Liesje van den Lompenmolen
by W. Heimburg · Dutch · Gutenberg #25495 · 434,606 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Liesje van den Lompenmolen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Liesje van den Lompenmolen
Author: W. Heimburg
Release date: May 16, 2008 [eBook #25495]
Most recently updated: January 3, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/25495
Credits: Produced by Anna Tuinman, Branko Collin, Eline Visser,
Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
Team at https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LIESJE VAN DEN LOMPENMOLEN ***
Produced by Anna Tuinman, Branko Collin, Eline Visser,
Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
Team at https://www.pgdp.net/
Liesje van den Lompenmolen.
Naar het Hoogduitsch
Van
W. Heimburg.
Tweede druk.
Te Sneek. Bij J. F. van Druten.
1886.
Eerste Hoofdstuk.
In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur
in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche
meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.
In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer
veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten
winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen
achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen,
en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.
"Mama," zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde
krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den
haard zit te breien. "Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk
lang in grootmama's kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen,
naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft
slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag
had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;--wat moet Liesje wel denken,
dat hij daar nog in 't geheel niet geweest is?"
Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder
genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk
gelaat.
"Heb geduld, Nelly!" antwoordde de moeder, en liefkoosde de bloeiende
wangen der dochter. "Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet
Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen
hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven
zooveel behoefte.--Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan
Army's linnengoed te doen."
Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna
onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp
het vertrek, 't welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele
inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.
Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu
viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke
sporen droeg van veel kommer en lijden.
Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit
oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de
gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop
werd de deur geopend;--een bevallig, jong officier trad binnen; zijn
negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.
"Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den
molen gaan," zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende,
de armen om zijn hals; "ik haal schielijk mijn kap en mantel, want
lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt 's avonds vroeg
gegeten," en verheugd wilde zij zich heen spoeden.
"Nelly!" riep de jonge man en hield haar terug; "laat dat nu
blijven! Dat--voegt niet meer," liet hij er eenigszins verlegen
op volgen.
"Voegt dat niet meer?" Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.
"Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met
wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter
niet meer."
"Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd
zoo graag mede."
"Kom, Army!" sprak de barones, "dat meent gij niet; het zijn
achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u
gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn."
"Maar, mama, ik bid u," antwoordde hij knorrig, "die lieden behooren
tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te
B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er
immers dood mee verlegen worden!"
"Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen," riep Nelly uit;
"dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de
lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag."
"Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!" lachte de jonge officier. "Laat
ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet
altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen
draagt--dan is het ook met u: adieu, Liesje!"
"Nooit!" antwoordde het jonge meisje heftig, "ik zou des nachts
naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje
is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij
niet komt?" Zij barstte in tranen uit.
"Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch
niet!" troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger,
toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.
"O, niet waar, Army," bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, "gij
hebt mij slechts willen plagen,--wij gaan naar den molen, aanstonds?"
Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij
een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien
had, Liesje, lompenmolenaars Liesje van den papiermolen, daar beneden
in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode
lippen openden zich: "Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven,
en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!"
Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts
wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een
fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het
wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en--haastig
greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.
"Kwel mij niet!" zeide hij kortaf en keerde zich om.
Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich
op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen;
maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de
oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte,
en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de
kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon
een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door
de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen
deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.
"Army," sprak eindelijk de bleeke vrouw, "wanneer gaf grootmama u
den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?"
Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende,
dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;
"Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!"
"Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?"
De jonge man keerde zich plotseling om. "Neen, mama, dat heeft
grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de
beteekenis van het wapen en--"
"Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen," klonk het van de lippen
der barones, met een van aandoening bevende stem. "Het is de ring,
dien grootmama eens van de koude, verstijfde hand uws vaders trok,
toen hij--gestorven was" De laatste woorden klonken als een half
onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.
"Mijn lieve, goede Mama!" riep Army en stond in een oogenblik naast
haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met
tranen besproeid gelaat drukte. "Ween niet, lieve mama!" bad hij,
"ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon
vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn
best doen, even goed, even edel te worden, als hij was."
Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende
moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk
gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste
der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna
verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind;
als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: "Army, almachtige God!" riep
zij in vertwijfeling uit, "o, slechts _dat_ niet, slechts _dat_ niet!"
"Mama is ongesteld," zeide de zoon en haastte zich naar de
schellekoord.
Doch een flauw: "Kom hier, Army! het wordt reeds beter," bracht hem
aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak,
terwijl zij poogde te glimlachen:
"Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws
vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt
staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het
verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij
zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben," ging zij na een
korte pauze voort, "over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij
voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army,
niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat
de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan
voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws--"
Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.
Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende
vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd,
en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.
"Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van
nauwelijks zeventien jaar," hervatte de barones, "vond ik hier enkel
pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren
beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst,
de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast
even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven;
zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij
zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te
hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens,
en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly,
toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.--Daarop echter kwam het
vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons
het ongeluk."
Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om
zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het
verleden behoorde.
"Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator
ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward
waren. Waarheen het oog zich ook wendde--hypotheken, pandbrieven,
onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin
grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze
nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch
is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen
licht in den chaos gekomen."
"Wind u niet op, lieve mama!" bad de jonge officier, "ik wist het
immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel
ik niet vermoeden kon, dat wij zoo arm zijn; maar houd goeden moed! Er
komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij
nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij
toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben."
"Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar--"
"Zij wenscht," viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, "dat
ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken."
"Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat
grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de
Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als
wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment
heeft hetzelfde recht als gij en Nelly."
Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge
vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een
statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren,
nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met
dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar
dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren
gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar
groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag
een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te
buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter
naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!
Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat
zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna
ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter
was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen
uit haar oogen weg.
"Waarover werd hier gesproken?" vroeg de oude barones, terwijl zij
plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte, heen te gaan. "Ik
hoorde zoo iets van 'dezelfde rechten als Army en Nelly.'"
"Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie," antwoordde
hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, "en ik gaf als
mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen
evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen."
"Blanka? welk een idée!" riep de oude dame schouderophalend, "dat
roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft--goddank!--een
te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;--overigens had zij,
voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien
snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in
welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers
een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie,
dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede
gij u-zelve en anderen kwelt."
De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de
trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.
"Ik meende slechts," antwoordde deze zacht, "dat men toch niet met
zekerheid---" hier hield zij op. "Het leven geeft reeds zoo vele
teleurstellingen, dat men werkelijk--"
"Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen,
dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt," viel de oude
dame haar bits in de rede.
"Hoe bedoelt gij dat, grootmama?" klonk plotseling de stem des jongen
mans. "Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik--een erfenisjager
worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk
bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook
alles--kruipen kan ik niet;--wat zij mij vrijwillig niet wil geven,
mag zij behouden!"
Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op,
en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemde verklaring
van haren kleinzoon. "Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard
gedacht hebben?" vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde
schertsend te doen klinken, want haar stem beefde van ergernis. "Wel,
Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent
gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht
te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen
te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge
nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op
erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante
zoekt te winnen?"
"Ja, grootmama," zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn
lief gelaat veranderde. "Ja, dat is het, indien men met de liefde,
ook het geld van iemand zoekt te winnen--"
"Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek
lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot
zonder heerlijkheid en inkomsten," viel de oude barones hem toornig
in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.
"Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben,
zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka--"
"Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog
leeft, dat ziekelijke schepsel? 't Is akelig, zulke kinderwijsheid
te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik
verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen
tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt."
"Zeker, grootmama, ik _zal_ gaan," zeide Army beleefd maar koel,
"zoodra gij het verkiest."
Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich
een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen
grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende
oogen en vast op elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover
elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.
"Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur," zeide
de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af
te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw
merkbaar hoofdknikje, en ging heen.
Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge
gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had,
de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle
huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard,
en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd
was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel
ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna
binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:
"Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik
moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen
geschieden."
De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was
Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven
uit de handen zijner grootmoeder genomen had.
"Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de
familiezaal," riep hij vroolijk: "kom eens hier, zusje! Dat is
interressant--hoor maar!"
Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van
zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat
met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam
spellende:
"Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg
het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot
Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz
uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en wel
zóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk
stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst
met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop
genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een
verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere,
aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde
geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd
alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls
feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes
zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was."
"Dat is vervelend," viel de jonge officier zichzelf in de rede,
"maar wat staat hier?--luister!"
"En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een
zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden
wakker ter zijde stond.
"Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen
goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:
De schoone vrouw en 't schoone paard,
Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;
En zijn ze zonder booze nuk,
Dat is voorwaar een groot geluk.
Let daarom op de kleur van 't haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar.
"Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij
was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde
ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen,
zich uit wanhoop het leven heeft benomen, 't geen God hem moge
vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van
haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling
een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig
zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstelling
geschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de
ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven."
"Wat zegt gij daarvan, mamaatje?" riep Army opgewonden; "ik wil graag
gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het
is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis
konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk
schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde."
"Wel, Army!" lachte de barones, "ik wist niet dat uw eerste
verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet
gevaarlijk--wat zegt gij, Nelly?"
Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen
kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen
en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen;
Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den
mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek
zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk
een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten
hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder;
daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.
"De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,"
zeide de binnentredende oude Sanna, "zij laat zich bij het avondeten
verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn."
De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje
en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres
de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur;
zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien,
welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den
haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op,
toen haar dochter vriendelijk zeide:
"Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van
harte beterschap."
"Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?" vroeg de barones.
"Ja zeker," antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte
zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de
vragende strak aankeek. "De barones was reeds niet wel, toen zij van
hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer;
ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet
iets ergers wordt!"
Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de
woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de
barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. "Het spijt mij zeer,"
zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen
te gaan; "ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn."
"Zeer goed," antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar
houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts
waren eensklaps vijandig geworden.
Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.
"Army, ik bid u," riep de barones, "laat haar! Gij maakt het er niet
beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo
geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin
als bij haar meesteres, en bovendien--zij vereert uwe grootmoeder
afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië
hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar
doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna
heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u,
kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien
ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan."
Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. "Ik moet een oogenblik naar
buiten, anders slaap ik slecht," zeide hij, kuste zijn moeder de hand
en verliet het vertrek.
Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar
hij eigenlijk heen wilde. "Eerst moet ik mijn paletot halen," dacht
hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te
moede--voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja,
hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde,
maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover
niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem
tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog
eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar
genoemd had.
Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer
het rijmpje: "Daarom, let op de kleur van 't haar! En is dat rood,
dan dreigt gevaar." Het roode haar zou _hem_ toch niet in gevaar
brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.
Grootmoeder had gezegd: "Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis
bouw ik al mijne hoop," en hij had haar iets verweten van jacht maken
op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka--daar was
zij alweer--maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka,
Nelly en hem--ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht
kunnen komen?
Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op
het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het
droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het
roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen
helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de
kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den
schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde,
waarop de spreuk:
"Wanhoop nooit aan God!
Dan is geluk uw lot;"
een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. "Geluk is dan uw lot,"
herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij
maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig
kunnen worden?
Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden--alle waren zij door de
Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum
vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand
had. Maar het was immers mogelijk--waarom niet?--dat hij eenmaal
weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke
jachtpartij gehouden hadden.
Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol
hoop, zoo uitlokkend, en 't geluk kon immers komen.
Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte
hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich 's levens stormen
te trotseeren. "Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker
de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt;
een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving
vragen voor dat leelijke woord 'erfenisjacht', ging hij voort; ook
mama mag niet meer zoo treurig zijn--waarom altijd zoo donker te
zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar--dat was om
Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er
over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat--"
Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne
moeder terugkeerde.
Tweede Hoofdstuk.
Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne
grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij
lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog
onbekende Blanka mee zou erven. "Gij zijt een dweeper, Army," zeide
zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een
tabouret aan haar voeten. "Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen,
voor wij scheiden."
De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting
behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen
indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware
purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was,
maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en
vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche
tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd
met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen;
't waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als
gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze
herinneringen vergat zij het troostelooze heden.
"Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet
te zeggen, Army!" ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister
vermijdende. "Gij zult dit zelf wel weten; breng haar mijne hartelijke
groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden."
"Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama," zeide Army
hoffelijk, "ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren."
De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij:
"Niet spotten met uw oude grootmoeder!"
Army kuste haar de hand. "En wat heeft u mij nog meer te zeggen?"
"Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt
zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner
voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u
voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis
zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn
en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige
wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op
te richten.--Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te
schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!"
De jonge officier lachte. "Zeker grootmama, ik schrijf spoedig,
want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan
trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst
onlangs achttien jaar geworden." Hij lachte luid; van zijn gelaat was
elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. "Mag ik nu afscheid
nemen, grootmama?" vroeg hij, "ik wilde nog gaarne eens naar de
familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek
te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling
verzekeren," voegde hij er bij, "wanneer ik niet een meisje vind, dat
haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw."
"Meent gij die Mathilde met het roode haar?" vroeg de oude dame
verbaasd.
"Ja!" knikte de kleinzoon. "Ik heb eene voorliefde voor rood haar. A
propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister
avond beneden bracht?"
"Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had."
"Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!" Hij kuste haar de
tengere hand, en vertrok.
Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in
de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den
donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware,
goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd
weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit
voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling
contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere
oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den
beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een
verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek;
Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde,
en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der
schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende,
diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering
uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster
werd op zijn schouder gelegd.
"Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat
immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien."
Hij trok het jonge meisje naar zich toe. "Zie mij eens even aan,
Nelly!" bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; "zijt gij nog
boos op mij?"
Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag,
maar zij schudde lachend het hoofd. "Boos? neen, o neen! Maar kom
toch--het is hier zoo koud."
Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen, keerde hij zich
nog eenmaal om, en zag naar het portret.
"Let daarom op de kleur van 't haar, en is dat rood, dan dreigt
gevaar," mompelde hij zacht voor zich heen.
Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen,
om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van
zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly
ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet
van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.
"Precies zijn grootmoeder!" mompelde de oude Sanna zacht; "het hart
springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet." Zij hield de
handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. "Het kan hem
niet mislukken," dacht zij, "hij kan aankloppen, waar hij wil; de
rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader
zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens
mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke
leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn
bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!"
Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een
heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de
allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door
een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van
het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen
schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan
de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was
met een verblindend wit laken bedekt--doodstil was het in de natuur;
alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen
omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En
dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich
in de verte als in een purperen zee baadde.
De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden. "Zie Nelly,"
zeide hij, "dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze."
"De papiermolen ook?" vroeg de kleine en wees op het met leien
gedekte gebouw.
"De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der
landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht,
toen hij zich eens in verlegenheid bevond--zoo verhaalde grootmama
mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij--" hij voer even
met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten;
hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.
Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en
zag de groote laan langs.
Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren
geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve
vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot
te voorschijn, als 't ware overstroomd door den rooden gloed der
ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar
beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst,
die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.
"Het _moet_ hier weder anders worden," zeide hij, "het _moet_; ik
wil het."
Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.
Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil
en keek op zijn horloge.
"Zusje," zeide hij, "ik moet spoed maken, als ik de post niet wil
misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke
sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!" Hij
bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. "Pas op, dat de tijd
u niet lang valt in het oude, eenzame slot!"
Zij schudde het hoofd. "O neen, ik heb Liesje immers."
Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen
waren, op den grooten weg uitliep. Door het dennenbosch daarboven
voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de
weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede
takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen
bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.
"Wijl ik van u scheiden moet,
Bied ik u den afscheidsgroet!
Meisjelief, adé,
't Scheiden doet wee!"
zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje
uit het dennenbosch te voorschijn.
Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood
bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe
oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk
nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor
zich twee kuiltjes in de wangen vormden.
"O, Nelly," riep zij, "hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,"
voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, "gaat
gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest
te zijn?"
De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem
gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij
kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken;
zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje,
dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.
"Army moet heel onverwacht vertrekken," zeide Nelly, "anders--"
zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te
bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar
broeder smeekend aan.
Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. "Goede
Army," zeide zij gerustgesteld, "ik had u al beschuldigd, dat gij niet
meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,"--zij
lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen--"om te vragen
of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden
zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag
of morgen _toch_ gekomen zijn," voegde zij er trouwhartig bij.
Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. "Wat zijt gij groot
geworden!" zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was
werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig
uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij
bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:
"Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten,
Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb." Zij
stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare;
hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu
weder te voorschijn.
"De laatste, Army," riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder
en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde
hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar "de laatste" weer te geven,
zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot
verliet;--zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter
zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij
zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen;
hij moest zich immers haasten.
Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen
vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was,
fluisterde een zacht "vaarwel!"
Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp
verdween, vroeg zij angstig: "Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op
Army?" Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje
en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.
Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof
geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen
er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren
droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij
het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger,
en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden
niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: "goeden nacht!"
Derde Hoofdstuk.
De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen
omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het
ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan
op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw
en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten
voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde;
de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen,
en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit
huis "tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving
en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin." De oude drakenkoppen
aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater
uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de
twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der
familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen
omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en
vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder
toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke
appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg
gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid
en grootte.
Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de
oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs
kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over
de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke,
heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en
was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende
huisdeur kon ontvangen met een "God zegene u! wat zal dat Mina"--dat
was de huisvrouw--of: "wat zal dat Frederik"--zoo heette de heer des
huizes--"genoegen doen!" en dan trippelde zij vooruit om den gast in
de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van
haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.
De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was
eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had
het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de
speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door
trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld
en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk
geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid
jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de
linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls
zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.
Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier
handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige
werkzaamheid in zich vereenigden. Het "bid en werk" was van oudsher
de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den
kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen:
op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en
dochters. "Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde," was een
compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe
oogen der molenaarskinderen hadden reeds sinds jaren menigeen kommer en
hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel
levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.
Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren
verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander
achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs
de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den
lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.
Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van
1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer
bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.
Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het
meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide
met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als
godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar
eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw
Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen
speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond,
die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant,
hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op
het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den
blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan
het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine
Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke
slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen
in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert
lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de
bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de
jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog
altijd gaarne in het oude huis terug, om den vriend te bezoeken. De
kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid;
zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in
de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw
waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien,
dat zij zijn hart won.
Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de
huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek
daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen
wel lief _moest_ krijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met
"juffer" en "u" aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het
vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij
hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.
En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin
kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen
dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het
betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.
Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder
het rijmpje gehoord:
"Gelijk goed, gelijk bloed,
Gelijke jaren, geeft de beste paren,"
maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich
om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde
voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend
gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even
ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw
en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone
vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander,
dat het eene aan zijne wonden bezweek--Lisette sloot haar wonderschoone
blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.
Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken,
en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner
schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte
zij dikwijls bij zich zelve: "zij komt immers uit het lichtzinnige
Italië--hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als
het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit."
Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den
molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij
de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de
familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen,
de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden,
want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde
hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede,
en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge
paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de
jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen:
"Daar, tante!"--zoo noemde hij haar steeds--"heb haar ook een weinig
lief en wees ons beider moeder!"
Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later
een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote
blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het
gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar
beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.
Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor,
die ook de harten in den molen diep schokte--de plotselinge dood
van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en
dacht "hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren." Toen nu eens haar
lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond
meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd door
een beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die
verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam
het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of
zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind
bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje
bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel
als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje
eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met
glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen
zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder
zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende,
drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met
tranen in de oogen: "Van avond moeten wij den lieven God hartelijk
daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt,
zie die beide kinderen daar, _die_ hebben _geen_ vader meer, en zij
missen bovendien nog zóóveel!" Van toen af dagteekende de vriendschap
tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.
Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje
groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden
en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar
peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken
en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem
de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen
vochtig: "precies Lisette!" zeide zij halfluid in zich zelve.
Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht,
verwonderde de oude vrouw niet. "'t Is grootmoeders bloed," zeide
zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was,
dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had;
zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij
trof de jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op
het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest
onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu
weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon,
sprak zij: "Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch
is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op
reis moest;--ik wist het wel.
"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
"Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij--" zeide
zij pruilend.
"Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen," antwoordde
deze. "Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?"
"Ja, en Nelly jokt niet."
"Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt;
zij heeft de trekken en 't gemoed der Derenbergs, dat waren door en
door brave lieden die Derenbergs, totdat---" Zij zweeg.
"Wat bedoelt gij, tante?"
"Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een
engel voor."
"Wat zegt gij?"
"Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar
Zondag van den kansel verkondigd heeft: 'Onze God is een rechtvaardig
God,' dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk
liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene
appels."
Vierde Hoofdstuk.
Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was
op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een
bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de
jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de
maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig
vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de
vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat,
en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen
in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd
er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een
oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet
alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten
deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone,
lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer,
na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was
alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen
lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd
dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als
de wereld daar buiten.
Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op
een schilderijtje boven de commode rusten dat in het heldere maanlicht
de silhouette van een man vertoonde.
"Ja, ja, mijn Christiaan," fluisterde zij zacht, "wij hebben elkander
liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest,
vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat
het ook zoo met u moest gaan--zoo treurig! Lieve hemelsche vader,
wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de
mensch een paar jaar gelukkig,--of daar komt de smart; een lading
vol--mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes,
mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld
heerlijk! daar ving het treuren aan.
"Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!" Zij schudde treurig het
hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte
grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.
Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in
den schoot.
"Ha, wacht! Dat doet Lise," zeide zij, en een schalkachtige
trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat
onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd
een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor
het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.
"Zij is hier niet!" sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van
schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje
met den vliertak over het verblufte gelaat.
"Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!"
"Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?" vroeg de oude;
"wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?"
Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: "Zijn vader en moeder
reeds terug uit de stad?"
"Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik
blijf immers wacht houden."
"Maar, tante! wat denkt gij wel?" riep het jonge meisje. Op dezen
wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk
de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in
den tuin is."
"Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk
weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht--blijf
gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond."
"Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen
zijn, voor niets ter wereld niet."
"Nu, kom dan, gij dwaas kind!"
Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de
kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad
gekleed, trad binnen.
"Daar ben ik, tante!" riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje
aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en
bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot
de oude vrouw opzagen. "Tante," sprak zij toen zacht, "vertel mij
heden avond iets, bid ik--"
"Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?"
"O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante."
"Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?"
"Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij--toen
gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?"
"Wel gij--nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te
weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?"
"Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds
een bruidegom, en--"
"Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel
graag een hebben,--ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal--"
"Doe dat maar, tante!" riep het jonge meisje, lachend. "Moeder heeft
mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles
voor uw uitzet, Lise."
"Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?"
"Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde
voor het eerst gezien hebt?"
De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote,
vochtige oogen vol verwachting tot haar op.
Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk
met eentonige melodieën uit de verte.
"Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!"
zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.
"Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af."
Tante schudde het hoofd. "Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen,
zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet
dwingen."
"Och, ruitertje, och, ruitertje!
Blijf van mijn bloemen af;
Die moet mijn schat, mij allerliefst,
Zelf plukken van mijn graf."
"Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,"
zeide tante; "ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met
Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon--maar
gij wildet immers weten," viel zij zich zelve plotseling in de rede,
"wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond,
zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer,
ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:
"Hij is geen keizer, bij is geen koning;
Hij is soldaat, hij is soldaat."
"Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en
vroeg: 'Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?' waardoor ik zóó
schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij
echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik
stilstond en hem aanzag. Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een
paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde;
wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht
was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly,
die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls
gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik
bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch
moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug
de hand en zeide hij: 'goeden nacht, Marie!' Wij spraken niet meer,
maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo
hard ik kon over de brug naar huis liep."
"Hoe waart gij toen te moede, tante?"
"Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise," zeide de oude
vrouw; "ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit
zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer
zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was
toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: 'goeden nacht,
Marie!' klonken mij onophoudelijk in de ooren."
De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. "Zeg
mij eens, Lise, wat scheelt u toch?"
"Och, niets, tante!" antwoordde zij. "Weet gij wat, ik ga nog even
naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden
nacht, tante!"
"Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij
morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft
laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het
mij ook valt. Goeden nacht!"
En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het
venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar
de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer,
zoodat zij die niet meer onderscheiden kon; maar zij wist immers
nauwkeurig, hoe hij er uitzag.
"Ja, zoo was het," fluisterde zij, "dáár buiten bij de molenbrug,
daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het
mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is
Lise's schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?"---
Lise was buiten onder den lindeboom gaan zitten; het water van de
molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg,
die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven,
achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche,
door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel,
zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen--hoe
kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?
De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het
priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te
lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend
zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop
had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk "juffer Lise"
genoemd. "Juffer Lise!" Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen;
hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en
statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het
laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche
mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de
avond van Nelly's verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne
kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk,
zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde
gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij
waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug,
evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne
jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.
"Goeden nacht, juffer Lise!" Zij had er weder om moeten lachen;
"goeden nacht, mijnheer Army!" had zij willen zeggen, maar het kwam
niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij
als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich
over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als
zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude
linden--'t was alsof zij droomde.
"Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?" vroeg zij bij zich zelve
en zag naar het slot. "Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen
het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen," dacht
zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.
En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht,
en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar
niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers,
die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen---
Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer
der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar
handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.
"En gij zegt, Army!" sprak zij vragend tot den jongen officier,
die tegenover haar zat, "tante Stontheim heeft zelve den wensch te
kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?"
"Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd," antwoordde deze:
"tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk
nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van
den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer
bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande,
aanstonds onze gastvrijheid aanbood."
"Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit
ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een
genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij een moeielijke zaak
toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen
en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen,
hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen." De oude dame
lachte bitter.
Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.
"Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?" vroeg de
grootmoeder, na eenig stilzwijgen.
Army's gelaat verhelderde zich. "Hoe zal ik u haar beschrijven,
grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone
verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste
maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan
zich boeit."
"Dat is de taal eens verliefden," sprak de oude dame koel; "zooveel
ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden."
Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte
oogen.
"Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets--"
"Genoeg!" viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; "zeg mij
liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en
wat heeft deze te hopen?"
"Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid
heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het
Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet
kunnen bespeuren."
De barones haalde minachtend de schouders op.
"Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek
reeds medegedeeld?"
"Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen--de kleine
uit den molen was bij haar."
"Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht
van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande
is zij de eerste en de laatste bij uwe moeder en zuster, die in haar
een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld
zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?"
"Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer
zou tot zitkamer kunnen worden ingericht."
"De torenkamer? Nooit!" riep de oude dame vertoornd uit; haar
buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna
spookachtig aanzien.
Army zag haar verschrikt aan.
"Zooals gij wilt, grootmama!"
"Schik dat met uwe moeder!" liet zij er haastig op volgen, "laat
Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang
ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader."
Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen
de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten
marmeren vloer.
"Nog altijd het oude liedje," mompelde hij; "wat heeft dat nu weer
te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld,
het voor Blanka in te richten--"
"Voor Blanka!" Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen
terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge
spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de
tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu
zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend,
en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar
buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien
winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend
met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk
voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: "Vertrouw
gerust op God, geluk is dan uw lot." Was het geluk hem reeds ten deel
gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hoop er op. In
den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.
Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen
doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter
verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem
werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling
beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een
meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar
verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed
van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar
werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig
haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij
was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning
zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia's
op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.
"Agnese!" klonk het in zijn binnenste; "de schoone Agnese Mathilde
uit de familiezaal 't huis!"
"Is het reeds zóó laat?" vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op
de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:
"Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de
feestdagen onze gast zijn zal!"
De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op
hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders;
voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo
uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer
links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven,
als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig
toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden,
was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka
gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret
in de familiezaal hing, dat haar sprekend geleek, en waarvoor hij als
knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te
kunnen verzadigen.
Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef
te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer
inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep
treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die
onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was
zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!--Hij volgde haar
met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een
goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij
kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk,
die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den
heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was,
en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.
Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er
minder bekoorlijk had uitgezien--zeker niet; de gouden sluier lag
zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den
Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach,
die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige
Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka's zwarte oogen.
Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij
vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig
terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij
een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was
zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht
vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend,
opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was,
dat op het portret in de familiezaal, of het hare.
Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek;
hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwde in het
maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een
blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen,
en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag
zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast
hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen,
en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame
voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw
vroolijk leven aankondigende.
Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts
een droom; en de werkelijkheid?--Army huiverde; zij stelde hem
eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige
werkelijkheid.--Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone
gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld,
o, dat booze geld!
Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en
ruischte door de boomen. "Het is tijd om te gaan slapen," zeide
de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht
zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese
Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad,
en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote,
treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:
"Let daarom op de kleur van 't haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar."
klonk het in zijn oor.
Vijfde Hoofdstuk.
"Army, wat ben ik blij, ook eens een gast te zullen hebben," sprak den
volgenden morgen Nelly tot haar broeder, toen zij te zamen door het
frissche, groene park wandelden. "Wat zal Liesje wel zeggen? Ik moet
het haar vertellen. Zeg eens, Army! hoe vindt gij Liesje eigenlijk? Is
zij niet beeldschoon geworden?"
"Ik weet het waarlijk niet," antwoordde hij verstrooid, "ik heb er in
't geheel niet op gelet; ja, ik geloof het wel, ik herinner het mij
nauwelijks meer--"
"Maar, Army!" klonk het van de lippen zijner zuster, "gij zijt
verstrooid, of misschien bedroefd--is u iets onaangenaams bejegend? Kan
ik u soms helpen?"
"Neen, zusje," lachte hij en streek haar schertsend met de hand over
het bloeiend gelaat. "Gij kunt mij wel het allerminste helpen; het is
een ongelukkige geschiedenis, ik--zie er tegen op het mama te zeggen,
maar ik kan niet anders."
"Och, spreek er niet tegen mama over, Army!" bad het jonge meisje,
staan blijvende. Zij legde de kleine hand op zijn schouder, en zag
hem angstig aan. "Ik bid u, doe het niet! Zij is zoo droevig, en weent
zooveel; ik smeek u, zeg het niet, als het iets onaangenaams is--"
Army werd verlegen.
"Ja, mijn God!" zeide hij, "wist ik slechts wat te doen? Tot grootmama
kan ik mij niet wenden; het zou te vergeefsch zijn, daar zij werkelijk
niet in staat is, mij--"
"Army," fluisterde het meisje, de oorzaak zijner verlegenheid radende,
"ik geloof, ik kan u helpen; wacht een oogenblik, of neen, ga vooruit
onder den grooten ahorn aan den dijk! Ik ben aanstonds terug." En vlug
liep zij naar huis; de zonnestralen dansten over haar eenvoudig kleedje
en beschenen de blonde lokken; spoedig was zij om den hoek verdwenen.
De jonge man zag haar na en ging verder. Wat meende zij? Zij kon toch
onmogelijk weten---
Hij zat op de steenen bank en zag naar het heldere water, waarin de
blauwe hemel en de hooge boomen zoo liefelijk weerkaatsten.
"Hoe schoon is het hier!" sprak hij halfluid; "als zij maar een weinig
gevoel voor natuurschoon heeft, moet het haar hier bevallen."
Vlugge schreden klonken achter hem, en zich omkeerende, blikte hij
in het van vreugde stralende gelaat zijner zuster.
"Daar, Army!" zeide zij blozend, en legde een sierlijk zijden
beursje in zijne hand. "Ik heb het waarlijk niet noodig; neen,
wezenlijk niet; waarvoor toch? En nu zult gij niets aan mama zeggen;
niets, nietwaar?" De blijdschap, iets te kunnen geven, straalde het
lieve meisje uit de oogen. "Goede, lieve Army!" bad zij, "berg het
spoedig! Het zal zeker voldoende wezen."
"Neen, Nelly, neen!" riep hij, kleurende; "uwe spaarpenningen--"
Zij hield hem de hand voor den mond. "Gij maakt mij boos, Army,"
zeide zij: "zouden broeder en zuster elkander niet helpen--Wie weet,
of ik ook niet nog eens bij u kom! Laat ons nu verder gaan, spreek er
niet meer over! Zie, hoe zoudt gij het vinden, als wij hier eene boot
hadden? Ik heb het reeds lang gewenscht. Dan konden wij met Blanka
roeien, en Liesje--nietwaar? Blanka zal toch niet trotsch zijn?"
Hij antwoordde niet; hij kwam zichzelf op dit oogenblik zeer
verachtelijk voor. Haastig wendde hij het gelaat af.
Zijne zuster bemerkte het. "Army," zeide zij, "volg mij spoedig! Ik
moet aanstonds naar mama, en--ik heb het druk," en zij sloeg den
naasten weg naar het slot in.
Hij volgde haar langzaam, diep beschaamd. Hij had haar gister op
haar geboortedag niet eens een kleinigheid geschonken, en heden gaf
zij hem blijmoedig al hare bespaarde penningen. Hij bleef staan en
opende de kleine zijden beurs; een paar losse daalders lagen er in,
en nog iets in een papier gewikkeld; hij deed het open en vond een
goudstuk, benevens een paar woorden van de hand zijner moeder op het
papier. "Voor een nieuw kleedje voor mijne Nelly," las hij. Het jonge
meisje had klaarblijkelijk de woorden nog niet gelezen; dan had zij
hem deze vernedering bespaard; hij dacht aan het versleten kleedje,
dat zij heden en gister droeg, en hoe zij zich over een nieuw verheugd
zou hebben. Een nieuw kleed voor vijf daalders! Zooveel had ongeveer
de ruiker gekost, dien hij Blanka gezonden had, en welken zij wellicht
den morgen na het bal achteloos had weggeworpen; hij dacht aan de
sierlijke gestalte, welke hij nooit anders dan in zware zijde of licht
krip had gezien--welke tegenstrijdigheden biedt het leven! Daar lag
het slot voor hem, zoo indrukwekkend, met zijn reusachtigen gevel,
zijne torens; en de zoon des huizes bezat niet zóóveel, om,--neen,
het was om wanhopend te worden.
Hij wendde zich haastig om, en keerde terug; zijne blikken dwaalden
onwillekeurig over den heuvelachtigen grond en bleven op het leien
dak van den papiermolen rusten; eensklaps lachte hij hardop. "Ja,
die hebben des te meer," sprak hij half luid; "men moet zich maar
met lompen en diergelijk tuig afgeven, dan stroomt iemand het geld
toe; en dat alles zal de hand vullen van het kleine meisje, met 't
welk ik eens speelde. Lompenmolenaars Liesje is de rijkste erfgename
uit den ganschen omtrek--waarachtig, het is om zich dood te lachen,
zooals het in het leven verdeeld is."
In zijn donkere oogen las men intusschen niets van lachen; hij zag
er zeer neerslachtig uit, de knappe, jonge officier; het geld zijner
zuster brandde hem in de handen, terwijl hij haastig voortliep, de
lippen stijf op elkaar gedrukt. De schoone droom der toekomst was
vervlogen voor het drukkende heden, en zijn geldelijke ongelegenheid
had hem geducht aangegrepen. Hij nam het kleine briefje zijner moeder
en legde het in zijne portefeuille; toen ging hij verder, en den
hoofdweg inslaande, zag hij den ouden Hendrik, die naar hem toekwam,
zoo spoedig zijn oude beenen het hem toelieten.
"Uwe grootmama verzoekt mijnheer den luitenant aanstonds bij haar te
komen," boodschapte hij, den jongen man vriendelijk in het opgewonden
gelaat ziende.
De oude barones liep haastig het vertrek op en neer. Haar trotsch
gelaat was met een blos overtogen en de donkere oogen richtten zich
ongeduldig naar de deur, waardoor haar kleinzoon moest binnentreden.
In hare hand hield zij een geopenden brief, en van tijd tot tijd
bleef zij staan en wierp een blik op het papier.
"Het is ongeloofelijk," sprak zij zacht, "deze Koningsberger
Derenbergs! Zich dáár zoo te nestelen. Dio mio! Wat geeft die Stontheim
mij daar bittere pillen te slikken in dien korten brief! En toch
mag ik God nog danken, dat die zaak zich zóó schikt. Hoe verheug ik
mij, dat ik, trots de koelheid die tusschen ons heerscht, Army heb
overgehaald haar te bezoeken!"
Zij wierp weder een blik in den brief.
"Ik heb in Armand," las zij, "een beschaafd, beminnelijk mensch
leeren kennen, die geheel het karakter der Derenbergs bezit, en
niettegenstaande den betrekkelijk korten tijd onzer kennismaking,
heb ik hem hartelijk lief gekregen."
De lippen der oude dame plooiden zich tot een minachtenden glimlach.
"Ik ben, zooals gij u wel van vroeger zult herinneren," las zij
verder, "iemand, die doorgaans eerlijk en openhartig mijne meening
zeg--dat wij beiden het nooit eens waren, zal wel te wijten zijn aan
het groote verschil onzer beschouwingen; nu zijn wij beiden oude
vrouwen geworden, liefste Derenberg, en het wordt waarlijk tijd,
vrede te sluiten voor de korte spanne tijds, die wij nog te leven
hebben. Ik bied u de hand der verzoening aan; laat, wat vroeger is
voorgevallen, vergeten zijn! De schuld lag waarschijnlijk aan beide
zijden. En nu wil ik u in vertrouwen een lievelingswensch mededeelen,
die ook Armand betreft. Gij zult door hem wel reeds vernomen hebben,
dat in mijn huis een jonge moederlooze verwante leeft, die bij mij
de plaats eener dochter in mijn eenzaam leven vervult, en die ik
liefheb, alsof zij het werkelijk is. Bedrieg ik mij niet, dan ziet
Armand zijne nicht niet met onverschillige blikken aan,--het zou
mij hartelijk verheugen, zoo deze twee elkander leerden liefhebben;
en ten einde hun daartoe de gelegenheid te geven, zend ik Blanka,
onder het voorwendsel van hare gezondheid te versterken, naar uwe
boschrijke woonplaats. Mochten de beide jonge harten elkander daar
leeren verstaan, en ik in Armand nog eens een zoon begroeten! Gij
zijt een verstandige vrouw, lieve barones, en ik behoef u niet te
vragen, alle toespelingen op mijne wenschen bij de jonge lieden te
vermijden; ik hoop dat zij elkander in waarheid genegen zullen zijn;
het is mogelijk, dat Blanka met haar helder hoofdje mijne bedoeling
vermoedt; meegedeeld heb ik ze haar niet. Moge de hemel voor het
overige zorgen en het tot onze blijdschap doen uitkomen! Terwijl
ik u in den geest nog eenmaal verzoenend de hand reik, ben ik, in
afwachting van een spoedig antwoord, lieve Derenberg! uwe
"Ernestine, gravin Stontheim, geboren Derenberg."
"Het is waarlijk grootmoedig," vervolgde de oude dame; "men moet
nog een vriendelijk gezicht zetten, en dankbaar wezen; het is fijn
overlegd van tante Stontheim, maar zoo was zij altijd. Blanka is haar
erfgename--dat is zonneklaar en nu zij den jongen heeft leeren kennen,
wil zij de zaak zóó regelen; ik moet met een zoet gezicht in dezen
zuren appel bijten en God danken, dat het zóó geschikt wordt; zij
heeft een boosaardig karakter. Maar één wenk moet ik hem toch geven;
het schijnt mij toe, dat deze Blanka hem niet onverschillig is, en--"
Op dit oogenblik trad Army binnen. Zijne grootmoeder zag hem
vriendelijk aan.
"Ik heb een brief ontvangen van tante Stontheim," sprak zij, staan
blijvende en hem de hand toestekende; "zij meldt mij Blanka's komst;
en nu mijn jongen! vergeet, dat ik gister zoo onvriendelijk over
uwe plannen sprak! Ik had een lichten aanval mijner migraine, en
dat ontstemde mij; ik verheug mij werkelijk over het bezoek der
jonge dame."
Army zag haar verrast aan. "Waarlijk, grootmama? Ik dank u; gij neemt
een centenaarslast van mijn gemoed; het was zeer onaangenaam voor
mij, u moeite te veroorzaken, die u niet aangenaam was. Mag ik weten,
wat tante nog meer schrijft?"
De oude dame lachte. "Neen, mijn kind," zeide zij, "het is niet goed,
dat men te veel vleiends over zichzelven hoort."
"Houdt tante van mij?" vroeg hij opgewonden.
"Tante is van oordeel, dat gij een verstandig jong mensch zijt,
en zeker eens een echte Derenberg zult worden."
Army's gelaat werd bewolkt. "Is dat alles?"
"Vooral," klonk het schalksch van de dunne lippen der grootmoeder,
"wanneer u eenmaal een schoone, geliefde vrouw ter zijde staat."
"Heeft zij dat geschreven?" riep hij haastig en greep, hoog blozend,
hare hand. "Grootmama, wees goed! Zeg mij, meldde zij iets van haar,
van Blanka? Denkt zij, dat Blanka mij ook bemint?"
"Army! mijn God, hoe onbeschaamd! Bedaar toch! Wie spreekt er van
Blanka? Ik heb immers niets gezegd--verstaat gij? In het geheel niets;
wie denkt _dááraan_? Gij zijt pas een-en-twintig jaar!"
Maar Army had de armen om den hals zijner grootmoeder geslagen,
drukte in weêrwil van haar tegenstreven een paar hartelijke kussen
op haar mond, en stormde toen zeer onhoffelijk de kamer uit.
"Orribile!" zeide de oude dame, hare muts terecht zettende; "hij
is zeker al erg verliefd; als tante Stontheim hem nu gezien had,
zou zij zeker niet aan zijn Derenbergs karakter gelooven."
Zij bleef nadenkend staan en het was, alsof haar iets uit het
verleden te binnen schoot, dat veel overeenkomst had met het zoo even
gebeurde. Plotseling herinnerde zij zich, hoe zij, in betere dagen,
als een schoone jonkvrouw in overmaat van geluk de half blinde duenna
om den hals viel en haar vurig kuste. En waarom? Omdat buiten op
het balkon, onder de bloeiende oleanders, in de zoele avondlucht,
een slanke, blonde man in gebroken Italiaansch haar zooveel verhaald
had van een oud, Duitsch slot, omgeven door groene eikenbosschen,
en van een oude, Duitsche vrouw met trouwe, blauwe oogen ... De
trek om haren mond werd zachter, toen zij aan den jubel van haar
jeugdig hart dacht. "Hij heeft toch mijn bloed in de ad'ren," zeide
zij toen, "God geve, dat het leven zijne wenschen beter vervulle, dan
de mijne!" Daarop zette zij zich aan haar schrijftafel en stelde zich
de toekomst voor, die weder rooskleurig voor haar begon te schemeren,
en voor hare oogen stond weder het oude slot in al de betoovering,
die het vroeger omgaf.
Intusschen doorkruiste Army onrustig het park. Eerst had hij
zijne zuster bijna platgedrukt door zijne omhelzing en haar iets
onbegrijpelijks verteld van een nieuw kleed, een blauw, zooals Blanka
droeg. Hij had zijne moeder, die de opgewondenheid van haren zoon niet
begreep, de noodzakelijkheid betoogd, om hare zwakke gezondheid door
een badreis te versterken, was het niet in dit, dan in een volgend
jaar. Daarop was hij met Nelly en den ouden Hendrik in de kamer
geweest, die hij voor Blanka had uitgekozen, en had er allerlei
veranderingen bevolen; zijne zuster had hem haar werktafeltje en
den bloemenstandaard hunner moeder moeten beloven; toen had hij
aanmerking gemaakt op de gordijnen en schilderijen, de laatsten
weggenomen en andere in de plaats gehangen en Nelly meer dan eens
verzekerd, dat hij gordijnen en tapijten uit zijne garnizoensplaats
zou laten komen in de plaats van al dat verkleurde tuig, alsook een
nieuwe livrei voor Hendrik. Eindelijk had hij zijne zuster omhelsd,
en haar gevraagd, of zij niet dacht, dat het Blanka hier wel bevallen
zou, en of zij niet vond dat deze kamer het fraaiste uitzicht had? En
zonder haar antwoord af te wachten, had hij er bijgevoegd: "Wat zult
gij verbaasd staan, zusje, als gij haar ziet!" Toen was hij naar
buiten gegaan, naar het oude park, en liep haastig door de met gras
begroeide paden; bij wenschte het uur zijner afreis te bespoedigen,
ten einde _haar_ te kunnen zeggen, hoe men zich te huis op hare komst
verheugde--eindelijk werd het avond, en wandelde hij in den heerlijken
lentenacht naar het dorpje, om de post op te wachten. Bij het parkhek
plukte hij nog een bloeienden vliertak, een groet uit zijn huis voor
Blanka. En eindelijk, eindelijk blies de postillon en reisde hij af,
vervuld van gelukkige gedachten.
Daarboven echter, in den molen, werd zacht een venster geopend, en een
donker meisjeshoofd boog zich naar buiten en zag met vochtige oogen
naar den straatweg. Zij wist, dat hij heden avond weder vertrekken
zou; hij had het haar immers zelf gezegd, en zij had op hem gewacht,
den ganschen langen dag gewacht, maar hij was niet gekomen; en
hoor! daar klonk nu de posthoorn door den stillen nacht Hoe treurig
klonk dat! Uit het woud kaatste zacht een echo terug, en stil, heel
stil werd het venster weder gesloten.
Zesde Hoofdstuk.
Den volgenden dag was het ongunstig weder. De hemel was geheel met
een donker floers bedekt, en een zachte regen viel op de bloeiende
appelboomen en de vlier. Liesje stond des namiddags boven in haar
kamertje, en zag met een droevig gelaat naar het slot, welks torens in
een grauwen sluier gehuld schenen. Alles was vandaag verkeerd gegaan;
iedereen zag donker; haar vader had onaangenaamheden in zijn beroep
gehad; tante had zich geërgerd, omdat Doortje de staldeur niet
gesloten had, waarachter de hen met hare kiekens verblijf hield,
die nu in den regen buiten waren: iets, dat streng verboden was;
de kleine diertjes zouden nu allen omkomen, voorspelde zij; de oogen
verdraaiden reeds. Doortje was erg beknord en liep met roodgeweende
oogen door het huis; en tot overvloed van smart was de jonge heer
Selldorf gekomen, die bij haar vader in de zaak zou werkzaam zijn,
en had met de familie het middagmaal gehouden.
Gewoonlijk aten de heeren, die bij hem in de leer waren, boven in
het huis dat zij bewoonden, want de heer Erving bevond zich het
liefst uitsluitend te midden der zijnen; heden had hij echter eene
uitzondering gemaakt, omdat hij zeer bevriend was met den vader
van den jongen man. De jonge blonde heer, met zijn blauwe das,
had tegenover Liesje gezeten en haar gedurig aangekeken, hetgeen
volstrekt niet noodig was; er was gesproken over zijn vader, over
beroepsaangelegenheden, en over de gezondheid zijner moeder, wat
alles recht vervelend was geweest. Daarbij kwam, dat Liesje, voor
de eerste maal sedert haar dit werk was opgedragen, vergeten had
de duiven te voeren; zij ergerde zich over zich zelve--wat scheelde
haar toch? En toen dacht zij er aan, hoe zij gister met haar naaiwerk
onder den lindeboom vóór het huis had gezeten, tot het donker werd,
en telkens, als er iemand naderde, geschrikt was, en hartkloppingen
had gevoeld; hoe het steeds onverschillige menschen geweest waren;
ten laatste kwam de oude bedelaarster Marie, en toen was zij in huis
gegaan en had geweend. Zij bloosde uit schaamte over zich zelve,
toen zij zich herinnerde, dat zij gister avond, wijl zij niet slapen
kon, nog eenmaal was opgestaan om het venster te openen en naar den
postillon te luisteren, die een lustig deuntje zat te blazen op den
bok van het rijtuig, waarmede Army--zoo spoedig weder vertrok.
"Dat het nu ook zulk naar weer is," sprak zij op eens halfluid,
een deeltje van Geibels gedichten van de boekenplank nemende,
"anders zou Nelly zeker eindelijk wel eens komen."
Zij zette zich op de kleine sofa, en bladerde in het boek, zonder
de liefelijke zangen, van welke zij anders zooveel hield, met iets
meer dan een vluchtigen blik te verwaardigen. Zoo zat zij, totdat
in de gang de voetstappen harer tante gehoord werden, en het goedige
gezicht met het helderwitte mutsje in de deur zichtbaar werd.
"Zeg eens, Lise, waar om Gods wil zit gij toch?" vroeg zij geheel
buiten adem; "eerst ziet gij den ganschen dag zoo zuur als azijn, en
nu zit ge hier te lezen, in plaats van uw oude tante beneden wat te
helpen. Gij weet wel, het is van daag Donderdag; dan komt de familie
uit de pastorie. Doortje is geheel verslagen door de berisping, die
zij ontvangen heeft, en Mina pruilt om haar gezelschap te houden;
gij hadt mij wel kunnen helpen de duiven klaar te maken, of de
aspergies te schillen; dat is niet gemakkelijk, en gij dient het te
leeren voor de aanstaande huishouding, want een vlijtige huisvrouw
is de rijkdom des mans. Maar wat ziet het er hier toch gezellig uit,"
viel zij zich zelve in de rede, terwijl zij het vertrek rondkeek, dat
er met zijn witte verf, met wit en blauw gestreept katoen overtrokken
meubels en neteldoeksche venstergordijnen, als een echte meisjeskamer
uitzag. "Zie eens, hoe uw myrtheboompje in 't water drijft! Daar
schiet mij te binnen, waarom ik hier eigenlijk kwam: hier is een
briefje van Nelly. Hendrik bracht het mede;" zij nam het uit haar
zak en gaf het Lise, die het openbrak en las.
"Verbeeld u, tante," riep zij verrast, "zij krijgen bezoek op het
slot! Nelly is er bovenmate over verheugd; het is eene nicht, Blanka
van Derenberg; en Army komt ook over met verlof en zij hoopt, dat ik
haar dan dikwijls zal komen bezoeken.
"Zoo?" vroeg de oude vrouw.
"Ja, Nelly schrijft, zij zou zelve gekomen zijn om het mij te
vertellen, maar zij had vandaag geen tijd, dewijl zij helpen moest
de kamers in orde te brengen."
"Zouden zij dat dan nu eerst hebben vernomen?" sprak de oude vrouw.
"Och neen," zei Lise, "Army is dáárom over geweest, schrijft Nelly."
"Is Army weer hier geweest?" vroeg tante, en zag verbaasd naar het
jonge meisje, dat plotseling hoogrood geworden was; "wanneer dan?"
"Op Nelly's verjaardag," klonk het zacht.
"Ei zoo! en daar hebt gij mij niets van verteld, Lise? Gij zegt mij
anders toch alles!" en de stem der oude vrouw klonk angstig. "Zeg Lise,
waarom hebt gij dat verzwegen?"
"Omdat ik niet altijd hooren wil, als gij zegt dat hij trotsch en
voornaam is geworden."
"En waarom wilt gij dat niet hooren, Lise?"
"Omdat het niet waar is; omdat hij geen tijd heeft gehad om hier te
komen--anders had hij het zeker gedaan."
Zij brak in tranen uit; de bedrogen verwachting van gister kwam haar
weder te binnen.
"Maar, Lise, groote goedheid, wat moet dat beteekenen? Hoe dwaas,
dat gij om zóó iets schreit! Wat ter wereld kan u Army schelen?"
De oude vrouw sprak knorrig; men kon het haar aanzien, dat haar
hart bezwaard was. "Ik denk, dat het u niet aangaat, wat ik van Army
zeg. Uwe wegen en de zijne loopen niet naast elkaar, zooals in uwe
kindsheid; hij is nu een voornaam heer en gij zijt een volwassen
meisje.--Wat moet men daarvan denken, dat gij zoo bitter weent?"
Lise viel de oude vrouw om den hals. "Och, tante, wees niet
boos!" snikte zij; "het is recht kinderachtig van mij, maar ik kan
het nu eenmaal niet aanhooren, zooals gij over de bewoners van het
slot spreekt; wij hebben altijd zoo vriendschappelijk gespeeld, en
het is altijd net of gij die schoone herinneringen onbarmhartig wilt
uitwisschen, als gij boos zijt op Army en Nelly."
De oude vrouw schudde het hoofd. "Kind!" zei zij toen, "och, wist
gij slechts, wat bitter leed zij daarboven ons berokkend hebben!"
"Kunnen Army en Nelly dat helpen?"
"Neen--maar--"
"Gij zegt immers zelf altijd, dat wij onze vijanden moeten vergeven."
"Dat is zoo, maar het is onmogelijk een onrecht te vergeten, dat u
zoo van nabij treft, als--"
"Och, spreek daar niet van, tante!" bad Liesje vriendelijk en zag
haar door hare tranen heen lachend in het gelaat; "ik zal niet weder
zoo dwaas weenen; maar hoor! dan bromt gij ook niet meer. Ik ga nu
met u naar beneden, en zal u helpen de duiven klaar te maken en ze
zóó braden, als vader ze graag lust? En hebt gij reeds radijs uit
den tuin gehaald of zal ik het doen?"
Zij vleide en bad zoo lang, tot de oude haar een kus gaf, en toen zij
de voorzaal boven doorgingen, waarin groote linnen- en kleerkasten
stonden, zag tante onwillekeurig naar een der deuren, en een bange
zucht ontglipte haar.
"Dat was Lisette's kamer," zeide zij met zekeren nadruk in haar
toon. Het jonge meisje knikte en ijlde vlug de trappen af. Zij had
immers reeds zoo dikwijls van Lisette gehoord; zij wist, dat het
hare oudtante was, en haar naam altijd met eerbied werd uitgesproken;
doch omdat men haar niets naders meedeelde, boezemde het haar weinig
belang in, dat zij boven gewoond had. Zij schaamde er zich echter over,
dat zij zoo kinderachtig geschreid had; wat zou hare tante nu wel
gelooven? Misschien wel, dat zij Army---? Zij kleurde en voleindigde
de gedachte niet, maar begon te zingen, terwijl zij naar de woonkamer
ging om den predikant en zijne vrouw te begroeten. Tante Marie volgde
haar met angstige blikken. "Heer in den hemel!" bad zij, "bewaar ons
genadig voor een tweede ongeluk!" Want een ongeluk zou het worden;
van daarboven is nog niets goeds gekomen, sedert de oude op het slot
leeft. "Heere, bewaar het meisje! Zij weet het zelve nog niet, maar het
is waar, wat ik zoo even hoorde--zij heeft dien Army lief. Hoe haar
te helpen?--" Peinzend maakte zij het avondeten gereed, en toen eens
Liesje's heldere lach tot in de keuken klonk, schudde zij het hoofd,
en aan den avondmaaltijd bespiedde zij van ter zijde het lachende
gezichtje, dat niet het minste spoor van tranen vertoonde. Het was
ook een vergenoegd gezelschap, dat daar in de koele eetzaal zat om de
groote, ronde tafel, met helderwit damast gedekt. De heer des huizes,
met zijn vriendelijk gelaat; de predikant, die men het aanzag, dat
hij zich verheugde bij den vriend zijner jeugd te zijn, en Rosine,
zijn vrouwtje, dat altijd vergenoegd was, hoewel zij te huis een
troepje kleine kinderen had, die als orgelpijpen op elkander volgden,
en haar dikwijls veel zorgen gaven, als zij meermalen niet wist van
waar ze nieuwe kleeren zouden krijgen. Zelfs de Donderdagavonden,
wanneer zij in den molen van de zorgen en beslommeringen der week
uitrustte, zat zij ternauwernood, of een kinderkousje kwam voor den
dag, waaraan zij ijverig breide, en niet zelden legde juffrouw Erving
haar lachend een pakje kousen in den schoot, met de woorden: "Ziedaar,
lieve, ik heb u wat geholpen; laat nu voor van avond het breien eens
rusten, en zing een lied voor ons!" En dan zong zij met haar lieve,
zachte stem een eenvoudig lied. Later echter greep zij onwillekeurig
weer naar hare breikous en zeide lachend: "laat mij begaan, Mina! Ik
kan het niet laten." De vrouw des huizes was dezen avond bijzonder
wel, en voerde een druk huishoudelijk gesprek met Rosine, terwijl
Liesje vroolijk met haar vader en den geestelijke schertste; alleen
tante was stil, en zelfs de loftuitingen over hare kookkunst waren
niet bij machte, haar te doen glimlachen; ze proefde niet eens van
den geurigen Rijnwijn, die in de groene glazen zoo heerlijk parelde.
"Weet gij wel, dominé," vroeg de gastheer, "dat ik nu een zoon van
onzen ouden schoolkameraad Selldorf hier heb?"
"Een jongen van Selldorf? Wel, wat zegt gij daar! Hoe is het dien
eigenlijk gegaan?"
"Hij heeft een groote scheikundige fabriek in Thüringen."
"Zoo, en de jongen zal--?"
"De jongen komt zijn neus eens in mijn bedrijf steken, omdat de oude
plan heeft eene papierfabriek--eigenlijk lompenmolen--op te zetten. Hij
is trouwens gelukkig geweest; hij kwam als boekhouder in de zaak, die
nu de zijne is, huwde de eenige dochter zijns patroons en werd een
gezeten man. Hij heeft een knappen kop en een door en door degelijk
karakter. Gij moet den jongen eens zien; sprekend gelijkt hij op den
oude van vroeger; dezelfde oogen, hetzelfde blonde haar. Ik verbeeldde
mij dat ik nog jong was, toen ik hem zag."
"En waar is hij?"
"Boven in de werkkamer. Ik behandel hem geheel als de andere jongelui;
vanmiddag heeft hij hier gegeten en daarmede basta.--Gij weet, ik
ontvang niet graag vreemden in mijn huiselijken kring."
De geestelijke knikte. "Ik moet hem toch stellig eens zien. Wat zegt
Liesje wel van hem?" vroeg hij schertsend aan het jonge meisje.
"Niemendal, oom!" antwoordde zij.
"Dat is al heel weinig," lachte hij. "Maar a propos, daar schiet mij te
binnen, Liesje, dat Army hier geweest is. Ik zag hem, toen hij aankwam;
wat is dat een knappe jongen geworden! Hebt gij hem gezien, kleine?"
Liesje knikte toestemmend, maar werd bloedrood; waarom zag tante haar
ook zoo doordringend aan!
"Het hindert mij toch," voer de leeraar voort, "dat hij het niet de
moeite waard acht, eens bij ons te komen; het is niet aardig van hem,
dat hij zijn ouden leermeester niet meer wil kennen--dat is een aardje
naar de oude barones."
"Gij zijt niet de eenige, die u daarover te beklagen hebt," zeide de
gastvrouw. "Hier is hij ook niet geweest. Maar Nelly komt wel bij ons."
"Een allerliefst meisje," sprak de predikantsvrouw.
"Precies haar grootvader," riep tante, "_dat_ was een man! Maar wien
de Heer lief heeft, dien zendt Hij dikwijls bitter lijden."
"Hij leefde zeer ongelukkig met zijne vrouw, niet waar?" vroeg Rosine.
"O, waar die komt, treedt het ongeluk ook binnen; zij heeft niet
alleen haar eigene familie te gronde gericht, ook anderen heeft zij
kommer en zorg berokkend."
"Ja, zij moet dol hebben huisgehouden," sprak de geestelijke:
"tusschenbeide hoort men er nog over spreken door de dorpelingen."
"Mijne familie kan daar ook van meepraten, nietwaar, tante?" vroeg
de heer des huizes.
"Dat weet de Almachtige!" riep de oude vrouw. "Hoevele tranen heeft
deze vrouw doen storten! Maar God heeft ze alle geteld," snikte zij,
terwijl zij haastig opstond en de kamer verliet.
"Het kan geen kwaad," meende zij, haar kamertje binnentredende,
terwijl zij nog eens nadacht over 't geen haar bekommerde, "het kan
geen kwaad, als ik Lise die geschiedenis vertel; het werd haar dan
misschien duidelijk, hoe zij daarboven zijn."
Toen stond zij op, zocht een sleutel, ging zachtjes de trap op en
ontsloot de deur van Lisette's kamer.
Het was een klein vertrek, en in het schemerlicht kon men ternauwernood
de eenvoudige meubels onderscheiden. Tusschen de ramen stond eene
commode met blinkend koper beslag, daarboven hing een spiegel in een
gesneden lijst gevat; een smal ledikant, groen geverfd en met een
ruwen slinger van rozen beschilderd; daar vóór een klein tafeltje op
drie pooten, terwijl tegenover het bed een klein kruisbeeld hing,
onder een bont gekleurde plaat, een meisje voorstellende, met een
duif op de hand. Tusschen bed en venster was een linnenkastje van
donkerkleurig hout geplaatst, en voor het andere raam stond een klein
werktafeltje, met een stoel er voor. Onder den spiegel hing een krans
van verwelkte, blauwe bloemen, die sterk afstak bij den frisschen,
geurigen bloemruiker in de ouderwetsche vaas op de commode. Telken jare
als de vlier bloeide, bracht Marie die hier; de vroegere bewoonster
had die bloesems liefgehad. Die tijd van het jaar wekte altijd een
smartelijke herinnering in het hart der oude.
Zoo zat zij dezen avond weder in het kamertje der schoone Lisette, en
voor haar geest mengden zich het verleden en heden dooreen; het was
haar, alsof zij weder het frissche, jonge meisje was, en de slanke
gestalte harer vriendin daar vóór het venster stond en met haar
schoone oogen smachtend op den zuidelijken slottoren staarde. "Hij
komt, Marie; hij komt--ik heb het licht gezien," had zij toenmaals
dikwijls geroepen, waarop zij dan naar beneden gingen, in den tuin,
en daar in het donkere priëel van jasmijn had een gelukkig minnend
paar gezeten, in alle eer en deugd---
En toen?
Toen lag zij op dit bed, de schoone gestalte, gebogen onder den last
des jammers, met doodsbleeke wangen en de blauwe oogen schitterende
van koortshitte.
"Is het niet genoeg, _éénmaal_ zulk lijden te moeten aanzien? O God,
bewaar mijn lieveling, mijne Lise!" bad zij, de handen in den schoot
gevouwen, met oogen vol tranen.
Op eens vatten een paar kleine handen de hare; een zachte wang legde
zich tegen haar gelaat, en toen zij opzag, schouwde zij in een paar
diepe, blauwe oogen, en een zachte stem vroeg: "waarom schreit gij,
tante, zijt gij nog steeds boos op mij?"
De oude vrouw antwoordde niet terstond; het was haar op dit oogenblik,
als zag zij een liefelijke verschijning; daarop vroeg zij: "Wat komt
gij hier doen, Lise?"
"Och, tante! ik zocht u beneden in uwe kamer; zij praten binnen zooveel
over een baron Frits en mijne oudtante Lisette; nu wilde ik u vragen,
mij iets van hen te vertellen, en daarom ben ik hier gekomen."
"Dan komt gij juist van pas, Lise! Laat hen daar beneden maar
praten. Niemand weet het zoo goed als ik; want ik heb het zelf beleefd;
wel had ik gewenscht, dat het u nog lang onbekend zou blijven, hoe
erg het soms in de wereld toegaat, maar het is beter voor u--kom,
ga zitten!"
Het jonge meisje gehoorzaamde, nadat zij schuw de kamer, in welke zij
als klein kind slechts ééns een blik had geworpen, had rondgezien,
en de oude vrouw, de handen weder vouwende, maakte zich gereed te
spreken. Toch bleef zij stom en zag verlegen voor zich. Zou zij het
jonge wezen de droevige geschiedenis verhalen en haat en wantrouwen
in haar reine ziel storten? Het meisje, dat in stomme verwachting
naast haar zat, was immers nog bijna een kind; zij zou Army wel
spoedig vergeten--neen, zij mocht deze droevige geschiedenis niet
verhalen. En toch--als deze zich nog eens herhaalde, en zij had haar
lieveling niet gewaarschuwd!
"Doe eerst het raam open, Lise!" zeide zij: "de lucht is hier
drukkend."
Het meisje opende beide vensters; de regen had opgehouden; van de
boomen vielen slechts nog enkele droppels en de frissche lucht,
het gevolg van den regen, vervulde het vertrekje.
"Lise," klonk het halfluid, "Lise, gij--mij dunkt het is beter dat gij
niet zoo dikwijls meer naar Nelly gaat--naderhand, meen ik; later, als
Army weer te huis is, en de nicht," voegde zij er vergoelijkend bij,
toen Liesje haar verrast aanzag. "Zie, het is niet--ik denk--ik--"
zij stamelde en zweeg.
"Daar nu maar niet over, tante; vertel liever van Lisette?" vleide
het meisje, bevreesd voor het oude thema.
"Wat ik van Lisette wilde vertellen," riep de oude vrouw heftig,
"dit zeg ik, dat zij het liefste schepsel op Gods geheelen aardbodem
was, en dat zij sterven moest, alleen omdat--omdat---Hoor, Lise, als
ooit iemand iets in uwe oudtante te berispen heeft, spreek het tegen;
want er heeft nooit reiner hart geleefd, maar er is er ook nooit één
geweest, dat zoo schandelijk gebroken werd--"
Zij zweeg een poos.
"Ga niet meer naar het slot, Lise," voer zij voort; "zie, ik kan u
alles niet zeggen wat geschied is; het wil niet over mijne lippen
komen; later zult gij alles vernemen; maar geloof mij, het gaat niet
goed, de oude barones--de---"
"Heeft die iets met de geschiedenis van tante Lisette uit te
staan?" vroeg het meisje. "Zeg het mij, tante, bid ik u!"
"Ik zeg ja noch neen, Lise," antwoordde zij; "maar dit zeg ik," en
hare stem klonk ernstig, "wij zijn nog niet aan het einde, en ging
het haar nog slechter op de wereld dan tot nu, en al kwam zij als
bedelares hier voor ons huis, ik joeg haar weg, want waar zij komt,
brengt zij vloek, en ik hoop het haar nog eens in het gezicht te
kunnen zeggen, dat zij eene--"
"Tante!" riep Liesje, zoo angstig en luid, dat de oude vrouw verschrikt
ophield.
"Het is goed," mompelde zij. "Ik zal niets meer zeggen. Maar gij
moogt niet zoo ongelukkig worden als Lisette. Ik zou het niet kunnen
overleven, wanneer---O, mijn God, kind! ik wilde u niet bedroeven. Ik
wilde u slechts waarschuwen, Liesje," vervolgde zij en trok het
snikkende meisje aan hare borst.--"Gij zult uwe vriendin niet
verliezen, om alles ter wereld niet; maar zie, als iemand jong is,
komen er soms allerlei dwaze gedachten----Liesje, kind," fluisterde
zij angstig, "zeg, gij zijt toch overtuigd, dat ik het goed meen?"
Liesje knikte: "Ja, ik weet, gij meent het goed, tante! maar---"
Zij zweeg, zij was zoo droef te moede, als nooit te voren---
Beneden in de huiskamer zaten ze ook nog en spraken over oude
tijden; over de schoone Lisette en baron Frits; toen stond de kleine
predikantsvrouw op, en zong met haar lieve stem een eenvoudig lied:
Bij 't graf staat een linde en die welft er zich over;
De vogels en 't windeken fluiten door 't loover,
Er zit aan zijn voet--of het feestavond was--
Een knaap met zijn liefje, in 't donzige gras;
Het windeken waait er zoo koud en zoo pijnend,
De vogels, die zingen zoo zacht en zoo kwijnend,
En beide gelieven, zij worden dra stom,
Zij weenen, en geen van de twee weet waarom!
"Waar is onze Lise toch," vroeg zij daarop, "zij moet ook eens wat
zingen."
En Lise zat nog immer boven bij hare tante; en toen zij naar het
gezang beneden luisterde, begon zij ook te weenen--zonder zelve te
weten waarom. Het was, als dook een nevel voor hare oogen op, waarin
twee lachende kindergezichten meer en meer verdwenen; deze werd hoe
langer zoo dikker, tot ze een hoogen muur vormde en daarvóór stond
de trotsche, schoone burchtvrouw uit de familiezaal daarboven, met
de wondervolle zwarte oogen en het blauw zijden gewaad, haar met de
handen afwijzende: "Wat wilt gij hier? Gij behoort niet bij ons. Gij
zijt lompenmolenaars Lise; keer terug, anders moet gij sterven. Denk
aan Lisette, de schoone Lisette en---"
Haastig sprong zij op en ijlde naar haar kamer, waar zij zich op
het bed wierp, en bittere tranen weende om iets, wat haar nu eerst
duidelijk was geworden, en waarvan het verlies haar het leven zoo
ledig, zoo treurig deed voorkomen.
Marie stond aan hare deur en luisterde naar het bange snikken daar
binnen.
"Mijn God," fluisterde zij, "ik had wel goed gezien; zij heeft
hem lief, dien Army; mocht ik haar nog tijdig genoeg gewaarschuwd
hebben! Beter nu geschreid, dan later. Arm kind! ja--zulk een eerste
liefde maakt immers zoo gelukkig--"
En beneden vertrokken juist de gasten; zij verstond duidelijk de
woorden, bij het afscheid gesproken:
"Ja, ja, Bernard, zoo gaat het in de wereld!" sprak de predikant; "het
leven baart vreugde en smart--nu, als wij eens als oude luidjes over
het verledene spreken, zal het hoop ik niet zoo droevig luiden, als
het verhaal van heden avond, en wij kunnen dan zeggen: Ziet kinderen,
het is ons beter gegaan dan wij verdienden; wel, Bernard, ik zie u
waarlijk al grootpapa, en Lise naast een flinken man op den molen. Nu,
God behoede u! tot weerziens met Pinksteren, den tweeden feestdag--den
derden komt gij bij ons, nietwaar Rosina! Goeden nacht! Groet Liesje
en tante van ons." Het werd stil in huis, slechts in Liesjes kamer
had het bitter weenen nog niet opgehouden, en eerst laat ging de oude
vrouw de trappen af naar haar eigen klein vertrek. "Zij slaapt,"
mompelde zij, "God geve haar een vroolijk ontwaken, en mettertijd
veel liefde en zegen! Zij is immers nog zóó jong, zóó jong, en het
leven is zoo zwaar en lang, voor velen, ja--voor de meesten!
Zevende Hoofdstuk.
Het was Zaterdag vóór Pinkster. Lachend zond de zon haar gouden
stralen op de aarde neder, kuste in den tuin bij den molen de vele
rozen wakker, keek eventjes door de sneeuwwitte gordijnen in de kamers
en brandde op de steenen bank voor de huisdeur.
Tante Marie stond in den tuin en plukte bloemen in haar voorschoot;
Liesje hielp haar; zij had een grooten, ronden stroohoed op, de handen
gedekt door tuinhandschoenen, en plukte de schoonste bloemen.
Er was een andere uitdrukking op haar gelaat zichtbaar; vooral hare
oogen zagen er anders uit dan vroeger; lang niet zoo vroolijk, als
bij zulk een heerlijken lentedag voegde, en hare tante was teederder
dan ooit jegens haar. Van het dak vlogen twee zwaluwen haar tjilpend
voorbij en verdwenen toen hoog in de blauwe lucht. In huis glom en
blonk reeds alles; zelfs de ramen der ouderwetsche pronkkamer stonden
wijd open, om overal de frissche lucht binnen te laten. Boven in de
werkplaats en de fabriek had reeds vroeg het klapperen en stampen
der machines opgehouden; de arbeiders maakten zich te huis voor het
feest gereed. De heer Erving gaf hun gaarne dien dag vrij af--des te
vlugger ging het werk later weer van de hand.
De boekhouder was, met de twee andere jonge lieden van het kantoor,
reeds vroeg vertrokken om een kleinen Pinkstertoer te maken, alleen
Selldorf was te huis gebleven. Hij wandelde vergenoegd aan den oever
der beek heen en weer, en verlustigde zich in de zonnestralen,
die tot op den bodem van het water doordrongen en in het gewemel
der kleine vischjes, die zoo potsierlijk op die zonnige plek door
elkander schoten; nu en dan wierp hij een zijdelingschen blik in
den tuin, of de groote witte stroohoed met korenblauwe linten ook
weer te voorschijn kwam, en daaronder de liefste, sprekendste oogen,
die hij nog ooit gezien had.
Aan het open raam, dat op den tuin uitzag, zat de huisvrouw en naaide
blauwe strikken op een wit kleed, dat haar Lise op het feest moest
dragen; zij wenkte haren man, die juist binnenkwam, en wees hem de
beide gestalten in den bloementuin.
"Zie, Erving, hoe Marie het meisje liefkoost," zeide zij lachend;
"zij heeft haar altijd vertroeteld, maar in den laatsten tijd is het
veel erger geworden, en sedert een paar dagen, nu Lise wat bleek ziet,
draagt zij haar letterlijk op de handen."
"Laat haar maar begaan, Mina!" antwoordde Erving, "zij is goed bij haar
bewaard; maar gij hebt gelijk, zij ziet wat bleek, en weet gij wel,
wat mij is opgevallen? Zij is in geen week naar het slot geweest,
en Nelly wel driemaal hier."
"Och, dat zijn meisjesgrillen; misschien hebben die beiden wel
gekibbeld; maar zij gaat er morgen heen; ik meende, dat zij het
verteld had."
"Morgen?" vroeg Erving, "hm! dan is immers Selldorf onze gast; wat
zullen wij beiden alleen met hem beginnen?"
"O, zij blijft immers niet lang boven; ze hebben bezoek op het slot;
de nicht van wie Nelly vertelde, en Army; maar Liesje is er tot nu
toe nog altijd geweest om vroolijke feestdagen te wenschen, en kan
het dus nu niet best nalaten."
Hij knikte verstrooid.
"Die Selldorf is een hupsche jongen," sprak hij toen.
Zijne vrouw zag hem lachend aan, en ook hij lachte.
"Nu weet ik, waaraan gij denkt, oudje," riep zij vroolijk.
"Zoo waarlijk, Mina? Nu, zou dat wel zoo slim zijn? Ik moet toch
eenmaal een schoonzoon hebben, die verstand van de zaken heeft,
en hij is een flink mensch; ik heb hem leeren kennen--hetzelfde
degelijke karakter als zijn vader."
"Man," zeide zij, en hare groote, schoone oogen zagen hem bijna
smeekend aan, "ik bid u, maak geene plannen! Zij is immers nog bijna
een kind!"
"Waart gij _ouder_ toen gij mijne vrouw werdt, Mina?"
"Neen, Bernard, maar--"
"En zijn wij samen tot nu toe niet gelukkig geweest, en zullen wij
het niet nog verder zijn?"
"Zoo bedoelde ik het niet," sprak zij, terwijl hij zijn arm om haar
middel sloeg; "maar ik zou haar nog zoo gaarne eenigen tijd alleen
voor mij houden, want wie weet, hoe lang ik--" zij hield op, en poogde
hare tranen te bedwingen. "Laat mij," sprak zij, bemerkende hoe zijn
gelaat betrok, "ik voel mij heden zoo angstig--verlaat mij niet! Zie,
Erving, ik zal mij ook zeer verheugen, als zij een lieven man heeft,
maar dan moet hij even goed en achtenswaardig zijn als gij."
Hij zag haar teeder aan. "De allerbeste moet het zijn," stemde hij toe,
"en gij moogt beslissen."
"Erving," sprak zij toen ernstig, en beschouwde de slanke gestalte,
die met het voorschoot vol bloemen naderde, "Erving, ik moet nu
nauwkeurig letten op uwen Selldorf."
"Doe dat Mina," antwoordde hij en liet hare hand los. "Gij zult een
rechtschapen mensch leeren kennen." En daarmede kuste hij haar op
het voorhoofd en liet haar alleen met hare droomen. Het lichte werk
gleed van haar schoot; hare gedachten verwijlden in de verre toekomst,
en langzamerhand plooide een zachte, gelukkige glimlach hare lippen.
En zoo was nu de Eerste Pinksterdag aangebroken; voor de huisdeur
stonden twee lichtgroene Meiboomen, als kaarsen zoo recht, en van de
bovenste takken waaiden roode linten in den warmen lentewind; de duiven
zaten allen naast elkander op het dak, en kirden en koesterden zich,
en Peter, die van zijne zitplaats de vurige bruinen in toom hield,
had ook een rood lint om zijne zweep gewonden. Frissche berketakken
waren ter zijden in het rijtuig gestoken, en toen nu van beneden uit
het dorpje de kerkklokken luidden, en Mina in haar beste Zondagskleed
(Doortje moest te huis blijven om te koken) langs den wagen ging,
knikte zij Peter in stilte toe. Nu kwam ook de heer des huizes, en
hielp zijne vrouw in den wagen. Liesje en tante volgden. De eerste
zag er in het luchtige, witte kleed met blauwe linten lieftalliger
uit dan ooit; tante droeg een zwart zijden japon en hield, nevens
gezangboek en zakdoek, frissche bloemen in de hand; ook Lise had een
paar rozeknopjes in de hand. Doortje deed het portier dicht.
"Laat de hoenders niet verbranden," vermaande tante.
"Zeker niet," antwoordde zij, en voegde er, het jonge meisje aanziende,
bij: "Bid ook voor mij, juffer!"
Liesje knikte: "Waarom moet ik dat juist doen?" vroeg zij lachend.
"O, omdat de lieve God heden zeker welgevallen in u heeft," zei
Doortje.
De heer Erving lachte.
"Nu, Peter, vooruit;" en de wagen reed naar het dorp, terwijl
de eigenaars moeite hadden alle groeten te beantwoorden, die zij
ontvingen. Aan de pastorie gekomen, vloog Lise een ware bloemregen in
den schoot, en de kleine deugnieten verstopten zich lachend achter de
haag, en riepen haar vroolijk "goeden morgen, tante Liesje!" achterna,
toen de wagen voorbij reed.
Selldorf stond bij de kerkdeur; blozend bood hij Liesje bij het
uitstijgen de hand, en vroeg den heer Erving vergunning in zijne bank
te mogen plaats nemen. Zoo zat hij gedurende de prediking naast haar,
en tante Marie zat naast hare ouders, op de voorste stoelen. Eere, wien
eere toekomt! Juffrouw Erving en de predikantsvrouw knikten elkander
vriendelijk toe, en toen Selldorf de talrijk opgekomen schaar overzag,
verbeeldde hij zich, dat aller blikken op zijne beminnelijke buurvrouw
gevestigd waren. Deze zat intusschen met gebogen hoofd, de handen in
den schoot gevouwen, en hare lippen bewogen zich zacht; haar buurman
meende zelfs eens eene traan op het witte kleed te zien vallen.
Maar neen, dat was immers niet mogelijk; waarom zou zulk een lieftallig
jong wezen tranen storten op zulk een heerlijken Pinksterdag?
En inderdaad, toen de geestelijke den zegen had uitgesproken, en
de gemeente den slotzang aanhief, sloeg zij hare oogen rustig en
vroolijk op.
Bij het naar huis rijden vermaakte Liesje zich met het bonte gewoel op
den weg. Bij den grooten lindeboom moest Peter ophouden, en steeg zij
uit. "Groet Nelly van ons, Lise!" klonk het, en met rassche schreden
vervolgde zij haren weg. Haar hart begon sneller te kloppen, toen
zij de lindenallée intrad; zij zette haar hoed af en ging langzamer;
daar werd reeds het massieve voorportaal zichtbaar, en de beide
steenen beren schenen haar heden bijzonder dreigend aan te zien. Zij
stond stil en legde haar hand op het kloppend hart; het liefst wilde
zij terugkeeren; maar wat zou Nelly denken, Nelly, die zij vroeger
bijna dagelijks bezocht? Men zou misschien denken dat zij bang was
voor de vreemde nicht. Neen, vooruit! Zij liep haastig de laan door,
bleef echter plotseling verrast staan, want op het grasperk, onder de
schaduw der zware boomen, die de opene ruimte voor het slot omgaven,
stond vóór de steenen bank een gedekte tafel, en daaraan zat de
jonge barones in een leunstoel, echter zóó, dat zij het naderende
meisje den rug toekeerde; hare schoonmoeder zat tegenover haar en
las ijverig eene courant. Alles op de tafel toonde duidelijk aan,
dat men hier ontbeten had. Liesje waagde het niet, verder te gaan. De
oude dame sloeg de oogen op en bemerkte haar; zij schrikte zoodanig,
dat zij een sierlijken schotel van de tafel stootte, die kletterend
op den grond viel.
"Hoe onbescheiden, ons zoo te verschrikken!"
"Goeden morgen, Liesje!" sprak hare schoondochter, opstaande, en gaf
het jonge meisje de hand.
"Ik vraag vergeving," zeide Liesje, terwijl zij zich tot de oude
barones wendde; "ik wachtte reeds eenige minuten, voor ik het waagde
uwe opmerkzaamheid te trekken, wijl ik vreesde u te storen," sprak zij
kalm, op den hartstochtelijken uitroep der oude barones. "Ik kom,"
vervolgde zij, "slechts even, om gelukkige feestdagen te wenschen,
zooals ik vroeger altijd deed, en om Nelly te zien."
"Ga zitten, Liesje," sprak de jonge barones; "Nelly zal wel aanstonds
hier komen; zij is met Army en Blanka naar het park gegaan, en--maar
daar is zij reeds, ik hoor hare stem."
De oude dame haalde ongeduldig de schouders op, toen Lise bedaard op
de steenen bank plaats nam, en vol deelneming naar de gezondheid der
bleeke vrouw vroeg, wier wangen een oogenblik bedekt waren geweest
met een vluchtigen blos, door de onaardige woorden harer schoonmoeder
daarop te voorschijn geroepen. Men hoorde stemmen naderen, en Lise
onderscheidde duidelijk die van haar vroegeren speelgenoot. Een
benauwend heet gevoel verwarde een oogenblik haar kalm, helder hoofd;
toen drukten hare oogen de hoogste verbazing uit; want aan de zijde
van Army bespeurde zij een jonge dame, wier verschijning haar geheele
aandacht tot zich trok.
Was dat een volwassen dame, of een kind, dat daar zoo bevallig te
paard henen zweefde?
En nu klonk een zachte stem, echter met de uitdrukking van een
bedorven kind:
"Laat los, Army, laat los! Ik wil alléén eenige toeren voor tante
rijden."
Army trad terug, en het paard begon met langzamen, statigen tred haar
te naderen; bij elke beweging van het dier werd de sierlijke gestalte
als 't ware in een wolk gehuld door het luchtige, witte gewaad; de
oogen hield zij neergeslagen, en over het blanke voorhoofd blonk het
overvloedig, prachtig goudkleurig haar in den helderen zonneschijn,
en viel golvend op den rug neder.
"Voortreffelijk, Blanka," riep Army, wiens blik als betooverd aan de
bekoorlijke verschijning hing; "voortreffelijk; Mamsel Elise bij Renz
rijdt niet beter."
De oogen der oude barones fonkelden van vreugde, want zij was vroeger
ook dikwijls bewonderd; en paardrijden is immers een der edelste
liefhebberijen.
"Meraviglia, mijn engel!" riep zij uit, toen de jonge dame stilstond
en op Army steunend, vlug uit den zadel sprong. "Gij houdt uw paard
meesterlijk in bedwang; maar, mia cara, hoe durft gij zonder hoed in
de zon rijden! Ik bid u--uw schoone teint--buiten moet men altijd--"
"Wees onbezorgd, tante, ik verbrand nooit."
Zij liet zich in den schommelstoel vallen, dien Army haar toeschoof,
zonder het jonge meisje te bemerken.
"Mejuffer Elisabeth Erving, Nelly's vriendin!" sprak nu de jonge
barones, haar voorstellende, "en mijne nicht, Blanka van Derenberg!"
Blanka sloeg hare oogleden op, en beantwoordde met een nauw merkbaar
hoofdknikje, zonder eenigszins van houding te veranderen, de bevallige
buiging van het jonge meisje. Hare donkere oogen bleven een oogenblik
verwonderd op haar rusten, daarop greep zij haar waaier, maakte dien
open, om daarachter een kleinen geeuw te verbergen.
Army had beleefd gegroet, en antwoordde op de vraag zijner moeder,
waar Nelly bleef, waar zij waarschijnlijk nog in het park vertoefde. Op
dit oogenblik verscheen Hendrik, om het paard weg te voeren; de oude
man zag er in zijn nieuwe bruine livrei zoo deftig uit, dat Liesje
hem eerst niet herkende en verwonderd aanzag. De jonge dame in den
schommelstoel merkte dit wel op; want een oogenblik vertoonde zich
een spotachtig lachje om den kleinen mond; zij schommelde wat meer,
en hield toen in eens op.
"Wat voert gij hier den ganschen dag zoo wat uit?" vroeg zij, opnieuw
achter haar waaier geeuwende.
"Wij kunnen van middag gaan wandelen," antwoordde Army. "Er zijn hier
prachtige wandelingen."
"Wandelen?"
"Een rijtuig hebben wij niet ter onzer beschikking," merkte de jonge
barones aan.
De oude dame lachte spottend:
"Die opmerking is vrij overbodig, Cornelie."
"Houdt gij van wandelen, cousine Blanka?" vroeg Army, die tegenover
zijne moeder plaats nam.
"Neen," verklaarde zij, zonder de oogen op te slaan.
De jonge officier beet zich op de lippen.
"Zouden wij den burgemeester niet voor een paar uren om zijn rijtuig
kunnen vragen? Wat dunkt u, grootmama?"
"Wat een kluchtig denkbeeld van u, Army! gij begrijpt toch wel,
dat niemand in zulk een aartsvaderlijk ding kan zitten."
"Maar grootmama!--Ik geloof trouwens ook, dat de wagen heden niet
disponibel zou zijn, omdat de familie gewoonlijk Zondags zelve een
toertje maakt."
"Ik zou er toch ook voor bedanken," hernam de oude dame.
"Mag ik u ons rijtuig aanbieden?" vroeg Liesje, "het zal mijn vader
zeker veel genoegen doen--"
"Dat zou eene uitkomst zijn," riep Army uit; "als gij lust hebt,
Blanka, nemen wij het aan. Nietwaar, grootmama?"
"Ik dank," gaf deze ten antwoord.
Blanka zweeg; zij wierp een onderzoekenden, verbaasden blik op het
eenvoudig gekleede meisje--wie was zij toch?
"Nu, besluit gij dan cousine!" zei Army.
"Ja, besluit gij," voegde de grootmoeder er bij, terwijl zij hatelijk
lachte. "Het is niet alle dagen Pinkster; op werkdagen hebben die
paarden geen tijd, omdat zij dan de wagens met lompen moeten aanhalen."
"Vaders rijpaarden zijn geen trekpaarden," sprak Liesje, met bevende
lippen, "zij hebben daar geen tijd voor, omdat zij uitsluitend ten
dienste mijner moeder bestemd zijn, wie het loopen moeielijk valt."
"Ik wil liever van daag niet rijden," verklaarde Blanka, die het woord
"lompen" deed rillen.
"Hebt gij hier vele buren?" vroeg zij.
"O ja," antwoordde Army vriendelijk, "wij verkeeren echter met niemand;
gij begrijpt, zonder equipage----"
"En in den naasten omtrek is geen enkele familie met welke men
fatsoenlijk kan omgaan," vulde de oude barones aan.
"Zoo!" sprak Blanka, terwijl zij achterover in haar stoel leunde,
en haar lange krullen om den vinger wond.
"Ik moet afscheid nemen, zonder Nelly gesproken te hebben."
"Het zal haar spijten, Liesje," sprak de kranke vrouw en reikte haar
de hand; "misschien vindt gij haar nog in het park. Groet uwe ouders
en tante van mij!"
"Ik dank u, genadige vrouw," antwoordde Lise, en na de anderen gegroet
te hebben, vertrok zij.
De donkere oogen der oude dame fonkelden met een onbeschrijfelijke
uitdrukking van haat.
"Goddank!" riep zij, diep ademhalend, "ik weet niet hoe het komt,
maar de tegenwoordigheid van dit meisje brengt mij telkens uit mijn
humeur; welk eene brutaliteit, haar rijtuig aan te bieden! En gij hadt
dat bijna aangenomen, Army! Ons in de equipage van den lompenmolenaar
te vertoonen, die ieder kind kent--onbegrijpelijk van u!"
Op dit oogenblik kwam Nelly haastig uit de allée; de blonde lokken
hingen verward om haar gloeiend gelaat. Het nette, uiterst eenvoudige,
katoenen kleedje liet den voet in een klein, hoewel niet zeer sierlijk
lederen schoentje zien, en de zwart zijden boezelaar droeg duidelijk
blijken, dat de tijd der nieuwheid lang voorbij was.
"Wat is er met Liesje gebeurd?" vroeg zij buiten adem, naderbij
komende. "Zij weende."
"In de eerste plaats moet ik u vragen, Nelly, waar gij geweest zijt;
en u zeggen, dat het zeer onfatsoenlijk voor een jonge dame is,
zoo hard te loopen en in zulk een kleeding!"
"Grootmama!" riep zij, vroolijk lachend, "wat zijt gij koddig! Alsof
ik ooit een ander toilet bezeten heb! Ik kan toch op dezen heerlijken
dag mijn zwart avondmaalskleed niet aandoen!"
Blanka wendde het hoofd om, en beschouwde met een kouden blik het
verachte katoenen kleedje. Haar kamenier zou voor zulk een bedankt
hebben.
Army echter bloosde hevig; hij herinnerde zich het briefje met het
goudstuk er in, het verjaarsgeschenk zijner zuster; waar was het
briefje gebleven?
"Waarom weende Lise?" vroeg Nelly nog eens, ongeduldig; "zij wilde
het mij niet vertellen."
Allen zwegen. "Army! zeg het mij toch," bad zij, terwijl tranen in
hare oogen blonken.
"De kleine schijnt wat heel gevoelig te zijn," verklaarde in zijne
plaats de oude barones; "ik zeide iets in 't algemeen, en daardoor
meende zij beleedigd te zijn; maar het gaat altijd zoo met zulk volk;
zij stellen zich met ons gelijk en kunnen niet verdragen, dat men
hun het verkeerde van zulk een gedrag onder het oog brengt."
Nelly zweeg. Zij had uit den toon, waarop haar grootmoeder "zulk volk"
uitsprak, genoeg begrepen.
"Het wordt mij hier ook te warm," zeide de oude dame; "ik geef
de voorkeur aan mijn koele kamer. Bezoek is mij echter ten allen
tijde welkom," en vriendelijk zag zij naar de jonge dame in den
schommelstoel. Haar donkere oogen konden zoo betooverend liefelijk
schitteren.
"Ik ga met u, mama," sprak hare schoondochter opstaande.
"Nelly, gij wilt nu immers wel hier blijven?"
Het jonge meisje ging naast hare nicht zitten. Zij had zich
deze zoo geheel anders voorgesteld, zich zoo verheugd met haar
recht meisjesachtig te babbelen; en nu was daar gister uit een
extra-postrijtuig een jonge dame gestapt, die haar donkere oogen
onderzoekend en koel over omgeving en personen liet gaan.
Geen enkel hartelijk woord was nog tusschen haar gewisseld. Blanka
sprak meest met hare oogen, en deze donkere sterren schenen te zeggen:
wat is het hier vervelend!
Ook hare grootmama en moeder hadden bij hare komst verrast
opgezien. De eerste had aan Nelly verzekerd, dat zij nooit gedacht
had dat de "kleine roodharige Blanka, het klierachtige kind," zulk
een pikante schoonheid zou worden. Een pikante schoonheid! Nelly
wist ter nauwernood wat de bijvoeging "pikant" beteekende; maar,
dat zij schoon was, hare cousine, ja! dat zag zij ook; vooral op dit
oogenblik, nu de koude oogen met de lange wimpers waren neergeslagen;
het ovaal, bleek gelaat onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen, wier
zwarte kleur zulk een groot contrast vormde met het hoogblonde haar,
was onbeschrijfelijk bekoorlijk om aan te zien. Sprekend geleek zij op
het portret, boven in de zaal; de slanke hals op de teedere schouders,
de houding van het hoofd waren geheel dezelfde; enkele korte lokken
vielen naar de mode op het marmerblanke voorhoofd, en om den kleinen
mond lag een nadenkend lachje. Zij speelde met haar ivoren waaier,
en streek zich telkens met den gladden kant over hare wangen. Army
stond onder den grooten lindeboom, en beschouwde haar vol gedachten.
Daar was zij in zijn voorvaderlijk huis! Met welk een vroolijk,
kloppend hart had hij haar verwacht, en nu had hij een gevoel, alsof
zij het liefst maar weder, als een gevangen vogel, weg wilde vliegen
uit deze stilte, naar het vroolijke, drukke leven. Zij was zoo koel;
zelfs hare zoo keurig ingerichte kamers, die hem zooveel hoofdbreken en
moeite gekost hadden, had zij ter nauwernood een blik waardig gekeurd.
Het was eigenlijk toch vreeselijk lichtzinnig! De kosten bedroegen meer
dan zijn geheele inkomen, gedurende twee jaren. Maar bah!--als hij
maar eerst die kleine hand voor goed in de zijne hield, dan was deze
geheele zaak immers eene kleinigheid! Dat had grootmama ook tegen zijne
moeder gezegd, die met angstige blikken de behangers had aangezien,
evenals de nieuwe livreiën van den ouden Hendrik en den knecht, die
met Blanka's rijpaard en den goudvos gekomen was. Ook was voor deze
dagen eene kookvrouw gehuurd, die nu in de groote slotkeuken de baas
speelde--en dat alles voor het kleine wezen, dat daar zoo onverschillig
tegenover hem zat! Army zuchtte, en wendde den blik naar het groote,
indrukwekkende gebouw, dat door de volle middagzon beschenen werd;
in Blanka's kamer sloot juist hare kamenier de ramen.
"Hoe onverstandig!" riep Blanka uit, en sprong overeind. "Zij weet, dat
ik van warmte houd, en dan nog die ontzettend vochtige lucht in de oude
hooge kamers! Nelly, zeg haar--dat zij de vensters open moet laten."
De kleine liep haastig naar het slot, blijde dat zij aan de drukkende
verveling kon ontkomen.
"Wat zijn eigenlijk mijne kamers, Army? Men kan in dat doolhof van
ramen geen weg vinden," vroeg Blanka.
"Dáár, cousine, op de tweede verdieping; uwe kleedkamer is dicht bij
den toren."
"O, dat is die deur, zoo kunstig onder het groene behang verborgen--ik
kon maar niet gewaar worden of achter de vastgespijkerde plooien een
oude kast of eene deur verborgen was. Maar, waarom heeft men mij de
torenkamer niet gegeven? Daar moet een heerlijk uitzicht zijn!"
"Het spijt mij zeer, Blanka; ik had hetzelfde idee; maar grootmama
schijnt een bijzondere reden--"
"Zoo, spookt het er misschien?" viel zij hem in de rede.
Army lachte. "Dat niet, cousine; ik weet er ten minste niets van;
of het moest de jonker van Streitwitz zijn, die zich eenmaal om uw
bekoorlijk evenbeeld heeft doodgeschoten, zooals de overlevering
luidt."
"Army, ik bid u, maak dat ik de torenkamer krijg!" Hare stem klonk
zacht, als van een vragend kind.
"Ik zal het grootmama nog eens vragen, Blanka."
"Maar spoedig, Army," riep zij, en zag hem lachend aan.
Hij was verrukt. "Zeker, dadelijk!" stamelde hij; want zóó bekoorlijk
had zij er nog niet uitgezien, zoolang zij hier was. "Blanka," liet
hij er op volgen, "ik vrees, dat gij u hier erg verveelt."
"Ik bid u, spreek dat woord niet uit, vertel mij liever wat, neef! tot
ik naar binnen moet om toilet te maken. Voor wie kleedt men zich hier
eigenlijk?" zeide zij, schouder ophalend. "Zeg eens," vervolgde zij, en
schommelde zich weder in haar stoel, "wie is dat meisje, waartegen uwe
grootmoeder--neem het mij niet kwalijk--zoo onuitsprekelijk lomp was?"
"Liesje Erving."
"Dat weet ik; maar wie is haar vader? Zij sprak van haar rijtuig?"
"Haar vader is de rijkste man in den omtrek, Blanka; bezitter eener
papierfabriek--vandaar grootmama's spot over de lompen--eigenaar van
verschillende bosschen waarin wij wandelen kunnen, dewijl zij aan
ons park grenzen."
"En waarom mag tante het meisje niet lijden?"
"Ja, Blanka, wanneer vraagt grootmama naar een _waarom_? Zij heeft
altijd een onverklaarbaren afkeer van het jonge meisje gehad;
buitendien ergert het haar, dat Nelly zoo intiem met haar omgaat;
zij houdt streng vast aan het onderscheid van stand en heeft, om de
waarheid te zeggen, daarin gelijk."
Blanka schudde het hoofd. "Gij schijnt hier nog geheel in de oude
atmosfeer te leven, die daar buiten in de wereld hoe langer zoo meer
vervliegt. O--een brief," viel zij zichzelve in de rede, en greep
haastig naar het sierlijke vierkante couvert, dat de oude Hendrik
haar op een blad aanbood, en die toen, even stil als hij gekomen
was, weer vertrok. "Van Léonie," sprak zij halfluid, terwijl zij het
papier losscheurde.
Een donkerrood bedekte een oogenblik haar gelaat, dat daarop bleek
werd, even wit als het kleed, dat zij droeg; het papier beefde in
haar sidderende handen; toen barstte zij uit in een schaterend gelach.
"Dat is koddig," riep zij uit, en frommelde den brief in elkaar;
"daar komt juist een bewijs voor hetgeen ik zoo even zeide; ziet gij,
Army! zoo exclusief als uwe grootmama denkt de wereld niet meer.--Daar
schrijft Léonie van Hammerstein mij, dat graaf Seebach verloofd is met
eene juffer, de dochter van een opperhoutvester, en dat uit liefde,
zegt Léonie--hoort gij, uit liefde! Zij lachte; hare oogen schoten
vuur, en de kleine handen scheurden het papier in duizend stukken.
"Wat? graaf Seebach, met wien gij den vorigen winter zoo dikwijls
danstet?" vroeg Army; "die u letterlijk met bloemen overstelpte?" Hij
sprak haastig en sloeg een vorschenden blik op het opgewonden gelaat
zijner cousine.
"Heb ik met hem gedanst? Ik herinner het mij niet meer," antwoordde
zij losweg; hare neusvleugels trilden zenuwachtig. "Ja, de wereld gaat
vooruit! Dat een man als Seebach, die altoos over zijn vlekkeloozen
stamboom sprak, dat zoo iemand uit liefde--ha ha, nietwaar? het is
bespottelijk--een burgermeisje tot zijne gemalin neemt!" zij schudde
het hoofd, en weder klonk dat onnatuurlijke, krampachtige lachen
van hare lippen. Toen stond zij haastig op: "ik ben erg vermoeid,"
voegde zij er bij en hield hare hand boven de oogen, alsof de zon haar
hinderde: "ik ben niet gewoon, zoo lang buiten te zitten, en zal wat
rusten moeten, indien ik tegen het eten weer frisch wil zijn. Adio,
cousin!"
Zij knikte hem toe, terwijl zij met een afwijzende beweging der
hand voor zijn geleide bedankte, en ging het voorplein over. Bij de
torendeur keerde zij zich nog eens om, en Army hoorde haar vroolijk
lachen. Welk een verschil met den straks gehoorden toornigen lach,
die hem nog in de ooren klonk! Zij was een raadselachtig wezen;
wanneer zou hij het recht hebben haar te doorgronden?
Bij den maaltijd verscheen de jonge dame in een schitterend toilet. De
bleekgroene zijde scheen zacht door het witte overkleed; het prachtige
haar was met een ivoren kam op het achterhoofd bevestigd, en een
breede matgouden armband omsloot de fijne pols. Het gelaat vertoonde
geen spoor meer van de koelheid en verveling van dien morgen. Blanka
had voor ieder een vriendelijk lachje, en de oude barones zag het
jonge paar, dat tegenover haar zat, met teedere blikken aan.
De parelende wijn blonk weder in de fijne glazen; Hendrik bediende met
zijn gewone deftigheid en liet zijn heldere oogen tusschenbeide gaan
over het kleine gezelschap, en het schoone meisje naast zijn jongen
meester, dat, naar het zeggen harer kamenier, ééns zeker onmetelijk
rijk zou worden, en zoovele minnaars als ringen aan de handen had. De
oude Sanna was overgelukkig; want hare meesteres had haar meer dan
eens te kennen gegeven, waar het om te doen was, en zij zag voor hare
barones nog blijde dagen tegemoet. Het vroolijk lachen der jonge dame
met het goudlokkig hoofdje klonk door het hooge vertrek, en de jonge
officier, aan hare zijde, klopte het hart onstuimig, als zij hem zoo
minzaam aanzag en hij haar adem op zijn gelaat voelde. Maar Nelly, wat
scheelde haar? Nelly, die altijd haar broeder zwijgend gehoorzaamde,
hem altijd gelijk gaf, wat hij ook sprak of deed; die gewoon was
den geringsten wensch in zijne oogen te lezen; Nelly was jegens haar
cousine zoo onverschillig, nam zoo weinig notitie van hare omgeving,
dat het bijna lomp moest heeten. Haar roode mond, die zoo hartelijk
kon lachen, bleef gesloten, en hare blikken rustten somtijds angstig
op het gelukkige gelaat haars broeders, die onuitputtelijk was in
attenties voor zijne buurvrouw. Voor hare oogen stond nog altijd het
bleeke gezichtje, met groote tranen in de blauwe oogen; wat hadden zij
Liesje, haar Liesje, toch gedaan? Neen, zij moest eerst naar haar toe,
en zij moest het haar zeggen, wie haar beleedigd had.
Het was reeds geheel donker, toen Nelly eenige uren later Liesjes kamer
verliet, waar zij in de schemering met hare vriendin had zitten praten.
"Het is niets, Nelly," verzekerde Lise meer dan eens, met een zachte
stem; "het was zeer kinderachtig van mij, dat ik kwalijk nam wat niet
de moeite is om over te spreken; kom, ik zal u tehuis brengen."
En zoo gingen zij samen over de brug, onder de donkere boomen, den
bekenden weg langs. Het was een zoele avond; geen windje bewoog zich;
aan den gezichteinder werd een donkere wolk zichtbaar, een flauw
weerlicht wierp van tijd tot tijd een geelachtig schijnsel op den
omtrek; nachtegalen zongen in het struikgewas, en in de verte klonk het
gezang der jonge knapen, die uit volle borst een avondlied aanhieven.
"Ik weet niet, wat mij scheelt," zeide Liesje, diep ademhalend. "Het
is alsof ik stik! Wat is de lucht drukkend en zwaar! Ik geloof dat
tante gelijk heeft--er broeit een onweder."
Nelly knikte toestemmend.
"Mijne moeder klaagt ook, dat zij zoo benauwd is," voer Lise voort;
"nog nooit ben ik op Pinkster zoo treurig geweest, Nelly! en toch was
alles evenals vroeger. Als er maar niets ergers gebeurt, wanneer het
onweer losbarst!"
Zij waren het park genaderd, en betraden zwijgend de donkere
linden-allée--op eens voelde Liesje haar arm zacht drukken en bleef
Nelly staan.
"Wacht even, Liesje," sprak zij, "was dat Blanka's stem niet?"
Een poos bleef alles stil, toen naderden schreden, en een zachte
heldere stem zeide: "Army, mijn lieve Army!"
Hoe verleidelijk klonk dat! Het jonge meisje daar beneden kreeg een
gevoel, alsof een messteek in hare borst drong; onwillekeurig drukte
zij de hand op het hart. Daarop volgde een zacht gefluister--_dat_ was
zijne stem--hoe gelukkig, dat zij niet verstond, wat hij zeide! Och,
was zij maar niet mee gegaan!
De langzame schreden kwamen nader; zij liet de hand harer vriendin los,
en vluchtte achter een grooten lindeboom, boog zich voorover en daar,
bij een helder weerlicht, zag zij eene slanke, mannelijke gedaante,
en aan zijn arm, als eene fee, zóó teer en licht, de schoone cousine
met de goudblonde lokken; hij bukte zich en kuste haar.
Het duurde slechts een oogenblik; maar dit was voldoende om de angstige
meisjesoogen alles te verraden; zij drukte het hoofd tegen den boom en
sloot de oogen met een gevoel van vurige, nooit gekende smart. Nelly
echter gilde. "Army, Army--"
Bijna beschuldigend klonk het als eene waarschuwing. Hij antwoordde,
en hoe opgewekt was zijne stem: "Zusje, waar zit gij toch? Kom, en
zie wat ik gevonden heb! Kom hier--ga vooruit en zeg aan grootmama,
dat het geluk werkelijk bij ons is teruggekeerd; dat Blanka de mijne
is geworden!"
En een nieuwe lichtstraal flikkerde door de boomen, en bescheen een
meisjesgestalte, die door de laan huiswaarts ijlde.
De kleine Nelly zag haren broeder angstig aan, en toen het weder
donker was, drong een zucht uit hare borst en met gebogen hoofd begaf
zij zich naar het slot, om hare moeder te vertellen, dat Blanka en
Army--haar lieve, goede Army--verloofd waren.
Op de steenen bank voor de deur zat tante Marie op haar lieveling
te wachten; de heer des huizes en zijne vrouw wandelden in den tuin
op en neer, en Selldorf vergezelde hen, van zijn huis en familie
vertellende. De oude vrouw zat in gedachten verdiept, en bij elke
lichtende straal zuchtte zij, "was Lise maar eerst te huis! O wee,
het regent morgen," vervolgde zij bij zich zelve, "dan komt er niets
van de partij in het bosch met de dominé's familie. Nu, dan moeten zij
zich maar in huis zien te vermaken; dat zal een gewoel geven in den
ouden molen--hoeveel krijg ik er dan te eten? Uit de pastorie alleen
acht personen, dan de beide houtvesters en--Goede hemel!" gilde zij,
"Liesje, wat doet gij mij schrikken!" en zij boog zich over het
jonge meisje heen, dat aan hare voeten neerviel en het hoofd in haar
schoot verborg.
"Wat scheelt u toch, mijn kind? Lise, spreek toch! Wat scheelt
u?" vroeg zij, haar liefkoozende. "Mijn God," vervolgde zij, "zijt
gij ziek, mijn hartedief?" Maar geen antwoord.
Alleen werden twee armen om haar hals geslagen en gloeiende, sidderende
lippen drukten de hare--toen was het meisje verdwenen, en de oude
vrouw hoorde, hoe zij de trap opging en hare kamerdeur sloot.
"Een wonderlijk kind!" mompelde zij en schudde het hoofd. Zij zag
echter niet, hoe haar lieveling daar boven rusteloos op en neder liep;
hoe eindelijk het moede hoofdje op het van tranen natte kussen zonk
en de kleine handen zich vouwden tot een gebed voor Army, met wien
zij eenmaal als kind gespeeld had en wien zij nu niets meer aanging,
och, niets, niets meer!
Achtste Hoofdstuk.
Boven in het slot kwam men nog in lang niet tot rust. De jonge
verloofde had zich wel is waar in hare vertrekken teruggetrokken;
het was alles zoo haastig, zoo onverwacht gekomen. Zij liet zich
trouwens de vleierijen der oude barones welgevallen, en luisterde naar
de vriendelijke woorden van Army's moeder; toen werd zij zoo moede
en sloot zich op in haar kamer. De liefelijke lach verdween van het
schoone gelaat, en Sophie, hare kamenier, had een zeer ongemakkelijke
gebiedster te bedienen.
Eindelijk zat zij in haar nachtgewaad aan haar schrijftafel, en
vloog de pen over het papier, terwijl de trekken om den mond bitter
verdriet teekenden.
In het woonvertrek beneden sloeg Army's moeder hare armen om zijn
hals en staarde in zijne van geluk stralende oogen.
"Mijn lieve, beste jongen," fluisterde zij, "moogt gij gelukkig
worden! Het is zoo snel gegaan, en gij zijt nog zoo jong, God
zegene u!"
De oude barones stond vóór haar, juist toen de jonge man zijne lippen
op den mond zijner moeder drukte.
"Army," begon zij, blijkbaar geërgerd over dit betoon van
hartelijkheid, "gij weet, wat gij nu het eerst te doen hebt. Gij
reist naar tante Stontheim en vraagt formeel om Blanka's hand, en
dan zal al het andere, hoop ik, zich vanzelf schikken. Aan Blanka's
vader schrijft gij slechts; met dien mensch zullen wij, hoop ik,
in ieder geval niet in aanraking komen."
"Zeker, grootmama," viel hij haar met zachte stem in de rede. Hij
naderde Nelly, die in een grooten leunstoel gehurkt, de handen voor
de oogen hield; "kleine," sprak hij zacht, "hebt gij geen vriendelijk
woord voor mij?"
"Och, Army," snikte zij, "ik--ik schrikte zoo, toen ik u samen zag,
en het bedroeft mij zoo, dat--"
"Maar, Nelly, het is toch voor ons allen zeer gelukkig, dat het zoo
ver gekomen is, en ik heb Blanka zoo lief--"
"Heeft zij u ook lief?" vroeg zij ernstig, zijne hand vattende,
"weet gij dat zeker?"
"Maar, kindlief! denkt gij, dat zij mij zonder dat zou willen
trouwen? Zij, die zoo schoon en gevierd is?"
Nelly schudde het hoofd en zag haar broeder met betraande oogen aan.
"Ik stelde mij alles zoo geheel anders voor," fluisterde zij.
"Kleine gekkin!" sprak hij, en streek haar zacht liefkoozend over
hare lokken. "Maar, nietwaar Nelly, het is toch heerlijk, dat ik zoo
gelukkig ben?"
Zij lachte door hare tranen heen en verliet toen schielijk het
vertrek. Buiten klonk het eerste rollen des donders van het naderende
onweer in den zwoelen nacht.
"Nelly is ziek, vrees ik," sprak hare moeder bezorgd, "hare handen
waren gloeiend heet."
"Och kom, zij is in een kwaden luim; zij mokt, omdat haar Liesje,
naar hare meening, vandaag niet vriendelijk genoeg bejegend is,"
verklaarde de oude barones wrevelig. "Ik wed, dat zij reeds naar den
molen geweest is, en het onnoozele kind om verschooning gevraagd heeft;
het is waarlijk ongehoord."
"Zij scheen er vandaan te komen, toen zij ons zoo onverwacht ontmoette;
overigens, moet ik bekennen, en Blanka vindt het ook, grootmama! dat
gij veel te lomp jegens het meisje waart."
Op dit oogenblik doorkliefde een helle bliksemstraal de lucht,
gevolgd door een zwaren donderslag.
"Misericordia, welk een weer!" riep bevend de oude dame, op wier
lippen het scherpe antwoord door den schrik bestierf, "zou Blanka
ook bang zijn?"
Daar vloog de deur open en in het ruime, witte cachemiren kleed stond
de jonge dame plotseling midden in het vertrek; zij hield de handen
voor de ooren en zag angstig in het rond.
"Ik ben zoo bang," sprak zij huiverend, en liet zich in den stoel
vallen, dien Nelly zooeven verlaten had.
Army ijlde naar haar toe; hij zag haar bleek gelaat en vatte hare
koude, kleine hand.
"Ik zou om niets ter wereld altijd hier willen wonen!" vervolgde zij,
en stampte met haar klein voetje heftig op den grond.
"Waar wilt gij _dan_ wonen, mijn kind?" vroeg de oude barones
verwonderd.
"_Dan_ wonen?" herhaalde verbaasd de jonge dame, die voor een oogenblik
haar angst totaal vergeten scheen te zijn. "Wel, lieve grootmama, meent
gij dan, dat Army en ik ons hier zullen begraven? Neen, nietwaar,
Army? Wij gaan eerst reizen en wat van de wereld zien; ik ken nog
geen der groote badplaatsen, Ems, Baden-Baden, dan Zwitserland,
Italië--verbeeld u eens Italië, waar gij mij gister nog zooveel van
verteld hebt, en dan, als wij dat alles gezien hebben, zoeken wij
een plekje uit, waar het ons bevalt om te wonen." Zij zweeg opeens,
want een nieuwe bliksemstraal en donderslag deden het oude slot op
zijne grondvesten schudden.
Army hield de hand zijner verloofde vast; hij stond rechtop naast
haar en luisterde naar den wegstervenden donder; de oude dame naderde
echter het jonge paar met een gelaat, waarop de hoogste verbazing
te lezen stond, terwijl hare schoondochter angstig luisterde naar
hetgeen die kleine mond zei, als iets dat van zelf sprak.
"Wij zullen wel dáár moeten wonen, Blanka," sprak nu de jonge man kalm,
"waar tante Stontheim het verkiest."
"Neen, nooit!" antwoordde zij driftig, "ik wil hier in dit oude slot
niet eens begraven worden; ik ben nog jong, en wil het leven genieten;
Army! gij zult mij gelijk geven. Hier wonen? Nooit of nimmer! Tante
is te verstandig, zij zal dit niet van mij vergen; neen, zeker niet,"
voegde zij er bevestigend bij.
"Zeker, Blanka, wij zullen reizen; maar onze vaste woonplaats heeft
tante te bepalen."
"En wanneer zij Derenberg kiest, dan--dan ga ik niet mede; ik verzeker
u, ik ga niet mee; het is hier veel te stil; ik zou sterven in deze
eenzaamheid."
"En zoudt gij mij hier alléén willen laten?" vroeg Army zacht en bukte
zich om haar aan te zien. De toon was schertsend, maar klonk toch
eenigszins angstig; "en gij hebt mij straks in den tuin nog verzekerd,
dat gij slechts gelukkig zoudt zijn, waar--"
Zijne stem daalde tot zacht fluisteren.
Een heftig hoofdschudden was het antwoord. "Neen, neen," riep zij
daarop; "zoo meende ik het niet, Army! Mijn weinigje vrijheid laat
ik mij niet ontnemen, het zou mijn dood zijn, als ik dagelijks door
de koude, hooge gangen loopen en in het donkere park uitzien moest."
"Als echter uw aanstaande echtgenoot wenscht, dat gij hier
blijft?" vroeg de oude dame met ingehouden adem; hare handen grepen
krampachtig de plooien van haar kleed.
"Hij _zal_ het niet wenschen," riep zij hartstochtelijk en sprong
overeind; haar lief gelaat had een dreigende uitdrukking aangenomen
en haar voet stampte hevig op het tapijt; geen spoor was er meer van
de minzaamheid van dien avond. De eigenzinnigheid vertoonde zich op
eens in hare hatelijkste gedaante, en haar stem klonk scherp en ruw.
"Het is belachelijk, inderdaad belachelijk," ging zij voort, "de
vrouw als eene slavin te behandelen en tegen haar te zeggen, dáár,
waar uw man zich gelukkig gevoelt, moet gij het u noodwendig ook
doen, en doet gij het niet, dan is het uwe zaak te zien hoe gij u
redt! Army kan en zal mij zoo niet behandelen; ik heb hem mijn woord
gegeven de zijne te worden, het ligt aan hem, mij gelukkig te maken,
maar hier _kan_ en _wil_ ik niet wonen."
"Blanka," riep hij, en zijne groote oogen zagen verschrikt het jonge
meisje aan, dat straks onder duizend liefdesbetuigingen zijne verloofde
geworden was.
"Blanka! ik bid u, houd op! gij zijt opgewonden van angst en
schrik." Hij schelde en bracht haar naar haar stoel terug. "Een glas
water," beval hij Hendrik, die binnentrad.
De oude dame zag als versteend naar de verloofde van haren
kleinzoon. Zou dit kleine wezen al haar kostelijke plannen in duigen
werpen? Zou zij evenals vroeger hier eenzaam leven? Zou zij van dien
schitterenden rijkdom niet genieten? Zich niet koesteren in de stralen,
die een frisch, vroolijk leven hier zou verspreiden? Ontsteld viel
zij op een stoel en sloeg een donkeren blik op den jongen officier,
die juist het glas water uit Hendriks hand aannam en het zijne
verloofde toereikte.
Plotseling klonk een flauwe kreet uit het belendend vertrek. "Nelly,"
riep de jonge barones ontsteld, en verdween door de kamerdeur. "Kind,
wat scheelt u toch?" vroeg zij angstig, terwijl zij zich over het
op de sofa liggende meisje heenboog en de hand op haar brandend
voorhoofd legde.
"Och, zij is vreeselijk mama, zij is vreeselijk!" snikte het kind;
"mijn Army, mijn lieve, goede Army! Zij heeft hem niet lief, mama,
geloof mij."
"Heb maar geen zorg, liefje!" troostte de moeder zacht; "zij is
slechts wat nukkig; alles zal nog wel terecht komen."
"Neen, neen, mama! O, toen ik haar aanzag, schoot mij de oude kroniek
te binnen, en het vers over het roode haar. Och! dat zij weer wegging,
van avond nog, en maar nooit, nooit weerkwam!"
Liefkoozend poogde de moeder het opgewonden meisje tot bedaren te
brengen; haar hart was zelf zoo vol angst! De bleeke vrouw boog het
hoofd en hare oogen vulden zich met tranen. Nelly sliep onder de
troostredenen harer moeder in. Het was een onrustige, koortsachtige
slaap, maar toch liet de bezorgde, bleeke vrouw haar dochtertje
alleen. Zij had immers nog een kind, haar Army. Voorzichtig zag zij
om den hoek van de deur; de oude dame en de schoone verloofde waren
verdwenen; maar dáár, in de diepe vensternis, stond _hij_ nog, haar
lieveling, en staarde naar buiten. Zij naderde hem, en de hand op
zijn schouder leggende, sprak zij zacht: "Army!" Hij keerde zich om
en zag haar vragend aan. Zij zweeg, maar hare oogen bleven met een
angstig onderzoekenden blik op het schoone, trotsche gelaat gevestigd.
"Wees gerust, mama!" zeide hij haastig, hoewel met eenigszins onvaste
stem, "zij is een bedorven kind, een zeer bedorven kind, maar zij
heeft mij lief--zeker, ik weet het; zij zal zich veranderen; het
spijt haar immers al, dat zij zoo driftig werd."
De moeder onderdrukte met geweld hare tranen en streek zacht over
zijn voorhoofd. "Goeden nacht, Army," fluisterde zij.
"Goeden nacht, mama," antwoordde hij, haar teeder kussende, "wees
voor mij niet bezorgd."
Sedert waren veertien dagen verstreken. Storm en regen hadden al de
frissche bloesems van boomen en heesters geschud en ze als versche
sneeuw over den grond gestrooid, maar in plaats daarvan bloeiden in
den tuin des molenaars de rozen allerprachtigst en de lindeboom in
het slotpark stond in vollen bloei. Zeer dikwijls was Liesje in den
laatsten tijd dien weg gegaan, welken zij gemeend had niet zoo spoedig
weer te zullen betreden. Maar Nelly was erg ziek geweest, en de oude
Hendrik had op haar verlangen hare vriendin bij haar ziekbed moeten
halen. Uren aaneen had Liesje daar gezeten, in het hooge schemerachtige
vertrek, en de kleine, van koorts gloeiende hand in de hare gehouden.
De boodschap, die Lise op het slot riep, was juist gekomen midden in
het gewoel, waarover tante Marie gesproken had. De predikant met vrouw
en kinderen, alsook de houtvester, waren op hun tijd verschenen, en
Liesje had al hare vermogens moeten inspannen, om evenals vroeger
de kinderen bezig te houden, waarbij zij gelukkig in den heer
Selldorf een goeden steun vond. Op eens was Hendrik binnengekomen
met zijne boodschap, en Lise had zich slechts even opgehouden om
de toestemming harer ouders te vragen, die zij natuurlijk aanstonds
verkreeg, hoe ongaarne men haar juist heden ook miste in den blijden
kring. "Tante Liesje, kom gauw weer; dag tante Liesje!" hadden de
vroolijke kinderstemmen haar nageroepen, terwijl achter de gordijnen
een blonde, jonge man had gestaan, en twee trouwe, heldere oogen de
slanke gedaante nastaarden, die juist in het bosch verdween, terwijl
een mismoedige trek op zijn gelaat zichtbaar werd. Wat was er van
dien zoo vurig verlangden Tweeden Pinksterdag geworden! In plaats van
eene partij in het bosch--regen; in stede van vriendelijke blikken
uit blauwe oogen--de plagerijen der wilde jongens, door wie Selldorf
reeds tot oom was gepromoveerd. Op het slot was in die veertien dagen
veel gebeurd.
Army had van een kort bezoek bij tante Stontheim, hare toestemming
en een keurig equipage voor zijne verloofde meegebracht en in een
vriendelijk schrijven had Blanka's vader de jongelieden zijn zegen
gegeven. Zij was weder de beminnelijkheid zelve en had uit eigen
beweging verklaard, dat het haar leed deed, zoo heftig te zijn geweest
op den avond harer verloving, maar een onweder maakte haar altijd erg
zenuwachtig; Army was overgelukkig, ten minste zoo scheen het Liesje
toe. Hij bezocht de donkere ziekenkamer dikwijls, om naar zijne zuster
te zien en zijn gelaat straalde altijd, als hij zich over haar heenboog
en een groet bracht van zijne bruid. De laatste was slechts ééns aan
het ziekbed verschenen; maar hare vluchtige vragen, hoe of het ging en
of Nelly haast weer kon opstaan, gevoegd bij de drukke verhalen van
al hare uitstapjes en plannen bij haar huwelijk, maakten het jonge
meisje zóó zenuwachtig, dat zij bij haar vertrek in tranen uitbarstte.
"Laat haar toch niet weerkomen," klaagde zij, "ik word zoo angstig in
haar nabijheid, en hare parfumerieën geven mij hoofdpijn." Van Lise had
Blanka geen notitie genomen, hoewel zij bij het bed stond. Grootmama
kwam nooit in de ziekenkamer, zoolang zij wist dat Liesje er was;
en Sanna mompelde zoo iets van eigenzinnigheid, en dat zij even goed
eene zieke kon verplegen als dat nietige ding, daar uit den molen;
"dat was weer zoo'n idée van de jonge barones."
Eindelijk was de ziekte geweken; de donkere gordijnen in de
ziekenkamer waren opgehaald, de ramen geopend en Nelly lag op de sofa
met welgevallen de frissche boschlucht in te ademen, die het vertrek
binnendrong, terwijl Liesje naast haar zat en met haar praatte. Zij
waren alleen. Blanka's vader was gekomen om, zooals Nelly fluisterde,
met grootmama en Army te spreken op last van tante Stontheim. "Ik
ben heel blij," voegde zij er bij, "dat ik weg mocht blijven, want
van het oogenblik af dat de brief kwam, die ooms komst meldde, ziet
grootmama boos. Maar zeg eens, Liesje, wat ziet gij bleek! gij hebt
u zeker te veel overspannen, door mij op te passen."
Het jonge meisje ontkende blozend. Stemmen en paardengetrappel werden
buiten hoorbaar, "O! daar komen zij van hun rit terug," sprak Nelly;
"kom, dat moeten wij zien."
Zij stond langzaam op en trad aan het venster. Op het voorplein was
de geheele familie vergaderd; Blanka zat nog te paard in haar zwart
rijkleed, het kleine hoedje met de lange zwarte veder op het weelderige
haar, dat op het achterhoofd was vastgestoken, inplaats van, zooals
gewoonlijk, in lange krullen op den rug te hangen. Army was reeds
van zijn paard gesprongen, gereed haar bij het afstijgen te helpen,
en zag opmerkzaam naar haar vader, die langzaam tusschen de beide
baronessen naderde. Het was een klein, gezet heer, die zeer ijverig
eene meening scheen te verdedigen; hij gesticuleerde ten minste hevig.
Nelly's moeder zag naar het venster, waar de beide meisjes stonden. Zij
knikte haar vriendelijk toe, en de oogen der haar vergezellenden
volgden dien groet. De oude barones zag onverschillig voor zich,
terwijl de overste staan bleef, zijn hoed afnam en glimlachte. Toen
hoorden zij, hoe hij naar Liesje vroeg; het antwoord konden zij
niet verstaan.
Ondertusschen was Blanka afgestegen en had Liesje hare vriendin weder
naar de sofa gebracht; spoedig daarop verkondigde een luid gesprek,
dat het gezelschap de kamer daarnaast binnentrad. Liesje nam haar
boek weer op en wilde hare lectuur weder beginnen, toen stoelen werden
bijgeschoven en zij plotseling den ouden heer duidelijk hoorden zeggen:
"Het spijt mij, genadige vrouw, dat de zaak zoo weinig in uw smaak
schijnt te vallen, intusschen--"
"Schijnt zij het des te meer in den uwen te doen, heer overste,"
viel de oude barones hem in de rede.
"Pardon, ik kom slechts als afgevaardigde der barones Stontheim, en
heb reeds eenmaal verzekerd, dat ik mij volstrekt niet in de regeling
der zaak wil mengen; echter wil ik niet ontkennen, dat het mij _zoo_
het verstandigste voorkomt;" zijne stem verried eenige geraaktheid.
"Meeningen, lieve Derenberg!"
"Gij zult toch zelve toegeven, dat Army nog te jong, te onervaren
is, om de verwarring--vergeef mij het woord, barones--te ontknoopen,
in welke trouwens alle Derenbergsche zaken verkeeren. Er behoort een
ervaren landhuishoudkundige toe, om de verwaarloosde goederen weder in
orde te brengen, verondersteld, dat wij ze terug kunnen bekomen; het
bosch bij voorbeeld,--gravin Stontheim sprak er met den justitieraad
Hellwig over--het bosch is zoo goed als verloren; de tegenwoordige
bezitter--hoe heet hij ook? gij zult hem wel kennen, een fabrikant
hier in de buurt--zal onder geen beding het weder willen afstaan;
het bosch is derhalve voor immer verloren en wat beteekent zulk eene
bezitting zonder bosschen?"
"Erving zou het niet weer willen verkoopen?" viel de oude dame in:
"ha, ha, dan kent gij hem niet; het komt er bij zulke lieden slechts
op aan, hoeveel men biedt; voor een kleine winst verkoopt zulk volk
zijne zaligheid. Neen, neen, beste overste, dat is een belachelijk
denkbeeld, dat ik van u niet verwacht had. Ik wil om alles met u
wedden: bied hem zoo en zooveel meer, en het bosch is 't uwe."
"Gij zoudt de weddingschap verliezen, genadige vrouw, want Hellwig
heeft er, op last van vrouwe van Stontheim, naar vernomen en een
bepaalde weigering ontvangen. Voor het overige--"
De oude dame viel hem luid lachende in de rede.
"Gij zoudt toch wel gelijk kunnen hebben, Derenberg," sprak zij,
"want deze parvenu haat, evenals al zijns gelijken, den adel, en
ons in het bijzonder. Plebaglio!" voegde zij er verachtelijk bij in
hare moedertaal.
"Voor het overige," zeide de overste met verheffing van stem--"pardon,
barones," vervolgde hij beleefd, toen zij zweeg, "ik stel er volstrekt
geen belang in te weten, op welken voet gij met dien man staat;
dat verandert niets aan de zaak; ik wilde er slechts bijvoegen,
dat, wat de goederen betreft, die deerlijk in de war zijn. Het is
verschrikkelijk--joden, makelaars, koopbrieven, eerste, tweede,
derde en vierde hypotheek--en wat niet al meer; kort en goed,
gravin Stontheim verkiest niet zich er mede te bemoeien, omdat de
zaak slechts met enorme opofferingen te schikken is; zij wenscht,
zooals ik van morgen vroeg reeds de eer had u mee te deelen, dat Army,
ook nog na zijn bruiloft, die tegen den herfst bepaald is, in dienst
zal blijven; zij zal het jonge paar ruim van middelen voorzien, en is
voornemens, wanneer Army later zin in de landhuishoudkunde heeft, hun
een landgoed te koopen, dat geheel onbezwaard is. Het slot Derenberg
is nog altijd een prachtig zomerverblijf voor het jonge paar, en het
voorvaderlijke slot blijft Army's eigendom. Nietwaar, Army, gij wilt
nog wel een tijdlang den bonten rok dragen?"
"Zeker, ik moet mij onderwerpen, oom!" sprak de jonge man, "maar
ik beken dat het mij zwaar valt, er van af te zien op Derenberg te
wonen--het was altijd mijn lievelings-idée."
"Maar de mijne niet," viel Blanka haastig in; "ik ben het volkomen
met tante Stontheim eens, dat heb ik vroeger ook al verklaard."
"Gij weet niet, Blanka," hernam Army, en zijne stem beefde; "gij weet
niet, welk eene bekoorlijkheid zulk een erfgoed heeft! Gij _kunt_
het niet weten, want gij hebt nooit het trotsche gevoel gekend, den
voet op eigen grond te zetten. U hebben geen oude muren, geen ledige
vertrekken, geen eeuwenoude boomen verhaald van lang verloopen tijden,
toen onze voorouders hier leefden en werkten. Het was mijn liefste
droom hier te wonen, waar een lange reeks van voorvaderen leefden
en stierven, en het zal mij zeer smartelijk vallen, dien droom niet
vervuld te zien; geloof mij."
"Om 's hemels wil!" riep de jonge dame uit, "nu wordt hij waarlijk
sentimenteel! Mij komt de kleinste villa aan den meest bezochten
wandelweg onzer residentie duizendmaal aanlokkelijker voor, dan dit
vervelend, verlaten--"
"Stil, kinderen!" viel de overste sussend in, "laat ieder zijn
gevoelen voor zich houden! Gij, Blanka, hangt even goed van tante
Stontheim af, als Army! Wat zij verkiest, geschiedt; daar is niet aan
te veranderen, en mij dunkt, wij moesten de zaak laten rusten en er
niet over twisten."
"Zeer verstandig aangemerkt, overste," mengde zich nu de oude dame in
het gesprek; "maar, hoe zwaar zulk een afhankelijkheid te dragen valt,
kan alleen hij gevoelen, die gewoon is geweest vrij te gebieden. _Gij_
gevoelt dat niet; gij hebt nooit op eigen grond gestaan; gij zijt,
om zoo te spreken, in afhankelijkheid groot geworden, en dan valt het
gemakkelijk anderen ondergeschiktheid te prediken. Ik vind het vreemd
van tante Stontheim; zij _heeft_ de middelen en wil niet helpen; Army
moet officier blijven om de bespottelijke reden, dat hij te jong is;
alsof geen oudere krachten hem radend en helpend ter zijde stonden?"
"Gij misschien, genadige vrouw?" sprak de overste lachend. "Voorwaar
niet kwaad bedacht! finantiëele talenten kan men u niet betwisten--dat
gij ongelukkig zijt geweest in uwe speculaties--wie kan dat helpen?"
"Gij zijt nog even ondeugend, als vroeger, overste! toen ik het
geluk had u hier eenige malen te ontmoeten; in dit geval echter
zijn uwe verwijten ongegrond, want het was werkelijk het ongeluk,
dat ons vervolgde."
"Onverdiend ongeluk!" verbeterde de overste spotachtig.
"Oom, ik bid u, zwijg daarvan! Het maakt mama zenuwachtig," bad Army.
"En, mijn jongen," vervolgde deze onbevangen en met nadruk, "het is
juist om nog eens zulk een onverdiend ongeluk te vermijden, dat gravin
Stontheim hoofdzakelijk wenscht, dat gij niet hier--versta mij wel:
niet _hier_--de eerste jaren van uw huwelijk zult doorleven. Vergeef
mij, dat ik zoo duidelijk moest spreken! Ik had het gaarne vermeden--"
"Ik begrijp u," zeide de oude dame koel; "gravin Stontheim heeft
nog het ongelukkige idée, dat ik de oorzaak ben van den ondergang
der familie; zij heeft mij dit meer dan eens grof en onverbloemd
verweten, als wij in nood en kommer verkeerden; iemand moest toch de
schuld dragen," vervolgde zij, met een bitteren lach: "en daar men
mij van den beginne af als een indringster beschouwde en de vreemde,
de Italiaansche, niet uitstaan kon, was het gemakkelijk haar ook die
schuld te verwijten. Va, bene! Gij vertelt mij niets nieuws overste;
het spijt mij, dat iemand zoo--zoo--" zij hield op; blijkbaar zweefde
haar een scherpe uitdrukking op de lippen.
De overste zweeg.
"Oom," vroeg Army driftig, "wat beduidt dat? Tante kan toch onmogelijk
meenen, dat grootmama--"
"Zwijg," riep de oude dame, en tegelijk hoorde men haar stoel over
den vloer rollen.
Liesje en Nelly zaten bijna ademloos hand in hand naast elkaar. Toen
de eerste haar vaders naam hoorde noemen, was zij opgesprongen, en
had rondgezien, of er geen andere uitweg was dan door het vertrek,
waarin men zoo hatelijk zijn goeden naam bevlekte.
"Waar kan ik heen?" fluisterde zij hare vriendin toe.
"Blijf hier, Liesje," smeekte Nelly en trok haar tot zich; "zij
weten niet, dat wij hier alles kunnen verstaan; och, schrei toch niet
zoo! O, dat ik gezond ware, en een man als Army; ik zou antwoorden,
als zij u beschimpten!"
Daar binnen hoorde men de oude dame op en neder loopen en telkens,
als zij de deur naderde, zag Liesje angstig de kamer rond, of zij
ook eene plek vond om zich te verschuilen.
Op eens vernamen zij Blanka's stem, vriendelijk en welluidend als
immer.
"Grootmoedertje," vleide zij, "ik heb een verzoek aan u; ik had het
Army opgedragen, maar hij heeft het zeker vergeten, die ondeugd. Ja,
ja, zie mij maar niet zoo verwonderd aan, gij--" ging zij schalksch
voort, "nietwaar, grootmama? dat heeft uw bruidegom zeker nooit gedaan;
die las zeker al uwe wenschen in uwe oogen."
De laatste woorden waren duidelijker dan het begin van haar verzoek;
blijkbaar stond zij naast de oude dame bij de deur.
"Nu slaat zij hare armen om grootmama's hals, net als een katje,"
fluisterde Nelly; "o, gij weet niet, hoe zij kan vleien."
"Nu?" klonk de stem der oude barones.
"Ik had Army verzocht u te vragen, mij toe te staan in het
torenkamertje te wonen, dat aan mijn kamer grenst; o, ik bid u,
grootmamaatje, amatissima mia!"
"Het was zeer verstandig van Army, dat hij het mij niet vroeg; ik
had het hem reeds eenmaal geweigerd en kan het ook u niet toestaan."
"Waarom niet?" vroeg Blanka verwonderd.
"Gij zult mij wel toestaan, dat ik de reden voor mij zelve houd."
"Vraag niet verder, Blanka," liet zich de overste hooren; "oude
kasteelen hebben hunne geheimen, en daaronder zijn er, die men liefst
laat rusten."
De deur werd heftig opengerukt en de oude dame stond onverwacht voor
de beide meisjes.
Lise was opgesprongen, zij deed geen moeite meer te ontvlieden,
maar bleef onbewegelijk staan.
De ondergaande zon wierp hare stralen door het venster en overgoot
het meisje, als het ware, met een rooskleurig licht. De oude barones
week terug, alsof zij een spook zag, en stak verschrikt de handen uit.
"Dio mio! Het is ongehoord," riep zij stampvoetend uit. "Zijt gij
dan altijd hier om mij een schrik aan te jagen?"
"Het doet mij leed, barones, dat ik altijd het ongeluk heb--"
"Wel, dat is vreemd, voor zulk een liefelijke verschijning te
verschrikken!" sprak de overste, een blik van bewondering op het
jonge meisje werpende. "Mag ik u verzoeken, genadige vrouw, mij aan
de jonge dame voor te stellen?"
De aangesprokene trok de schouders op, terwijl zij den ouden heer
meewarig aanzag en trad naar het venster.
"Nu, dan zal ik mijzelf moeten voorstellen; overste Derenberg!" zeide
hij vriendelijk.
"Dit is mijne vriendin, oom, Liesje Erving," voleindigde Nelly de
voorstelling.
Het jonge meisje maakte een lichte buiging.
"Erving?" herhaalde de oude heer vragend.
"De dochter van den tegenwoordigen bezitter der Derenbergsche bosschen,
oom," bevestigde Nelly, hare oogen op zijn ietwat blozend gelaat
vestigende.
"Ah zoo," antwoordde hij. "Daarom kwam mij den naam ook al zoo
bekend voor; uw vader is waarschijnlijk een liefhebber van het edele
jachtvermaak?"
"Ja, heer overste, en buitendien verbruikt hij veel hout in zijne
papierfabriek."
"Uw vader bezit dus eene papierfabriek? Maar hout--ik meende dat het
beste papier uitsluitend van lompen vervaardigd werd?"
Om Liesjes mond speelde een schalksche glimlach.
"Zeker, overste. Daarom heet onze fabriek in den ganschen omtrek de
lompenmolen, mijn vader de lompenmolenaar en ik lompemolenaars Liesje."
"Lompemolenaars Liesje?" herhaalde de overste lachende, en zag haar
vroolijk aan. "Dat is toch een naam, die mij voor u minder gepast
voorkomt."
"Ik draag hem toch gaarne," zeide zij, "ieder kind noemt mij zoo;
altijd hebben de dochters uit ons huis dezen bijnaam gehad; 't zij
lompenmolenaars Grietje, of Mina, of Lisette--"
Zij ontstelde, toen zij dezen naam zoo onnadenkend uitsprak, en zag
beschroomd naar de oude dame, die nog altijd aan het raam stond,
en zich nu ook opeens omkeerde, als had haar een adder gebeten.
"Lisette?" herhaalde zij. "Op dien naam behoeft gij u niet zoo trotsch
te beroemen; die Lisette was een lichtzinnig schepsel, dat hare ouders
veel verdriet heeft aangedaan--"
"De nagedachtenis van tante Lisette is mij heilig," antwoordde het
jonge meisje, uiterlijk kalm; "zij was niet lichtzinnig; zij was
slechts zeer ongelukkig, maar, zooals men mij verzekerd heeft, niet
door eigen schuld, barones."
Hare lippen beefden van aandoening bij het uiten dezer woorden,
en in hare stem was het kloppen van haar hart hoorbaar.
"Wat is dat voor eene Lisette? Wie was zij?" vroeg Blanka levendig,
die juist binnentrad. "Wie beleedigt haar, en wat heeft zij toch
misdaan?" Zij stond nu tusschen Liesje en de grootmoeder, en zag
beiden beurtelings aan.
"Wees niet zoo vreeselijk nieuwsgierig, mijn kind!" vermaande de
overste, "ik zeide u immers reeds, dat oude sloten hunne geheimen
hebben, en--"
"Wie zegt u dan, overste, dat het slot iets met deze zaak te maken
heeft?" De oude dame was doodsbleek geworden.
"Nu ja," antwoordde hij bedachtzaam, en zag haar scherp aan, "ik
combineer gaarne--"
"Het is zeer jammer, overste, dat gij geen romanschrijver geworden
zijt. Gij hebt uwe carrière gemist."
"Vaarwel, Nelly," fluisterde Liesje, terwijl zij haar een kus op de
wang drukte; zij boog voor de aanwezenden en verliet het vertrek;
zij vloog letterlijk de gang door en het voorplein over. In de
linden-allée stond zij plotseling voor--Army.
"Juffer Erving--" zij zag naar hem op; zijn gelaat stond ernstig.
"Juffer Erving--" herhaalde hij, "hebt gij gehoord, wat in onze
huiskamer gesproken werd?"
"Ja," antwoordde zij bedaard.
"Het is juist niet zeer--hoe zal ik het noemen?--zeer bescheiden,
te luisteren, wanneer er familie-aangelegenheden besproken worden--"
"Ik heb niet geluisterd, heer baron!" riep zij trotsch, "was er een
andere uitgang aan de kamer geweest, ik zou die gaarne verlaten hebben,
voor altijd gaarne, maar--"
"Gij hadt door de huiskamer kunnen gaan--"
"Neen, uwe moeder zelve heeft mij verzocht uwe grootmama uit den weg
te blijven, want zij kan mij niet uitstaan; ik ben immers de dochter
uit een huis, waarmede men niet fatsoenlijk verkeeren kan, heer
luitenant--dat weet gij toch; ik was dus wel gedwongen te blijven;
het liefst was ik uit het raam gesprongen." Bij deze woorden kwam
een bittere trek om haar kleinen mond.
"Nu, hoe het ook zij, ik bid u, niet over het gehoorde te spreken. 't
Is geen gemakkelijke taak, te voldoen aan het verzoek om deze
openbaringen niet verder te verspreiden--ik geloof het gaarne--onze
familie bood reeds van vroeger altijd stof genoeg tot praatjes in
den omtrek; maar ik vertrouw, dat gij u dat offer van geheimhouding
wel getroosten wilt, als ik u er aan herinner, dat wij vroeger trouwe
vrienden waren--nietwaar, Liesje?"
Hij stak haar de hand toe, maar het meisje trad eene schrede terug
en kruiste de armen op de borst.
"Eene belofte zal wel niet noodig zijn," antwoordde zij somber; "ik
zou toch gezwegen hebben, want uwe gesprekken beleedigden gedeeltelijk
mijn vader--mijn vader, in wiens huis gij zoo gaarne kwaamt, ook in
dien tijd, dat wij nog 'trouwe vrienden' waren, zooals gij zegt."
Hij deed ontsteld een stap achterwaarts.
"Wat? Ik heb geen woord over uw vader gesproken."
"Maar aangehoord, dat men hem een parvenu noemde--dat men hem
beschuldigde den adel en de familie Derenberg in het bijzonder te
haten en dat hij op wraak zon--en het kalm aanhooren van lasteringen,
terwijl men van de onwaarheid ten volle overtuigd is, staat gelijk
met eene bevestiging daarvan. Uw gevoel van recht schijnt onder zekere
omstandigheden te kort te schieten, heer luitenant!"
Een gevoel van bitterheid, vermengd met diepe smart van hopelooze
liefde, vervulde haar. Eerst toen zij, met een koele buiging hem den
rug toekeerende, zonder om te zien haastig een eind weg was, vulden
hare oogen zich met tranen. Zij zag het niet hoe hij haar nog lang
nastaarde, en eerst, toen zij verdwenen was, met een somber gelaat
langzaam naar het slot ging.
Toen Army binnentrad, scheen er eenige rust na den storm gekomen te
zijn; allen zwegen ten minste. De overste had een sigaar opgestoken en
lag oogenschijnlijk zeer tevreden in een der ouderwetsche leunstoelen,
terwijl de oude barones recht als een kaars op de sofa zat, en
zenuwachtig haar dunne witte vingers bewoog. Blanka stond voor het
raam en staarde naar buiten in het park; de lange sleep van haar
donkerblauw rijkleed lag onbewegelijk achter haar over den vloer,
en zij verroerde zich zelfs niet, toen haar verloofde naast haar
kwam staan. Hij verstond de knorrige vraag der oude dame niet, die
hem toeriep, waar zijne moeder was en of zij ook haast kwam. Hij zag
alleen het bekoorlijke wezen naast hem, dat er in haar rijkleed nog
sierlijker en kinderlijker uitzag dan anders; hij nam zacht een harer
goudkleurige vlechten, die los op den rug hingen, en drukte zijne
lippen er op. De jonge dame schudde, zonder om te zien, heftig het
hoofd, en trok met haar kleine handen het haar over den schouder.
"Blanka," zeide hij verwijtend, en boog zich voorover om haar in het
gelaat te zien. Zij wendde het hoofd af en staarde schijnbaar met
belangstelling naar buiten.
"Heb ik u beleedigd, Blanka?" vroeg hij zacht. "Zijt gij boos op mij?"
Zij hield haar beide handen voor de ooren.
"Neen, neen, om Godswil, neen!" riep zij hartstochtelijk, zich
opeens omkeerend; "ik bid u, Armand, vraag toch zulke bespottelijke
dingen niet! Gij ziet immers, dat ik op 't oogenblik geen lust heb,
uw verliefd gefluister en uwe liefkoozingen aan te hooren; ieder
ander zou het dadelijk begrepen hebben, en gij vraagt, of ik boos
ben en al zulken onzin meer." Zij trapte kregel met den voet.
Army's gezicht werd donkerrood. "Vergeef mij," sprak hij en ging naar
de pianino. Hij opende die en sloeg een paar accoorden aan.
"Ik bid u, speel niet!" riep Blanka, en hield weder de handen voor
de ooren.
Hij stond op. "Speel gij dan iets!" vroeg hij, "ik zou zoo gaarne
wat muziek hooren; dat heeft voor mij altijd iets kalmeerends,
iets verzoenends."
"Ja, speel wat, mijn lieve!" sprak nu ook de overste, die van de
gansche woordenwisseling slechts het laatste gehoord had, en wien
het aangenaam zou zijn, hierdoor de pijnlijke spanning tusschen hem
en de oude dame te kunnen verbergen.
"Op _dat_ instrument _dáár_?" vroeg zij. "Neen, dáárop kan
ik niet spelen; ik mag die rammelende tonen zelfs niet gaarne
hooren. Buitendien ben ik ook te vermoeid van den verren rit," voegde
zij er bij.
Een oogenblik zag Army toornig; toen ging hij naar het oude, versmaadde
instrument, sloot het en naderde weder zijne verloofde; zij had haar
kleine rijzweep in de hand genomen en speelde met den zilveren knop,
terwijl de oude dame opstond en het vertrek verliet.
"Ik wil gelooven, dat gij werkelijk vermoeid zijn, anders was het meer
dan een bloote luim, dat gij op mijn verzoek weigerdet te spelen,"
merkte hij met gedwongen houding aan.
"Geloof het, mijn lieve jongen; geloof het," sprak lachend de oude
heer en sloeg hem op den schouder; "men komt zóó het verste; ik merk
wel, gij zult het best met haar vinden."
Army beet zich op de lippen.
"Mag ik u naar uwe kamer brengen?" vroeg hij aan zijne verloofde,
"als gij wat uitgerust zijt, hoor ik na het eten misschien nog wel
iets van u, nietwaar?"
"Ik geloof het niet," antwoordde zij; "want ik heb hoofdpijn en zal
heden mijne kamer houden."
De overste lachte. "Nu, goeden nacht dan, en goede _beterschap_,"
en daarmede ging hij, nog lachend, terwijl hij zijn neef toeknikte,
uit de kamer.
Blanka nam de sleep van haar rijkleed over den arm en volgde hem;
zij ging zonder een woord te spreken Army voorbij.
"Blanka," vroeg hij zacht en versperde haar den weg, "wilt gij mij
niet goeden nacht zeggen?"
"Gij behandelt mij als een ondeugend kind," riep zij driftig: "het
verwondert mij, dat gij nog niet eischt, dat ik u om vergeving zal
vragen; het kan u niet schelen of ik hoofdpijn heb of niet."
"Het een zoo min als het ander. Ik verlang noch een verzoek om
vergeving, noch weiger ik u mijne deelneming in uw hoofdpijn; maar mij
is het onmogelijk, zoo zonder 'goeden nacht' van u te gaan. Nietwaar,
Blanka? dat is ook niet aangenaam. Wanneer twee menschen elkander
zoo liefhebben als wij, dan is het verlangen naar eene opheldering,
naar een goed begrijpen van elkaar zoo natuurlijk."
Hij was haar bij deze woorden genaderd en wilde haar tot zich trekken,
maar zij ontweek hem met een ongeduldige beweging en vertrok haar
mond een oogenblik tot een spotachtigen lach.
"Indien gij mij werkelijk liefhadt, zoudt gij mij zulke dwaze
zedepreeken niet houden, daar gij immers weet dat ik vermoeid ben. Het
is verschrikkelijk," vervolgde zij, "welke opvatting gij schijnt te
hebben van onze onderlinge verhouding; die eeuwige stijve manieren; dat
voegen van den een naar den ander, zonder een eigene meening te durven
uiten; dat opgaan in elkander--het is een knellende, ontzettende keten,
maar geen geluk! Ik wil vrij zijn--hoort gij? vrij zijn!" herhaalde
zij nog eens, en dreunend viel de zware deur achter haar dicht.
Hij stond als versteend en staarde op de deur door welke zij verdwenen
was.
Het was stil geworden in de groote kamer; het avondrood wierp zijn
gloeiend schijnsel door de vensters en vervulde het vertrek met
een rooskleurige schemering. Langzamerhand verbleekte de purperen
gloed en daalde de grauwe sluier van den avond op de aarde neder. De
jonge man trad naar het venster en staarde onafgewend naar buiten,
de lippen wrevelig op elkander gedrukt; plotseling kromp hij ineen;
klanken van boven troffen zijn oor. Haastig opende hij het venster
en nu vernam hij duidelijk de heerlijke tonen eener wals uit den
Faust, zoo maatvast en opwekkend gespeeld, als zij alleen het kon;
als parelsnoeren rolden de passages over de piano en daartusschendoor
verhief zich, met meesterlijke kracht, de melodie.
"Zij speelt," mompelde hij, en zijn gebalde vuist viel toornig op
de harde vensterbank. "Is zij zonder luim of nuk, 't is voorwaar een
groot geluk," lachte hij bitter; toen verliet hij de kamer.
Buiten omgaf hem een zachte, zoele avondlucht. Hij richtte zijne
schreden onwillekeurig langs de slotgracht, waaruit de vlier
zijn uitgebloeide takken naar boven stak, en bleef toen onder haar
venster staan. Dicht bij hem verhief zich de oude toren, en de witte
klimrozen, wier ranken er tegen opklommen, blonken hem helder toe in
de duisternis--daarboven was het spel opgehouden. Maar neen, daar begon
het opnieuw--een sombere, zwaarmoedige melodie; hij kende den tekst:
"Daar staat ook een mensch en ziet naar boven.
En wringt zich de handen in bittere smart,"
Hoe meesterlijk werd dat voorgedragen! Plotseling verstomde de
muziek met een schrillen wanklank. Army haalde ruimer adem. Hij,
die zoo trouw en vurig beminde, poogde te vergeefs het gemoed zijner
bruid te ontraadselen; met geweld drong zich heden avond de bange
vraag bij hem op: als zij u eens niet liefhad? "Liever sterven,
dan van haar afstand doen!" mompelde hij, zijn weg vervolgende, en
dacht onwillekeurig aan de schoone Agnese Mathilde en den jonker van
Streitwitz, die hier in den tuin begraven moest liggen. Ontstemd trad
hij de naaste laan in. De verloopen namiddag met al zijn onaangename
ondervindingen kwamen hem weder voor den geest; tegenstrijdige
gevoelens maakten zich van hem meester; de herinnering aan het
gesprek van oom met grootmama, en de vele hatelijke toespelingen op
het verledene; Blanka's halsstarrige weigering om hier te wonen en dan
de bestraffende woorden, hem door Liesje daar in de allée toegevoegd,
toen hij haar verzocht, het gehoorde niet te verraden! Zij hadden hem
diep beschaamd, die eenvoudige woorden en die smartelijk verwijtende
blik; hij had den braven man daar in den molen laten belasteren, zonder
een woord ter zijner verdediging te zeggen--uit gedachteloosheid;
in gespannen oplettendheid was hij den woordenstrijd gevolgd, die
zijn lievelingswensch zoo ruw verijdelde, den wensch, met Blanka
in het voorvaderlijke slot te wonen. Maar Liesje moest wel meenen,
dat hij juist zoo dacht als--"o neen, neen, zeker niet; haar vader
is een eerlijke, brave man." Dat was bij slot van rekening dan ook
vrij onverschillig--neen, het laatst gebeurde, dat had den angel het
diepst in zijn borst gedrukt. De bittere woorden zijner bruid klonken
hem weder in de ooren: "Welke opvatting hebt gij toch wel van onze
wederzijdsche verhouding?" en dan: "een keten is het, een drukkende
keten, maar geen geluk."
"Een _keten_!" herhaalde hij halfluid, terwijl hij staan bleef;
snel voegde hij er echter bij:
"Bah! Meisjesgrillen, anders niets! Zij is ook te schoon, te
trotsch--zij heeft een te eigenaardig karakter, om zich binnen de
enge grenzen te beperken, die om eene vrouw getrokken zijn." Hij
had dat moeten bedenken, meende hij; hij moest niet altijd en altijd
weder trachten, haar tot _zijne_ denkbeelden over te halen, dat was
vernederend voor haar; zij had gelijk ontstemd te zijn, zijne schoone,
trotsche verloofde. En zij had hem immers lief; dat had zij hem zoo
dikwijls op zijn dringende vragen verzekerd. In den herfst, had oom
Derenberg gezegd, in den herfst zou zij de zijne, onherroepelijk
de zijne worden. En moest voor dit zalig vooruitzicht niet alle
tegenwoordig leed wijken?
De nachtwind was opgestoken; boven het hoofd van den jongen man boog
hij de takken te zamen tot een zacht geruisch, en krulde de oppervlakte
van den donkeren vijver aan Army's voeten; hij voerde alle droevige
gedachten naar de verste verte en bracht verzoenende liefde en zoet
verlangen door den stillen, zoelen zomernacht. "In den herfst,"
sprak Army nog eens zacht, "in den herfst, dan komt het geluk!"
Negende Hoofdstuk.
De zomer was voorbij gegaan en de herfst begon het loof der bosschen
bont te kleuren; een kristalheldere blauwe hemel welfde zich over de
aarde; in de lindenbaan van het slotpark lagen de eerste verdorde
bladeren op den grond, en in Ervings tuin bloeiden de asters en
dahlia's in bonte kleurenpracht. Over de wijnstokken waren netten
gespannen, om de snoeplustige musschen te weren; uit het loof der
ooftboomen keken de rijpe, goudgele vruchten met roodgekleurde wangen
naar buiten, slechts wachtende om geplukt te worden.
In den molen was alles zijn gewonen gang gegaan; hoe spoedig was die
zomer voorbij, en nu verheugde men zich weder in het vooruitzicht van
de lange winteravonden bij de warme kachel. De lieden in den molen
verheugden zich trouwens ook nog op iets anders: zij wisten immers
allen, zoowel de arbeiders in de fabriek, als Mina en Doortje in de
keuken en Peter in den stal, dat er spoedig eene bruid in huis zou
komen; voor hen, die oogen hadden om te zien, was het zonneklaar, dat
de heer Selldorf en "onze Lise" een paar zouden worden. De flinke,
blonde man blonk immers de liefde zoo duidelijk uit de eerlijke,
heldere oogen, en met niemand ging de heer des huizes zoo vertrouwelijk
en hartelijk om, en geen zijner collega's ontving zulke vriendelijke
blikken van Liesjes moeder, als hij. Zelfs tante knikte hem steeds
zoo welwillend toe, en als er beneden in de keuken over hem gesproken
werd, zeide zij altijd: "een flink mensch, die Selldorf!"
Alleen Liesje scheen van dat alles niets te merken; wel was zij altijd
vriendelijk en aardig jegens den leerling haars vaders en zette de
groote struiken vergeet-mij-niet, die hij haar nu en dan medebracht,
dadelijk in schoon water, maar overigens kon niemand iets van de
liefde bespeuren, welke men volstrekt wilde dat zij hem zou toedragen,
welke moeite Mina en Doortje zich daartoe ook gaven.
"Zij houdt zich maar zoo," meende de laatste, "dat is zoo de mode
bij de voorname lui, maar van binnen is het anders gesteld, nietwaar,
tante?"
"Die veel praten, liegen veel!" had deze geantwoord; "bekommer u niet
om Lise, maar blijf bij uw potten en pannen! Bruiloft zullen wij wel
eenmaal in huis vieren. Wie echter de bruidegom zijn zal, weet God
alleen; wij kunnen niet in de toekomst zien, en daarom, houdt uw mond
over zaken, die u niet aangaan. Maar gij denkt nergens anders over,
dan over vrijers en trouwen. Lise weet zeer goed:
"Bij vrijen, als bij paarden koopen,
Meisje, doe uw oogen open!"
De oude had hierbij ernstig met het hoofd geknikt.
Maar, hoeveel ingang hare woorden anders ook vonden, nu gingen zij het
eene oor in, en het andere uit; zij wisten het immers veel te goed,
dat de heer Selldorf zin aan de juffer had; de tijd zou het leeren,
wie gelijk had.
Ondertusschen bracht tante met haar gewonen ijver den wintervoorraad
in kelder en provisiekamer en Liesje moest overal bij zijn en aan alles
helpen, "want zie, mijn liefje, het is voor de aanstaande huishouding,"
zeide de oude vrouw.
Dezen middag werd er aan de oude noteboomen geweldig geschud en
getrokken, bladeren en vruchten vielen op den grond, waarover een
groot laken gespreid lag; Peter en Christoffel sloegen met lange
stokken onbarmhartig in de takken, en drie of vier kinderen kropen
en tuimelden over elkander in de drukte van het oprapen.
Liesje, die Nelly bij zich had, had juist de plaats en de kinderen
verlaten en nu stonden de jonge meisjes in het zomerhuisje voor het
huis, bij de steenen tafel, waarover de oude vrouw een helder wit
tafellaken legde, en wachtten zwijgend, tot zij het koffieblad van
de bank en op de tafel gezet had.
"Nietwaar, tante, gij drinkt hier buiten bij ons koffie?" vroeg Liesje.
"Dat kan ik wel doen; in de huiskamer is ook bezoek," antwoordde zij;
en naast Nelly plaats nemende, verzocht zij Liesje een kopje voor haar
te halen. "Zoo vlijtig?" vroeg zij, toen het meisje naast haar uit een
korfje een handwerk te voorschijn haalde en ijverig begon te werken.
"Een huwelijksgeschenk voor Army!" antwoordde zij vriendelijk.
"Lieve God, hij is toch nog erg jong," sprak de oude vrouw, terwijl
zij het gevulde kopje dankend van Liesje aannam. "Het heugt mij nog
als gister, dat hij over de brug kwam aanloopen in zijn zwart kieltje."
Nelly knikte; Liesje echter zag onwillekeurig naar de brug, waaronder
het water helder en haastig heenliep.
"Wie is daar binnen bij vader?" vroeg zij met een bedrukte stem,
alsof zij het gesprek op iets anders wilde brengen; tegelijkertijd
lachte zij hare moeder tegen, wier gelaat een oogenblik aan het
venster zichtbaar werd.
"Een vreemd heer,--ik ken hem niet," antwoordde tante; daarop zette
zij plotseling haar kopje neer, schoof haar bril iets lager en zag
daarover heen naar den weg aan de overzij van het water. "Heilige
God," zeide zij, "was dat Sanna niet, Nelly, die daar onder de boomen
liep? Zij is nu achter die elze- en wilgeboomen--ik heb haar in
langen tijd niet gezien, maar het scheen mij haar gang toe. Ziet gij,
waarlijk zij is het," en zij wees op de groote vrouw, die met het,
donker gewaad en wit voorschoot over de brug kwam.
"Sanna!" riep Nelly, en sprong op, "mijn God, wat is er toch gebeurd?"
"Mevrouw de barones laat vragen," klonk het met een vreemd accent
uit den mond der oude dienstbode, "of de freule niet dadelijk bij
haar wil komen."
"Om Godswil, Sanna, wat is er voorgevallen?" vroeg het jonge
meisje haastig, haar werk opbergende. "Moet ik bij mama komen of
bij grootmama?"
"Natuurlijk bij grootmama," antwoordde de oude, zonder Liesje of
hare tante, die Nelly hielpen haar borduurwol in te pakken, met een
blik te verwaardigen. "Uwe grootmoeder is zeer boos, dat gij niet te
huis waart, zóó boos, dat ik maar aanstonds hier heen ben geloopen,
omdat mevrouw uwe moeder meende, dat gij wel weder naar den molen
gegaan zoudt zijn, en Hendrik had geen tijd; hij moest brieven naar
de post brengen."
"Zeg het toch, Sanna!" bad Nelly, en zag de magere vrouw angstig aan,
"is er iemand ziek, of zijn er slechte tijdingen gekomen?"
"De oude barones heeft een brief met een doodbericht ontvangen,"
antwoordde de oude en zag tante, die opgestaan was, met donkere
blikken aan.
"Om Godswil!" riep Nelly en zag Sanna ontsteld aan; "het is Army toch
niet? Sanna, lieve Sanna, gij weet het wel--zeg het toch! Ik bid u,"
en zij liep naar haar toe en vatte smeekend hare beide handen.
Liesje ging echter op de steenen bank zitten; het was haar, alsof
hare beenen haar niet langer wilden dragen; als onbewust, staarde
zij met wijd geopende oogen op de groep.
"Ik weet het niet," antwoordde schouderophalend de oude dienstbode,
terwijl Nelly haar gelaat met de handen bedekte en nogmaals snikkend
uitriep:
"Army! Almachtige God, zoo het Army eens ware!"
"Wees gerust, Nelly," troostte tante haar nu, en sloot het weenende
meisje in hare armen. "Uw broeder is het niet; dan zoude zij daar niet
zoo rustig staan--ga gauw naar huis en wees getroost! Hij is het niet."
"Och, tante!" snikte zij, "ik kan van angst niet op mijn beenen staan."
"Schrei niet, genadige freule!" zeide nu ook de oude Sanna, sterk op de
benaming "genadige freule" drukkende; "gravin Stontheim is overleden,
maar de barones had mij verboden er hier in den molen over te spreken,
daar zij alle gebabbel wil vermijden, en hier--" zij hield het overige
voor zich, en wierp een uitdagenden blik op de tante, die nog altijd
naast het weenende meisje stond.
"Nu," merkte deze aan, "gij moogt het wel voor u houden, juffer
Sanna; wat raakt het mij, of die tante dood is of niet. Maar daarom
behoeft gij het arme kind niet zulk een schrik aan te jagen met uw
doodsbericht, het was vroeg genoeg als zij het te huis vernam."
"Ik heb met u niets te maken; ik doe slechts wat mijne meesteres mij
beveelt," antwoordde de oude dienstbode minachtend.
"O ja! dat weet ik nog van vroeger," sprak tante, wie eensklaps het
bloed naar de wangen vloog; zij zag hare vijandin doordringend aan.
"Ik ga een eind met uw mede, Nelly," riep Liesje, als uit een droom
ontwakende, en volgde haar vriendin, terwijl Sanna, als aan den grond
genageld, staan bleef.
"Wat bedoelt gij toch?" vroeg zij, en zag tante met een blik aan,
vol onverzoenlijken haat. Uit de houding van deze beide vrouwen was
het duidelijk te zien, dat hier een oude, lang onderdrukte veete
weder ontbrandde.
"Wat ik bedoel?" vroeg de oude tante, terwijl zij hare eerlijke oogen
op de groote, donkere gestalte vestigde en eenige schreden nader trad,
"wat ik bedoel? Ei, juffer Sanna, dat behoeft gij niet te vragen; ik
zie het aan uw gelaat, dat gij het wel weet--het heeft u toch zeker
dikwijls genoeg aan uw hoofdkussen getrokken en geplukt en u verhinderd
te slapen in lange benauwde nachten, en heeft als een berg, die niet
te verschuiven was, op uwe borst gelegen, al hebt gij ook honderd
maal uw rozenkrans afgebeden en alle heiligen aangeroepen--dat was
het geweten, juffer Sanna, en een kwaad geweten heeft wolfstanden;
die bijten scherp en diep--"
"O misericordia!" riep Sanna en sloeg hare handen met een
hartstochtelijk, toornig gebaar in elkander: "dat heb ik er nu voor,
dat ik zelve hierheen ben geloopen; mevrouw de barones had wel gelijk,
dat zij mij steeds verbood, mij met het _plebaglio_, het _miserabile_,
in te laten."
"Wat uwe barones zegt, is mij totaal onverschillig," verklaarde tante,
"en uwe Italiaansche scheldnamen kunt gij wel sparen; die versta
ik niet; maar één ding moet ik u toch nog zeggen, juffer Sanna,
nu het toeval ons te zamen brengt--ik heb er lang naar verlangd,
het te kunnen doen; gij en uwe barones hebt eene zonde op uw geweten,
die ten hemel schreit. Misschien meent gij, dat niemand er van weet;
wellicht weet gij, dat er eene is die de oorzaak kent en weet, waardoor
een jong, bloeiend leven in 't graf moest nederdalen; ik zeg u echter,
en gij kunt het aan uwe barones daar boven overbrengen: God is een
tijd lankmoedig, maar niet eeuwig; Hij laat zich niet bespotten,
en ik--ik, de oude tante uit den papiermolen--ik bid nog iederen
avond den lieven God, dat hij mij den dag laat beleven, waarop ik uw
trotsche meesteres in het gezicht kan zeggen, dat zij eene--"
"Cielo!" krijschte de Italiaansche en sloeg met de handen in de lucht,
"het mensch is krankzinnig! Het verwondert mij, dat gij nog niet zegt,
dat wij het hoogmoedige ding vermoord hebben."
"Dat zou ik met het volste recht kunnen beweren," hield de oude vol,
"en als er geen hoogmoediger menschen waren dan zij, dan zou het
beter wezen in de wereld."
"_Dat_ zou ik mij hier laten zeggen?" riep Sanna, rood van toorn,
"wilt gij misschien ook beweren, dat wij haar vergeven of gewurgd
hebben? Het was juffer Lisette's eigen schuld, dat zij stierf; wat
behoefde zij zich in te beelden, dat de baron haar zou trouwen! Waarom
knoopte zij een vrijerij aan boven haar stand! Zulk een heer heeft
honderd oogen en ziet meer dan één mooi meisje."
"Wat?" riep nu de oude vrouw, en zette haastig het koffieblad, dat
zij juist had opgenomen, weder neer--"wilt gij den baron Fritz nu
ook nog belasteren? Die was beter dan de heele kliek daar boven bij
elkaar"--zij wees naar het slot--"en zoo hij een lichtzinnig mensch
is geworden, is dat ook uwe schuld. En wat het inbeelden betreft,
onze zalig Lisette heeft zich niets ingebeeld; zij is de brave
bruid van baron Fritz geweest, en zou, zoo waar als ik hier sta,
zijne vrouw geworden zijn, hadden niet valsche, slechte menschen,
erger dan roovers en moordenaars, hen van elkaar gerukt."
Sanna lachte onbeschoft en spottend.
"Gelooft gij dat waarlijk? En ik zeg u: zoo zeker als zij
lompenmolenaars Lisette was, zoo zeker is dáár boven geen plaats
voor dergelijken."
"Hoogmoed steekt altijd den staart buiten 't nest," antwoordde tante
Marie minachtend; "ons geslacht is Goddank te braaf en te goed en past
niet in zulk een zondige huishouding, als het toen daar boven was. De
Derenbergs waren altijd lieden van goed allooi; die zat de adel niet
alleen in het bloed, maar ook in het gemoed, en zoo was het goed,
totdat--nu, gij weet, wat ik meen--in het graf zouden zij zich hebben
omgekeerd, allen in den ouden grafkelder, zoo zij geweten hadden,
hoe ver het nog komen zou met hunne trotsche naneven."
"Tante! tante!" riep de vrouw des huizes met angstige stem uit het
venster.
"Aanstonds, Mientje!" antwoordde zij en nam het koffieblad op;
"ik kom al. Gij weet, wij oudjes praten gaarne over den ouden tijd,
vooral als men elkander in zulk een langen tijd niet gezien heeft,
als juffer Sanna en ik," en dit zeggende ging zij in huis, zonder
verder om te zien.
"Maar tante, om Godswil!" sprak Ervings vrouw verwijtend, toen de oude
vrouw met een rood gelaat binnen kwam: "wat praat gij toch! Ik werd
wezenlijk angstig, zoo boos zag die groote, sombere vrouw er uit--"
"Ik niet, Mientje, ik niet," antwoordde de oude vrouw zegepralend,
"het deed mij goed, dat ik eens uitspreken kon. Jarenlang heb ik daarop
gewacht; soms vreesde ik al, dat ik sterven zou, zonder haar in het
gezicht te hebben gezegd, welke groote zonden zij gedaan hebben, en
nu vandaag--o, ik ben nog veel te zachtmoedig geweest, maar had ik het
valsche wijf niet onder Gods vrijen hemel, maar op mijne kamer gehad,
dan zoudt gij iets anders gehoord hebben, Mina--"
"Tante! tante! Mij is de wraak! Wat zoude onze dominé zeggen, als
hij u nu hoorde!"
"Ik wil mij niet wreken," sprak de oude vrouw zacht, "want op alle
wraak volgt berouw! Maar geloof mij, toen ik haar daar zoo voor
mij zag staan, die vrouw, die mede aan het ongeluk schuld heeft,
toen was het mij, alsof iemand mij kokende olie in het hart goot--"
Zij hield op, want Liesje trad binnen.
"De gravin Stontheim is werkelijk overleden," verhaalde zij. "Nelly's
moeder zeide het, toen zij ons in het park tegenkwam. Army heeft
geschreven, dat zij reeds morgen wordt begraven, en daarna wil hij
zijne bruid weder hierheen brengen; de bruiloft zal niet uitgesteld
worden, alles blijft bij het oude. Zeg eens, tante, was Sanna, die
ik pas bij den boschweg tegenkwam, tot nu toe bij u?"
"Tot nu toe, mijn schatje; wij hebben nog een vroolijk praatje met
elkander gehad."
Het jonge meisje zag haar vragend aan en zette zich toen aan het
raam. De beide anderen verlieten de kamer. Het was zoo stil rondom
dat jonge meisje met een stille, hopelooze liefde in het hart. Van
de hooge lindeboomen vielen langzaam de gele bladeren op den grond,
beelden van voorbijgegaan lentegeluk; een paar kleine vogeltjes vlogen
tjilpend van tak tot tak.
"Als _hij_ gestorven was?" sprak zij halfluid. "Maar neen--neen--het
is beter zoo; lieve God, laat hem gelukkig worden--om der wille zijner
moeder en zuster!"
Een paar dagen waren voorbijgegaan. Liesje had hare tante vlijtig
in het huishouden geholpen, en meer dan in den laatsten tijd had
haar heldere lach weder geklonken. "Lach maar, mijn liefje!" had de
oude vrouw eenmaal in hare vreugde daarover gezegd, "God heeft den
blijmoedigen mensch lief." Zij wordt weder vroolijk, zij heeft het
overwonnen dacht zij; het kind was ook nog zoo jong en het leven dat
voor haar lag, beloofde nog zooveel geluk. En onwillekeurig kwam haar
de jonge, blonde man voor den geest, die zoo bescheiden was en toch
door zijn degelijkheid meer en meer in den molen geliefd werd. "Het
zou een uitgelezen paar zijn," sprak zij bij zichzelve.
Dezen morgen had zij hem nog langen tijd nagezien, toen hij reeds vroeg
met Erving, het geweer over den schouder, op de jacht gegaan was;
zij had daarbij zeer goed bemerkt, hoe hij een verstolen blik wierp
naar de vensters, waarachter Liesje nog rustig sliep, en gedacht:
"Als zij hem nu zoo reus zag, knapper kan toch niemand er uitzien."
Maar Liesje had later niet geluisterd, toen zij hem prees, en was
telkens lachend over iets anders begonnen te spreken. Zoo was het
middag geworden; de soep dampte reeds op de tafel in de eetkamer,
toen Lise naar buiten ijlde, haar vader tegemoet, zonder te bedenken,
wie hem vergezelde.
"Goeden morgen, vadertje!" riep zij vroolijk, "wat brengt gij
mede?" Nu eerst werd zij gewaar, dat de heer Selldorf achter hem
stond, die den groenen jagershoed afgenomen en haar vader de hand
gegeven had, terwijl hij hem smeekend aanzag. "Tot heden avond dan,
beste Selldorf," hoorde zij haar vader zeggen; nog een handdruk,
en de jonge man was verdwenen, zonder haar te hebben aangezien. De
statige vader groette zijne dochter ter loops en wierp zijn weitasch
af. "Waar is uwe moeder? Ik moet haar spreken," zeide hij haastig.
"Maar Frederik, de soep!" klonk tantes stem uit de keuken.
"Ja zoo--nu, dan later!" sprak hij. Onder het eten st
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/25495