Ivanhoe
by Walter Scott · Dutch · Gutenberg #26564 · 1,131,604 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Ivanhoe
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Ivanhoe
Author: Walter Scott
Editor: Jan ten Brink
Translator: M. P. Lindo
Release date: September 9, 2008 [eBook #26564]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/26564
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IVANHOE ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Nieuwe Geïllustreerde Uitgave.
Meesterwerken van
Sir Walter Scott.
Ivanhoe.
Met gebruikmaking van de voortreffelijke vertaling
Van
Dr. M. P. Lindo.
Herzien en ingeleid
Door
Dr Jan ten Brink.
Rotterdam.--D. Bolle.
INLEIDING.
Dat een meesterstuk van Sir Walter Scott opnieuw in het Nederlandsch
wordt uitgegeven, schijnt mij een heugelijk teeken des tijds. Het
eigenaardig kenmerk der laatste jaren dezer eeuw--de steeds toenemende
dorst naar wijziging van het bestaande, naar het nog nooit vertoonde,
naar heropwekking van het reeds verouderde--heeft in de anders zoo
rustige republiek der letteren reeds onheils genoeg gebrouwen. De
herinnering aan een fraai letterkundig kunstwerk, voor driekwart
eeuw in het licht verschenen, doet nu bijna de uitwerking van een
heilzaam geneesmiddel. Van harte gaarne verleende ik mijne hulp bij
deze hernieuwde uitgaaf van den _Ivanhoe_ in onze taal.
Kunstenaars als Walter Scott laten een diepen indruk na op tijdgenoot
en nageslacht. De _historische roman_ in proza--als men pleegt te
spreken--werd door hem in het leven geroepen, en vond bijval in geheel
Europa. In Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland staat na
Walter Scott een heirleger van historische romanschrijvers op.
Het gaat evenwel niet aan den grooten Schotsen verteller voor
den schepper van een nieuw letterkundig genre te houden. Epische
behandeling van historische stof is zoo oud als de beschaving. Het
heldendicht is in zijn gebonden vorm, reeds een soort van historischen
roman. Geschiedschrijvers als Thucydides en Xenophon, chroniqueurs als
Ville-Hardouin en Froissart, maken door den levendigen dramatischen
vorm van het verhaal, door de ingevlochten redevoeringen der
aanvoerders, denzelfden indruk, als de historische-romanschrijvers uit
de school van Walter Scott. Men zou kunnen beweren, dat de historische
roman reeds in de XVIIe eeuw heeft bestaan, daar Mlle Madeleine de
Scudéry in 1649 haar grooten heroïschen roman, _Le grand Cyrus_,
begon, op welk boek Sir Walter Scott een beroep doet in het 31ste
hoofdstuk van zijn _Ivanhoe_.
Het ongemeene, het nieuwe in zijne _Waverley-Novels_ is, dat hij,
_voor het eerst_ met wetenschappelijken ijver voor historie en
archaeologie bezield, zich de taak oplegt een vervlogen tijdvak te
doen herleven met al de kleuren van het oogenblik, met geschiedkundige
juistheid van kostuum, architectuur, huisraad, zeden en gebruiken,
maar vooral met historische juistheid in de voorstelling van
karakters en denkbeelden, die in het gekozen tijdvak de maatschappij
beheerschten. In dit opzicht schiep hij iets nieuws, en bezielde
eene groote menigte van navolgers. In Engeland kwam Lord Lytton
hem het dichtst nabij, in Frankrijk Alfred de Vigny en Victor Hugo
(_Nôtre-Dame_, en _Quatrevingt-Treize_), in Duitschland Felix Dahn,
George Ebers en Robert Hamerling, ten onzent mevrouw Bosboom-Toussaint,
Mr. J. van Lennep, J. F. Oltmans en H. J. Schimmel. Denkt men bij de
lezing van _Ivanhoe_ aan de beide laatsten, dan schijnt bij Oltmans
de belegering van Loevestein eene verre navolging te leveren der
belegering van Torquilstone, den geduchten burcht van Front-de-Boeuf,
en bij Schimmel de heks op den toren van het Stichtsche kasteel aan
het slot der eerste afdeeling van _Sinjeur Semeyns_, eenigermate te
herinneren aan Ulrica, de Saksische heks, op de torens van Torquilstone
luid juichend over den door haar gestichten brand.
Walter Scott voltooide zijn _Ivanhoe_ in 1819, tijdens zijn 48ste
levensjaar, terwijl hij aan een sleepende ongesteldheid leed, en
een groot deel van dezen roman moest dicteeren. In Engeland overtrof
de bijval, aan _Ivanhoe_ geschonken, al wat vroeger tot lof zijner
voorafgaande kunstwerken gezegd was. Van de eerste editie, een
prachtuitgaaf met vele illustratiën, die meer dan een pond sterling
kostte, werden in zeer korten tijd 12000 exemplaren verkocht. (Zie
Dr. Felix Eberty, _Walter Scott, Ein Lebensbild_. (1860) I. 343).
Sedert 1819 tot heden is van de _Waverley-Novels_, van den _Ivanhoe_,
een niet te tellen aantal drukken verschenen. Amerikaansche nadrukken
voor 20 Amerikaansche centen, of Engelsche uitgaven voor een sixpence
het deel, hebben Walter Scott toegang gegeven tot de onaanzienlijkste
woningen--hij heeft in de beide halfronden ettelijken millioenen
lezers het hart veroverd.
De _Ivanhoe_ is zeer zeker eene zijner gelukkigste scheppingen. De stof
is bij uitstek geschikt tot eene episch-dichterlijke behandeling. Het
eind der XIIe eeuw in Engeland, tijdens de afwezigheid van den
ridderkoning Richard Leeuwenhart, die ter kruisvaart is getogen,
en heimelijk terugkeert--tijdens de samenzwering van Jan zonder
Land, en de meer en meer verwilderende plattelandsbevolking, die,
uitsluitend van Saksisch bloed, zich in de wouden als stroopers en
wilddieven terugtrekt--dit alles bood de stof voor een epos in proza.
Zij, die _Ivanhoe_ in de zorgelooze jongelingsjaren lazen, zullen voor
hun leven eene onvergetelijke herinnering behouden hebben--zullen
nimmer den statigen, epischen gang van het verhaal hebben vergeten,
waarin tal van echt epische personen in den vollen glans der
Normandische ridderlijke dapperheid te voorschijn treden.
Voor _Ivanhoe_ heeft de auteur zich zeer degelijke historische studiën
getroost. Hij kent vooral de middeleeuwsche chronijkschrijvers,
en al de middeleeuwsche volkszangen door Bisschop Percy in zijne
"_Reliques of English Poetry_" bijeengebracht. Hij doet het verschil
der onderdrukte Saksische landbevolking en van den heerschenden
Normandischen adel scherp uitkomen, en vermeit zich in het contrast van
beider beschavingstoestanden. Aan de zijde van den valschen regent,
later King John, teekent hij verschillende typen van Normandische
edelen: Reginald Front-de-Boeuf, den ruwen geweldenaar, die voor
geene gruwelen terugdeinst, als zij zijne hartstochten en zijne
inhaligheid kunnen dienen,--Brian de Bois-Guilbert, den sceptischen
Tempelier, die uit Palestina eene groote minachting voor de kerk
en de geestelijkheid heeft medegebracht,--en Maurice de Bracy, den
aanvoerder van eene bende lansknechten, die voor niets terugdeinzen,
als de woeste huurlingen, welke Oltmans onder de vanen van Perrol
met de roode hand in zijn _Schaapherder_ doet ten tooneele komen.
Naast deze Normandische wereld staat de Saksische, die zich beweegt
op het landgoed van Cedric, gezegd de Sakser, waar men kennis maakt
met de laatste afstammelinge der Saksische koningen, Lady Rowena,
met den geestigen nar Wamba, en den dienstman Gurth, Cedric's zoon
Wilfrid,--die met Richard Leeuwenhart naar Palestina trok, en daarom
door zijn vader als een slaaf der Normandische ridderidealen wordt
afgesneden uit de familie--speelt als heer van Ivanhoe de hoofdrol
in de tallooze tournooien en _joutes_, die het verhaal de hoogste
levendigheid bijzetten.
Juist hierin openbaart zich de nationaliteit van den
auteur. Niet in Schotland speelt in _Ivanhoe_ de handeling,
als elders bij Walter Scott, maar in Engeland, in de omstreken
van York en Ashby-de-la-Zouche. Toch is het echt Schotsch-Engelsch
levenselement--de strijd van man tegen man, de strijd, waarbij het op
de oefening van spieren, op de kracht van den arm en de vlugheid van
het geheele lichaam aankomt--voortdurend het hoofdonderwerp van het
verhaal. _Ivanhoe_ is de aaneengeschakelde beschrijving van allerlei
ridderlijke _sport_,--eerst het tournooi van Ashby-de-la-Zouche,
dan de belegering van den burcht van Reginald Front-de-Boeuf, dan
het godsgericht door de Tempeliers over de edele Jodin Rebekka,
dochter van Izaäk van York gehouden.
Het optreden van Richard Leeuwenhart, als Zwarte Ridder, zijne
persoonlijke heldendaden en ongeloofelijke spierkracht in het hanteeren
van zwaard, lans of strijdbijl--maken een boeienden epischen indruk,
verhoogd door het waas van geheimzinnigheid, dat geruimen tijd den
koning blijft omzweven. De Zwarte Ridder en zijne avonturen in het
woud met de vrijbuiters van Robin Hood behooren tot de amusantste
deelen der vertelling.
Het eenige wat ons nu als verouderd zou kunnen voorkomen, zijn de vrij
uitvoerige gesprekken, die tusschen de handelende personen dikwijls
moeten dienen, om historische feiten of maatschappelijke toestanden
uit het eind der XIIe eeuw in een helder licht te plaatsen. Maar juist
in deze uitvoerigheid, in den breeden, langzamen gang van handeling en
vertelling, schuilt de eigenaardigheid van Walter Scott's schrijftrant,
die ten slotte zijne lezers in triomf meesleept naar het welvoorbereide
slot.
De tegenwoordige uitgaaf volgt de Nederlandsche vertaling van
Dr. M. P. Lindo, die in 1872 te Leiden en Delft bij S. C. van
Doesburgh en Joh. Ykema het licht zag. Hier en daar zijn noodzakelijke
wijzigingen aangebracht, taal en stijl zijn doorgaande herzien. Een
enkele maal is aan den voet der bladzijde eene kleine historische
opheldering geplaatst.
Het schijnt mij, dat er gerust eene proeve kan genomen worden met het
opnieuw popularizeeren van Walter Scott voor Nederlandsche lezers. In
Engeland blijkt de belangstelling in den auteur der _Waverley-Novels_
uit de vele geschriften, die nog telkens aan zijn leven en geschriften
worden gewijd. In 1878 verscheen de monographie van Hutton, _Sir Walter
Scott_, in de verzameling onder den titel van _English men of Letters_
bekend; in 1884 schreef een Schotsch geleerde, Gilfillan, een nieuw
_Life of Sir Walter Scott_. In Duitschland werd zijn leven geschreven
door Dr. Felix Eberty (1860) en door Elze (1864)--en nog niet lang
geleden (1884) gaf een Schotsch predikant (Dickson) een boek uit over
het gebruik, dat Walter Scott van den Bijbel heeft gemaakt. (_The
Bible in Waverley or Sir Walter Scott's use of the Sacred Scriptures_).
In dit opzicht deelt Walter Scott het lot van groote auteurs--men heeft
betoogd, dat Shakespeare een bijzonder scherpzinnig botanist was,
en van Cervantes beweerde nog in 1842 een bekend Spaansch medicus,
Don Antonio Hernandez Morejon, dat hij een doorkneed patholoog en
psychiatricus geweest was, daar hij anders zijn held Don Quixote niet
zoo wetenschappelijk juist had kunnen schilderen.
EERSTE HOOFDSTUK.
Zoo spraken ze, onderwijl de herder voor den nacht
Het vette zwijnenheir van 't veld weer huiswaarts bracht,
Dat, onder luid geschreeuw en lastig tegenstreven,
Een ieder naar zijn kot, met moeite werd gedreven.
Odyssee.
In die aangename streken van het schoone Engeland, welke door de
rivier de Don bespoeld worden, strekte zich in vroegere tijden een
woud uit, dat het grootste gedeelte van de schoone bergen en dalen
bedekte, die tusschen Sheffield en de bekoorlijke stad Doncaster
liggen. De overblijfselen van dit uitgestrekte bosch zijn nog te
zien rondom de prachtige kasteelen van Wentworth, Warncliffe-Park
en Rotherham. Dáár spookte, in de aloude tijden, de fabelachtige
"Draak van Wantley"; dáár werden vele van de wanhopigste gevechten
geleverd, gedurende de burgeroorlogen tusschen de Witte en de Roode
Roos; en daar bloeiden ook oudtijds die benden dappere vrijbuiters,
wier daden in de Engelsche liederen zoo algemeen beroemd geworden zijn.
Dit is het hoofdtooneel van onze geschiedenis; de tijd, waarin dit
voorvalt, is tegen het einde van de Regeering van Richard I, toen
zijn terugkomst uit eene langdurige gevangenschap eerder gewenscht
dan verwacht werd door zijne wanhopige onderdanen, die intusschen aan
allerhande afpersingen van ondergeschikte dwingelanden blootgesteld
waren. De edelen, wier macht uitermate groot geworden was onder het
bewind van Steffen, en welke het beleid van Hendrik II slechts in
zekere mate aan de kroon onderworpen had, leverden zich nu weder, met
de grootste stoutheid, aan hunne vorige losbandigheid over; de zwakke
pogingen van den Engelschen Raad van Staat verachtende, versterkten
zij hunne kasteelen, vermeerderden het getal hunner afhangelingen,
maakten allen in het rond tot hunne vasallen, en spanden alle krachten
in, om zich aan het hoofd eener macht te plaatsen, die hen in staat
zou stellen, eene rol te spelen in de volksonlusten, welke men scheen
te moeten duchten.
De toestand van den minderen adel, of der _Franklins_, zooals zij
genoemd werden, welke, door de wet en den geest der Engelsche
staatsinrichting, het recht hadden bevrijd te blijven van de
dwingelandij der leenheeren, werd thans bijzonder hachelijk. Zoo
zij zich onder de bescherming van één der kleine koningen in
hunne nabuurschap stelden, eenigen leendienst bij hem aannamen,
of wederzijdsche overeenkomsten van bondgenootschap en bescherming
sloten, en hem in zijn ondernemingen ondersteunden,--hetgeen zij vrij
algemeen deden--konden zij, op deze wijze, inderdaad eene korte rust
koopen. Maar dit geschiedde ten koste van die onafhankelijkheid,
welke zoo dierbaar is aan ieder Engelsch hart, en met het zekere
vooruitzicht, om als strijdmakker in iederen vermetelen tocht gewikkeld
te worden, welken de eerzucht van hun beschermer hen mocht doen
ondernemen. Van den anderen kant waren de middelen tot knevelarij en
onderdrukking, welke de groote edelen bezaten, van zulk een aard en
zoo talrijk, dat hun nooit een voorwendsel, en zelden de wil ontbrak,
om hunne minder machtige naburen, die zich aan hun gezag te onttrekken
trachtten, en voor hun bescherming, in tijden van gevaar, op eigen
vreedzaam gedrag en de wetten des lands vertrouwden, te kwellen en
zelfs tot het uiterste te vervolgen.
Één omstandigheid, die grootendeels strekte om de dwingelandij der
edelen en het lijden der mindere standen te verergeren, ontsproot uit
de gevolgen van de Verovering, door Willem, Hertog van Normandië. Vier
geslachten waren niet voldoende geweest om het bloed der Normandiërs
en Angelsaksers te vermengen, of door een gemeenschappelijke taal
en belangen twee vijandige stammen te vereenigen, waarvan de één nog
steeds met den hoogmoed des zegepraals bezield was, terwijl de andere
onder al de gevolgen der nederlaag zuchtte. Door den slag bij Hastings
was de macht volkomen in de handen der Normandische edelen geraakt,
en, zooals onze geschiedschrijvers verzekeren, gebruikten zij die met
geen groote gematigdheid. Het geheele geslacht der Saksische vorsten
en edelen was, met weinige of geene uitzonderingen, uitgeroeid,
of van hun erfdeel beroofd; ook was het getal gering van hen, die
nog erven bezaten in het land hunner voorvaderen, en die geteld
konden worden onder de grondbezitters van de tweede, of van eene
nog mindere klasse. De koninklijke staatkunde werkte sedert lang,
om door alle, zoowel wettige als onwettige, middelen de kracht te
fnuiken van een gedeelte der bevolking, hetwelk te recht geoordeeld
werd, den meest ingewortelden haat tegen zijne overwinnaars te
koesteren. Alle vorsten van den Normandischen stam hadden de grootste
partijdigheid voor hunne Normandische onderdanen aan den dag gelegd:
de jacht wetten en vele andere, die geheel onbekend waren bij den
zachteren en vrijeren geest der Saksische staatsinrichting, waren den
onderworpen inwoners opgelegd, als het ware om gewicht te geven aan
de boeien, waarin zij door het leenstelsel geklonken waren. Aan het
Hof, en in de kasteelen der groote edelen, waar men de pracht en de
weelde van het Hof navolgde, was het Normandisch-Fransch de eenige
gebruikelijke taal, welke ook in de pleitreden en vonnissen bij de
gerechtshoven gebezigd werd. In het kort, het Fransch was de taal der
eer, der ridderschap, en zelfs der gerechtigheid, terwijl het veel
meer manhaftige en krachtige Angelsaksisch aan de landlieden en het
gemeen, die geen anderen tongval kenden, overgelaten werd. Intusschen
werd door het noodzakelijke verkeer tusschen de grondeigenaars en hun
minderen, welke den grond bebouwden, langzamerhand een tongval gevormd,
die het midden uitmaakte tusschen het Fransch en het Angelsaksisch,
en in welken zij zich wederkeerig verstaanbaar konden maken; hieruit
ontstond trapsgewijs de tegenwoordige Engelsche taal, waarin de spraak
der overwinnaars en die der overwonnenen zoo schoon ineen gesmolten
zijn, en welke later zoo rijkelijk vermeerderd werd door alles wat
men aan de klassieke talen, en aan die, welke de zuidelijke natiën van
Europa spreken, ontleend heeft. Ik heb het noodig geoordeeld, dit kort
overzicht te geven van den toenmaligen staat van zaken, ter algemeene
onderrichting van den lezer, die anders wellicht zou vergeten, dat,
ofschoon geen groote geschiedkundige gebeurtenissen, zooals oorlog
of opstand, het bestaan van de Angelsaksers als een afzonderlijk
volk, na de regeering van Willem II kenmerken, de groote nationale
geschillen evenwel, tusschen hen en hun overwinnaars, de herinnering
aan hetgeen zij vroeger geweest, en waartoe zij nu gebracht waren,
de wonden openhielden, welke de verovering geslagen had, tot onder de
regeering van Eduard III, en een scheidsmuur oprichtten tusschen de
afstammelingen van de Normandische overwinnaars en van de overwonnen
Saksers.
De ondergaande zon bestraalde een van de grasrijke, opene plekken
van het woud, waarvan wij in het begin van dit hoofdstuk gesproken
hebben. Honderden van breede, kortstammige eiken, die wellicht
den deftigen optocht der Romeinsche legioenen aanschouwd hadden,
strekten hunne breede, knoestige takken uit boven een zacht tapijt
van het heerlijkste groen. Op sommige plaatsen waren ze afgewisseld
door beuken, hulst en kreupelhout van verschillende soorten, zoo
dicht, dat ze de schuinsche stralen der ondergaande zon geheel
onderschepten. Op andere plekken waren openingen in het hout, die
vergezichten opleverden, in welker kronkelpaden het oog zich gaarne
verdiepte, terwijl de verbeelding ze beschouwde als de wegen, die tot
nog wildere tooneelen in het eenzame woud leidden. Hier flikkerden
de roode stralen der zon met een gebroken en flauwer licht, dat
gedeeltelijk de dorre takken en bemoste stammen der boomen, en ginds,
meer schitterend, de open plekken bescheen. Een groote ruimte, in het
midden van dit grasplein, scheen vroeger toegewijd te zijn geweest aan
de godsdienstplechtigheden der Druïden; want op den top van een heuvel,
die zoo regelmatig van vorm was, dat hij door kunst opgericht scheen,
stond nog een gedeelte van een kring van ruwe, onbewerkte, ontzaglijk
groote steenen. Zeven er van waren overeind; de overigen, van hunne
plaatsen verwijderd, waarschijnlijk door den ijver van eenige nieuw
bekeerde Christenen, lagen gedeeltelijk omvergeworpen in het rond,
en gedeeltelijk op de helling van den heuvel. Slechts één groote
steen had zijn weg tot den voet er van gevonden, en, door den loop
van een kleine beek te stremmen, welke langzaam in de diepte rondom
de hoogte kronkelde, verwekte hij een zacht gemurmel in het vreedzame
en anders stille water.
Twee gedaanten verlevendigden dit landschap; zij hadden in hunne
kleeding en in hun uiterlijk dat wilde en ruwe voorkomen, hetwelk in
die vroege tijden eigen was aan de boschbewoners van het westelijk
gedeelte van het graafschap York. De oudste dier mannen had een stroef,
woest en norsch gelaat. Zijn kleeding was zoo eenvoudig mogelijk;
zij bestond uit een nauw wambuis met mouwen, gemaakt uit de gelooide
huid van een dier, waarop men het haar gelaten had, dat echter op
zoo vele plaatsen was afgesleten, dat het moeielijk zou geweest zijn
uit het weinige overgeblevene te onderscheiden, aan welk soort van
dier het behoord had. Dit eenvoudige kleed reikte van de keel tot
op de knieën, en was de eenige dekking van het geheele lichaam; er
was aan den kraag geen ruimere opening dan noodig was om het hoofd
door te steken, waaruit men besluiten kan, dat het aangetrokken
werd door het over het hoofd en de schouders te halen, op de wijze
van een hedendaagsch hemd, of een oude maliënkolder. Sandalen, met
riemen van wildzwijnsleer vastgebonden, beschermden de voeten, en een
soort van rol van dun leder was kunstig om de beenen geslingerd tot
boven de kuit, de knieën bloot latende, gelijk die van een Schotschen
bergbewoner. Om het wambuis nog nauwer om het lichaam te doen sluiten,
was het om het middel door een breeden lederen gordel vastgebonden, met
een metalen gesp bevestigd; aan de eene zijde daarvan hing een soort
van zak, en aan de andere een ramshoren, met een mondstuk voorzien,
om op te blazen. In denzelfden gordel hing een van die lange, breede,
scherp gepunte en tweesnijdende messen, met een hoornen hecht, die in
de nabuurschap gemaakt werden, en die, zelfs in deze vroege tijden,
den naam van Sheffieldmessen droegen. Zijn hoofd was ongedekt en alleen
beschermd door zijn eigen dik haar, ongekamd en woest, en door de zon
donkerrood verbrand, eene tegenstelling opleverende met zijn baard,
die de wangen bedekte, en licht geel van kleur was. Er is nog slechts
één gedeelte van zijne kleeding over, dat te merkwaardig was om met
stilzwijgen voorbij gegaan te worden; het was een metalen ring, op
den halsband van een hond gelijkende, maar zonder eenige opening,
en om zijn hals vastgeklonken, los genoeg, dat de ademhaling niet
belemmerd werd, en toch zoo vast, dat hij niet anders dan met behulp
van de vijl kon afgenomen worden. Op dezen zonderlingen halsband
was met Saksische letters het volgende opschrift gesneden: "Gurth,
de zoon van Beowulf, geboren lijfeigene van Cedric van Rotherwood."
Naast dezen zwijnenhoeder, want dit was het beroep van Gurth, zat
op een der omgevallen gedenkteekenen der Druïden een man, die tien
jaren jonger scheen, en wiens kleeding, schoon nagenoeg van hetzelfde
maaksel als die van zijn makker, uit betere stoffen vervaardigd was,
en een zonderlinger voorkomen had. Zijn buis was purperkleurig,
en men had beproefd om wonderbaarlijke sieraden in verschillende
kleuren er op te schilderen. Behalve dit buis droeg hij een korten
mantel, die hem nauwelijks tot op de helft van het bovenbeen hing; dit
kleedingstuk was van karmozijnrood laken, vrij bemorst, met hooggeel
omzet; en daar hij het, naar verkiezing, van den eenen schouder op
den anderen, of geheel om zich heenslaan kon, zoo maakte de wijdte,
bij de lengte vergeleken, dat het er wonderlijk uitzag. Hij had dunne
zilveren armbanden, en een halsband van hetzelfde metaal, met het
opschrift: "Wamba, de zoon van Weetniet, lijfeigene van Cedric van
Rotherwood." Deze man droeg dezelfde soort van sandalen als zijn
makker; maar, in plaats van met lederen riemen, waren zijn beenen
bedekt met een soort van slobkousen, waarvan de eene rood en de andere
geel was. Hij was ook voorzien van een kap, met schelletjes behangen,
omtrent zoo groot als die, welke men de valken aandoet; ze klonken
zoo dikwijls hij liet hoofd draaide, en daar hij zelden één minuut in
dezelfde houding bleef, was het geluid bijna onophoudelijk. Rondom
de kap was een stijve lederen band, van boven uitgesneden in den
vorm eener kroon, terwijl er een lange puntige zak uit verrees,
en op den schouder nederviel, gelijk een ouderwetsche slaapmuts, of
de hoofdbedekking onzer huzaren. Aan dit gedeelte der kap waren de
belletjes bevestigd, die bij den aard van zijn hoofdsieraad, en de
half domme, half schrandere uitdrukking van zijn gelaat, genoegzaam
aanduidden, dat hij tot die narren of potsenmakers behoorde, welke
in de woningen der rijken gehouden werden, om de verveling van de
langdurige uren te verkorten, welke men verplicht was binnenshuis
door te brengen. Hij droeg, evenals zijn makker, een zak, aan den
gordel vastgemaakt, maar hij had noch horen noch mes, daar men hem
waarschijnlijk beschouwde als behoorende tot een klasse, aan welke het
gevaarlijk is, scherpe werktuigen toe te vertrouwen. Inplaats daarvan
was hij met een houten zwaard voorzien, op het wapen gelijkende,
waarmede Harlekijn zijn wonderen op het hedendaagsche tooneel verricht.
Het uiterlijk voorkomen van deze twee mannen vormde nauwelijks een
sterker contrast dan hun gelaat en gedrag. Dat van den lijfeigene
was treurig en stug; zijn blikken waren naar den grond geslagen,
met een uitdrukking van groote moedeloosheid, welke men bijna voor
wezenloosheid zou gehouden hebben, had niet het vuur, hetwelk van tot
tijd tot tijd in zijn beloopen oog schitterde, getoond, dat er onder
den schijn van sombere neerslachtigheid het besef schuilde van zijn
slaafschen stand en het verlangen, om zich daaraan te onttrekken. De
blikken van Wamba daarentegen duidden, zooals gewoonlijk bij menschen
van zijn aard, een soort van ledige nieuwsgierigheid en eene rustelooze
beweeglijkheid aan, te gelijk met de uiterste zelfvoldoening over zijn
stand en uiterlijk. Hun gesprek werd in het Angelsaksisch gevoerd,
hetwelk, zooals wij gezegd hebben, algemeen door de geringere klassen
gesproken werd, met uitzondering van de Normandische soldaten en de
afhangelingen, welke de groote leenheeren onmiddellijk omringden. Maar,
daar hun gesprek in het oorspronkelijke den lezer niet zeer
verstaanbaar zou zijn, geven wij hem daarvan de volgende vertaling:
"Dat de vloek van St. Withold die helsche zwijnen treffe!" bromde
de zwijnenhoeder, nadat hij uit al zijn macht op zijn horen geblazen
had, om de verstrooide kudde te verzamelen, welke, ofschoon ze zijn
geroep met even welluidende tonen beantwoordde, zich echter in het
geheel niet haastte om zich van het heerlijkste gastmaal van beuken
en eikels, waarvan ze vet werd, te verwijderen, of om de moerassige
oevers van de beek te verlaten, waar eenigen, half in modder gedompeld,
op hun gemak uitgestrekt lagen, zonder zich in het minste om de stem
van den herder te bekreunen. "De vloek van St. Withold treffe hen en
mij!" zeide Gurth; "zoo de tweebeenige wolf er vóór het vallen van
den nacht niet eenigen van wegpakt, dan heet ik geen Gurth! Hier,
Fangs! Fangs!" riep hij met alle geweld een ruigharigen wolfachtigen
hond toe, een soort van kreupele basterd, half bul- half windhond,
die rondliep alsof hij zijn meester bijstaan wilde, om de weêrspannige
varkens bijeen te verzamelen; maar welke inderdaad, hetzij dat hij
de teekens van den zwijnenhoeder verkeerdelijk begreep, hetzij uit
onkunde, of uit moedwillige boosaardigheid, ze slechts van den éénen
kant naar den anderen dreef, en het kwaad verergerde, dat hij had
moeten verhelpen. "Dat de duivel u de tanden uitrukke," riep Gurth,
"en dat de booze den boschwachter hale, die onzen honden de voorste
klauwen afsnijdt, en ze voor hun werk ongeschikt maakt [1]. Wamba! sta
op en help me, als gij een brave kerel zijt, loop om den berg heen,
om hun den wind af te winnen, en als gij dat gedaan hebt, kunt ge ze
even gemakkelijk voor u uitdrijven als onschuldige lammeren."
"Waarachtig," zei Wamba, zonder van de plaats te gaan, "ik heb mijn
beenen geraadpleegd, en ze zijn volkomen van gevoelen, dat het een
daad van hoogverraad, zoowel tegen mijn hoogen persoon als tegen mijn
koninklijke kleeding zou zijn, mijn bont pak door deze moerassen te
sleepen; daarom, Gurth, raad ik je, Fangs terug te roepen, en de kudde
aan het noodlot over te laten, want, als ze een troep rondtrekkende
soldaten, vrijbuiters of pelgrims ontmoet, kan het niet missen of
ze is vóór den morgen in Normandiërs veranderd, tot uw groot gemak
en verlichting."
"De zwijnen in Normandiërs veranderd, tot mijne verlichting!" hervatte
Gurth; "verklaar me dat, Wamba, want mijn brein is te suf en mijn
geest te geplaagd, om raadsels op te lossen."
"Wel, hoe noemt ge die knorrende beesten, die dáár op vier pooten
rondloopen?" vroeg Wamba.
"Zwijnen, nar, zwijnen," antwoordde de hoeder: "ieder gek weet dat."
"En zwijn is goed Saksisch," zei de nar; "maar hoe noemen de groote
lui het zwijn als het geslacht, gevild, afgehouwen en aan de pooten
opgehangen is, evenals een landsverrader?"
"_Porc!_ hernam de zwijnenhoeder.
"Ik ben blij, dat ieder gek dat ook weet," zei Wamba, "en _porc_, denk
ik, is goed Normandisch-Fransch. Zoolang het beest leeft, en door een
Saksischen lijfeigene gehoed wordt, heeft het een Saksischen naam;
maar liet wordt een Normandiër en _porc_ genoemd, zoodra het in het
kasteel gebracht wordt, om den edelen tot een maaltijd te dienen. Hoe
vindt ge dat, vriend Gurth?"
"Het is maar al te waar, vriend Wamba," hernam Gurth, "hoewel het in
uw zotshoofd is opgekomen."
"Wel, ik kan je nog meer zeggen," vervolgde Wamba op denzelfden toon;
"daar is de oude, deftige Stier, die houdt zijn Saksischen naam,
zoolang hij onder de zorg van lijfeigenen staat, maar hij wordt een
_Boeuf_, een volbloed Fransch heer, als hij voor de hoogaanzienlijke
kinnebakken komt, die hem moeten verteren. Mijnheer Kalf wordt op
deze wijze _Monsieur le Veau_; hij is een Sakser, als hij oppassing
noodig heeft, en wordt een Normandiër, zoodra hij een voorwerp van
genot wordt."
"Bij St. Dunstan," antwoordde Gurth, "ge spreekt droevige waarheid; er
is ons weinig meer overgelaten dan de lucht, die wij inademen, en deze
zelfs schijnt men ons nauwelijks te gunnen, en alleen om ons in staat
te stellen den arbeid, welken zij ons opleggen, te verrichten. Het
schoonste en vetste is voor hunne tafel; de beminnelijkste wordt hunne
bruid; de besten en braafsten moeten strijden voor vreemde meesters,
en hun gebeente verbleekt in verafgelegen landen, terwijl slechts
weinigen te huis overblijven, die den wil of de macht hebben den
ongelukkigen Sakser te beschermen. God zegene onzen heer Cedric; hij
heeft gehandeld als iemand, die zijn man staan durft; maar Reginald
Front-de-Boeuf komt zelf in deze streken, en wij zullen weldra zien,
hoe weinig Cedric's moeite baten zal.--Hier, hier!" riep hij weder,
de stem verheffende; "pak aan! pak aan! goed zoo! goed zoo! Fangs! je
hebt ze nu allen voor je; drijf ze maar voort, jongen!"
"Gurth," zei de nar, "ik geloof, dat gij mij voor een gek houdt,
anders zoudt gij niet zoo vermetel het hoofd in mijn mond steken. Één
wenk aan Reginald Front-de-Boeuf, of Filips de Malvoisin, dat ge
kwaad van de Normandiërs gesproken hebt, en ge zijt een verloren
zwijnenhoeder,--zij hangen u op aan den eersten besten boom, als een
schrikbeeld voor alle lasteraars van groote heeren."
"Hond, dat ge zijt, ge zoudt mij toch niet willen verraden," hernam
Gurth, "na mij verleid te hebben, zulke onvoorzichtige dingen te
zeggen?"
"Je verraden!" antwoordde de nar; "neen, dat ware een wijze streek;
een gek weet zich niet half zoo goed te redden;--maar stil, wie komt
daar?" zeide hij, naar een getrappel als van verscheidene paarden
luisterende, hetwelk hoorbaar begon te worden.
"Wat is er ons aan gelegen?" hervatte Gurth, die nu zijn kudde vóór
zich gekregen had, en ze met behulp van Fangs langs een van die lange
donkere lanen dreef, welke wij reeds getracht hebben te beschrijven.
"Maar ik moet de ruiters zien," antwoordde Wamba; "misschien komen
zij uit het land der Feeën, met een boodschap van koning Oberon."
"Verwenschte nar!" riep de zwijnenhoeder uit, "hoe durft gij van
dergelijke dingen spreken, terwijl een verschrikkelijk onweder in
de nabijheid woedt? Hoor, hoe de donder rommelt! En nooit zag ik in
den zomer den regen in zulke dikke, zware druppelen uit de wolken
vallen. De eiken kraken ook, niettegenstaande de windstilte, met
hun groote takken, alsof zij een storm verkondigden. Ge kunt wel
verstandig zijn, zoo ge maar wilt; geloof mij nu, en laten we ons
naar huis spoeden, voordat de storm begint te woeden, want het zal
een verschrikkelijke nacht worden!"
Wamba scheen de kracht van deze redeneering te beseffen, en volgde zijn
makker, die zijn tocht begon na een grooten stok opgenomen te hebben,
die op het gras naast hem lag. Deze tweede Eumaeus [2] haastte zich nu
door de laan te komen, met behulp van Fangs, de geheele luidruchtige
kudde vóór zich heen drijvende.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen,
Een vriend van de jacht en van 't horengeschal,
Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen;
Ook hield hij veel kostbare paarden op stal;
En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen,
Men kon op de winden het zweepgeklap hooren,
Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel,
Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel.
Chaucer.
In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker,
kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder
geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van
een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij
zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam,
na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren
tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de
anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het
karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was
klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was
die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt,
dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van
het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien
rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn
gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed
minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi
kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden,
die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen
wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem
eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij
naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon
zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend
was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en
kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet
met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje
vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer
verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze
dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de
eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van
ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft,
welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt.
Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten
muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte
van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat
hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met
al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen,
inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi
ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang,
door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een
leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik
bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten,
welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar,
ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en
het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken,
die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere
kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder
leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van
zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde
orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende,
zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen.
De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren,
rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante,
aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene
van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten,
maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden,
die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat
waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt
met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de
Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm
van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar,
en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet
vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende
gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger,
door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te
zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de
storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het
voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte
knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te
kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne
stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de
geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren,
en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het
genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den
weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog
de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking
aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst
werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag.
Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan
dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken
kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden
behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van
bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets,
dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen,
namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden
aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan
het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen
gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de
plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt;
de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes,
netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den
enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen,
en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een
langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was.
Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op
een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een
schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend
metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de
eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd;
aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang
slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede
schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje
fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn
mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild,
breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits
toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde
de daarop staande spreuk te lezen.
Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier
bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden,
dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land
[3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was
woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon
prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden,
en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen;
de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit
tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en
gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk
leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van
zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier
gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken
van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór
zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier
voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk
was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening
"_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is.
De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als
hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van
Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte,
vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware
paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top
tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze
Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden.
Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de
nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen
metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de
Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber
van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed,
van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met
zijne kloostergeloften.
Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het
gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de
Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn
open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat
voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den
adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt
was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De
vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het
gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van
haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te
verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud
ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak
met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best
afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_
bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den
jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te
spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen
wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende
om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te
boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon,
waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun
geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere
klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren
toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard;
en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden,
ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit
verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte
te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften
voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens
geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de
behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten
ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior
Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag
inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke
in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts
de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de
overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene
goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en
zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem
met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite,
mes fils_," vereerd werden.
Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens
bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo,
dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden:
"of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij
verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk
van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding
en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk,
dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd,
onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren
der Saksische boeren klonk.
"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende,
en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke
de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de
nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied
voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun
gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit
zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de
nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken.
"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba
bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking
niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare
kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na
deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen
op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een
goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren,
naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste
ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen
willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke
naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker
gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen."
"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen
schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet
verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_,
dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van
onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de
gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren
te helpen en te ondersteunen."
"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik
de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde
heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare
dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid."
"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter
in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende,
"en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_,
Prior Aymer?"
"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we
dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?"
"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor
het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste."
"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen
gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers
als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te
smeeken, die wij het recht hebben te vorderen."
"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den
weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de
gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als
een recht vorderen."
"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard
de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl
hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden.
Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met
een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van
zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot
en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid.
"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken,
dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken
en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen,
behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt,
die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba,
zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg
naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het
is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand
minder heilig dan de onze."
"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche
hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik
den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van,
of ik er heden avond zelf wel komen zal."
"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar
wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met
tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten;
hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel
zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat."
"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel
en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet,
al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in
het geheel niet raken."
"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde,
dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont."
"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden,
tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een
el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen
zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden,
eer de storm opkomt."
De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de
sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg
te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen
het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de
eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen
hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken."
"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat,
Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik
ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het
wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt."
"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer
jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric,
gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in
twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien
en zwijgen."
Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre
achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de
Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen
bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne
Saksische afkomst roem droegen.
"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige
onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom
weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?"
"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat,
kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou
praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht,
waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de
afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen
in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars
te toonen."
"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben,"
merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze
Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar
een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn
opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar,
Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want
als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden
zonder omslag."
"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden;
en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's
woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen
u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner
u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout,
achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van
zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch
waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt
de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op
zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der
_Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en
hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen
trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_,
dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan."
"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een
kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in
alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone
schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen
de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een
oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt."
"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts
een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan
zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich,
naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar,
als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen;
en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte
uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van
Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed,
niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen
echte zoon der Kerk."
"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de
schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!"
"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior;
"ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het
klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis."
"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld
worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi
meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior,
uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij
het tournooi te Ashby-de-la-Zouche."
"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge
wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en
geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer
beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over
ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric
de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is
hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor
mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten,
en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het
ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij
bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten
argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen
zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen
deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand
mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten,
welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen."
"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor
één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen,
waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou;
voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en
Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg,
om ons met geweld kwartier te verschaffen!"
"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior;
"maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft,
en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken
weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?"
"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan."
"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard
daarheen wees."
"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn
lichaam heen," hervatte de Tempelier.
Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in
dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden
waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk
bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan
was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood
is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied,
of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook
zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen."
"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van
Cedric den Sakser vragen," zei de Prior.
"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard
had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden,
schoon mij volkomen bekend."
"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo
gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne
bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen,
en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven,
die tot gids dienen wilde.
Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba
hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad
leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door
de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de
vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de
beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid
en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan,
dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw
wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior:
"Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser."
Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van
de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door
de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de
gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich
nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn
nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat
hij was?
"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het
antwoord.
"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te
strijden!" zei de Tempelier.
"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen
van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die
door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van
het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen,
dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan
zij afgezien hebben?"
De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel
hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids,
na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende.
"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij
voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene
plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote
ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den
bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette,
kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke
bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood
was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon
die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op
een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe
gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom
met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het
nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der
gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden,
welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den
binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen
door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van
nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden.
Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen,
die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen.
DERDE HOOFDSTUK.
Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen
Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen,
Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.--
Thomson's "Vrijheid."
In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar
buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit
ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd
waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak,
bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag
planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere
zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen
op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook
in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt,
had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis
van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht-
en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren,
welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden.
Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den
Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer
bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze
hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van
het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke
men _daïs_ noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en
de aanzienlijke bezoekers betreden.
Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars
op dezen _daïs_ geplaatst; van welker midden de langere en lagere
tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal
zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude
eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën
van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van
uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen
en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat
diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden,
eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige
plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak.
De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de _daïs_
uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag
een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd,
in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels,
was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde
muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed;
de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats
van stoelen.
Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan
de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke
het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun
Saksischen eeretitel ontleenden van: "de Brooduitdeelers." Bij ieder
van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met
ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een
dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in
rang slechts een _Thane_, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een
_Franklin_, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld
toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren
tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken
van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en
opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte,
maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd,
als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de
jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen,
opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort
van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed
gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want
hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig
werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was
altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn
lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide
zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs,
ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde.
Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den
hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, _minever_
genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar
men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing,
zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die
dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur,
die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn
voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren,
maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij
droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare
metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een
kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht
aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met
pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de
kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een
korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook
tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot
wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding
trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove
en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken
van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie
dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den _daïs_;
de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er
onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden,
zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele
groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote
koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men
dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten,
maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel
het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk
uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric's bord lag,
om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude,
grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling,
dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot
tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop
op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar
zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: "Weg, Balder,
weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!"
Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste
luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen
kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij
door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en
zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en
zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven
zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters,
waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van
den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de
wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang
geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom
der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral
in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden.
Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische _Thane_
ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen,
hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn
avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg
bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat
het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,--op zich
zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren
tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden,
deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die
rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van
tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn
gevuld, aanbood. "Waar blijft Jonkvrouw Rowena?" vroeg hij.
"Zij verandert alleen van hoofdtooi," antwoordde eene vrouwelijke
bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de
lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin
antwoordt: "Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel
aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger
bij het kleeden dan mijne meesteres."
Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend
"hm!" van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: "Ik hoop,
dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de
St. Janskerk wil gaan bidden;--maar wat, in 's duivels," vervolgde
hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene
afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde
te vreezen tegengesproken te worden, "wat houdt, in 's duivels naam,
Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van
de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige
herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem
tot een mijner knechts [4] gemaakt hebben."
Oswald, de schenker, hernam bescheiden, "dat het nauwelijks een uur
geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht
geluid had;" een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag
maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was.
"De duivel hale de klok," riep Cedric uit, "en den wreeden bastaard,
die het ingevoerd heeft, en den lagen slaaf, die het met een Saksische
tong aan een Saksisch oor noemt! De klok!" ging hij na eene stilte
voort, "ja, de klok, welke brave menschen verplicht het licht uit
te blusschen, opdat dieven en roovers hunne daden in het duistere
verrichten kunnen! Ja, die klok;--Reginald Front-de-Boeuf en Phillippe
de Malvoisin kennen het gebruik er van even goed, als Willem de
Bastaard zelf, of eenig ander Normandisch gelukzoeker, die bij Hastings
vocht. Ik zal vermoedelijk hooren, dat mijn eigendom is weggevoerd,
om de uitgehongerde bandieten, die zij alleen door roof en diefstal
kunnen onderhouden, van den hongerdood te redden; dat mijn getrouwe
slaaf vermoord is, en mijne kudden gestolen zijn;--en Wamba--waar is
Wamba? Heeft niet iemand gezegd, dat hij met Gurth was uitgegaan?"
Oswald beantwoordde deze vraag toestemmend.
"Wel--het wordt hoe langer hoe mooier! Hij is weggekaapt--de Saksische
nar--om den Normandischen heer te dienen. Gekken zijn wij inderdaad
allen, dat wij hun onderworpen zijn, en geschiktere voorwerpen voor
hunne verachting en hun spot, dan zij, die maar met een half verstand
geboren waren. Maar ik zal mij wreken," voegde hij er bij, toornig
over het veronderstelde onrecht, terwijl hij van zijn stoel opsprong
en zijn jachtspies greep: "ik zal mijne klachten voor den grooten raad
brengen, ik heb vrienden, ik heb aanhangers--man tegen man zal ik den
Normandiër in het strijdperk roepen; laat hem komen in staal en harnas,
en al wat den lafhartigen moed kan inboezemen; ik heb zulk een spies,
als deze, wel door een borstwering heen geworpen, driemaal zoo dik als
hunne schilden!--Misschien houden zij mij voor oud, maar zij zullen
ondervinden, dat, ofschoon ik alleen en kinderloos ben, het bloed van
Hereward nog door Cedric's aderen stroomt.--Ach Wilfrid! Wilfrid!" riep
hij op zachteren toon, "hadt gij uw onverstandigen hartstocht kunnen
beheerschen, dan stond uw vader niet in zijn ouderdom verlaten daar,
gelijk de eenzame eik, die zijn geknakte en onbeschermde takken tegen
de volle woede van den storm uitbreidt!" Deze herinnering scheen
zijn toorn in droefheid te veranderen. Zijn jachtspies neêrzettende,
nam hij weder plaats, sloeg de oogen naar den grond, en scheen geheel
in zwaarmoedige gedachten verzonken.
Uit deze overpeinzing werd Cedric plotseling gewekt door het geluid
van een horen, hetwelk beantwoord werd door het luidruchtig gehuil en
geblaf van alle honden in de zaal, en wel twintig of dertig anderen
in het overige gedeelte van het gebouw. Met behulp van den witten
stok, en van de bedienden, werd er spoedig een einde gemaakt aan
dit hondengeschreeuw.
"Naar de poort, knapen!" zeide de Sakser haastig, zoodra het gedruisch
in zoo verre bedaard was, dat de bedienden zijn stem verstaan
konden. "Gaat hooren, welke tijding ons die horen brengt;--denkelijk
verkondigt men ons de eene of andere gewelddadigheid en rooverij op
mijn gebied."
Een der bedienden, die in minder dan drie minuten teruggekeerd was,
meldde "dat de Prior Aymer van Jorvaulx, en de edele Ridder Brian de
Bois-Guilbert, Kommandeur van de krijgshaftige en eerwaardige orde der
Tempelieren, met een klein gevolg, gastvrijheid en huisvesting voor
den nacht verzochten, daar zij op weg waren naar een tournooi, dat
over twee dagen niet ver van Ashby-de-la-Zouche gehouden zou worden.
"Aymer, Prior Aymer? Brian de Bois-Guilbert?" bromde Cedric; "beide
Normandiërs; maar Normandiër of Sakser, de gastvrijheid van Rotherwood
moet niet geschonden worden; zij zijn welkom, daar zij goed gevonden
hebben hier aan te kloppen,--maar het zou mij nog meer welkom geweest
zijn, als zij verder gereden waren. Het zou echter beneden mij zijn,
over huisvesting voor een enkelen nacht en een avondmaal te morren; als
gasten zullen zelfs Normandiërs hun onbeschaamdheid beteugelen.--Ga,
Hundebert," zei hij tot een soort van _Major-domus_, die achter
hem stond met een witten staf; "ga, neem zes der bedienden mede,
en breng de vreemdelingen in het gastenvertrek. Zie naar hun paarden
en muilezels, en zorg, dat het hun gevolg aan niets ontbreke. Geef
hun andere kleederen, als zij die begeeren, vuur, en water om zich
te wasschen, en wijn en bier. Zeg aan de koks, dat zij schielijk
nog iets bij ons avondeten gereed moeten maken; en opdoen, wanneer
die vreemdelingen gereed zijn om er aan deel te nemen. Zeg hun,
Hundebert, dat Cedric zelf hen verwelkomen zou, zoo hij niet eene
gelofte gedaan had nooit verder dan drie stappen van den _daïs_
van zijn zaal iemand te gemoet te gaan, die niet van het koninklijk
Saksische bloed is. Ga heen! Verzorg hen goed; laten wij hen niet
in hun hoogmoed doen zeggen: de Saksische boer heeft tegelijk zijne
armoede en zijne gierigheid getoond."
De _Major-domus_ vertrok met verscheidene bedienden, om de bevelen van
zijn meester ten uitvoer te brengen. "Prior Aymer?" herhaalde Cedric,
Oswald aanziende: "de broeder, zoo ik mij niet vergis, van Giles de
Mauleverer, thans heer van Middleham?"
Oswald bevestigde dit eerbiedig.
"Zijn broeder woont op het landgoed, en heeft het vaderlijke erfdeel
vermeesterd van een beter geslacht, dan dat van Ulfgar van Middleham;
maar welk Normandisch edele doet dat niet? De prior is, zegt men,
een vrije en vroolijke priester, die meer van den wijnbeker en den
jachthoren, dan van het kerkklokje en het misboek houdt. Goed, laat
hem komen, hij zal welkom zijn. Hoe noemdet gij den Tempelier?"
"Brian de Bois-Guilbert."
"Bois-Guilbert," zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets
dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven,
zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom
hem.--"Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend--ten goede en
ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de
heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden,
hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een
hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor
den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn
teruggekeerd.--Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom
zijn.--Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest
schuimenden appelwijn, het dikste _morat_, het welriekendste _pigment_
[5] op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden
van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena,
dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij
het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen."
"Maar het zal haar bijzonder verlangen zijn," hernam Elgitha vlug,
"want zij is er altijd op gesteld het laatste nieuws uit Palestina
te vernemen."
Cedric wierp het neuswijze meisje een blik toe, die een snel opkomende
drift verried, maar Rowena, en allen, die haar toebehoorden, waren
veilig voor zijn toorn. Hij antwoordde dus slechts: "Stil, meisje, uw
tong is te voorbarig! Geef mijne boodschap aan uw meesteres, en laat
haar doen, zooals zij verkiest. Hier, tenminste, zal de afstammelinge
van Alfred nog als vorstin heerschen." Elgitha verliet het vertrek.
"Palestina!" herhaalde Cedric, "Palestina! hoe velen luisteren naar de
verhalen, welke losbandige kruisvaarders, of schijnheilige pelgrims uit
dat ongelukkig land medebrengen! Ik zou ook wel willen vragen--ook wel
onderzoeken, ook wel met een kloppend hart luisteren naar sprookjes,
waardoor listige reizigers onze gastvrijheid afbedelen;--maar
neen!--de zoon, die mij ongehoorzaam is geweest, is mijn zoon niet
meer; ook wil ik niet meer belang in zijn lot stellen, dan in dat
van den onwaardigsten onder de millioenen, die ooit het kruis op den
schouder droegen, zich in buitensporigheden en bloedschuld stortten,
en dit noemden: "Gods wil doen!""
Hij fronste de wenkbrauwen en sloeg de oogen voor een oogenblik op
den grond; toen hij weder opkeek, werden de vleugeldeuren aan het
benedeneinde van de zaal wijd opengeworpen, en, voorafgegaan door den
_Major-domus_ met zijn staf en vier bedienden met brandende fakkels,
traden de gasten het vertrek binnen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Ter feestdisch werd gebracht het vleesch van runder, geit,
Van 't vette zwijn en schaap, behoorlijk toebereid;
Het brood werd rondgedeeld; de bekers volgeschonken,
En allen zaten aan en aten zaâm en dronken.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Verwijderd zat alleen Ulysses, lager af,
Op nederiger plaats, die hem met voordacht gaf
Telemachus.
_Odyssee_, Boek XXI.
Prior Aymer had van de aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt, om
zijn rijkleed tegen een van nog kostbaarder stof te verwisselen, over
hetwelk hij een schoon geborduurden priestermantel droeg. Behalve
den grooten, gouden zegelring, welke zijn geestelijke waardigheid
aanduidde, waren zijn vingers, ofschoon strijdig met de kerkelijke
wet, met edelgesteenten versierd; zijn sandalen waren van het fijnste
leder, dat uit Spanje ingevoerd werd; zijn baard was zoo kort gesneden,
als de regels van zijn orde maar toelieten; en zijn geschoren kruin
was verborgen onder een rijk scharlaken kapje.
De kleeding van den Tempelier had ook een verandering ondergaan,
en, schoon met minder zorg versierd, was ze even rijk, en zijn
voorkomen meer indrukwekkend, dan dat van zijn metgezel. Hij had zijn
maliënkolder verwisseld tegen een onderkleed van donker purper zijde,
met bont omzet, waarover zijn lang, vlekkeloos wit bovenkleed in ruime
plooien hing. Het achthoekige kruis van zijn orde was op den schouder
van zijn mantel in zwart fluweel opgelegd. De hooge muts bedekte zijn
voorhoofd niet meer, dat alleen door zijn kort, dik gekruld, pikzwart
haar, dat overeenkwam met zijn buitengewoon donkere gelaatskleur,
overschaduwd was. Niets zou de bevalligheid en deftigheid van zijn
gang en zijn manieren overtroffen hebben, als deze niet ontsierd
waren geweest door een in het oog vallenden schijn van hoogmoed,
die zoo licht verkregen wordt door het uitoefenen van onbeperkt gezag.
Deze beide aanzienlijke mannen werden gevolgd door hunne bedienden,
en op een eerbiedigen afstand door hun gids, wiens persoon verder
niets belangwekkends had, dan de gewone kleeding van een pelgrim. Een
mantel van grof, zwart laken bedekte zijn geheele lichaam, en
geleek in snede op een hedendaagschen huzaren-mantel, met dezelfde
slippen tot bedekking der armen: deze droeg den naam van _Sclaveyn_,
of _Sclavoniër_. Grove sandalen, met riemen vastgebonden, aan zijn
bloote voeten, een hoed met breeden rand, met schelpen omzoomd, en
een lange staf met ijzer beslagen, aan welks boveneinde een palmtak
was vastgemaakt, voltooiden de kleeding van den pelgrim. Hij hield
zich zedig achter de laatsten van het gevolg, en bespeurende, dat
de benedenste tafel nauwelijks ruim genoeg was voor de bedienden van
Cedric en zijn gasten, ging hij op een bankje zitten, dat naast, of
bijna onder een breeden schoorsteen stond, en scheen zich te willen
bezighouden met zijn kleederen te drogen, tot het vertrek van den een
of ander ruimte aan de tafel zou maken, of tot de gastvrije hofmeester
hem op de plaats waar hij nu zat, met ververschingen zou voorzien.
Cedric stond op, ontving de vreemdelingen met eene waardige
gastvrijheid, en van het hoogere gedeelte van de zaal afstappende,
deed hij drie schreden naar hen toe, en wachtte toen, tot zij naderden.
"Het spijt mij, eerwaardige Prior," zeide hij, "dat mijne gelofte
mij verbiedt, om iemand in het huis mijner vaderen verder tegemoet
te gaan,--zelfs om zulke gasten als u en dezen dapperen Tempelier te
ontvangen. Maar mijn hofmeester heeft u de reden mijner schijnbare
onbeleefdheid verklaard. Laat mij ook om verschooning bidden, dat ik
in mijne moedertaal tot u spreek, en u tevens verzoeken mij daarin
te antwoorden, als gij er zoo veel van verstaat; zoo niet, ken ik
Normandisch genoeg, om uw gesprek te volgen."
"Geloften," hernam de Abt, "moeten ongeschonden blijven, waardige
_Franklin_, of vergun mij liever te zeggen, waardige _Thane_, ofschoon
deze titel verouderd is. Geloften zijn de banden, welke ons met den
hemel vereenigen, en die het offer aan het altaar binden; daarom
moeten zij--zooals ik reeds zeide--ongeschonden blijven, tenzij
onze heilige moeder, de kerk, het tegendeel beslisse. En wat de taal
betreft--ik gebruik gaarne die taal, welke mijn geëerde grootmoeder,
Hilda van Middleham, sprak, die in den reuk van heiligheid stierf,
weinig onder doende, naar ik geloof, voor haar roemrijke naamgenoote,
de heilige Hilda van Whitby, God zij harer ziel genadig!"
Toen de Prior deze, naar hij meende, verzoenende woorden had gesproken,
zeide zijn metgezel kort en nadrukkelijk: "Ik spreek altijd Fransch,
de taal van koning Richard en zijn edelen; maar ik versta de volkstaal
genoeg, om mij met de inboorlingen te kunnen onderhouden."
Cedric wierp den spreker een van die driftige, ongeduldige blikken toe,
welke vergelijkingen tusschen de beiden om den voorrang strijdende
natiën meestal bij hem uitlokten; maar, zich de plichten der
gastvrijheid herinnerende, onderdrukte hij ieder verder teeken van
ongenoegen, en een wenk met de hand gevende, liet hij zijn gasten
twee plaatsen dicht bij de zijne, maar een weinig lager, innemen,
en gaf een teeken, om het avondeten op te dragen.
Terwijl de bedienden zich haastten zijne bevelen ten uitvoer
te brengen, ontwaarde hij Gurth, den zwijnenhoeder, die zoo even
met zijn makker Wamba de zaal was binnen getreden. "Laat die trage
kerels hier komen!" riep de Sakser ongeduldig, en toen de schuldigen
voor den _daïs_ kwamen, duwde hij hun toe: "Hoe komt het, schelmen,
dat gij zoo lang daar buiten rond geslenterd hebt? Hebt gij uwe
kudde naar huis gebracht, Gurth, of is zij een buit der stroopers en
vrijbuiters geworden?"
"De kudde is in veiligheid, om u te dienen!" zeide Gurth.
"Maar het diende mij in het geheel niet," riep Cedric uit, "twee
uren lang het tegendeel te moeten gelooven, en hier op wraak te
zitten zinnen tegen mijn buren wegens een onrecht, dat zij mij niet
aangedaan hebben. Ik zeg het u, stokslagen en gevangenis zullen de
eerste overtreding van dien aard, die gij weder begaat, straffen!"
Gurth, die zijns meesters driftigen aard kende, waagde geene
verontschuldiging; maar de nar, die, uit kracht van zijn voorrecht als
potsenmaker, op Cedric's toegevendheid kon rekenen, antwoordde voor
hen beiden: "Waarlijk, oom Cedric, gij zijt heden avond verstandig
noch redelijk."
"Hoe!" zeide zijn meester; "gij zult naar de poortierswoning gezonden
worden en daar tucht leeren, als gij uw gekheid den teugel viert op
die manier."
"Eerst onderrichte mij uwe wijsheid!" hernam Wamba. "Is het billijk
en redelijk den één voor den misslag des anderen te straffen?"
"Zeker niet, nar!" antwoordde Cedric.
"Waarom wilt gij dan den armen Gurth laten slaan, oom, wegens de
schuld van zijn hond Fangs? Want ik kan er op zweren, dat wij op weg
geen minuut tijds verloren hebben, nadat wij onze kudde bij elkander
hadden; wat Fangs niet ten einde bracht voor Vespertijd."
"Hang Fangs dan op," zeide Cedric, zich haastig tot den zwijnenhoeder
wendende, "als het zijn schuld is; en maak dat gij een anderen hond
krijgt."
"Met verlof, oom," hervatte de nar; "dat zou weder geene stipte
rechtvaardigheid zijn; want het is de schuld van Fangs niet, dat hij
lam is, en de kudde niet bij elkander kon krijgen; maar de schuld
van hen, die zijn beide klauwen afgesneden hebben, waartoe de arme
drommel zeker zijne toestemming niet zou gegeven hebben, zoo men hem
geraadpleegd had."
"En wie heeft het gewaagd, een dier te verminken, dat aan mijn
lijfeigene toebehoort?" vroeg de Sakser, in toorn ontstekende.
"Wel, dat deed de oude Huib," zeide Wamba, "de jachtopziener van
den ridder Philippe de Malvoisin. Hij betrapte Fangs, terwijl hij
door het bosch dwaalde, en zeide, dat hij jacht op het wild maakte,
strijdig met het recht van zijn meester, als houtvester."
"De duivel hale Malvoisin," hervatte de Sakser, "en zijn opziener
daarbij! Ik zal hun leeren, dat het woud, volgens de boschwet, in
't geheel geen bosch meer is. Maar genoeg hiervan--Nar, ga op uwe
plaats--en gij, Gurth, neem een anderen hond, en zoo de opziener dien
durft aanraken, dan zal ik hem het boogschieten verleeren; men schelde
mij voor een lafaard uit, zoo ik hem niet den voorsten vinger van
de rechterhand afhouw--hij zal geen boog meer spannen.--Ik verzoek
u vergiffenis, waardige gasten; ik ben hier door buren omgeven,
die niet beter zijn dan de ongeloovigen in het Heilige Land, heer
Ridder. Maar uw geringe maaltijd staat gereed; bedient er u van,
en laat de goede wil de slechte kost verschoonen."
De maaltijd, intusschen, welke op tafel stond, behoefde geene
verontschuldigingen van den kant van den gastheer. Varkensvleesch,
op verschillende wijzen toebereid, stond op het benedeneinde der
tafel; alsook gevogelte, hertenvleesch, hazen- en geitengebraad
en verscheidene soorten van visch, met groote brooden, koeken, en
vruchten in honig ingelegd. De kleiner soorten van wild gevogelte,
dat er in overvloed was, werden niet in schotels voorgediend,
maar op kleine houten braadspitten, en door de pages en knechts,
die ze droegen, aan alle gasten aangeboden, die naar welgevallen
ervan afsneden. Naast ieder persoon van rang stond een zilveren
beker, en aan het benedeneinde der tafel groote drinkhorens. Toen de
maaltijd op het punt was van te beginnen, riep de _Major domus_, of
huishofmeester, eensklaps zijn staf verheffende, met luider stemme:
"Plaats voor Jonkvrouw Rowena!" Eene zijdeur aan het boveneinde der
zaal achter de eettafel ging open, en Rowena, door vier harer vrouwen
gevolgd, trad binnen. Cedric, ofschoon niet aangenaam verrast door de
verschijning van zijne pupil bij deze gelegenheid, ijlde haar tegemoet,
en geleidde haar met eerbiedige plechtigheid naar de verhevene plaats
aan zijne rechterhand, bestemd voor de vrouw des huizes. Allen stonden
op om haar te ontvangen; en, hunne begroeting met eene stomme buiging
beantwoordende, nam zij bevallig hare plaats aan de tafel in. Vóórdat
zij tijd had dit te doen, fluisterde echter de Tempelier den Prior toe:
"Ik zal bij het toernooi geen gouden ketting van u dragen. Gij hebt
den Chioswijn gewonnen!"
"Heb ik het niet gezegd?" antwoordde de Prior. "Maar matig uwe
verrukking, de _Franklin_ slaat u gade."
Zonder op deze waarschuwing te letten, en gewoon slechts naar de
ingeving van zijne wenschen te luisteren, hield Brian de Bois-Guilbert
het oog gevestigd op de Saksische schoonheid, die misschien des
te meer zijne verbeelding trof, omdat ze zoozeer van de Oostersche
Sultanes verschilde.
Geene vrouwelijke gestalte kon heerlijker zijn dan die van Rowena,
die, hoe rank ze ook was, door buitengewone grootte toch niet de
aandacht tot zich trok. Hare gelaatskleur was buitengemeen blank,
maar de edele vorm van haar hoofd en van haar trekken bewaarde voor
het gebrek aan uitdrukking, dat soms aan zeer blanke schoonheden
eigen is. Haar helderblauw oog, schitterend onder schoon geteekende,
bruine wenkbrauwen, die donker genoeg waren om het voorhoofd te doen
uitkomen, scheen even vurig als teeder, even gebiedend als smeekend
te zijn. Ofschoon zachtmoedigheid de gewone uitdrukking harer trekken
was, had het gevoel van meerderheid en de algemeene hulde, die men haar
bewees, blijkbaar aan de Saksische jonkvrouw iets hoogmoedigs gegeven,
dat met haar natuurlijken aanleg ineengesmolten was. Haar schoon haar,
tusschen bruin en blond in, was op grillige, doch bevallige wijze,
in talrijke krullen opgemaakt, waarbij de kunst waarschijnlijk de
natuur had bijgestaan. Deze lokken waren met edelgesteenten versierd,
en hingen in hun volle lengte neder, waaruit men de edele afkomst
en den vrijgeboren stand der maagd kon opmaken. Een gouden ketting,
waaraan een kleine reliquie van hetzelfde metaal was vastgemaakt,
hing om haar hals. Zij droeg armbanden om de bloote armen. Haar
kleeding bestond uit een onderkleed en lijfje van lichtgroene zijde,
waarover een lang, ruim gewaad hing, dat tot op den grond reikte en
wijde mouwen had, die ongeveer tot den elleboog gingen. Dit kleed was
karmozijnrood, en uit de allerfijnste wol gemaakt. Een zijden sluier,
met goud doorweven, was aan het bovenste gedeelte daarvan bevestigd,
welke, naar verkiezing, volgens de Spaansche mode over het gezicht en
den boezem kon getrokken worden, of als een draperie om de schouders
geslingerd.
Toen Rowena bespeurde, dat de oogen van den Tempelridder op haar
gevestigd waren, met een vuur, dat, vergeleken met de donkere holten
waarin zij zich bewogen, hun het voorkomen van gloeiende kolen gaf,
sloeg zij den sluier met waardigheid over het gelaat, als een teeken,
dat de stoute vrijheid van zijn blik haar mishaagde. Cedric zag de
beweging en begreep de oorzaak er van. "Heer Tempelier," zeide hij,
"de wangen van onze Saksische meisjes zijn nog niet genoeg aan de zon
gewend, om den stouten blik van een kruisvaarder te kunnen verdragen."
"Zoo ik beleedigd heb," hernam Brian, "dan verzoek ik vergiffenis,--dat
wil zeggen, ik vraag vergiffenis aan Jonkvrouw Rowena,--want de mate
mijner nederigheid laat niet toe, dat ik die elders inroep."
"Jonkvrouw Rowena," zeide de Prior, "heeft ons allen gestraft, door
de stoutheid van mijn vriend te kastijden. Ik wil hopen dat zij minder
wreed zal zijn voor den schitterenden stoet bij het toernooi."
"Het is nog onzeker of wij er heen gaan," zeide Cedric. "Ik ben geen
vriend van die ijdele vertooningen, die aan mijne voorouders onbekend
waren, toen Engeland vrij was."
"Laat ons evenwel hopen," hernam de Prior, "dat ons gezelschap u
moge overhalen om er heen te reizen; als de wegen zoo onveilig zijn,
is het geleide van Sir Brian de Bois-Guilbert niet te verachten."
"Heer Prior," antwoordde de Sakser, "waar ik ook in dit land gereisd
heb, tot hiertoe, heb ik, met behulp van mijn goed zwaard en van
mijn getrouwe dienaars, nog nooit vreemde hulp noodig gehad. Zoo
wij nu nog naar Ashby-de-la-Zouche gaan, dan doen wij dat met mijn
edelen buur en landsman Athelstane van Coningsburgh, en met een
gevolg, dat ons zoowel tegen vrijbuiters, als vijanden van hoogeren
stand zal beschermen.--Ik breng u dezen beker wijn toe, heer Prior,
welken gij, hoop ik, naar uw smaak zult vinden, en ik dank u voor uw
beleefdheid.--Maar zoo gij streng aan uw kloosterregel gehecht zijt,
en aan een dronk zure melk de voorkeur geeft, laat dan de beleefdheid
u niet dwingen, mij bescheid te doen."
"Neen," zei de Priester lachende, "het is alleen in onze abdij, dat
wij ons bij het _lac dulce_ of _lac acidum_ bepalen. Als wij met de
wereld verkeeren, volgen wij de gebruiken der wereld, en derhalve doe
ik u in dezen heerlijken wijn bescheid, en laat den zwakkeren drank
aan mijn leekebroeder over."
"En ik," zei de Tempelier, zijn beker met _Wassail_ [6] vullende, "ik
breng dezen dronk aan de schoone Rowena; want sedert haar naamgenoot,
lang geleden, dit gebruik in Engeland invoerde, is er nooit iemand deze
eer waardiger geweest dan zij. Op mijn woord, de ongelukkige Vortigern
verdiende vergiffenis, indien zijn eer en zijn koninklijk half zoo
veel in gevaar waren om schipbreuk te lijden, als zij nu zouden zijn."
"Spaar uw beleefdheid, heer Ridder!" hernam Rowena met waardigheid, en
zonder zich te ontsluieren; "of liever laat mij daarvan gebruik maken,
u te verzoeken mij het laatste nieuws uit Palestina te verhalen; een
onderwerp veel aangenamer voor Saksische ooren dan de complimenten,
welke de Fransche gewoonten medebrengen."
"Ik heb weinig belangrijks te verhalen," antwoordde Sir Brian de
Bois-Guilbert, "behalve de zekere tijding van een wapenstilstand
met Saladin."
Wamba, die zijne gewone plaats had ingenomen op een stoel, die met twee
ezelsooren versierd was, omtrent twee stappen achter den zetel van zijn
meester, die hem van tijd tot tijd spijzen van zijn eigen bord gaf,
een gunst echter, welke de nar met de lievelingshonden deelde--waarvan,
zooals wij reeds gezegd hebben, verscheidene tegenwoordig waren--viel
hem hier in de rede. Dáár zat Wamba, met een tafeltje voor zich,
de beenen onder den stoel gestoken, zijn gezicht vertrekkende als
een notenkraker, en de oogen half gesloten, evenwel oplettend iedere
gelegenheid bespiedende, om van zijn vrijheid als nar gebruik te maken.
"Deze wapenstilstanden met de ongeloovigen," riep hij uit, zonder er
zich aan te storen, hoe onverwacht hij den trotschen Tempelier in de
rede viel, "maken mij tot een oud man."
"Hoe zoo, schelm?" vroeg Cedric, terwijl zijn blikken toonden, dat
hij bereid was om de verwachte aardigheid gunstig op te nemen.
"Omdat ik," hernam Wamba, "mij herinner, dat er drie gedurende mijn
leven zijn gesloten, waarvan ieder vijftig jaren moest duren; zoodat,
bij elkander gerekend, ik ten minste honderd en vijftig jaren oud
moet zijn!"
"Ik wil er u echter borg voor staan, dat gij niet van ouderdom zult
sterven," zei de Tempelier, die nu zijn vriend uit het woud herkende;
"als gij voortgaat, zulke aanwijzingen aan reizigers te geven, als
gij dezen avond aan den Prior en mij gegeven hebt."
"Hoe, schurk!" stoof Cedric op; "reizigers den verkeerden weg
wijzen? Gij moet wat met de zweep hebben; gij zijt ten minste even
ondeugend als gek."
"Ik bid u, oom," antwoordde de nar, "laat mijne gekheid ditmaal mijn
schelmstuk verontschuldigen. Ik heb mij slechts tusschen mijne rechter-
en linkerhand vergist; en hij, die een nar tot raadsman en wegwijzer
neemt, moet eene kleine dwaling over het hoofd zien!"
Hier werd het gesprek afgebroken door het binnenkomen van den
poortierspage, die meldde, dat er een vreemdeling aan de poort was,
die toelating en gastvrijheid verzocht.
"Laat hem binnen," zeide Cedric, "wie hij ook zij;--een nacht, zooals
die, welke buiten woedt, dwingt zelfs wilde dieren bij de tammen
te schuilen, en bescherming te zoeken bij den mensch, hun vijand,
liever dan door het geweld der elementen om te komen. Laat in al
zijn behoeften voorzien--zorg gij er voor, Oswald!" En de hofmeester
verliet de eetzaal, om de bevelen van zijn meester te doen uitvoeren.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen,
zintuigen, gevoelens, zinnen, neigingen, hartstochten? Wordt
hij niet met hetzelfde voedsel gevoed, met dezelfde wapenen
gekwetst? Is hij niet aan dezelfde ziekten onderhevig? Wordt
hij niet door dezelfde geneesmiddelen genezen, door denzelfden
zomer en winter warm en koud gemaakt, als een Christen?
Koopman van Venetië.
Oswald fluisterde bij zijn terugkomst zijn meester in het oor: "Het
is een Jood, die zich Izaäk van York noemt; past het, dat wij hem in
de zaal brengen?"
"Laat Gurth uw ambt verrichten, Oswald," zei Wamba met zijn gewone
stoutheid: "de zwijnenhoeder is een geschikt geleider voor den Jood."
"Heilige Maria!" riep de Abt, het teeken van het kruis makende,
"zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?"
"Een hond van een Jood," schreeuwde de Tempelier, "zou een verdediger
van het Heilige Graf naderen!"
"Op mijn woord," zei Wamba, "de Tempeliers zijn meer op de erfenis
der Joden dan op hun gezelschap gesteld!"
"Bedaard, waarde gasten," zeide Cedric; "mijne gastvrijheid mag niet
door uwe ontevredenheid belemmerd worden. Zoo de Hemel de geheele
natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft,
dan een leek tellen kan, kunnen wij de tegenwoordigheid van één Jood
wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te
spreken of te eten.--Geeft hem een tafel en een schotel voor zich,
tenzij," zeide hij glimlachende, "deze getulbande vreemdelingen hem
in hun gezelschap willen opnemen."
"Edele Sakser," antwoordde de Tempelier, "mijne Saraceensche slaven
zijn echte Mohammedanen, en verachten zoo goed als een Christen de
gemeenschap met een Jood."
"Wel, waarlijk," zeide Wamba, "ik begrijp niet, waarom de vereerders
van Mohammed en den duivel zoo vele voorrechten zouden hebben, boven
het vroeger door den Hemel uitverkoren volk."
"Hij zal bij u zitten, Wamba," zeide Cedric; "de nar en de schelm
passen goed bij elkander."
"De nar," antwoordde Wamba, de overblijfselen van een ham in de
hoogte houdende, "zal zorg dragen, een bolwerk tegen den schelm op
te richten."
"Stil," zeide Cedric; "daar komt hij!"
Met weinig plechtigheid binnengeleid, vol vrees en aarzeling en
met vele ootmoedige buigingen binnentredende, naderde een lange,
magere grijsaard, die echter door de gewoonte van krom te gaan,
veel van zijn wezenlijke grootte verloren had, het benedeneinde der
tafel. Zijn scherpe en regelmatige trekken, zijn haviksneus, zijn
doordringende zwarte oogen, zijn hoog, gerimpelde voorhoofd, zijn
lang, grijs haar en lange baard hadden voor schoon kunnen doorgaan,
indien ze niet de onderscheidende kenteekens gedragen hadden van een
geslacht, dat in die onbeschaafde eeuwen evenzeer verfoeid werd door
het lichtgeloovige en bevooroordeelde gemeen, als vervolgd door den
inhaligen, roofzuchtigen adel, en dat, misschien door dezen haat
en die vervolging, over het algemeen een karakter had verkregen,
waarin, om het op het zachtst uit te drukken, tenminste veel laags
en onaangenaams was.
De kleeding van den Jood, die geweldig van den storm scheen geleden te
hebben, bestond uit een eenvoudig somber gewaad met vele plooien, en
een donker purperkleurig kleed er onder. Hij had wijde laarzen aan, met
bont gevoerd, en om zijn middel een gordel, waarin een klein mes hing
en een koker met schrijfgereedschappen, maar geen wapenen. Hij droeg
een hooge, vierkante, gele muts van zonderling maaksel, die aan zijn
natie was voorgeschreven, om die van de Christenen te onderscheiden,
en welke hij met groote nederigheid bij de deur van de zaal afnam.
De ontvangst van dezen man in de zaal van Cedric den Sakser had zelfs
den meest bevooroordeelden vijand van den Israëlitischen stam moeten
bevredigen. Cedric zelf knikte hem op zijn herhaald groeten slechts
koel toe, en gaf hem een wenk om aan het benedenste einde van de
tafel plaats te nemen, waar echter niemand geneigd scheen ruimte
voor hem te maken. Integendeel, terwijl hij de rij langs ging, een
vreesachtigen, smeekenden blik op iedereen werpende, die het lagere
einde der tafel bezette, haalden de Saksische bedienden de schouders
op, en gingen voort hun avondeten met grooten ijver te verslinden,
zonder in het minste acht te slaan op de behoeften van den nieuwen
gast. De bedienden van den Abt maakten een kruis, met teekens van
vromen afkeer, en zelfs streken de heidensche Saracenen, toen Izaäk
naderde, verontwaardigd de knevels op, en sloegen de hand aan den dolk,
alsof zij gereed waren, zich met geweld voor de gevreesde bezoedeling
zijner aanraking te vrijwaren.
Mogelijk zouden dezelfde beweegredenen, die Cedric aangezet hadden,
zijn zaal voor dezen zoon van een verstooten volk te openen, hem ook
bewogen hebben, zijn bedienden een meerdere vriendelijkheid jegens
Izaäk aan te bevelen, had niet de Abt hem juist op dit oogenblik in
een belangrijk gesprek gewikkeld, over het ras en den aard zijner
lievelingshonden, hetwelk hij niet zou afgebroken hebben voor zaken
van veel grooter gewicht, dan dat een Jood zich zonder eten te slapen
moest leggen. Terwijl Izaäk dus van het gezelschap uitgestooten stond,
evenals zijn volk onder de natiën, te vergeefs naar een welkomstgroet
en een rustplaatsje omziende, kreeg de pelgrim, die bij den haard zat,
medelijden met hem, en stond hem zijn stoel af, deze paar woordjes
zeggende: "Oude man, mijn kleederen zijn droog, mijn honger is
gestild; gij zijt nog nat en hongerig." Dit zeggende, legde hij de
op den grooten haard verstrooide stukken hout bij elkander, en blies
het vuur aan; hij nam van de groote tafel een schotel met soep en
gekookt geitenvleesch, zette dien op de kleine tafel, aan welke hij
zelf gegeten had, en zonder den dank van den Jood af te wachten, ging
hij naar de andere zijde van de zaal. Of dit geschiedde, omdat hij
niet in nader gesprek wilde treden met het voorwerp zijner mildheid,
of omdat hij wenschte bij het boveneinde der tafel te komen, scheen
niet duidelijk.
Waren er in die dagen schilders geweest, in staat om zoo iets voor te
stellen, dan zou de Jood, terwijl hij zijn magere gedaante voorover
boog, en zijn verkleumde en bevende handen boven het vuur hield, geen
slecht voorbeeld eener verpersoonlijking van den Winter opgeleverd
hebben. Na zich verwarmd te hebben, keerde hij zich begeerig naar den
rookenden schotel, die hem was voorgezet, en at met een haast en een
zichtbaar genoegen, die schenen aan te duiden, dat hij in lang niets
genoten had.
Intusschen zetten de Abt en Cedric hun gesprek over de jacht
voort. Jonkvrouw Rowena scheen verdiept in een gesprek met een harer
vrouwen; en de trotsche Tempelier, wiens oog beurtelings op den Jood
en op de Saksische schoone scheen gevestigd te zijn, was blijkbaar
in diep gepeins verzonken.
"Het verwondert mij, waardige Cedric," zei de Abt, "dat gij,
niettegenstaande uwe groote vooringenomenheid met uwe eigene krachtige
taal, niet het Normandisch-Fransch tenminste uwe gunst waardig keurt,
voor zoo verre dit het jachtwezen betreft. Er is zeker geene taal, die
zoo rijk is in de verschillende spreekwijzen, welke het jachtvermaak
vordert, of die aan den ervaren jager meerdere middelen aan de hand
geeft, om zijn heerlijke kunst te beschrijven."
"Eerwaarde vader," hernam de Sakser, "ik moet u zeggen, dat ik weinig
werk maak van die overzeesche verfijningen, zonder welke ik mij zeer
goed in het bosch vermaken kan. Ik kan op mijn horen blazen, zonder
het geluid òf _recheate_ òf _morte_ te noemen. Ik kan mijn honden op
het wild aandrijven, en ik kan het vel van een hert aftrekken en het
dier uithalen als het gedood is, zonder de nieuwmodische wartaal van
_curée_, _arbor_, _nombles_, die van den fabelachtigen Sir Tristram
afstamt, te gebruiken." [7]
"Het Fransch," zei de Tempelier, zijne stem verheffende, op den
verwaanden en gebiedenden toon, die hem bij alle gelegenheden eigen
was, "is niet alleen de natuurlijke taal van de jacht, maar die van
de liefde en van den oorlog, waarmede men de vrouwen moet overwinnen
en de vijanden verslaan."
"Doe mij bescheid in een beker wijn, heer Tempelier," zeide Cedric,
"en schenk den Abt ook in, terwijl ik een dertig jaren achteruit
zal gaan, om u iets anders te verhalen. Zooals Cedric de Sakser
toen was, behoefde zijn eenvoudige Saksische taal niet door Fransche
minnezangers opgesmukt te worden, als hij die in het oor eener schoone
wilde fluisteren; en het veld van Northallerton, bij den slag van den
Heiligen Standaard, kan getuigen, of het Saksische krijgsgeschreeuw
niet even ver in de gelederen van het Schotsche leger gehoord werd,
als de _cri de guerre_ van de stoutmoedige Normandische edelen. De
nagedachtenis van de dapperen, die daar gevochten hebben! Doet mij
bescheid, mijn gasten!" Hij nam een fiksche teug, en vervolgde met
toenemend vuur: "Ha! dat was een dag! Toen werden er wat schilden
gespleten; honderd banieren wapperden boven het hoofd der dapperen;
het bloed stroomde als water, en men wilde liever sterven dan
vluchten. Een Saksische _Bard_ zou dien dag een feest der zwaarden
genoemd hebben--eene vergadering der arenden over den buit--een
geklater van schilden en helmen; een veldgeschrei, vroolijker dan
het gejuich eener bruiloft. Maar onze _Barden_ zijn verdwenen; onze
daden worden vergeten bij die van een anderen stam; onze taal, zelfs
onze naam snelt ten ondergang, en niemand treurt er om behalve een
eenzame grijsaard. Schenker, jongen! vul de bekers--op het welzijn
der dappersten, heer Tempelier, van welken stam ze ook zijn, en welke
taal ze ook spreken mogen, die thans met het meeste vuur in Palestina
voor het heilige kruis strijden!"
"Het betaamt geen Ridder, die dit kruis draagt, hierop te antwoorden,"
zeide Sir Brian de Bois-Guilbert; "maar aan wien, behalve de gezworen
kampvechters van het Heilige Graf, kan de palm toegewezen worden
onder de strijders voor het kruis?"
"Aan de Hospitaal-Ridders," zei de Abt; "ik heb daar een broeder
onder."
"Ik wil hun roem niet te kort doen," zei de Tempelier, "maar--"
"Mij dunkt, vriend Cedric," zeide Wamba, hem in de rede vallende, "dat,
als Koning Richard Leeuwenhart de wijsheid had gehad, den raad van een
nar te volgen, hij met zijn dappere Normandiërs te huis zou gebleven
zijn, en de herovering van Jeruzalem aan diezelfde ridders overgelaten
hebben, die de meeste schuld aan het verlies daarvan hadden."
"Waren er geenen in des Konings leger," zeide Rowena, "wier namen
waardig zijn, naast de Ridders van den Tempel en van St. Johannes
genoemd te worden?"
"Vergeef mij, Jonkvrouw," antwoordde de Bois-Guilbert, "de Koning
heeft, inderdaad, een schaar dappere krijgslieden naar Palestina
gebracht, die alléén behoeven onder te doen voor hen, die altijd het
bolwerk van het Heilige Land geweest zijn."
"Ze behoeven voor _niemand_ onder te doen," zei de pelgrim, die er
dicht genoeg bij gestaan had, om te kunnen hooren, en met blijkbaar
ongeduld naar het gesprek geluisterd had. Allen keerden zich naar
hem, van wien deze onverwachte verzekering kwam. "Ik zeg," herhaalde
de pelgrim op vasten toon, "dat onze ridders voor niemand behoeven
onder te doen, die ooit het zwaard tot verdediging van het Heilige
Land getrokken heeft. Ik zeg ook nog, want ik heb het gezien, dat
Koning Richard zelf en vijf van zijn ridders een toernooi hielden na
de inneming van St. Jean d'Acre, tegen ieder, die in het strijdperk
durfde treden. Ik zeg, dat op dezen dag ieder ridder driemaal streed,
en drie vijanden ten onderen bracht. Ik voeg er bij, dat zeven dezer
aanvallers Tempeliers waren--en Ridder Brian de Bois-Guilbert is zeer
wel overtuigd van de waarheid van hetgeen ik u vertel."
Het is onmogelijk de woede te schilderen, welke het zwartbruine
gezicht van den Tempelier nog donkerder kleurde. In de overmaat van
zijn toorn en zijn beschaming, tastten zijn bevende vingers naar het
gevest van zijn zwaard, en misschien werden ze alleen teruggehouden
door de gedachte, dat er geen daad van geweld in die plaats en in
zulk gezelschap veilig kon gepleegd worden. Cedric, wiens gedachten
zonder argwaan waren en zelden door meer dan één voorwerp tegelijk
bezig gehouden werden, lette bij de vreugde, waarmede hij van den roem
zijner landslieden hoorde spreken, niet op de toornige verlegenheid van
zijn gast. "Ik zal u dezen gouden armband geven, Pelgrim," zeide hij,
"zoo gij mij de namen opnoemt van de ridders, die zoo heldhaftig den
roem van het schoone Engeland opgehouden hebben."
"Dat zal ik van ganscher harte doen," hernam de pelgrim, "en zonder
loon; daar mijne gelofte mij verbiedt, gedurende een zekeren tijd
goud aan te raken."
"Ik zal den armband voor u dragen, zoo gij wilt, vriend Pelgrim,"
zeide Wamba.
"De eerste in eer en in de wapenen, in roem en in stand," zei de
pelgrim, "was de dappere Richard, Koning van Engeland."
"Ik vergeef hem!" riep Cedric, "ik vergeef hem zijne afkomst van den
dwingeland Willem!"
"De Graaf van Leicester was de tweede," ging de pelgrim voort;
"Sir Thomas Multon van Gilsland was de derde."
"Die is tenminste van Saksische afkomst," riep Cedric met vreugde uit.
"Sir Foulk Doilly, de vierde," zei de pelgrim.
"Ook een Sakser, tenminste van moeders zijde," hernam Cedric, die met
de grootste oplettendheid luisterde, en zijn haat tegen de Normandiërs
voor het oogenblik vergat, in de vreugde over de zegepraal van den
Koning van Engeland en zijn Saksische onderdanen. "En wie was de
vijfde?" vroeg hij.
"De vijfde was Sir Edwin Turneham."
"Een echte Sakser, bij de ziel van Hengist!" riep Cedric uit. "En de
zesde?" ging hij met drift voort; "hoe heet de zesde?"
"De zesde," hervatte de pelgrim na een oogenblik zwijgens, terwijl
hij iets scheen te bedenken, "was een jonge ridder van minderen
roem en stand; in dat eervolle gezelschap opgenomen, minder om de
onderneming te steunen, dan wel om het getal vol te maken--zijn naam
is mij ontgaan."
"Heer Pelgrim," zei Sir Brian de Bois-Guilbert verachtelijk, "deze
geveinsde vergetelheid, nadat gij u zoo veel hebt te binnen gebracht,
komt te laat, om aan uw doel te beantwoorden. Ik zelf zal u den naam
noemen van den ridder, voor wiens lans het noodlot en de schuld van
mijn paard mij deden bukken--het was de ridder van Ivanhoe: ook was
er onder de zes niet één, die, zijn jaren in aanmerking genomen, meer
roem in de wapenen verworven had.--Maar dit wil ik luide zeggen, dat,
als hij in Engeland was, en bij het toernooi deze week de uitdaging
van St. Jean d'Acre durfde herhalen, ik hem met het paard dat ik hier
heb, en gewapend zooals ik thans ben, ieder voordeel der wapenen zou
toestaan, en dan den uitslag afwachten."
"Als uwe tegenpartij hier ware, zou uwe uitdaging weldra beantwoord
worden," hernam de pelgrim. "Zooals de zaak echter staat, behoeft
gij deze vreedzame zaal niet te verontrusten met uwe snoeverij, over
den uitslag van een gevecht, hetwelk gij wel weet, dat geen plaats
kan vinden. Zoo Ivanhoe ooit uit Palestina terugkomt, wil ik er borg
voor staan, dat hij het tweegevecht niet afslaat."
"Een fraaie borg!" zei de Tempelier, "en wat kunt gij tot pand geven?"
"Deze reliquie," antwoordde de pelgrim, een ivoren doosje uit den
boezem trekkende, en een kruis makende; "die een stuk van het ware
kruis bevat, en die ik medegebracht heb uit het klooster van den
berg Carmel."
De Prior van Jorvaulx maakte een kruis, en zeide een _paternoster_ op,
waaraan allen eerbiedig deel namen, behalve de Jood, de Mohammedanen,
en de Tempelier, welke laatste, zonder zijn hoofd te ontblooten,
of eenigen eerbied voor de heiligheid der reliquie te toonen,
een gouden keten van den hals nam, welke hij op de tafel wierp,
terwijl hij uitriep: "Laat Prior Aymer mijn pand en dat van dien
naamloozen landlooper bewaren, als een teeken, dat, als de Ridder
van Ivanhoe binnen de Britsche zeeën komt, hij op de uitdaging van
Brian de Bois-Guilbert moet antwoorden; en, zoo hij ze niet aanneemt,
zal ik hem voor een lafaard bij alle Tempeliers van Europa uitmaken."
"Dat zal niet noodig zijn," zei Jonkvrouw Rowena, haar stilzwijgen
brekende; "mijn stem zal gehoord worden, zoo geen andere in deze zaal
zich ten voordeele van den afwezigen Ivanhoe verheft. Ik verzeker,
dat hij iedere eervolle uitdaging ridderlijk zal aannemen. Kon mijn
geringe borgtocht eenige meerdere waarde geven aan het onschatbare
woord van den heiligen pelgrim, zoo zou ik naam en eer verpanden,
dat Ivanhoe dezen trotschen ridder de gevraagde voldoening geeft."
Een menigte tegenstrijdige gevoelens scheen gedurende dit gesprek
Cedric vervuld en zwijgende gehouden te hebben. Gestreelde hoogmoed,
toorn, verlegenheid, verjaagden elkander op zijn breed, open voorhoofd,
gelijk de schaduw der wolken, die over een korenveld drijven, terwijl
zijne bedienden, op welken de naam van den zesden ridder een bijna
tooverachtige uitwerking scheen te hebben, vol verwachting op het
gelaat van hun meester staarden. Maar toen Rowena sprak, scheen de
klank van haar stem hem uit zijn gepeins te wekken.
"Rowena," zeide Cedric, "dat past niet; ware een verder pand noodig,
dan zou ik zelf, hoe beleedigd, en zwaar beleedigd, ik door hem ben,
evenwel met mijn eer voor die van Ivanhoe instaan. Maar het onderpand
voor den strijd is voldoende, zelfs volgens de zonderlinge gebruiken
van de Normandische ridderschap;--niet waar, eerwaarde vader Aymer?"
"Zoo is het," hernam de Prior, "en de heilige reliquie en de kostbare
keten zal ik veilig in de schatkist van het klooster bewaren, tot de
kampstrijd beslist is."
Na deze woorden maakte hij verscheidene malen het teeken van het kruis,
en na vele kniebuigingen en geprevelde gebeden, gaf hij de reliquie
aan broeder Ambrosius, zijn dienstbaren monnik over, terwijl hij zelf
met mindere plechtigheden, maar misschien met niet minder inwendig
genoegen, den gouden ketting nam, en in een met welriekend leêr
gevoerden zak deed, die onder zijn arm hing. "En nu, Sir Cedric," zeide
hij, "de kracht van uw goeden wijn doet mij de slaapklok hooren. Sta
ons toe, nog één beker op het welzijn der schoone Rowena te ledigen,
en veroorloof dan dat wij ons ter rust begeven."
"Bij het kruis van Bromholme," zei de Sakser, "gij doet uw roem
weinig eer aan, heer Prior! De faam noemt u een dapperen monnik,
die de vroegmis hoort luiden, eer hij zijn beker verlaat; en ik
vreesde dat gij mij op mijn ouden dag zoudt beschaamd maken. Maar,
op mijn woord, een twaalfjarige Saksische knaap zou, in mijn tijd,
zijn beker niet zoo vroeg verlaten hebben."
De Prior had evenwel bijzondere redenen om matig te blijven. Hij was
niet alleen van beroep een vredemaker, maar van aard een vijand van
alle twisten en geschillen. Dit was niet geheel uit liefde voor
zijn naasten, en ook niet geheel uit eigenliefde, maar uit een
mengeling van beide. Bij de tegenwoordige gelegenheid vreesde hij
het driftig karakter van den Sakser, en voorzag het gevaar, dat de
onbuigzame en trotsche geest, waarvan zijn metgezel reeds zoo vele
blijken had gegeven, eindelijk eene onaangename uitbarsting zou kunnen
veroorzaken. Hij gaf derhalve beleefd te kennen, dat ieder inboorling
van een ander land buiten staat was, den feestelijken kampstrijd in
het drinken tegen een geharden en sterkhoofdigen Sakser vol te houden;
hij maakte met een enkel woord gewag van zijn geestelijken stand, en
eindigde met op zijn voorstel, om ter rust te begeven, aan te dringen.
De afscheidsbeker werd dus rondgegeven, en, na een diepe buiging
voor hun gastheer en Rowena, stonden de gasten op en vervoegden zich
bij de anderen in de zaal, terwijl de hoofden der familie zich door
onderscheidene deuren met hun bedienden verwijderden.
"Ongeloovige hond," zei de Tempelier tot den Jood Izaäk, terwijl hij
hem in het gedrang voorbijging, "reist gij ook naar het toernooi?"
"Dat is mijn voornemen," hernam Izaäk, eene allernederigste buiging
makende, "als de zeer gestrenge en eerwaardige heer Ridder dit
vergunt."
"Ha!" zei de Ridder, "om aan de ingewanden van onze ridderschap met
uw woeker te knagen, en vrouwen en kinderen met opschik en speelgoed
te bedriegen.--Ik beloof u een vetten buit in uw Jodenzak."
"Geen zilveren penning, geen stuiver, geen duit--zoo waar mij de God
Abrahams helpe!" zei de Jood, de handen ineen slaande; "ik ga daar
slechts heen om den bijstand van eenigen van mijn volk te zoeken, om
de boete te betalen, welke de Schatmeester der Joden [8] mij opgelegd
heeft.--Vader Jacob sta mij bij!--Ik ben een arme Jood--zelfs de rok,
dien ik draag, is geleend van Ruben van Tadcaster."
"Vervloekte, valsche leugenaar!" antwoordde de Tempelier met een
schamperen glimlach, en verder gaande, alsof hij zich niet verwaardigde
langer met hem te spreken, praatte hij met zijn Turksche slaven
in een taal, welke de omstanders niet verstonden. De arme Israëliet
scheen zoo verschrikt over de toespraak van den krijgshaftigen monnik,
dat de Tempelier aan het einde van de zaal was gekomen, eer hij het
hoofd weder ophief uit zijne ootmoedige houding, en diens vertrek
bespeurde. Toen hij weder rondzag, was het met het verbaasde gelaat
van een mensch, voor wiens oogen de bliksem is ingeslagen, en dien
nog het schrikkelijk geraas van den donder in de ooren weergalmt.
De Tempelier en de Prior werden kort daarna naar hun slaapvertrekken
geleid door den huishofmeester en den schenker, ieder van twee
fakkeldragers en twee bedienden met ververschingen vergezeld,
terwijl mindere bedienden aan hun gevolg en aan de overige gasten de
slaapplaatsen aanwezen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Ik bewijs hem dezen dienst alleen uit vriendschap,
En neemt hij ze aan, 't is goed--zoo niet, vaarwel;
Maar doet mij daarom, bid ik u, geen onrecht aan.
Koopman van Venetië.
Terwijl de pelgrim, voorgelicht door een fakkeldrager, door de
ineenloopende vertrekken van het groote en onregelmatige gebouw ging,
kwam de schenker hem achterna, en fluisterde hem in het oor, dat,
zoo hij er niet tegen had een beker in zijn kamer meê te drinken,
er een groot aantal bedienden van het huis waren, die gaarne het
nieuws wilden hooren, dat hij uit het Heilige Land had medegebracht,
en voornamelijk dat, hetwelk den ridder van Ivanhoe betrof. Om
het voorstel aannemelijker te maken, zeide Wamba dat één beker na
middernacht zoo goed was, als drie na het avondklokje. Zonder eene
stelling te betwisten, die op zulk gezag berustte, dankte de pelgrim
voor hunne beleefdheid, maar merkte aan, dat hij bij zijne heilige
gelofte de verplichting had op zich genomen, om nooit in de keuken
van zaken te spreken, die in de zaal verboden waren. "Die gelofte,"
zeide Wamba tot den schenker, "zou een bediende slecht te pas komen."
De schenker haalde verdrietig de schouders op. "Ik was van plan
hem eene mooie kamer aan te wijzen," zeide hij: "maar, daar hij zoo
ongezellig jegens Christenen is, moet hij het eerste gat naast Izaäk
den Jood maar innemen.--Anwold," zei hij tot den fakkeldrager, "breng
den pelgrim naar de zuider cel.--Ik wensch u goeden nacht," ging hij
voort, "heer pelgrim, met weinig dank voor uwe geringe beleefdheid!"
"Goeden nacht en onze Lieve Vrouw zegene u!" antwoordde de pelgrim
bedaard, en volgde zijn leidsman.
In eene kleine voorkamer, waarin zich verscheidene deuren bevonden en
welke door een kleine ijzeren lamp verlicht werd, werden zij weder
opgehouden door eene kamenier van Jonkvrouw Rowena, die op een toon
van gezag zeide, dat hare meesteres den pelgrim wenschte te spreken,
de toorts uit Anwolds handen nam, en, na hem bevolen te hebben op
hare terugkomst te wachten, den vreemdeling een wenk gaf haar te
volgen. Waarschijnlijk hield hij het niet voor gepast dit verzoek,
evenals het vorige, te weigeren; want, ofschoon zijne houding eenige
verwondering over de uitnoodiging te kennen gaf, gehoorzaamde hij
zonder antwoord of tegenwerping. Een korte gang en zeven trappen
opwaarts, waarvan ieder uit een sterken eiken balk bestond, brachten
hem bij Jonkvrouw Rowena in een vertrek, welks pracht van de achting,
die haar de heer des huizes bewees, getuigde. De muren waren met
geborduurd behangsel bekleed, waarop in bonte zijde, met goud-
en zilverdraad doorweven, de vermaken der valkenjacht afgebeeld
waren; zoo kunstig als men dat in die eeuwen vermocht. Het bed was
met hetzelfde rijke behangsel versierd, en door purperen gordijnen
omgeven. De stoelen hadden bonte zittingen, en één er van, hooger
dan de overigen, was voorzien van een voetenbankje van schoon bewerkt
ivoor. Niet minder dan vier zilveren kandelaars, met groote waskaarsen,
dienden ter verlichting van het vertrek. Geen hedendaagsche schoone
behoeft echter de pracht eener Saksische Prinses te benijden. De
muren der kamer waren zoo slecht gemaakt, en zoo vol scheuren, dat
het rijke behangsel met den nachtwind golfde, en in weerwil van een
soort van scherm, flikkerde de vlam der kaarsen onophoudelijk in
den tocht. Pracht heerschte er met eenig ruw streven naar smaak,
maar weinig gemak, dat, daar men het niet kende, ook niet gemist werd.
Rowena zat op de reeds genoemde soort van troon, terwijl drie van
haar dienaressen daarachter stonden, en haar het haar opmaakten, voor
dat zij ter ruste ging. Zij scheen geboren om de algemeene hulde te
ontvangen, en de pelgrim betuigde de zijne door eene diepe kniebuiging.
"Sta op, pelgrim!" zeide zij vriendelijk. "De verdediger van een
afwezige heeft recht op eene gunstige ontvangst van allen, die de
waarheid achten, en de dapperheid vereeren." Hierop zeide zij tot
haar gevolg: "Verwijdert u allen, behalve Elgitha; ik wil met dezen
heiligen pelgrim spreken."
De meisjes begaven zich, zonder het vertrek te verlaten, naar het
uiterste einde daarvan, en gingen op een lage bank tegen den muur
zitten, waar zij sprakeloos als beelden bleven zitten, ofschoon zij
op zulk een afstand waren, dat haar gefluister het gesprek van haar
meesteres niet zou gestoord hebben.
"Pelgrim," zei de Jonkvrouw na eene korte stilte, waarin zij onzeker
scheen, hoe zij hem zou aanspreken; "gij hebt heden avond een naam
genoemd--ik meen," ging zij met eene zekere inspanning voort, "den
naam van Ivanhoe, in zalen, waar hij door het recht der geboorte en
der bloedverwantschap zeer gewenscht had moeten klinken; en toch,
zoo vijandig is het noodlot, dat ik alleen onder zoo velen, wier
hart bij dezen naam van vreugde trillen moest, het waag te vragen,
waar en in welken toestand gij hem gelaten hebt, van wien er sprake
was? Wij hebben gehoord, dat hij, wegens verzwakte gezondheid in
Palestina achter gebleven, na het vertrek van het Engelsche leger,
aan de vervolgingen der Fransche partij was blootgesteld, waaraan de
Tempeliers, zooals bekend is, toegedaan zijn."
"Ik weet weinig van den Ridder Ivanhoe!" antwoordde de pelgrim met
ontroerde stem. "Ik zou wel wenschen hem beter te kennen, daar gij,
edele Jonkvrouw, belang in zijn lot stelt. Hij is, naar ik meen,
aan de vervolgingen zijner vijanden in Palestina ontkomen, en staat
op het punt naar Engeland terug te keeren, en gij, Jonkvrouw, zult
beter weten dan ik, welk lot hem hier wacht."
Rowena zuchtte diep, en vroeg meer bijzonder, wanneer Ridder Ivanhoe
in zijn vaderland mocht verwacht worden, en of hij op weg niet aan
groote gevaren zou blootgesteld zijn. Wat het eerste punt aangaat
betuigde de pelgrim volstrekt niet onderricht te wezen; op het tweede
antwoordde hij, dat de reis veilig kon gedaan worden over Venetië en
Genua, en van daar over Frankrijk naar Engeland. "Ivanhoe," zeide hij,
"is zoo goed bekend met de taal en zeden der Franschen, dat er niet de
minste vrees voor eenig ongeluk op dat gedeelte zijner reis bestaat."
"Gave de Hemel," zeide Rowena, "dat hij hier veilig aangekomen ware,
en in staat om aan het naderend toernooi deel te nemen, waarin
men verwacht, dat de ridderschap van ons land haar behendigheid en
dapperheid ten toon zal spreiden. Indien Athelstane van Coningsburgh
den prijs behaalt, zal Ivanhoe waarschijnlijk slechte tijdingen bij
zijn aankomst in Engeland vernemen. Hoe zag hij er uit, vreemdeling,
toen gij hem voor het laatst gezien hebt? Heeft de ziekte zijne
krachten en kloekheid verminderd?"
"Hij was donkerder en tengerder geworden," antwoordde de pelgrim, "dan
toen hij in het gevolg van Richard Leeuwenhart van Cyprus aankwam,
en op zijn voorhoofd was zware zorg te lezen, maar ik kwam niet in
zijne nabijheid, daar ik hem niet ken."
"Ik vrees," hernam de Jonkvrouw, "dat hij in zijn vaderland weinig
zal vinden, om die wolken van zijn gelaat te verdrijven. Ik dank
u, goede pelgrim, voor uwe tijding, omtrent den makker mijner
kindsheid. Meisjes," riep zij, "nadert--biedt dezen heiligen man,
dien ik niet langer van zijn rust berooven wil, den slaapdrank aan."
Een der vrouwen bood een zilveren beker aan, met een kostbaren drank
van wijn en specerij vervaardigd, gevuld, dien Rowena eventjes aan
de lippen zette. Daarop werd hij den pelgrim toegereikt, die na een
diepe buiging er eenige druppelen van proefde.
"Neem deze gift aan, vriend," vervolgde de Jonkvrouw, hem een goudstuk
aanbiedende; "uit erkentelijkheid voor uwe moeielijke reis en uit
eerbied voor de heiligdommen, die gij bezocht hebt."
De pelgrim nam het geschenk met eene tweede nederige buiging aan,
en verliet toen met Elgitha het vertrek.
In de zijkamer vond hij zijn leidsman, Anwold, die de fakkel uit
de hand der kamenier nemende, hem met meer haast dan beleefdheid
naar een belendend, slecht gedeelte van het huis geleidde, waar een
aantal kleine vertrekken, of veeleer cellen, tot slaapplaatsen voor
de mindere bedienden en vreemdelingen van lagen rang ingericht waren.
"Waar slaapt de Jood?" vroeg de pelgrim.
"Die ongeloovige hond," antwoordde Anwold, "ligt in de cel naast uwe
heiligheid. Bij St. Dunstan! wat moet ze schoongemaakt en gezuiverd
worden, eer ze weder goed genoeg voor een Christenmensch is!"
"En waar slaapt Gurth, de zwijnenhoeder?" zeide hij.
"Gurth," hernam de lijfeigene, "slaapt in de cel aan uwe rechterhand,
zooals de Jood aan uwe linker; gij dient, om den zoon Israëls
van hetgeen zijn stam verafschuwt, te scheiden. Zoo gij Oswalds
uitnoodiging hadt aangenomen, zou u eene meer eervolle plaats te
beurt gevallen zijn."
"Het is zóó goed," zeide de pelgrim; "het gezelschap zelfs van een
Jood kan door een eiken beschot heen niet verontreinigen."
Met deze woorden ging hij in het hem aangewezen verblijf, en, de fakkel
uit de hand van den bediende nemende, bedankte hij, en wenschte hem
goeden nacht. Na de deur van zijn cel gesloten te hebben, plaatste
hij de fakkel in een houten kandelaar, en zag in zijn slaapvertrek
rond, welks huisraad van de eenvoudigste soort was. Het bestond uit
een ruwen houten stoel en een nog ruwere bedstede, met stroo gevuld,
waarop twee of drie schapenvellen in plaats van dekens lagen.
Nadat hij de fakkel uitgebluscht had, wierp zich de pelgrim zonder
zijn kleederen af te leggen, op zijn hard leger, en sliep, of bleef
tenminste in zijn liggende houding, tot de eerste zonnestralen den weg
vonden door het kleine tralievenster, dat tegelijk diende om lucht
en licht in dit ellendig vertrek door te laten. Hij sprong toen op,
en na zijn morgengebed gedaan, en zijne kleeding in orde gebracht
te hebben, verliet hij zijn cel en trad in die van den Jood Izaäk,
de klink zoo zacht mogelijk oplichtende.
De Jood lag in onrustigen slaap op een soortgelijk bed als dat,
waarop de pelgrim den nacht had doorgebracht. De kleedingstukken,
die hij den vorigen avond had afgelegd, lagen dicht bij hem,
alsof hij wilde voorkomen, dat ze gedurende zijn slaap gestolen
werden. Zijn gelaat drukte een ongerustheid uit, die bijna aan
doodsangst grensde. Handen en armen bewogen zich krampachtig, als
wilde hij de nachtmerrie afweren; en behalve vele uitroepingen in
het Hebreeuwsch, waren de volgende in het Normandisch-Saksisch, of de
gemengde landstaal, duidelijk hoorbaar: "In naam van den God Abrahams,
hebt medelijden met een ongelukkigen grijsaard! Ik ben arm, ik bezit
geen penning--en al rekten uw ijzers mijn ledematen uit elkander, ik
kon u toch niet voldoen!" De pelgrim wachtte het einde van den droom
des Joods niet af, maar stootte hem met zijn pelgrimsstaf aan. Deze
aanraking vermeerderde, zooals gewoonlijk in den droom het geval is,
zijne vrees; want de oude man sprong op, zijn grijs haar rees ten
berge, en eenige van zijn kleêren om zich heen slingerende, terwijl
hij de overigen met den greep van een roofvogel vasthield, vestigde
hij zijn doordringende, schitterende zwarte oogen met wilden schrik
en angstige vrees op den pelgrim.
"Vrees niets van mij, Izaäk," zei de pelgrim; "ik kom tot u als
vriend."
"De God van Israël vergelde het u!" hernam de Jood, zeer verlicht;
"ik droomde--maar vader Abraham zij geloofd! het was slechts een
droom!" Hierop tot zich zelven komende, voegde hij er op zijn gewonen
toon bij: "en wat begeert gij zoo vroeg van den armen Jood?"
"Ik kwam u zeggen," antwoordde de pelgrim, "dat, zoo gij dit huis
niet oogenblikkelijk verlaat, en met spoed reist, uw tocht gevaarlijk
kan worden."
"Heilige vader," zei de Jood, "wie zou er belang bij hebben, zulk
een armen ellendeling, als ik ben, in gevaar te brengen?"
"De reden zult gij zelf best weten," hernam de pelgrim; "maar laat
ik u zeggen, dat, toen de Tempelier gisteren avond door de zaal ging,
hij met zijn Turksche slaven in de Saraceensche taal sprak, die ik wel
versta, en hun beval dezen morgen den Jood op weg op te wachten, hem
op een geschikten afstand van dit huis te vatten, en naar het kasteel
van Philip de Malvoisin, of van Reginald Front-de-Boeuf te brengen."
Het is onmogelijk, den schrik te schilderen, die den Jood op
dit bericht overviel en in eens al zijne krachten scheen te
verlammen. Zijne armen zakten machteloos neer, en zijn hoofd hing op
zijne borst; zijne knieën knikten onder zijn gewicht, iedere zenuw en
spier van zijn lichaam scheen ineen te krimpen en alle veerkracht te
verliezen, en hij viel voor des pelgrims voeten neder, niet als iemand
die zich vernedert, die nederknielt, of zich nederwerpt om medelijden
in te roepen, maar als door onzichtbaar geweld ter neder geslagen,
zonder dat hij eenigen tegenstand kan bieden.
"Heilige God Abrahams!" was zijn eerste uitroep, terwijl hij de
gerimpelde handen ineen sloeg en ophief, maar zonder zijn grijs hoofd
van den grond op te beuren; "O heilige Mozes! o gezegende Aäron! ik
heb dien droom niet tevergeefs gehad! Ik gevoel hunne ijzers reeds
mijne zenuwen uittrekken! Ik gevoel hunne pijnigingen reeds door mijn
geheele lichaam woelen, evenals de zagen en ijzeren eggen en bijlen
de mannen van Rabbah en van de steden der kinderen Ammon's vernielden!"
"Sta op, Izaäk, en luister naar mij," zei de pelgrim, die zijn
overdrevene droefheid met een medelijdenden blik aanschouwde;
die echter met verachting vermengd was; "gij hebt wel reden om te
schrikken, als gij bedenkt, hoe uwe broeders behandeld zijn, zoowel
door vorsten als edelen, om hun schatten af te persen; maar sta op,
zeg ik, en ik zal u de middelen ter ontkoming aan de hand geven;
verlaat dit huis oogenblikkelijk, terwijl de bewoners nog rustig
slapen na het feest van gisteren avond. Ik zal u langs geheime paden
in het bosch geleiden, die mij even goed bekend zijn als den besten
jager, die ze doorkruist, en ik zal u niet verlaten, voordat gij
onder bescherming van den een of anderen ridder of edele zijt, die
naar het toernooi reist; en gij hebt waarschijnlijk wel de middelen,
om welwillendheid te verwerven."
Toen Izaäk de hoop hoorde uiten, dat hij zou kunnen ontsnappen,
begon hij langzamerhand, als het ware duim voor duim van den grond
op te rijzen, tot hij op de knieën lag, zijn lang grijs haar en zijn
baard terug strijkende, en zijn doordringend zwart oog op den pelgrim
vestigende, met een blik, die tegelijk hoop, vrees en ook eenigen
achterdocht uitdrukte. Maar, zoodra hij het einde van de aanspraak
hoorde, scheen zijn eerste schrik in volle kracht te herleven, en hij
viel nog eens op de knieën, uitroepende: "_Ik_ de middelen bezitten,
om welwillendheid te verwerven! Helaas! er is maar één weg, om de gunst
van een Christen te verkrijgen; en hoe kan de arme Jood dien vinden,
als hij reeds door afpersing zoo arm geworden is als Lazarus?" Hierop,
alsof de achterdocht de overhand kreeg op zijne andere gewaarwordingen,
riep hij plotseling uit: "Om Gods wil, jongeling, verraad mij niet--ter
liefde van den grooten Vader, die ons allen geschapen heeft, Jood en
Heiden, Israëliet en Ismaëliet--pleeg geen verraad aan mij! Ik bezit
de middelen niet, om de welwillendheid van een Christen bedelaar
te verwerven, al wilde hij mij die voor één penning schenken." Na
deze woorden stond hij op, en vatte den mantel des pelgrims met een
ernstig smeekenden blik. De pelgrim maakte zich los, alsof hij door
de aanraking besmet werd.
"En al waart gij met al den rijkdom van uw stam beladen," zeide hij,
"waarom zou ik u leed doen?--in dit gewaad ben ik aan de armoede
gewend, en wilde ze tegen niets ruilen, dan tegen een paard en een
wapenrusting. Denk echter niet, dat ik om uw gezelschap verlegen ben,
of mij er eenig voordeel van beloof; blijf hier, zoo gij wilt--Cedric
de Sakser zal u beschermen."
"Ach!" zei de Jood, "hij zal mij niet onder zijn gevolg laten
medereizen--de Sakser en de Normandiër schamen zich beiden voor den
armen Israëliet; en alleen te reizen door het gebied van Philip de
Malvoisin en Reginald Front-de-Boeuf.... Goede jongeling, ik wil
met u gaan!--Laten wij ons haasten--onze lendenen omgorden--laat ons
vluchten!--Hier is uw staf, waarom draalt gij?"
"Ik draal niet," antwoordde de pelgrim, toegevende aan de dringende
beden van zijn makker; "maar ik moet middelen vinden, om deze plaats
te verlaten--volg mij."
Hij ging vooruit naar de naaste cel, die, zooals de lezer weet, door
Gurth den zwijnenhoeder bezet was.--"Sta op, Gurth," riep de pelgrim,
"open de achterpoort, en laat den Jood en mij er uit!"
Gurth, wiens bezigheid, schoon thans zoo veracht, hem evenveel
gewicht gaf in het Saksische Engeland, als aan Eumaeus [9] in
Ithaka, was beleedigd door den gemeenzamen en gebiedenden toon van
den pelgrim. "Den Jood uit Rotherwood uitlaten," zeide hij, op den
elleboog leunende en hem vol argwaan aanziende, zonder zijn strooleger
te verlaten, "en hij wil met den pelgrim verder reizen?"
"Eerder had ik kunnen droomen," zeide Wamba, die op dit oogenblik
binnentrad, "dat hij zich met een zijde spek zou wegpakken."
"Wel," zeide Gurth, zijn hoofd weder op het houten blok leggende,
dat hem tot kussen diende, "Jood en Heiden moeten wachten, totdat de
groote poort opengaat--wij laten geene gasten op zulke ongeschikte
uren steelsgewijs vertrekken."
"En toch," hervatte de pelgrim op gebiedenden toon, "zult gij mij,
denk ik, deze gunst niet weigeren."
Bij deze woorden boog hij zich over het bed van den liggenden
zwijnenhoeder, en fluisterde hem iets in de Saksische taal in het
oor. Gurth vloog op als betooverd. De pelgrim gaf hem een wenk met
den vinger, voorzichtig te zijn, en voegde er bij: "Gurth, pas op, gij
placht vroeger voorzichtig te wezen.--Ik herhaal, doe het achterpoortje
open--weldra zult gij meer vernemen!"
Gurth gehoorzaamde met de meeste gedienstigheid, terwijl Wamba en de
Jood volgden, beiden even verbaasd over de plotselinge verandering
in het gedrag van den zwijnenhoeder.
"Mijn muilezel, mijn muilezel!" riep de Jood, zoodra ze buiten stonden.
"Haal hem zijn muilezel," zei de pelgrim, "en, hoor--bezorg mij
er ook één,--zoodat ik hem gezelschap houden kan tot hij uit deze
streken is. Ik zal het dier aan iemand uit Cedric's gevolg te Ashby
teruggeven. En gij"--het overige fluisterde hij Gurth in het oor.
"Dadelijk, dadelijk,--het zal geschieden!" antwoordde Gurth, en
vertrok onmiddellijk om den last te volbrengen.
"Ik wenschte wel te weten," zeide Wamba, toen zijn makker vertrokken
was, "wat gij, pelgrims, in het Heilige Land leert?"
"Onze gebeden opzeggen, nar," antwoordde de pelgrim, "onze zonden
betreuren, en onze lichamen kastijden door vasten, waken en lange
gebeden."
"En nog iets daarenboven," hernam de nar; "want hoe zouden boete en
gebed Gurth er toe kunnen bewegen, u eene beleefdheid te bewijzen;
of vasten en waken hem overhalen u een muilezel te leenen?--Gij
hadt even goed zijn zwarten, geliefkoosden beer van uw waken en
uw boetedoeningen kunnen vertellen, en gij zoudt een even beleefd
antwoord gekregen hebben."
"Loop, loop;" zei de pelgrim; "gij zijt maar een Saksische nar."
"Gij hebt gelijk," hervatte de nar; "het zou mijn geluk zijn als ik
een geboren Normandiër was, waarvoor ik u houd, en het zou weinig
schelen of ik werd een wijs man."
Intusschen verscheen Gurth met de muilezels aan de overzijde van de
gracht. De reizigers gingen die over door middel van een ophaalbrug van
slechts twee planken, wier breedte overeenkwam met die der achterpoort
en een opening in de buitenste palissade, welke toegang tot het bosch
verschafte. Nauwelijks hadden zij de muilezels bereikt, of de Jood
bevestigde met haastige en bevende handen achter op den zadel een
kleinen zak van blauw laken, dien hij onder den mantel uithaalde, en
die, zoo als hij bromde: "Kleeren, niets dan kleeren!" bevatte. Daarna
het dier met meer vlugheid en haast bestijgende, dan men van iemand
van zijn jaren zou verwacht hebben, verloor hij geen tijd, met de
slippen van zijn reismantel zóó te schikken, dat zij den last, welken
hij dus _en croupe_ met zich voerde, geheel en al bedekten.
De pelgrim steeg bedaarder op, en stak Gurth de hand tot afscheid toe,
welke hij met den grootsten eerbied kuste. De zwijnenhoeder staarde
de reizigers na, tot zij onder de boomen van het bosch verdwenen,
toen hij, door Wamba's stem, uit zijn gepeins opgewekt werd. "Weet
gij wel," zeide hij, "vriend Gurth, dat gij heden morgen bijzonder
beleefd en buitengemeen vroom zijt?--Ik wenschte, dat ik een deftige
Prior of barrevoetsche pelgrim ware, om gebruik te kunnen maken van
zulk een ongewonen ijver en beleefdheid;--zeker, ik zou mij met een
handkus niet tevreden stellen."
"Gij zijt toch zoo geheel gek niet, Wamba," antwoordde Gurth; "gij
oordeelt naar den schijn, wat de wijste van ons ook doet.--Maar het
is tijd naar onze bezigheden om te zien."
Dit zeggende, ging hij met den nar naar huis.
Intusschen vervolgden de reizigers hun weg met een haast, die een
gevolg was van de buitengemeene vrees van den Jood; menschen van zijn
jaren houden anders zelden veel van snelle beweging. De pelgrim,
wien ieder pad en uitweg van het bosch bekend schenen, geleidde
hem langs de afgelegenste wegen, en verwekte meer dan eens opnieuw
den achterdocht bij den Israëliet, dat hij hem in de eene of andere
hinderlaag van zijn vijanden wilde voeren.
Zijne vrees was ook inderdaad te verontschuldigen, want, den
vliegenden visch misschien uitgezonderd, was er geen geslacht op
aarde, in de lucht, of in het water, dat zoo het voorwerp bleef van
een onophoudelijke, algemeene en rustelooze vervolging, als de Joden,
in dit tijdvak. Onder de geringste en onredelijkste voorwendsels,
zoowel als op de meest ongerijmde en ongegronde beschuldigingen, werden
hunne personen en goederen bij iedere gelegenheid, der openlijke
woede prijs gegeven; want Normandiërs, Saksers, Denen en Britten,
hoezeer zij elkander onderling haatten, schenen er om te strijden,
wie met de meeste verachting op dit volk zou neerzien, dat het een
punt van godsdienst was, te haten, te onderdrukken, te verachten, te
plunderen en te vervolgen. De koningen van den Normandischen stam en de
onafhankelijke edelen, die hun voorbeeld in alle daden van dwingelandij
volgden, kwelden dit verdrukte volk op een meer geregelde, overlegde en
baatzuchtige wijze. Het is een wèlbekende geschiedenis van Koning Jan,
dat hij een rijken Jood in een der koninklijke kasteelen opsloot, en
hem alle dagen een tand liet uittrekken, totdat toen de kinnebakken van
den ongelukkigen Jood half ledig waren, hij er in toestemde, een groote
som te betalen, die de dwingeland van hem wilde afpersen. Het weinige
gereede geld, dat in het land was, bevond zich hoofdzakelijk in handen
van dit vervolgde volk, en de adel aarzelde niet het voorbeeld van den
Vorst te volgen, om het door allerlei onderdrukkingen en zelfs door
lichamelijke folteringen in zijn bezit te krijgen. Maar de volhardende
moed, door de hoop op winst ingegeven, spoorde de Joden aan, om de
veelvuldige kwellingen, waaraan zij blootgesteld waren, te verduren,
om de ontzaglijke schatten, die zij in een van natuur zoo rijk land als
Engeland, konden bijeen verzamelen. In weerwil van alle hinderpalen,
en zelfs van een hof van taxatie, de Joden-schatkamer genoemd,
alleen opgericht met oogmerk om hen te plunderen en te verdrukken,
stapelden de Joden onmetelijke sommen op, welke zij van de eene hand
in de andere lieten gaan door wisselbrieven, eene uitvinding, welke,
naar men zegt, de koophandel hun te danken heeft, en die hen in staat
stelde, hun rijkdommen van land tot land over te brengen; zoodat,
wanneer zij op de ééne plaats door de onderdrukking bedreigd werden,
zij hun schatten op een andere in veiligheid konden bergen.
De hardnekkigheid en gierigheid der Joden dus, in tegenoverstelling
van de dweepzucht en de dwingelandij van hen, onder wie zij leefden,
schenen, zoo te zeggen, te vermeerderen in evenredigheid met de
vervolging, waaraan zij blootgesteld werden; en terwijl de ontzaglijke
rijkdom, welken zij gewoonlijk in den handel verwierven, hen dikwijls
in gevaar bracht, werd die op andere tijden gebruikt, om hun invloed
uit te breiden, en hun een zekere mate van bescherming te bezorgen. Op
dezen voet leefden zij, en hun karakter, hiernaar gewijzigd, was
waakzaam, achterdochtig en vreesachtig--maar ook hardnekkig, slim en
behendig in het vermijden der gevaren, waaraan zij blootgesteld waren.
Nadat de reizigers door verscheidene zijpaden met de grootste
snelheid voortgereden waren, brak de pelgrim eindelijk het stilzwijgen
af. "Die groote vervallen eik," zeide hij, "maakt de grenspaal uit
van hetgeen Front-de-Boeuf zijn gebied noemt;--wij zijn verre van
dat van Malvoisin. Er is nu geen vervolging meer te duchten."
"Mogen de wielen van hun wagens afvallen," zei de Jood, "zooals die
van Farao's leger, opdat zij langzaam mogen rijden!--Maar verlaat mij
niet, goede pelgrim,--denk maar aan dien trotschen, wilden Tempelier
met zijne Saraceensche slaven;--zij zullen noch voor gebied, noch
voor heerlijkheid, noch voor heeren-rechten, eerbied hebben."
"Onze weg," hernam de pelgrim, "moet hier uiteen loopen; want het
past niet voor mannen van mijn stand en van den uwe, om langer samen
te reizen, dan noodig is. Buitendien, wat hulp zoudt gij van mij, een
vreedzamen pelgrim, tegen twee gewapende Heidenen kunnen verwachten?"
"O goede jongeling," antwoordde de Jood, "gij kunt mij verdedigen en
ik weet ook wel, dat gij zulks wilt. Hoe arm ik ook ben, zal ik het
u vergelden--niet met geld; want geld, zoo waar mij vader Abraham
helpen zal, heb ik niet--maar--"
"Ik heb u reeds gezegd," viel hem de pelgrim in de rede, "dat ik
geld, noch belooning van u begeer. Ik zal u geleiden en zelfs wel
verdedigen, dewijl het een Christen niet onwaardig kan gerekend worden,
een Jood tegen een Saraceen te beschermen. Derhalve, Jood, zal ik u,
eer ik u verlaat, onder veilige geleide zien. Wij zijn nu niet ver
van de stad Sheffield, waar gij licht velen van uw stam vinden zult,
bij wie gij toevlucht nemen kunt."
"Vader Jacob zegene u, goede jongeling!" zei de Jood; "in Sheffield
kan ik bij mijn bloedverwant Zareth eene schuilplaats vinden, en naar
middelen uitzien, om in veiligheid verder te reizen."
"Het zij zoo," hervatte de pelgrim; "te Sheffield zullen wij dus van
elkander scheiden, en na een half uur rijdens zullen wij de plaats
in het gezicht krijgen."
Dit half uur werd van beide zijden in volkomen stilte doorgebracht;
de pelgrim, het misschien beneden zich rekenende, om den Jood aan te
spreken, behalve in geval van volstrekte noodzakelijkheid; en de Jood
het niet wagende een man, wiens reis naar het Heilige Graf hem eene
zekere eerwaardigheid gaf, tot een gesprek te dwingen. Zij hielden
op den top van een zacht hellenden heuvel stil, en de pelgrim, op de
stad Sheffield wijzende, welke onder hen lag, herhaalde de woorden:
"Hier scheiden wij dus!"
"Niet, eer gij den dank van den armen Jood ontvangen hebt," zeide
Izaäk; "want ik durf u niet vragen, met mij bij mijn neef Zareth
te gaan, die mij misschien zou kunnen behulpzaam zijn, om uwe goede
diensten te beloonen."
"Ik heb u reeds gezegd," antwoordde de pelgrim, "dat ik geene belooning
begeer. Zoo gij onder de menigte uwer schuldenaars om mijnentwille de
gevangenis en boeien besparen wilt aan den een of anderen ongelukkigen
Christen, die in uw macht is, dan zal ik den dienst van dezen morgen
rijkelijk beloond rekenen."
"Wacht--wacht!" zeide de Jood, hem bij het kleed vattende, "ik wilde
gaarne iets meer doen, iets voor u zelven.--God weet het, dat ik een
arme Jood ben--ja, Izaäk is de bedelaar van zijn stam--maar vergeef
mij, als ik geraden heb, wat gij op dit oogenblik het vurigst begeert."
"Zoo gij goed raadt," hervatte de pelgrim, "dan kunt gij het mij toch
niet verschaffen; al waart gij zoo rijk, als gij zegt arm te zijn."
"Als ik zeg?" riep de Jood; "O! geloof mij, ik zeg niets dan de
zuivere waarheid; ik ben een uitgeplunderd, ongelukkig mensch, vol
schulden. Hardvochtige menschen hebben mij alles ontroofd; mijne
goederen, mijne schepen, mijn geld en alles, wat ik bezat.--En
toch kan ik u zeggen, wat gij wenscht, en mogelijk kan ik het u
ook verschaffen. Gij wenscht op dit oogenblik een paard en eene
wapenrusting."
De pelgrim schrikte en keerde zich plotseling tot den Jood. "Welke
booze geest heeft u dit doen raden?" vroeg hij haastig.
"Dat is onverschillig," antwoordde de Jood glimlachende, "maar
evengoed, als ik uwe begeerte kan raden, kan ik er aan voldoen."
"Maar bedenk," zeide de pelgrim, "mijn stand, mijn kleeding, mijne
gelofte."
"Ik ken u, Christenen," hervatte de Jood; "en ik weet, dat de edelsten
onder u den staf en de sandalen wel eens nemen, tot bijgeloovige boete,
en te voet gaan, om de graven van doode menschen te bezoeken."
"Laster niet, Jood!" zei de pelgrim streng.
"Vergeef mij!" hernam de Jood; "ik heb onbedachtzaam gesproken. Maar er
zijn u gisterenavond en hedenmorgen woorden ontvallen, die, evenals de
vonken uit een keisteen, het metaal, dat er binnen schuilt, verraden;
en in uw boezem zijn onder het pelgrimskleed een ridderketen en gouden
sporen verborgen. Zij glinsterden mij tegemoet, toen gij u hedenmorgen
over mijn bed boogt."
De pelgrim kon een glimlach niet bedwingen en zeide: "Zoo uw
kleederen door een even nieuwsgierig oog doorzocht werden, Izaäk,
welke ontdekkingen zou men dan niet kunnen doen?"
"Hier niet meer van!" hervatte de Jood, verbleekende; en schielijk zijn
schrijfgereedschap voor den dag halende, alsof hij het gesprek wilde
afbreken, begon hij iets op een stukje papier te schrijven, dat hij
op zijn gele muts legde, zonder van den muilezel af te stijgen. Toen
hij gedaan had, gaf hij het briefje, dat in het Hebreeuwsch geschreven
was, aan den pelgrim, en zeide: "In de stad Leicester kent ieder den
rijken Jood Kirjath Jairam uit Lombardije; geef hem dit briefje--hij
heeft zes Milaneesche wapenrustingen te koop; de minste daarvan zou
een gekroond hoofd waardig zijn--tien schoone paarden, waarvan het
slechtste goed genoeg ware voor een koning, al moest hij om zijn
troon strijden. Hieruit zal hij u de keur geven--met alles wat gij
voor het toernooi noodig hebt; als alles afgeloopen is, zult ge het
hem in goeden staat teruggeven--zoo gij geen geld genoeg hebt, om de
waarde daarvan aan den eigenaar te betalen."
"Maar Izaäk," zei de pelgrim glimlachende, "weet gij wel, dat in
die wapenspelen de wapenen en het paard van den ridder, die uit den
zadel gelicht wordt, het eigendom van den overwinnaar worden? En
ik kan ongelukkig zijn, en dus verliezen, wat ik teruggeven, noch
betalen kan."
De Jood scheen een weinig verschrikt over deze mogelijkheid, maar
weder moed vattende, hernam hij haastig: "Neen--neen--neen--het is
onmogelijk--ik kan dat niet denken. De zegen van onzen Vader zal op
u rusten. Uw lans zal machtig zijn, als de staf van Mozes!"
Na deze woorden wendde de Jood den kop van zijn muilezel om; toen de
pelgrim op zijn beurt hem bij den mantel vast hield en hem zeide: "Maar
waarlijk, Izaäk, ge kent al het gevaar niet. Het paard kan gedood,
en de wapenrusting beschadigd worden--want ik zal noch mijn paard,
noch mijn persoon sparen. Buitendien geven de lieden van uw stam
niets voor niet; er moet dus iets voor het gebruik betaald worden."
De Jood kromp op zijn zadel inéén, als iemand die een aanval van koliek
heeft; maar zijn beter gevoel zegevierde over de hem natuurlijke
denkwijze. "Het kan mij niet schelen," zeide hij, "het kan mij niet
schelen--laat mij gaan! Als er schade aan komt, zal het u niets
kosten--als er huurgeld voor wezen moet, zal Kirjath Jaïram u zulks
schenken ter liefde van zijn bloedverwant Izaäk.--Vaarwel!--Maar hoor
eens, goede jongeling," zeide hij, zich omkeerende, "waag u niet te
veel in het ijdele gewoel;--ik spreek niet uit vrees, dat het paard
of de wapenrusting letsel krijgen, maar om uw eigen leven en lichaam."
"Hartelijk dank voor uw zorg," hernam de pelgrim, weder glimlachende:
"Ik zal van uw dienstvaardigheid gebruik maken, en het moet erg met
mij afloopen, zoo ik die niet beloon."
Zij scheidden en namen verschillende wegen naar de stad Sheffield.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De ridders togen op, gehuld in 't sierlijk wapen,
Omringd door heel een stoet van dienende edelknapen;
De één bond het helmsnoer vast; een ander hield de lans;
Een derde bracht het schild, dat blonk van wondren glans.
Het ros, vol ongeduld, aan 't brieschen, stampen, snuiven,
Beschuimde 't fraai gebit en deed den bodem stuiven;
De hoef- en wapensmids te paard, van hamers, leêr,
Van vijlen rijk voorzien en spijkers, volgden 't heir;
De schutters stonden voort gereed met boog en pijlen,
Terwijl het boerenvolk met knuppels aan kwam ijlen.
Palamon en Arcite.
De toestand van het Engelsche [10] volk was in dit tijdperk vrij
ellendig. Koning Richard was afwezig en gevangen, in de macht van den
trouweloozen en wreeden Hertog van Oostenrijk. Zelfs was de plaats
van zijn gevangenschap, evenals zijn lot, onbekend aan de meesten
zijner onderdanen, die intusschen aan onderdrukkingen van allerlei
aard ten prooi waren.
Prins Jan, in verbond met Filips van Frankrijk, Richard's doodvijand,
gebruikte al zijn invloed bij den Hertog van Oostenrijk, om de
gevangenschap van zijn broeder Richard, wien hij zooveel verschuldigd
was, te verlengen. Intusschen versterkte hij zijn aanhang in het
koninkrijk, waarvan hij de troonsopvolging, in geval van des konings
dood, wilde betwisten aan den rechtmatigen erfgenaam, Arthur, Hertog
van Bretagne, zoon van Geoffroi Plantagenet, zijn ouderen broeder. Deze
overweldiging, gelijk bekend is, gelukte hem ook werkelijk op den
duur. Daar zijn eigen karakter sluw, slecht en trouweloos was, verbond
Jan gemakkelijk aan zijn persoon en aan zijne partij niet alleen hen,
die reden hadden Richard's toorn te vreezen, wegens hun gedrag in
zijne afwezigheid; maar ook de talrijke dappere vrijbuiters, welke van
de kruistochten in hun vaderland waren teruggekeerd, volleerd in de
ondeugden van het Oosten, arm aan goederen, verhard van karakter, en
die hunne hoop stelden op een nieuwen oogst in de burgerlijke onlusten.
Bij deze bronnen van algemeene ellende en vrees moet nog gevoegd
worden het groot getal van vogelvrijverklaarden, die, tot wanhoop
gedreven door de onderdrukking van den hoogen adel, en door de strenge
uitvoering der jachtwetten, zich in groote benden vereenigden, en,
bezit nemende van de bosschen en woeste streken, de gerechtigheid
en overheid van het land trotseerden. De edelen zelven, ieder binnen
zijn eigen kasteel verschanst, en den kleinen vorst over zijn gebied
spelende, waren de aanvoerders van benden, die nauwelijks minder
ongebonden, en tegelijk ergere onderdrukkers waren, dan de roovers van
beroep. Om deze volgelingen te onderhouden, met de buitensporigheid en
pracht, waartoe zij door hoogmoed gedreven werden, leende de adel geld
van de Joden op de meest woekerachtige renten, die aan hun goederen
knaagden, als een verterende kanker, die slechts dan te genezen was,
als zich de gelegenheid opdeed, om door de een of andere daad van
geweld zich van hunne schuldeischers te bevrijden.
Onder de verschillende soorten van rampen, uit dezen ongelukkigen
staat van zaken voortspruitende, leed het Engelsche volk toenmaals
veel, en had reden de toekomst nog meer te vreezen. Om de ellende
nog te vermeerderen, verspreidde zich eene besmettelijke ziekte van
gevaarlijken aard door het land; en, nog verergerd door de morsigheid,
het slechte voedsel en de ellendige woningen der geringere klassen,
maaide zij er duizenden van weg, wier lot de overlevenden benijdden,
daar het hen van verderen nood verloste.
Te midden echter van al deze rampen, gevoelden armen en rijken, het
gemeen en de adel, bij een toernooi, het groote volksfeest van dien
tijd, evenveel belangstelling, als de half uitgehongerde burger van
Madrid, die geen _reaal_ over heeft om brood voor zijn huisgezin te
koopen, gevoelt in den uitslag van een stieren-gevecht. Plicht noch
zwakheid konden jong en oud van zulke vertooningen terug houden. De
wapengang, zooals men het noemde, die plaats zou hebben te Ashby,
in het graafschap Leicester, had de algemeene aandacht getrokken,
daar kampvechters van den hoogsten roem, in tegenwoordigheid van
Prins Jan zelven, in het strijdperk zouden treden; en een ontzaglijke
toevloed van menschen van alle rangen spoedde zich op den bepaalden
morgen naar de plaats van den strijd.
Het tooneel was bijzonder schilderachtig. Op de grenzen van een bosch,
dat slechts een groot kwartier gaans van de stad Ashby verwijderd was,
bevond zich een uitgestrekte, schoone, groene weide, aan de eene
zijde door het woud, aan de andere door verspreid staande eiken,
waarvan eenigen ontzaglijk hoog waren, omgeven. De grond helde van
beide kanten langzaam af naar een vlakte, als voor het krijgsspel,
dat dáár plaats zou hebben, gemaakt. Het strijdperk was met sterke
palissaden ingesloten,--een vierde mijl lang, en half zoo breed. De
vorm was langwerpig vierkant, behalve de hoeken, die afgerond
waren, tot grooter gemak van de aanschouwers. De toegangen voor de
kampvechters waren aan het noorder en zuider einde van het strijdperk;
ze waren gesloten met sterke houten deuren, wijd genoeg om twee ruiters
naast elkander door te laten. Bij elke dezer poorten stonden twee
herauten en zes trompetters, evenzoo vele wapenboden, en een sterke,
gewapende wacht om de orde te houden, en om den rang der ridders te
onderzoeken, die aan dit krijgshaftig spel wilden deelnemen.
Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke
verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen,
versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de
vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren
van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder,
aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd
als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding,
volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het
spel wilde aannemen [11]. De middelste tent, als de eereplaats, was
toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen,
niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang
ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers,
en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert
korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was
die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den
anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt,
wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten
tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de
Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen
had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van
den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg,
tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze
was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór
de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt.
De noordelijke toegang tot het strijdperk was een soortgelijke gang,
dertig voet breed, aan welks einde eene groote afgesloten plaats
was voor die ridders, die geneigd mochten zijn den strijd tegen de
uitdagers te wagen; dáár stonden ook tenten, met ververschingen van
allerlei aard gereed; met wapen- en hoefsmeden en andere bedienden,
bereid om hun diensten te bewijzen, overal waar ze noodzakelijk
mochten zijn.
De buitenkant van het strijdperk was gedeeltelijk bezet met galerijen,
voorzien met tapijten en zittingen voor die dames, ridders en edelen,
welke bij het toernooi verwacht werden. Eene kleine ruimte tusschen
deze galerijen en het strijdperk was bestemd voor de pachters en
landlieden en de toeschouwers, die niet geheel tot het gemeen
behoorden, en welke met de "_parterre_" in onze hedendaagsche
schouwburgen kunnen vergeleken worden. De groote menigte zette zich
op groote zodenbanken, die voor dat doel waren opgericht, en die door
de natuurlijke verhevenheid van den grond hen in staat stelden, over
de galerijen heen te zien, en een goed gezicht op het strijdperk te
krijgen. Behalve deze plaatsen, hadden reeds honderden op de takken
der boomen, welke de weide omringden, plaats genomen, en zelfs de
toren van een niet ver afgelegen dorpskerk was met toeschouwers bezet.
Er blijft nog slechts over, ten opzichte van de geheele inrichting
op te merken, dat eene hoogere galerij in het middelpunt van de
oostelijke zijde van het strijdperk, en dus vlak tegenover de plaats,
waar de strijders elkander ontmoeten moesten, opgericht was, die rijker
versierd, en onderscheiden was door een soort van troonhemel, waarop
het koninklijke wapen prijkte. Schildknapen, pages en trawanten in
rijke kleeding stonden rondom die eereplaats, welke bestemd was voor
Prins Jan en zijn gevolg. Tegenover deze koninklijke galerij, aan den
westkant, bevond zich eene andere, even hoog, en bonter, schoon minder
prachtig versierd, dan die van den Prins zelven. Een menigte pages
en jonge meisjes van uitstekende schoonheid, groen en rood gekleed,
omringden dien troon welke met dezelfde kleuren versierd was.
Onder de wimpels en vlaggen, beschilderd met gewonde, brandende en
bloedende harten, bogen en pijlkokers en al de bekende zinnebeelden
van de zegepralen van Cupido, viel een opschrift in het oog, dat de
toeschouwers onderrichtte, dat deze de eereplaats was van _La Royne de
la Beautté et des Amours_. Maar wie dit zijn zou, kon niemand gissen.
Langzamerhand stroomden toeschouwers van allen aard toe, om hunne
verschillende plaatsen in te nemen, niet zonder vele twisten over die,
waarop zij recht hadden. Eenige van deze geschillen werden zonder
veel omslag door de gewapenden beslist, daar zij de grepen van hunne
heirbijlen en de gevesten van hunne sabels vaardig gebruikten, als
bewijsredenen, om de hardnekkigsten te overtuigen. Andere twisten,
die tusschen personen van hoogeren rang bestonden, werden beslist door
de herauten, of door de twee Wapen-Maarschalken, Willem de Wyvil en
Steven de Martival, die gewapend in het strijdperk op en neder reden,
om de goede orde onder de toeschouwers te bewaren.
Allengs vulden zich de galerijen met ridders en edelen in feestgewaad;
hunne lange en rijk gekleurde mantels staken zeer af bij de meer bonte
en prachtige kleeding der vrouwen, die, zelfs in grooter getal dan de
mannen, elkander verdrongen, om een schouwspel te zien, dat te bloedig
en te gevaarlijk scheen, om haar veel genoegen te kunnen verschaffen.
De benedenste en binnenste ruimte was weldra opgevuld met
gegoede landlieden, burgers en diegenen van minderen adel, die uit
bescheidenheid, armoede, of wegens betwiste rechten, geene hoogere
plaats durfden innemen. Het is natuurlijk, dat onder deze klasse de
meeste oneenigheid over den voorrang plaats had.
"Ongeloovige hond!" riep een oud man, wiens versleten mantel zijn
armoede te kennen gaf, terwijl zijn zwaard, zijn dolk en zijn gouden
ketting zijn aanspraak op hoogen rang bewezen;--"Roofdier! durft gij
tegen een Christen aandringen, en nog wel tegen een Normandischen
edelman van het geslacht der Montdidiers?"
Deze ruwe aanspraak was tot niemand anders gericht dan tot onzen
kennis Izaäk, die, rijk en zelfs prachtig gekleed, in een mantel
met kant omzet en met bont gevoerd, trachtte plaats te maken in de
voorste rij onder de galerij voor zijne dochter, de schoone Rebekka,
die te Ashby bij hem gekomen was, en nu aan den arm van haren vader
hing, niet weinig verschrikt over het misnoegen, dat algemeen door
haar vaders vermetelheid verwekt werd. Maar Izaäk, dien wij bij
een andere gelegenheid zoo vreesachtig gezien hebben, wist wel, dat
hij nu niets te duchten had. Het was niet op plaatsen van openbare
vermakelijkheden, of waar huns gelijken vergaderd waren, dat eenig
geldgierige of kwaadaardige edelman hem durfde aanvallen. Bij zulke
gelegenheden waren de Joden onder de bescherming van de algemeene
wet; en al was deze maar zwak, dan waren er gewoonlijk onder den
vergaderden hoop eenige edelen, die uit eigenbelang gereed waren,
als hun beschermers op te treden. Bij de tegenwoordige gelegenheid
gevoelde Izaäk zich meer dan gewoon gerust, daar hij wist, dat Prins
Jan bezig was eene groote leening bij de Joden van York te heffen,
door het verpanden van zekere juweelen en landerijen. Izaäk's eigen
deel in dezen handel was groot; en hij wist wel, dat de Prins, die
vurig verlangde, de zaak ten einde te brengen, hem zijne bescherming
zou verleenen in de verlegenheid, waarin hij zich nu bevond.
Overmoedig door deze overweging, vervolgde de Jood zijn doel, en
stiet den Normandischen Christen op zijde, zonder achting voor zijne
afkomst, zijn rang of zijn godsdienst. De klachten van den ouden man
verwekten intusschen de verontwaardiging der menschen. Één daarvan,
een sterk, gespierd jager, donker groen gekleed, met twaalf pijlen
in den koker, met een zilveren koppel en een zes voet langen boog in
de hand, keerde zich om; en terwijl zijn gelaat, dat door gedurig aan
het weêr blootgesteld te zijn, bruin geworden was als een hazelnoot,
van toorn gloeide, ried hij den Jood aan, zich te herinneren, dat
al de rijkdom, welken hij door het uitzuigen van zijn ongelukkige
slachtoffers verworven had, hem slechts als een kruisspin had doen
opzwellen, welke men over het hoofd zou kunnen zien, zoolang ze in
een hoek schuilde, maar die verpletterd zou worden, zoodra zij waagde
voor den dag te komen. Dit verwijt in het Normandisch-Saksisch, met
vaste stem en ernstigen blik gedaan, deed den Jood achteruit deinzen,
en hij zou zich waarschijnlijk geheel uit eene zoo gevaarlijke buurt
verwijderd hebben, ware niet plotseling ieders aandacht gevestigd
geworden op de verschijning van Prins Jan, die op dit oogenblik het
strijdperk binnen reed, vergezeld van een talrijk en bont gevolg,
gedeeltelijk uit leeken, gedeeltelijk uit geestelijken bestaande;
dezen even wereldsch in hunne kleeding en luchtig in hun gedrag,
als hunne metgezellen. Onder de laatsten bevond zich de Prior van
Jorvaulx, in het prachtigste gewaad, dat zijn geestelijke waardigheid
toeliet. Bontwerk en goud waren niet aan zijn kleederen gespaard;
en de punten van zijn laarzen, de bespottelijke mode van den tijd
overdrijvende, staken zoo hoog naar boven, dat zij niet slechts
tot aan de knieën, maar zelfs tot aan den gordel kwamen, en hem
inderdaad beletten, den voet in den stijgbeugel te zetten. Dit was
echter slechts een gering ongemak voor den dapperen abt, die zich
misschien verheugde gelegenheid te hebben, zijne kunst in het rijden,
voor zoo vele toeschouwers, en voornamelijk voor zoo vele van het
schoone geslacht, ten toon te spreiden. Het overige gevolg van Prins
Jan bestond uit de begunstigde aanvoerders van zijne huurlingen,
eenige van roof levende edelen en ledigloopende hovelingen, met
verscheidene Tempeliers en Johanniter-ridders.
Men moet hier opmerken, dat de ridders van deze orden voor vijanden
van Koning Richard gehouden werden, daar zij de partij van Filips van
Frankrijk gekozen hadden, in de lange twisten tusschen dezen vorst en
Richard Leeuwenhart. Het is bekend, dat door deze tweedracht Richard's
herhaalde overwinningen verijdeld, zijne avontuurlijke pogingen om
Jeruzalem te belegeren, teleurgesteld werden, en dat de vrucht van
al den roem, dien hij verworven had, zich bepaalde tot eene onzekere
wapenstilstand met den Sultan Saladin. Uit dezelfde staatkunde, welke
het gedrag hunner broederen in het Heilige Land bestierd had, verbonden
zich de Tempeliers en Hospitaalridders in Engeland en Normandië met de
partij van Prins Jan, daar zij weinig reden hadden te verlangen naar
Richard's terugkomst, of naar de opvolging van Arthur, zijn wettigen
erfgenaam. Daarentegen haatte en verachtte Prins Jan de weinige
aanzienlijke Saksische geslachten, die nog in Engeland bestonden, en
hij liet geene gelegenheid voorbijgaan, ze te kwetsen en te hoonen,
omdat het hem bewust was, dat zijn persoon en zijne eischen hun
mishaagden, zoowel als aan het grootste gedeelte van het Engelsche
volk, dat verdere inbreuken op zijne rechten en vrijheden vreesde
van een vorst met zulk een losbandig en tiranniek karakter als Jan.
Vergezeld van zijn bont gevolg, en zelf prachtig in karmozijn en goud
gekleed, een valk op de hand dragende, het hoofd bedekt met een rijke
muts van bont, versierd met een rand van edelgesteenten, waaronder
zijn lang gekruld haar te voorschijn kwam, dat tot op zijn schouders
hing, galoppeerde Prins Jan op een schimmel door het strijdperk aan
het hoofd van den bonten stoet, met zijne vrienden lachende, en met
al de stoutheid van een koninklijken kenner de schoonen beschouwende,
welke de hooge galerijen bezetten.
Zij, die in het gelaat van den Prins eene losbandige stoutheid,
met overdreven hoogmoed en onverschilligheid voor de gevoelens van
anderen vermengd, bespeurden, konden echter niet ontkennen, dat er
een zekere aanvalligheid op lag, die, eigen aan open, welgevormde
trekken, kunstmatig aan de regels van uiterlijke beleefdheid gewend,
echter in zooverre edel en oprecht zijn, dat zij buiten staat
schijnen, de natuurlijke gemoedsaandoeningen te verbergen. Zulk eene
gelaatsuitdrukking wordt dikwijls verkeerd voor manhaftig vrijmoedig
gehouden, daar ze, inderdaad, slechts voortspruit uit de zorgelooze
onverschilligheid van een losbandig karakter, uit de bewustheid van
hooge geboorte, van rijkdom, of eenige andere toevallige voordeelen,
die in het geheel niet van persoonlijke verdiensten afhangen. Voor
hen, die niet zoo diep dachten, en niet één uit honderd deed dit, was
de pracht van des Prinsen _rheno_ (d. i. pelskraag), van zijn mantel
met het kostbaarste hermelijn omzet, van zijn marokijnen laarzen en
gouden sporen, tegelijk met de bevalligheid, waarmede hij zijn paard
in bedwang hield, voldoende, om hem met een luid vreugdegejuich te
doen ontvangen.
Gedurende zijn feestelijken tocht door het strijdperk, werd de
aandacht van den Prins getrokken door de opschudding, welke het
eerzuchtige streven van den Jood Izaäk naar eene hoogere zitplaats
veroorzaakte. Het scherpe oog van Prins Jan herkende den Jood terstond,
maar werd veel aangenamer aangetrokken door de schoone dochter van
Sion, die, verschrikt door het oproer, zich dicht aan haar ouden
vader klemde.
De gedaante van Rebekka kon werkelijk vergeleken worden bij de eerste
schoonheden van Engeland, zelfs als die had moeten beoordeeld worden
door een zoo fijnen kenner als Prins Jan. Haar leest was buitengemeen
schoon, en kwam op het voordeeligst uit door een soort van Oostersche
kleeding, die zij volgens het gebruik der vrouwen van haar natie
droeg. Haar tulband, van gele zijde, paste goed bij haar donkere
gelaatskleur. Het vuur harer oogen, de heerlijk gebogen wenkbrauwen, de
fijn gevormde haviksneus, parelwitte tanden, en zwaar zwart haar, dat
in fijne, krullende lokken op den blanken hals en boezem vielen, voor
zooverre een doek van de kostbaarste Perzische zijde, met bloemen in
natuurlijke kleuren op een purpergrond gewerkt, ze niet bedekte,--dit
alles verhoogde de bekoorlijkheden, welke niet overtroffen werden
door die der schoonste meisjes, welke haar omringden. Het moet gezegd
worden dat de drie bovenste gouden en met paarlen bezette lissen, die
haar kleed van den hals tot aan den gordel sloten, wegens de groote
warmte waren opengelaten, hetgeen haar schoone gestalte des te meer
zichtbaar maakte. Een diamanten halssnoer van onschatbare waarde
viel op deze wijze ook in 't oog. Een struisveder, aan den tulband
vastgemaakt met een diamanten haak, was nog een onderscheidingsteeken
der schoone Jodin, waarover de trotsche dames, die boven haar zaten,
spotten en lachten, terwijl zij haar in stilte benijdden.
"Bij den kalen schedel van Abraham," zei Prins Jan, "die Jodin dáár is
waarlijk het model van die volmaakte schoonheid, wier bekoorlijkheden
den wijsten Koning, die ooit geleefd heeft, tot waanzin brachten. Wat
zegt gij er van, Prior Aymer?--Bij den Tempel, welken mijn wijze
broeder Richard niet in staat was te herwinnen, zij is de ware bruid
uit het Hooge Lied!"
"De roos van Saron en de lelie der dalen," antwoordde de Prior
fluisterend; "maar uw Hoogheid moet niet vergeten, dat het slechts
eene Jodin is!"
"Ach!" voegde Prins Jan er bij, zonder op dezen raad te letten,
"en daar is mijn zondige Mammon ook;--de Markies van de Goudmijn,
Baron van de Beurs, die met arme duivels, wier afgesleten mantels
toonen, dat zij geen penning in den zak dragen, om hun lompen bij
elkander te houden, om een plaats twist. Bij den heiligen Markus, mijn
woekervorst zal met zijne bekoorlijke Jodin eene plaats in de galerij
hebben.--Izaäk! wie is die Oostersche Houri, die gij even vast onder uw
arm houdt, alsof zij eene geldkist was;--is het uw vrouw of dochter?"
"Mijne dochter Rebekka, tot uwer Hoogheids dienst," antwoordde
Izaäk, met eene diepe buiging, geheel niet verlegen over den groet
van den Prins, ofschoon daarin evenveel spotternij als beleefdheid
lag opgesloten.
"Des te beter voor u!" riep Jan met een schaterend gelach, dat bij zijn
vroolijk gevolg in alle onderdanigheid aanstekelijk scheen. "Maar,
dochter of vrouw, aan haar moet de voorrang gegeven worden, die aan
hare schoonheid en uwe verdiensten toekomt.--Wie zit daar boven?" ging
hij voort, zijn oog op de galerij richtende. "Saksische boeren op
hun gemak uitgestrekt;--weg met hen!--laat ze maar wat opschikken, en
ruimte maken voor mijn woekervorst en zijne beminnelijke dochter. Ik
zal hun leeren, de eerste plaatsen der Synagoge te deelen met hen,
aan wie de Synagoge eigenlijk behoort."
Zij, die de galerij bezetten, en tot wie deze onbeleefde en
beleedigende taal gericht was, waren het gezin van Cedric den
Sakser, met dat van zijn bloedverwant Athelstane van Coningsburgh,
een man, die, wegens zijne afkomst van den laatsten Saksischen vorst
in Engeland, bij alle Saksische inboorlingen van het noorden van
Engeland in de grootste achting stond. Maar met het bloed van dezen
ouden koninklijken stam waren vele van diens zwakheden op Athelstane
overgegaan. Hij had een schoon gelaat, was zwaar en sterk van lichaam,
en in den bloei zijner jaren, maar had geene levendigheid in zijn
uiterlijk; zijne oogen waren zonder uitdrukking; hij was langzaam in
zijne bewegingen, en zoo traag in zijne besluiten, dat men hem den
scheldnaam van een zijner voorouders gaf, en hij dikwijls Athelstane
de Besluitelooze genoemd werd. Zijne vrienden,--en hij had er velen,
die, evenals Cedric, vurig aan hem verkleefd waren,--geloofden,
dat dit traag karakter niet uit gebrek aan moed, maar uit loutere
besluiteloosheid voortsproot; anderen beweerden, dat de geërfde ondeugd
der dronkenschap zijn bovendien niet zeer scherp vernuft verstompt had,
en dat de geduldige moed en zachte goedaardigheid, welke overbleven,
slechts de overblijfsels van een karakter waren, dat uitstekend had
kunnen worden, maar waarvan alle degelijke eigenschappen in een lange
reeks der ergste uitspattingen waren verloren geraakt.
Het was tot dezen man, dien wij nu beschreven hebben, dat de
Prins het stoute bevel richtte, om plaats te maken voor Izaäk en
Rebekka. Athelstane, geheel uit het veld geslagen door een bevel,
dat volgens de zeden en gevoelens dier tijden zeer beleedigend was,
wilde niet gehoorzamen; maar niet wetende hoe zich te houden, verzette
hij zich slechts door de _vis inertiae_, tegen den wil van den Prins;
en zonder de minste beweging te maken, om hem te gehoorzamen, opende
hij de groote grauwe oogen, en staarde den Prins aan met een verbazing,
die iets zeer belachelijks had. Maar de ongeduldige Prins beschouwde
het niet uit dit oogpunt. "Het Saksische zwijn," zeide hij, "slaapt,
of stoort zich niet aan hetgeen ik zeg.--Geef hem eventjes een prik
met uw lans, De Bracy," vervolgde hij tot een ridder, die naast
hem reed en die aanvoerder was van een hoop Condottieri, dat is,
huurlingen, die tot geen bijzondere natie behoorden, maar aan iederen
vorst gehecht waren, die hen betalen wilde. Er ontstond een gemor,
zelfs onder het gevolg van Prins Jan; maar De Bracy, wiens beroep
hem voor alle schroomvalligheid bewaarde, strekte zijn lange lans
uit over de ruimte, die de galerij van het strijdperk scheidde,
en zou het bevel van den Prins ten uitvoer gebracht hebben, zelfs
eer Athelstane de Besluitelooze genoeg tegenwoordigheid van geest
gevonden had, om voor den stoot te wijken, had niet Cedric, die even
vurig als zijn metgezel traag was, met de snelheid van den bliksem
zijn kort zwaard getrokken, en met één slag de punt van de lans er
afgeslagen. De toorn kleurde de wangen van Prins Jan; hij uitte een
geweldigen vloek, en was op het punt eene even geweldige bedreiging
te laten volgen, toen hij in zijn voornemen belet werd, gedeeltelijk
door zijn eigen gevolg, dat zich rond hem verdrong en hem smeekte te
bedaren, gedeeltelijk door de algemeene, luide toejuiching van het
volk, over het moedige gedrag van Cedric. De Prins sloeg de oogen
vol verontwaardiging in het rond, alsof hij een zeker en gemakkelijk
slachtoffer zoeken wilde; en bij toeval den vasten blik van den reeds
gemelden boogschutter ontmoetende, die in zijn goedkeurende houding
scheen te willen volharden, in weerwil van den toornigen blik van
den Prins, vroeg hij hem de reden van zijn luid gejuich.
"Ik roep altijd bravo," zei de schutter, "als ik een goed schot of
een krachtigen houw zie!"
"Zoo?" antwoordde de Prins; "dan kunt gij zeker het wit ook wel
treffen, wed ik?"
"Ja," hervatte de schutter, "jagers wit op jagers afstand kan ik
treffen."
"En Tyrrels wit op honderd el afstand!" [12] riep eene stem achter hem,
zonder dat men onderscheiden kon, van wien die kwam.
Deze toespeling op het lot van den Rooden Willem, een zijner
voorouders, vertoornde en verontrustte Prins Jan te gelijk. Hij
vergenoegde zich echter met den gewapenden, die het strijdperk
omringden te bevelen, een wakend oog te houden op dezen snoever,
zooals hij den schutter noemde. "Bij St. Griselda," voegde hij er bij,
"wij zullen de bekwaamheid van hem beproeven, die zoo bij de hand is,
om de daden van anderen te prijzen."
"Ik zal mij niet aan de proef onttrekken!" hernam de schutter met
een bedaardheid, die zijn vast karakter te kennen gaf.
"Intusschen staat op, gij Saksische boeren," riep de driftige Prins;
"want bij het licht des hemels, zoo waar ik het gezegd heb, zal ook
de Jood bij u zitten!"
"Geenszins, met verlof van uw Hoogheid; het past voor onzes gelijken
niet, onder de beheerschers van het land te zitten!" zei de Jood,
wiens eerzucht hem den voorrang wel deed betwisten aan den uitgeteerden
en verarmden afstammeling der Montdidiers, maar die het niet waagde,
zich aan de rijke Saksers op te dringen.
"Naar boven, ongeloovige hond, als ik het u beveel!" zeide Prins Jan,
"of ik laat uw zwarte huid afvillen en tot een zadeldek bereiden."
Dus voortgedreven, begon de Jood de steile en nauwe trap op te klimmen,
die naar de galerij geleidde.
"Laat mij zien, wie hem durft tegenhouden," zei de Prins, het oog op
Cedric vestigende, wiens houding te kennen gaf, dat hij voornemens
was den Jood hals over kop naar beneden te werpen.
Dit werd verhinderd door Wamba, die tusschen zijn meester en Izaäk
sprong, en tot antwoord op des Prinsen uitdaging uitriep: "Voorwaar,
dat zal ik doen!" Hierop hield hij den Jood een stuk gerookt spek
als een schild tegemoet, dat hij van onder den mantel uit haalde,
en waarmede hij zich zonder twijfel voorzien had, uit vrees, dat
het toernooi langer mocht duren, dan zijn honger hem vergunde te
wachten. Den afschrik van zijn stam zoo dicht bij zijn neus ruikende,
terwijl de nar te gelijk zijn houten zwaard boven zijn hoofd zwaaide,
week de Jood achteruit, gleed en viel den trap af, tot groot vermaak
der toeschouwers, die in een luid gelach uitbarstten, waaraan Prins
Jan en zijn gevolg hartelijk deel namen.
"Geef mij den prijs, neef Prins," zeide Wamba; "ik heb mijn vijand in
den eerlijken strijd met schild en zwaard overwonnen!" Dit zeggende,
zwaaide hij het spek met de eene hand en het houten zwaard met
de andere.
"Wie en van waar zijt gij, edele strijder?" vroeg Prins Jan, steeds
lachende.
"Een nar van afkomst," antwoordde Wamba. "Ik ben Wamba, de zoon
van Weetniet, die de zoon was van Warhoofd, die de zoon was van
een Raadsheer."
"Maakt plaats voor den Jood in de voorste rij van den ondersten kring,"
zei Prins Jan, niet ontevreden misschien, een voorwendsel te vinden,
om van zijn eerste voornemen te kunnen afzien; "den overwonnene naast
den overwinnaar te plaatsen, ware tegen de wetten der ridderschap!"
"De schelm naast den nar zou nog erger zijn," hernam Wamba, "en de
Jood naast den ham het ergste van alles."
"Gij hebt gelijk, vriend!" riep Prins Jan; "gij bevalt mij.--Hier,
Izaäk! leen mij een handvol daalders."
Terwijl de Jood, verschrikt over dezen eisch, niet durvende weigeren
en ongaarne gehoorzamende, in den pelszak tastte, welke aan zijn
gordel hing, en misschien onderzocht, hoe weinig stuks voor een
handvol zouden kunnen doorgaan, bukte zich de Prins naar hem toe,
en maakte een einde aan Izaäk's onzekerheid, door den zak van zijn
zijde te scheuren; en Wamba een paar van de goudstukken, die er zich
in bevonden, toewerpende, galoppeerde hij het strijdperk rond, den
Jood aan het gelach der omstanders prijs gevende, terwijl hij zelf
evenzeer door de aanschouwers toegejuicht werd, alsof hij een edele,
eervolle daad verricht had.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Het luid trompetgeschal heeft strijders uitgedaagd,
Beantwoord weêr door hen, dien d' eedle kamp behaagt.
De daverende klank vervult de lucht en dreven;
En 't ros gespoord, 't vizier gesloten, rukken ze aan
Van d' open slagboom naar het midden van de baan,
Met uitgestrekte lans, of helmwaarts opgeheven.
Palamon en Arcite.
Midden in zijn rit hield Prins Jan op eens stil en, den Prior van
Jorvaulx roepende, verklaarde hij, de voornaamste zaak van den dag
verzuimd te hebben.
"Zoo waar ik leef, Prior!" zeide hij, "wij hebben vergeten de Koningin
der Liefde en Schoonheid te benoemen, door wier blanke hand de prijs
der overwinning moet uitgedeeld worden. Wat mij betreft, ik ben niet
bekrompen in mijne wijze van denken, en maak geene zwarigheid mijn
stem aan de zwart-oogige Rebekka te geven."
"Heilige Maagd!" antwoordde de Prior, de oogen met afschrik afkeerende,
"eene Jodin!--Wij verdienden uit het strijdperk gesteenigd te worden,
en ik ben nog niet oud genoeg, om een martelaar te worden. Buitendien
zweer ik bij mijn beschermheilige, dat zij in schoonheid voor de
beminnelijke Saksische Jonkvrouw Rowena verre moet onderdoen."
"Sakser of Jood, hond of zwijn," hervatte de Prins, "wat verschil
is daar tusschen? Ik herhaal het, ik benoem Rebekka, al ware het ook
alleen, om die Saksische lummels te ergeren!"
Er verhief zich een gemor, zelfs onder diegenen, die hem onmiddellijk
omringden.
"Dit heet de scherts te ver drijven, Heer!" zeide De Bracy. "Geen
ridder zal hier een lans breken, als men de vergadering zulk een
schimp aandoet."
"Het zou eene moedwillige beleediging zijn," zeide Waldemar Fitzurse,
een der oudsten uit het gevolg van Prins Jan, "en zoo uwe Hoogheid
daarbij volhardt, kan het niet anders dan schadelijk voor uwe
ontwerpen zijn."
"Mijnheer, ik hield u voor mijn volgeling en niet voor mijn raadsman,"
zei Jan, trotsch zijn paard doende stil staan.
"Zij, die uw Hoogheid op de paden volgen, welke zij bewandelt," zeide
Waldemar op zachten toon, "verkrijgen het recht van raadslieden;
want uw belang en uw veiligheid zijn er niet meer mede gemoeid,
dan de hunne!"
Uit den toon, waarop dit gezegd werd, zag Jan de noodzakelijkheid
in van te moeten toegeven. "Ik schertste slechts," hernam hij, "en
gij valt op mij aan, als even zoovele adders. Noemt wie gij wilt, in
's duivels naam, en volgt uw eigen zin."
"Neen, neen," zei de Bracy, "laat den troon der Koningin onbezet,
totdat de overwinnaar zal benoemd worden, en laat hem dan de dame
kiezen, welke dien zal beklimmen. Dit zal aan zijn zegepraal eene
dubbele waarde geven, en de schoone vrouwen leeren, de liefde der
dappere ridders op prijs te stellen, die haar tot zulk eene eereplaats
verheffen kunnen."
"Als Brian de Bois-Guilbert den prijs wint," zei de Prior, "dan wil ik
mijn rozekrans verwedden, dat ik de Koningin van Liefde en Schoonheid
noemen kan."
"De Bois-Guilbert," antwoordde De Bracy, "is een dapper ridder; maar
er zijn anderen in dit strijdperk, Heer Prior, die niet vreezen,
de kans tegen hem te wagen."
"Stil, Heeren," zeide Waldemar, "en laat den Prins zijne plaats
innemen. De ridders en toeschouwers zijn even ongeduldig; het is hoog
tijd, dat het spel een aanvang neme."
Ofschoon Prins Jan nog geen koning was, zoo had hij toch van Waldemar
Fitzurse al den last van een eersten minister, die zijn vorst altijd
op zijne eigene wijze dienen moet. De Prins gaf ook nu toe, schoon
hij van karakter eigenzinnig was in kleinigheden; en, nadat hij zijn
troon had ingenomen en zijn gevolg zich om hem geschaard had, gaf
hij een teeken aan de herauten om de toernooiwetten te verkondigen,
die in 't kort van den volgenden inhoud waren:
_Vooreerst_: de vijf uitdagers namen het tegen allen op, die zich
aanboden.
_Ten tweede_: ieder ridder, die begeerde te strijden, kon, als hij
wilde, eene bijzondere tegenpartij onder de uitdagers uitkiezen,
door zijn schild met de lans aan te raken. Indien hij zulks met de
omgekeerde lans deed, dan moest het gevecht plaats hebben met de
wapenen van _courtoisie_, dat is, met lansen, aan welker einde een
rond stuk hout bevestigd was, zoodat er geen gevaar bij was, behalve
door den schok der paarden en ruiters. Maar zoo het schild aangeraakt
werd met de scherpe punt der lans, dan moest het gevecht _à outrance_
plaats hebben, dat is, de ridders moesten met scherpe wapenen strijden,
evenals in een wezenlijk gevecht.
_Ten derde_: wanneer de tegenwoordig zijnde ridders hunne gelofte
volbracht hadden, om ieder vijf lansen te breken, zou de Prins
den overwinnaar op den eersten toernooidag benoemen, die tot prijs
een strijdpaard van uitgezochte schoonheid en weergalooze sterkte
zou hebben; en tot bijgift bij deze belooning van zijn dapperheid,
zou hij nog de bijzondere eer genieten, de Koningin der Liefde en
Schoonheid te benoemen, die den volgenden dag den prijs zou uitdeelen.
_Ten vierde_: werd er bekend gemaakt, dat er op den tweeden dag
een algemeen toernooi zou plaats hebben, waaraan alle tegenwoordig
zijnde ridders, welke begeerig mochten zijn een prijs te winnen, deel
konden nemen. Zij zouden in twee gelijke partijen verdeeld worden en
manhaftig strijden, totdat Prins Jan een teeken zou geven, om het
gevecht te eindigen. De verkozen Koningin der Liefde en Schoonheid
zou dan den ridder, welken de Prins zou aanwijzen, als zich op dezen
tweeden dag het dapperste te hebben gedragen, beloonen met een kroon
van dunne goudplaten, in den vorm van een lauwerkrans. Op dezen
tweeden dag eindigden de ridderspelen; maar den daarop volgenden,
zouden er schijfschieten, stierengevechten en andere volksvermaken
voor de onmiddellijke deelneming van het gemeen plaats hebben. Op
deze wijze poogde Prins Jan den grond te leggen tot een volksgunst,
welke hij altijd weder verspeelde door eenigen onbezonnen aanval op
de gevoelens en vooroordeelen van de menigte.
Het strijdperk vertoonde nu een allerprachtigst schouwspel. De zich
langzaam verheffende galerijen waren opgevuld met al wat edel,
groot, rijk en schoon was in het noorden en midden van Engeland;
en het contrast van de verschillende kleedingen der aanzienlijke
toeschouwers maakte het tooneel even bont als rijk: terwijl de
binnenste en lagere ruimte, met de gegoede burgers en landlieden van
het gelukkige Engeland gevuld, in hunne eenvoudige kleederdracht,
een donkeren rand rondom dat prachtige borduursel vormden, terwijl
zij de pracht daarvan te gelijk afwisselden en verhoogden.
De herauten eindigden hun afkondiging met hun gewoon geroep van:
"_Largesse_, _largesse_, dappere ridders!" en goud- en zilverstukken
werden hun van de galerijen toegeworpen, daar het een voornaam punt
der ridderschap was, milddadigheid te toonen jegens hen, welke
men toen tegelijk voor de verkondigers en geschiedschrijvers der
eer hield. De mildheid der toeschouwers werd erkend door het gewoon
geschreeuw van: "Liefde der dames!--Dood van de strijders!--Eer voor
de edelmoedigen!--Roem voor de dapperen!" waarbij de groote menigte
haar gejuich, en een talrijke hoop trompetters het geschal van hun
instrumenten voegden. Toen dit gedruisch gedaan was, verwijderden de
herauten zich in bonten en schitterenden optocht uit het strijdperk,
waarin geen mensch bleef dan de beide maarschalken, die, van
top tot teen gewapend, en onbeweeglijk als standbeelden, aan de
tegenovergestelde einden van het strijdperk te paard zaten. Intusschen
was de geheele afgesloten ruimte aan het noordereinde van het
strijdperk, hoe groot die ook was, met ridders opgevuld, die hun
geluk tegen de uitdagers wenschten te beproeven, en van de galerijen
gezien, hadden zij het voorkomen van een zee van golvende vederbossen,
vermengd met glinsterende helmen en lange lansen, aan welker punt
veelal vlagjes omtrent een span breed waren vastgebonden, welke,
in den wind fladderende, zich met de rustelooze beweging der pluimen
vereenigden, om levendigheid aan het tooneel bij te zetten.
Eindelijk gingen de slagboomen open, en vijf ridders door het lot
gekozen, reden langzaam in het strijdperk, één kampvechter aan het
hoofd en de vier anderen paarsgewijze volgende. Allen waren prachtig
gewapend, en mijn Saksische oorkonde (het Wardour handschrift),
beschrijft lang en breed hunne deviezen, hunne kleuren en het
borduursel van hunne paardendekens. Het is onnoodig hieromtrent in
bijzonderheden te treden; want om de regels van een nog levenden
dichter te gebruiken, die maar al te weinig geschreven heeft:
De Ridders worden stof, hun zwaard den roest ten roof;
Doch zalig is hun' ziel, naar de uitspraak van 't geloof. [13]
Hun wapenschilden zijn sedert lang vermolmd van de muren hunner
kasteelen gevallen; de kasteelen zelve zijn niets meer, dan groene
heuvels en verspreide puinhoopen;--de plaats, waar zij eens stonden,
is zelfs niet meer bekend;--menig geslacht is reeds uitgestorven
en vergeten in het land zelf, dat zij bewoonden, evenals het gezag
der leenheeren en edelen. Waartoe zou het dus dienen, hun namen te
vermelden; of de vergankelijke teekens op hun wapenschilden!
Maar nu,--zonder aan de vergetelheid te denken, die hun namen en
daden te wachten stond,--reden de kampvechters in het strijdperk,
hunne vurige paarden terughoudende, en dwingende om langzaam voort
te stappen, ten einde tegelijk hunne vlugheid en de behendigheid
hunner ruiters te kunnen toonen. Toen zij in optocht het strijdperk
binnen reden, deed zich eene Oostersche muziek van achter de tenten
der uitdagers hooren, waar de uitvoerders verborgen waren. Deze was
wezenlijk van Oosterschen oorsprong, daar zij uit het Heilige Land
was medegebracht; en het vereenigde geluid der cymbalen en der klokjes
scheen de aankomende ridders tegelijk te verwelkomen en uit te dagen.
Onder de oogen van eene ontelbare menigte toeschouwers reden de vijf
ridders naar de hoogte, op welke de tenten der uitdagers stonden, en
zich daar verspreidende, raakte ieder zachtjes, met omgekeerde lans,
het schild van de tegenpartij aan, tegen welke hij zijn geluk wilde
beproeven. De toeschouwers der mindere klasse, zelfs velen van de
hoogere, en naar men zegt ook verscheidene der dames waren ontevreden,
dat de strijders de wapenen van _courtoisie_ kozen. Want dezelfde
soort van menschen, welke heden ten dage de ijselijkste treurspelen het
meest toejuichen, stelden in dien tijd te meer belang in een toernooi,
naarmate de kampvechters gevaar liepen.
De ridders, hun vreedzaam voornemen hebbende te kennen gegeven, trokken
zich naar het uiterste einde van het strijdperk terug, waar zij op
eene rij bleven staan, terwijl de uitdagers, uit hun onderscheidene
tenten te voorschijn snellende, hun paarden bestegen, en aangevoerd
door Brian de Bois-Guilbert van de hoogte afdaalden, en ieder zich
tegenover den ridder plaatste, die zijn schild had aangeraakt.
Onder hoorn- en trompetgeschal renden zij in vollen galop op elkander
aan, en zoo groot was de meerdere behendigheid of het meerdere geluk
der uitdagers, dat de tegenstanders van Bois-Guilbert, Malvoisin en
Front-de-Boeuf op den grond rolden. De tegenpartij van Grantmesnil,
in plaats van de punt zijner lans recht tegen den helm of het schild
van zijn vijand aan te houden, week zoo ver van de rechte lijn af,
dat hij zijn lans dwars over het lijf van den aankomenden ridder
brak--een omstandigheid, die voor schandelijker gehouden werd, dan
geheel van het paard geworpen te worden; dewijl het ééne door een
toeval kon geschieden, en het andere lompheid en onbehendigheid in
het gebruik van wapens en paard aanduidde. De vijfde ridder alleen
hield de eer zijner partij staande, en vocht met gelijken uitslag
tegen den Johanniter Ridder, daar beide hunne lansen braken zonder
eenig voordeel te behalen.
Het geschreeuw der menigte kondigde, tegelijk met de toejuichingen
der herauten en het trompetgeschal, de zegepraal der overwinnaars
en de nederlaag der overwonnenen aan. De eersten begaven zich naar
hun tenten terug, en de laatsten, zoo goed zij konden, opstaande,
verlieten beschaamd en verlegen het strijdperk, om met de overwinnaars
omtrent het losgeld van hunne wapens en paarden overeen te komen,
die volgens de toernooiwetten verbeurd waren. De vijfde ridder
bleef alleen lang genoeg in het strijdperk om de toejuichingen der
aanwezigen te ontvangen, waaronder hij zich verwijderde, zonder
twijfel tot verhooging van de smart zijner metgezellen.
Een tweede en derde schaar ridders verschenen in het strijdperk,
en, ofschoon zij met verschillenden uitslag vochten, bleef echter
over het geheel het voordeel onvoorwaardelijk op de zijde der
uitdagers, waarvan niet één uit den zadel gelicht werd of misgestooten
had,--ongelukken, die aan een of twee hunner tegenpartij bij iederen
strijd overkwamen. Ook scheen de moed hunner bestrijders door hun
gedurig geluk merkelijk verflauwd te zijn. Bij den vierden kamp daagden
er slechts drie ridders op, welke, de schilden van Bois-Guilbert
en Front-de-Boeuf vermijdende, zich vergenoegden met die der andere
drie ridders aan te raken, die niet zooveel kracht en behendigheid
hadden doen blijken. Deze voorzichtige keus veranderde echter het
geluk van den strijd niet; de uitdagers overwonnen opnieuw;--één van
hunne tegenpartij werd uit den zadel gelicht, en de beide overigen
misten den aanval; dat is, zij troffen den helm en het schild van hun
tegenpartij niet zoo geweldig met de recht uitgestrekte lans, dat het
wapen breken moest, als de aangevallene niet voor den schok bezweek.
Na dezen vierden kampstrijd had er eene lange pauze plaats, en het
scheen, dat niemand meer verlangde het gevecht te vernieuwen. De
toeschouwers morden onder elkander: want onder de uitdagers waren
Malvoisin en Front-de-Boeuf niet bij het volk bemind, en de anderen
evenmin, omdat zij allen, behalve Grantmesnil, vreemdelingen en
buitenlanders waren.
Maar niemand gevoelde grooter misnoegen, dan Cedric de Sakser, die in
ieder voordeel, dat door de Normandische uitdagers behaald werd, een
nieuwe zegepraal op de eer van Engeland zag. Zijne eigene opvoeding
had hem niet in de ridderspelen bedreven gemaakt, ofschoon hij zich
met de wapens van zijne Saksische voorouders bij menige gelegenheid
als een dapperen en moedigen strijder betoond had. Hij zag verlangend
naar Athelstane, die alle kunsten van dien tijd geleerd had, alsof hij
wenschte, dat hij een persoonlijke poging zou doen, om den Tempelier
en zijn metgezellen de overwinning weder te ontweldigen, die zij op
het punt waren te behalen. Maar, schoon Athelstane moedig en sterk
was, had hij echter een te traag en te weinig eerzuchtig karakter,
om de proef te doen, welke Cedric van hem verwachtte.
"Het geluk is tegen Engeland, Milord," zeide Cedric met nadruk;
"wilt gij ook niet een lans breken?"
"Ik zal mij morgen in de _mêlée_ mengen!" antwoordde Athelstane. "Het
is niet de moeite waard, mij heden te wapenen."
Twee dingen mishaagden Cedric in dit antwoord. Vooreerst, het
bevatte het Normandische woord _mêlée_ (om het algemeene gevecht
aan te duiden), en ten tweede, toonde het eenige onverschilligheid
voor de eer van zijn vaderland; maar het was Athelstane, die het
uitgesproken had, en hij koesterde zulk een grooten eerbied voor hem,
dat hij het niet zou gewaagd hebben, zijne beweegredenen of zwakheden
te berispen. Daarenboven had hij geen tijd om eenige aanmerking te
maken, want Wamba viel hem in de rede met de aanmerking: "Het is beter,
hoewel niet gemakkelijker, de eerste van honderd dan van twee te zijn."
Athelstane nam dit voor een ernstig compliment op; maar Cedric,
die de bedoeling van den nar beter begreep, wierp hem een strengen
en dreigenden blik toe; en het was misschien gelukkig voor hem,
dat tijd en plaats beletten, dat hij, in weerwil van zijn ambt,
nog gevoeliger bewijzen van het ongenoegen zijns meesters ontving.
De stilte in het toernooi was nog onafgebroken, behalve door de
stemmen der herauten, die uitriepen: "Liefde tot de dames! Breekt een
lans! Daagt op, dappere ridders! Schoone oogen aanschouwen uw daden!"
De schelle muziek der uitdagers liet zich van tijd tot tijd in
wilde tonen hooren, zegepraal en uitdaging verkondigende, terwijl de
landlieden over een feestdag morden, die in werkeloosheid scheen te
zullen voorbijgaan. De oude ridders en edelen fluisterden elkander hun
klachten toe over het verval van den krijgshaftigen geest, spraken van
de zegepralen in hunne jonge dagen behaald, en kwamen overeen, dat het
land thans geene vrouwen van zoo uitstekende schoonheid opleverde,
als die, welke de feesten van vorige tijden opgesierd hadden. Prins
Jan begon met zijn gevolg te spreken over den maaltijd, en over de
noodzakelijkheid om aan Brian de Bois-Guilbert den prijs toe te kennen,
daar hij met ééne enkele lans twee ridders uit den zadel had gelicht,
en den aanval van een derde had verijdeld.
Eindelijk, toen de Saraceensche muziek van de uitdagers eene van die
lange en forsche _fanfaren_ geëindigd had, met welke zij de stilte in
het strijdperk afwisselde, werd die beantwoord door een enkele trompet,
welke aan het noordelijke eind eene uitdaging verkondigde. Aller oogen
waren naar dien kant gericht, om den nieuwen kampvechter te zien,
die zich nu aanmeldde, en nauwelijks waren de slagboomen geopend,
of hij reed in het strijdperk. Voor zoover men uit zijne wapenrusting
beoordeelen kon, scheen de nieuw aangekomene van middelmatige grootte,
en eer rank dan sterk van gestalte te zijn. Zijne wapenrusting was
van staal, rijk met goud ingelegd, en het devies op zijn schild was
een jonge eik met den wortel uit den grond gerukt, met het Spaansche
woord "_Desdichado_", dat is, "Onterfd."
Hij zat op een schoon zwart strijdros, en terwijl hij door het
strijdperk reed, groette hij den Prins en de dames beleefd met zijn
lans. De behendigheid, met welke hij zijn paard regeerde, en een
zekere jeugdige bevalligheid van houding verwierven hem de gunst der
menigte, welke eenigen uit de mindere klasse luidkeels uitten door
het geschreeuw van: "Raak het schild aan van Ralph de Vipont;--raak
het schild van den Hospitaal Ridder aan; hij zit het minste vast;
hij is de gemakkelijkste partij!"
De kampvechter, voortrijdende onder deze welgemeende wenken, bereikte
de hoogte door de schuins oploopende laan, welke van het strijdperk
daarheen leidde, en tot verwondering van alle aanschouwers recht op de
middelste tent aanrijdende, sloeg hij met de
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/26564