Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Dokter Helmond en zijn vrouw

by Jacobus Jan Cremer · Dutch · Gutenberg #25138 · 1,207,362 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Dokter Helmond en zijn vrouw
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Dokter Helmond en zijn vrouw

Author: Jacobus Jan Cremer

Commentator: Jan ten Brink


        
Release date: April 22, 2008 [eBook #25138]
                Most recently updated: January 3, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/25138

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/








                  Dokter Helmond en zijn vrouw

                              Door

                          J. J. Cremer

                          Achtste Druk

             A. W. Sijthoff's Uitgeversmij--Leiden.








JACOB JAN CREMER.

1 September 1827-5 Juni 1880.


Toen _Cremer_ nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van onze
groote en kleine steden een treffend tooneel te bespieden.

Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij
_Nederlandsche_ voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de
plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen,
maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open
plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat
overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad _Cremer_
voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon,
ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen,
sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke
berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent
van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.

Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen
boer uit het "_Pauweveerke_" in zijn sjees doet voorthollen over den
weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van _Kruuzemuntje_, als zij
grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid,
als hij eene Overbetuwsche _Romeo_ en _Julia_ doet vrijen in den
kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman _Dorus Giesels_
met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm--dit
alles maakte _Cremer_ tot den grootsten dramatischen kunstenaar van
ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.




I.


_Cremer_, in de schoone Geldersche dreven geboren (te Arnhem
den 1sten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff,
het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in
aanraking met de Geldersche boerenwereld, die hij weldra--hij schreef
zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850--met zooveel
meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon
met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem
de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche
natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich
krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is _Cremer_
de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het
bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.

Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der
"_Betuwsche Novellen_" mij herhaaldelijk geschonken, niet licht
vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke
Betuwsche boeren, _Meeuwsen_ en diens zoon _Gijs_, van hun dorp
naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral
is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met
allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen
van _Meeuwsen_, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse
in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met:
"Slechte woar veur 't geld!"--de openhartigheid van Gijs, als hij in
den omnibus op de vraag van den conducteur: "Waarheen?"--grinnekend
antwoordt:--"Ik? Noar de Karmis, is 't niet, voader?"--zijne
kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn
reiszak afneemt en hij beweert, dat het "veul te vrindelijk" is--de
kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon--als ze, in twee
verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het
houten beschot: "Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is
hier?" en _Gijs_ antwoordt: "Mag dat voader?"--de verlegenheid van
denzelfden _Gijs_, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger
aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord "Ezel!" toesnauwt--al
deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende
comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en
trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan _Cremers_ arbeid
eene schitterende toekomst waarborgen.

De "_Betuwsche novellen_" leggen nog altijd het zwaarst gewicht
in de weegschaal van des schrijvers roem. "_Deine Meu_" "_Oan 't
kleine revierke_", "_'t Pauweveerke_", "_'t Kriekende Kriekske_",
"_Kruuzemuntje_"--vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk
gespeeld bij de voordracht--blijven de immer groenende twijgen aan
_Cremers_ lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering
der redactie van "_de(n) Nederlandsche(n) Spectator_" een geleerde
strijd over het nut en de wenschelijkheid van dialecten in novelle en
roman. _Bakhuizen van den Brink_, die in _Cremers_ "_Oan 't kleine
revierke_" bladerde en las, legde het boekske weg met de ernstige
verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde,
mocht hij auteur worden van bladzijden als deze [1].

Allerliefst is de vertelling van "_Kruuzemuntje_." Dit aardig
boerenkind wordt door _Bol_, den veldwachter--den slimmerik,
die een beetje te veel "klaart en rooje-jenevert" zegt de
Burgemeester--beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam
is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme
Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het
onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk
nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en _Arie_, _Kruuzemuntjes_
vader, heeft leeren kennen.

Naast _Cremers_ dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit
het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. _Cremer_
heeft evenals _Charles Dickens_ door zijne pen maatschappelijke
hervormingen willen invoeren. _Dickens_ tuchtigde in "_Nickleby_" den
ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in "_Nelly_" ("_Old
Curiosity Shop_") en "_Hard Times_" het verschrikkelijke lot van
fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in "_Chuzzlewit_" de slavernij
en de kwade praktijken der Yankees; in "_Dombey_" den geldtrots; in
"_Copperfield_" de juridische knoeierijen van _Doctors Commons_; in
"_Bleak House_" de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de
evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in
"_Little Dorrit_" den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.

Zoo strafte _Cremer_ in zijne "_Betuwsche novellen_" de zeven
hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo
schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van
Weldadigheid in zijn "_Wouter Linge_". _Cremer_ heeft Frederiksoord
bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke
ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van _Anna Linge_ en
_Willem_ is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen
op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet
altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig
Nederlander te Batavia, las _Cremers_ "_Wouter Linge_" en zond, onder
omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit
is welsprekend en behoeft geene toelichting.

In "_Fabriekskinderen_" onderneemt hij een veldtocht tegen een
groot onrecht in Nederland--de exploitatie van het kind door
de ouders in de fabrieksteden; "van ouwers"--als Juffrouw _Baks_
zegt--"die zuipen en luieren en d'r eigen onmondig vleesch voor den
kost laten zorgen." Met dit voortreffelijk kunstwerk had _Cremer_
veel geluk. De wet _Van Houten_ zal ter zijner eer blijven getuigen,
hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van
eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de
achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.

In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven,
streeft hij naar een dergelijk doel. "_Anna Rooze_" is een warm
pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, "_Hanna de Freule_"
behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, "_Tooneelspelers_"
hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den
stand en de personen van tooneelkunstenaars gekoesterd.




II.


Het verdienstelijke, het ongemeene in _Cremer_ is, dat hij de goedheid
van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. _Cremer_
heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor
ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn
warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen
elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze
naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele
menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn
van eentonigheid te bewaren.

Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen
plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.

Onder de beste reken ik het volgende.

In de eerste plaats geef ik den aanhef van "_Wiege-Mie_", een der
oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:

"Hei je 't neis uut 't darp al geheurd?" vroeg de daglooner Peter
Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden
echtgenoot de avondpap op te zetten. "Hei je 't al geheurd, Net,
hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is
noagestapt?"

"Wàt zei je!" riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden
schotel met pap op tafel zette. "Is manke Heintje dood? Wel jong,
jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas
is van de leinte gesturven en Heintje,--da's nou krek zes moanden
loater! Jong, jong, 't is veur Wiege-Mie 'en heel ding, woar mot ze
noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da's
alles, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut.--Nou, stil,
bloagen!" vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende,
die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; "Moeder kan niet alles
tegeliek! Hè'k nou ooit van m'n lêven! ze zal zoo um de vieftig
zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in 't
darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken,
da'k m'n iegen woorden niet heuren kan!"

Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en
vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk,
om de oogen dicht te doen.

Men bad.--Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn
buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en
kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den
rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen
beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens:
"Ik dank u, goede en groote God, amen!"

Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt
de toon van den dichter, als hij in "_Fabriekskinderen_" den rijken,
edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet,
in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde
het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en
legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de
student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene
oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes,
halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer
en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme
duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:

--"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtkens van _Sanders_ lippen, en
het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel
was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de
oogen ook aanstonds weer neer.--"Ik? wel nee!" lacht _Willem_, uit zijn
gemijmer ontwakende, "maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij
zoo'n prins willen blijven?"--"Jawel" zegt _Sander_.--"Waarom?"--"Om
ditte!"--zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten
chocoladekop. "Hadtje dit nooit geproefd?"--Het ventje grinnikt,
alsof hij wil zeggen: "Dat kun je begrijpen."--"'k Dacht eerst, dat
het mosterd was," zegt hij iets later.--"Mosterd?"--"Ja, die haalt
moeder in een potje, en 's middags, als we van 't febriek kommen, dan
krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water."--"Niets
anders?"--"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek,
maar da's gallig voor de kinders, zeit moeder."--"Beesten!" roept
_Willem_.--Neen, _Sander_, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of
een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:--"En
hoe heet je vader?"--"Dat weet ik niet," is het antwoord.--"Maar,
jij, hoe heet jij?"--"_Sander Zwarte_."--"En wat doet je vader?"--"Hè,
hè," grinnikt de jongen: "moeder zeit zuipen."--"Maar wat is hij dan
van zijn ambacht?"--"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij
nooit van gehoord.--"Waar verdient hij zijn centen mee?"--"Dat doen
wellui."--"En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?"--"Ikke,"
zegt het jongske, "ikke ben tien."

In de geheele letterkundige werkzaamheid van _Cremer_ is geen knapper,
geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever,
teederder, roerender.

Zoo bijvoorbeeld, in "_Anna Rooze_", als hij de geschiedenis der
Veluwsche boerendeerne, _Hanneke Schoffels_, verhaalt. _Hanneke_
wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen
haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze,
na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar
stoel neerknielt en bidt:

"O Lieve Heere Jezus! wa'k oe verzuuken mag, loat 't niet uutkommen,
nee! Voader zal mi'en vluuken en Joost.... O, God! ik zal wel
tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van 't loon uutlegge veur
den arme, vier duite wêks, of ook wel 'n stuuver. O Lieve Heere Jezus,
ik was een kiende en...."

En ze was verleid door een Veluwschen schelm.

Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht
luid schreiend "noar moeders huus toe." Daar valt een aandoenlijk
tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder
denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige
liefde voor haar kind niet.

Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met
krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur
van 't domineeshuis naar moeder joeg.--"Zie je dan niet Berend"--zegt
de moeder--"dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is--kom hier
Hanneke; hier op de vuurploate. 'k Zeg, loat ze erst bekommen, eer
ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as' steen.... Hier, goat er
zitten; hier op mien stoel."--Berend stelt zich in den weg. Hevig:
"Ik vroag wàt, wàt, wàt er is?"--"Man, wês toch wiezer, altied den
driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een...."

Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige
woord:--"_Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een._"--Het is
mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde,
en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen
bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit
kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen
dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen
naam van _Cremer_ in de toekomst zullen handhaven.

Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit
_Cremers_ novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans
opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen
voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in "_Anna
Rooze_"--de heldin met haar vader, den zeeofficier, bij het graf der
jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het
Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert--alles voortreffelijk
werk, evenals de teekening van de fabriek in "_Hanna de freule_",
als _Hein Pronk_, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en
het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.




III.


Stelt men de vraag, waardoor de arbeid van _Cremer_ zich onderscheidt,
wat zijn naam zal doen leven voor het nageslacht, dan behoort
men te wijzen op zijne onmiskenbare verdienste als Nederlandsche
_dorpsnovellist_.

_Cremer_ was niet de eerste, die de hand legde op de in onze eeuw
zoo hartelijk geliefde stof--de dorpsvertelling. In 1844 had onze
_Van Koetsveld_ met zijne "_Schetsen uit de Pastory te Mastland_"
het eerst de aandacht voor het Zuid-Hollandsche dorpsleven
gewonnen. En zelfs _Van Koetsveld_ was niet de allereerste, zijn
boek verscheen eenige jaren na de "_Camera Obscura_", waarin reeds
"_'s Winters buiten_", "_Gerrit Witse_" met het dorp Van _Claartje
Donze_, en de "_Nederlandsche Karakterschetsen_" met "_Teun,
de(n) jager_" voorkomen. En reeds vroeger, 1821 en 1822, las men
in de "_Vaderlandsche Letteroefeningen_": "_Leven en wandelingen
van Meester Maarten Vroeg_", in 1826 te Haarlem in twee deelen
uitgegeven. De Nederlandsche nieuwere dorpsvertelling begint dus
met _Jacob Vosmaer_ en _Van Koetsveld_. Want er is ook eene oudere,
die in de 17de eeuw onder den titel van "_Arcadia's_" zeer veel
werd gelezen. De moderne dorpsnovelle, zooals _Cremer_ die schreef,
stamt eensdeels van _J. H. Voss_ ("_Luize_", 1784) en van _Goethe_
("_Hermann und Dorothea_", 1796), anderdeels van Sir _Walter
Scott_, die tafereelen teekende uit het leven der Hooglanden en der
Orkney-eilanden. Omstreeks 1830 begint men in verschillende landen de
aandacht op kleine landstreken en dorpen te vestigen. De schildering
van het onbekende, kleine, maar frissche dorpsleven gaf afwisseling,
na de reusachtige doeken der historische romanschrijvers, na de bonte
tafereelen uit het high-life der groote hoofdsteden van Europa.

Naast _Walter Scott_ komt aan Duitschland de eer toe de moderne
dorpsvertelling het eerst te hebben voortgebracht. De bekende
Zwitsersche paedagoog _Pestalozzi_ begon met eene schildering van
het boerenleven in zijn "_Lienhard und Gertrud_" (1781), een boek,
bestemd het volk te leeren en te verheffen, evenals _Zschokkes_
"_Oswald, oder das Goldmacherdorf_" (1817), dat evenwel lager staat
omdat het droger, gekunstelder is van toon. Eerst in 1836 gaf Albert
Bitzius zijn "_Bauernspiegel oder Lebensgeschichte des Jeremias
Gotthelf_" die alom grooten opgang maakte en den schrijver zelfs als
"den Shakspere van het dorpsleven" deed prijzen. Eenige jaren later
kwam _Gotthelf_ met zijn "_Uli der Knecht_"--_Bitzius_ had zich den
naam van zijn eersten held tot pseudoniem gekozen--welk boek aan een
Nederlandschen dorpspredikant _Van Schaik_, de gelegenheid gaf (1852),
om er eene quasi-oorspronkelijke Drentsche geschiedenis "_Geert_"
uit saam te stellen.

Na _Gotthelf_ oogste _Berthold Auerbach_ de schoonste lauweren met
zijne dorpsschetsen uit het Zwabische leven, _Immermann_ met zijne
Westfaalsche tafereelen, eindelijk gunden beiden den schepter aan
_Fritz Reuter_, den schepper der Voor-Pommersche en Mecklenburgsche
dorpsgeschiedenissen. Deze specialiseering der stof kwam steeds meer in
zwang, zoodat _Klaas Groth_ de dichter van het Ditmarsche volksleven,
_Moritz Jókai_ de gevierde novellist van de Magyaarsche boeren,
_Sacher-Masoch_ de geschiedschrijver der Karpatische bergbevolking
werd. Russische boeren werden door _Tourguénief_ en _Tolstoi_
behandeld, voor Elzas-Lotharingen traden _Erckmann-Chatrian_, voor
de Vlaamsche dorpen _Hendrik Conscience_, _Sleeckx_ en de gezusters
_Loveling_ op.

Niet het minst vloeide uit het jonge Amerika stof voor deze afdeeling
der romantische litteratuur. Daar was het frissche natuurleven, de
nog onbeschreven schoonheid van tropische planten en bosschenweelde
te waardeeren, daar vormde zich eene rij van novellendichters, die
weldra blijvenden roem in de oude wereld zouden winnen. 't Eerst
kwam _Friedrich Gerstäcker_, om weldra overtroffen te worden door
zijn geheimzinnigen landsman, _Charles Sealsfield_, die eigenlijk
_Karl Postl_ heette, en sedert 1834 met zijne "_Trans-Atlantische
Reise-Skizzen_" een grooten naam maakte. _Gerstäcker_ gaf den indruk
van oppervlakkige stofferij, _Sealsfield_ schilderde de wording van
een nieuwen staat, Texas, met onmiskenbare juistheid van waarneming en
verblindend coloriet. Beiden stonden in nauwe betrekking tot _Fennimore
Cooper_, die het eerst al de aantrekkelijke poëtische frischheid van
de nieuwe wereld in zijne beroemde romans had geopenbaard. Ook Fransche
dichters betraden het Amerikaansch terrein. _Gabriel Ferry_ schilderde
met opmerkelijk talent de Mexikaansche wildernissen, een gebied ook
betreden door den Ierschen Kapitein _Mayne Reid_, die zich berucht
maakte door de vermetelheid zijner "onjuistheden." _Gustave Aimard_
werd de lieveling der nieuwsgierige jongelingschap, _Xavier Marmier_
schonk eenige Egyptische en Noordsche natuurtafereelen, terwijl
_Jules Verne_ een ongehoorden bijval verwierf door de geheele stof der
natuurwetenschap op meesterlijke wijze in romantischen vorm te gieten.

De Amerikanen gingen op den ingeslagen weg voort. Wat _Sealsfield_ voor
Texas gedaan had, deed _Bret Harte_ voor Californië en _Mark Twain_
voor Nevada. Beide jongere schrijvers trokken terstond de algemeene
aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel
onbekende zeden ten tooneele brachten. Juist dit verlangen onzer eeuw
naar het nieuwe, naar zedenschilderingen, en teekeningen van verborgen
of weinig bezochte plekjes uit de oude of nieuwe wereld, heeft den
naam van de meeste der genoemde kunstenaars beroemd gemaakt. De
Nederlandsche dominee _Van Schaik_--reeds genoemd als kopiïst van
_Gotthelf_--poogde later een West-Indischen roman te schrijven.

Het onbetwistbaar meesterschap van _Multatuli_ in zijn éénigen
kolonialen roman, de onderhoudende Oost-Indische verhalen van _Ritter_,
_Van Hoëvell_, _Van Rees_, _Groneman_, _Perelaer_, mevrouw _Frank_
en _Annie Foore_ stelden _Van Schaik_ in de schaduw. Maar meer
nog werd hij overtroffen, toen _Cremer_ zijne _Over-Betuwsche_ en
_Veluwsche_ schetsen begon te schrijven. _Cremer_ maakte een school
van schrijvers, die hem allen met meer of minder talent navolgden:
_Van Duinen_ (_Thineus_), met Groningsche, _Lesturgeon_ met Drentsche,
_Beunke_ met Zeeuwsche, _Heeren_ met Overijselsche, _Hollidee_ met
Noord-Brabantsche en _Seipgens_ met Limburgsche zedenschilderingen.

_Cremer_ werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe, wat _Fritz
Reuter_ voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren
geworden is. _Cremer_ neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats
in dier talentvolle kunstenaars, welke elders eene bijzondere zijde
van het volksleven _het eerst_ hebben beschreven. _Moritz Jókai_ deed
voor het Magyaarsche landleven, _Auerbach_ voor de Schwartzwälder
boeren, _Gotthelf_ voor de Zwitsersche, wat _Cremer_ voor onze
goedhartige naïeve Betuwers deed. En daarom bekleedt _Cremer_ een
geheel eigenaardigen rang als Geldersch dorpsverteller, hooger dan als
romanschrijver, dan als dramatisch auteur. Mocht men willen aanmerken,
dat _Cremer_ zich bijzonder op het vak van miniatuurschildering heeft
toegelegd in afwijking van de breede epische manier door _Reuter_ en
_Auerbach_ gevolgd, dan stem ik dit gaarne toe, onder voorwaarde, dat
men tevens erkenne, hoe beider wijze van opvatting en schildering hare
eigenaardige, talentvolle aantrekkelijkheid bezit, hoe _Cremer_ daarom
aanspraak heeft op de dankbaarheid van het geheele Nederlandsche volk.


Dr. JAN TEN BRINK.




AANTEEKENINGEN


[1] Het eerst medegedeeld door A.L.H. _Ising_, in "_de(n)
Nederlandsche(n) Spectator_" van 1880, n°. 24.

[2] _Berm-rand_, het gras langs den straatweg.








DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.




EERSTE HOOFDSTUK.


Aan het eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje
in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.

En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult,
staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht
aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.

Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan,--maar immers
een meidoorn heeft geen ooren.

"Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan
elkaar verbonden!"

"Mijn August, ik kan het haast niet gelooven. Soms moet ik mij geweld
doen om te begrijpen dat ik werkelijk al morgen mevrouw Helmond zal
heeten, en dat jij dan in allen ernst, en niet meer alleen uit een
aardigheid, mij je _wijfje_ zult noemen.--Mijn beste August!"

Een roodborstje in den meidoorn tjilpt met zoet geluid, en als hij
van het eene takje op het andere springt, dan vallen de kleine roode
bloempjes, die al loszitten, op de hoofden en schouders van een
gelukkig bruidspaar.

"Wij zullen gelukkig zijn mijn Eva."

"Ja August, altijd!"

"Omdat we elkander oprecht liefhebben, en niets dan de innigste liefde
ons tot elkander bracht."

"O August, hoe verachtelijk zijn ze, die een huwelijk sluiten met
het oog op fortuin of stand."

"Verachtelijk?--Niet altijd. 't Is dikwijls _noodig_ dat het verstand
de liefde beheerscht. De man, wiens middelen niet voldoende zijn om
een gezin te onderhouden, doet wèl zich een vrouw te kiezen, die mede
eenig vermogen bezit."

Eva, terwijl zij haar hoofd aan zijn schouder vlijt:

"Mijn lieve dokter heeft zich zulk een vrouw niet gekozen."

"Bezit zijn wijfje dan niet alles wat hem gelukkig kan maken?"

"En hier heeft de man genoeg om in het noodige te voorzien."

"Het vrouwtje zal met hem deelen 'tgeen hij bezit, en méér zal ze
niet verlangen."

"Nee zeker niet."--Hem schalks in de oogen ziende: "Maar we zullen
het toch zoo kwaad niet hebben, is 't wel mijn beste?"

"Zeker niet: een kalm en eenvoudig, maar ook een extra genoeglijk
leventje. We zullen huiselijk en tevreden zijn."

"Toch beginnen we met Parijs! O August, wanneer ik zoo denk dat we
overmorgen om dezen tijd al samen in die heerlijke stad zullen zitten,
als mijnheer en mevrouw Helmond Van Romphuizen--ja, waarom niet Van
Romphuizen--daar komen we immers vandaan?--o, als ik dááraan denk
dan krijg ik zoo iets alsof ik zal vliegen. Parijs, 't was altijd
mijn illusie: 't is m'n idole!--Och, je bent toch een beste man. Ja
zeker, om zoo van je Hartz af te stappen en me Parijs te gunnen. 't
Is overheerlijk!"

"Goed kind, wat zou ik niet voor je overhebben! Van 't reizen zal
toch later zoo gauw niet meer komen, en zou ik dan nu mijn zin hebben
gevolgd!"

"We zullen er eens braaf pret maken niewaar? Want juist, als we hier in
de deftigheid terugkomen, dan moeten we er heel lang op teren.--Maar
zeker, als jij nu veel liever naar dien Hartz waart gegaan dan had
ik het óók goedgevonden, heusch...."

"Wij zullen altijd hetzelfde willen, niewaar mijn wijfje?"

"Ja zeker August."

"En bij verschil van meening....?"

"Och, die zal er niet zijn.--Nee zeker niet!"

"Hij was er toch al een paar maal in ons engagement; ja zelfs in de
heerlijke bruidsdagen."

"Verschil van meening, nu ja, in kleinigheden; toch nooit als het iets
belangrijks gold."--Met een blosje: "We waren het immers wel eens dat
we onzen gelukkigsten dag niet nog een halfjaar zouden uitstellen,
volgens den raad van den generaal. En dan, over het koopen van het
groote huis op de markt, daar heb ik toch in 't geheel niet meer over
gesproken, is 't wel lieve? Maar à propos, ben je 't niet met me eens
dat we in de kerk het Deventers tapijt en niet het rooje karpet moeten
hebben? Pa heeft het karpet besteld, maar...."

"Laat het dan zoo blijven, beste kind; wat doet het er toe."

"Nee lieveling, het doet er zeker niet toe, maar me dunkt, je zult
toch ook bekennen dat het oude rooje karpet, waar letterlijk Jan
en alleman op trouwt, geen kleed is voor dokter Helmond; een eigen
neef van den generaal! Mij zelve laat ik er buiten, maar het karpet
waar bijvoorbeeld pas acht dagen geleden Elsje Van Buren de naaister
met haar Piet den turfboer op stond, je moet me niet kwalijk nemen,
dat is toch wat al te min.--Zeg, zul jij in 't voorbijgaan dus even
aan koster Bik zeggen dat ie het Deventer tapijt moet nemen? 't Kost
drie gulden meer, maar 't is toch wat erg kleingeestig om bij zulk
een eenige gelegenheid op een driegulden te zien."

"Och ja, wat dàt betreft; 't is mij om 't even.--Je pa zal het toch
niet kwalijk nemen?"

"Wel nee August, als wij het betalen; guns nee.--Och, je bent toch
de liefste man die er leeft; alles heb je voor me over, alles zou je
voor me inschikken."

"'t Is immers de afspraak mijn dierbaar vrouwtje--vrouwtje op morgen
hé?--dat we alles voor elkaar zullen overhebben en inschikken; en,
als er verschil van meening mocht komen, dat dàn het gezond verstand
steeds in kalmte zal uitspraak doen?"

"Och, dat spreekt immers vanzelf mijn August.--Maar waarlijk je bent
me haast te ernstig vandaag."

"Een weinig ernst kan geen kwaad in oogenblikken dat we elkander voor
't laatst zien en omhelzen als bruid en bruigom."

"Ja, 't is wel inschikkelijk van me dat ik mijn lieven man den laatsten
middag en avond van onzen bruidstijd zoo geheel wil afstaan. De
generaal is goed en best, en je houdt misschien niet zonder reden
veel van hem, maar zijn uitnoodiging is toch heel vreemd.--Zoo'n
laatste middag en avond!"

"Best wijfje, beknor mijn ouden pleegvader niet. Hij kan natuurlijk
niet meer gevoelen zooals minnende harten het doen; maar zijn
stelregel: 't bruin geeft het licht aan de schilderij, past hij
waarschijnlijk ook toe op het heerlijke feest dat we morgen zullen
vieren. De kleine scheiding dezen dag, en ons weerzien op het uur
dat ons voor altijd verbinden zal"--hij klemt haar vaster aan zijn
borst--"die scheiding zal ons dat welkome uur misschien nog in
verrukter stemming doen genieten, en den indruk er van nog sterker
maken.--Lieve Eva!"

"Mijn August!"

"Goed kind, dus vaarwel voor 't laatst, voor 't laatst als het voorwerp
mijner wenschen.... voor 't laatst als Eva Armelo."--Terwijl hij haar
met gevoel in de schoone oogen ziet: "Eva, hier onder den meidoorn
heb ik je 't eerst gezien. Weet je 't nog? je zat aan den anderen
kant op de groene tuinbank. Je waart bleek en lijdend. En nu...."

"Mijn lieve _dokter_!"

"Genezen ja, Goddank, geheel en al. Maar Eva, op dit plekje, dat mij
altijd heilig zal blijven, laten we hier voor 't oog eener scheppende
Majesteit, bij de pracht Zijner werken, in schooner tempel dan waarin
we het morgen zullen doen, onzen eed van trouw en liefde herhalen. Eva,
wij zullen elkander altijd liefhebben, niewaar? wij zullen één zijn
totdat de dood...."

"O, spreek van die sombere toekomst niet. Hoe! moet ik dan nóg eens
herhalen wat ik al honderden malen uit de volheid van mijn hart heb
gezegd: Ja mijn August, met en voor je te leven dat zal mijn eenig
geluk zijn. God weet het hoe ik je liefhad schier van dat eerste
oogenblik afaan."--Eva's schoone oogen blijven met zulk een innige
teederheid op den vriend gericht, dat de reinste verrukking zijn borst
doorstroomt. Een teedere omhelzing volgt er op hare woorden. Toen
was het oogenblik van scheiden daar.

August heeft, alvorens hij het verdere gedeelte van den laatsten
bruidsdag bij zijn pleegvader gaat doorbrengen, nog eenige patiënten
te bezoeken, en later nog velerlei te doen en te regelen, 't geen
niet vreemd is voor een dokter die, ofschoon nog jong, reeds een
goede praktijk heeft en ze voor een groote veertien dagen aan een
collega moet overlaten.

"Eva, mijn wijfje, _tot morgen_!"

"Tot morgen August, mijn beste man! Wacht,"--en terwijl zij met haar
fijne vingers een bloeiend takje van den meidoorn knakt en afbreekt,
steekt ze het den bruidegom in het knoopsgat: "Hier August, neem nog
een bloem van den meidoorn mee. Hij heeft ons zoo dikwijls te zamen
gezien, ja, misschien wel beluisterd."

"Als dat laatste waar was liefste, dan zou hij daareven wel heel veel
goeds hebben gehoord.--Nu, zie eens hoe je mij hebt opgeschikt. Als
we ooit een herinneringsfeest van onzen bruidstijd of trouwdag vieren,
dan moet een roode meidoorn de hoofdbloem zijn in het feestbouquet. Tot
morgen mijn lieve _vrouwtje_, _tot morgen_!"

"Tot morgen elf uur August; vaarwel!"

Een laatste zoen wordt er gegeven. August opent de deur van het
tuinpoortje, maar voelt zich teruggehouden:

"August, 't is waar ook: Pa heeft gezegd dat het orgel morgen bij
't inkomen in de kerk niet noodig was; maar vinje dat niet ijselijk
schriel? Ik wed, als Donerie het wist dat ie 't graag voor niemendal
zou doen--zoo'n goeje jongen! Als ik hem in de laatste dagen gezien
had, dan zou ik 't hem zeker gezegd hebben. Toe, zorg jij nu dat we
't orgel erbij krijgen. 't Is zonder orgel niemendal plechtig en zoo
ijselijk commun. Zulje, beste August?"

"Dus het karpet en 't orgel?"

"Nee lieve; guns nee, niet het karpet maar 't Deventer tapijt,
en dan aan Donerie vragen of ie ons--voor de staatsie--beorgelen
wil. Bonjour!"

Terwijl dokter Helmond langs de achterzij van den tuinmuur door
een der stilste straatjes van Romphuizen zijn weg kiest naar een
drukker gedeelte der stad, ziet hij nog eenige malen naar Eva om en
beantwoordt haar zakdoekwuiven met handgroet en knikken.--Nu verdwijnt
hij om den hoek--en Eva trekt de tuindeur achter zich toe.



"Baas Krul, is menheer Donerie thuis?"

De timmermansbaas laat de schaaf een oogenblik rusten en ziet den
dokter bedenkelijk aan:

"Dat zou 'k je voor de vaste waarheid niet durven verassereeren
dokter. Als ik 'em hoor op z'n porteviano, dan weet ik wel dat ie
thuis-is, maar anders....."

Tot een jongen die aan 't zagen was en nu den dokter staat aan
te gapen:

"Gijs, is mijnheer Donerie boven?"

"Jawel baas; maar de juffrouw zei dat ie niet frisch was."

"Nee, dat geloof ik ook niet; als ie frisch was dan zou je hem wel
hooren. 't Is mooi als ie d'r op slaat, dokter, en 't verameseert
een mensch nog eens die ook al zijn zorg heeft in de wereld."

"'k Zal maar eens oploopen baas Krul."

"Als menheer zoo vrijpostig wil wezen."

Uit de werkplaats komt men met een zijdeur in de smalle gang van het
huis. In 't midden ervan bevindt zich een trap. Helmond beklimt die, en
op een donker portaaltje gekomen, klopt hij op de deur der voorkamer,
die boven de werkplaats van Krul is. Uit de tegenovergestelde
richting van die, waaruit Helmond een antwoord verwacht, klinkt het:
_binnen_! ofschoon dof en uit de verte. De deur der achterkamer wordt
nu door den bezoeker geopend, en Helmond treedt het slaapvertrek van
Donerie binnen.

"Bent u ziek menheer Donerie?" zegt Helmond met belangstelling:
"Ik had er niets van gehoord."

"Sedert een paar dagen was ik een weinig van streek dokter;" antwoordt
de aangesprokene die zich in zijn ledikant heeft opgericht en met
de eene hand de gordijn terzijde houdt, terwijl hij met de andere
zich langs het bleeke gelaat en vervolgens langs de glanzig zwarte
krulharen strijkt.

"Hebt u dokter Biermans al gehad menheer Donerie?"

"Nee dokter, pardon; 't heeft niet zooveel te beteekenen. Als u me
spreken wilt, wees dan zoo goed en ga naar de voorkamer; in een paar
minuten zal ik bij u zijn."

"Toch niet, blijf rustig; ik had u maar heel even iets te vragen. 't
Zal u door uw ongesteldheid wel niet mogelijk zijn aan mijn verzoek te
voldoen; maar toch wil ik u de reden zeggen van mijn komst.--Nee nee,
blijf rustig.--Zie, ik zit hier al.--U weet waarschijnlijk menheer
Donerie, dat ik morgen, als alles wèl gaat, in Hymens bootje zal
stappen."

Mijnheer Donerie wist het.

"Naar ik vernam, wordt de plechtigheid van een kerkelijke inzegening
naar verkiezing àl of niet door orgelspel opgeluisterd. Mijn aanstaande
schoonvader scheen de zaak maar eenvoudig te willen behandelen, doch
de meer belanghebbenden waren van een ander oordeel, en dewijl mijn
bruidje, evenals ik, het uitmuntend orgelspel van menheer Donerie
zoo hoog waardeert, zoo had ik op mij genomen om u te verzoeken ons
morgen met uw schoon talent te willen van dienst zijn."

Helmond heeft eerlijk zijn meening gezegd. Toch vreest hij dat zijn
lof den schijn van vleierij heeft gehad: althans hij zag dat een
vluchtig rood het gelaat van den jonkman kleurde, en herneemt:

"De kunstenaar ondervindt doorgaans zooveel teleurstelling menheer
Donerie, dat zijn ware vereerders inderdaad niet te angstig met hun
lof behoeven te zijn."

Een pijnlijke glimlach speelde er om de lippen van den musicus.

--Teleurstelling! ja!....

Helmond vervolgt:

"Meen echter niet dat ik u iets vriendelijks heb gezegd om u,
inweerwil van uw ongesteldheid, tot het voldoen aan ons verzoek
te bewegen. Nee menheer Donerie, ofschoon ik uw dokter niet ben,
zoo moet ik u toch, in dit bijzonder geval, ten zeerste aanraden om
voor uw gezondheid te zorgen en niet uit te gaan voordat u collega
Biermans hebt geraadpleegd--tenzij ge u al eerder beter gevoelt."

"Mijnheer Helmond, ik zou gaarne...."

"Ik ben er van overtuigd mijn beste menheer. Aan 't verzoek van een
oud-élève zou je zeker gaarne voldaan hebben; maar de gezondheid is
nommer één. Je bent zenuwachtig; dus kalm--kalm--Wij zullen ons 't
genot der orgelbegeleiding nu maar ontzeggen, in de hoop dezen zomer
gedurig een uwer schoone Woensdag-concerten te kunnen genieten. Van
harte beterschap menheer Donerie, adieu!"

"Zou mijnheer Helmond meester Daal niet willen vragen om morgen in
mijn plaats te spelen?"

"Nee, dankje hartelijk menheer Donerie, daar zullen we nu niet aan
denken: mijn bruidje stelde er wel hoogen prijs op dat u het orgel
bespelen zoudt, maar de zwevingen van den braven meester Daal zouden
ons zeker wat al te veel aandoen!"

"Hoe gaarne ook, dokter.... u gevoelt zelf.... dat ik...."

"Geen woord meer mijnheer Donerie; van uw welwillendheid zijn we
geheel overtuigd. Nogmaals beterschap. Tot weerziens!"

Helmond heeft den jonkman bij 't opstaan even de hand gedrukt,
en--denkend aan hetgeen hij verder te doen heeft, verlaat hij de kamer.

Nadat de onverwachte bezoeker vertrokken is, blijft de jonge
muziekmeester nog een geruimen tijd in de richting van de deur
staren. Droeve gedachten doorwoelen zijn kloppend hoofd. Een paar
dikke tranen wellen er op in zijn schoone--nu eenigszins fletsstaande
oogen. Hij drukt er de handen voor; maar dan, na een kleine wijle,
springt hij van zijn leger op; kleed zich vluchtig; dompelt zijn hoofd
eenige malen in het frissche water, en gaat eindelijk met haastigen
tred het portaaltje over naar de voorkamer.--In weinige oogenblikken
heeft Herman Donerie nu een secretaire en een binnenkastje ervan
geopend. Alsof hij vreesde dat men hem bespieden zou, zoo ziet hij
om zich heen: en ofschoon wel wetend dat zulks bijna onmogelijk is,
en dat men niet onaangemeld zal binnentreden, toch wordt de kamerdeur
van binnen door hem op slot gedraaid, toch werpt hij een blik door
het venster op de woning aan de overzij der straat en laat hij de
valgordijn naar beneden.--En nu--nu is hij dan _zeker_ dat niemand
hem bespieden of overvallen zal.

Voor de secretaire gezeten, met de rechterhand zijn gloeiend hoofd
ondersteunend, houdt hij in de linker- het photographie-portretje van
een veertien- a vijftienjarig meisje, en beschouwd het met strakken
en diepweemoedigen blik.

--Lief vroolijk gezichtje! peinst Herman: Je zult het niet vermoeden
dat je me ook nú nog met die heerlijke kijkers zoo schalks in de
oogen ziet. O Eva, Eva! waar zijn ze, die zonnige dagen, die uren
vol zaligheid!--Je zat toen naast me--jij op het ronde stoeltje
midden voor de piano; ik aan je rechterzij met het gouden potlood
in de hand. Welk meisje van je leeftijd was er die het al spoedig
zoover als jij had gebracht, en onder _mijne_ leiding!--Een dweper of
droomer was ik nooit, maar als dan Mendelssohn's "Lieder ohne Worte"
door je lieve blanke vingers aan het instrument werden ontlokt,
dan is het toch gebeurd lief kind, dat mij iets in de ziel drong als
een heimwee, als een zucht naar een onuitsprekelijk zalige toekomst;
en--blijde was ik dan, Eva, dat je mij niet kondt aanzien, omdat ik
mij schaamde. Ja, want het gebeurde dan ook wel dat die beroering mijn
oogen had vochtig gemaakt. Maar een dweper of een droomer was ik toch
niet!--Die prachtige zwarte lokken, wiegend om den kleinen blanken hals
en afdalend op den witten boezelaar! Ha! als ik mij soms vooroverboog
om op het muziekblad iets aan te wijzen of duidelijk te maken, dan,
lief meisje, dan doortintelde somwijlen een ongekende verrukking
mijn borst, want, onwillekeurig had dan mijn wang de trilling van die
zwarte lokken gevoeld. Eens, ja ééns heb ik met voordacht en zonder
noodzaak op een point d'orgue gewezen, alleen om nogmaals.... O,
toen ben ik van mij zelven geschrikt, en toch dat oogenblik vergeet
ik niet.--Maar stil, waarom pijnig ik mij opnieuw? Bonst mijn hoofd
niet reeds genoeg?--Ben ik niet waarlijk ziek en daardoor week en
gevoelig? Of zou die ongesteldheid haar oorzaak vinden in de zekerheid
dat dat engelachtige wezen....?

Weer zit Herman Donerie met de beide handen voor de oogen gedrukt. Hoe
meer het tijdstip nadert, waarin de vervulling van zijn zielewensch een
onmogelijkheid voor hem zal worden, hoe meer het oogenblik nabij komt,
waarin Eva Armelo haar leven aan dat van een ander zal verbinden--hoe
zwarter ook zijn eigen toekomst hem voor den geest treedt, hoe zwakker
de anders zoo kloeke zes en twintigjarige jonkman zich gevoelt, en
in oogenblikken als deze zich verwijt dat zijn wijsheid een dwaasheid
geweest is.

Ja, Eva Armelo was omtrent vijftien jaar oud, toen zij haar
ouderlijke woning en Romphuizen ging verlaten om haar intrek
bij een tante in den Haag te nemen, teneinde er op de Koninklijke
Muziekschool haar heerlijke stem en muzikaal talent verder te oefenen
en ontwikkelen. Twee of drie, misschien wel vier jaren zou Eva in
den Haag blijven, zoo het althans niet wenschelijk werd geacht om
haar later nog eenigen tijd naar een Conservatoire te zenden.

Toen Eva haar geboorteplaats verliet, toen heeft ze van allen die
ze liefhad heel hartelijk afscheid genomen. Ook haar Do-majeur--zoo
noemde ze haar talentvollen muziekmeester Donerie wel eens--ze
heeft hem met dank voor zijn geduldig en uitstekend onderricht een
handdruk gegeven, en bovendien een der photographie-portretjes die in
Romphuizen de herinnering aan de vroolijke Eva tot haar terugkomst
moesten bewaren. Maar ook zonder dat heerlijke aandenken--waarop ze
aan de achterzij haar naam had geschreven, zou Herman zijn liefste
élève niet vergeten hebben. Voor _dringende zaken_ is hij gedurende
haar afwezigheid eenige malen naar Neerlands  residentie gereisd,
en heeft dan telkens bij Eva's tante een bezoek gebracht teneinde
"het nichtje eens 't een en ander van haar familie en vrienden te
vertellen, en zich met de groeten voor allen te kunnen belasten."

Dien laatsten keer, o wat hevigen strijd heeft hij toen moeten strijden
om getrouw te blijven aan het vast genomen besluit en zijn Eva van geen
liefde te spreken aleer zij in Romphuizen zou zijn teruggekeerd. Eerst
dan, wanneer zij door het geven van zanglessen in haar geboorteplaats
zou toonen dat ze zich gelukkig in zijn stand zou kunnen gevoelen,
eerst dan mocht Donerie het wagen zijn Eva te smeeken om het weinige,
't welk hij haar met een hart vol reine liefde kon aanbieden, voor
dit leven met hem te deelen.

Ja, 't heeft hem vooral dien laatsten keer een zwaren strijd gekost.

In den vollen bloei van haar jonkvrouwelijke schoonheid heeft
hij haar weergezien. Ze was gekleed voor een avondpartij. Een paar
freules Lasure, die haar op de avonden van Toonkunst leerden kennen,
en haar--vooral om haar lieve stem zeer en amitié namen, hadden haar
nu op een muziekpartij genoodigd, met beleefd verzoek: wat muziek te
willen meebrengen.

Eva was als altijd zeer vriendelijk tegen haar voormaligen
muziekmeester, maar sprak nu toch het meest over de partij, waarvoor
men haar met het rijtuig van den baron zou komen afhalen, en over
jonker Eduard die een prachtige barytonstem had, en--zij moest het
eerlijk zeggen--allerinnemendst en niemendal trotsch was.

Nadat men weinige oogenblikken later een rijtuig voor tante's
woning had hooren stilhouden en de huisschel vernomen, trad de
bedoelde jonker de kamer binnen. Zonder de oude tante of Donerie
zijn bijzondere aandacht waardig te keuren, noodigde hij juffrouw
"Van Armelo" beleefdelijk uit om de goedheid te willen hebben hem
te volgen: Hij had zich op verzoek zijner zusters zeer gaarne de eer
gegeven om juffrouw "Van Armelo" in persoon te komen afhalen.

En Eva, neen, haar ouden stadgenoot had ze niet verloochend, maar ze
heeft hem aan den jonker voorgesteld: als een jong vriend van haar
papa, als een groot muziekliefhebber met wien ze vroeger wel eens
duo's heeft gezongen en quatre-mains gespeeld.

Toen Eva met den jonker is weggereden, neen, toen heeft Donerie bij de
oude tante geen rust meer gehad. Een angstig vermoeden is er opgerezen
in zijne ziel. Indien men Eva misleidde.... die jonker, dat rijtuig!

Gode zij dank! hij had zich bedrogen. Aan de woning van den baron
Lasure gekomen, heeft hij juffrouw Armelo nog even te spreken
gevraagd.--Goddank, zij was er! Met vragenden blik is ze hem in het
spreekkamertje genaderd. O, 't was wel zeer vriendelijk van mijnheer
Donerie, dat hij daarvoor nog eens aankwam; maar waarlijk, zij had
niets bijzonders aan familie of bekenden te zeggen. Hoe gaarne zou
zij gezien hebben dat mijnheer Donerie hier ook van de partij had
kunnen zijn; maar.... altemaal haute volée.--Men was enorm lief voor
haar. De gastheer heeft haar bij 't binnenkomen een mooi bouquet
gegeven, en jonker Eduard was de voorkomendheid zelf; zijne stem--o
magnifique! Straks zouden ze nog een duo samen zingen.--Mijnheer
Donerie moest niet kwalijk nemen, maar men zou haar wachten.... Adieu,
adieu!--Zóó wilde ze heengaan. En toen.... Maar neen--neen! nu minder
dan ooit mocht hij spreken. En Eva, de heerlijke Eva is naar het
gezelschap teruggesneld, en hij, die haar zoo teeder beminde, hij
is den volgenden morgen in zeer droeve stemming opnieuw naar zijn
werkkring en Eva's geboorteplaats vertrokken.

Twee maanden later--'t was in de eerste stormdagen van Maart, toen
is Eva Armelo ziek en zwak in haar ouderlijke woning teruggekeerd.

Drie weken te voren was het engagement van jonker Eduard Lasure met
eene freule Leeuwenhuis publiek geworden. Eva was zeer ziek; men
vreesde dat het op een tering zou uitloopen. De middelen van dokter
Biermans hebben haar niets gebaat. Sommige vrienden drongen erop
aan, dat men den _jongen_ dokter zou consulteeren; dokter Helmond
was volgens velen zoo bijzonder knap; men zei van hem dat hij voor
professor in de wieg was gelegd.--Dokter Biermans vond het zeer goed
dat men den jongen collega wilde raadplegen, indien men hem dan maar
niet kwalijk nam dat hij geen voet meer over den drempel zoude zetten.

't Was zeer natuurlijk dat dokter Biermans er zoo over dacht; en Eva,
die medelijden met den ouden man kreeg, zei, dat ze genoeg vertrouwen
in de kennis van dokter Biermans stelde, en dat mijnheer Helmond niet
behoefde te komen. 't Was haar inderdaad onverschillig of zij beter
werd of niet. Alles en iedereen was haar onverschillig geworden.... na
dien slag, na dat ontwaken uit den zoetsten droom.

Toch waren de menschen heel lief voor haar. Die Donerie, wat was hij
goedaardig: wat deed hij alle moeite om haar genoegen te doen. Soms
vond zij hem lastig van vriendelijkheid. Wat ter wereld had ze aan die
oude jaargangen van de Illustrirte Zeitung, of die "dood-oude schetsen"
van A. V. H.--Alle pracht werken van Doré en zoo vele anderen had ze
ruimschoots genoten in den Haag bij de familie.... Die naam wilde haar
echter niet van de lippen, en van den Haag sprak ze zelden of nooit.

Toen de ruwe Maart zijne grillige jongere zuster met een frisschen
voorraad lentegroen zag naderen, toen meende men dat Eva wat beter
werd. Haar lustelooze onverschilligheid was niet zoo sterk meer als
in den beginne. Op zekeren avond dat Donerie weer een bezoek aan
"haar ouders" bracht, sprak zij zelfs met eenige belangstelling over
den naderenden zomer, over den muzikalen toestand van Romphuizen, over
Donerie's lessen, over zijn eigen studie, en nam het aanbod gretig aan
om hem een stuk van eigen compositie te hooren spelen, een cavatine,
die hij op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had.

In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige
dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond inweerwil van
Biermans' bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging
hem boven de vriendschap van den ouden _plattelandsheelmeester_.

En Helmond is gekomen.

En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.

En morgen!....

--En _morgen_!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen
tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het
hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn
hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest
zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den
tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde
dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden
kon. O, had ik haar reeds vroeg, _zeer vroeg_ een blik gegund in mijn
hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou
hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn
zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid
der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij 't nader aanschouwen of 't
grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan
gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen
in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had
ik.... Zwijg dan dwaas! uw _verstand_ moest immers de overwinning
behalen; zóo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon
met u niet gelukkig zijn.... of althans op den _duur_ niet gelukkig
wezen; gij wist het vooruit.... welnu!....

Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende
hoofd van den jongen muziekmeester vervullen. 't Is eindelijk alsof
het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.

--Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals
het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere
leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen;--Hoe zou ze mij nog
straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen
had. Neen Eva, kleine lieve Eva--_mijn Eva van vijftien jaren_--zóó
hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn.--Goddank! ik ben ziek;
dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat
ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn
kunst. _Begrijpen_, ha!

--Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk
hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje
staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd
worden; dat schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag
je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan
hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ja haast de vrouw van een
ander.--Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan
je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor 't oog van God en
je zedelijk gevoel. Weg met de beeltenis van dat schoone kind!---Maar,
zij _was_ immers toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje.--Zie,
haar naam staat daar--en onder den uwe.--O God! ben ik dan schuldig als
ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie
met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen,
ik kan het niet verscheuren, ik _kan_ het niet wegdoen. Mijn God,
wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....







TWEEDE HOOFDSTUK.


Dokter Helmond heeft intusschen nog een drietal patiënten bezocht,
en aan koster Bik inplaats van het oude roode karpet, het nieuwe
Deventer tapijt voor de trouwplechtigheid besteld. Zijn laatste
doctorale visite zal hij bij "den majoor" brengen, want de majoor,
ofschoon aan de beterhand, is toch de eenige patiënt van wiens ziekte
hij nog voor weinige dagen vreesde dat zij een leelijke hinderpaal
voor het beraamde reisplan kon worden.

De zieke majoor zit op een weelderig gemeubileerde, zeer warm
gestookte kamer, met een rooden Turkschen sjaal over een dicht
gesloten chamber-cloak, en een fraaie reisdeken over de beenen,
in een voltaire bij het venster.

"Phu majoor, wat een hitte!" zegt Helmond bij 't binnenkomen, en
blijft op den drempel staan.

"Er in of er uit dokter, als je blieft!" roept de man met den sjaal:
"je zet me op een tocht wie de drommel!"

"Ja, om u de waarheid te zeggen majoor, liever bleef ik er _buiten_
als het u om 't even is."

"Ben je razend dokter, zoo is het niet bedoeld. Maar je zet me op
een vreeselijken tocht. Je hebt me aanbevolen om me vooral te ontzien
en warm binnenskamers te houden, en moet jij me nu zelf op apegapen
zetten! Kom dokter, maak geen gekheid.--Herein als je blieft?"

Helmond komt binnen; doet de deur achter zich dicht; gaat naar het
venster 't welk niet door den majoor werd ingenomen; schuift het zoo
hoog mogelijk op, en opent daarna de haarddeur terwijl hij de schuif
een weinig verzet. Na een kernachtige rede van den patiënt wordt
deze eindelijk door zijn dokter overtuigd dat het zóó beter is. Het
weer was immers buitengewoon zacht, en de lucht op de kamer--ook ten
gevolge van den walm der steenkolen--zeer onaangenaam en ongezond.

--Het consult is afgeloopen.--Met weinige woorden herinnert Helmond
nu zijn patiënt dat hij morgen de gelukkige echtgenoot van Eva Armelo
hoopt te worden.

"Te henker ja, daar heb ik met m'n zieke karkas niet aan gedacht. Ei
ei, gaat morgen de kogel door de kerk, ha ha! 's-Lands wijs,
's-lands eer! Wel _ja_, waarom niet! Mooie vrouw! charmant mooie
vrouw, waarachtig!"

"Ik moest u dit alleen herinneren majoor, omdat ik nu een groote
veertien dagen vanhuis denk te gaan."

"Wat blief je, vanhuis? Op reis? Jij als dokter op reis? En wou je
mij dan in den steek laten? Is mijn corpus je zóóveel waard menheer
de dokter? Weet je wel dat ik d...... hard ziek ben geweest?"

"Jawel, u is zeer, zeer...."

"Zeg maar dat ik het voor den dood heb weggehaald."

"Tenminste...."

"Tenminste dat malle schaap van een juffrouw hieronder kwam me dien
Zondag-avond heel christelijk overbrieven, dat je bij 't heengaan
zeer bedenkelijk de schouders hadt opgehaald."

"Er was reden tot bezorgdheid, maar u is nu zóóveel beter majoor,
dat ik gerust...."

"Gerust! jawel, welzeker: jij kunt gerust met je jonge vrouw aan
den zwier gaan, dààr is geen gevaar bij; maar als ik hier mocht
instorten door kou vatten, door open ramen--ik zou dat raam nu maar
dichtdoen, jawel, jawel; we zijn hier in 't kikkerland en niet in
Oost-Indië... als je blieft....!"

"Het dient open te blijven totdat de atmosfeer hier wat zuiverder zal
zijn. Wat uw vrees voor instorten betreft, daar is niet veel grond
voor, tenzij u excesses mocht doen die...."

"Ik ben geen kind menheer Helmond; maar je weet zoo goed als ik,
dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Dezen nacht voelde ik
hier.... zieje _hier_ zoo'n pijn, zoo'n bijzondere drukking, en ik
kan je zeggen dat me 't klamme zweet uitbrak, niet omdat ik bang ben
voor pijn, maar omdat... in verband zie je... en..."

"Die pijnlijke aandoening staat in geen het minste verband met de
ziekte die gelukkig aan 't wijken is; en ik ben er vrij gerust op dat
u bij mijn terugkomst weer geheel in orde zult zijn. Met de middelen,
die ik u voorschreef, stilletjes voortgaan; matig versterken, en....."

"Ja, dat is nu allemaal tot je dienst; maar waarvoor heb ik een
dokter als ie voor zijn plezier reisjes mag maken, en mijn karkas
in den steek laat? Nee, ik ben in 't geheel niet beter. Van nacht
bijvoorbeeld overviel me een benauwdheid, die zoo iets te beteekenen
had: 't nachtlicht was uitgegaan; 't was zoo donker als in de hel,
en 'k dacht een oogenblik dat ik levend in de kist lag..."

"Zeker een soort van nachtmerrie majoor. U hebt toen 't licht weer
aangestoken?"

"Natuurlijk!"

"En 't ging toen beter nietwaar?"

"Dat is te zeggen toen kreeg ik die pijn. Wàt je me nu ook vertellen
moogt, ik heb m'n gevoel; en als ik zoo iets wèèr kreeg dan zou ik
m'n dokter willen hebben, zelfs midden in den nacht, want de angst
zou iemand..."

"U bent toch niet bang majoor?"

"Ik! te donder, wie zegt dat! Maar als je alleen ligt, je maakt je
dan van die zwartgallige voorstellingen, zieje, in één woord...."

"Hoor eens majoor! met 't oog op morgen moet ik mijn bezoek wat
bekorten. U weet het: 't is in dezen tijd een bijna algemeene gewoonte
dat jonggetrouwden op reis gaan."

"Juist, maar een dokter..."

"Een dokter die geen patiënten heeft wier toestand zijn bijzondere
zorgen vereischt; die bovendien zijn praktijk--en voor korten tijd--aan
een collega kan overdoen, die dokter maakt van een recht gebruik,
dat niemand hem zal betwisten, en het allerminst de patiënt, die van
een vrij ernstige ziekte herstellende is."

"Zoodat ik dokter Helmond nog op den koop toe zou moeten bedanken
voor de beleefdheid dat hij mijn korpus aan een ouden kwakzalver
endosseert. Ik zeg je dat ik me beroerd gevoel, heel beroerd; en als
me in dien tusschentijd wat overkwam, jij zoudt het op je geweten
hebben; ja waarachtig!" Hij slaat met de vuist op de tafel.

"Er zal u niets overkomen majoor; tenminste als u je niet driftig
maakt. U hebt me dikwijls gezegd--misschien zonder er veel bij te
denken--dat u "aan een beroerte zoudt heengaan." Maar zóóveel is
zeker, dat ik u--behalve een matig leven enzoovoorts enzoovoorts,
ten zeerste kalmte moet aanbevelen, of anders...."

"Wat! denkt jij òòk dat ik aanleg voor een be.... be.... roerte
heb?--Ik!? Je hebt er altijd om gelachen...."

"In de sociëteit majoor."

"Ja juist in de sociëteit."

"Ik begreep dat het u te doen was om op dat punt een geruststellend
advies van een uwer vrienden, misschien wel van uw dokter uit te
lokken. Mijnheer Kippelaan bleef dan ook zelden in gebreke met zijn:
Kom majoor, ù een beroerte! je wordt honderd jaar oud."

"Maar zou je dan waarachtig denken dat ik...."

"Ik denk majoor, dat u méér vertrouwen in me stelt dan je me straks
woudt toonen. Toen u er slecht aan toe waart, toen hebt u gezegd:
jij kunt me beter maken dokter; doe alles wat in je vermogen is, dan
zal ik.... enfin, die belofte doet niets ter zake. En nu--nù moet ik
weer met _zekerheid_ bepalen dat u aan een beroerte...."

"Neen, ben je gek, dat moet je niet met _zekerheid_ bepalen,
ik wilde...."

"Mijn besluit is eenvoudig: dat ik mij in het vertrouwen van den
majoor mag verheugen; ongetwijfeld zal hij mij dus gaarne een goede
reis wenschen, indien ik hem verzeker, dat ik er geen het minste
bezwaar in zie om hem voor een veertien dagen te verlaten, vast
overtuigd dat hij tegen dien tijd weer geheel en al beter zal zijn."

"Zoo.... is er dan waarachtig geen kwaad bij? En die drukking hè? Kan
die niet van invloed wezen op die ber....--Nee, in allen ernst dokter,
is daar met zekerheid iets van te zeggen? Zie, een beroerte vind ik
nu juist het beroerdste wat er is. Je moet niet denken dat ik bang
voor nommer één ben, God beware! maar...."

"Hoor eens majoor, zeer zeker dragen we voor 't meerendeel onzen
laatsten vijand van kind afaan met ons. Voordat hij zich echter
vertoont, zou het een schermen in 't blinde zijn om hem te willen
bevechten, en kon men juist wel eens groot gevaar loopen hem door
ontijdig wapengerammel wakker te maken. Weet u majoor, wat de
verstandige mensch alleen ten opzichte van dien vijand verplicht
is? Mijns inziens moet hij zich oefenen om in den tijd van nood de
wapenen te kunnen hanteeren, hij moet _geduld_ leeren oefenen en
_zelfbeheersching_; terwijl hij alle vrees voor den dood--een ding,
waar hij ten slotte toch niets van gevoelen zal--met kracht als
lafhartig moet zoeken te bestrijden. Tot weerziens majoor. Vooreerst
nog trouw innemen, en binnen een paar dagen eens de lucht in. Vaarwel!"

Helmond heeft al sprekend het raam weer dichtgeschoven en gaat nu heen.

De majoor hem naziende zegt, met een vuistslag op de tafel en een
vloek als tusschenwerpsel:

"Wát! denk jij dat ik een wezel en bang voor den dood ben?"

Helmond omziende:

"De majoor heeft naar mijn opgedane ondervinding nog te veel levenslust
om nu al naar den dood te _verlangen_. Ik herhaal dat onthouding en
kalmte hem 't meest geraden zijn."

"Ah! tourneer je het zoo. Nou, dat was je geraden. Je moet voor den
d.... niet denken...."

Maar dokter Helmond is al vertrokken.

De majoor Kartenglimp blijft een oogenblik met zijn donkerbruine oogen
naar de deur staren, en roept dan zoo luid hij kan den vertrekkenden
dokter terug. Dewijl Helmond niet verschijnt, grijpt hij de zilveren
tafelschel, die voor hem staat, en doet haar geweldig klinken.

Helmond komt niet terug.

Kartenglimp schelt nog eens, en sterker, en zeer langdurig. Eindelijk
verschijnt juffrouw Ketel, zijn hospita.

"Zeg, loop jij wie den drommel den dokter na, en zeg hem dat ie
hier komt."

"Wel wel majoor, wat een leven en haast! De dokter is...."

"Roep 'em zeg ik je; ik moet 'em nog spreken."

Juffrouw Ketel gehoorzaamt; althans zonder tegenspraak gaat ze naar
beneden. Tien minuten later zegt ze aan haar dienstmeid--een heldere
deern van vijf en twintig à dertig jaren:

"Ga jij maar naar boven, en zeg dat je den dokter nageloopen maar
nergens gezien hebt; en, dat ie ook niet thuis was."

Mietje maakt een knipoogje en brengt de boodschap aan den majoor.

Na weinige seconden stond Kartenglimps gelaat in een geheel andere
plooi dan toen de dokter vertrok. Mietje heeft hem vrij knaphandig uit
een aangewezen fleschje een goede dosis barnsteendroppels toegediend;
straks heeft ze gezegd, dat ze "verachtig naar beneden moest, want dat
anders de juffer 't in de mot zou krijgen;" en toen met een bijzondere
vrijmoedigheid, terwijl zij zich aan zijn arm onttrekt: "Ei, ik zie wel
dat je aan de beterhand bent, maar nou mot ik naar beneden. Atjuus!"

Toen dokter Helmond haastig den weg naar zijn woning vervolgde om er,
alvorens naar den generaal te gaan, nog 't een en ander--ook voor zijn
patiënten--te bezorgen, toen kwam hem bij 't omslaan van den hoek der
Groote Kerk, een "jongmensch" van omstreeks veertig jaren met zeer
magere beenen en grooten neus te gemoet, die, met de beide handen
naar hem uitgestrekt, al spoedig Helmonds hand omklemde en gedurende
zijn gansche, tamelijk radvloeiende en schelluidende toespraak, op
't innigst er mee aan 't karnen bleef.

"Fameus veel plezier dokter, je nog te ontmoeten. 't Doet me
almachtig veel genoegen dat je 't zoo treft. Ja niewaar, je treft het
bijzonder. Alles wèl niewaar? Je meisje--je bruidje wil ik zeggen, en
de familie, en de generaal, en dat heerlijke weer niewaar? _Be sure_
dokter, ik ben jaloersch op je; je hebt een engel van een meisje,
van een bruidje wil ik zeggen; reëel 't is een engel! Morgen, enfin,
hé? Ik benij je. Ja waarachtig, als jij het niet was dan zou ik
je benijen. Ook in de kerk hé? 't Zal zeker vol zijn. Algemeene
belangstelling; je hoort van niets anders.--'s-Middags op reis
niewaar? Zeker naar Zwitserland? Ja ja, je zult het niet aan de groote
klok hangen. Nou, van harte--van harte hoorje, als je, soms iets hebt,
in je absentie.... van harte hoorje, van harte!"

"Dankje Kippelaan, 'k ben van je belangstelling en hulpvaardigheid
ten volle overtuigd;" zegt Helmond terwijl hij zijn hand uit de
dansende klem zoekt los te werken: "Je neemt me niet kwalijk,
maar ik heb nog zaken, en dus...." Wuivend met de bevrijde hand:
"Tot weerziens, adieu!"

"Och-kom, is die haast zoo groot?" herneemt Kippelaan terwijl hij met
een snelle beweging Helmond in den weg treedt: "Vijf minuutjes? toe,
vijf minuutjes, daar kun je niet tegen hebben? Je bent hier vlak bij
m'n huis. Eventjes inwippen hé? Staandvoets een klein beetje parfait
d'amour. _Parfait d'amour_ hé? Watblief? Dat kun je niet weigeren?"

"Nee Kippelaan; waarlijk...."

"Allemaal gekheid, dát kun je niet weigeren: Parfait d'amour!? Op de
liefste!? Op morgen?" Hij vat Helmond onder den arm en noodzaakt hem
een paar schreden met hem voort te gaan.

"Stellig Kippelaan, ik heb geen tijd; ik hou je parfait d'amour
te-goed. Je weet bovendien dat ik nooit...."

"C'est vrai! c'est juste! Maar in m'n keldertje heb ik ook delicieuze
pomerans. De majoor zegt dat je ze nergens zoo drinkt. A propos
't gaat beter hé? Ik kreeg tweemaal niet thuis. Een beroerte? Half
verlamd hé? Zeg, ga je morgen naar Rotterdam, of zul je over Arnhem
langs den Rijn....? Naar Rotterdam hé....?--Jawel, já wel je moet nu
even mee binnen."

"Maar ik herhaal je nóg eens dat ik geen tijd heb. Oom wacht me tegen
halfzes op _De Zonsberg_ met 't eten. Je zult dus begrijpen...."

"Allemaal gekheid, ik hou je geen twee tellens op. Eventjes, eventjes
maar. Je kunt dan, en passant, m'n nieuwe causeuse eens zien. 'k Geef
je te raaien. Je zult ze prachtig vinden. Tachtig gulden; massief
parole d'h...."

Helmond brengt zijn hand, die opnieuw werd gekerkerd, niet zonder eenig
geweld in vrijheid; maakt een afwerende beweging, en zegt haastig:
"Die kom ik later eens kijken;" en gaat dan zoo snel mogelijk naar
den kant zijner woning.

Nog geen twee schreden ver, daar voelt hij zich bij het pand van zijn
jas grijpen, en terzelfder tijd een looden druk op zijn schouder. Weer
is hij tot stilstaan gedwongen. Kippelaan mocht hem zóó niet laten
vertrekken. Als Helmond dan volstrekt niet binnen wil komen en in
geen geval iets gebruiken, dan moest Kippelaan hem toch nog even de
hand drukken, en--daar hadt je het lieve leven weer gaande: Helmonds
hand dubde nogmaals en sterker dan straks tusschen hemel en aarde:

--"....en Gods allerbesten zegen, hoorje.... en dat je die prachtige
engel in alle opzichten.... en gelukkige reis hoor! Maar als je
morgen te Rotterdam logeert, ga dan niet in _De Keizer van Marokko_,
dat is afzetterij.--_St.-Lucas_!--Ik zie je er al met je beien;
delicieuze tafel.--'k Neem 't je niets kwalijk dat je me niet op
de partij van eergisteren hebt gevraagd; heusch niet, niemendal,
hoor! Je kondt al je vrienden niet vragen. En morgen in _De Gouden
Arend_, dat begrijp ik ook best. Maar je ziet me in de kerk.... 'k Zal
je een oogknipje geven.--Zeg, tóch een klein dropje....? Eén _heel_
klein droppeltje pomerans?"

Vijf minuten later treedt dokter Helmond, die door een snelle beweging
aan vriend Kippelaan is ontkomen, zijn eigen woning binnen.

Het doktershuis is een kleine en lage, maar vriendelijke woning,
gelegen aan den buitenkant van het stadje, welke buitenkant door
velen de wal of het walletje, door sommigen de singel genoemd wordt.

Het woonhuis met vier ramen in den gevel, een deur in 't midden en
een hoog zoldervenster boven die deur, moet ongetwijfeld in de laatste
dagen belangrijk zijn opgeknapt. Het witte pleister is zoo blank als
verschgevallen sneeuw, terwijl de palissanderhoutkleurige verf der
voordeur en de lichtgele of witte tinten van kozijnen en lijstwerk,
glimmen dat het een lust is. 't Ligt daar heel aardig dat kleine
huis. Een zeer smal tuintje--of liever een paar smalle bloemperken
met een klinkerpaadje in 't midden, scheidt het van den wal, die de
geliefkoosde wandeling is der Romphuizers, en door fiksche ijpe en
lindeboomen wordt overschaduwd. Het eenige dat men jammer kan noemen
is, dat men om in de woning van dokter Helmond te komen, drie trapjes
in den wal naar beneden moet. 't Huis ligt van den wal gezien wel een
weinig in de diepte, en mist ook daardoor voor een goed deel het fraaie
uitzicht op _De Zonsberg_ en de bosschen van Hoenderveld, 'tgeen men
ten volle zou hebben indien het huis een voet of drie hooger lag.

Nochtans voor dokter is de ligging van zijn huis juist een zeer
gewenschte. Zijn woning is de laatste van een--althans voor het
stadje--vrij drukke straat die op den wal uitkomt, en ofschoon nu
de voorgevel iets te laag is om het fraaie uitzicht te genieten,
zoo geeft de rechter-zijmuur het voorrecht dat men door een tweede
buitendeur zeer gemakkelijk en zonder den wal op te gaan erbinnen kan
komen, terwijl bovendien de ramen in dien zijmuur het gezicht op de
straatpassage vergunnen. Wat inzonderheid die zijdeur bijna onmisbaar
maakt, is de omstandigheid dat Helmond, zooals dat in dorpen en kleine
steden nog altijd gebruik is--zijn eigen apotheek houdt. Nevens
die zijdeur dan, en alzoo in het achterhuis, bevindt zich Helmonds
apotheek. Wie dokter spreken of uit de apotheek iets hebben moet,
komt in de Hoenderveldstraat en niet aan de voordeur op den wal. 't Is
aan de klompen, die dikwijls in de straat voor het drempeltje staan,
zeer duidelijk te zien dat het doktershuis de zijdeur wel noodig had.

Helmond is van de straatzijde in zijn woning gekomen, en treedt
aanstonds rechts de kleine apotheekkamer binnen.

"Is er niets geweest Thomas?" zegt Helmond tot een jonkman met blonde
haren, die achter de toonbank aan 't vouwen van poeders is.

"Nee dokter, niemendal;" zegt de jongen terwijl hij merkbaar Helmonds
blik zoekt te ontwijken.

"Niemand voor de apotheek Thomas?"

"Nee dokter, geen mensch...."

"'t Ruikt hier zoo sterk naar spiritus nitri...."

"Hé.... o ja, jawel dokter," aarzelt Thomas en bukt zich om iets op
te rapen dat er niet ligt: "ja ziet u, ik heb bij vergissing...."

"Kun jij je vergissen Thomas?"

Thomas heft het blauwe oog tot hem op en zegt:

"Och dokter, moe was zoo.... Dokter zal wel begrijpen."

"Zij is toch niet ongesteld?"

"Nee dokter, Goddank nee! Moe is heel wel, en den heelen morgen was zij
bezig, maar.... wat zal ik u zeggen: Moe is dezer dagen een beetje van
haar stuk.--Ja, eigenlijk van haar stuk," herhaalt de jongen terwijl
hij de recepten inziet, die Helmond uit zijn portefeuille genomen
en hem stilzwijgend heeft toegereikt: "Och ja dokter, 't kan moe zoo
ineens overvallen dat ze.... geen woord meer...." Thomas draait zich
plotseling om; kijkt naar de medicijnflesschen, en potten omhoog;
pakt er een, zet hem met een zijdelingsche beweging op de toonbank
en ziet weer naar de flesschen en potten, doch schijnbaar zonder te
kunnen vinden wat hij hebben moet.

Helmond vraagt niet verder. Een oogenblik later zegt hij:

"Thomas, ik reken er nu vast op dat je in mijn afwezigheid alles
nauwkeurig volgens afspraak zult behandelen. Zoo dikwijls collega
Biermans hier mocht komen, zul je zeker beleefd en vriendelijk tegen
hem zijn."

"Alles wat ú verlangt dokter, dat doe ik met liefde; beleefd wil ik
tegen dokter Biermans zijn, maar vriendelijk....."

"Nu, je weet wat ik bedoel. Mocht er voor 't overige soms 't een of
ander wezen waardoor mijn spoedige thuiskomst noodzakelijk werd--ik
bedoel een zeer ernstig ziektegeval met een bepaald verlangen naar
mijn persoon, telegrafeer me dan, zooals gezegd is terstond aan een
der opgegeven adressen. Ik vertrouw echter Thomas, dat je dit niet
dan in werkelijk hoogen nood zult doen."

"Dat spreekt immers vanzelf dokter. Alles zal zeker goed
gaan. Ik.... ke...."

"Was er nog iets?"

"Nee dokter, nee; maar...."

"Beter vooruit gevraagd dan naderhand verlegen te zitten Thomas!"

"Nee dokter, toch niet, 't was alleen...."

Helmond krijgt nogmaals het achterhoofd met de blonde haren van zijn
provisor te zien.

Thomas tuurt opnieuw naar de etiquetten der potten en flesschen.

"En wát was er dan Thom?"

Na een oogenblik van stilte komt de provisor, niet zonder eenige
zelfoverwinning den jongen patroon nabij, en zegt terwijl hij hem met
zijn blauwe oogen vriendelijk en trouwhartig ofschoon vluchtig aanziet:

"Dokter, moe en ik, we zouden zoo graag.... we dachten... we..."

"Je goede moeder heeft toch geen oogenblik gedacht dat ik zou
heengaan zonder nog eens bij haar te komen! Maar mijn beste jongen,
ik kom immers van avond weer thuis en ga morgen niet vóór elven de
deur uit. Wel zeer zeker moet ik je moeder nog eens spreken.--Kom,
ik wil haar maar aanstonds opzoeken."

Uit de apotheek in de achter- of dwarsgang der woning teruggetreden,
gaat Helmond links zijn spreekkamertje voorbij, en klopt dan aan het
eind van die korte gang op een deur.

Thomas is den patroon gevolgd, nadat hij even de binnenknip op de
straatdeur heeft gedaan.

Nu Thomas in de woonkamer van zijn moeder komt, ziet hij hoe de goede
vrouw den jongen dokter met een ongewone trilling van het hoofd te
gemoet gaat.

Zij geeft hem de hand; zegt eenige bijna onverstaanbare woorden,
en barst dan eensklaps in een zenuwachtig snikken los.

"Stil moeder, stil! Foei, dat is nu weer kinderachtig. Wat moet dokter
daar nu van maken! Als dokter niet wist dat je erg zenuwachtig waart
dan zou hij wel kunnen denken dat we ons niet verheugden in zijn
geluk. Stil moedertje, stil!"

"Laat moeder maar eerst eens uithuilen Thom. De zenuwen willen zoomin
gecommandeerd als beklaagd worden. Ik weet immers te goed hoe je
brave moeder zich in mijn geluk verheugt."

Mevrouw Van Hake drukt Helmonds hand, en dan zich vermannend, zegt
ze op bewogen toon:

"Daaraan heeft mijn weldoener nooit getwijfeld, dat weet ik zeker;
maar.... er zijn oogenblikken...."

"Geef je moeder een glas water Thomas.--Ziezoo, drink maar eens ferm
mevrouw. Flink zoo. En nu ook verder geen lange aanspraken niewaar? 't
Is _alles_ uitmuntend goedgemeend, daarvan heb ik de doorslaandste
bewijzen. Werd mijn slaap- en zitkamer gedurende de bruidsdagen
niet telkens als met frissche bloemen bezaaid, en wat meer zegt,
heeft mijn lieve bruidje niet zelf er over geroepen  zoo keurig als
alles door mevrouw werd in orde gebracht? Zij verbeeldde zich dat ze
verrukt zou zijn als we bij onze terugkomst, de overgordijnen voor
de glazen en alles geheel in orde zouden vinden."

Mevrouw Van Hake heeft zich hersteld. Zij wischt zich de tranen uit
de oogen, en zegt zacht op bewogen toon:

"Wat u aan de arme doktersweduwe en haar kind hebt gedaan, beste
mijnheer Helmond, dat kan ik u nooit vergelden, maar...."

"Och lieve mevrouw, daar moet u niet van spreken; wat ik deed
geschiedde werkelijk het allermeest uit een welbegrepen eigenbelang."

"Het schoonste eigenbelang! Het was om de voldoening te smaken
bedroefden te hebben getroost en welgedaan."

"Mevrouw Van Hake, als twee menschen zich tegenover elkander
gelijkelijk verplicht gevoelen, dan doen zij 't best elkaar
stilzwijgend de hand te drukken, en die handdruk zegt dan mede genoeg
voor de toekomst."

"O u bent zoo goed mijnheer Helmond, maar juist de toekomst is het die
mij met droeve gedachten vervult. Toen Van Hake na al onze rampen en
zijn langdurig ziekbed gestorven was, en u in zijn plaats als dokter
te Romphuizen kwaamt, toen was het uw liefde die....."

"Beste mevrouw, waarvoor toch dat alles? Wij weten immers wel....."

"Maar dokter, laat moeder nu toch alsjeblieft uitspreken. Moe wordt
altijd zenuwachtig als men haar in de rede valt. Ga jij je gang maar
moedertjelief: je woudt zeggen dat dokter ons toen hier in huis heeft
laten blijven, niewaar?"

"Ja kind, en ik zou van alles willen ophalen, en vooral hoe dokter
je zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo'n goed examen als apotheker
kondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart
te verlichten, terwijl anderen...."

"Zoo'n pruik als Biermans bijvoorbeeld!" valt Thomas uit: "zoo'n
schrok, die...."

"Hoor eens Thomas, het is me niet aangenaam om mij ten koste van een
oud en achtenswaardig man te hooren verheffen. Biermans heeft een zwaar
huishouden en wilde zijn tweeden zoon immers zelf graag apotheker zien
worden. En nu, ronduit gezegd beste vrienden, het zou me plezier doen
indien we het zonder meer woorden bij een handdruk konden laten. Mocht
er echter iets zijn dat mijn moederlijke vriendin voor de toekomst met
zorg vervult, dan luister ik heel graag en met belangstelling; doch,
raakt het punten van huishoudelijken aard, zijn het woon- of--vergun
mij het woord--zijn het telkens weer _keuken_bezwaren, laat dan mijn
verzekering mede uit naam van mijn lieve Eva, u voldoende zijn, dat
het tot ons wezenlijk geluk zal bijdragen indien alles tusschen ons
blijft op den ouden voet--uitgezonderd die kleine menage-verandering,
zooals ze u is voorgesteld."

"Och, dat u mij toch begrijpen woudt lieve dokter," herneemt
mevrouw Van Hake: "juist wat u met zooveel goedheid mijn woon- en
keukenbezwaren noemt, ze zijn van zeer overwegenden aard. Toen u als
vrijgezel onze woning kocht, toen was het behoud der drie kamers in
het achterhuis niet van zoo heel veel belang voor u--daargelaten het
geldelijk voordeel, dat er door u van zou zijn te trekken geweest."

Vriendelijk maar toch eenigszins verstoord zegt Helmond:

"Voor die kamers had ik dan toch al uwe zorgen, al uw huishoudelijke
bemoeiingen, niewaar?"

"Juist, mijn lieve mijnheer Helmond; maar gesteld eens dat die laatste
opwogen tegen alles, _alles_ wat u voor mij en mijn Thomas hebt gedaan,
is dan de toekomst voor mij geen pijnlijke toekomst terwijl ik weet
dat het eenige wat ik u in ruil voor uwe weldaden kon geven, nu geheel
moet ophouden? Met uw huwelijk dokter, neemt uw vrouwtje natuurlijk
het huishoudelijk beheer in handen. Zal zij in den aanvang misschien
nog een enkele maal zoo vriendelijk wezen om de oudere in jaren over
't een of ander te raadplegen, allengs zal zij, geheel berekend voor
hare taak, mij niet meer behoeven, en ik in uw dienst geen nuttige
hulp, maar steeds meer en meer een groote lastpost zijn."

"Mevrouw Van Hake is nimmer in mijn _dienst_ geweest!" zegt Helmond
half verdrietig: "en, als dat ooit door iemand als zoodanig is
beschouwd, dan wordt het hoog tijd dat daar een eind aan komt. Vergeef
me lieve mevrouw, dat ik een oogenblik wat knorrig werd, maar ik acht u
te hoog dan dat ik u zóó over u zelve kan hooren spreken. Wilt u dat ik
je even klaar en zuiver onze verhouding voor oogen stel, luister dan:
Toen ik indertijd aan oom Van Barneveld mijn wensch te kennen gaf, dat
ik u en Thomas de achterkamers wilde doen behouden, toen vond hij dat
denkbeeld zoo aardig dat hij 't huis voor mij kocht. De beleefdheid
komt dus van oom, en uw blijven in die kamers is alzoo een conditie
voor mijn eigendomsrecht. U hebt _recht_. Zie, dat is nommer één!"

Mevrouw Van Hake, terwijl ze een traan uit het oog wischt, schudt
half glimlachend het hoofd.

"Nommer twee is: dat ik u veertig gulden in de maand betaal."

Mevrouw Van Hake knikt als wil zij zeggen dat dit nu de hoofdquaestie
wordt.

"Prompt," vervolgt Helmond: "wat ik daarvoor al _genoot_ aan zorge
en vriendschap, daarvan spreek ik niet meer; ik vraag nu eens heel
zakelijk wat ik daarvoor genieten zal: Ten eerste mevrouw, de geheele
hulp van Thomas, 't geen hoe langer hoe meer van beteekenis wordt,
zoodat ik al gedacht heb of hij het daarvoor wel lang meer zal
volhouden."

"Dokter," valt Thomas in: "er is misschien in 't heele land geen
provisor die zóó betaald wordt; maar moeder staat er bij, en God hoort
het me zeggen: al moest ik dag en nacht om niemendal voor u werken,
ziedaar, ik zou...."

"Hoor eens mijn beste Thomas, al meen je het nog zoo goed, nu spreek
je in allen geval voor je beurt," zegt Helmond en klopt Thom op
den schouder: "ik was aan mijn berekening: Ten eerste heb ik dan
voor mijn veertig gulden de geheele hulp van Thomas, en ten andere
de volkomen overtuiging dat er onder mijn dak twee zielen wonen, op
wier geheele liefde ik rekenen kan en aan wie mijn gansche bezitting
beter dan aan mij zelven is toevertrouwd. Voor die ellendige veertig
gulden--indien ik dáár nog van spreken moet--heb ik dan bovendien,
bij mijn veelvuldige afwezigheid, voor mijn vrouwtje een lief en
moederlijk gezelschap, en voor mij zelven de zekerheid dat zij,
wanneer ik vanhuis ben, ten allen tijde raad en hulp zal vinden en,
wat er ook gebeure, nooit verlaten is. Ik heb.... Maar genoeg, méér
dan genoeg! Al wat ik daar 't laatst in rekening durfde brengen is een
"naar ons toe rekenen" geweest. Alzoo resumeer ik, en, neem nu mijn
woord als dat van een man die het eerlijk meent; wanneer u hier blijft
op den voet zooals ik 't u heb voorgesteld, dan maakt u gebruik van
uw recht, en handelt geheel naar den wensch van mijn braven oom, die
mij met dat doel dit huis heeft gegeven. Maar bovenal, u toont erdoor
aan mijne--ja ik mag het zeggen, ook aan Eva's liefde, te gelooven,
en tevens dat het u mede niet onverschillig is om den band onzer
vriendschap door een gestadigen omgang zoo mogelijk nog te versterken."

"Och beste mijnheer Helmond, zooals u het voorstelt,
ja.... maar.... Ach, men kan niet alles zoo uitspreken."

"Geen maren meer goede mevrouw; 't zal misschien noodig zijn dat ik
u later mijn woorden eens duidelijker op schrift geef. Wat geschreven
staat, heeft dikwijls meer waarde ter overtuiging."

Moeder en zoon hebben onder Helmonds laatste woorden teekenen van ja
en neen gewisseld.

"Jawel moelief, jawel!--Niet....? Dan zal _ik_ het zeggen."

"Nee Thomas, nee!"

"Jawel, jawel moe; dokter moet het weten. Ziet u dokter, moe tobt er
maar over dat ú wel in alles en alles--ziet u.... maar...."

"Och Thom, hoe kun je nu.... Dokter zal denken...."

"Nee moe, dokter zal het niet verkeerd opvatten. Ik.... wilde
zeggen...."

"Komaan Thomas, wind er geen doekjes om. Misschien raad ik al aanstonds
wat het wezen moet. Er is vrees misschien dat dokters vrouwtje de
zienswijze en gevoelens van haar man niet geheel zal deelen, en dat
de tusschen ons bepaalde overeenkomst door _haar_ minder wenschelijk
wordt gekeurd."

Thomas staart met groote oogen naar den grond terwijl hij verscheidene
malen ter bevestiging met het hoofd knikt. Mevrouw Van Hake heeft
het gelaat van den spreker afgewend en fluistert:

"Och Thom, dat was het toch niet;.... tenminste...."

"'t Is goed dat men de zaken maar bij haar naam noemt mevrouw, want
als dit werkelijk een punt van vrees bij u uitmaakt, dan ben ik in
staat om u volkomen gerust te stellen en van het tegendeel uwer vrees
te overtuigen. In de eerste plaats heeft Eva nadat zij u leerde kennen,
mij gezegd dat ze u zoo _heel lief_ vond--ja het moet er nu uit--en dat
ze hoopte recht veel van u te leeren. Bovendien waren het haar eigen
woorden: 't Is zoo'n gezellig idee dat mevrouw Van Hake en haar zoon
bij ons inwonen; wij zullen ze dikwijls zien, en als je mij zooveel
alleen moet laten dan zal de goede vrouw nog last van me krijgen."--Is
er nu meer noodig om u gerust te stellen en te doen gelooven dat de
nabijheid uwer moederlijke zorg en liefde ons geluk moet verhoogen,
terwijl uw inwoning--ik herhaal het alweer--toch steeds als een _recht_
door u moet beschouwd worden?"

Ofschoon aangenaam door Helmonds woorden getroffen, zoo is de
doktersweduwe nog geenszins overtuigd dat haar vrees voor de toekomst
zoo geheel zonder grond is. Nochtans, indien zij na de verklaring van
haar weldoener daarvan blijk gaf, het zou al zeer weinig kieschheid
verraden, aangezien door haar vasthouden aan den twijfel, zoo al niet
de oprechtheid van Eva's karakter, dan toch haar goed doorzicht in
verdenking werd gebracht, 'tgeen den man die haar uit de volheid van
zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeerzeker moest grieven.

Thomas echter heeft zich voorgesteld om de zaak geheel in 't reine
te brengen. Wat moeder verzwijgen wil, kan hij niet verkroppen.

"Ja dokter," valt hij uit: "'t is waar, juffrouw Armelo was ook heel
vriendelijk en niemendal grootsch; maar...."

"Dacht je dat ze _grootsch_ was Thomas?"

"Foei Thom, hoe kun je zoo raar spreken."

"Nee ziet u dokter, dat dacht ik niet, want ik zeg immers dat zij
het niemendal is;" herneemt Thomas een weinig verlegen: "Maar weet u
waar moeder niet overheen kan.... Jawel moeder, laat me nou spreken,
je tobt er over. Jawel! Zie dokter...."

Mevrouw Van Hake bevreesd dat Thomas door een onbedachtzaam woord
haar edelen vriend nogmaals zal kwetsen, valt haar zoon in de rede
en vervolgt:

"Wat Thomas u zeggen wil komt eenvoudig hierop neer, menheer Helmond,
dat ik vóór uw verklaring van daareven, een weinig grond meende te
hebben om te onderstellen dat uw lief bruidje ons inwonen op den
duur minder aangenaam zou zijn. Toen zij den laatsten keer met u
hier was, toen zei ze--zonder er waarschijnlijk zelve zoo heel veel
bij te denken: dat er van onze beide achterkamers links, en uw beide
voorkamers aan dezelfde zij van het huis, een prachtige suite zou
kunnen gemaakt worden als men de muren doorsloeg. Zie, beste menheer
Helmond, nu Thomas mij tot spreken dwingt, nu moet ik eerlijk zeggen
dat ik bij mij zelve dacht: als de jonge mevrouw Helmond met zulk
een verbouwingsdenkbeeld haar nieuwe woning betrekt, dan zou ik èn
haar èn haar braven man toch werkelijk tot grooten overlast wezen,
en, met al mijn "_recht_", hen niet weinig in den weg staan. Dokter
weet genoeg hoe menschen en plannen doorgaans geprikkeld worden,
indien er zich bezwaren opdoen die echter niet onoverkomelijk zijn."

"Is dat nu alles, lieve mevrouw?"

"Och ja dokter, het was kinderachtig misschien."

"Is er niemendal méér Thomas?"

"Nee--niewaar moe?--Moe was eigenlijk bang dat we u toch _te veel_
zouden zijn."

Helmond vat de hand van zijn oude vriendin:

"Mevrouw, in herhalingen treed ik niet. Wat ik u zeide was alles waar
en van harte gemeend. Maar luister nu: wanneer een jong meisje haar
aanstaande woning beziet, dan is het niet vreemd dat ze--in een tijd
dat men schier geheel illusie is--zich nog meer illusies schept. Toen
mijn lieve Eva die opmerking maakte, toen moest ik in stilte om
mijn aardig bouwmeestertje lachen. 't Zou een mooie pijpenla worden
die prachtige suite! Maar ik liet haar 't genot van haar bouwkundige
opinie, geheel overtuigd dat zij aan zoo iets evenmin ernstig dacht als
aan haar schertsend woord om in onzen _voortuin_ een goudvisch-vijver
te doen graven. Eva heeft het zonder eenig nadenken of misschien
zelfs--zooals dat laatste--gekscherend gezegd. Zij was het volkomen
met mij eens dat we aan onze flinke drie benedenkamers en één ruime
bovenkamer met haar heerlijk uitzicht, ruimschoots genoeg hebben;
dat méér overdaad zou zijn, en ik houd mij dus overtuigd dat u in
alle opzichten zonder verdere schrikbeelden het jonggetrouwde paar
in uwe of onze gezamenlijke woning zult kunnen ontvangen."

Liefdetranen besproeien Helmonds hand. Thomas valt zijn moeder om
den hals en fluistert:

"Zie moedertjelief, ik wist het wel!" En dan zachter, op geheimzinnigen
toon: "Nu maar doen hê?"

Mevrouw Van Hake geeft haar jongen een toestemmenden wenk, en terwijl
nu Thomas naar een hoektafeltje gaat en een zwartzijden foulaard van
een hoogopstaand voorwerp neemt, vermant zich de weduwe, en zegt met
een aanduiding van het genoemde voorwerp:

"Lieve dokter, niemand weet beter dan u hoever het vermogen van Van
Hake's weduwe reikt. Wat anderen u konden schenken, daartoe was
ik niet in staat; maar u aan te bieden wat ik nog behouden mocht
en voor mij een hooge waarde heeft, dat is mij en mijn jongen een
wezenlijk genot en een behoefte van het hart. Neem den inktkoker
met het zilveren Minerva-beeldje als een blijk onzer warme liefde,
beste dokter, en zoo dikwijls als gij de woorden op het voetstuk:
"Aan Dr. J. Van Hake, den schranderen Aesculaap," zult lezen, lees
er dan bij 'tgeen Thomas zelf er onder graveerde: "Van zijn weduwe
en zoon aan Dr. A. Helmond, den edelen menschenvriend."

"Maar mevrouw! die prachtige inktkoker! die herinnering aan uw
waardigen echtgenoot! het stuk dat ge vol weemoed wel eens uw
afgodsbeeld hebt genoemd; zou ik....?"

"Beken maar dokter, dat het heel goed is, wanneer men zich van zijn
afgodsbeelden ontdoet. Och weerstreef ons niet. Iets anders konden
wij u niet schenken zonder dat het uw rechtmatig misnoegen zou hebben
opgewekt.--Zie, het is ons nu zoo aangenaam te weten, dat het stuk,
waar Van Hake zoo innig gelukkig mee was, en waar hij in die vier
laatste jaren vol rampspoed en ellende, ondanks onzen hoogen nood,
niet van scheiden kon, dat het nu aan den man behoort waarop hij, naast
God, voor vrouw en kind zijn hoop had gebouwd, den mensch--zooals hij
op zijn sterfbed zeide--die ongetwijfeld als een trooster zou komen
in onze droefenis."

"Mevrouw Van Hake, ik dank je; ik dank je met een vol en bewogen
gemoed! Over de waarde van uw geschenk spreek ik niet meer. Dat u 't
mij geven woudt, het treft me diep.... zeer diep. Hoe zou ik het kunnen
weigeren terwijl Thomas zelf onze namen erop vereenigd heeft. Ja,
welzeker, de Van Hakes en Helmonds zijn door onverbreekbare banden van
vriendschap aan elkaar verbonden. Nogmaals dank mevrouw.... hartelijk
dank! Hier Thomas, verwerk jij dien handdruk nu eens tot een zoen voor
je beste moeder.... Of nee, nee Thomas, nog een handdruk voor _jou_,
maar den zoen dien mag ik haar zelf wel geven."

En het was dokter Helmond alsof hij een eigen moeder omhelsde, en
het was die weduwe alsof een oudste teerbeminde zoon haar den zoen
had gegeven.






DERDE HOOFDSTUK.


Nadat Helmond nog 't een en ander met het oog op morgen en de
aanstaande reis heeft in orde gebracht, verlaat hij omstreeks vijf
uren zijn woning, teneinde vooral niet te laat bij den generaal op
_De Zonsberg_ te komen.

Nauwelijks is hij den wal ten einde- en links de kleine stadsbrug
overgegaan--welke brug nog altijd den naam van Hoenderveldsche
poort draagt, ofschoon de poort sinds jaren verdween--ternauwernood
betreedt hij den golvenden straatweg, die hem tot aan het landgoed
van den generaal wel heerlijke vergezichten maar weinig lommer zal
bieden, of hij ziet bij de eerste kromming van den weg een rijtuig
van achter het frischgroene akkermaalshout te voorschijn komen,
en bemerkt terstond dat het de tilbury van _De Zonsberg_ is.

In weinige seconden was het rijtuig hem nabij gekomen. De grijze
koetsier houdt den schimmel in, en terwijl hij Helmond zeer
militairement met de zweep salueert, zegt hij:

"Ik zal maar eventjes keeren menheer;" door welk wenden Helmond nu
beter kan opmerken hoe, zoowel Willems zweep als het hoofdstel van
den schimmel, met kleine maar allerliefste bouquetjes versierd is.

Een oogenblik later zit Helmond naast den koetsier, en terwijl de
schimmel in gestrekten draf den terugtocht naar de _De Zonsberg_
aanvaardt, zegt Willem:

"Ik had orders van den generaal om precies tien minuten over vijven
op den wal bij dokter vóór te zijn."

"'t Maakt niet uit Willem. Ik wist niet dat oom mij zou laten halen,
en ben maar opgestapt toen ik klaar was. Jongens, wat heb je Zampa
mooi opgesierd."

"Dat is op order van juffrouw Coba menheer; de bouquetjes heeft zij
gemaakt, en den baas gelast ze er aan te binden."

"'t Is een lief en hartelijk meisje."

"Ja menheer, dat zeggen we dikwijls; maar jammer dat ze zoo uit den
aard slaat."

"Hoe meen je?"

"Ik meen vanwegens d'r.... postuur zal ik maar zeggen.--Als je de
juffrouw bij den generaal ziet dan zou je niet veronderstellen dat ze
een militairekind was. D'r zit zoo geen kommiesbrood in de juffrouw."

"Als ik me goed herinner dan had tante ook een bleek en ziekelijk
voorkomen; 't staat me zoo flauw voor den geest."

"Jawel precies dokter. Mevrouw's portret dat boven 't schrijfbureau van
den generaal hangt is nog veel te rond en te mooi. 't Was een braaf en
zachtzinnig mensch, maar ziekelijk en bleek. Toen de kolonel haar op
zijn acht en veertigste jaar tot vrouw nam, toen dacht ik al dadelijk
dat ze niet lang onder z'n kommando zou dienen. 't Was jammer, een
groot jaar nadat ik haar met witte handschoenen had gereden, reed ik
haar met zwarte. Nee, dan denk ik dat dokter d'r langer plezier van
zal hebben."

"Tenminste mijn aanstaande is heel gezond Willem."

"God geve dat menheer tot in lengte van dagen met haar gelukkig
zal zijn." Na een oogenblik stilte terwijl hij met de zweep een
paardenvlieg van schimmels hals heeft weggetikt:

"Als ik alles zoo bedenk dan zou ik u--met verlof--kunnen benijen
dokter."

"Ei zoo Willem?"

"Ja menheer, ik heb op mijn jaren bij den braven generaal alles wat m'n
hart kan begeeren, en ik dank er God voor; maar toch--toch wou ik dat
ik van morgen afaan, voor een dag of wat in menheer z'n plaats was."

De ernst, die er op het gelaat van den ouden krijgsman is te lezen
en die zich mede in den toon van zijn stem heeft geopenbaard, deed al
spoedig den glimlach verdwijnen, die voor een oogenblik den gelukkigen
bruidegom om de lippen speelde.

"En waarom benij je me Willem?"

"Naar ik in de keuken vernam zal menheer morgen met de jonge mevrouw
naar Parijs gaan;" zegt de grijze snorrebaard terwijl hij vluchtig
van terzijde een vragenden blik op den dokter werpt.

"Als men het in de keuken zegt dan zal het wel waar zijn."

"Menheer weet wel dat ik niet nieuwsgierig ben; maar ik spreek ervan
omdat menheer als hij werkelijk naar Parijs gaat, een gezicht zal
zien, waar ik om zoo te spreken m'n laatste eindje leven voor zou
overhebben."

"Je bedoelt....?"

"Wat ik bedoel menheer? Wel, wat zou ik er anders willen zien dan
de plaats waar de groote Keizer rust. Ja dokter, dat u met de jonge
mevrouw die plek met je eigen oogen zult bezichtigen, dat kan ik je
benijen. Zie, ik was nog maar een jongen van veertien jaar toen ik
als pijper in dienst kwam, maar tweemaal heb ik hem toch gezien;
op zijn paard, ons toewuivend met den steek; en, zie dokter, dát
vergeet je je leven niet!--Komaan Zampa, het hek in."

"Als _oom_ er nog eens naar toe ging Willem."

"'t Zal niet gebeuren menheer.--Ho Zampa!--Voorzichtig dokter.--Hoe
laat verkiest u dat ik weer vóór kom?"

"Heeft oom gezegd dat je me ook zoudt terugrijden?"

"De generaal heeft me gelast u te halen en te brengen."

"Dan om negen uur Willem."

De grijze koetsier buigt, en salueert met de zweep.

't Is een klein maar heerlijk gelegen landgoed, dat door den
gepensioneerden generaal Van Barneveld als eigenaar wordt bewoond. Van
den straatweg ziet men langs den oprit--die om het breede middelgazon
naar de woning voert, ter linker- en rechterzijde prachtige boomen
en sierlijke heestergroepen.

De woning op zichzelve is er een van die solide gebouwde, zeer deftige
en nochtans vriendelijke soort, waarin de tijdgeest echter niet veel
behagen heeft.

Een deftig _stadshuis_ zou men zeggen. Behalve de onderwoning, is
het twee verdiepingen hoog; acht ramen heeft het in den voorgevel,
uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen der
vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang
verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep
heeft moeten beklimmen.

Den goeden naam, dien het landgoed met betrekking tot zijn
ligging geniet, dankt het bovenal aan 'tgeen van de straatwegzijde
verborgen blijft. De achtergevel van het gebouw--naar het zuiden
gekeerd--staat op de helling van den berg die aan het buitenverblijf
zijn naam schonk. Is men onder de zware takken van eiken en beuken
ter weerszijden van het landhuis doorgegaan, dan ziet men--behalve
de bloemen aan zijn voet--het groen van heesters en boomtoppen die
oprijzen uit de diepte. En tusschen die openingen door, geniet men
weder het prachtigst uitzicht over een heerlijk Geldersch landschap:
'twelk zich verliest in een dommelig verschiet, en waardoor de grijze
Rijn--nu eens blinkend in den glans van een doorvallend zonlicht
en dan weder grauw gedekt door een voortjagende wolkschaduw, zich
voorspoedt naar het verre welbekende duin.

Vooral bij een stoombootvaart op den Rijn, levert het wit gepleisterde
huis met zijn fraai uitgebouwde _serre_ aan de zuidzijde--zooals het
daar in de hoogte telkens achter het geboomte wegschuilt--een recht
vriendelijk pittoresken aanblik op. Men zou dan aan wal willen stappen
om te dolen in het bosch aan den voet van den berg, waar de klare
beek over blanke kiezels murmelt men zou de meestal steile paden van
den fiks begroeiden _Zonsberg_ willen beklimmen, om eindelijk in dat
hooggelegen landhuis--als het zoo wezen mocht--een weinig te kunnen
uitrusten, met het oog over den schoonen voorgrond in het heerlijke
verschiet.

Voor het hoogopgeschoven raam van een ruim vertrek zit de generaal
Van Barneveld in een gewonen leunstoel. De generaal is een man
van bijna zeventig jaren. Zijn zilverwitte haren en forsche grijze
knevels verhoogen het mannelijk schoon van zijn edel gelaat. Het hooge
voorhoofd en de helderbruine oogen spreken van verstand en doorzicht,
terwijl de eenigszins gebogen neus en fijnbesneden mond, kloekheid
van inborst verraden en reinen zin.

Opziende uit het boek waarin hij heeft gelezen, tuurt de generaal
een wijle naar het schoone vergezicht, om echter al spoedig een
blik op de groote pendule te werpen, die zoo even halfzes heeft
geslagen. Van Barneveld haalt zijn horloge te voorschijn en ziet
"dat de pendule niet in de war is". De generaal is een man van de
klok. Kleine zielen hebben dikwijls dezelfde accuraatheids-manie,
en ofschoon die accuratesse alzoo op zich zelve niet veel beteekent,
zoo mag men er nu toch uit opmaken dat Van Barneveld gedurende zijn
militaire loopbaan zoomin in de lage als hoogere rangen, ooit naar
zich wachten liet maar steeds op zijn post was.

De generaal verlaat zijn zitplaats; loopt een paar malen de kamer op
en neer; ziet nogmaals naar de pendule, en gaat dan de kamer uit.

De breede gang, waarin hij gekomen is, vormt met de straks genoemde
vestibule één geheel, en loopt tot aan den achtermuur van het
huis waar voorheen, aan den binnenkant, een gipsen Ceres de nis
versierde. Sedert de generaal eigenaar van _De Zonsberg_ is geworden,
werd de nis uitgebroken, en kwam er in haar plaats een glazen deur, die
nu toegang geeft tot de reeds genoemde zeer smaakvol uitgebouwde serre.

Wanneer men het landhuis binnentreedt ziet men alzoo aan 't eind van
de breede gang, door de glazen deur, in Van Barnevelds zoogenaamden
wintertuin, die met recht zijn lievelingsverblijf mag heeten.

Op hetzelfde oogenblik dat de generaal er nog even denkt binnen te
gaan, omdat hij, in weerwil van het wachten, geen oogenblik zijn
goede stemming verliezen wil, komt August Helmond, gevolgd door Van
Barnevelds dochter Jacoba, uit de groote zaal in de gang, en drukt
de eerste al spoedig den verrast opzienden oom de hand.

"Ahzoo, menheer de bruigom! Ik wist niet dat je al hier waart, en was
bang dat Willem wat getreuzeld had. De knaap wordt oud.--Hij heeft
je immers gehaald?"

"Jawel, prompt zooals u besteld hadt oom. Ik dank u. De tilbury kwam
mij even buiten Romphuizen tegen."

"Hadt je niet begrepen dat ik je zou laten halen?"

"Nee oom."

"Dat spijt me."

"Omdat u zelden...."

"Ik zend geen rijtuig wanneer men van mijn beleefdheid gebruik maakt,
maar wel wanneer men mij een beleefdheid bewijst. Ik waardeer het dat
je van middag woudt komen August. Is juffrouw Armelo en de familie
welvarend?"

"Dank u oom. Ik moet u vriendelijk van haar en mijn aanstaande
schoonouders groeten."

De generaal maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij de
beleefdheidsformule heeft gehoord.

"Wat dee jelui in de zaal Coba?"

"Pa, ik heb...."

"Coba heeft er mij een nieuw bewijs van haar liefde gegeven oom. Ze
vertelde mij dat u ingevolge haar verzoek, wilt terugkomen op uw
besluit, en morgen na de trouwplechtigheid het déjeuner zult bijwonen,
waarop de familie Armelo u had genoodigd. Coba wilde mij dit goede
nieuws mededeelen alvorens aan tafel te gaan."

"Ei zoo ondeugende babbelaarster; moest het daarom over den tijd
loopen!"

"Mijnheer, er is gediend;" zegt de huisknecht die uit de eetkamer in
de gang komt en front maakt bij de deur.

"Goed Hendrik!"--In het Fransch vervolgt Van Barneveld tot den neef
die hem een dankbaren blik had toegeworpen: "Toen Coba mij deed
gevoelen dat de familie Armelo mijn weigering aan een dwazen trots
zou toeschrijven, toen heb ik fiat gezegd. Als men mij maar vergunnen
wil om niets anders dan het zeer gewone te gebruiken, en niet later
dan om zes uur naar huis te gaan.--Convenieert dat de familie?"

"U bedoelt oom?"

"Zoo'n déjeuner in _De Gouden Arend_?" antwoordt de generaal terwijl
hij den jongelieden een wenk geeft om plaats te nemen.

Helmond kleurt vluchtig; aarzelt, en zegt dan:

"Ik heb die zaak met den ouden heer Armelo besproken en geschikt oom."

"Ah.... zoo" zegt de generaal, en geeft te gelijk een teeken om
te bidden.

Ofschoon Hendrik gedurende deze ceremonie in een zeer eerbiedige
houding, met het oog op een der landschapvakken die de eetkamer
versieren, achter de tafel staat, zoo kan hij toch niet nalaten om
eventjes onder de oogwimpers door, een blik op "zijn biddende gasten"
te werpen.

--'t Is om er akelig van te worden zooals die lieve juffrouw Coba er
uitziet. Ja, als zij de mooie vriendelijke oogen, zooals nu heeft
gesloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende
houding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is.--En,
zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe
bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van
den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen?--Ja, die neef van
den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met
juffrouw Coba!--En juffrouw Coba's postuurtje, och lieve hemel,
denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks verlaten  richting
tuurt--schuinsrechts op het landschapvak met een herder en herderin
onder een boom,--och lieve hemel, heel wat anders dan die juffrouw
daar met den saamgepersten boezem in het gele keurslijf. Zoo'n wurm!

De gewone diners op _De Zonsberg_ duren niet lang; in een half uur
is gewoonlijk alles--van de soep tot den podding, afgeloopen. En,
wanneer Hendrik het eenvoudige dessert heeft opgebracht en voorgoed
de kamer verlaat, dan wordt het gesprek, 't welk gedurende het eten
doorgaans in 't Fransch werd gevoerd, in 't Nederlandsch voortgezet.

"Dus zul je veertien dagen uitblijven?"

"Ja oom, 't kan nu zeer goed geschikt worden; en voor Parijs is
veertien dagen niet te veel."

"Ah, dus moest het tóch Parijs wezen."

"We zijn daar nu zeer op gesteld oom."

"Ik meende August, dat jij er minder op gesteld waart;" herneemt
de generaal, en meer dan gewoonlijk is er in zijn stem iets van den
oud-militair te herkennen.

"Ik geloof pa, dat August's bruidje er nog al heel veel zin in had. Ja,
en dat kan ik mij best begrijpen, wanneer men er nooit is geweest en
zich zoo gezond en sterk gevoelt als juffrouw Eva; niewaar Helmond?"

August ziet zijn pleegzusje vriendelijk aan, en zegt tot den generaal:

"Toen ik bemerkte oom, dat Eva er zoo bijzonder op gesteld was, werd
het ook _mijn_ wensch. Ik geloof dat u de eerste zult zijn om te
erkennen, dat het tot de zeer verschoonbare inconsequenties behoort
om eigen lusten voor die van onze geliefden op te offeren."

"Welzeker August.... Wil je nog wijn?"

"Dank u oom."

Eenige minuten later wordt er gedankt.

Jacoba verlaat de eetkamer nadat ze een zoen op Van Barnevelds
voorhoofd heeft gedrukt.--Hendrik die inmiddels is teruggekomen,
presenteert den generaal en diens neef de sigaren. Nadat de heeren
hebben opgestoken en Van Barneveld den knecht heeft gelast om het
raam te openen, waardoor men evenals in de woonkamer het heerlijke
vergezicht over den Rijn geniet, geeft de generaal aan zijn huisknecht
een wenk. Deze verwijdert zich en doet de deur zorgvuldig achter
zich toe.

"'t Was mijn wensch August, om je op den avond vóór je huwelijk over
je belangen te spreken," vangt de generaal aan: "we zullen daartoe
na de thee, op mijn kamer gelegenheid hebben. Nu echter moet ik eens
even over Coba met je praten." Naar buiten ziende en dan met merkbare
zelfoverwinning:

"Ze zag in de laatste dagen naar 't me voorkwam wat bleek."

"Coba is niet sterk oom;" zegt Helmond en ziet den pleegvader
belangstellend doch met verwondering aan.

"Omdat ik niet aan den medicijnwinkel hecht August, daarom bevreemdt
het je dat ik je over Coba's gezondheid spreek. Wat ik voor me
zelf niet zou doen, dat doe ik voor m'n kind; en met het oog
op je aanstaande reis vond ik het beter om je 't nu maar eens te
vragen.... 't Kon dacht me geen kwaad.--Ze heeft voor een paar dagen
iets gehad dat me...." de generaal wendt weer zijn hoofd van Helmond
af en naar de zij van het raam: "dat me.... wel niet bezorgd maakt,
maar.... toch ook niet beviel.---Zie je die sleepboot wel? Kijk, vier
Keulenaars er achter, nee vijf, de verste zat nog achter den eiketop."

"En wat was er dat Coba.... oom?"

"O ja, 't had nu juist niet zoo _heel_ veel te beteekenen,
maar.... Eergisteren tegen den avond gaan we samen den berg af;
zitten in 't bosch op den beekheuvel; praten over je huwelijk; ze
maalt me dat ik om jelui plezier te doen dat déjeuner zal bijwonen,
etcetera, etcetera."

"Zij heeft zoo'n lief karakter de goede Coba."

"Het evenbeeld van haar moeder. Om kort te gaan, vroolijk en wél
hervatten we onze wandeling; we praten over je toekomst, over
je praktijk, ik weet niet wat. Naar huis terugkeerende, onder 't
beklimmen van den berg, bespeur ik dat ze sterker dan gewoonlijk
begint te hijgen. 'k Zeg nog: wil je hier even op den kant in 't gras
gaan zitten--terwijl ik in stilte besloot om op een paar punten een
tuinbank te doen plaatsen. O nee pa, zegt ze, en, om me te toonen
dat ze heel wél is, begint ze met haar hijgend stemmetje een van haar
favoriet-stukjes te zingen.--'k Zeg: Coba ben je mal, dat zingen onder
't klimmen deugt volstrekt niet; maar of ze 't niet hoorde, luider
ging zij voort. Achter haar aankomende verbied ik het haar sterker. 't
Was juist toen we van den zigzag den laatsten hoek omsloegen, dat ze
met zeer veel inspanning de slotwoorden van dat air herhaalde: adieu,
adieu of iets van dien aard. Geen twee seconden later zag ze om, zoo
wit als een doode. Och pa, papa! riep ze met zwakke stem; en August,
als ik haar niet aanstonds in mijn armen had opgevangen dan zou ze
zeker achterover zijn gevallen, want, plotseling zakte ze ineen,
bijna als iemand die verlamd is, en trok ze zoo raar met de oogen,
dat ik niets dan het wit ervan te zien kreeg."

"Was zij buiten kennis oom?"

"Nee in 't geheel niet. Tenminste, ze verstond me best. Bijna dragend
heb ik haar toen in huis en op de canapé gekregen. Het hijgen, dat
gedurende die.... vapeur een weinig bedaard was, kwam nu sterker
terug; later werd ze koud, en haalde den sjaal, waarmee ik haar
voeten had bedekt, eenigszins rillend over zich heen;--ze was wel
wat luchtig gekleed, zieje, en 't is doorgaans nog geen weer voor
die zomertoiletjes.--Enfin, ik stop haar wat toe; ze zal moe zijn
dacht ik, en een fiksche toer slapen zal haar goeddoen. Maar jawel,
een half uur later, toen ik wat in den Militairen Spectator zat te
snuffelen, daar staat me 't ondeugende kind naast m'n stoel; zoent me,
en zegt dat ze heelemaal weer beter is.--'t Heeft niets te beteekenen,
niewaar? 't Was een natuurlijk gevolg van dat fatale zingen onder
't klimmen; maar ik meende toch dat ik verplicht  was je 't eens te
zeggen.--Omdat ze niet sterk is moet ze alle zotte _efforts_ vermijden,
dat is mijn opinie....?"

"Klaagt Coba nooit over pijn op de borst oom?"

"Nee, ze heeft een delicaat gestel, maar klagen doet ze nooit!"--Weer
naar buiten turend: "Je ziet er geen kwaad in, niewaar? Een vapeurtje
ten gevolge van die klim- en zingpartij?"

"Zooals ik Coba nog van middag heb gezien, kan ik in die bezwijming
juist geen reden tot bezorgdheid vinden; maar...."

Helmonds antwoord heeft den ouden generaal van een grooter zorg
bevrijd dan hij zou willen bekennen; ja grooter misschien dan hij
zichzelf is bewust geweest. Voor des dokters laatste _maar_ had hij
nu geen ooren. Immers die dokter, een _deskundige_, heeft erkend dat
in het genoemde verschijnsel op zichzelf geen reden tot bezorgdheid te
vinden was. Zulk een verschijnsel is dus niet een erkend uitvloeisel,
of een vast bewijs van het aanwezig zijn eener doodelijke kwaal. Dit
te weten is hem genoeg. In de geliefkoosde overtuiging dat Jacoba,
ofschoon zij niet tot de sterksten behoort, "gezond van harte" is,
werd de vader opnieuw en krachtig versterkt. 't Komt uit zooals hij
vermoed--of in stilte gehoopt heeft: de overspanning van het oogenblik
heeft zijn dochter die "onpasselijkheid" bezorgd, en, zullen die
malle kuurtjes zich niet herhalen en alzoo het delicate gestel op den
duur niet verzwakken, dan dienen alle sterke inspanningen vermeden
te worden, en moet Coba vooral _niet meer zingen_. In den laatsten
tijd was ze altijd minder goed wanneer ze gezongen had.

"Je bent het volmaakt met me eens Helmond. Ik wist vooruit dat er
geen kwaad bij was, maar, zonder je eens te hebben gepolst, rekende
ik mij vis-à-vis Coba niet geheel verantwoord.--Komaan, ze zal ons
met de thee wachten; maar--doe jij me nu één plezier en secondeer me
als ik haar goeden raad geef. Dat zingen en gillen, waarachtig dat
deugt niet--niemendal!"

Helmond kent zijn pleegvader. Hij vindt het onnoodig om hem, en zonder
dat hij als dokter iets met zekerheid bepalen kan, de zoo gemakkelijk
herwonnen gerustheid opnieuw te benemen. Hij besluit in stilte, om
Jacoba aan de theetafel ongemerkt eens wat nauwkeuriger waar te nemen;
haar zoo noodig goeden raad te geven, en wanneer er méér reden tot
bezorgdheid mocht zijn dan hij nu vermoedt, om haar dan--al moest
het ook in stilte wezen--met zorg te behandelen zoodra hij van zijn
reisje zal zijn teruggekeerd.

Ternauwernood is de generaal met zijn neef in de huiskamer gekomen,
waar Coba voor het tweede venster aan de theetafel zit, of hij zegt
terwijl hij even bij haar stilstaat:

"Zie je wel klein ding, August is het heelemaal met me eens. Nietmeer
van die kunsten hoor!"

Terwijl Jacoba's bleek gezichtje met een blos wordt gekleurd vraagt ze:
"Wat bedoelt u papa?"

"Wel, met dat onbesuisde zingen. Helmond geeft me volmaakt gelijk dat
jou persoontje niet voor al die krachtsbetooningen en hooge noten in
de wieg is gelegd."

"Maar pa, dat zingen...."

"Ja lieve kind, dat doet je wél kwaad; de heele muziekboel doet je
kwaad. Als je zoo'n uur op de piano hebt zitten tamboereeren, en
vooral na de les, dan kan ik 't je aanzien dat je moe bent. Laatst
nog beefde je hand toen je me 't kopje gaf."

"Dat was na den _Erlkönig_ pa, en dat stuk....!"

"Ja dat is onverstandig kras, ik zeg _bepaald onverstandig_! Hoor
eens lieve nachtegaal, August geeft me volmaakt gelijk dat je je
versterken en je gestel niet door overmatige inspanning ondermijnen
moet. Niewaar August?"

"Zeker Coba, oom heeft me gezegd dat je eergisteren...."

"Ja, ik heb August je kippenkuurtje van Dinsdag eens verteld. 't Kwam
zoo ter sprake. 't Was niets niemendal. Maar, een tienponder kan geen
kogels van een dertigponder verwerken. De mensch moet leven naar de
mate der kracht die hem geschonken is! Zelfs nu nog, als _ik_ den
Zonsberg met m'n zeventig jaren beklim, dan behoef ik niet te rusten,
maar jij met je constitutie, je moet het driemaal doen. Zie, zoo moet
je het in 't generaal aanleggen, indien je komen wilt waar God je
voor geschapen heeft, dat wil zeggen tot je ouden dag; en als je dat
niet doet, en je nog gaat overschreeuwen erbij, dan, waarachtig, dan
ben je je eigen revolver. August denkt er precies zoo over. Niewaar?"

"Ik ben het zeer met oom eens Coba, dat je _niet te veel_ van je
krachten moet vergen."

"Maar pa, u hebt zoo dikwijls gezegd dat bijvoorbeeld een soldaat
door oefening...."

"Beste kind, in disputeeren heb ik geen lust. Van soldaten
spreken we niet. Als je me met je lief gezichtje zoo wijsgeerig
aan mijn militair herinnert, dan zou ik 't allereerst op _commando_
en _discipline_ komen, en je weet wel dat ik japonnetjes nooit als
soldaten behandel. Ik hoop dat je uit overtuiging en uit liefde voor me
doen zult, 'tgeen August volmaakt met me eens is dat je doen _moet_,
en als deskundige van je verlangt. Donerie zal vooreerst niet meer
komen. Piano en zang dienen een tijd lang te rusten. Voordat August op
reis gaat, moest je hem en mij dat beloven. Zul je? Als we dan verder
goed versterken; veel de lucht genieten--liefst op de vlakte--dan
twijfel ik niet of hij zal bij zijn terugkomst moeten zeggen dat je
er beter uitziet. Want ja, een beetje bleek zie je toch wel."

Jacoba is bij de laatste woorden van haar vader beurtelings rood
en doodsbleek geworden. Meesttijds weet ze zich zonderling goed te
beheerschen. Men zal niet licht bespeuren wat er omgaat in hare
ziel indien zij het noodig oordeelt, het voor haar dierbaren te
verbergen. Nu echter was het haar een oogenblik te machtig.

"Muziek en zang zijn mijn liefste uitspanningen. Waarom moet ik u en
August.... beloven....?" zegt ze op bewogen toon terwijl er tranen
blinken in haar zachtblauwe oogen.

Van Barneveld heeft niet geantwoord.

Die kijkers staarden hem aan als van een aangeschoten ree. Dat was
den _generaal te machtig_.

"Coba, oom wil je volstrekt je genoegen niet ontnemen; hij vreest
alleen dat het je nadeelig zal zijn."

"Als het _beter_ is dat ik niet zing en speel August, en vooral als
ik er pa genoegen mee doe, dan kan ik het laten;" zegt Jacoba terwijl
ze door een zekere bedrijvigheid bij het inschenken van de thee, den
strijd tracht te bedekken dien het bedaard gegeven antwoord haar kost.

"Fiks gesproken Coba!" zegt de generaal.

Weinige oogenblikken daarna verlaat hij de kamer om in de serre een
kijkje te nemen, of.... met de heimelijke hoop misschien dat August
gedurende zijn afwezigheid, Jacoba nog eens ondervragen en verder
goeden raad, ja, zoo het noodig mocht wezen, een "mengsel uit den
medicijnwinkel" zal geven. Coba zag toch erg _erg_ bleek, en die
kippenkuren konden terugkomen.

Helmond kent zijn pleegvader. Hij ziet hem de kamer verlaten en--straks
is de deur weer gesloten.

"Heb je nooit pijn op de borst Coba?"

"Nee August."

"Kun je goed ademhalen. Zóó--diep, _diep_ ophalen? Probeer het
eens flink!"

Jacoba voldoet aan Helmonds verlangen, doch met een afgewend gelaat.

"Ja 't is wel vreemd dat ik nu juist op mijn laatsten bruigomsdag
hier bijna aan 't praktizeeren zou raken. Tot nu toe was ik zoowat
de drop-en-kamille-dokter van 't huis. Maar je zult het ondervinden
dat ik heel gemakkelijk voor mijn patiënten ben; en, als ik ze
liefheb zooals mijn beste zusje, dan moeten ze in een heel klein
poosje weer van zessen klaar zijn. Aan jou Coba, is echter voor
't oogenblik gelukkig niet veel eer te behalen. Oom maakte zich
om dat kippenkuurtje eerst wel wat ongerust, en ofschoon er naar
't me voorkomt volstrekt geen kwaad bij is, zoo noem ik het heel
verstandig dat je--ook om zijnentwil--een veertien dagen zijn raad
wilt volgen.... Mag ik je pols eens eventjes...... Wat de muziek en
't zingen betreft lieve kind, daar zal op den duur volstrekt geen
bezwaar tegen zijn." Helmond drukt den pols wat sterker, en vervolgt:
"Nu Donerie wat ongesteld is komt het juist goed om je naar papa's
wensch te voegen en wat vacantie te nemen."--Hij ziet Coba die zich
heeft afgewend, nauwlettend van terzijde aan; laat den pols varen;
vat hare hand, en zegt na een oogenblik stilte:

"Vertel me eens heel oprecht beste zusje, is er iets dat je
hindert?--Heb je misschien 't een of ander dat je droefgeestig
stemt? of...."

"Ik August?--Wel nee!"

"'t Kon wezen Coba. De booien zijn soms onaardig. Weegt het bestier
van de huishouding je ook wat zwaar?"

"Nee August, volstrekt niet."

"Toch komt het me voor...."

Jacoba trekt haar hand uit die van Helmond, en zegt op sterker toon
dan ze gewoonlijk spreekt:

"Ik heb niets, volstrekt niets dat me hindert August. Alleen maakt het
me zenuwachtig als men zooveel notitie van mij neemt. Ik heb laatst
wat hard gezongen onder 't klimmen. Als men verdriet heeft dan zingt
men zoo niet.--Nu, toen ben ik van overspanning wat raar geworden. Als
mijnheer Donerie ziek is dan kan ik vanzelf geen les nemen en is dit,
zooals je wél zegt, een geschikte vacantietijd. Is....--Je wilt nog
thee?--Is.... se--wat ik wou zeggen, ah--is mijnheer Donerie _ernstig_
ongesteld? 't Zou me niemendal verwonderen als die man eens erg ziek
werd. 's-Winters kleedt hij zich onverstandig dun; bijna nooit een
overjas aan. Zeker een zwaar gevatte kou....?"

"Ik geloof niet dat het veel te beteekenen had. Hoofdpijn. Wel mogelijk
gevatte kou;" antwoordt Helmond zonder er veel bij te denken, want hij
meende zeer goed te bespeuren dat Coba naar Donerie's ongesteldheid
informeerde terwijl geheel iets anders haar vervult.

"Ik begrijp niet waar pa blijft;" zegt Coba terwijl ze opstaat en
met afgewend gelaat zich voortspoedt naar de deur.

"Coba! Jacoba!"

"Is er iets August?"

Hij staat vóór haar; ziet haar fiks in de oogen, en haar fijne
vingertjes vattend zegt hij kalm:

"Zusje, als daarbinnen verdriet of hartzeer woelt, dan zijn wij
dokters met onze medicijnen niet in staat de kwaal te genezen. Dat
_verdriet_ of _hartzeer_ moet worden weggenomen. En wat dunkt je zou
ik nu--_zelf_ ten toppunt van geluk--mijn lieve pleegzusje met een
vroolijk hart kunnen verlaten terwijl ik vermoed dat zij iets heeft
't welk haar niet gelukkig maakt, of dat haar hindert althans; dat er
werkelijk iets anders is 'tgeen haar gestel zou kunnen ondermijnen
dan muziek en zang zelfs bij 't bergen klimmen? Coba ik heb je goed
bekeken. Men ziet het maar zelden wanneer je iets wat je grieft of
smart, verbergen wilt. Maar ik zeg je nu, dat je 't een of ander te
onderdrukken zoekt; misschien al sedert lang, en ten koste van je
gezondheid. Als de oorzaak van dat verdriet wordt weggenomen Coba,
dan zul je waarlijk weer veel flinker zijn. In één woord, zeg me wat
je hebt. Straks spreek ik met oom.--In de stemming waarin hij nu is zal
hij alles toegeven; ja, al moest hij den ouden Willem of Betje wegjagen
indien ze je hier in 't een of ander den voet dwars durven zetten,
hij zou het doen. Oom ging naar de stad wonen als ik hem zei dat de
stilte je hier onaangenaam werd en kwaaddeed. Dus, beste kind...."

"Ik dank je vriendelijk voor je belangstelling August, maar je
hebt het mis. Niemand ter wereld heeft mij eenig verdriet gedaan,
en _De Zonsberg_ is het liefste plekje dat ik ken. Zul je pa eens
inschenken? Ik moet even naar boven."

"Niet te haastig, niet te haastig die trappen op!" roept de
generaal zijn dochter na, en dan binnentredend tot Helmond, alsof
hij overluid een straks afgebroken gedachtenloop vervolgt: "Wat me
óók zeer waarschijnlijk voorkomt August, het is dat Coba meer dan
ze toonen wil gevoel van je huwelijk heeft.--'t Ligt in den aard
der zaak dat je niet meer zoo dikwijls zult hier komen en dat ze je
dikwijls zal missen. Coba houdt veel van je, August. Bij al wat we
nu te observeeren hebben, zal het haar mede goeddoen dat die zaak nu
morgen maar afloopt. Ze wil voor geen werelds-geld thuis blijven. 't
Zou misschien beter zijn...."

"Dat geloof ik niet oom; afleiding is goed, en ik zal morgen bijtijds
een klein fleschje zenden waarvan ze een paar keeren vóórdat u
uitrijdt, gebruiken moet."

Hendrik de huisknecht annonceert op dit oogenblik met een ternauwernood
onderdrukten glimlach: "Mijnheer Kippelaan!"

"Er is belet Hendrik. Zeg zeer beleefd aan menheer Kippelaan dat ik
iemand bij me heb met wien ik moet spreken.... iemand die.... uit de
stad moet, die.... Ik kan den man niet ontvangen."

Weinige oogenblikken later komt Hendrik terug, en zegt dat mijnheer
Kippelaan juist het allermeest is gekomen om den persoon dien de
generaal bij zich heeft: "Hij wilde dokter Helmond zoo bijzonder
graag eens eventjes spreken."

"Ben je zijn dokter August?"

"Ik zou bijna zeggen: helaas ja!"

"Laat menheer binnen Hendrik."

Mijnheer Kippelaan struikelt de kamer in; ziet naar den dorpel om,
en dan met een buiging:

"Serviteur je excellentie. Nee ik derangeer u niet; nee waarlijk niet;
't was maar om eventjes.... Ah! comment va Helmond; altijd wél geweest
sedert ik 't plezier had je van morgen....?"

"Neem even plaats menheer Kippelaan;" zegt Van Barneveld met
een aanwijzende beweging der hand, waardoor hij die hand voor een
verovering van den bezoeker zoekt te vrijwaren. Doch, Kippelaan heeft
zijn prooi reeds bemachtigd en dubt er mee op en neer.

"Pardon, pardon excellentie, ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten
u nogmaals van harte, van harte...."

"Ik dank je menheer;" zegt Van Barneveld terwijl hij tamelijk
militairement zijn hand uit den kerker bevrijdt.

"Kwalijk genomen?" herneemt Kippelaan met vergoelijkenden lach:
"Jawel jawel, u hebt het me kwalijk genomen dat ik u na onze
laatste ontmoeting op de receptie niet bezocht. Ja ja, 't is slecht
van me, heel slecht. Ik maak het grof met iedereen. Mijn neef de
professor in Leiën heeft laatst ook al geklaagd dat ik hem heelemaal
negligeerde. Och ziet u, zóó ben ik; maar ik informeer nu allereerst
naar juffrouw Van Barneveld. Welvarend niewaar? Ochkom, dat doet me
plezier. 't Zou ook jammer zijn voor het feest van morgen. Perfect
idee in _De Gouden Arend_. Uitmuntende visch! Zeker half-twee aan
tafel? Déjeuner niewaar? Geen muziek zou ik denken? Begrepen! stuitend
voor de conversatie, en...."

"Menheer Kippelaan, we zullen maar eens open met elkander praten...."

"Welzeker je excellentie, daar hou ik van. Op een kleine plaats
moest men over 't algemeen minder gesloten, en meer joviaal en open
zijn. Ziet u, ik zeg wat ik denk; geef me zooals ik ben. Rond,
weet u...." Vluchtig opstaande, buigend, en weer plaatsnemend:
"Militairement!"

"'t Schijnt dat u de militaire usanties...."

"O zeker, men heeft mij dikwijls gevraagd of ik geen officier
was--in politiek weet u; en maçon; ik was op-en-top maçon, want de
maçonnerie is alleen jovialiteit: Och dat is het geheele geheim,
niets anders. Dikwijls aangezocht om lid te worden; maar excellentie,
ik was het zonder dat ik het was. Ziet u, ik hou van _open_, _rond_!"

"Wij beiden hebben onzen dokter te spreken menheer. Wilt u zoo goed
zijn mij vóór te gaan.--Wanneer het geheim is August, ga dan in
de zaal."

"Duizendmaal excuus! Volstrekt niet. Geheimen in geen geval; en
wat vóórgaan betreft je excellentie, indien u haast hebt dan zou ik
dokter als we samen terugwandelden niewaar, zeer goed kunnen zeggen
'tgeen ik te zeggen heb niewaar? Ik dank uw excellentie anders wel
voor de groote beleefdheid om mij...."

"'t Is geen beleefdheid menheer. Ik maak wat haast omdat we onzen
tijd noodig hebben. 't Zijn familiezaken die we moeten afdoen. Wilt
u dus zoo goed zijn mijn neef te volgen?"

"Familiezaken! O welzeker je excellentie. Maar wat _ik_ aan mijn
vriend Helmond te zeggen heb is wel bepaald in vertrouwen, maar
toch--nee nee pardon generaal, pardon, voor u is 't in 't geheel geen
geheim. Pardon!--Je moet dan weten Helmond, dat ik van morgen nadat ik
't plezier had je te zien, nog even bij den goeden majoor Kartenglimp
ben geweest. Perfect mensch! Onder heeren! Open! O!--Was ijselijk
amicaal met me; Kippelaan voor en na. Maar hij gevoelde zich toch
zeer ziek. Was fameus met je ingenomen--droppels of poeders daar wil
ik afwezen. Enfin, was bang voor een beroerte--_dit_ was het geheim;
ziet u excellentie, maar onder ons niewaar? Ook niet plezierig een
beroerte. Mijn neef de professor...."

"Heeft de majoor je een commissie voor me opgedragen Kippelaan?"

"Met je verlof, met je verlof dokter; commissies opdragen, zieje,
dát is wat kras, maar...."

"Neem me niet kwalijk; heeft hij je verzocht om mij....?"

"Dat juist niet; ik heb de gaaf om--ja hoe mag ik het noemen; te
_voelen_. Ziet u excellentie, dat is een voorrecht. Ik weet wat de
Lieder ohne Worte zeggen. Dat voel ik! Ik begrijp, en dat doen de
minste menschen. Als ik muziek lees dan lees ik een boek. Ja een
vers van.... _enfin_ vind ik niet zoo mooi als een blad muziek;
een quatre-mains lees ik liever dan een roman."

"Heeft de majoor u verzocht....?"

"Pardon, ik heb begrepen dat hij boos op je was. Ik ben rond dokter. Ja
hij was boos op je, heel boos, dat mag ik zeggen; en nu dacht ik: ten
bewijze dat ik Helmonds vriend ben, wil ik 't hem zeggen. Nu zei de
majoor--'t was à propos van je reis: als ik hem in tijd van nood maar
telegrafeeren kon. Dat was _juist_ gezien, niewaar excellentie? Mooie
uitvinding: Wil ik iets weten, ik weet iets!--Rondeman gezegd, nu had
ik een raad te geven. Schrijf me je adressen op, hê? watblief? Van
dag tot dag? Goed idee niewaar? Niemand heeft er mee noodig waar je
heengaat: maar als de majoor...."

"Voor 't geval Kippelaan, dat mijn thuiskomst volstrekt noodzakelijk
mocht zijn, heb ik maatregels genomen. Van Hake zal in overleg met
Biermans schrijven of telegrafeeren."

"Och-kom, Van Hake! zal die....!--Ah, hoe vaart u juffrouw Van
Barneveld?" vervolgt Kippelaan tot Jacoba die juist binnenkomt:
"Altijd wel geweest? Braaf feestgevierd dezer dagen? Ik ben verrukt
over 't mooie uitzicht hier. Magnifique niewaar? Die Rijn!.... die
landen _kust_ en _scheurt_ de dijken! 't Heelal verdeelt in ko...."

"Menheer Kippelaan, je zult me vergunnen dat ik me nu met mijn neef
absenteer. Als je nog een oogenblik wilt rusten, mijn dochter zal je
gaarne een kop thee schenken. Vaarwel."

Toen Kippelaan een groot uur later vertrok, toen was hij bij uitstek
voldaan.--O, de ontvangst op _De Zonsberg_ was charmant geweest. Al
heeft hij dan tot heden geen rechtstreeksche uitnoodigingen voor
familiare diners of soirees gekregen, de ontvangst bewees genoeg dat
het een onwillekeurig verzuim, ja misschien wel een groot bewijs van
delicatesse geweest is. 't Was hem in den aanvang moeielijk om die
delicatesse geheel in overeenstemming te brengen met de handeling
van den generaal, toen hij zich met Helmond ging verwijderen, en hem,
"ten sterkste animeerde" om alleen met juffrouw Coba te blijven. Maar
later, ja, grooter blijk van sympathie en waardeering heeft de generaal
niet kunnen geven. Alleen met personen met wie men op een familiaren
voet wil zijn, handelt men zooals de generaal heeft gedaan; heelemaal
in den geest van hun gesprek.... sans gêne, rond, joviaal!

En juffrouw Jacoba! heeft zij hem een grooter bewijs van.... enfin,
kunnen schenken dan juist door die koele, geretireerde houding? 't
Mocht dan bij den "burgerlijken stand" en zelfs aan den generaal
bekend zijn, dat hij den elfden April zijn vier en veertigste
jaar is ingetreden, juffrouw Coba's terughoudendheid heeft hem wel
degelijk gezegd, dat ze hem--zooals iedereen--op 't allermeest voor
een zes en twintiger hield. O, welk een overheerlijk uur heeft hij
gesleten! Zeer timide heeft ze veel naar buiten gezien, enfin in
das Blaue hinein! en ze heeft zeer weinig gesproken; natuurlijk pour
la première fois! Maar, zoo 't een en ander heeft hij toch uit haar
allerliefste korte antwoorden kunnen opmaken; bijvoorbeeld dat zij
zich nooit verveelde als zij alleen was; en dat het haar pa zeker
bijzonder veel plezier zou doen als hij eens terugkwam wanneer papa
geen zaken had. O, o, die invitatie!--Voor het overige is Kippelaan
zeer tevreden over zich zelf. Hij heeft de overtuiging dat alleen
de "toonnuanceering zijner stem"--waarover men hem dikwijls vol
enthousiasme gesproken heeft--ook nu haar uitwerking heeft gehad. Toen
hij van 't geluk sprak 'twelk dokter Helmond met zijn geliefde "te
gemoet ijlde", in vergelijking van een lijdend herstellen zooals van
den majoor Kartenglimp of een doodelijk ziekbed, waaraan--zooals hij
vernam--de muziekmeester Donerie gekluisterd was; toen hij die weelde
des echtelijken geluks, in tegenstelling van zooveel lijden op dit
"werelddeel" had geteekend, toen heeft hij haar zien verbleeken
en ontroeren.--O Coba mijn!--Ja, zoo dacht Kippelaan toen hij bij
't heengaan--geheel in gedachten--Hendrik die hem uitliet de hand
schudde. Ja, nadat ik een drietal moest bedroeven en teleurstellen,
zal deze dan de vervulling der planeet zijn: "De zon zal het zilver
beschijnen en hetzelve aan u doen kleven." Zij was "bleekblank als
het zilver", en de _Zonsberg_ bescheen haar!

"Atjuus menheer Kippelaan!" zegt Hendrik, en Kippelaan eensklaps uit
zijn droomen ontwakend, verbeeldt zich dat hij op _De Zonsberg_ heeft
gedineerd; haalt zijn portemonnaie te voorschijn, zoekt en frommelt
en tuurt erin, en.... is verplicht Hendrik een gulden te geven, want
"de twee kwartjes" hij vond ze niet.

Enfin, Kippelaan heeft het er ruimschoots voor over; en wat dien
gulden betrof, als eenmaal het interessante bleeke kind--eenmaal,
jawel, generaals zijn ook sterfelijk--dan zouden immers de guldens
voor Kippelaan zijn "wat nu het zand was aan den oever der zee;
tenminste...."

Kippelaan die in 't schemerdonker vertrok, heeft nog eens even,
terzij van het huis een "blikslag" erop geworpen, want hij "kent
gaarne iets aan alle kanten".

Schuin in de hoogte ontdekt hij licht. De glimp uit het raam schijnt
op het gebladert van den meest vooruitkomenden eiketak. Juist onder
dien eik stond Kippelaan, en hij hoorde spreken.

't Was "letterlijk _niet_ te verstaan."--Nu werd het luider. Stil,
dat is de stem van den generaal. Hoor:

"Getrouwd.... met Chassé.--Citadel.... twee kinders."

Kippelaan vond het indiscreet; maar hier
onder den donkeren eik, wie zag hem! 't Was
aller-interessantst! aller.... aller.... interessantst! en hij
luisterde, en ving gedurende een groot half uur, misschien een
honderdste deel van de woorden op, die er binnen de kamer van den
generaal werden gesproken; woorden, waarop men den klemtoon te pas
of te onpas gelegd had. Binnen die kamer zelve vervolgt de generaal
tot zijn pleegzoon:

"Ja, toen je brave vader doodelijk getroffen in mijn arm den geest
gaf, toen beloofde ik hem, zoo ik gespaard bleef, dat ik je beiden
zou grootbrengen als mijn eigen kinderen. En heb ik dat niet gedaan
August? heb ik _dien andere_ minder liefgehad? 't Is wreed mij aan dien
knaap te herinneren, wreeder dan je denkt misschien. Had ik hem dan
laten studeeren om aanstonds, toegevend aan een dwaze rederijkersmanie,
zich te verslingeren aan een tooneelnimf van het laagste ressort! Had
ik hem dáárvoor mijn liefde betoond, om mij.... mij...."

"Beste oom, spreek hierover niet meer;" zegt Helmond dewijl hij ziet
hoe de herinnering aan 'tgeen zijn broeder deed, den ouden pleegvader
beroert.

"Waarom zijn naam dan genoemd August? Je wist immers dat ik ten
strengste verboden had om, in mijn bijzijn, over hem te spreken."

"Oom, Philip is mijn broer, en waarlijk hij had u lief. Slechts in
een oogenblik van opgewondenheid...."

"Opgewondenheid! Zwijg August. Dat hij mij zóó iets zeggen kon! Wanneer
ik me die woorden herinner; van _hem_ die woorden: "Man, als je één
greintje eergevoel in de borst hadt....!" God in den hemel, hij tot
mij! Zwijg, _zwijg_ zeg ik je; spreek me van den aterling niet meer."

"Ja oom, 't was zeker schrikkelijk slecht om u, den weldoener...."

"Slecht! er is geen woord voor te vinden!"

"De hartstocht voor dat meisje had hem verblind. Ik wil hem niet
voorspreken oom, maar uw woord is mij te zwaar; hem af te snijden als
een "rot lid;" hem nooit wat er ook zijn mocht, te mogen bijstaan of
helpen; hem te beschouwen als de adder die.... Oom, in godsdienstige
begrippen verschillen wij veel, maar als u vasthoudt aan wat
geschreven staat, dan moet u Philip niet vervloeken maar vergeven,
evenals God...."

Van Barneveld, de altijd waardige man, is nu aan de uiterste grens
van zijn geduld. Zich sterk beheerschend, schenkt hij zich met bevende
hand een glas water in, en, na een teug te hebben gedronken, herneemt
hij--aanvankelijk kalmer:

"Over onze godsdienstige denkbeelden spreken we niet August. Ik wil je
alleen herinneren, dat ik aan een heilig, maar niet aan een weekhartig
God geloof. Daar is een _verdoemenis_! De bokken zullen van de schapen
worden gescheiden. Wie God veracht, gaat verloren; voor eeuwig! Geen
Genade!--In Gods geest handelt de krijgsoverste als hij een verrader
den kogel geeft; als hij opstand--insubordinatie--straft met den
dood.--Het ongedierte vertrap ik vrij met den voet. En, als ik nu
den ellendige vervloek dien ik liefhad en wéldeed; de adder die me
zeggen durfde: "man, als je één greintje eergevoel...." God in den
Hemel!.... zoo iets moest men niet opwekken, zoo iets...."

Bij Van Barnevelds laatste woorden heeft hij de tafel door een hevigen
vuistslag doen dreunen. Toen zijn stem bleef stokken, is hij opgestaan,
en, zichtbaar fel bewogen, loopt hij een paar malen de kamer op en
neer, ofschoon zijn haastig tasten naar de waterkaraf, en het nogmaals
drinken--nadat Helmond hem snel heeft ingeschonken--zeer duidelijk
verraadt dat hij den storm in zijn borst tot bedaren wil brengen.

"Oom, uw toorn is rechtmatig, ik weet het!"

"Ha zoo, als men dat maar bedenkt."

"Ik vraag u niets voor.... hem. Ik wilde u alleen herinneren, dat
hij mijn broer is, en mijn broeder kan ik niet haten oom."

"Ik wil niet over hem spreken. Hem te haten gelast je niemand. Zijn
naam wordt in dat stuk niet genoemd."

"Maar de bedoeling ervan....?"

"Is duidelijk genoeg: Nooit meer zal hij iets genieten van 'tgeen mij
heeft toebehoord. Ik dacht August, dat je stilzwijgend mijn bedoeling
zoudt verstaan en gebillijkt hebben."

August Helmond staart op het schrift, 'twelk de oom hem straks ter
onderteekening had aangeboden. Ofschoon men den jongen dokter wel
eens andere verwachtingen had voorgespiegeld, wanneer hij zijn keus
zou hebben gevestigd en in 't huwelijk ging treden; ofschoon men wel
eens heeft gefluisterd dat de generaal aan zijn pleegzoon een ton of
minstens een halve ton zou meegeven, zoo moest August erkennen dat
de oom het wél had gemaakt; wanneer men namelijk bedacht dat zijn
huwelijk met Eva Armelo geenszins Van Barnevelds geheele goedkeuring
wegdroeg, en hij zich in den beginne er zelfs met kracht tegen verzet
had. 't Was mooi genoeg dat Helmond--die alles wat hij was en bezat
aan zijn pleegvader is verschuldigd; die reeds een eigen huis bewoont
en van _De Zonsberg_ bij voortduring een stroom van weldaden in het
huishouden mag verwachten, dat hij zich van den dag van 't huwelijk
afaan, jaarlijks een som van driehonderd gulden zag toegekend--het
dubbele van 't geen hij, sedert hij dokter werd, ontving--terwijl
den echtgenooten telkens bij de geboorte van een kind, een bedrag
van honderd gulden was verzekerd.

Mocht de pleegzoon bij de inzage der gemaakte beschikking ook in
den aanvang eenige teleurstelling hebben gevoeld, die teleurstelling
heeft bij het verder lezen spoedig voor andere gewaarwordingen moeten
plaats maken. Immers, ofschoon de generaal wel meermalen heeft laten
doorschemeren dat August mede zijn erfgenaam zou zijn, nooit was daarop
zoo rechtstreeks gedoeld als bij de woorden, dat August Helmond aan
den _vroegeren huisgenoot_ nimmer iets zou schenken van 'tgeen den
pleegvader had toebehoord.--Was hem die meerdere zekerheid voor de
toekomst een hoogst aangename, het kon niet missen of de zeer gestrenge
bepaling ten opzichte van zijn broeder moest hem pijnlijk treffen.

Nog staarde Helmond eenige oogenblikken op het veelbeteekenend
geschrift. Toen zag hij eensklaps zijn pleegvader aan en zei:

"Oom, wij hebben onze moeder niet gekend. Zij was een zachte edele
vrouw."

"Is het je plan August, een nieuwe batterij te openen, laat dan
dat voornemen varen. Je moeder heb ik--zooals je weet--zeer weinig
gekend. Zij stierf twee maanden na den dood van mijn vriend. Zeker
moet ze lief en goed zijn geweest, want zij was de oogappel van je
vader. Maar August, al stond daar je moeder met "dien ander" voor me,
en al kwam zelfs je vader, mijn onvergetelijke Herman, met hem aan
de hand om een verzoening tusschen ons te beproeven, ik zou zeggen:
Gaat heen, want je weet niet wat je vraagt. Slechts verachting op
de wereld, kan misschien nog zijn vrijspraak bewerken voor den troon
des Almachtigen."

"Oom! voor u die anders altijd zoo goed voor hem waart, is dat
woord.... te hard, te...."

"Spaar mij August; wij menschen zullen eenmaal onze daden moeten
verantwoorden. Ik vrees niet dat ik de oogen zal behoeven neer te slaan
indien men "den ander" tegen mij over stelt. Nu genoeg hiervan.--Ik
wensch je naam onder dat schrift.--Zeer lang heb ik er tegen opgezien
om de zaak geheel en al af te doen. Dit moest vóór je huwelijk
geschieden. Ik wilde dat je je huwelijksleven zoudt beginnen met
eenige zekerheid omtrent mijn plannen. Weiger je deze verbintenis te
teekenen, welnu August, dan deed ik wat ik kon en 'tgeen ik verplicht
was, maar dan zijn wij elkander voortaan vreemd.... Heb ik me ook in
mijn oudsten pleegzoon bedrogen, August?"

"Oom!"

"Ik dacht niet dat je een oogenblik zoudt aarzelen. Je afkeer...."

"Ja oom, hij heeft zich schandelijk aan u vergrepen; maar, om mijn
woord te geven dat ik het kind mijner vroeg gestorven ouders, zoo
hij hulpbehoevend tot mij kwam, allen bijstand zou moeten weigeren,
omdat hij _eens_, door hartstocht en drift vervoerd, vergeten kon
wat onze weldoener voor hem deed: Nee, dát kan ik _niet_!"

De generaal, die den spreker met vorschend oog van onder de grijze
wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig--half met
zekere verruiming uit:

"Maar wie eischt dit!? Wie verbiedt of kan je verbieden, om anderen,
onverschillig wie ze zijn, bij te staan met het uwe! Wie zou het
recht hebben je te binden om met hetgeen je zelf zult verdienen,
naar verkiezing te handelen? Ik verzet er mij tegen dat "de ander"
ooit iets zal genieten van 't geen _ik thans het mijne noem_. Zou
je dan wenschen dat hij nog dieper zonk, en willen meewerken om zijn
zedelijk bewustzijn geheel te vernietigen door vurige kolen te hoopen
op zijn hoofd! Ik had niet gedacht August dat jij zelf er een oogenblik
aan denken zoudt."

"Maar alles wat ik zelfs nú bezit heb ik aan u te danken...."

"Niet je leven; niet je aanleg; niet je intellectueele kracht, die
je tot een zelfstandig man heeft gemaakt. Heb je nu de bedoeling van
dit geschrift begrepen?"

"Ja, oom.... en ik vergeet het niet."

"Je woord is er mij borg voor. Ja zelfs, ik ontsla je van de
onderteekening van een stuk waaruit je toch de rechte zin van mijn
wil niet duidelijk gebleken was."

Terwijl Van Barneveld het papier nu in kleine stukken scheurt alvorens
het in de scheurmand te werpen, gaat hij naar zijn secretaire; neemt
er een portefeuille uit, en telt dan honderdveertig gulden aan klein
bankpapier voor Helmond neer.

"Wil je eens nazien August? Hiermede sluit onze rekening.--Wat
de partij in _De Gouden Arend_ betreft; nu daartoe besloten
werd--misschien omdat men meent wederkeerig tot iets dergelijks
verplicht te zijn--nu wil ik niet dat ze daardoor in moeielijkheden
zullen komen, en vooral niet dewijl ik er zelf tegenwoordig zal
wezen. Jij hebt de zaak met den kapitein al bepraat, niewaar? Zorg nu
verder dat ze met _dit_--geheel in orde komt, en zonder dat iemand
anders daarvan wete." Dit zeggende heeft de generaal een muntbiljet
van vijftig gulden voor Helmond op de tafel gelegd.

"Oom, ik nam het voor _mijne_ rekening, omdat mijn lieve Eva op dat
déjeuner gesteld was, en zou dus gaarne, ofschoon incognito, morgen
uw gastheer blijven."

"Heel mooi gezegd: maar onze verhouding is van dien aard, niewaar,
dat je zonder bedenking aanneemt wat ik je presenteer? Tegenover het
publiek staat mijnheer Helmond als zeer verstandig, knap en zelfstandig
dokter; tegenover den generaal Van Barneveld als.... zijn volwassen
zoon! Is die titel je iets waard, dan neem je dit aan.--En dan,"
vervolgt Van Barneveld, terwijl hij een paar regels op een couvert
schrijft waarin hij terzijde, al pratend, iets uit de portefeuille
heeft gestoken: "En dan, ik weet dat een eerste consult niet goedkoop
en Parijs nog al duur is. Ziedaar!"

Helmond, die de hem zooeven geschonken vijftig gulden bij de
honderdveertig heeft geborgen, leest nu op het couvert: "Tweehonderd
gulden voor het eerste consult aan Dr. Helmond."

"Oom, uw goedheid....!"

"Ja dokter, zoo honoreer ik maar ééns, dat begrijp je. Nu, geen dank
meer. 't Is wél zoo, heel wel! Je weet dat ik je liefhad als mijn
eigen kind. En daarom ook August, vergun het den ouden man dat hij,
in naam van je besten vader, je nog eens op dezen avond aan een
vroeger gesprek herinnert:

"Ik begrijp u oom...."

"August, ik geloof niet dat het déjeuner in _De Arend_ zou worden
gegeven als je mij geheel en al begrepen had...!"

"Wanneer wij maar eens getrouwd zijn beste oom! Uw spreuk bewaar ik
als goud: Wijsheid zal ik mengen in mijn liefde. Maar waarlijk, mijn
Eva is zoo goed; en ijdel, nee, wat men ijdel noemt dát is ze niet."

"Heb haar lief met wijsheid August!--Zij zag er gisteren prachtig uit."

"Zult u mijn wijfje ook _liefhebben_ oom? Ja, ik weet het. U zult het,
evenals Coba; waarlijk, mijn engel verdient het!"

"Wie mijn _zoon_ gelukkig maakt die heb ik lief als een kind.--Komaan,
onze zitting heeft al te lang geduurd." Hij drukt hem met warmte
de hand.







VIERDE HOOFDSTUK.


Den volgenden dag was het "regen en wind." De tuinman van _De Zonsberg_
heeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden
ging en hier en daar een pijpekop op een gebarsten  plekje zette, toen
profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken
horizon, dat er "donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig
warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek
geweest."

'sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats
van warm, is het guur buiten.

't Is acht uren in den morgen.

Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in
militaire houding diens orders af te wachten."

"Om kwart over tienen vóór Willem."

"Zeer wel generaal. Met de koets?"

"Nee, met de vigilante."

"....Zeer wel generaal.--Toch 't koperen tuig?"

"'t Zwarte regentuig Willem."

"....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.--Nog iets van je orders
generaal?"

"Je brengt me eerst met de juffrouw naar 't stadhuis. Van daar rij
je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de
familie Armelo."

"Zeer wel generaal."

"Je rijdt dan bruid en bruidegom naar 't stadhuis, en wacht daar om
later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening
rij je ons, in twee toeren, naar _De Gouden Arend_, en dan, stapvoets
naar huis."

"Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?"

"Natuurlijk witte handschoenen."

"Natuurlijk generaal.--Met verlof generaal, als het weer nog wat
opknapt, neem ik dan de _koets_ en het _koperen_ tuig?"

"De controleur gaat naar veel regen en wind."

"Niets meer van je orders generaal?"

"Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn,
maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw
dan naar Briesborg aan 't station. Van daar kom je aan _De Arend_
terug, en rijden we weer mee naar _De Zonsberg_."

"Volgens je orders generaal.--Dus in geen geval de koets
of.... Opperbest generaal!" Bij de laatste woorden heeft Willem de
hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op
den wenk van zijn meester het vertrek.

--De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier
met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer
ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna
uit het zaal gelicht.



De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier
en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het
akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind
bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op,
't welk het voorbijjagend rijtuig van _De Zonsberg_ doet opspatten.

"August treft het slecht Coba."

"Droevig weer pa."

"'t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar 't stadhuis
reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte
aan goed weer op den trouwdag."

"'t Stemt vroolijker papa."

"Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd
dat het op dien Woensdag slecht weer was."

De wind stond op het raampje aan Coba's zijde. Ze kon niet naar buiten
zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs
het glas naar beneden. 't Was haar alsof ze tranen zag.

"Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?"

"Ingenomen?" zegt Coba verstrooid: "Ik geloof.... Nee ik heb het
vergeten pa."

"Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest
ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; 't was twee minuten over
den tijd. 't Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien
zelfs je bruidegom vergeten.--Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?"

In 't eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:

"O heel wel!" en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar
vader zat: "Zie, de lucht is daar nog erg donker. 't Is zóó wel
treurig vandaag."

Zeven minuten later reed de vigilante van _De Zonsberg_,--na den
generaal en zijne dochter aan 't Raadhuis te hebben gebracht, naar
het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner
aanstaande schoonouders vertrokken.



"Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!" zegt August Helmond,
en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva's sluier in wat
sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.

"'t Is een vigilante lieve!" zegt de bruid, die zich in haar ruischend
wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: "'t zal voor papa
en mama zijn."

"Nee beste kind, 't is heusch van _De Zonsberg_; zie maar, Willem
zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur."

"Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik
allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk,
en een begrafenis-tuig.--Nee maar dat vind ik bepaald ridicule."

"'t Is zeker omdat 't zoo regent;" meent Helmond tamelijk naïef,
en is door Eva's opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer
tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.

"Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een
rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen
"met de koets" trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat
is wat erg militairement."--Roepend aan de openstaande gangdeur:
"Pa! Pa-lief! Pa!"

Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaat naar
binnen.--Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft
toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen
die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft "als een gek." Die
nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien
jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de
kapotjas; 't is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!

"Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor 't front komen;
als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan."

Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als
deze--nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was--op allerlei
manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de
heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het
gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken
omdat een gewone zwarte hem--entre nous gezegd--te kras was; maar
in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De
generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de
"groote tiendaagsche ruzie" en den "vijf en twintigjarigen dienst"
toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa
evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.

Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht
niet stond--waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze
moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den
gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel
iets mocht toegeven--was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen
en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook
maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante van
_De Zonsberg_ dan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er
ook toe, of het een koets of vigilante was.

In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die,
ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als
zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten
op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis
naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was
alweder gescheld.

"O, zijn de rijtuigen daar?" zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even
in de gang komt om te berichten dat men vóór was: "Zeer goed, je zult
wel wachten;" en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter:
"Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei,
hoe indiscreet zijn de menschen!" Terwijl zij de voorkamer wil ingaan,
komt de genoemde Herman, een knecht uit _De Gouden Arend_, haar op zij,
en zegt:

"Menheer Siebold wilde een kistje van de _vier_, en drie pakjes
manilla's voor de partij hebben. De duiten present."

"Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein
is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?"

"Wat is er Marie?--Watblief Herman?" vraagt Armelo in de deur.

"Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla's,
Kapitein?"

"O wacht, met alle...."

"God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in
je militaire costuum!--Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen."

"Ik heb hier anders den sleutel;" zegt Armelo met het wapen vooruit.

"Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen
Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?"

't Is Eva's jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid
gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft
meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein
vertrekje in het achterhuis snelt.

"Wat is daar....?" vraagt Eva.

"Niets, volstrekt niets lieve engel;" zegt mevrouw Armelo op den
drempel.

"Ik zag daar Herman uit _De Arend_ ma. Is er iets.... van 't
déjeuner.... of....?"

"Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. 't
Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om 't zilver kwamen. Men durft
maar alles!"

"Ik zal het vandaag wel 't bontst van allen maken, en wat ik u ontneem,
ik breng het u niet terug;" zegt Helmond.

Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva
een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig
toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij
Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een
machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren
aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem
vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing
durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon
zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.

"Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!" zegt mevrouw met een
zucht: "maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart
altijd tevergeefs heeft gesmacht: een _zoon_, Helmond, een zoon die
ons liefheeft, niewaar?"

Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in
het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer
gevoel: "Wij vertrouwen u ons kind August!"--En dan: "Ha, daar is ook
_onze_ equipage!" Straks roepend in de gang: "Louise! mijn engel! ik
bid je, kom!"

De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der
bruid nog eenige minuten worden vertraagd.



Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich--en nu reeds
omstreeks een half uur--de generaal en zijn dochter, benevens de heeren
baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer
Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.

De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maar zou toch
zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met
in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet
dat mooie futuurtje van dokter Helmond op _De Zonsberg_ had ontmoet,
en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde--ja, ja, aanstaande
bruidjes willen dat wel--had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk
te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar,
een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had
gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn "belofte"
geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig
voorwendsel terug te trekken.

Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren;
zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in
Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus
in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij
zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek
model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp
van zijn pantalon--die mede geenszins nieuw was--juist tegen het
scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert
lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den
regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand,
waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks
hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond
in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst
zaten. Straks waren ze--evenals zijn broekspijpen van achteren--nog
geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte
heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu
zijn schoeisel dat het een lust is.

Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het
huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te
wezen, heeft wel eenige woorden met de "voorname heeren" gewisseld,
maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo,
den docent; en fluisterend--natuurlijk in zoo'n trouwkamer--zegt hij:

"Zeker pas gekomen? met de spoor?"

"Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de
spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure
alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd
als beweegkracht...."

"Ken je den oudste van die beide heeren?"

"Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met
het eenigszins roodere gelaat?"

"Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van
beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben
allebei grijze knevels."

"Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en
die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in
stilte blijft voor zich zien?"

"Juist!"

"Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de
families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen."

"Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen."

Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een
groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.

"Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld
bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?"

"Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?"

"De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen
zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.--Fameus pleizierig; 't zal
haar goeddoen."--Naar de deur ziende: "'t Jonge paar laat zich wachten
dunkt me."

"Ik begrijp niet wat er aan hapert;" zegt Van Barneveld vrij luid:
"'t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!"

"Misschien iets met de paarden;" meent dokter Wolf: "De keien liggen
hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z'n eigen den
poot moet verzwikken."

Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.

"Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven,
dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak...."

De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.

De bode van 't stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur
der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo,
met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche
stadhuis-kamer binnen.

Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En--'t
was een kloek, aristocratisch schoon paar.

De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.

Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om
te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid
wat al te veel tijd aan haar toilet besteed--een toilet welks élégance
en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama
Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje
over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.

Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen
beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte
nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van
den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral
bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat,
enfin--dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt
hij de vrijheid om de schoone bruid--die zich juist in een der
breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnen
kleed een weinig in orde schikt--een galant woordje toe te spreken,
'twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.

"Daar heb je 't al!" fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote:
"de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke
lacht er om; 't is geen smaak meer."

"Welzeker is het ton;" fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige
gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een
gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord
aan haar echtgenoot gegeven.

"Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna
onzichtbaar;" zegt Armelo.

"Dat is ook méér dan schandalig!" herneemt mevrouw nog zachter en met
droevig neergeslagen oogen: "wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeur
_generaal_ en ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om
zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij
promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij."

Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.

De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris,
treedt de trouwkamer binnen.

Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde--welke
buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het
bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat--die buiging is
een nommer op het programma, 'twelk burgemeester bij de "formeele
staats-koppelarij"--zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt--gewoon
is te volgen.

Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er
komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat
hij naar 't bordes en zegt--nadat hij eenige Romphuizer straatbengels,
die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd--tot
den koetsier van Siebold uit _De Gouden Arend_:

"Hoe liep het zoo laat Jozef?"

"Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te
spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat
je moeder je mores hêt geleerd."

"Niet eerder besteld?"

"Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant van _De Zonsberg_. Ze
zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles
wel beter vertellen."

Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen,
en 't was zeker niet naar 't behoorde, dat hij en Hendrik--zooals
ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten--bouguetten op de
borst hadden, terwijl Jozef uit _De Arend_--die ook in de haast geen
witte handschoenen heeft kunnen vinden--zelfs geen enkele bloem in
het knoopsgat heeft.

"Op zij jongens!" zegt Jut, en dan tot Willem: "Was de koets te orde?"

"Jawel."

"Waarom nam je dan de.... vieselant....?"

"Ingevolge m'n orders!" zegt de oude snorrebaard.

Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te
gaan. Burgemeester zal wel haast aan 't eind zijn. Op 't laatst begint
burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men 't in de gang wel hooren
kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je
't al:

"Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik
zeg dikwijls _verbasterd_, omdat lieden van beiderlei kunne zich
vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na
te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend
of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe,
die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst
nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al
die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak
op verschaffen mag."



't Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en
niettegenstaande het slechte weer.

Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was
altijd voordeelig. De Armelo's waren wel kaal, maar in alle geval
zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. 't Zou hem niet
verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid,
nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De
ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!

--"Nee juffrouw Sillemond, d'r zal vandaag geen orgel zijn; menheer
Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d'r al
lang geweest, want 't is al tien minuten over den tijd. En boek
juffrouw Sillemond? Asjeblieft!--Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar
zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.--Woudt u liever
in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet;
burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd
naar ik hoor.... U begrijpt dus...."

"Ja maar, zieje--ik, _ik_ ben gisteren nog den heelen dag op _De
Zonsberg_ geweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn
bruidje bij 't binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier
blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug."

"Maar m'n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten
bij 't inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan...."

"O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!" hij haalt
zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster
een fooi: "Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer
hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk
nemen.--Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?"

Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt
plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.

Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is
het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt
omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkens
richten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van
den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.

--Hoor, daar rollen de koetsen.

--Nu zullen ze komen!

--Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.

Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.

De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten,
vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een
sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.

--Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te
voorschijn.

't Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.--Maar 't is
geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!--Iedereen weet dat Eva
Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó--zóó is ze _prachtig_,
ja prachtig inderdaad!

Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan,
komen--mede twee aan twee--de familie en getuigen zooals ze reeds
te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. 't Is
een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van
Eva's wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn
nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij
den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.

Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik
van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar
verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.

Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste
toon is die de stilte verbreekt.

Het pad is lang.--Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij
eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner
gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die
zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend,
de woorden toefluistert: "Van harte.... van ganscher, hoor!--Menheer
en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!--Van harte, van harte!"

Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het
orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden,
een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond
en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam
hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij
zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon,
want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder
het orgel, was door een hekwerk--waarvan de stijlen op bronskleurige
lansen en dolken geleken--van het schip der kerk gescheiden.

Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de
orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk,
_dadelijk_ naar 't orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer
Donerie aangekomen.

"Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit."

"Zoo, Janssen.... Wil jij maar...." Donerie heeft den man een wenk
gegeven om naar boven te gaan.

En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en
dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.

--Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo
aanstonds....

--Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van
verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als
een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de
vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon
nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig
minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! 't Wordt tijd,
hoog tijd. Voort!

En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen
op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument;
de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand
het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke
vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkende hymne,
ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon
maakt den indruk in het ruim te sterker.

Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men
't hun aanzien dat ze getroffen zijn.

Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den
organist.--Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, 't was nu
lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van
goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel
als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen,
terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met
een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw
Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg,
en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O
almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken: Lieder ohne Worte!

En de hymne ruischte voort, en--het ruischen van Eva's wit satijnen
kleed kon men niet meer hooren.







VIJFDE HOOFDSTUK.


De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens
Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met
hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbonden
kostershuis begeven, om er, voor 't eerst zonder vreemde oogen,
begroet te worden als man en vrouw.

Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks
verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva
in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen
blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde
wezen, van _zijne vrouw_. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat
het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien
afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd,
ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst,
gesloten was.

Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva,
juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over
een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn,
indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.

Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar
begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had
getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig
door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen,
die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.

"Nee lieve August, volstrekt niet;" zegt Eva in antwoord op een half
angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas
verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen
den blik naar boven, waar, zooals 't haar toescheen, de orgeltonen
elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden;
en--ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en
donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat
hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....

"Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;" fluistert
Helmond.

"Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is
't heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!"

't Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te
meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de
kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft
toegesproken. Die koets uit _De Gouden Arend_ moest er schuld aan
zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.--Kleingeestig was het reeds
dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar,
bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat
regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken
als deze, wanneer de neef--het pleegkind van wien men zegt zooveel te
houden--den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer
hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne
mag noemen, dat in zulke oogenblikken de "liefhebbende pleegvader"
geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het
jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar
trouwkleed niet graag ineens bederven  wil, en daarom een schrikkelijk
beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de
plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.

"Oom heeft ons al op 't stadhuis gefeliciteerd Eva;" fluistert hij
terug op een aanmerking daarover van hare zijde.

"'t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;" herneemt
Eva: "Nee, 't is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren
neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomen
_lomp_! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen
maken."

Kippelaan die--dank zij zijn straks gegeven fooi--in de kosterskamer is
binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd,
hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het
nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling
nogmaals op alle manieren te betoonen:

"Tot in lengte van dagen hoorje!--Mevrouw Helmond, mijn enorm
compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel,
jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt 't me
kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel,
en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen. Parole! A-propos
amice! bekend dat ze in _De Arend_ gemeene champagneglazen hebben. Wil
je d'r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn
nog van mama's kant, de Parladotti's. M'n neef de professor had er
nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?"

"Dankje Kippelaan, dankje bepaald."

"Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins
de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal 'em gaan
vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.--Eerste
niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.--Nee,
nee, geen complimenten; met alle plezier.--Met den trein van drieën,
of....?"

Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg,
die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken--nu van
toga en bef ontdaan--de kamer ingetreden.

Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge
paar--van dien pleegzoon in 't bijzonder--ligt hem na aan het
hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen
pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd,
zeer ontstemd. 't Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden,
maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst
vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem
gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante van _De Zonsberg_ niet
voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer
Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva's moeder verijdeld, want,
onwillekeurig eenigszins in 't nauw gebracht, doordien hij van mijnheer
Wolf "den veearts" heeft gesproken, "wiens zwager ongetwijfeld die
fraaie verlakte laarzen had gemaakt", is hij mede tot de gemoedelijke
ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam
ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet
toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het
tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen
directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den
mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is;
als men dan--en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag--dien toeleg bij
de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva's toilet
nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker
nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft
op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot
de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar
'tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders--anders zou
hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven,
zoals hij er een aan het "ander ik" van zijn geliefden pleegzoon
verschuldigd is.

Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als
verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem,
ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt,
toch een zekere beroering verraadt:

"Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te
spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand
drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je
tot hen gesproken hebt.--'t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw
misschien, dat het huwelijksgeluk --ja alle geluk--in _waardeering_
bestaat. Zeer juist. De mensch mag--ik zou zelfs zeggen hij _moet_
met kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het
doe met geheele waardeering van 'tgeen hij goeds _bezit_ en niet
slechts van het _betere_ 'twelk hij elders ziet of meent te zien en
nooit zeker is te zullen verkrijgen.

"Jonge echtgenooten!" vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere
trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe:
"'t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten
Stichter onzer religie--onzen Heiland-- gesproken: "De liefde zij
ongeveinsd!"--Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreek _hier_,
als 't ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten;
hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in
de hand.--dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede,
maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent
voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon
bestaan dan zou ik zeggen _volkomen_ gelukkig! Laat dat zoo blijven,
langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel
zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders
dan _tevredenheid_. 't Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den
ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden
buit was overladen. Onder 't marcheeren barstte de ransel, en, niet
slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan
hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en
geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik
zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich
te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.

"August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand
waarin God je plaatste--het allermeest de vrucht van je eigen werk en
studie--zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat
jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt
wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam
zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat
haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het
koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde
krijgen in haar oog.--August, als een kind grijpt naar de vlam eener
kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en--heb haar lief."

"Oom, ik bid u," fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht
en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want,
met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva
doodelijk bleek is geworden.

Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt
het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na
aan 't hart!--Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den
grijzen soldaat in _deze_ ure een indruk zou kunnen maken, beslissend
misschien voor het geheele leven?--Maar juist: hij is oud; hij is geen
redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had
niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden
pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking
te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel
verschuldigd, dát verdraag ik niet.--En Eva's wit--witter dan haar
satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem
evenmin; en--of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen,
dat hem nogmaals van 't hart dreigt te scheuren wat hem lief is:
een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord
te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de
borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij
Eva's hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder
een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:

"God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats
in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden
gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor
is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon
van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid,
je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom,
geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik
zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat je hem gelukkig
zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar
een zoen....? Jawel--ziezoo...." En--de generaal omhelsde de jonge
vrouw van zijn geliefden pleegzoon.

Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts
zeer _zeer_ zelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat
hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon
dan daar straks een: "Dank u oom," heeft toegebracht, toen wendde hij
zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen,
dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke
oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan
hij uiterlijk schijnen wilde.

Zwijgend--als om den storm te doen bedaren--drukte Hoogerberg den
grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;

"Nee nee dominee, 't was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare
preek houden; maar ja, 't zou me knagen aan 't hart als ik den jongen
niet gelukkig zag."

De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk
een hartelijke omhelzing was besloten, voor 't meerendeel hoorende
niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten
van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den
zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van
de "gelijkheid der partijen" overtuigd was--"allemaal militair"--toch
heeft ze, toen de rijke heer van _De Zonsberg_ haar eigen Eva zoende,
mevrouw Van Hake die naast haar stond, in 't oor gefluisterd:

"O 't is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?"

Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om
een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat
ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat
de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van
zijn nieuwe nicht en "schoon-pleegdochter" ten aanschouwe van zoo
velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!

Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden
van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders
der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.

Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van
zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is
hij verplicht hier ook iets te zeggen: "Ja ja Marie, ik weet wel! Maar
't is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!" Na een korte aarzeling en
drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.

"Mijnheer Helmond!"--Omziende: "Watblief?--_Kinderen_ meen ik.... Eva,
enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de
geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens:
God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee...."

"Guns Armelo!--Hij meent de _wereld_;" fluistert mevrouw.

"Dat het niet goed was in de _wereld_;" verbetert de kapitein: "En
daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn
schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met
je nakroost.... enfin we weten d'r alles van niewaar.... in liefde
en vrede, en...."

Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij
later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, "ongewoon aan
die groote dingen op de borst", iets in 't oog heeft zien schemeren,
en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde--een
spin of zoo'n ding--heeft hij zonder nadenken er naar geslagen,
en was het haakje losgegaan, zoodat de "groote tiendaagsche ruzie"
voor het jonge paar op den grond is gevallen.

Maar 't was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den
schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu
ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.



Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem
door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar
druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten
glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes;
de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten
echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor 't grootste
deel verlaten omdat het--zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig
hebben aangemerkt--toch niemendal _gaf_ dan een _kletsnat pak_."

Behalve eenige straatjongens en meisjes--de laatsten met haar rokken
over 't hoofd--stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder
een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in
de trouwkoets verbeidden. 't Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed
jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden
geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op
"een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken
was".--Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft
pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.

"Piet, als je eens iets uitvondt;" zuchtte het meisje heel zacht.

"Ja, Marietje," zuchtte Piet weerom: "als ik eens iets uitvond; maar
_wat_!?" en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt
van zijn parapluie naar omlaag stroomde.



De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine
orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige
plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een
looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs
het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge
trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt,
toen heeft hij strakker getuurd; maar--een rouwfloers heeft hem het
uitzicht benomen. 't Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee
men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen
was het een rouwfloers, en slechts op 't laatst, bij 't verdwijnen
in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken. 't Was
haar kleed...--De lijkkoets?--Nu ja de _trouwkoets_! hij dacht aan
rouwfloers, en men vergist zich dan licht.

Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de
regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het
deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het
loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O
dat bonzen, dat bonzen!

Op zijn kamer teruggekomen waar zijn "twaalf uur" als naar gewoonte
gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te
houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn
gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is
geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en
gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde--na zulk een concert!--Nu is
't alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen
zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!

Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood
eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.--Eten? hoe zou het
hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie,
nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.--Als hij opstaat dan
zal dat beter worden.--Ja, zoo is het.--Wacht, hij moet den sleutel
van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire
hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten;
dat zal toch beter zijn.--Nu is de secretaire geopend.

--Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien;
neen,-ja.--Het binnendeurtje was al open.

--Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een
ander....? Hahaha!--Wie lachte daar, wie?--Goede God, hij zelf heeft
zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.--Wat deed hij ook met
dat portretje in handen! Weg, _weg_ er mee! Waar is dan de kracht;
waar het verstand!--Wáár ze zijn....? _Hier_, _dáár_, _hier_! Hier
zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie's brandende vingers, ze
scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind,
in kleine,--ja zie maar, in zeer kleine stukken.

Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles
kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die
bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der
bruisende luchtzee. En zie--als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op;
en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te
gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.







ZESDE HOOFDSTUK.


Ofschoon het déjeuner in _De Gouden Arend_ in vele opzichten
der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl het
verschil  van maatschappelijke positie der gasten overvloedige
stof tot karakterstudie bood;--een kwalijk verbloemde onrust van
het bruidspaar, en het gedurig heimelijk op zijn horloge zien van
den generaal, werken--misschien wel gelukkig--aanstekelijk, en,
wie er van de gasten of misschien van de bedienden lust in heeft,
hij moge van het déjeuner vertellen, een déjeuner, zóó rijk en zóó
netjes als er in _De Gouden Arend_ nooit te voren een gegeven was,
doch wij--we zwijgen ervan. Misschien droeg de voortreffelijkheid van
het déjeuner er toe bij om de onrustige neergedrukte stemming van den
generaal te verhoogen; hij mocht zich althans overtuigd houden dat
hij gisterenavond met de vijftig gulden zijn berekening als gastheer
slecht gemaakt had.



De reiskoffers der jonggehuwden zijn reeds vroeger in twee
afzonderlijke vertrekjes van het logement gebracht. In die vertrekjes
zullen ze zich nog haastig verkleeden, om er mede aan ouders of
betrekkingen die, evenals zij, tersluiks den feestdisch zullen
verlaten, een zoen of handdruk ten afscheid te geven. Van Debeckes
laatste vleiende, een weinig ondeugende woorden aan den feestdisch,
heeft Eva volstrekt niets gehoord. August had haar zooeven zeer
zachtjes toegefluisterd:

"'t Is over halftwee; we zullen nu maar ineens, zoo ongemerkt...."

"Dan moet jij maar 't eerst...." heeft Eva teruggefluisterd.

Eva glimlachte naar Debeckes zij, zonder echter te weten waarover hij
sprak, en ving tegelijk van zuster Louise een hartelijk knikje op,
'twelk ze beantwoordde, maar zonder juist veel aan 't zusje te denken
dat ze wel liefheeft maar, dat toch altijd zoo iets.... zoo iets heel
anders heeft gehad.

"Jawel, daar broeit iets Louise;" zegt Thomas Van Hake, die naast
Louise Armelo zit.

"Nee guns, nóg niet. Zie maar, Helmond eet nog chipolata."

"Ja maar, 't is halftwee, en.... Wil je een stukje van de taart
Louise?"

"Een heel klein stukje. Nee nee, foei! een beetje kleiner." En dan
eensklaps met het oog naar het midden der tafel: "Guns, zie, ze zijn
al gevlogen; hun stoelen staan leeg!"



Toen de Romphuizer groote torenklok het klikke over tweeën deed
hooren, waren de koffers der jonggehuwden reeds op de vigilante van
_De Zonsberg_ geladen, en voor den fellen regen door een lederen
kleed bedekt. Willem en Hendrik hadden nu, op bevel van den generaal,
hun regenjassen aan. De oude koetsier--die "vrij wat meer parade op
den bok dan op de been maakt"--zat, recht als een kaars, regen en
storm te tarten, even kordaat als "de groote keizer" weleer de rampen
braveerde van een bloedigen krijg. Een knecht uit _De Arend_ heeft,
met de hand aan het portier bij de vigilante postgevat. Hendrik,
die de parapluie moet droog houden, staat in de voordeur, en werpt
nogmaals een blik in de breede hotelgang.--Boven moeten er ramen of
deuren zijn geopend, want eensklaps zuigt een geweldige tocht, zoodat
een openstaande zijdeur in het voorhuis met kracht wordt dichtgeworpen,
en de ganglantaarn schudt, en de pui-glazen rinkelen van den slag.

Er klinken voetstappen op de trap en in het achterhuis.

In het halflicht van de vrij donkere gang beweegt zich nu van verre
een kleine groep. In 't midden ervan bevinden zich twee personen, die
niet rechtstreeks onderscheiden wie het zijn die hen nog om strijd
de hand drukken. De groep nadert, en schijnt eensklaps vaneen te
scheuren. Uit haar midden komen ze snel naar voren, de beide personen
die men zooeven ten afscheid de hand gaf.

Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te
steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en
voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het
bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag
slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar
echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt,
dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en
weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.

"Helmond! Hel....mond!" roept een vrouwenstem op den natten dorpel
van _De Gouden Arend_. De geroepene ziet om. 't Is mevrouw Armelo die
met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen,
storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.

Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht
overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich
schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen,
gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:

"Hadt u nog iets mevr.... mama?"

En mevrouw Armelo _had_ nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden
zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna
onhoorbaar:

"Och August, zul je bedenken dat ze mijn _mijn_ kind is! O zul je,
zeg!?"

August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk,
ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva
bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar geluk
zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een dochter
van háár of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste
twijfel bestond--'t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.

Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het
laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem
opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu
was hij alleen--alleen met zijn wijfje!



--Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?

"Eva! mijn engelachtig vrouwtje!"

Zij antwoordt niet.

Stil, ze schreit. 't Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel
aan haar zelve overlaat.--Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden
op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja
allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts
kent uit gulden dagen.

Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt,
en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds
er mee te bewerken dacht.

Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij,
zal haar wel goeddoen.

"Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de
zij waar geen wind is?"

Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:

"Och.... 't is.... mij...."

"Zeker _goed_ niewaar?" vult Helmond aan: "Ja 't zal beter
zijn.... Wacht!"

Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder 't
schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok,
en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.

Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende
middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet
kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug;
legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.

En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend
snikken wordt sterker.

In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te
Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men
het haar straks terdeeg kunnen aanzien; 't publiek maakt zoo spoedig
zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel;
haalt haar nader tot zich, en dan;

"Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?"

Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en 't klinkt met een nokkenden
zucht:

"Och.... August!"

"'t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven,--mijn
_eigen aangebeden_ vrouwtje!"

Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan,
en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.

Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig
noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid
en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond
niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen
brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: "'t zijn bijzondere,
heel bijzondere oogenblikken." En ofschoon Eva zichzelve dan ook
geweld doet om dien "dwazen tranenstroom" te bedwingen--misschien
dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren
zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en
spoorwagen denkt--telkens overmeestert haar weer dat "onverklaarbare"
't welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze:

"Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe
het.... komt.... en toch...." Eva kon niet eindigen. "En toch, ik
ben zoo gelukkig;" heeft ze willen zeggen.

Maar dat _geluk_ was immers de _oorsprong_ dier tranen niet. Velerlei
gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fiksche natuur
als de hare een oogenblik van streek te brengen.--De zekerheid dat
ze heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar
een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend
afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl
den blos van het aangezicht verjaagd en met ernst hebben vervuld,
doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere
oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.

Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij
zich geweld aandoen.--Den ganschen dag heeft Eva zich beheerscht om te
schijnen wat ze niet was.--In het oog van allen die haar zagen moest
ze de heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen,
waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft
ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de
vreugd van dezen dag misgunde, en voor 't meerendeel de hulde onthield,
waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het
zeker: 't is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die
zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand
heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid,
dat die man met zijn streng--misschien aristocratisch voorkomen, een
schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij
op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het
liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. 't Is
slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends
over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar "de
laffe vleierij van zulk een oud man"--in 't geringste aangenaam was;
neen, maar 't heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken,
den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op
las: Wat zou in 'shemelsnaam zulk een _toilet wel gekost hebben_!

Neen, niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van
zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen,
zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan
de houterige ofschoon goedaardige Jacoba--terwijl juist _twee dagen
later_ een zuster van den generaal zou komen logeeren--dat alles,
maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze
hebben haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien
zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijken man, een bekrompen
despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat
het haar gekost heeft om zich goed te houden; schijnbaar vroolijk,
lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August--die
nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten oogen en een bijna
aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad.

Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva's overvloedige tranen.

Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het
gevoel van miskenning, waardoor haar het zoet van den schoonsten
feestdag was vergald....? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar
prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld,
toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.



Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste
station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan
"had het opgetrokken", en de natuur was tot haar vroegere kalmte

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/25138