Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Gevoel en verstand

by Jane Austen · Dutch · Gutenberg #25946 · 776,529 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Gevoel en verstand
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Gevoel en verstand

Author: Jane Austen

Translator: Gonne Loman-van Uildriks


        
Release date: July 1, 2008 [eBook #25946]
                Most recently updated: January 3, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/25946

Credits: Produced by Branko Collin, Jeroen Hellingman, and the
        Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEVOEL EN VERSTAND ***




Produced by Branko Collin, Jeroen Hellingman, and the
Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net








                       Wereldbibliotheek

                  Onder leiding van L. Simons

    Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur--Amsterdam




                      Jane Austen's Roman

                       Gevoel en Verstand

                 Vertaald door G. van Uildriks

                              1922




         Gedrukt ter Drukkerij van de Wereldbibliotheek





JANE AUSTEN (1775-1817)


Voor allen, die over uitgevers en publiek te klagen hebben, is deze
schrijfster, tijdgenoote van onze Betje Wolff en Aagje Deken, een
troostend voorbeeld, mits zij een even zuiver talent hebben als deze
Engelsche domineesdochter, die in het dorpje Steventon in Hampshire
geboren en getogen werd, en er haar eerste 26 jaren sleet. Want haar
eerste twee romans, _Pride and Prejudice_ en het hier in Nederlandsche
vertaling aangebodene _Sense and Sensibility_ schreef zij tusschen de
jaren 1796 en '98, maar kon er eerst in 1811 en 1813 een uitgever voor
vinden. Nog een derden roman had zij inmiddels geschreven _Northanger
Abbey_, en toen, ontmoedigd(?) de pen maar laten rusten.

Doch toen eindelijk haar twee oudste romans verschenen waren, duurde
het niet lang of onder de schrijvers van haar tijd werd haar werk
geprezen en gretig gelezen (éen van hen heeft later bekend, een
harer boeken 17 maal te hebben gelezen!) en nadat tusschen 1811 en
'16 zij nog drie romans bij de drie oudere gevoegd had (_Mansfield
Park_, _Emma_ en _Persuasion_) kon zij over haar roep gerust zijn. De
beroemde en gretig gelezen schrijfsters van haar tijd zijn vergeten;
haar werk leeft nog, even frisch als toen het geboren werd.

Zijn groote eigenschap is de fijne ironische observatie van het
burgerlijk leven van haar tijd en haar vermogen dit zonder eenigen
romantischen kunstgreep boeiend te maken. Haar menschen en haar
omgeving leven voor ons in een volkomen zuiverheid, en in haar
tijd, waarin men alles romantiseerde, kwam dit als een zoo groote
verrassing, dat zelfs de romantische grootmeester Walter Scott er haar
met ijver om prees. Er is weinig Engelsch werk, dat ons zoo aandoet
om zijn verwantschap met den geest van onze eigen Nederlandsche
letterkundige kunst als het hare. De geestigheid van Betje Wolff is
guller en meesleepender, maar Jane Austens werk staat zuiverder in
zijn afwezigheid van alle sentimentaliteit. Als teekenaressen van de
burgerklasse uit haar eigen omgeving wedijveren beiden, zonder dat
men een van beiden den eerepalm zou durven toekennen boven de andere.

"Haar fijne toets" en ondeugendheid van beschrijving zullen, naar
wij vertrouwen, ook onze lezers waardeeren, in de voortreffelijke
vertaling van Mevr. Van Uildriks, die tot ons leedwezen, de uitgaaf
niet meer mocht beleven.


                                                       Redactie W.B.







HOOFDSTUK I


De familie Dashwood was lang gevestigd geweest in Sussex. Hun
grondbezit was uitgestrekt, en zij plachten verblijf te houden te
Norland Park, in het middenpunt van hun bezittingen gelegen, waar zij
gedurende vele geslachten een leven hadden geleid, achtenswaardig
genoeg om den algemeenen goeden dunk te winnen van hunne kennissen
in den omtrek.

De overleden eigenaar van het goed was een ongetrouwd man, die
een zeer hoogen leeftijd bereikte, en die gedurende vele jaren van
zijn leven een getrouwe gezellin en huishoudster had gehad in zijne
zuster. Doch haar dood, die tien jaren voor zijn eigen overlijden
plaats had, veroorzaakte een groote verandering in zijn omgeving; want
ter vervulling van haar gemis, vroeg en ontving hij in zijn huis het
gezin van zijn neef, den Heer Henry Dashwood, den wettigen erfgenaam
van de bezitting Norland, en den persoon, aan wien hij voornemens was,
het goed na te laten. In het gezelschap van zijn neef en nicht en
hunne kinderen sleet de oude heer genoeglijke dagen. Zijn gehechtheid
aan hen allen nam toe. De voortdurende tegemoetkoming van den Heer en
Mevrouw Dashwood aan zijne wenschen, die niet enkel uit eigenbelang
voortsproot, maar evenzeer uit goedhartigheid, schonk hem in ieder
opzicht het gemak en behagen, dat hij in zijn hoogen ouderdom nog
kon genieten, en de vroolijkheid der kinderen bracht in zijn leven
een element van opgewektheid.

Uit een vorig huwelijk had de Heer Henry Dashwood een zoon; van zijn
tegenwoordige vrouw drie dochters. De zoon, een flinke, achtenswaardige
jonge man, zag zijn toekomst ruim verzekerd door het fortuin van
zijne moeder, dat aanzienlijk was geweest, en waarvan de helft bij
zijn meerderjarig-wording aan hem verviel. Door zijn eigen huwelijk,
dat spoedig daarna plaats had, werd zijn rijkdom nog vermeerderd. Voor
hem was dus het toekomstig bezit van Norland van niet zoo ingrijpend
belang als voor zijn zusters; want haar fortuin kon, buiten 't geen
haar ten deel kon vallen wanneer haar vader het goed erfde, slechts
gering zijn. Haar moeder bezat niets, en haar vader kon slechts
zevenduizend pond zijn eigendom noemen; want de andere helft van
het fortuin zijner eerste vrouw was eveneens op haar kind vastgezet,
en hij had er slechts het vruchtgebruik van.

De oude heer stierf; zijn testament werd voorgelezen, en baarde, als
bijna ieder testament, evenveel teleurstelling als voldoening. Hij
was niet zoo onrechtvaardig noch zoo ondankbaar om zijn bezitting
_niet_ aan zijn neef na te laten, doch hij liet hem het goed na, op
voorwaarden die de helft der waarde van het erfdeel te niet deden. De
Heer Dashwood had het bezit ervan gewenscht, meer terwille van zijn
vrouw en dochters, dan voor zichzelf of zijn zoon; maar aan zijn
zoon en zijn kleinzoon, een kind van vier jaar, werd het toegewezen,
op een wijze, die hem volkomen de macht ontnam om de toekomst te
verzekeren van degenen die hem het liefst waren, en die het meest zulk
een verzekering behoefden, 't zij door een hypotheek op het goed,
of door verkoop van zijn waardevolle bosschen. Op alles werd beslag
gelegd ten behoeve van het kind, dat bij bezoeken, nu en dan met zijn
vader en moeder te Norland gebracht, zóózeer de genegenheid van zijn
oudoom had weten te winnen, door aanvalligheden, ver van ongewoon bij
kinderen van twee of drie jaar, als: onbeholpen spraak, een ernstig
verlangen om zijn eigen wil door te zetten, veel guitenstreken en
verbazend veel drukte, dat hiertegen de waarde van al de bewijzen van
aanhankelijkheid, die hij jarenlang van zijne nicht en hare dochters
had ontvangen niet kon opwegen. Zijn bedoeling was echter niet,
onvriendelijk te zijn, en als een bewijs van zijn genegenheid voor
de drie meisjes liet hij aan ieder van haar duizend pond na.

De Heer Dashwood was eerst bitter teleurgesteld; maar zijn aard was
vroolijk en geneigd tot opgewektheid; hij had alle reden nog te hopen
op een lang leven, waarin hij door zuinig te zijn, een aanzienlijke
som kon besparen uit de opbrengst van een goed, dat reeds groot
was, en vatbaar voor bijna onmiddellijke verbetering. Doch het
fortuin, dat zoo laat gekomen was, bleef slechts een jaar in zijn
bezit. Langer overleefde hij zijn oom niet, en tien duizend pond,
de pas ontvangen legaten medegerekend, was al wat voor zijne weduwe
en dochters overbleef.

Zoodra men wist dat hij in gevaar was, werd om zijn zoon gezonden, en
hem beval de heer Dashwood, met al de kracht en den aandrang waartoe
zijn ziekte hem nog vermocht te bewegen, de belangen aan van zijn
stiefmoeder en zijne zusters.

De Heer John Dashwood bezat niet het sterke gevoel van de overige
leden der familie; doch hij was getroffen door eene aanbeveling van
dien aard op zulk een tijdstip; en hij beloofde alles te doen wat in
zijn macht stond om tot haar verzorging bij te dragen. Zijn vader was
door die verzekering gerustgesteld; en de Heer John Dashwood had daarna
nog ruim tijd om te overwegen hoe veel hij in alle voorzichtigheid
bij machte zou kunnen zijn voor haar te doen.

Hij was geen slechtgeaarde jonge man; tenzij het slecht geaard ware,
ietwat onhartelijk en nog al zelfzuchtig te zijn; hij stond over
't algemeen zeer in aanzien; want hij gedroeg zich juist zooals het
behoorde in de vervulling van zijn gewone verplichtingen. Had hij een
beminnelijkere vrouw getrouwd, dan zou hij misschien nog meer gezien
hebben kunnen zijn, dan hij reeds was; hij zou dan zelfs misschien
zelf beminnelijk hebben kunnen worden; want hij was heel jong toen hij
trouwde en hij hield veel van zijn vrouw. Maar Mevrouw John Dashwood
was een sterk overdreven caricatuur van hem zelf; nog meer bekrompen
en zelfzuchtig.

Toen hij zijn vader die belofte deed, stelde hij zich inwendig voor,
het fortuin van zijn zusters te vermeerderen, door haar ieder een
duizend pond te schenken. Hij dacht toen werkelijk dat hij daartoe
in staat zou zijn. 't Vooruitzicht op vierduizend pond jaarlijks,
toegevoegd aan zijn tegenwoordig inkomen, behalve de andere helft van
zijn moeder's fortuin, verwarmde zijn hart, en deed hem zich in staat
gevoelen, edelmoedig te zijn: "Ja, hij zou ze drie duizend pond geven;
dat was ruim en royaal! Het zou voldoende zijn om ze geheel onbezorgd
te doen leven. Drie duizend pond! Hij kon die aanzienlijke som wel
missen, zonder veel bezwaar. Hij dacht er den geheelen dag aan,
en vele dagen achtereen, en hij had er geen berouw van."

Zoodra de begrafenis van zijn vader was afgeloopen, kwam Mevrouw John
Dashwood met haar kind en hun bedienden; zonder aan haar schoonmoeder
eenig bericht te hebben gezonden van haar voornemen. Niemand kon haar
recht om te komen betwisten; het huis behoorde aan haar echtgenoot,
van het oogenblik af dat zijn vader overleed; maar dat maakte het
onkiesche van haar gedrag des te meer voelbaar, en zou voor een
vrouw in Mevrouw Dashwood's omstandigheden, met slechts alledaagsche
gevoelens, hoogst onaangenaam zijn geweest; doch _haar_ geest was
doordrongen van een zóó sterk gevoel van eer, een zoo romantische
edelmoedigheid, dat elke overtreding van dezen aard, door wien ook
begaan, of van wien ook ondervonden, voor haar een bron was van
onveranderlijken afkeer. Mevrouw John Dashwood was nooit met zeer
gunstige oogen geschouwd door eenig lid van haar man's familie,
maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad, hun te toonen, hoe
weinig zij bij haar optreden eens anders gevoelens ontzag, wanneer
het zoo in haar kraam te pas kwam. Zoo pijnlijk griefde Mevrouw
Dashwood dit onbeminnelijk gedrag, en zoo hartgrondig verachtte zij
haar schoondochter wegens haar houding, dat zij bij de aankomst van
de laatste het huis voorgoed zou hebben verlaten, wanneer niet de
smeekingen van haar oudste dochter haar hadden bewogen eerst nog
eens na te denken over de gepastheid van zulk een vertrek, en haar
eigen teedere liefde voor alle drie hare kinderen haar later had
doen besluiten te blijven, en om harentwil een breuk met haar broeder
te vermijden.

Elinor, deze oudste dochter, wier raadgeving zoo doeltreffend was,
bezat een mate van doordringend begrip en een helderheid van oordeel,
die haar recht gaven, hoewel zij nog slechts negentien jaar was, als
haar moeder's raadgeefster op te treden, en haar in staat stelden,
menigmaal tot hun aller voordeel, haar overwicht te doen gelden
tegenover Mevrouw Dashwood's levendigen en voortvarenden aard, die
haar licht tot onvoorzichtigheid had kunnen verleiden. Zij had een
warm hart, haar aard was liefderijk, en haar gevoelens waren sterk;
doch zij wist ze te beheerschen; dit was een kennis, die haar moeder
nog te verwerven had, en die een harer zusters besloten had, zich
nimmer te laten bijbrengen.

Marianne's vermogens waren in menig opzicht, aan die van Elinor
gelijkwaardig. Zij was verstandig en vlug van begrip; maar in alles
heftig; haar verdriet, haar vreugde kenden geen matiging. Zij was
edelmoedig, beminnelijk, boeiend; ze was alles, behalve voorzichtig. De
gelijkenis tusschen haar en hare moeder was opvallend groot.

Elinor zag, niet zonder zorg, die overmaat van gevoeligheid bij
haar zuster; doch door Mevrouw Dashwood werd deze gewaardeerd en
aangewakkerd. Zij versterkten thans elkander in de heftigheid van
hare smart. De hartverscheurende droefheid, die haar in het begin
overweldigde, werd opzettelijk hernieuwd, gezocht, telkens en telkens
weder opgewekt. Zij gaven zichzelf geheel over aan haar verdriet,
trachtten meerder leed te putten uit elke overweging, die daartoe
kon bijdragen, en schenen vastbesloten ook in de toekomst voor troost
ontoegankelijk te blijven. Ook Elinor was diep terneergeslagen; maar
zij kon ertegen strijden. Zij kon zich inspannen. Zij kon overleg
plegen met haar broeder; kon haar schoonzuster ontvangen bij haar
komst en haar de noodige beleefdheid bewijzen; ook kon zij ernaar
streven haar moeder op te wekken tot een dergelijke krachtsinspanning
en haar aan te sporen tot een dergelijke verdraagzaamheid.

Margaret, de andere zuster, was een blijgezind, goedaardig meisje;
maar daar zij reeds vrij wat van Marianne's romantische neigingen
had overgenomen, zonder juist veel van haar verstand te bezitten,
beloofde zij thans, nu ze dertien was, niet, op lateren leeftijd de
gelijke van hare zusters te zullen worden.






HOOFDSTUK II


Mevrouw John Dashwood nam thans hare plaats in als vrouw des huizes
te Norland, en haar schoonmoeder en zusters werden tot de positie
van gasten teruggebracht. Als zoodanig echter behandelde zij hen kalm
beleefd, en haar man bewees hun zooveel vriendelijkheid, als hij kon
gevoelen voor iemand, behalve zichzelf, zijn vrouw en hun kind. Hij
wilde hen, werkelijk met eenigen aandrang, overhalen om Norland als
hun tehuis te beschouwen, en daar geen ander plan Mevrouw Dashwood
zoo verkieselijk scheen, als daar te blijven tot zij een huis in de
buurt had kunnen vinden, werd zijn uitnoodiging aangenomen.

Te blijven op een plek, waar alles haar aan vroegere vreugde
herinnerde, was juist wat strookte met haar aard. In tijden van
blijdschap kon geen geaardheid opgewekter zijn dan de hare, of in
grootere mate die optimistische verwachting van geluk koesteren,
die het geluk zelf is. Doch in hare smart liet zij zich eveneens
door haar verbeelding medevoeren, even ver van alle vertroosting,
als in haar vreugde van storende pijn.

Mevrouw John Dashwood keurde volstrekt niet goed, wat haar man
voornemens was te doen ten behoeve van zijne zusters. Drieduizend pond
af te nemen van het fortuin van hun kleinen jongen zou gelijk staan
met hem tot de verschrikkelijkste armoede te doen vervallen. Zij
raadde hem aan, nog eens na te denken over de zaak. Hoe kon hij 't
voor zichzelf verantwoorden, zijn kind, zijn eenig kind nog wel,
van zulk een groote som te berooven? En met welk recht konden de
dames Dashwood, die slechts bloedverwanten waren van ééne zijde,
't geen zij als in 't geheel geen verwantschap beschouwde, aanspraak
maken op zulk een groote som als bewijs van zijn edelmoedigheid? Dat
wist toch iedereen, hoe niemand ooit genegenheid verwachtte tusschen
kinderen van eenig man, uit verschillende huwelijken, en waarom zou
hij zichzelf, en hun armen kleinen Harry, ruïneeren, door al zijn
geld weg te geven aan zijn half zusters?

"'t Was vader's laatste verzoek aan mij," antwoordde haar man "dat
ik zijn weduwe en dochters zou bijstaan."

"Hij zal wel niet hebben geweten wat hij zei, denk ik; tien tegen
een dat hij in de war was op dat oogenblik. Als hij bij zijn verstand
geweest was, zou hij er niet aan hebben gedacht zoo iets vreemds te
doen, je te vragen je halve fortuin weg te geven ten nadeele van je
eigen kind."

"Hij eischte immers ook geen bepaalde som, beste Fanny, hij verzocht
mij alleen, in algemeene termen, om hen bij te staan en hunne
omstandigheden gemakkelijker te maken, dan in zijn vermogen was, te
doen. 't Was misschien beter geweest, als hij 't maar geheel aan mij
had overgelaten. Hij kon moeilijk veronderstellen, dat ik mij niet
om hen zou bekommeren. Maar daar hij die belofte van mij vergde,
kon ik al niet anders dan haar afleggen; ten minste, toen dacht ik
er zoo over. De belofte werd dus gegeven en moet worden vervuld. Iets
moet er voor hen worden gedaan, wanneer ze van Norland vertrekken en
gaan wonen in hun nieuw tehuis".

"Nu ja, goed; _laat_ er iets voor hen gedaan worden; maar dan behoeft
dat _iets_ niet juist drieduizend pond te zijn. Je moet niet vergeten,"
voegde zij erbij, "dat je het geld niet kunt terugkrijgen, wanneer
je 't eens hebt afgestaan. Je zusters zullen trouwen, en dan is het
voor goed weg. Als het nu nog ooit aan onzen armen kleinen jongen
kon worden teruggegeven..."

"O, zeker," zei haar man heel ernstig, "dat zou een groot verschil
maken. Er kan een tijd komen, waarin Harry er spijt van heeft, dat
zulk een groote som werd weggeschonken. Als hij bijvoorbeeld een
groot gezin had, dan zou het een welkome vermeerdering zijn."

"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf."

"Misschien was het dan voor alle betrokken partijen beter als we de
som tot op de helft verminderden. Vijfhonderd pond zou een ontzaglijke
vermeerdering van hun fortuin beteekenen."

"O, maar meer dan ze in de verste verte konden verwachten! Welke broer
ter wereld zou ook maar half zooveel doen voor zijn zusters, zelfs
als ze _werkelijk_ zijn zusters waren! Maar zooals hier--halfzusters
maar!--Je bent nu eenmaal zoo edelmoedig van aard!"

"Ik zou niet graag schriel willen zijn," was zijn antwoord. "Men doet
bij zulke gelegenheden liever te veel dan te weinig. Niemand kan ten
minste denken, dat ik niet genoeg voor hen heb gedaan; zelve zouden
ze moeilijk meer kunnen verwachten."

"Ja, wat _zij_ verwachten, wie zal dàt zeggen," vond mevrouw;
"maar hun verwachtingen gaan ons niet aan; de vraag is, wat jij je
veroorloven kunt te doen."

"Precies, en mij dunkt, dat ik mij kan veroorloven hun elk vijfhonderd
pond te geven. Zooals 't nu staat, zonder eenige toevoeging van mij,
zullen zij bij hun moeder's dood ieder meer dan drieduizend pond
bezitten, een zeer voldoende som voor een jonge vrouw."

"Dat is het _zeker_; en wèl beschouwd, dunkt mij, dat ze in 't
geheel geen toevoeging noodig hebben. Tienduizend pond zullen onder
hen verdeeld worden. Als ze trouwen, dan doen ze stellig een goede
partij, en trouwen ze niet, dan kunnen ze met elkaar ruim leven van
de rente van tienduizend pond."

"Dat is zéér waar; en daarom weet ik niet, of het over 't geheel niet
raadzamer zou zijn, iets te doen voor hun moeder, gedurende haar leven,
dan voor hen; zooiets als een jaargeld, bedoel ik. Mijn zusters zouden
daarvan evengoed voordeel trekken als zij zelve. Met honderd pond in
't jaar zouden ze 't samen heel goed kunnen hebben."

Zijn vrouw aarzelde echter een weinig, tot dit plan haar toestemming
te verleenen.

"Natuurlijk," zei ze, "dat is wel beter, dan afstand te doen van
vijftienhonderd pond ineens. Máár--als Mevrouw Dashwood nog vijftien
jaar blijft leven, dan zijn wij 't kind van de rekening."

"Vijftien jaar! maar Fanny, zóó oud wordt ze niet half."

"Dat denk ik ook niet; maar let eens op, als menschen een jaargeld
krijgen, dan leven ze maar altijd door; en zij is zoo dik en gezond,
en nog maar even in de veertig. Een jaargeld is werkelijk geen gekheid,
't komt geregeld ieder jaar weer terug, en men kan er niet afkomen. Je
weet niet wat je begint. Ik heb heel wat ondervinding van dien last
met jaargelden; want mijn moeder had, als een blok aan haar been,
volgens vader's testament, er drie uit te betalen aan oude, afgedankte
dienstboden, en je kunt je niet voorstellen hoe onaangenaam ze dat
vond. Tweemaal in 't jaar moest dat geld worden uitbetaald, en dan
hadt je nog den last om 't hun te doen toekomen; en toen 't heette,
dat een van hen was gestorven, bleek het later, dat daar niets van
aan was. Mijn moeder kreeg er zoo recht genoeg van. 't Was of haar
inkomen haar niet behoorde, zei ze, met die voortdurende eischen,
die aan haar werden gesteld; en 't was des te onaardiger van vader,
omdat overigens het geld geheel en al moeder's eigendom was, zonder
eenige voorwaarde. Dat heeft me zoo'n afkeer gegeven van jaargelden,
dat ik in geen geval mij zelf zou willen dwingen tot de verplichting
er ooit een uit te betalen, voor geen geld van de wereld."

"Het _is_ ook bijzonder onaangenaam," antwoordde de Heer Dashwood,
"die soort van jaarlijksche inkomstenvermindering te moeten
ondergaan. Zooals je moeder terecht zegt, op die manier is iemands
fortuin zijn eigendom niet. Verplicht te zijn tot geregelde betaling
van zoo'n som op elken betaaldag, is alles behalve prettig; 't beneemt
iemand zijn gevoel van onafhankelijkheid."

"Zeer zeker; en per slot krijgt men er geen dank voor. Zij denken
dat ze zeker zijn van hun geld; je doet niet meer dan ze verwachten,
en dankbaar zijn ze in 't minst niet. Als ik in je plaats was, dan zou
ik, wàt ik ook deed, geheel uit eigen vrijen wil doen; ik zou mij niet
willen binden, door een jaarlijksche toelage. Er kunnen jaren komen,
waarin 't ons heel slecht past om honderd, of zelfs vijftig pond te
missen van wat we noodig hebben voor eigen uitgaven."

"Mij dunkt, dat je gelijk hebt, beste; 't zal beter zijn, als er
geen sprake is van een jaargeld in dit geval; wàt ik hun dan ook
bij gelegenheid eens zal geven, zal hen veel meer helpen dan een
jaarlijksche toelage; want ze zouden alleen maar op veel grooter voet
gaan leven, als ze zeker waren van een grooter inkomen, en zoodoende
zouden ze aan 't eind van 't jaar geen cent rijker zijn erdoor. Dat
zal stellig de beste manier zijn. Met een cadeautje van vijftig pond
zoo af en toe zullen ze nooit om geld verlegen zijn, en ik geloof
dat ik op die wijze ten volle de belofte aan mijn vader nakom."

"Ja, zeker doe je dat. Eigenlijk, om je de waarheid te zeggen, ben
ik inwendig overtuigd, dat je vader in 't geheel niet bedoeld heeft,
dat je hun geld zoudt geven. Ik geloof stellig, die hulp, die hij op
het oog had, was niet anders, dan wat men natuurlijk van je zou mogen
verwachten; zooals bijvoorbeeld naar een geschikt huisje voor hen
uit te zien, hen te helpen bij 't verhuizen, en hun nu en dan eens
wat visch of wild te zenden, al naar 't seizoen. Ik durf wel wedden
dat hij niets meer dan dat bedoelde; en 't zou dan toch ook al héél
vreemd en onredelijk zijn geweest als dat wèl zoo was. Want bedenk
toch eens, man, hoe ruim en royaal je stiefmoeder en haar dochters
kunnen leven van de rente van zevenduizend pond, behalve die duizend
pond, die de meisjes ieder bezitten, en die hun elk vijftig pond in
't jaar opbrengen, waarvan ze natuurlijk hun moeder voor kost en
inwoning zullen betalen. Alles met elkaar gerekend zullen ze samen
vijfhonderd pond hebben in 't jaar, en wat ter wereld kunnen vier
vrouwen meer begeeren? Ze zullen zoo goedkoop leven! Hun huishouden zal
letterlijk niets kosten. Ze zullen geen rijtuig houden, geen paarden,
en bijna geen dienstboden; ze zullen geen menschen zien, en dus in
't geheel geen onkosten hebben! Denk eens, hoe ruim ze zich zullen
kunnen bewegen! Vijfhonderd pond in 't jaar! Bepaald, ik kan mij niet
voorstellen hoe ze ook maar de helft ervan zullen uitgeven, en dat
ze van jou nog meer zouden krijgen, is te gek om aan te denken. Ze
zullen vrij wat eerder in staat zijn om iets te geven aan _jou_."

"Ja, 't is waar," zei de Heer Dashwood; "je hebt groot gelijk. Vader
kan niets meer hebben bedoeld met zijn verzoek aan mij, dan wat je
zegt. Ik begrijp dat nu volkomen, en ik zal mijn belofte getrouw
vervullen door bewijzen van vriendelijkheid en hulp in den geest
zooals jij dat aangaf. Als moeder een ander huis gaat betrekken,
dan zal ik met genoegen mijn diensten aanbieden, om haar te helpen
zooveel in mijn vermogen is. Een of andere kleine attentie, een nieuw
meubelstuk of zoo, zal dan ook wel te pas komen."

"O jawel," zei Mevrouw John Dashwood. "Mààr, één ding mag je daarbij
wèl in aanmerking nemen. Toen je vader en moeder naar Norland
verhuisden, werden wel de meubels van Stanhill verkocht; maar al het
porselein, zilver en linnen werden meegenomen, en zijn nu nagelaten
aan je moeder. Daardoor zal haar huis bijna geheel en al ingericht
zijn, zoodra ze 't gaat bewonen."

"Dat legt gewicht in de schaal, zeer zeker. Een waardevol bezit!--Een
gedeelte van dat zilver zou buitengewoon goed te pas zijn gekomen
ter aanvulling van onzen eigen voorraad."

"Ja, en 't ontbijtservies is oneindig mooier dan 't geen hier in huis
behoort. Veel te mooi, naar _mijn_ idee, voor welk huis ook, waarin
_zij_ ooit kunnen wonen. Maar dat is nu eenmaal niet anders. Je vader
dacht alleen aan _hen_. En dàt moet ik zeggen: je behoeft hem niet zoo
bijzonder dankbaar te zijn, of zijn wenschen zoo stipt na te komen;
want we weten best, dat hij, als hij maar kòn, bijna alles aan _hen_
zou hebben nagelaten."

Dàt argument was onweerlegbaar. Het verleende zijn plannen de
vastheid, die er te voren aan ontbrak, en ten slotte besloot hij,
dat het volkomen onnoodig, zoo niet bepaald ongepast zou zijn, meer
te doen voor de weduwe en kinderen van zijn vader, dan hun als goeden
buren de soort van attenties te bewijzen, waarop zijn eigen vrouw
hem gewezen had.






HOOFDSTUK III


Mevrouw Dashwood bleef verscheiden maanden te Norland; niet omdat zij
ongeneigd was te vertrekken, nadat het gezicht van elke welbekende
plek niet langer de heftige gemoedsbeweging veroorzaakte, die het een
tijdlang had opgewekt; want toen haar veerkracht terugkeerde, en haar
geest weer in staat was tot eenige andere krachtinspanning dan die
van hare droefheid te verlevendigen door weemoedige herinneringen,
verlangde zij sterk naar het vertrek, en was onvermoeid in haar
pogingen een geschikte woning te vinden in de buurt van Norland;
want zich ver van die geliefde plek te verwijderen scheen haar
onmogelijk. Maar zij kon geen verblijfplaats ontdekken die voldeed
aan haar eischen op 't punt van behagen en gemak, en die tevens
de goedkeuring wegdroeg van haar voorzichtige oudste dochter, wier
gezonder oordeel verschillende huizen, waarmee haar moeder zeer was
ingenomen, als te groot voor hun inkomen, verwierp.

Mevrouw Dashwood had door haar man de plechtige belofte vernomen,
hem door zijn zoon te haren behoeve gedaan, en welke zijn laatsten
gedachten hier op aarde troost had geschonken. Zij twijfelde
evenmin aan de oprechtheid van die verzekering, als haar man zelf
had gedaan, en ter wille van hare dochters schonk de gedachte eraan
haar voldoening; hoewel zij, wat haarzelve betrof, overtuigd was, dat
een veel geringere som dan zevenduizend pond voldoende zou zijn om
haar een ruim bestaan te verschaffen. Ook terwille van hun broeder,
terwille van zijn eigen hart verheugde zij zich; en zij verweet
zichzelve, dat zij vroeger zijn verdienste geen recht had laten
weervaren, toen zij hem niet in staat achtte tot edelmoedigheid. Zijn
voorkomend gedrag jegens haar en zijne zusters overtuigde haar, dat
hun welzijn hem ter harte ging, en langen tijd vertrouwde zij vast
op zijn vrijgevige bedoelingen.

De minachting, die zij reeds aan 't begin hunner kennismaking gevoeld
had voor haar schoondochter, werd zeer versterkt door de diepere kennis
van haar karakter, die een verblijf van een half jaar in haar gezin
haar deed verwerven, en misschien zouden, ondanks alle bedenkingen,
ingegeven door beleefdheid en moederlijke genegenheid van de zijde der
oudere dame, die twee het onmogelijk hebben bevonden het zoolang met
elkander uit te houden, wanneer niet eene bijzondere omstandigheid
in de oogen van Mevrouw Dashwood, het steeds meer verkieselijk had
doen schijnen, dat haar dochter vooreerst te Norland zou blijven.

Die omstandigheid was een toenemende wederzijdsche genegenheid
tusschen haar oudste meisje en den broeder van Mevrouw John Dashwood,
een beschaafden en beminnelijken jongen man, dien zij hadden leeren
kennen kort na zijn zuster's komst te Norland, en die sedert dien
tijd veel bij hen aan huis kwam.

Sommige moeders zouden dien vertrouwelijken omgang hebben aangemoedigd
uit eigenbelang; want Edward Ferrars was de oudste zoon van een man,
die schatrijk was gestorven; en andere zouden dien hebben tegengegaan
uit voorzichtigheid; want op een geringe som na, hing zijn geheele
fortuin af van het testament zijner moeder. Doch Mevrouw Dashwood
liet zich door geen dier beide opvattingen beïnvloeden. Voor haar
was het genoeg, dat hij een aangenamen indruk maakte, dat hij hare
dochter liefhad, en dat Elinor die voorkeur beantwoordde. Het zou in
strijd zijn geweest met al haar beginselen, dat verschil in fortuin
eenig paar gescheiden zou kunnen houden, dat door gelijkgestemdheid
zich tot elkaar voelde aangetrokken; en dat Elinor's verdienste niet
zou worden gewaardeerd door ieder die haar kende, dat ging boven haar
begrip. Edward Ferrars bezat overigens, om zich hunne goede meening
te verwerven, geen bijzondere gaven, wat zijn persoon of optreden
betrof. Bijzonder knap van uiterlijk was hij niet, en zijn manieren
werden eerst aangenaam als hij zich op zijn gemak gevoelde. Hij
was te verlegen om goed tot zijn recht te komen; maar als hij zijn
aangeboren bedeesdheid had overwonnen, leverde zijn gedrag in elk
opzicht de bewijzen van een openhartige en warme natuur. Zijn verstand
was goed, en zijne opvoeding had het degelijk geoefend. Doch noch
door zijn aanleg, noch door zijne neigingen was hij geschikt, de
wenschen te vervullen van zijne moeder en zuster, die verlangden hem
te zien uitblinken--als--zij wisten zelven eigenlijk niet wat. Zij
wilden dat hij een goed figuur zou slaan in de wereld op de eene of
andere manier. Zijn moeder begeerde dat hij belang zou stellen in
politiek, dat hij lid van het parlement zou worden, of in aanraking
zou komen met sommigen der groote mannen van zijn tijd. Dat wenschte
Mevrouw John Dashwood eveneens; doch voorloopig, tot een van die
hoogere zegeningen hem zou kunnen ten deel vallen, zou háár eerzucht
tevreden gesteld zijn, als zij hem in een eigen barouchette had kunnen
zien rijden. Maar Edward's neigingen gingen niet uit naar groote
mannen of barouchettes. Al zijn wenschen hadden tot hun middenpunt
huiselijke gezelligheid en de rust van het gezinsleven. Gelukkig had
hij een jongeren broeder, van wien meer te verwachten viel. Edward was
reeds meerdere weken bij hen gelogeerd geweest, eer Mevrouw Dashwood
eigenlijk goed op hem lette; want zij was in die dagen zóó bedroefd,
dat zij voor hare omgeving in 't geheel geen oog had. Zij zag alleen,
dat hij rustig was en zich achteraf hield, en dat beviel haar in
hem. Hij verstoorde haar diepe verslagenheid van geest niet door te
onpas gesprekken te beginnen. Zij kreeg voor 't eerst aanleiding
om op hem te letten en nog gunstiger over hem te gaan denken door
eene opmerking, die Elinor op zekeren dag toevallig maakte over het
verschil tusschen hem en zijn zuster. Die tegenstelling was voor haar
moeder de allerwelsprekendste aanbeveling. "O, dat is genoeg," zei ze;
"wanneer je Zegt, dat hij niet op Fanny lijkt, dan is dat al genoeg
voor mij. Dat sluit alles in wat beminnelijk is. Nu houd ik al veel
van hem."

"Ik denk wel dat u hem graag zult mogen lijden," zei Elinor, "als u
hem beter leert kennen."

"Mogen lijden!" antwoordde haar moeder, met een glimlach. "Ik voor
mij kan geen gevoel van waardeering koesteren dat beneden warme
genegenheid blijft."

"U zoudt achting voor hem kunnen voelen."

"Ik heb nooit geweten wat het was, achting en liefde van elkander
te scheiden."

Mevrouw Dashwood gaf zich nu moeite, hem nader te leeren kennen. Zij
bezat innemende manieren, en zette hem spoedig op zijn gemak. Vlug
genoeg zag zij zijn verdiensten in; haar overtuiging dat hij Elinor
genegen was, verhoogde misschien haar doorzicht; maar zij was van zijn
innerlijke waarde ten stelligste overtuigd, en zelfs dat bedaarde in
zijn houding, dat indruischte tegen al haar overgeleverde begrippen
omtrent de wijze waarop een jonge man zich behoorde voor te doen,
bleef niet meer zoo oninteressant, nu zij wist dat hij een warm hart
had en een liefhebbenden aard.

Niet zoodra had zij de eerste aanduiding van verliefdheid bespeurd
in zijn houding jegens Elinor, of zij beschouwde hun ernstige
genegenheid als een uitgemaakte zaak, en zag hun huwelijk, als
binnenkort aanstaande, met blijdschap tegemoet.

"Over een paar maanden, Marianne," zei ze, "zal Elinor waarschijnlijk
al haar eigen thuis hebben gevonden. Wij zullen haar missen; maar
zij zal gelukkig zijn."

"O mama! hoe zullen we 't zonder haar stellen?"

"Lieve kind, men kan het haast geen scheiding noemen. We zullen
maar een paar mijlen van elkaar af wonen, en elkaar iederen dag
ontmoeten. Je krijgt nu een broer,--een echten, hartelijken broer. Van
Edward's goede hart heb ik de hoogste verwachtingen. Maar je kijkt
ernstig, Marianne; heb je iets aan te merken op je zuster's keuze?"

"Misschien," zei Marianne, "mag ik mij er wel een weinigje over
verwonderen. Edward is heel aardig, en ik houd ook veel van hem. Maar
toch, hij is niet de soort van jonge man... er ontbreekt hem iets,
zijn persoonlijkheid is niet opvallend--hij heeft niets van de bekoring
die ik dacht, dat moest uitgaan van een man, die mijn zuster's ernstige
genegenheid kon winnen. Er is in zijn oogen niets van dien geest, van
dat vuur, dat zoowel deugd als intellectueele begaafdheid verraadt. En
dan bovendien nog, mama, ik ben bang dat hij eigenlijk geen goeden
smaak heeft. Om muziek schijnt hij weinig te geven, en al bewondert
hij nog zoozeer Elinor's teekeningen, 't is niet de bewondering
van iemand, die hun waarde beoordeelen kan. Men kan duidelijk zien,
al neemt hij ook gedurig notitie van haar als ze aan het teekenen
is, dat hij er eigenlijk in 't geheel geen verstand van heeft. Hij
bewondert als minnaar, niet als een kenner. Om mij te voldoen, zouden
die beide eigenschappen vereenigd moeten zijn. Ik zou niet gelukkig
kunnen zijn met een man, wiens smaak niet in elk opzicht met den mijne
overeenkwam. Hij zou in al mijn gevoelens moeten kunnen komen, dezelfde
boeken, dezelfde muziek zouden ons beiden moeten bekoren. O mama, wat
was Edward's houding mat en flauw en lauw, toen hij ons gisterenavond
voorlas! Ik vond het verschrikkelijk voor Elinor. Maar zij verdroeg het
met de grootste kalmte; 't scheen wel of ze 't niet eens opmerkte. Ik
kon haast niet op mijn stoel blijven zitten. Die prachtige verzen, die
mij dikwijls zoo woest opgewonden hebben gemaakt, te hooren voordragen
met zoo'n onverzettelijke kalmte, zoo'n akelige onverschilligheid!"

"Als het eenvoudig en vloeiend proza was geweest, dat zou hij stellig
meer tot zijn recht hebben doen komen. Ik dacht het al; maar jij
_moest_ hem juist Cowper geven."

"Ja, ziet u, mama--als Cowper hem nog niet in vuur brengt!--maar we
moeten bedenken, dat smaken verschillen. Elinor's gevoelens zijn niet
de mijne; daarom kan zij zooiets over 't hoofd zien, en gelukkig
met hem worden. Maar 't zou _mijn_ hart hebben gebroken, als ik
van hem hield, om hem te hooren lezen met zóó weinig gevoel. Mama,
hoe meer ik de wereld leer kennen, des te vaster ben ik overtuigd,
dat ik nooit een man zal ontmoeten, dien ik werkelijk liefhebben
kan. Ik stel zulke hooge eischen! Hij moet al de deugden van Edward
bezitten, en zijn persoon en manieren moeten zijn goedheid alle
denkbare bekoring verleenen."

"Vergeet niet, kindje, dat je nog geen zeventien bent. 't Is nog te
vroeg om aan dat geluk te wanhopen. Waarom zou het je minder goed gaan
in dat opzicht dan je moeder? In één enkel opzicht alleen, Marianne,
hoop ik, dat je lot van het hare verschillen zal."






HOOFDSTUK IV


Wat is het toch jammer, Elinor," zei Marianne, "dat Edward geen
plezier in teekenen heeft."

"Geen pleizier in teekenen?" antwoordde Elinor; "waarom dacht je
dat? Hij teekent zelf niet; dat is waar; maar hij ziet heel graag,
dat anderen ermee bezig zijn, en ik verzeker je, dat het hem volstrekt
niet ontbreekt aan aangeboren smaak, hoewel hij geen gelegenheid heeft
gehad om dien te ontwikkelen. Als hij ooit was begonnen het te leeren,
dan geloof ik, dat hij heel goed zou hebben geteekend. Hij wantrouwt
zóózeer zijn eigen oordeel in zulke dingen; dat hij nooit graag zijn
meening uitspreekt over een schilderij of teekening; maar hij heeft
dien natuurlijken eenvoud en zuiverheid van smaak, die hem in den
regel juist den rechten weg wijzen."

Marianne was bang haar te kwetsen en zweeg verder over dit onderwerp;
maar de soort van waardeering, die Elinor in hem beweerde te
bespeuren bij 't zien van teekeningen, door anderen vervaardigd,
geleek alles behalve op die opgewonden verrukking, die, in háár oogen,
alleen waard was, smaak genoemd te worden. Toch, al glimlachte zij
inwendig over dat wanbegrip, zij had eerbied voor haar zuster om de
blinde partijdigheid voor Edward, waaruit het voortsproot. "Ik hoop,
Marianne," ging Elinor voort, "dat je hem niet beschouwt als iemand,
die in 't algemeen weinig smaak heeft. Ik ben ook haast wel zeker,
dat dit niet het geval is, want je houding tegenover hem is hartelijk
en vertrouwelijk, en als je er zóó over dacht, dan weet ik wel,
dat je hem niet eens beleefd zoudt behandelen."

Marianne wist niet recht wat ze zou zeggen. Zij wilde in geen geval
haar zuster grieven, en toch was het onmogelijk, te zeggen wat ze
niet meende. Op 't laatst antwoordde ze:

"Je moet het me niet kwalijk nemen, Elinor, als mijn lof van hem niet
in elk opzicht overeenstemt met de overtuiging, die jij koestert
omtrent zijn verdiensten. Ik heb niet zooveel gelegenheid gehad om
van zijn meer intieme geestesrichting, zijn neigingen en zijn smaak
op de hoogte te komen als jij; maar ik ben één en al bewondering voor
zijn goedheid en zijn verstand. Hij is in mijn oogen zoo degelijk èn
beminnelijk als iemand maar zijn kan."

"Nu," zei Elinor glimlachend, "zijn beste vrienden zouden niet
onvoldaan kunnen zijn met zulk een loftuiting. Mij dunkt, met méér
warmte hadt je je moeilijk kunnen uitdrukken."

Marianne was blij, dat haar zuster zoo gemakkelijk bleek te voldoen.

"Zijn verstand en zijn goedheid," ging Elinor voort, "kan dunkt mij,
niemand in twijfel trekken, die hem dikwijls genoeg heeft ontmoet
om een ongedwongen gesprek met hem te kunnen voeren. De helderheid
van zijn begrip en de uitnemendheid zijner beginselen blijven alleen
maar verborgen door die verlegenheid die hem zoo dikwijls tot zwijgen
noopt. Je weet genoeg van hem om zijn degelijken eigenschappen recht
te doen weervaren. Maar omtrent zijn meer intieme geestesrichting,
zooals je dat noemt, heb jij door toevallige omstandigheden minder
ervaren dan ik zelve. Hij en ik waren meermalen haast uitsluitend op
elkaar aangewezen, terwijl jij in beslag genomen werdt door moeder,
aan wie je al je liefdevolle aandacht wijdde. Ik was veel met hem
samen, ik verdiepte mij in zijn gevoelens, en vernam zijn meening
over onderwerpen van letterkunde en smaak; en over 't geheel
durf ik stellig te beweren, dat zijn geest zeer ontwikkeld is;
zijn vermogen om literatuur te genieten buitengewoon groot, zijn
verbeelding levendig, zijn opmerkingsgave juist en scherp, en zijn
smaak verfijnd en zuiver. Zijn begaafdheden in ieder opzicht vallen bij
nadere kennismaking evenzeer mee als zijn wijze van optreden en zijn
persoon. Op het eerste gezicht heeft hij waarlijk niets opvallends,
en uiterlijk kan men hem moeilijk een knap man noemen, eer men heeft
gelet op de uitdrukking van zijn oogen, die bijzonder aantrekkelijk
zijn, en iets liefs en goeds in zijn gezicht. Nu ken ik hem zóó goed,
dat ik hem werkelijk mooi vind, of ten minste bijna. Hoe denkt jij
erover, Marianne?"

"Ik zal hem ook wel gauw mooi vinden, Elinor, al doe ik dat nu nog
niet. Als je mij zegt, dat ik van hem mag houden als een broer,
dan zal ik evenmin iets onvolmaakts zien in zijn gezicht, als nu
in zijn hart." Elinor schrikte bij die woorden, en 't speet haar,
dat ze zich onwillekeurig had laten verleiden, met zooveel warmte
van hem te spreken. Zij gevoelde wel, dat ze Edward bijzonder hoog
schatte. Ze geloofde dat die waardeering wederkeerig was; maar zij
had méér zekerheid noodig, indien Marianne's overtuiging omtrent
hun wederzijdsche genegenheid haar aangenaam zou zijn. Ze wist, als
Marianne en haar moeder één oogenblik iets gisten, dan waren ze in
't volgende er zeker van;--dat bij haar beide wenschen hopen was,
en hoop gelijk stond met verwachting. Zij poogde haar zuster den
werkelijken stand van zaken te verklaren.

"Ik wil niet ontkennen," zei ze; "dat ik hem bijzonder hoog stel,--dat
ik hem de grootste achting toedraag, en hem graag mag lijden."

Marianne barstte verontwaardigd uit:

"Achting toedragen! Mogen lijden! O Elinor, wat ben je koel! Erger
dan koel! Je schaamt je om anders te schijnen. Als je die woorden
nog weer durft noemen, dan ga ik zóó de kamer uit."

Elinor kon niet nalaten te lachen. "Wees niet boos," zei ze, "en wees
maar zeker, dat ik je niet wilde grieven, door zoo kalm over mijn eigen
gevoelens te spreken. Geloof dan, dat ze sterker zijn dan ik beweerde;
geloof dat ze zóó zijn, als zijn verdiensten en het vermoeden van--de
hoop op zijn genegenheid voor mij, mij toestaan ze te koesteren,
zonder onvoorzichtigheid of dwaze inbeelding. Maar meer dan dat mag
je _niet_ gelooven. Ik ben volstrekt niet zeker van zijn gevoelens
jegens mij. Er zijn oogenblikken, waarop hun diepte twijfelachtig
schijnt, en eer zijn gemoedsgesteldheid mij volkomen is geopenbaard,
kan het je niet verwonderen als ik alles wensch te vermijden wat mijn
eigen voorkeur kan aanwakkeren, door die gewichtiger te achten of te
doen voorkomen dan zij is. In mijn hart gevoel ik weinig,--ik mag wel
zeggen bijna géén twijfel aan zijn genegenheid. Maar er zijn andere
dingen, behalve zijn neiging, die in aanmerking komen. Hij is volstrekt
niet onafhankelijk. Hoe zijn moeder werkelijk is, dat kunnen wij niet
weten; maar te oordeelen naar Fanny's uitlatingen nu en dan over haar
gedrag en haar meeningen, hebben wij ons nooit voorgesteld dat zij
heel beminnelijk zou zijn; en ik zou mij al zeer moeten vergissen,
als Edward zelf niet heel goed wist, dat hem veel moeilijkheden in
den weg zouden staan, als hij wenschte, een vrouw te trouwen, die
niet òf een groot fortuin bezat, of van zeer voorname afkomst was."

Marianne was verbaasd, toen ze bemerkte, hoezeer haar moeder en
zijzelf in hun verbeelding de werkelijkheid hadden voorbij gestreefd.

"Dus ben je wezenlijk niet met hem geëngageerd", zei ze. "Maar 't zal
toch stellig gauw gebeuren. Dat uitstel bezorgt ons in elk geval twee
voordeelen. Ik zal je zoo gauw niet verliezen, en Edward zal des te
beter gelegenheid hebben, om dien aangeboren smaak voor je geliefkoosde
bezigheid verder aan te kweeken, die toch zoo onontbeerlijk is voor
je toekomstig geluk. O! als je groote begaafdheid hem nog eens zóó
kon prikkelen en aanmoedigen, dat hij zelf nog teekenen leerde;
wat zou dàt heerlijk zijn!"

Elinor had aan haar zuster gezegd, wat zij werkelijk meende. Zij kon
haar neiging tot Edward niet in zulk een gunstig licht beschouwen als
Marianne had gedaan. Er was af en toe een gebrek aan opgewektheid
in hem te bespeuren, dat, zoo het al geen onverschilligheid liet
doorschemeren, toch wees op iets, dat bijna even weinig goeds
beloofde. Twijfel aan haar genegenheid zou, bijaldien deze door hem
werd gekoesterd, niet meer dan onrust in hem behoeven te wekken. Het
was niet waarschijnlijk dat twijfel de oorzaak zou zijn van de
neerslachtigheid, die hem meermalen scheen te drukken. Een meer
gegronde reden ervoor zou kunnen bestaan in zijn afhankelijke positie
die hem belette aan zijne neiging toe te geven. Zij wist, dat zijne
moeder noch zorg droeg, hem voor het oogenblik een aangenaam tehuis
te verschaffen, noch hem de zekerheid wilde schenken, dat hij zelf
zich een gelukkig thuis zou mogen scheppen, zonder zich angstvallig
te schikken naar haar inzichten omtrent zijn maatschappelijken
vooruitgang. Daar zij dat alles wist, was het Elinor onmogelijk,
gerust te zijn op dit punt. Zij rekende er volstrekt niet op, dat zijn
genegenheid voor haar den doorslag zou geven; iets dat haar moeder en
zuster stellig verwachtten. Integendeel, hoe langer hun omgang duurde,
des te meer ging zij twijfelen aan den aard van zijn gevoel; en soms,
gedurende enkele minuten, die pijn deden, geloofde zij, dat het niet
meer dan vriendschap was.

Doch, wáár dan ook de grenzen mochten zijn van dat gevoel, het was
voldoende om zijn zuster, toen zij het bespeurde, ongerust te maken,
en meteen (zooals bij haar iets van zelf sprekends was) uiterst
onbeleefd. Zij greep de eerste de beste gelegenheid aan om haar
schoonmoeder over het geval te onderhouden, en vertelde haar met
zooveel nadruk van haar broeder's mooie vooruitzichten; van Mevrouw
Ferrars' vast besluit dat haar beide zoons een goede partij zouden
doen, en van het gevaar dat jonge dames liepen, die probeerden hem
_in te palmen_; dat Mevrouw Dashwood noch kon doen alsof zij haar
niet begreep, noch zich dwingen om kalm te blijven. Zij gaf haar
een antwoord, dat duidelijk haar minachting deed blijken, en verliet
dadelijk de kamer, vastbesloten dat, ondanks allen last en onkosten
die zulk een onverwacht vertrek insloot, haar lieve Elinor geen week
langer zou blootgesteld zijn aan zulke kwaadaardige toespelingen.

Terwijl zij in deze gemoedsgesteldheid verkeerde, werd haar over
de post een brief bezorgd, die een voorstel inhield, dat juist nu
bijzonder gelegen kwam. Het was een aanbieding, tegen een geringe
vergoeding, van een klein huis, dat toebehoorde aan een bloedverwant
van haar, een gezien grondbezitter in Devonshire. De brief was
van dezen heer zelf, en geschreven in een oprechten geest van
vriendschappelijke tegemoetkoming. Hij had gehoord, dat zij naar
een woning zocht, en hoewel het huis, dat hij haar thans aanbood,
slechts een eenvoudig landhuisje was, verzekerde hij haar, dat
alles eraan zou worden gedaan, wat noodig bleek, als de ligging en
omgeving haar aanstonden. Hij drong er ernstig op aan, na haar nadere
bijzonderheden omtrent huis en tuin te hebben medegedeeld, dat zij met
hare dochters naar Barton Park zou komen, zijn eigen woonverblijf,
van waaruit zij zich dan zelve kon vergewissen, of Barton Cottage,
want de huizen lagen in dezelfde gemeente, door eenige verandering
voor haar geschikt zou kunnen worden gemaakt. Hij scheen er werkelijk
op gesteld, hun een dienst te bewijzen, en de geheele toon van zijn
brief was zoo vriendelijk, dat zijne nicht zich niet anders dan
aangenaam erdoor getroffen kon gevoelen; te meer op dit oogenblik,
nu zij pijnlijk gegriefd was door het onhartelijk en ongevoelig
gedrag harer nadere familieleden. Tijd voor overleg of navraag had
zij niet noodig. Onder het lezen stond haar besluit reeds vast. De
ligging van Barton, in een graafschap, zoo ver verwijderd van Sussex
als Devonshire, die slechts een paar uur te voren een beletsel zou
zijn geweest, voldoende om op te wegen tegen elk denkbaar voordeel
dat de plaats aanbood, was thans haar voornaamste aanbeveling. Uit
de buurt te geraken van Norland was nu niet langer een ramp; het was
het doel van een vurig verlangen; het was een zegen, vergeleken bij de
ellende van nog langer de gast te zijn van haar schoondochter; en voor
altijd te vertrekken van die geliefde plek zou minder pijnlijk zijn
dan er te wonen, of er een bezoek te brengen, zoolang zulk eene vrouw
er meesteres was. Zij schreef onmiddellijk aan Sir John Middleton,
om haar dank te betuigen voor zijn vriendelijkheid, en hem mede te
deelen dat zij zijn voorstel aannam, en haastte zich daarna, beide
brieven aan hare dochters te laten zien, om zeker te zijn van hare
goedkeuring, eer haar antwoord werd verzonden.

Elinor had altijd gedacht, dat het verstandiger zou zijn, als zij
zich vestigden op eenigen afstand van Norland, dan vlak in de buurt
van hunne tegenwoordige kennissen. In _dat_ opzicht bestond dus
voor haar geen reden, zich te verzetten tegen haar moeder's plan
om te verhuizen naar Devonshire. Ook het huis, zooals Sir John
Middleton het had beschreven, was zoo bescheiden van afmetingen,
en de huurprijs zoo bijzonder laag, dat zij in beide opzichten geen
recht had tot het opperen van eenig bezwaar; en zoo kwam het, dat
zij, hoewel het plan voor haar verbeelding weinig bekoorlijks had,
en het haar verder van Norland verwijderde dan zij wel wenschte,
geen poging deed om haar moeder te ontraden, den brief te verzenden,
waarin zij hare toestemming gaf.






HOOFDSTUK V


Zoodra haar antwoord was verzonden, gunde Mevrouw Dashwood zich het
genoegen, haar stiefzoon en zijn vrouw mee te deelen, dat zij een huis
had gevonden, en hen niet langer zou lastig vallen dan noodig was,
totdat alles in gereedheid was gebracht om het te betrekken. Zij
vernamen het bericht niet zonder verrassing. Mevrouw John Dashwood
zei niets; doch haar echtgenoot gaf beleefd zijn hoop te kennen,
dat zij niet ver van Norland wonen zou.

Het was haar een groote voldoening te kunnen antwoorden, dat zij naar
Devonshire ging. Toen Edward dit hoorde, keerde hij zich haastig
naar haar om, en herhaalde, op een toon van verwondering en spijt,
die voor haar geen verklaring behoefde: "Naar Devonshire! Gaat u
werkelijk dáárheen? Zoo ver van hier? En naar welk gedeelte dan?"

Zij beschreef de ligging van het nieuwe huis. Het was een kleine vier
mijlen ten Noorden van Exeter.

"Het is maar een landhuisje," ging zij voort; "maar ik hoop er velen
van mijn vrienden te zullen ontvangen. Er kunnen gemakkelijk een
paar kamers worden aangebouwd; en als mijn kennissen er geen bezwaar
in zien, zoo ver te reizen om mij op te zoeken, dan zal ik dat zeer
zeker evenmin hebben om hen te herbergen."

Zij besloot met een zeer vriendelijke uitnoodiging aan den Heer en
Mevrouw Dashwood om haar te Barton te bezoeken, en tot Edward richtte
zij die met nog meer hartelijkheid. Hoewel het onlangs met haar
schoondochter gevoerde gesprek haar had doen besluiten niet langer te
Norland te blijven dan onvermijdelijk was, het had niet den minsten
indruk op haar gemaakt in dàt opzicht, waarom het voornamelijk was
begonnen. Het was thans zoomin als vroeger haar bedoeling, Edward en
Elinor van elkaar te scheiden; en zij wenschte Mevrouw John Dashwood,
door deze opzettelijk tot haar broeder gerichte uitnoodiging, duidelijk
te toonen, hoe zij zich in 't minst niet bekommerde om het afkeurend
oordeel der laatste over deze verbintenis.

De Heer John Dashwood verzekerde zijne moeder herhaalde malen,
hoe bijzonder het hem speet, dat zij een huis had gekozen, zóó ver
van Norland, dat hij haar met het vervoer van haar meubels niet van
dienst kon zijn. Hij voelde bij deze gelegenheid werkelijk eenige
gewetensknaging; want het eenig hulpbetoon, waartoe hij de vervulling
van de belofte aan zijn vader had beperkt, werd door deze schikking
feitelijk onuitvoerbaar. De verhuisboedel werd met de boot verzonden,
en bestond hoofdzakelijk uit huishoudlinnen, zilver, porselein en
boeken, benevens een mooie piano van Marianne. Mevrouw John Dashwood
zag de kisten met een zucht verdwijnen; zij kon niet nalaten het bitter
grievend te vinden, dat Mevrouw Dashwood, wier inkomen zoo gering was,
vergeleken bij het hare, toch nog enkele mooie meubels bezat.

Mevrouw Dashwood huurde het huis voor een jaar; het was geheel
gemeubileerd, en zij kon het dadelijk betrekken. Aan geen van
beide zijden deed zich eenig bezwaar op bij de overeenkomst, en
zij wachtte slechts tot haar goed te Norland was gepakt en zij
haar toekomstig huishouden eenigszins geregeld had, eer zij naar
het Westen vertrok. Daar zij bijzonder vlug was in 't uitvoeren van
alles wat haar ter harte ging, nam dit niet veel tijd. De paarden,
die haar man haar had nagelaten, waren kort na zijn dood verkocht,
en daar zich thans een gelegenheid aanbood, haar rijtuig van de hand
te doen, stemde zij, op het ernstig aandringen harer oudste dochter,
erin toe, dit ook te verkoopen. Voor het gemak van haar kinderen zou
zij het liever hebben gehouden, als zij met haar eigen wenschen te rade
ging; maar Elinor's voorzichtigheid behield de overhand. Hare wijsheid
was het ook, die het getal hunner dienstboden beperkte tot drie--twee
meisjes en een knecht, die zij gemakkelijk konden vinden onder degenen,
die vroeger tot hun dienstpersoneel te Norland hadden behoord.

De knecht en een van de dienstmeisjes werden dadelijk naar
Devonshire gezonden om het huis in orde te brengen tegen de komst
hunner meesteres; want daar Mevrouw Dashwood Lady Middleton in het
geheel niet kende, wilde zij liever aanstonds naar haar huisje gaan,
dan op Barton Park te logeeren, en zij vertrouwde zoo vast op Sir
John's omschrijving van het huis, dat zij niet eens nieuwsgierig
was, het zelf eens van nabij te zien, eer zij er haar intrek ging
nemen. Haar verlangen om Norland te verlaten werd voor vermindering
gevrijwaard door de blijkbare voldoening van hare schoondochter in
't vooruitzicht van haar vertrek; eene voldoening, die slechts flauw
te verbergen werd gepoogd, door een koeltjes gedaan voorstel om dat
vertrek nog een weinig uit te stellen. Thans was de tijd gekomen dat de
belofte van haar stiefzoon, aan zijn vader gedaan, op het meest gepaste
oogenblik had kunnen vervuld worden. Daar hij verzuimd had het te doen,
toen hij het goed in bezit nam, kon hun vertrek uit zijn huis als het
meest geschikte tijdstip voor die vervulling worden aangemerkt. Doch
Mevrouw Dashwood begon in den laatsten tijd alle verwachtingen van
dien aard te laten varen en de overtuiging te koesteren, die zij
afleidde uit zijn algemeene opmerkingen in het gesprek, dat zijn
hulp zich niet verder uitstrekte dan de zes maanden huisvesting,
die hij hun had verleend te Norland. Hij praatte zooveel over de
toenemende duurte van het huishouden, en de aanhoudende onvoorziene
eischen aan zijn beurs, waaraan iemand van eenig aanzien in de wereld
was blootgesteld, dat het haast scheen, alsof hij eerder zelf geld
noodig had, dan dat hij eenig plan koesterde om het weg te schenken.

Reeds een paar weken na den dag, waarop Sir John Middleton's eerste
brief te Norland werd ontvangen, was alles zoover gereed in hun
toekomstig verblijf, dat Mevrouw Dashwood en hare dochters de reis
erheen konden ondernemen.

Vele tranen werden door hen gestort bij hun laatst vaarwel aan de plek,
die zij zoozeer hadden liefgehad. "Lief, lief Norland!" zei Marianne,
toen zij alleen rondom het huis zwierf, den laatsten avond: "wanneer
zal ik ophouden u te betreuren!--Wanneer zal ik geleerd hebben, mij
ergens anders thuis te gevoelen? Ach, gelukkig huis! kondt ge maar
weten hoe ik lijd, terwijl ik u aanschouw van deze plek, vanwaar ik
u misschien nooit meer zien zal!--En gij, welbekende boomen!--maar
gij zult hetzelfde blijven.--Geen blad zal verwelken omdat wij zijn
heengegaan, geen twijgje zal ophouden zich te bewegen, ofschoon wij
het niet meer kunnen aanzien! Neen; gij blijft dezelfde; onbewust
van de blijdschap of de treurigheid die gij wekt, en ongevoelig voor
eenige verandering in degenen, die wandelen onder uw schaduwrijk
loover! Maar wie blijft hier over om van u te genieten?"--






HOOFDSTUK VI


Het eerste gedeelte van de reis werd afgelegd in een al te treurige
stemming, om anders dan vervelend en onaangenaam te zijn. Doch toen zij
het eind ervan naderden, won hun belangstelling in het voorkomen van de
streek, waar zij thans zouden wonen, het van hunne neerslachtigheid,
en het uitzicht op Barton Valley stemde hen bijna vroolijk. Het was
een mooie, vruchtbare plek, met veel bosschen en weiland. Na den loop
van het dal meer dan een mijl lang gevolgd te hebben, kwamen zij aan
hun eigen huis. Een klein omheind grasveld was al wat er bij behoorde
aan de voorzijde, en een eenvoudig hekje verleende hun toegang.

Als huis beschouwd, was Barton Cottage, hoewel klein, toch geriefelijk
en beknopt; maar als landelijk buitenhuisje liet het te wenschen
over; daar het regelmatig van bouw en met pannen gedekt was,
terwijl noch de luiken groen waren geverfd, noch de muren begroeid
met kamperfoelie. Een smalle gang leidde recht door het huis naar
den daarachter gelegen tuin. Ter weerszijden van de voordeur was
een zitkamer van ruim vijf meter in het vierkant; daarachter lagen
de keuken met bijkeukens, en de trap. Verder waren er nog vier
slaapvertrekken en twee zolderkamers. Het was nog niet zeer lang
geleden gebouwd en goed onderhouden. Vergeleken bij Norland was het
wel héél nederig en klein!--doch de tranen, door die herinnering te
voorschijn geroepen bij hun binnentreden, waren spoedig gedroogd. De
blijdschap van de dienstboden over hunne komst vroolijkte hen een
weinig op, en ieder besloot terwille van de anderen zich verheugd
te toonen. Het was in 't begin van September; de mooiste tijd van
het jaar, en door de omgeving voor het eerst te zien bij goed weer,
ontvingen zij een gunstigen indruk, die belangrijk medewerkte om
hun blijvende goede meening er omtrent te bevestigen. Het huis was
aangenaam gelegen. Vlak er achter, en op geringen afstand aan beide
zijden, rezen hooge heuvels op; sommige vrij en open, met glooiende
hellingen, andere bebouwd en bedekt met bosch. Het dorp Barton lag
grootendeels op een dier heuvels, en leverde een aardig uitkijkje van
uit de vensters van het huis. Aan de voorzijde was het uitzicht ruimer;
men overzag van hier de geheele vallei, en zelfs een gedeelte van de
streek die eraan grensde. De heuvels, die het huisje omringden, sloten
het dal aan die zijde af; onder een anderen naam en in een andere
richting vertakte het zich weer, waar twee der hoogste samenkwamen.

Over de grootte van het huis en over de meubileering was Mevrouw
Dashwood over 't geheel wel voldaan; want ofschoon haar vorige
levenswijze menige toevoeging aan het meubilair onontbeerlijk deed
schijnen, juist in dat aanschaffen en verfraaien had zij veel plezier;
en voor het oogenblik had zij genoeg gereed geld, om zich alles te
kunnen veroorloven wat vereischt werd, om haar vertrekken smaakvol
in te richten. "Wat het huis zelf betreft," zeide zij, "het is te
klein voor ons gezin; maar we kunnen ons voorloopig er vrij goed in
bewegen, en het is nu te laat in het jaar om verbeteringen aan te
brengen. Misschien kunnen we in 't voorjaar, als ik ruim bij kas ben,
zooals ik wel denk dat 't geval zal zijn, aan bouwen gaan denken. De
voorkamers zijn beide te klein voor het aantal gasten, dat ik hier
dikwijls hoop bijeen te zien, en ik denk erover om de gang met de eene
kamer te laten samenvallen, en misschien ook nog een gedeelte van
de andere, zoodat de overblijvende ruimte als vestibule kan dienen;
als daar dan een nieuwe salon wordt aangebouwd, wat gemakkelijk kan,
met nog een slaap- en zolderkamer erboven, dan wordt het werkelijk een
gezellig huisje. Als de trap nu maar mooier was. Maar men kan niet
alles verwachten; hoewel ik denk dat het niet moeilijk zou zijn die
te verbreeden. Ik zal eens zien hoe florissant het er uitziet met mijn
financiën in het voorjaar, en daarvan onze bouwplannen laten afhangen."

Intusschen waren zij, totdat al die veranderingen zouden worden
bekostigd uit wat er gespaard kon worden op een inkomen van vijfhonderd
pond, door iemand, die nooit in haar leven sparen geleerd had, wel
zoo wijs om tevreden te zijn met het huis zooals het was, en ieder
van haar was druk bezig haar eigen zaakjes in orde te brengen, en te
pogen zich tusschen haar boeken en andere bezittingen een klein eigen
thuis te vormen. Marianne's piano werd uitgepakt en op de geschiktste
plaats gezet, en Elinor's teekeningen werden aan den wand gehangen
van hun zitkamer.

In deze en dergelijke bezigheden werden zij den volgenden dag spoedig
na het ontbijt reeds gestoord door de komst van den huiseigenaar,
die hen kwam opzoeken om hen welkom te heeten te Baron en om hun
alles aan te bieden, wat _zijn_ huis en tuin opleverden, en waaraan
in de hunne voorloopig misschien gebrek was. Sir John Middleton was
een knap man van omstreeks veertig jaar. Hij was vroeger wel eens
te Stanhill gelogeerd geweest; maar dat was te lang geleden, dan dat
zijne nichtjes zich hem nog konden herinneren. Hij had een vroolijk,
vriendelijk gezicht, en zijn manieren waren even hartelijk als de
toon van zijn brief. Hun komst scheen hem werkelijk veel plezier te
doen en hun welzijn ging hem blijkbaar oprecht ter harte. Hij had
het druk over zijn welgemeenden wensch naar een prettigen gezelligen
omgang onder elkaar, en drong er zoo gul op aan, dat zij elken dag
op Barton Park zouden komen dineeren tot hun huis beter op orde
was, dat zij hem zijn dringend aanhouden niet kwalijk nemen konden,
zelfs waar het de grenzen der beleefdheid bijna overschreed. Zijn
vriendelijkheid bleef niet beperkt tot woorden; want nog geen uur
nadat hij was heengegaan kwam er een groote mand vol groente en fruit
van het Park; nog eer de dag voorbij was, gevolgd door een bezending
gevogelte. Hij verkoos volstrekt al hun brieven voor hen af te halen
en op de post te bezorgen, en wilde zich het genoegen niet laten
ontzeggen, hun elken dag zijn courant te sturen.

Lady Middleton had door haar man een beleefde boodschap laten
zenden, waarin zij haar voornemen te kennen gaf, Mevrouw Dashwood een
bezoek te brengen, zoodra zij zeker was, dat dit haar geen last zou
veroorzaken, en daar die boodschap met een even beleefde uitnoodiging
werd beantwoord, werd de bewuste dame reeds den volgenden dag aan
hen voorgesteld.

Zij waren natuurlijk zeer benieuwd iemand te leeren kennen, van wie
veel van hun genoegen te Barton zou afhangen; en het bevredigde
hun gespannen verwachtingen, te zien, dat zij er zeer elegant
uitzag. Lady Middleton was niet ouder dan zes- of zeven en twintig;
haar gezicht was knap; haar figuur imposant en forsch, en zij bewoog
zich gemakkelijk. Haar manieren bezaten al de bevalligheid, die
haar echtgenoot miste. Maar zij zouden toch hebben gewonnen door een
weinigje van zijn rondborstigheid en warmte, en haar bezoek duurde lang
genoeg om hun aanvankelijke bewondering eenigszins te doen verminderen,
toen zij bespeurden dat zij, ofschoon zeer beschaafde vormen bezittend,
teruggetrokken en koel was, en niets ten beste had te geven dan de
meest banale vragen en opmerkingen.

Aan conversatie was overigens geen gebrek; want Sir John was uiterst
spraakzaam; en Lady Middleton had de wijze voorzorg genomen, haar
oudste kind mede te brengen, een mooi jongetje van omstreeks zes jaar;
zoodat er altijd één onderwerp overbleef, waartoe de dames in geval
van nood hare toevlucht konden nemen; want zij moesten natuurlijk
informeeren naar zijn naam en leeftijd, zijn aardig gezichtje
bewonderen, en hem vragen doen, die zijn moeder voor hem beantwoordde,
terwijl hij zich aan haar vastklemde en zijn hoofdje liet hangen, tot
groote verbazing van zijn mama, die niet kon begrijpen, waarom hij zoo
verlegen was in gezelschap, daar hij leven genoeg kon maken tehuis. Bij
elk officieel bezoek moest er eigenlijk een kind van de partij zijn,
bij wijze van reserve-onderwerp van gesprek. In het onderhavige geval
werden tien minuten besteed aan de vraag of de jongen het meest op zijn
vader of op zijn moeder geleek, en wààrin de bijzondere gelijkenis
op beiden bestond; want natuurlijk verschilden allen van meening,
en ieder was over de zienswijze der anderen zeer verbaasd.

Weldra zouden de Dashwoods gelegenheid krijgen om ook over de andere
kinderen van meening te wisselen; daar Sir John niet wilde heengaan,
eer zij hem hadden beloofd den volgenden dag te komen eten op het Park.






HOOFDSTUK VII


Barton Park was ongeveer een halve mijl van hun huis gelegen. De dames
waren er langs gekomen op hun weg door het dal; maar van uit Barton
Cottage kon men het goed niet zien liggen, daar een vooruitstekende
heuvel het vrije uitzicht erop belette. Het huis was groot en mooi;
en de Middletons wisten in hun levenswijze gastvrijheid te paren aan
weeldevertoon. De eerste schonk voldoening aan Sir John, het tweede
aan zijne echtgenoote. Zij waren bijna nooit zonder logeergasten, en
zij zagen meer menschen van allerlei slag, dan eenige andere familie
in den omtrek. Voor beider geluk was dit noodzakelijk; want hoezeer
zij ook verschilden in hun geaardheid en hun wijze van optreden,
zij geleken sterk op elkander in dat volslagen gebrek aan talent en
smaak, dat hunne bezigheden, buiten die, welke samenhingen met het
gezelschapsleven, binnen een zeer engen kring beperkte. Sir John
was liefhebber van sport, Lady Middleton was moeder. Hij jaagde en
schoot; zij verwende haar kinderen; en op die genoegens waren zij, wat
henzelf betrof, aangewezen. Lady Middleton had dit op haar man vóór,
dat zij hare kinderen het geheele jaar door kon bederven, terwijl Sir
John's zelfstandige bedrijvigheid slechts de helft van dien tijd in
beslag nam. Een aanhoudend "bezet zijn," echter, in hun eigen huis
en daarbuiten, vulde alle leemten aan van natuur en opvoeding; hield
Sir John in een goed humeur, en schonk zijn vrouw gelegenheid uit te
blinken door haar beschaafde omgangsvormen. Lady Middleton was zeer
trotsch op de onberispelijkheid van haar diners, en op de geheele
inrichting van haar huishouding, en uit die soort van ijdelheid
sproot haar grootste genoegen voort in de partijen, die zij plachten
te geven. Maar Sir John's behagen in gezelligen omgang was èchter;
hij deed niets liever dan meer jongelui om zich heen verzamelen, dan
zijn huis bergen kon, en hoe meer leven ze maakten, hoe beter het hem
aanstond. Hij was een zegen voor de heele jeugd in den omtrek; want
in den zomer beraamde hij altoos uitstapjes, waarbij in de open lucht
veel koude kip en ham werd verorberd, en in den winter was het aantal
danspartijen dat hij gaf, voldoende om elke jonge dame te bevredigen,
die niet leed aan den onverzadelijken danshonger der vijftienjarigen.

De komst van een nieuwe familie in den omtrek was voor hem altijd een
groot genoegen, en hij was in ieder opzicht verrukt van de bewoners,
die hij voor zijn huisje te Barton gewonnen had. De meisjes Dashwood
waren jong, mooi, en eenvoudig. Dat was genoeg om zijn goede meening
te verwerven, want eenvoudigheid was al wat een mooi meisje behoefde,
om haar geest even bekoorlijk te doen zijn als haar persoon. Zijn
welwillende inborst deed hem een genoegen erin vinden juist hun
van dienst te zijn, wier omstandigheden, vergeleken bij vroeger, als
betrekkelijk minder gunstig mochten beschouwd worden. Hij smaakte dus,
door zijnen nichten vriendelijkheid te bewijzen, de oprechte voldoening
van een goed hart; en dat hij een gezin, uit enkel vrouwen bestaande,
in zijn huisje had geïnstalleerd, bevredigde hem in zijn kwaliteit
van jachtliefhebber; want een beoefenaar van die sport moge dan al
enkel dien leden zijner eigen sekse achting toedragen, die eveneens
jagers zijn, hij zal niet licht verlangen hen aan te moedigen in hun
liefhebberij, door hun een vaste woonplaats te verschaffen op zijn
eigen grondgebied.

Mevrouw Dashwood en hare dochters werden reeds aan de voordeur door
Sir John begroet, die hen met ongekunstelde hartelijkheid welkom
heette op Barton Park, en terwijl hij hen naar den salon geleidde,
den jongen dames opnieuw zijn spijt betuigde, zooals hij den dag te
voren ook reeds had gedaan, dat hij geen aardige jongelui had kunnen
inviteeren, om kennis met hen te maken. Ze zouden, behalve hemzelf,
hier maar één heer aantreffen; een goeden vriend van hem, die bij hen
logeerde, maar die noch heel jong, noch heel vroolijk was. Hij hoopte
dat zij het met hun klein kringetje zouden voor lief nemen, en kon hun
verzekeren, dat het nooit weer zoo zou treffen. Hij had dien morgen
verschillende families opgezocht, in de hoop om het aantal gasten met
enkele te vermeerderen; maar het was lichte maan; en dan had iedereen
invitaties te kust en te keur. Gelukkig was Lady Middleton's moeder
voor een uurtje aangekomen, en daar zij een heel vroolijke en lieve
vrouw was, hoopte hij, dat de jonge dames zich niet zoo erg zouden
vervelen als zij nu wel moesten verwachten. De jonge dames, zoowel
als hare moeder, waren volkomen tevreden met het vooruitzicht twee
geheel onbekenden te zullen ontmoeten, en verlangden niet naar meer.

Mevrouw Jennings, Lady Middleton's moeder, was een guitige, vroolijke,
dikke, bejaarde dame, die veel praatte, blijkbaar pleizier in haar
leven had, en wier beschaving wel iets te wenschen overliet. Zij deed
niets dan grappen maken en lachen, en had eer het diner was afgeloopen,
al veel geestigheden ten beste gegeven over het onderwerp minnaars en
echtgenooten; zij hoopte dat de meisjes haar harten niet in Sussex
hadden achtergelaten, en beweerde dat ze hen zag blozen, of ze dat
deden of niet. Marianne ergerde zich terwille van haar zuster, en
keek naar Elinor, om te zien hoe zij zich hield onder die plagerij,
met een bezorgdheid, die Elinor veel meer pijn deed, dan Mevrouw
Jennings' banale aardigheden haar hadden kunnen veroorzaken.

Kolonel Brandon, de vriend van Sir John, scheen, naar zijn manier van
doen te oordeelen, al even weinig geschikt om diens vriend te zijn,
als Lady Middleton paste als zijn vrouw, of Mevrouw Jennings als Lady
Middleton's moeder. Hij was ernstig en stil. Zijn uiterlijk was echter
niet afstootend; hoewel hij in de oogen van Marianne en Margaret een
echte oude vrijer was, die de vijf en dertig al achter den rug had;
maar al was hij dan niet bepaald mooi, hij had een verstandig gezicht,
en bijzonder aangename en beschaafde manieren.

Er was niemand onder het gezelschap, die de Dashwoods bijzonder
aantrok; maar de koele onbeduidendheid van Lady Middleton was zoo
buitengewoon afstootend, dat daarbij vergeleken de ernst van Kolonel
Brandon en zelfs de luidruchtige vroolijkheid van Sir John en zijn
schoonmoeder bijna boeiend mochten genoemd worden. Lady Middleton
scheen eerst op dreef te komen, toen aan het dessert haar vier drukke
kinderen binnenkwamen, die op haar hingen, haar kleeren bedierven en
verder elk gesprek onmogelijk maakten, dat niet henzelf betrof. Toen
het later in den avond bleek, dat Marianne aan muziek deed, werd haar
verzocht om iets vóór te spelen. De piano werd opengesloten, ieder
maakte zich gereed om verrukt te zijn, en Marianne, die heel goed zong,
nam op hun verzoek de meeste liederen door, die Lady Middleton bij
haar huwelijk in de familie had meegebracht, en die misschien al dien
tijd onaangeroerd op de piano hadden gelegen; want de bewuste dame
had ter eere van die heugelijke gebeurtenis de muziek laten varen,
hoewel zij, naar haar moeder beweerde, prachtig te spelen placht,
en er, volgens haar eigen verklaring veel van hield.

Marianne's voordrachten werden zeer toegejuicht. Sir John betuigde
even luidruchtig zijn bewondering aan 't slot van elk lied, als hij
gepraat had met de anderen, zoolang het duurde. Lady Middleton riep
hem herhaaldelijk tot de orde; kon maar niet begrijpen, hoe iemands
aandacht één oogenblik van muziek kon afdwalen, en vroeg Marianne een
geliefdkoosd lied van haar te zingen, dat de laatste juist geëindigd
had. Kolonel Brandon was de eenige van het gezelschap, die haar
aanhoorde zonder nu juist zoo verrukt te schijnen. Het eenig compliment
dat hij haar maakte was zijn aandachtig luisteren; en zij voelde
bij die gelegenheid een eerbied voor hem, waarop de anderen waarlijk
alle aanspraak hadden verloren, door dat zonder eenige schaamte aan
den dag leggen van hun gebrek aan smaak. Zijn genoegen in muziek,
hoewel niet in de verte gelijkend op de enthousiaste verrukking, die
zij alleen als gelijkwaardig kon beschouwen aan haar eigen gevoel,
viel te waardeeren, wanneer men het vergeleek bij de afgrijselijke
ongevoeligheid van de anderen, en zij was redelijk genoeg, om toe
te geven dat een man van vijf en dertig jaar allicht te oud was
geworden om nog vatbaar te zijn voor intense gemoedsbeweging of een
verfijnd vermogen tot genieten. Zij was volkomen bereid, den kolonel
te beschouwen met al de toegevendheid voor zijn gevorderden leeftijd,
die haar menschelijk rechtvaardigheidsgevoel van haar eischte.






HOOFDSTUK VIII


Mevrouw Jennings was een weduwe, met een ruim inkomen. Zij had slechts
twee dochters, die ze beiden tot haar voldoening, een goed huwelijk had
doen sluiten, en zij had dus thans niet anders meer te doen dan alle
andere menschen onder elkaar uit te huwelijken. Tot het bevorderen van
dit doel was zij ijverig werkzaam, zooveel in haar vermogen was, en
liet geen gelegenheid voorbijgaan om huwelijken te beramen tusschen
alle jongelieden die zij kende. Zij was merkwaardig vlug in het
ontdekken van genegenheden, en had meermalen 't genoegen gesmaakt,
den blos van gevleide ijdelheid eener jonge dame te voorschijn te
roepen, door toespelingen op den indruk, door haar op dezen of genen
heer gemaakt; en die soort van scherpzinnigheid stelde haar in staat,
al spoedig na haar aankomst te Barton met beslistheid te verklaren,
dat Kolonel Brandon heel erg verliefd was op Marianne Dashwood. Zij
had er al eenig vermoeden van, den allereersten avond dat ze elkaar
ontmoetten, omdat hij zoo aandachtig naar haar zingen had geluisterd;
en toen de Middletons het bezoek beantwoordden, door bij Mevrouw
Dashwood te komen eten, werd dat vermoeden bewaarheid, want hij was
weer één en al oor. Het moest wel. Ze was er stellig zeker van. Ze
pasten uitmuntend bij elkaar, want _hij_ was rijk, en _zij_ was
mooi. Mevrouw Jennings was al verlangend geweest om Kolonel Brandon
gelukkig getrouwd te zien, van 't oogenblik af, dat zij hem door Sir
John had leeren kennen; en zij bezorgde altoos graag aan ieder mooi
meisje een goeden man.

Voor haar zelf was hieraan een niet gering onmiddellijk voordeel
verbonden. Want het leverde haar stof tot onuitputtelijke grappen op
hunne kosten. Op Barton Park lachte zij om den kolonel, en in Barton
Cottage om Marianne. Den eersten liet haar scherts, waarschijnlijk,
wat hèm betrof, volkomen onverschillig; voor de laatste bleef zij in
't begin totaal onbegrijpelijk, en toen zij eindelijk de bedoeling
had gevat, wist ze niet recht, of ze zou lachen om de dwaasheid van
die voorstelling, of boos worden om de onbescheidenheid ervan; want
zij beschouwde het als een hartelooze bespotting van des kolonels
gevorderden leeftijd en zijn beklagenswaardigen staat van ongetrouwd
oud heer.

Mevrouw Dashwood, voor wie een man, die vijf jaar jonger was dan
zijzelve, moeilijk zóó stokoud kon zijn, als hij toe scheen aan de
jeugdige verbeelding harer dochter, trachtte Mevrouw Jennings te
zuiveren van de verdenking, dat zij hem om zijn hoogen leeftijd had
willen bespotten.

"Maar mama, u kunt de dwaasheid van die beschuldiging toch niet
ontkennen, al gelooft u, dat ze niet opzettelijk kwaad bedoeld
was. Kolonel Brandon is jonger dan Mevrouw Jennings, dat is waar; maar
hij is oud genoeg om _mijn_ vader te zijn, en als hij ooit levendig
genoeg geweest is om verliefd te wezen, dan moet hij nu toch veel te
oud zijn geworden voor eenige gewaarwording van dien aard. 't Is àl
te belachelijk! Wanneer zal iemand toch bewaard blijven voor zulke
geestigheden, als zijn ouderdom en de gebreken ervan hem niet eens
meer beschermen?"

"Gebreken!" zei Elinor; "noem je Kolonel Brandon misschien
gebrekkig? Ik kan me wel voorstellen, dat hij in jouw oogen heel
wat ouder lijkt dan in die van moeder; maar je kunt je toch moeilijk
wijsmaken, dat hij 't gebruik van zijn ledematen mist?"

"Hoorde je hem dan niet klagen over rheumatiek? En is dat niet de
meest voorkomende kwaal van den ouderdom?"

"Mijn lieve kind," zei haar moeder lachend, "op die manier moet
je wel aanhoudend beangst zijn over _mijn_ verval van krachten, en
't moet je wel een wonder schijnen, dat ik den hoogen leeftijd van
veertig jaren heb mogen bereiken."

"Mama, dat is nu niet eerlijk tegenover mij. Ik weet best, dat Kolonel
Brandon nog niet zoo oud is, dat zijn vrienden moeten vreezen hem te
verliezen door den eisch der natuur. Hij kan nog wel twintig jaar
leven. Maar als men vijf en dertig is, komt men voor trouwen niet
meer in aanmerking."

"Misschien," zei Elinor, "moesten vijf en dertig en zeventien maar
liever niet samengaan, als er van trouwen sprake is. Maar als het
toevallig zoo eens uitkwam, dat een vrouw op zeven en twintig jarigen
leeftijd nog ongetrouwd was gebleven, dan dunkt mij niet, dat het voor
een huwelijk tusschen _haar_ en Kolonel Brandon een beletsel zou zijn,
dat hij vijf en dertig is."

"Een vrouw van zeven en twintig jaar," zei Marianne, na een oogenblik
zwijgens, "kan onmogelijk meer hopen liefde te gevoelen of in te
boezemen; en als zij geen aangenaam thuis heeft, of weinig geld, dan
kan ik mij voorstellen, dat zij de taak van een verpleegster gelaten
zou aanvaarden, terwille van haar verzekerde toekomst en gevestigde
positie als getrouwde vrouw. Als hij zulk een vrouw trouwde, dan
zou daar niets ongepasts in zijn. Een verdrag, aangegaan tot beider
voordeel, terwijl de wereld zou zijn tevredengesteld. In mijn oogen zou
het in 't geheel geen huwelijk zijn, maar dat doet er natuurlijk niet
toe. Voor mij zou het een handelsovereenkomst schijnen, waarbij beide
partijen zichzelf wenschten te bevoordeelen, ten koste der andere."

"Ik weet het wel, 't is onmogelijk," antwoordde Elinor, "je te
overtuigen, dat een vrouw van zeven en twintig voor een man van vijf
en dertig ook maar iets kan voelen, dat genoeg op liefde lijkt, om
haar hem tot een wenschelijk levensgezel te doen verkiezen. Maar
ik kom er toch tegenop, dat je Kolonel Brandon en zijn vrouw tot
voortdurende opsluiting in een ziekenkamer zoudt willen veroordeelen;
alleen maar, omdat hij gisteren (op een erg kouden, vochtigen dag)
een beetje klaagde over wat rheumatiek in zijn eenen schouder."

"Maar hij had het over flanellen vesten," zei Marianne; "en voor mij
is een flanellen vest onvermijdelijk verbonden aan pijnen, zinkingen,
rheumatiek en alle soorten van kwalen, waar mee oude en zwakke menschen
behept zijn."

"Had hij maar hevige koorts gehad, dan zou je niet half zoo
verachtelijk op hem hebben neergezien. Beken 't maar, Marianne, is er
niet iets buitengewoon interessants voor je in de gloeiende wangen,
holle oogen, en gejaagden pols van een koortslijder?"

Kort daarna, toen Elinor uit de kamer was gegaan, zei Marianne:
"Mama, van ziekte gesproken; ik ben op dat punt ongerust, ik zal
't u maar eerlijk zeggen. Ik geloof stellig, dat het met Edward
Ferrars niet in orde is. We zijn hier nu al haast veertien dagen,
en nog komt hij niet. Ongesteldheid alleen kan de oorzaak zijn van
dat allervreemdste uitstel. Wat kan hem anders te Norland terughouden?"

"Hadt je dan verwacht, dat hij zóó gauw zou komen?" zei Mevrouw
Dashwood. "Ik niet. Integendeel, zoo ik al eenige bezorgdheid op
dat punt heb gekoesterd, dan was dat, wanneer ik mij herinnerde, hoe
hij soms opvallend weinig opgewektheid of genoegen toonde, wanneer
ik erover sprak, dat hij ons in Barton zou bezoeken. Geloof je,
dat Elinor hem nu al verwacht?"

"Ik heb er nooit met haar over gesproken; maar natuurlijk doet ze dat."

"Daarin zou je je wel kunnen vergissen; want toen ik gisteren
iets tegen haar zei over 't plaatsen van een nieuwen haard in de
logeerkamer, vond ze, dat daar niet bepaald haast bij was; want het
was niet waarschijnlijk, dat die kamer vooreerst gebruikt zou worden."

"Hoe vreemd toch! Wat zou het beduiden? Maar hun geheele houding
tegenover elkaar vond ik onverklaarbaar in den laatsten tijd. Wat
namen ze koel en bedaard afscheid! Wat hadden ze elkaar weinig
te zeggen op den laatsten avond van hun samenzijn! Edward nam van
Elinor niet anders afscheid dan van mij; 't was alsof een hartelijk
gezinde broer ons beiden het beste wenschte. Tweemaal heb ik hen den
laatsten morgen met opzet alleen gelaten, en beide keeren ging hij,
zonder de minste reden, na mij de kamer uit. En Elinor schreide niet,
zooals ik, toen ze Norland èn Edward verliet. Zelfs nu verliest zij
nooit haar zelfbeheersching. Wanneer is zij ooit terneergeslagen
of droefgeestig? Wanneer tracht zij het gezelschap van vreemden
te vermijden, of schijnt in hunne tegenwoordigheid rusteloos en
onvoldaan?"






HOOFDSTUK IX


De Dashwoods hadden zich thans te Barton behagelijk ingericht. Met het
huis en den tuin, zoowel als de geheele omgeving, waren zij vertrouwd
geraakt, en de geregelde dagelijksche bezigheden, die de helft der
bekoring van Norland hadden uitgemaakt, werden hervat, met veel meer
genoegen, dan zij er ooit meer te Norland in hadden gevonden sedert
den dood van hun vader. Sir John Middleton, die hen in de eerste
paar weken elken dag kwam opzoeken, en die niet gewend was tehuis
veel bedrijvigheid te zien, kon niet nalaten zijn verwondering te
uiten over het feit, dat hij hen altijd druk met iets bezig vond.

Veel bezoek, behalve dan vanuit Barton Park, ontvingen zij niet;
want ondanks Sir Johns dringende aanmaning om toch overal in den
omtrek kennis te maken, en zijn herhaalde verzekering, dat zijn
rijtuig ten allen tijde ter hunner beschikking stond, overwon Mevrouw
Dashwood's onafhankelijkheidsgevoel haar wensch naar gezelligen
omgang voor hare kinderen, en zij bleef bij haar vast besluit om
geen families te bezoeken, die te veraf woonden, om ze wandelende te
bereiken. Er vielen slechts weinige in die termen; en niet eens alle
waren bereikbaar. Op ongeveer anderhalve mijl afstand van hun huisje,
in de smalle slingerende vallei van Allenham, die zich, zooals boven
werd omschreven, uit het dal van Barton vertakte, hadden de meisjes
op een harer eerste wandelingen een oud, en deftig uitziend heerenhuis
ontdekt, waaraan hun verbeelding iets aantrekkelijks verleende, omdat
het hen aan Norland deed denken, zoodat zij het wel gaarne nader
hadden willen leeren kennen. Doch zij vernamen, bij verdere navraag,
dat de eigenares, een bejaarde en zeer achtenswaardige vrouw, helaas
te ziekelijk was om in gezelschap te verkeeren, en nooit uitging.

Aan mooie wandelingen was in den omtrek waarlijk geen gebrek. De
hooge heuvelhellingen, die hen van uit elk venster van hun huisje
schenen uit te noodigen, om het verrukkelijk genot te smaken van de
zuivere lucht op hunne toppen, vormden een aangename afwisseling,
wanneer het in de dalen daarbeneden te modderig was, om van hunne
grootere schoonheden te genieten, en naar een dier heuvels richtten
Marianne en Margaret op een gedenkwaardigen morgen hare schreden,
verlokt door een glimp van zonneschijn in een buiïge lucht, en niet
langer bij machte, de strikte opsluiting te verdragen, waartoe de
aanhoudende regen van de twee vorige dagen hen had veroordeeld. Het
weer was niet uitlokkend genoeg om de beide anderen te bewegen, boek
en penseel neer te leggen, ondanks Marianne's verzekering, dat het
een prachtige dag beloofde te worden, en dat elke dreigende wolk van
hun heuvels zou optrekken; dus togen de beide meisjes er samen op uit.

Vroolijk klommen zij den heuvel op, zich verheugend in elk stukje
blauwe lucht, dat hun doorzicht bewees, en toen de opwekkende vlagen
van een sterke Zuid-Westerbries hun in het gezicht woeien, beklaagden
zij haar moeder en Elinor om de vreesachtigheid, die haar had belet,
deze heerlijke gewaarwordingen te deelen. "Is er wel _iets_ zoo zalig
in de wereld als dit?" zei Marianne. "Margaret, een paar uur op zijn
minst zal onze wandeling duren."

Daarmee was Margaret het eens, en zij liepen voort tegen den wind in,
dien zij lachend van pret nog een twintig minuten weerstand boden,
toen plotseling de wolken zich samenpakten boven hun hoofd, en een
felle slagregen hun vlak in 't gezicht joeg. Verdrietig en verrast
moesten ze wel, tegen hun zin, omkeeren, want er was geen schuilplaats
naderbij dan hun eigen huis. Een troost bleef hun echter over, die
in dezen uitersten nood het aangewezen middel tot uitkomst scheen;
zij mochten nu, zoo hard ze maar konden, de steile helling van den
heuvel afhollen, die rechtstreeks naar hun tuinhekje leidde.

Ze namen haar vaart. Marianne bleef eerst vooraan; maar een misstap
deed haar struikelen, en Margaret, niet in staat op te houden, om haar
zuster te helpen, werd onvrijwillig voortgedreven, en kwam behouden
beneden aan den voet.

Een heer, die een geweer droeg, kwam met twee spelende jachthonden
juist den heuvel op, en was vlak bij Marianne, toen zij viel. Hij
legde zijn geweer neer, en schoot toe om haar te helpen. Zij was half
opgestaan maar had door den val haar voet verstuikt en kon er bijna
niet op staande blijven. De vreemde heer bood aan haar behulpzaam
te zijn, en toen hij bemerkte, dat zij uit zedigheid weigerde,
wat haar toestand noodzakelijk maakte, nam hij haar zonder woorden
te verspillen in zijn armen, en droeg haar den heuvel af. Den tuin
doorgaande, waarvan Margaret het hek had opengelaten, bracht hij haar
in het huis, waar Margaret juist was aangekomen, en liet haar niet los,
eer hij haar op een stoel in de huiskamer had neergezet.

Elinor en haar moeder stonden verbaasd op, toen zij binnenkwamen,
en terwijl beider blik op hem bleef rusten met blijkbare verbazing,
niet zonder geheime bewondering, door zijn voorkomen gewekt,
verontschuldigde hij zijn indringen, door de oorzaak ervan te
verklaren, op zulk een vrijmoedigen en innemenden toon, dat zijn
buitengewoon knap uiterlijk aan stem en uitdrukking nog grootere
bekoring ontleende. Zelfs al was hij oud, leelijk en grof geweest, dan
nog zou hij Mevrouw Dashwood's dankbare welwillendheid hebben gewonnen
door elk hulpbetoon, aan haar kind verleend, maar de invloed van jeugd,
schoonheid en distinctie schonk aan zijn daad een belangwekkendheid,
die haar trof tot in het diepst van haar gemoed. Zij betuigde hem
meermalen haar innigen dank, en vroeg hem met de innemendheid, die haar
eigen was, of hij niet wilde plaats nemen. Dit deed hij liever niet,
daar hij vuil en nat was. Daarop vroeg Mevrouw Dashwood, aan wien zij
dank was verschuldigd. Zijn naam, antwoordde hij, was Willoughby, en
op het oogenblik was hij gelogeerd te Allenham, vanwaar hij hoopte,
dat zij hem zou willen toestaan haar morgen een bezoek te brengen,
om te vernemen hoe Mejuffrouw Dashwood het maakte. Dat verlof werd
hem gaarne geschonken, en daarop vertrok hij, interessanter nog in
haar oogen dan te voren, midden in een zware regenbui.

Zijn mannelijke schoonheid en de ongemeene losheid waarmede hij zich
bewoog, vormden aanstonds het onderwerp van hun aller bewonderende
gesprekken, en de vroolijkheid, waartoe zijn galante houding jegens
Marianne aanleiding gaf, kreeg een zeer bijzonder tintje door zijn
aantrekkelijk uiterlijk. Marianne zelf had hem minder goed opgenomen
dan de anderen, want de verwarring, die haar diep had doen blozen,
toen hij haar optilde, had het haar bijna onmogelijk gemaakt, hem te
durven aanzien, nadat zij het huis waren binnengetreden. Doch zij had
genoeg van hem gezien om met de bewondering der anderen in te stemmen,
met de warmte, die altoos eigen was aan haar lof.

Zijn houding en voorkomen waren juist zooals haar verbeelding haar
den held van een harer geliefkoosde romans afschilderde; en in dat
zonder bedenken haar in huis dragen lag iets van snelle beradenheid,
dat in haar oogen de handeling tot iets zeer bijzonders stempelde. Alle
omstandigheden, hem betreffende, waren even interessant. Zijn naam had
een goeden klank, hij logeerde in een aardig hun welbekend plaatsje,
en zij was het al spoedig met zich zelf eens, dat van alle mannelijke
kleedij een jachtcostuum het meest flatteerde. Haar verbeelding
werd steeds bezig gehouden; ze was vervuld van blijde gedachten,
en de pijn van den verstuikten enkel werd niet geteld.

Sir John kwam hen opzoeken, zoodra de volgende opklaring van 't
weer dien morgen hem toeliet uit te gaan, en na het verslag van
Marianne's ongeval werd hem dringend gevraagd of hij ook een heer
kende te Allenham, die Willoughby heette.

"Willoughby?" riep Sir John: "wel, wel, is _die_ hier buiten? Dat
is goed nieuws; ik rijd er morgen heen en vraag hem voor Donderdag
ten eten."

"Ken je hem dan?" vroeg Mevrouw Dashwood.

"Kennen? ja zeker! Hij komt hier elk jaar."

"En wat voor een soort man is hij wel?"

"De beste jongen van de wereld; dat kan ik je verzekeren. Een
uitmuntend jager, en in 't rijden heeft hij in Engeland zijn gelijke
niet."

"En is _dat_ al wat u te zijnen gunste kan aanvoeren?" riep Marianne
verontwaardigd. "Maar hoe is hij wel in den intiemen omgang? Waarmee
houdt hij zich bezig, heeft hij talenten, een genialen aanleg?"

Sir John wist niet recht wat hij dáárop zou zeggen.

"Ja," zei hij, "om de waarheid te zeggen, op _die_ punten weet ik
niet veel van hem af. Maar 't is een gezellige vroolijke kerel, en
hij heeft den mooisten jachthond dien ik ooit heb gezien. Een zwart
teefje. Had hij haar bij zich vandaag?" Maar Marianne kon hem evenmin
inlichten omtrent de kleur van 's heeren Willoughby's hond, als hij
haar de schakeeringen van diens geest vermocht te omschrijven. "Maar
wie is hij eigenlijk?" vroeg Elinor. "Waar komt hij vandaan? Heeft
hij in Allenham een eigen huis?"

Op die punten kon Sir John hun meer betrouwbare inlichtingen
verschaffen, en hij vertelde hun, dat de Heer Willoughby hier in de
buurt geen eigendom bezat; en dat hij hier alleen vertoefde, als hij
de oude dame kwam bezoeken op Allenham Court, die een bloedverwante
van hem was, en wier bezittingen hij zou erven; terwijl hij erbij
voegde: "Ja, ja, hij is de moeite waard om te veroveren, dat kan
ik je verzekeren, Elinor; hij heeft nog een mooie buitenplaats in
Somersetshire ook; als ik je was, ik stond hem niet af aan mijn
jongere zuster, al rolde ze van nog zooveel heuvels af. Marianne
moet niet denken dat alle heeren alleen om háár komen. Brandon zal
jaloersch zijn, als ze niet oppast."

"Ik geloof niet," zei Mevrouw Dashwood, met een oolijk lachje, "dat
de Heer Willoughby last zal hebben van pogingen van een van _mijne_
dochters om hem te veroveren, zooals je dat noemt. In _die_ richting
is hun opvoeding niet geleid geworden. Mannen behoeven voor _ons_
niet bang te zijn, al zijn ze ook nog zoo rijk. Maar ik ben blij,
te hooren dat hij van goede familie is, en iemand, met wien men niet
ongaarne zou kennismaken."

"Ja, 't is een beste kerel, voor zoover ik weet," herhaalde
Sir John. "'t Vorig jaar, met Kerstmis, bij gelegenheid van een
danspartijtje bij ons op het Park, heeft hij gedanst van acht uur tot
's morgens vier, aan één stuk door, zonder te gaan zitten."

"Och, werkelijk?" riep Marianne met schitterende oogen, "en danste
hij mooi, met vuur en overgave?"

"Ja, en om acht uur was hij alweer bij de hand, om mee uit te rijden
op de jacht."

"Dáar houd ik nu van; zóo moeten jongelui zijn. Zóo vurig in al wat
ze doen, dat ze niet willen weten van matiging, en geen vermoeidheid
bespeuren."

"Jawel, jawel, ik zie 't al aankomen," zei Sir John. "Ik weet wel,
hoe 't zal gaan. Je hebt nu een goed oogje op hèm; voor dien armen
Brandon is de kans verkeken."

"Dàt is een uitdrukking," zei Marianne met grooten nadruk, "waaraan
ik een verschrikkelijken hekel heb. Ik verfoei al die banale pogingen
om grappig te zijn, en "een oogje op iemand hebben," of "een conquête
maken" kan ik 't allerminst uitstaan. Ze spruiten voort uit een ruwe en
bekrompen opvatting, en zoo al er ooit een zweem van puntige raakheid
was in die zegswijzen, dan heeft de tijd die nu toch reeds lang te
niet gedaan."

Sir John begreep niet veel van die terechtwijzing; maar hij lachte even
hartelijk, alsof hij dat wèl deed, en zei: "O, kom; aan conquête's zal
't jou niet ontbreken; is het de een niet, dan is het de ander. Die
arme Brandon! hij is tot over de ooren verliefd, en dat _die_ een
goede vangst zou zijn, dàt kan ik je verzekeren, vallen en enkeltjes
verstuiken, of niet."






HOOFDSTUK X


Marianne's levensredder, zooals Margaret, meer sierlijk dan juist,
zich uitdrukkend, den Heer Willoughby betitelde, kwam reeds vroeg
den volgenden morgen zich persoonlijk van den goeden afloop van
het ongeval overtuigen. Mevrouw Dashwood ontving hem met nog iets
meer dan beleefdheid, met een vriendelijkheid, waartoe Sir John's
mededeelingen en haar eigen dankbaarheid haar aandreven; en al wat
voorviel gedurende zijn bezoek werkte mede om hem een hoogen dunk te
doen opvatten van de verstandelijke ontwikkeling, de fijne beschaving,
de wederkeerige genegenheid en het huiselijk behagen van het gezin,
dat hij door een toeval had keren kennen. Omtrent de uiterlijke
bekoorlijkheden der jonge dames behoefde geen tweede ontmoeting hem
vollediger zekerheid te verschaffen.

Elinor zag er wat teer uit; maar had geregelde trekken, en een
bijzonder lief figuurtje. Marianne was mooier. Misschien iets minder
welgebouwd dan haar zuster, viel zij door haar lengte meer op dan
deze, en haar gezichtje was zóó bekoorlijk, dat men, door haar met de
gewone overdrijving van banale loftuigingen "een schoonheid" te noemen,
der waarheid minder te kort deed, dan gewoonlijk geschiedt. Haar tint
was zeer donker, maar het doorschijnend zuivere van haar fijne huid
deed haar schitterenden blos des te meer uitkomen, hare trekken waren
welbesneden, haar glimlach was bekoorlijk en innemend, en haar oogen,
die zeer donker waren, tintelden van een leven, een geest, een vuur,
die men niet kon aanschouwen zonder in verrukking te geraken. Hun
uitdrukking bleef aanvankelijk tegenover Willoughby eenigszins
ingehouden, tengevolge van de verlegenheid, door de herinnering aan
zijn hulp opnieuw gewekt. Doch toen dat voorbijging, toen zij haar
rustige zelfbezinning herkreeg,--toen zij zag, dat hun bezoeker aan
zijn volmaakte wellevendheid zoowel openhartigheid als levendige
vroolijkheid paarde, en vooral toen zij hem hoorde verklaren, dat
hij een hartstochtelijk liefhebber was van dansen en muziek, gaf
haar blik een onmiskenbaar welgevallen te kennen, dat haar voor den
verderen duur van het bezoek zijn onverdeelde aandacht verzekerde.

Het was voldoende, een harer geliefkoosde uitspanningen aan te roeren,
om haar aan het praten te brengen. Zij kòn niet zwijgen, wanneer
die onderwerpen ter sprake kwamen, en verlegenheid of terughouding
bestonden daarbij voor haar niet. Zij ontdekten al spoedig, dat
de liefhebberij voor dansen en muziek door beiden werd gedeeld, en
voortsproot uit een algeheele overstemming van hun oordeel omtrent
al wat met die genoegens in verband stond. Hierdoor aangemoedigd
tot een nader onderzoek naar zijne opvattingen, begon zij hem te
ondervragen op het punt van literatuur; haar geliefkoosde schrijvers
werden opgenoemd en besproken met een zoo geestdriftige verrukking,
dat een jong mensch van vijf en twintig jaar wel uiterst ongevoelig
moest zijn geweest, zoo hij niet onmiddellijk overtuigd ware geworden
van de voortreffelijkheid hunner werken, al had hij ze van te voren
nooit ingezien. Hun smaken kwamen merkwaardig overeen. Dezelfde
boeken, dezelfde bladzijden erin werden door hen om het vurigst
bewonderd,--en zoo er al eenig verschil van meening bestond, eenige
tegenwerping werd geopperd, dan duurde dit toch slechts zóólang tot
de welsprekendheid harer argumenten en de schittering in haar oogen
het pleit hadden beslecht. Hij was het eens met al haar beslissende
uitspraken, stemde in met al haar verrukte ontboezemingen, en lang
vóór zijn bezoek was geëindigd, waren zij reeds zoo vertrouwelijk in
gesprek alsof zij elkander jaren hadden gekend.

"Nu Marianne," zei Elinor, zoodra hij was heengegaan; "mij dunkt dat
je dezen éénen morgen goed gebruikt hebt. Op bijna elk belangrijk
punt heb je Mijnheer Willoughby's meening weten in te winnen. Je hebt
gehoord, hoe hij denkt over Cowper en Scott; je bent zeker, dat hij hun
schoonheden naar behooren weet te waardeeren, en je hebt de stellige
overtuiging verkregen, dat hij voor Pope niet méér gevoelt, dan hij
met fatsoen niet laten kan. Maar hoe zal die omgang lang kunnen duren,
als ieder onderwerp van gesprek met zoo verbijsterende vlugheid wordt
afgehandeld? Je zult over al je stokpaardjes gauw zijn uitgepraat. Bij
een volgend bezoek zal hij voldoende gelegenheid krijgen om zijn
gevoelens te uiten over schilderachtig natuurschoon en tweede
huwelijken, en dan blijft er niets meer voor je te vragen over..."

"Elinor," riep Marianne; "is dàt nu eerlijk; is dat nu waar? Heb ik
zóó weinig oorspronkelijke denkbeelden?--Maar ik weet wel, wat je
bedoelt. Ik was te veel op mijn gemak, te vroolijk, te openhartig. Ik
heb gezondigd tegen alle banale welvoegelijkheids-begrippen. Ik was
oprecht en open, waar ik terughoudend, saai, vervelend en huichelachtig
had moeten zijn. Wanneer ik alleen maar over 't weer en de wegen had
gesproken, wanneer ik eens in de tien minuten mijn mond had opengedaan,
dan zou dit verwijt mij zijn bespaard gebleven.

"Lieve kind," zei haar moeder; "je moet het Elinor niet kwalijk
nemen;--ze zei het maar voor de grap. Ik zou zelf boos op haar worden,
als ze 't over zich kon verkrijgen, je het genoegen te bederven van
je gesprekken met onzen nieuwen vriend."--Marianne's ergernis was in
een oogwenk geweken.

Willoughby van zijn kant bewees, door zijn blijkbaar verlangen om den
pas begonnen omgang geregeld voort te zetten, ten duidelijkste hoeveel
behagen hij erin schiep. Hij kwam thans iederen dag. In het begin
kon de vraag hoe het Marianne ging, als voorwendsel dienen; doch de
met den dag toenemende vriendelijkheid, waarmede hij werd ontvangen
maakte zulk een voorwendsel overbodig, reeds eer het onmogelijk had
kunnen dienst doen, door Marianne's volkomen herstel. Zij moest een
paar dagen thuisblijven; doch nooit was eenig huisarrest haar minder
onaangenaam geweest. Willoughby was een jonge man met een helder hoofd,
een levendige verbeelding, een opgewekte natuur en iets openhartigs
en vriendelijks in zijn optreden. Hij was als voorbestemd om juist
Marianne's hart te winnen; want aan al die gaven paarde hij niet
slechts een innemend uiterlijk, doch tevens een natuurlijke vurigheid
van geest, die thans door háár voorbeeld werd gewekt en aangespoord, en
die hem meer dan eenige andere eigenschap haar genegenheid deed winnen.

Met hem samen te zijn werd van lieverlede haar allergrootst
genoegen. Zij lazen, zij praatten, zij zongen met elkaar: hij was zeer
muzikaal, en hij las voor met al het gevoel en het vuur, waaraan het
Edward helaas had ontbroken.

In Mevrouw Dashwood's oogen was hij even volmaakt als in die van
Marianne; en Elinor vond niets op hem aan te merken, behalve een
neiging, waarin hij sterk op haar zuster geleek en die deze dan ook
bijzonder behaagde, van bij alle voorkomende gelegenheden veel te
ronduit zijn meening te zeggen, zonder daarbij rekening te houden met
personen en omstandigheden. Door dat overijld oordeelen en zijn oordeel
uitspreken over anderen, door de wellevendheid in een grooteren kring
te laten achterstaan bij het genoegen van zich onverdeeld te wijden aan
de uitverkorene zijns harten, en door een zeker luchtig verwaarloozen
van maatschappelijke omgangsvormen, gaf hij blijk van een gebrek
aan voorzichtigheid, dat Elinor niet kon goedkeuren, ondanks al wat
Marianne en hij hadden aan te voeren ten gunste van hunne opvatting.

Marianne begon nu te bespeuren dat de vrees om nooit een man te zullen
ontmoeten, die haar ideaal van volmaaktheid nabij kwam, een vrees,
die haar zoo wanhopig had gemaakt, toen zij nog maar pas zestien
jaar was, voorbarig en ongerechtvaardigd was geweest. Willoughby was
al wat haar verbeelding haar in die droeve ure had voorgespiegeld,
en thans, in zooveel blijdere dagen, even bereid en gereed om haar
hart te winnen; zijn gedrag toch bewees, dat zijn verlangens in dat
opzicht even ernstig gemeend waren, als zijn vermogen om liefde in
te boezemen krachtig was.

Ook haar moeder, in wier geest het vooruitzicht van zijn toekomstigen
rijkdom geen enkele berekenende gedachte aan een huwelijk had gewekt,
begon, eer een week was voorbijgegaan, daarop te hopen en het te
verwachten; in stilte wenschte zij zichzelve dan ook reeds geluk met
twee zulke schoonzoons als Edward en Willoughby.

Kolonel Brandon's belangstelling in Marianne, die zijn vrienden
reeds zoo spoedig hadden opgemerkt, werd thans eerst duidelijk
voor Elinor; nu de anderen er niet meer op letten. Hun aandacht en
hun geestigheden kozen zich thans zijn gelukkigen mededinger tot
doelwit, en de plagerijen, waaraan de Kolonel had blootgestaan, eer
hij eenige voorkeur had doen blijken, hielden op, toen zijn gevoelens
met meer recht de spotternij hadden kunnen uitlokken, die gevoeligheid
maar al te dikwijls pleegt te treffen. Elinor moest, haars ondanks,
wel gelooven, dat de gevoelens, welke Mevrouw Jennings hem te haren
opzichte had toegeschreven, hem thans werkelijk werden ingeboezemd
door hare zuster, en dat, al mocht een algemeene overeenstemming
tusschen beider karaktertrekken de neiging van Willoughby in de
hand werken, een even opvallende tegenstelling in aard en aanleg
geen beletsel was voor Kolonel Brandon's genegenheid. Zij zag het
met leedwezen; want wat kon een stille man van vijf en dertig hopen,
naast en tegenover een vijf en twintigjarige, die een en al vuur en
leven was? En daar zij zelfs niet kon wenschen, dat zijn verlangen
vervuld zou worden, hoopte zij van harte, dat hij onverschillig
mocht zijn. Zij hield van hem;--ondanks zijn ernst en terughouding
wekte hij hare belangstelling. Ofschoon zoo ernstig, was hij zacht
en vriendelijk in den omgang, en zijn teruggetrokken houding scheen
veeleer het gevolg van gedruktheid, dan van een zwaarmoedigen en
somberen aard. Sir John had zich wel eens iets laten ontvallen over
door hem ondervonden grieven en teleurstellingen, welke haar vermoeden
dat hij ongelukkig was, bevestigden, en zij beschouwde hem met
eerbied en medelijden. Misschien beklaagde en waardeerde zij hem des
te meer omdat hij weinig in tel was bij Willoughby en Marianne, die,
bevooroordeeld tegenover iemand, noch jong, noch opgewekt van aard,
zich schenen te hebben voorgenomen, zijn verdienste te onderschatten.

"Brandon is nu zoo iemand," zei Willoughby eens, toen zij samen over
hem spraken, "die door ieder wordt geprezen, en om wien niemand geeft;
die steeds met blijdschap wordt begroet; maar wien iedereen vergeet
aan te spreken."

"Dat is nu juist de indruk, dien hij ook maakt op mij," riep Marianne.

"Daar behoef je je niet op te verheffen," zei Elinor; "want het is van
jullie allebei onrechtvaardig. Hij wordt ten zeerste gewaardeerd door
de familie op Barton Park, en ik zelf zie hem nooit, zonder bepaald
moeite te doen met hem een gesprek te voeren."

"Dat u hem de hand boven 't hoofd houdt," antwoordde Willoughby,
"spreekt te zijnen gunste; maar die waardeering van de anderen is op
zichzelf al een blaam. Wie zou de schande willen verdragen van zich
geprezen te zien door dames als Lady Middleton en Mevrouw Jennings,
die door ieder ander met de meest volkomen onverschilligheid worden
beschouwd?"

"Maar misschien weegt de afkeuring van menschen als u en Marianne wel
op tegen de waardeering van Lady Middleton en haar moeder. Als haar
lof blaam is, dan kan jelui blaam wel als lof worden aangemerkt;
want hun gemis van doorzicht is volstrekt niet grooter dan jelui
vooroordeel en onbillijkheid."

"Waar het geldt uw beschermeling te verdedigen, wordt u zelfs scherp."

"Mijn beschermeling, zooals u hem noemt, is een verstandig man, en
tot verstand voel ik mij altijd aangetrokken. Ja Marianne, zelfs in
een man tusschen de dertig en veertig. Hij heeft veel van de wereld
gezien; lang in het buitenland vertoefd; hij houdt van lezen en is
gewend, na te denken. Ik heb ondervonden, dat hij in staat was, mij
omtrent allerlei onderwerpen voor te lichten, en hij heeft altoos
mijn vragen beantwoord met de bereidwilligheid van een beschaafd en
goedhartig man."

"Nu ja," riep Marianne op minachtenden toon, "hij heeft je verteld
dat in Oost-Indië het klimaat erg warm is, en dat de muskieten er
lastig zijn."

"Dat _zou_ hij mij allicht verteld hebben, als ik hem ernaar had
gevraagd; maar toevallig waren dat punten, waaromtrent ik reeds eerder
zekerheid had verkregen."

"Misschien," zei Willoughby, "strekten zijn waarnemingen zich wel
uit tot nabobs, rijk versierde mooren, en palankijnen."

"Ik durf wel zeggen, dat _zijn_ waarnemingen verder reikten dan uw
doorzicht. Maar wat hebt u eigenlijk op hem tegen?"

"Ik hèb niets op hem tegen. Integendeel, ik beschouw hem als een zeer
achtenswaardig man, die door ieder geroemd wordt, en van wien niemand
notitie neemt; iemand die meer geld heeft, dan hij kan uitgeven; meer
tijd, dan hij behoorlijk weet te gebruiken, en twee nieuwe pakken in
het jaar."

"En voeg er dan nog bij," riep Marianne, "dat hij noch geniaal, noch
artistiek, noch geestig is. Dat het zijn geest ontbreekt aan leven,
zijn gevoel aan vuur, en zijn stem aan uitdrukking."

"Je beslissend oordeel over zijn onvolmaaktheden is zoo veelomvattend,"
antwoordde Elinor, "en zoo zeer gekleurd door je eigen verbeelding,
dat de lof, dien ik hem vermag te schenken, daarbij vergeleken
koel en onbeteekenend schijnt. Ik kan alleen verklaren, dat hij een
verstandig man is, beschaafd, ontwikkeld, vriendelijk in den omgang,
en naar het mij voorkomt, iemand met een goed hart."

"Juffrouw Dashwood," riep Willoughby; "u behandelt mij heel onaardig. U
tracht mij door redeneering te ontwapenen, en mij te overtuigen, tegen
mijn zin. Maar het helpt u niets. U zult mij even koppig vinden als
u listig bent. Voor mijn ongunstige meening omtrent Kolonel Brandon
bestaan drie afdoende redenen: hij heeft voorspeld, dat het zou gaan
regenen, terwijl ik op mooi weer hoopte; hij heeft aanmerkingen gemaakt
op den bouw van mijn rijtuig, en ik kan hem niet overhalen mijn bruine
merrie te koopen. Als het u echter eenige voldoening kan schenken,
te vernemen, dat ik zijn karakter in elk ander opzicht onberispelijk
vind, dan ben ik bereid, dat te erkennen. En als belooning voor die
erkentenis, die niet anders dan een weinig pijnlijk voor mij kan zijn,
moogt u mij het voorrecht niet ontzeggen, hem nog evenmin te kunnen
uitstaan als voorheen."






HOOFDSTUK XI


Mevrouw Dashwood en hare dochters hadden zich weinig voorgesteld, toen
zij pas in Devonshire waren komen wonen, dat de verplichtingen van den
gezelligen omgang al spoedig zooveel van hun tijd zouden in beslag
nemen, of dat zij zoo herhaaldelijk uitnoodigingen en zoo geregeld
bezoeken zouden ontvangen, dat hun zeer weinig vrije tijd overbleef
voor ernstiger bezigheid. Toch was dit het geval. Toen Marianne
hersteld was, werden de plannen voor feestelijkheden in zijn eigen
huis en daarbuiten, die Sir John reeds lang had beraamd, werkelijk
ten uitvoer gebracht. De danspartijen op het Park namen een aanvang,
en boottochtjes werden gemaakt, zoo dikwijls een buiige Octobermaand
dat toeliet. Bij alle bijeenkomsten van dien aard was Willoughby van de
partij, en de luchtige en gemakkelijke toon, die natuurlijk heerschte
bij dergelijke gelegenheden, was juist erop berekend, om de toenemende
vertrouwelijkheid van zijn omgang met de Dashwoods te bevorderen, om
hem gelegenheid te schenken, Marianne in al haar lieftalligheid gade
te slaan; om steeds duidelijker zijn levendige bewondering te doen
blijken; en om door haar houding hem de stelligste verzekering te doen
ontvangen van haar genegenheid. Elinor kon zich niet verwonderen over
hun wederkeerige neiging. Zij wenschte alleen, dat deze minder openlijk
werd aan den dag gelegd, en een paar malen waagde zij het werkelijk,
Marianne de gewenschtheid van eenige zelfbeheersching onder het oog
te brengen. Maar Marianne verfoeide al wat naar verbergen zweemde,
waar openbaren niets waarlijk oneervols insloot, en opzettelijk
gevoelens te bedwingen, die op zich zelf niet afkeurenswaardig waren,
scheen haar niet alleen een onnoodige poging, maar een schandelijke
onderwerping van de rede aan banale en onjuiste opvattingen.

Willoughby dacht er eveneens over, en hun gedrag legde, ten allen
tijde, van hunne meeningen het trouwste getuigenis af.

In zijn tegenwoordigheid had zij voor niemand oog dan hèm. Al wat hij
deed, was goed. Al wat hij zei, was geestig. Als de avondjes op het
Park werden besloten met een spelletje kaart, dan bedierf hij zijn
eigen kansen en die van alle anderen, om haar de troeven in handen te
spelen. Wanneer de avond met dansen werd doorgebracht, dansten zij de
helft van den tijd met elkaar; en als ze gedurende een paar dansen
volstrekt moesten scheiden, stonden ze samen te praten, en zeiden
tegen anderen geen woord. Ze werden natuurlijk geducht uitgelachen
om hun gedrag; maar het scheen wel of spotternij hen niet beschamen,
en ternauwernood ergeren kon.

Mevrouw Dashwood nam zoo hartelijk en levendig deel in al hun
gevoelens, dat zij onmogelijk geneigd kon zijn, paal en perk te stellen
aan dit overdreven vertoon. Voor haar was dat slechts het natuurlijk
gevolg van een sterke genegenheid in een jongen en vurigen geest.

Het was een gelukkige tijd voor Marianne. Zij hing met haar geheele
hart aan Willoughby, en het sterke verlangen naar Norland, dat zij uit
Sussex had medegebracht werd, meer dan zij ooit mogelijk had geacht,
verzacht door de bekoring die zijn gezelschap verleende aan haar
tegenwoordige omgeving.

Elinor was niet zoo blij gestemd. Haar hart was niet zoo rustig, haar
genoegen in hun vermaken niet zoo onvermengd. Zij had geen vriend
en metgezel aangetroffen, die haar kon vergoeden wat zij achterliet,
en haar kon leeren, minder dan ooit met weemoed aan Norland terug te
denken. Noch Lady Middleton, noch Mevrouw Jennings konden met haar
de gesprekken voeren, die zij miste; hoewel de laatste onuitputtelijk
spraakzaam was, en van den beginne af een voorliefde voor Elinor had
doen blijken, die haar het leeuwendeel van de mededeelingen dier
dame bezorgde. Zij had haar eigen levensgeschiedenis reeds drie
of vier malen aan Elinor verteld, en als Elinor's geheugen bestand
was geweest tegen de zware eischen, die dit leerzaam verhaal eraan
stelde, dan had zij reeds aan het begin hunner kennismaking op de
hoogte kunnen zijn van de geringste bijzonderheden omtrent de laatste
ziekte van den Heer Jennings en wat hij gezegd had tegen zijn vrouw
een paar minuten voor hij stierf. Lady Middleton was alleen in zooverre
aangenamer gezelschap dan haar moeder dat zij beter zwijgen kon. Doch
Elinor had haar niet lang behoeven gade te slaan, om te bespeuren, dat
haar terughouding eenvoudig een zekere uiterlijke trage onbewogenheid
was, die met verstand niets had te maken. Tegenover haar man en haar
moeder was zij precies dezelfde als tegenover hen, en intimiteit kon
men dus van haar verwachten noch verlangen. Zij had nooit iets te
vertellen, dat zij niet den vorigen dag ook reeds had gezegd. Haar
onbeduidendheid bleef zich altijd gelijk; want zelfs haar stemming
was onveranderlijk dezelfde; en hoewel zij er niets tegen had,
dat haar man buitenpartijen gaf, zoolang alles in de puntjes was,
en haar beide oudste kinderen haar mochten gezelschap houden, zij
scheen er nooit meer pleizier in te hebben, dan zij thuis evengoed
zou hebben gevonden;--en zoo weinig droeg hare tegenwoordigheid bij
tot het genoegen der anderen, door eenige deelname in hun gesprek,
dat zij somtijds alleen herinnerd werden aan hare tegenwoordigheid
door haar bezorgdheid over haar lastige jongens.

Onder al haar nieuwe kennissen vond Elinor slechts in Kolonel Brandon
iemand, die ook maar eenigszins kon aanspraak maken op eerbied
voor zijn gaven en op vriendschappelijke belangstelling, of wiens
gezelschap haar aangenaam was. Willoughby kwam niet in aanmerking. Zij
bewonderde hem en was hem welgezind, ja zusterlijk genegen; maar hij
was verliefd; hij wijdde zich uitsluitend aan Marianne, en een veel
minder aantrekkelijke persoonlijkheid zou aangenamer in den omgang
hebben kunnen zijn. Kolonel Brandon had, jammer genoeg voor hem, geen
dergelijke aanmoediging ontvangen om aan Marianne al zijn gedachten
te wijden, en in zijn gesprekken met Elinor vond hij den grootsten
troost over de volkomen onverschilligheid van haar zuster.

Elinor's medelijden met hem groeide nog aan, toen zij reden kreeg te
vermoeden, dat hij de smart van teleurgestelde liefde reeds eerder
had leeren kennen. Dit vermoeden werd gewekt door enkele woorden,
die hij zich liet ontvallen op een avond te Barton Park, toen zij
met beider goedvinden waren gaan zitten, terwijl de anderen aan het
dansen waren. Zijn blik bleef een poos gevestigd op Marianne, en na
eenigen tijd te hebben gezwegen, zeide hij met een flauwen glimlach:
"Ik meen te hebben begrepen, dat uw zuster aan een genegenheid,
die niet de eerste is, hare goedkeuring niet kan schenken."

"Neen," antwoordde Elinor; "zij heeft merkwaardig romantische
denkbeelden."

"Of liever gezegd, zij beschouwt zulk een genegenheid als ondenkbaar,
geloof ik."

"Ik geloof ook, dat zij er zoo over denkt. Doch hoe ze dat kan doen,
zonder als 't ware een blaam te werpen op het karakter van haar vader,
die zelf twee vrouwen heeft gehad, dat begrijp ik niet. Maar over een
paar jaren zullen haar meeningen wel gevestigd zijn op den redelijken
grondslag van gezond verstand en onbevooroordeelde waarneming; en
dan zullen zij gemakkelijker zijn te bepalen en te rechtvaardigen,
dan het thans iemand, behalve haarzelve, mogelijk is te doen."

"Zoo zal het waarschijnlijk wel gaan," was zijn antwoord; "en toch is
er iets zoo beminnelijks in de vooroordeelen van een jeugdigen geest,
dat het ons leed doet, ze te zien vervangen door ruimere opvattingen."

"Dàt ben ik niet met u eens," zeide Elinor. "Aan zulke gevoelens
als die van Marianne zijn nadeelen verbonden, die al de bekoring
van geestdrift en gemis van wereldwijsheid niet kan vergoeden. Haar
opvattingen leiden alle in de noodlottige richting, die geen rekening
verkiest te houden met maatschappelijk fatsoen; en in een vermeerdering
van haar wereld- en menschenkennis zie ik voor haar het grootste heil."

Na een korte stilte hervatte hij het gesprek, door te vragen: "Maakt uw
zuster in het geheel geen onderscheid in haar bezwaren tegen een tweede
liefde, of is dat vergrijp in ieder even misdadig te achten? Moeten
zij, die in hun eerste keuze zijn teleurgesteld, 't zij door de ontrouw
van het voorwerp ervan, 't zij door den ongelukkigen samenloop der
omstandigheden, nu ook verder hun leven lang onverschillig blijven?"

"Zóó precies ben ik werkelijk niet op de hoogte van haar beginselen op
dit punt. Ik weet alleen, dat ik haar nog nimmer heb hooren toegeven,
dat eenige tweede genegenheid vergefelijk zou kunnen zijn."

"Dàt kan," zei hij, "niet altijd zoo blijven; doch een omkeer,
een algeheele verandering van inzicht... neen, neen, die is niet
wenschelijk,--want wanneer de romantische kiesche denkbeelden van
een jeugdigen geest door de werkelijkheid worden teruggedrongen,
hoe dikwijls maken zij dan plaats voor opvattingen, die maar al te
gangbaar zijn, en maar al te gevaarlijk. Ik spreek uit ervaring. Ik
heb eens een dame gekend die wat aard en aanleg betrof, zeer
veel op uwe zuster geleek, die dacht en oordeelde als zij, doch
die door een gedwongen verandering... door een opeenvolging van
noodlottige omstandigheden..." Hier zweeg hij plotseling; scheen
te denken dat hij te veel had gezegd, en wekte door de uitdrukking
van zijn gelaat in Elinor vermoedens, die zij anders allicht niet
zou hebben gekoesterd. De dame van wie hij sprak zou waarschijnlijk
haar achterdocht niet hebben gaande gemaakt, zoo hij Elinor niet
had overtuigd, dat haar aangelegenheden niet over zijne lippen
behoorden te komen. Thans echter was er geen sterke inspanning der
verbeeldingskracht noodig om zijn aandoening in verband te brengen
met de teedere herinnering aan een vroegere genegenheid. Elinor
raadde niet méér. Doch Marianne, in hare plaats, zou zich daarmede
niet vergenoegd hebben. De geheele geschiedenis zou weldra door haar
levendige verbeelding in elkaar zijn gezet, en uitgewerkt tot een
allerdroevigst verhaal van jammerlijk ongelukkige liefde.






HOOFDSTUK XII


Toen Elinor en Marianne den volgenden morgen samen wandelden,
vertelde de laatste aan hare zuster een nieuwtje, dat deze, ondanks
al wat zij reeds had ervaren omtrent Marianne's onvoorzichtigheid en
onnadenkendheid, verbaasde, door een zóó treffend bewijs te leveren
van die beide eigenschappen. Marianne vertelde haar verrukt, dat
Willoughby haar een paard had ten geschenke gegeven, een van de door
hem zelf gefokte paarden op zijn landgoed in Somersetshire, dat juist
geschikt was, om door eene dame te worden bereden. Zonder te bedenken,
dat het niet in haar moeders bedoeling lag paarden te houden,--dat
zij, indien zij al op dat besluit wilde terugkomen, terwille van dit
geschenk, een ander paard moest koopen voor een knecht, dien knecht
moest huren om het te berijden, en ten slotte nog een stal moest laten
bouwen om beide onder dak te brengen,--had zij zonder eenige aarzeling
het aanbod aangenomen, en vertelde haar zuster ervan met de grootste
opgetogenheid. "Hij is voornemens zijn bediende dadelijk ervoor naar
Somersetshire te zenden", voegde zij erbij, "en als het komt, gaan we
iederen dag rijden. Jij mag het ook gebruiken. Stel je toch eens voor,
Elinor, hoe zalig het zijn zal, in galop over onze heuvels te snellen."

Wel zéér ongeneigd was zij, te ontwaken uit dien geluksdroom,
zich te laten overtuigen van al de pijnlijke, maar noodzakelijke
bijkomstigheden, aan de zaak verbonden, en een tijdlang weigerde zij
koppig, ze in te zien. Een bediende meer zou zooveel niet kosten; mama
zou daar stellig niet op tegen hebben, voor hem was trouwens elk paard
goed genoeg; hij kon er altijd wel een krijgen van Het Park; en wat den
stal betrof, een klein schuurtje zou immers voldoende zijn. Eindelijk
waagde Elinor de vraag te opperen, of het wel gepast zou zijn, zulk
een geschenk aan te nemen van iemand, dien zij nog zoo weinig, of
althans zoo kort, kende.--Dat ging te ver. "Je vergist je, Elinor,"
zei ze met nadruk, "als je meent dat ik Willoughby maar oppervlakkig
ken. Ik heb nog niet lang met hem omgegaan, maar kennen doe ik hem
beter dan iemand anders ter wereld, behalve jou en mama. Tijd noch
gelegenheid zijn noodig om vertrouwelijkheid te doen ontstaan;--dat
doet alleen natuurlijke neiging. Sommige menschen zouden elkaar in
zeven jaar niet leeren kennen, en voor anderen zijn zeven dagen meer
dan genoeg. Ik zou 't meer ongepast van mijzelf vinden, als ik van
mijn broer een paard aannam, dan van Willoughby. Van John weet ik
zoogoed als niets af, hoewel we jaren onder een dak gewoond hebben;
maar mijn oordeel over Willoughby staat reeds lang vast."

Elinor vond het maar 't verstandigst, dat punt niet meer aan te
roeren. Zij kende haar zusters aard. Tegenstand in zulk een teere
aangelegenheid zou haar des te koppiger doen volharden in haar eigen
meening. Doch door een beroep op haar genegenheid voor hare moeder,
door haar voor te stellen, hoe die toegevende moeder zichzelve in
ongelegenheid zou moeten brengen, als zij (zooals te verwachten viel)
zou toestemmen in die uitbreiding van hun personeel, werd Marianne
tenslotte gekalmeerd; en zij beloofde, haar moeder niet tot zoo
onverstandige toegevendheid te zullen verleiden door te spreken
over het voorstel, en den eersten keer dat zij Willoughby weer zou
ontmoeten, hem te zeggen, dat zij verplicht was, het af te wijzen.

Zij hield haar woord, en toen Willoughby hen nog dien zelfden
dag kwam bezoeken, hoorde Elinor hoe zij op zachten toon hem hare
teleurstelling te kennen gaf, omdat zij zich verplicht zag, zijn
geschenk te weigeren. De redenen voor haar veranderd inzicht werden
hem tevens medegedeeld, en zij maakten een nader aandringen van zijne
zijde onmogelijk. Het was echter duidelijk blijkbaar, dat het hem
zeer speet; en nadat hij dit met nadruk had betuigd, liet hij er
op denzelfden gedempten toon op volgen: "Maar Marianne, het paard
blijft toch je eigendom, al kun je het nu niet gebruiken. Ik bewaar
het slechts zoolang tot je het komt opeischen. Als je Barton verlaat,
om in een eigen thuis je eigen huishouding te beginnen, dan zal Queen
Mab je ontvangen."

Elinor hoorde hem dit alles zeggen; en uit al zijn woorden, uit zijn
uitdrukking terwijl hij ze sprak, en uit het feit dat hij haar zuster
bij haar voornaam noemde, bleek haar oogenblikkelijk de onmiskenbaar
innige vertrouwelijkheid, de rechtstreeksche bedoeling, die niet den
minsten twijfel lieten aan hun onderlinge verstandhouding. Van dat
oogenblik af stond het voor haar vast, dat zij in stilte verloofd
waren, en die overtuiging wekte in haar geene andere reden tot
verwondering, dan deze, dat zulk een openhartig paar de ontdekking
van het geheim, door haar, of wie ook van hun vrienden, aan het toeval
overliet. Den volgenden dag vertelde Margaret haar iets, dat de zaak
in een nog helderder daglicht plaatste. Willoughby had den vorigen
avond bij hen doorgebracht, en toen Margaret een poos met hem en
Marianne alleen in de huiskamer was gebleven, had zij gelegenheid
gehad tot waarnemingen, die zij met een allergewichtigst gezicht aan
haar oudste zuster kwam berichten, zoodra zij samen alleen waren.

"O Elinor!" riep zij; "ik heb je een groot geheim te vertellen,
over Marianne. Ik geloof stellig, dat ze nu heel gauw gaat trouwen
met Mijnheer Willoughby."

"Dat heb je nu al bijna iederen dag gezegd, antwoordde Elinor,
"sedert ze elkaar voor 't eerst op High-Church Down ontmoetten; en
toen ze elkaar nog geen week kenden, was je al zeker, dat Marianne
zijn portret in haar medaillon droeg, tot het uitkwam dat het een
miniatuur-portretje van onzen oudoom was."

"O, maar dit is heel iets anders. Nu gaan ze stellig gauw trouwen,
want hij heeft een lok van haar haar."

"Pas maar op, Margaret. Misschien is dàt nu weer een haarlok van
_zijn_ oudoom."

"Neen werkelijk, Elinor; 't is van Marianne. Ik weet het stellig;
want ik zag hem het afknippen. Gisterenavond na de thee, toen jij en
mama uit de kamer waren gegaan, zaten ze druk samen te praten en te
fluisteren, en hij scheen haar telkens iets te vragen; en ten laatste
nam hij haar schaar, en knipte een lange krul van haar haar af, want
ze had het loshangen; en toen kuste hij het, en vouwde 't in een stuk
wit papier en legde dat in zijn notitieboek."

Deze bijzonderheden, uit zoo betrouwbare bron, kon Elinor niet
weigeren te gelooven, en zij was daartoe te minder geneigd, wijl het
voorgevallene volkomen in overeenstemming scheen met wat zijzelve
gehoord en gezien had.

Margaret gaf van haar schranderheid niet altijd blijk op de wijze,
die haar zuster het best kon behagen. Toen Mevrouw Jennings haar op
een avond te Barton Park dringend vroeg om toch eens te vertellen,
welke jonge man bij Elinor het hoogst stond aangeschreven, iets,
waarnaar zij reeds lang fel nieuwsgierig was, keek Margaret haar zuster
eens aan en zei: "Ik mag het zeker niet vertellen; of wèl, Elinor?"

Daarom moest natuurlijk iedereen lachen, en Elinor lachte zoogoed
mogelijk mee. Maar het kostte haar moeite. Zij wist maar al te goed,
dat Margaret iemand op het oog had, wiens naam zij niet kon verdragen
van nu af aan geregeld te moeten hooren, als Mevrouw Jennings met
haar grappen begon.

Marianne had oprecht medelijden met haar; maar zij maakte de zaak
eer erger dan beter, door met een hooge kleur en op driftigen toon
tegen Margaret te zeggen: "Vergeet niet dat je dingen, waarvan je
niet zeker bent, niet moogt oververtellen."

"'t _Zijn_ geen dingen, waarvan ik niet zeker ben," zei Margaret;
"je hebt het mij zelf verteld."

De vroolijkheid van 't gezelschap werd hierdoor nog verhoogd, en
Margaret werd dringend verzocht, nog iets meer los te laten.

"Och toe, Margaret, vertel het ons nu maar," zei Mevrouw Jennings. "Hoe
heet die mijnheer?"

"Ik mag 't niet zeggen, mevrouw. Maar ik weet het wèl; en waar hij is,
dat weet ik ook."

"Ja, dat kunnen we wel raden, in zijn eigen huis, te Norland,
natuurlijk. Ik wed dat het de dominé is."

"Neen, dàt is hij niet. Hij is in 't geheel niets."

"Margaret," zei Marianne, erg boos nu, "je weet best, dat je dit
alles maar uit den duim zuigt, en dat er niet eens zoo iemand bestaat."

"O, dan is hij zeker voor kort overleden, Marianne; want dat er zoo
iemand bestaan hééft, dat weet ik wel zeker, en zijn naam begint met
een F."

Innig dankbaar was Elinor, dat Lady Middleton op dat oogenblik de
opmerking maakte, "dat het geducht hard regende," hoewel zij die
opzettelijke onderbreking van het gesprek minder toeschreef aan eenig
medegevoel voor háár, dan aan den afkeer der gastvrouw van zulke
grove scherts, waarin haar moeder en haar man nu eenmaal behagen
hadden. Het door haar ingeleide onderwerp werd aanstonds opgevat
door Kolonel Brandon, die bij alle voorkomende gelegenheden anderer
gevoelens placht te ontzien; en beiden hadden elkaar over den regen
veel te vertellen. Willoughby opende de piano en vroeg Marianne, iets
voor te spelen, en bij die onderscheiden pogingen van verschillenden
der aanwezigen, om van het onderwerp af te stappen, kwam het gelukkig
tot rust. Maar Elinor bekwam niet zoo snel van den schrik, dien het
haar had veroorzaakt.

Er werd dien avond een plan beraamd om den volgenden dag een fraai
buitengoed te gaan bezichtigen, dat omstreeks twaalf mijlen van
Barton verwijderd lag, en toebehoorde aan een schoonbroeder van
Kolonel Brandon, zonder wiens geleide het niet te zien was, daar de
eigenaar, die buitenslands vertoefde, op dat punt strikte orders had
gegeven. Het park en de omgeving werden als bijzonder mooi geroemd,
en Sir John, die luide hun lof verkondigde, kon er in elk geval goed
over oordeelen, want hij had, in de laatste tien jaar, minstens
tweemaal elken zomer tochtjes erheen georganiseerd. Bij het park
behoorde een uitgestrekt meer, waarop des middags zou worden gezeild;
proviand werd medegenomen, er werden alleén open rijtuigen gebruikt,
en het beloofde een recht genoegelijke buitenpartij te zullen worden.

Enkelen onder het gezelschap vonden het een ietwat gewaagd plan,
om dezen tijd van het jaar, terwijl het de laatste veertien dagen
elken dag had geregend, en Mevrouw Dashwood, die reeds verkouden was,
liet zich door Elinor overreden om thuis te blijven.






HOOFDSTUK XIII


Het voorgenomen tochtje naar Whitwell liep heel anders af, dan Elinor
had verwacht. Zij had erop gerekend bang op het water, doornat en
doodmoe te te zullen zijn; maar het kwam nog ongelukkiger uit; want
zij gingen in het geheel niet.

Om tien uur waren allen vergaderd op het Park, waar zij zouden
ontbijten. Het weer liet zich vrij goed aanzien, schoon het den
geheelen nacht had geregend; want de wolken dreven uiteen, en meermalen
vertoonde zich even de zon. Allen waren vroolijk en opgewekt, blij in
't vooruitzicht van een prettigen dag, en vast voornemens hun pleizier
niet te laten bederven door een weinig ongemak of tegenspoed. Aan het
ontbijt werden de brieven binnengebracht. Een ervan was voor Kolonel
Brandon;--hij nam den brief aan, keek naar het adres, verschoot van
kleur, en ging meteen de kamer uit.

"Wat scheelt Brandon?" vroeg Sir John.

Niemand kon het hem zeggen.

"Ik hoop dat hij geen slechte tijding heeft gekregen," zei Lady
Middleton. "Het moet wel iets bijzonders zijn, dat Kolonel Brandon
zoo plotseling van mijn ontbijttafel doet opstaan."

Na een minuut of vijf kwam hij terug.

"Toch geen slecht nieuws, Kolonel?" vroeg Mevrouw Jennings, toen
hij binnentrad.

"O neen, mevrouw; in 't geheel niet."

"Kwam de brief uit Avignon? Ik hoop toch, dat uwe zuster niet erger
is geworden?"

"Neen, mevrouw. De brief kwam uit Londen, 't was over zaken; anders
niet."

"Maar hoe kon het handschrift u zoo van streek brengen, als het niets
dan een brief over zaken was? Neen, neen, Kolonel, zoo komt u er niet
af; vertel ons nu maar de waarheid."

"Maar moeder," zei Lady Middleton; "bedenk toch wat u zegt."

"Misschien hebt u bericht gekregen, dat uw nichtje Fanny getrouwd
is?" zei Mevrouw Jennings, zonder acht te slaan op haar dochters
vermaning.

"Neen, dat was het ook niet."

"Nu, dàn weet ik, van wie de brief was. En ik hoop dat zij het
goed maakt."

"Wie bedoelt u, mevrouw?" zei hij, met ietwat verhoogde kleur.

"O, u weet best wie ik bedoel."

"Het spijt mij wel zéér, mevrouw," hernam hij, zich tot Lady Middleton
wendend, "dat ik juist vandaag dien brief moest ontvangen; want
hij handelt over zaken, die mijn onmiddellijk vertrek naar Londen
noodzakelijk maken."

"Naar Londen!" riep Mevrouw Jennings. ""Wat kunt u om dezen tijd van
het jaar in de stad hebben te doen?

"Ik zelf verlies veel erdoor," ging hij voort, "daar ik van zulk
aangenaam gezelschap moet afscheid nemen, doch het spijt mij te meer,
omdat ik vrees, u zonder mijne tegenwoordigheid geen toegang tot
Whitwell te kunnen verschaffen."

Dat was een slag voor hen allen!

"Maar als u een briefje aan de huishoudster schreef, Mijnheer Brandon,"
zei Marianne haastig; "zou dat niet voldoende zijn?"

Hij schudde het hoofd.

"We gaan toch," zei Sir John. "Het mag niet afspringen, nu we er bijna
zijn nog wel. Er zit niet anders op, Brandon, dan dat je morgen naar
de stad gaat."

"Ik wenschte wel dat het zoo gemakkelijk geschikt kon worden. Maar
ik kan mijn reis waarlijk geen dag uitstellen."

"Als u ons maar wilde vertellen, wat die zaak eigenlijk _is_,"
zei Mevrouw Jennings; "dan konden wij er over oordeelen, of het kon
uitgesteld worden of niet."

"Het zou geen zes uren verschil maken," zei Willoughby, "als u de
reis uitstelde tot we terug waren."

"Ik mag geen _uur_ verliezen."

Elinor hoorde, hoe Willoughby zachtjes tegen Marianne zei: "Er zijn
van die menschen die een hekel hebben aan buitenpartijen. Brandon
behoort er ook toe. Hij was zeker bang om kou te vatten, en bedacht
er deze uitvlucht op, om eraf te komen. Ik durf er vijftig guinea's
op verwedden, dat hij dien brief zelf geschreven heeft."

"Natuurlijk," antwoordde Marianne.

"Men kan je niet overhalen om van meening te veranderen, Brandon; dat
weet ik van ouds," zei Sir John; "als je eenmaal een voornemen hebt
opgevat. Maar ik blijf nog hopen, dat je je zult bedenken. Vergeet
niet, dat de beide dames Carey ervoor van Newton zijn gekomen, dat
de drie dames Dashwood ervoor van huis zijn komen wandelen, en dat
Mijnheer Willoughby twee uur vroeger dan gewoonlijk is opgestaan,
alles om dat uitstapje naar Whitwell."

Kolonel Brandon betuigde opnieuw zijn spijt, dat hij het gezelschap
moest teleurstellen, maar verklaarde tevens, dat dit onvermijdelijk
was.

"Nu, wanneer kom je dan terug?"

"Ik hoop dat we u hier weer te Barton zullen mogen verwelkomen," voegde
Lady Middleton erbij, "zoodra u weer uit Londen kunt vertrekken;
we moeten het uitstapje naar Whitwell dan maar uitstellen tot uw
terugkomst."

"Dat is heel vriendelijk van u. Maar het is zóó onzeker, wanneer
het mij mogelijk zal zijn terug te keeren, dat ik daaromtrent geen
afspraak durf maken."

"O, maar terugkomen moet en zàl hij," riep Sir John. "Als hij aan
't eind van de week niet weer hier is, ga ik hem halen."

"Ja, doe dat," zei Mevrouw Jennings; "dan kom je misschien erachter,
wat die zaak toch zijn mag."

"Neen, ik begeer mijn neus niet in andermans-zaken te steken; 't zal
wel iets zijn, waarvoor hij zich schaamt."

Een bediende kwam zeggen, dat de paarden van den Kolonel gereed waren.

"Je gaat toch niet te paard naar de stad?" vroeg Sir John.

"Neen,--niet verder dan tot Honiton. En dan met de postkoets."

"Nu, als je besloten bent te gaan, goede reis dan. Maar ik zou mij
liever nog eens bedenken."

"Ik verzeker je, dat het mij niet mogelijk is."

Hij nam afscheid van het geheele gezelschap.

"Is er geen kans, dat ik u en uw zusters dezen winter in de stad zal
ontmoeten, Juffrouw Dashwood?"

"Ik vrees van niet."

"Dan moet ik afscheid van u nemen voor langer dan mij lief is."

Voor Marianne boog hij alleen, zonder iets te zeggen.

"Kom, Kolonel," zei Mevrouw Jennings, "laat ons nu nog eer u heengaat,
hooren wat er achter zit."

Hij zei haar beleefd goedendag en ging, vergezeld door Sir John de
kamer uit.

De klachten en verzuchtingen, die de hoffelijkheid tot nu toe had
weerhouden, barstten van alle zijden los, en zij waren het steeds
weer op nieuw met elkaar eens, dat het afschuwelijk ergerlijk was,
zoo te worden teleurgesteld.

"Nu met dat al, ik kan 't je wel vertellen, wat dat voor zaken zijn",
zei Mevrouw Jennings zegevierend.

"Weet u het, mevrouw?" zeiden bijna allen tegelijk.

"Ja, 't is natuurlijk iets met Juffrouw Williams."

"En wie is Juffrouw Williams?" vroeg Marianne.

"Wat? Weet je niet wie Juffrouw Williams is? Je hebt toch stellig al
van haar gehoord? Zij is een bloedverwante van den Kolonel, lieve kind,
heel na verwant. We zullen maar niet zeggen, hoe na, om den jongen
dames geen aanstoot te geven." Iets zachter zei ze tegen Elinor:
"Ze is zijn natuurlijke dochter."

"Is het waar?"

"O ja; en ze lijkt sprekend op hem. Ik wed dat de Kolonel haar al
zijn geld nalaat."

Toen Sir John terugkwam, stemde hij van harte in met aller uitingen
van spijt over het gebeurde; maar besloot met te zeggen, dat zij nu
eenmaal allen bijeen waren, en iets moesten doen om de vroolijkheid
erin te houden; en na eenig overleg werd men het eens, al mocht de ware
vroolijkheid dan ook alleen in Whitwell te vinden zijn geweest, een
rijtoer in de omstreken hun althans een behoorlijke mate van voldoening
zou verschaffen. De rijtuigen kwamen voor; dat van Willoughby was het
eerste, en Marianne had er nog nooit zoo gelukkig uitgezien, als toen
zij instapte. Hij reed snel het park door; ze waren spoedig uit het
gezicht, en niemand kreeg hen meer te zien tot ze weer kwamen opdagen,
niet eer alle anderen reeds weer waren teruggekeerd. Ze waren beiden
verrukt over hun rit; maar zeiden alleen dat zij zich aan de boschpaden
hadden gehouden, terwijl de anderen de heuvels waren opgegaan.

Er was afgesproken, dat 's avonds zou worden gedanst, en dat ieder zoo
vroolijk zou zijn als de dag lang was. Aan het diner kwamen nog eenige
Carey's, en zij hadden het genoegen met zijn twintigen aan tafel te
zitten, 't geen Sir John veel voldoening schonk. Willoughby nam als
gewoonlijk plaats tusschen de beide oudste dames Dashwood. Mevrouw
Jennings zat aan Elinor's rechterhand, en zij hadden nog niet lang aan
tafel gezeten toen zij, zich achter haar en Willoughby naar Marianne
overbuigend, zeide, luid genoeg dat beiden het konden hooren: "Al ben
je nòg zoo loos, ik heb je gesnapt. Ik weet, waar je van morgen geweest
bent." Marianne kreeg een kleur en zei haastig: "Waar dan?" "Wist u
niet," zei Willoughby, "dat we een toertje hadden gedaan samen?"

"Ja, ja, mijnheer Durf-al, dat wist ik heel goed, en ik had het erop
gezet, uit te vinden, wáárheen dat toertje geweest was. Ik hoop dat
je huis naar je zin was, Marianne. 't Is verbazend groot, en als ik
je daar kom bezoeken, dan denk ik wel, dat je 't nieuw zult hebben
gemeubileerd; want dat had het al noodig toen ik het zag, zes jaar
geleden."

Marianne keek voor zich, verward en verlegen.

Mevrouw Jennings lachte hartelijk, en Elinor hoorde nu, dat zij, vast
besloten erachter te komen waar zij geweest waren, Willoughby's knecht
had laten uitvragen door haar eigen kamenier, en langs dien weg was
gewaar geworden, dat zij naar Allenham waren geweest, daar geruimen
tijd hadden gewandeld in den tuin, en het geheele huis bezichtigd.

Elinor kon bijna niet gelooven, dat dit waar kon zijn, want het leek
al zeer onwaarschijnlijk, dat Willoughby zou voorstellen, of Marianne
erin toestemmen, het huis binnen te gaan, terwijl Mevrouw Smith er
vertoefde, die Marianne volkomen vreemd was.

Zoodra zij de eetkamer verlieten, vroeg Elinor haar zuster wat ervan
aan was, en vernam tot haar groote verbazing, dat al wat Mevrouw
Jennings had verteld de zuivere waarheid was geweest. Marianne was
zelfs heel boos, dat zij eraan getwijfeld had.

"Waarom toch zou je denken, Elinor, dat we _niet_ daarheen waren
gegaan, of _niet_ het huis hadden bekeken? Heb je dan niet dikwijls
zelf gewenscht, dat te kunnen doen?"

"Ja Marianne, maar niet wanneer Mevrouw Smith thuis was, en zonder
ander gezelschap dan Mijnheer Willoughby."

"Mijnheer Willoughby is nu eenmaal de eenige persoon, die het recht
heeft, om dat huis te laten zien, en daar er in zijn rijtuig maar
plaats was voor twee konden wij onmogelijk anderen meenemen. 't Was
de prettigste dag, dien ik in mijn leven heb doorgebracht."

"Ik vrees," zei Elinor, "dat genoegen en gepastheid niet altijd
onvermijdelijk samengaan."

"Integendeel, juist dat genoegen bewijst zijn eigen onschuld; als er
werkelijk iets ongepasts was in wat ik deed, dan zou ik dat voortdurend
gevoeld hebben; want we weten het altijd als we iets verkeerds doen,
en met dàt besef kon ik geen pleizier hebben gehad."

"Maar, Marianne, begin je ook nu nog niet te twijfelen, of je gedrag
wel was zooals het behoorde, nu het je reeds zulke uiterst onbescheiden
opmerkingen heeft op den hals gehaald?"

"Als Mevrouw Jennings' onbescheiden opmerkingen tot bewijs moeten
dienen van onbehoorlijk gedrag, dan doen wij allen ons heele leven lang
niet anders dan overtredingen begaan in dat opzicht. Ik geef evenmin
om haar afkeuring, als ik zou hechten aan haar lof. Ik zie niet in,
dat ik iets verkeerds heb gedaan, door in den tuin van Mevrouw Smith
te wandelen, of haar huis te bezien. Beiden zullen eenmaal toebehooren
aan Mijnheer Willoughby, en..."

"Al zouden ze eenmaal aan jezelf toebehooren, Marianne, dan hadt je
nog geen recht, te doen wat je deedt."

Zij bloosde bij die toespeling, doch het was duidelijk te zien, dat
deze haar wel behaagde; en na een minuut of tien ernstig te hebben
nagedacht, kwam ze bij haar zuster terug, en zei vriendelijk en
vroolijk: "Misschien _was_ het wel een beetje ondoordacht van mij,
Elinor, om mee naar Allenham te gaan; maar Mijnheer Willoughby was
er zoo bijzonder op gesteld, mij het buitengoed te vertoonen; en
het huis is bijzonder mooi. Boven is er een allerliefste zitkamer,
juist de goede grootte, voor dagelijksch gebruik, en met nieuwe
meubels zou die verrukkelijk kunnen worden. Het is een hoek-vertrek,
met ramen aan twee zijden. Aan den eenen kant heeft men het uitzicht
over het grasveld achter het huis, op een prachtig bosch, tegen een
helling gelegen, en aan den anderen op de kerk en het dorp, met die
mooie, streng omlijnde heuvels er achter, die we zoo dikwijls hebben
bewonderd. Ik zag het niet eens op zijn best; want de meubels waren
allertreurigst,--maar als het nieuw werd ingericht... Willoughby zegt,
dat het met een uitgaaf van een paar honderd pond een van de mooiste
zomerverblijven in Engeland zou kunnen worden."

Als Elinor naar haar had kunnen luisteren, zonder door de anderen
gestoord te worden, dan zou ze alle kamers van het huis met evenveel
genoegen hebben beschreven.






HOOFDSTUK XIV


De onverwachte afloop van Kolonel Brandon's bezoek te Barton Park,
en zijn volharding in het verbergen van de oorzaak ervan hielden
Mevrouw Jennings twee of drie dagen bezig, en vervulden haar met
nieuwsgierige verbazing; zij verbaasde zich trouwens druk, zooals
ieder wel moet doen, die levendig belangstelt in al het doen en laten
van zijn kennissen. Zij bleef zich maar voortdurend afvragen, wat toch
wel de reden had kunnen zijn; geloofde stellig dat hij slechte tijding
had gekregen, en peinsde over allerlei rampen, die hem hadden kunnen
treffen, met het vaste besluit, dat hij niet allen ontsnappen zou.

"'t Is bepaald iets héél treurigs," zei ze. "Ik zag 't aan zijn
gezicht. Die arme man! Ik vrees dat het met zijn geldzaken niet in orde
is. Dat landgoed te Delaford heette niet meer dan tweeduizend in het
jaar op te brengen, en zijn broer liet het in een treurigen toestand
achter. Hij zal bepaald hebben moeten overkomen voor geldzaken; want
wat kan 't anders zijn? Ik ben benieuwd of 't waar is. Ik zou er
alles voor over hebben om erachter te komen. Misschien is het tòch
iets met Juffrouw Williams,--ja, dat zal het bepaald geweest zijn,
want hij keek zoo verlegen, toen ik haar naam noemde. Misschien ligt
ze ziek in Londen; dat is héél waarschijnlijk, want ik meen gehoord te
hebben, dat ze zwak van gestel is. Ik durf er alles om verwedden, dat
het Juffrouw Williams betrof. 't Is niet te verwachten eigenlijk, dat
hij _nu_ in geldverlegenheid zou zijn; want hij is heel voorzichtig,
en dat goed van hem zal nu wel vrij zijn van schulden. Wàt het toch
zijn kan! Misschien is zijn zuster te Avignon erger geworden en heeft
hem gevraagd om over te komen. Men zou het haast denken, door die haast
die hij maakte om weg te komen. Nu, ik hoop van harte, dat hij al dat
verdriet gauw te boven komt en een goede vrouw krijgt op den koop toe."

Zoo bleef Mevrouw Jennings praten en benieuwd zijn; haar vermoedens
wisselden met elke nieuwe gissing, en alle schenen beurtelings
even waarschijnlijk. Hoewel het welzijn van Kolonel Brandon Elinor
werkelijk ter harte ging, kon zij zich niet zóó uitermate verbazen
over zijn plotseling vertrek, als Mevrouw Jennings van haar verlangde;
want behalve dat die omstandigheid haar niet gewichtig genoeg scheen,
om zulk een onuitputtelijke verwondering en zulk een verscheidenheid
van gissingen te rechtvaardigen, haar eigen bevreemding werd door iets
anders gewekt. Die bevreemding gold het onverklaarbaar stilzwijgen van
haar zuster en Willoughby omtrent een onderwerp, welks belangrijkheid
in aller oogen hun niet kon ontgaan. Naarmate dit zwijgen duurde,
scheen het van dag tot dag vreemder en minder in overeenstemming
met beider gezindheid. Waarom zij niet openlijk zouden erkennen,
tegenover haar moeder en haarzelve, wat hun houding tegenover
elkander voortdurend bewees, kon Elinor zich niet voorstellen. Dat
zij niet onmiddellijk konden trouwen, begreep zij zeer goed; want
hoewel Willoughby onafhankelijk was, bestond er toch geen reden om
hem zeer vermogend te achten. Sir John schatte de opbrengst van zijn
bezitting op zes of zevenhonderd pond in het jaar; maar hij leefde
op een voet, waarvoor dat inkomen nauwelijks toereikend kon zijn,
en had zich dikwijls zelf beklaagd over zijn armoede. Doch voor
de vreemde geheimzinnigheid, die zij in acht namen betreffende hun
verloving, een geheimzinnig doen, dat feitelijk niets verborg, kon
zij geen reden vinden; en het was zoo volkomen in tegenspraak met hun
algemeene opvatting en handelwijze, dat zij soms begon te twijfelen
of zij wel werkelijk verloofd waren; en die twijfel was voldoende
om haar te weerhouden van een rechtstreeksche vraag, tot Marianne
gericht. Niets kon duidelijker blijk geven van oprechte genegenheid
voor hen allen dan Willoughby's gedrag. Tegenover Marianne was het
vol van die uitsluitende teederheid, die het hart van een minnaar
vermag te schenken, en de overige leden van het gezin werden door
hem behandeld met de hartelijke voorkomendheid van een zoon en een
broeder. Hun huisje scheen hij te beschouwen en lief te hebben als
een eigen thuis; hij bracht bij hen veel meer van zijn tijd door dan
te Allenham; en als geen gezellige bijeenkomst hen allen vergaderde
te Barton Park, dan richtte hij zijn geregelden morgenrit bijna zonder
uitzondering dáárheen, waar hij het overige gedeelte van den dag sleet
aan Marianne's zijde, met zijn geliefkoosden jachthond aan hare voeten.

Op een zekeren avond, ongeveer een week nadat Kolonel Brandon naar
Londen was vertrokken, scheen zijn hart meer dan ooit open te staan
voor alle gevoelens, die hem innig deden hechten aan de omringende
omgeving, en toen Mevrouw Dashwood toevallig melding maakte van haar
voornemen om het huisje in het voorjaar te laten opknappen, verzette
hij zich met nadruk tegen elke verandering van een verblijf, dat zijn
genegenheid hem eens voor al volmaakt had doen schijnen.

"Wat!" riep hij uit, "verbeteringen aanbrengen in dit aardige
huisje? Neen--daartoe geef _ik_ nooit mijn toestemming. Geen steen
moet aan zijn muren, geen duim aan zijn afmetingen worden toegevoegd,
als u mijn gevoelens wenscht te ontzien."

"Wees maar niet bang," zei Elinor; "er gebeurt niets van; want mama
zal nooit geld genoeg hebben om het te durven ondernemen."

"Daar ben ik blij om," riep hij uit. "'t Was beter dat uw moeder altoos
arm bleef, als zij haar rijkdom niet beter dan zóó wist te gebruiken."

"Dank voor dien wensch, Willoughby," zei Mevrouw Dashwood. "Maar
je moogt gerust gelooven, dat ik nooit eenig gevoel van gehechtheid
aan deze plek, gekoesterd door wien ook, dien ik liefheb, zou willen
kwetsen, terwille van alle verbeteringen ter wereld. Vertrouw maar
stellig, dat ik, al hield ik ook nog zulk een groote som over bij
't opmaken van mijn budget in het voorjaar, die liever ongebruikt
zou laten liggen, dan erover te beschikken op een wijze, die je zoo
zou grieven. Maar ben je werkelijk zóó aan dit huis gehecht, dat je
er geen gebreken in kunt zien?"

"Ja waarlijk," zei hij. "In mijn oogen is het volmaakt. Méér dan
dat; ik beschouw het als het eenig verblijf, waarin voor mij geluk
denkbaar is, en als ik rijk was, dan liet ik dadelijk Combe afbreken,
en opnieuw bouwen als de getrouwe kopie van dit landhuisje."

"Met een smalle donkere trap en een rookenden keukenschoorsteen,"
zei Elinor.

"Ja zeker," riep hij, even opgewonden als te voren, "met al wat er
bij behoort; in geen enkel opzicht, 't zij gunstig of _on_gunstig,
moest ook maar de geringste afwijking zijn te bespeuren. Dan, en dàn
alleen, onder zulk een dak, zou ik misschien te Combe even gelukkig
zijn, als ik te Barton geweest ben."

"Ik durf wel hopen," antwoordde Elinor, "dat je, ook ondanks het
bezwaar van ruimere kamers en een breedere trap, later je eigen huis
even onverbeterlijk zult gaan vinden, als thans het onze."

"Zeer zeker zijn er omstandigheden," zeide Willoughby, "waaronder
het mij zeer dierbaar zou kunnen worden, doch dit huis zal altoos
één recht op mijne genegenheid kunnen doen gelden, waarin geen ander
verblijf ooit deelen kan."

Mevrouw Dashwood wierp een verheugden blik naar Marianne, wier mooie
oogen Willoughby aanzagen met een uitdrukking, die duidelijk te kennen
gaf, hoe goed zij hem begreep.

"Hoe menigmaal wenschte ik," ging hij voort, "toen ik, nu een jaar
geleden, te Allenham logeerde, dat Barton Cottage toch bewoond mocht
worden! Ik kwam er nooit voorbij, zonder de ligging te bewonderen,
en spijt te gevoelen, dat niemand daarvan genoot. Hoe weinig dacht
ik toen, dat het eerste, wat Mevrouw Smith mij zou mededeelen, toen
ik weer in deze streek terugkwam, het nieuws zou zijn, dat Barton
Cottage was verhuurd! en ik voelde dadelijk een zekere voldoening en
belangstelling bij dat bericht, die ik slechts kan toeschrijven aan
een soort voorgevoel van het geluk, dat mij ten deel zou vallen door
die gebeurtenis. Zou dat niet de reden geweest zijn, Marianne?" liet
hij er, zachter tot haar sprekend, op volgen. Daarop ging hij luider
voort: "En _dit_ huis zoudt u willen bederven, Mevrouw? U zoudt het
zijn eenvoud willen ontnemen door een denkbeeldige verfraaiing? en
deze dierbare huiskamer, waarin onze kennismaking begon, en waarin wij
zoovele gelukkige uren tezamen hebben doorgebracht, zoudt u willen
vernederen tot den staat van een gewonen toegang, zoodat iedere
binnentredende zich haasten zou, het vertrek te verlaten, dat tot nu
toe meer ware gezelligheid en behagen in zich omsloten hield, dan enige
zaal van indrukwekkende afmetingen ons ooit zou kunnen aanbieden?"

Mevrouw Dashwood verzekerde hem opnieuw dat geenerlei verandering
van dien aard zou worden ondernomen.

"Dat is lief van u," antwoordde hij met warmte. "Uwe belofte stelt
mij gerust. Strek uwe goedheid nog een weinig verder uit, en u zult
mij gelukkig maken. Beloof mij, dat niet alleen uw huis zal blijven
zooals het is; maar dat ik u en de uwen even onveranderd zal blijven
vinden als uwe woning, en dat u mij steeds zult beschouwen met die
vriendelijke gezindheid, die u en uwe geheele omgeving mij zoo dierbaar
worden deed."

Die belofte werd gaarne gegeven, en Willoughby's stemming gedurende
den geheelen avond legde getuigenis af van zijn genegenheid en zijn
geluk. "Zullen we je morgenmiddag aan tafel zien?" vroeg Mevrouw
Dashwood bij het afscheid. "Ik reken niet op een morgenbezoek; want
wij moeten naar Barton Park wandelen, om een visite te maken bij
Lady Middleton."

Hij beloofde om vier uur bij hen te zullen zijn.






HOOFDSTUK XV


Het bezoek van Mevrouw Dashwood bij Lady Middleton had den volgenden
dag plaats, en twee van hare dochters vergezelden haar; doch Marianne
wilde liever niet medegaan, en verontschuldigde zich op grond van
een onbeduidend voorwendsel. Haar moeder, die hier uit opmaakte, dat
Willoughby den avond te voren beloofd had, haar te zullen opzoeken
gedurende hunne afwezigheid, had er niets op tegen, dat zij tehuis
bleef.

Bij hun terugkomst van Barton Park zagen zij Willoughby's rijtuig en
zijn bediende vóór het huis staan wachten, en Mevrouw Dashwood begreep,
dat haar vermoeden bewaarheid was. Tot dusver ging alles, zooals zij
verwacht had; maar toen zij het huis binnentrad, aanschouwde zij, wat
geen vooruitziende schranderheid haar had kunnen doen voorzien. Juist
toen zij de voordeur ingingen, zagen zij Marianne haastig uit de
huiskamer komen, blijkbaar bitter bedroefd, met haar zakdoek voor
de oogen, en zonder op hen te letten, de trap oploopen. Verwonderd
en verschrikt gingen zij aanstonds de kamer binnen, die zij pas
verlaten had, en vonden er niemand dan Willoughby, die tegen den
schoorsteenmantel geleund stond, met den rug naar hen toegekeerd. Hij
wendde zich om, toen zij binnenkwamen, en zijn gelaat vertoonde ten
duidelijkste de sporen eener even heftige aandoening, als die, welke
Marianne had overmeesterd.

"Scheelt haar iets?" riep Mevrouw Dashwood reeds op den drempel;
"is zij niet wel?"

"Ik hoop het niet," antwoordde hij, met een poging om vroolijk te
kijken, en na een oogenblik liet hij er met een gedwongen glimlach
op volgen: "Het zou zoo vreemd niet zijn, wanneer ikzelf mij onwel
gevoelde; want ik ga op het oogenblik gebukt onder een grievende
teleurstelling!"

"Teleurstelling!"

"Ja; want het is mij niet mogelijk, mij te houden aan onze
afspraak. Mevrouw Smith heeft van morgen het overwicht van haar rijkdom
doen gelden tegenover een armen afhankelijken bloedverwant door mij
voor zaken naar Londen te zenden. Ik heb zooeven mijn opdrachten
in ontvangst genomen, en Allenham vaarwel gezegd; en bij wijze van
vertroosting ben ik nu komen afscheid nemen van u."

"Naar Londen!--en ga je vandaag nog?"

"'t Is bijna reeds mijn tijd."

"Dat treft wel ongelukkig. Maar je moet doen, wat Mevrouw Smith
verlangt;--en haar opdracht zal je toch, hoop ik, niet lang van ons
verwijderd houden."

Hij kreeg een kleur, terwijl hij antwoordde: "U bent wel vriendelijk,
maar het is niet mijn bedoeling, zoo spoedig terug te keeren naar
Devonshire. Mijn bezoeken bij Mevrouw Smith worden nooit herhaald
binnen het jaar."

"En is Mevrouw Smith dan je eenige vriendin? Is Allenham het
eenige huis hier in de buurt, waar je welkom zoudt zijn? Foei,
Willoughby. Acht je je verplicht een uitnoodiging van mijne zijde af
te wachten?"

Hij bloosde nog dieper, en zei alleen met neergeslagen oogen:
"U bent waarlijk te goed."

Mevrouw Dashwood zag Elinor verbaasd aan. Elinor was niet minder
verwonderd. Een korte poos bewaarden allen het stilzwijgen. Mevrouw
Dashwood was de eerste, die sprak.

"Ik kan alleen herhalen, mijn waarde Willoughby," zeide zij, "dat ge
altijd welkom zult zijn in Barton Cottage; want ik wil niet aandringen
op uw spoedige terugkomst hier; daar ge zelf alleen kunt beoordeelen,
in hoeverre die Mevrouw Smith aangenaam zou zijn; en op dat punt
ben ik evenmin geneigd uw oordeel te wantrouwen, als ik gezind ben
twijfel te koesteren omtrent uw eigen wenschen."

"Voorloopig," antwoordde Willoughby verward, "zijn mijn verplichtingen
van dien aard... dat... ik durf niet hopen..."

Hij zweeg. Mevrouw Dashwood kon van verbazing geen woorden vinden,
en weer volgde er stilte. Willoughby verbrak het zwijgen door met een
flauwen glimlach te zeggen: "'t Is dwaasheid, nog langer zoo te blijven
dralen. Ik wil mijzelf niet verder kwellen, door een samenzijn met
vrienden, in wier gezelschap ik thans onmogelijk behagen scheppen kan."

Hij nam haastig van hen allen afscheid en verliet het vertrek. Zij
zagen hem in zijn rijtuig stappen en een oogenblik later verdween
het uit hun gezicht. Mevrouw Dashwood was te bewogen om haar gevoel
in woorden te uiten, en ging de kamer uit, om in eenzaamheid zich
over te geven aan de gevoelens van droefheid en zorg, veroorzaakt
door dit plotseling vertrek.

Elinor was niet minder ongerust dan haar moeder. Het daareven gebeurde
vervulde haar met angst en wantrouwen. Willoughby's houding bij het
afscheid, zijn verwarring en zijn voorgewende vroolijkheid maar vooral
zijn blijkbare ongeneigdheid om haar moeders uitnoodiging aan te nemen,
een terughouding, zóó vreemd in een minnaar,--in iemand als hij, dat
alles wekte in de hoogste mate haar bezorgdheid. Het eene oogenblik
vreesde zij, dat van zijn kant nooit eenig ernstig plan had bestaan;
en dan weer dacht zij, dat tusschen hem en haar zuster misschien
iets onaangenaams was voorgevallen; Marianne's droefheid, toen zij
uit de kamer kwam, had zéér goed het gevolg van een heftigen twist
kunnen zijn; en toch wanneer zij bedacht, hoe Marianne hem liefhad,
scheen twist tusschen hen haar bijna iets onmogelijks.

Doch onder welke omstandigheden dan ook hunne scheiding mocht hebben
plaats gehad; aan de diepe droefheid van haar zuster viel niet te
twijfelen, en zij dacht met innig medelijden aan de heftige smart,
waarin Marianne zeer waarschijnlijk thans niet slechts verlichting
zocht en vond, doch die zij het haar plicht zou achten aan te wakkeren
en te verlevendigen.

Na een half uurtje kwam haar moeder terug, en hoewel haar oogen
beschreid waren, keek zij toch niet bedrukt.

"Nu is onze beste Willoughby al een paar mijlen ver van Barton,
Elinor," zei ze, terwijl zij haar werk opnam en ging zitten; "en met
welk een bezwaard gemoed is hij op reis gegaan!"

"'t Is alles even vreemd. Zoo plotseling vertrokken! Het schijnt wel
het werk van één oogenblik. Wat was hij gisteravond nog gelukkig in
ons bijzijn, en zoo hartelijk, zoo vroolijk!--En nu, na slechts tien
minuten voorbereiding, is hij weg--niet voornemens terug te keeren? Er
moet meer zijn voorgevallen dan hij ons heeft willen bekennen. Hij
sprak niet als anders; hij was zichzelf niet. _U_ moet dat verschil
even goed hebben opgemerkt als ik. Wat kan het zijn? Een twist tusschen
hen beiden? Waarom zou hij anders zoo ongeneigd zijn gebleken om uwe
uitnoodiging aan te nemen?"

"'t Was niet, omdat hij het niet wenschte, Elinor! Dàt zag ik duidelijk
genoeg. Het stond niet in zijn macht. Ik heb over alles goed nagedacht,
dat verzeker ik je, en ik begrijp nu volkomen alles, wat mij eerst
even vreemd scheen als jou."

"Werkelijk, mama?"

"Ja. _Ik_ voor mij ben tot een heel bevredigende slotsom gekomen;--maar
jij, Elinor, die bij voorkeur twijfelt, als je daar kans toe
ziet... _jou_ zal die niet voldoen, dat weet ik wel; al zal je _mijn_
vertrouwen erin niet kunnen wegpraten. Ik ben vast overtuigd, dat
Mevrouw Smith zijn genegenheid voor Marianne vermoedt; dat zij die
afkeurt--misschien omdat zij andere plannen met hem heeft en daarom
erop gesteld is, hem uit den weg te krijgen; die zaak, die hij
voor haar moet regelen en waarvoor ze hem wegzendt, is natuurlijk
maar een voorwendsel, dat zij bedacht heeft. Zoo stel ik mij het
gebeurde voor. Daarbij komt dit: hij _weet_, dat zij die verbintenis
niet goedkeurt; hij durft haar dus op het oogenblik niet bekennen,
dat hij met Marianne is verloofd, en in zijn afhankelijke positie,
voelt hij zich verplicht, op haar plannen in te gaan, en Devonshire
voor eenigen tijd te verlaten. Ik weet het wel, je zult zeggen:
dat alles kàn, en kan óók _niet_ gebeurd zijn; maar ik luister naar
géén tegenwerping eer je mij een andere manier aan de hand doet, om
de zaak zóó gunstig uit te leggen. En wat heb je daar nu op te zeggen?"

"Niets, mama; want u hebt mijn antwoord reeds vooraf verwacht en
uitgesproken."

"Dus je zoudt gezegd hebben: het kan evengoed _niet_ als wèl zoo zijn
geweest. O Elinor, wat zijn je gevoelens toch onbegrijpelijk! Je
zoudt liever kwaad gelooven dan goed. Je zoudt liever _zoeken_
naar verdriet voor Marianne, en schuld van dien armen Willoughby,
dan naar verontschuldiging voor zijn gedrag. Je _verkiest_ hem nu
eenmaal schuldig te achten omdat hij bij het afscheid van ons niet
zoo hartelijk scheen als gewoonlijk. En is er dan geen verschooning te
vinden in een zekere verstrooidheid en neerslachtigheid, veroorzaakt
door de pas ondervonden teleurstelling? Zal geen enkele mogelijkheid
overwogen mogen worden, enkel en alleen omdat zij geen zekerheid
is? Zijn wij niets verplicht aan den man, dien wij om zoo goede
reden liefhebben, en die ons niet de geringste aanleiding gaf tot
verdenking? Mag dan de mogelijkheid niet worden aangenomen van
beweegredenen, volkomen gegrond op zich zelf, doch die voorloopig
onvermijdelijk verborgen moeten blijven? En, wat is het, per slot
van rekening, waarvan je hem verdenkt?"

"Dat kan ik u eigenlijk zelf niet zeggen. Maar het vermoeden van
iets onaangenaams is 't onvermijdelijk gevolg van een verandering,
zooals wij die daareven in hem hebben waargenomen. Er is echter
veel waars in wat u zegt omtrent de overwegingen te zijnen gunste,
die wij moeten laten gelden, en ik wensch werkelijk eerlijk te zijn
in mijn oordeel over iedereen. Willoughby kàn ongetwijfeld zeer
voldoende redenen hebben voor zijn gedrag, en ik hoop, dat dit het
geval is. Maar het zou toch meer iets voor hem zijn geweest, die
openlijk te erkennen. Geheimzinnigheid mag raadzaam zijn; maar ik
kan niet nalaten mij te verwonderen, dat juist hij die betracht."

"Je moogt hem geen verwijt maken van ontrouw aan zichzelf, waar die
afwijking noodzakelijk is. Maar je geeft dus werkelijk toe, dat ik
gelijk had, in wat ik tot zijn verdediging aanvoerde?--daar ben ik
blij om--dan gaat hij vrij uit."

Niet geheel en al. Het kan raadzaam zijn, hun verloving--(àls ze
verloofd zijn,)--geheim te houden voor Mevrouw Smith,--en als dat
het geval is, dan is het natuurlijk zéér noodig, dat Willoughby thans
slechts zelden in Devonshire gezien wordt. Maar dit is nog geen reden
om die verloving te verbergen voor òns."

"Verbergen voor òns? maar lieve kind, beschuldig je Willoughby
en Marianne van achterhoudendheid op dat punt? Dàt is wel vreemd,
terwijl je blikken hun dag aan dag een verwijt maakten van hun gebrek
aan voorzichtigheid."

"Van hun genegenheid heb ik geen bewijs meer noodig," zei Elinor,
"maar van hun verloofd zijn wèl."

"Ik ben omtrent beide punten volkomen gerust."

"En toch is er door geen van hen beiden één woord tegenover u gerept
van dat onderwerp."

"Ik had geen woorden noodig; hun daden spraken voor mij duidelijk
genoeg. Bewees niet zijn houding jegens Marianne en ons allen,
in de laatste weken, dat hij haar liefhad en als zijn aanstaande
vrouw beschouwde, en dat hij ons de genegenheid toedroeg die men
koestert voor zijn naaste verwanten? Hebben wij elkaar niet volkomen
begrepen? Vroeg hij niet dagelijks mijne toestemming, door zijn blik,
zijn houding, zijn oplettende en eerbiedige voorkomendheid? Mijn beste
Elinor, is het mogelijk dat je hun verloving in twijfel trekt? Hoe
kon die gedachte bij je opkomen? Hoe kan je veronderstellen, dat
Willoughby, overtuigd als hij moet zijn van je zuster's liefde,
haar zou verlaten, voor maanden achtereen misschien, zonder haar zijn
gevoel te openbaren;--dat ze zouden scheiden zonder elkaar wederzijdsch
vertrouwen te hebben geschonken?"

"Ik geef toe," antwoordde Elinor, "dat alle omstandigheden, op één na,
spreken ten gunste van hun verloving; maar die ééne is het volslagen
stilzwijgen, door beiden daaromtrent bewaard, en voor mij weegt die
eene tegen bijna alle andere op."

"Wat is dat vreemd. Je moet wel slecht over Willoughby denken, wanneer
je, na al wat tusschen hen is voorgevallen, nog kunt twijfelen aan
den aard van hun onderlinge verhouding. Dus hij sou al dien tijd
tegenover je zuster een rol hebben gespeeld? Denk je dat hij in zijn
hart onverschillig haar is?"

"Neen, dat kàn ik niet denken. Hij moet haar liefhebben, en dat doet
hij; daaraan twijfel ik niet".

"Een vreemd soort van teederheid is dat dan toch, die hem toestaat
haar te verlaten, zoo onverschillig, zoo onbezorgd omtrent de toekomst,
als je denkt, dat hij doet."

"U moet niet vergeten, mama, dat ik de zaak nooit als zeker
beschouwde. Ik beken, dat ik wel eens twijfel heb gekoesterd. Die
twijfel is echter reeds verminderd en zal misschien spoedig geheel
verdwijnen. Als het blijkt, dat zij in briefwisseling zijn, dan ben
ik niet bang meer."

"Je bent wèl toegevend, moet ik zeggen! Als je hen voor het
altaar zaagt staan, dan zou je nog denken, dat ze _misschien_
wel gingen trouwen. 't Is een leelijke trek in je.--Maar zulke
bewijzen heb _ik_ niet noodig. In mijn oogen is er niets gebeurd,
dat twijfel rechtvaardigde; tot verbergen werd geen poging gedaan;
alles ging volkomen open en zonder terughouding in zijn werk. Aan
je zuster's wenschen kan je niet twijfelen. 't Is dus Willoughby,
dien je verdenkt. En waarom? Is hij niet gevoelig en een man van
eer? Gaf hij ons door onstandvastigheid reden tot zorg en vrees? Zou
hij bedriegelijk kunnen zijn?"

"Ik geloof van niet; ik geloof van niet," riep Elinor. "Ik houd van
Willoughby; ik houd oprecht van hem; en twijfel aan de zuiverheid van
zijn karakter doet mijzelve niet minder pijn dan u. Tegen mijn wil is
die twijfel gerezen, en ik wil dat gevoel niet aanmoedigen. Ik beken,
dat ik schrikte van morgen, door die verandering in zijn houding; hij
sprak niet zooals van hem te verwachten viel, en bleef onhartelijk
tegenover uw vriendelijkheid. Maar dat alles laat zich verklaren
door de omstandigheden, die u als waar veronderstelt. Hij had pas
afscheid genomen van Marianne, had haar zien gaan, wanhopig bedroefd;
en als hij zich verplicht achtte, uit vrees Mevrouw Smith te ergeren,
de verleiding te weerstaan om hier spoedig terug te keeren, terwijl hij
toch wist, door het weigeren van uwe uitnoodiging, door te zeggen dat
hij voor langen tijd afscheid nam, tegenover ons gezin den schijn op
zich te laden van illoyaal en zonderling gedrag, dan had hij waarlijk
wel reden verlegen en verward te zijn. Onder die omstandigheden zou een
eenvoudige en openhartige uiteenzetting van zijn moeilijkheden hem meer
tot eer hebben gestrekt, en mijns inziens meer hebben gestrookt met
zijn aard en aanleg; maar ik zal niemand zijn gedrag verwijten, wegens
zoo enghartige redenen als een verschil in zienswijze met mijzelve,
of eene afwijking van wat _ik_ als goed en redelijk beschouw."

"Nu spreek je, zooals het behoort. Willoughby verdient waarlijk niet
beschouwd te worden met achterdocht. Al kennen _wij_ hem nog niet lang;
hij is hier geen vreemdeling; en wie heeft ooit iets te zijnen nadeele
gezegd? Hadden zijn omstandigheden hem veroorloofd, zelfstandig op te
treden en onmiddellijk te huwen, dan had het vreemd kunnen schijnen,
dat hij ons verliet, zonder mij alles thans reeds te bekennen; doch
dit is niet het geval. Het is een verloving, die in sommige opzichten
geen voorspoedig begin heeft gehad, want de tijd van hun huwelijk is
onzeker en veraf; zoodat dan ook stilzwijgen omtrent de zaak, thans,
voor zoover het mogelijk is, zeer raadzaam is geworden."

Hier werden zij gestoord door Margaret, die binnenkwam; en Elinor
had thans gelegenheid, na te denken over haar moeder's opvattingen;
te erkennen dat vele van haar vermoedens gegrond schenen, en te hopen,
dat alle zouden bewaarheid worden. Zij zagen Marianne niet eer het tijd
was om te eten, en zij zonder een woord te zeggen de kamer binnenkwam
en aan tafel ging zitten. Haar oogen waren rood en gezwollen, en het
scheen alsof zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Zij vermeed
hun aller blikken, kon noch eten, noch spreken, en toen haar moeder
na eenigen tijd zwijgend en met innig medelijden haar hand drukte,
bezweek haar geringe kracht geheel--zij barstte in tranen uit en
verliet het vertrek.

Deze diepe verslagenheid van geest bleef den geheelen avond
voortduren. Zij had geen macht over zichzelve, wijl die macht door
haar niet werd begeerd. Bij de geringste opmerking over iets, dat met
Willoughby in verband stond werd zij overweldigd door hare droefheid,
en ofschoon haar moeder en zusters hun uiterste best deden om haar
te ontzien, het was onmogelijk, tenzij ze een volstrekt stilzwijgen
wilden bewaren, elk onderwerp te vermijden, dat voor haar gevoel op
hem betrekking had.






HOOFDSTUK XVI


Marianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden,
als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van
Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder
schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan
grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de
gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar
voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den
geheelen nacht wakker, en _bijna_ den geheelen nacht schreide zij. Ze
stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten;
deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette
zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar
gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!

Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen
morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan
verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen
tegenspoed.

Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij
speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht
voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden
samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die
hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van
verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij
op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor
de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijls werd haar
stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in
muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling
tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij
las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.

Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen
verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde
bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen
en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige
uitbarstingen van verdriet.

Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te
verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw
ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand,
wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.

"Je weet wel, Elinor," zei ze, "hoe dikwijls Sir John onze brieven
van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat
de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat
dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in
handen kreeg."

Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden
voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.

Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen,
en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand,
zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet
kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.

"Waarom vraagt u Marianne niet zelf," zei zij, "of ze al of niet met
Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en
toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. 't Zou het
natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voor haar. Zij placht
één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral."

"Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem
eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel
verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. 't Zou in elk
geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen
verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van 't
geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door;
ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn,
die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die
kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands
vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind,
omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen
te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had."

Elinor vond, met het oog op haar zuster's jeugd, deze opvatting
overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te
vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende
voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood's
romantisch overdreven fijn gevoel.

Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby's naam door een der
leden van het gezin in Marianne's tegenwoordigheid werd genoemd;
Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet
verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig
pijnlijk oogenblik;--doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood,
toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:

"We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby
ging heen, eer we 't hadden geëindigd. We zullen het wegleggen,
en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer
dàt gebeurt."

"Maanden?" riep Marianne, zeer verwonderd. "O neen,--weken zelfs niet!"

Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed
Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat
haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis
omtrent zijn plannen verried.

Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden
hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche
wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op
die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar
zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het
bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste
paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed
waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar
gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd
achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend;
want Marianne's _geest_ liet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden
nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér
beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon
nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer
uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg,
waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen
zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en
het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in
de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne
wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder
de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig
een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na
een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik
later riep Marianne vol verrukking: "Hij is het; o zeker!--ik weet
dat hij het is!" en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor
haastig zeide: "Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby
niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding."

"O jawel, jawel," riep Marianne, "hij is het; 't is zijn figuur,
zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen."

Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens
haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was,
dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster's gedrag niet
wilde laten in 't oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer
van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart
ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk
met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan,
hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby,
hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op
nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de
eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven,
dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen
ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat
een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster's blijdschap.

Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde met
hen terug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij
werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door
Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst
dan Elinor zelve. In Marianne's oogen scheen de begroeting tusschen
Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar
koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijls tegenover
elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward's zijde ontbrak aan
die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken
of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen
niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk,
zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover
Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek
en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan
Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk
gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot
Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling
vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.

Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde
begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij
rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in
Devonshire geweest.

"Veertien dagen!" herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had
kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te
komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde,
dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.

"Ben je nog voor kort in Sussex geweest?" vroeg Elinor.

"Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland."

"En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?" riep Marianne.

"Ons dierbaar Norland," zei Elinor, "zal er wel uitzien, zooals
gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt
door een dichte laag dorre bladeren."

"O," riep Marianne, "met welke gevoelens van zielsverrukking zag
ik ze vroeger niet vallen! Wat was het zalig, als de wind ze op
mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke
gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de
geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden
beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan
het gezicht onttrokken."

"Niet iedereen," zei Elinor, "is zóó verrukt van dorre bladeren
als jij."

"Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls
begrepen. _Soms_ echter wèl."

Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als 't ware
daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: "Zie,
Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit,
en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo
iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en
dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En
daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich
verheft, ligt ons huisje."

"'t Is een mooie streek," gaf hij ten antwoord; "maar die laag gelegen
gedeelten zullen 's winters wel erg modderig zijn."

"Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor
oogen hebt?"

"Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn
oogen zie."

"Vreemd toch!" zei Marianne tot zichzelf, onder 't voortwandelen.

"Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton's prettige menschen?"

"Neen, volstrekt niet," zei Marianne; "we hadden 't niet ongelukkiger
kunnen treffen."

"Maar, Marianne," riep haar zuster; "hoe kan je dat zeggen? Hoe kan
je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward,
en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je dan vergeten,
Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?"

"Neen," zei Marianne iets zachter, "en hoeveel onaangename oogenblikken
evenmin."

Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun
gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande
te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan,
en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen
ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was
geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag
jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden,
dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of
ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens
hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.






HOOFDSTUK XVII


Mevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag;
want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak
van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden
langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst
ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet
bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen
gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw
Dashwood's innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd
zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ook tot háár uit te
strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude
worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en
men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was
hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht,
was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij
merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan
zijn moeder's gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een
gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.

"Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het
oog, Edward?" vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten;
"moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?"

"Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare
leven evenmin talent als neiging bezit."

"Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je
worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging
tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden,
zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk
kunnen blijken."

"Ik zal 't maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te
onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal
doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid
niet kan afdwingen."

"Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even
gematigd."

"Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik
wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar,
precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik
geen geluk vinden."

"Geen wonder!" riep Marianne. "Wat heeft rijkdom of grootheid met
geluk te maken!"

"Grootheid maar weinig," zei Elinor; "rijkdom heel veel."

"O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets
anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen
werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt
van ons eigen ik."

"Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens," zei Elinor
glimlachend. "Ik wed dat _jouw_ bescheiden grenzen en _mijn_ rijkdom
heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe,
zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons
uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen
wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je
'bescheiden grenzen?'"

"Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar; _meer_ dan
ook niet."

Elinor lachte. "_Twee_ duizend pond in het jaar! Voor mij is _een_
al rijkdom. Dat had ik wel gedacht."

"Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen,"
zei Marianne. "Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik
vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal
bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet
houden, als men met minder dan dat moet rondkomen."

Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun
toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.

"Jachtpaarden!" herhaalde Edward.--"Maar waarom moet je jachtpaarden
erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet."

Marianne kreeg een kleur, en zei "De meeste menschen wèl."

"Ik wou," zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend,
"dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf."

"O, als dàt kon gebeuren!" riep Marianne, terwijl haar oogen
schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap
over dat denkbeeldig geluk.

"Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen," zei Elinor,
"ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken."

"Wat zou ik blij zijn," riep Margaret uit. "Ik ben benieuwd wat ik
er wel mee zou doen."

Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig
was.

"Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden," zei
Mevrouw Dashwood, "als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder
mijn hulp."

"U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit
huis," merkte Elinor op; "dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den
weg geruimd."

"Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen,"
zei Edward, "door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor
boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de
vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken
laten zenden;--en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen
muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!--Thomson,
Cowper, Scott,--ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle
exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige
handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude,
kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet,
Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik
wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet
had vergeten."

"Ik wil graag aan 't verleden herinnerd worden, Edward,--herinneringen,
't zij ze treurig of vroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt
mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt
juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan,
mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van
mijn verzameling boeken en muziek."

"En 't kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers,
of hunne erfgenamen."

"Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen."

"Misschien zou je 't uitloven als belooning voor den persoon, die het
best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen,
dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want
op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?"

"Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel
tamelijk gevestigd. 't Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets
zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed."

"Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk," zei Elinor,
"ze is nog steeds dezelfde."

"Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger."

"Dat mag _jij_ me niet verwijten, Edward," zei Marianne. "Je bent
zelf ook zoo heel vroolijk niet".

"Waarom denk je dat?" antwoordde hij, met een zucht. "Maar vroolijkheid
lag nooit in mijn aard."

"In Marianne's aard evenmin, dunkt mij," zei Elinor. "Zij is niet
wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig
en vol vuur bij al wat ze doet;--ze spreekt soms veel, en altoos met
overtuiging;--maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit."

"Ik geloof dat je gelijk hebt," antwoordde hij, "en toch heb ik haar
altoos als een druk, levendig meisje beschouwd."

"Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt," zei
Elinor, "op een volkomen verkeerd begrijpen van iemands karakter in een
of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker
of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk
zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing
voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent
zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder
zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt."

"Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor," zei Marianne, "zich
geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht
dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan
die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest."

"Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip
zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was
het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik
dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over 't algemeen met meer
voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun
gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden
door hun oordeel?"

"Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze
op 't punt van de burgerlijke beleefdheid," zei Edward tot Elinor. "Heb
je niets gewonnen?"

"Integendeel," antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend
aanzag.

"In theorie," zei Edward, "sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees
dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te
geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk,
terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik
heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was
om bij voorkeur in onbeschaafd gezelschap te verkeeren, zoo weinig
voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer
ze mij vreemd zijn."

"Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald
verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren," zei Elinor.

"Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen,"
antwoordde Edward. "Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker
minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken,
dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen
zijn."

"Maar terughoudend zou je altijd blijven," zei Marianne, "en dat is
nog erger."

Edward zette groote oogen op--"Terughoudend? Ben ik terughoudend,
Marianne?"

"Ja, heel erg."

"Ik begrijp je niet," antwoordde hij, met een hoogen
blos.--"Terughoudend!--hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan
moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?"

Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om
het gesprek een schertsende wending te geven: "Je kent mijn zuster
toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat
zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat
zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?"

Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend
als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.






HOOFDSTUK XVIII


Elinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig
ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt
genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten
kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij
wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken,
die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot
nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan,
en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik
tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.

Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer
de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was,
waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch
eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur
werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel
staan.

"Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien," zei hij, "nu je
toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug."

Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn
bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar
het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit
het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men
een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had
getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht
schonk, en reeds begon zij te vertellen van haar eigen bewondering
voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar 't
geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel
door te zeggen: "Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb
van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren
door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden
afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik
vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door
hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand
niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden
schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je
moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk
aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,--de bergen
zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er
gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed
onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta
onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn
te vinden--en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal
zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen,
dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn,
begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op
mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed."

"Ik vrees, dat het maar al te waar is," zei Marianne; "maar waarom
vind je 't noodig, je daarop te beroemen?"

"Ik zou haast denken," zei Elinor, "dat Edward in de ééne affectatie
vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen
méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur
dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij,
stelt hij zich zelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder
bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is
kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier."

"'t Is wèl waar," zei Marianne, "dat bewondering van natuurschoon tot
een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te
voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene,
die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden
bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd,
dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon
vinden om ze in uit te drukken, dan door 't gebruik van versleten
phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit."

"Ik ben overtuigd," zei Edward, "dat jij werkelijk de verrukking
_gevoelt_ over een mooi vergezicht, die je _beweert_ te voelen. Maar
van den anderen kant moet je zuster _mij_ nu weer niet méér laten
voelen dan ik _beweer_. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar
niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houd _niet_ van kromme,
verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze
recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van
havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels,
of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk
boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede,
tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige
bandieten van de wereld konden doen."

Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.--Elinor
lachte maar eens.

Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef
nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht
trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw
Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen,
dat haar een ring opviel, met een haarvlechtje in het midden, die
hij aan den vinger droeg.

"Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward", riep
zij. "Is dat Fanny's haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde 't je
te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had."

Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,--maar toen ze
zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over
haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde
tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: "Ja,
het is mijn zuster's haar. De kleur verandert altijd een beetje,
als het in goud gevat is."

Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als
Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest
zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit:
dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar
zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door
diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was
echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield
zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk
over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu
af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien,
en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies
de kleur van haar eigen was.

Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later
weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den
geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve
heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest,
zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis
die in haar zuster had gewekt.

Reeds voor den middag kregen zij bezoek van Sir John en Mevrouw
Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage
logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn
schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars
met een _F_ begon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige
mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen,
waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met
Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar
door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever
hun doorzicht, gegrond op Margaret's inlichtingen, wel reikte.

Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen
voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze
gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak
hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij
hen voor beiden tegelijk.

"Jelui _moet_ van avond bij ons theedrinken," zei hij, "want we
zijn heelemaal onder ons;--en morgen mag je niet weigeren bij ons te
dineeren, want het is een groote partij". Mevrouw Jennings vond dit
ook volstrekt noodzakelijk. "En wie weet, of het dan niet tot een
dansje komt," zei ze. "Dat zal jou aanstaan, Marianne."

"Dansen?" riep Marianne. "Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?"

"Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht,
dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?"

"Ik wou om een lief ding," riep Sir John, "dat Willoughby weer kon
meedoen."

Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. "Wie
is die Willoughby?" vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.

Zij antwoordde vluchtig. Marianne's gezicht gaf veel meer te
kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen
te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich
verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was,
ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: "Ik ben aan
't raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?"

"Wat bedoel je?"

"Zal ik 't maar zeggen?"

"Ja zeker."

"Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat."

Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten
te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik
zwijgens: "O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een
tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult."

"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd
over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet
had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar
plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen
haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd,
erop te zinspelen.






HOOFDSTUK XIX


Edward bleef een week te Barton; Mevrouw Dashwood drong er zeer op
aan, dat hij langer zou blijven; doch hij scheen, alsof zelfkwelling
zijn eenig doel was, vast besloten om juist te vertrekken, nu hij
het meest van het bijzijn zijner vriendinnen genoot. In de laatste
twee of drie dagen was zijn stemming, ofschoon nog zeer afwisselend,
toch aanmerkelijk verbeterd; hij begon zich meer en meer te hechten
aan het huis en de omgeving, sprak nooit van vertrekken zonder
een diepen zucht,--gaf te kennen dat hij over zijn tijd vrijelijk
kon beschikken,--wist zelfs nog niet recht, waarheen hij zou gaan,
als hij hen verliet; maar toch, vertrekken _moest_ hij. Nog nooit
had hem een week zoo kort geschenen;--hij kon niet gelooven dat het
alweer voorbij was. Dat zei hij herhaaldelijk, en nog meer liet hij
zich ontvallen, dat wees op een omkeer in zijn gevoelens, en met zijn
daden in tegenspraak was. Hij vond het in Norland niets prettig; aan
de stad had hij een hekel; maar òf naar Norland, òf naar Londen moest
hij gaan. Hij waardeerde hun hartelijkheid meer dan iets ter wereld,
en hij kende geen grooter genoegen dan met hen samen te zijn. Toch
moest hij hen na een week reeds verlaten, tegen zijn eigen en hun
aller wensch, en terwijl hij aan geen tijd gebonden was.

Elinor weet al wat zonderling scheen in zijn handelwijze aan zijn
moeder, en het was een geluk voor haar, dat hij een moeder had,
van wier karakter zij zoo weinig afwist, dat het als doorgaande
verontschuldiging kon gelden voor al wat er vreemds was in het
gedrag van haar zoon. Maar hoezeer zij zich ook teleurgesteld en
gegriefd gevoelde, ja somtijds geërgerd door zijn onzekere houding
tegenover haar, zij bleef toch over het geheel ten volle bereid om
al zijn handelingen te beschouwen met die eerlijke toegevendheid
en onpartijdige ruimheid van oordeel, die haar, met vrij wat meer
moeite, door haar moeder indertijd waren afgedwongen ten behoeve van
Willoughby.

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/25946