Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Negerhut

by Harriet Beecher Stowe · Dutch · Gutenberg #27124 · 1,109,362 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Negerhut
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Negerhut

Author: Harriet Beecher Stowe

Translator: C. M. Mensing


        
Release date: November 2, 2008 [eBook #27124]
                Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27124

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE NEGERHUT ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/








                               De

                          Cohen-Editie

                             Van de

             Beste Binnen- en Buitenlandsche Boeken

                          Uitgave van
              Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
                              1918






                          De Negerhut

                      (Uncle Tom's Cabin)

        Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika

                              Door

                     Harriet Beecher Stowe

          Naar den 20sten Amerikaanschen druk uit het
                       Engelsch vertaald

                              Door

                         C. M. Mensing

           Geïllustreerd door Braakensiek en anderen


                          Uitgave van
              Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
                        Heerengracht 326







VOORREDE.


De tooneelen van dit verhaal verplaatsen den lezer, gelijk de titel
reeds aanduidt, onder een menschenstam, waarvan de beschaafde
maatschappij tot nog toe hare aandacht heeft afgewend en liefst
niets heeft willen weten: een vreemd geslacht, welks voorouders,
onder de zon der keerkringen geboren, een karakter medebrachten en
aan hunne afstammelingen ten erfdeel gaven, zoo geheel ongelijk aan
dat van den harden en heerschenden Anglo-Saksischen stam, dat het
van dezen vele jaren lang niets anders dan misverstand en verachting
heeft kunnen verwerven.

Doch wij zien het aanbreken van een anderen en beteren dag;
letterkunde, poëzie en kunsten brengen in onzen tijd haar invloed
meer en meer in overeenstemming met den voornamen grondtoon des
Christendoms: "In de menschen een welbehagen!"

De dichter, de schilder en de schrijver zoeken thans de meer
gewone betrekkingen des levens en de zachtere aandoeningen van
het menschelijke hart op, pogen deze schooner en beminnelijker te
maken, en ademen, onder het lokkende der verdichting, een geest van
menschelijkheid en verteedering, welke de ontwikkeling der groote
beginselen van Christelijke broederschap moet bevorderen.

De hand der menschenliefde is overal uitgestrekt, om naar misbruiken
te zoeken, om verongelijkingen te herstellen, om rampen te lenigen,
en de geringen, de verdrukten en de vergetenen voor de oogen der
wereld te plaatsen, en deze tot medelijden te bewegen.

In deze algemeene beweging is men eindelijk gedachtig aan het
ongelukkige Afrika: Afrika, dat in den schemerachtigen dageraad van
den ouden tijd het eerst de loopbaan der beschaving intrad, maar dat
sedert eeuwen geboeid en bloedende voor de voeten der beschaafde en
Christelijke menschheid gelegen en vruchteloos om haar medelijden
gesmeekt heeft.

Doch het hart van den heerschenden stam, het hart van hen, die
de overwinnaars en harde meesters der Afrikaansche menschheid zijn
geweest, is eindelijk tot barmhartigheid met haar bewogen, en men heeft
gezien hoeveel edeler het voor volken is de zwakken te beschermen,
dan hen te onderdrukken. God zij geloofd, de wereld heeft eindelijk
den slavenhandel overleefd.

Het oogmerk dezer schetsen is, gevoel en medelijden voor het
Afrikaansche menschengeslacht, gelijk het onder ons Amerikanen leeft,
te doen ontwaken; het onrecht en de ellende te doen zien, die het lijdt
onder een stelsel, hetwelk zoo noodzakelijk wreed en onrechtvaardig
is, dat het de goede gevolgen verijdelt en vernietigt van alles,
wat onder dat stelsel door de beste vrienden dier ongelukkigen voor
hen kan beproefd worden.

Dit doende kan de schrijfster oprechtelijk alle vijandelijk gevoel
verloochenen jegens diegenen die dikwijls zonder eigen schuld in
de bezwaren en moeilijkheden van de wettelijke aangelegenheden der
slavernij zijn betrokken.

De ondervinding heeft haar bewezen, dat menschen met het helderste
hoofd en het edelste hart dikwijls in deze moeielijkheden zijn
gewikkeld, en niemand weet beter dan zij, dat alles wat men uit
schetsen gelijk deze van de ellende der slavernij kan leeren kennen,
nog niet de helft is van hetgeen men zou kunnen verhalen van het
onbeschrijfelijk geheel.

In de noordelijke staten zullen deze tafereelen misschien overdreven
genoemd worden; in de zuidelijke staten zijn getuigen, die weten hoe
getrouw zij zijn. Welke persoonlijke kennis de schrijfster draagt
van werkelijke voorvallen, gelijk dezulke die hier verhaald zijn,
zal op zijnen tijd blijken.

Het is een troost, te hopen dat, gelijk de wereld van eeuw tot eeuw
zooveel smart en onrecht heeft overleefd en achter zich gelaten, er
zoo een tijd zal komen, wanneer schetsen gelijk deze alleen belangrijk
zullen zijn als gedenkstukken van iets, dat al lang heeft opgehouden
te bestaan.

Wanneer een verlichte en echt Christelijke maatschappij op de kusten
van Afrika zal gevestigd zijn, met eene aan ons ontleende wetgeving,
taal en letterkunde, mogen dan de tooneelen uit het diensthuis
voor hare leden wezen gelijk de geheugenissen van Egypte voor den
Israëliet--eene opwekking tot dankbaarheid aan Hem, die hen verlost
heeft!





EERSTE HOOFDSTUK

WAARIN DE LEZER EEN MENSCHLIEVEND MAN LEERT KENNEN.


Laat in den namiddag van een guren dag in Februari zaten twee heeren
alleen bij hunnen wijn, in een fraai gemeubileerd eetzaaltje, in de
stad P***, in Kentucky. Er waren geene bedienden aanwezig, en met
dicht bij elkander geschoven stoelen schenen de heeren met grooten
ernst over een belangrijk onderwerp te spreken.

Heeren hebben wij zooeven gezegd. Een van de twee scheen echter,
als men hem oplettend aanzag, dien naam niet zeer te verdienen. Hij
was een kort, zwaarlijvig man, met grove, gemeene gelaatstrekken
en dat voorkomen van opgeblazen aanmatiging, dat een man van weinig
opvoeding kenmerkt, die zich in de wereld omhoog tracht te werken. Hij
was buitensporig zwierig gekleed, met een schitterend veelkleurig
vest, eene blauwe das met schreeuwend gele oogen bezaaid en met een
winderigen strik opgeknoopt, volkomen in overeenstemming met het
geheele voorkomen van den persoon. Zijne handen, groot en grof, waren
met ringen overladen; hij droeg een zwaren gouden horloge-ketting,
met een tros verbazende cachetten van allerlei kleuren daaraan,
welke hij gewoon was onder het spreken met blijkbaar welgevallen te
laten slingeren en rinkelen. Zijne taal was eene zeer vrijpostige
uittarting van al de regelen der spraakkunst, en hier en daar met
verschillende profane uitdrukkingen doorzaaid, welke wij zelfs niet
uit verlangen om ons verhaal levendiger te maken willen overnemen.

De ander, Mr. Shelby, had inderdaad het voorkomen van een heer, een
_gentleman_, en de geheele inrichting van zijn huis en huishouden
scheen te doen blijken, dat hij een gegoed, ja zelfs een rijk man
moest wezen. Gelijk reeds gezegd is, waren deze twee midden in een
ernstig gesprek.

"Dat is de manier, waarop ik de zaak wilde schikken", zeide Mr. Shelby.

"Op die manier kan ik geen handel doen--stellig niet, Mijnheer
Shelby!" zeide de ander, en hield te gelijk een glas wijn tusschen
zijn oog en het licht.

"Wel, ik zal u zeggen, Haley, Tom is een buitengewone kerel; hij is
die som zeker overal waardig--nuchter, eerlijk en bekwaam, houdt hij
mijne geheele hoeve in orde, alsof het een uurwerk was."

"Gij meent eerlijk zoover als dat met negers gaat," zeide Haley,
zich nog een glas brandewijn inschenkende.

"Neen, ik meen waarlijk dat Tom een brave, degelijke, godvreezende
kerel is. Vier jaren geleden heeft hij bij eene veldpredikatie
godsdienst geleerd, en ik geloof dat hij dien waarlijk geleerd
heeft. Ik heb hem sedert alles aanvertrouwd wat ik heb--geld, huis,
paarden--ik heb hem laten gaan en komen het geheele land door; en ik
heb hem altijd en in alles trouw en eerlijk bevonden."

"Sommige menschen gelooven niet dat er vrome negers zijn, Shelby,"
zeide Haley met de hand wuivende, alsof hij eens zeer billijk wilde
zijn; "maar ik geloof het wel. Ik had een kerel bij den laatsten troep,
dien ik naar Orleans bracht--het was inderdaad zoo goed als eene preek,
dien knaap te hooren praten; en hij was ook heel zacht en stil. Hij
heeft mij eene mooie som opgebracht, want ik had hem goedkoop van
iemand, die moest uitverkoopen, en zoo verdiende ik zeshonderd aan
hem. Ja, ik houd godsdienst voor iets heel goeds in een neger, als
het namelijk echte waar is."

"Nu, Tom heeft de echte waar, als ooit iemand ze had," hervatte
de ander. "Wel, verleden najaar liet ik hem alleen naar Cincinnati
gaan, om zaken voor mij te doen en mij vijfhonderd dollars tehuis te
brengen. "Tom," zeide ik tegen hem, "ik vertrouw u, omdat ik denk
dat gij een Christen zijt. Ik weet dat gij mij niet zoudt willen
bedriegen." Tom kwam terug, zeker genoeg--dat wist ik wel. Eenige
gemeene kerels, heb ik gehoord, vroegen hem: "Tom, waarom zijt ge niet
naar Canada gedrost?"--"O, meester vertrouwde mij, ik kon niet." Zoo
heeft men het mij verteld. Het spijt mij Tom te moeten wegdoen, dat
moet ik zeggen. Gij moest hem voor het geheele restant der schuld
aannemen; en dat zoudt gij ook, Haley, als gij een geweten hadt."

"Wel, ik heb juist zooveel geweten als iemand, die handel doet, er op
kan nahouden--zoo'n beetje, weet ge, om bij te zweren als het ware,"
zeide de handelaar, [1] schertsend, "en ik ben ook gewillig om alles
in het redelijke te doen, om een vriend te verplichten; maar dit hier,
ziet ge, is een beetje te veel gevergd--een beetje te veel."

De handelaar slaakte een peinzenden zucht en schoof zijn glas nog
eens bij.

"Welnu, Haley, hoe wilt gij het dan schikken?" zeide Mr. Shelby na
eene tusschenpoos van drukkende stilte.

"Wel, hebt ge geen jongen noch meid, dien ge op Tom kondt toegeven?"

"Hm! Geen, dien ik wel missen kan. Om u de waarheid te zeggen, het
is alleen de harde noodzakelijkheid, die mij over het geheel wil doen
verkoopen. Ik doe niet gaarne een van mijne lieden weg; zoo is het."

Hier werd de deur geopend en een kleine jongen, een quadron,
tusschen de vier en vijf jaren oud, kwam de kamer binnen. Hij had
iets zeer bevalligs en innemends in zijn voorkomen. Zijne zwarte
haren, zoo fijn als zijde, hingen in glanzige krullen om zijn rond,
vroolijk gezichtje, terwijl een paar groote donkere oogen, vol vuur
en zachtheid te gelijk, onder de lange wimpers kwamen uitkijken, toen
hij nieuwsgierig in het vertrek rondzag. Een rokje van rood en geel
geruite stof, dat hem zeer netjes paste, deed zijne donkere en welige
schoonheid nog gunstiger uitkomen; en zeker koddig zelfvertrouwen
met eenige bedeesdheid vermengd, toonde dat hij niet ongewoon was
door zijnen meester als een speelpopje behandeld te worden.

"Holla, Jim Crow!" zeide Mr. Shelby, floot eens en wierp een trosje
rozijnen naar hem toe. "Raap dat eens op."

Het kind liep zoo hard hij kon naar den buit, terwijl zijn meester
lachte.

"Kom hier, Jim Crow!" zeide hij.

Het kind kwam; de meester streelde zijn krulkopje en tikte hem onder
de kin.

"Kom aan nu, Jim, laat mijnheer eens zien hoe ge dansen en zingen
kunt."

Het knaapje begon met eene heldere stem een van die wilde dwaze liedjes
te zingen, die onder de negers in zwang zijn, en vergezelde zijn gezang
met vele koddige bewegingen van handen, voeten en het geheele lijf,
alles juist op de maat zijner muziek.

"Bravo!" zeide Haley, hem een vierdepart van een sinaasappel
toewerpende.

"Jim, loop nu eens zooals oude Oom Cudjoe, als hij de rheumatiek
heeft."

Terstond namen de buigzame leden van het knaapje den schijn van
misvormig aan, en strompelde hij met een krommen rug en zijns meesters
stok in de hand door de kamer rond, met zijn kindergezichtje in
pijnlijk knorrige plooien getrokken, en rechts en links spuwende,
gelijk de oude man deed, dien hij nabootste.

Beide heeren schaterden van lachen.

"Jim," zeide zijn meester weder, "laat ons nu hooren en zien hoe
ouderling Robbins psalmen zingt."

Het kind rekte zijn rond gezichtje tot eene verbazende lengte uit,
en begon door zijn neus eene psalmwijs te zingen, alles met den
grootsten ernst.

"Bravo! Wat een jongen!" zeide Haley. "Dat kereltje is knap, dat beloof
ik u. Wil ik eens wat zeggen," en daarbij klopte hij Mr. Shelby op
den schouder; "geef dat kereltje er op toe, en ik houd de zaak voor
afgedaan--dat doe ik. Kom aan, is dat nu geen spijkers met koppen
slaan?"

Op dit oogenblik werd de deur zachtjes opengeduwd, en kwam eene jonge
quadrone, van vijf-en-twintig jaren naar het scheen, de kamer binnen.

Men behoefde slechts even van het kind naar haar te zien, om haar als
de moeder daarvan te herkennen. Zij had dezelfde donkere groote oogen
met lange wimpers, hetzelfde golvende zijdeachtige zwarte haar. Het
bruin harer kleur maakte voor een donkeren blos plaats, toen zij den
blik van den vreemden man met onverholen bewondering op haar gevestigd
zag. Hare kleeding paste zeer net en deed hare fraai gevormde gestalte
voordeelig uitkomen. Een fijne hand en nette voet waren bijzonderheden,
die het snelle oog des handelaars niet ontsnapten, wel gewoon om met
een enkelen blik de eigenschappen van vrouwelijke waar op te merken.

"Wel, Eliza!" zeide haar meester, toen zij staan bleef en hem
aarzelend aanzag.

"Verschooning, Mijnheer, ik zocht naar Harry," en het kind sprong
naar haar toe en liet haar zijn buit zien, dien hij in een slip van
zijn rokje had gedaan.

"Neem hem dan maar mede," zeide Mr. Shelby, en zij ging haastig heen
met het kind op den arm.

"Bij Jupiter, dat is goede waar!" zeide de handelaar, den ander
met opgetogenheid aanziende. "Aan die meid kunt gij in Orleans geld
verdienen, wanneer ge maar wilt. Ik heb wel eens over de duizend zien
betalen voor meiden die geen zier mooier waren."

"Ik wil geen geld aan haar verdienen," zeide Shelby droogjes, en
om het gesprek eene andere wending te geven, trok hij eene versche
flesch wijn open en vroeg Haley wat hij daarvan dacht.

"Heerlijk," antwoordde de handelaar kortaf, en toen, Shelby weder
familiaar op den schouder kloppende, vervolgde hij: "kom, laten wij
eens over die meid handelen. Wat zal ik voor haar bieden? Hoeveel
wilt gij voor haar nemen?"

"Zij is niet te koop, Mijnheer Haley," zeide Shelby. "Mijne vrouw
zou haar niet willen missen voor haar gewicht aan goud."

"Ja, ja, vrouwen zeggen zulke dingen altijd, omdat ze niet
rekenen. Laat ze maar eens zien, hoeveel horloges, pluimen en
snuisterijen men voor iemands gewicht in goud krijgen kan, en dan
verandert de zaak, zou ik denken."

"Ik zeg u, Haley, hiervan moet niet gesproken worden. Ik zeg neen,
en ik meen neen," antwoordde Shelby beslissend.

"Nu, gij zult mij den jongen toch wel laten?" hervatte de
handelaar. "Gij moet bekennen, dat ik tamelijk veel voor hem bied."

"Wat op de wereld kunt gij met het kind willen doen?" zeide Shelby.

"Wel, ik heb een vriend, die in dat vak gaat doen; hij wil mooie
jongens koopen, om voor de markt op te fokken. Liefhebberij-artikelen
om te verkoopen voor lijfknechts en zoo voort aan rijke heeren, die
mooi goed kunnen betalen. Dat maakt figuur in een groot huis--een
echt mooie jongen, om de deur open te doen en te bedienen. Zij halen
eene goede som, en die kleine drommel is zulk een koddig, muzikaal
ventje--hij is net de rechte soort."

"Ik wilde hem liever niet verkoopen," zeide Shelby nadenkend. "Om
de waarheid te zeggen, Mijnheer, ik denk menschelijk en scheid niet
gaarne het kind van de moeder."

"O zoo!--Ja wel, iets van dien aard. Ik begrijp het volkomen. Het is
somtijds heel lastig met die vrouwen terecht te komen. Ik heb altijd
een hekel aan zulk een huil- en schreeuwtijd. Het is machtig lastig
en onpleizierig; maar zooals ik de zaak overleg, Mijnheer, vermijd ik
die onaangenaamheid meestal. Als gij nu maar de meid voor een dag, of
eene week of zoo uit den weg zendt, dan wordt het stilletjes gedaan,
en alles is voorbij eer zij tehuis komt. Uwe vrouw kan haar een paar
oorringen geven, of eene nieuwe japon, of zulke nesterij, om het haar
te verzoeten."

"Ik vrees van neen."

"Och vriend, ja. Die schepsels zijn niet zooals de blanken, weet ge;
zij komen over alles heen, als men het maar goed aanlegt. Men zegt
wel eens," vervolgde Haley, een oprechten en vertrouwelijken toon
aannemende, "dat deze soort van handel het gevoel verhardt; maar
dat heb ik niet ondervonden. Het is de waarheid, dat ik nooit zoo
zou kunnen handelen, als sommige kerels doen. Ik heb er gekend, die
eene vrouw haar kind uit de armen zouden halen en het opzetten om te
verkoopen, terwijl zij al doorschreeuwt, als of zij dol was. Zeer
slecht overleg--beschadigt de waar--maakt ze somtijds geheel
onbruikbaar. Ik heb eens in Orleans eene echt mooie meid gezien,
die door deze manier van handelen gansch bedorven werd. De kerel,
die haar kocht, wilde haar kind niet, en zij was eene van de lastige
soort als haar bloed warm werd. Ik kan u zeggen, zij klemde haar kind
in hare armen, en babbelde, en roerde zich ijselijk. Ik word haast
nog koud, als ik er aan denk; en toen zij haar kind wegbrachten
en haar opsloten, werd zij heel en al razend en stierf binnen de
week. Dat was duizend dollars zoo maar weggegooid, Mijnheer, alleen
door gebrek aan overleg. Het is altijd best, menschelijk te wezen,
Mijnheer, dat is mijne ondervinding."

De handelaar liet zich in zijn stoel zakken, sloeg zijne armen met
zekere onverschilligheid over elkander en scheen zichzelven voor een
tweeden Wilberforce te houden.

Het scheen dat hij het onderwerp zeer belangrijk vond, want terwijl
Shelby peinzend een sinaasappel schilde, begon Haley opnieuw, wel met
eene zekere schroomvalligheid, maar alsof de kracht der waarheid hem
werkelijk dwong om nog iets te zeggen:

"Het staat voor iemand niet mooi als hij zich zelven prijst, maar
ik zeg het alleen, omdat het de waarheid is. Ik geloof men houdt mij
voor den man die de mooiste troepen negers aanvoert, die er gebracht
worden, tenminste zoo heeft men mij gezegd; honderd zoo goed als een,
allen in goeden staat, vet en welgedaan, en ik verlies er zoo weinig
als iemand in het vak. En dat alles ligt aan mijne behandeling,
Mijnheer; en menschelijk, Mijnheer, dat mag ik wel zeggen, is de
groote steunpilaar van mijn handelen."

Shelby wist niet wat te zeggen, en zeide dus: "inderdaad!"

"Men heeft mij uitgelachen om mijne denkbeelden, Mijnheer, en men
heeft er mij over aangesproken. Zij zijn niet bemind, Mijnheer, en
zij zijn niet gewoon, maar ik blijf er bij: ik ben er bij gebleven
en heb er goed geld mede verdiend; ja, mijnheer, zij hebben hunne
vracht betaald, mag ik wel zeggen."

En de handelaar lachte om zijne eigene aardigheid.

Er was iets zoo origineels in deze redeneeringen over menschelijkheid,
dat Shelby niet kon nalaten met hem mede te lachen. Misschien lacht gij
ook waarde lezer, maar gij weet wel, de menschelijkheid vertoont zich
tegenwoordig in allerlei vreemde gedaanten en zegt en doet allerlei
wonderlijke dingen.

Shelby's lachen bemoedigde den handelaar om voort te gaan.

"Het is wel vreemd, maar ik heb het den menschen nooit in het hoofd
kunnen stampen. Daar was Tom Loker, mijn oude compagnon in Natchez;
hij was een knappe kerel, dat was Tom, maar een duivel voor de
negers--om reden was hij dat, ziet ge, want hij had zulk een goed
hart als iemand, die ooit brood gebroken heeft; het was zijn systeem,
Mijnheer. Ik placht wel met Tom te praten en te zeggen: "Wel, Tom,
als die meiden eens aangaan en huilen, wat baat het dan, ze een gat
in den kop te slaan en af te ranselen? Het is belachelijk," zeide ik,
"en het doet nooit goed. Ik voor mij zie geen kwaad in het huilen,"
zeide ik; "dat is hare natuur, en als de natuur niet op de eene
manier er uit kan, dan neemt zij eene andere. Bovendien Tom," zei ik,
"gij bederft de meiden maar. Zij worden ziekelijk en neerslachtig,
en somtijds worden ze leelijk--vooral de gele meiden doen dat. Waarom
kunt gij ze niet een beetje flikflooien en mooie woorden geven? Ge kunt
er op aan, Tom, een beetje menschelijkheid nu en dan te pas gebracht,
helpt veel meer dan uw ranselen, en brengt meer geld op, geloof dat
vrij." Maar Tom kon er geen smaak in krijgen, en hij bedierf er nog
zooveel, dat ik van hem scheiden moest, hoewel hij een goedhartige
kerel was en anders wel verstand van den handel had."

"En gij vindt dus uwe manier van doen voordeeliger dan die van
Tom?" zeide Shelby.

"Ja, mijnheer, dat lijkt wel. Ziet ge, als ik eenigszins kan, ben ik
een beetje voorzichtig met onpleizierige dingen, zooals het jonge goed
te verkoopen en zoo meer--zend de meiden uit den weg--uit het oog uit
het hart, weet ge, en als het afgedaan en niet meer te veranderen is,
worden zij er vanzelf aan gewoon. Het is niet als met de blanken,
die geleerd hebben te verwachten, dat zij hunne vrouwen en kinderen
zullen houden. Negers, die behoorlijk zijn grootgebracht, hebben
zulke verwachtingen niet, en dus valt hun dat alles lichter."

"Ik vrees dan, dat de mijne niet behoorlijk zijn grootgebracht,"
zeide Shelby.

"Dat denk ik ook wel. Gij, in Kentucky, bederft uwe negers. Gij meent
het goed met hen, maar het is toch geene ware goedheid. Voor een
neger, die door de wereld moet gesold en aan Tom en Dick en de hemel
weet wien verkocht worden, is het geene goedheid, als men hem andere
denkbeelden en verwachtingen geeft en hem al te goed opbrengt; want
dan valt het slingeren en sollen hem naderhand zooveel te harder. Ik
durf wel zeggen, uwe negers zouden lang niet in hun schik zijn op
eene plaats, waar de meeste plantage-negers zouden zingen en joelen
als bezetenen. Iedereen, weet ge, Mijnheer Shelby, denkt natuurlijk
goed over zijne eigene manieren, en ik geloof dat ik de negers omtrent
zoo goed behandel, als het ooit de moeite waard is ze te behandelen."

"Het is gelukkig als men weltevreden is," zeide Shelby, even zijne
schouders ophalende, en blijkbaar met een gevoel van onaangenamen aard.

"Wel, wat zegt ge?" zeide Haley, nadat beiden eene poos stilzwijgend
noten hadden geplozen.

"Ik zal eens over de zaak denken en er met mijne vrouw over spreken,"
antwoordde Shelby. "Ondertusschen, Haley, als gij de zaak op die
stille manier wilt uitvoeren, waarvan ge spreekt, deedt ge best niet
te laten bekend worden, wat ge hier in de buurt komt doen. Het zal
anders onder mijn volk ruchtbaar worden, en dan zal het niet heel
stil toegaan, een van hen weg te brengen; dat kan ik u zeggen."

"O zeker, mondje dicht, natuurlijk. Maar ik moet u zeggen, ik heb
eene drommelsche haast, en wilde wel zoo spoedig mogelijk weten waar
ik op aan kan," zeide Haley terwijl hij opstond en zijn jas aantrok.

"Welnu, kom van avond tusschen zes en zeven uur, dan zult ge mijn
antwoord krijgen," liet Shelby hierop volgen, en de handelaar ging
buigende heen.

"Hoe gaarne was ik in staat geweest om dien onbeschaamden kerel de trap
af te schoppen," zeide Shelby bij zich zelven, toen hij alleen was;
"maar hij weet welk een voordeel hij op mij heeft. Als iemand mij ooit
gezegd had, dat ik Tom aan een van die schelmsche handelaars uit het
Zuiden zou verkoopen, zou ik gezegd hebben: "is uw dienstknecht een
hond, dat hij deze zaak zou doen?" en nu moet het er toch toe komen. En
Eliza's kind ook! Ik weet wel dat ik daarover onaangenaamheden met
mijne vrouw zal hebben; en over Tom ook al. Zoo gaat het als men
schulden heeft. O! die kerel ziet zijn voordeel en weet er gebruik
van te maken."

Misschien is de zachtste vorm van het stelsel der slavernij in den
staat Kentucky te zien. De algemeenheid eener soort van landbouw,
waarbij de arbeid stil en bedaard zijn gang gaat, en die geene tijden
van overgroote haast en drukte medebrengt, gelijk de landbouw van
meer zuidelijke gewesten, maakt daar de taak van den neger gezonder en
redelijker; terwijl de meester, tevreden met langzamer geld te winnen,
die verzoekingen tot hardvochtigheid niet heeft, welke den zwakken
mensch altijd verlokken, wanneer het vooruitzicht op eene snelle en
plotselinge winst in eene weegschaal wordt gewogen, die geen ander
tegenwicht heeft dan de belangen van weerlooze ondergeschikten.

Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vriendelijke
toegeeflijkheid van sommige meesters en meesteressen, en de liefderijke
trouw van sommige slaven, zou in verzoeking kunnen komen, om van de zoo
dikwijls herhaalde dichterlijke fabel van een patriarchalen toestand te
gaan droomen; maar boven dat bekoorlijke tooneel hangt eene dreigende
schaduw--de schaduw der wet. Zoolang de wet al deze menschelijke
wezens, met kloppende harten en levende aandoeningen, slechts als
zoovele dingen beschouwt, die eenen meester toebehooren--zoolang
het ongeluk, de onvoorzichtigheid of de dood van een menschlievend
meester hen op eens een leven van geruste welvaart met een van
hopelooze ellende en zwaren arbeid kan doen verwisselen--zóólang is
het onmogelijk, aan het best geregelde stelsel van slavernij iets
schoons of begeerlijks te geven.

Mr. Shelby was een man van de gewone goede soort, zachtaardig en
vriendelijk, en genegen om allen die hem omringden, met toegeeflijkheid
te behandelen, en hij had het nooit aan iets laten ontbreken, dat tot
het lichamelijk welzijn der negers op zijn goed kon bijdragen. Hij
had echter op eene groote schaal en onvoorzichtig gespeculeerd--had
zich diep in schulden gestoken, en wissels van een aanzienlijk bedrag
waren Haley in handen gekomen. Dit korte bericht is de sleutel van
het voorafgaande gesprek.

Nu was het gebeurd dat Eliza, toen zij naar de deur kwam, genoeg van
dat gesprek had opgevangen om haar te doen begrijpen, dat de handelaar
iemand van haren meester wilde koopen.

Gaarne had zij, toen zij heenging, bij de deur blijven staan
luisteren, maar dewijl hare meesteres haar toen juist riep, was haar
dit onmogelijk.

Zij meende echter te hooren, dat de handelaar een bod deed naar
haar kind. Kon zij zich bedriegen? Haar hart klopte onstuimig, en
onwillekeurig drukte zij den kleine vast aan hare borst, dat hij haar
met verbazing aanzag.

"Eliza, wat scheelt u vandaag?" zeide hare meesteres, toen Eliza de
waterkan had omgestooten, tegen het werktafeltje was aangeloopen,
en eindelijk in overmaat van verstrooiïng met een lange nachtjapon
aankwam, in plaats van met het zijden kleedje, dat zij uit de kleerkast
had moeten krijgen.

Eliza schrikte. "O Mevrouw!" zeide zij, hare oogen opslaande, barstte
toen in tranen uit en wierp zich snikkende op een stoel.

"Maar, Eliza, kind! Wat scheelt u toch?" zeide hare meesteres weder.

"O Mevrouw, Mevrouw," antwoordde Eliza, "er zit een handelaar in de
voorkamer met den meester te spreken. Ik heb hem gehoord."

"Welnu, onnoozel kind en wat zou dat?"

"O Mevrouw, denkt gij dat de meester mijn Harry zou willen
verkoopen?" riep het arme schepsel snikkend uit.

"Hem verkoopen? Wel neen, zottinnetje! Gij weet wel dat uw meester
zich nooit met die handelaars uit het Zuiden inlaat, en voornemens
is nimmer een van zijne bedienden te verkoopen, zoolang zij zich wèl
gedragen. En, onnoozel kind, wie denkt ge dat uw Harry zou willen
koopen? Denkt ge dat iedereen zoo op hem gesteld is als gij zijt,
gij gansje? Kom, wees weer vroolijk en maak mijn kleedje vast. Zoo,
maak nu mijn haar van achteren in die aardige vlecht, die gij pas
geleerd hebt, en sta niet meer aan de deuren te luisteren."

"O Mevrouw, maar gij zoudt toch nimmer toestemmen, om--om...."

"Dwaasheid kind! Wel zeker zou ik niet. Hoe praat gij zoo? Ik zou even
gaarne een van mijne eigene kinderen laten verkoopen. Maar waarlijk,
Eliza, gij wordt al te grootsch op dien kleinen jongen. Geen mensch
kan zijn neus meer binnen de deur steken, of gij denkt dat hij komen
moet om hem te koopen."

Gerustgesteld door den toon harer meesteres, ging Eliza vlug en
handig met het toilet voort en lachte onder hare bezigheden om hare
eigene vrees.

Mevrouw Shelby was eene vrouw, die in verstand en zedelijk gevoel
boven het gewone uitmuntte. Met die natuurlijke hooghartigheid en
edelmoedigheid, welke de vrouwen van Kentucky dikwijls kenmerken,
vereenigde zij een verheven godsdienstig en zedelijk gevoel, op vaste
grondbeginselen steunende, naar welke zij met evenveel standvastigheid
als overleg handelde. Haar man, die zelf geene aanspraak op bijzondere
godsdienstigheid maakte, eerbiedigde evenwel de hare en had misschien
wel eenig ontzag voor hare meeningen. Zeker was het, dat hij volle
vrijheid liet aan hare weldadige pogingen, die op het welzijn, het
onderwijs en de zedelijke verbetering harer dienstboden waren gericht,
hoewel hij zelf daaraan geen zeer werkdadig aandeel nam. Inderdaad
scheen hij, ofschoon hij wel niet aan de leer van de toerekening der
overtollige goede werken van heiligen geloofde, zich toch eenigszins
te verbeelden, dat zijne vrouw vroomheid en weldadigheid genoeg voor
twee bezat, en half te verwachten, dat hij door haren overvloed van die
eigenschappen, waarop hij zelf geene bijzondere aanspraak kon maken,
in den hemel zou komen.

De zwaarste last op zijn gemoed, na zijn gesprek met den handelaar,
was de noodzakelijkheid om zijne vrouw van de voorgenomen schikking
kennis te geven, en den tegenstand te bekampen, dien hij met reden
moest verwachten.

Daar Mevrouw Shelby geheel onbekend was met de ongelegenheden, waarin
haar Echtgenoot verkeerde en alleen de gewone menschlievendheid van
zijn karakter kende, was de ongeloovigheid, waarmede zij Eliza's
vermoedens had beantwoord, volkomen oprecht geweest. Zij zette zich
zelfs zonder verder nadenken de zaak uit het hoofd, en daar zij
zich haasten moest om zich voor eene avondvisite gereed te maken,
ontsnapte die korte woordenwisseling geheel aan haar geheugen.





TWEEDE HOOFDSTUK

DE MOEDER


Eliza was van hare meisjesjaren af door hare meesteres als eene
geliefkoosde en eenigszins verwende gunstelinge behandeld.

De reiziger in het Zuiden moet dikwijls dien bijzonderen zweem van
beschaving, die zachtheid van stem en manieren hebben opgemerkt,
welke veelal eene eigenaardige gave der quadronen en mulattinnen
schijnt te wezen. Deze natuurlijke bevalligheid is bij de quadrone
dikwijls met eene schitterende schoonheid, bijna altijd ten minste
met een behagelijk en innemend voorkomen vereenigd. Eliza, gelijk
wij haar beschreven hebben, is geene schets naar onze verbeelding
geteekend, maar aan onze herinnering ontleend, gelijk wij haar jaren
geleden in Kentucky gezien hebben. Veilig onder de beschermende zorg
harer meesteres, had Eliza een rijpen leeftijd bereikt, verschoond
van die verzoekingen, welke de schoonheid van eene slavin tot zulk
een noodlottig erfgoed maken. Zij was met een knappen en talentvollen
jongen mulat getrouwd, die slaaf was op een naburig landgoed en den
naam van George Harris droeg.

Deze jonkman was door zijnen meester verhuurd om in eene fabriek van
zeildoek te werken, waar zijne behendigheid en schranderheid hem voor
onmisbaar deden houden. Hij had eene machine om den hennep te zuiveren
uitgevonden, welke, indien men de opvoeding en omstandigheden des
uitvinders in aanmerking nam, evenveel genie voor de werktuigkunde
aan den dag legde als Whitney's spinmolen [2].

Hij had eene welgemaakte gestalte en innemende manieren, en was in
de fabriek een algemeene gunsteling. Evenwel, daar deze jonkman
in het oog der wet geen mensch maar een ding was, waren al deze
voortreffelijke hoedanigheden onderworpen aan het bedwang van een
gemeenen laaghartigen meester. Toen de heer van George's uitvinding
had gehoord, reed hij eens naar de fabriek, om te zien wat zijn
denkend stuk vee had uitgericht. Hij werd door den fabrikant met
groote voorkomendheid ontvangen, gefeliciteerd met het bezit van een
slaaf van zooveel waarde.

Men leidde hem de geheele fabriek door, en liet hem de machine zien,
door George uitgevonden, die in zijne opgetogenheid zoo vlug sprak,
zich zoo rechtop hield, en er zoo beschaafd en mannelijk uitzag
dat zijn meester eene onaangename bewustheid van minderheid begon
te gevoelen. Wat behoefde zijn slaaf door het land rond te loopen,
machines uit te vinden en onder _gentlemen_ het hoofd op te steken? Hij
zou spoedig een eind daaraan maken. Hij zou hem terugnemen, aan het
graven en spitten zetten, en dan eens zien: "of hij nog zoo grootsch
zou loopen." Tot verbazing van den fabrikant en alle belanghebbenden
zeide hij dus eensklaps, dat hij nu maar het loon van George verlangde
en hem terug wilde nemen.

"Maar, Mijnheer Harris," bracht de fabrikant hiertegen in: "is dat
toch niet wat haastig?"

"En al was dat zoo?--Is de man niet van mij?"

"Wij zouden gaarne meer vergoeding voor hem betalen, Mijnheer!"

"Dat kan mij volstrekt niet schelen. Ik verhuur geen van mijne
arbeiders, of ik moet er lust toe hebben."

"Maar, Mijnheer, hij schijnt voor dit vak bijzonder geschikt."

"Misschien wel. Hij was nooit zeer geschikt voor iets waaraan ik hem
zette, dat kan ik zeggen."

"Maar bedenk eens, dat hij deze machine heeft uitgevonden," viel een
der werklieden er tamelijk ongelukkig op in.

"O, ja! eene machine om werk uit te halen, niet waar? Die wilde hij
wel uitvinden, dat geloof ik. Laat dat altijd maar aan een neger
over. Zij zijn zelven allen machines om werk uit te halen, de een
zoo goed als de ander. Neen, hij zal opstappen."

George stond als versteend, toen hij zoo onverwachts zijn vonnis hoorde
uitspreken door eene macht, die hij wist dat onweerstaanbaar was. Hij
sloeg zijne armen over elkander en kneep zijne lippen dicht, maar eene
geheele vulkaan van bittere aandoeningen brandde in zijne borst en zond
stroomen vuurs door zijne aderen. Hij haalde kort en hijgend adem,
zijne donkere oogen gloeiden als kolen vuur, en hij zou misschien
in eene gevaarlijke drift zijn uitgebarsten, indien de welmeenende
fabrikant hem niet aan den arm had gestooten en zacht gezegd:

"Geef toe, George; ga vooreerst maar met hem mede. Wij zullen u wel
zien te helpen."

De dwingeland bemerkte dit gefluister, en gissende wat er gezegd
werd, hoewel hij het niet hooren kon, versterkte hij zich zelven
heimelijk in zijn besluit om de macht te behouden, die hij over zijn
slachtoffer bezat.

George werd teruggebracht en aan het geringste en onaangenaamste werk
op de hoeve gezet. Hij was in staat geweest om elk oneerbiedig woord
te smoren: maar zijn flikkerend oog en zijn betrokken voorhoofd
waren een gedeelte der natuurlijke taal, die niet gesmoord kon
worden--ontwijfelbare teekenen, die maar al te duidelijk toonden dat
de mensch niet tot een ding kon gemaakt worden.

Het was gedurende den gelukkigen tijd, toen hij in de fabriek werkzaam
was, dat George zijne vrouw had leeren kennen en met haar getrouwd
was. In dien tijd had hij, daar de fabrikant hem zeer begunstigde en
vertrouwde, volle vrijheid om naar believen uit te gaan. Het huwelijk
was zeer naar den zin van Mevrouw Shelby, die, met een weinigje van
de vrouwelijke liefhebberij voor het smeden van echtelijke banden,
hare schoone gunstelinge gaarne vereenigd zag met een man van
hare eigene klasse, die in alle opzichten zoo uitmuntend voor haar
geschikt scheen; zoo werden zij getrouwd in de groote voorkamer harer
meesteres, en versierde die meesteres zelve het fraaie haar der bruid
met oranjebloesems, en wierp den bruidssluier daarover heen, die haast
niet op bekoorlijker hoofd had kunnen rusten; en er was geen gebrek
aan witte handschoenen, koek en wijn, en aan bewonderende gasten,
om de schoonheid der bruid en de goedheid en mildheid der meesteres
te prijzen. Een paar jaren lang zag Eliza haar echtgenoot dikwijls,
en werd hun geluk door niets gestoord, behalve het verlies van twee
kleine kinderen, waaraan zij hartstochtelijk gehecht was, en die zij
met zulk eene diepe smart betreurde, dat zij daardoor eene zachte
vermaning van hare meesteres uitlokte, die met moederlijke bezorgdheid
haar hartstochtelijk gevoel binnen de perken van rede en godsdienst
poogde terug te brengen.

Na de geboorte van den kleinen Harry was zij echter langzamerhand
bedaarder en rustiger geworden, en toen elke bloedende hartsader
weder met dat jeugdig leven was samengestrengeld, bleef Eliza eene
gelukkige vrouw, totdat haar man met ruwheid van zijnen vriendelijken
huurder werd afgerukt, en onder het ijzeren gezag van zijn wettigen
eigenaar gebracht.

De fabrikant, getrouw aan zijn woord, bezocht Harris een paar weken,
nadat George van hem weggenomen was, hopende dat nu de drift bedaard
zou zijn, en beproefde alle mogelijke middelen om den knappen werkman
terug te bekomen.

"Gij behoeft u geene moeite te geven om langer te praten," zeide
Harris stuursch. "Ik weet mijne eigene zaken wel, Mijnheer!"

"Ik heb mij niet vermeten om mij daarmede te bemoeien, Mijnheer. Maar
ik dacht, dat ge het in uw belang zoudt kunnen achten, uw man op de
voorgestelde conditiën aan ons te laten."

"O, ik begrijp de zaak goed genoeg. Ik heb u wel zien wenken en
fluisteren, toen ik hem uit de fabriek kwam halen; maar gij zult mij
zoo niet krijgen. Dit is een vrij land, Mijnheer; de man is mijn,
en ik doe met hem wat ik verkies--zoo is het."

En zoo ontzonk George zijne laatste hoop. Hij zag niets vóór zich,
dan een leven van slaafschen arbeid, nog meer verbitterd door alle
kleine kwellingen en vernederingen, die de schranderheid van zijnen
dwingeland kon uitdenken.

Een zeer menschlievend rechtsgeleerde zeide eens: "het
slechtste gebruik dat men van een mensch maken kan, is hem op te
hangen!" Neen! er kan nog een gebruik van een mensch gemaakt worden,
dat _erger_ is.





DERDE HOOFDSTUK.

DE ECHTGENOOT EN VADER.


Mevrouw Shelby was uitgereden om hare visite te gaan brengen, en Eliza
stond eenigszins neerslachtig onder de veranda het rijtuig na te zien,
toen er een hand op haren schouder werd gelegd. Zij keerde zich om
en een heldere glimlach blonk op geheel haar gelaat, tot zelfs in
hare schoone oogen.

"George, zijt gij het? Wat doet gij mij schrikken! O, ik ben zoo blij,
dat ge komt. Mevrouw blijft van avond uit. Kom dus naar mijn kamertje,
wij hebben den geheelen tijd voor ons."

Met deze woorden trok zij hem naar een net vertrekje, dat op de
veranda uitkwam, waar zij gewoonlijk zat te naaien, binnen beroep
van hare meesteres.

"Hoe blijde ben ik! Waarom lacht gij ook niet? En zie eens naar
Harry! Wat groeit hij!"

Het knaapje stond zijn vader door zijne krullen heen schuins aan te
kijken, en hield zich aan den rok zijner moeder vast.

"Is het niet een mooi kind?" zeide Eliza, de hangende krullen
opstrijkende, om haar lieveling een kus te geven.

"Ik wenschte dat hij nooit geboren was," zeide George met
bitterheid. "Ik wenschte dat ik zelf nooit geboren was."

Verrast en verschrikt, zette Eliza zich neer, liet haar hoofd op den
schouder van haren echtgenoot zinken en barstte in tranen uit.

"O Eliza, het is al te erg van mij, dat ik u zoo deed schrikken,"
zeide hij met teederheid--"al te erg! O, hoe wenschte ik, dat ge mij
nooit gezien hadt--dan hadt gij gelukkig kunnen zijn."

"George! George! hoe kunt gij zoo spreken? Wat is er gebeurd of zal
er gebeuren, dat zoo schrikkelijk is? Wij zijn immers tot heden zoo
gelukkig geweest."

"Dat zijn wij, lieve," zeide George.

Daarna zijn kind op zijne knie nemende, zag hij het in de donkere
glansrijke oogen, en haalde zijne vingers door de krullende lokken.

"Uw evenbeeld, Eliza; en gij zijt de schoonste vrouw die ik ooit gezien
heb, en de beste die ik ooit verlang te zien; maar o, ik wenschte,
dat ik u nooit gezien had, en gij mij niet!"

"O George, hoe kunt gij zoo spreken?"

"Ja, Eliza, het is alles jammer en ellende! Mijn leven is zoo bitter
als alsem; het leven zelf wordt mij uitgepijnigd. Ik ben een arme,
ellendige, moedelooze slover, en ik zal u maar even ellendig maken. Wat
baat het, dat wij ons inspannen om iets te doen, om iets te weten,
om iets te zijn? Wat baat ons het leven? Ik wenschte dat ik dood was."

"Maar lieve George! dat is waarlijk goddeloos. Ik weet wel hoe het u
spijt, dat gij uwe plaats in de fabriek hebt verloren, en gij hebt
een harden meester; maar ik bid u, wees geduldig en misschien zal
er iets...."

"Geduldig!" zeide hij, haar in de rede vallende. "Ben ik niet geduldig
geweest? Heb ik een woord gezegd, toen hij kwam en mij weghaalde,
zonder eenige redenen ter wereld, daar vandaan, waar iedereen goed
voor mij was? Ik heb hem trouw elken cent betaald dien ik verdiende,
en iedereen zegt, dat ik braaf gewerkt heb."

"Ja, het is ijselijk," zeide Eliza, "maar hij is toch uw meester,
moet ge denken."

"Mijn meester! En wie heeft hem mijn meester gemaakt? Dat is het wat ik
denk--welk recht heeft hij op mij? Ik ben een mensch zoo goed als hij;
ik ben beter en knapper dan hij is; ik weet meer van allerlei dingen
dan hij weet; ik heb beter overleg dan hij; ik kan beter lezen dan hij;
ik schrijf eene betere hand; en dat alles heb ik mij zelven geleerd,
zonder dat ik er hem voor behoef te danken--ik heb het geleerd ondanks
hem; en wat recht heeft hij nu om een karrepaard van mij te maken,--mij
af te nemen van het werk dat ik doen kan, beter doen kan dan hij,
en mij aan werk te zetten dat ieder paard kan doen? Hij heeft een
oogmerk; hij zegt, dat hij mij zal vernederen en onderdanig maken,
en hij zet mij opzettelijk aan het zwaarste, laagste en vuilste werk."

"O, George, George! gij maakt mij angstig. Ik heb u nog nooit zoo
hooren spreken. Ik vrees, dat gij nog iets ijselijks doen zult. Het
verwondert mij geheel niet, dat gij dat zoo voelt; maar o, wees toch
voorzichtig--om mijnentwil--om Harry's wil!"

"Ik ben voorzichtig geweest en ik ben geduldig geweest; maar het wordt
al erger en erger. Vleesch en bloed kan het niet langer dragen. Elke
gelegenheid die hij vinden kan om mij te beleedigen en te kwellen,
neemt hij waar. Ik dacht dat ik mijn werk wel zou kunnen afdoen en
mij stil gedragen, en dan buiten de werkuren wat tijd overhouden om
te lezen en te leeren; maar hoe meer hij ziet wat ik doen kan, des
te meer belast hij mij. En hij zegt dat hij, hoewel ik niet spreek,
toch zien kan dat ik den duivel in mij heb, en dat hij dien er uit
wil jagen; en op den een of anderen tijd zal hij er ook wel uitkomen
op eene manier die hem niet bevalt, of ik heb het mis."

"Och, wat zullen wij doen?" zeide Eliza treurig.

"Het was pas gisteren," hervatte George, "toen ik bezig was met
steenen in de kar te laden, dat Tom, de jongeheer, daar stond en
met zijne zweep klapte, zoo dicht bij het paard, dat het beest er
schichtig van werd. Ik vroeg hem op te houden, zoo vriendelijk als
ik kon, maar hij ging maar voort. Ik vroeg het hem nog eens, en toen
keerde hij zich om en begon mij te slaan. Ik hield zijne hand vast,
en toen begon hij te schreeuwen en te schoppen, en liep vervolgens
naar zijnen vader en zeide dat ik tegen hem vocht. Deze kwam woedend
aanloopen en zeide dat hij mij leeren zou wie mijn meester was; en
toen bond hij mij aan een boom, en sneed teentjes voor den jongen
meester en zeide hem dat hij mij slaan mocht tot hij er moe van werd,
en zoo deed hij ook. Als ik hem dat niet eens betaald zet!"

Zijn gezicht betrok en in zijne oogen gloeide een vuur, dat zijne
jonge vrouw deed beven.

"Wie heeft dien man tot mijn meester gemaakt--dat wil ik maar weten,"
voegde hij er bij.

"Och!" zeide Eliza droevig. "Ik heb altijd gedacht, dat ik mijn meester
en meesteres moest gehoorzamen, of dat ik geene Christin kon zijn."

"Dat is misschien wel gezegd in uw geval. Zij hebben u als een eigen
kind grootgebracht--u gevoed, gekleed, zacht behandeld en onderwezen,
zoodat gij eene goede opvoeding hebt gehad--dat is wel eene reden,
waarom zij aanspraak op u kunnen maken. Maar ik ben geschopt,
gescholden en geslagen; op zijn best bemoeide men zich maar niet met
mij. Wat ben ik dan schuldig? Ik heb voor mijn onderhoud honderdvoudig
betaald. Ik wil het niet verdragen--neen, ik wil niet!" zeide hij,
en kneep met een donker gerimpeld voorhoofd zijn vuisten dicht.

Eliza beefde en zweeg. Zij had haar man nog nooit in zulk eene stemming
gezien, en hare zachtzinnige zedenleer scheen voor de baren van zulk
een hartstocht als riet te zwichten.

"Gij weet nog wel van dien armen kleinen Carlo, dien gij mij gegeven
hebt," hervatte George. "Dat beestje was omtrent al de troost dien ik
had. Het sliep des nachts bij mij en liep den geheelen dag met mij
mede, en keek mij aan alsof het begreep wat ik voelde. Wel, laatst,
toen ik hem eenige oude kliekjes gaf, die ik bij de keukendeur had
opgeraapt, en de meester aankwam, zeide deze dat ik hem op zijne
kosten voedde, en dat hij niet lijden kon dat elke neger zijn hond
hield, en beval mij om het diertje een steen om den hals te doen en
in den vijver te smijten."

"O George! dat hebt gij toch niet gedaan!"

"Gedaan?--Ik niet, maar zij. Meester en Tom smeten het arme
verdrinkende beest nog met steenen. De arme Carlo keek mij zoo droevig
aan, alsof hij zich verwonderde, waarom ik hem niet redde. Ik kreeg
met de zweep, omdat ik het niet zelf wilde doen. Maar het kon mij
niet schelen. Hij zal wel eens ondervinden dat de zweep iemand niet
temt. Mijn dag zal wel komen, als hij niet oppast."

"Wat wilt gij gaan doen? O George, doe toch geene goddeloosheid. Als
gij maar op God vertrouwt en wel wilt handelen, zal Hij u verlossen."

"Ik ben geen Christen gelijk gij, Eliza. Mijn hart is vol
bitterheid. Ik kan niet op God vertrouwen. Waarom laat Hij de dingen
zoo zijn?"

"O George, wij moeten geloof hebben. Mevrouw zegt dat wij, als alles
verkeerd met ons gaat, toch moeten gelooven dat God het allerbeste
doet."

"Dat is gemakkelijk te zeggen voor menschen die op hunne sofa's zitten
en in koetsen rijden; maar als ze eens waren waar ik ben, denk ik
dat het wat moeielijker zou zijn. Ik wenschte dat ik goed kon zijn,
maar mijn hart brandt, en ik kan er mij niet mede verzoenen. Gij
zoudt het niet kunnen in mijne plaats; gij kondt het nu niet, als ik
u alles zeggen zou wat ik te zeggen heb. Gij weet alles nog niet."

"Wat kan er nu nog moeten komen?"

"Wel, laatst heeft meester gezegd dat hij een gek was geweest, om mij
van de plaats te laten trouwen; dat hij mijnheer Shelby en al zijn
gedoe haat, omdat zij trotsch zijn en het hoofd boven hem opsteken,
en dat ik mijne trotsche denkbeelden van u gekregen had, en hij zegt
dat hij mij niet meer hier wil laten komen, en dat ik op zijne plaats
eene vrouw moet nemen en daar blijven. Eerst sprak hij daarvan maar
scheldende en brommende; maar gisteren zeide hij mij dat ik Mina tot
vrouw moest nemen en in eene hut met haar wonen, of dat hij mij de
rivier af zou verkoopen."

"Maar gij zijt met mij getrouwd door den predikant, even goed alsof
gij een blanke waart geweest," zeide Eliza eenvoudig.

"Weet gij dan niet dat een slaaf niet getrouwd kan zijn? Er is geene
wet in dit land daarvoor. Ik kan u niet tot vrouw houden, als hij
ons verkiest te scheiden. Dat is het waarom ik wensch dat ik u nooit
gezien had--waarom ik wensch dat ik nooit geboren was. Het zou beter
voor ons beiden zijn geweest--het zou beter voor dit arme kind zijn
geweest als het nooit geboren was. Dat alles kan hem ook nog gebeuren."

"O, maar meester is zoo goed."

"Ja, maar wie weet?--Deze kan sterven; en dan kan hij verkocht
worden aan niemand weet wie. Wat, verheugt het u, dat hij zoo schoon,
schrander en vroolijk is? Ik zeg u, Eliza, dat er een zwaard door uw
hart zal gaan voor iedere goede en lieve eigenschap van uw kind--dat
alles zal hem te veel waard maken om hem u te laten houden."

Deze woorden vielen Eliza zwaar op het hart. De handelaar, dien zij
gezien had, kwam haar weder voor den geest; en alsof iemand haar
een doodelijken slag had toegebracht, verbleekte zij en snakte naar
adem. Zij keek met zenuwachtigen angst onder de veranda uit, waar het
knaapje, dat het ernstig gesprek verveelde, was heengeloopen, en waar
hij zegepralend op Mr. Shelby's wandelstok heen en weder reed. Zij
had haren man wel van hare vrees willen spreken, maar zij bedwong zich.

"Neen, neen, hij heeft zelf al genoeg te dragen," dacht zij. "Neen,
ik wil het hem niet zeggen. En buitendien, het is ook niet waar:
Mevrouw bedriegt ons nooit."

"Kom, Eliza, lieve vrouw," zeide George treurig, "houd u nu maar goed
en vaarwel. Ik ga heen."

"Heen, George--waarheen?"

"Naar Canada," antwoordde hij, zich recht oprichtende, "en als ik daar
ben, zal ik u koopen; dat is alle hoop, die ons overblijft. Gij hebt
een goeden meester, die niet weigeren zal u te verkoopen. Ik zal u
koopen en het kind--als God mij helpt, dat zal ik."

"O schrikkelijk!--Als gij gevat mocht worden!"

"Ik zal mij niet laten vatten, Eliza. Ik zal liever sterven. Ik wil
vrij zijn of sterven."

"Gij zult toch u zelven niet ombrengen?"

"Dat zal niet behoeven; zij zullen mij wel ombrengen; zij zullen mij
niet levend de rivier afkrijgen."

"O George, om mijnentwil, wees toch voorzichtig. Doe geene
goddeloosheid; sla geene handen aan u zelven of iemand anders. Gij
wordt al te zwaar verzocht--al te zwaar; maar--gaan moet gij--maar
doe het voorzichtig en bid God om u te helpen."

"Welnu, Eliza, hoor dan mijn plan. Meester heeft het in zijn hoofd
gekregen om mij hier vlak voorbij te zenden, met een briefje aan
Mijnheer Simmes, die eene mijl verder woont. Hij dacht, geloof ik,
dat ik wel hier zou komen om u te zeggen wat mij scheelt. Het zou
hem verheugen, als hij de Shelby's, zooals hij ze noemt, daarmede
verdriet kan doen. Ik ga nu heel stil naar huis, begrijpt ge, alsof
ik mij geheel onderwierp en alles afgedaan was. Ik heb nog eenige
toebereidselen te maken, en er zijn er wel die mij wel zullen helpen;
en na eene week of zoo zal ik onder de vermisten zijn. Bid voor mij,
Eliza; misschien zal onze lieve Heer u hooren."

"O bid zelf, George, en ga in vertrouwen op Hem; dan zult gij niets
doen wat goddeloos is."

"Welnu dan, vaarwel!" zeide George, Eliza bij de handen vattende en
haar in de oogen starende, zonder heen te gaan. Zij bleven zwijgend
staan; toen kwamen er nog laatste woorden en snikken en bittere
tranen--zulk een afscheid als zij nemen, wier hoop om elkander weder
te zien zoo broos als spinrag is; en man en vrouw hadden elkander
verlaten.





VIERDE HOOFDSTUK.

EEN AVOND IN DE HUT VAN OOM TOM.


De hut van Oom Tom was een gebouwtje van boomstammen en planken dicht
bij "het huis" gelijk de neger de woning van zijnen meester noemt. Voor
deze hut lag een tuintje, waar elken zomer aardbeziën, frambozen en
allerlei vruchten en groenten, zorgvuldig gekweekt, welig groeiden. De
geheele voorgevel was met eene groote roode bignonia en een wilden
rozestruik begroeid, die zich zoodanig door elkander strengelden,
dat er bijna niets van de ruwe houtsblokken te zien was. Hier vonden
in den zomer ook verschillende eenjarige bloemplanten een hoekje,
om hare pracht te laten schitteren, en waren de blijdschap en trots
van Tante Chloe's hart.

Laten wij de woning binnentreden. In "het huis" is het avondmaal reeds
voorbij, en Tante Chloe, die als eerste keukenmeid het oppertoezicht
over de bereiding daarvan heeft gehad, heeft aan de mindere
keukenbedienden het wasschen en wegruimen van borden en schotels
overgelaten, en is naar hare eigene lieve woning gekomen, om wat voor
"haar ouden man" klaar te maken. Dus is zij het zonder twijfel, die gij
daar bij het vuur ziet, terwijl zij met oplettende belangstelling het
oog houdt op zekere sissende dingen in een braadpan, en somtijds met
ernstige bedachtzaamheid het deksel van een ketel oplicht, waaruit
een geurige damp opstijgt, die ontwijfelbaar iets bijzonder lekkers
aankondigt. Zij heeft een rond zwart gezicht, zoo glanzig, dat het
iemand op de gedachte brengt, of het ook met eiwit mocht bestreken
zijn, gelijk haar eigen theebanket. Geheel dat ronde gezicht straalt
van genoegen en tevredenheid onder haren welgesteven geruiten tulband,
maar vertoont ook, dit moeten wij bekennen, een zweempje van die
bewustheid van eigenwaarde, welke de beste keukenmeid van den geheelen
omtrek voegt, waarvoor Tante Chloe algemeen erkend wordt.

Zij was zeker eene keukenmeid tot in het diepst van hare ziel. Geen
kuiken, kalkoen of eend was er op het pleintje bij de schuur of
hij keek ernstig en begon aan zijn einde te denken, als hij haar
zag naderen, en zeker speelden hare zinnen ook altijd zoozeer op
plukken, vullen en braden, dat haar gezicht een nadenkenden vogel
moest beangstigen. Hare koeken en koekjes van allerlei soort waren
een verheven mysterie voor alle minder ervarene baksters; en zij
lachte dat zij schudde, met een mengeling van spotterij en hoogmoed,
als zij vertelde van de vruchtelooze pogingen, die deze en gene harer
mededingsters hadden gedaan om hare hoogte te bereiken.

De komst van gasten in huis en het beschikken van een diner of souper,
"in staatsie", deed al haar ijver en geestkracht ontwaken, en geen
gezicht was haar aangenamer dan een hoop reiskoffers onder de veranda
opgestapeld, want dit deed haar nieuwe drukte en nieuwe zegepralen
te gemoet zien.

Juist op het oogenblik echter kijkt Tante Chloe in de braadpan,
en aan die streelende bezigheid zullen wij haar laten, tot wij onze
schilderij van hare woning hebben voltooid.

In een hoek stond een bed, netjes met een sneeuwwitte sprei bedekt,
en daarnaast lag een stuk tapijt van aanmerkelijke grootte. Op dit
tapijt grondde Tante Chloe hare aanspraken op eene fatsoenlijke
manier van leven, daar het ontegenzeggelijk iets voornaams was; en
dit tapijt en het bed waarbij het lag, ja eigenlijk die geheele hoek
werden in zekere eere gehouden, en zooveel mogelijk beveiligd voor
strooptochten en aanvallen van het kleine goed. Die hoek was zooveel
als staatsiekamer van het huis. In een anderen hoek stond een bed, dat
er minder deftig uitzag en blijkbaar tot _gebruik_ bestemd was. De muur
tegenover den schoorsteen was met eenige zeer schitterende bijbelsche
prenten versierd, en ook met een portret van generaal Washington,
geteekend en gekleurd op een manier, waarover die heer zich zeker
zelf zou verbaasd hebben, als hij het ooit had kunnen zien.

Op eene ruwe bank in dezen hoek zaten eenige jongens met wollige
kroeskoppen, glinsterende zwarte oogen en ronde blinkende wangen,
bezig met het opzicht over de eerste loopmanoeuvres van het kleinste
kind, die, gelijk doorgaans daarmede het geval is, bestonden in zich
even op te richten, een oogenblik op zijne voeten te balanceeren en
dan weder om te tuimelen--terwijl elke mislukking als een buitengemeen
kunststuk werd toegejuicht.

Eene tafel, eenigszins wankelend op hare pooten, was voor het vuur
geschoven en met een tafellaken bedekt, waarop kopjes en schoteltjes
met schitterende kleuren en andere voorteekenen van een naderenden
maaltijd stonden. Aan deze tafel was Oom Tom gezeten, Mr. Shelby's
meest vertrouwde dienaar, wien wij, daar hij de held van ons verhaal
zal zijn, met de getrouwheid eener daguerreotype voor onze lezers
moeten afteekenen. Hij was een rijzig en forsch gebouwd man met eene
breede borst en een glanzig zwart gezicht, welks echt Afrikaansche
trekken gekenmerkt werden door eene uitdrukking van ernst en
degelijk gezond verstand, met veel goedhartigheid en zachtaardigheid
vereenigd. Geheel zijn voorkomen had iets deftigs, alsof het hem
niet aan gevoel van eigenwaarde ontbrak; maar deze deftigheid ging
met eene vertrouwelijke en nederige eenvoudigheid gepaard.

Hij had op dat oogenblik al zijn aandacht gevestigd op eene lei,
die voor hem lag, waarop hij zorgvuldig en langzaam eenige letters
poogde na te trekken, in welke bezigheid hij geholpen werd door
jongeheer George, een vluggen, schranderen knaap van dertien jaren,
die de waardigheid zijner betrekking van onderwijzer ten volle scheen
te gevoelen.

"Niet zoo, Oom Tom; niet naar dien kant," zeide hij driftig, toen Oom
Tom met stijve vingers den staart van eene _g_ naar den verkeerden
kant omhaalde. "Dat wordt eene _q_, ziet ge wel?"

"O, zoo wordt het?" zeide Oom Tom, met eerbiedige bewondering
toekijkende, terwijl zijn jonge meester, tot zijne onderrichting,
vlug eene ontelbare rij van g's en q's krabbelde. Daarop nam hij
het grifje weder tusschen zijne groote grove vingers en hervatte met
geduld zijne taak.

"Hoe gemakkelijk doen blanke menschen altijd iets!" zeide Tante Chloe,
even ophoudende, terwijl zij een rooster met een stukje spek aan eene
vork insmeerde, en haar jonge meester met zekere trotschheid aanziende.

"Zooals hij schrijven kan! En lezen ook! En dan 's avonds hier te
komen en ons zijne lessen te leeren. Het is waarlijk om er pleizier
in te hebben."

"Maar, Tante Chloe, ik krijg een geweldigen honger," zeide George. "Is
de koek in de ketel niet haast klaar?"

"Haast, jongeheer George," antwoordde Tante Chloe, het deksel
oplichtende en eens kijkende. "Hij bruint al mooi--heerlijk
bruin. Vertrouw dat maar aan mij. Mevrouw liet Sally laatst eens
probeeren om een koek te maken, om haar te laten leeren, zeide zij. Och
loop heen, Mevrouw," zei ik. "Het gaat mij waarlijk aan het hart,
om dat goede eten zoo te zien bederven! De koek is alles aan één kant
gerezen--geen fatsoen aan, niet meer dan mijn schoen. Loop heen."

Met deze laatste uitdrukking van minachting voor Sally's
onbedrevenheid, nam Chloe het deksel van den ketel en ontblootte zoo
een heerlijk gebakken koek, waarvoor geen stadspasteibakker zich had
behoeven te schamen. Daar deze koek blijkbaar de hoofdzaak van het
onthaal moest wezen, begon Tante Chloe nu met drukte de tafel gereed
te maken.

"Hier gij, Mozes en Peter, uit den weg, gij, negers! Weg, Polly,
liefje, maatje zal haar kleintje zoo meteen wat geven. Nu, jongeheer
George, neem nu die boeken maar weg en ga bij mijn ouden man zitten,
dan zal ik de saucijzen opdoen, en zult ge in minder dan een oogenblik
het eerste baksel geroosterde koekjes op uw bord hebben."

"Zij wilde hebben dat ik in huis zou eten," zeide George, "maar ik
wist mijn weetje te wel, om dat te doen, Tante Chloe!"

"Ja, dat deedt ge zeker," zeide zij, hem eenige snikheete koekjes op
zijn bord schuivende. "Gij weet wel dat uwe oude tante het beste voor
u bewaart. Dat weet gij wel--loop heen!"

Daarmede gaf zij George schertsende een duwtje met haar vinger en
keerde zich toen met vernieuwden ijver weder naar den rooster.

"Nu aan den ketelkoek," zeide George, toen de geroosterde koekjes
nagenoeg op waren, en meteen zwaaide hij een groot mes over het
bedoelde gebak.

"Halt, jongeheer George!" zeide Tante Chloe zeer ernstig en hield
tegelijk zijn arm vast. "Woudt ge hem met dat groote zware mes gaan
snijden? Gij zoudt hem geheel in elkaar drukken en al het mooi van
het rijzen bederven. Hier heb ik een oud dun mes, dat ik er met
opzet scherp voor houd. Daar, ziet ge, dat gaat er door, zoo licht
als een veertje. Eet nu maar,--ge zult niet licht iets krijgen dat
lekkerder is."

"Tom Lincoln zegt," zeide George, met een vollen mond sprekende,
"dat hunne Jenny beter keukenmeid is dan gij."

"Die Lincolns hebben niet veel te beduiden," zeide Tante Chloe
verachtelijk; "ik meen naast ons huis. De lieden zijn fatsoenlijk
genoeg, op eene soort van eenvoudige manier, maar om iets met staatsie
op te maken, daar hebben zij geen begrip van. Zet jongeheer Lincoln--nu
eens naast jongeheer Shelby--och och! En Mevrouw Lincoln--kan zij zoo
de kamer inkomen als mijne mevrouw--met zulk eene soort van staatsie,
weet ge? Och loop heen--praat me niet van de Lincolns."

"Wel, ik heb u toch hooren zeggen," hervatte George, "dat Jenny eene
goede keukenmeid was."

"Dat heb ik ook gezegd en dat mag ik zeggen. Een goeden, eenvoudigen
pot kan Jenny koken, en hare korenkoekjes zijn wel niet extra,
maar zij schikken,--zij schikken. Maar, och, kom eens hooger, en
wat kan zij dan? Zij kan taarten maken,--zeker dat doet zij; maar
wat voor soort van korst? Kan ze het echte brosse deeg maken, dat
zoo luchtig is als schuim en in den mond wegsmelt? Ik ben daar eens
naar toe geweest, toen Miss Mary zou gaan trouwen, en Jenny liet me de
bruiloftstaarten zien. Jenny en ik zijn goede vriendinnen, weet ge? Ik
zei niets; maar loop heen, jongeheer George! Wel ik zou er geene week
van kunnen slapen, als ik zulk een baksel taarten gemaakt had. Neen,
ze konden er volstrekt niet door."

"En Jenny zal al gedacht hebben, dat ze heel lekker waren," zeide
George.

"Of ze dat dacht? Zij was immers zoo onnoozel om ze nog te laten
zien. Gij ziet, daar ligt het aan; Jenny weet het niet. Och, de familie
beduidt niets; men kan niet verwachten dat zij het weet. Het is hare
schuld niet. O jongeheer George, gij kent nog niet half het voorrecht
van uwe familie en uwe opvoeding." En tante Chloe slaakte een zucht,
en liet van aandoening het wit harer oogen zien.

"O zeker Tante Chloe, ik begrijp al mijne taart- en koek-voorrechten,"
zeide George. "Vraag Tom Lincoln maar, of ik er hem niet mee plaag,
zoo dikwijls ik hem zie."

Tante Chloe liet zich op haren stoel zakken, en lachte over deze
geestigheid van haren jongen meester tot haar de tranen over de
zwarte blinkende wangen rolden. Nu en dan hield zij even op, om George
schertsend een klap of stoot te geven, en hem te commandeeren om weg
te loopen, en te zeggen, dat hij zeker nog eens haar dood zou zijn:
tusschen welke akelige voorspellingen zij telkens weder in eene nieuwe
vlaag van lachen uitbarstte, elk harder en langer dan de vorige, totdat
George werkelijk begon te denken dat hij een gevaarlijk geestige jongen
was, en moest oppassen om niet zóó grappig te zijn als hij wel kon.

"Ei zoo, hebt gij er Tom over gesproken? Och, wat doen die jongens
niet al. Wel heb ik ooit! Een paardenvlieg zou er om moeten lachen."

"Ja," zeide George, "ik zei: Tom, gij moest Tante Chloe's taarten
eens zien; dat is rechte taart."

"Jammer dat Tom het niet kon," zeide Tante Chloe, op wier menschlievend
hart de ongelukkige onkunde van Tom een diepen indruk scheen te
maken. "Gij moet hem hier eens ten eten vragen, jongeheer George,"
vervolgde zij, "dat zou lief van u zijn. Gij weet wel, jongeheer
George, gij moogt u boven niemand verheffen op uwe voorrechten,
omdat al onze voorrechten ons gegeven zijn. Dat moeten wij altijd
onthouden," zeide Tante Chloe met een zeer ernstig gezicht.

"Wel, ik zal Tom aanstaande week eens hier vragen," zeide George;
"en doe dan uw best, Tante Chloe, dan zullen wij hem eens laten
opkijken. He! zullen we hem niet zoo laten eten, dat hij het in geen
veertien dagen te boven komt?"

"Ja, ja, zeker," zeide Tante Chloe opgetogen. "Gij zult eens
zien! O! als ik nog aan sommige van onze diners denk! Heugt u nog die
groote keukenpastei, die ik maakte, toen wij generaal Knox ten eten
hadden? Ik en mevrouw kregen toen haast ruzie over de korst. Wat
de dames somtijds in het hoofd krijgen weet ik niet; maar juist
als iemand het machtig druk en veel te verantwoorden heeft, nemen
zij den tijd waar om in den weg te loopen en overal tusschen te
willen komen. Nu wilde Mevrouw mij dit zóó laten doen en dat zóó,
en eindelijk werd ik vrijpostig en zeide: nu, Mevrouw, zie eens naar
die mooie witte handen van u met lange vingers, en overal schitterende
van ringen gelijk mijne witte leliën als de dauw er op ligt; en zie
dan naar mijne groote zwarte stomperige handen. Denkt ge nu niet dat
de Heer mij moet bedoeld hebben om taartenkorst te maken, en u om in
de voorkamer te blijven? Ja, zoo vrijpostig was ik, jongeheer George!"

"En wat zei moeder toen?" vroeg George.

"Wat zij zeide? Wel, zij lachte met hare oogen, die mooie groote oogen,
die zij heeft; en toen zeide ze: "Wel, Tante Chloe, ik denk dat gij
eenigszins gelijk hebt." Dat zei ze en ging naar de voorkamer. Zij had
mij een gat in het hoofd moeten slaan, omdat ik zoo onbeschaamd was;
maar zoo is het--met dames in de keuken kan ik niets uitrichten."

"Nu, gij hebt het toch goed gemaakt met dat diner. Ik weet nog wel
dat iedereen dat zeide."

"Heb ik niet? En was ik niet achter de deur van de eetzaal dienzelfden
dag; en zag ik den generaal niet driemaal zijn bord geven, om nog
meer van diezelfde taart; en zeide hij niet: "Gij moet eene ongemeene
keukenmeid hebben, Mevrouw Shelby?" O! ik dacht dat ik barsten zou!"

"En de generaal weet wat koken is," vervolgde Tante Chloe, zich
trotsch oprichtende. "Heel fatsoenlijk man, die generaal! Hij komt van
eene der eerste familiën in Oud-Virginië! Hij heeft er verstand van,
zoo goed als ik--die generaal. Weet ge, elke taart heeft haar eisch,
jongeheer George; maar het is niet iedereen, die weet wat er de eisch
van is. Maar de generaal weet het; dat hoorde ik aan wat hij er van
zeide. Ja, hij weet er den eisch van."

Thans was de jongeheer George zoover gekomen, als zelfs een jongen (in
buitengewone gevallen) komen kan, zoover namelijk, dat hij inderdaad
geen brok meer kon eten; en had dus den tijd om op den hoop wollige
kroeskoppen en glinsterende oogen te letten, die in den anderen hoek
zijn bedrijf hongerig gadesloegen.

"Hier, gij, Mozes en Peter," zeide hij, milde stukken voor hen
afbrekende. "Gij lust ook wel wat, niet waar? Kom, Tante Chloe,
bak nog wat koekjes voor hen."

George en Tom kozen nu een gemakkelijk plaatsje in het hoekje van den
haard, terwijl Tante Chloe, na een goeden stapel koekjes te hebben
gebakken, haar kleintje op haren schoot nam, en aan het werk ging om
beurtelings haar eigen mond en dien van het wichtje te vullen, en aan
hare twee jongens uit te deelen, die hunne portie liefst schenen op
te eten, terwijl zij onder de tafel over den grond rolden en elkander
krieuwelden of het schootkindje bij de beenen trokken.

"O, loopt heen, zal je!" zeide de moeder, nu en dan in den blinde een
schop onder de tafel gevende, als de beweging al te erg werd. "Kunt ge
u niet ordentelijk houden als er blanke menschen bij ons komen? Houdt
op daarmee, zal je? Pas op, ik zal je een knoopsgat lager maken,
als de jongeheer George weg is."

Wat dit verschrikkelijke dreigement eigenlijk beteekende, is moeielijk
te raden; maar de geduchte onduidelijkheid er van scheen toch zeer
weinig indruk op de aangesproken kleine zondaars te maken.

"Och," zeide Oom Tom, "zij zijn zoo vol pret, dat zij zich niet goed
kunnen houden."

Nu kwamen de jongens onder de tafel vandaan en begonnen met
welbestroopte gezichten, het kleine zusje te zoenen.

"Loopt heen!" zeide de moeder, hunne kroeskoppen wegduwende. "Ge
zult allen aan elkander blijven plakken en nooit weer van elkaar
loskomen. Loopt naar de bron en gaat uw gezicht wasschen!"

Zij bekrachtigde hare vermaning met een klap, die geducht klonk,
maar toch de jongens slechts des te harder scheen te doen lachen,
terwijl zij over elkander de deur uittuimelden, om hunne pret buiten
uit te gieren.

"Hebt gij ooit zulke lastige jongens gezien?" zeide Tante Chloe,
maar met zeker welbehagen naar het scheen, nam vervolgens een ouden
handdoek, voor zulke dringende gevallen bewaard, schonk het water
uit den gebarsten trekpot daarop, en begon de stroop van het kleine
gezichtje af te wrijven. Nadat zij het kind gepoetst had tot het
blonk, zette zij het Tom op zijne knie, terwijl zij de tafel ging
opruimen. Het wichtje gebruikte dien tijd om Tom bij zijn neus te
trekken, in zijn gezicht te krabben, en de dikke handjes in zijn
wollig haar te verwarren, waarin het vooral vermaak scheen te hebben.

"Is het niet een nest van een meid?" zeide Tom, haar op armslengte van
zich afhoudende, om haar eens geheel te overzien; en toen opstaande,
zette hij de kleine op zijn breeden schouder en begon met haar te
springen en te dansen, terwijl George met zijn zakdoek naar haar
sloeg, en Mozes en Peter, die teruggekomen waren, haar als beren
aanbromden, tot Tante Chloe verklaarde dat haar hoofd spleet van
het leven. Daar echter volgens haar eigen zeggen, hetzelfde ongeluk
dagelijks plaats had, deed deze verklaring de vroolijkheid niet
verminderen, totdat iedereen zich zelven tot bedaren had gedanst,
gesprongen en geschreeuwd.

"Wel, nu hoop ik dat gij gedaan hebt," zeide Tante Chloe, die in eene
soort van pakkist, welke zij onder het bed weghaalde, nog een bed
had opgemaakt. "Komt aan, Mozes en Peter, maakt dat gij er in komt,
want er is eene meeting van avond."

"O moeder, dat willen wij niet. Wij wilden liever opblijven. De
meeting is zoo aardig."

"Och, Tante Chloe, schuif het weer weg en laat hen maar opblijven,"
zeide George, de kist alreeds een duw gevende.

Tante Chloe, aldus een schijn van ordelievendheid bewaard hebbende,
scheen blijde dat zij het ding weder weg kon schuiven en zeide,
terwijl zij dit deed: "Wel, misschien zal het hun nog wel goed doen."

Men trad nu in ernstig overleg, om aanstalten voor de bijeenkomst
te maken.

"Hoe wij het nu met stoelen zullen maken, verklaar ik niet te weten,"
zeide Tante Chloe.

Daar echter de bijeenkomst sedert onheuglijken tijd wekelijks bij
Oom Tom gehouden was, zonder dat men meer stoelen had gehad, scheen
men te mogen hopen, dat de zaak zich nu ook wel zou schikken.

"Oude Oom Peter heeft verleden week twee pooten van dien ouden stoel
afgewrongen," merkte Mozes aan.

"Loop heen! Ik geloof zeker, dat gij ze er afgebroken hebt," zeide
zijne moeder.

"O, hij kan nog wel staan, als hij maar vlak tegen den muur wordt
gezet."

"Dan moet Oom Peter er niet op gaan zitten, omdat hij altijd hobbelt
als hij aan het zingen komt," zeide Peter. "Laatst hobbelde hij bijna
de geheele kamer door."

"Toe! laat hij er dan op zitten", viel Mozes er op in. "He! dan begint
hij: "Komt, heiligen en zondaars!" en dan tuimelt hij omver."

Mozes bootste den neusklank des ouden mans zeer getrouw na en liet zich
op den grond vallen, om een voorbeeld van de verwachte grap te geven.

"Kom, wees ordentelijk!" zeide Tante Chloe. "Schaamt gij u niet?"

De jongeheer George lachte echter met den kleinen zwarten deugniet
mede, en verklaarde volmondig dat Mozes een "platje" was, zoodat de
moederlijke vermaning weinig baatte.

"Wel, oude man," zeide Tante Chloe, "dan moeten wij de vaatjes maar
weer nemen."

Er werden twee ledige vaten binnengerold, en nadat deze met steenen
waren vastgezet, legde men er planken dwars overheen. Met dezen
toestel, benevens het omkeeren van eenige tobben en emmers, en het
plaatsen der wrakke stoelen, waren de toebereidselen voltooid.

"De jongeheer George is zulk een heerlijk lezer," zeide Tante Chloe
nu. "Zeker zal hij wel willen blijven om voor ons te lezen; dat zou
zooveel stichtelijker zijn."

George gaf bereidwillig zijne toestemming, want een jongen is altijd
gereed voor iets dat hem tot een persoon van gewicht maakt.

Weldra werd het vertrek gevuld met eene zeer gemengde vergadering van
den grijzen patriarch van tachtig jaren tot het jonge meisje en den
knaap van vijftien. Men had een onschuldig praatje over allerlei
onderwerpen, zooals: waar oude Tante Sally haar nieuwen rooden
hoofddoek had gekregen, en aan wie Mevrouw Lizzy haar mousselinen
japon zou geven, als zij haar nieuwe zijden had laten maken en hoe de
jongeheer Shelby een bruin veulen zou koopen, dat de staatsie van het
huishouden zou vergrooten. Eenige aanwezigen behoorden tot familiën in
de nabijheid en brachten eenige belangrijke berichten mede aangaande
het zeggen en doen in huis en op het goed, die even vaardig rondgingen
als dezelfde soort van kleine munt in hoogere kringen doet.

Na een poosje begon het zingen, tot blijkbaar genoegen van alle
aanwezigen. Zelfs de leelijke gewoonte om door den neus te zingen,
kon den indruk der inderdaad fraaie stemmen en der tegelijk wilde
en levendige melodiën niet bederven. De woorden waren somtijds de
gewone welbekende liederen, die in de kerken in het rond gezongen
werden, maar hadden ook somtijds een meer dwependen toon en waren
bij veldpredicatiën gehoord en aangeleerd.

Het koor van een dier liederen luidde als volgt en werd met bijzondere
kracht en stichting gezongen:


                  "Sterven op het slagveld,
                  Sterven op het slagveld,
                Heerlijkheid in mijne ziel."


In een ander geliefkoosd lied werden dikwijls de woorden herhaald:


                "'k Ga nu naar de heerlijkheid:
                  Gaat gij met mij mee?
                Ziet gij d'engelen niet wenken
                  Naar de heilige stee?
                Ziet gij niet de gouden muren,
                  Waar de dag zal duren?"


Er waren nog andere, waarin gedurig melding werd gemaakt van den
"oever des Jordaans", "de velden Kanaäns", en het "nieuwe Jeruzalem",
want het hartstochtelijke gemoed des negers schept vooral behagen
in levendige, schilderachtige voorstellingen en uitdrukkingen; en
terwijl zij zongen, begonnen sommigen te lachen, anderen te schreien,
en sommigen klapten in de handen, of drukten elkander met verrukking
de hand, als hadden zij de overzijde der rivier reeds bereikt.

Verschillende vermaningen en verhalen van bevindingen volgden daarop,
telkens weder met zingen afgewisseld. Eene oude vrouw, die al lang
niet meer werken kon, maar als eene soort van kroniek van het verledene
werd geëerd, stond op, en op haar stok leunende zeide zij:

"Wel, kinderen, wel, ik ben machtig blijde, u allen nog eens te zien
en te hooren, omdat ik niet weet wanneer ik naar de heerlijkheid zal
gegaan zijn; maar ik heb mij geheel klaargemaakt, kinderen; het is
alsof ik mijn pakje al gemaakt had en mijn hoed op, zoo wachtende
tot de postwagen langs komt en mij medeneemt naar huis. Somtijds in
den nacht, denk ik dat ik de wielen al hoor ratelen; en al dien tijd
zie ik uit. Weest ook maar gereed, want ik zeg u allen, kinderen," en
daarbij stampte zij met haar stok op den vloer, "dat die heerlijkheid
een machtig ding is! Het is een machtig ding, kinderen--gij weet er
nog niets van--het is wonderbaar!"

En de oude vrouw zette zich weder neder, overstelpt van aandoening
en met een stroom van tranen, terwijl de geheele kring aanhief:


                "O Kanaän, schoon Kanaän,
                Ik ga naar 't land van Kanaän!"


De jongeheer George las daarna op verzoek de laatste hoofdstukken der
Openbaring, dikwijls gestoord door zulke uitroepingen als: "Dat zijn
de beloften nu!"--"Hoor dat nu eens!"--"Denk daar eens aan!"--"Zal
dat alles zeker komen?"

George, die een schrandere jongen was, en door zijne moeder wel in
godsdienstige zaken onderwezen werd, voegde er, nu hij zich een
voorwerp van algemeene bewondering zag, van tijd tot tijd eenige
aanmerkingen tusschen, met een loffelijken ernst en eene deftigheid,
waarvoor hij door de jongen bewonderd en door de ouden gezegend
werd. Algemeen zeide men, "dat een dominee niet beter kon uitleggen
dan hij deed", en dat het "waarlijk verbazend was."

Oom Tom werd in den omtrek voor een soort patriarch gehouden. Daar hij
zeer geregeld leefde en zijn geest zoowel krachtiger als meer beschaafd
was dan die zijner makkers, zag men met eerbied, als een leeraar en
voorganger, tot hem op: en het eenvoudige, hartelijke en oprechte
zijner vermaningen had zelfs menschen van betere opvoeding kunnen
stichten. Maar het was vooral in het bidden, dat hij uitmuntte. Niets
kon de treffende eenvoudigheid en den kinderlijken ernst overtreffen
van zijn gebed, in de taal der Heilige Schrift gekleed, welke hem
zoo eigen was geworden, dat zij hem van de lippen scheen te vloeien,
zonder dat hij zelf het wist. Zoo sterk werkte zijn gebed altijd op
het godsdienstig gevoel zijner hoorders, dat er dikwijls gevaar scheen
te bestaan, dat het geheel onhoorbaar zou worden door den overvloed
van uitroepingen, die overal om hem heen uitbarstten.



Terwijl dit tooneel in de hut van den dienaar plaats had, had men in
de woning van zijn meester van een geheel ander getuige kunnen zijn.

De handelaar en Mr. Shelby zaten bij elkander in de bovenvermelde
eetzaal, aan eene tafel met papieren en schrijfgereedschap.

"Alles in orde," zeide de handelaar. "Nu nog maar deze teekenen."

Shelby haalde haastig de koopbrieven naar zich toe en teekende ze,
als een man die spoedig eene onaangename zaak wil afdoen. Haley
haalde uit een versleten valies een perkament, dat hij, na het even
te hebben ingezien aan Shelby overgaf, die het met een gretigheid,
welke hij vruchteloos poogde te ontveinzen, aannam.

"En nu is de zaak gedaan," zeide de handelaar opstaande.

"Ja, gedaan!" zeide Shelby binnensmonds, en na diep adem te hebben
gehaald, zeide hij nog eens: "het is gedaan!"

"Gij schijnt er niet zeer mee in uw schik te zijn, naar het mij
voorkomt," zeide de handelaar.

"Haley," antwoordde Shelby, "gij zult hoop ik onthouden, dat gij op
uwe eer hebt beloofd dat gij Tom niet zult verkoopen, zonder te weten
in welke soort van handen hij komt."

"Wel, dat hebt ge daar juist gedaan, Mijnheer," zeide de handelaar.

"Omstandigheden, zooals gij weet, hebben mij gedwongen," antwoordde
Shelby trotsch.

"Wel, gij weet, zij kunnen mij ook dwingen," zeide de
handelaar. "Evenwel, ik zal mijn best doen, zooveel ik kan, om Tom
eene goede plaats te bezorgen; en dat ik hem slecht zou behandelen,
daarvoor behoeft ge niet bang te zijn. Als er iets is waarvoor ik
onzen lieven Heer dank, is het dat ik nooit wreed ben."

Na de uitweiding over zijne menschlievendheid, welke de handelaar
vroeger had gedaan, gevoelde Shelby zich door deze verklaring niet
zeer gerustgesteld; maar daar zij de beste troost was dien het geval
veroorloofde, liet hij Haley stilzwijgend vertrekken en bleef in
eenzaamheid zijne sigaar rooken.





VIJFDE HOOFDSTUK.

WAT LEVENDE KOOPWAAR GEVOELT BIJ VERWISSELING VAN EIGENAAR.


Shelby en zijne vrouw hadden zich naar hun slaapvertrek begeven. Hij
zat nog in een grooten leuningstoel eenige brieven door te zien,
welke de namiddagpost had medegebracht, terwijl zij voor haren
spiegel stond en de kunstige vlecht losmaakte, waarin Eliza haar het
haar had gestrengeld; want op de bleeke wangen en holle oogen harer
kamenier lettende, had zij deze van die taak ontslagen en naar bed
gezonden. Hare bezigheid bracht haar, natuurlijk genoeg, haar gesprek
met Eliza in de gedachten, en zich naar haren echtgenoot keerende,
zeide zij losweg:

"Apropos, wie was toch die ongemanierde kerel, dien gij vandaag bij
ons aan tafel hebt gebracht?"

"Hij heet Haley," antwoordde Shelby, zich onrustig op zijnen stoel
verschuivende en de oogen strak op een brief gevestigd houdende.

"Haley! Wie is dat, en wat kan hij hier te doen hebben?"

"Och, hij is iemand met wien ik eenige zaken heb gedaan, toen ik
laatst naar Natchez was."

"En dat maakte hem zoo vrijpostig om hier te komen eten en te doen
alsof hij thuis was?"

"Wel, ik had hem gevraagd--ik had eene rekening met hem te sluiten,"
zeide Shelby.

"Is hij een slavenhandelaar?" zeide Mevrouw Shelby, nu op zekere
verlegenheid in het voorkomen van haren man lettende.

"Maar, lieve, wat heeft dat in uw hoofd gebracht?" antwoordde Shelby
opziende.

"Niets, behalve dat Eliza na het diner zeer ontsteld en schreiende hier
kwam, en zeide dat gij met een handelaar aan het spreken waart, en dat
zij hem een bod had hooren doen naar heur kind--dat onnoozele gansje!"

"Zoo, zeide zij dat?" zeide Shelby, den brief weder opnemende, waarop
hij een poos al zijne aandacht scheen te vestigen, niet bemerkende
dat hij dien het onderste boven hield.

"Het moet nu maar uitkomen," zeide hij bij zich zelven; "nu zoo goed
als ooit."

"Ik zeide Eliza," hervatte Mevrouw Shelby, "dat zij een zottinnetje
was en dat gij nooit iets met zulke menschen te doen hadt. Ik wist
natuurlijk wel, dat gij nooit een van onze lieden zoudt willen
verkoopen, vooral niet aan zulk een kerel."

"Ja, Emily, dat heb ik altijd gedacht en gezegd," antwoordde haar
echtgenoot; "maar de waarheid is, dat mijne zaken zoo gesteld zijn,
dat ik het niet laten kan. Ik zal eenigen van mijne lieden moeten
verkoopen."

"Aan dat schepsel? Onmogelijk! Dat kunt gij niet ernstig meenen."

"Het spijt mij het te moeten zeggen. Ik heb toegestemd om Tom te
verkoopen."

"Wat, onzen Tom? Dien goeden, trouwen man--die van kind af uw trouwe
dienaar is geweest? O Shelby--en gij hebt hem nog zijne vrijheid
beloofd--gij en ik hebben hem er honderdmalen van gesproken. Wel, nu
kan ik alles gelooven; nu kan ik zelfs gelooven dat gij den kleinen
Harry zoudt verkoopen, arme Eliza's eenig kind!" zeide Mevrouw Shelby
op een toon tusschen smart en verontwaardiging.

"Welnu,--daar gij alles weten moet--het is zoo. Ik heb toegestemd om
Tom en Harry beiden te verkoopen; en ik weet niet waarom ik aangezien
moet worden alsof ik een monster was, omdat ik doe wat iedereen alle
dagen doet."

"Maar waarom die te kiezen uit al de anderen?" zeide Mevrouw
Shelby. "Waarom die te verkoopen van allen op het goed, als gij dan
verkoopen moet?"

"Omdat zij van allen den hoogsten prijs zullen opbrengen--dat is
het waarom. Ik zou nog wel anders kunnen kiezen, als gij wilt. De
kerel heeft mij een hoog bod voor Eliza gedaan, als dat u beter
zou bevallen."

"Die ellendeling!" riep Mevrouw Shelby met heftigheid uit.

"Welnu, daar luisterde ik geen oogenblik naar. Om uw gevoel te sparen
wilde ik niet. Dank mij tenminste daarvoor."

"Vergeef mij, lieve!" zeide Mevrouw Shelby zich bedenkende. "Ik
ben haastig geweest. Ik werd verrast en was geheel niet hierop
voorbereid. Maar gij wilt mij toch wel voor die arme schepsels laten
spreken. Tom is edelachtig en trouw, even ontwijfelbaar als hij
zwart is. Ik geloof waarlijk dat hij zijn leven voor u laten zou,
als het van hem gevergd werd."

"Dat weet ik--dat zeg ik ook. Maar wat baat dat alles? Ik kan mij
anders niet helpen."

"Waarom offert gij niet iets anders op? Ik ben gewillig om mijn
deel van ontbering te dragen. O Shelby, ik heb getracht--zoo getrouw
getracht als eene Christelijke vrouw behoort te doen--om mijn plicht
aan die arme, eenvoudige, afhankelijke schepsels te vervullen. Ik heb
mij hunner aangetrokken, hen onderwezen; over hen gewaakt, en jarenlang
al hunne kleine zorgen en genoegens gekend; en hoe kan ik ooit mijn
hoofd weder onder hen ophouden, als wij om eene nietige winst zulk een
trouw en vertrouwelijk dienaar als dien goeden Tom verkoopen, en hem in
een oogenblik losrukken van alles wat wij hem hebben leeren liefhebben
en waardeeren? Ik heb hem de plichten tusschen de leden eener familie,
tusschen ouders en kinderen, tusschen man en vrouw leeren kennen;
en hoe kan ik het nu aanzien, zoo openlijk te toonen dat wij ons om
geen band, geen plicht, geene betrekking bekommeren als het om geld
te doen is? Ik heb met Eliza over haar kind gesproken--over haren
plicht jegens hem als eene Christelijke moeder, om over hem te waken,
voor hem te bidden en hem Christelijk op te voeden, en wat kan ik
nu zeggen als gij hem wegrukt en hem verkoopt met lichaam en ziel
aan een slecht, goddeloos man, alleen om wat geld te besparen? Ik
heb haar gezegd dat ééne ziel meer waard is dan al het geld op de
wereld, en hoe zal zij mij gelooven, als zij ons ziet omkeeren en
haar kind verkoopen?--verkoopen misschien tot zeker verderf voor
lichaam en ziel!"

"Het spijt mij dat gij het zoo voelt, Emily--waarlijk het spijt
mij!" zeide Shelby hierop, "en ik eerbiedig uw gevoel ook, hoewel
ik niet zeggen kan dat ik er ten volle in deel; maar ik zeg u nu
plechtig: het baat niet, ik kan mij anders niet helpen. Ik had u dit
niet willen zeggen, Emily, maar met ronde woorden: ik heb geen andere
keus dan tusschen deze twee te verkoopen en alles te verkoopen. Zij
moeten gaan of alles moet. Haley is in het bezit van eene hypoteek
gekomen die, als ik ze niet terstond afdoe, alles zal wegnemen. Ik
heb saamgeschraapt en geleend, bijna gebedeld--en de prijs van deze
twee was nog noodig voor het tekort. Ik moest hen afstaan. Haley had
zin in het kind, hij wilde de zaak zoo schikken en anders niet. Ik
was in zijne macht, ik moest het doen. Als het u zoo verdriet dat
zij verkocht worden, zou het dan beter zijn allen te verkoopen?"

Mevrouw Shelby stond eene poos als versteend. Eindelijk zich omkeerende
naar hare toilettafel, verborg zij haar gezicht in hare handen en
slaakte een kermenden zucht.

"Dat is Gods vloek op de slavernij!--een bitter, diep vervloekt
ding!--een vloek voor den meester en een vloek voor den slaaf! Het
was dwaas van mij te denken, dat ik iets goeds kon maken uit zulk een
doodelijk kwaad. Het is eene zonde een slaaf te hebben onder wetten
gelijk de onze. Ik heb altijd gevoeld dat het zoo was. Ik voelde het
reeds als een kind, en nog meer toen ik in de kerk was gekomen; maar
ik dacht dat ik het zou kunnen verbloemen en vergulden--ik dacht dat
ik door goedheid, zorg en onderwijs dan toestand van mijne slaven en
slavinnen beter zou kunnen maken dan de vrijheid! O hoe dwaas!"

"Maar vrouw, gij wordt geheel een abolitionist."

"Abolitionist! Als zij alles van de slavernij wisten wat ik weet,
dan zouden zij kunnen spreken! Zij behoeven er ons niets van te
zeggen. Gij weet wel dat ik nooit de slavernij voor rechtvaardig en
goed heb gehouden--nooit genegen was om slaven in eigendom te hebben."

"Daarin verschilt gij dan van vele wijze en godvruchtige lieden,"
zeide Shelby. "Gij herinnert u de preek van Mijnheer B*** nog wel,
verleden Zondag?"

"Ik wil zulke preeken niet hooren. Ik hoop dien mijnheer B*** nooit
weder in onze kerk te hooren. Predikers kunnen misschien het kwaad niet
stuiten--kunnen het evenmin genezen als wij--maar het verdedigen!--dat
streed altijd tegen mijn gezond verstand. En ik denk dat gij ook niet
veel waarde aan die preek hebt gehecht."

"Wel, ik moet zeggen," antwoordde Shelby, "dat die dominees de zaak
somtijds verder drijven, dan wij arme zondaren eigenlijk zouden
durven doen. Wij mannen van de wereld moeten voor sommige dingen de
oogen dichtknijpen, en gewennen ons aan veel wat eigenlijk niet naar
behooren is; maar het bevalt ons toch niet als vrouwen en dominees
zoo volmondig spreken, en in zaken van zedenleer of bescheidenheid
nog verder gaan dan wij. Maar nu, lieve, vertrouw ik dat gij de
noodzakelijkheid inziet, en begrijpt dat ik het beste gedaan heb wat
de omstandigheden veroorloofden."

"O ja, ja," antwoordde Mevrouw Shelby haastig en futselde verstrooid
met haar gouden horloge. "Ik heb geene juweelen van eenige waarde,"
vervolgde zij peinzend, "maar zou dit horloge niet iets kunnen
doen? Het was duur toen het gekocht werd. Als ik tenminste Eliza's
kind kon redden, zou ik alles willen opofferen wat ik heb."

"Het spijt mij, het spijt mij zeer, Emily," zeide Shelby, dat gij u
dit zoo aantrekt; maar het kan niet baten. Om de waarheid te zeggen,
Emily, het is gedaan, de koopbrief is reeds geteekend en in Haley's
handen, en gij moet dankbaar zijn dat het niet erger is. De man had
het in zijn macht om ons geheel te ruïneeren, en nu is hij voorgoed
heen. Als gij den man zoo goed hadt gekend als ik, zoudt ge denken
dat wij er nog gelukkig van zijn afgekomen."

"Is hij dan zoo hardvochtig?"

"Wel, hij is eigenlijk niet barbaarsch, maar een man zonder
gevoel--een man, die om niets dan handel en voordeel denkt, zoo koud
en onbarmhartig als de dood en het graf. Hij zou zijne eigene moeder
verkoopen voor eene goede winst, en dat zonder de oude vrouw eigenlijk
kwaad te willen doen."

"En die ellendeling is nu eigenaar van onzen goeden, trouwen Tom en
van Eliza's kind!"

"Wel, lieve ik moet zeggen dat het mij zelf hard valt en ik er
niet gaarne aan denk. Haley wil haast maken en morgen bezit van hen
nemen. Ik zal vroeg mijn paard laten voorbrengen en uitrijden. Ik
kan Tom niet meer zien; het is niet anders. En gij moest liefst een
toertje gaan doen en Eliza medenemen. Laat het gedaan worden terwijl
zij buiten 't gezicht is."

"Neen, neen," antwoordde Mevrouw Shelby. "Ik wil in geenerlei opzicht
medeplichtige of helpster bij deze wreedheid zijn. Ik zal den armen
Tom, God helpe hem, gaan bezoeken in zijn droefheid. Zij zullen
in allen gevalle zien dat hunne meesteres met hen en voor hen kan
gevoelen. En Eliza--daaraan durf ik niet denken. De Heer vergeve
ons! Wat hebben wij gedaan, dat deze wreede noodzakelijkheid ons
overkomen moet?"

Dit gesprek werd door iemand beluisterd, zonder dat de sprekers iets
daarvan konden vermoeden.

De kamer had eene groote kast, die met eene andere deur in de gang
uitkwam. Toen Mevrouw Shelby Eliza wegzond, had deze in haren
koortsachtigen angst om die kast gedacht. Daar verborgen en met
haar oor dicht voor eene reet in de deur, had zij geen woord van het
gesprokene gemist.

Toen de stemmen zwegen, stond zij op en sloop stil heen. Bleek,
huiverend, met strakke trekken en dichtgeknepen lippen, scheen zij een
geheel ander wezen te zijn dan de zachtaardige, vreesachtige vrouw,
die zij tot nog toe geweest was. Zij ging voorzichtig de gang langs,
bleef een oogenblik staan voor de deur harer meesteres, hief in een
stil gebed hare handen ten hemel op, en sloop toen even zacht naar hare
eigene kamer. Deze was een stil, net vertrekje op dezelfde verdieping,
waar haar meesteres sliep.

Het had een zonnig venster met een fraai uitzicht, waarvoor zij
dikwijls zingende zat te naaien; er stond een kastje met boeken en
eenige kleine snuisterijen daartusschen gerangschikt, geschenken op
Kerstdagen; daar had zij hare eenvoudige kleederen in de kast en de
latafel; daar, kortom, was ze tehuis, en daar was zij over het geheel
gelukkig geweest. Maar daar op het bed lag haar sluimerend kind,
met de lange krullen achteloos over de gesloten oogjes, het roode
mondje half geopend, de mollige handjes op het dek, en een glimlach
als een zonnestraal over het geheele gezichtje.

"Arme jongen! Arm kind!" zeide Eliza. "Zij hebben u verkocht; maar
uwe moeder zal u nog redden."

Geen traan viel op de peluw. In zulk eene benauwdheid heeft het hart
geene tranen; het laat alleen bloed droppelen en bloedt in stilte
ledig. Zij nam een stukje papier en schreef daarop haastig met potlood:

"O, Mevrouw, lieve meesteres! houd mij niet voor ondankbaar--denk toch
niet hard over mij. Ik heb alles gehoord wat gij en de meester van
avond gezegd hebt. Ik ga beproeven of ik mijn kind kan redden--gij
zult mij daarom niet veroordeelen. God zegene en beloone u voor al
uwe goedheid."

Haastig dit briefje gevouwen en geadresseerd hebbende, ging zij
naar de latafel en maakte een pakje kleederen voor haar kind, dat
zij met een zakdoek stevig om haar middel vastbond; en zoo teeder
is het geheugen eener moeder, dat zij zelfs in den angst van dat uur
niet vergat een paar geliefkoosde stukjes speelgoed in te pakken, en
een bont geschilderd papegaaitje te bewaren om hem te vermaken, als
zij hem zou moeten wekken. Het was eenigszins moeielijk den kleinen
slaper wakker te krijgen; maar ten laatste zat hij toch overeind en
speelde met zijn vogeltje, terwijl zijne moeder haar hoed opzette en
haar doek omsloeg.

"Waar gaat gij naar toe, moeder?" zeide hij, toen zij met zijn rokje
en mutsje naar het bed kwam.

Zijne moeder kwam nog nader en zag hem zoo ernstig in de oogen, dat
de kleine terstond begreep dat het om iets buitengewoons te doen was.

"Stil!" zeide zij. "Harry moet niet hard spreken of zij zullen ons
hooren. Er zal een boos man komen, om den kleinen Harry van zijne
moeder af te nemen en ver weg te brengen; maar moeder wil hem dat
niet laten doen. Zij zal haar kindje aankleeden en met hem wegloopen,
zoodat de leelijke man hem niet krijgen kan."

Met deze woorden had zij haar knaapje zijn eenvoudig kleedje reeds
aangetrokken. Zij nam hem op den arm, fluisterde hem nog eens toe dat
hij heel stil moest wezen, opende de deur van hare kamer, die op de
veranda uitkwam, en sloop zonder eenig gedruisch te maken naar buiten.

Het was een heldere, vriezende nacht met sterrenlicht, en de moeder
wikkelde haar doek om het kind, dat zich stom van onbestemden angst
om haren hals vastklemde.

De oude Bruno, een groote Newfoundlandsche hond, die aan het eind der
veranda sliep, stond brommend op, toen zij naderde. Zij sprak zacht
zijn naam uit, en het dier dat een oude lieveling en speelmakker van
haar was, begon te kwispelstaarten en volgde haar, hoewel hij met
zijnen eenvoudigen hondekop zeer ernstig scheen te overleggen wat
zulk eene ongewone nachtwandeling moest beduiden. Eenige onbepaalde
denkbeelden van het onvoorzichtige of onvoegzame daarvan schenen hem
tamelijk te verbijsteren; want dikwijls bleef hij stilstaan en keek,
terwijl Eliza voortsloop, twijfelend eerst naar haar en dan naar het
huis, totdat hij, alsof hij zich door nadenken had gerustgesteld, haar
weder natrippelde. Eenige minuten brachten beiden aan de woning van Oom
Tom, waar Eliza bleef stilstaan en zachtjes tegen het venster tikte.

De bijeenkomst bij Oom Tom had, vooral door het liederen zingen tot
zeer laat geduurd, en daar Oom Tom naderhand nog eenige solo's had
gezongen, was het gevolg dat hij en zijne vrouw, hoewel het nu tusschen
twaalf en één uur was, wel te bed maar nog niet in slaap waren.

"Lieve deugd! Wat is dat?" zeide Tante Chloe, overeind komende en
haastig het gordijn opschuivende. "Al mijn tijd, als het Lizzy niet
is! Kleed u aan, oude man, spoedig! En daar is de oude Bruno ook
en krabt aan de deur. Wat op de wereld--! Ik zal de deur maar gaan
opendoen."

Toen zij deed wat zij zeide, bescheen het licht der kaars, die Tom
haastig had aangestoken, het bleeke, angstige gelaat en de verwilderde
oogen der vluchteling.

"Heere zegen ons! Ik schrik als ik u aanzie, Lizzy! Zijt gij ziek,
of wat is u overkomen?"

"Ik loop weg Oom Tom en Tante Chloe en ik neem mijn kind mede. Meester
heeft het verkocht."

"Het verkocht?" herhaalden beiden, van ontzetting de handen opstekende.

"Ja, het verkocht," antwoordde Eliza, op vasten toon. "Ik sloop
van avond in de kast naast de deur van Mevrouw en toen hoorde ik
meester haar vertellen, dat hij mijn Harry en u, Oom Tom, beiden aan
een handelaar had verkocht, en dat hij van morgen te paard uitreed,
en dat die man vandaag bezit van u zou nemen."

Tom was onder deze gezegden met opgeheven handen en wijd starende oogen
blijven staan. Langzamerhand, toen hij begreep wat zij beteekenden,
zakte hij op zijn stoel neer, en zonk zijn hoofd op zijne knieën.

"Onze lieve Heer zij ons genadig!" zeide Tante Chloe. "Maar o, het
klinkt alsof het niet waar was. Wat heeft hij gedaan, dat meester
hem verkoopen zou?"

"Hij heeft niets gedaan--daar is het niet om. Meester wilde niet
verkoopen, en Mevrouw--zij is altijd goed. Ik hoorde haar voor ons
spreken en bidden; maar hij zeide haar dat het niet baten kon--dat
hij bij dien man in schuld was, en dat die man macht over hem had,
en dat hij, als hij hem niet geheel afbetaalde, eindelijk de geheele
plaats en al de lieden zou moeten verkoopen. Ja, ik hoorde hem zeggen
dat hij geene andere keus had dan tusschen deze twee te verkoopen of
allen--zoo hard drong hem die man. Meester zeide dat het hem speet;
maar Mevrouw--o, gij hadt haar moeten hooren! Als zij geene Christin
en geen engel is, dan is er nooit een geweest. Ik ben slecht dat ik
haar zoo verlaat; maar ik kan toch niet anders. Zij heeft zelve gezegd,
dat ééne ziel meer waard is dan de wereld; en dit kind heeft eene ziel,
en als ik hem laat wegbrengen, wie weet wat er dan van worden zal? Het
moet goed wezen; maar als het niet goed is, moge de Heer mij vergeven,
want ik kan het niet laten."

"Wel oude man," zeide Tante Chloe, "waarom gaat gij ook niet? Wilt
ge wachten tot ge de rivier wordt afgebracht, waar zij de negers
vermoorden met zwaar werken en honger lijden? Ik zou altijd veel
liever willen sterven dan daarheen gaan. Gij hebt nog tijd. Ga met
Lizzy mee. Gij hebt een vrijpas om overal heen te gaan. Kom, maak u
klaar, en ik zal uw goed bijeenpakken."

Tom beurde zijn hoofd op, zag treurig maar bedaard in 't rond,
en zeide:

"Neen, neen, ik ga niet. Laat Eliza gaan. Voor haar is het goed. Ik wil
de man niet wezen, om neen daartegen te zeggen. Het is niet natuurlijk
voor haar dat zij blijven zou. Maar gij hoort wat zij zegt. Als ik
verkocht moet worden of alles hier op de plaats, laat ik dan verkocht
worden. Ik denk dat ik het dragen kan zoo goed als iemand anders,"
vervolgde hij, terwijl iets tusschen een zucht en een snik zijne
breede borst stuipachtig deed zwoegen. "Meester heeft mij altijd
gereed gevonden--en dat zal hij altijd. Ik heb nooit vertrouwen
geschonden of mijn vrijpas tegen mijn woord gebruikt, en dat zal
ik nimmer. Het is beter dat ik alleen ga, dan dat de geheele plaats
opgebroken en alles verkocht wordt. Meester is niet te laken, Chloe,
en hij zal wel voor u zorgen, en voor de arme...."

Hij zag naar het bed met de slapende kroeskoppen, en nu bezweek
hij. Over den rug van zijn stoel leunende, bedekte hij zijn gezicht
met zijne groote grove handen. Snikken, zwaar, schor en luid, deden
den stoel beven, en groote tranen vielen tusschen zijne vingers op
den grond--zulke tranen, Mijnheer, als gij hebt laten vallen op de
doodkist, waarin uw eerstgeboren zoon lag; zulke tranen, Mevrouw,
als gij geschreid hebt bij het benauwde krijten van uw stervend
kind. Want, Mijnheer, hij was een man, en gij zijt ook een man: en
Mevrouw, schoon in zijde en met juweelen gekleed, gij zijt maar eene
vrouw, en in het diepste leed des levens voelt gij maar dezelfde smart!

"En nu", zeide Eliza, bij de deur staande, "ik heb mijn man pas van
middag gezien en wist toen weinig wat er komen zou. Zij hebben hem
tot het uiterste gedreven, en hij zeide mij vandaag dat hij zou
wegloopen. Beproef toch, als gij kunt, om hem eene boodschap te
bezorgen. Zeg hem hoe ik heenging en waarom ik heenging; en zeg hem
dat ik zal beproeven om Canada te vinden. Gij moet mijn liefderijken
groet aan hem doen en hem zeggen als ik hem nooit wederzie"--zij
keerde zich om, bleef een oogenblik met den rug naar hem toe staan,
en vervolgde toen met eene heesche stem: "zeg hem dat hij zoo goed
moet zijn als hij kan, en zijn best doen om mij in het koninkrijk
der hemelen weder te zien."

"Roep Bruno hier binnen," zeide zij nog, "en doe de deur dicht. Hij
moet niet met mij meeloopen, het goede beest."

Nog eenige laatste woorden en tranen, nog eenige eenvoudige zegenbeden,
en haar verbaasd en beangstigd kind in hare armen sluitende, sloop
zij stil heen.





ZESDE HOOFDSTUK.

DE ONTDEKKING.


Mr. Shelby en zijne vrouw konden, na het langgerekte gesprek van den
vorigen avond, niet spoedig tot rust komen, en het gevolg daarvan was,
dat zij den volgenden morgen wat langer dan gewoonlijk bleven slapen.

"Het verwondert mij waarom Eliza niet komt," zeide Mevrouw Shelby,
nadat zij verscheidene malen vruchteloos aan hare schel had getrokken.

Shelby stond voor zijnen spiegel, bezig met zijn scheermes aan te
zetten; en juist toen werd de deur geopend en kwam een zwarte jongen
binnen om zijn meester heet water te brengen.

"Andy," zeide zijne meesteres, "ga eens naar Eliza's deur, en zeg
haar dat ik al driemaal om haar gescheld heb. Arme ziel!" voegde zij
er bij zich zelve zuchtend bij.

Andy kwam spoedig terug met groote oogen van verbazing.

"O Mevrouw! Lizzy's laden staan alle open, en al haar goed ligt overal
in het rond, en ik geloof dat zij de deur uit is."

Op hetzelfde oogenblik begrepen Shelby en zijne vrouw beiden de
waarheid.

"Dan heeft zij het vermoed en is weggeloopen," riep hij uit.

"Dat geloof ik ook. God zij gedankt!" zeide Mevrouw Shelby.

"Vrouw, gij spreekt als eene zottin. Het zal er inderdaad leelijk
voor mij uitzien als zij het gedaan heeft. Haley zag dat ik er tegen
had om dat kind te verkoopen, en zal nu denken dat ik oogluikend
heb toegelaten hem uit den weg te helpen. Dat raakt mijne eer!" En
daarmede snelde hij de kamer uit.

Omtrent een kwartier lang hoorde men heen en weer loopen en eene
menigte van uitroepingen, afgewisseld met het openen en toeslaan
van deuren, en zag men gezichten van allerlei tinten van kleur
hier en daar te voorschijn komen. Één persoon echter, de eenige
die eenig licht over de zaak had kunnen verspreiden, hield zich
geheel stil. Tante Chloe namelijk, de eerste keukenmeid, wier eens
zoo vroolijk gezicht donker betrokken was, bleef zwijgend aan het
gereedmaken der ontbijtbeschuiten, als zag of hoorde zij niets van
het gewoel om zich heen.

Zeer spoedig zaten een half dozijn, kleine zwarte jongens en meisjes,
als zooveel kraaien, op het hek der veranda, allen verlangende de
eerste te zijn, om den vreemden meester zijn ongeluk aan te kondigen.

"Hij zal razend worden, dat geloof ik vast," zeide Andy.

"Of hij ook vloeken zal!" zeide de kleine Jake.

"Ja, want hij vloekt erg," liet een meisje, Mandy geheeten, hierop
volgen. "Ik heb het hem gisteren aan tafel hooren doen. Ik heb er toen
alles van gehoord, omdat ik in de kast was gekropen, waar Mevrouw de
groote kruiken bewaart; en ik hoorde ieder woord."

En Mandy, die nog nooit in haar leven over een woord dat zij hoorde had
nagedacht, nam nu een voorkomen van bijzonder gewicht aan, en zeide
niet dat zij, hoewel zij werkelijk op den genoemden tijd tusschen de
kruiken had gelegen, al dien tijd vast had geslapen.

Toen Haley eindelijk gelaarsd en gespoord aankwam, werd hij van alle
kanten met de slechte tijding begroet. De kleine kwelgeesten op het
hek werden niet teleurgesteld in de hoop van hem te hooren vloeken;
hij deed dit met eene vlugheid en kracht, die hen allen verbazend
vermaakte, terwijl zij herwaarts en derwaarts stoven, om buiten bereik
van zijne karwats te komen. Eindelijk liepen zij allen een eind weg,
rolden over het verdorde gras en gilden, met de hielen in de lucht
schoppende, hunne pret uit.

"Als ik die kleine duivels maar had!" prevelde Haley tusschen zijne
tanden.

"Maar gij hebt ze nog niet," zeide Andy zegevierend, toen hij buiten
gehoor was, en trok een geheele reeks van onbeschrijfelijke gezichten
achter den rug van den ongelukkigen handelaar.

"Zeg eens, Shelby, dat is een vreemd geval hier!" zeide Haley, toen
hij vrijpostig de voorkamer binnentrad. "Het schijnt dat die meid
weggeloopen is met haar jong."

"Mijnheer Haley, Mevrouw Shelby is hier," zeide Shelby.

"Verschooning, Mevrouw," hervatte Haley, even buigende, maar nog met
een donker gezicht. "Maar ik zeg nog eens, gelijk ik zeide, dat is
een vreemd gerucht hier. Is het waar, Mijnheer?"

"Mijnheer," antwoordde Shelby, "als gij mij verlangt te spreken,
moet gij eenigszins de manieren van een _gentleman_ in acht
nemen. Andy, ontlast Mijnheer Haley van zijn hoed en karwats. Ga
zitten, Mijnheer. Ja, Mijnheer; het spijt mij te moeten zeggen, dat
die jonge vrouw iets van de zaak moet afgeluisterd of op eene andere
manier vernomen hebben, en daardoor opgewonden in den nacht met haar
kind is weggeloopen."

"Ik had een eerlijke manier van handelen verwacht, dat moet ik
bekennen," zeide Haley.

"Mijnheer," antwoordde Shelby, zich driftig naar hem omkeerende,
"wat moet ik uit dat gezegde verstaan? Als iemand mijne eer in twijfel
trekt, heb ik maar een antwoord voor hem."

De handelaar scheen hierdoor uit het veld geslagen, en zeide op een
wat lageren toon dat het toch verduiveld hard voor iemand was, als
hij een goeden koop gedaan had, dan zoo gefopt te worden.

"Mijnheer Haley," antwoordde Shelby hierop, "als ik niet dacht dat
gij eenige reden tot verdrietelijkheid hadt, zou ik zulk een ruw en
vrijpostig binnenkomen in mijne kamer niet van u verdragen hebben. Ik
zeg nu echter, dewijl uwe houding reden daartoe geeft, dat ik mij
geene gezegden zal laten welgevallen, alsof het denkbaar was dat ik
mij met eenige oneerlijkheid in dit geval had ingelaten. Bovendien
zal ik mij verplicht achten om u, wat het gebruik van paarden,
bedienden enz. betreft, alle hulp te verleenen om uw eigendom terug te
bekomen. Dus kortom, Haley," vervolgde hij, eensklaps van zijnen koel
deftigen toon tot zijne gewone rondborstige vriendelijkheid overgaande,
"het beste wat gij doen kunt, is in een goed humeur te blijven,
en hier te ontbijten; dan zullen wij daarna zien wat er te doen is."

Mevrouw Shelby stond nu op, en zeide dat hare bezigheden haar
verhinderden dien morgen bij het ontbijt te blijven; en nadat zij
eene zeer welgemanierde mulattin had belast de heeren van koffie te
bedienen, verliet zij de kamer.

"De oude vrouw schijnt niet machtig op uwen onderdanigen dienaar
gesteld," zeide Haley, met een gedwongen poging om zeer familiaar
te zijn.

"Ik ben niet gewoon op zulk een vrijen toon van mijne vrouw te hooren
spreken," antwoordde Shelby droogjes.

"Verschooning! Natuurlijk maar een aardigheid, weet ge," zeide Haley,
gemaakt lachende.

"Sommige aardigheden zijn minder aangenaam dan andere," zeide Shelby
hierop.

"Duivels licht geraakt, nu ik die papieren geteekend heb!" mompelde
Haley. "Vervloekt grootsch geworden sedert gisteren."

Nooit maakte de val van een eersten minister meer algemeenen indruk
aan een hof, dan het gerucht van het lot dat Tom te wachten stond
op het landgoed. Iedereen had er overal den mond vol van; en in het
huis en op het veld deed men niets anders dan over de waarschijnlijke
gevolgen van dat voorval spreken. Eliza's vlucht--eene voorbeeldelooze
gebeurtenis op het goed--bracht er ook niet weinig toe bij om de
algemeene spanning te vergrooten.

Zwarte Sam, gelijk hij gewoonlijk genoemd werd, omdat hij een zweempje
zwarter was dan iemand anders op de plaats, overwoog de zaak in al
hare omstandigheden en gevolgen, met een scherpzinnigheid en eene
stipte aandacht voor zijn eigen belang, die een blank patriot te
Washington tot eer zouden zijn geweest.

"Het is een slechte wind, die nergens heenwaait--zoo is het,"
zeide hij spreukmatig en trok zijn broek op, om voor een afwezigen
bretelknoop een langen spijker in de plaats te steken; eene vinding,
waarmede hij zeer in zijn schik scheen te zijn.

"Ja, het is een slechte wind, die nergens heenwaait," herhaalde
hij. "Daar is nu Tom naar omlaag--natuurlijk geeft dat ruimte voor
een anderen neger om omhoog te komen--en waarom deze neger niet?--dat
is de vraag. Tom het land doorrijden--met gepoetste laarzen--pas in
zijn zak! Waarom Sam nu niet? Dat zou ik willen weten."

"Hallo, Sam! O Sam! Meester zegt dat ge Bill en Jerry moet vangen,"
riep Andy, Sam's alleenspraak afbrekende.

"Ho! Wat is er nu te doen, jongen?"

"O, gij zult nog niet weten, dat Lizzy met haar jongen is weggeloopen."

"Loop uwe grootmoeder een lesje geven," antwoordde Sam met diepe
minachting. "Dat heb ik veel eer geweten dan gij. Deze neger is zoo
dom niet."

"Welnu, meester wil Bill en Jerry dadelijk opgetoomd hebben; en gij
en ik moeten met Mijnheer Haley mee om haar te zoeken."

"Zoo! Goed! Zoo laat is het nu!" zeide Sam. "Het is nu Sam,
die geroepen wordt. Hij is nu de neger. Zie maar of ik haar niet
vang. Meester zal zien wat Sam doen kan."

"Ja, maar, Sam," zeide Andy, "daar moogt ge u nog wel eens op bedenken;
want Mevrouw wil niet hebben dat zij gevangen wordt en zij zal het
u betaald zetten."

"Ho!" zeide Sam met wijd starende oogen. "Hoe weet ge dat?"

"Dat heb ik haar van morgen zelve hooren zeggen, toen ik meester
scheerwater bracht. Zij liet mij gaan zien waarom Lizzy haar niet kwam
kleeden; en toen ik haar kwam zeggen dat deze weg was, stond zij op en
zeide: "God zij gedankt!" en meester geleek half dol te worden en zei:
"vrouw! gij spreekt als een zottin." Maar zij zal hem wel ompraten. Ik
weet wel hoe dat gaat. Het is altijd best, het met Mevrouw te houden;
dat zeg ik u."

Zwarte Sam krabde zijn kroeskop, die, als hij geene zeer diepe
wijsheid bevatte, toch genoeg van die bijzondere soort inhield, welke
onder staatkundigen van alle kleuren en landen zeer in trek is, en
gemeenlijk genoemd wordt: te weten aan welken kant het brood geboterd
is. Sam dacht dus ernstig na en trok daarbij zijn broek nog eens op,
zijne gewone manier om zich in diepzinnige overpeinzingen te helpen.

"Men kan toch nooit iets zeggen,--nooit--van iets op deze wereld,"
zeide hij eindelijk.

Hij legde zulk een nadruk op het woord _deze_, alsof hij in
verschillende werelden ondervinding had opgedaan, en zoo na rijp
beraad tot zijn besluit gekomen was.

"Ik zou zeker gedacht hebben dat Mevrouw de geheele wereld door naar
Lizzy zou laten zoeken," voegde hij er vervolgens bij.

"Dat zou ze ook," zeide Andy hierop; "maar kunt gij niet door eene
ladder heen zien, gij, zwarte neger? Mevrouw wil niet dat die Mijnheer
Haley Lizzy's jongen krijgt; dat is het."

"Ho!" zeide Sam, met die onbeschrijfelijke uitdrukking in den toon,
welke alleen zij zich kunnen voorstellen, die dezen uitroep van negers
gehoord hebben.

"En ik zal u nog meer zeggen," vervolgde Andy. "Ik geloof, dat ge best
zoudt doen naar de paarden te gaan zoeken, en wat gauw ook; want ik heb
Mevrouw naar u hooren vragen. Gij hebt al lang genoeg staan talmen."

Sam maakte nu ernst van de zaak, en kwam weldra in zegepraal naar huis
met Bill en Jerry in vollen galop. Zich behendig afwerpende, terwijl
de paarden nog in vollen ren waren, liet hij ze als een wervelwind
voorbij den paal stuiven, die daar geplaatst was om paarden aan te
binden. Haley's paard, een schichtig, jong veulen, sprong op zijde
en trok hard aan zijn halster.

"Ha, ha! Schichtig? Zijt gij dat?" zeide Sam, en een zonderlinge glans
van boosaardig, spottend vermaak verlichtte zijn zwart gezicht. "O,
ik zal u wel mak maken."

Een groote beukenboom overschaduwde de plek, en de scherpe, driehoekige
beukennootjes lagen in menigte op den grond. Met een van deze tusschen
zijne vingers naderde Sam het veulen, om het te streelen en schijnbaar
tot bedaren te brengen. Veinzende den zadel te willen recht leggen,
stak hij het scherp beukennootje behendig daaronder, zoodanig dat het
minste gewicht op den zadel het gevoelige dier onverdragelijk moest
prikken, zonder eene zichtbare wonde of schram te veroorzaken.

"Daar," zeide Sam, en liet met een grijns van genoegen zijne oogen
rollen. "Nu heb ik hem klaar."

Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Shelby op het balkon en wenkte
hem. Sam naderde met zulk een goed voornemen om zijn hof te maken,
als ooit eenige sollicitant naar eene ledige plaats te Londen of
Washington.

"Waarom hebt ge zoo getalmd, Sam? Ik heb Andy laten zeggen dat gij
u haasten moest."

"God zegene u, Mevrouw", antwoordde Sam, "de paarden wilden zich zoo
gauw niet laten vangen. Zij waren heel naar de zuidweide geloopen en
de Heer weet waar."

"Sam, hoe dikwijls moet ik u zeggen, om niet zoo lichtzinnig zulke
uitdrukkingen te gebruiken, als "God zegene u" en "de Heere weet",
en dergelijke? Dat is goddeloos."

"O, God zegene me, Mevrouw! Ik vergat het. Ik zal nooit zoo iets
meer zeggen."

"Wel, Sam, daar hebt gij het al weer gedaan."

"Heb ik? O, Heere--ik wil zeggen; ik wilde het niet eens doen."

"Gij moet attent wezen, Sam."

"Laat mij maar even op adem komen, Mevrouw, dan zal ik wel beter
oppassen. Ik zal heel attent zijn."

"Nu, Sam, gij moet met Mijnheer Haley mederijden om hem den weg te
wijzen en hem te helpen. Maar pas op de paarden, Sam. Gij weet wel dat
Jerry verleden week wat kreupel ging. Laat hem niet te hard loopen."

Mevrouw Shelby zeide deze laatste woorden zacht, maar met bijzonderen
nadruk.

"Laat dit kind daarvoor maar zorgen," antwoordde Sam, en liet zijne
oogen rollen op eene manier, die genoeg zeide. "De Heere weet! dat
meende ik daar niet," riep hij uit, naar adem snakkende, met eene
koddige beweging van schrik, die zijne meesteres tegen wil en dank
deed lachen. "Ja, Mevrouw, ik zal wel op de paarden passen."

"Nu, Andy," zeide Sam, naar den beukeboom terugkeerende, "het zou mij
volstrekt niet verwonderen, dat het paard van dien heer schopte of
steigerde als hij wil opstijgen. Ge weet wel, Andy, die dieren doen dat
somtijds." En daarmede gaf hij Andy een veelbeteekenenden ribbestoot.

"Ho!" zeide Andy, met oogenblikkelijk begrip.

"Ja, ziet ge, Andy, mevrouw wil tijd winnen; dat kan de domste wel
zien. Ik zal eens een beetje voor haar winnen. Ge weet wel, Andy, als
die paarden eens dol rondliepen, om het huis heen en naar het bosch,
dan geloof ik niet dat die mijnheer zoo gauw onderweg zou zijn."

Andy grinnikte.

"Ge ziet wel, Andy, ge ziet wel, als het gebeuren mocht dat Mijnheer
Haley's paard baloorig mocht worden en ging steigeren, zouden gij
en ik de onze moeten loslaten om hem te helpen--en wij zouden hem
helpen, zekerlijk."

Sam en Andy staken de hoofden bijeen en lachten zacht, maar
allersmakelijkst, terwijl zij van pret op den grond trappelden.

Op dit oogenblik kwam Haley onder de veranda. Eenigszins verzacht
door eenige koppen zeer goede koffie, kwam hij lachende en pratende
naar buiten en scheen weder in een tamelijk goed humeur te zijn. Sam
en Andy tastten naar zekere bossen palmbladeren, die zij gewoon waren
voor hoeden te houden, en schoten toe om "mijnheer te helpen." Sams
zoogenaamde hoed was zoodanig versleten, dat de rand geheel was
losgeraakt en de strooken palmblad, waarvan hij eens gevlochten
was geweest, als een krans van pluimen naar alle kanten opstaken;
van Andy's hoed was de geheele rand af, maar hij duwde toch met een
handigen stomp den bol op zijn hoofd, met een gezicht alsof hij vragen
wilde: "wie zegt nu dat ik geen hoed op heb?"

"Kom dan, jongens," zeide Haley. "Nu wat vlug. Wij moeten geen tijd
verliezen."

"Geen korreltje er van, Mijnheer!" antwoordde Sam, gaf Haley de teugels
in de hand en hield zijn stijgbeugel voor hem, terwijl Andy de andere
paarden losmaakte.

Op het oogenblik toen Haley zich in den zadel zette, deed zijn paard
zulk een onverwachten en geweldigen sprong, dat het zijn ruiter
eenige voeten ver op het zachte, droge gras neersmeet. Sam deed met
een dollen uitroep van schrik een greep naar de teugels; maar deed
eigenlijk niets anders dan met zijn bovengemeld hoofdsieraad van
palmbladeren het paard langs de oogen schrappen, hetgeen geenszins
bevorderlijk was om het dier te bedaren. Het deed nog een sprong,
die Sam omver smeet, brieschte een paar malen met toornige minachting
en rende toen heen, gevolgd door Bill en Jerry, die Andy volgens
afspraak op dit oogenblik losliet en eenige jammerkreten achterna
zond. Daarop volgde een tooneel van koddige verwarring. Sam en Andy
schreeuwden--honden blaften hier en daar--en een heele troep zwarte
en bruine jongens en meisjes klapte in de handen en gilde en joelde,
met luidruchtige dienstvaardigheid en onvermoeibaren ijver.

Haley's paard, dat vlug en vurig was, scheen weldra smaak in het
gewoel te krijgen, en daar het tot renbaan een uitgestrekt grasperk
had, dat naar alle zijden naar een boschland afhelde, scheen het
vermaak te hebben om te beproeven, hoe nabij het zijne vervolgers
kon laten komen, om, als zij nog maar een handbreed van hem af waren,
met een gehinnik en een zijsprong weder voort te stuiven en eene laan
van het bosschage in te rennen. Niets was verder uit Sams gedachten
verwijderd dan om een der paarden te laten opvangen, vóórdat hij
dit goedvond, en heldhaftig waren de inspanningen die hij daartoe
van zich vergde. Gelijk het zwaard van Richard Leeuwenhart altijd in
het dichtste van den strijd flikkerde, zoo zag men ook de pluim van
palmbladeren van Sam overal, waar het minste gevaar was, dat een paard
zou gevangen worden. Daarheen kwam hij dan in volle vaart aanloopen,
schreeuwende: "nu er op aan! Pak hem, pak hem!" op eene manier,
die allen in een oogenblik uit elkander deed stuiven.

Haley liep vloekend en stampvoetende op en neer. Shelby poogde
zich van het balkon vruchteloos te doen hooren om bevelen te geven,
en Mevrouw Shelby zat voor het venster harer kamer, beurtelings te
lachen en zich te verwonderen, niet zonder eenig vermoeden wat de
grond van die verwarring was.

Eindelijk, tegen twaalf uren, kwam Sam zegepralend aan, op Jerry
gezeten en met het paard van Haley aan den teugel, dampende van
zweet, maar nog met flikkerende oogen en opgespalte neusgaten, die
aankondigden dat zijne wildheid nog niet geheel bedaard was.

"Hij is gevangen!" riep Sam zegevierend. "Als ik er niet geweest
was, hadden zij zich allen te barsten kunnen loopen; maar ik heb
hem gevangen."

"Gij," bromde Haley, in geene zachtzinnige luim. "Als gij er niet
geweest waart, zou het nooit gebeurd zijn."

"God zegene ons, Mijnheer!" antwoordde Sam op een toon van diepe
spijt. "En ik heb geloopen en gedraafd, dat het zweet van mij
neerdruipt."

"Zoo!" hervatte Haley. "Gij hebt mij drie uren doen verliezen met uwe
vervloekte gekheid. Laten wij nu voortmaken, zonder meer zotternij."

"Wel, Mijnheer," zeide Sam zeer nederig, "ik geloof dat gij ons
allen om hals wilt helpen, paarden en al. Mijnheer zal er nu toch
niet aan denken om voor den eten af te rijden. Mijnheers paard moet
afgewreven worden, zie maar hoe het zich bespat heeft; en Jerry loopt
ook kreupel. Ik geloof nooit dat mevrouw van ons zal vergen om zoo heen
te rijden. Wij zullen de meid toch wel vangen, al wachten wij wat."

"Lizzy is nooit eene groote loopster geweest."

Mevrouw Shelby, die met groot genoegen dit gesprek beluisterd had,
besloot nu insgelijks hare rol te spelen. Zij kwam naar buiten,
gaf met beleefdheid haar leedwezen over Haley's ongeluk te kennen
en drong hem om ter maaltijd te blijven, zeggende, dat de keukenmeid
alle mogelijke haast zou maken.

Alles overlegd hebbende, ging Haley, hoewel niet zeer goedschiks,
naar de voorkamer, terwijl Sam hem eene onuitsprekelijke beteekenis
in zijn rollende oogen nakeek, en vervolgens zeer stil de paarden
naar de stalwerf bracht.

"Hebt gij hem gezien?" zeide Sam, toen zij veilig achter de schuur
gekomen waren en de paarden hadden vastgebonden. "O, was het niet
zoo pleizierig als psalmzingen, om hem daar te zien rondspringen en
op ons vloeken? Hebt gij hem niet gehoord? Vloek maar, oude knaap,
zeide ik bij mij zelven. Wilt gij uw paard nu terstond hebben, of
wachten tot ik het gevangen heb? O, mij dunkt ik zie hem nog zoo."

Het gesprek werd gestaakt totdat beiden op hun gemak hadden
uitgelachen.

"Gij hadt eens moeten zien hoe dol hij keek, toen ik met het paard
aankwam," hervatte Sam. "Hij had mij wel willen doodslaan, als hij
gedurfd had. En daar stond ik zoo onschuldig en zoo nederig."

"O, ik zag het wel," zeide Andy. "Zijt gij niet een oude snaak, Sam?"

"Dat denk ik wel haast," was het antwoord. "Hebt ge Mevrouw boven
voor het venster zien staan? Ik heb haar zien lachen."

"Ik liep zoo hard, dat ik niemendal zag," zeide Andy.

"Wel, ziet ge," hervatte Sam, terwijl hij het paard van Haley ging
poetsen, "ik heb gekregen wat men de gewoonte van bopservasie noemt,
en dat is eene heel voordeelige gewoonte, Andy, en ik raad u, om ze
aan te leeren, nu gij nog zoo jong zijt. Til den achterpoot eens op,
Andy. Ziet ge wel, Andy, het is de bopservasie, die al het verschil
maakt tusschen den eenen neger en den anderen. Zag ik niet wat Mevrouw
hebben wilde, al zeide ze het niet? Dat is bopservasie, Andy. Het is
een talent, zooals men dat noemt, en alle menschen hebben verschillende
talenten; maar aanwennen kan veel doen."

"Ik geloof, als ik uwe bopservasie van morgen niet geholpen had,
zoudt ge niet zooveel gezien hebben," zeide Andy.

"Andy," zeide Sam hierop, "ge zijt een veelbelovende jongen, daar is
niet aan te twijfelen. Ik houd veel van u, en schaam mij geheel niet
om een idee van u over te nemen. Wij moeten op niemand laag neerzien,
Andy, omdat de knapste van ons wel eens struikelen kan. En dus,
Andy, laten wij nu in huis gaan. Mevrouw zal ons zeker dezen keer
eens buitengemeen goed laten onthalen."





ZEVENDE HOOFDSTUK.

MOEDERANGST EN MOEDERKRACHT.


Het is onmogelijk zich een menschelijk wezen voor te stellen, meer
hulpeloos en verlaten dan Eliza, toen zij de hut van Oom Tom verliet.

Het lijden en gevaar van haren echtgenoot en de nood van haar kind
vermengden zich in hare gedachten met een verbijsterend, bedwelmend
gevoel van hetgeen zij zelve waagde, door het eenige tehuis te
verlaten, dat zij ooit gekend had, en zich te onttrekken aan de
bescherming eener vriendin, die zij liefhad en eerbiedigde. Daarbij
kwam het scheiden van alles waaraan zij gewoon was--van de plaats
waar zij was opgegroeid, de boomen waaronder zij gespeeld had, de
bosschages waar zij in gelukkiger tijd menigen avond aan de zijde van
haren jeugdigen echtgenoot had gewandeld. Alles wat daar in het heldere
sterrenlicht voor haar lag, scheen haar verwijten toe te spreken,
en haar te vragen waarheen zij gaan kon van een tehuis gelijk dit.

Doch sterker dan alles was de moederliefde, door een vreeselijk
dreigend gevaar tot eene aan het waanzinnige grenzende overspanning
gedreven. Haar knaapje was oud genoeg om naast haar te loopen, en
in een gewoon geval zou zij het slechts bij de hand hebben geleid;
maar nu deed de gedachte alleen om hem uit hare armen te laten
haar huiveren, en drukte zij hem, terwijl zij snel voortstapte,
met stuipachtige kracht aan hare borst.

De bevroren grond kraakte onder hare voeten, en zij beefde bij dat
geluid. Elk trillend blaadje, elke wuivende schaduw dreef het bloed
naar heur hart terug en versnelde hare schreden. Zij verbaasde zich
zelve over de kracht die haar scheen gegeven te worden; want het
gewicht van haar kind was voor haar gevoel slechts een veertje, en
elke vlaag van angst scheen de bovennatuurlijke macht te versterken,
die haar als het ware droeg, terwijl aan hare bleeke lippen telkens
een uitroep ontsnapte, die een gebed was tot den Vriend daarboven:
"Heere help mij! Heere behoud mij!"

Indien het uw Harry was, moeder, of _uw_ Willie, die u morgenochtend
door een barbaarschen slavenhandelaar zou ontrukt worden--indien
ge den man hadt gezien, en gehoord had dat de papieren geteekend
en overgegeven waren, en gij niet meer tijd hadt om te vluchten dan
van middernacht tot aan den ochtend--hoe snel zoudt gij dan kunnen
gaan? Hoevele mijlen zoudt gij dan kunnen afleggen in die weinige
uren, met den lieveling aan uwe borst--met het slapende hoofdje op
uwen schouder--met de zachte armpjes vertrouwelijk om uwen hals?

Want het kind sliep. In het eerst hadden onrust en verwondering het
wakker gehouden; maar zijne moeder stuitte zoo haastig ieder woord
of geluid, en verzekerde hem zoo, dat zij hem zeker zou redden als
hij zich maar stil hield, dat hij zich ook stil om haren hals klemde
en toen hij voelde dat hij in slaap zou vallen, alleen maar vroeg:

"Moeder, ik behoef niet wakker te blijven, niet waar?"

"Neen, mijn lieveling; slaap maar als gij moet."

"Maar moeder, als ik ga slapen, zult gij hem mij niet laten krijgen?"

"Neen zoo helpe mij God!" antwoordde de moeder met bleeke wangen en
een helder licht in hare oogen.

"Gij weet dat zeker, niet waar, moeder?"

"Ja zeker!" antwoordde de moeder met eene stem waarvan zij zelve
schrikte, want zij scheen van een geest in haar binnenste te komen
die haar niet toebehoorde, en het knaapje liet zijn vermoeid hoofd
op haren schouder zakken en viel in slaap. Hoe scheen de aanraking
van die armpjes, hoe scheen de zachte ademhaling die haar in den
hals blies, vuur en kracht aan haar bewegingen te geven! Het was
met elke zachte aanraking en beweging van het slapend kind, alsof
electrische stroomen van kracht haar werden ingestort. Verheven is de
heerschappij van den geest over het lichaam, die voor een tijd het
vleesch onoverwinnelijk kan maken, en de spieren spannen als staal,
zoodat de zwakken zoo sterk worden.

De zoomen van hoeve, bosch en plantsoen zweefden haar schemerend
voorbij; en steeds ging zij voort, het eene gemeenzame voorwerp na
het andere achter zich latende, en toefde niet en rustte niet, totdat
het aanbrekende daglicht haar ver van elk gemeenzaam voorwerp op den
open weg vond.

Zij was dikwijls met hare meesteres op een bezoek bij betrekkingen in
het dorpje T*** aan de Ohio geweest, en kende den weg wel. Daarheen
te gaan en over de Ohio te komen, waren de eerste haastige trekken van
het plan harer vlucht geweest; verder kon zij alleen op God vertrouwen.

Toen zich paarden en rijtuigen op den weg begonnen te vertoonen,
begreep zij met die levendigheid van bevatting, die aan een staat van
buitengemeene opgewondenheid eigen is en naar eene soort van ingeving
gelijkt, dat haar haastige tred en verwilderd voorkomen opmerkzaamheid
en achterdocht konden wekken. Zij zette dus haar kind op den grond,
bracht hare kleeding wat in orde, en stapte toen weder voort, zoo
snel als zij meende te kunnen doen zonder aandacht te trekken. In
haar pakje had zij een kleinen voorraad van koekjes en appelen,
welke zij gebruikte om haar kind meer spoed te doen maken. Dikwijls
liet zij een appel een eind vooruitrollen, en dan liep de kleine uit
alle macht om hem te krijgen. Deze list, dikwijls herhaald, bracht
hem menige halve mijl ver.

Na een poos kwamen zij aan een dicht boschje, waardoor eene heldere
beek murmelde. Daar het kind over honger en dorst klaagde, klom zij er
mede over het staketsel; en zich achter eene groote rots neerzettende,
die hen voor voorbijgangers op den weg verborg, gaf zij hem een
ontbijt uit haar pakje. Het knaapje was verwonderd en bedroefd dat
zij niet eten kon, en toen hij, zijne armpjes om haren hals slaande,
haar een stuk van zijn koekje in den mond poogde te stoppen, was het
haar alsof keelkramp haar zou doen stikken.

"Neen, Harry, moeder kan niet eten tot gij veilig zijt. Wij moeten
voort--voort tot wij aan de rivier komen."

En zij snelde met hem naar den weg, en dwong zich daar weder om
bedaard en geregeld voort te stappen.

Zij was mijlen ver elke plaats voorbij waar zij persoonlijk bekend
was. Als zij nog bij toeval iemand mocht ontmoeten die haar kende,
dacht zij dat de algemeen bekende goedheid der familie strekken
zou om alle achterdocht van haar af te wenden, daar het iedereen
onwaarschijnlijk moest voorkomen, dat zij gevlucht zou zijn. Daar
zij ook zoo blank was, dat men haar niet zonder haar opmerkzaam aan
te zien voor eene kleurlinge kon herkennen, en haar kind insgelijks,
was het des te gemakkelijker voor haar om onopgemerkt te blijven.

Hierop vertrouwende, ging zij tegen den middag eene nette boerenwoning
binnen om te rusten, en eten voor zich zelve en haar kind te bekomen;
want daar het gevaar met den afstand kleiner werd, nam ook de
overmatige spanning harer zenuwen af, en voelde zij zoowel vermoeienis
als honger.

De vrouw, die vriendelijk en spraakzaam was, scheen wel in haar schik
te zijn dat er iemand wat met haar kwam praten, en geloofde zonder
eenige navraag Eliza's opgaaf "dat zij een eind ver ging om eene week
bij vrienden door te brengen," hetgeen zij in haar hart wenschte dat
waarheid mocht zijn.

Een uur voor het ondergaan der zon kwam zij aan het dorp T***, bij
de Ohio, vermoeid en met pijnlijke voeten, maar nog krachtig van
hart. Haar eerste blik was de rivier, die gelijk de Jordaan en het
Kanaän der vrijheid aan den overkant stroomde.

Het was in het begin der lente, en de rivier was gezwollen en
onstuimig; groote brokken ijs dreven heen en weder op het troebele
water. Door den bijzonderen vorm van den oever aan de zijde van
Kentucky, waar het land met eene bocht ver in het water uitstak,
was het ijs daar in groote hoeveelheid opgehouden en vastgezet,
en het nauwe kanaal, dat om die bocht heenliep, was ingelijks vol
ijs, zoodat de op elkander gestapelde schotsen een slagboom vormden,
waartegen het afdrijvende ijs stuitte, dat als een groot golvend vlot
de geheele rivier vulde, en zich bijna van den eenen oever tot den
anderen uitstrekte.

Eliza stond voor een oogenblik dezen ongunstigen staat van zaken aan
te zien, welke, zooals zij terstond begreep, eene gewone veerboot
het oversteken moest beletten, en keerde zich toen naar eene kleine
herberg op den oever om eenige navraag te doen.

De waardin, die bij het vuur bezig was met koken en bakken, keerde
zich met eene vork in de hand om, toen Eliza's zachte, klagende stem
haar in haar werk stoorde.

"Wat is er?" zeide zij.

"Is er tegenwoordig geen veerschuit of boot om iemand naar F***
over te zetten?" vroeg Eliza.

"Wel neen," antwoordde de vrouw. "Al de booten hebben opgehouden
met varen."

Eliza's blik van schrik en teleurstelling trof de vrouw, en zij
zeide vragend:

"Misschien moest gij zelf over? Iemand ziek? Ge schijnt zoo angstig
te zijn."

"Ik heb een kind dat heel gevaarlijk is," antwoordde Eliza. "Ik wist
er niets van voor gisteravond, en ben vandaag een heel eind gegaan,
in de hoop om nog aan het veer te komen."

"Wel, dat is ongelukkig," zeide de vrouw, wier moederlijk gevoel
terstond ontwaakte. "Ik heb waarlijk met u te doen.--Salomon!" riep
zij uit het venster naar een achtergebouwtje.

Een man met een lederen schootsvel en zeer morsige handen kwam aan
de deur.

"Zeg eens, Sam," hervatte de vrouw, "gaat die man van avond die vaten
niet overbrengen?"

"Hij zeide dat hij het beproeven zou, als het maar eenigszins te
wagen was," antwoordde de man.

"Er is een man hier, die van avond met eenig goed over zou gaan,
als hij het durfde doen. Dat is een lieve kleine jongen," voegde de
vrouw er bij en bood hem een koekje aan.

Maar het kind, geheel afgemat, schreide van vermoeienis.

"Arme kleine! Hij is het loopen niet gewend, en ik heb hem zoo
gehaast," zeide Eliza.

"Wel breng hem in deze kamer," zeide de vrouw, een kamertje openende
waarin een goed bed stond.

Eliza legde het vermoeide kind daarop neer en hield zijne handjes in de
hare, totdat hij in slaap was. Voor haar was er geene rust. De gedachte
aan den vervolger joeg haar voort, en met verlangende oogen staarde
zij op den gezwollen stroom, die tusschen haar en de vrijheid golfde.

Hier moeten wij voor een oogenblik afscheid van haar nemen om naar
hare vervolgers terug te keeren.

Hoewel Mevrouw Shelby beloofd had dat er haast met den maaltijd zou
gemaakt worden, bleek het echter weldra, gelijk meermalen is gebleken,
dat haast niet altijd spoed is. Hoewel het gebod ten aanhoore van Haley
werd gegeven en door tenminste een half dozijn kleine boden naar de
keuken overgebracht, scheen Tante Chloe toch niet gezind om eenigen
spoed te maken. Zij bromde slechts wat, wierp haar hoofd in den nek
en ging met buitengewone omslachtigheid en langzaamheid haar gang.

Eene of andere bijzondere reden scheen tot eene algemeene verbeelding
onder de bedienden aanleiding te hebben gegeven, dat Mevrouw zich
niet meer boos zou maken over eenig getalm; en het was verbazend
welk een getal van kleine ongelukken er samenliep om den maaltijd
te vertragen. Een lomperd stiet de sauspan om, en toen moest er met
zorgvuldigheid weder nieuwe saus gemaakt worden, die tante Chloe met
hardnekkige oplettendheid mengde en roerde, terwijl zij ieder die van
haast sprak, ten antwoord gaf "dat zij geene klonterige saus op de
tafel zou geven, om wien het ook wezen mocht te helpen vangen." Een
helper deed een val met het water en moest naar de bron gaan om meer
te halen; een ander smeet de boter als een hinderpaal in den loop der
gebeurtenissen om, en van tijd tot tijd werd er grinnikend bericht
in de keuken gebracht, dat "Mijnheer Haley machtig onrustig was,
en onmogelijk op zijn stoel kon blijven zitten, maar telkens naar de
vensters en de veranda wandelde."

"Dat heeft hij er voor," zeide Tante Chloe met verontwaardiging.

"Hij zal wel eens nog onrustiger worden als hij zijn leven niet
betert. Zijn meester zal hem laten halen, en dan zullen wij zien hoe
het hem gaan zal."

"Hij zal naar de plaats der pijning gaan, zonder missen," zeide
kleine Jake.

"Dat verdient hij," zeide Tante Chloe strak. "Hij heeft menig hart
gebroken. Ik zeg u allen," vervolgde zij, zich omkeerende, met eene
opgeheven vork in de hand, "het is zooals de jongeheer George in de
Openbaring las--zielen roepende onder het altaar,--roepende tot den
Heer om wraak over dezulken,--en eens zal de Heer hen hooren.--dat
zal Hij!"

Tante Chloe, die in de keuken in groot aanzien stond, werd met open
monden aangehoord, en daar de maaltijd nu eindelijk was opgedischt,
had iedereen tijd om naar haar te luisteren en met haar te praten.

"Zulke kerels zullen voor eeuwig branden, zullen ze niet?" zeide Andy.

"Of ik blij zal zijn als ik het zie!" liet kleine Jake hierop volgen.

"Kinderen!" riep eene stem, die allen deed schrikken.

Het was Oom Tom, die binnen was gekomen, en bij de deur naar het
gesprek stond te luisteren.

"Kinderen," herhaalde hij, "ik weet dat gij niet weet wat gij
zegt. Voor eeuwig is een schrikkend woord, kinderen; het is
ontzettend om er aan te denken. Gij moet dat nooit een menschelijk
wezen toewenschen."

"Wij zouden het niemand dan de zielendrijvers," zeide Andy. "Niemand
kan het laten het hun toe te wenschen; zij zijn zoo ontzaglijk
goddeloos."

"Roept de natuur zelve geen wraak over hen?" zeide Tante Chloe. "Rukken
zij niet den zuigeling van de moederborst, en verkoopen hem--en de
kleine kinderen, die zich schreiend aan hare kleeren vasthouden,
rukken zij ze niet los en verkoopen ze? Rukken zij niet man en vrouw
van elkander?" vervolgde zij, en begon te schreien, "al moest het
hun ook het leven kosten? En voelen zij iets van dat alles--drinken
en rooken zij niet, en nemen zij het niet heel licht op? O, als de
duivel hen niet krijgt, waar is hij dan goed voor?"

En Tante Chloe bedekte haar gezicht met haar geruiten voorschoot,
en begon in goeden ernst te snikken.

"Bidt voor degenen die u geweld aandoen, zegt het boek," zeide Oom Tom.

"Voor hen bidden!" zeide Tante Chloe. "O, dat is al te hard. Ik kan
niet voor hen bidden."

"Dat is de natuur, Chloe, en de natuur is sterk," antwoordde Tom,
"maar de genade des Heeren is sterker. Bovendien, gij moest bedenken
in welk een ontzettenden staat de ziel van een arm schepsel is,
dat zulke dingen doet--gij moest God danken, dat gij niet aan hem
gelijk zijt, Chloe. Ik ben zeker dat ik mij liever tien duizendmaal
zou laten verkoopen, dan dat alles te verantwoorden te hebben wat
dat arme schepsel heeft."

"Ik ook veel liever," zeide Jake. "Gij ook niet Andy?"

Andy haalde zijne schouders op.

"Ik ben blij dat de meester van morgen niet is heengegaan, zooals hij
voornemens was," zeide Tom, "dat zou mij meer verdriet gedaan hebben
dan het verkoopen. Misschien zou het natuurlijk voor hem zijn geweest;
maar het zou bitter hard voor mij geweest zijn, die hem van kind af
gekend heb. Maar ik heb meester gezien en nu begin ik eenigszins met
den wil des Heeren verzoend te worden. Meester kon zich niet anders
helpen. Hij heeft wèl gedaan; maar ik vrees dat de zaken in de war
zullen loopen als ik wegga. Men kan niet verwachten dat meester overal
zal rondkijken, zooals ik deed, om alles in orde te houden. De jongens
willen wel, maar zij zijn machtig zorgeloos. Dat kwelt mij."

Hier liet de schel zich hooren en werd Tom in de voorkamer geroepen.

"Tom," zeide zijn meester vriendelijk, "ik wilde u kennis geven,
dat ik dezen heer eene schriftelijke belofte heb gegeven, om duizend
dollars te verbeuren als gij niet gereed zijt, wanneer hij u hebben
wil. Hij gaat vandaag naar zijne andere zaken zien, en gij kunt dezen
dag voor u zelven hebben. Ga nu waar gij wilt, mijn jongen."

"Dank u meester," zeide Tom.

"En pas op," zeide de handelaar nu, "en fop uw meester niet met uwe
negerstreken, want ik zal elken cent van hem halen als gij er niet
zijt. Als hij naar mij luisterde zou hij u niet vertrouwen. Ge zijt
zoo glad als alen."

"Meester," zeide Tom, en richtte zich rechtop, "ik was juist acht
jaren oud, toen de oude mevrouw u in mijne armen legde, en gij waart
toen nog geen jaar oud. "Daar," zeide zij. "Tom, dat moet uw jonge
meester zijn; pas goed op hem," zeide zij. En nu vraag ik u, meester,
heb ik ooit mijn woord gebroken of iets tot uw nadeel gedaan, vooral
sedert ik een Christen ben geworden?"

Mr. Shelby was diep getroffen, en de tranen kwamen hem in de oogen.

"Mijn goede jongen," antwoordde hij, "de Heer weet dat gij niets
anders dan de waarheid zegt; en als ik in staat was om anders te doen,
zou de geheele wereld u niet van mij koopen."

"En zoo zeker als ik eene christinne ben," zeide Mevrouw Shelby,
"zult gij losgemaakt worden, zoodra ik op eenerlei wijs de middelen
kan bijeenbrengen. Mijnheer," vervolgde zij tot Haley, "let wel op
aan wien gij hem verkoopt en laat het mij weten."

"Och wel ja, wat dat aangaat," antwoordde de handelaar, "misschien
breng ik hem over een jaar terug, niet eens veel versleten, en
verhandel hem weer."

"Dan zal ik met u handelen, en het tot uw voordeel maken," zeide
Mevrouw Shelby.

"Het is mij natuurlijk hetzelfde," liet de handelaar hierop volgen. "Ik
breng ze even lief de rivier op als de rivier af, als ik maar goede
zaken maak. Al wat ik zoek is bestaan, weet ge, Mevrouw; en dat is
wat wij allen zoeken, denk ik."

Mr. Shelby en zijne vrouw voelden zich beiden gekrenkt en vernederd
door de onbeschaamde gemeenzaamheid van den handelaar, maar
beiden begrepen ook de volstrekte noodzakelijkheid om hun gevoel
te bedwingen. Hoe langgeestiger en gevoelloozer hij zich toonde,
des te grooter werd Mevrouw Shelby's angst dat het hem gelukken
zou Eliza en haar kind te achterhalen, en des te grooter natuurlijk
haar verlangen om hem door allerlei vrouwelijke kunstgrepen op te
houden. Zij glimlachte dus vriendelijk, gaf hem zooveel mogelijk
gelijk, praatte gemeenzaam met hem en deed al wat zij kon om den tijd
ongemerkt te doen omgaan.

Tegen twee uren brachten Sam en Andy de paarden voor, naar het scheen
slechts verfrischt en versterkt door het hollen van dien ochtend.

Sam had door een goed maal insgelijks nieuwe krachten gekregen en was
geheel ijver en gedienstigheid. Toen Haley naderde, pochte hij tegen
Andy in een bloemrijken stijl op den ontwijfelbaar goeden uitslag
der onderneming, nu zij er maar eens toe kwamen.

"Uw meester geloof ik, houdt geene honden," zeide Haley toen hij
gereed was om op te stijgen.

"Bij troepen," antwoordde Sam zegepralende. "Daar is Bruno--dat is
een bullebak, en bovendien houdt bijna elke neger van ons een hond
van de eene of andere soort."

"Poe!" zeide Haley; en hij zeide nog iets anders van die honden,
waarop Sam mompelde:

"Ik zie niet in waar het toe dient, om ze zoo te vervloeken."

"Maar uw meester houdt geene honden--ik weet haast wel zeker van
neen--om negers op te sporen."

Sam wist zeer wel wat hij meende, maar bleef zeer ernstig en dom
onnoozel kijken.

"Onze honden hebben allemaal een fijnen reuk. Ik denk, dat ze wel
van de soort zullen zijn, al zijn ze nooit gedresseerd. Zij loopen
haast naar alles waar men ze op afstuurt. Hier, Bruno," riep hij,
en floot te gelijk den loggen Newfoundlander, die met plompe sprongen
naar hem toekwam.

"Laat ze hangen!" zeide Haley, opstijgende. "Kom aan, te paard maar."

Sam sprong te paard, en terwijl hij dit deed trok hij een gezicht
tegen Andy, waarop deze in een luiden lach uitbarstte, tot groote
verontwaardiging van Haley, die een slag met zijn karwats naar
hem deed.

"Ik ben verbaasd over u, Andy," zeide Sam met strakken ernst. "Het
is een ernstig werk, Andy. Gij moet er den gek niet mee steken. Dit
is de manier niet om Mijnheer te helpen."

"Ik zal den rechten weg naar de rivier nemen," zeide Haley beslissend,
toen zij op de grenzen van het landgoed waren gekomen. "Ik ken
de manier van die wegloopers wel. Zij willen allen maar naar den
overkant."

"Zeker," zeide Sam, "dat is het idee. Mijnheer Haley heeft den spijker
vlak op den kop geslagen. Maar er zijn twee wegen naar de rivier:
de landweg en de tolweg;--welken van die twee denkt Mijnheer te nemen?"

Andy keek Sam onnoozel aan, zeer verwonderd over deze nieuwe
ontdekking, maar bevestigde toch dadelijk het gezegde door eene
nadrukkelijke herhaling.

"Omdat," zeide Sam, "ik haast zou denken,dat Lizzy den landweg genomen
heeft, die het minst begaan en bereden wordt."

Haley, hoewel slim genoeg om altijd streken te vermoeden, liet zich
toch door deze redeneering eenigszins tot hetzelfde gevoel bewegen.

"Als gij maar zulke vervloekte leugenaars niet waart," zeide hij
twijfelende, na een oogenblik te hebben nagedacht.

De peinzende toon, waarop dit gezegd werd, scheen Andy bijzonder te
vermaken; hij bleef wat achter en schudde zoo, dat hij gevaar liep
om van zijn paard te vallen, terwijl Sams gezicht onverzettelijk
ernstig bleef.

"Natuurlijk," zeide Sam, "Mijnheer kan doen wat hij het liefst
wil en den tolweg nemen, als hij dat het beste vindt, het is ons
hetzelfde. Als ik er beter over denk, vind ik ook den tolweg het
beste."

"Zij moest natuurlijk den eenzamen weg kiezen," zeide Haley, hardop
denkende, zonder op het gezegde van Sam te letten.

"Daar is geen zeggen van," liet Sam hierop volgen. "Die meiden zijn
zoo wonderlijk. Zij doen nooit iets dat men denkt dat zij zullen doen,
maar meestal vlak contrarie. Meiden zijn natuurlijk contrarie, en
dus als gij denkt dat zij den eenen weg gegaan zijn, is het beter den
anderen te nemen en dan kunt gij er vast op aan dat gij ze vindt. Nu
is mijne gedachte dat Lizzy den landweg heeft genomen, en dus houd
ik het voor beter den tolweg te nemen."

Deze diepzinnige bespiegeling over den aard der vrouwelijke sekse
scheen Haley niet bijzonder voor den tolweg in te nemen. Hij gaf zijn
stellig besluit te kennen om den anderen weg te kiezen, en vroeg Sam
wanneer zij daar aankwamen.

"Een beetje verder," antwoordde Sam, en gaf tevens Andy een wenk met
het oog dat niet aan Haley's kant was. "Maar ik heb nu over de zaak
gedacht," vervolgde hij zeer ernstig, "en ben vast van meening dat
wij dien weg niet moeten gaan. Ik ben dien weg nooit geweest. Het
is er schrikkelijk eenzaam en wij zouden wel kunnen verdwalen. Onze
lieve Heer alleen weet waar wij zouden terecht komen."

"Ik zal toch dien weg nemen," zeide Haley.

"Nu ik er aan denk geloof ik, dat ik heb hooren zeggen dat die weg bij
de beek en verderop afgeheind en gesloten is. Is het zoo niet, Andy?"

Andy was er niet zeker van; hij had maar alleen van dien weg hooren
spreken, maar was er nooit over geweest. Kortom, hij wilde zich niet
compromitteeren.

Haley, gewoon om de waarschijnlijkheid te berekenen tusschen logens van
meerdere en mindere grootte, meende dat de landweg toch de voorkeur
verdiende. Het was onwillekeurig, gelijk hij meende opgemerkt te
hebben, dat Sam er het eerst van had gesproken; en zijne verwarde
poging tot afrading schreef hij aan een wanhopig liegen toe, toen de
neger zich bedacht had en ongenegen was om Eliza te helpen vatten.

Toen Sam dus den bedoelden weg aanwees, sloeg Haley dien driftig in,
door de twee negers gevolgd.

De weg nu was inderdaad een oude weg, die vroeger tot aan de rivier
had doorgeloopen, maar sedert het aanleggen van den nieuwen tolweg
verlaten was. Omtrent een uur rijdens ver was hij open, maar dan werd
hij door de schuttingen van verscheidene hoeven doorsneden. Sam wist
dit zeer wel; en de weg was reeds zoolang gesloten geweest, dat Andy
er nooit van had hooren spreken. Hij reed dus met een gezicht vol
ootmoedige onderdanigheid mede, en bromde slechts tusschenbeiden dat
de weg machtig ongelijk was en heel slecht voor Jerry's poot.

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley. "Ik weet wel wat ge wilt,
maar ge zult mij met al dat geklaag niet van dezen weg afbrengen,
zwijg dus maar stil."

Om zijn ijver te toonen, hield Sam zich alsof hij steeds scherp
uitkeek. Nu riep hij dat hij op eene hoogte in de verte een vrouwenhoed
zag; dan vroeg hij Andy of dat Lizzy niet was, daar beneden in de
diepte, en telkens deed hij die uitroepingen op eene ruwe en rotsige
plek van den weg, waar het versnellen van den draf gevaarlijk en
vermoeiend moest wezen, zoodat Haley in gedurige onrust bleef.

Nadat zij omtrent een uur lang aldus hadden gereden, draafde de troep,
eensklaps in eene diepte afdalende, de werf eener groote boerderij
op. Er was niemand te zien, daar al de arbeiders op het veld waren,
maar eene schuur die dwars over den weg stond, deed duidelijk blijken
dat de tocht in deze richting hier voor goed gestuit werd.

"Heb ik dat Mijnheer niet gezegd?" zeide Sam op een toon alsof hij
zeer verongelijkt was. "Hoe kan een vreemd heer denken, dat hij meer
van het land zal weten dan iemand die er geboren is?"

"Gij, schelm!" zeide Haley, "dat hebt gij wel geweten."

"Heb ik u niet gezegd dat ik het wist, toen gij mij niet woudt
gelooven? Ik heb Mijnheer gezegd dat de weg afgezet en gesloten was,
en dat ik niet dacht dat wij er door zouden kunnen. Andy heeft het
gehoord."

Dit was al te waar om het tegen te spreken, en de ongelukkige Haley
moest zijne gramschap verkroppen zoo goed hij kon. Zij keerden terug
en sloegen den gewonen grooten weg in.

Ten gevolge van al dat oponthoud, was het bijna een uur nadat Eliza
haar kind in de dorpsherberg te slapen had gelegd, toen de troep het
dorp kwam inrijden. Eliza stond voor het venster naar een andere kant
uit te zien, toen Sam met zijn scherpe oogen haar ontdekte. Haley en
Andy waren eenige schreden achter. Op dit oogenblik wist Sam zijn hoed
te laten afwaaien en deed daarbij een luiden, eigenaardigen uitroep,
die haar deed schrikken. Zij trad achteruit, en de geheele troep reed
het venster voorbij naar de voordeur.

Duizendvoudige kracht scheen Eliza in dat eene oogenblik te
worden ingestort. Hare kamer kwam met eene zijdeur op de rivier
uit. Zij greep haar kind en vloog de trap af naar den waterkant. De
handelaar zag juist een zweem van haar, toen zij achter den hoogen kant
verdween. Oogenblikkelijk wierp hij zich van zijn paard, en Sam en Andy
te hulp roepende, zette hij haar na, gelijk een hond een stuk wild. In
dat bedwelmende oogenblik schenen hare voeten den grond nauwelijks te
raken; in een oogenblik was zij aan den waterkant. Vlak achter haar
kwamen zij aan, en met eene kracht begaafd, welke God alleen aan
wanhopigen geeft, deed zij met een wilden schreeuw een geweldigen
sprong, die haar over de opene strook water langs den oever op het
ijsvlot bracht. Het was een wanhopige sprong, niet mogelijk dan alleen
voor de razernij der wanhoop. Haley, Sam en Andy gaven onwillekeurig
een schreeuw en staken de handen op, toen zij het waagstuk zagen.

De groote, groene ijsschots kantelde en kraakte, toen zij er
op neerkwam, maar zij toefde geen oogenblik. Met nog een wilder
schreeuw sprong zij op een andere, al verder en verder, struikelende,
springende, uitglijdende en weder opvliegende. Hare schoenen bleven
steken, hare kousen werden haar van de voeten gereten, haar bloed
teekende elken voetstap; maar zij zag niets, voelde niets, totdat zij
flauw, als in een droom, den grond van Ohio onderscheidde en een man
zag, die haar de hand reikte om haar op den oever te helpen.

"Ge zijt een knappe meid, wie ge ook wezen moogt," zeide de man met
een vloek.

Eliza herkende de stem en het gezicht van den eigenaar eener hoeve,
niet ver van hare oude woning.

"O, Mijnheer Symmes, red mij--red mij toch--verberg mij!" riep zij uit.

"Wat is dat?" zeide de man. "Waarachtig, als dat geene meid van
Shelby is!"

"Mijn kind--dit jongetje--hij heeft hem verkocht! Daar is zijn
meester," zeide zij naar den overkant wijzende. "O Mijnheer Symmes,
gij hebt ook een jongetje!"

"Dat heb ik," zeide de man, terwijl hij haar ruw maar vriendelijk
tegen den steilen kant optrok. "Bovendien, ge zijt eene meid die hart
heeft. Ik houd van courage, waar ik dien ook zie."

Toen zij boven op den kant gekomen waren, bleef de man staan.

"Ik zou gaarne iets voor u doen," zeide hij, "maar ik kan u nergens
brengen. Het beste wat ik doen kan, is u te zeggen, dat gij _daarheen_
gaat," vervolgde hij, naar een groot wit huis wijzende, dat een eind
van het dorp op zich zelf stond. "Ga daar; dat zijn goede lieden. Er
is geene soort van gevaar of zij zullen u helpen--zij zijn aan dat
alles gewoon."

"De Heere zegene u!" zeide Eliza ernstig.

"Toch niet, toch niet,' antwoordde de man. "Wat ik gedaan heb, heeft
niets te beduiden."

"En o, Mijnheer, gij zult het toch zeker niemand zeggen!"

"Loop naar den donder, meid! Waar houdt gij iemand voor? Wel natuurlijk
niet," antwoordde de man. "Kom, ga nu heen als een knappe verstandige
meid, die gij zijt. Gij hebt uwe vrijheid verdiend, en wat mij betreft,
zult gij ze hebben."

Zij sloot haar kind in hare armen en ging snel en met vaste schreden
heen. De man bleef haar staan nakijken.

"Shelby zal dit misschien niet heel buurmanachtig gedaan vinden; maar
wat zal iemand doen? Als hij eene van mijne meiden in denzelfden nood
vindt, laat hij het dan vrij ook zoo maken. Ik ben nooit in staat
geweest om wat voor schepsel het ook wezen mocht te zien vluchten
voor zijn leven, hijgende en zwoegende, met de honden achteraan, en
het dan tegen te houden. Buitendien, ik zie geene enkele verplichting
voor mij om voor anderen jager en vanger te wezen."

Zoo sprak de arme heidensche Kentuckiër, die niet in de
constitutioneele burgerplichten onderwezen was en zich dus liet
verlokken om eenigszins op eene christelijke manier te handelen,
hetgeen hij, als hij beter opgevoed en meer verlicht was geweest,
niet had mogen doen.

Haley had met stomme verbazing naar dit tooneel staan staren, totdat
Eliza achter den hoogen kant verdween. Toen keerde hij zich naar Sam
en Andy met een verwonderd vragenden blik.

"Dat was tamelijk knap gedaan," zeide Sam.

"De meid heeft zeven duivels in het lijf, geloof ik," zeide Haley. "Zij
sprong als een wilde kat."

"Wel," hervatte Sam, zijn hoofd krabbende, "ik hoop dat Mijnheer
het ons niet kwalijk nemen zal, als wij dien weg niet probeeren. Ik
geloof niet dat ik er courage genoeg toe heb." En Sam liet een schor
gelach hooren.

"Lacht gij nog!" snauwde de handelaar.

"God zegene u, meester, ik kon het niet laten," antwoordde Sam en
gaf zijne lang gesmoorde opgetogenheid lucht. "Zij maakte zulk eene
wonderlijke vertooning, daar wippende en springende over dat krakende
ijs. En het hooren er van! Plomp, krik, krak, plis, plas! He, wat ging
dat!" En Sam en Andy lachten, dat hun de tranen over de wangen rolden.

"Ik zal u wel anders leeren lachen," zeide de handelaar en sloeg naar
hunne hoofden met zijne karwats.

Beiden bukten, liepen schreeuwende en joelende den oever op, en waren
te paard eer hij hen bereikte.

"Goeden avond, meester," zeide Sam zeer ernstig. "Ik geloof vast,
dat Mevrouw ongerust over Jerry zal wezen.

"Mijnheer Haley zal ons nu wel niet langer willen ophouden. Mevrouw
zou er toch niet van willen hooren dat wij de paarden van avond over
Lizzy's brug brachten."

En Andy een schertsenden ribbestoot gevende, reed hij voort, door
zijnen makker in vollen ren gevolgd, terwijl de wind nog lang hun
schaterend gelach overwoei.





ACHTSTE HOOFDSTUK.

ELIZA'S ONTSNAPPING.


Het was juist schemeravond, toen Eliza dien wanhopigen aftocht
over de rivier waagde. De grauwe avondnevel, die langzaam uit het
water oprees, omhulde haar toen zij den oever besteeg, en deed
haar spoedig geheel verdwijnen, terwijl de gezwollen stroom en de
drijvende ijsschotsen een onoverkomelijken slagboom tusschen haar en
haren vervolger plaatsten. Haley keerde dus langzaam en ontevreden
naar de herberg terug, om daar te overleggen wat verder te doen. De
vrouw opende voor hem de deur van een voorkamertje, met een karpet
op den grond en gemeubileerd met eene tafel, met blinkend wasdoek
bedekt, eenige stoelen met hooge pooten en leuningen, en eenige hard
gekleurde pleisterbeeldjes op den mantel van den schoorsteen, waarin
een smeulend vuur brandde. Bovendien stond bij den schoorsteen nog
eene lange houten bank, en daarop zette Haley zich neer om over de
onzekerheid van alle menschelijke hoop te peinzen.

"Wat had ik ook met het kleine kreng noodig," zeide hij bij zich
zelven, "dat ik mij daarvoor zoo voor den gek moest laten houden?"

Hij verlichtte zijn hart door eene niet zeer keurig uitgezochte litanie
van verwenschingen tegen zich zelven, die wij, hoewel er goede reden
zou zijn om ze voor zeer gepast te houden, om den smaak onzer lezers
niet te kwetsen, maar niet zullen herhalen.

Hij werd gestoord door de luide, ruwe stem van een man die voor de
deur scheen af te stijgen, en haastte zich naar het venster.

"Waarachtig, als dat nu niet het naaste bijkomt bij wat de menschen
voorzienigheid noemen!" zeide Haley bij zich zelven. "Ik geloof dat
Tom Loker daar is."

Hij haastte zich naar buiten. Bij het buffet stond een grof gespierd
man, van volle zes voet lengte en breed naar evenredigheid. Hij had
een jas van buffelhuid aan, met het haar naar buiten, hetgeen aan
zijn voorkomen eene ruigheid en woestheid gaf, volkomen strookende
met de uitdrukking van zijn gezicht. Elke trek van dat gezicht en elke
vorming van het hoofd, die dierlijke woestheid kon aanduiden, was zoo
sterk mogelijk ontwikkeld. Wanneer onze lezers zich een bulhond konden
voorstellen, die tot eene manslengte was opgegroeid en met een hoed en
jas rondliep, zouden zij geen slecht denkbeeld hebben van het algemeene
voorkomen van dezen man. In zijn gezelschap had hij een reisgenoot,
die in vele opzichten een volmaakt contrast met hem aanbood. Deze
was kort en tenger, vlug en katachtig in zijne bewegingen, en had
iets turends en loerends in zijne scherpe zwarte oogen, waarmede al
de even scherpe trekken van zijn gelaat overeenstemden. Zijn lange,
smalle neus liep in zulk eene spitse punt uit, alsof hij in alles
wilde inboren; zijn dun, gladgestreken, zwart haar stak insgelijks met
spitse punten naar voren, en al zijne bewegingen en gebaren duidden
listige, voorzichtige slimheid aan. De groote, grove man schonk een
bierglas half vol brandewijn en goot het zonder een woord te spreken
in eens in zijn keel. De kleine, magere man verhief zich op de teenen,
stak het hoofd eerst naar den eenen en toen naar den anderen kant,
alsof hij aan de flesschen wilde ruiken, en bestelde eindelijk een
glaasje likeur, met eene schelle, pieperige stem en met een voorkomen
van voorzichtig overleg. Toen het hem gegeven werd, nam hij het op
en bekeek het met vergenoegde aandacht, gelijk iemand die denkt dat
hij iets juist van pas heeft gedaan, en ging het toen met korte,
bedachtzame teugjes uitdrinken.

"Wel, wie zou zulk een geluk verwacht hebben! Hoe vaart gij,
Loker?" zeide Haley naderkomende, en reikte den groven man zijne hand.

"Voor den duivel, Haley, hoe komt gij hier?" was het beleefde antwoord.

De katachtige man, die den naam van Marks droeg, hield dadelijk op
met slurpen, stak zijn hoofd vooruit, en keek onzen nieuwen bekende
vragend aan.

"Zeg eens, Tom," hervatte Haley, "het is gelukkig dat ik u zie. Ik
zit verduiveld in de klem en gij moet er mij eens uit helpen."

"Hm! Wel te denken!" bromde zijn vriendelijke bekende. "Daar kan
iemand wel zeker van zijn, als ge blijde zijt hem te zien moet het
om een reden zijn. Wat is er nu aan de hand?"

"Gij hebt daar een vriend?" zeide Haley, Marks twijfelachtig
aanziende. "Een compagnon misschien?"

"Ja, zoowat. Hier, Marks, dat is de man met wien ik te Natchez ben
geweest."

"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks,
eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer
Haley, geloof ik?"

"Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij
elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een
kleinigheid trakteeren. Kom aan, oude," vervolgde hij tegen den man
aan het buffet, "geef heet water, suiker en sigaren, en eene goede
portie van "het echte goed," dan zullen wij de kennis eens hernieuwen."

Ziedaar dan de kaarsen aangestoken, het vuur in den haard opgepookt,
en onze drie vrienden om eene tafel gezeten, wel voorzien met al het
noodige om kennis aan te knoopen en te hernieuwen.

Haley begon een aandoenlijk verhaal van zijn ongeval. Loker kneep
zijn mond dicht en luisterde met norsche aandacht. Marks, die met
veel omslag een glas punch naar zijnen eigen bijzonderen smaak
gereed maakte, keek tusschenbeide eens op en stak dan zijn scherpen
neus bijna in Haley's gezicht. Hij luisterde ook oplettend naar het
geheele verhaal, en het slot scheen hem buitengemeen te vermaken;
want hij lachte dat hij schudde, hoewel zonder geluid te geven,
en kneep met een gezicht vol pret zijn lippen dicht.

"Zoo zijt ge dan gefopt?" zeide hij eindelijk. "Nu, het is aardig
gedaan."

"Dat jonge goed geeft veel last in den handel," zeide Haley droevig.

"Als wij een ras van meiden konden maken dat niet om hare jongen gaf,"
liet Marks hierop volgen, "dunkt mij, dat het nagenoeg de grootste
uitvinding van onzen tijd zou zijn."

"Ja," zeide Haley hierop, "ik heb het nooit kunnen begrijpen. Jongen
zijn een grooten last voor de meiden, en men zou denken dat ze blij
moesten zijn, als zij er af raakten; maar dat zijn ze toch niet. En
hoe meer last een jong geeft, en hoe minder het eigenlijk deugt,
zooveel te meer zijn zij er aan gehecht."

"Ja, Mijnheer Haley," zeide Marks.--"Och, geef mij eens het water
aan!--Ja, Mijnheer, gij zegt daar wat ik altijd gedacht heb. Eens
heb ik eene meid gekocht--eene knappe, frissche meid was zij, en
tamelijk mooi ook--en die had een jong dat ellendig ziekelijk was,
een krommen rug had of zoo iets; en ik gaf hem weg aan een man die
wilde probeeren of hij hem kon grootbrengen, als hij hem toch niets
kostte; en ik had nooit gedacht dat de meid het zich zou aantrekken;
maar o! o! gij had eens moeten zien hoe zij te werk ging. Zij scheen
waarlijk zooveel te meer van het kind te houden, omdat het ziekelijk
en lastig was en haar plaagde; en zij veinsde dat maar niet, neen
zij huilde en werd er mager van, alsof zij alles verloren had wat
zij had. Het was waarlijk koddig, als men het zoo bedacht. Maar de
grillen van vrouwen zijn onverklaarbaar."

"Wel, zoo is het mij ook gegaan," hervatte Haley. "Verleden zomer werd
er aan de Roode Rivier eene meid aan mij verkocht, met een kind dat er
goed genoeg uitzag en oogen had, zoo helder als die van u; maar toen
ik beter keek, bevond ik dat het stekeblind was--stekeblind. Wel,
gij begrijpt, ik vond er geen kwaad in, om hem maar van de hand te
doen zonder er iets van te zeggen, en ik verkocht hem voor een vaatje
jenever; maar toen wij hem van de meid kwamen weghalen, geleek zij wel
eene tijgerin. Het was vóórdat wij van de rivier waren en ik had mijn
troep niet geboeid. Wat zou ze dus doen? Zij vliegt op eene katoenbaal,
grijpt een van het volk op het dek een mes uit de hand, en ik zeg u,
zij deed in het eerst iedereen voor haar loopen, tot zij zag dat het
toch niet baten zou; en toen keert zij zich om en springt, met jong
en al, plompverloren in de rivier, zinkt als een steen en komt nooit
weder boven."

"Bah!" zeide Tom Loker, die met blijkbare minachting naar deze verhalen
had geluisterd. "Gij weet er beiden niet mede om te gaan. _Mijne_
meiden zullen zich nooit zoo aanstellen, dat zeg ik u."

"Zoo! Hoe voorkomt gij dat?" vroeg Marks snel.

"Hoe ik het voorkom! Wel, als ik eene meid koop, die een jong heeft dat
verkocht kan worden, ga ik even naar haar toe en houd mijne vuist voor
haar gezicht, en zeg: "Kijk eens hier. Als gij mij één dwars woord
geeft, zal ik uw gezicht inbeuken. Ik wil geen woord hooren--geen
begin van een woord." En dan zeg ik verder: "Dat jong is van mij,
niet van u; gij hebt er niets mee te maken. Ik zal het bij de eerste
gelegenheid verkoopen. Pas op dat gij geen spektakel daarover maakt,
of ik zal u doen wenschen dat gij nooit geboren waart." Ik zeg u,
zij zien dan wel dat het geen gekheid is als ik begin. Het maakt haar
zoo stom als visschen; en als eene van haar begint en maar eens jankt,
wel...." En daarmede liet hij zijne vuist op de tafel vallen met een
bons, die zijn rede genoegzaam aanvulde.

"Dat noem ik spreken!" zeide Marks glimlachend en gaf Haley een
stoot in de zijde. "Weet Tom het die meiden niet aan het verstand
te brengen, he? Ik geloof dat zij u wel begrijpen, Tom, al zijn
alle negerkoppen wollig. Zij zullen niet twijfelen aan uwe meening,
Tom. Als gij de duivel niet zijt, Tom, zijt gij zijn tweelingbroeder;
dat wil ik voor u getuigen."

Tom nam dit compliment met voegzame bescheidenheid aan, en keek zoo
vriendelijk als hem mogelijk was.

Haley, die vrij wat gedronken had, begon een bijzondere verheffing
van zedelijk gevoel te ontwaren--geen ongewoon verschijnsel bij heeren
van een ernstig en nadenkend karakter onder dergelijke omstandigheden.

"Wel, Tom," zeide hij, "dat is waarlijk te erg, zooals ik u altijd
gezegd hebt. Gij weet wel, Tom, hoe ik over die dingen met u placht
te praten daar te Natchez, en u placht te bewijzen dat wij er
evenveel mee wonnen voor deze wereld, als wij hen goed behandelden,
en bovendien beter kans hielden om eindelijk in den hemel te komen,
als wij eens opraakten en toch anders niets meer konden krijgen. Weet
ge dat nog wel?"

"Bah, of ik het weet!" antwoordde Tom. "Maak me niet misselijk met
dien kost. Mijne maag begint nu al te koken." En hij dronk een half
glas klaren brandewijn uit.

"Ik zeg dit," hervatte Haley, achterover in zijn stoel leunende en met
nadrukkelijke gebaren, "ik zeg dit: ik heb altijd gemeend mijn handel
te drijven om er geld mede te winnen, _eerst en vooral zoo_ goed als
iemand; maar daarom is de handel toch niet alles en geld is niet alles,
want wij hebben allen toch eene ziel. Het kan mij niet schelen, wie
mij dat hoort zeggen--en ik denk er ver....d dikwijls aan, zoodat ik
het ook wel zeggen mag. Ik geloof aan den godsdienst, en eens, als ik
geld genoeg bij elkander heb, denk ik ook voor mijne ziel te zorgen,
en wat baat het dus meer goddeloosheid te doen dan werkelijk noodig
is? Mij komt het voor dat het lang niet voorzichtig is."

"Voor uwe ziel te zorgen!" zeide Tom verachtelijk. "Men zou hard
moeten zoeken om eene ziel in u te vinden. Maak u daarover maar
niet ongerust. Al zift de duivel u door een koornzeef, hij zal geene
ziel vinden."

"Wel, Tom, wat zijt gij barsch!" zeide Haley. "Waarom kunt gij het
niet vriendelijk opnemen, als iemand tot uw bestwil spreekt?"

"Houd op met dat gemaal," antwoordde Tom, even grof. "Ik kan bijna
alle praatjes van u hooren, behalve die vrome praatjes--die zouden
mij ziek maken. En wat is dan eigenlijk het verschil tusschen u en
mij? Het is niet dat gij een zier beter zijt, of een zier meer gevoel
hebt--maar het is klinkklare hondsche laaghartigheid en lafheid,
dat gij den duivel wilt bedriegen en u zelven uit zijne klauwen
redden. Doorzie ik het niet? En uw "godsdienstig worden," zooals gij
zegt, is maar een gemeene streek. Ge laat uw leven lang uwe rekening
bij den duivel oploopen, en wilt dan uitvluchtjes zoeken als het tijd
van betalen wordt. Bah!"

"Kom, kom, Heeren, dat zijn dingen, die nu niet te pas komen," zeide
Marks hierop. "Mijnheer Haley is een heel ordentelijk man, daar twijfel
ik niet aan, en heeft zijne eigene soort van geweten; en gij, Tom,
hebt ook uwe manier van denken, en die is ook heel goed; maar twisten
weet ge, baat niets. Laten wij tot de zaak komen. Wat is het nu,
Mijnheer Haley? Gij wilt dat wij u helpen om die meid te vangen?"

"De meid gaat mij niet aan; zij is van Shelby. Het is mij maar om
den jongen te doen. Ik ben een gek geweest dat ik den aap gekocht heb."

"Gij zijt doorgaans een gek," bromde Tom.

"Stil toch, Loker," duwde Marks hem toe. "Mijnheer Haley wil ons
immers een goed karweitje aan de hand doen. Zeg eens, hoe ziet die
meid er uit, en wat is zij?"

"Wel, blank en mooi, en goed opgebracht. Ik had Shelby achthonderd of
duizend voor haar willen geven, en zou nog goede winst hebben gemaakt."

"Blank, mooi en goed opgebracht?" herhaalde Marks met levendige
begeerte in al zijne scherpe trekken. "Kijk eens aan, Loker, welk een
heerlijk kansje! Wij moeten de zaak voor eigen rekening ondernemen;
wij vangen ze; de jongen gaat natuurlijk naar Mijnheer Haley, en wij
brengen de meid op speculatie naar Orleans. Is dat niet heerlijk?"

Tom, wiens breede grove mond onder het luisteren had opengestaan, sloot
hem nu op eens dicht, gelijk een bulhond naar een stuk vleesch hapt, en
scheen vervolgens op zijn gemak het smakelijke denkbeeld te verzwelgen.

"Gij weet," zeide Marks tot Haley, onder de hand zijn glas punch
omroerende, "wij hebben rechters overal langs de kust, die klaar
staan om alle noodige kleinigheden in ons vak te doen. Tom moet voor
het vangen zorgen; en ik kom als een heer gekleed, met blinkende
laarzen, en dat alles als er gezworen moet worden. Gij moet eens
zien," vervolgde hij met trotsche zelfvoldoening, "hoe ik mij dan
houden kan. Den eenen dag ben ik Mr. Twickens van New-Orleans;
den anderen dag kom ik zoo van mijne plantage aan de Paarlrivier,
waar ik vijfhonderd negers heb; dan weder ben ik een verre neef van
Henry Clay, of een ander groot man. Ieder heeft zijn bijzonder talent,
weet ge. Tom is een kerel, als er gebulderd of gevochten moet worden,
maar voor het liegen deugt hij niet; dat gaat hem niet natuurlijk
af. Maar o, als er iemand in het land is, die beter op alles kan
zweren, en alle omstandigheden beter bij elkander brengen, en een
strakker gezicht daarbij kan zetten dan ik, dan zou ik hem wel eens
willen zien--meer zeg ik niet. Ik geloof dat ik het wel klaren zou,
al keken de rechters wat nauwer dan zij doen. Somtijds wenschte ik
haast dat zij wat nauwer keken; het zou veel aardiger en prettiger
zijn, als zij dat deden, weet ge!"

Tom Loker die, gelijk reeds gebleken is, langzaam in zijn denken en
doen was, stoorde hier Marks door zijne zware vuist op de tafel te
laten vallen, zoodat er alles op rinkelde.

"Ik doe het," zeide hij.

"Gij behoeft de glazen daarom niet te breken," zeide Marks. "Bewaar
uwe vuist maar voor tijd van nood."

"Maar, Heeren, zal ik dan ook geen aandeel hebben in de winst?" vroeg
Haley nu.

"Is het niet genoeg, dat wij den jongen voor u vangen?" antwoordde
Loker. "Wat wilt gij anders?"

"Wel," zeide Haley, "dat ik u het kansje aan de hand doe, is toch
iets waard. Zeg tien percent van de winst, na aftrek van de kosten."

Loker barstte uit in een geduchten vloek en liet nog eens zijne vuist
op de tafel vallen.

"Ken ik u niet, Daniël Haley?" zeide hij vervolgens. "Denk niet dat ge
mij zoo zult beetnemen. Gelooft gij dat Marks en ik het negervangen
bij de hand hebben genomen, alleen om zulke heeren als gij zijt van
dienst te wezen, en niets voor ons zelven te verdienen? Dat lijkt
er niet naar. Wij houden de meid geheel en al, en gij moogt u maar
stilhouden, of wij houden ze allebei. Wat zou het ons beletten? Hebt
gij ons het wild niet gewezen? Wij mogen het evengoed vangen als gij,
zou ik denken. Als gij of Shelby ons wilt vervolgen, ga dan maar eens
kijken waar de patrijzen van verleden jaar zijn. Als gij die of ons
vinden kunt, staat het u vrij."

"Welnu, laat het dan maar zoo blijven," zeide Haley ontsteld. "Gij
vangt dus den jongen voor mij. Gij hebt mij altijd eerlijk behandeld
Tom, en uw woord gehouden."

"Dat weet gij wel," antwoordde Tom. "Ik houd mij niet op met uw geteem;
maar valsch spel speel ik zelfs den duivel niet. Wat ik zeg dat ik
doen zal dat doe ik. Dat weet gij wel, Daniël Haley."

"Ja wel, ja wel; dat zeide ik ook, Tom. En als gij mij maar beloven
wilt dat gij den jongen over een week voor mij gereed zult houden,
waar gij maar zelf verkiest, is het al wat ik eisch."

"Maar nog lang niet al wat ik eisch," hervatte Tom. "Gij denkt toch
niet dat ik voor niet zaken met u gedaan heb te Natchez, Haley? Ik
heb geleerd een aal vast te houden als ik hem pak. Gij moet vijftig
dollars geven, maar vooruit, of ik verzet geen voet. Ik ken u wel."

"Wat als ik u een kansje aan de hand heb gedaan, dat u duizend
of zestienhonderd zuivere winst kan opbrengen? Wel Tom, ge zijt
onredelijk."

"Ja, en hebben wij geen werk aangenomen voor vijf weken achtereen,
zooveel als wij maar af kunnen? En als wij nu alles verzuimen, en
die jongen van u gaan naloopen en eindelijk misschien de meid niet
eens pakken--meiden zijn altijd duivels moeielijk te pakken--wat
dan? Zoudt gij ons dan een cent betalen? Mij dunkt, ik zie het u al
doen! Bah! Neen, tel ons uwe vijftig op de hand toe. Als de zaak
goed uitkomt, geven wij ze u terug, zoo niet dan is dat voor onze
moeite. Dat is billijk. Niet waar, Marks?"

"Zekerlijk, zekerlijk," antwoordde Marks op een verzoenenden toon. "Het
is maar geld op de hand. Maar wij zullen de zaak wel in der minne
schikken, wees maar gerust. Tom zal u den jongen brengen waar gij
verkiest; niet waar, Tom?"

"Als ik het jong vang, breng ik het naar Cincinnatie en laat het bij
grootmoeder Belcher," antwoordde Loker.

Marks had eene smerige portefeuille uit zijn zak gehaald, en een
strook papier daaruit nemende, begon hij mompelende te lezen:

"Barnes--Shelby County--jongen Jim, driehonderd dollars voor hem, dood
of levend, Edward--Dick en Lucy--man en vrouw, zeshonderd dollars;
meid Polly met twee kinderen, zeshonderd voor haar of haar hoofd. Ik
loop onze zaken eens even door, om te zien of wij dit nog kunnen
waarnemen.--Wij zullen Adams en Springer op deze moeten afzenden,"
zeide hij na zich eene poos te hebben bedacht. "Zij staan al eenigen
tijd geboekt."

"Zij zullen te veel rekenen," zeide Tom.

"Dat zal ik wel schikken. Zij zijn zoo jong in het vak en zullen
wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken," antwoordde Marks,
terwijl hij stil voortlas. "Drie er van zijn gemakkelijke karweien,
want al wat zij te doen hebben, is ze dood te schieten of te zweren
dat zij doodgeschoten zijn; en daar kunnen zij natuurlijk niet
veel voor rekenen. Die andere dingen kunnen nog wel wat uitgesteld
worden;"--daarmede vouwde hij het papier weder op. "Laten wij nu tot
de bijzonderheden overgaan. Gij hebt dus die meid aan land zien komen,
Mijnheer Haley?"

"Zeker--zoo duidelijk als ik u zie."

"En een man die haar den kant ophielp?" zeide Loker.

"Zeker zag ik dat."

"Waarschijnlijk is zij ergens ingenomen," zeide Marks nu. "Waar? Dat
is de vraag. Wat zegt gij Tom?"

"Wij moeten van nacht nog de rivier over," zeide Tom.

"Maar er ligt hier geene boot," liet Marks daarop volgen. "En het
ijs kruit geweldig. Zou het niet gevaarlijk zijn?"

"Daar weet ik niet van, maar alleen dat het gedaan moet worden,"
antwoordde Tom beslissend.

"Maar toch," hervatte Marks onrustig. "Ik weet niet." Hij stond op
en ging naar het venster. "Het is pikdonker buiten, en...."

"Het lange en het korte van de zaak is, dat ge bang zijt, Marks. Maar
dat kan ik niet helpen, ge moet toch mee. Zoudt ge misschien een paar
dagen willen wachten tot de meid langs den onderaardschen spoorweg
[3] naar Sandusky of zoo is gebracht?"

"O neen, ik ben volstrekt niet bang," zeide Marks. "Maar--"

"Maar wat?"

"Wel, eene boot. Gij weet dat er geene boot is."

"Ik heb de vrouw hooren zeggen dat er van avond eene kwam, en dat er
iemand mede overging. Gevaarlijk of niet, wij moeten met hem mede,"
zeide Tom.

"Ik onderstel dat gij goede honden hebt?" merkte Haley nu aan.

"Allerbeste," antwoordde Marks. "Maar wat baat dat? Gij hebt toch
niets van haar, om aan te laten ruiken."

"Ja, dat heb ik wel, zeide Haley zegepralende. "Hier is haar doek,
dien zij in haar haast op bed heeft laten liggen en haar hoed ook."

"Dat is gelukkig," zeide Loker. "Geef maar hier."

"Maar de honden zouden de meid kunnen beschadigen, als zij haar
onverwacht pakten," zeide Haley.

"Dat is eene bedenking," zeide Marks. "Onze honden hebben daar in
Mobile eens een kerel half in stukken gescheurd eer wij hen konden
terug roepen."

"Wel, ziet ge, voor deze soort, die voor haar mooi moet verkocht
worden, gaat dat niet aan," zeide Haley.

"Dat begrijp ik," antwoordde Marks. "En bovendien, als zij ingenomen
is, gaat het ook niet. Honden helpen niet in deze staten, waar die
schepsels met rijtuig weggebracht worden; zij kunnen dan natuurlijk
geen spoor vinden. Zij helpen maar alleen in de plantages, waar de
negers als zij wegloopen zelf moeten loopen, en niet geholpen worden!"

"Welnu," zeide Loker, die even de kamer uit was geweest om iets te
vragen; "zij zeggen dat de man met de boot gekomen is. Dus Marks...."

Deze keek treurig rond in het aangename nachtverblijf, dat hij
verlaten moest, maar stond toch langzaam op. Na nog eenige afspraken
te hebben gemaakt, stelde Haley met zichtbaren tegenzin Tom de vijftig
dollars ter hand, en zoo scheidde het elkander waardige drietal voor
dien avond.

Indien sommige van onze beschaafde en christelijke lezers iets
tegen het gezelschap hebben, waarin dit tooneel hen gebracht heeft,
laten wij hen dan mogen verzoeken om bijtijds hunne vooroordeelen te
overwinnen. Het negervangen, moeten wij hun herinneren, verheft zich
thans tot de waardigheid van een wettig en patriotsch beroep. Wanneer
het geheele breede land tusschen den Mississippi en de Stille Zuidzee
ééne groote markt voor lichamen en zielen wordt, en menschelijke
koopwaar de locomotieve neigingen dezer negentiende eeuw behoudt,
kunnen de handelaar en de negerjager nog wel eens tot onze aristocratie
gerekend worden.



Terwijl dit in de herberg voorviel, reden Sam en Andy vol blijde
zelfvoldoening naar huis.

Sam was zoo opgewonden als maar mogelijk was, en gaf zijne
overmaat van genot lucht door allerlei onnatuurlijke geluiden en
uitroepingen, en allerlei wonderlijke bewegingen en verwringingen van
zijn lichaam. Somtijds reed hij het achterste voor, met het gezicht
naar den staart van zijn paard; en zich dan met een zegekreet en een
luchtsprong weder recht plaatsende, zette hij een ernstig gezicht en
begon Andy op hoogdravenden toon eene vermaning te geven, dat hij
lachte en voor gek speelde. Dan weder sloeg hij zich met de handen
in de zijden en hief een schaterend gelach aan, zoodat het door de
oude bosschen weergalmde. Onder al die grimassen wist hij echter
zijn paard in vliegenden ren te houden, tot hij met zijn makker,
tusschen tien en elf uur, weder over het kiezelgruis langs de veranda
knerste. Mevrouw Shelby ijlde naar buiten.

"Zijt gij dat, Sam? Waar zijn zij?"

"Mijnheer Haley zit in de herberg uit te rusten. Hij is schrikkelijk
vermoeid, Mevrouw."

"En Eliza, Sam?"

"O, zij is den Jordaan over. In het land van Kanaän, zou iemand
mogen zeggen."

"Wat meent gij toch, Sam?" zeide Mevrouw Shelby, bijna flauw vallende,
toen de mogelijke beteekenis dezer woorden haar te binnen kwam.

"Wel, Mevrouw, de Heere bewaart die de Zijnen zijn. Lizzy is over de
rivier gekomen naar Ohio, zoo wonderlijk, alsof de Heere haar in een
vurigen wagen met twee paarden had overgebracht."

Sams vroomheid was in de tegenwoordigheid zijner meesteres bijzonder
vurig, en hij bracht dan altijd zooveel schriftuurlijke uitdrukkingen
en beelden te pas als hij maar kon.

"Kom hier, Sam," zeide Mr. Shelby, die insgelijks onder de veranda
was gekomen, "en zeg uwe meesteres wat zij verlangt te weten. Kom,
Emilia," vervolgde hij, zijn arm om haar heenslaande. "Gij staat te
beven. Gij geeft al te veel toe aan uw gevoel."

"Te veel toe aan mijn gevoel! Ben ik geene vrouw--geene moeder? Zijn
wij niet bij God verantwoordelijk voor dat arme schepsel? O God,
reken ons deze zonden niet toe!"

"Welke zonde, Emilia? Gij ziet immers zelve wel, dat wij alleen maar
gedaan hebben wat wij moesten doen."

"Het geeft mij toch een ontzettend gevoel van schuld," antwoordde
Mevrouw Shelby. "Dat kan ik niet wegredeneeren."

"Hier, Andy, gij neger, maak wat haast!" riep Sam. "Breng de paarden
naar den stal. Hoort gij niet dat de meester mij roept?"

En weldra verscheen Sam, met zijn hoofdsieraad van palmbladeren in
de hand, voor de deur der voorkamer.

"Zeg ons nu duidelijk, Sam, hoe de zaak is afgeloopen," zeide
Mr. Shelby. "Waar is Eliza, als gij dit weet?"

"Wel, meester, ik zag haar met mijne eigene oogen op het drijvende ijs
overstappen. Zij kwam op eene buitengemeene manier aan den overkant;
het was niets minder dan een wonder. En ik zag een man aan den Ohiokant
haar ophelpen, en toen raakte zij in het donker uit mijne oogen."

"Ik vind dat wonder eenigszins ongeloofelijk, Sam. Op drijvend ijs
overstappen gaat zoo gemakkelijk niet," zeide Mr. Shelby.

"Gemakkelijk!" riep Sam. "Niemand kon het gedaan hebben, als de Heere
hem niet hielp. Ik zal het u zeggen, hoe het was. Mijnheer Haley
en ik en Andy, wij kwamen aan het herbergje aan de rivier, en ik
reed een beetje vooruit--ik had zulk een ijver om Lizzy te vangen,
dat ik mij niet kon inhouden--en toen ik voorbij het venster kwam,
daar stond zij zoo waar vlak in het gezicht en zij kwamen achter mij
aan. Wel, ik verlies mijn hoed, en schreeuw hard genoeg om de dooden
wakker te maken. Natuurlijk hoort Lizzy dat en zij stapt achteruit,
en Mijnheer Haley rijdt voorbij naar de deur. En toen liep zij de
achterdeur uit naar de rivier. En toen zag Mijnheer Haley haar en
schreeuwde, en hij en ik en Andy, wij liepen haar na. Zij komt aan de
rivier, en daar was de strooming langs den kant volle tien voet breed,
en aan de overzijde lag het ijs op en neer te wiegelen, alsof het
een groot eiland was. Wij kwamen recht achter haar aan en ik dacht
zeker dat hij haar al had--en toen gaf zij zulk een schreeuw als
ik nooit in mijn leven gehoord heb, en daar was zij op eens aan den
overkant van den stroom, op het ijs, en voort liep zij, al gillende
en springende--en het ijs ging krik, krak, plis, plas! en zij sprong
maar voort als een hert! Och, wat kan die meid springen!"

Mevrouw Shelby was stil en bleek van aandoening blijven zitten,
terwijl Sam dit verhaalde.

"God zij gedankt, zij is dan niet dood!" zeide zij eindelijk. "Maar
waar is het arme kind nu?"

"De Heere zal voorzien," antwoordde Sam en liet met eene zonderlinge
vertooning van vroomheid zijne oogen rollen. "Zooals ik gezegd heb,
dat is de Voorzienigheid geweest en niets anders, gelijk Mevrouw
ons altijd heeft onderricht. Er komen altijd werktuigen op, om den
wil des Heeren te doen. Als ik er niet geweest was, zou zij vandaag
wel twaalf maal gevangen zijn. Was ik het niet die de paarden van
morgen liet hollen en ze bleef naloopen tot dicht bij etenstijd? En
bracht ik mijnheer Haley van avond niet vijf mijlen van zijn weg af,
anders zou hij Lizzy zoo gemakkelijk achterhaald hebben als een hond
een kip. Dat zijn alles proeven van de Voorzienigheid."

"Het zijn eene soort van proeven, waar gij spaarzaam mede zult moeten
zijn, Sam. Ik duld zulke streken niet van mijne onderhoorigen," zeide
Mr. Shelby, met zooveel barschheid, als hij bij deze gelegenheid
veinzen kon.

Nu baat het even weinig zich op een neger boos te willen houden als
op een kind; beiden zien door instinct den waren staat der zaken,
al veinst men het tegendeel; en Sam schrikte dus volstrekt niet van
deze bestraffing, hoewel hij een gezicht vol droevigen ernst zette,
en zeer boetvaardig de hoeken van zijn mond neertrok.

"Meester heeft gelijk--volkomen gelijk. Het was leelijk van mij--dat
is niet anders. En natuurlijk willen meester en Mevrouw zulke dingen
niet goedkeuren. Dat gevoel ik wel, maar een arme neger zooals ik komt
somtijds in groote verzoeking om leelijke dingen te doen, als iemand
zoo te werk gaat als die Mijnheer Haley. Hij is geen _gentleman_,
gansch niet; iedereen die zoo is grootgebracht als ik, moet dat
wel zien."

"Wel, Sam," zeide Mevrouw Shelby, "daar gij uw misstap schijnt te
begrijpen, kunt gij nu Tante Chloe gaan zeggen dat zij u wat van die
ham kan geven, die vandaag van het diner is overgebleven. Gij en Andy
moeten wel honger hebben."

"Mevrouw is veel te goed voor ons," antwoordde Sam, maakte eene vlugge
buiging en ging heen.

Men zal wel zien, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, dat Sam een
aangeboren talent bezat, hetwelk hem in de politieke wereld zeker ver
had kunnen brengen--een talent om alles wat hem voor de voeten kwam tot
een kapitaal te maken, om tot eigen lof en eer te beleggen; en nadat
hij tot genoegen der voorkamer, gelijk hij vertrouwde, zijne vroomheid
en nederigheid had laten blinken, zette hij met zekeren lossen zwier
zijn hoofddeksel van palmbladeren op, en ging naar het gebied van
Tante Chloe met het voornemen om in de keuken eens recht te schitteren.

"Ik zal die negers eens een redevoering laten hooren, nu ik er
gelegenheid toe heb," zeide hij bij zich zelven. "Ik zal maken dat
zij mij met open mond staan aan te kijken."

Het moet hier aangemerkt worden, dat Sam er bijzonder vermaak in had,
met zijn meester naar allerlei politieke vergaderingen te rijden,
waar hij, op een hek of in een boom gezeten, met groote liefhebberij
naar de redenaren zat te luisteren, om dan, afgeklommen onder de
broeders van zijne eigene kleur, die insgelijks met hunne meesters
waren medegekomen, deze met de koddigste nabootsingen, die hij met
onverstoorbare deftigheid uitsprak, te stichten en te vermaken. Hoewel
zijne naaste toehoorders lieden van zijne eigene kleur waren, stonden
niet zelden in het rond eenigen van blanker tint, die lachende en
wenkende luisterden, waarop Sam dan niet weinig trotsch was. Kortom,
Sam was blijkbaar tot redenaar geroepen, en verzuimde geen gelegenheid
om die roeping te volgen.

Nu had van oude tijden af tusschen Sam en Tante Chloe eene soort van
slepende vijandschap, of liever eene in het oog loopende koelheid
bestaan; maar daar hij thans het oog op een goeden maaltijd had,
besloot hij, om zijne vooruitzichten niet te bederven, ditmaal
buitengemeen verzoenlijk te zijn; want hij wist, dat hoewel de bevelen
van mevrouw zeker naar de letter zouden worden opgevolgd, het toch
een groot voordeel voor hem zou zijn, als de geest ook daarbij
medewerkte. Hij verscheen dus voor Tante Chloe met een bedeesd,
geduldig gezicht, gelijk iemand, die om een zijner ongelukkige
medemenschen te dienen, onmetelijk veel had uitgestaan, en weidde er
breed over uit dat mevrouw hem gezegd had naar Tante Chloe te gaan,
om vergoeding te krijgen voor wat hij aan eten en drinken te kort
gekomen was, waardoor hij onbewimpeld hare opperheerschappij in de
keuken en de aanhoorigheden daarvan erkende.

Hij slaagde naar wensch. Geen onnoozele brave vergadering van
kiezers liet zich ooit gemakkelijker door de oplettendheden van een
geslepen candidaat om den tuin leiden, dan Tante Chloe zich door
Sams vriendelijkheid liet innemen; en al ware hij de verloren zoon
zelf geweest, zoo had hij niet met meer moederlijke mildheid kunnen
overladen worden. Weldra zat hij vergenoegd bij een grooten blikken
pan, die eene _olla podrida_ bevatte van alles wat er in de laatste
twee of drie dagen op de tafel was geweest. Smakelijke brokken
ham, goudkleurige maïskoek, stukken pudding van allerlei fatsoen,
hoenderbouten, vlerken en koppen, alles lag daar in schilderachtige
verwarring; en Sam zat daar, als koning van dat alles, met zijne
palmbladeren-kroon op een oor, en Andy als begunstigd lijftrawant
aan zijne rechterhand.

De keuken was vol van zijne makkers, die haastig uit de verschillende
hutten waren komen aanloopen, om te hooren welken uitslag de avonturen
van den dag hadden gehad. Nu kon Sam schitteren. Hij herhaalde zijne
geschiedenis, met al de sieraden die noodig waren om het effect er
van te vergrooten, want Sam liet een verhaal nooit door zijne handen
gaan zonder het te verfraaien. Een schaterend gelach begeleidde zijne
vertelling, en werd opgevangen en voortgezet door het kleine goed,
dat in aantal op den vloer lag en in de hoeken zat. Onder al dat
rumoer en gelach bewaarde Sam echter eene onverzettelijke kalmte,
en liet slechts van tijd tot tijd zijne oogen rollen, of wierp zijnen
hoorders een onweerstaanbaar koddigen blik toe, zonder van de hoogte
zijner welsprekendheid af te dalen.

"Gij ziet nu, landgenooten," zeide Sam, met nadruk een hoenderboutje
opstekende, "gij ziet nu, waartoe ik in staat ben om u allen te
verdedigen--ja u allen, zeg ik. Want hij die beproeft om één van
ons volk te vangen, is evengoed als die allen beproeft te vangen;
gij ziet, het beginsel is hetzelfde, dat is duidelijk. En ieder van
die drijvers, die naar een van ons volk komt zoeken, welnu, hij vindt
mij in zijnen weg; ik ben de man met wien hij te doen heeft--ik ben
de man bij wien gij allen maar komen moet, mijne broeders, ik zal voor
uwe rechten strijden--ik zal ze verdedigen tot den laatsten ademtocht."

"Maar Sam," viel Andy hierop in, "gij hebt mij pas van morgen gezegd,
dat ge dien mijnheer woudt helpen om Lizzy te vangen. Het komt mij
voor dat uw praten niet goed samenhangt."

"Ik zeg u nu, Andy," antwoordde Sam met geduchte meerderheid, "dat
gij niet praten moet over iets waar gij niets van weet. Jongens,
zooals gij, Andy, meenen het wel goed, maar zij kunnen nog geene
opinie hebben over de groote beginselen van gedrag."

Andy scheen verslagen, vooral door het vreemde woord opinie, hetwelk
ook de meeste jeugdige leden der vergadering voor alles afdoende
schenen te houden. Sam vervolgde:

"Dat was volgens mijn geweten, Andy. Toen ik Lizzy meende te vangen,
dacht ik werkelijk dat meester daarop gesteld was. Toen ik begreep,
dat mevrouw op het tegendeel gesteld was, was dat nog meer volgens mijn
geweten--omdat iemand altijd meer wint als hij zich op den kant van
mevrouw houdt. Zoo ziet ge, dat ik op allebeide manieren consequent
ben, en mijn geweten getrouw blijf en mij aan beginselen houd. Ja,
beginselen," vervolgde hij en pikte nadrukkelijk in een lekkeren brok;
"waar zouden beginselen goed voor zijn, als men niet consequent is,
dat zou ik wel eens willen weten. Daar, Andy, gij moogt dat beentje
hebben; het is nog niet schoon afgekloven."

Daar Sams gehoor met open mond bleef luisteren, kon hij niet anders
doen dan voortgaan.

"Dat stuk van de consequentie," hervatte hij, zeer diepzinnig kijkende,
"is iets wat de meeste menschen niet duidelijk begrijpen. Ziet ge
wel, als iemand eerst stijf en sterk volhoudt voor het eene, en
dan naderhand voor het tegendeel, dan zeggen de menschen (en dat
zeggen zij natuurlijk genoeg) hij is niet consequent. Maar laten
wij het eens beter bezien. Ik hoop dat de _gentlemen_ en de schoone
sekse mij zullen verschoonen, als ik eene alledaagsche vergelijking
gebruik. Hier wil ik boven op een hooiberg komen. Wel, ik zet mijne
ladder aan den eenen kant, maar daar gaat het niet. Omdat ik dan daar
niet meer probeer, maar mijne ladder aan den anderen kant zet, ben ik
daarom niet consequent? Ik ben consequent als ik er op wil komen, aan
wat voor kant mijne ladder ook staan mag. Ziet ge dat allemaal niet?"

"Dat is het eenige, waarin gij ooit consequent zijt geweest, dat
weet de Heer," mompelde Tante Chloe, die ongeduldig begon te worden,
daar de vroolijkheid van den avond voor haar eenigszins was, zooals
de Schrift zegt, "gelijk edik op salpeter."

"Ja, waarlijk," hervatte Sam, tevreden met zijn avondmaal en den
gemaakten indruk opstaande, "ja mijne medeburgers en dames van de
andere sekse in het algemeen, ik heb beginselen, ik ben trotsch
om ze te bekennen--zij zijn een roem voor dezen tijd en voor alle
tijden. Ik heb beginselen, en ik houd er mij aan vast met hand en
tand. Zoodra ik denk dat iets een beginsel is, pak ik het aan. Het
zou mij niet kunnen schelen, al wilden zij mij levend verbranden;
ik zou recht naar den brandstapel gaan, dat zou ik, en zeggen: hier
kom ik om mijn laatste bloed te storten voor mijne beginselen, voor
mijn vaderland en voor de algemeene belangen der maatschappij."

"Wel," zeide Tante Chloe hierop, "een van uwe beginselen zal moeten
wezen, om op een of anderen tijd van den nacht naar bed te gaan,
en niet iedereen tot aan den ochtend op te houden. En nu, als gij,
jongens, geene klappen wilt hebben, maakt dat gij voorkomt, en wat
heel gauw!"

"Negers, gij allen," sprak Sam, en zwaaide met deftige vriendelijkheid
zijn hoofdsieraad; "ik geef u mijn zegen. Gaat nu naar bed en weest
brave jongens."

En met dit aandoenlijk afscheid ging de vergadering uiteen.





NEGENDE HOOFDSTUK.

WAARIN HET BLIJKT DAT EEN SENATOR NIET MEER DAN EEN MENSCH IS.


Het licht van een vroolijk vuur bescheen het tapijt eener deftig
gemeubileerde voorkamer, en flikkerde op de theekopjes en den
blinkenden trekpot, toen senator Bird zijne laarzen uittrok om
zijne voeten in een paar fraaie pantoffels te steken, die zijne
vrouw voor hem gewerkt had, terwijl hij op zijne senatoriale reis uit
was. Mevrouw Bird was met een vergenoegd gezicht bezig met nog een en
ander op de tafel te schikken, en sprak tusschenbeiden een vermanend en
waarschuwend woordje tot eenige kinderen van verschillenden ouderdom,
die zich vermaakten met al die manieren van dartel kwaad doen,
welke sedert de dagen van den zondvloed de moeders hebben verbaasd
doen staan.

"Tom, blijf van de deur af, als een zoete jongen. Mary, Mary, trek de
kat niet bij haar staart--arme poes! Neen, Jim, gij moogt niet op de
tafel klimmen. Gij weet niet, lieve, welk eene verrassing het voor ons
allen is u van avond nog tehuis te zien," voegde zij er eindelijk bij,
toen zij tijd vond om iets tegen haar man te zeggen.

"Ja, ik dacht, ik moest eens komen overvliegen, en tehuis een
pleizierigen avond en wat rust hebben. Ik ben doodmoede en heb
hoofdpijn."

Mevrouw Bird wierp een blik naar een fleschje met kamferdroppeltjes,
dat in eene half opene kast stond, en scheen er naar toe te willen
gaan; maar haar echtgenoot weerhield haar.

"Neen, neen, Mary," zeide hij, "geen medicijn. Een kop sterke, heete
thee en wat van onzen goeden huiskost, is al wat ik noodig heb. Het
is een vervelend werk, dat wetten maken."

En de senator glimlachte, alsof hij zich eenigszins streelde met het
denkbeeld, dat hij zich voor zijn vaderland opofferde.

"Wel," zeide zijne vrouw, toen het aan de theetafel minder druk begon
toe te gaan: "en wat hebben zij in den senaat gedaan?"

Nu was het iets zeer ongewoons bij het zachtzinnige Mevrouwtje Bird,
dat zij haar hoofd brak met hetgeen er in het Huis van den senaat
omging, zeer wijselijk denkende, dat zij genoeg met haar eigen huis
te stellen had. Mr. Bird sloeg dus een paar eenigszins verbaasde
oogen op, en antwoordde:

"Niet veel van belang."

"Maar is het waar, dat zij eene wet hebben aangenomen om de menschen
te verbieden eten en drinken te geven aan die arme kleurlingen, die
ergens langs komen? Ik heb gehoord, dat men van zulk eene wet sprak,
maar ik dacht niet, dat eene christelijke wetgeving ze zou aannemen."

"Wel Mary, gij wordt op eens politiek."

"Neen, toch niet! Ik stoor mij geen zier aan al uwe politiek over
het geheel, maar dit zou ik rechtuit voor wreed en onchristelijk
houden. Ik hoop toch lieve, dat er geene zulke wet is aangenomen?"

"Er is eene wet aangenomen, om iedereen te verbieden de slaven voort
te helpen, die van Kentucky overkomen, lieve. Er is zooveel van dien
aard door die heethoofdige abolitionisten gedaan, dat onze broeders
in Kentucky zeer verstoord zijn, en het schijnt noodig en niet meer
dan menschlievend en christelijk, iets te doen om die opgewondenheid
te doen bedaren."

"En wat zegt die wet? Zij verbiedt ons toch niet om die arme schepsels
een nacht te laten schuilen? En om ze wat hardsterkends te eten en
wat oude kleeren te geven, en weer stil te laten heengaan?"

"Ja zeker, lieve, dat zou voorthelpen zijn."

Mevrouw Bird was een blozend en zachtzinnig vrouwtje, omtrent vier
voet lang, met zachte blauwe oogen, eene heldere fijne kleur en het
zachtste, liefste stemmetje van de wereld. Wat haar moed betrof,
een kalkoensche haan van middelbare grootte kon haar op de vlucht
jagen, als hij maar eens kokkelde, en een huishond van de gewone
soort kon haar oogenblikkelijk tot onderwerping brengen, alleen door
zijne tanden te laten zien. Haar echtgenoot en hare kinderen waren
hare geheele wereld, en deze beheerschte zij meer door verzoek en
overreding, dan door bevel of redekaveling. Er was slechts één ding,
dat in staat was om haar vuur te doen vatten, en dit was iets, wat
juist den zachtsten kant van haar buitengemeen zacht en medelijdend
gemoed trof: alles wat naar wreedheid geleek was in staat om haar in
eene drift te brengen, des te meer ontrustend en onverklaarbaar, omdat
zij anders zoo zacht van karakter was. Doorgaans de inschikkelijkste
van alle moeders, hadden hare jongens nog eene eerbiedige herinnering
aan de geduchte kastijding die zij hun eens gegeven had, toen zij hen
met eenige ondeugende knapen uit de buurt samengespannen had gevonden,
om een weerloos katje te steenigen.

"Ja, toen was ik verschrikt," placht kleine William te zeggen. "Moeder
kwam naar mij toe, zoodat ik dacht dat zij razend was geworden, en ik
kreeg een pak en werd zonder eten in bed gestopt, eer ik nog bekomen
was van de verwondering wat er met mij gebeurde; en daarna hoorde
ik moeder buiten de deur hardop snikken, en dat was nog erger dan al
het andere. Ik zeg u, wij hebben nooit weer eene kat gesteenigd."

Bij deze gelegenheid stond Mevrouw Bird snel op, met zeer roode
wangen, die haar gezichtje lang niet leelijker maakten, kwam met eene
inderdaad vastberadene houding naar haren echtgenoot en zeide op een
even vastberaden toon:

"Nu, John, wil ik weten of gij zulk eene wet voor recht en christelijk
houdt."

"Gij zult mij toch niet doodschieten, Mary, als ik ja zeg?"

"Dat had ik nooit van u gedacht, John. Gij hebt er toch niet vóór
gestemd?"

"Juist zoo, mijne schoone politieke dame."

"Gij moest u schamen, John. Arme schepsels die niet onder dak kunnen
komen! Het is eene schandelijke, goddelooze, verfoeielijke wet, en ik
zal haar breken, zoodra ik er maar gelegenheid toe heb; en ik hoop,
dat ik er gelegenheid toe krijgen zal, dat doe ik. Het is mooi met
de zaken gesteld, als eene vrouw geen maal eten en geen bed mag geven
aan menschen die gebrek en honger lijden, juist omdat zij slaven zijn
en al hun leven mishandeld en onderdrukt zijn--die ongelukkigen!"

"Maar, Mary, luister eens. Uw gevoel is op zich zelf goed en ik heb
er u te liever om. Maar, lieve, wij moeten niet toelaten, dat ons
gevoel ons verstand overheerscht. Gij moet bedenken dat dit geene zaak
van iemands bijzonder gevoel is. Er zijn groote openbare belangen in
betrokken; er is zulk eene algemeene spanning ontstaan, dat wij ons
bijzonder gevoel ter zijde moeten zetten."

"John, ik weet niets van politiek, maar ik kan mijn Bijbel lezen;
daar vind ik dat ik de hongerigen moet voeden, de naakten kleeden en
de bedroefden troosten, en dien Bijbel denk ik te volgen."

"Maar in gevallen, dat men zoo doende een groot kwaad voor het algemeen
zou stichten...."

"God gehoorzaam te zijn kan nooit geen kwaad voor het algemeen
stichten; dat weet ik. Het is in alle gevallen het veiligste, te doen
gelijk Hij ons beveelt."

"Maar luister nu eens, Mary, ik kan u met eene zeer duidelijke
redeneering bewijzen...."

"Neen, John! gij kunt den geheelen nacht praten, maar dat zou niet
gaan. Ik vraag het u, John, zoudt gij nu een arm, hongerig, verkleumd
mensch van uwe deur jagen, omdat hij een vluchteling was? Zoudt
ge dat?"

Om nu de waarheid te zeggen, had onze senator het ongeluk van een
man te zijn, die een bijzonder week en medelijdend hart had; iemand
die in nood verkeerde van zijne deur te jagen, was nooit zijn fort
geweest, en wat bij deze gelegenheid nog erger voor hem was, zijne
vrouw wist dit, en richtte dus natuurlijk haar aanval op een punt
dat bijna onverdedigbaar was. Hij nam daarom de toevlucht tot de
gewone middelen om tijd te winnen, waarmede men zich in zulke gevallen
behelpt. Hij zeide "ahem" en kuchte eenige malen, haalde zijn zakdoek
uit en begon zijn bril af te vegen. Mevrouw Bird, ziende hoe zwak
het gebied des vijands verdedigd was, vond er geen bezwaar in om haar
voordeel te vervolgen.

"Ik zou het u wel eens willen zien doen, John, dat zou ik waarlijk! Gij
zoudt, bijvoorbeeld, eene vrouw in een sneeuwstorm de deur uitjagen,
of misschien zoudt gij haar oppakken en in de gevangenis zetten,
zoudt ge niet! Ja, dat zou u goed afgaan."

"Natuurlijk, het zou een zeer pijnlijke plicht wezen," begon Mr. Bird
op zeer gematigden toon.

"Plicht, John? Gebruik dat woord toch niet. Gij weet wel dat het
geen plicht is. Het kan geen plicht wezen. Als de menschen willen
dat hunne slaven niet wegloopen, laten zij ze dan goed behandelen,
dat is mijne leer. Als ik slaven had--ik hoop dat ik ze nooit hebben
zal--zou ik het wel er op durven wagen of zij van mij zouden wegloopen,
en dat zoudt gij ook, John. Ik zeg u, menschen loopen niet weg als
zij het goed hebben; en als zij wegloopen, de arme schepsels, lijden
zij genoeg van honger en koude en angst, dat iedereen tegen hen is;
en hetzij wet of geene wet, dat zal ik nooit, zoo helpe mij God!"

"Mary, Mary, lieve, laat mij toch met u redeneeren!"

"Ik heb een hekel aan redeneeren, John, vooral aan het redeneeren
over zulke zaken. Gij politieke heeren hebt eene manier om over eene
zaak zooals zij eenvoudig is heen te redeneeren; en als het op de
practijk aankomt, gelooft gij er zelf niet aan. Ik ken u wel genoeg,
John. Gij gelooft evenmin dat zoo iets recht is als ik, en gij zoudt
het ook evenmin doen als ik."

Op dit netelige oogenblik stak de oude Cudjoe, de zwarte huisknecht,
zijn hoofd binnen de deur en vroeg of Mevrouw eens in de keuken wilde
komen; en onze senator, tamelijk blijde hierover, keek zijn vrouwtje
met een zonderlinge mengeling van lachlust en ergernis na, zette zich
toen op zijn gemak in zijn leuningstoel en begon de couranten te lezen.

Eene korte poos later hoorde hij de stem zijner vrouw voor de deur snel
en dringend zeggen: "John, John, ik wou dat ge eens even hier kwaamt."

Hij legde zijne courant neer, ging naar de keuken en deinsde verschrikt
en verbaasd terug op het gezicht dat hij daar ontmoette.--Eene
jonge, tengere vrouw, met gescheurde kleederen, waaraan overal ijs
was vastgevroren, en met een gewonden, bloedenden voet, waarvan de
schoen verloren en de kous afgescheurd was, lag in eene flauwte, alsof
zij dood was, op twee stoelen. Zij had het teeken van het verachte
geslacht om haar gezicht, maar niemand kon ongetroffen blijven voor
de treurige aandoenlijke schoonheid daarvan, terwijl de scherpe,
de koude, doodsche strakheid der trekken ook hem als van koude deed
huiveren. Hij haalde kort adem en bleef zwijgend staan. Zijne vrouw
en hunne eenige gekleurde meid, oude Tante Dina, waren met bijhelpen
bezig; terwijl Cudjoe een knaapje op zijne knie had genomen, het
schoenen en kousen had uitgetrokken om zijn voetjes te warmen.

"Zeker, als dat niet iets is om aan te zien!" zeide de oude Dina
medelijdend. "Denkelijk heeft de warmte haar doen flauw vallen. Zij
was tamelijk bijdehand, toen zij binnenkwam, en vroeg of zij zich hier
even mocht warmen; en ik wilde haar juist vragen waar zij vandaan kwam,
toen zij opeens flauw viel. Zij heeft nooit veel zwaar werk gedaan,
zou ik denken, aan hare handen te zien."

"Ongelukkig schepsel!" zeide mevrouw Bird treurig, toen de jonge vrouw
hare groote donkere oogen opende en haar verbijsterd starende aanzag.

Eensklaps kwam er een trek van zielsangst op haar gelaat en vloog
zij op, uitroepende: "O mijn Harry; hebben zij hem gekregen?"

Het knaapje sprong hierop van Cudjoe's knie, liep naar haar toe en
stak zijne armpjes uit.

"O, hier is hij! hier is hij!" riep zij uit.

"Ach, Mevrouw!" vervolgde zij, zich met verbijsterenden angst naar
Mevrouw Bird keerende; "bescherm ons toch! Laten zij hem niet krijgen!"

"Niemand zal u hier kwaad doen, arme vrouw," antwoordde Mevrouw Bird
bemoedigend. "Gij zijt veilig. Wees niet bevreesd."

"God zegene u," zeide de vrouw, hield hare handen voor haar gezicht
en snikte; terwijl het knaapje, toen het haar zag schreien, op haren
schoot poogde te komen.

Door vele teedere, vrouwelijke dienstbetooningen, die niemand
beter wist te bewijzen dan Mevrouw Bird, werd de arme vluchtelinge
langzamerhand tot meer kalmte gebracht. Er werd op eene rustbank
voor het vuur een bed voor haar gereedgemaakt, en na eene korte
poos viel zij in een zwaren slaap, terwijl het kind, dat niet minder
vermoeid scheen te zijn, gerust in haren arm sluimerde; want de moeder
wederstond met zenuwachtigen angst de vriendelijkste pogingen om het
van haar af te nemen, en zelfs in haren slaap hield zij het vast in
haren arm gekneld, alsof zij ook toen nog waakzaam bleef.

Mr. Bird en zijne vrouw waren weder naar de voorkamer gegaan, waar,
hoe vreemd het ook schijne, door geen van beiden het vroegere gesprek
weder werd aangeroerd. Mevrouw Bird hield zich met haar breiwerk bezig,
terwijl haar man deed alsof hij de courant las.

"Ik ben benieuwd wie en wat zij is," zeide Mr. Bird eindelijk, zijne
courant neerleggende.

"Als zij wakker wordt en zich wat uitgerust gevoelt, zullen wij zien,"
antwoordde Mevrouw.

"Zeg eens vrouw!" zeide Mr. Bird weder, nadat hij eene poos stil had
zitten peinzen.

"Wel, lieve?"

"Zou zij niet eene van uwe japonnen kunnen aandoen, met wat uitleggen
of zoo iets? Zij schijnt wat grooter te zijn dan gij."

Een zeer merkbare glimlach flikkerde over het gezicht van Mevrouw Bird,
toen zij antwoordde: "Wij zullen zien."

"Zeg eens, vrouw!"

"Wel, wat nu?"

"Wel, dien ouden bombazijnen mantel, dien gij alleen bewaard hebt om
mij mee toe te dekken,

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/27124