De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2
by Alain René Le Sage · Dutch · Gutenberg #24630 · 604,839 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2
Author: Alain René Le Sage
Illustrator: Jean François Gigoux
Release date: February 16, 2008 [eBook #24630]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/24630
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZONDERLINGE LOTGEVALLEN VAN GIL BLAS VAN SANTILLANO, DEEL 2 VAN 2 ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
WERELD BIBLIOTHEEK
Onder leiding van L. Simons.
UITGEGEVEN DOOR: DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR
AMSTERDAM
Alain René Le Sage
De Zonderlinge Lotgevallen van
Gil Blas van Santillano,
De Spaansche Avonturier
Met Illustraties van Jean Gigoux
Tweede Deel
GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL," AMSTERDAM
ZESDE BOEK
HOOFDSTUK I
Wat Gil Blas en zijn metgezellen deden, na den graaf de Polan te
hebben verlaten; van het gewichtige plan, dat Ambrosius vormde,
en op welke wijze het werd uitgevoerd.
Nadat de graaf de Polan ons nogmaals verzekerd had, dat wij steeds op
zijn dankbaarheid zouden kunnen rekenen, riep hij den waard, om hem
te raadplegen over de middelen veilig in Turijn te komen, waar hij
plan had heen te gaan. Wij verlieten het hotel en sloegen den weg in,
dien Lamela koos.
Na twee uren begon het dag te worden en kwamen we te Campillo
aan. We trokken door de bergen, die tusschen dit dorp en Requena
liggen. Overdag rustten wij en telden onze geldmiddelen, die zeer
versterkt waren door den inhoud van de zakken der roovers, want men
had niet minder dan driehonderd pistolen bij hen gevonden. Tegen den
avond begaven wij ons weer op weg en den volgenden morgen betraden
wij den bodem van het koninkrijk Valencia. In het eerste bosch
besloten wij rust te houden. In de schaduw van de boomen en bij
een beek met kristalhelder water, vleiden wij ons neer; maar, toen
wij wilden gaan ontbijten, bemerkten wij, dat we maar zeer weinig
levensmiddelen meer hadden en onze wijnzak was reeds een lichaam
zonder ziel geworden. "Mijne heeren," zei Ambrosius, "de schoonste
plaatsen bekoren niet zonder Bacchus en zonder Céres. Ik meen, dat
wij vandaag provisie moeten inslaan en zal daarvoor naar Xelva gaan,
een lieve stad en niet meer dan twee mijlen ver." Hij sprong weer te
paard en reed snel weg, zoodat we hem spoedig terug verwachtten.
Maar de halve dag verliep en wij wachtten tevergeefs. Toen de avond
begon te vallen en wij reeds ongerust begonnen te worden, zagen
wij hem eindelijk belast en beladen aankomen. Behalve wijn, brood
en gebraden wild, had hij een groot pak met kleeren op zijn paard,
waarnaar wij met aandacht keken. Hij bemerkte het en zei glimlachend:
"Mijne heeren, ge bekijkt die met verwondering en ik kan dat begrijpen,
ik zal u laten zien, wat dit pak inhoudt en geef u te raden, waartoe
dat alles moet dienen." Hij vertoonde achtereenvolgens een toga,
een jas, een wambuis, een grooten inktkoker, een boek, wit papier,
een hangslot en een groot zegel van groen lak.
Don Raphaël zei, dat hij er niet aan twijfelde of Ambrosius had goede
inkoopen gedaan, maar hij vroeg, waar dat alles toe moest dienen.
Ambrosius antwoordde: "Al die zaken hebben mij met elkaar zes pistolen
gekost en ik ben er zeker van, dat zij ons minstens vijfhonderd zullen
opbrengen. Ik ben er de man niet naar om mijn geld aan nuttelooze zaken
te besteden. Ik heb een plan gevormd, een plan, dat ontegenzeggelijk
een van de vernuftigste is, dat ooit in een menschelijk brein is
opgekomen. Gij zult er over oordeelen, want ik zal het u meedeelen
en ik ben er zeker van, dat gij het prachtig zult vinden."
"Nadat ik brood had ingeslagen, ging ik naar een kok, waar ik last
gaf, dat men voor mij aan het spit zou steken zes patrijzen, evenveel
kuikens en jonge konijnen. Terwijl men het vleesch braadde en ik
daarop zat te wachten, kwam er een man binnen, die zeer uit zijn
humeur was en zich bij den kok beklaagde. Hij riep: "Samuel Simon is
de grootste stommeling van alle winkeliers in Xelva. Hij heeft mij in
zijn vollen winkel beleedigd. De vlegel heeft mij crediet geweigerd
voor zes el laken. En toch weet hij heel goed, dat ik een soliede
handwerksman ben en dat hij door mij geen schade zal lijden. Aan
personen, die eenigszins deftig zijn, levert hij graag op crediet,
maar met een eerlijk burger durft hij niets wagen! Wat een vervloekte
jood! Ik hoop, dat hij eens goed zal worden beetgenomen, daar zullen
velen pleizier in hebben."
Terwijl ik dien man zoo hoorde spreken, kwam het plan bij mij
op, om hem te wreken en eens een grap uit te halen met Samuel
Simon. "Mijn vriend," zei ik, "welk karakter heeft de man, van wien
gij spreekt?" "Een zeer slecht karakter," kreeg ik ten antwoord,
"hij is een woekeraar van het ergste soort, hoewel hij den schijn
aanneemt van een eerlijk man te zijn. Het is een jood, die katholiek
geworden is, maar in zijn ziel is hij nog een jood en alleen uit
eigenbelang is hij van geloof veranderd."
Nadat ik nog het een en ander omtrent Samuel Simon had gehoord,
ging ik zijn winkel eens opnemen en verzon toen een schelmenstreek,
den bediende van mijnheer Gil Blas waardig. Daarna bezocht ik een
uitdrager, waar ik deze zaken kocht; de kleeren zijn noodig voor een
inquisiteur, een griffier en een gerechtsdienaar. Dat is alles wat
ik gedaan heb en wat mij opgehouden heeft."
Don Raphaël toonde zich verrukt over de comedie, welke men zou gaan
spelen. "Het plan is uitstekend!" riep hij, "en over de uitvoering
behoeft ge u niet ongerust te maken. Gij hebt behoefte aan twee goede
acteurs, die u ter zijde staan en die zijn gevonden. Ge hebt zelf
een vroom uiterlijk, uitstekend geschikt voor een inquisiteur, ik zal
den griffier voorstellen en mijnheer Gil Blas zal wel zoo goed willen
zijn voor gerechtsdienaar te spelen. Zoo zijn de rollen goed verdeeld,
morgen zullen wij het stuk spelen en voor het succes sta ik in."
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het plan, dat don Raphaël zoo schoon
vond, niet goed begreep, maar onder het souper bracht men mij op de
hoogte en het scheen mij een vernuftige streek. Nadat wij het gebraad
en den wijn behoorlijk hadden toegesproken, strekten wij ons op het
gras uit en sliepen weldra in. Maar onze slaap duurde niet lang. Nog
in den nacht kwam de onverbiddelijke Ambrosius ons roepen. "Opstaan,
opstaan!" riep hij; "menschen, die voor de uitvoering van een groote
onderneming staan, mogen niet lui zijn."
"De duivel hale je, mijnheer de inquisiteur, wat zijt ge vroeg!" riep
don Raphaël. "Dat moet wel, mijnheer de griffier," zei de andere,
"ik heb vannacht gedroomd, dat ik den jood de haren uit zijn baard
rukte. Is dat niet een slechte droom voor hem?"
We gingen in een opgewekte stemming ontbijten en begonnen ons daarna
te verkleeden. Er werd door ons nogal wat tijd daaraan besteed en
wij zagen er uit als de personen, die wij wilden voorstellen, daarna
liepen wij tot het einde van het bosch en rustten daar weder geruimen
tijd, om tegen schemerdonker de poorten van de stad binnen te gaan,
waar we nu vlakbij waren.
Onze paarden lieten wij in het bosch achter bij don Alphonse, die
tot zijn groote tevredenheid geen andere rol in het stuk speelde. We
gingen niet dadelijk naar Samuel Simon, maar eerst naar een herberg,
dicht bij zijn huis. Mijnheer de inquisiteur liep vooruit, trad
binnen en zei op ernstigen toon tot den waard: "Ik wenschte u alleen
te spreken, ik heb u eenige vragen te doen over een zaak, betreffende
den dienst van de inquisitie en dus zeer gewichtig." De waard bracht
hem in een zaal en toen Lamela zag, dat wij alleen met hem waren,
zei hij: "Ik ben commissaris van den heiligen dienst." Bij die
woorden verbleekte de herbergier en zei met bevende stem, dat hij
aan de heilige inquisitie geen reden meende te hebben gegeven om
zich over hem te beklagen. Ambrosius zei op zachten toon, dat men er
ook niet aan dacht, om het hem moeilijk te maken en hij vervolgde:
"De inquisitie is gestreng, maar altijd rechtvaardig. Hoezeer ook
klaar om te straffen, met God's hulp verwart zij toch niet schuld
en onschuld. In één woord: om gestraft te worden, moet men schuldig
zijn. 't Is niet voor u, dat ik naar Xelva gekomen ben, maar voor
zekeren koopman, Samuel Simon. Er is ons een zeer slecht rapport
omtrent zijn gedrag toegekomen. Hij is, zegt men, nog altijd jood en
heeft het Christendom alleen aanvaard uit berekening. Uit naam van
den heiligen dienst vraag ik u mij mee te deelen, wat ge van dien
man weet. Wacht u er voor, hem als buurman en misschien als vriend
te willen verontschuldigen, want ik verklaar u, indien ik dat merk,
zijt ge evengoed verloren als hij. Schrijf griffier."
De griffier, die zijn papier en inktkoker reeds in de hand hield,
ging aan een tafel zitten en maakte zich met het ernstigste gezicht
van de wereld gereed om de antwoorden op te schrijven van den waard,
die levendig betuigde dat hij aan de waarheid niets te kort zou doen.
"Antwoord mij alleen op mijn vragen, iets anders verwacht ik van
u niet."
"Ziet gij Samuel Simon dikwijls de kerk bezoeken?" "Daar heb ik niet
op gelet," antwoordde de waard, "ik herinner mij niet, hem bij ons in
de kerk te hebben gezien." "Goed. Schrijf, dat men hem nooit in de
kerk ziet." "Dat heb ik niet gezegd, mijnheer," riep de herbergier,
"ik heb alleen gezegd, dat ik hem bij ons niet gezien heb, misschien
gaat hij ergens anders of op een anderen tijd dan ik."
"Mijn vriend, ge vergeet, dat ge bij dit verhoor Samuel Simon niet
moogt verontschuldigen: de gevolgen daarvan heb ik u meegedeeld. Ge
moet mij mededeeling doen van de zaken, welke tegen hem getuigen."
"In dat geval," antwoordde de waard, "zal mijn getuigenis u van zeer
weinig waarde zijn. Ik ken dien koopman bijna niet en kan dus niets
goeds en evenmin iets kwaads van hem zeggen; maar als gij weten wilt
hoe hij in zijn levenswandel is, dan zal ik Gaspard, zijn knecht, hier
roepen. Die jongen komt dikwijls 's avonds hier met zijn vrienden. Hij
is welbespraakt en zal u alles zeggen van zijn meester, wat ge weten
wilt. Uw griffier zal de handen vol aan hem hebben."
"Voor uw openhartigheid ben ik u erkentelijk," zei Ambrosius, "het is
ook een bewijs van godsdienstigen ijver, dat gij me een man aanwijst,
die op de hoogte is van de gewoonten van Simon. Ik zal dat aan de
Inquisitie overbrengen. Haast u om dien Gaspard op te zoeken, maar
behandel die zaak zoo geheimzinnig mogelijk en zorg, dat vooral zijn
meester niets bemerkt van hetgeen er gebeurt."
De herbergier kweet zich spoedig van zijn opdracht en bracht den
knecht.
"Mijn zoon, wees welkom," zei Lamela, "ik ben inquisiteur en aangewezen
om een onderzoek te doen naar Samuel Simon, die beschuldigd wordt
den Judas te spelen. Gij woont bij hem en zijt getuige van de meeste
van zijn daden. Ik geloof niet, dat het noodig is u te zeggen, dat
ge verplicht zijt mij alles mee te deelen wat gij weet, indien ik u
dat beveel namens de heilige inquisitie."
"Mijnheer," antwoordde de jongen, "ge zoudt u moeilijk tot iemand
kunnen richten, die beter in staat is om u in te lichten dan ik het
ben. En ik zal aan uw wensch voldoen, ook zonder dat ge het namens
de heilige inquisitie beveelt. Indien men, mijnheer, mijn meester
voor het geval stelde, waarin ik nu verkeer, ben ik zeker, dat hij
mij niet zou sparen en ik ben ook niet van plan het hem te doen. Ik
zal dan maar beginnen met u te zeggen, dat hij een snuiter is, van
wien men moeilijk de geheime gevoelens leert kennen, want naar buiten
neemt hij allen schijn aan van een halve heilige te zijn, terwijl hij
in den grond van zijn hart een groote deugniet is. Iederen avond gaat
hij naar een kleine grisette...."
"Het is goed, dat ge mij dit zegt," viel Ambrosius hem in de rede,
"en ik bemerk uit hetgeen ge zegt, dat hij een man van slechte zeden
is, maar geef mij niet anders dan een juist antwoord op de vragen,
die ik u zal doen. Het is voornamelijk op het stuk van den godsdienst,
dat ik belast ben mijn onderzoek in te stellen. Zeg mij of er wel
eens varkensvleesch bij u wordt gegeten?"
"Neen," was het antwoord, "ik geloof niet, dat wij het tweemaal hebben
gegeten in het jaar, dat ik bij hem woon."
"Zeer goed, schrijf op griffier, dat er bij Samuel Simon nooit
varkensvleesch wordt gegeten. Daarentegen eet men er zeker soms wel
lamsvleesch, nietwaar?"
"Ja, dat gebeurt nog al eens," zei de jongen. "Ik herinner mij,
dat wij het met de laatste Paschen nog hebben gehad."
Het tijdstip was gelukkig gekozen. "Schrijf op, griffier, dat Simon
zoo zijn Paaschfeest viert. Zeg mij nu eens, mijn jonge vriend, of
uw meester wel eens kleine kinderen aanhaalt." "Dat doet hij dikwijls
als hij hen langs onzen winkel ziet gaan," antwoordde de jonge man.
"Schrijf griffier, dat Samuel Simon onder verdenking staat kleine
Christenkinderen tot zich te trekken, om die te vermoorden. Oh, oh,
mijnheer Simon, gij zult met de inquisitie te doen krijgen! Denk
maar niet, dat men u ongestraft uwe afschuwelijke offers zal laten
plegen. Deze valsche Katholiek is zeker nog geheel gehecht aan alle
Joodsche gewoonten en gebruiken. Is er niet een dag in de week,
dat ge hem in het geheel niet ziet werken, Gaspard?"
"Neen, dat kan ik niet zeggen," gaf de jongen ten antwoord. "Wèl heb
ik gemerkt, dat er dagen zijn, waarop hij zich in zijn kamer opsluit
en daar lang blijft."
"Ha! dat is van gewicht. Hij viert dan den sabbat of ik ben geen
inquisiteur. Schrijf op, griffier, dat hij op den sabbat de vasten in
acht neemt. Er rest mij nu nog een vraag: spreekt hij niet dikwijls
van Jeruzalem?"
"Zeer dikwijls," hernam de jongen. "Hij vertelt ons de geschiedenis
van de joden en hoe de tempel te Jeruzalem werd verwoest."
"Laat dat niet aan uwe aandacht ontsnappen, griffier. Schrijf met
groote letters, dat Samuel Simon de restauratie van den tempel wenscht
en dat hij dag en nacht werkt om de joodsche natie te herstellen. Ik
wil er niets meer van weten, het is overbodig om verdere vragen te
doen. Wat deze geloofwaardige Gaspard heeft verklaard, zou voldoende
zijn om een geheele Jodenwijk te verbranden."
De jongen kon hierna vertrekken, nadat hem nog eens op het hart was
gedrukt geen woord over dit verhoor te spreken.
Wij verlieten de herberg met even ernstige gezichten als waarmee wij
er waren binnengetreden en klopten aan de deur van Samuel Simon. Hij
deed ons zelf open en was niet weinig verbaasd drie figuren als de
onze bij hem te zien. Nog meer was hij het, toen Lamela op bevelenden
toon tot hem zei: "Meester Samuel Simon, namens de heilige inquisitie,
waarvan ik de eer heb commissaris te zijn, gelast ik u mij dadelijk
den sleutel van uw kamer te geven. Ik wil zien of ik daar iets vind,
wat de bezwaarschriften rechtvaardigt, welke men bij mij tegen u
heeft ingediend."
De koopman, ontzet bij die woorden, deed een paar passen achterwaarts
als iemand wien men een stomp op zijn maag heeft gegeven. Wel verre
van ons ervan te verdenken, dat wij hem beetnamen, dacht hij te goeder
trouw, dat een of andere geheime vijand hem verdacht had gemaakt en
misschien voelde hij zich geen goed Katholiek. Hoe het zij, ik heb
nooit een man gezien, die meer in de war was.
Hij gehoorzaamde zonder tegenstand en met al het respect, dat iemand
moet hebben, die de inquisitie vreest, opende hij de deur van zijn
kamer.
"Ge ontvangt ons althans zonder u tegen onze orders te verzetten,"
zei Ambrosius, "maar ga zelf zoolang in een ander vertrek, opdat ik
ongestoord kan verrichten, wat mijn ambt mij oplegt."
Samuel verzette zich ook niet tegen dit bevel, hij ging in zijn winkel
en wij traden de kamer binnen, waar wij zonder tijd te verliezen,
ons onderzoek aanvingen. Wij vonden in een open kast veel zakken met
ducaten, stopten die in onze laarzen en overal anders, waar wij ze
konden bergen. We waren zwaar van het geld, zonder dat men het aan
ons zien kon, dank zij de behendigheid van Ambrosius en don Raphaël,
waaruit ik weer zag, dat toch niets meer waard is, dan dat men zijn
vak goed verstaat.
Wij verlieten het vertrek en om een reden, die de lezer gemakkelijk
raden zal, haalde de inquisiteur een hangslot uit zijn zak, dat hij
zelf aan de deur bevestigde, deed er vervolgens het groote zegel op
en zei tegen Simon: "meester Samuel Simon, uit naam van de heilige
Inquisitie verbied ik u aan dit hangslot te raken en ook aan het
zegel, dat het hare is. Ik zal morgen op hetzelfde uur hier komen,
om het te lichten en u mijn orders te brengen."
Na die woorden liet hij de straatdeur openen, waardoor wij, de een
na den ander, in blijde stemming vertrokken. Zoodra wij een vijftig
passen gedaan hadden, begonnen wij zoo snel te loopen, als ons zwaar
gewicht het toeliet. Weldra waren wij buiten de stad, bestegen onze
paarden en reden naar Ségorbe, god Mercurius dankend voor een zoo
gelukkige gebeurtenis.
HOOFDSTUK II
Van het besluit, dat don Alphonse en Gil Blas namen na dit avontuur.
Volgens onze prijzenswaardige gewoonte, gingen wij den geheelen nacht
door en bij het aanbreken van den dag waren wij bij een klein dorp,
op twee mijlen van Ségorbe. Toen wij aan den voet van een heuvel een
aantal wilgenboomen zagen, verlieten wij den grooten weg en gingen
in de schaduw slapen.
Na een flink ontbijt telden wij het geld, dat we van Samuel Simon
hadden meegenomen; dit liep tot een bedrag van drieduizend ducaten
en daarbij gevoegd de som, welke wij reeds bezaten, waren wij niet
slecht bij kas.
Er moest voor nieuwe provisie worden gezorgd en Ambrosius en don
Raphaël, na hun costuums uitgetrokken te hebben, zeiden, dat ze daar
samen op wilden uitgaan; door het avontuur te Xelva hadden zij er
smaak in gekregen en ze wilden zien of er in Ségorbe niet een slag
was te slaan.
"Ge moet ons maar onder de wilgen afwachten," zei de zoon van Lucinde,
"wij zullen spoedig terug zijn."
Lachend merkte ik op, dat, wanneer de heeren ons samen verlieten,
het misschien wel lang zou duren eer wij hen weer zagen.
"Die verdenking is een beleediging voor ons," zei Ambrosius, "maar dat
is te verontschuldigen na hetgeen wij te Valladolid hebben gedaan,
waar wij onze kameraden in den steek lieten. Maar toch bedriegt ge
u. De personen, met wie wij toen samenwerkten, hadden een zeer slecht
karakter en de omgang met hen was, op den duur, onverdragelijk. Aan
lieden van ons slag moet men de eer geven, dat wanneer ze goed met
elkaar kunnen opschieten, ze elkaar ook trouw zijn. Ik verzoek u dus,
mijnheer Gil Blas en don Alphonse, om wat meer vertrouwen in ons
te hebben."
"Het is gemakkelijk om hun ongerustheid weg te nemen," zei don Raphaël;
"de kas blijft bij hen hier, dan hebben zij een waarborg in handen. Na
dit bewijs van onze goede trouw, zult ge er wel geen bezwaar meer
tegen hebben, dat wij vertrekken."
Ze gingen heen en lieten mij achter met don Alphonse, die me zei:
"Mijnheer Gil Blas, ik moet mijn hart voor u openen. Ik maak mij er een
verwijt van, dat ik tot nu toe in gezelschap ben geweest van deze twee
schelmen. Ge kunt niet gelooven, hoe mij dat berouwt; gisterenavond,
toen ik alleen was bij de paarden, heb ik er onophoudelijk aan
gedacht. Voor een eerlijk man gaat het toch niet aan, om te leven met
mannen als Raphaël en Lamela en wanneer het ongeluk wil, vallen ze toch
een of anderen dag in handen van de justitie. Ik zou me doodschamen,
als ik dan met hen als een dief moest worden gestraft. Dus moet
ik u bekennen, dat ik niet langer hun medeplichtige wil zijn, maar
mij voor altijd van hen zal scheiden. U zult, denk ik, mijn besluit
niet afkeuren."
"Neen," verzekerde ik hem, "ge moet niet denken, dat al hebt ge mij
in de comedie van Samuel Simon voor gerechtsdienaar zien spelen, die
soort van dingen naar mijn smaak zijn. 't Is ook mijn plan, om niet
langer in dit slechte gezelschap te blijven en als ge het goedvindt,
zal ik u vergezellen. Wanneer de heeren terug zijn, zullen wij hen
vragen, om onze bezittingen te deelen en morgenochtend of vannacht
nog nemen wij afscheid van hen."
De beminde van de schoone Séraphine keurde mijn voorstel goed
en stelde mij voor naar Valencia te gaan, ons daar in te schepen
naar Italië en in dienst te treden van de republiek Venetië. "Is
het niet beter," vroeg hij, "onder de wapenen te dienen, dan een
laf en schuldig leven te leiden, zooals we nu doen? Met het geld,
dat wij zullen hebben, kunnen wij een goed figuur maken. 't Is niet,
dat ik geen wroeging gevoel om mij te bedienen van op zulke slechte
wijze verkregen geld, maar de noodzakelijkheid verplicht mij er toe
en als ik eenig fortuin maak in den oorlog, zweer ik, dat ik Samuel
Simon schadeloos zal stellen."
Ik verzekerde don Alphonse, dat ik zijn gevoelens deelde en
wij besloten, dat wij den volgenden dag vóór zonsopgang zouden
vertrekken. Wij dachten er niet aan van hun afwezigheid te profiteeren
en er met de kas vandoor te gaan. Hun vertrouwen in ons belette
dat, hoewel het avontuur in het pension dezen diefstal zou hebben
verontschuldigd.
Ambrosius en don Raphaël kwamen 's avonds van Ségorbe terug. Hun
eerste woorden waren, dat de reis zeer gelukkig was geweest en dat
ze een plan hadden gevormd, dat ons nog meer zou opleveren, dan het
avontuur van den vorigen avond. Ze wilden ons daarover het een en
ander meedeelen, maar don Alphonse verklaarde beleefd, maar beslist,
dat hij niet langer wilde leven, zooals zij deden en dat hij van plan
was van hen te scheiden. Van mijn kant deelde ik hetzelfde voornemen
mee. Tevergeefs deden zij al het mogelijke, om te trachten ons terug te
doen komen op ons besluit; wij namen den volgenden morgen afscheid van
hen, na een gelijk deel van het geld te hebben ontvangen en trokken
naar Valencia.
HOOFDSTUK III
Na welke onaangename gebeurtenissen don Alphonse zich op het
toppunt van geluk bevond en door welk avontuur Gil Blas in gelukkige
omstandigheden kwam te verkeeren.
In opgewekte stemming reisden wij tot Bunol, waar het ongeluk
wilde, dat don Alphonse ziek werd. Hij kreeg zware koortsen,
waarvan de aanvallen soms zoo hevig waren, dat ik voor zijn leven
vreesde. Gelukkig waren er daar geen dokters en bleef het dus bij
den angst. Na drie dagen was hij buiten gevaar en door mijn zorgen
herstelde hij spoedig. Voor wat ik voor hem deed, toonde hij zich zeer
dankbaar en daar wij ons werkelijk tot elkaar voelden aangetrokken,
zwoeren wij elkaar een eeuwige vriendschap.
Wij gingen weer op weg, nog altijd besloten, om, wanneer wij
te Valencia zouden zijn, te profiteeren van de eerste de beste
gelegenheid, om naar Italië over te steken. Maar de hemel, die ons
een gelukkig lot bereidde, beschikte het anders. Bij den ingang van
een mooi kasteel, dat wij passeerden, zagen wij boeren en boerinnen,
die dansten en feestvierden. Wij reden daarheen om dat feest te zien en
hier wachtte don Alphonse geheel onverwacht een blijde verrassing. Hij
zag baron von Steinbach, en deze, die hem op zijn beurt herkende,
kwam met open armen naar hem toe en riep: "Alphonso! Wat een geluk
u te ontmoeten! We zoeken u overal en vinden u nu door het toeval
hier. Kom, mijn zoon, ge zult thans ook hooren, wie ge zijt en van
uw geluk genieten!"
Na die woorden bracht hij ons naar het kasteel en de eerste, dien wij
ontmoetten, was de eigenaar. Het was een man van ongeveer vijftig jaar
en met een zeer goed uiterlijk. "Mijnheer," zei de baron, terwijl hij
hem don Alphonse voorstelde, "ziehier uw zoon." Bij die woorden wierp
don César de Leyva (zoo heette de bewoner van het kasteel) zich in
de armen van mijn vriend en zei: "Mijn zoon, het heeft mij zeer veel
smart gekost, dat ik zoo langen tijd een vreemde voor u ben geweest,
maar het kon niet anders. Uw moeder had ik alleen uit liefde gehuwd,
want zij was van veel mindere geboorte dan ik. Mijn vader, die een
zeer streng man was en van wien ik afhankelijk was, wilde van dat
huwelijk niets weten en dwong mij het geheim te houden. Alleen baron
von Steinbach was in het geheim en belastte zich, in overleg met
mij, met uwe opvoeding. Thans is mijn vader niet meer en ik kan voor
ieder verklaren, dat gij mijn zoon en de eenige erfgenaam zijt. Dat
is echter nog niet alles, ik wil u laten trouwen met een dame, wier
adel gelijk is aan den mijne."
"Mijnheer," zei don Alphonse, "kan ik niet uw zoon zijn, zonder
tegelijkertijd te vernemen, dat ge mij ongelukkig wilt maken? Wees
niet even wreed als uw vader; heeft hij uw liefde niet goedgekeurd,
hij heeft u tenminste niet gedwongen met een ander te trouwen!"
"Mijn zoon," antwoordde don César, "ik zal uw wenschen geen geweld
aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor
u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en
een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar
te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven,
dat ge u niets beminnelijkers denken kunt." Na die woorden bracht
hij ons naar een zaal.
Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en
Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van
don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had,
zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun
huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest
te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het
gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe,
omhelsde hem en zei: "Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag
veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij
het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde
Séraphine, wier eer gij hebt gered."
Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige
dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.
Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei
deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou
zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don
Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met
zijn volkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij
mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven,
dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik
mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.
ZEVENDE BOEK
HOOFDSTUK I
Van de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.
Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend
ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk
bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld
meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen
te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen
op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had
gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om
mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden,
als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop
in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het
kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met
Julie en don Fernand naar Tolédo gegaan. Ik vond mijn nieuwen meester
verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem
te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij
op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.
Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren,
deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel,
waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega's vaak
doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds
gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen
maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk;
ik was een intendant, zooals men er geen beteren vindt.
Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de
god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart
van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke
neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw
geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering
een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk
en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik
gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude
vrijster-schap toeschreef.
Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare
liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan
niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken,
wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een
onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en
bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar
gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die
ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze
wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven,
dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had
getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde
ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed
zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker,
dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk
liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te
groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde
zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een
Vestaalsche maagd doorging.
Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien
van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er
in een huis voorvalt en dat dan oververtellen, deelde mij op zekeren
dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in
het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.
Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was
bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk
jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs
om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos
door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den
chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. 's
Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met
een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik
wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik
groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die
een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held
van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even
verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin,
hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.
Mijn handelwijze verraste hem. "Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe
die bewegingen van een dolenden ridder?"
"Mijnheer de barbier," zei ik, "ik ben ernstiger dan ooit en wil weten,
of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig
de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in
het kasteel bezoekt."
De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: "Bij den Heiligen
Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk
avontuur!"
Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig
lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: "Spot met
anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen."
"Ik zie wel," hernam hij, "dat ik verplicht ben te spreken, om een
ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u
een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg
kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug
heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor
de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is
de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar
zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te
spreken." Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.
Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was,
die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn
vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de
beste vrienden.
Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn
geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat
ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde
zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder
het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: "Mijnheer de intendant,
zeg mij als 't u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals
vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge
mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op
geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij
waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?"
De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet
goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins
beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk
een tijgerin als haar woede opgewekt werd.
"Ik geloof," zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt,
"dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door
hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden
zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb
verlaagd tot een ongelukkigen avonturier."
Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik
was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te
verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben
gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: "Mevrouw, als die
adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof
ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven."
Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijn gezicht,
zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik
wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk
onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets
had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen
het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen
er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het
reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek
was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met
haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar
deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in
hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om
mij te benadeelen.
Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in
een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat
het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. "Dat
verwondert u," voegde hij eraan toe, "maar het is waar. Ik weet niet
welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan
u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar
dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge
moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen
verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença,
die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe
lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna's in Spanje mogen omkomen
vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan
een ondergeschikte is."
Ik antwoordde hem: "Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal
van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen
voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn,
maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan."
Don Alphonse wilde daarvan niet weten. "Neen, neen," riep de
edelmoedige zoon van don César. "Laat mij Séraphine tot rede
brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de
grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven." Ik
overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon
herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid
te nemen van mijn meesters. In mijn kamer liet ik een schrijven
achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde
administratie.
HOOFDSTUK II
Wat Gil Blas werd, nadat hij het kasteel de Leyva had verlaten en
van de gelukkige gevolgen, die zijn ongelukkige liefde had.
Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies
tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en
van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen
zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan,
met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd,
dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naar
Tolédo gaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders
ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en
verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam
ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de
fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd
gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde
zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.
Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette,
was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren
beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in
Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en
diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen
Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan
zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte
hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geen geval naar het
kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak,
indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht
noodig hebben.
Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude,
zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in
zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede
betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij,
dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem,
een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand,
om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand
beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.
Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze
koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken
en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen
eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik
moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf:
"die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid
niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen." Ik
richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het
kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten,
wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was
monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij,
dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren
en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.
Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze
namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen
woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de
vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.
Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke
wijze te worden behandeld, toen de deur openging en de aartsbisschop
verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De
prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer
als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had kromme beenen en was zóó
kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd
zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel
omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote
heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van
grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.
De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik
verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand
de Leyva hem had gesproken. "Ah! zijt gij het, van wien hij mij
zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt
een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen." Na die woorden
sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het
vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst
niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden
mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden
de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden
van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik
had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten
en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst
hadden betoond.
Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn
kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar
mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van
geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden
en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was
geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was
hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze
hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.
Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die
mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging
ik met hen eten. Wederkeerig beschouwden wij elkaar en ik vond, dat
de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige
personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij
bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was,
alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.
Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la
Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het
beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk
genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud
met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het
paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei:
"Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik
mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs
geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot
nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche
vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn,
om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie
besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter
van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.
Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al
sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van
zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij
preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is
hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was
aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor
zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een
ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen;
hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let
weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden
in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij
hun soms een gratificatie geeft, dan hebben zij die te danken aan de
goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft."
Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende
geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde,
waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij
zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik
niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden
dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als
zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er
zooveel huichelaars zijn.
HOOFDSTUK III
Gil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van
zijn gunsten.
Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij
in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur
geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op
het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en
vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt
daarover. "Zeg me eens eerlijk," zei hij, "ge zijt een te goed copiïst,
om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets
gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige
onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in
het vuur van mijn scheppingsdrang."
"O, monseigneur," zei ik bescheiden, "ik ben niet ontwikkeld genoeg,
om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben
ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren." De
prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk
merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.
Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot
dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand,
die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.
Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den
volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde
zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van
dacht, maar noodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij
het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op
te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging
ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het
schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei,
dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat
zoo aangenaam mogelijk zou maken. "Ik houd van je en om je dat te
bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken."
Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën
en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn
dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: "Ik wil u een bewijs
geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer
zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te
openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn
genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen
en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze
veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk
te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten
prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het
zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft
voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik
wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en
daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde
Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver,
mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom
gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u."
"Monseigneur," zei ik, "den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver
verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een
andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens
buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken,
steeds nieuwe krachten ontving." "Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn
leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam
veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je
waarschuwing beschouwen als een bewijs van je genegenheid. Bovendien
gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in
de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest
gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het
fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb."
Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den
aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone
beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna
niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie
maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een
goede gratificatie kreeg.
Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen,
mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis
Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een
eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd
had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen
door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade
te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een
buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik
stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met
den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het
zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. "Monseigneur,"
zei ik, "daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik
althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren."
"Ik ben over uw schrift tevreden," zei de prelaat, "maar ik geef toe,
dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben." "U
hebt maar te spreken," zei ik, "die man is een bekende van mij en
misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand,
waarin hij zich bevindt."
De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. "Hij heet Louis Garcia,"
zei ik, "en is wanhopig over de ongenade, waarin hij bij u gevallen
is." "Die Garcia," viel hij mij in de rede, "is, geloof ik,
aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen
hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn
geweest." "Monseigneur," hernam ik, "het is niet mijn bedoeling,
hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en
hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te
benadeelen, dan om de waarheid te zeggen." "'t Is mogelijk," zei de
prelaat, "er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens,
wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover
hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar."
Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid
vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.
Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een
kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in
het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester
en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de
buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen
worden aan hen, die ze verdienen.
HOOFDSTUK IV
De aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin
Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.
Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik
ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie
betrekking, die ik gekregen had. "Ik ben daar zeer tevreden," zei
ik. "de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over
het verlaten van don César en zijn zoon."
"Ik ben er van overtuigd," zei hij bij het scheiden, "dat uw vroegere
meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar
misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele
familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot."
Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk
paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter,
scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok
gekregen. Ik merkte dat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik
wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik
alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar
in stilte toe. "Komaan, mijnheer de criticus," zei ik tot mijzelf,
"nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur
minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn
vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult
dan geschrapt worden in zijn testament."
Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere. De waarschuwing
was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen
met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik
verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad
om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te
hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil
te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om
het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik
te spreken.
Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig
kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen,
wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd
zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen
indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar
verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde
zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit
met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn
laatste preek in kracht bij de andere achterstond.
Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen
glimlach: "Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil
Blas?" "Ik vond het uitstekend," hernam ik, "maar het stond niet even
hoog als uw ander werk."
"Ik begrijp u," antwoordde hij, "Het schijnt u toe, dat ik minder
word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken." Ik
zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot
hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik
dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat
hij mij dit niet kwalijk zou nemen. "Daar denk ik niet aan, om het
u kwalijk te nemen," zei hij, "ik zou al zeer onrechtvaardig zijn,
indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge
mij uw meening zegt. 't Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerd
vind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand."
Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar,
die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter
te stemmen. "Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,"
zei hij, "ge zijt nog te jong, om het ware van het valsche te
onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb
geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest
heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik
echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan
gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen,
dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de
hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen
voorspoed en een weinig meer smaak,"
HOOFDSTUK V
Wat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had
gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel
verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij
van hem ontving.
Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den
aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan
met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde
ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na
goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te
laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen,
om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke
gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.
Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem
met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester
en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior
de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn
door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het
geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den
aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar,
toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij:
"Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, 't is beter uw verdriet in stilte
te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand
respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel
geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld
te worden, maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen."
Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan
te profiteeren. Daarna zei hij nog: "Indien ge naar Madrid gaat,
bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don
Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard
is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge
met hem kennis maakte." Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph
Navarro te gaan opzoeken, zoodra ik in Madrid zou zijn, waarheen ik
wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis,
om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had
gehad, zou ik zonder twijfel naar Tolédo zijn gegaan, maar ik had het
verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste
wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in
Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.
Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet
een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een
uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer
goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.
Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf
personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten,
die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd
zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu
te kwaad op den aartsbisschop.
Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn
maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van
Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd
mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn
dankbaarheid te hebben gesproken: "Nu de fortuin mij u doet ontmoeten,
zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er
hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een
fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het
mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie
te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige
Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank."
Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk
alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik
had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat
hij bitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar
niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had,
stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen
hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare
zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte
om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij
verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: "Hallo! mijnheer
de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop
ge mij zoudt onthalen!"
HOOFDSTUK VI
Gil Blas gaat de comedie te Granada bezoeken. Van de verwondering, die
het zien van een actrice bij hem opwekte en hetgeen daardoor gebeurde.
Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk
gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te
spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men
speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik
hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet
bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men
daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.
Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een
talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan
beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld
zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor,
de ander er tegen. "Heeft men wel ooit een beter geschreven werk
gezien?" werd rechts gevraagd. "Wat een erbarmelijke stijl!" klonk
het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn,
moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als
ik denk aan alles wat de dichters van drama's te slikken krijgen,
verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van
het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen,
die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.
Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was
er een algemeen handgeklap. Het bleek me een van die tooneelspelers
aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige
oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om
uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.
Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en
eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier's rol
had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden,
om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura,
die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen,
of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem,
alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn
oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer,
die naast mij zat. "Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de
schoone Estelle niet kent," zei hij.
De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus
besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets
anders omtrent haar te weten--want het publiek weet in den regel
alles van bekende acteurs en actrices--vroeg ik den man naast mij,
of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding
mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in
Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die
zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door
hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik
weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura,
aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.
In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik
reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou
doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn,
maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig
maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel) ging ik naar mijn
kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.
Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den
dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer 's
morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur
om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan
haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over
tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping
bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik,
dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap
werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: "Waar is die
jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!"
Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen, dat haar
Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen
maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was,
die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid;
de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik
verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de
actrice met open armen op mij toeliep en riep: "O, mijn broer! wat ben
ik blij je te zien!" Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich
daarna tot den Portugees: "Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen
drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief." Daarna wendde
zij zich weer tot mij en zei: "Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu
eens spoedig al het nieuws omtrent de familie."
In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op
mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en
het werd een aardige scène.
"Ik twijfel er niet aan," zei ze, "of ge zult verwonderd zijn, mij
als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij
te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn
vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken
aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar
Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij
door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een
edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar
de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man
dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente,
dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te
Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en
verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het
landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en
ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar
Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn
familie zou ik voor troost niets als condoleanties hebben gekregen. Wat
moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe
was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en
om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.
Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura
niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: "Mijn zuster,
ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in
Granada zoo goed te zien ingericht."
De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat
de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en
vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er
een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk
vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij
den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten,
een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook
was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij,
dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.
Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam
zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen,
maar daarvan wilde Laura niet hooren. "Waar denkt ge aan? Ge dineert
met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft
wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek."
De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed,
zei: "Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand
te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn
verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil
hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan
verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden
nog een kamer in orde laten maken. Ik geef hem vierhonderd ducaten
salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan
ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten,
dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop."
Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde
er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.
Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet,
viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld
ik onmogelijk na kon laten te volgen.
"Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar
ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen
maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen
te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar
't is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo'n goeden post is
aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel
meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik
zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel
te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu
eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude
liefde weerzien."
Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht
me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten
en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en
zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar
moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was
gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik
aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.
HOOFDSTUK VII
Geschiedenis van Laura.
Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn
tegenwoordig vak heb gekozen.
Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote
dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het
tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had
bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en
ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik
beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te
spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik
hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon
en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn
uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen
brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.
Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich
te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in
zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde,
om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige
gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een
klooster brachten.
Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen,
mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een
breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans
hing. Daarna bracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude
monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken
over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan
personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit
de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit
mijn ondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan
de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen
met minder vleiende namen.
Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen
te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den
rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de
overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar
verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk
was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro
Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en
mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters
scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo'n huichelachtig
gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.
Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei:
"Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet." Hij zei niets
meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen
te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht
beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te
onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet
schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen
bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij
had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt,
dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: "Mijn beste Laura,
ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind
te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort,
maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand,
waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u
uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil
ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn."
Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden van Zendono, die mij
den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij
zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter,
om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige
mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig,
dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze
gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht,
die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik
had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen
in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht
te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden,
om ons op te sporen.
Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren
aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen,
waar wij zouden overnachten, zei hij: "Schoone Laura, wees er niet
kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van
Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers,
aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier
in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje
staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten
wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van
den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof,
kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten."
Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij
als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn
dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel
die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat
hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee
gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel
niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen
hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwen en mij liet zien, dat
hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te
kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door
het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer,
dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de
liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam
nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van
een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij
minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel,
dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis
en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.
Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende
diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde
niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had
en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw
opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de
eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een
vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet
bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!
Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij
had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al
die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm
bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een
slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend
uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en
zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht
hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur
was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een
ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik
aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger
had gedragen. Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen
begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden
schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie
zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht,
beschouwde ik eenvoudig als verloren.
Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht
bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij
uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn
geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.
Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die
Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde
naar Sévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie
tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen,
wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar
huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit
heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en
levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het
tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende
adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.
Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer
medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde
zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei
ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar
levensweg had ontmoet: "Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er
zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om
een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat
ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al
is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is
daarentegen ook slecht genoeg om u toe te staan een beter aan te gaan,
indien ge daartoe gelegenheid zult vinden."
Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken,
wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok
de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen
waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.
Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den
schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: "De
beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo", door Lope de Vega
Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die
kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd
hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid
was, maar 't was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,
Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat
er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij
te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij
te zien en daar we 's avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af,
dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier
van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral
voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen
om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.
Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den
weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers
uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster
klopte aan de deur, die Phénice, wier tong evenzeer jeukte als de
mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten
bij ons gekakel.
Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den
laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam
aan al het vragen en antwoorden.
Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want
ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet
aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar,
dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een
of andere voorname dame. "Wel foei!" riep mijn vriendin, "hoe kan je
aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin
hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn
aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven
te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets
is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge
geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij
staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld
uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de
vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde--ik schaam mij nog als
ik eraan denk--lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk
ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik
zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden,
waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer
ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de
wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van
galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt."
Hier viel ik Phénice in de rede; "waarom zegt ge me dit alles? 't Is
geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het
tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb
ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd,
maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin
in gekregen."
"Och kom!" zei Phénice. "Je weet toch wel, dat die groote actrices
altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor
het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid,
bevalligheid, een mooie stem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol
jagen, als je actrice was!"
Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen
declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega's, die haar
kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij
overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware
proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en
dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af
voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.
Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij
mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn,
maakte ik goed door mijn fijnen smaak.
Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog
te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt
was. Grooten opgang maakte ik in Sévilla. Gedurende drie weken was
ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand
boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging
had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen,
maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden
en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet
mooi, maar rijk en edelmoedig. 't Is waar, hij heeft er duur voor
moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het
prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten
in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft
Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik
verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer
over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten,
waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van
het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don
Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.
Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn
vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar
het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders
zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong
meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een
cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d'Alcacer, met wien zich,
wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.
Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo'n jongen minnaar nam, maar
don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij
hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don
Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met
ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was,
meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp
en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten
dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen
weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten
op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven,
dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons
was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden
gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij
waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid
hadden weerkregen.
Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik
wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.
In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den
naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij
een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het
mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie
ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield
zich in dien tijd druk bezig met den eigenaar van een goudsmidswinkel,
die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.
Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel
ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.
Mijn debuut te Granada was even schitterend als te Sévilla. Weldra zag
ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en
terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze
Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada
en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik
niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen
optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag
maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en
nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist
dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem
te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om,
maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer
natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit
opzicht niet sparen."
HOOFDSTUK VIII
Van de ontvangst, die de comedianten van Granada Gil Blas bereidden
en van de kennismaking, die hij hernieuwde in de foyers van den
schouwburg.
Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice
om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan
deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden
vele complimenten.
Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de
comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis
van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man,
die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn
nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer
beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein
vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en
twee stoelen. Mijn geleider zei: "U hebt het hier niet te ruim, maar
in Lissabon zult ge prachtig logeeren." Ik sloot mijn valies weg en
vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat
gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks
een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere
vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat
de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den
intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig
met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.
Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was
van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten
ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de
stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon
beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de
ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vond ik het geheele
gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices,
aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als 't ware op mij. De
vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood
en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en
ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk
om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en
haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.
Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door
den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den
kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die
menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.
Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik
mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een
was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en
het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende
ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler,
die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis [1]
heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.
Ik wendde mij tot hem en zei: "Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge
dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten
aan den rand van een bron, tusschen Valladolid en Ségovia. Ik was een
barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een
maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie."
Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: "Ge spreekt
me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen
gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden
toen zeer slecht."
"Ik herinner mij ook nog," zei ik, "dat ge u toen zeer beklaagde over
een al te verstandige vrouw, die ge hadt."
"O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd," antwoordde hij.
Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest
om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen,
vroeg ik een anderen acteur, die me zei, "O, ge kunt haar zien,
het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames."
Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan
wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle
had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.
Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een
groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren,
maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een
restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn
meester er geen tafel op nahield.
HOOFDSTUK IX
Met welken buitengewonen man hij dien avond soupeerde en wat er
tusschen hen voorviel.
In de zaal bemerkte ik een soort van ouden monnik, die alleen in
een hoek soupeerde. Uit nieuwsgierigheid ging ik tegenover hem
zitten, ik groette hem zeer beleefd en hij beantwoordde mijn groet
op dezelfde wijze. Men bracht mij mijn eten, waaraan ik met veel
eetlust begon. Intusschen bemerkte ik, dat de oogen van den ouden man
voortdurend op mij gericht waren. Daar mij dat begon te vervelen,
zei ik: "Vader, kunnen wij elkaar misschien elders reeds hebben
ontmoet? U ziet mij aan, als een man, dien u niet geheel onbekend is."
Hij antwoordde mij ernstig: "Indien ik mijn blikken op u laat rusten,
dan is het om de groote verscheidenheid van avonturen te bewonderen,
die aangegeven zijn in de trekken van uw gezicht." "Daaruit maak ik
op, dat ge aan gelaatkunde doet," zei ik lachend.
"Ik kan zeggen, dat ik die kennis bezit," zei de monnik, "en daaruit
voorspellingen te hebben gedaan, die in de toekomst bewaarheid zijn
geworden. Ook kan ik voorspellen uit de hand en ik durf zeggen, dat
mijn uitspraken onfeilbaar zijn, wanneer ik de inspectie van de hand
vergeleken heb met die van het gezicht."
Hoewel de grijsaard er allen schijn van had, een verstandig man
te zijn, vond ik hem zóó gek, dat ik niet kon nalaten hem in zijn
gezicht uit te lachen. Inplaats van zich beleedigd te gevoelen door
mijn onbeleefdheid, glimlachte hij en zei, na de zaal te hebben
rondgekeken om zich te overtuigen dat niemand ons beluisterde: "Ik
verwonder mij er niet over u zoo vooringenomen te zien tegen twee
wetenschappen, die heden ten dage voor dwaasheid doorgaan; de lange
en moeilijke studie, welke ze eischen, ontmoedigen alle geleerden,
die er dan van afzien en ze veroordeelen, omdat zij ze niet onder de
knie hebben kunnen krijgen. Wat mij betreft, ik heb mij niet laten
afschrikken door al die moeilijkheden. Ook heb ik lang de scheikunde
bestudeerd en de kunst om van andere metalen goud te maken. Maar ik
onderstel, dat ik spreek tot een jongeman, wien dat alles slechts
droombeelden toeschijnen. Een bewijs van mijn kennis zal uw oordeel
gunstiger daarover stemmen." Bij die woorden haalde hij een flesch
uit zijn zak, gevuld met een roode vloeistof. "Hier is een elixer,
dat ik bereid heb uit verschillende planten. Ge zult er de kracht van
bespeuren. De wijn, dien wij bij ons eten drinken, is zeer slecht, ik
zal dien uitstekend maken." Hij goot een paar druppels in mijn flesch
en die maakte werkelijk mijn wijn beter dan de heerlijkste, dien men
in Spanje drinkt. Een wonder werkt altijd op de verbeelding en als
die eenmaal gewonnen is, gebruikt men zijn gezond verstand niet meer.
Vol bewondering riep ik uit: "O vader, vergeef mij, dat ik u in
het begin voor een ouden gek heb gehouden. Ik laat u nu alle recht
wedervaren en behoef het niet eerst te zien om ervan overtuigd
te zijn, dat ge, zoo ge wilt, een stuk ijzer in een stuk baar
goud kunt veranderen! Wat zou ik gelukkig zijn, indien ik die zoo
bewonderenswaardige wetenschap bezat!"
De grijsaard slaakte een zucht en zei: "Dat de hemel u ervoor beware,
mijn zoon. Ge weet niet, wat ge wenscht. Inplaats van mij te benijden,
moet ge mij beklagen, dat ik mij zooveel moeite heb gegeven, om mijzelf
ongelukkig te maken. Altijd ben ik in onrust, ik vrees ontdekt te
worden en dat een eeuwigdurende gevangenschap het loon zal zijn voor al
mijn werken. Daarom leid ik een zwervend leven, nu eens verkleed als
priester of monnik, dan weer als edelman of boer. Is het een voordeel
tot dien prijs goud te kunnen maken en zijn rijkdommen niet een ware
marteling voor personen, die er niet rustig van kunnen genieten?"
Ik antwoordde den ouden wijsgeer, dat ik zeer verstandig vond wat hij
zei, maar dat ik toch gaarne mijn toekomstig lot van hem zou vernemen.
"Met genoegen, mijn zoon, uw gelaatstrekken heb ik reeds bestudeerd,
laat mij nu ook uw hand zien!" Ik bood hem die aan met een vertrouwen,
dat mij zeker zal doen dalen in de achting van sommige lezers,
hoewel ze in mijn plaats het misschien eveneens zouden hebben
gedaan. Met zorgvuldigheid bekeek hij mijn hand en zei vervolgens:
"Welk een overgangen van smart in vreugd en van vreugde in smart! Wat
een grillige opeenvolging van tegenspoed en geluk! Maar ge hebt reeds
een groot gedeelte van die veranderingen der fortuin ondervonden. Er
blijft u nog maar weinig tegenspoed om te bestrijden en door een groot
heer zult ge een aangenaam lot krijgen, dat niet meer aan verandering
onderhevig is!"
Na me verzekerd te hebben, dat ik op die voorspelling kon rekenen,
verliet hij de zaal, mij achterlatende in gepeins over hetgeen ik
had gehoord. Ik twijfelde er niet aan, of markies de Marialva was
die bedoelde heer en bijgevolg scheen mij niets meer mogelijk dan de
vervulling van zijn uitspraak. Maar zelfs al had ik niet de minste
waarschijnlijkheid kunnen ontdekken, zou ik toch den monnik volkomen
geloofd hebben, zóó'n grooten indruk had hij met zijn elixer op mij
gemaakt. Om van mijn kant dat geluk te bevorderen, besloot ik mij aan
den markies meer te hechten dan aan een van mijn vorige meesters. Na
dit besluit te hebben genomen, ging ik vroolijk naar huis terug. Nooit
heeft een vrouw zoo tevreden een waarzegster verlaten.
HOOFDSTUK X
Van de opdracht, die de markies de Marialva aan Gil Blas gaf en hoe
deze trouwe secretaris zich daarvan kweet.
De markies was nog niet van zijn actrice terug en ik vond in zijn
vertrek zijn bedienden, die kaartspeelden in afwachting van zijn
thuiskomst. Ik maakte kennis met hen en wij amuseerden ons, tot
hij omstreeks twee uur na middernacht verscheen. Hij was een weinig
verrast en zei met een uitdrukking van welwillendheid, waaruit ik
afleidde, dat hij tevreden was over den avond, dien hij had gehad:
"Hoe, Gil Blas, zijt ge nog niet naar bed?" Ik antwoordde, dat ik
gewacht had, om te vernemen of hij mij misschien nog iets te bevelen
had. Hij antwoordde mij, dat hij den volgenden morgen iets voor mij
te doen had, maar dat ik in het vervolg 's avonds niet op hem behoefde
te wachten, hetgeen mij genoegen deed.
Daarna ging ik naar bed. Maar ik kon niet slapen en herinnerde mij
daarom den raad, welken Pythagoras geeft, om 's avonds alles te
herinneren wat wij gedurende dien dag hebben gedaan, onszelf te
prijzen om de goede en te laken om de slechte daden.
Ik voelde mijn geweten niet zuiver genoeg, om over mijzelf tevreden
te zijn, want ik verweet mij, wat er bij Laura was gebeurd. Wel kon
ik zeggen, dat ik toch moeilijk een meisje kon logenstraffen, dat
alleen zoo gehandeld had, om mij genoegen te doen en dat ik dus in
de noodzakelijkheid verkeerde om haar medeplichtige te worden, maar
die verontschuldiging stelde mij niet gerust. Het vertrouwen van mijn
nieuwen meester vergold ik op die wijze al heel slecht en ik was het
met mijzelf eens, dat, zoo ik al geen schelm was, het toch heel weinig
scheelde. De gevolgen daarvan overwegende, meende ik een gevaarlijk
spel te spelen. Dat joeg mij schrik aan. Maar andere gedachten kwamen
dien schrik weer verdrijven. Bovendien kon de voorspelling van den
man met het elixer voldoende zijn om mij gerust te stellen. Allerlei
aangename beelden vertoonden zich aan mij. Ik rekende uit hoeveel
ik na zes jaren dienst aan salaris zou hebben overgehouden, voegde
daarbij de gratificaties, waarmee mijn meester wel mild zou zijn en
kwam zoo tot een heel fortuin. Onder het bouwen van die luchtkasteelen
viel ik in slaap.
Ik stond den volgenden morgen om acht uur op en wilde de orders van
mijn meester gaan ontvangen; maar toen ik mijn deur opende zag ik
hem tot mijn verwondering voor mij staan. Hij zei: "Gil Blas, toen ik
gisteravond uw zuster verliet, beloofde ik haar vanmorgen bij haar te
komen, maar er is iets tusschenbeide gekomen, waardoor ik mijn woord
niet kan houden. Ga haar dus zeggen, dat ik tot mijn spijt verhinderd
ben, maar dat ik vanavond bij haar kom soupeeren. Dat is niet alles,"
bij die laatste woorden gaf hij mij een leeren doosje, bezet met
diamanten en een beurs, "breng haar mijn portret; en die beurs, waarin
vijftig pistolen zijn, is voor u als een bewijs van vriendschap."
Zeer verheugd ging ik naar Laura en zei tot mijzelf: "De goede
voorspelling komt uit. Wat een geluk, de broer te zijn van zulk een
schoon en bekoorlijk meisje! 't Is jammer, dat er niet evenveel eer
aan verbonden is als voordeel."
Laura had, in tegenstelling met andere personen van haar beroep,
de gewoonte om 's morgens vroeg op te staan. Ik verraste haar
bij haar toilet, waarbij ze in afwachting van haren Portugees,
bij hare natuurlijke bekoorlijkheden, ook nog die van de kunst
voegde. "Beminnelijke Estelle, mijn meester zal niet het genoegen
hebben u dezen morgen te zien, zooals hij met u had afgesproken. Hij
is verhinderd, maar komt vanavond bij u soupeeren. Hij zendt u zijn
portret, met iets dat u nog wel meer zal troosten."
Ik gaf haar het doosje, en de diamanten, waarmee het versierd
was, bevielen haar buitengewoon. Glimlachend zei ze: "Dat zijn nu
contrefeitsels waarvan de dames van het tooneel meer houden, dan van
het origineel."
Vervolgens zei ik haar, dat ik een beurs had gekregen met vijftig
pistolen. "Ik maak je er mijn compliment over," zei ze, "die man
begint met iets, waarmee de anderen nog maar zelden eindigen!"
"'t Is aan mijn aanbiddelijke zuster, dat ik dit cadeau te danken heb;
de markies heeft het mij alleen om de familierelatie gegeven."
"Ik zou wel willen," hernam ze, "dat hij iederen dag zoo iets deed. Ik
kan je niet zeggen, hoe dierbaar je me bent. Van het eerste oogenblik
af, dat ik je gezien heb, hechtte ik mij zoo sterk aan je. Toen je
mij te Madrid verliet, wanhoopte ik er niet aan, je terug te zien
en toen ik je gisteren terugzag, heb ik je ontvangen als een man,
dien de Hemel naar mij toezond. In één woord, mijn vriend, wij zijn
voor elkaar bestemd. Ge zult mijn man zijn, maar eerst moeten wij
rijk wezen. De voorzichtigheid gebiedt, dat wij daarmee beginnen. Ik
wil nog drie of vier galante avonturen hebben, om je een gemakkelijk
leven te bezorgen."
Vriendelijk dankte ik haar voor de moeite, die zij zich voor mij
wilde geven en wij bleven tot den middag bij elkaar. Toen ging ik
heen, om mijn meester mee te deelen op welke wijze zij het cadeau had
ontvangen. Hoewel Laura mij niets daaromtrent had gezegd, stelde ik
onderweg een schoon compliment op, dat ik mij voornam namens haar te
zeggen. Maar het was verloren moeite, want toen ik thuis kwam, zei
men mij, dat de markies was uitgegaan. Het was besloten, dat ik hem
niet weer zou zien, zooals men uit het volgende hoofdstuk zal vernemen.
HOOFDSTUK XI
Van het nieuws, dat Gil Blas vernam, en dat voor hem was als een
bliksemslag.
Ik ging eten in mijn restauratie, waar ik twee heeren ontmoette,
met wie ik mij aangenaam onderhield tot het tijd was, om naar den
schouwburg te gaan. Hoewel ik alle redenen had voor een opgewekte
stemming, voelde ik mij toch gedrukt en ik kon mij daartegen niet
verzetten.
Laat men toch nooit zeggen, dat wij geen voorgevoel kunnen hebben
van de ongelukken, die ons dreigen!
Toen ik den foyer binnenkwam, riep Melchior Zapata mij. Hij bracht
mij in een afzonderlijk kamertje en zei: "Mijnheer, ik acht het mijn
plicht u een zeer gewichtigen raad te geven. Ge weet, dat de markies
de Marialva eerst verliefd was op Narcissa, mijn echtgenoote, maar dat
Estelle hem tot zich wist te trekken. Ge kunt wel begrijpen, dat een
actrice zulk een prooi niet zonder spijt verliest. Mijn vrouw zocht
dan ook naar middelen, om zich te wreken en ongelukkig voor u heeft
ze nu een goede gelegenheid. Ge herinnert u, dat we gisteren allen
kwamen toeloopen om u te zien. Welnu, de onder-kaarsensnuiter kent u
en zegt, dat het niet waar is, dat ge de broeder van Estelle zijt. Dat
gerucht is gisteren Narcissa ter oore gekomen, die dadelijk den man
nader heeft ondervraagd. Hij zegt, dat hij u gekend heeft toen ge de
bediende bij Arsénia waart en dat Estelle onder den naam van Laura daar
ook in dienst was. Indien ge werkelijk de broer van Estelle niet zijt,
dan raad ik u als vriend aan, om voor uw veiligheid te zorgen. Mijn
vrouw, die zeer verheugd is over die ontdekking, heeft het plan haar
mee te deelen aan den markies, die vanavond in den schouwburg komt. Ze
vraagt echter slechts één slachtoffer en heeft mij toegestaan u te
waarschuwen, zoodat ge door te vluchten een ongeluk kunt voorkomen."
De man zag wel aan mijn verschrikt gezicht, dat er geen reden bestond
om de waarheid van de woorden van den kaarsensnuiter in twijfel te
trekken. Ik bedankte hem voor zijn waarschuwing en besloot zijn raad
op te volgen. Ik ging niet naar Laura, omdat ik begreep, dat zij
actrice genoeg was om zich uit die moeilijkheid te redden, maar dat
het voor mij in ieder geval verkeerd zou afloopen. In een oogenblik
had ik mijn koffer uit huis gehaald en naar een koetsier gebracht,
die den volgenden morgen om drie uur naar Tolédo zou vertrekken. Ik
wenschte, dat ik reeds bij den graaf de Polan was, wiens huis de eenig
veilige schuilplaats voor mij scheen. Maar ik was zoo ver nog niet
en kon er niet anders dan met schrik aan denken, dat ik nog zoolang
in een stad moest blijven, waar ik vreesde, dat men mij dadelijk was
gaan zoeken. Ik durfde nauwelijks te gaan soupeeren en onderzocht met
verschrikte blikken alle personen, die de zaal binnenkwamen. Daarna
ging ik naar den koetsier en wierp mij tot het uur van vertrek op
het stroo.
Mijn geduld werd op een zware proef gesteld; duizend onaangename
gedachten kwamen in mij op. Wanneer ik een oogenblik insliep, zag ik
den markies de schoone Laura vermoorden en hem alles vernielen, of
wel ik hoorde, dat hij zijn knechts last gaf mij met stokken dood te
slaan. Ik werd met een schok wakker en hoewel dat anders heerlijk is
na een benauwden droom, was het nu nog afschuwelijker dan de droom
zelf. Gelukkig kwam de koetsier mij eindelijk waarschuwen, dat hij
klaar was.
Naarmate wij ons van Granada verwijderden, werd mijn geest rustiger. Ik
begon gesprekken met den koetsier en lachte om de verhalen, die hij
mij deed.
Na een reis van drie dagen kwamen wij in Tolédo aan. Mijn eerste zorg
was, om te informeeren naar het huis van den graaf de Polan, bij wien
ik ongetwijfeld welkom zou zijn. Maar ongelukkigerwijs vertelde de
concierge mij, dat zijn meester den vorigen avond op reis was gegaan
naar het kasteel de Leyva, nadat men hem had bericht, dat Séraphine
gevaarlijk ziek was.
Wat moest ik toen verder in Tolédo doen? Daar ik zoo dicht bij Madrid
was, besloot ik daarheen te gaan. Misschien kon ik wel een betrekking
krijgen aan het hof; ik had wel eens hooren zeggen, dat men geen
buitengewoon begaafd mensch behoefde te zijn, om daar vooruit te komen.
De fortuin geleidde mij en deed mij een grooter rol spelen, dan ik
tot nu toe had gedaan.
HOOFDSTUK XII
Gil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den
kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem
naar Madrid had gebracht.
Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar,
onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië
logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen,
dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don
Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder
verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een
arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen
had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende
plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem
niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit
en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben
gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de
hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden
hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een
been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen
en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel,
hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft,
die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te
stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids
uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.
Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveel geld had
stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten
rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen
door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor
te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te
laten schrijven. "Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er
niet de minste notitie van neemt." Ik troostte hem door te zeggen,
dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde
mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister
gesproken had en deze had hem gezegd: "Mijnheer, ge behoeft niet zoo
op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan,
door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke
aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een
Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt,
niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men
u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning,
die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben
bewezen aan den staat." "Gij ziet dus wel," zoo ging de kapitein voort,
"dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel
terug zal gaan, zooals ik ben gekomen."
Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in
verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld
aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen
tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om
niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn
maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij
sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien
zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij
wilde dineeren en het avondeten gebruiken.
Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite
voor hem zijn smeekschriften te schrijven en die met hem samen te
stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den
bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was
een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken
van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit
in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden,
om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen,
men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht
gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den
duivel zouden loopen.
Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat
een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen
op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten
had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn
geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. "Er steekt niets
in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen
de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er
is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een
dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel
het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet
uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de
verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus
van dezen Keizer heeft gekregen."
Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot
de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en
wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij
samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man,
die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: "Mijn waarde
oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak
brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen,
beschik dan over mij."
"Hoe, Pédrille?" vroeg de oude heer, "als men u hoort, moet ge in
dit huis een post van gewicht bekleeden."
"Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo,
als gij zijt, te helpen," was het antwoord.
Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man,
die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal
woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht
van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat
hij van plan was te doen.
Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren
en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: "Het is een jongen, die
eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in
een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij
weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp."
Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. "Heeren," zei hij,
"gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke
mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats
niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei
bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de
Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna
iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. 't Is een jong,
mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng
ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor
haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar
te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een
klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het
verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman
zal houden."
Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij
had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog
minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door
te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen
hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die
bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite
slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette
het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift
en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond
aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken,
dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later
zagen wij de uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met
een triomfantelijk gezicht en zei: "Goed nieuws. De koning zal een
uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik
ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten
zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge
zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets
wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn
ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar
dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een
beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld
aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom."
Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon
jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman
merkte echter op: "We hebben te doen met een nog al wantrouwig
persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in
contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen."
"Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!"
"Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik
ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien
procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste
jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en
betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla."
Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een
pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed
daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet
meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.
HOOFDSTUK XIII
Gil Blas ontmoet aan het hof zijn waarden vriend Fabricius. Groote
vreugde bij beiden. Waar ze samen heengingen en van het belangrijke
gesprek, dat ze hadden.
Ik had het tot een gewoonte gemaakt, om iederen morgen naar het
koninklijk paleis te gaan en daar een paar uren te blijven om al de
grandes te zien uit- en ingaan, die daar zonder praal verschenen,
waarmee ze zich anders omringen.
Op een dag, dat ik daar rondliep en een vrij dwaas figuur maakte,
zooals trouwens zoovele anderen, bemerkte ik Fabricius, dien ik te
Valladolid had achtergelaten, als bediende bij den administrateur van
een klooster. Wat mij trof, was, dat hij zich familiaar onderhield
met den hertog de Medina Sidonia en den markies de Sainte-Croise. Die
twee heeren schenen met genoegen naar hem te luisteren. Bovendien
was hij zeer net gekleed.
Ik zei bij mezelf: "Bedrieg ik mij niet? Is dat nu de zoon van den
barbier Nunez? Misschien is hij een jong edelman, die toevallig op
hem gelijkt." Maar mijn twijfel was niet van langen duur. Hij had
ook mij herkend, kwam naar mij toe, nam mij bij de hand en bracht mij
uit het gewoel van de menschen. "Mijn waarde Gil Blas, ik ben verrukt
je weer te zien. Wat doe je te Madrid? Ben je nog in betrekking? Je
moet mij alles vertellen wat er met je is gebeurd, nadat wij elkaar
te Valladolid zoo plotseling hebben verlaten." Ik zei hem, dat ik
gaarne daartoe bereid was, maar dat de plaats hier niet geschikt was,
om hem al mijn avonturen te vertellen. "Daar heb je gelijk in. Wij
kunnen dat beter bij mij thuis doen. Kom mee. Ik woon vrij en zeer
aangenaam, volkomen naar mijn zin."
Wij hadden niet ver te loopen en kwamen aan een mooi groot huis, waarin
hij zei, dat hij woonde. Wij staken een plaatsje over en ik zag aan de
eene zijde een groote en aan de andere zijde een nauwe, donkere trap,
de eerste voerde naar prachtige appartementen, de tweede, welke wij
beklommen, naar het verblijf, dat hij zoo had geroemd. Het bestond
uit één vertrek, waarvan mijn vernuftige vriend, door dunne houten
beschotten er vier had gemaakt. Het eerste was de anti-chambre, het
tweede kabinet, het derde slaapkamer en het vierde keuken. De kamers
waren behangen met landkaarten, de meubels versleten en verkleurd.
"Nu wat zegt ge ervan? Vind je niet dat ik hier goed woon?" vroeg hij.
"Waarlijk," antwoordde ik. "Je zaken gaan zeker niet slecht in
Madrid. Heb je een of andere betrekking?"
"De hemel beware mij! Ik doe iets beters. Een voornaam heer, aan
wien dit huis toebehoort, heeft mij dit vertrek gegeven. Daarvan heb
ik vier kamers gemaakt en die gemeubileerd, zooals ge ziet. Ik heb
geen betrekking noodig en houd mij alleen bezig met zaken, die mij
genoegen geven."
"Maar spreek toch duidelijker! Wat doe je dan toch?"
"Ik ben schrijver geworden; ik schrijf in proza en ook in poëzie."
"Jij bent een gunsteling van Apollo! Dat zou ik nooit geraden
hebben. Maar wat voor bekoorlijks hebt ge dan kunnen vinden in het
leven van een dichter? Ik vind, dat die lieden in de beschaafde
maatschappij worden geminacht en niet in tel zijn."
"Hè, wat?" riep hij op zijn beurt, "Ge denkt aan die armzalige auteurs,
die werken voor boekverkoopers en comedianten! Is het te verwonderen,
dat dergelijke schrijvers niet geacht worden? Maar de goede, mijn
vriend, hebben het beter in de wereld en ik kan zonder ijdelheid
zeggen, dat ik tot hen behoor." "Je bent verstandig genoeg," zei
ik, "en dus zal hetgeen je maakt wel niet slecht zijn. Maar ik ben
benieuwd te hooren, hoe die woede om te gaan schrijven je zoo opeens
heeft aangegrepen."
Nunez hernam: "Ik kan die verwondering begrijpen. Ik was zoo tevreden
bij mijnheer Manuel Ordonnez, dat ik geen andere positie wenschte. Maar
mijn genie ontwaakte, ik maakte een comedie, die gespeeld werd
te Valladolid. Hoewel ze niets waard was, had ze een zeer groot
succes. Daaruit besloot ik, dat het publiek een goed melk-koetje
is. Die overweging en de lust om meer te schrijven deden mij besluiten
mijn betrekking neer te leggen. De liefde voor de poëzie ontnam mij
die voor den rijkdom. Ik besloot naar Madrid te gaan, het centrum van
alle groote geesten en vroeg dus mijn ontslag aan den administrateur,
die het mij niet zonder leedwezen gaf, want hij hield veel van
mij. "Fabricius," zei hij me, "waarom wil je mij verlaten? Heb ik je
soms onbewust redenen gegeven tot ontevredenheid?" Ik antwoordde:
"Neen mijnheer, ge zijt de beste van alle meesters, ik ben u zeer
dankbaar voor uw goedheid, maar men moet zijn ster volgen. Ik
gevoel mij geboren om mijn naam te vereeuwigen door werken van den
geest!" "Wat een dwaasheid! Ge zijt hier nu gewend geraakt, ge zijt
van het hout gemaakt, waarvan men goede administrateurs maakt en nu
gaat ge een solied bestaan verlaten, om je in de zotternij te begeven!"
De administrateur zag wel, dat het nutteloos was om mijn plan te
bestrijden; hij betaalde mijn salaris en gaf mij nog vijftig ducaten
cadeau, uit dankbaarheid voor mijn diensten. Met dat geld en het
sommetje, dat ik reeds door allerlei kleine zaakjes bij elkaar
gebracht had, kon ik mij, toen ik in Madrid kwam, goed vestigen
en ik deed dat ook, hoewel de schrijvers van onze natie zich weinig
bekommeren om zulke zaken. Weldra kende ik Lopes de Vega Carpio, Miguel
Cervantes de Saavedra en andere beroemde schrijvers, maar boven die
groote mannen koos ik mij tot onderwijzer een jong letterkundige,
den onvergelijkelijken don Louis de Gangora, het grootste genie,
dat Spanje ooit heeft voortgebracht. Hij wil niet, dat zijn werken
gedrukt zullen worden bij zijn leven, hij stelt zich er mee tevreden,
ze aan zijn vrienden voor te lezen. Het merkwaardigste van hem is, dat
de natuur hem een zeldzaam talent heeft gegeven voor alle soorten van
poëzie. Hij munt voornamelijk uit in satyrische stukken. Hij is niet
als Lucilius, een modderige vloed, die veel slijk meevoert, maar 't
is de Taag, die zijn heldere wateren voortrolt over het gouden zand."
"Ge geeft me daar," zei ik tot Fabricius, "een schoon portret van
dien letterkundige en ik twijfel er niet aan, of een persoon van
zulke verdiensten moet zeer worden benijd."
"Alle schrijvers," zei hij, "hebben tegen hem samengespannen, de
goede zoowel als de slechte. De een zegt, dat hij te gezwollen en te
bloemrijk is, een ander beweert, dat zijn verzen even duister zijn als
de liederen, die de Salische priesters bij hunne processies zingen en
die niemand kan verstaan. Weer een derde verwijt hem, dat hij werk wil
leveren in allerlei genre. Maar dat is alles slechts jaloezie. Ik heb
mijn leertijd gehad bij een zeer bekwaam meester en ik durf zeggen
daarvan een goed gebruik te hebben gemaakt, zoodat ik reeds stukken
maak, die zeer gewild zijn. Zijn voorbeeld volgende, bied ik mijn werk
aan in de huizen der grooten, waar ik uitstekend word ontvangen en
te doen heb met menschen, die niet moeilijk zijn. Verschillende van
die heeren zijn zeer op mijn gezelschap gesteld en voornamelijk met
den hertog de Medina Sidonia leef ik, als Horatius met Mecenas. En
nu heb ik u niets meer te vertellen. Vertel mij nu, op jouw beurt,
je wedervaren."
Ik kwam daarop aan het woord en deed hem een omstandig verhaal, zooals
hij verlangde. Daarna kwam de kwestie van het diner. Hij haalde uit
zijn kast brood, een stuk gebraden vleesch en een flesch uitmuntenden
wijn en wij zetten ons aan tafel, vroolijk, als twee vrienden, die
elkaar na een lange scheiding ontmoeten. "Je ziet," zei hij, "dat
ik een vrij en onafhankelijk leven leid. Indien ik het voorbeeld van
velen mijner confraters wilde volgen, zou ik iederen dag bij voorname
personen gaan eten, maar behalve dat de liefde voor mijn werk mij thuis
doet blijven, kan ik mij even gemakkelijk gewennen aan de eenzaamheid
als aan de groote wereld, aan soberheid, als aan overvloed."
Wij vonden den wijn zoo goed, dat hij nog een tweede flesch
haalde. Zoo sprekende zei ik hem, dat ik wel graag eens een van zijn
voortbrengselen zou willen leeren kennen. Dadelijk zocht hij onder zijn
papieren een sonnet, dat hij mij voorlas op een gezwollen toon. Het
werk was mij zoo duister, dat ik er niets van begreep. Hij merkte het
en zei: "Dit sonnet is je niet zeer duidelijk, niet waar?" Ik bekende,
dat een weinig meer helderheid niet ongewenscht zou zijn. Hij lachte
mij uit. "Indien dit sonnet niet geheel verstaanbaar is, mijn vriend,
des te beter! Sonnettes, odes en andere verheven werken voegen zich
niet naar het eenvoudige en natuurlijke; 't is juist het duistere,
dat er de verdienste van uitmaakt. Het is voldoende als de dichter
zelf maar denkt, dat hij het begrijpt."
"Je houdt mij voor den gek!" riep ik. "Elk vers, van welken aard
ook, behoort duidelijk en begrijpelijk te zijn en wanneer je
onvergelijkelijke vriend Gangora niet helderder schrijft dan jij,
dan moet ik je zeggen, dat hij in mijn oogen niet veel waard is. Maar
laat me nu eens wat van je proza hooren!"
Nunez liet mij een voorrede lezen, die hij wilde uitgeven ter inleiding
van een verzameling tooneelstukken, die hij op de pers had. Hij
vroeg mij na de lezing, wat ik ervan dacht. "Ik ben," antwoordde ik,
"over je proza al even weinig voldaan als over je poëzie. Je sonnet is
niets dan pompeuze wartaal en er zijn in je voorrede te veel gezochte
uitdrukkingen en gewrongen zinnen. Je stijl is, in één woord ongewoon;
de boeken van onze goede oude schrijvers zijn zoo niet geschreven."
"Arme onnoozele!" riep Fabricius. "Je weet niet, dat heden ten
dage ieder prozaschrijver, die naar de reputatie streeft, om een
fijnversneden pen te hebben, dien ongewonen stijl bezigt en die
gewrongen uitdrukkingen, waaraan jij je stoot. Wij zijn met vijf of
zes moderne schrijvers, die ondernomen hebben de taal van wit in
zwart te veranderen en wij zullen tot ons doel geraken, ten spijt
van Lopes de Vega, van Cervantes en al de anderen, die ons bespotten
om onze nieuwe manier van schrijven. Wij hebben vele aanhangers en
daaronder vele gewichtige personen, ook theologen. Alles daargelaten,
is ons streven loffelijk, wij willen beter zijn dan die natuurlijke
schrijvers, die spreken als alle gewone menschen. Ik begrijp niet, dat
er nog zooveel menschen zijn, die hen vereeren. Dat was goed in Athene
en in Rome en 't is daarom, dat Socrates tegen Alcibiades zei, dat
het volk een uitstekend meester was in de taal. Maar in Madrid hebben
wij een goed en een slecht gebruik daarvan en onze hovelingen drukken
zich anders uit dan onze burgers; onze stijl munt uit boven dien van
onze tegenstanders, het bevallige van onze dictie boven de platheid in
de hunne. Ik zal je een voorbeeld geven. Zij zouden b.v. heel gewoon
zeggen: "de terzijdes verfraaien een tooneelstuk." En wij zeggen,
veel mooier: "de terzijdes maken schoonheid in een tooneelstuk." Let
goed op dat--maken schoonheid--Voel je daar al het schitterende,
fijngevoelige, lieve van?"
"Loop heen, Fabricius, met je bevallige taal!" riep ik en hij
antwoordde mij met de woorden van den aartsbisschop: "Vaarwel,
mijnheer Gil Blas, ik wensch u een beetje meer smaak toe."
Zijn goed humeur had intusschen niet geleden door mijn weinigen
eerbied voor zijn geschriften. Wij ledigden onze tweede flesch,
waarna we in een aangename stemming van tafel opstonden, om wat in
het Prado te gaan wandelen. Maar wij kwamen voorbij het huis van een
koopman in likeuren en besloten daar binnen te gaan.
Gewoonlijk vindt men op zulke plaatsen een goed gezelschap. Hier
waren twee zalen, waarin zich de heeren op verschillende wijzen
vermaakten. In de eene speelde men kaart of schaakte men, in de tweede
werd een levendige discussie gevoerd. Men behoefde niet dichterbij te
komen, om te hooren, dat een onderwerp uit de metaphysica hun stof
gaf tot discours. "Wat een levendigheid! En wat een longen!" zei
mijn metgezel.
"Die heeren zijn eigenlijk geboren om marktschreeuwers te worden. De
meeste menschen zijn niet op hun goede plaats in de maatschappij."
Daar wij ons niet doof wilden laten schreeuwen, gingen wij in
een hoek van de andere zaal zitten en namen het gaande en komende
publiek op. Nunez kende die menschen bijna allen. "Almachtig! het
dispuut van onze filosophen zal niet zoo gauw afgeloopen zijn; hier
komen versche troepen; de drie mannen, die nu binnen komen zullen
er ongetwijfeld aan deelnemen. Maar zie je die twee origineelen, die
daar weggaan? Dat kleine manneke met zijn taan-kleurig gezicht is don
Julie de Villanano. Hij is een fatje, die zich meestal met honden
vermaakt. Een mijner vrienden en ik gingen eens bij hem dineeren;
wij vonden hem bezig met de stukken van een proces, waarover hij
rapport moest uitbrengen, te laten rapporteeren door een grooten
jachthond, die ze natuurlijk in flarden scheurde. De geestelijke, die
hem vergezelt is don Chérubin Tonto. Hij is de grootste stommeling,
die er bestaat. Hij heeft een geestig uiterlijk en schitterende oogen,
zoodat men hem voor een knap man zou kunnen houden, maar leest men
hem een passage voor uit een mooi boek, dan begrijpt hij er niets van."
"Ken je," vroeg ik Nunez, "die twee slechtgekamde heeren, die daar
stil in een hoek zitten te praten?"
"Neen," antwoordde hij, "hunne gezichten komen mij niet bekend
voor. Maar het schijnen politici te zijn, die het gouvernement
beoordeelen. Kijk eens naar dien mijnheer, die daar heen en weer
loopt. Dat is don Augustin Moreto, een jong dichter, niet zonder talent
geboren, maar door vleiers en domme menschen bijna gek gemaakt. Daar
komen nog meer schrijvers binnen! Dat zijn don Bernard Deslenguado en
don Sebastien de Villa Viciosa. De eerste is een schrijver vol gal,
die er behagen in schept om heel de wereld te haten en van wien niemand
houdt. De andere is een goede jongen, die onlangs een comediestuk heeft
geschreven, dat zeer goed is gegaan en dat hij heeft laten drukken
om niet langer misbruik te maken van de achting van het publiek."
De leerling van Gangora wilde mij nog andere personen gaan beschrijven,
maar er kwam iemand, behoorende tot het gevolg van den hertog de Medina
Sidonia, hem zeggen: "Don Fabricius, ik zoek u, om u te zeggen dat onze
meester u wel zou willen spreken. Hij wacht u bij hem thuis." Nunez,
die wist, dat men niet spoedig genoeg kan voldoen aan de wenschen
van groote heeren, verliet mij dadelijk, om zijn Mecenas te gaan
bezoeken. Hij liet mij achter, verwonderd dat men hem met "don"
aansprak, dat hij dus van adel was geworden, ten spijt van zijn vader,
meester Chrysostome, den barbier.
HOOFDSTUK XIV
Fabricius plaatst Gil Blas bij den graaf Galiano, een Siciliaansch
edelman.
Ik had zooveel lust om Fabricius weer te zien, dat ik den volgenden
morgen al vroeg bij hem was. Binnenkomende zei ik: "ik heb de eer
don Fabricius te groeten, de bloem, of liever de champignon van den
Asturischen adel." Hij begon bij die woorden te lachen. "Heb je dus
gehoord, dat men mij met "don" aanspreekt?" "Ja edele heer en u zult
mij toestaan u te zeggen, dat ge gisteren, bij het verhaal van uw
gedaanteverwisseling, het beste hebt vergeten." "Dat stem ik toe,"
zei hij, "maar waarlijk, dat ik dien titel heb aangenomen is minder
gebeurd om mijn ijdelheid te bevredigen, dan wel om het mij tegenover
anderen gemakkelijk te maken. Je kent de Spanjaarden; iemand is niet
goed, wanneer het ongeluk wil, dat hij niet rijk is of van goede
geboorte. Ik zie zooveel menschen,--en de duivel weet welk soort--die
zich don laten noemen, dat de adel algemeen is geworden. Maar laat
ons van dit onderwerp afstappen. Gisteravond, aan het souper bij den
hertog Medina Sidonia, waar onder andere gasten ook graaf Galiano,
een voornaam edelman van Sicilië was, kwam het gesprek op belachelijke
gevolgen van eigenliefde. Verheugd iets over dit onderwerp te hebben,
waarmee ik het gezelschap kon vermaken vertelde ik de geschiedenis
van de preeken. Je begrijpt wel, dat men den aartsbisschop hartelijk
heeft uitgelachen en dat had voor jou geen kwade uitwerking. Want men
beklaagde je en graaf Galiano, na mij eenige vragen te hebben gedaan,
die ik goed beantwoordde, zooals je denken kunt, droeg mij op je bij
hem te brengen. Hij zal je waarschijnlijk als secretaris aanstellen. Ik
zou je aanraden dit aanbod niet af te slaan. Hij is rijk en is op
het oogenblik als gezant te Madrid, om met den eersten minister, den
hertog de Lerme, te confereeren over goederen in Sicilië. Hoewel graaf
Galiano een Siciliaan is, is hij zeer edelmoedig en oprecht. Je kan
niet beter doen, dan je aan dien heer te hechten. Waarschijnlijk is
hij de man, die je rijk moet maken, zooals je in Granada is voorspeld."
"Ik had mij voorgenomen," zei ik tegen Nunez, "om eerst nog wat rond te
loopen, en te wachten om weer in betrekking te gaan, maar je spreekt
over den Siciliaanschen graaf op een wijze, die mij van besluit doet
veranderen. Ik wilde, dat ik al bij hem was." Wij begaven ons naar
den graaf, die het huis bewoonde van don Sonchez d'Avila, zijn vriend,
die tijdelijk buiten vertoefde.
Wij vonden op de plaats en in de gangen ik weet niet hoeveel pages
en lakeien, die even smaakvolle als rijke livrei droegen en in
de antichambre een groot aantal personen, met prachtige kleeren,
maar zulke zonderlinge gezichten, dat ik een troep aangekleede apen
meende te zien. Er zijn werkelijk gezichten, van mannen en vrouwen,
waar niets aan te verhelpen is.
Men kondigde don Fabricius aan, die een oogenblik later in de kamer
werd binnengelaten, waar ik hem volgde. De graaf, gekleed in een
kamerjapon, zat op een sopha en dronk chocolade. Wij groetten hem
eerbiedig en hij maakte, van zijn kant, een neiging met het hoofd,
die vergezeld ging met een zoo vriendelijken blik, dat ik mij al
dadelijk voor hem voelde ingenomen. Wonderbaarlijke en toch gewone
uitwerking die de welwillende ontvangst van grooten op ons heeft! Ze
moeten ons al heel slecht ontvangen, willen ze ons niet bevallen.
Na zijn chocolade te hebben gedronken, amuseerde hij zich eenigen tijd
met een grooten aap, dien hij bij zich had en die Cupido heette. Hij
had dat dier zeker dien godennaam gegeven, omdat hij al diens ondeugd
bezat. Maar zijn meester was verrukt over hem en zoo ingenomen met
zijn manieren, dat hij hem voortdurend in zijn armen hield. Nunez en ik
deden alsof die aap ons zeer interesseerde. Eindelijk zei de Siciliaan:
"Mijn vriend, ge kunt als een van mijn secretarissen bij mij in dienst
treden. Uw salaris zal tweehonderd pistolen per jaar bedragen. Het is
voor mij voldoende, dat don Fabricius u aan mij heeft voorgesteld en
voor u instaat." "Ja mijnheer," zei Nunez, "Ik ben stoutmoediger dan
Plato, die niet durfde instaan voor een van zijn vrienden, die hij
aan Denis, den tiran, zond. Ik vrees niet mij verwijten te berokkenen."
Ik bedankte door een buiging mijn vriend, den dichter van Asturië,
voor zijn welwillende stoutmoedigheid. Vervolgens mij tot mijn
nieuwen meester richtende, gaf ik hem de verzekering van mijn ijver
en mijn trouw. Deze liet, zoodra hij gemerkt had, dat ik zijn voorstel
gaarne aannam, zijn intendant roepen, met wien hij eenigen tijd zacht
sprak. Vervolgens zei hij: "Gil Blas, ge zult later wel vernemen,
welk werk ik voor u te doen heb. In afwachting daarvan moet ge
mijn intendant maar volgen, die mijn orders, u betreffende, heeft
ontvangen." Ik gehoorzaamde, Fabricius achterlatende met den graaf
en Cupido.
De intendant nam mij mee naar zijn kamer en was zeer beleefd. Hij
liet een kleermaker halen, die mij een uniform moest aanmeten,
zooals de officieren droegen. Daarna zei hij: "Voor uw kamer zal ik
zorgen. Hebt ge al ontbeten? Niet. Maar waarom dat niet gezegd? Ge
zijt hier in een huis, waar men slechts behoeft te zeggen, wat men
wenscht, om het te hebben. Kom, ik zal u naar een plaats brengen,
waar het u aan niets zal ontbreken."
Bij die woorden bracht hij me naar beneden, naar een soort kantoor,
waar wij den hofmeester vonden, een Napolitaan, die zich met vijf
of zes van zijn vrienden tegoed deed aan ham, ossetongen en ander
gezouten vleesch, dat hem onophoudelijk noodzaakte om te drinken. Wij
voegden ons bij hen en hielpen hen, om op de uitstekende behandeling
van onzen meester te drinken. De kok onthaalde op zijn beurt drie of
vier van zijn kennissen en daarbij werd de wijn niet gespaard. Ik
zei bij mezelf, dat ik in een huis was, dat aan plundering was
overgeleverd. Dat was evenwel nog niets. Ik zag slechts bagatellen
in vergelijking met hetgeen ik niet zag.
HOOFDSTUK XV
Van het werk, dat graaf Galiano in zijn huis aan Gil Blas gaf.
Ik ging heen om mijn goed te pakken en dat naar mijn nieuwe woning
te laten brengen. Toen ik terugkwam, was de graaf aan tafel met
verschillende heeren en den dichter Nunez, die zich met groot gemak
liet bedienen en zich in de conversatie mengde. Zelfs merkte ik,
dat hij geen woord zei, dat het gezelschap geen genoegen deed. Leve
de geestigheid! als men die heeft, kan men alles zijn, wat men wil.
Wat mij betreft, ik dineerde met de officieren, die bijna evengoed
werden bediend als hun patroon. Na het eten ging ik in mijn kamer, waar
ik begon na te denken over mijn positie en zei: "Welnu Gil Blas, nu ben
je dus bij een Siciliaanschen graaf, wiens karakter je niet kent! Naar
den schijn te oordeelen, zal je in dat huis zijn als een visch in
het water. Maar je moet nog over niets oordeelen en je geluksster
wantrouwen, die je al zoo dikwijls heeft bedrogen. Overigens weet je
nog niet, waarvoor je bestemd bent. Je meester heeft secretarissen
en een intendant. Welke diensten zal jij hem moeten bewijzen?"
Onder die overdenkingen kwam een lakei mij zeggen, dat al de heeren,
die bij den graaf gedineerd hadden, vertrokken waren en dat mijnheer
mij verlangde te spreken. Ik ging naar zijn kamer, waar ik hem op
een sopha weer bezig vond met zijn aap.
"Kom nader Gil Blas, neem een stoel en luister naar mij. Don Fabricius
heeft mij gezegd, dat ge onder andere goede hoedanigheden, ook deze
bezit, dat ge u aan uw meester hecht en onomkoopbaar zijt. Die
twee zaken hebben mij doen besluiten u voor te stellen bij mij
te komen. Ik heb behoefte aan iemand, die zorgvuldig mijn belangen
waarneemt en er al zijn aandacht aan wijdt om mijn goed te bewaren. Ik
ben rijk, dat is waar, maar mijn uitgaven overschrijden ieder jaar
ver mijn inkomsten. En waarom? Omdat men mij besteelt, omdat men
mij plundert. Ik ben in mijn huis als in een bosch vol roovers. Ik
verdenk mijn hofmeester en mijn intendant, dat ze het samen eens
zijn. Ge zult me vragen, waarom ik hen niet wegjaag, als ik denk dat
zij bedriegers zijn. Maar waar vind ik anderen, die niet van hetzelfde
slag zijn? Ik moet mij er dus toe bepalen hen te laten controleeren
en daarvoor heb ik u uitgekozen. Indien ge u goed van uw taak kwijt,
kunt ge er zeker van zijn, dat ge geen ondankbare hebt gediend. Ik
zal zorgen u op Sicilië zeer goed te plaatsen."
Na die woorden tot mij te hebben gesproken, liet hij mij weggaan en
denzelfden avond nog werd aan het geheele personeel meegedeeld, dat
ik opper-intendant was geworden van het heele huis. De intendant
en de hofmeester namen dat eerst kalm op, omdat ze dachten met
iemand te doen te hebben, met wien ze slechts behoefden te deelen,
om ongestoord hun gang te kunnen blijven gaan. Maar ze vonden zich
reeds den volgenden dag bedrogen, toen ik hun verklaarde een vijand te
zijn van alle knoeierij. Ik vroeg aan den hofmeester een staat van de
provisie, ik bezocht de kelders, ik nam op wat er aan tafelzilver en
linnen aanwezig was. Daarop drukte ik hun beiden op het hart zuinig
te zijn met het goed van den patroon, spaarzaam in de uitgaven. En
ik waarschuwde hen erbij, dat ik alle bedrog dadelijk ter kennis van
onzen meester zou brengen.
Ik bleef daar niet bij. Ik wilde een spion hebben, om te ontdekken
of zij samen knoeiden. Mijn oog viel op een koksjongen, dien ik door
verschillende beloften voor mij won en die mij zei, dat niemand mij
beter op de hoogte kon brengen dan hij. Volgens hem waren de hofmeester
en de intendant het met elkaar eens, de helft van het vleesch, dat men
voor het huis kocht, werd iederen dag door hen verduisterd. De eerste
had een dame wonen over de school van St. Thomas en die van de tweede
woonde bij de haven. De heeren lieten iederen morgen aan hunne nimfen
een mand met provisie brengen. De kok, op zijn beurt, zond lekkere
schotels aan een weduwe in de buurt, met wie hij bevriend was en ter
belooning van den dienst dien hij den anderen bewees, beschikte hij,
evenals zij, vrij over den wijnkelder. De jongen zei me verder, dat
ik hem den volgenden morgen om zeven uur met een mand zou kunnen zien
bij de school van St. Thomas.
"Ben jij dus de boodschapper van die heeren?" vroeg ik. Hij antwoordde
mij, dat hij zijn opdrachten kreeg van den hofmeester en dat een
kameraad de boodschappen deed voor den intendant.
Ik achtte het wel de moeite waard, om mij te gaan overtuigen van de
waarheid van dit rapport en bevond mij dus den volgenden morgen op
het aangegeven uur bij de school. Ik behoefde niet lang te wachten
op mijn spion, die weldra naderde met een mand vol vleesch, gevogelte
en wild. Ik maakte een kleinen inventaris op van een en ander en liet
den jongen op de gewone wijze dat goed afgeven.
Thuisgekomen begaf ik mij naar den meester, die in een eerste opwelling
van drift zoowel den hofmeester als den intendant wilde wegjagen. Maar
hij bepaalde zich tot het ontslag van den laatste, wiens betrekking
hij mij gaf.
Dus werd de betrekking van opper-intendant opgeheven korten tijd
nadat ze was geschapen en eerlijk gezegd speet mij dat niet. Want het
was toch, eigenlijk gezegd, geen eervolle betrekking, die van spion;
inplaats daarvan was ik nu mijnheer de intendant, ik was meester van
de brandkast en dat is het voornaamste. Aan die betrekking zijn altijd
van die voordeeltjes verbonden, die iemand rijk maken op den duur,
al is hij nog zoo eerlijk.
Mijn Napolitaan, wien het niet aan slimheid ontbrak, die mijn ijver
zag en merkte, dat ik er iederen morgen bij was wanneer hij vleesch
inkocht en dat noteerde, bleef dezelfde hoeveelheid nemen, zond daarvan
echter niet zooveel meer weg, maar bracht het op tafel. Daardoor
werd er minder gegeten van andere zaken en van rechtswege behoorde
het overschot van de tafel hem toe. Kon hij nu aan zijn schoone niet
zooveel schotels vleesch meer sturen, ze kreeg er nu andere dingen
voor. Langzaam en geleidelijk begon ik dien overvloed aan tafel te
doen verminderen, waarbij ik voorzichtig moest te werk gaan, omdat
bij mijn meester de zuinigheid ondergeschikt was aan zijn zucht naar
weelde en praal.
Daarbij bleef het niet. Ik vond, dat ook nu de voorraad wijn nog veel
te spoedig verminderde. Wanneer mijn meester een dozijn heeren aan
tafel had, werden er vijftig, soms zestig flesschen wijn gedronken,
naar het heette. Dat verwonderde mij en ik raadpleegde weer mijn
orakel, d. w. z. den koksjongen. Deze vertelde mij, dat er nu een
nieuw verbond bestond tusschen den hofmeester, den kok en de lakeien,
die aan tafel schonken. Alle flesschen werden half leeg in de keuken
gebracht en dan onder hen verdeeld. Ik dreigde, dat ik de lakeien zou
wegjagen, als ik weer zoo iets merkte. Mijn meester, wien ik al die
zaken meedeelde, was zeer over mij tevreden en werd mij van dag tot dag
meer genegen. Mijn koksjongen beloonde ik door hem bijkok te maken. Op
zulke wijze vindt in een goed huis een trouwe bediende zijn weg.
De Napolitaan was woedend, dat ik zoo op hem toekeek, want ik ging ook
geregeld naar de markten, om op de hoogte te zijn van de prijzen van
hetgeen hij inkocht. Ik was er van overtuigd, dat hij mij wel honderd
maal op een dag vervloekte en ik begreep niet, dat hij den dienst
van onzen meester niet verliet. Misschien maakte hij niettegenstaande
alles, zijn rekening toch nog goed.
Fabricius, dien ik nu en dan zag en wien ik vaak een en ander uit mijn
betrekking vertelde, was meer geneigd om mijn gedrag af te keuren,
dan om het te prijzen. "Wanneer je wat minder hard was voor dien
hofmeester geloof ik, dat het beter voor je zou zijn," zei hij. "Hoe
zoo?" vroeg ik. "Ik kan toch niet toelaten, dat hij tien pistolen in
rekening brengt voor visch, die hem maar vier heeft gekost?" "Waarom
niet, wanneer je hetgeen er over is samen met hem deelt? 't is maar
te hopen, dat je belangeloosheid eens zal worden beloond. Voor een
verstandig man, als jij bent, vind ik, dat je dom handelt. Je bent
een echte dwarskijker en ik vind, dat je aanleg hebt om lang knecht
te zijn, want je vilt de paling niet, die je in je handen hebt. De
fortuin is als een van die vluchtige coquettes, die iemand ontgaan,
wanneer hij niet van de gelegenheid gebruik maakt."
Ik lachte om die opmerkingen van Nunez, hij lachte er zelf ook om en
wilde het doen voorkomen, dat hij het niet ernstig had gemeend. Hij
schaamde zich, mij nutteloos een slechten raad te hebben gegeven. Ik
bleef vast bij mijn besluit, om altijd trouw en ijverig te zijn. En
ik mocht zeggen, dat ik door mijn spaarzaamheid in vier maanden tijd,
mijn meester een voordeel had bezorgd van minstens drieduizend ducaten.
HOOFDSTUK XVI
Van het ongeval, dat den aap van den graaf de Galiano overkwam en
van het verdriet, dat deze heer daarvan had. Hoe Gil Blas ziek werd
en wat voor hem de gevolgen waren van zijn ziekte.
Na dien tijd werd de rust, die anders in het huis heerschte op vreemde
wijze verstoord door een ongeval, dat de lezers maar een kleinigheid
zal toeschijnen, maar dat een zeer ernstige zaak werd voor de bedienden
en vooral voor mij.
Cupido, de aap waarvan ik gesproken heb en waarop mijn meester zoo
gesteld was, wilde op zekeren dag van het eene raam in het andere
springen, verloor daarbij zijn evenwicht, viel op de plaats en brak
een been. De graaf had nog niet van het ongeluk gehoord, of hij
begon kreten uit te stooten als een vrouw en schold in zijn woede
het heele personeel uit. Het scheelde weinig of hij had iedereen
weggejaagd. Wij waren volgens hem slordig en daardoor was het ongeluk
gebeurd. Hij liet dadelijk de bekwaamste chirurgijns uit Madrid komen,
die het beest onderzochten en verbonden en hoewel zij hem verzekerden,
dat het geval niets te beteekenen had, noodzaakte hij een hunner bij
het dier te blijven tot het geheel genezen was. Mijn meester was zoo
bezorgd over dien aap, dat hij zelfs 's nachts een paar malen naar hem
ging kijken. Maar het vervelendste was, dat het heele personeel en ik
inzonderheid, steeds klaar moest staan voor dat verwenschte dier. Er
kwam geen rust in huis, voor de aap weer zijn gewone sprongen kon
maken. Ongelukkigerwijs werd ik ziek, doordat ik het zoo druk had
gehad. De koorts was zoo hevig, dat ik buiten kennis was. Ik weet
niet, wat men met mij deed gedurende de eerste veertien dagen, dat
ik zweefde tusschen dood en leven. Ik weet alleen, dat mijn jeugd
zich zoo krachtig verzette tegen de ziekte en misschien ook tegen de
medicijnen, die men mij had gegeven, dat ik herstelde. Toen ik weer
bij kennis kwam, was het eerste wat ik merkte, dat ik in een andere
kamer was dan de mijne.
Ik wilde weten waarom, maar een oude vrouw, die mij oppaste, zei,
dat de dokter streng verboden had, dat ik zou spreken. Wanneer men
gezond is, dan lacht men gewoonlijk om die dokters, maar is men ziek,
dan volgt men gewillig hunne bevelen. Ik zweeg dus, hoe groot mijn
lust ook was, om met mijn verpleegster te spreken.
Terwijl ik zoo lag na te denken, kwamen er twee fatterige heertjes in
mijn kamer, keurig in het fluweel gekleed. Ik dacht, dat het vrienden
van mijn meester waren, die mij uit belangstelling kwamen bezoeken
en wilde overeind gaan zitten in bed, maar de verpleegster drukte
mij neer en zei dat het de dokter en de apotheker waren.
De eerste naderde mij, voelde mijn pols, bekeek mijn gezicht en
daar hij merkte, dat alles op een naderende genezing wees, keek
hij triomfantelijk rond, alsof dit zijn werk was en zei, dat ik nog
medicijnen moest gebruiken om geheel te herstellen.
Hij schreef een recept en keek daarbij in een spiegel, of zijn haar wel
netjes genoeg zat. Niettegenstaande den toestand, waarin ik verkeerde,
moest ik daarom in stilte lachen. Vervolgens groette hij mij beleefd
en vertrok, meer vervuld van zijn uiterlijk dan van gedachten aan de
medicijnen, die hij mij had voorgeschreven.
De medicijnen liet ik den volgenden dag uit het raam gooien en ik
zei op vasten toon tegen mijn verpleegster, dat ik beslist eenig
nieuws wilde weten over mijn meester. De oude, die vreesde een hevige
emotie bij me op te wekken, wanneer ze begon te spreken, aarzelde,
maar ik drong zoo sterk aan, dat ze eindelijk antwoordde: "Mijnheer,
u hebt geen andere meester dan uzelf. Graaf Galiano is teruggekeerd
naar Sicilië."
Ik kon het niet gelooven en toch was het de waarheid. Die mijnheer
had mij den tweeden dag van mijn ziekte, toen hij vreesde dat ik
zou sterven, laten transporteeren naar een gemeubileerde kamer,
mij overlatende aan de zorg van de voorzienigheid en aan die van een
verpleegster. Na enkele dagen had hij een bericht gekregen, dat hem
noodzaakte naar Sicilië terug te keeren. Hij had zooveel haast om
te vertrekken, dat hij niet meer naar mij omzag, hetzij dat hij mij
reeds onder de dooden waande, hetzij dat voorname personen een gebrek
hebben in hun geheugen.
Mijn verpleegster zei me, dat zij het was geweest, die den dokter
had laten halen. Adieu voordeelige betrekking in Sicilië! Adieu, al
mijn zoete hoop. Wanneer u een groot ongeluk overkomt, zegt een paus,
onderzoek uzelf dan goed en ge zult zien, dat het altijd gedeeltelijk
aan uzelf ligt. Ten spijt van dien heiligen vader, kon ik niet inzien
hoe ik thans tot mijn ongeluk had bijgedragen.
Ik zei tot de verpleegster, dat ze mij mijn valies moest geven en zag
dadelijk, dat het geopend was. Ik zuchtte: "hélaas, mijn dierbaar
valies, mijn eenige troost! Gij zijt, zooals ik zie, in vreemde
handen geweest." De oude zei me echter, dat men mij niet bestolen
had en dat zij mijn valies bewaakt had als haar eer. Ik vond mijn
kleeren en mijn beurs, maar van de twee honderd zestig pistolen,
die er in waren vóór mijn ziekte, waren er niet meer dan vijftig over.
"Wat beteekent dat?" vroeg ik.
Ze antwoordde mij: "Niemand heeft het geld aangeraakt dan ik en
ik ben er zoo zuinig mogelijk mee geweest, maar ziek zijn kost
geld". Ze haalde een pakje papieren uit haar zak, wel vijftien of
twintig velletjes groot, waarop ze alles had genoteerd, wat ze had
uitgegeven. Jammer van het gevogelte, dat gekocht was, toen ik buiten
kennis was en aan bouillon stond er wel voor twaalf pistolen op de
rekening. Maar het geheele bedrag van de rekening was maar dertig
pistolen. Waar waren dus die honderd en tachtig gebleven? Bij alle
heiligen verzekerde de oude, dat er niet meer dan tachtig pistolen
in het valies waren geweest, toen ze dat van den hofmeester van den
graaf had ontvangen. "Wat zegt ge? Heeft de hofmeester u mijn goed
gegeven?" "Zeker was hij het; hij zei tegen mij: "Hier moedertje, als
mijnheer Gil Blas goed in de olie gebakken is, moet ge niet vergeten
hem op een mooie begrafenis te onthalen. Voor de kosten is er iets
in dit valies!"
"Zoo'n vervloekte Napolitaan, nu weet ik, waar het geld gebleven
is. Hij heeft het gebruikt, om zich schadeloos te stellen voor de
diefstallen, die ik hem verhinderd heb te begaan." Intusschen was ik
blij, dat de schelm mij althans nog iets had laten overhouden. Hoeveel
reden ik ook had, om den hofmeester te verdenken, ik was toch niet
altijd geheel vrij van de gedachte, dat misschien de bewaakster mij
bestolen had. Maar dat bleef voor mij dezelfde zaak. Ik zei er niets
van tegen de oude en zond haar drie dagen later, na haar betaald te
hebben, weg.
Weggaande van mij, was ze zeker den apotheker gaan waarschuwen, want
die kwam al heel korten tijd daarna bij me met zijn rekening. Daar
stonden allerlei vreemde woorden op, die ik niet kon lezen en
medicijnen moesten voorstellen, die ik zou hebben geslikt, terwijl ik
buiten kennis lag. Wij kregen verschil over de rekening, die ik tot
de helft wilde verminderen. Hij verzekerde mij eerst plechtig, dat er
geen stuiver afkon, maar hij begon te overwegen, dat ik Madrid wel eens
kon verlaten en dat hij dan niets kreeg; dus nam hij aan, wat ik bood.
Dadelijk daarna kwam de dokter. Ik betaalde hem de vele visites, die
hij had gemaakt en, zeker om te toonen, dat hij zijn geld moeilijk
verdiend had, begon hij een geleerd betoog over de gevaren, waaraan
ik had blootgestaan. Hij praatte met een vriendelijk gezicht en
gebruikte mooie woorden, maar ik begreep er zoo goed als niets van,
waartoe ik trouwens ook niet mijn best deed.
Nu dacht ik, dat ik er af was. Maar ik vergiste mij. Er kwam een
chirurgijn binnen, dien ik nooit had gezien en die me zei, dat hij
mij twee aderlatingen had gedaan. Weer moest ik dus een veer laten
en mijn beurs was nu vrijwel gelijk aan een geconfiskeerd voorwerp.
Ik begon den moed te verliezen, toen ik mij in zoo'n ellendigen
toestand bevond. Bij mijn laatste meesters was ik te veel gewoon
geraakt aan de genoegens van het leven, om de ontberingen zoo
wijsgeerig te verdragen, als ik het vroeger had gedaan. Toch moest
ik bekennen, dat ik ongelijk had door toe te geven aan mijn gedrukte
stemming; want hoeveel keeren de fortuin mij had omgeworpen, ze had
mij toch telkens weer opgericht.
ACHTSTE BOEK
HOOFDSTUK I
Gil Blas heeft een goede ontmoeting en vindt een post, die hem
troost voor de ondankbaarheid, die hij van graaf Galiano heeft
ondervonden. Geschiedenis van don Valerio de Luna.
Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te
hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn
gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en
vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was,
met den hertog de Médina Sidonia.
Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik
herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik
weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot
nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar
het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar
mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving
mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik
mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te
gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling
zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: "Mijnheer
Gil Blas de Santillano, neem mij als 't u blieft niet kwalijk, dat
ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had
uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior,
dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden
over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden
ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doen en zegt mij
zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw
vriendschap wilt schenken!"
We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik
deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks
had ik uitgesproken, of hij zei: "Ik zal er voor zorgen, dat ge weer
een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt
het dan beter, dan in een van die restauraties."
Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer
slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het
aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en
zag ik er gezond uit.
Het scheen, dat de zaken van Melchior's neef daar in huis uitstekend
gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog;
hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en
ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.
Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar
gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei:
"Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten,
dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de
staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft
opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door don
Diégo de Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don
Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder
zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen,
heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar,
na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na
het diner gaan opzoeken."
Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond
in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën,
die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere
maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze,
niettegenstaande al het goede, dat hij van mij had gehoord, toch
sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door
mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid,
toch besloot ik daarbij te volharden.
Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel
Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk
naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte
ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog
de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het
vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg,
wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat
mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie
het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een
geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien
nooit aan het hof geplaatst geworden.
Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd
Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij
was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker,
anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader
was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur
had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te
bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de
hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van
het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door
de volgende generatie.
Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der
secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd
op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in
staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen
niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te
maken. Op zekeren dag echter meende zij het middel daartoe te hebben
gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op
een pendule en zei: "Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf
en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou
ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?" Maar don Valerio was
niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was
zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot
haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde,
toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te
veel en de dame riep hem ontsteld toe: "Houd op, ongelukkige, weet,
dat ik je moeder ben."
Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht
hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. "Neen, neen," zei ze,
"ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik
het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruim zes
en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova
was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en
je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet
wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen
en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij
den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat
mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien."
Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn
hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij
aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij
strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich
blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard
zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.
Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog
de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en
het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos
hij mij om dien jongeman te vervangen.
HOOFDSTUK II
Gil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt
onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden
over hem.
Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: "Mijn
vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het
mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal
je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan
twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging
moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat
je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die
man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn
meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in
korten tijd verder komen."
Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad,
vroeg ik hem: "Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets
naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over
hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar
men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van
personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt."
Mijn meester antwoordde: "Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik
zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net
edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan
overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je
vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maar ten
halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende
is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit
heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van
de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem
daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega
van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover
hem moet aannemen."
"Laat mij maar begaan," zei ik. "Wanneer men de gebreken kent van een
man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn,
om daarin niet te slagen."
We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie
gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht
hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: "Excellentie, ik
breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de
plaats van Valerio is gekozen." De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds
aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij
mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd
om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij
weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg
mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging
toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus
werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt
werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: "Ik zie, dat ge wel een
weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het
verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder
van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die
schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar
bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat
ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen,
waaruit uw werk bestaat." Wij gingen in een kamer naast de zijne,
waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. "Dit is de plaats,
waar ge zult werken. Al die registers vormen een dictionnaire van
de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van
Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte
geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan
den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne
bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden,
zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien
of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal
correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven
zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet
alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers
geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote
portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben."
Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar
uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde
zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed,
om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos
binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een
familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan
de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.
Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de
secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing
gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen;
ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister,
dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad
der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.
HOOFDSTUK III
Hij verneemt, dat er aan zijn betrekking ook onaangenaamheden zijn
verbonden. Van de onrust, die hem deze tijding gaf en de houding,
die hij verplicht was aan te nemen.
Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van
de secretarissen was van den eersten minister.
Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde
heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde
een maand vooruit.
Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer,
waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten
overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte
kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen,
noodigde ik hen 's avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde
bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.
Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig,
want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega's hunne plaatsen niet
te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden
dan mooie ronde letters schrijven.
Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een
groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij
beklaagden zich over hun positie. De een zei: "'t Is nu al vijf maanden
dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is,
onze salarissen zijn niet geregeld." De ander voegde er aan toe: "Wat
mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willen zoeken,
maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want
na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens
naar een of andere gevangenis kunnen sturen."
"Maar hoe kunt ge dan leven?" vroeg ik.
Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden
genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet
gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.
Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook
verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere
wijze zou behandelen dan mijn collega's en was dus weinig ingenomen
met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had
voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al,
dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.
Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen
naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn
leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te
verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon 's nachts maar weinig
slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden
tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had,
was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.
Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die,
wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid
te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn
ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio,
wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest
wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van
Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister
was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog
zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij
later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.
Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk
hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk
vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te
helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon
aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw
zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd met mij. Zijne zachtheid en
welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen
hem en Calderone!
Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar
iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden
te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf,
besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel
mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig
resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag
besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren
van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.
HOOFDSTUK IV
Gil Blas wint de gunst van den hertog de Lerme, die hem een gewichtig
geheim toevertrouwt.
Het scheen, dat ik erin geslaagd was, mij aangenaam te maken bij den
hertog, want op zekeren middag zei hij tot me: "Gil Blas, ik ben zeer
tevreden over u, ge zijt ijverig, trouw en bescheiden. Ik geloof,
dat ik u mijn vertrouwen kan schenken". Zeer eerbiedig antwoordde ik:
"Is het mogelijk, dat Uwe Excellentie mij met zulk een gunst zou
willen vereeren? Maar die goedheid is groot genoeg, om mij geheime
vijanden te bezorgen. Ik vrees voornamelijk de afgunst van één man,
van don Rodrigo de Calderone".
"Van dien kant behoeft ge niets te vreezen. Ik ken Calderone,
hij is van zijn jeugd af aan mij gehecht. Ik kan wel zeggen,
dat zijn gevoelens zóózeer overeenstemmen met de mijne, dat hij
goed is voor personen die in mijn gunst staan en degenen haat,
die mij niet bevallen. Inplaats van voor hem te vreezen, kunt ge op
hem rekenen. Maar, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk, moet ik u
eerst een plan meedeelen. Het is noodig, dat ge daarvan onderricht
zijt, om u behoorlijk te kwijten van de opdracht, die ik u in het
vervolg zal geven. Het is al sinds lang, dat ik mijn macht overal
geëerbiedigd zie. Ik heb te beschikken over alle ambten en voorrechten,
ik mag zeggen, dat ik Spanje regeer. De fortuin kan mij niets verder
schenken, maar ik wil die beveiligen voor de stormen, die het zouden
kunnen bedreigen en het is daarom, dat ik als mijn opvolger aan het
ministerie zou willen hebben mijn neef, den graaf de Lemos. Ik merk
wel, Santillano, dat ge u verwondert. Het schijnt u vreemd, dat ik
aan mijn neef de voorkeur geef boven mijn eigen zoon, den hertog
d'Uzède. Maar het verstand van den laatste acht ik te bekrompen, om
mijn betrekking te vervullen en bovendien zijn we elkaar vijandig
gezind. Hij heeft namelijk het geheim gevonden, om den koning te
behagen, die van hem zijn gunsteling wil maken en dat kan ik niet
dulden. De gunst van een vorst gelijkt op het bezit van een vrouw,
die men aanbidt. Het is een geluk, waardoor men jaloersch wordt,
wijl men niet besluiten kan met een ander te deelen, al is men ook
nog zoo nauw door banden van het bloed of door vriendschap verbonden.
Ik deel u hier mijn geheimste gedachten mee. Reeds heb ik getracht
Uzède bij den koning in een minder gunstig daglicht te stellen, maar
het is mij niet gelukt en nu wil ik probeeren het over een anderen
boeg te gooien. Ik wil, dat de graaf de Lemos van zijn kant tracht
het vertrouwen te winnen van den kroonprins. Hij is diens kamerheer
en heeft gelegenheid hem ieder oogenblik te spreken. Door die tactiek
zal ik mijn neef tegenover mijn zoon stellen. Ik zal tusschen de twee
neven een verdeeldheid in het leven roepen, die hen zal verplichten hun
steun bij mij te zoeken en de behoefte die ze aan mij zullen hebben,
zal hen aan mij onderworpen maken.
Ziedaar mijn plan en daarbij heb ik uw tusschenkomst noodig. In het
geheim zal ik u zenden naar den graaf de Lemos, die mij alles zal
mededeelen, wat ik noodig heb te weten."
Na die mededeeling, die ik beschouwde als contant geld, had ik
geen onrust meer. Ik dacht, dat er een regen van goud op mij zou
neerdalen. Het is onmogelijk, dat de vertrouweling van een man, die
het koninkrijk Spanje regeert, niet in korten tijd wordt overladen
met rijkdommen. Vol van die zoete hoop, keek ik met een onverschillig
gezicht naar mijn arme beurs, die bijna leeg was.
HOOFDSTUK V
Waarin men Gil Blas ziet overladen met vreugde, eer en ellende.
Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor
mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten
met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij
naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren
niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige
grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe,
niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik
hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde
van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer
de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon
er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen
had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik
hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.
Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij
gewoonlijk driemaal per dag bezocht. 's Morgens ging hij er heen,
als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het
voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen
had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging
hij weg. 's Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te
spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister
werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En
eindelijk zag hij den koning 's avonds voor de derde maal, om hem
rekenschap te geven van hetgeen hij dien dag had gedaan. Terwijl hij
bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.
Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien
de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een
staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den
koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de
aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister
stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat
den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte
den minister op het hart mij verder voort te helpen.
Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen
later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief
van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij
kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen
en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na
dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij
tot me zei: "Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme,
dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook
het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend
gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg,
die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met
hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van
den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig
hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als
prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd
en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen,
in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij
was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld
thans aan mijn oom vertellen."
Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister,
die mij naar Calderone stuurde, om duizend pistolen te vragen, die ik
's avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: "nu is het mij duidelijk,
welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming
te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid
hem zal ruïneeren. 't Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die
schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort,
dat een vader zijn zoon onderhoudt?"
Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan:
"Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van
vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het
kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb."
Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den
erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste
vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de
wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al
sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een
zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er
's morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er 's nachts te
slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den
hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik
's avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de
arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij
te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee
te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph
Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den
laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik
was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen
het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie
ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed,
om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in
ons bureau voor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was
alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den
dag. 's Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.
Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die
meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter
niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over
te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed
zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige
dagen later heengingen.
HOOFDSTUK VI
Hoe Gil Blas zijn armoede kenbaar maakte aan den hertog de Lerme;
op welke wijze deze daarna met hem handelde.
Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden,
zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon
's morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar
den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te
gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het
schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit
hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we
inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie
niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in
de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een
spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. "Ik zou wel eens willen
weten, waarover de strijd loopt," zei de hertog. "Excellentie," zei ik,
"uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die
ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter." De minister
vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:
"Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter
niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de
zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc
genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en
verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen
respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden in dien vizier,
die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder
zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir,
die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op
jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag,
dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op
een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: "ik zou wel eens
willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen." Zéangir
antwoordde: "Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want
een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u
wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen,
wat ik hen heb hooren zeggen."
De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen
oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: "Wilt
u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?" De
minister riep: "Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?" "Een
van hen," hernam de secretaris, "heeft gezegd: daar ziet ge nu den
grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt
als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om
een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij
thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris
gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat,
zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien
jongen man niet te veel! 't Is waar, Atalmuc is familiair met hem,
vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of
hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar
voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen
woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In
één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het
hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn
omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan
armoede ten prooi."
Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan,
die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc
maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den
secretaris. "Neen, Excellentie," antwoordde ik, een weinig van mijn
stuk gebracht door die vraag, "de fabel zegt integendeel, dat hij
hem met weldaden overlaadde." "Dat is gelukkig," hernam de hertog
op ernstigen toon; "er zijn ministers, die het niet goed zouden
vinden, wanneer men hun de les las. Maar," voegde hij er aan toe,
het onderhoud afbrekende en opstaande, "ik geloof, dat de koning mij
al wacht." Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder
met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn
Indische fabel.
Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten
werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. "Wat is er, mijnheer
de Santillano?" vroegen zij, toen ze mij zagen, "u ziet er zoo bedrukt
uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?"
Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal,
om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was
gebeurd. Een van hen zei: "Ge hebt wel reden om u te beklagen, de
minister neemt soms zulke dingen verkeerd op." De ander voegde eraan
toe: "Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan
een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de
vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren
dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. "Het
is billijk," zei de kardinaal, "dat ge betaald wordt. Hier hebt ge
een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen
worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten
niet meer noodig." De secretaris zou zich er over getroost hebben,
dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen
ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den
kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem
naar den toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield."
Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was,
verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel
beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar
liever van honger had moeten sterven.
Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij
die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit
de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik
zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de
vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen
en zuchten.
Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen
roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die
zijn vonnis afwacht.
"Santillano," zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had,
"neem dit mandaat...." Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o,
Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig van Ségovia staat klaar. De
schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel,
mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: "Excellentie,
ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De
noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede
te deelen."
De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag
en zei: "Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige
omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt,
dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout
blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die
te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd
ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken
schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde
som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen
hun diensten te bewijzen, verbied ik je niet ten hunnen gunste met
mij te spreken".
Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den
minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon
te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die
verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij
was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat
ik zeer aan hem was gehecht.
HOOFDSTUK VII
Van het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte;
van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor
hem opleverde.
Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst
naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat,
dadelijk werd uitbetaald.
Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de
war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde
komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor
secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor
die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna
liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder
noodig had.
Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent
Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen,
die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus
kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel
presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo
zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende
Ambrosius de Lamela te zien. "Ik houd niet," zei ik tegen Florero,
"van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht
geworden door zoo een."
De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig
beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand
moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet,
hij bleek al spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij
toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten
zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor
mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn
lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van
den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame
haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.
Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen
van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij:
"Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een
jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor
een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij
is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik
heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don
Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik
heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten
met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart
met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele
toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder
dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen
van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken,
dat hij morgen vroeg bij u komt."
"Wel Scipio," zei ik, "hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit,
dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar,
dat ge er niet rijker door zijt."
"Dat moet u niet verbazen", antwoordde hij. "Ik houd ervan om het
geld te laten rollen. Sparen kan ik niet."
Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met
beleefdheid, gemengd met zekeren trots. "Mijnheer, voor ik mij verbind
om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar
het hof voert, want ze zou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet
met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles
en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden."
"Gaarne," antwoordde hij, "zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal
doen van mijn lotgevallen."
HOOFDSTUK VIII
Verhaal van Don Roger de Rada.
Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de
stad Antequerre, met dona Estéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht
en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van
natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen
aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij
had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde
daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als
neef van Estéfania vrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was,
dien hij had moeten wantrouwen.
Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun
bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde,
bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een
scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield
zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag
en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden,
dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja
hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen
dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem
toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit
maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken
en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.
Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij
zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist, dat don Anastasio
jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard
het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin
wandelde, zei hij op treurigen toon: "Waarde vriend, ik kan niet
langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u
niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is
dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat,
gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor
een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed
doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats."
"Ik begrijp u al," viel don Anastasio hem in de rede, "uw nicht is
mij ontrouw geworden."
"Ik erken haar niet meer als mijn nicht," hernam Huberto met een
schijnheilig gezicht. "Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw
vrouw te zijn." "Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania
gedaan?" riep de ongelukkige man.
"Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim
ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis
van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij
was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan
ik zeker ben. 't Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat
ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt
en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie
het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij
niet kunt offeren aan uw eer."
De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot
tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige
kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan,
dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij
wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich
gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande,
die hij over zijn eerlijke familie bracht, zonder zelfs medelijden
te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het
hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon:
"Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om
te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel
te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je
je eer hebt verloren."
Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk
verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: "Wat is
er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij
dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geen reden voor!"
"Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen,
die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto...."
"O!" viel zij hem in de rede. "Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je
vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft."
"Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder
je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat
hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!"
"Maar wordt toch kalm," smeekte zij, "geef mij ten minste tijd om
te spreken!"
Hij wilde toesteken.
"Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan
je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde
schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind
zal rechtvaardiging eischen!"
Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk
neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween
uit Antequerre.
De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond
liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De
bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde
de wond niet voor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie
maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge
hier voor u.
Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet
spaart, respec
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/24630