Andersens Sproken en vertellingen
by H. C. Andersen · Dutch · Gutenberg #25580 · 837,098 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Andersens Sproken en vertellingen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Andersens Sproken en vertellingen
Author: H. C. Andersen
Editor: Titia Klasina Elisabeth van der Tuuk
Translator: Simon Jacob Andriessen
Release date: May 23, 2008 [eBook #25580]
Most recently updated: January 3, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/25580
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ANDERSENS SPROKEN EN VERTELLINGEN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Andersens
Sproken en Vertellingen
Naverteld
door
S. J. Andriessen.
4de geheel herziene en veel vermeerderde druk.
Geïllustreerde uitgave
Bewerkt door
Titia van der Tuuk.
Nijmegen--Arnhem.
Gebr. E. & M. Cohen.
Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.
VOORWOORD.
Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der
maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje. Arm
en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen
van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, die er van het
sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden,
ziet ieder er wat anders in.
Is dat de fout van het sprookje?
Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging
hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles
uithalen, wat er in zit?
Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den
sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven
werelden zijn.
Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel
aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksem
spreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder,
die haar kroost kent en dit ontkennen zal.
En zoo is het ook met het sprookje.
Het sprookje _leeft_ in het hart van het kind, en het blijft leven
en zijn invloed uitoefenen, lang nadat de jeugd is voorbijgegaan. De
belangrijkste en vaak de schoonste producten van de letterkunde
zijn daar, om het te bewijzen. Sla Goethe, Heine, Wieland, Schiller,
Carlyle, Byron, Richepin, Victor Hugo--ik doe maar een greep op goed
geluk af--op, en overal merkt ge het sprookje. Hier vertoont het
zich in naïeven eenvoud, daar als een vroolijk lachend kind, ginds
gluurt het eventjes schalks tusschen de hoog-ernstige sarcastische
regels door; zonder de minste aanspraken te doen gelden, vertoont
het zich. Hoe ook verguisd en vertrapt soms, hoe vuig ook belasterd,
met een onverwoestbare levenskracht staat het frisscher en jeugdiger
en schooner weer op.
En blijven leven zal het, zoo lang wij menschen nog een jeugdig hart
bewaren en er dichters opstaan, die het zoo kennen en liefhebben als
Andersen, de sprookjesdichter bij uitnemendheid.
In hoeveel vormen heeft hij het ons niet geschonken, naïef en roerend,
zwierig en vroolijk, droefgeestig en somber, schoon en sarcastisch,
schalksch en geestig, maar altijd levendig en frisch. En heeft men
tegen de moraal van 't sprookje in 't algemeen iets, wat nood! Zijn
de vaders en de moeders er dan niet, om de kinderen terecht te wijzen
en te onderrichten? En is het zelfs geen voordeel, dat het kind al
vroeg een weinig tot kritisch nadenken wordt geprikkeld? Het bevordert
stellig de zelfstandigheid van zijn oordeel.
De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij
het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnen nagaan,
volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken
of hier en daar verspreid werden aangetroffen, zijn in deze uitgave
bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die
goede lectuur voor het huisgezin op prijs stelt, met vreugde worden
begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door
het groote aantal gravures van Dalziel naar teekeningen van Bayes.
Van harte hoop ik, dat door deze uitgave de sprookjes van Andersen
veel nieuwe vrienden mogen verwerven.
Arnhem, Maart '95. Titia van der Tuuk.
HET LEELIJKE JONGE EENDJE.
Het was heerlijk buiten op het land. 't Was zomer, het koren was rijp,
het hooi stond op de groene weiden aan oppers, en de ooievaar liep op
zijn lange, roode pooten en praatte Egyptisch; want deze taal had hij
van zijn moeder geleerd. Rondom de korenvelden en de weiden waren
uitgestrekte bosschen, en midden in de bosschen diepe meren. Ja,
het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land! Door den glans
der zon beschenen, stond daar een oud kasteel, dat door een diepe
gracht omgeven was, en van den muur tot aan het water groeide dicht
kreupelhout. Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar
jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zoo
lang duurde het, eer de jongen uitkwamen; daarbij kreeg zij zelden
bezoek, want de andere eenden zwommen liever in de gracht rond,
dan dat zij eens uit het water kwamen om met haar te praten.
Eindelijk ging het eene ei na het andere open. Een gepiep deed zich
hooren, en al de dooren van de eieren waren levend geworden en staken
de kopjes uit de schalen.
«Vlug wat, vlug!» zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes,
wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken
naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken,
zooveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de oogen.
«Wat is de wereld toch groot!» zeiden al de jongen; want nu hadden
zij heel wat meer plaats dan in het ei.
«Denk je, dat dit de heele wereld is?» zei de moeder. «Die strekt zich
nog ver aan den anderen kant van het geboomte uit, tot aan den tuin
van den pastoor; maar daar ben ik nog nooit geweest.--Je bent toch
allemaal wel bij elkaar?» vervolgde zij en stond op. «Neen ik heb ze
nog niet allemaal; het grootste ei ligt daar nog; hoe lang zal het
nog wel duren, eer dat uitkomt? Nu begint het mij haast te vervelen!»
en zij ging er weer op zitten.
«Wel zoo, hoe gaat het?» vroeg een oude eend, die haar eens een bezoek
kwam brengen.
«Het duurt geducht lang met dat eene ei,» zei de eend, die er nu weer
op zat; «het wil maar niet opengaan; maar kijk eens naar de anderen:
zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien
hebt? Zij lijken allemaal precies op hun vader; maar die ondeugd komt
mij niet eens bezoeken.»
«Laat mij het ei, dat niet wil opengaan, eens zien!» zei de oude
eend. «Geloof mij, het is een kalkoenenei! Ik ben ook eens zoo
beetgenomen en had toen heel wat werk met mijn jongen, want zij waren
bang voor het water! Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook
kwakte, het hielp mij niemendal!--Laat mij het ei eens zien! Ja, dat
is een kalkoenenei! Laat dat maar liggen, en leer je andere kinderen
liever zwemmen!»
«Ik zal er toch nog een beetje op blijven zitten,» antwoordde de eend;
«ik heb er nu al zoo lang op gezeten, en dus kan ik er nog wel een
paar dagen op zitten!»
«Je moet het zelf weten,» hernam de oude eend en ging weg.
Eindelijk ging het groote ei open. «Piep, piep!» zei het jong en
kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eend bekeek het
eens. «Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,» dacht zij; «geen
van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschien een kalkoensch
kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het
water moet het, al zou ik het er ook zelf induwen.»
Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle
groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haar heele familie
naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. «Kwak, kwak!»
zeide zij, en het eene eendje na het andere plofte er nu ook in; het
water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al
spoedig weer boven en zwommen uitmuntend; hun pooten gingen van zelf,
en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje
zwom mee.
«Neen, het is geen kalkoen,» dacht de oude eend; «kijk eens, hoe ferm
hij met zijn pooten slaat en hoe recht hij zich weet te houden! 't
Is mijn eigen kind! Eigenlijk is hij toch nog zoo leelijk niet, als
men hem maar eens goed bekijkt! Kwak, kwak! Gaat maar met mij mee,
dan zal ik je in de groote wereld brengen en je in de eendenkooi
voorstellen: maar zorgt, dat je dicht in mijn nabijheid blijft,
en neemt je voor de kat in acht!»
En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een
verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, die elkaar
het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat
dien toch.
«Kijk, zoo gaat het nu in de wereld!» zei de moeder der eendjes, en
zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkop ook wel
hebben. «Gebruikt je pooten nu!» vervolgde zij. «Houdt je fatsoen
en maakt een buiging voor de oude eend, die je daar ziet: dat is de
voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo
dik; en, zie je wel, zij heeft een rood lapje om haar poot; dat is
iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt
kan vallen; dat beteekent, dat men haar niet kwijt wil raken en dat
zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je
pooten niet zoo binnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten
buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt je
hals nu en zegt: Kwak!»
En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en
zeiden tegen elkaar: «Kijk eens! Nu moeten wij nog het aanhangsel
krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet
dat eene eendje er uit! Dat willen wij hier niet hebben!» En terstond
vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek.
«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers
niemand kwaad!»
«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zoo vreemd uit,»
zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.»
«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met
het lapje om den poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat
is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.»
«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel
niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de
anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal
opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het
ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende,
pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. «Bovendien is het een
woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zoo veel niet toe. Ik denk,
dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed
te verweren.»
«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe
maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun
je dien wel aan mij brengen.»
En zoo waren zij er dan zoo goed als thuis.
Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er
zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor den gek gehouden,
en dat zoowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!»
zeiden allen, en de kalkoensche haan, die met sporen ter wereld
gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als
een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd
zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden
of keeren; het was treurig, omdat het er leelijk uitzag en door al
de anderen bespot werd.
Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het
arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad
op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk
schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan
waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid,
die de beesten eten moest geven, schopte het.
Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het
geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo
leelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep
toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras, waar de wilde
eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid
en verdrietig.
Tegen den morgen vlogen de wilde eenden op en bekeken haar nieuwen
kameraad eens. «Wat ben jij er voor een?» vroegen zij, en het eendje
wendde zich naar alle kanten en groette zoo goed het kon.
«Je bent verschrikkelijk leelijk!» zeiden de wilde eenden; «maar dat
kan ons niet schelen, als je maar niet met iemand van onze familie
trouwt!»--Het arme beest! Het dacht er waarlijk niet aan te trouwen;
als het maar de vergunning kon krijgen, om in het riet te liggen en
wat moeraswater te drinken.
Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of,
liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet lang geleden,
dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig.
«Hoor eens, kameraad!» zeiden zij; «je bent zoo leelijk, dat je goed
bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden? Hier dichtbij
in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, allemaal dames,
die evenals jij «kwak!» kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel
maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.»
«Piefpafpoef!» klonk het juist, en de beide wilde genten vielen dood in
het riet neer, en het water werd bloedrood gekleurd.--«Piefpafpoef!»
klonk het weer, en nu vlogen er geheele scharen wilde ganzen uit
het riet op. En toen deed zich andermaal een knal hooren. Er werd
een groote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja,
eenigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het
riet uitstrekten. De blauwe damp trok in dikke wolken in de boomen en
ver over het water heen; de jachthonden gingen het moeras in. Plof,
plof! het riet boog zich naar alle kanten heen. Dat was een schrik
voor het arme eendje. Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels
te steken; maar op hetzelfde oogenblik stond er een vreeselijk groote
hond dicht bij het eendje; de tong hing hem uit den bek, en zijn oogen
schoten vlammen; hij strekte zijn snoet juist naar het eendje uit,
liet het zijn scherpe landen zien en.... Plof! plof! ging het weer,
zonder dat hij het beetpakte.
«Goddank!» zei het eendje met een zucht; «ik ben zoo leelijk, dat de
hond mij zelfs niet wil bijten.»
En zoo bleef het roerloos liggen, terwijl de hagel door het riet
snorde en er schot op schot knalde.
Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog
niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordat het omkeek,
en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het
liep over veld en weide; maar er woei zulk een hevige storm, dat het
werk had om op zijn pooten te blijven staan.
Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut;
deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welken kant
zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde
zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moest gaan zitten,
om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene
scharnier geraakt was en zoo scheef hing, dat het door de reet in de
kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook.
Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater,
dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zetten en spinnen;
hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den
verkeerden kant opstrijken. De kip had korte, lage pooten, en daarom
werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren,
en de vrouw had haar zoo lief, alsof zij haar kind was.
's Morgens zag men het vreemde eendje dadelijk, en nu begon de kater
te blazen en de kip te kakelen.
«Wat is er te doen?» zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had
een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendje een vette
eend was, die verdwaald was geraakt. «Dat is een goede vangst!»
zeide zij. «Nu kan ik eendeneieren krijgen. Als het maar geen woerd
is! Dat zullen wij eens probeeren!»
En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; maar
er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was
er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: «Wij en de wereld!» Want
zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het
eendje gaf als zijn meening te kennen, dat het toch ook wel eens
anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen.
«Kun je eieren leggen?» vroeg zij.
«Neen.»
«Welnu, wil je dan wel eens zwijgen?»
En de kater zei: «Kun je een hoogen rug zetten en spinnen en maken,
dat er vonken uit je lijf komen?»
«Neen.»
«Dan mag je ook geen meening hebben, als verstandige lieden met
elkaar spreken.»
En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar
drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulk een lust om
in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen
de kip te zeggen.
«Wat is dat voor een dwaze inval!» zei deze. «Je hebt niets uit te
voeren, en daarom verzin je allerlei dwaasheden. Leg eieren of spin,
en maak je anders uit de voeten!»
«Maar het is zoo prettig, in het water te zwemmen,» zei het eendje,
«zoo prettig, het boven zijn kop te laten uitspatten en op den grond
te duiken.»
«Nu, dat is ook een heel plezier!» zei de kip. «Je bent zeker niet
goed bij je verstand! Vraag er den kater maar eens naar,--die is het
verstandigste schepsel, dat ik ken,--of hij er van houdt, in het water
te zwemmen of onder te duiken? Ik wil niet van mij zelf spreken.--Vraag
het zelf maar aan onze meesteres, de oude vrouw; wijzer dan zij is
niemand op de wereld! Denk je misschien, dat zij plezier heeft om te
zwemmen en het water boven haar hoofd uit te laten spatten?»
«Je begrijpt mij niet!» zei het eendje.
«Begrijpen wij je niet? Wie zou je dan kunnen begrijpen? Je zult
toch wel niet wijzer willen zijn dan de kater en de vrouw,--van mij
zelf wil ik niet spreken! Heb maar niet zooveel noten op je zang,
en wees dankbaar voor al het goede, dat men je bewezen heeft. Ben
je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap,
waarvan je nog wat kunt leeren? Maar er is geen huis met je te houden,
en het is alles behalve plezierig, met jou om te gaan. Je kunt mij
gerust gelooven! Ik meen het goed met je. Ik zeg je de waarheid, al
vind je dit ook niet prettig, en daaraan kan men zien, wie zijn ware
vrienden zijn. Doe je best maar om eieren te leggen of te spinnen of
vonken uit je lijf te laten komen.»
«Ik denk, dat ik de wijde wereld maar in zal gaan!» zei het eendje.
«Ja, doe dat maar!» liet de kip hierop volgen.
En zoo ging het eendje dan heen; het zwom in het water, het dook met
zijn kopje onder, maar door alle dieren werd het om zijn leelijkheid
met minachting bejegend.
Nu kwam de herfst; de bladeren in het bosch werden geel en bruin;
de wind rukte ze af, zoodat zij in de rondte dansten, en boven in de
lucht was het snerpend koud; de wolken zaten vol hagel en sneeuw; en
op de heg zat een raaf en deed haar klagend gekras hooren. Het arme
eendje had het al heel slecht! Op zekeren avond, juist toen de zon in
haar pracht onderging, kwam er een heele troep groote vogels uit het
bosch, het eendje had er nooit zulke mooie gezien; zij waren spierwit
en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen. Zij lieten een
eigenaardig geluid hooren, spreidden hun prachtige, lange vleugels
uit en trokken uit de koude streken naar warmere landen. Zij stegen
zoo hoog, zoo hoog, dat het het leelijke jonge eendje wonderlijk te
moede werd. Het draaide zich als een tol in het water rond, strekte
zijn kop hoog in de lucht naar de zwanen uit en gaf zulk een luiden
en zonderlingen schreeuw, dat het er zelf van schrikte. O, het kon die
mooie, gelukkige vogels niet vergeten; en zoodra deze niet meer te zien
waren, dook het onder tot op den grond en toen het weer boven kwam,
was het als buiten zich zelf. Het arme beest wist niet, hoe die vogels
heetten, ook niet, waar zij naar toe vlogen; maar toch liep het er
hoog mee, zooals het nog nooit ergens mee gedaan had. Het benijdde ze
volstrekt niet. Hoe zou het hem ook in de gedachten komen, te wenschen,
zelf zoo mooi te zijn? Het zou al blij geweest zijn als de eenden
hem maar in haar midden geduld hadden,--dat arme, leelijke beest!
Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in
het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaal dichtvroor;
maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en
kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn
pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk
werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast.
's Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag,
ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht
het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij.
De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij
hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat,
zoodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de
handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de
meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg
met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om
het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!--'t Was gelukkig,
dat de deur openstond en dat het tusschen de takken in de versch
gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen.
Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen
winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn.
Het lag in het moeras tusschen het riet, toen de zon weer warm begon
te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden.
Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider
dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het
recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen
geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier
was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps
drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels
en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten
en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.
«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij
zullen mij dooden, omdat ik, die zoo leelijk ben, mij in hun nabijheid
durf wagen. Maar dat doet er niet toe! 't Is beter, door hen gedood,
dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid,
die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in den winter
gebrek te lijden!»
En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige
zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af.
«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en
verwachtte niets anders dan den dood.--Maar wat zag het nu in het
heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die
van een loggen, grauwen, leelijken vogel, maar van een zwaan.
Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men
maar uit een zwanenei gekomen is!
Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen,
die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de
heerlijkheid, die hem omringde.--En de zwanen zwommen om hem heen en
streelden hem met hun snavels.
Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst
in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En
de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!»
En zij klapten in de handen en dansten in de rondte, liepen naar hun
ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij
zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zoo jong en
ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem.
Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn
vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was
overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe
het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de
mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich
met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en
liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals
op en jubelde van ganscher harte:
«Zooveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een
leelijk eendje was!»
DE OUDE STRAATLANTAARN.
Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo
heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een
enkele maal lezen.
't Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen
dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed
had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal
zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar
te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en
weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal
zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij
wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou
komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden,
die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was
of niet.
Daar zou dan bepaald worden, of zij in 't vervolg haar licht voor de
bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de
een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien
ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een
anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles
van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de
herinnering nog van zou behouden, dat zij een maal een straatlantaarn
geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht afloopen,
zooveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die
haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden.
Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de
lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al
een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker
werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij
's avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik,
maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie,
de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren,
had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. 't
Waren beiden doodeerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook
maar een enkelen droppel olie te kort gedaan.
't Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den
volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere
gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook
vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar
licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als
de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor
zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit
kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei
dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde
haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel,
dat men zich ook harer zou herinneren.
«Daar was indertijd dat knappe jonge mensch,--het is al vele jaren
geleden,--deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was
zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het
en kuste het en keek naar mij op met oogen, die duidelijk schenen te
zeggen: «Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen!» Alleen hij en
ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven
stond.--Ja, ook nog een ander paar oogen herinner ik mij. Wat kunnen
onze gedachten toch snel van het eene op het andere springen! Hier in
de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw
lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt
was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen
stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich
allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht
verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand
tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die oogen,
waarin zooveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken,
vergeten!» Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn,
die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde.
De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger
ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de
lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo
menigen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij
zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten,
uit welken hoek de wind gewoonlijk woei, en zooveel andere dingen meer.
Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die
zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den
waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was
een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon
geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op
den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd
hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het,
van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De
derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was,
begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het
ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles,
wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich
gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen.
De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den
post van straatlantaarn te bekleeden; maar dat wilde geen van drieën
gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet
zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij
was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen.
Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aanbruisen
en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. «Wat hoor ik daar?»
zei hij tegen haar. «Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien
ik u hier aantref? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik
blaas nu op zulk een wijze in uw hersenkast, dat ge u voortaan niet
alleen alles, wat ge gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren,
maar dat het zoo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles,
waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.»
«O, dat is waarlijk veel, heel veel!» sprak de oude lantaarn. «Ik dank
u wel hartelijk. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten wordt!»
«Dat zal nog zoo gauw niet gebeuren!» zei de wind. «Nu blaas ik u de
herinnering in; als ge meer andere geschenken van dien aard krijgt,
dan kunt ge nog een gelukkigen ouden dag hebben.»
«Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» zei de lantaarn
weer. «Of zal ik dan ook mijn geheugen behouden?»
«Oude lantaarn, wees toch verstandig!» hernam de wind.
Op dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn.
«Wat geeft gij?» vroeg de wind.
«Ik geef niets,» antwoordde zij. «Ik ben immers aan het afnemen, en
de lantarens hebben mij nooit verlicht, maar wel heb ik omgekeerd de
lantarens verlicht.» En met deze woorden verschool de maan zich weer
achter de wolken, om verder aandringen te voorkomen.
Nu viel er een droppel op de lantaarn neer. Deze droppel zeide, dat
hij uit de grauwe wolken kwam en ook een geschenk was, misschien wel
het beste. «Ik doordring u zoozeer, dat ge de gave verkrijgt om in
één nacht, als ge dit verlangt, in roest te veranderen en tot stof
te worden.»
Dit scheen de lantaarn een slecht geschenk toe, en de wind dacht er
evenzoo over. «Is er niemand meer, die wat te geven heeft?» blies
hij zoo hard, als hij maar kon.
Nu viel er een heldere verschietende ster neer en liet een lange,
vurige streep achter.
«Wat was dat?» riep de haringkop uit. «Viel daar niet een ster naar
beneden? Ik geloof haast, dat zij op de lantaarn is neergekomen. Nu,
als er zulke hooggeplaatste personen naar den post dingen, kunnen
wij wel naar huis gaan.»
En dat deden zij ook alle drie. Maar de oude lantaarn gaf op eens een
verwonderlijk helder licht van zich. «Dat is een heerlijk geschenk
geweest!» zeide zij. «De prachtige sterren, waarin ik altijd zooveel
schik gehad heb en die zulk een helderen glans rondom zich verspreiden,
als ik nooit van mij heb kunnen geven, ofschoon ik er altijd mijn
uiterste best toe heb gedaan, hebben mij, arme oude lantaarn, toch
opgemerkt en mij een geschenk gezonden, waardoor alles, wat ik mij
zelf herinner en wat ik zoo duidelijk zie, alsof het voor mij stond,
ook door allen, die ik liefheb, gezien kan worden. En hierin ligt
toch eerst het wezenlijke genot; want een vreugde, waarin men niet
met anderen kan deelen, is toch maar een halve vreugde.»
«Dat doet uw hart eer aan!» zei de wind. «Maar ge weet zeker nog
niet, dat daartoe waskaarsen noodig zijn. Als er geen waskaars in u
opgestoken wordt, dan kan niemand der anderen iets in u zien. Daaraan
hebben de sterren niet gedacht; zij meenen, dat alles, wat licht
geeft, een waskaars in zich heeft. Maar ik ben nu moe en zal wat gaan
liggen!»--En hij ging terstond liggen.
«Och hemel! Waskaarsen!» zei de lantaarn. «Die heb ik tot hiertoe
niet gehad, en die zal ik in het vervolg ook wel niet krijgen. Als
ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!»
Den volgenden dag,--ja, den volgenden dag kunnen wij gerust
overspringen,--maar den volgenden avond zat de lantaarn dood op
haar gemak in een leuningstoel! En raad eens waar? Bij den ouden
lantaarnopsteker. Deze had den burgemeester en den gemeenteraad om de
gunst verzocht, uit hoofde van zijn langdurige en trouwe diensten de
lantaarn te mogen behouden, die hij zelf op den dag, waarop hij zijn
post had aanvaard, nu vier-en-twintig jaren geleden, voor 't eerst
opgestoken had. Hij beschouwde haar als zijn kind, want hij had er
geen ander; en de lantaarn werd hem ten geschenke gegeven.
Zoo zat zij daar dan in den leuningstoel, dicht bij de warme
kachel. Het was, alsof zij grooter geworden was, want zij besloeg
bijna den geheelen stoel.
De oude luidjes zaten aan hun avondmaal en wierpen vriendelijke
blikken op de oude lantaarn, waarvoor zij gaarne een plaats aan de
tafel zouden ingeruimd hebben.
Zij woonden wel is waar in een kelder, die twee el diep onder den
grond was; men moest een steenen gang door om er in te komen; maar
van binnen zag het er toch recht gezellig uit, en het was er warm;
want zij hadden tochtlatten om de deur gespijkerd. Alles zag er hier
netjes en zindelijk uit, en er hingen gordijnen voor de bedstede en
voor de kleine raampjes. Op de vensterbank stonden twee zonderlinge
bloempotten, die de matroos Christiaan uit Oost- of West-Indië
meegebracht had. Zij waren maar van grof aardewerk en stelden twee
olifanten voor, die echter geen rug hadden; maar in plaats daarvan
groeide er uit de aarde, waarmee zij gevuld waren, in den eenen het
prachtigste bieslook: dat was de moestuin der oude luidjes: in den
anderen een groote, bloeiende geranium: dat was hun bloemtuin. Aan
den muur hing een groot, bontgekleurd schilderij, dat het congres van
Weenen voorstelde. Op deze wijze hadden zij alle koningen en keizers
op eens bij elkaar. Een klok, waaraan zware looden gewichten hingen,
deed onophoudelijk: «Tik, tak!» en deze liep altijd voor, maar dat was
beter, dachten de oude luidjes, dan dat zij naliep. Zij gebruikten hun
avondmaal, en de oude straatlantaarn zat, zooals reeds gezegd is, in
den leuningstoel dicht bij de kachel. Het kwam de lantaarn voor, alsof
de geheele wereld omgedraaid was. Maar toen de oude lantaarnopsteker
haar aankeek en er van sprak, wat zij beiden alzoo met elkaar doorleefd
hadden, in regen en mist, in de heldere, korte zomernachten zoowel
als in de lange winternachten, wanneer het sneeuwde, zoodat het hem
goeddeed, als hij weer in zijn kelder kwam,--toen wist de lantaarn
zich weer goed in alles te verplaatsen. Zij zag alles even duidelijk,
alsof het nu nog gebeurde; ja, de wind had haar inwendig goed verlicht.
De oude luidjes waren zeer vlijtig en bedrijvig; geen uur werd er door
hen in ledigheid doorgebracht. Des Zondags middags werd er het een of
ander boek voor den dag gehaald, bij voorkeur een reisbeschrijving,
en dan las de waardige grijsaard zijn vrouw voor, van Afrika, van de
groote bosschen, van de olifanten, die daar in 't wild rondloopen,
en dan luisterde de oude vrouw in gespannen aandacht naar hem en
sloeg een heimelijken blik op de beide olifanten van aardewerk,
die voor bloempotten dienden.
«Ik kan mij dat alles best voorstellen!» zeide zij. En de lantaarn
wenschte dan van ganscher harte, dat er een waskaars voorhanden geweest
was, die in haar kon opgestoken worden; dan zou de oude vrouw alles tot
het kleinste toe nauwkeurig zoo hebben kunnen zien, als de lantaarn dit
zag: de hooge boomen, de dicht in elkaar gegroeide takken, de naakte,
zwarte menschen te paard en geheele troepen olifanten, die met hun
plompe pooten riet en struiken vertrapten.
«Wat baten mij nu al mijn gaven, als ik geen waskaars vind?» zei
de lantaarn met een zucht. «Zij hebben niets anders dan olie en
vetkaarsen, en dat is niet voldoende!»
Op zekeren dag kwam er een heele boel eindjes waskaars in den kelder;
de grootste eindjes werden gebrand, en de kleinere gebruikte de vrouw
om er haar draden mee te wrijven. Er waren dus genoeg waskaarsen
voorhanden; maar het kwam de beide oude luidjes niet in de gedachten,
een klein eindje in de lantaarn te zetten.
«Daar sta ik nu met al mijn gaven,» dacht de lantaarn. «Ik heb alles
in mij, maar kan er hen geen deelgenooten van maken; zij weten niet,
dat ik de witte muren in de prachtigste tapijten kan veranderen,
in de heerlijkste bosschen, in alles, wat zij maar kunnen wenschen.»
De lantaarn werd overigens netjes in orde gehouden en stond geschuurd
in een hoek, waar zij iedereen in het oog viel. De menschen vonden
wel is waar, dat het een onnut meubel was; maar daarom bekreunden de
oudjes zich niet: zij hadden de lantaarn immers lief.
Op zekeren dag,--'t was de verjaardag van den ouden lantaarnopsteker,
ging de oude vrouw glimlachend naar de lantaarn toe en zei: «Ik zal
vandaag eens ter eere van mijn man illumineeren!» En de lantaarn
knarste met haar blikken schoorsteentje en dacht: «Wacht! Eindelijk
zal er toch een licht voor hen opgaan!»
Maar het bleef bij olie, en geen waskaars kwam er te voorschijn. Zij
brandde den heelen avond door, doch zag nu maar al te goed in, dat
het geschenk der sterren voor dit leven een doode schat zou blijven.
Daar had zij een droom,--en als men zulke gaven als zij bezit, dan is
het geen kunst om te droomen! Het kwam haar voor, dat de oude luidjes
gestorven waren en dat zij naar de ijzergieterij gebracht was, om in
een anderen vorm gegoten te worden. Het was haar daarbij even bang
te moede als indertijd, toen zij naar het stadhuis moest, om door
den burgemeester en den gemeenteraad bekeken te worden. Maar ofschoon
haar de macht verleend was, zich in roest en stof te veranderen, als
zij dit wenschte, deed zij dit toch niet. Zij werd in den smeltoven
geworpen en in een ijzeren kandelaar veranderd, zoo mooi, als men
maar zou kunnen wenschen, om waskaarsen daarop te plaatsen. Zij had
den vorm van een engel gekregen, die een grooten bloemruiker draagt;
midden in den ruiker werd de waskaars geplaatst. De kandelaar kreeg
zijn plaats op een groene schrijftafel; de kamer, waarin zij stond,
zag er heel gezellig uit; er stonden vele boeken in, en de muren waren
met mooie schilderijen behangen; zij behoorde een dichter toe. De
kamer veranderde in dichte, donkere bosschen, in liefelijke weiden,
in het scheepsverdek op de golven der zee, in den helderen hemel met
al zijn sterren.
«Wat liggen er toch een menigte gaven in mij besloten!» zei de oude
lantaarn, toen zij wakker werd. «Ik zou er bijna naar verlangen, in
een anderen vorm gegoten te worden. Maar neen! Dat mag niet gebeuren,
zoolang de oude luidjes leven. Zij hebben mij om mijns zelfs wil
lief. Zij hebben mij geschuurd en mij olie gegeven. En ik heb het
immers ook even goed, als het heele congres, in de beschouwing waarvan
zij insgelijks genoegen vinden!»
Van dien tijd af genoot zij meer inwendige rust, en dat had de oude,
brave straatlantaarn wel verdiend.
DE OOIEVAARS.
Op het laatste huis in een klein dorpje was een ooievaarsnest. Het
wijfje van een ooievaar zat daarin bij haar vier jongen, die er hun
kopjes met de spitse zwarte bekjes uitstaken; want deze waren nog niet
rood geworden. Een klein eindje daar vandaan stond op de vorst van het
dak, stram en stijf, het mannetje; hij had zijn eenen poot in de hoogte
getrokken, om toch iets te doen te hebben, terwijl hij op schildwacht
stond. Men zou gezegd hebben, dat hij van hout gemaakt was, zoo stil
stond hij. «Het zal zeker wel heel deftig staan, dat mijn vrouw een
schildwacht bij het nest heeft!» dacht hij. «Ze kunnen immers niet
weten, dat ik haar man ben. Ze denken zeker, dat zij mij bevel gegeven
heeft om hier te staan!» En hij ging voort met op één poot te staan.
Beneden op straat speelde een troep kinderen; en toen zij de ooievaars
zagen, zong een der moedigste knapen, en later allen tegelijk,
het oude liedje van de ooievaars. Maar zij zongen het slechts zoo,
als hij het zich kon herinneren:
«Ooievaar! waar vlieg je heen!
Sta niet steeds op je eene been!
Kijk, je vrouw zit in het nest,
Waar zij op haar jongen past.
Het eene wordt gehangen,
Het andere wordt verschroeid,
Het derde doodgestoken,
Het vierde aan 't braadspit gloeit.»
«Hoor eens, wat die knapen daar zingen!» zeiden de jongen; «zij zingen,
dat wij opgehangen en verbrand moeten worden!»
«Daar moet je je maar niet aan storen!» zei de moeder der
ooievaars. «Luistert er maar niet naar, dan hindert het je niet!»
Maar de jongens gingen met zingen voort, en zij sliepten den ooievaar
met hun vingers uit; doch één knaap, die Piet heette, zei dat het
zonde was, die beesten zoo in het ootje te nemen, en hij wilde dan
ook volstrekt niet meedoen. De moeder der ooievaars troostte hen door
te zeggen: «Bekreunt je er maar niet om! Ziet maar eens, hoe bedaard
je vader daar staat, en dat nog wel op één poot!»
«We zijn doodsbenauwd!» zeiden de jongen en trokken hun kopjes in
het nest terug.
Den volgenden dag, toen de kinderen weer aan het spelen waren en de
ooievaars zagen, zongen zij hun lied:
«Het eene wordt gehangen,
Het andre wordt verschroeid.»
«Zullen we dan toch opgehangen en verschroeid worden?» vroegen de
jonge ooievaars.
«Wel zeker niet!» zei hun moeder. «Je moet leeren vliegen. Ik zal
het je wel leeren! Dan gaan wij naar het land toe en leggen een
bezoek bij de kikvorschen af; die buigen zich voor ons in het water
en zingen: «Krok, krok, rekkekekkek!» En dan eten wij ze op. Dat zal
een pret zijn!»
«En wat dan?» vroegen de jongen.
«Dan verzamelen zich al de ooievaars, die er in dit heele land zijn,
en dan beginnen de herfstmanoeuvres; dan moet men goed kunnen vliegen;
dat is van het uiterste belang. Want wie dan niet vliegen kan, wordt
door den generaal met den snavel doodgestoken; past daarom goed op,
dat je wat leert, als het exerceeren begint.»
«Dan worden we toch doodgestoken, zooals de jongens zeiden. En hoor
eens! Daar zingen ze het weer!»
«Luistert naar mij en niet naar hen,» zei de moeder der ooievaars. «Na
de groote manoeuvres vliegen wij naar de warme landen, ver hier
vandaan, over bergen en bosschen. Naar Egypte vliegen wij toe, waar
men driehoekige steenen huizen heeft, die in een punt uitloopen en tot
boven de wolken reiken; zij worden piramiden genoemd en zijn ouder,
dan een ooievaar zich wel kan voorstellen. Daar is een rivier, die
buiten haar oevers treedt; dan wordt het geheele land tot slijk. Men
loopt in het slijk en eet kikvorschen.»
«Zoo?» zeiden al de jongen.
«Ja, daar is het heerlijk! Men doet den heelen dag niets anders dan
eten; en terwijl we het daar zoo goed hebben, is er in dit land geen
enkel groen blad aan de boomen; dan is het hier zoo koud, dat de
wolken stuk vriezen en in kleine, witte lapjes naar beneden vallen!»
Het was de sneeuw, die zij bedoelde: maar zij wist het niet anders
te verklaren.
«Vriezen die ondeugende jongens dan ook stuk?» vroegen de jonge
ooievaars.
«Neen, stuk vriezen ze niet; maar ze zijn er dicht aan toe en moeten
in de donkere kamer blijven zitten kniezen. Jelui kunt daarentegen
in vreemde landen rondvliegen, waar men bloemen en warmen zonneschijn
heeft.»
Nu was er al eenigen tijd verloopen; en de jongen waren zoo
groot geworden, dat zij rechtop in het nest konden staan en ver
in de rondte kijken; en de vader der ooievaars kwam alle dagen met
heerlijke kikvorschen, kleine slangen en alle ooievaarslekkernijen,
die hij maar kon vinden. O, wat was dat aardig, als hij hun allerlei
kunstjes voordeed. Zijn kop boog hij heelemaal achterover tot op zijn
staart, met zijn snavel klapperde hij, alsof het een rateltje was,
en dan vertelde hij hun geschiedenisjes allemaal van het moeras.
«Hoort eens, nu moet je leeren vliegen!» zei de moeder der ooievaars
op zekeren dag, en toen moesten al de vier jongen het nest uit en
de dakvorst op. Och, wat waggelden zij, wat balanceerden zij met hun
vleugels; en toch scheelde het niet veel, of zij waren naar beneden
gevallen.
«Kijkt maar eens naar mij!» zei de moeder. «Zoo moet je je kop
houden! Zoo moet je je pooten zetten. Een, twee! Een, twee! Dat is het,
wat je in de wereld vooruit zal doen komen!» Daarop vloog zij een klein
eindje, en de jongen deden een kleinen, onbeholpen sprong. Bom! daar
lagen ze, want hun lichaam was nog niet lenig genoeg.
«Ik wil niet vliegen!» zei een der jongen en kroop weer in het nest;
«het kan mij niet schelen, of ik naar de warme landen toe ga!»
«Wil je hier dan doodvriezen, als het winter wordt? Moeten de jongens
dan komen om je op te hangen, te verbranden of dood te steken? Dan
zal ik ze maar dadelijk roepen!»
«O neen!» zei de jonge ooievaar en huppelde toen weer over het dak,
evenals de andere.
Op den derden dag konden zij al een beetje vliegen, en nu dachten zij,
dat zij ook konden zweven en op de lucht drijven. Dat wilden zij,
maar bom! daar duikelden zij; daarom moesten zij hun vleugels gauw
weer in beweging brengen. Nu kwamen de jongens beneden op de straat
en zongen hun lied:
«Ooievaar! waar vlieg je heen?»
«Zullen we niet naar beneden vliegen en hun de oogen uitpikken?»
vroegen de jongen.
«Neen, doet dat niet!» zei de moeder. «Luistert maar naar mij, dat is
veel meer van belang! Een, twee, drie! nu vliegen we rechts. Een, twee,
drie! nu links om den schoorsteen heen!--Kijk, dat ging waarlijk al
heel goed! De laatste slag met je pooten was zoo netjes en juist, dat
je permissie krijgt, om morgen met mij naar het moeras te vliegen. Daar
komen verscheidene deftige ooievaarsfamilies met haar kinderen bijeen;
toont hun dan, dat de mijne de flinkste zijn en dat je je fatsoenlijk
weet te gedragen; dat staat goed en geeft aanzien!»
«Maar moeten we dan geen wraak nemen op die ondeugende jongens?»
vroegen de jonge ooievaars.
«Laat ze maar schreeuwen, zooveel als ze willen! Jelui vliegt toch
naar de wolken op en komt in het land der piramiden, als zij kou
moeten lijden en geen groen blad, geen zoeten appel hebben!»
«Ja, we zullen ons toch wreken!» fluisterden zij elkaar toe, en daarop
werd er weer geëxerceerd.
Van al de jongens op straat was er geen erger op verzot, het spotlied
te zingen, dan juist diegene, die er mee begonnen was, en dat was nog
maar een heel kleine jongen; hij was zeker niet ouder dan zes jaar. De
jonge ooievaars dachten wel is waar, dat hij honderd jaren telde,
want hij was immers veel grooter dan hun moeder en hun vader, en wat
wisten zij er van, hoe oud kinderen en groote menschen konden zijn! Al
hun wraak zou op dezen jongen neerkomen: hij was het eerst begonnen, en
hij bleef maar volhouden. De jonge ooievaars waren erg nijdig op hem,
en toen zij grooter werden, konden zij hem nog minder uitstaan. Hun
moeder moest hun eindelijk beloven, dat zij gewroken zouden worden,
maar eerst op den laatsten dag van hun verblijf in dit land.
«We moeten eerst eens zien, hoe je je bij de groote manoeuvres zult
houden! Gedraag je je slecht, zoodat de generaal je den snavel door
de borst stoot, dan hebben de jongens immers gelijk, althans in een
zeker opzicht. Laat ons nu eens zien!»
«Ja dat zult ge!» zeiden de jongen, en nu deden zij hun uiterste
best; zij oefenden zich alle dagen en vlogen zoo netjes en zoo vlug,
dat het een lust was om te zien.
Nu kwam de herfst. Al de ooievaars begonnen zich te verzamelen, om
naar de warme landen te trekken, terwijl wij winter hadden. Dat waren
de manoeuvres! Over bosschen en dorpen moesten ze, alleen om te zien,
of ze wel goed konden vliegen; want het was immers een verre reis,
die hun te wachten stond. De jonge ooievaars deden hun zaakjes zoo
goed, dat zij: «Uitmuntend, met kikvorsch en slangen!» kregen. Dat
was het allerbeste getuigenis, en den kikvorsch en de slangen konden
zij opeten; en dat deden ze dan ook.
«Nu zullen we ons wreken!» zeiden zij.
«Wel zeker!» zei de moeder der ooievaars. «Wat ik er op bedacht heb,
is het allerbeste. Ik weet waar de vijver is, waarin al de kleine
menschenkinderen liggen, totdat de ooievaar komt en ze aan de ouders
brengt. De lieve, kleine kinderen slapen en droomen zoo heerlijk, als
zij later nimmer meer doen. Alle ouders willen graag zulk een klein
kind hebben, en alle kinderen willen wel een zusje of een broertje
hebben. Nu zullen we naar den vijver toe vliegen en een daarvan voor
elk der kinderen halen, die dat leelijke lied niet gezongen en de
ooievaars niet in het ootje genomen hebben.»
«Maar hij, die met zingen begonnen is, die ondeugende, leelijke
jongen,» schreeuwden de jonge ooievaars, «wat moeten we met hem
beginnen?»
«Er ligt in den vijver een klein, dood kind, dat zich dood gedroomd
heeft; dat zullen we voor hem meenemen; dan zal hij schreien, omdat
wij hem een klein, dood broertje gebracht hebben; maar dien goeden
jongen,--hem ben je toch niet vergeten, hem, die zei, dat het zonde
was, ons in het ootje te nemen?--hem zullen we zoowel een broertje
als een zusje brengen. En daar de jongen Piet heet, moet jelui ook
allemaal Piet genoemd worden!»
En het gebeurde, zooals zij zeide; en al de ooievaars werden Piet
genoemd, en zoo heeten zij nog.
ZOOALS MANLIEF DOET, IS HET ALTIJD GOED.
Ik zal u eens een sprookje vertellen, dat ik hoorde, toen ik nog
een kleine jongen was; telkens wanneer ik aan dit sprookje dacht,
kwam het mij voor, alsof het gedurig mooier werd; want het gaat met
sprookjes evenals met vele menschen,--zij worden met de jaren mooier.
Op het land zult ge toch zeker wel eens geweest zijn, ge zult
dan ook wel eens zulk een heel oud boerenhuis met een stroodak
gezien hebben. Mos en planten groeien er van zelf op het dak; een
ooievaarsnest bevindt zich op de vorst daarvan,--de ooievaar behoort er
zoo bij. De muren van het huis zijn scheef, de ramen laag, en slechts
een enkel raam is zoo ingericht, dat het kan opengeschoven worden;
de oven springt buiten den muur uit, evenals een kleine, dikke buik;
de vlierboom hangt over de heining heen, en onder zijn takken, aan
den voet der heining, is een vijver, waarin eenige eenden zwemmen. Een
hond, die tegen elk en een ieder blaft, is er ook.
Zulk een boerenhuis stond er buiten op het land, en in dit huis woonden
een paar oude lieden, een boer en zijn vrouw. Hoe weinig zij ook
hadden, iets was daaronder toch, dat zij hadden kunnen missen,--en
wel een paard, dat zich met het gras voedde, dat het aan den weg
vond. De oude boer reed op dit paard naar de stad, dikwijls leenden
zijn buren het ook van hem en bewezen daarvoor aan de oude lieden
menigen wederdienst. Maar het raadzaamst zou het toch wel zijn, als
zij dit paard verkochten of het tegen iets anders, dat hun meer van
nut kon zijn, verruilden. Maar wat zou dit wel zijn?
«Dat zal jij het best weten, man!» zei zijn vrouw tegen hem. «Vandaag
is het juist jaarmarkt, rijd naar de stad, geef het paard voor geld
weg of doe er een goeden ruil voor: zooals jij doet, is het mij altijd
goed. Rijd maar naar de jaarmarkt toe!»
Zij deed hem zijn das om, want daar had zij meer verstand van dan hij;
zij maakte deze met een dubbelen strik vast: dat stond heel goed! Zij
streek zijn hoed met haar hand op en gaf hem toen een hartelijken
zoen. Daarop reed hij weg op het paard, dat moest verkocht of in ruil
gegeven worden. Ja, de oude man heeft daar wel verstand van!
De zon scheen warm, geen wolkje was er aan den hemel te zien. Op den
weg stoof het geducht; vele menschen, die de jaarmarkt wilden bezoeken,
reden er te paard of in een rijtuig heen, of legden den weg te voet
af. Nergens was eenige schaduw tegen de brandende stralen der zon.
Onder anderen ging er ook iemand dien weg langs, die een koe naar de
markt dreef. De koe was zoo mooi, als een koe maar wezen kan. «Die
geeft zeker ook goed melk!» dacht de boer; «dat zou een goede ruil
zijn: de koe voor het paard!»
«Heidaar!» riep hij den man, die met de koe liep, toe; «weet je
wat? Een paard, zou ik meenen, kost meer dan een koe; maar dat is
mij om 't even; ik kan meer dienst, van een koe hebben, als je er
lust in hebt, dan zullen wij ruilen!»
«Zeker wil ik dat!» zei de man met de koe, en nu ruilden zij.
Dat was alzoo afgedaan, en de boer had nu best weer kunnen terugkeeren;
want hij had nu immers afgedaan, waarom het hem te doen was; maar
daar hij zich eenmaal op de jaarmarkt gespitst had, wilde hij er ook
naar toe, alleen maar om deze eens te zien, en daarom ging hij met
zijn koe naar de stad.
Terwijl hij de koe meevoerde, liep hij verder, en na verloop van
eenigen tijd kwam hij een man voorbij, die een schaap voor zich
uitdreef. Het was een goed, vet schaap, en het had goede wol.
«Dat zou ik wel willen hebben,» dacht onze boer, «het zou bij ons
volop gras vinden, en gedurende den winter konden wij het bij ons in
de keuken nemen. Eigenlijk zou het verkieslijker zijn een schaap in
plaats van een koe te hebben... Willen wij ruilen?» vroeg hij.
Daartoe was de man met het schaap terstond bereid, en de ruiling had
plaats. Onze boer ging met het schaap langs den straatweg verder.
Al spoedig werd hij andermaal een man gewaar, die den straatweg langs
kwam en een groote gans onder den arm droeg.
«Dat is een zwaar ding, dat je daar hebt; het heeft veeren en vet,
dat het een lust is om te zien; het zou wel aardig zijn, als dat bij
ons aan een touw bij het water liep. Dat zou net zoo iets voor mijn
vrouw zijn; daarvoor kon zij allerlei afval opzamelen. Hoe dikwijls
heeft zij niet gezegd: als wij maar eens een gans hadden! Nu kan zij
er misschien een krijgen... en komaan! zij zal er een hebben... Willen
wij ruilen? Ik geef je het schaap voor de gans en een bedankje op
den koop toe.»
Daar had de ander niets tegen in te brengen, en zoo ruilden zij
dan. Onze boer kreeg de gans.
Nu was hij reeds dicht bij de stad: het gedrang op den straatweg nam
gedurig toe; menschen en vee verdrongen elkaar: zij liepen op den
straatweg langs de heggen, ja, bij den slagboom kwamen zij zelfs
op het aardappelveld van een daglooner, waar zijn eenige kip aan
een touw rondliep, opdat zij niet van het gedrang zou schrikken,
afdwalen en wegloopen. De kip had korte veeren in haar staart, zij
knipte met haar eene oog en zag er zeer schrander uit. «Klok! Klok!»
zei de kip. Wat zij daarbij dacht, weet ik niet te zeggen; maar toen
onze boer haar te zien kreeg, dacht hij terstond: «Dat is de mooiste
kip, die ik ooit gezien heb, zij is zelfs mooier dan de broedhen van
dominee. Drommels! Die kip zou ik wel willen hebben! Een kip vindt
altijd wel een graantje; zij kan zich bijna geheel zelf voeden; ik
geloof, dat het een goede ruil zou zijn, als ik haar voor de gans
kon krijgen... Willen we ruilen?» vroeg hij den daglooner.
«Ruilen?» herhaalde deze, «ja, dat zou niet kwaad zijn!» En zoo
ruilden zij. De daglooner kreeg de gans en de boer kreeg de kip.
Zoo had hij al heel wat op de reis naar de stad afgedaan; warm was
het ook, en hij was moede. Aan een slokje en aan een ontbijt had hij
wel behoefte; al spoedig daarop bevond hij zich bij de herberg. Hij
wilde juist naar binnen gaan, toen de huisknecht er uit kwam; zij
ontmoetten elkaar op den drempel. De knecht droeg een gevulden zak.
«Wat heb je daar in dien zak zitten?» vroeg de boer,
«Verrotte appelen,» antwoordde de knecht, «een heelen zak vol, genoeg
voor de varkens.»
«Dat is toch een al te groote verkwisting. Dat zou ik wel eens aan
mijn vrouw willen laten zien. Verleden jaar heeft de oude boom bij
het turfhok maar een enkelen appel opgeleverd; die werd afgeplukt en
stond op de kast, totdat hij geheel bedierf en verrotte. «Dat is toch
altijd iets,» zei mijn vrouw «Wat zou zij opkijken, als zij eens een
heelen zak vol zag! Ja, dat zou ik haar wel eens gunnen!»
«Wat wil je voor den zak geven?» vroeg de knecht.
«Wat ik er voor geven wil? Ik geef mijn kip daarvoor in ruil,» en hij
gaf de kip in ruil, kreeg de appelen en trad daarmee de gelagkamer
binnen. Den zak zette hij voorzichtig, tegen de kachel aan en ging
toen naar het buffet. Maar de kachel was warm, daaraan dacht hij
niet.--Er waren vele gasten aanwezig: paardenkoopers, ossendrijvers
en twee Engelschen, en die Engelschen waren zoo rijk, dat hun zakken
met goudstukken opgevuld waren en er bijna van barstten;--en wedden,
dat zij konden! Daar zult ge eens wat van hooren!
«Ss! Ss!»--Wat was dat bij de kachel?--De appelen begonnen te braden.
«Wat is dat toch?»
«Ja, zie je,» zei onze boer, en nu vertelde hij de heele geschiedenis
van het paard, dat hij tegen een koe verruild had en zoo verder tot
aan de appelen.
«Nu, dan zal je vrouw wel duchtig op je knorren, als je thuis
komt. Daar zit wat voor je op!» zeiden de Engelschen.
«Wat? Knorren?» zei de boer. «Een zoen zal zij mij geven en zeggen:
zooals manlief doet, is het altijd goed.»
«Willen wij eens wedden?» zeiden de Engelschen. «Om gemunt goud per
ton van een centenaar of honderd pond?»
«Een zak is al voldoende,» antwoordde de boer. «Ik kan er slechts
mijn zak met appelen tegen zetten.»
«Aangenomen.» En de weddingschap werd aangegaan.
Het rijtuig van den kastelein kwam voor, de Engelschen en de boer
stapten er in; voorwaarts ging het, en al spoedig daarop hielden zij
voor het huis van den boer stil.
«Goeden avond, vrouw!»
«Goeden avond, man!»
«De ruil is gedaan.»
«Ja, jij verstaat je zaken wel!» zei de vrouw, terwijl zij hem omhelsde
en noch op den zak, noch op de vreemde gasten lette.
«Ik heb een koe voor het paard geruild»
«Goddank! Nu zullen we melk krijgen en boter en kaas op de tafel! Dat
was een goede ruil!»
«Ja, maar de koe heb ik weer tegen een schaap ingeruild.»
«Wel, dat is des te beter!» antwoordde zijn vrouw, «je denkt ook
altijd aan alles; voor een schaap hebben wij gras genoeg; schapenmelk
en schapenkaas en wollen kousen en wollen rokken! Dat geeft de koe
niet, zij verliest haar haren maar. Wat denk je ook aan alles!»
«Maar het schaap heb ik weer tegen een gans verruild.»
«Zullen wij dit jaar dan werkelijk eens een gebraden gans op tafel
hebben, manlief? Je denkt er altijd aan, mij een plezier te doen. Wat
is dat heerlijk! De gans kunnen we aan een touw vastzetten en haar
nog vetter laten worden, voordat wij haar braden.»
«Maar de gans heb ik tegen een kip verruild!» zei haar man.
«Een kip! Dat was een goede ruil!» antwoordde zijn vrouw.
«De kip legt eieren, die broedt zij uit, dan krijgen wij kuikentjes
en later een heelen troep kippen! Kijk, daar heb ik al zoo lang
naar verlangd!»
«Ja, maar de kip gaf ik weer voor een zak vol rotte appelen weg!»
«Wat? Nu moet ik je eens een hartelijken zoen geven!» hernam de
vrouw. «Mijn lieve, beste man! Ik zal je eens wat vertellen. Zie je,
toen je van morgen pas weg waart, dacht ik er over na, hoe ik tegen,
van avond eens wat lekkers voor je klaar zou maken. Toen dacht ik
aan spekpannekoeken met appelen. De eieren had ik al, het spek ook,
maar de appelen ontbraken mij nog. Zoo ging ik dan naar meesters vrouw
toe; zij heeft appelen, dat weet ik; maar meesters vrouw is gierig,
al weet zij zich ook nog zoo mooi voor te doen. Ik verzocht haar, mij
wat appelen te leenen. «Leenen?» gaf zij ten antwoord. «Geen enkele
appel groeit er in onzen tuin, niet eens een rotte; zoo een kan ik
je niet eens leenen, beste vrouw!» Maar nu kan _ik haar_ wel tien,
ja een heelen zak vol leenen. Dat doet mij plezier, dat is om mij
dood te lachen!»--En daarbij zoende zij hem, dat het klapte.
«Dat bevalt mij!» riepen de Engelschen als uit éen mond. «Altijd
minder en toch altijd vroolijk. Dat is het geld wel waard!»
En nu betaalden zij een centenaar gouden munten aan den boer, die
niet beknord, maar gezoend werd.
Ja, dat vindt altijd zijn loon, als de vrouw het inziet en het ook
altijd zegt, dat de man het het beste weet en dat al wat hij doet,
goed is.
Zie, dat is mijn geschiedenis. Ik heb haar reeds als kind gehoord,
en nu hebt gij haar ook gehoord en weet het nu: «Zooals manlief doet,
is het altijd goed!»
DE GROOTE KLAAS EN DE KLEINE KLAAS.
In zeker dorp woonden twee menschen, die beiden denzelfden naam
hadden. Beiden heetten Klaas, maar de een bezat vier paarden
en de ander maar een enkel paard. Om ze nu van elkaar te kunnen
onderscheiden, noemde men hem, die vier paarden had, den grooten Klaas,
en hem die maar één paard had, den kleinen Klaas. Nu willen we eens
hooren, hoe het met beiden ging; want het is een ware geschiedenis.
De heele week door moest de kleine Klaas voor den grooten Klaas ploegen
en hem zijn eenig paard leenen; dan hielp de groote Klaas hem weer
met al zijn vier, doch slechts eenmaal in de week, en dat was des
Zondags. Jongens! wat klapte de kleine Klaas dan met zijn zweep boven
al de vijf paarden; zij waren immers op dien eenen dag zoo goed als
de zijne. De zon scheen heerlijk, en al de klokken in den kerktoren
luidden; de menschen hadden hun beste kleeren aangetrokken en gingen
met hun gezangboek onder den arm naar de kerk, om den dominee te hooren
preeken; zij zagen den kleinen Klaas, die met vijf paarden ploegde,
en deze was zoo in zijn schik, dat hij al door weer met zijn zweep
klapte en riep: «Voort, mijn paardjes!»
«Zoo moet je niet spreken,» zei de groote Klaas; «het eene paard is
immers maar van jou.»
Maar toen er weer iemand voorbijkwam, vergat de kleine Klaas, dat
hij dit niet mocht zeggen, en riep: «Voort, mijn paardjes!»
«Hoor eens! Nu moet ik je verzoeken, het niet meer te zeggen!» zei de
groote Klaas weer, «want als je het nog eenmaal zegt, dan geef ik je
paard een slag voor den kop, dat het dood neervalt; dan is het met
hem gedaan!»
«Ik zal het waarlijk niet meer zeggen!» hernam de kleine Klaas. Maar
toen er al spoedig daarop weer menschen voorbijkwamen en hem
toeknikten, werd hij blijde en dacht, dat het toch wel heel deftig
moest staan, dat hij zoo vijf paarden had, om zijn land te beploegen;
nu klapte hij andermaal met zijn zweep en zei: «Voort, mijn paardjes»
«Ik zal je dat wel afleeren!» zei de groote Klaas en nam een knuppel
en sloeg het eenige paard van den kleinen Klaas daarmee zoo duchtig
voor den kop, dat het omviel en terstond dood was.
«Ach, nu heb ik geen paard meer!» zei de kleine Klaas en begon te
weenen. Daarop stroopte hij het paard de huid af en liet deze goed in
den wind drogen, stopte haar toen in een zak, dien hij op den schouder
nam, en begaf zich naar de stad om zijn paardenhuid te verkoopen.
Hij had een verren tocht af te leggen, hij moest een groot, donker
bosch door, en nu werd het een verschrikkelijk slecht weer; hij raakte
heelemaal verdwaald, en voordat hij weer op den rechten weg kwam,
was het avond en te ver om de stad nog te bereiken of voor den nacht
naar huis terug te keeren.
Vlak aan den weg stond een groote boerenplaats; de buitenluiken voor de
ramen waren gesloten; maar het licht kon daaroverheen toch naar buiten
schijnen. «Daar zal men mij wel willen vergunnen, den nacht door te
brengen,» dacht de kleine Klaas en ging er naar toe, om aan te kloppen.
De boerin deed de deur open; maar toen zij hoorde, wat hij wilde, zeide
zij, dat hij maar zijns weegs moest gaan; haar man was niet thuis,
en zij wilde aan iemand, die haar wildvreemd was, geen onderkomen
verschaffen.
«Nu, dan moet ik maar buiten blijven liggen,» zei de kleine Klaas,
en de boerin deed hem de deur voor den neus dicht.
Dicht daarbij stond een groote hooiberg, en tusschen deze en het huis
een kleine schuur, die met een plat stroodak bedekt was.
«Daar boven kan ik wel liggen!» dacht de kleine Klaas, toen hij het
dak zag. «Dat is immers een heerlijk bed. De ooievaar zal wel niet
naar beneden vliegen en mij in mijn beenen bijten!» Want op het dak
stond een levende ooievaar, die daar zijn nest had.
Nu klom de kleine Klaas boven op de schuur, waar hij zich neerlegde en
zich al heen en weer wentelde, om toch recht gemakkelijk te liggen. De
houten luiken voor de ramen waren niet heelemaal tot boven aan toe,
en zoo kon hij juist in de kamer zien.
Daar stond een groote tafel gedekt, met wijn en gebraden vleesch en
een heerlijken visch er op; de boerin en de koster zaten aan tafel,
maar niemand anders; zij schonk hem in, en hij stak zijn vork in de
visch, want dit was zijn lievelingskost.
«Kon ik daar ook maar wat van krijgen!» dacht de kleine Klaas en
strekte zijn hoofd naar het raam uit. Och! welk een heerlijken koek
zag hij op tafel staan! Stellig was het daar feest!
Nu hoorde hij iemand op den straatweg aankomen en naar het huis toe
rijden; dat was de man der boerin, die naar huis terugkeerde.
Die man was goed genoeg; maar hij had de verwonderlijke eigenschap,
dat hij geen koster kon uitstaan; als hij een koster in het oog
kreeg, dan werd hij razend. Dat was ook de reden, waarom de koster
naar zijn vrouw toe gegaan was, om haar een bezoek te brengen, daar
hij wist, dat haar man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem
daarom het heerlijkste eten voor, dat zij maar had. Toen zij den man
echter hoorden aankomen, verschrikten zij, en de vrouw verzocht den
koster, in een groote leege kist te kruipen. Dat deed hij; want hij
wist immers, dat de arme man het niet kon verdragen, een koster te
zien. De vrouw verborg in aller ijl het heerlijke eten en den wijn
in haar oven; want als haar man dit te zien gekregen had, dan zou
hij zeker gevraagd hebben, wat dit moest beteekenen.
«Och, och!» zei de kleine Klaas boven op zijn schuur, toen hij het
eten zag verdwijnen.
«Is er iemand daarboven?» vroeg de boer en keek naar den kleinen
Klaas op. «Waarom lig je daar? Ga liever met mij mee in huis!»
Nu vertelde de kleine Klaas, hoe hij verdwaald geraakt was, en vroeg,
of hij hier gedurende den nacht mocht blijven.
«Wel zeker!» zei de boer, «maar wij moeten eerst wat te eten hebben.»
De vrouw ontving beiden zeer vriendelijk, dekte de tafel en zette
hun een grooten schotel met gort voor. De boer had honger en at met
den meesten smaak; maar de kleine Klaas kon zich niet weerhouden,
aan het heerlijke gebraden vleesch, den visch en den koek te denken,
die, zooals hij wist, in den oven stonden.
Onder de tafel, aan zijn voeten, had hij den zak met de paardehuid er
in neergelegd; want wij weten immers, dat hij zich ter wille daarvan
op weg begeven had, om deze in de stad te verkoopen. De gort wilde
hem maar niet smaken, en daarom trapte hij op zijn zak, en de droge
huid in den zak maakte nu een knarsend geluid.
«Stil!» zei de kleine Klaas tegen zijn zak, maar te gelijker tijd
trapte hij er weer op, en nu knarste het er nog luider dan te voren in.
«Wat heb je toch in je zak zitten?» vroeg de boer nu.
«O, dat is een toovenaar!» zei de kleine Klaas. «Hij zegt, dat wij
geen gort behoeven te eten; want dat hij den heelen oven vol gebraden
vleesch, visch en koek getooverd heeft.»
«Wat weerga!» zei de boer en deed nu den oven dadelijk open, waarin
hij al de heerlijke, lekkere spijzen zag staan, die zijn vrouw daarin
weggestopt had, maar die, zooals hij nu geloofde, de toovenaar in den
zak voor hen getooverd had. De vrouw dorst niets zeggen, maar zette de
spijzen terstond op de tafel neer, en zoo aten beiden van den visch,
van het gebraden vleesch en van den koek. Nu trapte de kleine Klaas
weer op zijn zak, zoodat de huid knarste.
«Wat zegt hij nu weer?» vroeg de boer.
«Hij zegt,» antwoordde de kleine Klaas, «dat hij ook drie flesschen
wijn voor ons getooverd heeft, en dat zij daar in den hoek bij den
oven staan!» Nu moest de vrouw den wijn, dien zij verborgen had,
voor den dag krijgen, en de boer dronk en werd zeer vroolijk! Zulk
een toovenaar, als de kleine Klaas in den zak had, zou hij wel graag
gehad hebben.
«Kan hij den duivel ook te voorschijn brengen?» vroeg de boer. «Ik
zou hem wel eens willen zien!»
«Ja,» zei de kleine Klaas, mijn toovenaar kan alles, wat ik
verlang. Niet waar?» vroeg hij en trapte op den zak, zoodat hij
knarste. «Hoor je wel? Hij zegt ja. Maar de duivel ziet er heel
leelijk uit; je zult hem zeker liever niet willen zien!»
«O, ik ben volstrekt niet bang. Hoe zou hij er wel uitzien?»
«Hij zal zich precies als een koster voordoen.»
«Foei!» zei de boer, «dat is leelijk! Je moet weten, dat ik het niet
kan uitstaan, een koster te zien. Maar dat doet er niet toe; ik weet
immers, dat het de duivel is; dus zal ik er mij wel in schikken! Nu
heb ik moed! Maar hij mag niet te dicht bij mij komen.»
«Nu, ik zal het aan mijn toovenaar vragen,» zei de kleine Klaas,
trapte op den zak en hield er zijn oor aan.
«Wat zegt hij?»
«Hij zegt, dat je de kist maar moet opendoen, die daar in den hoek
staat; dan zal je den duivel zien, zooals hij daarin op zijn hurken
zit; maar je moet het deksel vasthouden, want anders mocht hij eens
ontsnappen.»
«Wil je mij helpen om het vast te houden?» vroeg de boer en ging naar
de kist toe, waarin zijn vrouw den werkelijken koster verborgen had,
die daarin zat en zich doodelijk ongerust maakte.
De boer deed het deksel eventjes open en keek in de kist.
«Foei!» schreeuwde hij en deinsde terug. «Ja, nu heb ik hem gezien:
hij zag er precies uit als onze koster. Dat was verschrikkelijk!»
Daarop moest er gedronken worden, en zoo dronken zij dan tot laat in
den nacht.
«Dien toovenaar moet je mij verkoopen,» zei de boer. «Vraag daarvoor
al wat je maar wilt. Ja, ik geef je er op staanden voet een schepel
vol geld voor!»
«Neen, dat kan ik niet,» zei de kleine Klaas. «Bedenk toch, hoeveel
nut ik van dezen toovenaar kan hebben.»
«Och, ik zou hem toch graag willen hebben,» vervolgde de boer en ging
voort met smeeken.
«Welnu,» zei de kleine Klaas eindelijk, «daar je zoo goed geweest
bent, mij van nacht een onderkomen te verschaffen, zal ik het maar
doen. Je kunt den toovenaar voor een schepel vol geld krijgen.»
«Dat zul je hebben,» zei de boer. «Doch die kist daar moet je maar
meenemen: ik wil haar geen uur langer in huis houden; men kan het
nooit weten: misschien zit hij er nog wel in.»
De kleine Klaas gaf den boer zijn zak met de paardehuid er in en kreeg
daarvoor een schepel vol geld. De boer gaf hem zelfs nog een kar,
om het geld en de kist daarop mee te nemen.
«Vaarwel!» zei de kleine Klaas en reed met zijn geld en de groote kist,
waarin de koster nog zat, weg.
Aan den anderen kant van het bosch was een breede, diepe rivier;
het water stroomde daarin met zooveel snelheid, dat men tenauwernood
tegen den stroom in kon zwemmen; men had er een groote, nieuwe brug
overheen gelegd; de kleine Klaas bleef op het midden daarvan staan
en zei overluid, opdat de koster het zou kunnen hooren:
«Wat moet ik nu met die lompe kist beginnen? Zij is zoo zwaar, alsof er
steenen in zaten! Ik word er maar moe van, haar verder voort te rijden;
ik zal haar in de rivier werpen; drijft zij naar mijn huis toe, dan
is het goed, en doet zij dit niet, dan komt het er ook niet op aan.»
Nu pakte hij de kist met zijn eene hand beet en tilde haar een weinig
op, alsof hij haar in het water wilde gooien.
«Och, doe dat niet!» riep de koster uit de kist. «Laat mij er eerst
uit.»
«Hu!» zei de kleine Klaas en hield zich, alsof hij bang was. «Hij
zit er nog in! Dan moet ik hem gezwind in de rivier werpen, om hem
te verdrinken.»
«O neen, neen!» riep de koster. «Ik zal je een geheel schepel vol
geld geven, als je er mij uitlaat.»
«Zoo, dat is wat anders!» zei de kleine Klaas en deed de kist open. De
koster kroop er gauw uit, stiet de leege kist in het water en ging
naar zijn huis, waar de kleine Klaas een schepel vol geld kreeg. Hij
had er al een van den boer gekregen, en zoo had hij dan nu zijn heele
kar vol geld.
«Nu, het paard heb ik goed betaald gekregen!» zei hij bij zich zelf,
toen hij te huis in zijn kamer al het geld op een hoop uitschudde. «Dat
zal den grooten Klaas ergeren, als hij verneemt, hoe rijk ik door
mijn ééne paard geworden ben; maar ik wil het hem toch niet met ronde
woorden zeggen!»
Nu zond hij een jongen naar den grooten Klaas toe, om van hem een
schepelmaat te leenen.
«Wat zou hij daarmee toch willen doen?» dacht de groote Klaas en
smeerde teer op den bodem daarvan, opdat er van hetgeen er in gemeten
werd, iets aan zou blijven hangen. En dat gebeurde ook; want toen
hij de schepelmaat terugkreeg, hingen er drie nieuwe zilverstukken aan.
«Wat is dat?» zei de groote Klaas en liep dadelijk naar den kleinen
Klaas toe. «Waar heb je al dat geld toch vandaan gekregen?»
«O, dat is voor mijn paardenhuid; die heb ik gisteravond verkocht.»
«Dat is waarlijk goed betaald!» zei de groote Klaas, liep gezwind naar
huis, nam een bijl, gaf aan al zijn vier paarden een slag voor den kop,
stroopte hun de huid af en reed met deze huiden naar de stad toe.
«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij door de straten.
Alle schoenmakers en leerlooiers kwamen aanloopen en vroegen, wat
hij er voor moest hebben.
«Een schepel vol geld voor elke huid,» zei de groote Klaas.
«Ben je niet wijs?» riepen allen uit. «Denk je, dat we het geld zoo
maar bij schepels hebben?»
«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij weer, en aan al
degenen, die hem vroegen, wat de huiden moesten kosten, gaf hij ten
antwoord: «Een schepel vol geld!»
«Hij wil ons beetnemen!» zeiden allen; daarop namen de schoenmakers
hun spanriemen en de leerlooiers hun schootsvellen, en gaven den
grooten Klaas daarmee een duchtig pak slaag.
«Huiden, huiden!» voegden zij hem op een spottenden toon toe; «ja, wij
zullen je huid looien, zoodat het bloed er bij neerloopt. De stad uit
met hem!» riepen zij, en de groote Klaas moest zich zoo hard wegmaken,
als hij maar kon; want zulk een pak slaag had hij nog nooit van zijn
leven gehad.
«Nu!» zeide hij, toen hij thuis kwam, «dat zal ik den kleinen Klaas
betaald zetten! Ik zal hem daarvoor doodslaan.»
In het huis van den kleinen Klaas was zijn grootmoeder gestorven. Zij
was wel is waar heel lastig en slecht voor hem geweest; maar hij was
toch diep bedroefd en nam de doode vrouw op en legde haar in zijn warme
bed, om te zien of zij niet tot het leven zou terugkeeren. Daar moest
zij den heelen nacht liggen; hij zelf zou in den hoek gaan zitten en
op een stoel slapen; dat had hij wel meer gedaan.
Toen hij daar nu in den nacht zat, ging de deur open, en nu trad de
groote Klaas met zijn bijl binnen. Hij wist wel, waar het ledekant
van den kleinen Klaas stond, ging daar regelrecht naar toe en sloeg
diens grootmoeder voor het hoofd, daar hij dacht, dat het de kleine
Klaas was.
«Ziezoo!» zeide hij. «Nu zal je mij niet meer beethebben!» Daarop
keerde hij naar zijn huis terug.
«Dat is toch een slechte kerel!» dacht de kleine Klaas. «Hij wilde
mij doodslaan. Het was maar gelukkig, dat grootmoeder al dood was;
anders zou hij haar van het leven beroofd hebben!»
Nu trok hij zijn grootmoeder haar Zondagsche kleeren aan, leende
van zijn buurman een paard, spande dit voor den wagen en zette zijn
grootmoeder op de achterste bank, zoodat zij er niet kon uitvallen,
als hij reed; en zoo reden zij weg en gingen het bosch door. Toen
nu de zon opging, kwamen zij aan een groote herberg; daar hield de
kleine Klaas stil en ging er in, om wat te gebruiken.
De waard had zeer veel geld; hij was een heel goedhartig man, maar
erg oploopend.
«Goeden morgen!» zei hij tegen den kleinen Klaas. «Je bent er van
morgen al vroeg op uitgegaan!»
«Ja,» zei de kleine Klaas; «ik moet met mijn grootmoeder naar de stad
toe; zij zit op den wagen, en ik kan haar niet in huis brengen. Wil
je haar niet een glas wijn geven? Maar je moet heel luid spreken,
want zij kan niet goed hooren!»
«Ja, dat zal ik doen!» zei de waard en schonk een groot glas wijn in,
waarmee hij naar de doode grootmoeder toe ging, die rechtop in den
wagen gezet was.
«Hier is een glas wijn van uw kleinzoon!» zei de waard. Maar de doode
vrouw sprak geen enkel woord en bleef roerloos zitten.
«Hoor je mij niet?» riep de waard nu zoo hard als hij maar kon;
«hier is een glas wijn van uw kleinzoon!»
Nog eenmaal riep hij hetzelfde, en toen nog eenmaal; maar daar
zij zich volstrekt niet verroerde, werd hij boos en wierp haar het
glas in het gezicht, zoodat de wijn haar over den neus liep en zij
achterover in den wagen viel; want zij was maar los overeind gezet
en niet vastgebonden.
«Wat heb je daar gedaan?» riep de kleine Klaas, snelde de deur uit
en pakte den waard bij den kraag beet. «Je hebt mijn grootmoeder
gedood! Kijk maar eens! Er zit een groot gat in haar voorhoofd!»
«O, dat is ongelukkig!» riep de waard en sloeg zich met de handen
voor het hoofd. «Dat komt alles van mijn opvliegendheid! Beste kleine
Klaas! ik zal je een schepel vol geld geven en je grootmoeder laten
begraven, alsof het mijn eigen was; maar zwijg er dan ook over,
want anders wordt mij het hoofd afgeslagen, en dat zou ik niet heel
plezierig vinden!»
Zoo kreeg de kleine Klaas een schepel vol geld, en de waard begroef
de grootmoeder, alsof het zijn eigen geweest was.
Toen nu de kleine Klaas weer met het vele geld thuis kwam, zond hij
zijn jongen dadelijk naar den grooten Klaas toe, om hem te verzoeken,
hem een schepelmaat te leenen.
«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik hem niet doodgeslagen? Dat
moet ik toch zelf eens gaan zien!» En zoo ging hij zelf met de
schepelmaat naar den kleinen Klaas.
«Waar heb je toch al dat geld vandaan gekregen?» vroeg hij en zette
groote oogen op, toen hij alles zag, wat er nog bijgekomen was.
«Je hebt mijn grootmoeder doodgeslagen, maar mij niet!» zei de
kleine Klaas; «die heb ik nu verkocht en er een schepel vol geld
voor gekregen.»
«Dat is waarlijk goed betaald,» zei de groote Klaas en snelde naar
huis toe, nam een bijl en sloeg zijn grootmoeder dadelijk dood, zette
haar op zijn wagen, reed haar naar de stad, waar de apotheker woonde,
en vroeg hem, of hij ook een lijk wilde koopen.
«Wie is het, en hoe kom je er aan?» vroeg de apotheker.
«Het is mijn grootmoeder!» zei de groote Klaas. «Ik heb haar
doodgeslagen, om er een schepel vol geld voor te krijgen!»
«God beware ons!» riep de apotheker uit. «Je spreekt wartaal. Zeg zulke
dingen toch niet, anders kon het je je hoofd wel eens kosten!»--En nu
vertelde hij hem omstandig, wat voor een goddelooze daad hij begaan
had, en wat voor een slecht mensch hij was, en dat hij er voor gestraft
moest worden; toen verschrikte de groote Klaas zoozeer, dat hij uit
de apotheek op den wagen sprong, duchtig op de paarden lossloeg en
naar huis reed. Maar de apotheker en al de menschen dachten, dat hij
krankzinnig was, en daarom lieten zij hem rijden, waarheen hij wilde.
«Daar zul je voor boeten!» zei de groote Klaas, toen hij buiten op
den straatweg was. «Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!»
Toen nam hij, zoodra hij thuis kwam, den grootsten zak, dien hij maar
vinden kon, ging naar den kleinen Klaas toe en zei: «Nu heb je mij al
weer beetgehad! Eerst heb ik mijn paarden doodgeslagen en toen mijn
grootmoeder! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zult mij niet meer
beethebben!» Dit zeggende, pakte hij den kleinen Klaas om zijn lijf
beet en stak hem in zijn zak, nam dezen op zijn rug en riep hem toe:
«Nu ga ik met je weg en verdrink je!»
Het was een verre weg, dien hij af te leggen had, voordat hij bij de
rivier kwam, en de kleine Klaas was niet zoo gemakkelijk te dragen. De
weg liep vlak voorbij de kerk, het orgel speelde en de menschen zongen
zoo mooi! Nu zette de groote Klaas zijn zak met den kleinen Klaas er
in dicht bij de kerkdeur neer en dacht, dat het niet kwaad zou zijn,
de kerk in te gaan en een psalm aan te hooren, voordat hij verder
ging. De kleine Klaas kon er immers niet uit komen, en al de menschen
waren in de kerk: zoo ging hij er dan in.
«Och hemel, och hemel!» zuchtte de kleine Klaas in den zak en draaide
en keerde zich al; maar het was hem niet mogelijk, het touw los te
krijgen. Nu kwam er een stokoude veehoeder aan met sneeuwwit haar
en een grooten stok in de hand; hij dreef een groote kudde koeien
en stieren voor zich uit; deze liepen tegen den zak aan, waarin de
kleine Klaas zat, zoodat hij omver viel.
«Och, och!» zuchtte de kleine Klaas. «Ik ben nog zoo jong en moet nu
al naar den hemel toe!»
«En ik, ongelukkige!» zei de veehoeder, «ik ben al zoo oud en kan er
nog maar niet in komen.»
«Doe den zak open!» riep de kleine Klaas, «kruip er in mijn plaats in,
dan kom je oogenblikkelijk in den hemel!»
«O, dat wil ik met alle plezier doen,» zei de veehoeder en maakte
den zak open, waar de kleine Klaas nu dadelijk uitkroop.
«Wil je nu ook op het vee passen?» vroeg de grijsaard en kroop in
plaats van den kleinen Klaas in den zak, waarna deze hem dichtbond
en met al de koeien en stieren zijns weegs ging.
Al spoedig daarop kwam de groote Klaas uit de kerk en nam zijn zak weer
op den rug, ofschoon het hem toescheen, alsof deze lichter geworden
was; want de oude veehoeder was maar half zoo zwaar als de kleine
Klaas. «Wat is hij nu toch gemakkelijk te dragen! Dat komt zeker,
omdat ik een psalm gehoord heb.» Zoo ging hij dan naar de rivier toe,
die diep en breed was, wierp er den zak met den ouden veehoeder in en
riep hem achterna, want hij dacht immers, dat de kleine Klaas er in
zat: «Blijf daar nu maar liggen! Nu zul je mij niet meer beet hebben!»
Daarop ging hij naar huis; maar toen hij bij den kruisweg kwam,
ontmoette hij den kleinen Klaas, die zijn vee voortdreef.
«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik je niet verdronken?»
«Ja,» zei de kleine Klaas. «Je hebt mij immers een klein half uurtje
geleden in de rivier geworpen.»
«Maar hoe ben je aan dat prachtige vee gekomen?» vroeg de groote Klaas.
«Dat is watervee!» zei de kleine Klaas. «Ik zal je de heele
geschiedenis vertellen; maar eerst moet ik je er wel voor bedanken, dat
je mij verdronken hebt, want nu ben ik er boven op, nu ben ik waarlijk
rijk!--Wat was het mij bang te moede, toen ik in den zak zat! De wind
floot mij om de ooren, toen je mij van de brug naar beneden in het
koude water gooide. Ik zonk dadelijk naar den grond, maar ik stiet mij
niet, want daar beneden groeit het mooiste, zachtste gras. Daar kwam
ik op terecht, en terstond ging de zak open; het bekoorlijkste meisje
in sneeuwwitte kleederen en met een groenen krans om het natte haar
nam mij bij de hand en zei: «Ben je daar, kleine Klaas? Daar heb je
vooreerst eenig vee! Een mijl verder op den weg staat nog een heele
kudde, die ik je wil geven!»--Nu zag ik, dat de rivier een grooten
straatweg voor de bewoners van het water vormde. Onder op den grond
liepen en reden zij juist van de zee af en het land in tot daar,
waar de rivier eindigde. Daar was het vol bloemen en frisch gras;
de visschen, die in het water zwommen, schoten mij voorbij de ooren,
evenals hier de vogels in de lucht. Wat waren er daar mooie menschen,
en wat was daar voor vee, dat in grachten en in slooten graasde!»
«Maar waarom ben je dadelijk weer naar boven gekomen?» vroeg de
groote Klaas. «Dat zou ik niet gedaan hebben, als het daar beneden
zoo mooi is!»
«Ja,» zei de kleine Klaas, «dat is juist slim van mij gehandeld. Je
hebt immers wel gehoord, dat ik je verteld heb, dat de zeemeermin
tegen mij zei, dat er een mijl verder op den weg,--en met dien weg
bedoelde zij natuurlijk de rivier, want zij kan nergens anders naar
toe komen,--nog een heele kudde vee voor mij stond. Maar ik weet,
wat voor krommingen de rivier maakt, nu eens hier, dan weer daar,
dat is immers een verre omweg; neen, dan kan men het korter afdoen,
als men hier aan land stapt en dwars over het veld weer naar de rivier
toe loopt; daarbij haal ik immers bijna een halve mijl uit en kom
spoediger bij mijn watervee!»
«O, je bent toch een gelukkig man!» zei de groote Klaas. «Zou je
denken, dat ik ook watervee kreeg, als ik op den bodem der rivier
kwam?»
«Ja, dat denk ik wel,» zei de kleine Klaas. «Maar ik kan je niet in
den zak naar de rivier dragen; je bent mij te zwaar! Wil je er zelf
naar toe loopen en in den zak kruipen, dan wil ik je er met alle
plezier ingooien.»
«Heel graag!» zei de groote Klaas. «Maar wanneer ik geen watervee
krijg, als ik beneden kom, geloof mij, dan zal ik je een duchtig pak
slaag geven!»
«Och, maak het zoo erg niet!»
Nu begaven zij zich naar de rivier. Toen het vee, dat dorstig was, het
water zag, liep het zoo hard als het kon naar het water om te drinken.
«Kijk maar eens, hoe het zich voortspoedt!» zei de kleine Klaas»
«Het verlangt er al naar, om weer op den bodem der rivier te komen.»
«Komaan, help mij dan maar gauw!» zei de groote Klaas, «anders krijg
je een pak slaag!» En zoo kroop hij in den grooten zak, die dwars
over den rug van een stier gelegen had. «Doe er een steen in, anders
vrees ik, dat ik niet naar beneden zal zinken,» zei de groote Klaas.
«Dat wil ik wel!» zei de kleine Klaas, en hij deed nog een grooten
steen in den zak, bond er het touw stevig om heen en gaf er toen een
duw aan. Plof! daar viel de groote Klaas in de rivier en zonk dadelijk
naar den grond.
«Ik geloof, dat hij er het vee wel niet zal vinden!» zei de kleine
Klaas en keerde toen naar huis terug met alles, wat hij had.
DE VLIEGENDE KOFFER.
Er was eens een koopman, die zoo rijk was, dat hij de heele straat en
bijna nog een klein straatje bovendien met zilvergeld kon plaveien;
maar dat deed hij niet; want hij wist zijn geld wel anders te
besteden. Als hij een dubbeltje uitgaf, dan kreeg hij een gulden terug;
zulk een goed koopman was hij,--totdat hij stierf.
Zijn zoon kreeg nu al dit geld. Hij leefde er vroolijk van, hij
ging alle avonden naar een gemaskerd bal, hij maakte vliegers van
bankbiljetten en keilde over het meer met goudstukken in plaats
van met steentjes. Op die wijze moest het geld wel gauw opraken,
en dat gebeurde dan ook. Eindelijk bezat hij niet meer dan vier
dubbeltjes en had geen andere kleeren dan een paar pantoffels en een
oude kamerjapon. Nu bekommerden zijn vrienden zich niet meer om hem,
daar zij toch niet samen op straat konden loopen; maar een hunner, die
goedhartig van aard was, zond hem een ouden koffer met de opmerking:
«Pak in!» Ja, dat was nu goed en wel, maar hij had niets om in te
pakken; daarom ging hij zelf in den koffer zitten.
Dat was een zonderlinge koffer. Zoodra men op het slot drukte, kon
de koffer vliegen. Hij drukte er op en, flap, daar vloog hij er mee
door den schoorsteen heen, hoog boven de wolken, al verder en verder
weg. Maar zoo dikwijls de bodem van den koffer een weinig kraakte,
verkeerde hij in doodsangst, dat de koffer stuk zou gaan; want dan
zou hij een duchtige buiteling gemaakt hebben.
Op deze wijze kwam hij in het land der Turken. Hij verborg den koffer
in het bosch onder de dorre bladeren en ging toen de stad in. Dat kon
hij heel goed doen; want bij de Turken liepen immers allen zooals hij:
in een kamerjapon en met pantoffels aan. Daar ontmoette hij een min
met een klein kind op den arm. «Hoor eens, Turksche min!» zei hij,
«wat is dat voor een groot kasteel hier dicht bij de stad, waar de
ramen zoo hoog boven den grond zijn?»
«Daar woont de dochter van den Sultan!» antwoordde zij. «Er is
voorspeld, dat zij over een minnaar diep ongelukkig zou worden, en
daarom mag niemand bij haar komen, als de Sultan en de Sultane er
niet bij zijn.»
«Ik dank u wel!» zei de,zoon van den koopman en ging naar het bosch,
zette zich in zijn koffer neer, vloog op het dak en kroop door het
raam bij de prinses binnen.
Zij lag op de sofa en sliep; zij was zoo schoon, dat de zoon van den
koopman zich niet kon weerhouden, haar een kus te geven.
Nu werd zij wakker en ontstelde hevig; maar hij zeide, dat hij de
god der Turken was, die door de lucht tot haar neergedaald was,
en dat beviel haar.
Zij gingen zich naast elkander zitten, en hij vertelde haar
geschiedenisjes van haar oogen: dat waren de heerlijkste, donkere
meren, daar zwommen de gedachten als meerminnen in. En hij vertelde
haar van haar voorhoofd: dat was een sneeuwberg met de prachtigste
zalen en schilderijen.
Ja, dat waren mooie praatjes! Daarop vroeg hij om de hand der prinses,
en zij zei dadelijk ja!
«Maar ge moet aanstaanden Zaterdag hier komen!» zeide zij. «Dan komen
de Sultan en de Sultane bij mij op de thee. Zij zullen er trotsch
op zijn, dat ik een god der Turken tot man krijg. Maar zorg, dat
ge een heel mooi sprookje weet te vertellen; want daar houden mijn
ouders bijzonder veel van. Mijn moeder wil het zedelijk en ernstig,
en mijn vader grappig hebben, zoodat men er om kan lachen!»
«Ja, ik breng geen ander morgengeschenk dan een sprookje!» zeide hij,
en zoo namen zij afscheid van elkaar. Maar de prinses gaf hem een
sabel, die met goudstukken bezet was; deze kon hij gebruiken.
Nu vloog hij weg, kocht een nieuwe kamerjapon, ging toen in het bosch
zitten en vervaardigde er een sprookje; dit moest tegen den Zaterdag
klaar zijn, en dat is toch zulk een gemakkelijk werk niet.
Toen hij er mee klaar was, was het Zaterdag.
De Sultan, de Sultane en het geheele hof waren bij de prinses op de
thee. Hij werd zeer goed ontvangen.
«Wilt ge ons niet eens een sprookje vertellen,» zei de Sultane, «een,
dat diepzinnig en leerrijk is?»
«En waarover men toch ook eens kan lachen,» voegde de Sultan er bij.
«Jawel,» antwoordde hij en vertelde. En nu goed toegeluisterd!
Er was eens een doosje lucifers: deze waren zeer trotsch op hun
aanzienlijke afkomst! Hun stamboom, namelijk de groote pijnboom,
waarvan elk hunner een klein houtje was, had als een groote,
oude boom in het bosch gestaan. De lucifers lagen nu in het midden
tusschen een tondeldoos en een ouden, ijzeren pot, en allen vertelden
van hun jeugd. «Ja, toen wij nog aan de groene takken vastzaten,»
zeiden de lucifers, «toen hadden wij een plezierig leventje! Alle
ochtenden en avonden kregen we diamanten thee, dat was de dauw, den
heelen dag hadden we zonneschijn, als de zon scheen, en de kleine
vogels moesten geschiedenisjes vertellen. Wij konden wel merken,
dat wij ook rijk waren; want de overige boomen waren slechts in den
zomer bekleed, maar onze familie had de middelen om zoowel in den
zomer als in den winter groene kleeren te dragen. Maar daar kwam de
houthakker: dat was de groote revolutie, en nu werd onze familie her-
en derwaarts verspreid. De stamhouder kreeg een plaats als groote mast
op een prachtig schip, dat de aarde kon omzeilen, als het wilde; de
andere takken gingen naar andere plaatsen, en wij hebben nu de taak,
voor de menschen licht te ontsteken. Daarom zijn wij, deftige lieden,
hier in de keuken gekomen.»
«Mijn levensloop heeft zich op een andere wijze toegedragen!» zei
de ijzeren pot, waarnaast de lucifers lagen. «Van den beginne af,
sedert ik ter wereld kwam, is er in mij vele malen geschuurd en vele
malen gekookt! Ik zorg voor het degelijke en ben de eerste hier in
huis. Mijn eenige vreugde is, na het eten heel zindelijk en netjes op
mijn plaats te staan en een verstandig gesprek met mijn kameraden te
voeren. Maar met uitzondering van den emmer, die nu en dan eens op de
stoep komt, blijven wij altijd tusschen onze vier muren. De eenige,
die ons eens wat nieuwtjes kan vertellen, is de boodschappenmand,
maar die spreekt erg oproerig over de regeering en over het volk; ja,
onlangs was er zelfs een oude pot, die van schrik daarover neerviel
en in stukken sprong. Die is liberaal, dat verzeker ik u!»
«Nu zegt ge te veel!» viel de tondeldoos in, en het staal sloeg tegen
den vuursteen aan, zoodat de vonken in de rondte vlogen. «Willen we
eens een vroolijken avond met elkaar hebben?»
«Ja, laat ons er eens over spreken, wie de voornaamste is!» zeiden
de lucifers.
«Neen, ik houd er niets van, over mij zelf te spreken,» bracht de
ijzeren pot hiertegen in. «Laat ons een algemeen gesprek voeren. Ik
zal beginnen en een geschiedenis uit het dagelijksch leven vertellen,
zoo iets, wat iedereen beleefd heeft, dan kan men er zich gemakkelijk
in verplaatsen en heeft men er ook schik in. Aan de Oostzee bij de
Deensche beuken...»
«Dat is een mooi begin,» zeiden al de borden. «Dat zal een geschiedenis
worden, die ons bevalt.»
«Ja, daar bracht ik mijn jeugd in een stil gezin door; de meubelen
werden gewreven, de vloer geschuurd, en om de veertien dagen werden
er schoone gordijnen opgehangen!»
«Wat kunt ge toch boeiend vertellen!» zei de stoffer. «Men kan dadelijk
wel hooren, dat iemand spreekt, die heel veel met dames in aanraking
gekomen is; er straalt zoo iets beschaafds in door.»
«Ja, dat kan men terstond wel merken!» zei de emmer en deed van
blijdschap een kleinen sprong, zoodat hij op den vloer viel.
En de ijzeren pot ging voort met vertellen, en het einde was even
mooi als het begin.
Alle borden rammelden van blijdschap, en de stoffer haalde groene
peterselie uit het zandhok en bekranste daarmee den ijzeren pot,
want hij wist, dat de anderen zich daaraan zouden ergeren. «Als ik
hem vandaag bekrans,» dacht hij, «dan bekranst hij mij morgen.»
«Nu zal ik eens dansen!» zei de tang en danste. Lieve hemel, wat kon
zij haar eene been hoog optillen! Het overtrek van den ouden stoel
daar in den hoek scheurde, toen het dit zag. «Zou ik nu ook bekranst
worden?» dacht de tang, en werkelijk gebeurde dit.
«Dat is toch maar gepeupel!» dachten de lucifers.
Nu moest de theeketel zingen; maar deze zei, dat hij kou gevat had;
hij kon niet zingen, als het niet in hem kookte. Doch dat was maar
een voorwendsel; hij wilde niet zingen, als hij niet binnen bij de
familie in de kamer stond.
In het kozijn lag een oude ganzepen, waarmee de meid placht te
schrijven. Er was niets opmerkelijks aan haar, behalve dat zij wat al
te diep in den inkt gedoopt was. Maar daarop was zij trotsch. «Als
de theeketel niet wil zingen,» zeide zij, «dan moet hij het maar
laten. Daar buiten hangt een nachtegaal in zijn kooi: die kan wel
zingen. Die heeft wel is waar niets geleerd; maar dat zullen wij maar
daar laten!»
«Ik vind het heel ongepast,» zei de waterketel,--deze was keukenzanger
en een halve broeder van den theeketel,--«dat zulk een vreemde vogel
gehoord moet worden! Is dat patriotsch? De boodschappenmand moet dit
maar beslissen!»
«Ik erger mij maar!» zei de boodschappenmand; «ik erger mij inwendig
zoozeer, als niemand zich kan voorstellen. Is dat een geschikte
manier om den avond door te brengen? Zou het niet verstandiger zijn,
het huis in orde te brengen? Ieder moest op zijn plaats gaan, dan
zou ik het spel besturen. Dat zou wat anders worden!»
«Ja, laat ons eens pret maken!» riepen allen. Daar ging de deur
open. De meid trad binnen, en nu stonden zij stil. Niemand gaf een
enkel kikje. Maar er was geen enkele pot, die niet zou geweten hebben,
wat hij kon doen en hoe deftig hij was. «Ja, als ik gewild had,»
dacht iedereen, «dan had het een recht vroolijke avond kunnen worden!»
De meid nam de lucifers en maakte er het vuur mee aan. Lieve hemel,
wat spreidden zij een vonken om zich heen en wat brandden zij lustig!
«Nu kan iedereen toch zien,» dachten zij, «dat wij de eersten
zijn! Welk een glans hebben wij! Welk een licht!»
En dit zeggende, verbrandden zij.
«Dat was een prachtig sprookje!» zei de Sultane. «Ik voel mij geheel
en al in de keuken bij de lucifers verplaatst. Nu zul je onze dochter
hebben!»
«Ja,» voegde de Sultan er bij, «je zult onze dochter Maandag hebben.»
Want zij zeiden «je» tegen hem, omdat hij metterhaast tot de familie
zou behooren.
De bruiloft werd bepaald en de geheele stad den avond te voren
geïllumineerd. Beschuit en krakelingen werden er onder het volk
uitgestrooid; de straatjongens stonden op hun teenen, riepen «Hoera!»
en floten op hun vingers. Het was buitengemeen prachtig.
«Nu zal ik ook wel iets ten beste dienen te geven!» dacht de zoon
van den koopman. En zoo kocht hij dan vuurpijlen, zwermers en al
het vuurwerk, dat men maar kan bedenken, legde dit in zijn koffer en
vloog daarmee in de lucht.
Jongens! wat ging dat mooi, en wat gaf dat een knal!
Al de Turken sprongen daarbij in de hoogte, zoodat hun de pantoffels
om de ooren vlogen: zulk een luchtverschijnsel hadden zij nog nooit
gezien. Nu konden zij begrijpen, dat het de god der Turken zelf was,
dien de prinses tot vrouw zou krijgen.
Zoodra de zoon van den koopman weer met zijn koffer beneden in het
bosch kwam, dacht hij: «Ik zal de stad toch eens ingaan, om eens te
hooren, hoe het afgeloopen is!» En het was natuurlijk, dat hij daarin
lust had.
O, wat vertelden de menschen hem al niet! Iedereen, dien hij daarnaar
vroeg, had het op zijn wijze gezien; maar mooi hadden allen het
gevonden.
«Ik heb den god der Turken zelf gezien,» beweerde er een. «Hij had
oogen als fonkelende sterren en een baard als golvend graan!»
«Hij vloog in een mantel van vuur!» zei een ander. «De bekoorlijkste
engeltjes kwamen uit de plooien te voorschijn kijken!»
Ja, dat waren heerlijke dingen, die hij hoorde, en den volgenden dag
zou hij bruiloft houden.
Nu keerde hij naar het bosch terug, om zich in zijn koffer neer te
zetten,--maar waar was deze gebleven? De koffer was verbrand. Een
vonk van het vuurwerk was er ingevallen, deze had vlam gevat, en nu
lag de koffer in de asch. Hij kon niet meer vliegen, niet meer bij
zijn verloofde komen.
Deze stond den geheelen dag op het platte dak en wachtte; zij wacht
waarschijnlijk nog. Maar hij trekt de wereld door en vertelt sprookjes,
maar deze zijn niet meer zoo grappig als dat, hetwelk hij van de
lucifers vertelde.
VIJF UIT ÉÉN SCHIL.
Er zaten vijf erwten in één schil; zij en de schil waren groen,
daarom dachten zij, dat de heele wereld groen was,--en dat was niet
meer dan natuurlijk! De schil groeide, en de erwten ook; zij maakten
het zich zoo gemakkelijk mogelijk; zij zaten op een rijtje.--De zon
scheen van buiten en koesterde de schil, de regen maakte haar helder en
doorzichtig; het was er overdag licht en 's nachts donker in, zooals
het wezen moet. De erwten werden, nu zij daar eenmaal zoo zaten,
grooter en begonnen gedurig meer na te denken; want iets moesten zij
toch doen.
«Moeten we hier nu eeuwig blijven zitten?» vroeg er een. «Als wij
van het lange zitten maar niet stijf en stram worden! Ik zou toch
wel zeggen, dat er buiten nog iets is; ik heb daar zoo'n zeker
voorgevoel van.»
Weken verliepen er; de erwten werden geel en de schil werd geel.
«De heele wereld wordt geel!» zeiden zij, en daarin hadden ze gelijk.
Eensklaps voelden zij een ruk aan de schil; deze werd afgeplukt,
raakte in menschenhanden, gleed in den zak van een buis en kwam in
gezelschap van andere gevulde schillen. «Nu zal de schil wel gauw
opengemaakt worden!» zeiden zij en wachtten daarop reeds.
«Ik zou wel eens willen weten, wie van ons het nu wel 't verst
zal brengen,» zei de kleinste der vijf. «Ja, nu zal dit al spoedig
uitkomen.»
«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de grootste.
«Knap!»--daar ging de schil open, en nu rolden al de vijf er uit in den
helderen zonneschijn. Daar lagen zij nu in de hand van een kind: een
kleine jongen hield ze omklemd en zei, dat het mooie erwten voor zijn
klakkebus waren, en terstond deed hij er een in en schoot er haar uit.
«Nu vlieg ik de wijde wereld in! Pak mij maar, als je kunt!» en met
deze woorden vloog zij weg.
«Ik,» zei de tweede, «ik vlieg regelrecht in de zon; dat is een schil,
die juist voor mij past!»
Weg was zij.
«Wij zullen ons te slapen leggen, waar wij te land komen,» zeiden de
twee volgende, «maar wij zullen wel voortrollen!» Zij rolden dan ook
voort en vielen op den grond, voordat zij in de klakkebus kwamen,
maar er in kwamen zij toch. «Wij zullen het 't verst brengen!»
«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de laatste, terwijl zij
uit de klakkebus geschoten werd; zij vloog op een oud bloemenplankje
voor het raam van een zolderkamertje in een reet, die met mos en
aarde gevuld was; het mos sloot zich om haar samen,--daar lag zij,
wel is waar gevangen, maar toch niet vergeten door den goeden God.
«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zeide zij.
Daar op dat kleine zolderkamertje woonde een arme vrouw, die overdag
uitging om te wasschen, schoon te maken en dergelijken arbeid te
verrichten, want zij was sterk en ook vlijtig; maar zij bleef toch
altijd arm. Te huis in het kamertje lag haar eenig dochtertje, een
meisje van acht jaar, dat zeer fijn en teer was; sedert een jaar was
zij bedlegerig, en het scheen, alsof zij niet kon leven of sterven.
«Ze gaat naar haar zusje toe!» zei de vrouw, «Ik heb slechts twee
kinderen gehad, en het was geen lichte taak, voor beiden te zorgen; en
de goede God deelde met mij en nam het eene tot zich; maar nu zou ik
toch graag het andere, dat mij nog overgebleven is, willen behouden;
maar God wil waarschijnlijk niet, dat zij van elkaar gescheiden
blijven, en mijn zieke lieveling zal naar haar zusje daarboven gaan!»
Maar het zieke meisje bleef, waar het was; het lag den heelen dag
geduldig en stil in haar bedje, terwijl haar moeder buitenshuis werkte
om iets te verdienen.
Het was lente; en 's morgens in de vroegte, toen de vrouw juist naar
haar werk wilde gaan, scheen de zon liefelijk en vriendelijk door het
kleine raam en wierp haar stralen op den vloer, en het zieke meisje
vestigde haar blik op de onderste ruit.
«Wat zou toch dat groen zijn, dat daar boven het raam komt
uitkijken?--Het beweegt zich door den wind!»
Haar moeder ging naar het raam toe en schoof dit half open. «Wel,»
riep zij uit, «dat is waarlijk een kleine erwt, die hier ontkiemd is
en haar groene bladeren doet uitspruiten. Hoe zou zij toch wel hier
in die reet gekomen zijn? Dat is een klein tuintje, waarmee je je
vermaken kunt!»
Het ledekantje der kleine werd dichter aan het raam geschoven, opdat
zij de ontkiemende erwt zou kunnen zien, en de moeder ging heen,
om te werken.
«Moeder, ik geloof, dat ik weer gezond zal worden!» zei het zieke
meisje 's avonds. «De zon heeft hier vandaag zoo liefelijk warm in
mijn kamertje geschenen. De kleine erwt gedijt heerlijk, en ook ik
zal zeker gedijen en opstaan en mij in den zonneschijn koesteren.»
«Dat geve God!» zei de moeder; maar zij geloofde niet, dat het zou
gebeuren; doch het ontkiemende groen, dat aan het kind zulke blijde
gedachten des levens ingeboezemd had, ondersteunde zij met een stokje,
opdat het niet door den wind zou geknakt worden; zij bond een eindje
touw aan de bloemenplank en aan het bovengedeelte van het raam
vast, opdat de erwtenrank iets zou hebben, waarom zij zich heen kon
slingeren, wanneer zij omhoogschoot: dat deed zij, en men kon zien,
hoe zij met elken dag groeide.
«Waarlijk! Er komt een bloesem aan!» zei de vrouw op zekeren morgen,
en nu herleefde ook in haar de hoop, dat haar ziek dochtertje zou
herstellen; zij herinnerde zich, dat het kind in den laatsten tijd
veel levendiger gesproken had, dat zij zich sedert verscheidene dagen
's morgens in haar bedje opgericht en daar gezeten had, en met een
oog, stralend van geluk, den kleinen erwtentuin, die uit een enkele
erwt voortgekomen was, bekeken had. Een week later bleef de zieke
voor de eerste maal een geheel uur op. Gelukkig zat zij in den warmen
zonneschijn; het raam was opgeschoven, en daarvoor stond een erwteplant
in vollen bloei. Het meisje boog zich voorover en drukte een kus op
de teere blaadjes. Deze dag was voor haar als 't ware een feestdag.
«De goede God zelf heeft haar geplant en laten gedijen, tot hoop en
tot vreugde voor ons beiden!» zei de verheugde moeder en lachte den
bloesem toe, alsof hij een goede engel Gods was.
Maar de andere erwten nu?--Ja, die, welke de wijde wereld ingevlogen
was en gezegd had: «Pak mij maar, als je kunt,» viel in de dakgoot
en raakte in een duivenmaag, en daar lag zij evenals Jonas in den
buik van den walvisch. De twee luiaards brachten het even ver: ook
zij werden door duiven opgegeten, en dus waren zij toch op eenigerlei
wijze nuttig; maar de vierde, die naar de zon op wilde vliegen,--die
viel in een riool en bleef daar dagen en weken lang in het morsige
water liggen, en zwol geducht op.
«Ik word zoo mooi dik!» zei de erwt. «Ik zal nog barsten, en verder,
geloof ik, heeft geen erwt het ooit gebracht of zal het immer
brengen. Ik ben de merkwaardigste van de vijf uit de schil!»
En het riool was het met haar eens.
Maar het meisje stond daar voor het raam van het zolderkamertje met
stralende oogen, met den blos der gezondheid op de wangen, en vouwde
haar teere handjes boven den erwtenbloesem en dankte God daarvoor.
«Ik,» zeide het riool echter, «ik heb mijn erwt liever!»
DE TONDELDOOS.
Er kwam een soldaat langs den straatweg aanmarcheeren: een, twee! een,
twee! Hij had een ransel op den rug en een sabel op zij; want hij
was in den oorlog geweest en wilde nu naar huis terug.
Daar ontmoette hij op den straatweg een oude heks. Deze zag er
afzichtelijk uit; haar onderlip hing tot op haar borst neer. Zij zeide:
«Goeden avond, soldaat! Wat heb je daar toch een mooie sabel en een
grooten ransel! Je bent een flink soldaat! Daarom moet je zooveel
geld hebben, als je maar wilt.»
«Ik dank je wel, oude heks!» zei de soldaat.
«Zie je dien grooten boom daar wel?» vroeg de heks en wees naar een
boom, die dicht in hun nabijheid stond. «Hij is van binnen heelemaal
hol. Je moet op den top daarvan klimmen, dan zie je een gat, waardoor
je je kunt laten zakken en zoo onder in den boom komen. Ik zal je
een touw om het lijf binden, dan kan ik je weer naar boven trekken,
als je mij roept!»
«Wat moet ik daar, onder in den boom doen?» vroeg de soldaat.
«Geld halen!» antwoordde de heks. «Je moet weten, dat je, als je op
den grond onder den boom komt, in een groot voorportaal bent; daar is
het heel licht, want daar branden meer dan driehonderd lampen. Dan
zie je drie deuren; je kunt die opendoen, want de sleutel steekt er
in. Als je de eerste kamer ingaat, dan zie je midden op den vloer
een groote kist staan; daar zit een hond op; deze heeft oogen,
zoo groot als een paar theekopjes. Maar daaraan hoef je je niet te
storen! Ik geef je mijn blauw geruit voorschoot; dat kan je op den
vloer neerleggen; ga dan spoedig heen en neem den hond, zet hem op
mijn voorschoot neer, doe de kist open en neem zooveel geld, als
je maar wilt: er zit louter koper in. Wil je liever zilver hebben,
dan moet je de volgende kamer binnentreden. Maar daar zit een hond,
die oogen heeft, zoo groot als molenraderen. Laat je daardoor niet
afschrikken! Zet hem op mijn voorschoot neer en neem van het geld! Wil
je echter goud hebben, dan kun je dit ook krijgen, en wel zooveel,
als je maar dragen kunt, als je de derde kamer ingaat. Maar de hond,
die daar op de geldkist zit, heeft twee oogen, elk zoo groot als
een toren. Geloof mij, het is een kwade hond! Doch vrees daarom maar
niet! Zet hem maar op mijn voorschoot neer, dan doet hij je niets,
en neem uit de kist zooveel goud, als je maar wilt!»
«Dat is zoo kwaad niet!» zei de soldaat. «Maar wat moet ik u geven,
oude heks? Want voor niet zult ge het toch wel niet doen?»
«Jawel!» zei de heks. «Geen enkelen cent wil ik hebben! Alleen moet je
voor mij een oude tondeldoos meenemen, die mijn grootmoeder vergeten
heeft, toen zij de laatste maal beneden was.»
«Welnu, bind het touw dan maar om mijn lijf vast!» zei de soldaat.
«Hier is het,» zei de heks, «en hier is mijn blauw geruit voorschoot.»
Daarop klauterde de soldaat tegen den boom op, liet zich in het gat
neerzakken en stond toen, zooals de heks gezegd had, beneden in het
groote voorportaal, waarin de driehonderd lampen brandden.
Nu deed hij de eerste deur open. Foei! daar zat de hond met de oogen,
zoo groot als theekopjes, en keek hem aan.
«Je bent een lief beest!» zei de soldaat, zette hem op het voorschoot
der heks neer en nam zooveel koperstukken, als hij maar in zijn zakken
kon bergen; deed de kist toen dicht, zette er den hond weer op neer
en ging de andere kamer in. Juist zoo; daar zat de hond met de oogen,
zoo groot als molenraderen.
«Je moest mij liever maar niet zoo strak aankijken!» zei de
soldaat. «Want daar vermoei je je oogen maar noodeloos mee!»
En nu zette hij den hond op het voorschoot der heks neer. Maar toen
hij al het zilvergeld in de kist zag, wierp hij al het kopergeld, dat
hij had, weg en vulde zijn zakken en zijn ransel met zilver. Daarop
ging hij in de derde kamer.--O, dat was verschrikkelijk! De hond
daarin had werkelijk twee oogen, elk zoo groot als een toren, en deze
draaiden in zijn kop als molenraderen.
«Goeden avond!» zei de soldaat en bracht de hand aan zijn muts,
want zulk een hond had hij vroeger nooit gezien. Maar toen hij hem
wat nauwkeuriger bekeken had, dacht hij: «Nu is het genoeg!» tilde
hem op den grond en deed de kist open. Och! wat was daar een menigte
goud! Hij kon daarvoor de geheele stad en al de tinnen soldaten,
zweepen en hobbelpaarden in de heele wereld wel koopen. Ja, dat was
nu eens een heele massa goud! Nu wierp de soldaat al het zilvergeld,
waarmee hij zijn zakken en zijn ransel gevuld had, weg en nam daarvoor
goud; ja, al zijn zakken, zijn ransel, zijn muts en zijn laarzen
stopte hij daarmee vol, zoodat hij tenauwernood kon gaan. Nu had hij
geld! Den hond zette hij op de kist neer, deed de deur dicht en riep
toen door den boom naar boven;
«Trek mij nu maar in de hoogte, oude heks!»
«Heb je de tondeldoos meegebracht?» vroeg de heks.
«Wel drommels!» zei de soldaat, «die heb ik heelemaal vergeten!»
En nu ging hij deze halen. De heks trok hem naar boven, en nu stond
hij weer op den straatweg met zakken, laarzen, ransel en muts vol goud.
«Wat wilt ge met die tondeldoos doen?» vroeg de soldaat.
«Dat gaat je niets aan!» zei de heks. «Je hebt immers geld
gekregen! Geef mij de tondeldoos maar!»
«Hoor eens!» zei de soldaat. «Wil je mij dadelijk zeggen, wat je
daarmee wilt doen, of ik trek mijn sabel en sla je het hoofd af!»
«Neen!» zei de heks.
Terstond sloeg de soldaat haar het hoofd af. Daar lag zij nu! Hij
echter bond al zijn goud in haar voorschoot, nam het als een pakje
op zijn rug, stak de tondeldoos in zijn zak en begaf zich regelrecht
naar de stad.
Dat was een prachtige stad! En in het grootste logement nam hij zijn
intrek, verlangde de allerbeste kamers en zijn lievelingsspijzen;
want nu was hij immers rijk, daar hij zoo veel geld had.
Aan den knecht, die zijn laarzen moest poetsen, kwam het wel is waar
voor, dat het verschrikkelijk oude laarzen voor zulk een rijk heer
waren; maar hij had ook nog geen nieuwe gekocht; den volgenden dag
kreeg hij fatsoenlijke laarzen en prachtige kleeren. Nu was hij van
een soldaat een deftig heer geworden, en de menschen vertelden hem van
al de heerlijke dingen, die er in hun stad waren, en van hun koning,
en wat voor een lieve prinses zijn dochter was.
«Waar kan men haar te zien krijgen?» vroeg de soldaat.
«Zij is in 't geheel niet te zien!» zeiden allen. »Zij woont in
een groot, koperen kasteel, dat door vele muren en torens omgeven
is! Niemand anders dan de koning mag bij haar uit- en ingaan; want
er is voorspeld, dat zij met een gemeen soldaat zal trouwen, en dat
kan de koning niet toestaan!»
«Ik zou haar toch wel eens willen zien!» dacht de soldaat; maar
daartoe kon hij immers volstrekt geen vergunning krijgen.
Nu leefde hij recht vroolijk, ging naar den schouwburg, reed in den
tuin van den koning en gaf de armen veel geld; en dat was heel braaf
van hem; hij wist nog uit vroegeren tijd, hoe ongelukkig het is, geen
cent te bezitten! Hij was nu rijk, had prachtige kleeren en kreeg zeer
veel vrienden, die allemaal zeiden, dat hij een voortreffelijk mensch,
een echt ridder was. En dat mocht de soldaat graag hooren. Maar
daar hij alle dagen geld uitgaf en nooit iets ontving, hield hij
eindelijk bijna niets meer over, en nu moest hij de mooie kamers,
waarin hij gewoond had, verlaten, en boven op een klein kamertje
onder het dak wonen, zijn laarzen zelf poetsen en ze met een stopnaald
dichtnaaien. Geen van zijn vrienden kwam naar hem toe; want er waren
te veel trappen op te klimmen.
Het was een donkere avond, en hij kon niet eens een kaars koopen. Maar
het schoot hem te binnen, dat er nog een klein eindje kaars in de
tondeldoos lag, die hij uit den hollen boom, waarin de heks hem had
neergelaten, meegenomen had. Hij kreeg de tondeldoos en het eindje
kaars voor den dag; maar juist toen hij vuur sloeg en de vonken uit
de vuursteen vlogen, sprong de deur open, en nu stond de hond, die
oogen zoo groot als een paar theekopjes had en dien hij onder den
boom had gezien, voor hem en vroeg: «Wat is er van mijnheers dienst?»
«Wat is dat?» riep de soldaat uit. «Dat is wel een aardige tondeldoos,
als ik zoo maar kan krijgen, wat ik hebben wil!--Bezorg mij wat geld!»
zei hij tegen den hond, en in een wip was de hond weg en in een wip
terug, en hield een grooten zak met geld in den bek.
Nu wist de soldaat, wat een heerlijke tondeldoos dit was! Sloeg hij
eenmaal vuur, dan kwam de hond, die op de kist met kopergeld zat;
sloeg hij tweemaal, dan kwam die, welke het zilvergeld had, en sloeg
hij driemaal, dan kwam die, welke het goud bewaakte. Nu nam de soldaat
zijn intrek weer in de mooie kamers beneden en vertoonde zich op nieuw
in prachtige kleeren. Nu herkenden al zijn vrienden hem terstond en
waren heel lief tegen hem.
Eens dacht hij: «Het is toch zonderling, dat men de prinses niet te
zien kan krijgen. Zij moet heel mooi wezen, zeggen allen; maar wat
baat dit, als zij altijd in het groote koperen kasteel met die vele
torens moet zitten?--Zou ik haar dan niet te zien kunnen krijgen? Waar
is mijn tondeldoos?» En nu sloeg hij vuur, en wip! daar kwam de hond
met de oogen, zoo groot als theekopjes.
«Het is wel is waar midden in den nacht,» zei de soldaat, «maar ik
zou de prinses toch wel eens graag een oogenblikje willen zien!»
De hond was dadelijk de deur uit, en voordat de soldaat er op verdacht
was, kwam hij met de prinses terug. Zij zat en sliep op den rug van den
hond en was zoo bekoorlijk, dat iedereen kon zien, dat het werkelijk
een prinses was. De soldaat kon zich niet weerhouden, haar een kus
te geven, want hij was door en door een soldaat.
Daarop liep de hond met de prinses weer terug. Maar toen het morgen
werd en de koning en de koningin aan het ontbijt zaten, zei de prinses,
dat zij 's nachts een zonderlingen droom van een hond en een soldaat
had gehad; zij had op den hond gereden, en de soldaat had haar een
kus gegeven.
«Dat zou nog al een mooie geschiedenis zijn!» zei de koning.
Nu zou een der oude hofdames den volgenden nacht bij het bed der
prinses waken, om te zien, of het werkelijk een droom was, of wat
het anders wezen zou.
De soldaat had een vurig verlangen om de prinses weer te zien, en
zoo kwam dan de hond des nachts, haalde haar en liep zoo hard als
hij maar kon. Maar de oude hofdame trok groote laarzen aan en liep
hem even hard achterna. Toen zij nu zag, dat zij in een groot huis
verdwenen, dacht zij: «Nu weet ik, waar het is!» en zette met een
stuk krijt een kruisje op de deur. Daarop ging zij naar huis en ging
te bed, en de hond kwam ook met de prinses terug. Maar toen hij zag,
dat er op de deur van het huis, waar de soldaat woonde, een kruisje
geteekend was, nam hij ook een stuk krijt en zette kruisjes op alle
huisdeuren in de stad, en dat was slim bedacht: want nu kon de hofdame
de deur niet vinden daar er op alle deuren kruisjes stonden.
's Morgens vroeg kwamen de koning en de koningin, de oude hofdame en
al de officieren, om te zien, waar de prinses geweest was.
«Daar is het!» zei de koning, toen hij de eerste deur met een kruisje
er op zag.
«Neen, daar is het, beste man!» zei de koningin, toen zij op de tweede
deur insgelijks een kruisje zag staan.
«Maar daar staat er een op en ginds staat er ook een op!» zeiden allen;
waarheen zij hun blikken ook wendden, overal stonden kruisjes op de
deuren. Nu begrepen zij wel, dat al het zoeken hun niets zou baten.
Maar de koningin was een uiterst schrandere vrouw, die meer kon dan
in een koets rijden. Zij nam haar groote gouden schaar sneed een
lap zijde in stukken en naaide daarvan een klein zakje; dit vulde
zij met fijn tarwemeel, bond het de prinses op den rug, en toen zij
dit gedaan had, knipte zij een klein gaatje in het zakje, zoodat het
meel den geheelen weg, dien de prinses nam, moest bestrooien.
In den nacht kwam nu de hond terug, nam de prinses op zijn rug en
liep met haar naar den soldaat toe, die haar innig liefhad en graag
een prins zou willen zijn, om haar tot vrouw te krijgen.
De hond merkte volstrekt niet, hoe het meel juist van het kasteel tot
aan het raam van den soldaat, waar hij den muur met de prinses opliep,
neergevallen was. Den volgenden morgen zagen de koning en de koningin
nu wel, waar hun dochter geweest was, en nu namen zij den soldaat en
zetten hem in de gevangenis.
Daar zat hij nu. Och! wat was het daar donker en vervelend! En zij
zeiden tegen hem: «Morgen zal je opgehangen worden!» Dat te hooren
was nu juist zoo heel plezierig niet, en zijn tondeldoos had hij in
het logement gelaten. Des morgens kon hij door de tralies voor het
kleine raampje zien, hoe het volk zich haastte, uit de stad te komen
om hem te zien ophangen. Hij hoorde de trommels en zag de soldaten
marcheeren. Alle menschen liepen de stad uit; daaronder bevond zich ook
een schoenmakersjongen met een schootsvel voor en pantoffels aan; deze
liep zoo hard, dat een van zijn pantoffels van zijn voet viel en vlak
tegen den muur aanvloog waar de soldaat door de tralies zat te kijken.
«Heidaar, schoenmakersjongen! Je hoeft zoo veel haast niet te
maken!» zei de soldaat tegen hem. «Het begint toch niet, voordat ik
er ben! Maar als je naar het huis, waar ik gewoond heb, toe wilt
loopen en mijn tondeldoos voor mij halen, dan zal ik je een goede
fooi geven. Maar dan moet je ook zoo hard loopen, als je maar kunt.»
De schoenmakersjongen wilde graag een fooi verdienen en haalde
de tondeldoos, gaf deze aan den soldaat en--ja, nu zullen we eens
wat hooren!
Buiten de stad was een hooge galg opgericht, daaromheen stonden de
soldaten en vele honderdduizenden menschen. De koning en de koningin
zaten op een prachtigen troon tegenover de rechters en den geheelen
raad.
De soldaat stond reeds boven op de ladder; maar toen zij hem den
strop om den hals wilden doen, zeide hij, dat men immers altijd aan
een armen zondaar, voordat hij zijn straf onderging, de vervulling
van een onschuldigen wensch toestond. Hij zou zoo graag nog eens een
pijp willen rooken; het zou toch de laatste pijp zijn, die hij hier
op aarde rookte.
Dat wilde de koning hem dan ook niet weigeren, en zoo nam de soldaat
zijn tondeldoos en sloeg vuur, een-, twee-, driemaal. En zie! daar
stonden eensklaps al de honden, die met de oogen, zoo groot als
theekopjes, die met de oogen, zoo groot als molenraderen, en die,
waarvan ieder oog zoo groot als een toren was.
«Help mij nu, dat ik niet opgehangen word!» zei de soldaat. En nu
vielen de honden op de rechters en den geheelen raad aan, pakten den
een bij de beenen en den ander bij den neus en slingerden ze vele
ellen hoog in de lucht, zoodat zij neervielen.
«Ik wil niet!» zei de koning, maar de grootste hond nam zoowel hem
als de koningin en slingerde ze, evenals de anderen in de lucht; nu
verschrikten de soldaten, en al het volk riep uit: «Beste soldaat! gij
zult onze koning zijn en de mooie prinses hebben!»
Daarop zetten zij den soldaat in de koets van den koning, en de drie
honden dansten voorop en riepen: «Hoera!» En de jongens floten op
hun vingers, en de soldaten presenteerden het geweer. De prinses
kwam uit het koperen kasteel en werd koningin, en dat beviel haar
heel goed. De bruiloft duurde acht dagen, en de honden zaten mee aan
tafel en zetten groote oogen op.
HET MEISJE, DAT OP HET BROOD TRAPTE.
De geschiedenis van het meisje, dat, om haar schoenen niet vuil te
maken, op het brood trapte, en hoe slecht het met dit meisje afliep,
is welbekend: zij is geschreven en zelfs gedrukt.
Inge heette dit meisje; zij was een arm kind, trotsch en hoogmoedig;
er was een slechte grond in haar, zooals men zegt. Reeds als klein
kind was het haar grootste plezier, vliegen te vangen, ze de vlerken
uit te trekken en ze in kruipende dieren te veranderen. Later nam zij
den meikever en den mestkever, stak deze aan een naald vast, schoof
dan een groen blad of een klein stukje papier naar hun pootjes toe,
en dan greep het arme diertje daarnaar en hield het vast, draaide en
wendde het, om van de naald af te komen.
«Nu leest de meikever!» zeide Inge. «Kijk maar eens, hoe hij het
blad omkeert.»
Met de jaren werd zij eer slechter dan beter; maar mooi was zij, en
dat was haar ongeluk, anders was zij wel duchtiger beknord; geworden,
dan nu het geval was.
«Ik denk, dat ik nog eens verdriet van je zal hebben,» zei haar eigen
moeder. «Als kind heb je mij dikwijls op mijn japon getrapt, ik vrees,
dat je mij later op het hart zult trappen.»
En dat deed zij ook.
Zij kreeg op een dorp een dienst bij deftige menschen, en deze
beschouwden haar als hun eigen kind, en zoo ging zij ook gekleed;
zij zag er lief uit, maar haar hoogmoed nam toe.
Toen zij daar zoo wat een jaar geweest was, zei haar mevrouw tegen
haar: «Je moest je ouders toch eens gaan opzoeken, Inge!»
En Inge begaf zich op weg naar haar ouders, maar alleen om zich eens
in haar geboorteplaats te vertoonen; daar moesten de menschen zien,
hoe mooi zij geworden was; maar toen zij aan den ingang van het dorp
kwam en de jonge knechts en meiden daar met elkaar zag staan en haar
moeder ook daarbij, die op een steen zat uit te rusten, met een bosje
rijshout, dat zij in het bosch gesprokkeld had, voor zich, toen keerde
Inge om; zij schaamde er zich over, dat zij, die netjes gekleed was,
zulk een vrouw in lompen, die hout in het bosch sprokkelde, tot moeder
had. Zij had er volstrekt geen berouw over, dat zij teruggekeerd was.
Weer verliep er omstreeks een half jaar. «Je moest toch nog eens naar
je dorp toe gaan en je ouders een bezoek brengen, Inge!» zei haar
mevrouw. «Ik zal je een groot wittebrood geven; dan kan je dit voor
hen meenemen; zij zullen er zeker blij mee zijn, dat zij je weerzien.»
Inge trok haar beste kleeren en haar nieuwe schoenen aan, tilde haar
japon op en liep heel voorzichtig voort, opdat zij rein aan haar voeten
zou blijven, en dat kon men haar niet kwalijk nemen! Maar toen zij daar
kwam, waar de weg over het moeras loopt en waar slijk en modder was,
wierp zij het brood op den grond en trapte daarop, om niet nat en
vuil te worden; maar terwijl zij daar zoo stond, met den eenen voet
op het brood en den anderen opgeheven, om verder te loopen, zonk het
brood gedurig dieper met haar; zij verdween geheel en al, en slechts
een groote modderpoel, die blaasjes deed opborrelen, bleef er te zien.
Dat is de geschiedenis.
Maar waar kwam Inge nu? Zij zonk in den moerasgrond en kwam beneden
bij de moerasvrouw, die daar allerlei kwaad brouwt. De moerasvrouw
is de tante der elfen, die bekend genoeg zijn, waarvan men liedjes
heeft en die men afgeschilderd vindt; maar van de moerasvrouw weten
de menschen alleen, dat, wanneer er in den zomer damp uit de weiden
opstijgt, het de moerasvrouw is, die allerlei kwaad brouwt. In de
brouwerij der moerasvrouw daalde Inge neer, en daar is het niet lang
uit te houden.--De slijkkist is een pronkkamer, bij de brouwerij der
moerasvrouw vergeleken! Ieder vat stinkt zoo geducht, dat men daarvan
flauw valt, en dan staan de vaten dicht op elkaar gepakt, en als er
hier en daar een kleine opening tusschen is, waar men door zou hebben
kunnen dringen, dan is dit toch niet mogelijk door de natte padden en
de dikke slangen, die zich hier letterlijk in elkaar verwarren. Hierin
zonk Inge neer; al het walglijke, levende ontuig was zoo ijskoud,
dat zij over al haar leden trilde, ja, dat zij gedurig meer van
schrik verstijfde. Aan het brood bleef zij vasthangen, en het brood
trok haar naar beneden, evenals het barnsteen een stroohalm aantrekt.
De moerasvrouw was te huis, de brouwerij kreeg overdag bezoek, zij
werd bezichtigd door den duivel en zijn grootmoeder, en de grootmoeder
van den duivel is een oude, zeer giftige vrouw, die nooit ledig is;
zij rijdt nooit uit, om ergens een bezoek af te leggen, zonder haar
handwerk mee te nemen, en dit had zij dan ook hier bij zich. Zij
naaide leugenweefsels en haakte onbezonnen woorden, die op den grond
gevallen waren, alles tot schade en verderf. Ja, die oude grootmoeder
kon naaien, borduren en haken!
Zij zag Inge, hield haar brilleglas voor haar oog en keek het meisje
nog eens aan. «Dat is een meisje, dat kundigheden bezit,» zeide zij,
«en ik verzoek, de kleine, tot een herinnering aan mijn bezoek hier,
mee te mogen nemen. Zij zal een geschikt standbeeld in de voorkamer
van mijn kleinzoon zijn.»
En zij kreeg haar. Op deze wijze kwam Inge in de hel. Daar gaan de
menschen niet altijd regelrecht naar toe, maar zij kunnen er ook
langs omwegen inkomen, als zij daartoe de bekwaamheid bezitten.
Dat was een voorkamer zonder einde; men werd al duizelig, als men voor-
of achterwaarts keek, en een menigte, die het versmachten nabij was,
stond hier te wachten, totdat de poort der genade voor hen opengedaan
zou worden. Zij moesten lang wachten. Groote, dikke, waggelende spinnen
weefden een duizendjarig web over hun voeten, en dit spinneweb sneed
als voetangels en boeide als koperen ketenen; bovendien kookte er nog
een eeuwige onrust in iedere ziel, een onrust des jammers. De gierige
stond daar en had den sleutel van zijn geldkist vergeten; de sleutel
stak er in, dat wist hij. Maar het is te wijdloopig, al de soorten van
pijnigingen en van jammer op te sommen, die daar ondergaan werden. Inge
gevoelde een hevige pijn, terwijl zij daar als een standbeeld moest
staan; want zij was van onderen aan het brood vastgekleefd.
«Dat heeft men er van, als men zijn voeten rein en helder wil houden!»
zeide zij bij zich zelve. «Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» Ja,
werkelijk waren aller blikken op haar gevestigd;--hun booze lusten
fonkelden hun uit de oogen en spraken zonder geluid te geven uit hun
mond; zij waren verschrikkelijk om aan te zien.
«Mij aan te staren moet een genoegen zijn!» dacht Inge, «ik heb een
lief gezicht en mooie kleeren aan!» En nu draaide zij haar oogen
om, maar haar nek kon zij niet omdraaien, want deze was daarvoor te
stijf. O, hoe morsig was zij in de brouwerij der moerasvrouw geworden:
daaraan had zij niet gedacht. Haar kleeren waren met slijk bezoedeld,
een slang had zich in haar lokken gehangen en slingerde langs haar
rug neer, en uit iedere plooi van haar gewaad kwam een groote pad
te voorschijn, die als een kortademige mops blafte. Dit was zeer
onaangenaam. «Maar de anderen hier beneden zien er immers ook
afschuwelijk uit!» zeide zij, en daarmee troostte zij zich.
Het ergste van alles was echter de vreeselijke honger, dien zij
gevoelde. Was zij dan niet bij machte, voorover te bukken en een
stuk van het brood, waarop zij stond, af te breken? Neen, haar
rug was stijf, haar armen en handen waren verstijfd, haar geheele
lichaam was als een steenen zuil, alleen haar oogen kon zij nog in
haar hoofd omdraaien, naar alle kanten heen draaien, zoodat zij ook
achter zich kon zien; dat was een leelijk gezicht. En toen kwamen er
vliegen aan, die over haar oogen heen en weer kropen; zij knipte met
haar oogen, maar de vliegen vlogen niet weg, want zij konden niet
vliegen daar hun vlerken uitgetrokken waren; zij waren in kruipende
dieren veranderd;--dat was een pijn; en daarbij kwam nog de honger,
ja, eindelijk scheen het haar toe, alsof haar ingewanden zich zelf
opaten, en zij werd van binnen erg leeg. «Als dat langer moet duren,
dan houd ik het niet uit!» zeide zij, maar zij moest het wel uithouden.
Nu viel er een heete traan op haar hoofd neer, rolde over haar gezicht
en hare borst tot op het brood, waarop zij stond, en er viel nog een
traan, nog vele. Maar wie zou er wel over Inge weenen?--Zij had op
aarde immers nog een moeder! De tranen der smart, die een moeder over
haar kind stort, komen altijd bij het kind, maar ze verlossen niet, zij
branden slechts en verergeren de pijn. Het was iets verschrikkelijks,
zulk een onuitstaanbaren honger te hebben en niet aan het brood te
kunnen komen, waarop zij toch met haar voeten stond. Zij had een
gevoel, alsof haar binnenste zich zelf verteerd had, zij was als een
dun riet, dat ieder geluid inzuigt; zij hoorde duidelijk alles, wat
er op aarde over haar gesproken werd, en wat zij hoorde, was hard en
wreed. Haar moeder weende wel is waar erg en was bedroefd over haar,
maar zij zeide met dat al: «Hoogmoed komt voor den val! Dat is je
ongeluk geweest, Inge! Je hebt je moeder heel veel verdriet aangedaan!»
Haar moeder en allen op aarde wisten van de zonde, die zij gepleegd
had, wisten, dat zij op het brood had getrapt, dat zij in de diepte
weggezonken en verdwenen was; de koeherder had dit van de helling
bij den moerassigen weg gezien.
«Wat heb je je moeder toch een verdriet aangedaan», Inge!» zei haar
moeder, «ja, ik had het wel gedacht!»
«O, was ik maar nooit geboren!» dacht zij daarbij; «dat zou veel
beter voor mij geweest zijn. Maar wat baat het mij nu, dat mijn
moeder weent?»
Zij hoorde, hoe de goede menschen, die haar als ouders verpleegd
hadden, nu zeiden, dat zij een zondig kind was, dat zij de gaven
Gods niet in waarde gehouden, maar daarop met voeten getreden had;
de deur der genade zou eerst langzaam voor haar opengaan.
«Zij hadden mij moeten kastijden, zij hadden mijn grillen moeten
uitroeien,» dacht Inge.
Zij hoorde, dat er een liedje op haar gemaakt werd, over het
hoogmoedige meisje, dat op het brood trapte, opdat haar schoenen
netjes zouden blijven, en dat men dit liedje overal in het land zong.
«Dat men daarom zoo veel kwaads moet hooren en zoo veel lijden!» dacht
Inge. «De anderen moesten ook voor hun zonden gestraft worden! Ja,
dan zou er zeker veel te straffen zijn!--Ach! wat word ik gepijnigd!»
Haar hart verhardde zich nog meer dan haar uiterlijk voorkomen.
«Hier beneden in dit gezelschap kan men niet beter worden! En ik wil
ook niet beter worden! Kijk eens, hoe zij mij aangapen!»
Haar hart was vol toorn en boosheid ten opzichte van alle menschen.
«Nu hebben zij elkaar daarboven eindelijk eens wat te vertellen. Ach,
wat word ik gepijnigd!»
Zij hoorde ook, hoe haar geschiedenis aan de kinderen verteld werd,
en de kleinen noemden haar de goddelooze Inge,--zij was zoo leelijk,
zeiden zij, zoo afschuwelijk, zij moest erg gepijnigd worden.
Gedurig kwamen er harde woorden over haar uit een kindermond.
Maar op zekeren dag, terwijl toorn en woede in het inwendige van
haar holle lichaam knaagden en zij haar naam hoorde noemen en haar
geschiedenis aan een onschuldig kind, een klein meisje, hoorde
vertellen, merkte zij, dat de kleine in tranen uitbarstte bij het
hooren van de geschiedenis der hooghartige, ijdele Inge.
«Maar komt Inge dan nooit meer naar boven?» vroeg het kleine meisje. En
men antwoordde:
«Zij komt nooit meer naar boven.»
«Maar als zij nu eens om vergiffenis vroeg en beloofde, dat zij het
nooit weer zou doen?»
«Dan wel; maar zij zal niet om vergiffenis vragen!» hernam men.
«Ik zou zoo graag willen, dat zij dit deed!» zei de kleine en was
ontroostbaar. «Ik zal er mijn pop en mijn speelgoed voor geven, als zij
maar naar boven mag komen. Het is te verschrikkelijk! Die arme Inge!»
Deze woorden drongen tot het hart van Inge door; zij deden haar goed;
het was de eerste maal, dat iemand zei: «Die arme Inge!» en er niets
omtrent haar gebreken bijvoegde, een klein, onschuldig kind weende
om haar en vroeg genade voor haar; het werd haar daarbij zonderling
te moede; zij zou nu zelf graag geweend hebben, maar zij vermocht
dit niet, zij kon niet weenen, en dat was ook een kwelling.
Terwijl er jaren daar boven verliepen,--beneden was er geene
afwisseling,--hoorde zij gedurig zeldzamer over zich spreken. Nu drong
er op zekeren dag plotseling een zucht tot haar ooren door: «Inge,
Inge! Wat heb je mij een verdriet aangedaan! Ik heb het wel gezegd!»
Het was de laatste zucht van haar stervende moeder.
Somtijds hoorde zij haar naam door de menschen, waarbij zij vroeger
gediend had, noemen, en het waren liefelijke woorden, als haar mevrouw
zeide: «Zou ik je wel ooit weerzien, Inge? Men kan nooit weten,
waar men nog eens zal komen!»
Maar Inge zag wel in, dat haar goede mevrouw nooit daar zou kunnen
komen, waar zij was.
Er verliep wederom eenige tijd, een lange, bittere tijd.
Nu hoorde Inge nog eenmaal haar naam noemen en zag twee heldere
sterren boven zich fonkelen; het waren twee vriendelijke oogen, die
zich op aarde sloten. Er waren destijds al zoovele jaren verloopen,
sedert het kleine meisje ontroostbaar was en over «de arme Inge»
weende, dat het kind een oude vrouw geworden was, die God nu weer
tot zich wilde roepen; en juist in deze ure, waarop de herinnering
van haar geheele vroegere leven weer bij haar oprees, herinnerde zij
zich ook, hoe zij eens als klein kind tranen gestort had bij het
hooren van de geschiedenis van Inge. Dat uur en die indruk werden
bij die oude vrouw in haar doodsuur weer zoo levendig, dat zij luide
uitbarstte in de woorden: «Mijn God en Heer! Ook ik heb, evenals Inge,
uw zegeningen vaak met voeten getreden en daarbij niet bedacht, dat
ik iets verkeerds deed; ook ik heb vaak een hoogmoedige gezindheid
gekoesterd,--doch Gij hebt mij in Uw genade niet laten zinken, maar
mij staande gehouden! O, laat in mijn laatste ure niet van mij af!»
De oogen der oude vrouw sloten zich, en het oog harer ziel opende
zich, om het verborgene te zien. Zij, in wier laatste gedachten
Inge zoo levendig tegenwoordig geweest was, zij zag ook nu, hoe
diep zij gezonken was, en bij den aanblik daarvan barstte de vrouw
in tranen uit: In den hemel stond zij als een kind en weende om de
arme Inge! En deze tranen en gebeden klonken als een echo in het
holle, ledige hulsel, dat de geboeide, gefolterde ziel omsloot; de
nooit gedachte liefde van boven overweldigde haar! Waarom werd haar
dit wel vergund? De gepijnigde ziel verzamelde als 't ware in haar
gedachten iedere daad, die zij op aarde verricht had, en zij, Inge,
smolt in zulke tranen weg, als zij er vroeger nooit geweend had;
bekommering over haar zelve vervulde haar, het was haar, alsof de
poort der genade zich nimmer voor haar kon openen, en terwijl zij dit
in haar verbrijzeling erkende, schoot er een straal in den afgrond
tot haar neer, en wel met een kracht, die sterker was dan die van
den zonnestraal, waardoor de sneeuwman, die de kinderen vervaardigd
hebben, ontdooit; en veel sneller dan de sneeuwvlok smelt en tot een
droppel wordt, die op de warme lippen van het kind neervalt, loste de
versteende gestalte van Inge zich in damp op,--een vogeltje vloog met
de snelheid van den bliksemstraal naar boven naar de menschenwereld
op. Maar deze vogel was angstig en schuw voor alles, wat hem omgaf;
hij schaamde zich over zich zelf, schaamde zich tegenover alle levende
schepselen en trachtte zich ijlings te verbergen in een donker gat
in een ouden, verweerden muur; daar zat hij neer, terwijl hij over
zijn geheele lichaam beefde; hij kon geen geluid van zich geven,
hij had geen stem; een geruimen tijd zat hij daar, voordat hij de
heerlijkheid, die hem omgaf, kon zien; ja heerlijk was het! De lucht
was frisch en zacht, de maan wierp haar helder schijnsel op de aarde;
boomen en struiken wasemden geuren uit, en prachtig was het, waar hij
zat; zijn veeren waren rein en fijn. O, wat was al het geschapene
toch in liefde en heerlijkheid voortgebracht! Alles, wat er in het
binnenste van den vogel omging, wilde zich in een lied lucht geven,
maar de vogel vermocht dit niet; gaarne zou hij gezongen hebben,
evenals in de lente de koekoek en de nachtegaal. Onze God, die zelfs
het stille lofgezang van den worm hoort, hoorde ook hier het loflied,
dat zich in gedachtenakkoorden verhief, evenals de psalm in het hart
van David klonk, voordat deze zich in woorden en melodie kon uiten.
Weken lang stegen deze stille lofliederen op, zij moesten hoorbaar
worden, zij moesten dit bij den eersten vleugelslag eener goede daad;
zulk een goede daad moest er verricht worden!
Het kerstfeest naderde. De boer stak in de nabijheid van den muur
een stok in den grond en bond daaraan een schoof haver vast, opdat
de vogelen in de lucht ook een vroolijk Kerstfeest en een goeden
maaltijd mochten hebben; dat was braaf, zoo is de deugdzame!
De zon ging op den Kerstmorgen op en bescheen de schoof, de
kwinkeleerende vogels fladderden in menigte om den stok heen.
Daar klonk het ook uit het gat in den muur: «Piep, piep!» De zwellende
gedachte werd een geluid, het zwakke piepen een geheele hymne, de
gedachte van een goede daad ontwaakte, en de vogel kwam uit zijn
schuilplaats te voorschijn; in den hemel wisten zij al, wat voor een
vogel het was!
De winter was streng, de wateren waren dichtgevroren, de vogelen en
de dieren des velds konden slechts weinig voedsel vinden. Onze kleine
vogel vloog over den straatweg heen, en daar, in het spoor der sleden,
vond hij ook nu en dan een graankorreltje, en op de pleisterplaatsen
eenige broodkruimeltjes; hij zelf at er slechts weinige op, maar hij
riep al de andere uitgehongerde musschen bij elkaar, opdat zij eenig
voedsel zouden krijgen. Hij vloog de steden in, keek in de rondte, en
waar een lieve hand op het kozijn brood voor de vogeltjes gestrooid
had, at hij zelf maar een enkel kruimeltje en gaf al het andere aan
de overige vogels.
In den loop van den winter had de vogel zooveel broodkruimeltjes
verzameld en aan de andere vogels gegeven, dat zij te zamen opwogen
tegen het geheele brood, waarop Inge getrapt had, opdat haar schoenen
rein zouden blijven, en toen het laatste broodkruimeltje gevonden
en goed besteed was, werden de grauwe vleugels van den vogel wit en
spreidden zich wijd uit.
«Daar vliegt een zeezwaluw over het water heen!» zeiden de kinderen,
die den witten vogel zagen; nu dook zij in het water onder, toen
verhief zij zich in den helderen zonneschijn; zij schitterde; het
was niet mogelijk om te zien, waar zij bleef,--zij zeiden, dat zij
in de zon gevlogen was!
DE BLOEMEN VAN DE KLEINE IDA.
«Mijn arme bloemen zijn heelemaal verwelkt!» zei de kleine Ida, «Wat
waren zij gisteravond nog mooi, en nu laten ze al haar blaadjes slap
hangen! Waarom doen zij dat?» vroeg zij aan den student, die op de
canapé zat en van wien zij heel veel hield. Hij wist zulke aardige
dingen te knippen: harten met kleine dametjes er in, die dansten,
bloemen en groote kasteelen, waarvan men de deuren open kon doen;
't was een vroolijke student. «Waarom zien de bloemen er vandaag zoo
verflenst uit?» vroeg zij hem andermaal en liet hem een ruiker zien,
die geheel verlept was.
«Wil ik eens zeggen, wat haar mankeert?» antwoordde de student. «De
bloemen zijn van nacht op het bal geweest, en daarom laten zij haar
kopjes hangen.»
«Maar de bloemen kunnen immers niet dansen!» bracht de kleine Ida in
het midden.
«Wel zeker,» hernam de student. «Als het donker wordt en wij gerust
liggen te slapen, dan springen ze lustig in de rondte. Bijna alle
avonden houden ze bal.»
«Kunnen er ook kinderen op dat bal komen?»
«Ja,» zei de student, «namelijk kleine madeliefjes en lelietjes
der dalen.»
«Waar dansen die mooie bloemen?» vroeg de kleine Ida.
«Ben je niet dikwijls buiten de poort bij het groote kasteel geweest,
waar de koning des zomers woont en waar die prachtige tuin met al
die bloemen is? Je hebt de zwanen immers wel eens gezien, die naar
je toe zwemmen, als je hun kruimeltjes brood wilt geven? Geloof mij,
daar buiten is het een groot bal.»
«Gisteren ben ik met mama in dien tuin geweest,» zei Ida, «maar al de
bladeren waren van de boomen, en er waren in 't geheel geen bloemen
meer. Waar zijn ze toch gebleven? Van den zomer zag ik er zooveel!»
«Ze zijn binnen in 't kasteel,» hernam de student. «Je moet weten,
dat de bloemen, zoodra de koning en al de hovelingen naar de stad
terugkeeren, dadelijk uit den tuin wegloopen en naar het kasteel toe
gaan, en daar maken ze dan pret. Dat moest je eens zien! De beide
mooiste rozen zetten zich op den troon neer, en dan zijn ze koning en
koningin; al de roode hanekammen scharen zich aan beide kanten daarvan:
dat zijn de kamerheeren.--Dan komen al de andere mooie bloemen, en
dan is het groot bal. De blauwe viooltjes stellen adelborsten voor;
zij dansen met hyacinten en krokusjes, die zij jonge dames noemen;
de tulpen en de groote tijgerleliën zijn oude dames, die zorg dragen,
dat er goed gedanst wordt en dat alles geregeld in zijn werk gaat.»
«Maar,» vroeg de kleine Ida weer, «is er dan niemand, die de bloemen
kwaad doet, omdat ze in het kasteel van den koning dansen?»
«Eigenlijk weet niemand daarvan af,» zei de student. «Somtijds wel is
waar komt de oude slotbewaarder 's nachts wel eens met een grooten
bos sleutels in de hand; maar zoodra de bloemen de sleutels hooren
rammelen, houden zij zich stil en verschuilen zich achter de gordijnen,
en steken het hoofd alleen er uit. Het ruikt hier naar bloemen,»
zegt de oude slotbewaarder dan; «maar ik kan ze niet zien.»
«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en klapte in haar handen. «Maar
zou ik de bloemen ook niet kunnen zien?»
«Ja,» zei de student. «Denk er maar eens om, als je er weer
voorbijkomt, dat je eens door het raam kijkt, dan zul je ze wel
zien. Dat heb ik vandaag ook gedaan; er lag een lange gele lelie dood
op haar gemak op de canapé uitgestrekt; dat was een hofdame.»
«Kunnen de bloemen uit den botanischen tuin daar ook komen? Kunnen
die zoo ver loopen?»
«Wel zeker,» antwoordde de student, «want als ze willen, dan kunnen ze
vliegen. Heb je die mooie kapelletjes wel niet eens gezien, roode,
gele en witte? Zij zien er net als bloemen uit: dat zijn ze ook
geweest. Zij zijn van den stengel af hoog in de lucht opgestegen en
hebben daar met hun bladeren geklapwiekt, alsof het vleugeltjes waren,
en zoo vlogen zij weg. En omdat zij dit zoo goed deden, kregen zij de
vergunning, om ook overdag rond te vliegen en behoefden niet te huis
en stil op den steel te zitten; en zoo werden de bladeren eindelijk
tot werkelijke vleugels. Dat heb je zelf immers wel eens gezien. Het
kan echter wel zijn, dat de bloemen uit den botanischen tuin nog nooit
in het kasteel van den koning geweest zijn, of dat zij niet weten,
dat het daar 's nachts zoo vroolijk toegaat. Daarom zal ik je eens
wat zeggen! Hij zal er vreemd van staan te kijken, de professor in de
botanie, die hier naast woont: je kent hem immers wel? Als je in zijn
tuin komt, moet je aan een van de bloemen vertellen, dat er buiten
op het kasteel een groot bal is; die vertelt het dan weer aan al de
anderen over, en dan vliegen zij weg. Als de professor dan in den
tuin komt, is er geen enkele bloem en zal hij niet kunnen begrijpen,
waar zij gebleven zijn.»
«Maar hoe kan de eene bloem het aan de andere vertellen? De bloemen
kunnen immers niet spreken!»
«Dat kunnen zij ook niet,» antwoordde de student, «maar dan geven zij
elkaar wenken. Heb je niet dikwijls gezien, dat de bloemen, als er een
beetje wind is, elkander toeknikken en al haar bladeren bewegen? Dat is
voor haar even goed verstaanbaar, als wanneer wij met elkaar spreken.»
«Kan de professor die wenken dan begrijpen?» vroeg Ida.
«Wel zeker. Hij kwam op zekeren morgen in zijn tuin en zag een groote
brandnetel staan, die met haar bladeren aan een mooien, rooden anjelier
allerlei wenken gaf. Zij zeide: «Je ziet er zoo lief uit, en ik mag je
graag lijden.» Maar zoo iets kan de professor niet dulden; hij sloeg
de brandnetel terstond op haar bladeren, want dat zijn haar vingers;
maar toen brandde hij zich, en sedert dien tijd waagt hij het niet,
een brandnetel aan te raken.»
«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en lachte.
«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen?» zei
een deftig oud heer, die een bezoek was komen brengen en op de canapé
zat. Hij mocht den student niet lijden en bromde altijd, als hij hem
al die kluchtige, grappige dingen zag knippen: nu eens was het een
man, die aan een galg hing en een hart in de hand hield, want het
was een hartendief, dan weer een oude heks, die op een bezemstok
reed en haar man op den neus had. Dat kon de oude man niet velen,
en dan zei hij, evenals nu: «Hoe kan men een kind nu toch zoo iets
in het hoofd brengen? Dat zijn immers de grootste dwaasheden!»
Maar de kleine Ida scheen het toch heel kluchtig te vinden, wat de
student van haar bloemen vertelde, en zij dacht dikwijls daaraan. De
bloemen lieten haar kopjes hangen; want zij waren vermoeid, daar zij
den heelen nacht gedanst hadden: zij waren zeker ziek. Nu ging zij er
mee naar haar ander speelgoed, dat op een lief klein tafeltje stond, en
in de schuiflade lagen allerlei mooie dingen. In het poppenledekantje
lag haar pop Sophie, die sliep; maar de kleine Ida zei tegen haar:
«Je moet maar opstaan, Sophie, en het voor lief nemen, van nacht in
de lade te liggen. De arme bloemen zijn ziek, en daarom moeten ze
maar in jouw bedje liggen; misschien worden ze dan wel weer beter!»
En dadelijk nam zij de pop uit haar ledekantje; maar deze zag er
verdrietig uit en sprak geen enkel woord; want zij ergerde er zich
over, dat zij haar bedje moest ruimen.
Toen legde de kleine Ida de bloemen in het poppenbedje, sloeg het
dekentje er over heen en zei, dat zij nu maar heel stil moesten liggen;
dan zou zij wat vlier zetten, en dan zouden zij wel weer beter worden
en den volgenden dag kunnen opstaan. Zij deed de gordijnen van het
kleine ledekantje dicht, opdat de zon ze niet in de oogen zou schijnen.
Den heelen avond kon zij niet nalaten, aan datgene te denken, wat de
student haar verteld had. En toen zij nu zelf naar bed moest, kon zij
zich niet weerhouden, eerst eens achter de gordijnen te kijken, die
voor de ramen hingen, waar de prachtige bloemen van haar mama stonden,
zoowel hyacinten als tulpen; en nu fluisterde zij zachtjes: «Ik weet
wel, dat je van nacht naar het bal toe gaat.» Maar de bloemen deden,
alsof zij niets verstonden en verroerden geen blaadje; doch de kleine
Ida wist toch, wat zij wist.
Toen zij te bed gegaan was, bleef zij een heelen tijd wakker liggen
en dacht er over, hoe aardig het toch moest wezen, de mooie bloemen
in het kasteel van den koning te zien dansen. «Zouden mijn bloemen
er werkelijk bij geweest zijn?» zeide zij bij zich zelf. Eindelijk
viel zij in slaap; maar midden in den nacht werd zij weer wakker;
zij had van de bloemen en van den student, dien de oude heer berispt
had, gedroomd. Het was doodstil in de slaapkamer, waar Ida lag;
het nachtlampje brandde op de tafel, en haar pa en ma sliepen.
«Zouden mijn bloemen nu nog in het ledekantje van Sophie liggen?»
dacht zij bij zich zelve. «Wat zou ik dit graag eens willen weten!»
Zij kwam eventjes overeind en keek naar de deur, die op een kier stond:
daar lagen de bloemen en al haar speelgoed. Zij luisterde, en nu kwam
het haar voor, alsof er binnen in de kamer op de piano gespeeld werd,
maar heel zachtjes en zoo mooi, als zij het nog nooit gehoord had.
«Nu zijn al de bloemen zeker aan het dansen!» dacht zij. «Och! wat
zou ik dat toch graag eens willen zien!» Maar zij waagde het niet,
op te staan, want dan zou zij haar pa en ma licht wakker maken!
«Als ze maar eens hier in de slaapkamer wilden komen,» dacht zij. Maar
de bloemen kwamen niet, en het spelen op de piano bleef voortduren;
nu kon zij het niet langer uithouden, want het was al te mooi; zij
stapte uit haar bedje, sloop zachtjes naar de deur toe en keek de
kamer in. O, wat was dat prachtig, wat zij nu te zien kreeg.
Er brandde geen nachtlampje in het vertrek, maar toch was het er licht
in; de maan scheen door het raam midden op den vloer; het was bijna
zoo helder, alsof het dag was. Al de hyacinten en de tulpen stonden
in twee lange rijen in de kamer; er waren er volstrekt geen meer voor
het raam te zien; daar stonden slechts de leege potten. Op den vloer
dansten al de bloemen zeer sierlijk in de rondte en hielden elkaar
bij de lange groene bladeren vast. Maar voor de piano zat een groote,
gele lelie, die de kleine Ida bepaald in den zomer gezien had: want
zij herinnerde zich nog heel goed, dat de student gezegd had; «O,
wat lijkt zij op juffrouw Lientje!» Doch toen werd hij door allen
uitgelachen; maar nu kwam het de kleine Ida werkelijk ook voor, alsof
de lange, gele bloem op dit meisje leek; en zij had ook dezelfde
manieren bij het spelen; nu eens boog zij haar glimlachend, geel
gezicht naar den eenen, dan weer naar den anderen kant en sloeg met
haar hoofd de maat bij de heerlijke muziek. Niemand lette op de kleine
Ida. Toen zag zij een groot blauw krokusje midden op de tafel springen,
waarop het speelgoed stond, regelrecht naar het poppenledekantje toe
gaan en de gordijnen op zij schuiven. Daar lagen de zieke bloemen,
maar zij richtten zich dadelijk op en knikten het krokusje toe, dat
zij ook wel mee wilden dansen. De oude notenkraker, welks onderlip
afgebroken was, stond op en maakte een buiging voor de mooie bloemen;
deze zagen er volstrekt niet ziek uit: zij sprongen van de tafel af,
gingen naar de andere bloemen toe en hadden heel wat pret.
Het was, alsof er iets van de tafel naar beneden viel; Ida keek dien
kant uit: het was een houten soldaat, die naar beneden sprong: het
scheen, alsof hij ingelijks tot de bloemen behoorde. Hij zag er ook
zeer keurig uit, en een kleine wassen pop, die juist zulk een hoed met
een breeden rand op het hoofd had, als de oude heer droeg, zat boven op
hem. De soldaat huppelde midden onder de bloemen en stampte geducht,
want hij danste de mazurka; dien dans kenden de andere bloemen niet,
omdat zij te licht waren en niet zoo konden stampen.
De wassen pop op den soldaat werd op eens groot en lang en riep luide:
«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen? Dat zijn
immers de grootste dwaasheden!» En nu geleek de wassen pop sprekend
op den ouden heer met zijn breedgeranden hoed; zij zag er even geel
en gemelijk uit. Maar de bloemen sloegen hem tegen de dunne beenen;
en nu kromp hij weer ineen en werd een kleine wassen pop. Dat was
heel kluchtig om aan te zien; de kleine Ida kon zich niet van lachen
onthouden. De houten soldaat ging met dansen voort, en de oude heer
moest meedansen; het baatte hem niets, hij mocht zich nu groot en
lang maken of de kleine gele wassen pop met den grooten zwarten
hoed blijven. Nu deden de andere bloemen een goed woordje voor hem,
inzonderheid die, welke in het poppenledekantje gelegen hadden, en
toen stelde de soldaat zich tevreden. Op hetzelfde oogenblik werd er
luide binnen in de schuiflade geklopt, waarin Ida's pop Sophie bij
veel ander speelgoed lag; de notenkraker liep tot aan den rand van de
tafel, ging plat op zijn buik liggen en begon de lade een weinig uit
te trekken. Nu stond Sophie op en keek verbaasd in de rondte. «Hier
is zeker bal?» zei zij. «Waarom heeft niemand mij dit gezegd?»
«Wil je met mij dansen?» vroeg de notenkraker.
«Nu, je bent me nog al een mooie kerel om mee te dansen!» zeide zij
en draaide hem den rug toe. Daarop zette zij zich op de schuiflade
neer en dacht, dat er wel een van de bloemen zou komen, om haar ten
dans uit te noodigen; maar er kwam er geen. Nu knikte zij eens; maar
toch kwam er geen. De notenkraker danste nu alleen, en dat ging alles
behalve slecht!
Daar geen van de bloemen Sophie scheen op te merken, liet zij zich van
de schuiflade op den grond neervallen, zoodat het een geducht leven
maakte. Al de bloemen kwamen nu naar haar toeloopen en vroegen, of zij
zich niet bezeerd had, en zij waren allemaal heel vriendelijk jegens
haar, vooral de bloemen, die in haar ledekantje gelegen hadden. Maar
zij had zich niet bezeerd, en de bloemen van Ida waren dankbaar voor
het lekkere bedje, en namen haar midden in de kamer, waar de maan
in scheen, en dansten met haar; en al de andere bloemen vormden een
kring om haar heen. Nu was Sophie blijde en zei, dat zij wel altijd
in haar bedje mochten liggen; het kon haar volstrekt niet schelen,
in de schuiflade te slapen.
Maar de bloemen zeiden: «Wij bedanken je hartelijk; maar we kunnen
op deze wijze niet lang leven! Morgen zijn wij dood. Maar zeg tegen
de kleine Ida, dat zij ons dan maar buiten in den tuin, waar de
kanarievogel ligt, moet begraven; dan ontwaken wij in den zomer weer
en worden veel mooier!»
«Neen, je moogt niet sterven!» zei Sophie en kuste de bloemen. Nu
ging de kamerdeur open, en een menigte prachtige bloemen kwam
dansend naar binnen. Ida kon maar niet begrijpen, waar zij vandaan
gekomen waren; dat waren zeker allemaal bloemen uit het kasteel van
den koning. Voorop liepen twee prachtige rozen, die gouden kronen op
hadden; zij waren een koning en een koningin. Toen kwamen de violieren
en de anjelieren, die naar alle kanten groetten. Zij hadden muziek bij
zich: groote papavers en pioenen bliezen op erwtenschillen, zoodat
zij heelemaal rood in haar gezicht werden. De blauwe druifhyacinten
en de kleine witte sneeuwklokjes klingelden, alsof zij schellen bij
zich hadden. Dat was een merkwaardige muziek! Verder kwamen er vele
andere bloemen en dansten allemaal met elkaar: de blauwe viooltjes en
de roode duizendschoonen, de madeliefjes en de lelietjes der dalen. Al
de bloemen kusten elkaar; het was alleraardigst om aan te zien.
Eindelijk zeiden de bloemen elkander goeden nacht; toen sloop ook de
kleine Ida naar haar bed en droomde van alles, wat zij gezien had.
Toen zij den volgenden morgen opstond, ging zij terstond naar de kleine
tafel toe, om eens te zien, of de bloemen er nog waren. Zij schoof
de gordijnen van het kleine ledekantje weg. Daar lagen ze allemaal
verwelkt, veel meer dan den vorigen dag. Sophie lag in de schuiflade,
waarin zij haar neergelegd had: zij zag er erg slaperig uit.
«Weet je niet, wat je tegen mij zeggen moet?» vroeg Ida. Maar Sophie
zag er heel dom uit en sprak geen enkel woord.
«Je ziet er zoo boos uit,» zei Ida, «en toch hebben ze allemaal met
je gedanst.»
Daarop nam zij een papieren doosje, waarop mooie vogels geteekend
waren, deed dit open en legde er de doode bloemen in. «Dit zal je
doodkist zijn,» zeide zij, «en als mijn neven hier komen, dan moeten
zij mij helpen om je buiten in den tuin te begraven, opdat je in den
zomer weer kunt groeien en mooier worden.»
Deze neven waren twee vroolijke knapen; zij heetten Jonas en Adolf;
hun pa had hun twee nieuwe handbogen gegeven, en deze hadden zij
meegebracht, om ze eens aan Ida te laten kijken. Ida vertelde hun
van de arme bloemen, die gestorven waren, en toen kregen zij de
vergunning om ze te begraven. De beide knapen liepen met de bogen op
de schouders voorop, en de kleine Ida volgde met de doode bloemen in
het mooie doosje. Buiten in den tuin werd er een klein graf gedolven;
Ida gaf de bloemen eerst een kus en legde ze toen met het doosje in
den kuil; Adolf en Jonas schoten met hun bogen over het graf; want
geweren en kanonnen hadden ze niet.
DE ONWRIKBARE TINNEN SOLDAAT.
Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal
broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel
gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun
uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden,
toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de
woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte
in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag,
en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies
op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had
maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen
tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been,
als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop
zoo merkwaardig werd.
Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander
speelgoed, maar dat, wat het meest in 't oog viel, was een aardig
kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen
zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel,
die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en
spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste
van alles was toch nog een kleine dame, die midden in de open deur
van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had
een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen
band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan
prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was
als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit,
want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog
op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij,
evenals hij, maar één been had.
«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is
zoo'n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos,
en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats
voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»
Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer,
die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die
al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht
verloor.
Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos,
en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei
spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want
zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel
niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en
de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat
de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel
op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden,
waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op
haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond
even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen
oogenblik van haar af.
Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van
de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart
kaboutermannetje.
«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar
datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»
Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.
«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.
Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd
de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het
kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het
raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping
naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak
zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de
bajonet tusschen de straatsteenen steken.
De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om
hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen
zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!»
dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast,
luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.
Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer;
eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee
straatjongens voorbij.
«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in
het schuitje laten varen!»
Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat
in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door;
de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve
hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was
daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren
schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind
om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan,
vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in
den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over
de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.
«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het
kaboutermannetje de schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij
mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo
donker zijn!»
Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.
«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»
Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.
Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij
haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:
«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij
heeft geen pas vertoond!»
Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds
daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook
een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik
aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde,
in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons,
om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.
Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven
staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield
zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen,
dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een
stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld:
het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in
het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer
raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van
den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres,
die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:
«'t Is met u gedaan, soldaat!
De dood staat u te wachten!»
Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte
naar beneden;--maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch
ingezwolgen.
O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog
donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het
daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag,
zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.
De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste
bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en
een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen,
aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen,
waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den
soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg
hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wilden zien,
die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was
volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en... o, hoe
zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was
in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde
kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige
kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield
het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den
tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen,
maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.
Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur,
zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van
het kaboutermannetje in de snuifdoos.
De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die
verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde
kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan;
of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was,
kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan,
en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het
geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind
pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf
in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op,
en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen
de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan
een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders
overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de
vlam geworden was.
DE GOUDEN SCHAT.
De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het
nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen;
zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout
gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun
haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar
Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder,
rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk
is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en
zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de
ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek,
en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op
een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.
En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het
naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen in
de kerk,--zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon
fonkelde daarin.
«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit
en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in
de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer
sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom,
die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De
kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder
zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»
En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.
De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets
te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel
noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roode haar; maar zijn
moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.
In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam
ter herinnering ingekrast.
«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste
hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.
De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift
in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen
gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen,
zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.
Merkwaardig! Beroemdheid!
In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile
helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen
weg,--ook die van den tamboer en zijn zoontje.
«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.
«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom,
bom, bom!»
Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode
haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook
als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.
«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en
daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»
«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van
de buurvrouwen.
«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je
in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping,
en dan wordt de alarmtrom geroerd!»
«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en
hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg
met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager
zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee,
hun eigen beenen namelijk.
De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van
een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem
van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde
hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat,
hij wilde stadsmuziekmeester worden.
«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine
jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een
geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een,
twee!» en uniform en sabel te dragen.
«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!»
zei de trommel.
«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader;
«maar daarvoor moet het oorlog worden.»
«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.
«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.
«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.
«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.
«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn
gouden schat heel houden.»
«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden
geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den
tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn
vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde,
dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in
zijn vaderstad houden.
«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een
na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek
een anderen kant uit--de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den
scheldnaam niet.
Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is
de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.
En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd
doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf
hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!»
Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.
De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan,
en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet;
er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De
kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden,
in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De
een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een
doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij
had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht
den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd,
alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem
neervielen, om daarmee te spelen.
«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de
trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij
konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er
gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!»
hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het
trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die
reeds aan het wijken waren, de overwinning.
Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten
het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo,
werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren
verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere
vlammen opgaan.
Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs
ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw
dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.
«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.
Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden;
de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en
zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden
zij iederen avond; hij was immers op het slagveld--«in Gods hand.»
En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten
naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis
op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk
gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen
met het vergulde haar gezien had; en haar eigen, teerbeminde zoon,
de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en
zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen,
en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo
vol liefde toegeknikt.
«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze
Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd
tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.
«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden
gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn
graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»
En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog
het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.
De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!
Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en
het diepe moeras aanraakte.
Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de
regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden
schat; en hier--lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan
den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.
De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!
Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.
«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de
trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of
gedroomd had.
Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men
naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten
was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen,
om zich den weg als 't ware driemaal zoolang te maken, als hij was.
Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van
zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken
fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En
zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijn mond, op
zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug;
hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader
gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet
gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En
Peter omhelsde de oude alarmtrom.
«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.
En zijn vader sloeg daarop een roffel.
«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de
alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»
En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.
«Peter groeit de trommel heelemaal boven 't hoofd,» zei hij; «Peter
wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken
zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd
had, leerde Peter in een half jaar.
Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn
oogen fonkelden en zijn haar was rood,--dat viel niet te ontkennen.
«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de
dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en--zij raakte
verloofd.»
«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep,
en het moet telkens weer geverfd worden!»
«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij
komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester,
waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»
Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad
geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.
Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om
uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.
Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen
voor de toekomst bij hem oprezen:
«Beroemdheid!»
En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers
dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank
vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet
eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne
vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de
groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het
vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en
antwoordde geen enkel woord;--nu kwam er een vreemde in de kamer,
de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en
hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij
keek hem met vriendelijke blikken aan.
Toen hij 's avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld
en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.
Beroemdheid!
«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met
Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»
Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.
«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij
terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester
is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er
gisteren doorgegaan.»
«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei:
«Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen
mond van den burgemeester gehoord had.
En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.
«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.
«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de
tranen liepen hem over de wangen.
«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende;
maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:
««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»
Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten,
de allerschoonste, den gouden schat eens levens.
«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld
moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook
nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld
zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»
«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij
is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en
vergeet zijn ouden leermeester niet.»
«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren
kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hij kreeg het in
den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu
heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»
«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de
tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen
jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had,
en die bij het dansen speelde,--beroemd!
«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!»
zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd;
hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van
die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»
Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind
gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den
roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te
wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,--de macht der tonen;
het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde
den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch;
daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door
het geheele land. Dat was een groote brand,--de brand der geestdrift.
«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en
ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde
haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige
hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.
De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig
gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren
zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in
de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig,
als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud
meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas;
hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had;
maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden
in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:
«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»
En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde
zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.
«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van
hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook
van blijdschap over haar _gouden schat_ zal barsten.»
_Dat is de geschiedenis van den gouden schat._
DE DROOM VAN DEN OUDEN EIK.
In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond
een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud;
maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele
dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen 's nachts,
en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is
drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn
slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag,
die lente, zomer en herfst heet.
Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om
zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld,
en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote,
frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts
een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is
toch treurig!»
«Treurig?--Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om
mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt
mij vroolijk!»
«Maar slechts één dag,--dan is alles uit!»
«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»
«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt
geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens
kunt uitrekenen!»
«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar
ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig
kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»
«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer
dan ik mij kan voorstellen.»
«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen
maar anders!»
Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige
vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht,
die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de
rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de
kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd
werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon
ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat
vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen,
en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden
grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,--het
was de dood.
«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»
En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak,
hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald
door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig
en even vroolijk.
De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en
zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn
nacht. De winter was ophanden.
Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel
een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen,
ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar,
niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van
louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd
en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een
kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden,
zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap
zacht,--en aangename droomen!»
De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan
gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen,
altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der
menschen gaat.
De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg
geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde
eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon
stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren
afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen
vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene
kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep
daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen,
alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en
rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het
winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien,
hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en
raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en
spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den
winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.
Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn
schoonsten droom.
De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was
hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden,
en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn,
zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit,
de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was
vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen
elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond,
opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren
achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij
hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele
vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed
en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk
en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte
kleeren met blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan
en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de
takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij
zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters,
in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren
eenmaal,--ja, er lagen vele jaren tusschen beide,--door reizende
vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij
daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven
kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde,
en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.
Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in
de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de
bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij
gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder in den
grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies
al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand,
hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich
uit, verhief zich,--en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk,
zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan
de schitterende, warme zon.
Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere
scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.
Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen
om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot
en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en
helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen,
oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten,
in het geheugen terug.
Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en
blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een
verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van
het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook
met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden
kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in
zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot
en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken,
alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.
De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij
in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom
den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur
van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den
koekoek hem antwoord geven.
Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn,
en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich
verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich
met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het
vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam
al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om
hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet,
groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als
een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan
en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden
en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang
en geklank en vreugde tot in den hemel.
«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?»
riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»--Ja,
de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.
«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.
«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,--en in het vorige
jaar was hier toch een menigte meibloempjes!--de wilde-appelboom,
die zoo mooi bloeide!--en al die pracht van het bosch, jaar in jaar
uit!--leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er
ook bij hebben kunnen zijn!»
«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was,
alsof zij vooraangevlogen waren.
«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik
heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch
al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»
«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!»
klonk het door de lucht.
De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel
zich uit den grond losrukte.
«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij
geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht
en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen
en grooten! Allen!»
Dat was de droom van den ouden eik; en terwijl hij zoo droomde,
bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,--op het heilige
Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte
in den boom,--hij werd met den wortel op den grond geworpen juist
op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de
aarde losrukten.--Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren
waren nu als één dag van het haft.
Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de
storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui,
en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut,
steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook
van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot
bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht
met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had,
werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.
«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de
zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal
hem kunnen vervangen?--Niemand vermag dit!»
Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het
sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen
klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde
en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van
de bestiering van den Albarmhartige:
«Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!
Het is vervuld: uw vorst zal 't loonen!
Juicht vroolijk over Gods genâ,
Halleluja, Halleluja!»
zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde
zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed, evenals de
oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom
in den Kerstnacht.
ZIJ DEUGDE NIET.
De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd
met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad
geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een
klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.
«Hoor eens, kleine!» riep hij.
En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die
juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan
was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in
elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige,
maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de
knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.
«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde
knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet
je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»
«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.
«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.
«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.
«Twee halve maken één heel!--Zij deugt niet! Het is treurig met
zulk soort van menschen!--Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest
schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel
worden! Arm kind! Ga maar heen!»
En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden,
en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der
straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar
zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk,
want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef
met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.
«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom
meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel
een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»
De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar
aan den mond en nam er een fermen slok uit.
«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten,
en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht
bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook
herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar
dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar
slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme,
goede jongen!»
En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de
kleeren droop.
«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er
maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»
Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig
uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche
lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt
worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer uitkomen. Het
was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,»
noemden de buren haar.
«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt
waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken
de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»--En
nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den
burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had
alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk
een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige
droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een
dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij
de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!»
voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel,
maar jij deugt niet!»
«Wel zoo! Heeft hij met je gesproken?» zei de waschvrouw tot haar
jongen, en haar lippen trilden daarbij. «Je hebt een moeder, die niet
deugt! Misschien heeft hij wel gelijk! Maar tegen het kind moest
hij zoo iets niet zeggen! Uit dat huis is er al veel ellende over
mij gekomen!»
«Je hebt daar immers gediend, toen de ouders van den burgemeester
nog in leven waren en het huis bewoonden; dat is al vele jaren
geleden! Sedert zijn er vele schepels zout gebruikt, en men moet
dus wel dorst hebben,» en Martha glimlachte. «De burgemeester geeft
vandaag een groot gastmaal; eigenlijk had het afgezegd moeten worden,
maar het werd te laat, en het eten was ook al klaar. Ik heb het van
den huisknecht gehoord. Zoo even is er een brief gekomen, dat zijn
jongste broeder te Kopenhagen gestorven is!»
«Gestorven!» riep de waschvrouw uit en werd doodsbleek.
«Wel,» zeide Martha, «trek je je dat zoo erg aan? 't Is waar ook,
je kendet hem nog van den tijd, toen je daar in huis diendet.»
«Is hij dood? Het was zulk een goed man! Er worden er niet veel
zooals hij gevonden!» En de tranen biggelden haar langs de wangen. «O
mijn God! het draait mij alles voor de oogen,--dat komt, omdat ik de
flesch leeggedronken heb,--dat heb ik niet kunnen verdragen! Ik voel
mij alles behalve wel!»
«Mijn hemel! Je bent werkelijk ziek,» zei de andere vrouw. «Het is te
hopen, dat het maar weer gauw over zal zijn. Het zal het beste wezen,
dat ik je naar huis breng.»
«Maar de wasch dan?»
«Ik zal wel voor de wasch zorgen. Komaan! geef mij maar een arm! De
jonge
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/25580