rechter
zijn. Zou ik zijn vrouw ook arresteeren?

--Neen. Zij heeft haar man moeten gehoorzamen.

Wij gingen nu weer naar buiten, waar wij door de anderen, waaronder
ook Halef, werden opgewacht.

De Kasa Mufti stootte mij aan en vroeg:

--Effendi is het nu niet een geschikt oogenblik.

--Waarvoor?

--Om een goed woordje voor mij bij den Hadschi te doen. Of zijt gij
niet voornemens uw belofte na te komen?

Zou ik lachen of boos worden? De goede "rechter" interesseerde zich
meer voor de onkwetsbaarheid van den Hadschi dan voor de aan hem
toevertrouwde rechtszaak.

--Morgen als wij eerst geslapen hebben!--antwoordde ik hem. Nu niet! Nu
moet gij uw plicht doen!

--Hoe zoo?

--Daar staat de Kodscha Bascha, en over uw arm hebt gij den kaftan.

--Moet ik hem dien laten kijken?

--Natuurlijk! En ook het geld hebt gij. Deze menschen verwachten
allen dat hij door u overtuigd zal worden en zijn schuld bekennen,
en nog aarzelt gij! Het schijnt mij toe dat het u weinig toelacht,
uw plicht te doen!

--O zeker, Effendi! Gij zult dadelijk ondervinden welk een ernstig
en streng rechter ik ben.

--Ik hoop het.

Nadat eenige der vuren weder waren aangestoken, was het pleintje ten
minste weer zoo verlicht, dat men de menschen kon onderscheiden.

De rechter trad nu naar voren, en begon zijn toespraak, waarbij hij
de schuld van den Kodscha Bascha duidelijk in het licht stelde, maar
toch eindigde met de woorden:--En nu vraag ik u, Effendi! hoeveel
gij voor het scheuren van den kaftan betalen wilt?

--Allah Akbar!--God is groot! riep Halef, die naast mij stond uit.

Ik was niet minder verbaasd, want ik had, als natuurlijk gevolg van
zijn betoog, verwacht dat de Kodscha Bascha gevangen zou zijn genomen,
en in plaats daarvan werd van mij geëischt dat ik den kaftan zou
vergoeden. Ik antwoordde luid, zoodat iedereen mij kon verstaan:

--Tot mijn groote vreugde hoor ik, o Kasa Mufti, dat uw
rechtvaardigheid even groot is als uw scherpzinnigheid, en daarom
vraag ik u, wie eigenlijk den kaftan heeft gescheurd?

Het duurde geruimen tijd eer hij zich liet overtuigen dat niet ik
doch alleen de Kodscha Bascha zelf daaraan schuld was, daar ik hem
alleen vastgehouden, doch hij zich losgerukt en daardoor den kaftan
gescheurd had.

Eindelijk keek hij nadenkend naar den grond en riep luide uit:

--Luistert, inwoners van Ostromdscha! Gij zult ondervinden, welk een
rechtvaardig man uw rechter is.

--Ik oordeel volgens de wet, die in den Koran is vervat, dat de kaftan
van het stuk losgerukt is geworden. Zijt gij dit met mij eens?

Een veelstemmig "ja" was daarop het antwoord.

--En nu moet gij, Effendi, mij nog één vraag beantwoorden. Gij
hadt den kaftan moeten betalen, omdat wij meenden, dat gij hem had
gescheurd. Zijt gij niet van oordeel, dat degeen die hem scheurde,
hem betalen moet?

--Zeer zeker,--antwoordde ik, verheugd over die plotselinge wending
der zaak, want ik begreep waar hij heen wilde.

--Wie heeft hem nu gescheurd?

--De Kodscha Bascha.

--Dus dan moet die hem betalen; en daar ik hem buitendien er een
ernstig verwijt van maak, dat hij, die zulk een hoog en waardig
ambt bekleedt, zulk een oud, vies, vuil kleedingstuk durft dragen,
veroordeel ik hem tot betaling van een nieuwen in den prijs van
vijfhonderd piasters. Wanneer hij zooveel geld niet daar heeft liggen,
zal ik het hem op zijn eigendommen voorschieten en van zijn traktement
afhouden. Zoo luidt mijn oordeel, dat berust op den heiligen Koran,
die het richtsnoer is van ons denken en handelen. En nu moeten ook de
Kodscha Bascha en zijn beide bedienden gevangen genomen worden. Zij
zullen de wet in al haar strengheid gevoelen!

De Kodscha Bascha had daartegen zeer veel in te brengen, maar ik
had er nu meer dan genoeg van en wilde van de zaak liefst niets meer
hooren. Ik ging dus met Halef heen, gevolgd door de beide broeders,
de herbergiers. Buiten bij de poort stond een vrouw, die zoodra zij
mij gewaar werd, naar mij toekwam. Het was Nebatja.

--Heer,--zeide zij, ik heb op u gewacht, want ik was zeer angstig!

--Waarvoor, vreesdet gij voor mij?

--O neen, ik geloof niet dat u iets slechts kan wedervaren, maar ik
was bang voor de heeren van het gerecht. Hebt gij verteld dat ik u
van alles op de hoogte had gebracht?

--Neen, geen woord!

--Ik dank u. Nu kan ik gerust wezen?

--Zoo gerust mogelijk, en ik zal ook nog op andere wijze aan uw
moeilijkheden een einde maken. Zoodra de dag is aangebroken, kom ik
u bezoeken.

--Effendi, gij zult mij welkom wezen, want uw verschijnen is voor
mij het opgaan der zon geweest. Allah schenke u een rustigen slaap
en aangename droomen.

Toen ging zij heen. Ik dacht aan iets, wat mij daarboven op den berg,
in de gedachte was gekomen. Ik riep haar terug en vroeg:

--Kent gij die plant, die Hadat (boksdistel) wordt genoemd?

--O, zeer goed. Het is een doornige plant met bittere bessen, die er
als pepertjes uitzien.

--Groeit die hier?

--Niet hier in den omtrek, maar in de buurt van Banja.

--Dat is jammer, want ik heb de bladeren van deze plant noodig.

--Die kunt gij wel krijgen.

--Waar dan?

--Bij den Apotheker, voor wien ik boksdistel heb moeten zoeken.

--Tegen welke kwalen wordt die alzoo gebruikt?

--O, tegen velerlei.

--Dank u, ik zal me er wat van halen.

--Zal ik het u brengen, Effendi?

--Neen, dat zal ik zelf doen!

De plant had een eigenaardige uitwerking, waarvan ik gebruik wenschte
te maken. Ik was alleen niet zeker of men daarop staat kon maken.

Wij keerden nu naar huis terug en in de herberg aangekomen begaven
Halef en ik ons dadelijk naar ons kamertje, maar het was ons niet
mogelijk onmiddellijk in te slapen. De dag die achter ons lag was
zóó rijk aan gebeurtenissen geweest, dat wij moeilijk tot rust
konden komen.

Nog geruimen tijd praatte ik met Halef en deelde hem mede wat ik van
den Kasa Mufti omtrent de Aladschy's had vernomen. Ook vertelde ik
hem dat de bijgeloovige man zich had laten wijs maken, dat hij niet
door kogels was te dooden.

--Sihdi!--merkte hij op,--dat kan gevaarlijk voor mij worden.

--O neen!

--Zeker! want verbeeld u, dat die man mij bij wijze van proef een
kogel door den kop jaagt!

--Dat zal hij wel laten, want hij is veel te bang voor uw mes.

--Dat is waar! En bovendien zullen wij hier wel niet zoo heel lang
meer blijven, terwijl ik mij zooveel mogelijk in acht zal nemen. Maar
ik zou het toch wel eens grappig vinden, als wij hem eens voor den
gek konden houden.

--Daar heb ik ook al aan gedacht. Dit zou ons bovendien van groot
voordeel kunnen wezen.

--Gelooft gij dat?

--Ja, onze vijanden zullen ons wel laten gadeslaan en het zou dan
van groot gewicht voor ons wezen als ten minste twee of drie van ons
werden beschouwd als zijnde onkwetsbaar door middel van kogels.

--Is daar iets op te vinden, Effendi?

Die gedachte had mijn goeden Hadschi dermate geëlectriseerd dat hij
opeens recht overeind in zijn bed zat.

--Hm! Misschien!--antwoordde ik.

--Zeg nu maar niet "misschien", want ik ken u. Wanneer gij op dien toon
spreekt, hebt gij reeds lang een vast plan in het hoofd, en reeds een
besluit genomen. Is hier niet een goocheltoer in toepassing te brengen?

--O, verscheidene zelfs!

--Vertel mij die eens.

--Men zou bijvoorbeeld het geweer kunnen laden met speciaal daarvoor
vervaardigde patronen, maar dat deugt niet, want dat zou achterdocht
opwekken.

--Nu verder!

--Men laadt het geweer en laat eerst den kogel kijken. Terwijl men dien
inwikkelt, laat men den kogel in de mouw glijden en stopt alleen het
vetlapje in den loop. Maar de kogel kan al heel licht op zij vallen
en dan komt het bedrog aan het licht.

--Dat gaat dus ook niet. Degeen die op zich laat schieten mag niet
zelf laden. De ongeloovige moet laden. Hij en alle anderen moeten
overtuigd zijn, dat er werkelijk een kogel in den loop wordt gedaan
en die moet daar ook inderdaad in zijn.

--Misschien!

--Men zou een pantser moeten hebben!

--Dan zou de klank dat verraden. En dan moest zulk een pantser eens
niet goed zijn gemaakt!

--O, Allah! dan was het met uw armen goeden Halef gedaan, Sihdi!

--Ja, en natuurlijk dat mag niet.

--En toch weet ik dat gij nog een ander kunstje kent. Ik zie het aan
uw gezicht!

--Ja, dat is ook zoo, maar ik geloof niet dat ik hier zal kunnen
krijgen wat ik er voor noodig heb.

--Wat is dat dan?

--Er bestaan twee metalen die, wanneer zij in de juiste hoeveelheid
worden vermengd, een vasten harden kogel opleveren die er volkomen
als een looden kogel uitziet en ook ongeveer even zwaar is. Bij het
schieten echter spat het mengsel, ongeveer twee voet voor de monding
van het geweer, uiteen en wel in onzichtbare deeltjes.

--En welke metalen zijn dat?

--Kwikzilver en bismuth. Dit laatste kent gij niet? Het is zeer duur
en zal hier wel niet te krijgen zijn.

--En waar moet men dat halen?

--In een apotheek. Zoodra wij morgen wakker zijn, zal ik er eens
heengaan.

--En zijt gij er heel zeker van, dat de kogel uit elkander vliegt? Want
anders was het toch met uw armen Hadschi gedaan!

--Wees maar niet bang, want ik zou toch eerst een proef nemen. Ik
heb het kunststuk in een tooverboek gelezen en het toen dadelijk
geprobeerd. Het gelukt uitstekend!

--Maar zijn dan de stukjes metaal niet te zien?

--Neen. Het metaal vervliegt in zeer kleine, nagenoeg onzichtbare
deeltjes. Het kunststuk zou nog meer effect maken, wanneer gij een
werkelijken looden kogel in de hand hieldt. Bij het afgaan van het
schot zou men dan moeten doen, alsof men den kogel uit de monding wilde
opvangen en inplaats daarvan toont men dan natuurlijk den anderen,
dien men op den grond werpt.

--Dat zullen wij doen, Sihdi!

--Ja, wanneer ik ten minste bismuth kan krijgen; anders is het
natuurlijk onmogelijk.

--Denkt gij dat de Skipetaren het te weten zullen komen, dat kogels
mij niet kunnen treffen?

--Ik geloof dat zij hier bepaald iemand hebben die hen van een en
ander op de hoogte houdt.

--Dan zou het goed zijn, indien zij dachten dat ook gij tegen kogels
bestand waart.

--Dat kon waar zijn!

--Laat dus ook eens op u schieten!

--Dat zal er van afhangen hoeveel munitie wij kunnen krijgen. Overigens
moeten wij tegenover die listige menschen bijzonder op onze hoede
zijn. Ik zal hen morgen, wat mij betreft, op een dwaalspoor brengen.

--Hoe zoo, Sihdi?

--Morgen zal ik een blonden baard en blond haar hebben.

--Hoe zult ge dat aanleggen?

--Er bestaat een plant die, in loog gekookt, aan het donkerste haar
een tijd lang een lichte kleur geeft. De bladeren zijn in de apotheek
hier te krijgen.

--O, dat is dus de plant waarover gij met Nebatja hebt gesproken!

--Juist, en zoo zullen wij hen op een dwaalspoor brengen. Buitendien
zal ik vooruitrijden om den weg te verkennen.

--Maar zij zullen u toch herkennen, want men zal hun wel vertellen
dat gij rijdt op een echten Arabischen hengst met roode neusgaten!

--Maar ik zal hem niet berijden!

--Hoe zoo?

--Omdat ik uw paard neem, en gij den hengst berijden zult.

Nauwelijks had ik die woorden gezegd of Halef was met éen sprong zijn
bed uit en zat op den rand van het mijne, terwijl hij buiten zichzelf
was van vreugde over het feit dat ik eenigen tijd het mooie edele
dier aan zijn zorgen toevertrouwde. Als hij had kunnen vermoeden dat
ik plan had om, bij onze scheiding, hem het paard ten geschenke te
geven, zou hij zeker nog opgewondener zijn geworden.

Na eenige oogenblikken keerde hij weer naar zijn eigen slaapplaats
terug en ging op den rand van zijn bed zitten.

--Maar waarom moet ik zóo lang op den hengst rijden. Zult gij dan
niet bij ons zijn?

--Op die vraag kan ik u nu nog geen antwoord geven, omdat ik zelf nog
niet weet wat er gebeuren zal. Ik zal mijn best doen, mijn uiterlijk
zooveel mogelijk te veranderen en dan....

--O, men zal u toch wel herkennen.

--Dat betwijfel ik, want de Aladschy's hebben mij nog nooit gezien
en kennen mij alleen uit de beschrijving.

--Dan is het mogelijk dat gij er in slaagt hen te misleiden, maar
zouden zij niet zelf naar Ostromdscha komen?

--Dat is niet waarschijnlijk.

--Waarom niet? Denkt gij dat hun veiligheid hier gevaar loopt?

--Dat niet. Zooals men hen mij beschreven heeft, zouden zij eerder in
staat zijn de heele laffe bevolking hier vrees in te boezemen. Maar
zij durven zich hier niet aan mij vertoonen en zullen ons daarom langs
den weg opwachten. Dat is zeker! Ik neem zelfs mijn geweren niet mede
en laat die bij u achter. Ik rijd geheel alleen, en doe alsof ik een
inwoner van dit land ben. In ieder geval krijg ik hen te zien.

--En wanneer zij zich verborgen hebben?

--Ook dan. Wanneer ik aan een plaats kom, die mij geschikt lijkt voor
een overval, dan zal ik naar sporen zoeken en hen zeker vinden. En
wat dan gebeuren zal, kan ik nu inderdaad nog niet zeggen.

--Maar wij moeten toch weten, wat wij doen moeten.

--Natuurlijk. Gij rijdt doodkalm en in matigen draf den weg naar
Radowitsch langs. Na twee uur gaans, moet gij de rivier over, en dan
nog hoogstens drie uur en gij zijt te Radowitsch. Is er onder weg
niets gebeurd en hebt gij niets bijzonders gezien, dan neemt gij uw
intrek in de eerste herberg, aan uw rechterhand. Er kunnen zich drie
gevallen voordoen. Ten eerste ben ik er misschien nog.

--Dan is alles in orde, Sihdi!

--Misschien ben ik reeds weer weg.

--En dan hebt gij een boodschap voor ons achter gelaten.

--Of ik ben er nog niet en dan wacht gij op mij.

--Maar wanneer gij nu niet komt?

--Ik kom zeker.

--Gij zijt een mensch en kunt u vergissen. Er kan u iets overkomen,
waardoor gij onze hulp zoudt behoeven!

--Dan rijdt gij terug, maar gij alleen én eerst den volgenden dag,
doch niet vóór den middag en niet op den hengst. Deze moet dan in de
herberg blijven bij Osko en Omar. Hen wil ik niet aan eenig gevaar
blootstellen. Op dien terugweg zult gij wel eenig teeken van mij
vinden. Dat is hetgeen, wat wij vooruit moeten afspreken. Iets naders
valt echter niet vast te stellen. Maar nu zullen wij ons gesprek
eindigen, want wij hebben rust noodig en zullen trachten ons door
den slaap te verkwikken.

--Maar ik kan niet slapen. Ik zal te veel denken aan de vertooning
met de kogels en het feit dat ik den hengst berijden mag. Goeden
nacht, Sihdi!

--Goeden nacht!

Ik geloof gaarne dat de goede kerel niet slapen zou, want hij was
uitermate opgewonden. Er waren drie schepsels in de wereld aan wie
hij met zijn geheele hart hing, en dat ik daarin de eerste plaats
bekleedde, wist ik wel zeker. Dan kwam Hanneh "het sieraad aller
vrouwen en meisjes" en eindelijk Rih, de hengst. Dat hij dien zou
berijden, was voor hem zulk een groote vreugde, dat ik overtuigd was
dat hij den slaap niet zou kunnen vatten.

Ook ik lag nog geruimen tijd wakker, peinzend over den zonderlingen
samenloop der omstandigheden, tot dat ik eindelijk insluimerde.





VIJFDE HOOFDSTUK.

IN DE APOTHEEK.


Toen ik den volgenden morgen wakker werd en de luiken open deed was het
reeds helder dag. Mijn horloge zeide mij dat ik twee en een half uur
had geslapen. Halef was reeds opgestaan. Ik vond hem beneden in den
stal, waar hij bezig was den hengst te poetsen en te borstelen. Hij
was daarmee zoo druk bezig, dat hij mijn komst niet bemerkte. Toen
hij mij eindelijk gewaar werd, zeide hij:

--Zoo, ook reeds op! In huis is alles nog in diepe rust. Maar het is
goed dat gij vroeg bij de hand zijt, want er is veel te doen.

--Zoo? Wat dan?--vroeg ik, ofschoon ik zeer goed begreep wat hij
bedoelde.

--Gij moet naar de apotheek.

--Dat heeft den tijd nog.

--Neen, Sihdi. Want het duurt geruimen tijd voordat zulke kogels
gereed zijn.

--Hoe weet ge dat?

--O, ik ben niet zoo dom als gij wel denkt, Sihdi!

--Nu, misschien hebt gij wel gelijk, daar ik de bladeren ook nog moet
koken, maar ik weet in het geheel niet waar de apotheek is en in de
geheele stad zal nog wel niemand op zijn, die mij het huis kan wijzen.

--Maar iemand als gij, kan toch de apotheek wel vinden!

--Ik zal het beproeven!

En daarna deed ik de poort open en ging naar buiten. Ik had reeds bij
mij zelf overlegd, dat de apotheek natuurlijk niet in een achterbuurt
maar in een hoofdstraat, in het hart van het plaatsje moest zijn te
vinden, en daar was ik.

Toen ik de huizen stuk voor stuk eens goed opnam, viel mijn oog
op een oud, bouwvallig krot, dat den naam van huis nagenoeg niet
meer verdiende. Aan twee, ook al niet zeer stevig bevestigde haken,
wiegelde een houten bord heen en weer, waarop gelukkig nog vrij
duidelijk te lezen stond.

"Hadschi Omrak Doktor hakemi we bazar bahari."

Dit was met witte letters op groenen achtergrond geschilderd en
beteekent zooveel als: "De Mekka pelgrim Omrak, doktor in de medicijnen
en handel in geneesmiddelen." Deze Hadschi was dus een arts, die zich
den doctorstitel aanmatigde of daarop misschien inderdaad recht had.

De deur was gesloten maar met een stevigen duw verschafte ik mij
toegang. Een bel was nergens te zien, maar aan de beide uiteinden van
een touw waren twee planken bevestigd, juist zoo hoog dat een volwassen
persoon er bij kon. In de veronderstelling dat dit als klopper moest
dienst doen, sloeg ik de plankjes op elkaar, wat een geluid maakte,
wel in staat om slapenden te doen ontwaken.

Ik moest dit echter verscheiden malen herhalen voor ik gehoor kreeg,
maar eindelijk verscheen eerst een kale knikker, waskleurig met een
uit louter rimpels bestaand voorhoofd, twee kleine slaperig knippende
oogjes, een neus die veel overeenkomst had met de tuit van een grooten
bruinen aarden koffiepot, zooals men ze nog wel in de dorpen aantreft,
een breede mond met dunne kleurlooze lippen, een gebogen kin, lang
zoo breed niet als de neus, en eindelijk klonk het:

--Krui dir?--Wie is daar?

--Een patiënt,--antwoordde ik.

--Waaraan lijdt gij?

--Ik heb mijn maag gebroken,--antwoordde ik zonder aarzelen.

--Schimdi, tez!--Dadelijk, dadelijk!--schreeuwde de "dokter" met een
stem, die mij deed vermoeden dat zulk een interessant geval nog nimmer
bij hem voorgekomen was.

Het hoofd verdween en eenige oogenblikken later vernam ik, van achter
een deur, een lawaai alsof een aardbeving in aantocht was. Eenige
katten miauwden, een hond blafte, vaatwerk werd omvergeworpen en
toen vloog iets, misschien wel de dokter in hoogst eigen persoon,
tegen de deur, die open ging, waarna de geleerde heer met een diepe,
zeer diepe buiging nader kwam.

Wat een rare persoonlijkheid vertoonde zich daar aan mijn oog. Hij
zou inderdaad als vogelverschrikker een uitstekend figuur hebben
gemaakt en alle velden en boomgaarden uitstekend voor ongewenschte
gasten hebben gevrijwaard.

Van dichtbij bekeken, was zijn gezicht nog leelijker. Het was vol naden
en rimpels, er was geen glad plekje te bekennen. Zijn morgentoilet
bestond uit een kleedingstuk dat veel overeenkomst had met een
hemd. Het reikte wel is waar van den hals tot aan de enkels maar zat
vol scheuren en gaten. Aan den eenen voet droeg hij een platgetrapte
rood lederen pantoffel, en aan den anderen een reislaars van zwart
vilt. Maar ook deze vertoonden luchtgaatjes en de teenen staken er
door. Op zijn kalen schedel droeg hij een vrouwen-nachtmuts, die
tengevolge van de haast, waarmede hij mij en mijn gebroken maag te
hulp wilde komen, het achterste vóór op zijn hoofd terecht was gekomen.

--Heer, treed nader! Mijn geheele armzalige apotheek is tot uw dienst!

Hij boog zóó diep, dat hij met zijn hoofd bijna op den grond terecht
kwam en trad in die houding eenige passen achteruit.

--O jazik--o wee! Kojun, basar sen nassirlarmüz üzeri--Schaapskop,
ge trapt op mijn eksteroogen!

Hij ging op zij, en nu kreeg ik het beminnelijke wezen te zien,
dat deze vriendelijke woorden had gelispeld.

Dit schepsel scheen te bestaan uit een hoofd, een stuk oud tapijt
en twee bloote, ontzettend vuile voeten. Toch waren die voeten nog
te verkiezen boven het gezicht. De eigenaar van de apotheek was een
nog veel aantrekkelijker persoonlijkheid dan zijn vrouwtje. Liefst
zwijg ik maar over haar bekoorlijkheden.

Zij kwam naderbij en boog even diep als haar heer gemaal.

--Chosch geldiniz Sultanum!--Wees gegroet, edele heer!--aldus begroette
zij mij.--Wij zijn gelukkig uw aangezicht te aanschouwen. De stroomen
onzer gehoorzaamheid zullen voor u vloeien!

--Sen güzel tscha ilahessi bunum hejranli tschaghlagnün!--En gij zijt
de schoonste nymph dezer wateren!--antwoordde ik beleefd terwijl ik
mij ook voor haar boog.

Zij liet een goedkeurend gemompel hooren, knikte heur heer gemaal toe,
hief vermanend de rechterhand op en zeide, terwijl zij hem met den
wijsvinger op het voorhoofd tikte:

--Luister eens! Hij noemt mij schoon! Zijn smaak is beter dan de uwe!

En zich daarna weder tot mij wendende zeide zij, op haar
vriendelijksten en meest onderdanigen toon:

--Uw mond kan aangename dingen zeggen, én gij zijt niet blind voor
de bekoorlijkheden uwer medemenschen. Dat kon ik van u ook wel denken!

--Hoe zoo? Kent gij mij dan?

--Zeer goed. Gij hebt gesproken met Nohuda, mijn boezemvriendin en
met Nebatja, die ons kruiden brengt, en zij hebben ons veel van u
verteld. Daarna hebben wij u bij den Bascha gezien. De wereld is vol
van uw lof en ons hart slaat u tegen. Wij weenen bittere tranen, dat
ziekte u tot ons voert, maar wij hebben alle iki bin bir iladschlar,
(alle tienduizend en één artsenijen) bestudeerd en zullen u van uw
lijden verlossen. Er is nog niemand van hier gegaan, zonder hulp
of genezing te hebben gevonden. Daarom kunt gij u gerust aan ons
toevertrouwen!

Dat beloofde veel. Zij zag er juist uit, alsof zij de tienduizend en
één artsenijen niet alleen bestudeerd maar ook ingenomen had en nog
aan de werking daarvan leed. En aan die beide menschen had ik mij nu
ingeval van ziekte moeten toevertrouwen!

Daarom zeide ik:

--Vergeef mij, O Gunesch esche schifa (Zon der geneeskunst) wanneer
ik van uw vriendelijke hulp geen gebruik maak. Ik ben zelf een
Hekim Bascha (een eerste dokter) in mijn vaderland, en ik ken mijn
lichaam. Daarvoor zijn andere middelen noodig dan voor de inwoners
dezer landen. Ik ben alleen gekomen om de middelen te halen, die ik
voor mijn genezing noodig heb.

--Jazyk adschynadschak.--Dat is jammer, zeer jammer!--riep zij
uit.--Wij zouden de wond in uw maag nauwkeurig hebben onderzocht en
opgemeten. Wij bezitten een Mide-melhemi (maagpleister), die wij voor
u op een stuk doek van een tulband zouden hebben uitgestreken. Indien
gij er die dan op had gelegd, zou de wond in een paar uren geheeld
zijn geweest.

--Misschien is uw pleister wel volkomen gelijk aan de mijne, want
die werkt even snel. Maar veroorloof mij die zelf gereed te maken.

--Uw wil is de onze. Kom dus binnen, ga in de kamer der wonderzalven
en zoek uit wat uw hart begeert.

Zij deed een zijdeur open en ging mij voor. Ik volgde haar en achter
mij kwam de gelukkige eigenaar der apotheek en de benijdenswaardige
echtgenoot der schoone nymph.

Wat ik zag, deed mij de gewaarwording gevoelen, die men gewoonlijk
bestempelt met den naam van onpasselijk.

Ik bevond me in een vertrek dat beter voor hoenderstal dan voor
apotheek kon dienen. Ik stootte mijn hoofd aan de zoldering,
en de bodem bestond uit lieve moeder aarde, terwijl de wanden
waren saamgesteld uit planken, die men niet eens van de schors
had ontdaan. Aan spijkers hingen een aantal kleine linnen zakjes,
en in het midden van het vertrek hing aan een touw een reusachtige
klisteerspuit. Op een blad lagen verschillende scharen van de meest
wonderlijke vormen, gereedschap om koppen te zetten, barbiers bekkens,
en tangen, lomp en grof voor het trekken van tanden. Op den grond
stonden allerlei potjes en pannetjes, meest geschonden en gebroken,
terwijl het geheele vertrek vervuld was van een onbeschrijfelijken
geur.

--Hier--zei zij,--is onze patiëntenkeuken. Zeg ons nu maar, uit
welke middelen de pleister voor uw maag moet worden samengesteld. De
apotheker kwam dicht bij mij staan en keek mij vol verwachting en
nieuwsgierigheid aan. Hij verheugde er zich blijkbaar op, het recept
af te luisteren.

--Hebt gij daar ook Sadar in een van die zakjes?--vroeg ik.

--Daar is Sadar!--antwoordde de schoone, naar een zakje aan den
muur wijzende.

--Sadar?--merkte haar man op.--Ilmm lotos komar, de wetenschap noemt
het lotos.

Deze dokter en Hekim wilde mij eens toonen, dat hij den latijnschen
naam van de plant kende. Deze was echter verouderd en daarom hernam ik:

--Tanam ilm celtis australis komar,--de werkelijke wetenschap noemt
het celtis australis.

Hij spreidde den mond open en keek mij aan.

--Zijn er dan nog verschillende soorten van wetenschap?

--O, meer dan honderd!

--Allah! en ik ken er maar één. En hoeveel Sadar verlangt gij, Heer?

--Een groote handvol!

--Goed, ik zal het in een zakje doen. Wat wenscht gij nog meer?

Op den grond lag een papier, en ik had er wel vijfhonderd piasters
onder willen verwedden dat dit van de straat was opgeraapt. Zij nam
het op, draaide het in elkaar, ging met haar tong langs den rand om
het op elkaar te plakken en deed er een hand-vol celtis australis
in. Daar ik het middel alleen uitwendig wilde aanwenden, maakte ik
geen aanmerking op de handelwijze der apothekeres.

--Hebt gij ook alkali?--vroeg ik.

Zij keek mij verbaasd aan, ofschoon het woord zuiver Arabisch is. Hij
vertrok zijn mond tot een breeden zelfbewusten glimlach en vroeg
mij gewichtig:

--Welke wenscht gij?

--Dat is mij hetzelfde.

--Heer, ik heb vernomen, dat uw vaderland in het westen ligt. Ik
bezit zeer goede alkali dat vandaar komt. Die kunt gij dus krijgen,
indien gij verkiest.

--Hoe noemt gij die?

--Schawell, suju.

--Laat eens kijken!

Hij bracht nu werkelijk, evenals ik vermoedde, een fleschje te
voorschijn, waarop te lezen stond, "Eau de Javelle, fabrique de
Charles Gautier, Paris."

--Hoe komt gij aan dat alkali?--vroeg ik.

--Ik kocht eens eenige fleschjes van een reiziger, die bij mij
kwam. Hij kwam uit Praga, de hoofdstad van Fransa.

--Gij vergist u. Praag is de hoofdstad van Bohemen. De hoofdstad van
Fransa heet Parijs.

--Effendi, hoe weet gij dat alles?

Zijn vrouw viel hem nu heftig in de rede:

--Sus,--zwijg! Dat wist ik al lang, maar gij zijt een domkop, in
plaats van dokter en apotheker. Heer, wat verlangt gij nog meer?

--Hebt gij kwikzilver?

--Ja, dat hebben wij noodig voor het vullen van de barometers en
thermometers die wij maken!

--Hé, maakt gij die zelf?

--Ja, vertrouwt gij ons dat niet toe?

--O zeker; die in de medicijnen heeft gestudeerd kan alles!

--Niet waar? Gij zijt een verstandig en hoogst beschaafd man. Wij
hebben juist nieuwen voorraad uit Saloniki ontvangen. Maar wanneer
wij soms geen kwikzilver hebben, doen wij geitenmelk in de buizen; die
ziet ook wit en geeft het weder nog nauwkeuriger aan dan kwikzilver!

--Is u dat ernst?

--Zeker, dat wist gij toch zeker ook wel?

--Neen, mijn waarde!

--Daar hebt gij nu het bewijs, dat wij hier veel verstandiger zijn dan
in de westersche landen. De geiten weten zeer nauwkeurig welk weder
het worden zal. Wanneer het zal regenen, maken zij dat zij naar den
stal komen. Dus moet de melk wel een goed vulsel voor de buizen zijn!

--Gij zijt een verstandige vrouw, dat heb ik wel dadelijk opgemerkt.

--En hoeveel kwikzilver verlangt gij, Effendi?

--Ongeveer 500 gram. Hebt gij zooveel?

--O, nog wel meer!

--Wacht dan nog even. Ik moet eerst weten of gij nog een andere stof
hebt, die ik daarbij noodig heb.

--Wat meent gij?

--Kül kurschuni! (bismuth). Dat is een zeer zeldzaam artikel. Zoudt
gij dat hebben?

--Kül kurschuni hebben wij niet, wel Kül kalaji (ook bismuth) dat
wij gebruiken om er mooie witte zalf uit te bereiden.

--Dat kan ook. Wanneer gij mij daarvan één vikiey kunt geven moet ik
twee vikiey kwikzilver hebben.

--Zal ik dat ook maar in het zakje doen?

--Neen, zeker niet, want het kwikzilver zou dadelijk wegloopen!

--Daar hebt gij gelijk in, evenals de liefde van de mannen dadelijk
verdwijnt, wanneer.... wanneer....

--Men die in zulk een zakje doet?

--Ja, maar het zakje is het hart, dat niet in staat is, de liefde
te bewaren. O die liefde, die liefde! Die heeft al menige vrouw
ongelukkig gemaakt.

Zij wierp daarbij een woedenden blik op haar echtvriend, rukte hem
de muts van het hoofd en zette die zelf op, zeggende:

--Mensch, hoe kunt gij u met een Zinet müenneslükün (sieraad der
vrouwen) tooien! Wilt gij de ziel uwer vrouw ontheiligen?

Hij greep met beide handen naar zijn kalen bol, en riep:

--Vrouw! gij vergrijpt u aan de waardigheid des mans! Weet gij niet,
dat het ons verboden is met ongedekten hoofde te gaan?

Maar de slimme echtgenoote wist raad.

--Bunda, jokary kaldyr hasz kutuju.--Daar, zet dan dien meelzak op! En
tegelijkertijd greep zij naar een zak, waarin nog een restantje
meel was, en keerde dien, zonder op het meel te letten, op het
hoofd van haar echtvriend om. Zijn geheele gezicht was gepoederd
maar hij waagde het toch niet een woord tegen te spreken, en hield
de cotillonmuts bedaard op. Als een streng muzelman, die zijn hoofd
niet mag ontblooten, was hij al heel blij, weer een hoofddeksel te
hebben. Welken indruk dat tooisel op mij maakte, scheen hem totaal
onverschillig te zijn. Hij knielde op den grond en scharrelde in alle
potjes en pannetjes.

--Wat zoekt gij toch?--vroeg zijn schoone wederhelft.

--Een flesch om het kwikzilver voor den Effendi in te doen. Hier is
er een!

Hij stond op en reikte zijne vrouw de flesch toe. Die was zóó groot,
dat die zijn geheelen voorraad kwikzilver wel had kunnen bevatten,
en misschien nog veel meer.

De vrouw hield haar tegen het licht en bekeek den inhoud.

--Daar is nog oude vernis in.

--Nu, wat hindert dat!

--Zeer veel! Neem water en spoel de flesch uit.

Hij ging zeer gehoorzaam en gedwee met de flesch heen.

Na een poosje, waarin ik met de geleerde vrouw een gesprek had gevoerd,
kwam hij terug, zijn gezicht rood en warm van inspanning en zeide op
wanhopigen toon:

--Ik kan de flesch niet schoon krijgen! Probeer het zelf!

--Gij zijt een uilskuiken!--hernam zij. Gij mannen zijt verbazend
onhandig.

Zij ging met de flesch heen en ik liet haar begaan zonder een woord
te spreken.

Hij vertelde mij in dien tijd staaltjes van zijn echtelijk geluk
totdat zij eindelijk terug kwam, nog rooder dan haar echtvriend eenige
oogenblikken van te voren!

--Effendi!--klaagde zij. De flesch is betooverd! Het vernis wil er
niet uit.

--Dat wist ik!

--Hoe zoo? Inderdaad?

--Ja dat gaat niet met water, maar moet met terpentijn
geschieden. Vernis neemt geen water aan.

--Dat hadt gij ons toch wel kunnen zeggen!

--Neen, zeker niet, dan zou ik u hebben beleedigd.

--Waarom?

--Een apotheker moet dat weten. En buitendien weet iedereen dat ook,
al heeft men nu niet juist chemie gestudeerd. Wanneer ik u dus daarop
opmerkzaam had gemaakt, zou dat zeer onbeleefd zijn geweest en den
schijn hebben gehad dat ik niet geloofde dat gij in de medicijnen
hadt gestudeerd.

--Gij hebt gelijk. Gij zijt een beleefd en wel opgevoed mensch. Daarom
krijgt gij nu het vernis voor niets. Ik zal er het kwikzilver op
gieten. Waar is de schaal, man?

--Buiten. Ik heb er gisteren het konijntje op gewogen, dat wij vandaag
zouden eten.

O wee! Een apothekers weegschaal, waarop het gewicht van een geslacht
konijn kon worden bepaald. Toen het ding te voorschijn kwam, zag
ik dat hij die zelf in elkaar had gemaakt en uit hout gesneden. De
tong was een stuk ijzerdraad, dat zich tusschen de twee tanden van
een vork bewoog. De schalen bestonden uit een houten doos en het
deksel daarvan. Toch was het wonderlijke instrument nog vrij goed in
evenwicht gebracht.

Met deze weegschaal werd het verlangde nu voor mij afgewogen, en ik
was zeer tevreden met den prijs, die de apothekeres er voor bedong,
te meer daar de kwaliteit van het bismuth niets te wenschen overliet.

Nadat ik ook nog lood had gekocht, verliet ik den vreemdsoortigen
winkel, en kreeg de beste wenschen mede voor mijn spoedig herstel en
verder welzijn.





ZESDE HOOFDSTUK.

KOGELVRIJ!


Van de Apotheek ging ik naar de goede Nebatja, die ook reeds op was en
mij met de grootste vreugde ontving. Zij liet mij haar distelkoning
zien, dien ik nu bij daglicht nader bekeek, en wilde mij dien ten
geschenke geven, maar ik nam hem niet aan. Natuurlijk bedankte
ik haar voor haar waarschuwing en vertelde haar hoe gewichtig die
voor mij was. Toen ik haar zeide dat zij daardoor mijn leven redde,
was zij buiten zichzelve van vreugde. De brave vrouw boezemde mij de
levendigste belangstelling in. Reeds gisteren had ik er over gedacht,
hoe gemakkelijk ik haar toekomst minder duister maken kon, en nu
voerde ik maar dadelijk dat voornemen uit.

Ik bezat het geld dat bij hun gevangenneming op Manach el Barscha en
Barud el Amasat was gevonden. Eigenlijk moest ik dat weer afgeven! Maar
aan wien? Aan de eerlijke overheidspersonen van Ostromdscha? Pah! Aan
de hoogere regeering? Dat kon ik persoonlijk niet doen, daar mij
daartoe de tijd ontbrak. En een bode zenden? De man zou wel in zijn
vuistje hebben gelachen! Buitendien waren de drie mannen, wien wij
het hadden afgenomen gevlucht. En hun het geld terug te geven, zou
krankzinnig zijn geweest. Ik kon daarom niets beters doen, dan het
gebruiken voor arme behoeftige menschen. En daartoe behoorde Nebatja
in de eerste plaats.

Maar ik moest haar niet vertellen hoe ik er aan kwam, want dan zou zij
maar bang zijn geweest. De geheele som wilde ik haar ook niet geven,
want ik kon er zeker van zijn, dat ik nog wel meer armen en behoeftigen
zou ontmoeten en ik wist dat het deel dat ik voor haar had bestemd,
voldoende wezen zou om haar voor kommer en nood te bewaren.

Zij was stom van vroolijke verbazing, toen ik haar onder vier oogen
het geld ter hand stelde. Zij kon maar niet gelooven, dat die som,
die in haar oogen een schat was, nu werkelijk haar toebehoorde. De
tranen rolden haar over de wangen.

Het meest verheugde het haar nog, dat zij nu een werkelijken dokter bij
haar jongen nemen kon. Met geweld moest ik mij aan haar dankbetuigingen
onttrekken.

Halef had inmiddels met ongeduld op mij gewacht. Hij stond bij de
poort en riep mij reeds van verre toe:

--Eindelijk, eindelijk, Sihdi! Wij hebben het zoo druk en nu blijft
gij zoo lang weg. Hoe staat het met het kunststuk?

--Zeer goed! Is de waard reeds op?

--Allen zijn reeds bij de hand!

--Dan ga ik naar den haard, want ik moet koken en smelten.

--Ik moet er bij zijn, en gij moet mij alles uitleggen, zoodat ik
het kan nadoen!

--Neen, van nadoen komt niets in. Er behoort eenige kennis toe,
die gij niet bezit, en zelfs hij, met wien dit wel het geval is,
kan door een kleine onoplettendheid een fout maken, die hem of een
ander het leven kan kosten. Daarom zal ik nooit aan iemand alle
vier de bestanddeelen noemen of hem zeggen hoe zij moeten worden
vermengd. Osko moet mij zijn kogelvorm even brengen, want die is van
het kaliber der hier in gebruik zijnde geweren.

Onze voorbereidingen namen ons langer dan een half uur in beslag. De
sadarbladeren werden in verdund Eau de Javelle gekookt, en het
aftreksel door een linnen lapje gegoten. Uit den voorraad metaal konden
acht kogels worden gemaakt, die er volkomen als looden kogels uitzagen.

Buitendien werden nog eenige echte kogels gegoten, die wij met de punt
van een mes teekenden. Toen ging ik met Osko's geweer achter het huis,
waarbij niemand mij mocht vergezellen. Ik laadde het geweer met een
kwikzilverkogel, hield den mond op een afstand van anderhalven voet
voor een plank en haalde over. Het schot kraakte als gewoonlijk,
maar de plank was volkomen ongeschonden. Ook op den grond was geen
spoor van den uiteengespatten kogel te zien.

Deze proef was noodzakelijk geweest, want nu wist ik zeker dat er
geen ongelukken konden gebeuren. Verraad had ik niet te vreezen daar
alleen Halef, Osko en Omar waren ingewijd, en van de stilzwijgendheid
van deze drie was ik voldoende overtuigd.

Alles was juist op tijd geschied, want toen ik terugkeerde, kwamen
de Kasa Mufti met den Naïb en den Ajak-naïb aan. Er waren ook nog
anderen bij. Toen de eerste mij bemerkte, kwam hij naar mij toe,
trok mij op zij en zeide:

--Effendi, gij begrijpt wel waarom ik ben gekomen?

--Gij wilt mij zeker mededeelen, hoe het met den Kodscha Bascha
gesteld is.

--O neen, neen! Ik wilde u vragen, of gij van uw kleinen Hadschi
reeds verlof gekregen hebt om hem, door den een of ander, een kogel
door den kop te laten schieten.

--Zijt gij daar zóó bijzonder op gesteld?

--Ja, want dat is zeer wonderlijk. Heeft hij vandaag zijn Koranbladen
reeds opgegeten?

--Vraag het hem zelf!

--Dat doe ik liever niet, want hij moest het mij eens kwalijk nemen. En
gij weet----zijn mes----! Hij kan ook al zoo goed met de zweep omgaan!

--Ja, hij is een dappere kleine kerel!

--Dus, vertel eens! Hebt gij het hem gevraagd?

--Ja, nog vóór wij gingen slapen!

--En wat heeft hij u geantwoord!

--Nu, hij scheen er wel ooren naar te hebben!

--Dat zou prachtig zijn! En wanneer kan de geschiedenis nu beginnen?

--Geduld! Dat gaat maar niet zoo gauw, als gij wel zoudt wenschen. Mijn
beschermer heeft zijn eigenaardigheden. Overigens heb ik u gisteren
nog niet alles gezegd.--Wij allen namelijk, mijn drie reisgezellen
en ik, hebben allen dezelfde eigenschappen. Niemand onzer heeft voor
een kogel te vreezen!

--Wat?--Gij ook al?

--Zooals ik u zeg!

--Gij eet dus ook koranbladen?

--Gij moet niet te veel vragen, want dergelijke geheimen verraadt
men natuurlijk zeer ongaarne!

--Wij kunnen dus naar hartelust op u schieten.

--Ja, wanneer gij tenminste zelf uw leven moede zijt.

--Hoezoo? Ik begrijp daar niets van.

--Wel, gij moet oppassen; want men schiet maar niet op een onzer,
zonder vooraf vergunning te hebben gevraagd.

--Waarom niet, Effendi?

--Wanneer wij er verlof toe geven, kan het zonder eenig gevaar
geschieden. Wie het echter tersluiks doet, wordt zelf door den kogel
getroffen en wel juist dáár, waar hij bij ons op heeft gemikt.

--Wanneer ik dus mik op het hoofd van den Hadschi of op het uwe,
zou het mijne getroffen worden?

--Zeer zeker! Wilt gij het soms eens probeeren?

--Neen, Effendi, dank u. Maar waarom hebt gij dat zóó en niet anders
ingericht?

--Dat kan uw eigen verstand u wel zeggen. Natuurlijk met het oog
op mogelijke vijanden, en om die te straffen is het natuurlijk niet
voldoende dat de kogels geen doel treffen, maar moeten zij zelf met
evenveel juistheid worden getroffen als zij op ons hebben gemikt. Dat
is de oude wet van gerechte en juiste wedervergelding!

--Ewwet, göz itchün göz, asch itschün asch. Ja, oog om oog en tand om
tand! Ik zou liever niet uw vijand zijn. Wanneer vertrekt gij weder
van hier?

--Gij verheugt u zeker zeer op ons vertrek?

--Neen, ik zou liever willen dat gij maar altijd hier bleeft. Gij
hebt hier groote veranderingen teweeg gebracht.

--Maar dan toch ten goede!

--Ja, en daarom zijn wij u dankbaar, ofschoon men de zaken toch liever
moet laten zooals Allah die heeft geregeld.

--Zou het dan de wil van Allah zijn geweest, dat de Mubarek u bedroog
en de Kodscha Bascha de gevangenen bevrijdde?

--Neen, dat nu wel niet!

--Hoe gaat het met den Kodscha Bascha.

--Hij is opgesloten!

--Gij zult natuurlijk niets ondernemen, waardoor hij aan zijn gerechte
straf ontkomen kan?

--Wat denkt gij wel van mij! Ik ben een rechtvaardig dienaar van den
Padischa en doe stevig mijn plicht. Maar daarvoor kunt gij mij nu
wel een genoegen doen, en mijn voorspraak bij den Hadschi zijn.

--Goed, ik zal er hem nog eens over spreken!

--En mag ik er dan nog wat menschen bij halen?

--Daar heb ik niets tegen.

--Goed, ik kom spoedig terug. Ik moet dat aan den goeden Toma
vertellen, die het gaarne zou bijwonen.

--Wie is die Toma?

--Hij is iemand die boodschappen doet, zooveel als bode tusschen hier
en Radowitsch.

--Een brave man?

--Zeer braaf. Toen gij gisteren weg waart, prees hij u zeer. Ik
vertelde hem, dat uw Hadschi koranbladen eet en daardoor kogelvrij
is. Hij wilde dat ook gaarne zien en verheugt zich in het welzijn
van u en uw vriend. Mag ik hem halen?

--Zeker, breng hem maar mede!

En haastig ging hij heen.

Deze menschen waren toch zoo gemakkelijk te doorzien! Ik vermoedde
dat aan dezen Toma door de beide Aladschy's was opgedragen ons gade
te slaan en hun zijn ervaringen mede te deelen.--Weldra bemerkten wij
de gevolgen van de verhalen van den Kasa Mufti. Er kwamen verscheiden
menschen, en ik onttrok mij aan hun nieuwsgierige blikken, door binnen
te gaan in de kamer waar de "rechter" mij kwam opzoeken.

Hij was vergezeld van een man met kromme beenen, dien hij aan mij
voorstelde met de woorden:

--Effendi, dat is nu de bode over wien ik u heb gesproken.

Ik keek den man doordringend aan en zeide:

--Gij gaat dus heen en weer tusschen hier en Radowitsch?

--Ja, Heer, maar ik loop niet, ik rijd.

--En wanneer gaat gij nu de eerstvolgende maal.

--Overmorgen!

--Eerder niet?

Hij antwoordde ontkennend, waarop ik hernam:--Dat is gelukkig voor u!

--Waarom?

--Omdat die weg vandaag gevaarlijk voor u zijn kon.

--En op welken grond, Effendi?

--Dat doet minder ter zake. Maar indien gij vandaag vertrokken waart,
had ik u willen waarschuwen!

--En gij vertrekt zelf toch?

Zoo eerlijk en oprecht als hij mij tot nu toe had aangekeken, zoo
doordringend en onderzoekend was thans zijn blik op mij gericht.

--Zeer zeker!--antwoordde ik onbevangen.

--En wanneer, Effendi?

--Tegen den middag.

--Dat is geen goede tijd, men moet zoo ongeveer opbreken tegen den
tijd van het middaggebed, twee uur voor zonsondergang.

--Dat doet men in de woestijn. Maar hier rijdt men niet graag bij
nacht door onbekende bosschen, en vooral niet als de Aladschy's in
de nabijheid zijn!

--Die?--vroeg hij met goed geveinsde verbazing.

--Kent gij hen?--hernam ik.

Hij ontkende kortweg.

--Maar gij hebt toch wel eens van hen gehoord?--vroeg ik verder.

--Slechts weinig. De Kasa Mufti vertelde mij, dat zij u wilden
overvallen.

--Dat heb ik vernomen.

--Van wien?

--Van een goed vriend. Maar als zij verstandig zijn, laten zij mij
met rust, want ik laat niet met mij dollen!

--Dat heb ik gehoord!--hernam hij, veelbeteekenend glimlachende. U
en de uwen kan geen kogel treffen.

--Dat is nog niet alles.

--Ja, en de kogels kaatsten terug op dengene die ze heeft afgeschoten.

Daarbij keek hij mij aan met een blik alsof hij wilde zeggen: Ik ben
ook niet van vandaag of gisteren, evenmin als gij, dus mij zult gij
niet voor den gek houden. Hij was in elk geval slimmer dan de rechter
van dezen Kasa. Deze laatste scheen den glimlach te hebben gezien en
de bedoeling begrepen, althans hij zeide:

--En dat wilt gij niet gelooven, Toma?

--Ja, wanneer de Effendi het zelf zegt, dan moet men toch wel aannemen
dat het waar is.

--Dat zou ik u raden. Indien gij het tegendeel deedt, zou dat een
beleediging wezen, en gij hebt steeds bekend gestaan als een beleefd
man.

--Ja, daarvan is Allah getuige. Maar ik denk, dat deze Effendi wel
zoo vriendelijk zal zijn om ons te overtuigen dat hij kogelvrij is.

Halef had hem en mij gadegeslagen. Het was zijn gewoonte om, wanneer
wij vreemde menschen ontmoetten, op mijn gezicht te lezen wat ik over
hen dacht. In ieder geval scheen hij aan mij te merken dat ik dezen
bode geenszins vriendschappelijk gezind was, want hij legde de hand
op het handvat van zijn zweep en zeide:

--Man, wilt gij onzen Effendi soms beleefdheid leeren? Wanneer gij
den moed hebt dat te doen, dan ben ik bereid om u alle lessen van
de beleefdheidsleer met mijn zweep op uw rug te schrijven. Door een
kikvorsch als gij, laten wij ons niet aankwaken.

Hij was opgestaan en trad in dreigende houding naar den man toe. Deze
trok zich snel naar de deur terug en riep:

--O Hadschi, blijf staan! blijf staan! Ik heb er zelfs niet aan gedacht
u iets voor te schrijven. Laat uw zweep maar in den gordel. Ik gevoel
niet den minsten lust daarmede kennis te maken!

--Gedraag u dan zoo, dat wij vrede met u kunnen hebben. Wij zijn de
kinderen van den eenigen Profeet, en zonen van den Padischa, en laten
ons maar niet alles welgevallen van een man die Toma heet. Want zoo
kan alleen een ongeloovige heeten, die van de water-meloenen van den
Moslem alleen de schillen eten mag. Verder zullen wij u bewijzen, dat
wij u geen leugen hebben verteld, maar wij zullen teekenen en wonderen
doen, waarvan gij verbaasd zult staan. Effendi, zullen wij het doen?

--Ja Halef, wanneer gij wilt?

--Ik wil wel. Laten wij dus naar buiten gaan!

Degenen die wij voorbij kwamen, staarden ons met groote oogen aan,
en die het verst af stonden, rekten hun halzen uit om ieder onzer
bewegingen te kunnen volgen.

De kleine Hadschi nam zijn zweep en baande zich, rechts en links
daarmede slaande, een weg naar het kleine pleintje.

--Sihdi, geeft gij mij de kogels?--vroeg hij.

--Neen, ik wil geheel zeker zijn van de zaak, om ongelukken te
voorkomen. Eerst zullen wij een echten looden kogel nemen. Spreek
gij de menschen toe, uw redenaarstalent is grooter dan het mijne.

Hij was door dien lof zeer gestreeld. Hij rekte zich en weldra klonk
het uit zijn mond:

--Gij, mannen en vrouwen van Ostromdscha, zult het onverdiende geluk
hebben vier dappere mannen te zien, op wier lichaam geen kogel vat
heeft. Opent uw oogen en scherpt uw verstand, opdat niets van het
wonder aan uw aandacht ontsnappe en gij er van kunt verhalen aan uw
kindskinderen, achterkleinkinderen en alle nakomelingen in het verste
geslacht, wanneer gij ten minste zoolang in het leven blijft. Maakt
geen leven, maar houdt u rustig en zendt mij nu den man, die bij u
bekend staat als de beste schutter, met een geweer!

Er ontstond een gemompel. Men zocht een man, en eindelijk trad er
een naar voren met het geweer in de hand.

--Is uw geweer geladen?--vroeg ik hem hard op.

--Ja, Effendi!--antwoordde hij.

--Hebt gij nog meer kogels bij u?

--Neen, Heer!

--Dat doet er niet toe. Ik zal u dan de mijne geven. Maar eerst moet
gij ons bewijzen, dat gij een goed schutter zijt. Ziet gij die nieuwe
plank daar in het schuurtje? Daar is een kwast in. Tracht dien eens
te raken!

De man ging een paar pas achteruit, mikte en schoot. Alle aanwezigen
kwamen naderbij en zagen dat hij het doel had gemist, en ongeveer
anderhalven duim er naast getroffen had.

--Dat is niet best gelukt!--zeide ik. Probeer het nog eens.

Ik gaf hem een der pas gegoten looden kogels, dien Osko aangaf. Het
tweede schot gelukte beter. De man had nu beter aangelegd. Ik gaf
hem drie andere kogels, maar nam tevens een looden kogel in de hand
en zeide:

--Probeer nu eens of gij kunt schieten in het gat, dat gij daar even
in de plank geschoten hebt. Maar laat de menschen eerst de kogels
zien ter overtuiging dat uw geweer goed geladen is.

De kogels gingen van hand tot hand, wat eenigen tijd in beslag nam,
daar iedereen ze wilde zien en betasten. Toen hij ze terug gekregen
had, laadde hij zijn geweer.

--Kom nader!--zeide ik, terwijl ik hem dichter naar zijn doelwit
duwde. Nu kunt gij schieten.

Bij deze woorden ging ik bij de plank staan. Hij liet het geweer
weder zakken.

--Heer, zoo kan ik immers de plank niet raken!

--Waarom niet?

--Gij staat mij in den weg.

--Dat hindert niet!

--Gij hebt juist uw borst op de plaats waar ik mikken moet!

--Dan schiet gij daar maar doorheen!

--Maar Effendi, dan zijt gij dood!

--Neen, ik wilde u immers laten zien dat een kogel mij niet kan
treffen.

Hij greep met de hand naar zijn hoofd en krabde zich achter het oor.

--Ja, dat is het juist!--zeide hij. Dan is de zaak gevaarlijk voor mij.

--Hoe zoo?

--Omdat de kogel op u afstuit en mij in de borst dringen zal.

--Wees maar niet bang. Ik zal dien met de hand opvangen en vast houden.

Een gemompel van verbazing ging door de omstanders.

--Is dat werkelijk waar, Effendi? Want ik ben de kostwinner van een
huisgezin. En als ik sterf, kan alleen Allah voor hen zorgen.

--Gij zult niet sterven, dat beloof ik u bij den baard van den Profeet!

--Dan zal ik doen wat gij zegt en het beproeven, Effendi!

--O, schiet gerust!

Ik sloeg Toma den bode oplettend gade. Hij kwam nu dichter bij en had
geen oog van mij af. De schutter legde op mij aan. Hij stond slechts
op tien of elf pas afstand. Maar hij liet het geweer nogmaals zakken
en zeide:

--Ik heb nog nooit op een mensch gemikt. Gij vergeeft het mij toch wel,
wanneer ik u tref?

--Ik zal u niets te vergeven hebben, want gij treft mij niet!

--Maar als het nu toch eens gebeurde?

--Dan hebt gij u niets te verwijten, want ik heb het u immers bevolen.

Ik hief de rechterhand op en liet daarbij den looden kogel in mijn
mouw rollen, toonde toen mijn ledige hand, en zeide:

--Met deze hand zal ik den kogel opvangen. Ik tel dus. Bij drie kunt
gij vuren.

Ik liet mijn arm weer zakken en ving daarbij den kogel weer in het
holle van de hand op. Er was geen oog, dat niet op mij gevestigd was.

--Een--twee--drie!

Het schot kraakte. Ik greep met mijn hand naar voren, in de richting
der geweermonding, alsof ik den kogel wilde opvangen, en nam een
looden kogel tusschen duim en wijsvinger.--Hier hebt gij hem. Bekijk
hem maar goed, Toma, en zie maar of het niet dezelfde is die in den
loop gestoken werd.

Natuurlijk zag hij er volkomen gelijk uit. De bode stond er met open
mond bij en staarde mij aan alsof ik een spook was. De uitwerking, die
het op de andere menschen had, was niet zoo sterk. Men had wel tot op
het laatste oogenblik getwijfeld, maar nu het vermeende wonder dan toch
met eigen oogen gezien. De kogel werd rond gegeven. Toen de schutter
hem terug kreeg, zeide ik, laad nu nog eens en mik op de plank.

Hij deed het en schoot. De kogel sloeg natuurlijk een gat in het hout.

--Ziet ge? En juist zulk een gat zou ik nu in mijn borst hebben als
ik niet kogelvrij was. Nu moogt gij tevens op mijn drie metgezellen
schieten.

Dat de kogel de tweede maal de gewone uitwerking had gehad, terwijl ik
daarvóór niet getroffen was geworden maar hem opgevangen had, bracht
die eenvoudige menschen totaal in de war. Zij kwamen dichterbij om
mijn handen te bekijken, en konden geen woorden genoeg vinden om hun
verbazing lucht te geven dat ik niet het minste letsel bekomen had.

--Allah onun ile! Allah is met hem!--hoorde ik eenigen zeggen.

--Sheitan sahibi! Hij heult met den duivel,--was de meening van
anderen.

--Hoe kan de duivel met hem zijn, daar hij den Koran opeet? Neen,
Allah is groot!

Zoo gaf ieder zijn meening te kennen, terwijl ik den schutter drie
andere kogels gaf, en Halef, Osko en Omar zich beurtelings voor de
plank posteerden.

Misschien hadden die drie de zaak eerst nog niet best vertrouwd maar
toen ik niet gedeerd was geworden, lieten zij ook zonder eenige vrees
op zich schieten. Alleen het opvangen van de kogels werd achterwege
gelaten, daar dit hun misschien niet zou zijn gelukt. Dat wilde ik
liever zelf doen. Ik ging dus naast hen staan en ving zoogenaamd
den kogel op, waarmede dan in de plank geschoten werd. Toen nu ook
mijn metgezellen hadden bewezen dat zij kogelvrij waren, ging er een
gejuich op, waaraan geen eind scheen te komen en dat alle beschrijving
te boven ging.

De menschen kwamen naar ons toe om ons te bekijken, te betasten en
allerlei vragen te doen. Het zou ons dagen hebben gekost als wij alle
inlichtingen, die ons werden gevraagd, hadden willen beantwoorden. Om
ons aan een en ander te onttrekken, gingen wij naar onze kamer en
sloegen van daaruit den bode gade. Toma was volkomen van zijn ongeloof
genezen; dat was duidelijk merkbaar aan de zeer levendige gebaren
waarmede hij anderen, die veraf hadden gestaan, trachtte duidelijk
te maken wat er gebeurd was. Ik wenkte den Hadschi, wees hem den bode
en zeide:

--Verlies hem niet uit het oog, en wanneer hij weggaat volg hem dan
om te weten waarheen hij zich begeeft!

--Waarom, Sihdi?

--Omdat ik hem verdenk door de Aladschy's belast te zijn om ons gade
te slaan.

--Daarom bekeekt gij hem zoo aandachtig. Ik merkte dadelijk dat gij
hem niet vertrouwdet. Maar wat kan hij ons voor kwaad doen?

--Hij zal den beiden Skipetaren gaan vertellen, dat wij tegen den
middag vertrekken.

--Hij zeide toch, dat hij niet vertrok.

--Hij heeft gelogen, daar kunt gij zeker van zijn; wanneer hij nu
naar huis gaat, dan gaat gij buiten de stad en verstopt u hier of
aan den weg die naar Radowitsch voert. En wanneer hij voorbij komt,
deelt gij mij dat mede.

--En als hij niet komt?

--Dan komt gij over een uur of twee terug; men kan dan aannemen dat
hij inderdaad niet weggaat.






ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE TWEE ALADSCHY'S.


Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en
barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te
laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest
van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers
de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom
verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.

Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich,
zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.

Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op
den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende
blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:

--Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!

Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een
brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die
tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.

In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen
de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had
ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en
toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.

--Sihdi!--deelde hij mij mede.--Gij hadt gelijk, de kerel is weg!

--Wanneer gegaan?

--Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.

--Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?

--Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten
zadelen!

--Welke dieren had hij bij zich?

--Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede
waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens,
was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier
gebonden was.

--Reed hij langzaam?

--Neen, het had er alles van of hij groote haast had.

--Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap
kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen
verlaat Ostromdscha tegen den middag?

--En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan
hebt gezegd?

--Natuurlijk!

--En ik rijd Rih?

--Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in,
maar neem uw gebedspantoffels mede.

--Waarom, Sihdi?

--Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet
achterlaten.

--Moet ik die soms aantrekken?

--Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik
u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En
dan ga ik afscheid nemen.

Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De
herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde
mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, een
behoorlijk pak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de
man er den moed toe heeft gehad.

Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.

De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed,
maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede
te deelen.

Even buiten de stad stond Halef en naast hem--Nebatja.

--Heer!--zeide zij,--ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom
ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waar niemand
het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.

Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige
oogen niet best zien.

Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar
steeg ik af en ging de struiken in.

De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud
was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had
meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en
baard strijken.

--Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.

--Dat zult gij gauw genoeg zien!

--Zou uw haar er inderdaad door veranderen?

--Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.

--Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig
lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?

--Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.

De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds
bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan
zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de "zalving"
van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed
ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te
klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek,
sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:

--O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond
te worden.

--Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?

--Op sommige plaatsen ten minste.

--Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een
kam om het vocht te verdeelen!

Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige
oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad
hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek
er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.

--Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!--zeide hij verlegen. Alleen
de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding
dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar
van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, den bijbel). Zal ik deze
ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle
brug des doods moet gaan?

--Zeker!

--Maar ik twijfel er aan.

--Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de
nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding
droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een
aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.

--Dan hebt gij het aangenamer en gemakkelijker dan wij. Maar een
zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt,
behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe,
een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.

--Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.

--En in mijn plaats branden in de hel?

--Ja.

--Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand
ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan
dan gij.

--Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?

--Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een
plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij
geen pijn doen!

De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want
ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was
geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op,
en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan
zijn Serape draagt.

--Müdschüzat allahi! Wonder Gods!--riep Halef uit.--Sihdi, gij zijt
geheel en al veranderd!

--Inderdaad?

--Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij
voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien,
dat gij het waart.

--O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens
noodig, want de Aladschy's hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen
mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg
hen te misleiden.

--Maar de bode kent u!

--Dien zal ik wel niet meer aantreffen!

--Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.

--Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en
Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen
die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch
te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen
en dan verder gaan.

--En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult
klaarspelen?

--Ja zeker!

--Maar de Aladschy's zijn berucht. Misschien was het beter als ik
met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?

--Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik
aan uw zorgen toe.

Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:

--Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten
beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets--totaal
niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt
mij zeer veel toe, Sihdi!

--Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben
afgesproken?

--Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles
vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.

--Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!

--Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man,
een held, en weet wat ik te doen heb.

Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de
struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de
stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en
misschien noodlottige samenkomst tegemoet.

Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy's
mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag
mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik
hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook
iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op
het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.

Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van
Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn
geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren
ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te
houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen,
dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben
verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.

Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerst na verloop van een uur
kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig
te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en
meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van
den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in
Allah's hemel te slaan.

Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:

--Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?

--Ik kom van Radowitsch!

--En waar gaat gij heen?

--Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen
op mij rust.

--Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen
gekomen?

--Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen
nadenken over Allah's zegeningen.

--Hebt gij dus niemand gezien?

--Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit
Ostromdscha.

--Kent gij dien man?

--Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen
deze beide plaatsen.

--Hebt gij hem gesproken!

--Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht,
dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.

--Hebt gij daar ook vertoefd?

--Daar had ik geen tijd voor.

--Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar
Radowitsch gaat?

--Wenscht gij hem te treffen?

--Misschien.

--Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg,
maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch
zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten
niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in
Radowitsch nog maar eens na te vragen.

--Ik dank u. Allah zij met u!

--En u opene hij zijn hemel!

Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.

Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden
de beide Aladschy's zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn
geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij
verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij
schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval,
en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel
aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.

Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in
het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld,
dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij
nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij
natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder
door hen te worden lastig gevallen.

Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat
slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek
naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant
van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar
weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee
gezadeld waren en---wit en donkerbruin gevlekt.

Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk
afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.

Zouden dat de twee paarden der Aladschy's zijn; en zouden die twee
zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbij moest.

Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest
zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun
argwaan werd opgewekt.

Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis
zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder
ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop
twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en
oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van
hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.

Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen
en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven
een paar pas voor mij staan.

--Dür--halt!--begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt
gij niet een glaasje Raki met ons drinken?

Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald
broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren
flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte
lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan
hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen
de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den
linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.

Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een
schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:

--Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van
den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?

--Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer
bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.

--Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van
den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.

--Daar weet ik niets van!

--Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u
onderwijzen.

--Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever
zelf doen?

--Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de
Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood
dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt
dadelijk een plaats in den vijfden.

--Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er in
te helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als
gij zijt!

Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm
en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik
uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij
hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.

--Uw eene been sleept achter u aan!--merkte de een op.--Hebt gij
u bezeerd?

--Neen! Het is mijn kismet!--antwoordde ik kortaf.

--Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad,
want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars
ook uw heiligen naam zeggen?

--Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad
worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.

--Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet
hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.

--Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben
Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar
Chatid esch Schonahar!

De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten
in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben
zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten
imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren,
had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding
moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te
nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet
al heel weinig bekommerden.

--Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand
kan onthouden?--vroeg de een verder.

Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins
verwijtend aan en antwoordde:

--Dien niemand onthouden kan?!--Heb ik u dan zooeven mijn naam niet
genoemd?

--Zeker!

--Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.

Beiden begonnen weer te lachen.

--Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naam niet
meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.

--Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek
des levens!

--Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel
terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen
dat de Raki verboden is.

--Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!

--En dat staat in den Koran?

--Wis en zeker!

--Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf
en openbaringen deed?

--Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis
iets te lezen!

--En dus kan die ook niet verboden zijn!

--O zeker wel! Het bewuste woord luidt: Kullu muskürüm haram!--alles
wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki
vervloekt.

--Maar die maakt ons niet dronken!

--Nu, dan is die u ook niet verboden!

--En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!

--Geniet dien dan met verstand en met mate!

--Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad
uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?

--Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!

--En wat noemt gij weinig?

--Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,--antwoordde ik
naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.

--Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal
water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan
de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!

Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit,
waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde
wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.

Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het
woord en vroeg al heel spoedig:

--Dus, waar komt gij vandaan?

--Eigenlijk van Avret Hissar.

--En waar wilt gij heen?

--Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en
regels van den Koran.

--In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!

--Waarom?--vroeg ik in onnoozele verbazing.

--Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.

--Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.

--Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen,
maar iemand bekeeren, dat niet!

--Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens
opgeteekend.

--Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.

--Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook
eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.

--Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die
deugen niet.

--Dat heb ik helaas ook gehoord!

--Dat de Skipetaren niet deugen?

--Ja!

--Hoe zoo?

--De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten
dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed
voor hen wezen.

--Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?

--Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te
ontmoeten,--antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het
onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel
met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te
vermaken.

--Maar zijt gij dan niet bang voor hen?--vroeg hij verder.

--Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen
doen, dat wat over mij beslist geworden is.

--Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg
eens door een dier roovers werd overvallen?

--Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!

Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid
gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren
had gegeven.

--Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch
reisgeld hebben?

--Geld? Waarvoor?

--Wel om te kunnen leven.

--Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij
te zijn?

--Dus gij bedelt!

--Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een
nachtverblijf krijg ik overal.

--Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?

--In Ostromdscha!

--O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.

Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien
niet bemerkte.

--Waarom? Hoort gij daar soms thuis?

--Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een
hevige brand heeft gewoed.

--Hevig? Volstrekt niet.

--De halve stad moet afgebrand zijn.

--Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand
geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.

--Waar dan?

--Boven op den berg.

--Maar daar staat toch geen huis?

--Neen, wel een hut.

--Misschien die van den ouden Mubarek?

--Juist.

--Kent men den brandstichter?

--Dat is de Mubarek zelf geweest.

--Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.

--Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!

--Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!

--Wat hebt gij dan gehoord?

--Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.

--Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.

--Weet gij dat zeker?

--Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook
bij den brand en overal.

--Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat
alles hebben veroorzaakt?

--Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.

--Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?

--Met alle vier.

--Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?

--Op staanden voet!

--Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten
het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet
hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons
dan waarschuwen, wanneer zij komen?

--Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.

--Gij hebt toch den tijd?

--Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.

--Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.

--Dat is mij veel te lang.

--Wij zullen er u voor betalen.

--Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij
wel uitleggen.

--Vijf piasters, totdat zij komen.

--Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder
meer kan rijden, omdat het donker is.

--Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.

--Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk
uitbetalen.

--Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!

--Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak
zou hebben.

Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.

Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek,
zeide hij:

--Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!

Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en
daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest
een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn
reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels
ons niet hadden getroffen.

Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna de Skipetaar vroeg:

--En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?

--Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen
den middag weer op weg te gaan.

--Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen
komen.

--Waarom niet?

--Omdat zij bang zullen zijn.

--Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En
voor wie zouden zij dan moeten vreezen?

--Voor de Skipetaren.

--Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan
die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.

--Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij
door de Skipetaren zal worden opgewacht.

--Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren
spreken.

--Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?

--De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier
vreemdelingen onder weg te vermoorden!

--Hoe wist men dat?

--Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.

--Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?

--Neen, ik geloof niet dat men die weet.

--En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?

--Zij lachten!

--Allah w' Allah! Zij lachten!--stoof hij op.--Zij lachten om degenen
door wie zij zouden worden overvallen.

--Ja, over wie anders!

--Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren,
het lachen die heeren wel zal vergaan.

--Dat geloof ik niet.

--Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens
zijn?

--Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen
vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!

--Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het
altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon
maken. Hebt gij het goed gezien?

--Zeer goed, want ik stond er vlak bij.

--En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?

--Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel
werd geschoten, doorboorde die de plank.

--Het is bijna niet te gelooven.

--Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer
en de kogels betast hebben.

--Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje
ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.

--Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel
meer geheimen aan zijn verbonden.

--Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat
geheim te weten te komen.

--Dat zal natuurlijk niemand verraden.

--Nu misschien toch wel!

--Dat geloof ik niet.

--En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen
komen.

--En dat zijn?

--De twee roovers, die op hen loeren!

--Die natuurlijk het allerminst.

--Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil
aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar
alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.

--Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!--merkte ik op.

--En dat is?--vroeg hij haastig.

--Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij
kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.

--Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds
vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand
tegen mes en dolksteken?

--Hm! dat weet ik niet.

--Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel
op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of
meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die
mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen
hengst rijdt?

--Bij het worstelen geenszins!

--Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun
niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.

--Zoudt gij dat werkelijk doen?--vroeg ik.

--Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet
gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk
bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en
wee degeen die hen een haar durft krenken.

--Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen,
voor zij hier zijn.

--O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!

--Weet gij dat zoo precies?--vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk
trachtte te kijken.

--Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een
geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn
geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het
kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts
vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos
verloren.

Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en
terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun,
dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel
niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die
zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij
wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan
en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.

--Wie kreunt daar zoo?--vroeg ik.

--Dat weten wij niet.

--Is dit huis een logement?

--Alleen een kleine herberg.

--Waar is de waard?

--Daar in de kamer!

--Dan zal ik eens gaan kijken!--zeide ik, opstaande, en ging naar
de deur.

--Halt!--waar gaat ge heen? vroeg de een.

--Naar binnen, naar den waard.

--Ga dan naar het raam.

Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde
laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou
verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar
binnen en riep:

--Konakdschy ... waard!

--Hier!--antwoordde een mannelijke stem.

--Wie kreunt daar binnen zoo?

--Mijn dochtertje.

--Waarom?

--Zij heeft kiespijn.

--Hoe oud is zij?

--Twaalf jaar.

--Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?

--Neen daar ben ik te arm voor.

--Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!

De beide Aladschy's hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu
gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.

De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer
armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die
maar steeds doorkreunde.

De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in
de handen gesteund, en keek ons in 't geheel niet aan.

--Dus zijt gij de waard?--vroeg ik hem.--En waar is de waardin?

--Dood,--antwoordde hij zonder op te kijken.

--Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?

--Ja, nog drie kleinere.

--Waar zijn die?

--Buiten aan de rivier.

--Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij
water laten!

Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat
hij zooveel deelname niet had verwacht.

--Waarom haalt gij hen niet hierheen?--vroeg ik verder.

--Ik kan niet.

--Waarom niet?

--Ik mag niet naar buiten!

--Wie zal u dat beletten?

Hij wierp een somberen blik op de Aladschy's, en dadelijk bemerkte ik
dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet
had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden
tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.

--Kom eens hier!--zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.--Ik
zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat
mij den tand maar eens zien.

Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets
te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar
was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel
invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er
een eind komen aan het schreien.

--Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met
knikjes,--zeide ik.

--Hebt gij nog pijn?

Zij knikte toestemmend.

--Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen
en dan is de pijn weg.

Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde
den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die
zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand,
maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige
gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats
zachtkens streelt.

--En nu is de pijn weg?--vroeg ik na eenige oogenblikken.

Wederom knikte ze toestemmend.

--Heelemaal weg?

--Ja, heelemaal!--antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk
dankbaar aankijkende.

--Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de
pijn niet terug.

Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch
trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte
mijn hand en zei:

--Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid;
het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen
weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!

--Neen, 't is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel,
dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje
vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.

--Gij, Heer, gij?--vroeg hij.

--Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!

De beide Aladschy's wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich
echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij
mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:

--Neem u in acht, het zijn de Aladschy's.

--Wat was dat daar?--schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister
had vernomen.--Wat hebt ge daar gezegd?

--Ik? Niets!--antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.

--Ik heb het toch gehoord!

--Dan vergist ge u!

--Hond, lieg niet of ik sla je dood!

De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:

--Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige
verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?

--Wat gaat mij uw profeet aan!

--Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt
de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!

Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:

--Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den
leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!

Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik
mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te
twijfelen of de Aladschy's beschouwden mij zoo half en half als hun
gevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit
laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al
kende ik hen in 't geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn
bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder
dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den
waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen,
daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op,
klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen
ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy's aan,
dat zij een besluit hadden genomen.

Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en
ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom
vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En
inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:

--Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar
die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk
en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?

--Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij
immers niets gedaan!

--Dus vriendschappelijk?

--Ja.

--Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het
zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het
oog houden.

--Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite
nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.

--Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden
overvallen?

--Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!

--Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats
die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen
met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook
verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij
daartoe bereid?

--Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.

--Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen, zullen ze
ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens
een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen,
als ge te Skopia komt.

--Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!

--Stijg dan op!

--Hebt ge den Raki betaald?

--Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!

Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster
en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door
beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen
en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen
we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de
deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik
hem zou weerzien.

Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden,
daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij
een dicht bosch in.

Er werd geen woord gesproken.

De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld
persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze
deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs
den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.

Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch
een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door
ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de
strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter
hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de
bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de
gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het
bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de
Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.

Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een
scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men
zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat
was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier
dan ook werkelijk halt.

--Hier is 't!--zeide de een.--Hier moeten we ons verbergen. Laten we
links rijden in de richting van dat boschje!

Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende,
dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers
hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder
Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in
de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo
van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet
onmiddellijk te doorzien.

Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen
minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden;
toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.

Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden
vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om
mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind
van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik
had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop
in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik
alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom
stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op
zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan
als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat
de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoop
moest het dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.

Intusschen hadden de Aladschy's een geschikt plekje opgezocht,
van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden
overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen
en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.

Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun
kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen
dooden.

Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens,
en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad,
het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid
bezat in het werpen met den tomahawk.

Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon
gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd
te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te
bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestond
natuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden
verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik
dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn,
en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.

Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig
te worden, het snoof en sloeg om zich heen.

--Wat heeft uw paard?--vroegen ze mij.

--O niets!--antwoordde ik kalm.

--Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!

--Hoezoo?

--Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker
zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn
wij verloren.

Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het
leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden
aangespoord.

--O, dat zal nog wel erger worden!--zeide ik.

--Waarom?

--Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden
te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet
hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!

--Breng hem dan weg!

Ik stond op.

--Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!

--Waarom?

--Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw
tulband af!

Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat
ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een
Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:

--Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik
ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih [3] en de beroemde
Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan [4] op mijn duimpje. Ik weet
heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel
overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?

--Laat 't dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!

Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het
eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken
en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming
van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op
den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar
scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:

--Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal
gitir, ileri icki bin ademler tahminen--Rijdt een voor een voorbij,
Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend
pas ver.

Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan
den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald
gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen
langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten
zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder
oogenblik worden tegemoet gezien.

Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even
spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en
van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed,
toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij
kwam zoeken.

--Waar blijft ge zoo lang?--vroeg hij op barschen toon.

--Hier bij het paard!--antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd
aankeek.

--Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!

--Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!

--Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te
schikken!

--Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?

--Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt,
waar wij zitten.

--Als ik er zin in heb!--hernam ik, want in weerwil van mijn rol als
Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.

--Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet
oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!

Ik trad op hem toe, en zeide:

--Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een
ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff,
dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij
mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.

Dat had hij niet van mij verwacht.

--Welk een brutaliteit!--riep hij uit.--Mensch, wat verbeeldt ge je
wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.

Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht,
dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van
de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!--Gij
moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn
linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik
met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte,
dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem
weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond
drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn
en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn
geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.

Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.

--Wat is er gebeurd, Sandar?

--Taury hakky--Bij God, dat begrijp ik niet!--antwoordde hij terwijl
hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik
geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.

--Heb jelui dan gevochten en waarom dat?

--Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.

--Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?

Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door
elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol van Scheriff, maar
't was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen
door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst,
trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van
mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig,
hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.

Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij
op en balde beide vuisten tegen mij.

--Nog eens?--vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.

Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere
uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed
een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:

--Mensch, gij zijt een reus!

Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:

--Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.

Beiden barstten in lachen uit.

--Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,--zeide
Sandar.

Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan
en hernam:

--Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet
men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij
dien geleerd?

--Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd
worstelden wij wel.

--Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan
gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt,
ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu
moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten
voorzichtig met je zijn.

Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in
hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er
niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met
de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.

Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen
van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het
raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al
eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mij maar voor mijn
vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op
de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders
over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo
gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij
aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.

--Luister, daar komt iemand,--zei Sandar, en greep naar zijn
bijl. Misschien zijn zij het wel!

--Neen,--antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk,
daar komt hij den hoek om.

Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij
hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam,
het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts
noch links.

--Zullen wij?--vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.

--Neen,--antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo
wel zien.

Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid
over hun eigenlijk handwerk te spreken.

Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het
allerbeste was.

Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:

--Daar komt er weer een.

--Alweer zoo'n kale jakhals!

--Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?

--Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.

--Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,--merkte ik
onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in
de uitoefening van hun bedrijf te storen.

--Domkop,--grijnsde Sandar mij aan.

Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen
mensch.

Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken
voorbij.

Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het
was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel
te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel
is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komen en had ik hun
beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te
vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek
tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam
hij in 't zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet--ik stond op.

--Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.

--Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?

--Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!

--Ge hebt mij niets te bevelen,--antwoordde ik barsch en deed alsof
ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.

--Blijf of ik geef je....

Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons
gekeken, doch werd nu Halef gewaar.

--Stil, een vierde ruiter!--riep bij uit.

Sandar keek naar den straatweg,

--Júk gúrúltú--Duizend donders!--riep hij uit. Wat een prachtig
paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!

--Neen, de ruiter is te klein!

--Maar het paard is een volbloed Arabier. Echt onvervalscht ras. O
Allah! Hij vliegt als de wind.

Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit
woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd
gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht
het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.

Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De
manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een
roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog
maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel
anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van
zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.

Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn
geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den
schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge
rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen
door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard
ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine
steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit tallooze
moeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den
hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn
scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen
ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een
vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge
som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.

En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek
tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna
geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks
had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld,
of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.

--Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!--riep Sander,
terwijl bij naar zijn geweer greep.

Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de
snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik
had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd
voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen, wie weet hoever,
achter Halef terecht.

--Hem achterna!--riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte
dat het kostbare beest hem zou ontgaan.--Daar ginds houdt het bosch
op, en kunnen wij beter mikken!

Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even
opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en
gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht
niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over
hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet
zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden
de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel
is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar
zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was,
hen te beletten weg te rijden.

Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen
tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en
sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart
het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan
hun teugels moesten blijven hangen.

Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe:
Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!

Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden
niet in den steek laten.

--Bindt ze dan weer vast!--riep Sandar terug.

--Maar ze zijn weggeloopen!

--Hel en duivel, waarheen dan?

--Weet ik het, vraag het ze zelf!

--O jou domkop!

Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt,
maar mij toch van het paard meester gemaakt.

Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam
het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de
paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:

--Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?

--Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter
gekeken!

--Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!

--Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook
op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien,
't waren niet mijn, maar 't waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet
en behoef er niet op te passen!

--Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!

Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een
vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op
om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt
en viel daardoor op den grond.

Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst
dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar
in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in
den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een
boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.

Toen werd ik van achteren beetgepakt.

--Schoft! daar zult ge voor boeten!--riep Sandar die intusschen
naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me
optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver
van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om me zwaar
te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een
stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst--ik had dien bij mijn
val zeker bezeerd.

De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij
op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder
lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was
en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer,
door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus
noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes
en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.

Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gilde knarsetandend:

--Zoo, steek je, dan zal ik schieten!

Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit
zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met
den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief
het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te
vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag
en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met
één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.

Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus,
die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde
op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen,
zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen,
en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een
flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden
zucht het bewustzijn verloor.

Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy's de baas zou
blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt,
kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij
zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij--ik
was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen
had geleerd.

Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet--ze zouden weldra weer
tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik
wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken,
nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen,
en sloeg hun geweren stuk.

Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had
bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend
naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den
kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt
en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een
plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen
aanmerkelijk verergerd.

Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was
met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat
de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen
zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen
geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun
wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het
aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te
aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan,
wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen,
wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.

Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu
langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op
niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij
hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn
paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.

--O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!--riep Halef mij al
uit de verte toe.--Waar hebt ge toch gezeten?

--Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik
kom er uit.

--Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.

--Gij hebt dat toch weggenomen?

--Ja, maar ook weer op z'n plaats gestoken!

--Waarom?

--Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich
zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd
om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?

--Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen
zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken,
dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren
bij hen was.

--Wat! Zijt gij bij hen geweest!

--Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen
zij bewusteloos in het bosch.

--Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik
ook een woordje met hen spreken kan.

--Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik
heb door mijn vuist met hen gesproken!

--Toe, vertel ons dat dan toch!

--Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.

--Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!

--Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch,
als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!

--Hebt gij mij dan gezien?

--Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!

--En zat ik goed in den zadel?

--Prachtig, nog beter dan ik!

--Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek
houden!

--Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb
gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?

--Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.

--Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy's
hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te
kunnen bemachtigen!

Hij hield zijn paard in en riep:

--Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat
ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen
met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude
vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.

--Bah! kom, kleintje! Die Aladschy's zijn geen personen om mee te
spotten. 't Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.

--Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt
dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien
ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen
hoe wij met dergelijke lui omspringen.

Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoeting
met de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik
zweeg, zeide Halef:

--En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog
daarginds te Radowitsch bevindt.

--Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.

--Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank
betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen,
dat ik niet weet, hoe het hoort!

--Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven
dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder
andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha
te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt
met uw zweep!

--Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?

--Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist
alsof we hem niet kennen.

--Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste,
hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!

--Dat weet ik helaas nog niet precies! 't Was in ieder geval het
allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden
rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die
worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij
mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.

--Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij
niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om
zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar
in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!

--Wie waren dat dan?

--De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de
ruïne zouden melden!

--Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?

--Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij
dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.

--Waar hebt gij hen gezien?

--Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen
flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijk naar
boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden,
kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u
voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er
was geschied?

--Hebt gij met hen gesproken?

--Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen
verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!

--Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij
hen weer terug!





ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN HEKIM.


De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy's had bezeerd, begon mij
pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom
liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel
van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak
langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor
zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets
aarzelends in zijn manier van doen.

Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik
mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig,
vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.

--Kent gij ons misschien, vadertje?--vroeg ik hem.

--O neen, ik heb u nog nooit gezien!--antwoordde hij.

--Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?

--Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.

--Zien wij er dan als Skipetaren uit?

--Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war
gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte
was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de
Skipetaren voor mij had.

--Welke meent gij dan?

--Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.

--Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal
schaden als gij het ons zegt.

--Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zou het den
Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen
nog maar vervolgen!

--Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een
Bakschisch.

De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat
in den schoot.

De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:

--Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne
van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij,
want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.

--Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij
hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?

--Zoo is het, Heer!

--En hoeveel Skipetaren zouden er komen?

--Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten
baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook
niet een Arabier?

--Jawel!

--Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!

--Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?

--Hm! dat mag ik niet verraden!

--Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!

--Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij
zeer verdacht voorkomt.

--Zoo, en wat is dat dan?

--Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn
gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen
degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij
geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan----O, daar
komt hij weer!

Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.

--Wie is dat? vroeg ik.

--Mijn zoon, die den gids----O, maar daarover zou ik niet spreken!

Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.

In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt
gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats
waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zij meenden te
mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden
inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy's te ontkomen,
hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk
als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou
zijn dan de vader.

Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht
trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude
greep hem bij zijn kleeren en zeide:

--Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?

--Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen
fooi,--antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden
hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!

--Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?--vroeg ik hem.

--Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?

--O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u
heeft gewaarschuwd.

--Allah, Allah,--riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden
toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme
menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn
kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens
meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij
zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.

Hij toonde mij zijn handen.

--Wees maar gerust!--antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien,
die den tulband van den Profeet dragen?

--Neen, nooit!

--Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt,
en ik kan dus geen roover zijn!

--Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart
waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.

--Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!

--Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?

--Dat ben ik. Wij hebben de paarden verwisseld en ik trok andere
kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil,
niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename
ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.

De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot
zijn vader wendende:

--Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun
paarden gezien?

--Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want 't was nog niet eens dag! De
hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met
mijn schoonzoon gebeurd?

--Ze hebben hem bestolen!

--Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn
vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze
hem ontstolen?

--Het beste van zijn twee paarden!

--O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen,
dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek
bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?

--Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en
bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of
den voornaamsten Scheriff niet!

Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden
wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo
denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:

--Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal
echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook
geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den
tulband te dragen. Zie maar!

Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.

--Maar Heer!--riep hij verschrikt uit,--wat zijt gij onvoorzichtig. Gij
waagt immers uw leven!

--O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier,
waar zooveel Christenen zijn!

--Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?

--Ik ben een Christen!

--En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka
kan krijgen?

--Daar heb ik het ook vandaan!

--En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!

--En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw
Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en
knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?

--Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede
bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het
wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!

--Wanneer moet dat gebeurd zijn?

--Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!

--Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het
was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan
zijt ge op de hoogte?

--Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de
vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen
genomen!

--Ja, dat zijn wij!

--Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel
is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat
slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in
alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers,
en daarom zijt ge goede menschen.

--En stelt gij nu vertrouwen in ons?

--Ja, Heer!

--Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt
gekomen.

--Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel
plaats voor u maken en ik zal u vertellen.

--Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en
ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zo

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/27652