Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4)

by Hendrik Blink · Dutch · Gutenberg #24512 · 884,360 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4)
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4)

Author: Hendrik Blink


        
Release date: February 4, 2008 [eBook #24512]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/24512

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ONS HEERLIJK VADERLAND (DEEL 2 VAN 4) ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/









                     ONS HEERLIJK VADERLAND

                     Tekst van Dr. H. Blink

                 Boven en beneden den Moerdijk

Wandelingen door oud en nieuw Nederland met kaartjes, gekleurde en
                       ongekleurde platen






            Amsterdam--Van Holkema & Warendorf--1908








VAN DE RESIDENTIE NAAR DE MAAS EN TEN NOORDEN DER LEK.



I. DELFT EN OMSTREKEN.


Wij beginnen onze wandelingen door het zuidelijk gedeelte van Holland
weder van uit de residentie, die wij op onzen eersten tocht tot
uitgangspunt verkozen. Van Den Haag waren wij reeds langs Rijswijk
tot den Vliet gekomen, (zie deel I pag. 120 en verder), en van hier
zetten wij de wandeling voort in zuidelijke richting.

Thans zien wij, om dit terloops nog op te merken, dat Rijswijk sedert
ons vorig bezoek zich snel uitbreidt, zoodat de hoofdtoegangsweg tot
het dorp, die aan den eenen kant destijds nog door groene weiden
begrensd was, nu aan beide zijden door huizen ingesloten en dus
een straat geworden is, terwijl ook langs den weg naar Hoornbrug
de aaneengesloten huizenrijen zich verder voortzetten dan een paar
jaren geleden.

Van Hoornbrug naar Delft loopt de vrij eentonige, belommerde straatweg,
over welks bermen de zuchtende stoomtram prozaïsch voortholt, langs
den oostkant van den Vliet in schier rechte lijn op Delft aan. In
den bloeitijd van het Hollandsche buitenleven langs de vaarten in de
vlakke landen was ook deze weg bezaaid met villa's en aanzienlijke
huizingen. Doch van lieverlede zijn de buitens langs dezen weg
gesloopt. De adellijke hofstede "Crayenburgh", ongeveer halfweg
gelegen, eens in het bezit der voorouders van Hugo de Groot, is sinds
jaren in weiland herschapen; een kleine woning op de plek heet nog
"Groot Crayenburgh", maar niet meer dan de naam herinnert er aan
het aanzienlijke buiten, welks fiere bezitters een wapen voerden met
drie gouden bollen en drie gouden vogels op een zwart schild. Eenige
fabrieken hebben de plaatsen der vroegere buitens ingenomen. Maar wat
er ook verdwenen zij, het uitzicht van den weg op het Hollandsche
grasland aan beide zijden, dat in onafzienbare uitgestrektheid het
gezichtsveld een grond van frisch groen schenkt, waarop het hemelgewelf
met al de kleurenschakeeringen van de Hollandsche natuur rust, blijft
schoon. Dat land met mooi en kostelijk rundvee moest van de stad, die
zich aan den Vliet ontwikkelde, wel een plaats maken met een beroemde
botermarkt. De Delftsche boter heeft haar roem door alle tijden hoog
weten te houden, aan welke wisseling ook de overige industrieën dier
stad onderworpen waren.

Zoo zijn wij genaderd tot het eerwaardige Delft, een onvergelijkelijk
type van oud-Hollands steden, thans met 32000 inwoners.


    Waar de noordelijke hemel
                Over 't vruchtbre vlak zich welft
    Van Zuid-Hollands groene beemden,
                Ligt het oud en statig Delft.
    Reine straten, frissche grachten,
                Fiere kerken, ruim en groot,
    Huizenreeksen, bont gegeveld,
                Draagt het rustig in zijn schoot.
    Nijvre burgers, kloek en wakker,
                Zwoegen daar met noeste vlijt,
    Uit hun brouwkuip stroomt de moutwijn
                Door Europa, wijd en zijd;
    Snorrend gaan de weefgetouwen
                En de droogschuur kent geen rust;
    't Ruischt tot zelfs op gracht en straten
                Van een blijden arbeidslust.


Aldus zag Hofdijk voor zijn historisch zienden blik het oude Delft. En
al heeft het tegenwoordige iets ingeboet van dien roem, toch blijft
het een merkwaardige stad, die den stempel van een eervol en rijk
verleden op het voorhoofd draagt.

Als men de singels van Delft rondwandelt, ziet men naar alle richtingen
de frissche kleuren der Delflandsche weiden zich uitgroenen tegen
den horizon, waarop de stad met haar schilderachtige gevels, torens,
kerken en pleinen in idyllische rust is neergezet. In een dergelijke
omgeving moest het gevoel voor sprekende kleuren wel ontwaken bij
een bevolking met kunstaanleg, zooals dit zich dan ook geopenbaard
heeft in de eigenaardige industrie van het Delftsche aardewerk.

Binnen Delft komt schier in elke straat, op elk plein en aan elke
gracht der oude gedeelten eenig tafereeltje van het pittoreske der
Hollandsche stad aan het licht, met eigen karakter, zooals zich dat
ontwikkeld heeft onder den invloed van de welvaart der gouden eeuw
onzer Republiek of vroeger. Het is als het ware een opengeslagen
boek, dat tot ons spreekt door kunst en over kunstwaarde. Delft is
gebouwd naar den eigenaardigen, grootburgerlijken kunstsmaak van
een rijk geworden voorgeslacht, dat nog niet ontaard was tot de
krachtelooze Jan Salie-achtige weelde, nog niet bedorven was door
modernen wansmaak, nog niet uitsluitend beheerscht werd door het
streven naar rentenierende couponknipperij.

In het oude Delft had men krachten beschikbaar voor nijverheid, liefde
beschikbaar voor kunst, en geld beschikbaar, om die te realiseeren. Er
zijn meer dergelijke steden in Nederland, maar alleen bij Delft willen
wij thans verwijlen. Door die gelukkige omstandigheden werd deze stad:


    "'t Prinslijk Delft, 't sieraad der steden,
    Fijn gesteente aan d' eedle hand,
    Van 't Vereenigd Nederland,
    Kroon van Delfland, zout der zeden;
    Om zijn grijsheid hoog geacht;
    Om zijn gulde en milde gaven
    Rijk begiftigd door de Graven",


zooals H. Schim zich uitdrukt in zijn "Beschrijving der stad Delft".

In de eerste plaats vallen ons in 't oog de teekenachtige grachten,
smalle wateren, welke de oude stad in de lengte en met dwarsgrachten
doorsnijden, omzoomd door zindelijke straten, overschaduwd door
rijen iepenboomen, overbrugd door talrijke typische hoog oploopende,
van baksteenen gemetselde boogbruggen, ingesloten door flinke,
nette huizen, onderscheidene met oud-Hollandsche gevels, in de
geringe buurten veelal door lage, kleine, maar toch vriendelijke
huizenreeksen. Doch één zaak is er, welke Delft niet benijd kan worden,
en die een schaduw werpt op het bekoorlijke der grachten: dat is het
onzuivere water der stad. Men kan zich thans niet meer voorstellen,
dat vóór ruim drie eeuwen het stadswater gebezigd werd voor de toen
bloeiende bierbrouwerijen dezer plaats. En toch, de biernijverheid
was tot de 17e eeuw de roem van Delft; deze industrie hield er zelfs
veel langer stand dan de lakenweverij en bracht groote rijkdommen in
de stad. Een oud versje zegt:


    Dit 's Delft, de derde stad, vermakelijk gelegen,
    Die overvloeit van volck, van neering en van zegen,
    Een stad, daer welvaert is, en die haar leckre bieren,
    Met groote menigte, door Neerland kan vertieren.


De oorlogstoestanden na Karel V, de tiende penning, maar bovenal het
verslechteren van het water hebben de biernijverheid van Delft te
gronde gericht. Klachten en daaruit volgende kleine hulpmiddelen,
om stroomend water door molens in enkele grachten te verkrijgen,
baatten niet; het verslechten van het water was door de autoriteiten
niet te keeren. In het begin der 17e eeuw vertrokken vele brouwers
naar elders; van 1600-1640 werden meer dan 53 brouwerijen gesloten
en misschien behoorde daartoe ook die, welke Jan Steen hier eens
dreef. Hoewel er in 1700 nog 15 brouwerijen in werking waren,
beteekende de biernijverheid niet veel meer. Toch vindt men in de stad
ongetwijfeld nog groote burgerhuizen, die aan rijk geworden brouwers
hun ontstaan te danken hebben.



Rijk zijn die grachten aan echt schilderachtige tafereeltjes, welke
de kunstenaar slechts op het doek heeft te brengen, om bewondering
te wekken. Zie daar het trapjesbruggetje van het "Vrouwenrecht"
over het water, zoodat de hardsteenen welfboog van de brug in
zijn beschaafden vorm het hoofdelement vormt, terwijl het gekuifde
geveltje met de contreforten van het koor der Nieuwe kerk het geheel
voltooien. Dit bruggetje is een van de weinige trapjesbruggetjes,
die er in wezen bleven.

Eigenaardig mooi zijn ook de kijkjes van de Voldersgracht en de Oude
Langendijk met de voorsprongen der gevels over het sousterrain of
boven het water der grachten, een voorsprong, die aan den buitenkant
schilderachtige effecten geeft door een sprekende slagschaduw, terwijl
de verschillende oplossingen der draagsteenen een rijke afwisseling
van detailvormen scheppen.

Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Maar wij mogen op onze wandelingen
door Delft niet bij al die merkwaardige geveltjes en schilderachtige
pleintjes stilstaan, hoezeer vele ook een afzonderlijke beschrijving
verdienen. Wij moeten ons beperken tot het vertoeven bij de monumentale
en historisch merkwaardige gebouwen der stad.

Zooals wij van Den Haag de stad binnenkwamen en langs de Oude Delft,
de aanzienlijke, schilderachtige, met boomen beplante hoofdgracht,
zeker het oudste gedeelte der stad, gebouwd aan het kanaal, dat door
Corbulo zou zijn gegraven, de tramlijn volgen, valt ons oog te midden
van de flinke huizen op den artistieken gevel van het Gemeenelandshuis,
het tegenwoordige kantoor van het Hoogheemraadschap Delfland. Het
gebouw treft ons door de sierlijkheid van zijn lijnen, door de fraaie,
rijke ornamenteering, volkomen in harmonie met stijl en lijnen, en door
de statigheid en ernst van het geheel, zoodat men het zeker als een
der schoonste overblijfselen van de 15e eeuwsche bouwkunst kan rekenen.

Van de wapens af langs de gevarieerde bogen boven de vensters tot
aan de balustrade boven de zijvleugels, ja, hooger nog, tot aan de
kolossale, maar niet lompe zuilen op den trapgevel en het torenspitsje
daarachter, toont alles een logischen gedachtengang op het gebied
der kunst.

Dit gebouw werd in het eind der 15e eeuw gesticht door Jonker Jan de
Heuyter, schout van Delft en Baljuw van Delfland. Er wordt verhaald,
dat deze, zelf reeds een vermogend man, tot dien bouw in staat werd
gesteld door de erkentelijkheid van een rijk, voortvluchtig koopman in
Neurenberger waren, wien hij zijn bescherming had verleend en die, te
zijnen huize overleden, hem erfgenaam maakte van zijn rijkdommen. Ter
herinnering aan dien milden schenker zouden talrijke rinkelbellen,
waarin genoemde koopman o. m. handelde, in de ornamentatie van den
gevel zijn aangebracht.

Terwijl in onderscheidene steden dergelijke aanzienlijke huizen
later geen bewoners vonden en vielen onder den moker, of van een
jammerlijk vandalisme de prooi werden, bleef dit huis daarvoor
bewaard, doordien het in het midden der 17e eeuw door het college
van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland werd aangekocht, die er
de vierschaar en secretarie van het Hoogheemraadschap vestigden. Ten
bewijze van die nieuwe bestemming werd het versierd met de wapenen
van het hoogheemraadschap en van de leden van dat college, welke nog
aan de voorpui gevonden worden [1].

Het was ook dit gebouw, waarop het feit betrekking heeft, door
S. J. van den Berg in zijn "Eiber van Delft" bezongen, wat reeds
vroeger door Cornelius Musius, prior van St. Aegten, en door Hadrianius
Junius in dichtmaat herdacht was.

Gaan wij de Oude Delft verder langs, dan staan wij weldra bij een
steenen boogbrug achter de Oude Kerk voor het Prinsenhof. Wellicht is
er geen gebouw in ons vaderland, waaraan voor het geheele Nederlandsche
volk zulke dierbare herinneringen verbonden zijn als aan het Prinsenhof
te Delft, de laatste woning van Prins Willem van Oranje, waar hij voor
het heil zijns volks werkzaam was en als een martelaar voor dat volk
en de zaak der vrijheid stierf. Met eerbied staren wij op deze muren;
met voorzichtigen tred gaan wij door de poort over de binnenplaats,
en het is heilige ontroering, die ons schier belet vrijmoedig den voet
te zetten op den drempel, welke de plek aanwijst, waar de Vader des
Vaderlands tot een slachtoffer van zijn grootsch streven werd gemaakt.

En toch, deze klassieke gebouwen uit onze geschiedenis waren in de
19e eeuw aan verwaarloozing ten prooi; de zaal, waar Prins Willem
gewoond had, was een gymnastieklokaal geworden, en de historische trap,
waar de aanslag volvoerd werd, vormde een morsige kazerne-trap. De
viering van den driehonderd-jarigen gedenkdag van 's Prinsen dood
in 1884 schudde het volksgeweten wakker en deed er aan denken, om
de gebouwen, waaraan zulke heilige herinneringen verbonden waren, in
eere te houden. Weldra stond de volksvertegenwoordiging de gelden tot
restauratie toe, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld zijn
[2].

Het Prinsenhof, ook wel Oude Hof genoemd, ontleent zijn naam aan Prins
Willem van Oranje, die het bewoonde en er den zetel van zijn bestuur
vestigde. Het beslaat het noordoostelijk deel van het voormalige
St. Aegtenklooster of St. Aechten-Vrouwenklooster, eertijds het
voornaamste klooster van Delft, welks gebouwen, hoewel in den loop
der tijden zeer vervormd, voor een groot deel nog aanwezig zijn. Zij
nemen een ruim terrein in tusschen de Oude Delft en de Stadswallen
en hebben langs de eerste een lengte van 58 meter.

Drie poorten, aan de Oude Delft gelegen, vormen de hoofdtoegangen. De
zuidelijke, aan de straatzijde, hoogst eenvoudig van vorm, van binnen
sierlijk overwelfd in den laat-Gothischen stijl, leidt naar een open
gang, die toegang geeft ten noorden tot de Fransche Kerk, de voormalige
kloosterkapel, en de kosterswoning, en ten zuiden tot een pakhuis,
enz. De tweede of middelste poort, naast en ten noorden van de Fransche
Kerk gelegen, en die waarschijnlijk uit de eerste helft dezer eeuw
dagteekent, dient uitsluitend tot uitgang van die kerk naar de straat.

De derde poort, de noordelijkste, geeft toegang tot het Prinsenhof. Aan
de straatzijde is zij rijk met beeldhouwwerk versierd; twee zandsteenen
pilasters, met daartusschen gelegen boog, dragen een hoofdgestel,
waarboven een basrelief, in lijst gevat, betrekking hebbend op de
saainering, die in de 17e en 18e eeuw in eenige lokalen van het
Prinsenhof gedreven werd. Boven dit basrelief is het Delftsche
wapen aangebracht met het jaartal 1658, daaronder de nauwelijks
meer zichtbare inscriptie "Saai-, Greine- en Stoffe-Hal"; het
geheel is versierd met attributen, ontleend aan de goederen, in
de hal verhandeld. In het fries van het hoofdgestel vindt men nog
Latijnsche opschriften, welke herinneren aan de Latijnsche school,
die in het laatst der 18e en het begin der 19e eeuw in het Prinsenhof
werd gehouden. Het beeldhouwwerk der poort verraadt een bekwame hand,
doch is volgens de Hollandsche gewoonte, helaas! ook door een zware
laag van gele verf overdekt.

Door de poort komt men op een binnenplein, ten zuiden begrensd door
de Waalsche Kerk en verder door eenige gebouwen, voor verschillende
doeleinden in gebruik. Een met eenvoudig Gothisch lijstwerk versierde
poort geeft toegang tot de gang, die naar de Historische Zaal voert,
en aan het eind van de gang vindt men de breede eikenhouten trap, waar
Balthasar Gerards zijn snooden aanslag volbracht, toen Prins Willem
na het gebruiken van het middagmaal door de gang de trap op naar
boven wilde gaan. De moordenaar had zich verscholen achter de zuil,
die zich in het midden van de gang bevindt, en dient tot ondersteuning
van het gewelf, dat de gang daar ter plaatse overdekt. Deze zuil of
pilaar kwam bij de restauratie weder te voorschijn.

Ter herinnering aan den moord is een steen bij het begin der trap
in den buitenmuur gemetseld, waarop in Romeinsche letters te lezen
staat: "Hieronder staen de Teykenen der Koogelen daer mede Prins
Willem van Orange is Doorschoten op 10 Juli Ao 1584." Die teekenen
zijn zoo dicht bij den grond, dat, wil men hun aanwezigheid daar
ter plaatse verklaren, men moet aannemen, dat de gangvloer vroeger
aanmerkelijk lager moet geweest zijn. Ook de trap is in den loop der
tijden veranderd; zij was vroeger zeker van steen en bevond zich in
een torenvormige ruimte, waarvan nog sporen te herkennen zijn.


De Historische Zaal is met een paar schreden van hier te bereiken. Hier
was de eetzaal van den Prins. Deze zaal, bekend als "de groote
saele van het Oude Hof" of wel als "de groote geschilderde saele"
werd omstreeks het midden der 17e eeuw, met het oog op de feesten
en vergaderingen, die er in gehouden werden, met zekere pracht in
orde gemaakt.

Twee groote eikenhouten schoorsteenen, op marmeren kolommen rustend,
welke men er thans nog vindt, dagteekenen uit dien tijd en evenzoo
de plafondbeschildering, die in 1668 door Leonard Bramer werd
uitgevoerd. De voorstellingen hebben meest alle betrekking op de
Bijbelsche geschiedenis: de Bruiloft van Kana, de hemelvaart van
Christus enz.

In deze Historische Zaal werd in 1743, 1754, 1765 en 1776 een synode
gehouden; in 1767 werd deze zaal "de plaets tot het houden van het
musicqcollege, 't welck van oudsher pleeg bijeen te komen in een
camer van het Fraterhuys", zoodat er concerten werden gegeven; in 1775
werd de zaal nog aan een zangvereeniging afgestaan voor wekelijksche
oefeningen, hoewel zij als zoodanig niet scheen te voldoen, zoodat men
in 1776 een nieuwe concertzaal op het Prinsenhof bouwde, en in 1778
werd aan de "Societeyt der opgerigte oeconomische Tak" toegestaan,
vergaderingen in de geschilderde zaal te houden. Later werd zij voor
verschillende doeleinden gebruikt; zij werd door militairen in bezit
genomen en deed afwisselend dienst als gymnastieklokaal, slaapplaats,
magazijn, enz.

Daardoor was de Historische Zaal geheel in verval gekomen en in de
eerste helft der vorige eeuw, toen men geheel onverschillig was
ten opzichte van historische monumenten, liet men dien toestand
voortduren. Eerst in 1849 ging er in 's Lands Hooge Raadzaal een
stem op, om te protesteeren tegen dit gemis van eerbied voor een
dergelijke belangrijke historische herinnering. Het was de heer
Groen van Prinsterer, die hiervoor in 't krijt trad, terwijl ook van
andere zijden aan de verontwaardiging over die heiligschennis werd
lucht gegeven.


    "Wat voert van Willems graf den pelgrim peinzend henen
    Naar 't door een krijgerdrom ontheiligd hofgebouw,
    Waar zich het moordend lood gegroefd heeft in de steenen?
    Hij weeklaagt op die plek om Neerlands grootsten rouw.
    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    En toch--de naneef zie een prachtig grafgesteente
    Verrijzen, waar zijn asch ten groeve werd vergaerd,
    Wat baat die marm'ren praal op 't lang vermolmd gebeente,
    Nu deez' vergeten zaal niets vorstlijks heeft bewaard?
    Wat baat het, dat daarginds metalen beelden rijzen,
    Zoolang een woeste drom hier Willems beeld verbant,
    Zoolang men zaal en gang in 't Prinsenhof blijft wijzen,
    Ontheiligd en ontsierd door snoode taal of hand",


aldus toornde de heer J. C. Perk in het Muzen-Album van 1849. Eerst
in 1884, nadat de lokalen door de gemeente Delft aan het Rijk waren
overgedragen, werd met de restauratie van Rijkswege een begin gemaakt,
waarbij men uitging van het beginsel, om de Historische Zaal met behoud
van het oude terug te brengen in den stijl van de eerste helft der 16e
eeuw, zooals zij zich zal hebben voorgedaan op het tijdstip, dat de
Prins voor goed zijn intrek nam in het St. Agatha-klooster. Daarbij
werd er zorgvuldig acht op gegeven, dat alles, wat eenige waarde
had uit een oogpunt van kunst of geschiedenis, behouden bleef, ook
al was dit van later dagteekening dan het tijdperk, waarin de Prins
leefde. Aldus werden het geschilderd plafond en de schoorsteenen,
die uit het midden der 17e eeuw dagteekenen, met de grootste zorg in
orde gebracht.

De Historische Zaal is aan de noordzijde zonder vensters, terwijl aan
de zuidzijde zeven lichtopeningen, ieder door een kruis van gemengden
berg- en baksteen in vier vakken verdeeld, uitzicht bieden op de tweede
binnenplaats. Elk der vakken is voorzien van twee glasschilderingen,
welke de wapens van den Prins, die zijner gemalinnen, heerlijkheden,
enz. voorstellen.

Langs de wanden der zaal is een eikenhouten betimmering in
laat-Gothischen stijl aangebracht. De muren der zaal zijn met kalk
bestreken en geschuurd, en op twee plaatsen versierd met inscripties
in cartouchevormige veelkleurige randen, volgens den stijl van de
laatste helft der 16e eeuw. Die op den westelijken muur tegenover
den ingang luidt:

"Willem, Prins van Oranje, vestigde omstreeks 1572 of '73 in dit
convent zijn woning. Den 10en Juli 1584 werd hij bij het uittreden uit
deze zaal, waar hij het middagmaal gebruikt had, door Balthazar Gerards
verraderlijk doodgeschoten. Doodelijk gewond, werd hij op de trap
neergelegd, terwijl hij de woorden uitsprak: ""Mon Dieu, ayez pitié
de mon âme; mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple"". Vervolgens
in deze zaal teruggebracht, gaf hij den geest."

"Tot herdenking van den dood van Prins Willem van Oranje op 10 Juli
1584 is deze zaal 1884-1886 hersteld".

De inscriptie op den tegenovergestelden muur herinnert aan Cornelius
Musius van Spangen, geb. in 1500 te Delft, den dichterlijken, geleerden
en godvruchtigen prior van dit klooster en den vriend van den Prins
van Oranje, die in 1572 door den Graaf van der Mark, heer van Lumey,
opgelicht en op 10 Dec. gruwelijk vermoord werd.

In de Historische Zaal vindt men eenige meubelen uit den stijl van
dien tijd en een verzameling van historische herinneringen, platen,
portretten en teekeningen.



Wij wenden thans den blik naar de overzijde der Oude Delft, waar de
verweerde muren der Gothische Oude Kerk verrijzen met den zwaren,
vierkanten toren, die volgens een overlevering op den grondslag van
een Romeinschen toren zou zijn gebouwd. Wanneer wij de steenmassa
van den grijzen toren, door een hoofdspits, met vier hoekspitsen
omringd, gekroond (voorbeelden hiervan vindt men weinig meer;
te Kapelle op Zuid-Beveland bestaat ook een dergelijke toren),
nader beschouwen, valt spoedig in het oog, dat hij niet naar het
oorspronkelijke plan is voltooid; de zware onderbouw was blijkbaar
voor een veel hooger en sierlijker bouwgewrocht bestemd. Doch tevens
zien wij, dat de toren scheef staat, een verschijnsel, hetwelk reeds
eeuwen geleden bezorgdheid inboezemde aan de vrome zusters van het
St. Aegtenklooster. Zelfs moet een der prioressen zoo beangst geweest
zijn voor het dreigend gevaarte, dat zij telkens vluchtte, als zware
stormen of onweersbuien om den hellenden toren loeiden.

Is de helling van den toren een gevolg van verzakking en was zij de
reden, waarom de toren niet werd voltooid? Of moet men hierbij denken
aan een phantasie des bouwmeesters, die de macht van zijn constructief
genie wilde toonen? Wij weten het niet; dit is echter bekend,
dat de Delftenaars nog niet zoo lang geleden zich beangst maakten
over den toren, en hoewel de gevoelens der deskundigen uiteenliepen,
besloot het stadsbestuur toch, den toren te doen afbreken. Gelukkig,
dat de verkoop en het afbreken afstuitten op de kosten, zoodat dit
oude bouwstuk behouden bleef; thans wordt de toren gerestaureerd [3].

Vergrijsd zijn de kerk en toren beide; omstreeks 1240 moeten zij
gebouwd zijn door een vermogend edelman, Bartholomeus van der Made. De
kerk was vóór de Hervorming eerst gewijd aan den heiligen Bartholomeus,
den patroon des stichters, sedert 1396 aan den heiligen Hippolytus. Als
de 9000 Kilo zware klok (in 1573 gegoten) geluid wordt, moeten haar
galmen tot aan de overzijde der Maas worden waargenomen. Thans hoort
men die klok enkel op groote gedenkdagen.

Deze kerk, de oudste parochiekerk van Delft, was in haar bloeitijd rijk
aan kerkelijke en wereldsche bezittingen; zij had vijf kapellen, meer
dan twintig altaren, drie en dertig vicarijen, negen gilden en bezat
verbazende schatten. Gouden sieraden en reliquiekasten, tabbaarden
en altaarkleeden waren teekenen van die rijkdommen. Ook vermelden
Delfts geschiedschrijvers geheele bladzijden van de wonderen, die
een heiligenbeeld in deze kerk zou verricht hebben. De meeste van die
rijkdommen werden weggenomen, toen de stormwind der Hervorming door het
land waaide en het schoone van den Katholieken eeredienst ook hier deed
plaats maken voor de naakte muren met de nuchtere Hervormde prediking.

Doch als om der verloren gegane kunst een zoenoffer te brengen,
heeft men in deze kerk eenige prachtige gedenkteekenen opgericht op
de grafsteden van beroemde personen uit Nederlands geschiedenis. In
den noordelijken hoek van het koor ligt boven het graf van Marten
Harpertsz. Tromp de beeltenis van dien held, in wit marmer uitgehouwen,
een werk van Rombout Verhulst. Het basrelief van het piedestal aan de
voorzijde is een afbeelding van den slag bij Terheide, vervaardigd
door Willem de Keyser. Dit monument is merkwaardig door een grooten
rijkdom aan versierselen en beeldhouwwerk, in tegenstelling met het
gedenkteeken, dat de dichter Simon van Ingen op het graf van dien
zeeheld wenschte, als hij zegt:


    Men stell' voor Hollands admiraal
    Geen graf van marmer of metaal;
    Maar ergens, op een hooge klip,
    Het hol van een veroverd schip;
    De doode Tromp, daarin gelegd,
    Zal onder 't eerste zeegevecht
    Aan Holland moed en wraaklust geven,
    En menig Engelschman doen beven.


Aan het oosteinde van het koor verrijst het door smaakvollen eenvoud
uitmuntende grafteeken van Piet Pietersz. Hein, een kunststuk van
Pieter de Keyser, grootendeels van zwart marmer in Dorischen stijl
gebouwd. Het geheel is rustig en waardig, als het eenvoudige beeld
des admiraals op het grafgesteente. Piet Hein is wel niet de grootste,
maar zeker de meest populaire der Nederlandsche admiraals, welks naam
ieder kent als:


    Den winnaar van des Ibers zilvren vloot,
    Die aan Brazieljes kust op Spanje zegepraalde,
    Een oogst van lauwren won en met zijn bloed betaalde,


zooals Helmers het uitdrukt.

Nog vindt men in deze kerk de karakteristiek fraaie graftombe van
Elizabeth van Marnix, dochter van den beroemden dichter van het
Wilhelmus, een liggende vrouwenfiguur met gevouwen handen, uit
wit marmer gebeiteld, wat met de kolommen van zwarten toetssteen,
de wapens en de vergulde sieraden een ensemble aanbiedt, waarvan
de lijnen, zoowel als de smaakvol afgewisselde kleuren aan de beste
voorbeelden der Italiaansche renaissance herinneren. De gouden lamp,
die vroeger voor het gedenkteeken hing, schijnt een begeerlijk stuk
voor de Franschen geweest te zijn en is verdwenen. De echtgenoot van
Elizabeth van Marnix, kolonel Karel Morgan, heeft deze tombe in 1611
laten oprichten.

In den noordwesthoek der kerk herinnert een eenvoudige grafnaald
met vlammende lijkbus (door zijn dochter in 1739 geplaatst) aan
den beroemden natuurkundige, Antonie van Leeuwenhoek, terwijl tegen
een der pilaren van het koor een gedenksteen is geplaatst voor den
boerendichter Hubert Cornelisz. Poot, te Abtswoud bij Delft geboren
en te Delft overleden 31 Dec. 1733.

Als wij de kerk verlaten hebben, komen wij aan de Oude Delft spoedig
voor het deftige woonhuis No. 199, ingericht door den heer Van Meerten,
dat, hoewel uit den nieuwen tijd, toch door zijn smaakvollen bouw
en kunstschatten alle aandacht verdient en als een museum in stand
gehouden wordt.

Van de Oude kerk richten wij thans onze schreden naar de Markt,
oudtijds "'t Marctvelt" geheeten, om de Nieuwe kerk en het Stadhuis te
bezoeken. Het vierkante, ruime plein, rondom met flinke huizen omzoomd,
vormt het centrum der stad. Enkele dier huizen trekken in 't bijzonder
de aandacht, o. a. het aardige geveltje in imitatie-renaissancestijl,
het depôt der Delftsch-aardewerkfabriek, "de Porceleine Fles"
geheeten. In het hoekhuis aan de Bijbelbrug, met een beslagen bijbel
tot uithangbord, werd in Jan. 1477 de eerste bijbel gedrukt.

Des Donderdags, den dag der gewone weekmarkt, is het bijzonder
levendig op dit plein. Dan worden de zuivelprodukten uit de rijke
Delflandsche weiden hier aangevoerd, bovenal boter (de kaasmarkt
wordt 's Zaterdagsmorgens gehouden) en reeds vroeg in den morgen, des
zomers te 5 uur, verdringen zich de boeren en boerinnen in de stad,
om spoedig weer te vertrekken naar hun hoeven.

Het "Marctvelt" is mede een der oudst bekende gedeelten der stad. In
de eerste tijden was het een ongeplaveide vlakte, een "veld",
waar de boeren hun produkten ter markt brachten; in 1381 was het
oostelijk gedeelte, waar men toen begon de Nieuwe kerk te bouwen,
een gerechtsplaats, en te midden van een rietveld stond een galg. Met
den bouw der kerk en de uitbreiding der stad werd het Marktplein meer
en meer ingesloten.

Op het Marktplein verheft zich in het westen het Stadhuis, in het
oosten de Nieuwe Kerk en in het midden verrijst het standbeeld van
Hugo de Groot.

De Nieuwe Kerk dagteekent uit het laatst der 14e eeuw. De legende heeft
ook de oudste geschiedenis dezer kerk met dichterlijke versierselen
omweven. Nadat mirakelen en wonderen, gelijk de legende luidt, de
plek voor de kerk hadden aangewezen, en o. a. Broeder Symon "op een
tijdt als dinxdaegs voor onser vrouwe Lichtmis in 't jaer 1351" bij
het ochtendkrieken, "sittende in 't stroo voor Claes Avemans doer"
aan de noordzijde van 't Marctvelt in een visioen een gouden kerk
met de Moedermaagd in 't oosten aan den hemel had zien staan, was het
duidelijk, dat volgens Gods wil hier een kerk moest gebouwd worden met
"de maget Maria als patronesse". In 1381 werd hiermede aangevangen,
oorspronkelijk een houten kerk, doch in 1384 is men reeds begonnen met
den bouw van een steenen koor en kruiswerk, en in 1396 werd de eerste
steen gelegd van den toren. De schenkingen voor dit doel vloeiden
echter niet zoo snel, en eerst in 1496, na een eeuw arbeids, was het
bouwwerk voltooid. De kerk werd aanvankelijk op naam van Maria, later
mede op naam van St. Ursula ingewijd, en verkreeg na de Hervorming
den naam van Nieuwe Kerk.

De kerk en toren zijn in zuiver Gothischen stijl gebouwd; de laatste,
van arduinsteen, bereikt een hoogte van 115 meter en overtreft dus
den Domtoren van Utrecht, waaraan veelal de eer wordt toegekend de
hoogste toren des lands te zijn. Hoewel de kerk door de beeldstormers,
die de altaren, altaarstukken en beelden vernielden, door den brand
in 1536 en door het springen van het kruithuis veel geleden heeft,
en er van de fraaie geschilderde glazen, waaronder het zoogenaamde
"Keizersglas", een geschenk van Karel V, geen spoor meer overbleef,
enkele ramen zelfs werden dichtgemetseld, blijft het toch een hoogst
merkwaardig gebouw. Doch bovenal trekken historische eerbied en
vaderlandsliefde den bezoeker der stad naar dat kerkgebouw. Zooals de
Abdij van Saint-Denis in Frankrijk, de Westminster in Engeland het stof
bewaart van de vroegere vorsten dier landen, en een dankbaar nageslacht
aan de herinnering der edelsten en grootsten door praalgraven den tol
der dankbaarheid heeft betaald, is de Nieuwe kerk te Delft de heilige
grond, waar het stof der Oranje-vorsten rust. [4] In den koninklijken
grafkelder dezer kerk zijn alle overleden telgen van het Oranjehuis,
op een enkele uitzondering na, bijgezet. En boven dien grafkelder
verrijst het praalgraf van Prins Willem I, door een dankbaar volk
gesticht ter eere van den "Vader des Vaderlands".

Het Praalgraf is gebouwd op last van de Staten-Generaal door den
beroemden bouwmeester en beeldhouwer Hendrik de Keyser. De arbeid
hiervan werd begonnen in 1616 en na 1620 voltooid door een zoon des
beeldhouwers, Pieter de Keyser. Het geheel vormt een prachtig werk
in renaissance-stijl, 5.66 M. lang, 4.25 M. breed en 7.65 M. hoog.

De tombe, van Dinantschen steen vervaardigd, rust op drie tredevormige
verhoogingen van dezelfde steensoort. Zij is versierd met gesmede
lijsten en metalen ornamenten, waarop het beeld van den Prins,
levensgroot, in vorstelijk gewaad, op een van zuiver wit Italiaansch
marmer, kunstig en uitmuntend fraai gewerkte matras rust. Aan de
voeten van het beeld ligt 's Prinsen hond, die na den dood van zijn
heer niets meer wilde nuttigen en van honger en dorst omkwam.

Rondom de tombe staan 22 kolommen, in Dorischen renaissance-stijl,
van zwart Italiaansch geaderd marmer.

De ruimten tusschen den kolommenaanleg bevatten elk drie nissen van
wit Italiaansch marmer; de nissen aan de zijde der tombe zijn versierd
met zestien metalen wapenschilden in hun kleuren, vertoonende de vier
kwartieren van het blazoen des prinsen: Nassau, Stolberg, Hessen,
Königstein. Op de uiterste vier hoeken van het monument bevinden zich
wit-marmeren, ronde piedestallen, elk versierd met het aangezicht
eener vrouw en met festoenen van metaal, die rusten op een basement van
Dinantsche steen. Op ieder dezer vier piedestallen staat voor een nis
een metalen vrouwenbeeld, uitmuntend bewerkt. Deze vier beelden stellen
voor: de Gerechtigheid, de Vrijheid, de Godsdienst en de Dapperheid.

De "Gerechtigheid" draagt in de rechterhand een vergulde weegschaal
en houdt de linkerhand in de zijde, terwijl de blik op den evenaar
der balans gevestigd is. Links van het beeld leest men het devies:
"Saevis tranquillus in undis" (Gerust te midden der woedende baren),
voorgesteld door een ijsvogel in zijn nest en een rots, welke door
de winden gebeukt wordt, terwijl een hand met een schepter uit de
wolken verschijnt boven een opkomende zon. Rechts ziet men de woorden:
"Je maintiendrai" (ik zal handhaven), voorgesteld door een geopende
hand uit de wolken boven twee gekruiste ankers, omringd door water
en vuurvlammen.

De "Vrijheid" heeft in de rechterhand een vergulden schepter en in
de linkerhand een vergulden hoed, waarop in zwarte letters staat:
"Aurea libertas" (gulden vrijheid); ter linkerzijde leest men: "Je
maintiendrai piété et justice" (Ik zal godsdienst en gerechtigheid
handhaven), voorgesteld door een hand uit de wolken, houdende een
weegschaal boven een brandend altaar. Aan de rechterzijde leest men
de spreuk: "Te vindice tuta libertas" (Wanneer gij wreker zijt is
de vrijheid veilig), voorgesteld door een geopend boek, liggende
op eenige bladen perkament met zeven zegels, terwijl in gouden
Hebreeuwsche karakters de naam Jahveh in de wolken geschreven staat.

De "Godsdienst" houdt in de rechterhand een geopend boek en de
linkerhand omvat een verguld tempeltje.

De "Dapperheid" of "Kracht" draagt een helm en tot schouderbedekking
de huid van een leeuw. Daar de leeuw aan kracht ook voorzichtigheid
paart, stelt deze vrouwenfiguur tevens de Voorzichtigheid of het
Beleid voor, terwijl een doornentakje in de rechterhand er op wijst,
dat dapperheid en kracht zonder voorzichtigheid veel gevaar loopen. De
motto's en allegorieën van den Zwijger zijn in acht vierkante platen
van wit marmer, geplaatst boven elk vrouwenbeeld aan beide kanten
van het hoofd, zeer kunstig uitgehouwen.

De onderdeelen van de kroonlijst boven deze platen, de kroonlijst zelf
en de staande randen van het lijstwerk zijn van wit, enkele profillen
van het lijstwerk van zwart geaderd marmer. Boven de beelden bevinden
zich, tusschen zwart en wit marmer, vier platen van Dinantsche steen,
en op elk van deze vindt men doodshoofden van wit marmer, omringd door
metalen ornamenten. Op de langszijde van het monument ziet men een
met snijwerk omgeven nis met schoon ornamentwerk en op ieder kapiteel
zit een schreiende kinderfiguur van metaal met een brandende toorts
in de hand.

Tusschen de vier obelisken bevindt zich een sierlijke, ronde, wit
marmeren koepelvormige afdekking; midden op deze afdekking bevinden
zich wit marmeren voetstukken. Op elk dezer voetstukken staat een
metalen kinderbeeld, wijzende met den vinger op een plaat van zwarte
Dinantsche steen, rondom met koper-ornament versierd en prijkende
aan beide zijden van boven met een gevleugeld, weenend kinderkopje
van metaal. Op den steen leest men aan beide kanten het navolgende
Latijnsche opschrift, op last der Staten-Generaal met vergulde letteren
daarin gegrift:

                            D. O. M.
                               et
                       aeternae memoriae
                       GULIELMI NASSOVII,
                Supremi Arausionensium Principis
                        Patris Patriae,
                      qui Belgii fortunis
                  suas post habuit et suorum:
          Validissimos exercitus aere plurimum privato
                  bis conscripsit, bis induxit
            ordinum auspiciis; Hispaniae Tyrannidem
                   propulit: verae Religionis
                  cultum, avitas Patriae leges
                     revocavit, restituit:
                    ipsam denique libertatem
                      tantum non assertam
                       MAURITIO PRINCIPI
                 Paternae virtutis heredi filio
                     stabiliendam reliquit;
              Herois vere pii, prodentis, invicti:
                              quem
                   Philippus II. Hispan. Rex
                   ille Europae timor timuit
                    non domuit, non terruit,
              sed empto percussore fraude nefanda
                           sustulit.
                    foederat. Belg. Provinc.
                    perenni meritor. Monum.
                            P. C. C.


De Nederlandsche vertaling dezer regels luidt:

Ter eere van den Almachtigen God en tot eeuwige gedachtenisse aan
Willem van Nassau, Prins van Oranje, den Vader des Vaderlands, die
het welvaren der Nederlanden hooger stelde dan zijn eigen belang en
dat der zijnen; die tweemaal, voor het grootste gedeelte op eigen
kosten, machtige legers verzamelde en ze tweemaal in 't veld bracht
onder het opperbevel der Staten; die Spanje's dwingelandij afwendde;
den waren godsdienst en de oude wetten terugriep en herstelde; die
ten slotte de nagenoeg verzekerde vrijheid aan Prins Maurits, zijn
zoon en erfgenaam van de deugden zijns vaders, achterliet, om ze te
bevestigen; den waarlijk vromen, beleidvollen en onoverwinnelijken
held, dien Philips II, koning van Spanje, die schrik van Europa,
duchtte, doch noch tenonderbrengen, noch vrees kon aanjagen, maar
met snood verraad door de hand van een gehuurden moordenaar ten val
bracht, hebben de Vereenigde Nederlandsche Gewesten dit tot een eeuwig
gedenkteeken zijner verdiensten doen oprichten.

Aan het hoofdeinde van het liggende marmeren beeld van den Prins,
op den verhoogden vloer, zit het welgelijkend beeld van den Prins
van metaal, in volle wapenrusting, met het zwaard, de sjerp en den
bevelhebbersstaf, met ongedekten hoofde op een kunstig bewerkten
zetel. Aan de voeten van den Prins verheft zich een faam met
uitgespreide vleugels, 1.70 M. hoog, van metaal, rustende alleen met
de teenen van den linkervoet op vier metalen masken, voorstellende de
vier winden; deze faam blaast op een bazuin. Dit laatste beeld wordt
voor het grootste kunststuk van het werk gehouden; het weegt 2000 K.G.



Aan de oostzijde van het Praalgraf vindt men het gedenkteeken van
Willem Frederik George, zoon van Prins Willem V, in de jaren 1806-1808
door den wereldberoemden Italiaanschen beeldhouwer Canova bewerkt. In
de treurige dagen van Nederlands geschiedenis, toen de band met het
Oranjehuis verbroken was, overleed Willem Frederik George te Padua,
1799; hij werd in het klooster der Eremitani aldaar begraven. Doch in
1896 werd het stoffelijk overschot met het grafteeken, door bemiddeling
van H. M. de Koningin-Regentes der Nederlanden, overgebracht naar
Nederland en bijgezet in het familiegraf.

Op eenigen afstand van Canova's kunstgewrocht is tegen den kerkmuur
een piedestalvormige, zwart gepolijste steen met een smallen rand
van ongepolijsten hardsteen geplaatst, een gedenksteen voor Alexander
Ernst Casimir, zoon van Koning Willem II, overleden 22 Oct. 1822.

Verder vindt men in het koor der kerk, aan de noordzijde van het
vorstelijk Praalgraf, een eenvoudig, doch sierlijk monument ter eere
van den grooten staatsman, geleerde en dichter Hugo De Groot, het
"Delftsche orakel", van wien Brandt roemde:


    "O Delf, benij geen Maes den grooten Rotterdammer,
    De Groot is ruim soo groot. Dees' socht het Hollandts jammer
    Te stuiten door zijn raedt; maar 't oor der twist bleef doof,
    Men scheurde veel te licht een liefdeloos geloof.
    Indien zijn Fenixgeest verdeelt waer onder seven,
    't Vereenigt Nederlandt waer onverdeelt gebleven".


Het gedenkteeken is geheel van gepolijsten hardsteen: een zwarte naald
staat in een wit marmeren nis, terwijl de buste van De Groot op een
medaillon gebeiteld er voor geplaatst is. Het onderschrift luidt enkel


    Hugoni Grotio Sacrum.


terwijl links eenige Latijnsche versregels van Petrus Burmanus Secundus
den roem van De Groot, "Prodigium Europae", verkondigen [5].


Hugo De Groot, uit een aanzienlijk geslacht in 1583 te Delft geboren,
overleed te Rostock, den 28en Aug. 1645. Het praalgraf werd in 1781
opgericht door zijn familie. Doch het erkentelijk nageslacht heeft op
het marktplein vóór de kerk in 1886 een bronzen standbeeld ter eere
van den geleerde doen verrijzen (vervaardigd door Stracké), als om te
voldoen aan hetgeen reeds Vondel bij de uitvaart van De Groot wenschte:


    "Men stell', gelijk den Rotterdammer,
    Een beeld den wijzen Delvenaer;
    Men paer' die groote nageburen,
    Wier Faem alle eeuwen zal verduren,
    Zoo sta de Wijsheid op 't Altaer!"


De naam "Hugo Grotius", in gouden letters op het voetstuk aangebracht,
is alleen voldoende, om den bezoeker met eerbied het hoofd te doen
ontblooten bij het beeld van den man, wiens herinnering zoowel in het
buitenland als in Nederland bij de wetenschap wordt levendig gehouden.

Naar Bleyswijck, de geschiedschrijver van Delft, verhaalt, werd op deze
plek in 1595 in het midden van het plein gemaakt: "een ronde Perck,
in welckers middel-punt is een Compas van blauwe steen, waer boven
het wapen van de Provincie en onder van de Stadt uyt straet-steenen
gefigureert zijn, doch meerendeels nu versleten en vergaen, maer
tusschen de twee cirkels rondt-om-lopende leest men met groote letteren
noch seer bescheydenlyck dese woorden, "Elck wandel in Godts weghen",
vermaens-gewijs alludeerende op de wandel- en handelaers, die de Marct
betreden". Van dit alles is thans alleen het randschrift nog over,
en te midden daarvan verheft zich het standbeeld.

Vóór wij afscheid nemen van de kerk en haar merkwaardigheden, zullen
wij nog den toren beklimmen, om, zij het ook in gedachten, van zijn
hoogen top den blik te doen weiden over het landschap. Beneden ons
ligt de ernstige, meestal stille stad, in deftige rust, omkranst door
singels van groen geboomte, dat tevens in schilderachtige, regelmatige
lijnen den rooden dakenchaos aan onzen voet doorsnijdt. Doch rondom
de stad, over het zachtgroene tapijt der weiden, breidt zich een
eenig panorama uit met verschillende typen van het Hollandsche
landschapskarakter. Ginds het Westland, op welks glasbedekking
der tuinen de zon met zilveren schittering weerkaatst, eigenaardig
opspritsend uit den ondergrond van donkergroen, en naar het zuiden
begrensd door den breeden waterstroom der Maas, die als een zilveren
zoom over het landschap ligt. Daar in de verte de duinzoom met zijn
bochtige verticale lijnen, zoo ongewoon in Holland, en achter die
duinen in het eindeloos verschiet ligt de groote Noordzee. Over de
onafzienbare weiden naar het oosten rijzen tallooze torenspitsen in
allerlei vormen op, en bij helder weer ziet men zelfs den Utrechtschen
Dom in 't noord-oostelijk verschiet.

Hoort, er komt leven in deze hooge spheren, tot waar geen
menschengeluid doordringt. Een vriendelijke, opgewekte muziek galmt
door de klankgaten van den toren, in regelmatige trillingen een
harmonische opwekking over de stad uitstortend. De "beiaerd doet zijn
klingelende tonen wegsprankelen in huppelende vlucht". Dat is het
beroemde klokkenspel, door Franciscus Hemony gegoten en in 1663 door
Jan Col, uurwerkmaker van Nijmegen, in dezen toren geplaatst. Door
Napoleon I werden een paar klokken er van tot gietspijs voor kanonnen
gebruikt, maar overigens is het nog goed in wezen. Driemaal per week
en bij sommige gelegenheden wordt het nog bespeeld.



Wij dalen weder af uit de hoogte naar het Marktplein. Tegenover de
Nieuwe Kerk verrijst het Stadhuis, een zwaar, vierkant gebouw met een
vierkanten toren, die zich midden uit het dak verheft. Het Raadhuis
is gebouwd naar een ontwerp van Hendrik de Keyser, wiens bekwaamheid
en kunstzin voldoende bleken bij het destijds nagenoeg voltooide
gedenkteeken van het graf van Prins Willem. Toen in Februari 1618
het oude raadhuis schier geheel een prooi der vlammen was geworden,
werd aan de Keyser de bouw van een nieuw raadhuis opgedragen. Doch,
helaas! het schoone gebouw heeft in 1840 door de zoogenaamde
restauratie zijn stijlkarakter verloren, zij het dan ook, dat het
misschien meer praktisch is ingericht voor het gebruik.

In het oorspronkelijke gebouw vond men de laatste sporen van den
renaissance-stijl met den oud-Hollandschen bouwtrant vereenigd,
doch het vervangen der in lood gezette kruisramen door moderne
vensterkozijnen deed reeds het karakteristieke aanzien ontaarden. Nog
meer werd het geschonden door het moderniseeren van den hoofdingang;
de opgang met vijf trappen, aan weerszijde gedekt door een gewelf,
op twee pilaren rustende, is verdwenen.

Hoewel veel van de merkwaardigheden, die het Raadhuis voor een
halve eeuw nog bezat, o. a. vele schilderijen en kisten vol Delftsch
aardewerk, op raadselachtige wijze moeten verdwenen zijn, vindt men
er toch nog merkwaardige stukken o. a. van Pieter Bronkhorst, Delff,
Michiel Jansz. van Mierevelt.



De beschikbare plaatsruimte verbiedt ons, bij alles stil te staan,
wat Delft merkwaardigs heeft; een volledige beschrijving van deze
stad geven wij niet. Maar op onze rondwandeling door het oude en
nieuwe Delft mogen wij de "Fundatie van Renswoude" niet vergeten: een
instelling, die zoowel tot de liefdadige als tot de wetenschappelijke
inrichtingen moet gerekend worden. Deze stichting dankt haar oorsprong
aan Vrouwe Maria Duyst van Voorhout, douairière van Frederik Adriaan
Baron van Rhede, Vrijheer van Renswoude en Emminkhuizen, die den 26
April 1754 is overleden. Deze vrouw benoemde de weeshuizen te Delft en
's-Gravenhage, benevens het kinderhuis te Utrecht, tot haar erfgenamen,
onder voorwaarde, dat uit elk dier huizen eenige jongelieden van
goeden aanleg in de vrije kunsten en wetenschappen onderwezen zouden
worden, om hen daardoor tot een hoogere positie in de maatschappij
te brengen. Eenige dichtregelen op het gebouw verheerlijken de milde
stichtster. Zij luiden:


    Hier leeft Maria Duyst, onsterflijk door haar sterven;
    Dees' stichting was haar wil; zij heeft een schat doen erven,
    Waaruit de nijvre wees, om vlug verstand geëerd,
    Hier afgezonderd leeft en vrije kunsten leert.
    Dus doet zij langs het spoor der wiskunst de armen streven
    Naar 't merg der wetenschap, om tot 's lands nut te leven.


Het laat-Gothische poortje van 't gebouw heeft nog bouwkundige waarde.



Het zou een miskenning van onze vaderlandsche ondernemingen en van
een oude beroemdheid van Delft zijn, als wij niet enkele oogenblikken
onze aandacht wijdden aan het Delftsche aardewerk. Delft is vanouds
een bloeiende industriestad geweest, gelijk wij reeds opmerkten. Naast
brouwerijen had men er in de middeleeuwen ook lakenfabrieken. Doch van
jongeren datum zijn de plateelfabrieken. Omstreeks het midden der 17e
eeuw kwam die nijverheid tot bloei; zij werd, door het teniet gaan van
andere industrieën, een der belangrijkste bedrijven, zoodat men in de
17e eeuw wel 50 aardewerkfabrieken in deze stad vond. Het fabrikaat
was bekend door het fraaie glazuursel met heldere, donkerblauwe
kleuren en werd veel uitgevoerd.

Doch, helaas! ook deze tak van nijverheid ging door de concurrentie
achteruit, en in 1876 was er slechts één fabriek over, "de Porceleine
Fles", waar alleen gebruiksaardewerk en vuurvaste steenen vervaardigd
werden. In dien tijd echter trad Joost Thooft op als een nieuwe
baanbreker voor dezen tak van kunstnijverheid. Hij nam de fabriek over,
en met behulp van den laatsten oud-Delftschen plateelschilder, den
bejaarden Tulk, werden de eerste proeven in blauw en wit met succes
genomen, om de oude industrie te doen herleven. Later vereenigd met
Labouchère, werd de zaak uitgebreid, en in 1889, toen op de Parijsche
tentoonstelling door haar de gouden medaille werd verworven, was zij
voor goed gevestigd. Sedert dien tijd is de aardewerkfabrikatie op
groote schaal vooruitgegaan, en ook de tentoonstelling van Chicago
heeft den afzet veel vermeerderd. Het oud-Delftsche fabrikaat is
thans niet meer het eenige; ook andere methoden worden toegepast en
andere kleuren gekozen. Verder is Delft niet de eenige stad, die het
prachtige aardewerk levert: Rozenburg in Den Haag staat hiernaast,
en in Utrecht vindt eveneens de fabrikatie plaats. Doch Delft heeft de
oudste brieven bij de herleefde industrie en den stoot gegeven tot het
nieuw opkomen van dezen tak van kunstnijverheid, die van zoo groote
beteekenis is. Niemand zal dan ook verzuimen in deze stad een bezoek
te brengen aan een der winkels met het mooie Delftsche aardewerk,
om daaruit misschien iets te kiezen tot herinnering.

Van hier richten wij onze schreden naar een andere inrichting, voor
Delft niet alleen belangrijk als een grootindustieel bedrijf, maar
bovenal eigenaardig en bekend wegens het in praktijk brengen van nieuwe
sociale humaniteits-ideeën. Daar, ten N.NW. van de stad, verheffen zich
hooge fabrieksschoorsteenen en verder westelijk, over den spoorweg,
te midden van de effene graslanden, ligt een vriendelijk park, welks
nette huizen, te midden van waterpartijen en tuintjes half in 't
lommer verscholen liggen. Dit is het Agneta-park, de verblijfplaats
der arbeiders, die op gindsche fabrieken, de Nederlandsche Gist- en
Spiritus-fabriek en de Oliefabriek, arbeiden. De directeur-oprichter,
de heer Van Marken, heeft op zijn fabrieken een arbeids-stelsel
toegepast, dat den strijd tusschen kapitaal en arbeid zal opheffen en
waarbij de arbeiders deelgenooten zijn in de groote onderneming. Zelf
woont hij te midden van zijn arbeiders in het Agneta-park op de villa
"Rust Roest".

Vóór wij Delft verlaten moeten wij ten slotte nog wijzen op de
Polytechnische Hoogeschool, waar zoo vele beroemde ingenieurs gevormd
zijn, en zeggen hiermede deze merkwaardige stad vaarwel!



Als wij buiten Delft van het Agneta-park over de graslanden naar
het N.W. den blik laten rond weiden, zien wij tusschen laag hout
in de verte eenige tuinlanden  te midden der weiden. Daar in de
nabijheid staat het "Bonte Huis", een uitspanning. Eenige minuten
van het Bonte Huis bevindt zich aan de overzijde der vaart een zeer
oude brug, schilderachtig door geboomte omgeven. Twee vierkante, door
ouderdom eerbiedwaardige pilaren toonen hier nog de plaats aan, waar
zich oudtijds het klooster Sion verhief; die zuilen zijn de eenige
overblijfselen van het eens zoo bekende gebouw, waar Erasmus zijn
eerste leerschool gehad heeft. Dit klooster, reeds in 1438 in bloei,
werd den 30en Januari 1544 in brand gestoken door een priester van
Schoonhoven. Na den herbouw werd het in den tachtigjarigen oorlog door
de regeering van Delft verbrand, om te voorkomen, dat de Spanjaarden
zich hier zouden vestigen.

Thans verlaten wij de buurt der stad langs den straatweg over Overschie
naar Rotterdam. De weg loopt eerst op korten afstand van en vervolgens
langs de Schie, welke zich bij Overschie splitst in drie armen, die
naar Rotterdam, Delfshaven en Schiedam loopen. Oorspronkelijk heette
dit water de Delf, waarnaar de stad Delft haar naam heeft; het maakte
zeker een deel uit van de gracht, die Corbulo heeft laten graven,
zoowel met het doel, om het lage moerassige land achter de duinen
een afwatering te geven, als om voor de schepen een binnenvaart van
de Maas naar den Rijn tot stand te brengen. Waarschijnlijk moet de
gracht van Corbulo beschouwd worden van Hoornbrug naar Overschie te
hebben geloopen.

De weg biedt weinig belangrijks aan. 't Is een echt Hollandsch
polderland, dat zich hier aan beide zijden van de Schie uitstrekt,
in het zuiden bestaande uit de diepe kommen der droogmakerijen, welke
met hun vele wind- en watermolens een eigenaardig karakter aan het
polderland geven.

Buiten Delft zien wij zoo hier en daar op de vlakte enkele dorpen
en tal van boerenhuizen over de landen uitsteken, alle van het
Zuid-Hollandsche type zooals veehouders die bouwen. Ten oosten bemerken
wij van verre het vriendelijke gehucht Delfgauw en verder het nette
dorp Pijnakker, met een frissche Hollandsche natuur, welks torentje
in de verte boven de boomen van het dorp opspitst. Wij zullen die
dorpen echter niet bezoeken.

Op korten afstand ten westen van de Schie loopt, evenwijdig daarmede,
door den Abtswouderpolder een landweg, van boerenwoningen begrensd. 't
Is het streekdorp Abtswoude.

De vreemdeling, die bij toeval dezen weg bewandelt, zal ongetwijfeld
eigenaardig getroffen worden door de rijmpjes, welke op de hekken der
landhuizen geschilderd zijn. Woont hier, te midden der onafzienbare
graslanden, een dichterlijke boerenstand? Ontspringt de Hippokrene
in de kroozige slooten van Abtswoude?

Ja waarlijk, in den volksaard schijnt hier een dichterlijk vonkje
vlam te hebben gevat. In dit dorp is in 1689 H. K. Poot geboren,
een boerenzoon, die zonder wetenschappelijke opleiding dan op de
dorpsschool, "door de natuur als met eigen handen in den schoot der
zanggodinen werd nedergezet", zegt zijn levensbeschrijver. Zeker
zijn vele dier rijmpjes afkomstig van den "boerenzanger", zooals hij
zichzelf noemde, door zijn dorpsgenooten met bewondering aangestaard,
en die door deze eenvoudige hulde de herinnering aan hun bekenden
dorpsgenoot bewaren.

Nog verder westelijk zien wij in de verte het oude, reeds onder Dirk
V in 1083 genoemde (Schipleden) Schipluiden verrijzen uit het groen
der vlakte, een dorp, bestaande uit een frissche, breede gracht,
door twee lange rijen huizen omringd en met een fraai, oud kerkje. Het
was van dit dorp, dat Antonius Hambroek, toenmaals hier predikant, in
1647 naar Indië vertrok, om in 1663 op het eiland Pormosa, gelijk de
geschiedschrijvers het uitdrukten, "als een andere Regulus vrijwillig
zijn leven ten offer te brengen," daar hij zijn aan den vijand gegeven
woord niet wilde breken.

Wij passeeren het flinke dorp Overschie, ontstaan aan het punt van
samenkomst der Schiearmen, waar de scheepvaartwegen van Rotterdam,
Delfshaven en Schiedam landinwaarts elkander ontmoeten. Oorspronkelijk
liep de Schie onvertakt naar Schiedam, dat de voorhaven van Delft
vormde aan den mond der Schie en de Maas. Doch in 1340 gaf graaf Willem
IV een handvest aan Rotterdam, waarbij deze stad vrijheid kreeg, om een
kanaal naar de Schie te graven, teneinde hierlangs verder den Vliet te
kunnen bereiken, den hoofdverkeersweg met het overige Holland. Deze
nieuwe waterweg, voor Rotterdam van het grootste belang, kwam in
1348 tot stand. De plek, waar beide wateren elkander ontmoetten,
werd verder bebouwd en dit was de oorsprong van het dorp Overschie.

Terwijl de Rotterdamsche en Schiedamsche armen der Schie met elkander
concurreerden, wist Delft in 1389 nog het recht te verkrijgen, om een
derden arm te graven van Overschie naar de buurt Schoonderloo aan de
Maas. Deze loopt tusschen de beide genoemde armen in. Aan den mond
bouwde het ondernemende Delft een eigen voorhaven, Delfshaven, om aldus
een zeestad te worden en met Rotterdam te kunnen wedijveren. Delfshaven
is dus een schepping van Delft en bleef aan deze stad behooren
tot 1795.

Wanneer men het fraaie kerkgebouw van Overschie, met den artistieken
toren, welke na den brand met smaak is herbouwd, gezien heeft,
biedt dit dorp geen bezienswaardigheden meer aan. Van hier kan men,
langs een omweg, door verscheidene polders nog het aanzienlijke dorp
Hillegersberg bereiken, dat ten noorden van Rotterdam zoo pittoresk
te midden van uitgeveende plassen gelegen is.


    "'t Grijze Hilgersberg, weleer
    Der Romeinen welbehagen,
    Wijl ze van zijn schedel zagen
    Over 't ruim van 't Hela-meer,
    Dat wij thans den Maasstroom heeten",


rijmelde Smits, naar aanleiding eener onwaarschijnlijke overlevering,
dat deze plaats in den Romeinschen tijd zou zijn ontstaan op een
berg, die destijds aan de Maas gelegen was. Een mooi plekje is de
kerkhofheuvel met de bemoste, afgebrokkelde muren van een oud gebouw,
het in den volksmond bekende Reuzenhuis, terwijl daarnaast het kerkje
zich zoo rustig in 't gebladerte verschuilt, en van verre de heldere
plassen hun zilver in het zonlicht weerspiegelen, te midden van
frisch-groene omlijsting der graslanden.

Hillegersberg is de uitgangsplaats der Rotterdammers; de weg van het
dorp naar de stad is met kleine villatjes omzoomd, welker tuinen aan
beide zijden van den weg door plassen worden ingesloten. Zoo naderen
wij de drukke Rottestad, maar wij treden haar thans niet binnen, omdat
wij vooraf ten noorden van de Maas nog andere streken willen bezoeken.





II. DOOR HET WESTLAND.


Wie van Den Haag de lijn van den Westlandschen stoomtram naar het
zuidwesten volgt, komt spoedig in een der meest typische gedeelten
van Nederland, dat door zijn eigenaardige cultuur en produkten een
algemeene beroemdheid heeft verworven, zoowel in het buitenland als
in Nederland zelf. Wij bedoelen hiermede het Westland, het bekende
land van den intensieven tuinbouw, de kweekplaats van allerlei vroege
groenten en fijne ooftsoorten, het tuinbouw-district van Nederland
bij uitnemendheid.

Onder "Westland" verstaat men het westelijk gedeelte van Delfland,
het voormalig baljuwschap van het Graafschap en later van de provincie
Holland, dat zich van 's-Gravenhage tot de Nieuwe-Maas uitstrekt.

Het Westland omvat de stad Maassluis en verder de dorpen het Woud,
Wateringen, 's-Gravenzande, Rijswijk, Loosduinen, Monster, Ter-Heide,
Poeldijk, Naaldwijk, de Lier, Maasland en Schipluiden. De duinzoom, die
van Scheveningen en Den Haag naar het zuidwesten langzamerhand smaller
wordt, om bij Ter-Heide geheel te eindigen en in een kunstmatige
zeewering over te gaan, welke het bijna afgeslagen duin tot nabij den
Hoek-van-Holland vervangt, vormt de westelijke grens van het Westland
naar den kant der zee. Een reeks van hoofden, buiten de duinen in zee
gebouwd van Scheveningen tot den Maasmond, belet de verdere afschuring
der kust en doet het strand thans standhouden. Over 't geheel sluiten
de naakte duinen zich aan bij het achterland; alleen ten zuiden van
Loosduinen strekken zich de bosschen van het buiten Ockenburgh aan
den binnenkant over en langs de duinen uit.

Achter de duinen ligt een strook van effene geestgronden, gedeeltelijk
afgezande duingrond, welke verder binnenwaarts overgaat in kleilanden,
afgewisseld met strooken laagveen.

Zoo vormt het Westland tot de duinen een streek met effene terreinen,
bijna zonder afwisseling in hoogte. De bodem van dit gewest is uiterst
vruchtbaar, in het westen meestal niet te zwaar en niet te zanderig,
en leent zich hierdoor tot de fijnste cultures, terwijl het overige
land wordt ingenomen door bouwlanden en meest door malsche weiden.

Door den bodem van het Westland werd zijn oudste geschiedenis en
zijn eigenaardige economische ontwikkeling bepaald. In den vroegen
tijd der historie, vóór den aanleg der dijken, lagen de klei- en
laagveenstreken nog te drassig, zij het al niet voor de bewoning, dan
toch voor geregelde cultuur. Daardoor worden de oudste nederzettingen
van het Westland op den duinzoom en de geestgronden gevonden, waar
de vastere bodem beter grondslag en gunstiger gesteldheid aanbood tot
een duurzame vestiging der bewoners. De hoofddorpen van het Westland:
Loosduinen, Monster, 's-Gravenzande en Naaldwijk zijn in zeer ouden
tijd op de zandgronden ontstaan en Poeldijk ligt in de nabijheid
van den geestgrond. Langs deze streek worden sporen gevonden, die
bewijzen, dat de Romeinen hier vertoefd hebben, en ook kan men met
grond een vóór-Romeinsche bewoning van het Westland aannemen.

Op dien oudsten grondslag heeft de bevolking van het Westland zich
ontwikkeld. Gedurende de middeleeuwen, toen er dijken gebouwd waren
langs de Maas, vormde dit gebied een aanzienlijke streek, waar adel
en geestelijkheid onderscheidene voorname gebouwen deden verrijzen.

Een grafelijk paleis en vele buitens vond men bij 's-Gravenzande,
onderscheidene kasteelen of adellijke huizen nabij Naaldwijk,
als: Lagerwoerd, Hoogewoerd Patijnenburg of Endeldijk en Hunsel,
later Hondsholredijk; het Hof-te-Wateringen was in de 13e eeuw een
sterk slot; de Lier had het uitgebreide kasteel Boekestein en het
Hof te Lier; Loosduinen had een beroemd klooster; tusschen Monster
en Poeldijk stond het aanzienlijke slot der Heeren van Polanen, dat
in 1358 in den strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen verwoest werd;
tusschen Loosduinen en Monster, midden in de weilanden, verhief zich
het adellijk huis Madestein. Zoo was het Westland in de middeleeuwen
de verblijfplaats van talrijke aanzienlijke geslachten. Onder hun
invloed werd door de noeste vlijt der bewoners de bodem langs de duinen
ontgonnen en in het vruchtbaarste cultuurland veranderd. Daardoor
was het Westland al vroeg beroemd.


    "Wie spelevaren wil door 't schoone korenland,
    Door 't tarwrijk Westland heen, moet deze baan ook houen,
    Vanwaar hij langs een vliet ziet roggenakkers bouwen,
    En vaers en koeien treên ten knieën toe in 't gras,
    Daar eertijds voor het vee geen groene pijl en was.
    Daar de nature mist, daar helpen 's menschen handen,
    Dat hier nu weiden zijn, dat waren schrale zanden.
    Men voert hier geesten [6] weg",


aldus zong Westerbaen [7] van zijn geliefd Westland, dat hij verre
verkiest boven


      "den valschen grond van venen en moerassen;
    Weg met de bolle moer, en met den weeken brij!
    Hier staat men zonder zorg en voor het zinken vrij,
    Hier staat gij op het zand en buiten wei- en kleiland,
    En nogtans midden in het beste klei- en weiland,
    Ten zuiden is het hei, ten noorden hebt gij wei,
    Zoo is m' er midden in, al is men in de hei".


Wij zullen thans ons bezoek aan het Westland van Den Haag uit
aanvangen, om het tot de Maas te doorwandelen.

De straatweg van Den Haag naar Loosduinen, welke ook door den
stoomtram gevolgd wordt, loopt door een bloeiende streek, waar
warmoezerijen en vruchtbare weiden met elkander afwisselen, terwijl
in het westen de duinen met hun naakte toppen schilderachtig den
horizon begrenzen. Langs den straatweg vindt men enkele kleine
villa's, burgerlijke huizengroepen, zoo hier en daar tot bescheiden
dorpskommen in de lengte langs den weg gegroepeerd, en tuindershuisjes
te midden van het tuinland, dat veelal door schuttingen of muren
wordt afgesloten. Belangrijke gebouwen vindt men hier niet; alles
ziet er burgerlijk-welvarend uit en de huizenreeks ondergaat steeds
uitbreiding, zoodat Loosduinen eindelijk door een lange, hol bebouwde
straat met Den Haag zal worden verbonden.

Vroeger was deze weg met vele aanzienlijke buitens bezet, die echter
meest alle geheel verdwenen zijn of enkel door hooge steenen bruggetjes
en poortpilaren met de namen der vroegere huizingen eenige sporen van
hun aanwezigheid hebben achtergelaten, terwijl de grond in tuinland
is veranderd. Een enkele dier buitens, welks gebouw en boschen daar
verrijzen over het tuinland op korten afstand ten westen van den
weg, wijst reeds bij de poort aan, dat hier een rustplaats wordt
aangeboden aan hen, die den aardschen strijd hebben volstreden. Het
is de begraafplaats "Nieuw-Eik-en-Duinen", die hier werd aangelegd.

Nog enkele minuten verder en wij staan in het gehucht Eik-en-Duinen,
een eenvoudige reeks van huizen, langs de straat. Een smalle zijweg
voert duinwaarts, en weldra staan wij voor de oude begraafplaats
"Eik-en-Duinen", schilderachtig en vreedzaam gelegen onder het
lommer van 't hooge geboomte. Tal van grafteekens op Eik-en-Duinen
herinneren aan bekende personen uit onze staatkundige of letterkundige
geschiedenis van de jongste tijden, die hier hun laatste rustplaats
vonden.


    Wees mij gegroet, gij slaapvertrek der dooden,
      Omsponnen met dat statig loofgordijn!
    Hoe lieflijk komt gij den vermoeide nooden:
      "Laat dit voor u een plek der ruste zijn!"
    Hier, waar zoo mild de geur'ge heesters bloeien,
      Als een priëel om d'open bloementuin,
    Jasmijn en roos naast lijkcypressen groeien,
      Wees mij gegroet, gij heuv'lig Eik-en-Duin!

    Ontsluit me uw schâuw, gij breedgewelfde linden
      En eiken, die een bouwval houdt omkranst,
    Wier hoogste top, doorschuifeld van de winden,
      In 't vonklend goud der avondzonne glanst.
    Hier aan 't gewoel der trotsche stad ontweken,
      Waar ook een vorst met koningsmacht gebiedt,
    Hier luister ik, wat taal de dooden spreken,
      Al breekt die stem de ontzagbre stilte niet.

    Gij, Eik-en-Duin! zult ge ook mijn rustplaats wezen?
      Wacht naast mijn Gâ die open plek op mij?
    Waar reeds mijn naam staat op de zerk te lezen,
      Voegt slechts den dag van 't heengaan nog daarbij.


Aldus zong de dichter B. ter Haar. Deze wensch werd niet vervuld;
ter Haar's laatste rustplaats ligt te Rozendaal in Gelderland.

Niet alleen uit de laatste tijden, ook uit het grijze verleden vindt
men hier herinneringen.


    "Op 't kerkhof "Eik-en-Duinen"
          Rijst aan uw linkerhand
    Het muurstuk van een kerke,
          Verbrok'lend te allen kant;
    Een enkel poortje als doorgang
          Bleef in den muur gevest,
    En boven op de spitse
          Heeft de ooievaar zijn nest.
    't Klimop weeft om de steenen
          Zijn altijd glanzend loof
    En donzig mos tiert welig
          In elke spleet en kloof."

                                Ant. L. de Rop.


Al is het ooievaarsnest sedert verdwenen, het muurstuk staat er
nog als altijd. Het is een overblijfsel der oude parochiekerk van
het vroegere dorp Eik-en-Duinen, dat vrij aanzienlijk was. De kapel
van het dorp werd in 1320 tot parochiekerk verheven. Een stuk van
het heilige kruis heette in deze kerk bewaard te zijn en vormde
een merkwaardige reliquie, die duizenden bedevaartgangers hier
samenbracht. De Hervorming heeft hieraan een einde gemaakt; in 1581
werd de kerk afgebroken, op de enkele grijze muren na, welke hier nog
bewaard worden. Ook het dorp Eik-en-Duinen is geslonken in omvang,
doch breidt zich tegenwoordig weer uit door de warmoezerijen in de
nabijheid van Den Haag.

Het landschap blijft hetzelfde, als wij den weg vervolgen naar
Loosduinen. Het oude landgoed Rozenburg is in den laatsten tijd in een
Krankzinnigengesticht veranderd. Vóór wij aan het oude dorp Loosduinen
komen, zien wij reeds de jonge uitbreiding dier nederzetting, en
de gedenknaald, welke hier ter eere van Gevers van Deynoot door de
Hollandsche Maatschappij van Landbouw in een weiland werd geplaatst,
staat thans midden in de huizenrij.

Loosduinen werd door Huygens met zijn eigenaardige woordkunst nog
beschreven als:


    Loos duinzand, mager staal van overstoven heigrond,
    Daar 't hongerig konijn ter nauwernood zijn wei vond
    En voedde mensch noch vee, als Brandwijks noeste schop
    Dat schraal bezwangerde met allerlei volop.


Aan den kant van Den Haag opent zich Loosduinen door een fraaie, nieuwe
Katholieke kerk en eenige kleine villa's en tuindershuisjes, terwijl
verder het plaatsje uit eenvoudige dorpshuizen bestaat. Het dorp is
gebouwd in straten langs een kruisweg en wordt rondom ingesloten door
warmoeslanden, die hier hun middelpunt hebben.

Een echt landelijke weg loopt van het dorp dwars door de duinen
naar zee, waar een eenvoudig badhuis gebouwd is, en een goed strand
gevonden wordt.

Loosduinen is van oude dagteekening. Door velen wordt het Lugdunum der
Romeinen hier gezocht. Dat er reeds in den Romeinschen tijd en vroeger
bewoners gevonden werden, lijdt geen twijfel. Uit den grafelijken tijd
zijn verschillende herinneringen aan deze plek bewaard. De voorouders
van graaf Floris IV hadden reeds lang vóór 1224 te Loosduinen een
kapel, en Floris IV stichtte bij deze kapel op zijn eigen landgoed
een vrouwenklooster voor adellijke maagden van de Cistercienser orde,
zooals blijkt uit een brief van 1224. Rijk werd dit klooster begiftigd
met allerlei voorrechten en wereldsche bezittingen. Maar, of het laster
is of waarheid valt moeilijk te beslissen--tegelijk met die weelde
en overvloed verspreidden zich geruchten omtrent de zeden binnen deze
kloostermuren, welke den goeden naam der vrome zusters schade deden.

Dat de kloostertucht er werkelijk te wenschen overliet, blijkt hieruit,
dat in 1347 Ludolphus, abt van Eiteren bij IJselstein, op verzoek van
Graaf Willem naar Loosduinen werd gezonden, om met alle gestrengheid
de kerkelijke wetten en straffen toe te passen. Hoe dit geschiedde,
is ons niet bekend. Het klooster is blijven bestaan tot den tijd
der Hervorming, toen het in 1579 geheel werd verwoest. Alleen
de Kloosterkerk bleef over en werd door de Hervormden in gebruik
genomen. Doch toen die kerk bouwvallig werd, is ook zij in 1791
geheel vernieuwd, zoodat van de schoone abdij niets meer aanwezig
is. In Loosduinen vindt men over 't geheel niets, dat aan de vroege
oudheid der nederzetting herinnert.

De oude geschiedschrijvers verhalen van Loosduinen een vreemde
historie, welke heel wat pennen in beweging heeft gebracht. In
de abdijkerk te Loosduinen zou begraven geworden zijn Margaretha,
dochter van Floris IV, gemalin van den Graaf van Hennenberg, met haar
365 kinderen, welke zij, "t' eenen dragt gebaard zoude hebben". Hoewel
enkele oude geschiedschrijvers reeds twijfelden aan de waarheid van
het verhaal, en ook Erasmus het als een fabel beschouwde, waren er
anderen, die met bewijzen en tegenbewijzen aan de overlevering een
schijn van waarheid wilden schenken. H. v. Heusden kwam tot de volgende
verklaring, dat de Gravin van Hennenberg op Goeden Vrijdag zoovele
kinderen gebaard heeft, als er dagen in 't jaar waren, d. i. twee,
want daar het nieuwe jaar destijds nog met Paschen inviel, waren er
nog slechts twee dagen in het jaar over.

Wij behoeven niet bij de critiek of de verklaring van 't geval stil
te staan. Alleen wijzen wij er op, dat het verhaal oudtijds een
algemeen bekende volkslegende was voor deze streken. Zelfs werden de
bekkens, waarin de 365 kinderen gedoopt zouden zijn, nog lang in de
kerk getoond, en gehuwde lieden, wier echt niet spoedig met kinderen
gezegend was, gingen niet zelden biddend naar de kerk te Loosduinen,
om de handen te waschen in het doopbekken, waaraan zooveel kinderzegen
verbonden was. Ook verhaalt Westerbaen, dat in zijn tijd vrouwen,
die de hoog opgehangen bekkens niet konden aanraken, den handschoen
of neusdoek er tegen wierpen, in de hoop, dat dit een gezegende
uitwerking zou hebben.

Wij stappen af van deze "fabelen en verdichtingen", en verlaten
het dorp.

Langs den binnenkant van het duin, gedeeltelijk overschaduwd door
eiken en olmen, die verderop lager worden en onder den invloed van
den zeewind verschrompeld, haagvormig zijn samengegroeid, zoodat zij
slechts wanden langs den smallen weg vormen, loopt de oude weg naar
Monster. Op korten afstand van Loosduinen zien wij in het duin de
schilderachtige bosschen van het buiten Ockenburg, door Westerbaen
bekend geworden en ook bezongen, zooals wij zeiden. Het was in den
tijd, toen Cats zijn Zorgvliet, Huygens zijn Hofwijk deed verrijzen,
dat ook dit buiten werd aangelegd, of in elk geval van een vervallen
buiten weer in aanzien werd gebracht door schoone plantsoenen, door
de teelt van fijne ooftsoorten, uit verschillende deelen der aarde
aangevoerd, zooals het Nederlandsche handelsvolk dit kon doen.


    Hier lacht natuur Lucullus uit,
    Met zijn onschattelijken buit,
    Gespild aan kostelijke hoven,
    En plant hier in het dorre duin
    Een zoo vermakelijken tuin,
    Die alle pompe gaat te boven,


zong de dichter J. v. der Burgh, in 1654, van het aangelegde
buitenverblijf.

Westerbaen beschrijft zelf zijn tuinen aldus:


    Ik zie in korten tijd mijn boomgaard en mijn tuin,
    Als was het Paradijs en Eden in het duin,
    Wie spreekt van ruikeren, van tuiltjes en bouquetten,
    Tot fraaiheid en sieraad van haarden en buffetten,
    Van potten in den schouw, van fleschjes aan den wand,
    Van Indisch aardewerk, met bloempjes velerhand
    Op 't aardigst opgeschikt, geschraapt van allerwegen,
    Door bedelen, door geld ontschameld of verkregen?
    Wat hebben zij bij 't schoon van mijne duinsalet,
    Daar de aarde bloempot is en elke boom bouquet.


Hoe het landschap er in de omstreken van Ockenburg uitzag in dien tijd,
leert ons de volgende beschrijving:


    Ten zuiden doen zich op des Poeldijks korenakkers,
    Voor 't wittebroodsgewin de bloemtuin van de bakkers,
    Met helder tarwgewas, daar Betuw, daar het Sticht,
    Ja, daar het blankste graan van 't Goesche land voor zwicht;
    Ten noorden ziet me een vlak van welige valleien,
    Die deze heuvelen van hooger bergen scheien,
    Van bergen, daar ik durf gerust op slapen gaan,
    Die Holland voor de zee doen onbekommerd staan.


Het woonhuis Ockenburg kwam, volgens de afbeelding van Ravestein
door Matham op koper gebracht, veel met Hofwijk overeen en prijkte
met een hoog dak.

De stoomtram volgt van Loosduinen den nieuwen weg door de graslanden
en tuinen van Poeldijk. De oude weg loopt in dezelfde richting voort
voorbij Ockenburg en langs het boschrijke Bloemendaal, eens een
buiten, doch thans een krankzinnigengesticht van de "Vereeniging
tot Christelijke verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in
Nederland", in 1892 opgericht volgens het nieuwe paviljoenstelsel.

Te Poeldijk komen wij in het hart van de Westlandsche cultures, die
hier een bijna aaneengesloten gebied innemen tusschen Wateringen,
Poeldijk, Monster, 's-Gravenzande en Naaldwijk, en ook ten zuiden
van 's-Gravenzande en Naaldwijk bij de Lier nog een gedeelte des
lands beslaan. Heeft Loosduinen meer warmoezerij, hier zijn het
hoofdzakelijk vroege aardappelen, welke schier overal voorkomen,
en verder fijne fruit, druiven, perziken en peren, bessen, aardbeien
enz., en asperges op de zandgronden te 's-Gravenzande. 't Is in de
tuinen een druk leven van onvermoeiden arbeid gedurende het seizoen,
om de produkten tijdig gereed te hebben voor de markt en ze en te
verpakken voor het buitenland. Bij het eerste morgengrauwen is in de
Westlandsche tuinen de tuinder al aan den arbeid, om te poten en te
planten, te besproeien en te verzorgen. "Vroeg!" is het wachtwoord der
tuinlieden; elke week, die zij hun concurrenten vóór zijn, is goud
waard. En al had het conservatisme de Westlanders tot de jaren van
1870 verleid, alles bij het oude te laten, de concurrentie heeft hen
er toe gebracht, nieuwe methoden in te voeren en op wetenschappelijke
wijze het groeien en rijpen te bespoedigen, gelijk in België reeds
geschiedde. Groote, kunstmatig verwarmde druiven- en vruchtenkassen
zijn ook hier verrezen, waardoor het Westland in staat wordt gesteld,
schier in elken tijd des jaars versche vruchten te leveren.

Wie het Westland in zijn volle schoonheid wil zien, moet het in
bloeimaand gaan bezoeken. Dan ligt er een golvende sluier van wit en
rose en rood en groen door elkander gemengeld over het landschap. In
bloeimaand, als de bloesemrijkdom der duizenden vruchtboomen van
allerlei soorten over schuttingen en muren sneeuwt, om te wedijveren
met het eerste bladergroen, heeft het geheele Westland den bruidstooi
om de schouders geslagen, die het siert met stemmige, doch treffende
schoonheid.

De toon van het landschap in het Westland is eenvoudig. Groote buitens
en trotsche gebouwen vindt men hier nergens meer. Doch burgerlijke
welvaart spreekt uit de huizen der kweekers, in hun tuinen half onder
't loover der vruchtboomen verborgen; zij blijkt ook uit de woningen
der dorpen. Voor buitengewone weelde wordt in het Westland geen geld
of grond besteed; bosschen en siertuinen vindt men er zoo goed als
niet; elke voet gronds wordt geëxploiteerd voor het bedrijf, en elke
boom en plant heeft zijn direct nut voor de tuinen. De singels van
elzenhout langs de waterrijke slooten dienen niet, om het land door
bosschen afwisseling te schenken, maar ten einde de tuinprodukten te
beschutten tegen den wind; om die reden heeft men hier ook de muren
om de tuinen gebouwd, terwijl zij tevens strekken tot leiding van den
wingerd, welks vrucht daartegen gemakkelijk rijpt. Evenwel worden
in den laatsten tijd de muren door de betere methoden der kassen
vervangen, gelijk wij reeds opmerkten.

De dorpen van het Westland bieden niet veel belangrijks ter
bezichtiging aan; men bezoekt deze streek enkel om den indruk van het
landschap. Poeldijk, dat wij eerst bereiken, is een net, welvarend
tuindersdorp, in de lengte langs den weg gebouwd. Wateringen is gebouwd
langs de Wateringsche vaart, waarover vele trapbruggetjes gelegd zijn,
en heeft in de kom een met kastanjes beplant dorpsplein.

Ten westen van het dorp ligt een tuin, welke 't Hof genoemd wordt;
hier werd oudtijds het "Hof te Wateringen" gevonden, een adellijk
huis, dat in 1299 aan Gerrit van Wateringen behoorde, wiens zoon,
die denzelfden naam droeg, hier door Willem van Beieren werd
vermoord. Omstreeks 1282, of iets later, werden in den oorlog tegen
Vlaanderen de zonen van Margaretha, gravin van Vlaanderen, Guido
en Johannes, op dit slot gevangen gezet. Het slot werd echter in
1485 door Hendrik van Naaldwijk in een nonnenklooster veranderd, het
Maria-convent-in-Bethlehem, hetwelk in 1573 geheel is afgebrand. Daarna
werd hier een buitenplaats aangelegd, het Hof-te-Wateringen geheeten,
die in 1807 is gesloopt en in tuinland veranderd werd.

Van Wateringen loopt de weg meestal door tuinland naar Hondsholredijk,
thans slechts een buurt, niet ver van Naaldwijk. Dit gehucht was
vroeger aanzienlijker en heeft waarschijnlijk zijn opkomst te danken
aan het kasteel Hunsel, dat van zeer oude dagteekening moet geweest
zijn, en ouder was dan Naaldwijk. Het dorp had vroeger een eigen
parochiekerk, welker fraaie predikstoel tegenwoordig de kerk te
Wateringen versiert; thans heeft het sedert jaren zelf geen kerk meer.

Het oude kasteel Hunsel te Hondsholredijk was aanvankelijk een
bezitting der heeren van Hunsel; het behoorde in het begin der 14e
eeuw aan de heeren van Voorne en kwam in 1337 aan de heeren van
Naaldwijk. Frederik Hendrik kocht in 1612 het sterke, doch destijds
vervallen kasteel, liet het geheel verbouwen en tot een trotsche
buitenplaats met fraaie tuinen aanleggen. Op de grondslagen van het
oude kasteel gesticht, verhief het gebouw zich van alle zijden uit
grachten, met een vierkant ommuurd voorplein aan den voorkant. In
het midden van den voorgevel vond men den ingang, die door eenige
trappen te bereiken was, een bordes met een balkon, op zes pilaren
rustend. Fraaie lustwaranden, een ruime wild-, boom- en vogelgaarde
en een oranjerie behoorden tot het huis, dat verder omringd was door
schoone bosschen van opgaand hout.

In 1732 kwam het slot uit de nalatenschap van Prins Willem III,
den Koning van Engeland, aan Frederik I, Koning van Pruisen, doch
onder diens opvolger werd het gedeeltelijk gesloopt. Toen in 1754
deze bezitting aan Prins Willem V kwam, werd het gebouw vernieuwd en
verfraaid, hoewel de Prins er gedurende zijn laatste regeeringsjaren
zelden vertoefde. De omwenteling van 1795 beroofde het huis van zijn
luister, en het werd tot nationaal eigendom verklaard. In 1798 moest
het zelfs tot een staatsgevangenis voor afgezette regeeringsleden
dienen.

Afwisselend was vervolgens de bestemming van het vroeger aanzienlijk
gebouw. In 1794 werd het tot een militair hospitaal voor de
Engelsch-Russische krijgsgevangenen ingericht, waarvan er velen, in
plaats van verzorging, daar hun graf vonden. In 1806 werd hier een
kweekschool voor kadetten gevestigd; in 1811 werd het nogmaals een
hospitaal; Napoleon I schonk het buiten vervolgens aan zijn nicht
Borghese, doch in 1814, bij de herstelling der onafhankelijkheid,
kwam het aan de domeinen en werd het voor afbraak verkocht.

Van het kasteel is thans niets meer te vinden. De huizingen, welke er
toe behoord hebben, zijn voor een gedeelte ingericht tot particuliere
woningen, die slechts door enkele sporen verraden, dat zij eens van een
groote bezitting deel hebben uitgemaakt. Van de vroeger uitgestrekte
bosschen is thans niets meer aanwezig; de lustgaarden zijn in bouw-
en tuinlanden veranderd.

In zijn bloeitijd werd Hondsholredijk "Klein-Versailles"
genoemd. Frederik Hendrik vertoefde hier gaarne en Prins Willem III
werd zoowel hier als in Den Haag opgevoed. Dikwijls werd dit slot door
aanzienlijken en prinsen bezocht. Vertrokken de prinsen en prinsessen
of vreemde vorsten naar Engeland, dan wachtten zij op Hondsholredijk
een gunstigen wind af, en keerden zij terug, dan was dit de eerste
plaats, waar zij van de vermoeienissen der reis uitrustten. Koning
Willem III werd hier, toen hij in 1691 uit Engeland Holland bezocht,
door de Staten plechtig ontvangen. Van Someren noemde in zijn tijd
het kasteel "het stamhuis van 't edelst, dat Nederland bezat". Men
vond nl. langs de wanden de portretten der vorsten en vorstinnen van
Oranje en der meeste, aan dit huis verbonden geslachten.



Een aangename straat voert langs vriendelijke huizen en tuinen,
die als kleine villa's den weg omzoomen, naar het dorp Naaldwijk,
ongetwijfeld het fraaiste dorp uit het Westland. Naaldwijk heeft geheel
het voorkomen van een klein landstadje, omgord door een liefelijke
landouw, die ook in vroeger eeuwen beroemd was.


    "O, schoone landstreek! o, gezonde, vette grond!
    Hier groeit het welig ooft vanzelf ons in den mond;
    Het Oosten roem' vrij op zijn geurige ananassen,
    Het Westen op citroen en andre boomgewassen,
    Wij roemen op de peer- en pruimvrucht met vermaak,
    Op aalbes, rood en wit en zwart, wier zuivre smaak
    De vreemdelingen zelfs tot eetlust kan bekoren",


aldus rijmelt de Arcadia-dichter Claes Bruin over den rijkdom van deze
streek, waarbij hij bijna uit zijn plooi van gelijkmatige bewondering
geraakte. Voor den Arcadiadichter is het Westland ook als geschapen;
de zoete en teedere, maar niet verheven poëzie, als ze zoo kan heeten,
draagt den stempel van dit landschap.

De kom van het dorp wordt gevormd door een ruim marktplein,
met linden en iepen beplant; in het midden staat een hardsteenen
pomp, gekroond door een leeuw, die het wapenschild in zijn klauwen
geklemd houdt. Aan dit plein staat het raadhuis met zijn sierlijken,
oud-Hollandschen gevel, welke het jaartal 1688 draagt, doch van ouder
dagteekening is. Hier vindt men ook de Hervormde Kerk, een kruisgebouw
met laat-Gothische ramen en een vrij hoogen, zwaren, vierkanten toren
met stompe spits. De kerk verrijst op het hooge kerkhof, een vlakken
heuvel, met zware iepen beplant, die het kerkgebouw omringen, terwijl
het geheel door huizenrijen wordt ingesloten. Een ooievaarspaar heeft
zijn woning gebouwd op het dak der kerk, als om het heiligdom onder
zijn beschermende vleugelen te nemen.

Naaldwijk is van zeer oude dagteekening. Hoewel de tijd van het
ontstaan der plaats niet bekend is, wordt het in 1156 reeds genoemd en
in het jaar 1193 wordt gesproken van het dorp Naltwic bij den aanvang
der Liora, een watertje, dat in de Maas mondde [8]. Verschillende
oudheden, welke opgegraven zijn, wijzen er op, dat de Romeinen hier
verblijf hebben gehad.

Naaldwijk werd een heerlijkheid, die in de middeleeuwen aan de heeren
van Naaldwijk behoorde, een overoud en aanzienlijk geslacht, volgens
enkelen van koninklijken bloede. De heeren van Naaldwijk voerden
den erfelijken titel van Maarschalk van Holland, en verscheidenen
hunner zijn in de geschiedenis bekend. In 1612 kwam de heerlijkheid
aan Frederik Hendrik, later aan den koning van Pruisen, vervolgens
in 1754 weder aan den Prins van Oranje tot de omwenteling in 1795.

Belangrijke gebeurtenissen heeft het dorp niet doorleefd. Wij verlaten
het thans en wenden ons langs den grintweg, die door tuinlanden loopt,
naar 's-Gravenzande.

's-Gravenzande bestaat in hoofdzaak uit een lange, breede straat,
in het breedste deel met twee rijen iepen en twee rijen linden,
en verder met een dubbele rij boomen beplant, terwijl in het midden
van het dorp een breed schaduwrijk plein gevonden wordt. Het dorp
heeft een net, kleinburgerlijk uiterlijk, zonder dat iets aan zijn
aanzienlijke en oude afkomst herinnert.

Toch is 's-Gravenzande reeds zeer oud; zelfs vormde het in vroegere
eeuwen een deftige, ommuurde stad, voorzien van een haven, die met de
Maas in verbinding stond. Wij mogen hierbij niet vergeten, dat de Maas
oudtijds noordelijker liep, zooals blijkt uit den ouden Noordlandschen
dijk, welke den Maasdijk vormde tot het begin der dertiende eeuw, doch
die door lateren aanwas midden in het land kwam te liggen. De haven
is sedert lang dicht geslibd en ook de muren zijn verdwenen. Maar
toch werd 's-Gravenzande als vlek in de 18e eeuw in rang nog boven
Maassluis gesteld.

Te 's-Gravenzande is eenmaal het hof der Graven van Holland gevestigd
geweest, vóór dit naar Den Haag werd verplaatst. Onderscheidene oude
stukken werden hier geteekend; in een brief van 1266, van gravinne
Machteld, weduwe van Graaf Floris IV, wordt uitdrukkelijk van het
hof en de kapelle te 's-Gravenzande gesproken, die toen nog in wezen
waren. Welke graaf het hof gesticht heeft, is onbekend; evenmin is het
een zeker feit, zooals enkelen beweren, dat hier de verblijfplaats der
graven van het graafschap Maasland geweest is. Ook is niet bekend,
wanneer het hof teniet gegaan is; niet onwaarschijnlijk valt dit in
den tijd van den twist tusschen Jacoba van Beieren en haar oom, Jan
van Beieren, toen die van Brielle uit omstreeks 1418, 's-Gravenzande
tot den grond liet afbranden. Maar al is er niets meer van het oude
hof aanwezig, de Hoflaan, de Koningsstraat en Gravenhoek herinneren
door hun namen nog aan het grafelijke hof.

In zijn bloeitijd was 's-Gravenzande door schoone buitenverblijven
omringd. De vroegere buitens Sandeveld, Vlugtenburg, Stellendijk,
Wildhof, Zuidwind, Alsemgeest, Arendsduin en Oostduin (vroeger
Vredenburch) zijn alle in tuinlanden veranderd; alleen de namen van
enkele zijn nog overgebleven voor boerderijen en tuingronden.

Van 's-Gravenzande wenden wij ons naar Monster, een burgerlijk
welvarend dorp, eenigszins stadachtig gebouwd rondom het hooge
plein, waarop de oude Gothische kerk staat met haar zwaren, hoogen
toren, terwijl van dit middelpunt eenige nieuwere straten zich naar
verschillende richtingen straalvormig uitstrekken, met tuinen er
tusschen en het geheel door tuinland omringd. Monster is een plaats van
oude dagteekening; reeds in 1006 wordt het als Masemunster genoemd. De
naam dankt zijn oorsprong zeker aan de parochiekerk, vanouds "Munster",
d. i. Monasterium, genoemd.

De kerk, thans in gebruik bij de Hervormden, is zeer oud, hoewel het
jaar harer stichting niet bekend is. Vóór de Hervorming was zij aan
den heiligen Machutus gewijd en reliquieën van dien heilige werden er
in bewaard, die zeer druk bezocht werden. Aan deze toch schreef men
een genezende kracht tegen vallende ziekte toe. De kerktoren is een
zwaar, vierkant gevaarte, dat men ver in den omtrek ziet uitsteken
boven het geboomte op het kerkplein.

De kerk is in 1901 door brand vernield, waardoor niets meer dan
de muren van kerk en toren bleven staan. In zekeren zin is dit een
voordeel te achten, omdat de bij een vroegere restauratie in 1862
verknoeide kerk thans weder in haar oorspronkelijke vormen hersteld
is, zoodat zij met haar kleine ruiten en volgehouden stijl een sieraad
der Gothische bouwkunst uitmaakt. De herstelling van den toren is op
dit oogenblik nog niet voltooid.

Ten westen van Monster ligt aan de zee Ter-Heide, een klein
visschersdorp zonder eigen vloot, welks lage, eenvoudige en armoedige
huizen ordeloos verstrooid liggen in het zwak ontwikkeld duin, dat
aan de zee geen voldoenden weerstand meer biedt en door een dijk met
strandhoofden gesteund wordt in zijn taak, om het land tegen de zee
te beschermen. Het dorp is vroeger veel grooter geweest, maar werd
langzamerhand door den afslag der zee verkleind; de kerk van het dorp
moest ook herhaaldelijk landwaarts verplaatst worden. Het was in het
gezicht van dit dorp, dat op 10 Aug. 1653 Maarten Harpertsz. Tromp
den Engelschen een gevoelige nederlaag toebracht, maar zelf, door
een musketkogel in de borst getroffen, dood nederviel.

De bevolking van het Westland werd geheel gewijzigd door invloeden
van buiten. In bijna alle Westlandsche dorpen is het landseigene
ondergegaan en wordt in de kleeding de dracht der steden van verre
nagevolgd; het haar wordt door de meisjes in hoofdzaak op steedsche
wijze gekapt. Slechts enkele overblijfselen der oude kleeding vindt
men nog bij oude of bejaarde vrouwen. De oorijzers met boeken aan
de zijden van het hoofd, gelijk die ten zuiden van den Ouden-Rijn
meestal voorkomen, vroeger te 's-Gravenzande en zeker in de andere
dorpen gedragen, zijn verdwenen. De eenvoudige burgervrouwen ziet
men nog met de "mopmutsen," aan beide kanten opgeslagen, gelijk in
de meeste dorpen in het hart van Zuid-Holland.




III. LANGS DEN HOLLANDSCHEN IJSEL.


I. VAN DEN IJSELMOND NAAR GOUDA.


Wij willen thans een tochtje maken langs een oude rivier-grootheid, die
in het verre verleden zeker hoog in aanzien stond, maar sedert eeuwen
in verval is geraakt, en niet meer dan slechts enkele der laatste
overblijfselen vertoont van haar vroegere macht en beteekenis. Wij
bedoelen het water, dat men als "Hollandschen IJsel" aanduidt.

Van Rotterdam vangen wij onze reis aan. De weg loopt door den
Kralingschen polder en eenige andere polders, niet ver van den hoogen
ringdijk om den Alexanderpolder.

Kapelle-aan-den-IJsel ligt op een afstand van eenige minuten,
zoodat wij even een kijkje zullen nemen in dit langs den IJsel
gebouwde plaatsje en van den hoogen dijk een blik werpen op de
kronkelende rivier, welke in haar uiterlijk hier nog iets van haar
grootsch verleden bewaard heeft. Deze nederzetting, een echt dijkdorp
met eenige industrie, gelijk die zich langs den open IJsel op meer
punten gevestigd heeft, trekt weinig onze aandacht. Wij volgen weder
den hoofdweg, en als wij eindelijk Nieuwerkerk-aan-den-IJsel op een
kwartier afstands aan onze linkerhand zien opdoemen, hebben wij den
IJseldijk weder bereikt, dien wij verder zullen volgen. Genoemd dorp
ligt op de grens van den Prins-Alexander- en den Zuidplas-polder,
twee der grootste droogmakerijen, waarvan de eerste in 1839, de
laatste in 1874 is drooggelegd.

Een groote verandering heeft dit land door menschenhanden in de
laatste eeuwen ondergaan. Het lage terrein tusschen den IJsel en
de Gouwe in 't O. en de lijn Delfshaven, Delft, Den Haag, Leiden
in 't W., dat in de eerste eeuwen onzer jaartelling een moerassig
laagveenland vormde, met gras, riet en andere waterplanten begroeid,
terwijl wilgen en elzenstruiken in woeste wanorde zoo hier en daar
tot bosschage opschoten, en waardoor de Rotte als een onregelmatig
veenwater naar de Maas slingerde, was in de tien eerste eeuwen onzer
jaartelling nog zeer schaars bewoond.

Langzamerhand trokken de veehouders dit land binnen; zij vestigden
zich op de gunstigst gelegen plekken aan enkele wegen en wateren, en
er ontstonden aldus dorpen van veeboeren. Maar aangezien dit gewest
weldra door een kring van nijvere, welvarende steden werd omringd,
deed de behoefte aan brandstof, zoowel voor huiselijk gebruik als voor
de vele fabrieken, de laagvenen aantasten en ging men, door tijdelijk
voordeel gelokt, er toe over, het land te verturven. Zoo ontstond
hier gedurende de middeleeuwen in de veenlanddorpen de turfmakerij
op groote schaal, die een ernstige verwoesting des lands ten gevolge
had. Ook in de volgende eeuwen werd dat proces voortgezet en aldus
werd langzamerhand het land met plassen overdekt, slechts hier en
daar door met elzenhout beplante landribben afgebroken, die volgens
wettelijke verordeningen onaangeroerd moesten blijven, om het ontstaan
van te groote waterplassen te voorkomen. Het land kwam gedeeltelijk
weder in denzelfden toestand als het geweest was gedurende de eerste
tijden na het ontstaan van het diluvium.

Bijna het geheele land tusschen de kleizoomen van den Ouden-Rijn en de
Nieuwe Maas vormt een dergelijke uitgeveende landstreek. Wanneer het
uitvenen in eenig gedeelte was afgeloopen, werd het uitgeveende land
veelal weder drooggemaakt. Wettelijke verordeningen op de vervening
bevorderden dit niet zelden. En dan zag men uit de troosteloos woeste
wateren, in riet, lisch en struiken verloren, waar het waterwild en
de visschen een paradijs hadden, vruchtbare polders te voorschijn
komen. Uit een groot aantal van zulke bijna aan elkander sluitende en
van tijd tot tijd drooggelegde waterkommen der vroegere veenplassen
bestaat schier het geheele land [9]. Alleen de oude dorpen vindt men
meestal nog op de hoogte van den vroegeren veengrond gebouwd, terwijl
op korten afstand achter de dorpen in de tuinen der erven veelal
de bodem plotseling daalt tot den eigenlijken polder, en doet zien,
hoe hier vroeger het land werd weggegraven. Ook de oude landwateren,
o.a. de Rotte, zijn in hun vroegere bedding gebleven en worden omringd
door strooken van de oorspronkelijke terreinen, veelal nog met dijken
verhoogd, zoodat zij als hooge waterleidingen aanzienlijk boven het
land loopen.

De overgang van den veenplas tot de drooglegging, die niet zelden vele
jaren duurt, was altijd de treurigste tijd voor een veenland. Dan zag
het er woest en somber uit in de half verlaten dorpen, waar slechts
enkele oude veenarbeiders waren achtergebleven, die door hun arbeid
hun bron van bestaan hadden vernield en niet meer in staat waren, zich
elders te vestigen. Eerst nadat de molens het water weder over de nieuw
aangelegde dijken in de boezems hadden gebracht en deze het afvoerden
naar buiten, en de ongelijke, ruwe bodem van den drooggelegden plas
was geëffend, hier en daar het overgebleven veen nog was verturfd en de
landbouwers weder bezit hadden genomen van den eens verwoesten grond,
bloeiden de dorpen weder op en ontstonden er nieuwe nederzettingen. Dit
is in hoofdtrekken de geschiedenis van al deze plaatsen.

Zoo was ook het dorp Nieuwerkerk vroeger een kleine plaats van
veenlieden, die gaarne door jagers en visschers bezocht werd,
wanneer zij op of in de wateren van den Zuidplas of den Alexanderplas
het waterwild of de water bewoners wilden verschalken. Doch na de
droogmaking was dit uit, en kwam het dorp door den landbouw tot
nieuwen en hoogeren bloei.

Belangrijks biedt dit dorp voor ons niet aan, en evenmin willen wij ons
ophouden in de polders, die, hoewel met enkele liefelijke, bekoorlijke,
echt Hollandsche waterpartijen langs de boezems en tochten, toch over
't geheel niet van groote eentonigheid zijn vrij te pleiten. Wij
kiezen thans den IJseldijk tot onzen weg en passeeren het flinke,
nette dorp Moordrecht, grootendeels langs den hoogen dijk gebouwd,
gedeeltelijk daarachter in het lage land.

Uit de huizenreeks in de laagte verheft zich de oude kruiskerk met
haar spitsen toren. Al klinkt de naam van het dorp wat barbaarsch en
al heeft de volksetymologie, op den klank afgaande, er aan gedacht,
dat hij in betrekking zou staan met "moord", zelfs gemeend, hem in
verband te moeten brengen met de onthoofding of moord van Johannes
den Dooper, aan wien de kerk oorspronkelijk was toegewijd, terwijl
ook in het zegel van het dorp op soortgelijke gronden op "moord"
gezinspeeld werd, toch heeft de naam in werkelijkheid niets te maken
met dergelijke lugubere feiten. Hij luidde aanvankelijk "Moerdrecht",
o. a. in 1223 aldus genoemd, en staat in verband met een overtocht naar
de venen of moeren. De Hollandsche graven hadden hier een tolrecht,
misschien op den IJsel.



De door zware olmen beschaduwde weg loopt over den hoogen IJseldijk
naar Gouda. Het aangenaam gezicht


    "Van ons gezegend dorp: haar IJselzoete stroomen,
    Haar straat en wandeling van hoog opgaande boomen,
    Daar al de wereld rijdt met lust en met pleizier,
    Van allerhande volk, zelfs Moor en Arabier",


roemt Pieter Verbrugge in 1729 reeds, sprekende over dien weg,
welke een drukke verbindingslijn vormde van Rotterdam over Gouda en
Utrecht. Wij zien ook hier aan onzen voet den IJsel nog eenigszins
in zijn vroegere beteekenis als groote rivierarm. Tusschen de hooge
dijken aan beide oevers ligt de rivier te midden van zoomen aangeslibde
gronden, waar de klei wordt uitgegraven voor de steenbakkerijen. Van
de Maas dringt hier de vloed met elk getijde nog naar binnen, om
bij eb weder af te stroomen, zoodat het water, hetwelk wij er zien,
hoofdzakelijk Maaswater is. Tot Gouda is de IJsel eigenlijk een zijarm
van de Maas, en soort van spuiboezem.

In de eerste eeuwen onzer jaartelling was dit echter anders. Toen
vormde de IJsel een breeden tak van den Rijn, die beneden Vreeswijk
met de Lek in verbinding stond en waarschijnlijk door de afdamming
van den Krommen-Rijn bij Wijk-bij-Duurstede een groote hoeveelheid
water ontving, zoodat de oevers dikwijls overstroomden. Om die reden
misschien werd de IJsel in 1291 afgedamd aan het boveneind, waardoor
hij geen Lekwater meer ontving. Aan het benedeneind echter drong
van de Nieuwe Maas en Lek het vloedwater nog in den IJsel op; in het
bovengedeelte bezonken bij gemis van doorstrooming de slibdeelen hoe
langer hoe meer, vulden de riviergeul aan, en maakten van den eens
breeden rivierarm een vervallen water, echter met vette kleioevers
omzoomd, die de grondstof leverden voor de steen- en pannenbakkerijen.

Om nu den IJsel voor geheele opslibbing te bewaren en als vaarwater
nog te redden, werd besloten, hem te kanaliseeren en aan het andere
eind af te sluiten. Dit geschiedde in 1854-62, toen de sluis ten
oosten van Gouda gelegd is. Gouda ligt nu nog aan het open gedeelte
van den IJsel en kan in zekeren zin nog een zeestad heeten, zooals het
zich in vroeger eeuwen gaarne noemde. Maar verder langs den verlaten
rivierarm, waar in de oudheid een reeks van stedekens tot eenigen
bloei kwamen, als: Haastrecht, Oudewater, Montfoort en IJselstein, is
na het tenietgaan van den waterweg de verdere groei der nederzettingen
tot staan gekomen. De oude stadjes bleven onbelangrijke landplaatsen,
echter met herinneringen aan een meer bloeiend verleden.



II. GOUDA.


Zoo hebben wij het punt bereikt, waar thans de Gouwe, uit het noorden
komend, een gedeelte van Rijnlands boezemwater door sluizen en met
stoomgemaal op den IJsel loost en van tijd tot tijd hieruit ook water
tot verversching ontvangt. Als wij ons in gedachten naar het grijze
verleden verplaatsen, zien wij, dat op deze plek een open landwater
met veel kronkelingen uit de moerassige weiden te voorschijn kwam,
om vrij in den IJsel, toen nog een hoofdrivier, uit te monden. Op
het verbindingspunt van deze twee wateren, die een kruispunt van
verkeerswegen vormden, en te midden van een vruchtbare landouw,
had zich al vroeg eenige bevolking gevestigd en hier werd door een
machtig heer een slot gebouwd op de plek, zoo bij uitstek gunstig
gelegen, om er voordeelen te trekken van het handelsverkeer. Wat
er eerst geweest is, valt moeielijk te zeggen; waarschijnlijk de
nederzetting. Maar wij weten zeker, dat omstreeks 1350 hier door Graaf
Jan van Beaumont een kasteel gebouwd werd en dat er tollen van de
voorbijgaande schepen werden geheven. Zeer waarschijnlijk zal er ook
al vroeger een kasteel hebben gestaan. Het nieuwe slot werd echter in
1438 door brand grootendeels vernield, zoodat er weinig van overbleef.

De produkten der vruchtbare omstreken en de gunstige ligging voor het
scheepvaartverkeer, op de plaats waar de zeeschepen aankwamen en de
zeevaart in binnenvaart overging, deden de nederzetting aan de Gouwe
spoedig opkomen tot een handels- en industriestad, welke den naam "ter
Gouwe" of Gouda kreeg, en in 1272 stedelijke rechten verwierf. In 1356
was Gouda reeds beroemd door zijn markt in granen, die hier van de
Zeeuwsche eilanden gemakkelijk konden worden aangevoerd, terwijl ook
de weverijen en bierbrouwerijen destijds veel vertier gaven. Doch de
bronnen van bestaan en welvaart voor Gouda vloeiden zeer afwisselend en
onregelmatig. Toen in de 16e eeuw de bierbrouwerijen te gronde gingen,
kwam de tapijtweverij nog tijdelijk op, die eveneens weder verdrongen
werd. Alleen de bleekerij, welke eveneens in dien tijd opkwam, heeft
zich staande gehouden tot onzen tijd. De pijpenbakkerijen echter,
die het produkt leverden, dat naar deze stad zijn naam ontving, en in
1751 aan niet minder dan 3000 personen werk verschaften, zijn meest
alle verdwenen; de industrie van pijpen wordt nog staande gehouden,
maar meer als herinnering aan 't verleden.

Na het midden der 19e eeuw is hier weer nieuwe nijverheid
opgebloeid. De hooge schoorsteenen der stearinekaarsenfabriek aan den
IJsel, die ons het eerst in het oog vallen, alsmede die van eenige
andere fabrieken, leveren hiervan het bewijs. Het marktverkeer voor de
boeren is er nog levendig. Hoewel Gouda nog met het getijdenwater van
den IJsel in verbinding staat, is het door de scheepvaart allerminst
een zeestad meer. Gouda is een ernstige provinciestad geworden (22500
inw.), met nog vele trekken van het vroegere aanzien op het gelaat,
met nog teekenen van zijn deftige afkomst, zonder het verval van de
doode steden, maar ook evenmin met den bloei van zijn verleden. Er ligt
een stemmige, Hollandsche rust over Gouda, die meer behaagt dan drukt,
hoewel zij geenszins in den smaak valt van de zonen en dochteren der
twintigste eeuw.



Gouda was in de 16e en 17e eeuw een rijke stad, met levendigen
nijverheid en handel en een welvarende burgerij, zeiden wij. Hieraan
heeft Gouda zijn belangrijkste monumentale gebouwen te danken,
waarvan de Groote Kerk en het Stadhuis het meest beroemd zijn.

De oorspronkelijk ongeveer in een cirkel gebouwde stad, door de Gouwe
en onderscheidene grachten doorsneden, schier alle met rijen boomen
omzoomd, maakt in alle deelen een netten, vriendelijken indruk,
welvarend zonder buitengewone grootheid, flink burgerlijk, met tal
van schilderachtige uitzichten op enkele bruggetjes en straathoeken,
maar zonder veel particuliere gebouwen uit den tijd der Hollandsche
renaissance. De fraaiste straten vindt men langs de Gouwe en bovenal
aan de Haven.

Het hart van de stad wordt gevormd door het ruime, ongeveer driehoekige
marktplein, rondom ingesloten door flinke, burgerlijke huizen, meest
van neringdoenden. Midden op de Markt verrijst het Stadhuis, een
deftig gebouw met een vierkanten toren in het midden en achthoekige
hoektorentjes aan beide zijden van den voorgevel, alle eindigende in
slanke spitsen. Het Stadhuis is gebouwd in 1448-1450, maar onderging in
den loop der tijden vele veranderingen. Van 1876-1882 werd de voorgevel
weder geheel gerestaureerd in zijn oorspronkelijke gedaante, op grond
van oude teekeningen. Het uitbouwsel aan den achtergevel dagteekent
van 1697 en diende oorspronkelijk tot schavot; onder dit schavot was
vroeger de korenbeurs, doch thans de botermarkt, welke evenwel niet
levendig is, aangezien kaas het hoofdvoortbrengsel der streek vormt.

Achter het Stadhuis valt de Waag in het oog, een deftig, vierkant
gebouw, in 1668 gesticht en aan den voorgevel met beeldhouwwerk
versierd. Niet ver van de Waag verheft zich een modern gebouw, welks
gevelopschrift "Arti Legi" aanduidt, dat het aan kunst en wet is
gewijd. In dit gebouw vond men tot voor kort het Stedelijk Museum,
een stichting, die haar oorsprong dankt aan een tentoonstelling, in
1872 gehouden bij gelegenheid van het 600-jarig jubileum der stad,
doch dat thans naar de Haven is verplaatst. Het belangrijkste stuk
van het Museum is de prachtige miskelk, door Jacoba van Beieren,
waarschijnlijk naar aanleiding van haar overwinning aan de Gouwesluis
in 1425, aan de boogschutters van St. Joris geschonken en door wijlen
den heer J. N. Scheltema, destijds archivaris der stad en ook de
stichter van het Museum, onder oude papieren gevonden. Wij zullen niet
verwijlen in het Museum; wie het bezoekt, wordt ingelicht door den
catalogus, waarin o. a. een schutterstuk van Ferdinand Bol voorkomt,
en herinneringen aan de Goudsche pijpen-industrie.

Wij richten thans onze schreden naar de St. Janskerk, verscholen
achter de huizen, als had zij verstoppertje gespeeld en den weg niet
teruggevonden.

De St. Janskerk te Gouda schijnt te zijn gebouwd in den aanvang der
13e eeuw. Zij werd voor de eerste maal bij den grooten stadsbrand in
Mei 1361 verwoest. Nog in hetzelfde jaar kon door den krachtigen steun
van Jan van Bloys met den wederopbouw worden aangevangen, zoodat de
dienst, na de wijding in 1366, met zeven altaren werd hervat. De bouw
werd eerst na 1410 geheel voltooid.

Het duurde echter niet lang; den 25en Aug. 1438 werd de kerk met de
geheele stad wederom door brand vernield. De kerkbouw, aanvankelijk
tot het meest noodzakelijke beperkt, geschiedde gaandeweg op grooter
schaal, naarmate de Goudsche burgers tot welvaart terugkeerden. Dit
blijkt o. a. uit den bouw van het koor en zijn omgang, welke volgens
een inscriptie in 1485 gesticht werden.

Voor de derde maal werd de kerk den 12en Jan. 1552 tengevolge van
het inslaan van den bliksem door brand grootendeels verwoest, doch
terstond herbouwd. De kerk werd toen in den uiterlijken toestand
gebracht, waarin men haar tegenwoordig kent. Het koor had bij den
laatsten brand het minst geleden, zoodat dat gedeelte kan gerekend
worden nog geheel tot den vorigen bouw te behooren.

Gedurende en kort na den laatsten kerkbouw werd de kerk door de Staten
van Holland, verschillende steden en aanzienlijke personen verrijkt met
hetgeen, behalve haar prachtig orgel, haar doet uitmunten en beroemd
zijn: n.l. de geschilderde en gebrande glazen. Dirk Pietersz. Crabeth,
Dirk van Zijl en Wouter Crabeth waren de vermaarde schilders dezer
kunstwerken, die niet slechts in ons vaderland eenig zijn, maar door
hun coloriet en teekening tot de belangrijkste oude glasschilderingen
van geheel Europa moeten gerekend worden en hoedanigheden bezitten,
welke maar zelden door moderne glasschilders in hun geheel kunnen
worden bereikt.

Als gebouw is de tegenwoordige St. Janskerk in hoofdzaak merkwaardig
door haar afmetingen en nationaal karakter. Wat betreft haar
lengte is zij de grootste kerk van ons vaderland: 125 Meter lang; in
oppervlakte kunnen alleen de St. Janskerk in Den Bosch en de St. Bavo
te Haarlem met haar wedijveren. Haar bouwkunst is zuiver Hollandsch en
kenschetsend voor de laatste periode der middeleeuwsche bouwkunst. De
ruime en hooge schepen, die 3 en 5 M. breed nevens elkander opgaan,
zijn door ronde pijlers gescheiden. De weeke toestand van den bodem is
aanleiding geweest, dat men geen steengewelven ter overdekking heeft
aangebracht, maar zich tevreden moest stellen met een Hollandsche kap,
welke inwendig tonvormig is, oorspronkelijk van blank eikenhout.

Dit merkwaardig gebouw verkeerde in een slechten staat; door verrotting
werd noodzakelijk restauratie vereischt. Een commissie ving daarmede
in 1898 aan en met den steun van de Provincie, de Stad en particulieren
wordt thans de herstelling voortgezet.

De St. Janskerk bevat de overblijfselen van onderscheidene beroemde
mannen, die te Gouda geboren zijn of er verblijf hielden. In de
zoogenaamde IJzeren Kapel vindt men de graftombe van den staatsman
en geleerde Hieronymus van Beverningk, in 1614 te Gouda geboren,
een der vier staatslieden, die de Fransche Gezant d'Estrades voor
onomkoopbaar hield.

In het middelpand der kerk vindt men de grafzerk van Dirk
Volkertsz. Coornhert, den trouwen voorstander van godsdienstvrijheid,
overleden in Oct. 1590. Op den steen leest men het bekende grafschrift:


                NU RUST             NOG STIGT
                DIENS LUST          ZIJN DIGT-
                EN VREUGD           GESCHRIJF,
                WAS DEUGD           MAAR 'T LIJF,
                EN 'T WAAR,         HIER BLEEF 'T,
                HOE ZWAAR           GOD HEEFT
                'T OOK VIEL,        DE ZIEL.


Een gedenksteen aan den wand herinnert aan Mevrouw van Meerten
Schilperoort, de bekende schrijfster van vele kinderwerkjes, overleden
in 1853, door haar vereerders uit liefde geplaatst. De kinderdichter
Hieronymus van Alphen werd in 1746 te Gouda geboren.

Nog zouden wij onderscheidene mannen kunnen opnoemen, die, meer of
minder beroemd, in deze kerk begraven zijn of binnen Gouda's muren
het eerste levenslicht zagen.

Wij willen hierbij echter niet verder stilstaan, doch wenden ons
enkel naar het plantsoen, waar, niet ver van den IJsel, in 1880
een eenvoudig monument werd opgericht ter eere van de gebroeders de
Houtman, in Gouda geboren, de eerste Nederlanders, die den zeeweg naar
Indië volgden en den grond legden voor den Nederlandschen handel. In
de nabijheid verrijst het stoomgemaal van Rijnland, en naar den IJsel
ziende, aan de rechterhand vóór ons, verheft zich op een hoogte een
windmolen. Deze molen heet het Slot; de naam en de ligging op een
heuveltje wijzen ons de plek aan, waar het eenmaal beroemde Goudsche
kasteel zijn tinnen verhief. Na den genoemden brand van 1438 was
het kasteel grootendeels vernield; in 1577 werd het overige door de
burgerij verwoest, een enkelen zwaren toren uitgezonderd, die in de
eerste helft der negentiende eeuw werd gesloopt.

Wij mogen niet langer vertoeven in "ter Gouw"' en evenmin ons in haar
geschiedenis verdiepen, maar wenden ons weder naar buiten. Al zijn
de omstreken van Gouda niet grootsch of rijk aan afwisseling, toch
vertoonen de IJsel en het landschap veel punten met echt Hollandsch
schoon.

De onafzienbare, effene graslanden rondom Gouda, frisch van kleur,
waarop de boerenwoningen verstrooid staan, terwijl reeksen knotwilgen
of rietzoomen de slooten en plassen aanduiden, zij wijzen ons de bron
aan, waaruit de heerlijke Goudsche zuivel vloeit. De bodem rondom Gouda
is laagveenland. Ten noordoosten van de stad, even over den spoorweg,
ligt een groep veenplassen, door enkele wegen met onregelmatige
landstrooken doorsneden en met rietzoden omringd. Aan een dier wegen
verrijzen de kleine huizen van het dorp Sluipwijk. Hier ziet men de
landverwoesting nog voor zich, zooals die gedurende eenige eeuwen
in Holland plaats vond. Somber is de indruk dier plassen; als de
najaarsstormen het donkere water in zwartgrijze golven opzweepen en
onder dof gedruisch met het dorre riet spelen, dat de kanten omzoomt,
vormen zij echte toonbeelden van verlatenheid.




II. NAAR WADDINGSVEEN EN BOSKOOP.


Een klein uitstapje maken wij thans langs de Gouwe naar Boskoop.

In vele bochten slingert zich de Gouwe, als een afgeleefde
grijsaard met trage beweging voortkruipend, van den Ouden-Rijn
naar den Hollandschen IJsel, een verbinding tusschen beide wateren
vormend. Zij loopt als hoog boven het land, doch de dijken, die het
water begrenzen, houden haar gemakkelijk in toom. Of de Gouwe, thans
een aan alle zijden geketend polderwater, eens een rivier was?

In den aanvang der historie was de Gouwe zeker een natuurlijk
landwatertje, dat door het drassige land kronkelde, evenals de
Rotte en het water, waaruit de Schie is gevormd, evenals de Amstel
en het Spaarne. Doch hoe is dit veranderd in den loop der eeuwen
en hoe verschillend werd de beteekenis dier stroompjes! De Schie is
reeds door Corbulo vergraven; het Spaarne en de Amstel werden druk
bevaren binnenwateren. De Rotte echter, hoewel de aanleiding tot het
ontstaan van Neêrlands tweede handelsstad, is niet alleen een stil,
kalm watertje gebleven, maar ook rustig, bijna niet bewogen dan
door den adem des winds, en slechts enkele schuitjes dragend. Geen
stoomboot verstoort er de plechtige stilte der natuur, en het riet
langs de oeverzoomen fluistert in geheimzinnig suizen zijn zachte
melodij. Zeldzaam zijn zelfs de boerderijen aan de oevers der Rotte;
slechts door één gehucht stroomt haar water.

De Gouwe daarentegen is kunstmatig in de lijnen van het handelsverkeer
getrokken. Amsterdam en Gouda in de eerste plaats en verder ook
Rotterdam hadden er belang bij, dit landwater tot een deel van den
scheepvaartweg te maken tusschen het IJ en de Maas.

Onrustig plassen de stoombooten schier dag en nacht door de Gouwe,
de watervlakte met hunne schroeven tot regelmatige golven opdrijvend,
welke onophoudelijk tegen de oevers slaan, die daarom goed versterkt
moeten worden. Wel heeft men van het Merwedekanaal een concurrent
gemaakt, die het verkeer op de Gouwe veel benadeelt, maar toch blijft
de scheepvaart er nog altijd levendig.

Door dit drukke verkeer gedurende eeuwen, heeft de bevolking zich ook
aan de Gouwe gevestigd. Aan beide zijden ziet men woonhuizen langs haar
oevers verrijzen, en een tweetal dorpen hebben zich daar ontwikkeld:
Waddingsveen en Boskoop.

Allereerst bereiken wij Waddingsveen, gedeeltelijk als een flink dorp
in de lengte langs de Gouwe gebouwd, gedeeltelijk op eenigen afstand
daarvan aan een landweg in den polder Noord-Waddingsveen. Het eerste
gedeelte heeft meer industrie; in het laatste vindt men meest landbouw
en veeteelt. De zeer eenvoudige bevolking staat bekend als stijf en
conservatief. Vroeger zag men hier talrijke windpapiermolens werken,
waarvan er eenige jaren geleden nog slechts één was overgebleven,
terwijl er thans een stoompapiermolen arbeidt. Verder is hier
eigenaardig de fabrikatie van allerlei klein houtwerk: hooiharken,
trappen, tafeltjes, deurkrukken, spiegeltjes voor de marine, knoppen
voor gordijnen, kinderspeelgoed, hobbelpaarden, enz. In den laatsten
tijd is men hier ook met de boomkweekerij begonnen.

Als wij over Noord-Waddingsveen den landweg volgen, langs tal van
flinke boerenhuizen, welke door hun eigenaardige namen als "Graan voor
visch", "Spruytdam", "Land van Water" en dergelijke ons wijzen op
het lage of ingepolderde land, bereiken wij weldra het eigenaardige
gebied van Boskoop, een boschrijke oase in het eentonige grasland,
dat overigens enkel door slooten en knotwilgen wordt afgebroken. Het
dorp zelf strekt zich uit aan de oevers van de Gouwe, hier veel te
smal voor de scheepvaart. De kleine, vriendelijke huisjes zijn aan
beide zijden op korten afstand van elkander langs het water gebouwd,
en in hoofdzaak evenwijdig met dit water strekt zich de lange, met
kastanjes beplante straat uit, waarlangs het aanzienlijkste gedeelte
van het dorp gebouwd is. 't Is een smalle straat, aan den eenen kant
meestal door kleinburgerlijke huizen bezet, welker kleine tuintjes
aan de Gouwe grenzen, en aan den anderen kant met een sloot, die de
grootere kweekerijen van Boskoop afsluit.

Als wij Boskoop in vogelvlucht konden bekijken, zouden wij het dorp
aan alle zijden omlijst zien door een schier aaneensluitend veld
van heesters, jonge boomen, bloemen en planten van allerlei grootte
en kleuren, door breede, rechte slooten, met helder water en door
houtwallen omzoomd, in regelmatige vierkanten gesneden.

De tuinen in Boskoop vormen langwerpige, evenwijdige strooken, welke op
de smalle dorpswegen uitkomen en door planken, over de slooten gelegd,
hier en daar door draaibrugjes, van den weg te bereiken zijn. Een aldus
ingesloten strook behoort dikwijls aan onderscheidene kweekers, wier
terreinen slechts door naambordjes van elkander gescheiden zijn. Dit
is bovenal het geval met het klein-grondbezit der opkomende tuinders,
de kleine bazen, die nog half knechts zijn, half eigen zaken drijven,
en het opkomend geslacht van zelfstandige ondernemers vormen, zooals
men dat hier vindt, gelijk op geen andere plaats. De slooten, welke
de tuinen omringen, dienen gedeeltelijk tot bewatering; ook kan men
langs deze elk gedeelte der tuinen gemakkelijk met een schuitje, hier
"schouw" genoemd, bereiken. Enkele tuinen zijn nog omringd door hagen
van licht hout, welke hoofdzakelijk dienen, om de kracht van den wind
te verzwakken. Want de wind is de grootste vijand der teedere planten,
die hier gecultiveerd worden.

Zoo is geheel Boskoop schier één plantengaarde, met slechts enkele
weilanden er tusschen. De Boskoopers zijn een ondernemend volk, zij
hebben acht geslagen op den loop der tijden en vol helder inzicht hun
bakens verzet, waar dit noodig was. Hierdoor is de ooftboomkweekerij
en de teelt van aardbeziën in Boskoop hoe langer hoe meer door de
cultuur van sierheesters en bloemen vervangen.

Hier ziet gij keurig verzorgde tuinen, waar in lange rijen of in met
zorg aangelegde bedden en kassen de nieuwst verkregen verscheidenheden
van Azalea's, Rozen, Coniferen en andere boomen of heesters in
allerlei stadiën van ontwikkeling gevonden worden, planten, die over
enkele jaren in de parken en tuinen van Groot-Britannië, Rusland,
Duitschland en Amerika zullen prijken.

De Boskoopers zijn door hun uitgebreiden handel echte wereldburgers
geworden, democratisch in hun opvatting. Toen wij een bezoek aan deze
plaats brachten en de groote gastvrijheid van een der eerste kweekers
genoten, zaten wij aan tafel in gezelschap van den zoon des huizes,
die met zijn jeugdige echtgenoote, een Française, welke hij in Amerika
had leeren kennen, juist van een reis voor zaken uit de nieuwe wereld
was teruggekeerd.

Boskoop is een der plaatsen, waar het grootkapitaal nog niet
overheerscht in de bedrijven, waar de kweekersknecht niet zelden
tegelijkertijd zelf grond huurt voor een kweekerij en zoo op kleine
schaal begint, om wellicht tot een welgesteld ingezetene op te klimmen.




III. NAAR HAASTRECHT, OUDEWATER, MONTFOORT EN IJSELSTEIN.


Thans volgen wij van Gouda den hoogen zuidelijken IJseldijk naar
Haastrecht en verder naar Oudewater. Een smal, stumperig watertje is
hier de IJsel, tusschen de aangeslibde landen binnen de hooge dijken
ingekrompen tot een kanaaltje, dat alleen door zijn bochten en thans
nuttelooze hooge dijken nog aanwijst, van hooge komaf te zijn. Een
vervallen grootheid van adellijken huize, gesteund en onderhouden
door burgerlijke hulp, en alleen nog trotsch op den stamboom, in
't grijs verleden wortelend, op de familiebetrekkingen, die hem niet
meer erkennen en vergeten ... dat is de IJsel in onzen tijd.

Even vóór Haastrecht bereikt is, zal den wandelaar langs den vrij
eentonigen noorder IJseldijk op korten afstand daarvan een nieuw
boerenhuis van eigenaardigen bouw in het oog vallen. Dat is het
"Klooster te Stein", en hoewel sedert lang geen klooster meer, staat
het toch nog onder dien naam bekend. Voor enkele jaren is dat gebouw
met veel smaak in antieken stijl gerestaureerd. Eens verhief zich
op deze plek het Regulierenklooster Emmaus, waar Erasmus door het
vleien en dreigen zijner vrienden het geestelijk gewaad aannam. Dat
klooster brandde in 1549 tot den grond toe af en werd in een hofstede
veranderd. De overlevering meldde, dat hier de kinderstoel van Erasmus
bewaard werd, en om dien te zien, werd het huis veel bezocht.

Het dorp Haastrecht, met villa's aan den IJsel en vele nette huizen,
maakt een vriendelijken indruk. Vroeger was Haastrecht aanzienlijker
en bedrijviger dan thans; het moet zelfs volgens H. Junius een stadje
geweest zijn met twee kloosters en drie kasteelen. Ook bloeiden er
de kaashandel, hennephandel en de leerlooierijen, die thans zijn
vervallen. Het raadhuis met zijn hooge stoep, dagteekent van 1618.

Wie een typisch plekje polderland wenscht te zien, wandele over
Haastrecht een eindweegs naar het zuiden langs de Vlist, een kronkelend
water, dat van Schoonhoven tot den IJsel loopt. De Vlist is een boezem,
waarop het water uit de omringende polders wordt afgemalen. Dewijl
het water in den Vlistboezem niet hoog genoeg is opgevoerd, om af te
loopen, wordt het uit de Vlist bij Haastrecht door een 7-tal molens
nog hooger opgemalen naar den "hoogen boezem", een omkaad stuk land,
gedeeltelijk met riet begroeid, en van hier kan het eerst afloopen op
den IJsel. Bijgaande plaat geeft een afbeelding van dat molenlandschap.

Voorbij Haastrecht blijft het landschap geheel hetzelfde; reeksen
van boerenhofsteden liggen langs de beide IJseldijken in de schoone
graslanden. Aan den noordkant van den IJsel ligt Goe-Jan-Verwellesluis,
een eenvoudige buurtschap aan de sluis, die de Dubbele Wierikke met
den IJsel verbindt. Hier was het, dat Prinses Wilhelmina, de gade
van den Erfstadhouder, in Juni 1787 door de Commissie van Defensie
werd tegengehouden, toen zij, om aan de zaken van haar gemaal een
gunstiger keer te geven, Nijmegen, waar destijds de Stadhouder
tijdelijk verblijf hield, verliet en naar Den Haag wilde gaan. Na
eerst in een boerenhuis gebracht te zijn, geleidde men de Prinses
naar Schoonhoven, om daar den nacht door te brengen. Het is bekend,
dat de Staten van Holland deze daad goedkeurden en dat de prinses,
van Schoonhoven naar Leerdam vertrokken, daar het bericht ontving,
waardoor zij genoodzaakt werd, zich naar Nijmegen terug te begeven.



Nog een korten tocht over den IJseldijk en wij staan voor het stedeke
Oudewater, met ongeveer 2650 inwoners, dat door den IJsel wordt
doorsneden. Oudewater ligt op de plek, waar de Linschoten met den IJsel
is verbonden, aan de grens van Zuid-Holland en Utrecht; omstreeks de
13e eeuw behoorde het tot Utrecht. In 1265 schonk Bisschop Hendrik
van Vianden aan Oudewater stedelijke rechten, doch kort daarop, in
1280, verpandde Bisschop Jan van Nassau de stad aan zijn neef Floris
V. Daar deze verpanding nooit werd afgelost, is Oudewater sedert aan
Holland gebleven, al was de stad nog herhaaldelijk het slachtoffer
van den strijd tusschen de bisschoppen en de graven. In 1346 verkreeg
Oudewater het voorrecht, nooit van de grafelijkheid te mogen worden
gescheiden, een privilegie, dat in 1404 door Graaf Willem IV werd
bevestigd. Door zijn ligging aan de grens werd Oudewater als een der
sleutels van Holland beschouwd en goed versterkt.

De stad kwam hoofdzakelijk op als marktplaatsje voor den omtrek,
en in verhouding tot zijn gering aantal bewoners is het nog altijd
een druk bezocht stadje, dat winkelnering heeft uren in den omtrek en
een levendigen kaashandel. De kooplieden te Oudewater koopen veel op
de markten te Bodegraven, Gouda en Woerden, alsmede bij de boeren aan
huis; de kaasmarkt te Oudewater zelf heeft geen groote beteekenis. Toch
wordt de weekmarkt er druk bezocht.

Oudewater vertoont in zijn gevels en woningbouw nog onderscheidene
overblijfselen uit den bloeitijd der zelfstandige, Hollandsche
bouwkunst. Schilderachtig kronkelt de IJsel door de stad, welke voor
een gedeelte met bogen overmetseld is tot marktplein, aan den eenen
kant de straat omzoomd met linden langs het water, terwijl aan de
andere zijde de huizen uit de gracht zijn opgebouwd. Een prachtige
oude gevel vertoont nog het kaaspakhuis tegenover de Waag, met het
jaartal 1611.

De Waag staat aan de markt en is volgens het jaartal in 1595
gebouwd. Die eenvoudige, witte, spitse gevel zou, als hij spreken kon,
ons veel hebben te vertellen en een stuk beschavingsgeschiedenis
blootleggen, waarover wij thans de schouders ophalen. Want in dit
gebouw werd vroeger de befaamde heksenwaag gevonden, waar met de
weegschaal en gewichten werd uitgemaakt, of iemand in staat was,
op bezemstelen of een gezalfd stokje door de lucht te vliegen. Het
was een poging, om door exact onderzoek vast te stellen, wie tot het
beruchte ras der heksen behoorde, toen de vuur- en waterproeven niet
proefhoudend bleken te zijn. Men ging van het vernuftig denkbeeld
uit, dat hij, die lichter woog dan zijn gestalte vorderde, noodwendig
met den booze in betrekking moest staan. Oudewater nu was van ouds
bekend wegens de nauwkeurigheid van zijn "trois" gewicht, en daarom
werd zijn waag waardig gekeurd, om over het belangrijke vraagstuk
der hekserij te beslissen. Men meent, dat Keizer Karel V aan de
stad dat voorrecht gegeven zou hebben, omdat hij vernomen had, dat
in Oudewater nooit iemand als toovenaar verbrand was, daar men den
beschuldigde op de Waag liet wegen, in plaats van hem, gelijk elders,
aan de vuur- of waterproeven bloot te stellen. Daarom reisden velen,
die van tooverij werden beschuldigd, zelfs uit veraf gelegen streken,
naar Oudewater, vroegen verlof om gewogen te worden, verkregen
daartoe altijd vergunning en ondergingen in tegenwoordigheid van een
paar schepenen en den gerechtsbode de proef. De bode ontkleedde den
gewaanden toovenaar tot op het hemd en deed hem zijn kousen en schoenen
uittrekken; als het vrouwen, betrof, werd dit door de stedelijke
vroedvrouw verricht. Op deze wijze verkreeg men de zekerheid, dat de
gewogene niets bij zich droeg, om zijn zwaarte te vermeerderen.

De kosten van het wegen bedroegen:


    Aan ieder der Schepenen 18 st. Holl.                    f 1.16
    Aan den secretaris                                      f 2.18
    Aan gerechtsbode, waagmeester, vroedvrouw, ieder 12 st. f 1.16

                                               Tezamen      f 6.10


Voor dien prijs ontving de gewogene gewoonlijk het getuigschrift van
zijn onschuld. Daar het maximum der zwaarte van een heks op 30 lb
trois gewicht was bepaald, was er natuurlijk niet één uit de duizenden
boven den kinderlijken leeftijd, die op grond van het gewicht in de
termen viel, om voor een heks te worden uitgemaakt. De heksenwegerij
duurde tot 1729; de laatsten, die hier gewogen werden, waren Klaas
Ariens van den Dool en zijn huisvrouw Neeltje Ariense Kersbergen,
woonachtig onder Meerkerk. De heksenwaag schijnt door haar exacte
proef veel goeds te hebben gedaan in den treurigen tijd, toen het
bijgeloof nog zoo algemeen was en tot treurige daden leidde.

Sedert blijkt het aantal heksen te zijn verminderd. Maar,
helaas! uitgestorven schijnen zij, volgens het bijgeloof, nog
niet. Want al worden er geen vuurproeven meer genomen, toch lezen wij
nog telkens, dat ongelukkigen, die van hekserij beschuldigd worden,
aan mishandeling blootstaan.

Een prachtig bouwprodukt der westersche renaissance is het Stadhuis te
Oudewater, in 1588 gesticht, met een voorpui, gekroond door leeuwen,
die wapenschilden dragen, op den hardsteenen gevel der pui rustend.

In den voorgevel is de gerechtigheid afgebeeld en daaronder vindt
men de wapens der steden Delft, Oudewater en Alkmaar. Uit het met
leien gedekte dak verrijst een laag, vierkant torentje, dat in een
achtkant klokkenkoepeltje eindigt. Voor enkele jaren is dit stadhuis
gerestaureerd. Vooral de gevel met zijn afwisseling van baksteen en
banden natuursteen, met de aesthetische verdeeling der vensters en
deuren, maken dit gebouw tot een der fraaiste uit den renaissancetijd.

De vestibule van het stadhuis met eiken zoldering heeft nog een oude
vierschaar of schepenbank.

Een merkwaardig gebouw is de Hervormde kerk met een hoogen toren,
in den vorm van de Friesche kerktorens. Men weet niet met zekerheid,
wanneer en door wien deze kerk gebouwd werd; in 1858 is zij in- en
uitwendig vernieuwd. In deze kerk vindt men een marmeren gedenkteeken
voor Rudolf Snellius van Royen, overleden als hoogleeraar te Leiden
in 1613. Rudolf Snellius was de vader van Willebrordus Snellius,
die hem ook opvolgde als hoogleeraar in de wiskunde, en beroemd werd
door de nieuw gevonden methode der graadmeting.

Als wij Oudewater doorwandelen, zien wij nog vele geveltjes uit
1613 en '14, maskers, wapens en symbolen in de gevels gebeiteld,
schilderachtige bruggetjes en watergezichten. Ook de Hollandsche
spreukenphilosophie ontbreekt hier niet bij de huizen, gelijk
gevelopschriften, als: "Aan Gods zegen, Is alles gelegen" en dergelijke
aanduiden.

Gebouwen uit de middeleeuwen vindt men er niet meer; het Oude Kasteel,
dat aan de noord-oostzijde der stad verrees, is in 1585 afgebroken.

Van Oudewater gaan wij de grens der provincie Zuid-Holland over
naar Utrecht en volgen steeds den IJseldijk. Spoedig bereiken wij
het stadje Montfoort, aan den zuidelijken oever van den IJsel gelegen
tusschen akkers en weiden. Het is een eenvoudig plaatsje met veel lage,
kleine huisjes, in den zomer door gemis van boomen zeer zonnig. De
nederzetting dankt misschien haar oorsprong aan het kasteel, in 1170
door bisschop Godfried van Rhenen hier gesticht. Het stadje biedt niets
merkwaardigs aan; van het oude kasteel is echter nog een gedeelte
in wezen, al werd het in vele opzichten veranderd. In 1672 lieten
de Franschen het kasteel van Montfoort springen, zoodat alleen de
voorpoort, met een zwaren toren aan beide zijden, bestaan bleef. In
de 19e eeuw werd hier eerst een onderwijsinrichting gevestigd. De
torens en poort van het voormalig slot vormen thans den ingang van
een gesticht voor jeugdige, vrouwelijke veroordeelden, tevens een
huis voor verbetering en opvoeding.

Meisjes, meest van 13 à 14 jaar, worden hier op een veroordeelend
vonnis geplaatst. Het bezoek aan dit gesticht, welks gebouwen in vele
opzichten verbetering behoeven, maakt een aangenamen indruk door de
moederlijke warmte en volle toewijding, waarmede wij de directrice
en eenige onderwijzeressen hun zwaren arbeid zagen volbrengen in
een kring van meisjes, die niet zelden in hun eigenlijk "tehuis",
dat voor hen geen tehuis mocht en moest zijn, de oorzaak moeten zien,
dat zij zoo spoedig op den slechten weg kwamen. Meer dan verzaakte
ouderplicht spreekt uit de geschiedenis van menigeen, die zich dit
gesticht tot verblijfplaats ziet aangewezen en van welke er velen gered
zouden worden voor de toekomst, wanneer de ouderlijke macht niet als
een satan loerde op haar prooi, om hen onder schoone voorwendselen
spoedig weder ten verderve te voeren. Menig bezoek der ouders aan
deze ongelukkigen gaat met het uitstrooien van slechte zaden in hun
zielen gepaard, die welig opschieten en slechts met moeite weer kunnen
worden uitgerukt. Doch niet altijd ligt de schuld rechtstreeks bij
de ouders. Men ervaart hier, dat de zonde der vaderen zich wreekt
tot in het derde en vierde geslacht.

De weg van Montfoort loopt verder langs den IJseldijk naar
IJselstein. De oude rivierloop heeft hier tusschen de dijken de klei
van eeuwen opgezameld en daardoor de grondstof opgehoopt voor vele
steenbakkerijen, terwijl ook klei van hier naar de bakkerijen aan
den Ouden-Rijn wordt gevoerd. Het blijft een vruchtbaar landschap,
dat zich aan beide zijden langs den IJsel uitstrekt, met de beste
graslanden en een bloeiende veeteelt en zuivelproduktie.

Zoo bereiken wij IJselstein, een klein, vriendelijk stadje aan den
linkeroever van den IJsel, gedeeltelijk in het geboomte gelegen, dat
aan den noordwestkant op den vroegeren wal verrijst. Als wij IJselstein
van dien kant binnentreden, valt ons het eerst de mooie, flinke,
Gothische kerk der R. K. in het oog, een nieuw gebouw. Bezienswaardig
zijn het altaar en de preekstoel met keurig snijwerk, welke laatste
uit een oudere kerk in de nieuwe is overgebracht. De rijke boeren
in den omtrek schonken klokken aan deze kerk, die echter, als zij
gelijktijdig luiden, niet samenstemmen.

IJselstein is als de meeste IJselsteden waarschijnlijk opgekomen bij
een kasteel, dat der Heeren van IJselstein, afstammelingen van het
destijds machtige Huis van Amstel. Wanneer hier het eerste kasteel
gesticht werd, valt niet te zeggen, doch waarschijnlijk was het er
reeds in 1144. Het slot bestond uit tal van trotsche gebouwen, met
zware muren, die in de torens 1 1/2 meter dikte bezaten. Nadat het slot
reeds vele veranderingen had ondergaan en gedeeltelijk was gesloopt,
werd het overblijvende in 1887 afgebroken. Het bestond destijds uit
een aantal gebouwen, rondom een binnenplaats gelegen en afgesloten
door een zwaren walmuur met drie verdedigingstorens; het geheel
was omringd door een gracht. Over de brug en door een poort had men
toegang tot het woonhuis. Daaruit leidde een galerij naar een zwaren
toren met een vierkanten Gothischen traptoren er naast. Dit laatste
was het belangrijkste gedeelte van het bouwwerk. Deze groote, 8 meter
breede en 20 meter hooge traptoren, met dikke muren en verspringende
ribgewelven is een zeer fraai en kunstig werkstuk, schier eenig in
ons land. Gelukkig is dit gedeelte bewaard gebleven, door het Rijk
gerestaureerd en in den ouden staat hersteld.

Bij het zien van dit laatste overblijfsel van het merkwaardige
gebouw, thans tusschen aardappelvelden gelegen op de plek, waar
zoo vele ridderbedrijven in de middeleeuwen werden afgespeeld,
komen ons onwillekeurig enkele historische herinneringen voor den
geest. Wij zien in gedachten, hoe in 1297 het slot IJselstein een
zware belegering van de Hollanders te verduren had en men alles
aanwendde, wat de krijgskunde dier dagen te aanschouwen gaf, om het
te doen bezwijken. Bezitter van het slot was destijds Gijsbrecht van
IJselstein, maar bij diens afwezigheid werd het door zijn kloekmoedige
gemalin, Baerte van IJselstein, een jaar lang met moed en inspanning
verdedigd, tot zij eindelijk voor de overmacht moest bukken, en slechts
lijfsgenade voor zich en de helft der bezetting kon bedingen. De
manschap bestond echter op het oogenblik der overgave, tot groote
verbazing der belegeraars, uit niet meer dan 16 personen, van welke 8,
door het lot hiertoe aangewezen, meedoogenloos onthoofd werden.

Nog menige belegering moest het slot sedert doorstaan. In 1374 deed
de bisschop van Utrecht het plunderen; in 1411 verdedigde Floris van
IJselstein het manmoedig tegen de Utrechtenaren, doch zes jaren later
werd het door Utrechtenaren en Amersfoorters genomen en verbrand. Een
dergelijk lot trof het slot weder, na hersteld te zijn, in 1466 door
Adolf van Gelder. Nog werd het in 1482 belegerd door de Utrechtenaren,
doch zonder gevolg. Bij de herinnering dier vele geschiedenissen,
aan het oude slot verbonden, rijst onwillekeurig


         voor het verwonderd oog
      Opnieuw het burchtgewelf omhoog,
    Zooals het prijkte in vroeger dagen;
      Dan krijgt de slotpoort als weleer
      Zijn ijzren vleugeldeuren weer;
    Dan wappert van den hoogen toren
      Opnieuw de blanke baanrol uit;
    Dan is 't, of 't avondzonnegloren
      Op 't blank geslepen borstschild stuit
    En blikkert op de stormhelmetten
    En 'tflikkrend staal der krijgsgenetten,
      Die zich verdringen in het krijt
    En joken naar den strijd!

    Dan treedt een sleep de hallen binnen
      Van edelvrouwen, jong en schoon,
    Van ridders, vurig in 't beminnen,
    Van knapen, vrij en hoofsch van zinnen,
    En minstreels, die den zang beginnen
      Voor vrouwengunst en minneloon!

    Waar is uw luister heengevaren?
    Herinn'ring bleef slechts van uw praal!


Ten zeerste juichen wij het toe, dat dergelijke overblijfselen uit
vroeger eeuwen thans meer van regeeringswege tegen den ondergang
bewaard worden, om daardoor ook in ons vaderland door gedenkstukken
het verleden te leeren kennen.


De oude Herv. Kerk, te midden van het plantsoen op den wal heeft een
fraaien toren, op een zwaar vierkant onderstuk, en met een achtkant
bovengedeelte, dat in vier omgangen afneemt. In het koor dezer kerk
vindt men een verheven graftombe van vier vroegere heeren en vrouwen
van IJselstein. De vier beelden van Namensch marmer, in biddende
houding staande, met leeuwen en honden onder hun voeten, stellen
voor Gijsbrecht van (Amstel) IJselstein, zijn echtgenoote Bertha
van Heukelom, Arnold van IJselstein en Maria, bastaarddochter van
Guy van Henegouwen. Een tweede tombe is gewijd aan de nagedachtenis
van Aleide van Culemborg, vrouwe van IJselstein, in 1471 overleden;
zij wordt voorgesteld in liggende houding, met haar kinderen aan het
hoofdeinde, die de handen op het hoofd der moeder leggen.

Thans verlaten wij den IJsel, om onze wandeling langs de Maas en de
Lek te vervolgen.







AAN DE GROOTE RIVIEREN VAN HOLLAND.


A. LANGS DE NIEUWE MAAS.


I. ROTTERDAM.


Wij vangen onze wandelingen en tochtjes langs de groote rivieren van
Holland aan bij de Koningin der Maas, de fiere, drukke Rottestad,
die door Victor Hugo voor tal van jaren een "marquise" werd genoemd,
terwijl hij Amsterdam als een "duchesse" betitelde.

Pas hebben wij Rotterdam betreden, of wij komen onmiddellijk onder
den indruk van een levendige handelsstad.

Schier door de geheele oude stad jaagt en drijft het met een onrust
en zenuwachtigheid, die spreekt uit de rusteloos dreunende karren
op het ruwe plaveisel, uit de bedrijvigheid in de straten en den
snellen pas der beurs- en kantoormannen, in één woord, uit alles,
wat er verricht wordt. In Den Haag ziet men slenteraars, wier leven
schijnt te bestaan in het zoekbrengen van den tijd; in Rotterdam heeft
men schier altijd gebrek aan tijd en wandelt bijna niemand; men holt
en draaft er. Van het wandelen in den trant der Hagenaars en Arnhemmers
heeft de volbloed Rotterdammer een ongeveinsden afkeer; op een gewonen
weekdag staat dat voor hem gelijk met tijd verkwistend nietsdoen,
een dwaas en doelloos rondloopen zonder geldverdienen. Maar velen,
die in het laatste stadium van het hollend leven gekomen zijn en het
economische doel, dat zij nastreefden, bereikten, verlaten Rotterdam,
om in Den Haag, Scheveningen of elders den bedaarden wandelpas te
leeren overnemen, welke aan hun leeftijd voegt en die in de bedrijvige
koopstad niet past. Jonge geslachten, krachtige persoonlijkheden,
mannen met ondernemingsgeest en energie komen zich te Rotterdam
vestigen in de kracht van hun leven, om later elders rust te genieten.

"De stad Rotterdam heeft door dit alles een rusteloos straatleven, met
alles volte, met steeds herrie langs havens en kaden, een druk bewegen
door nauwe straten, stegen en sloppen. De stad is als een groote
machine, voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door
nooit verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal doen de straten
mee aan het zaken doen. Langs de havenkaden en de steenen wallen der
breede rivier, in de handelswijk aan den "overkant", maar ook tot diep
in het hart der oude stad, overal dreunen en rameien de overvolle
sleeperskarren en scheurt het vloekend geschreeuw, het "huw!" en
"hrt!" der sleepers door de lucht. Aan de rivier en de havens sist
de stoom, knarst en rommelt en giert het door de rustelooze lieren,
die hun verplaatsingsarbeid onophoudelijk zonder symptoom van moeheid
voortzetten tot laat in den nacht." Aldus schetst Herman Robbers de
drukte van Rotterdam.

"Business", dat is het wachtwoord van den Rotterdammer, "time is
money", dat is zijn lijfspreuk. En met die Engelsche spreuken neemt
hij ook de Engelsche taal over. Zooals men in Den Haag zich somtijds
in Frankrijk waant door het Fransch, dat ook de Hagenaar tracht te
spreken, gelooft men zich op de kaden van Rotterdam dikwijls in een
Engelsche stad, daar het zeemans-Engelsch er niet zelden den boventoon
heeft. De Rotterdammer moet Engelsch spreken en dikwijls Duitsch,
want zijn eene hand is naar het oosten, naar Duitschland, de andere
hand naar zee gericht, naar de havens en koopsteden van Albion,
en op beide steunt zijn bedrijf. Het Fransch laat hem daarentegen
vrij onverschillig.



De eerste opkomst van Rotterdam tot een aanzienlijke handelsstad had
een natuurlijk verloop.

Rotterdam is ontstaan op de plek, waar het onbeteekenende landwater
de Rotte in de Maas viel. Reeds vóór de 13e eeuw bestond hier een
dijk langs de Maas, die van de duinstreek voorbij Vlaardingen en
Schiedam liep, zich door het tegenwoordige Rotterdam boog en voorbij
het oude slot Honingen, ten oosten van Rotterdam, naar den IJsel
liep. De Schie en de Rotte werden door dien dijk afgesloten, zoodat
het Maaswater niet in deze stroompjes kon opdringen, terwijl het water
uit het land door uitwateringssluisjes onder den dijk wegstroomde. Die
uitwateringssluisjes waren te laag, om door de schepen gebruikt te
worden, en overtoomen dienden, om de kleine schuiten, welke uit het
land kwamen, over de dammen te voeren naar de Maas en omgekeerd,
terwijl de grootere schepen moesten overladen. De drukte, hieraan
verbonden, deed bij de monden dorpen ontstaan: bij den mond der Schie
Schiedam en bij den mond der Rotte Rotterdam.

Wel was het eerst een klein en onbeduidend dorpje, dat daar opgroeide
uit de huisjes, langs den dijk gebouwd bij den Rottemond. Die oudste
kern van Rotterdam kunnen wij nog terugvinden in de Hoogstraat en den
Schiedamschendijk, welke den ouden rivierdijk aanwijzen. Aan dien dijk
werd het een dijkdorp, zooals wij er vele in Holland vinden. Doch
al spoedig breidde de nederzetting zich uit, naarmate het verkeer
levendiger werd, en de verstapeling der goederen van de Maas naar de
Rotte of omgekeerd meer drukte gaf.

Aan het Rottedorp werd in 1327 een eerste voorrechtsbrief geschonken,
en in 1340 gaf graaf Willem IV aan Rotterdam het oudste handvest,
waardoor de plaats als stad werd erkend. In hetzelfde jaar ontving
Rotterdam het recht, om een vaart van de Maas naar de Schie bij
Overschie te mogen graven (zie pag. 27) en aldus kwam Rotterdam in
verbinding met den hoofdwaterweg door het hart van Holland, naar Delft
en Den Haag, een verkeersweg van veel grooter beteekenis dan die over
de onbelangrijke Rotte, zonder dorpen aan de oevers. Op deze wijze
verkreeg de handel van Rotterdam een rijk achterland, en hiermede
werd het eerst een belangrijke stoot gegeven aan de ontwikkeling van
deze plaats als handelsstad. De aanslibbing in de Maas voor Schiedam,
waardoor deze stad meer van de rivier werd gescheiden en dieper in het
land kwam te liggen, gaf Rotterdam, dat in gunstiger omstandigheden
was gelegen, weldra den voorrang op Schiedam.

Een mededinger voor Rotterdam dreigde later nog op te komen aan
de Maas. Delft, het bloeiende Delft, wenschte een eigen haven te
hebben en liet, zooals wij zeiden, een derden arm van Overschie
naar de Maas graven, en aan dien mond bouwde Delft een eigen
havenstad: Delfshaven, dat de voorhaven van Delft zou zijn. Doch uit
kleingeestige handelspolitiek hield Delft die haven klein en belette
haar uitbreiding, om den handel op Delft te blijven concentreeren. Het
gevolg was, dat Delft daardoor de opkomst en bloei van zijn machtigen
concurrent Rotterdam in de hand werkte. Delfshaven werd door die
kleinzielige politiek ook los van zijn moederstad en wilde in 1795
zelfs het gezag van Delft niet meer erkennen. En toen Rotterdam
in de negentiende eeuw zich steeds uitbreidde en de grenzen van
Delfshaven naderde, werd in 1890 Delfshaven met Rotterdam tot één
gemeente vereenigd.

Vermelding verdient het, dat Delfshaven, zwak als het was en niet in
staat, zijn zaken goed te ordenen, in 1841 al verzocht, bij Rotterdam
te worden ingelijfd. In dien tijd echter was Rotterdam nog niet vervuld
van den lateren ondernemingsgeest en werd het aanbod afgeslagen.



De eerste nederzetting te Rotterdam was aldus ontstaan langs den
rivierdijk, die door het lage moerasland slingerde, zeiden wij. 't
Was een slappe, onvaste bodem, geenszins door de natuur aangewezen
voor den aanleg eener groote stad.


    Uit riet en lisch en elzenstutten,
    Op aan den stroom ontwoekerd land,
    Verhief zich aan den oeverrand
    Een schamel dorp van visschershutten,
    Wier vruchtbre streek een breede plas,
    Wier rijkdom fuik en schepnet was.

                                L. v. d. Broek.


Welke ziener zou aan de wieg van dit dorpje zijn ontwikkeling tot
een wereldhaven hebben voorspeld? Maar toch, aan het kruispunt der
waterwegen nam het verkeer spoedig zoozeer toe en breidde de handel
zich zoo sterk uit, dat er meer ruimte voor woningen en opslagplaatsen
en beter gelegenheid voor den aanleg der schepen noodig bleek.

Waarheen zou Rotterdam destijds zijn grenzen uitzetten? Buiten den
hoofddijk lagen in de rivier twee droogten of platen, die van dag
tot dag aangroeiden. De westelijkste van deze platen stond al vroeg
den visschers ten dienste.

De oudste haven der stad, nog de Kolk of Oude Haven geheeten,
liep tusschen deze beide eilandjes door. Zoo was ongeveer de oudste
toestand aan den Maaskant. De aanslibbingen in de noordelijke bocht
van de Maas nabij de stad namen steeds toe, en weldra werden nu deze
platen met woningen bezet.

Het buitendijksche eilandje ten westen der haven, waar reeds vroeg
eenige visschers hun woningen hadden gebouwd, was door hen aan de
stroomzijde van een zomerkade voorzien. Reeds vóór 1373 had de stad
door een brug gemeenschap met dit "Nieuwland", en de stad verkreeg
omstreeks het jaar 1380 hierover de vrije beschikking. Toen werd
de stad ook hier uitgebreid en het nieuw gewonnen land verkreeg den
naam van West-Nieuwland. De lange, smalle straat, die aan de zomerkade
gebouwd werd, verkreeg naar de oude bewoners den naam Visschersdijk, en
de meer noordwaarts gelegen straat werd als Hang aangeduid, misschien
doordien de visschers daar hun netten te drogen hebben gehangen.

Ten oosten der haven lag een rijswaard, waarop zich eenige mandenmakers
neerzetten, die in het maken van vischkorven het middel van een sober
bestaan vonden. Ook dit eiland werd al vroeg door een brug met de stad
verbonden, die de Mandenmakersbrug genoemd werd, zeker een herinnering
aan het oudste bedrijf der bewoners; het westelijk gedeelte dier waard
verkreeg naar het rijshout den naam Rijstuin. Verder oostelijk werd
het hout opgeslagen voor den scheepsbouw, waaraan de naam Houttuin nog
herinnert. Het oostelijk gedeelte van het eiland was oorspronkelijk te
laag, om bewoond te worden; later werd hier een boomgaard aangelegd
door de Dominicaner Predikheeren, waaraan de tegenwoordige naam
Groenendaal nog te danken is.

Waren de rivieraanwassen in de 14e eeuw aldus uitgebreid en
gedeeltelijk bewoond geworden, in de 15e en 16e eeuw zette dit
proces zich voort. De banken in de Maasbocht werden steeds grooter en
ondieper, en hoewel men er in het eerste vierde gedeelte reeds aan
dacht, die ten nutte te maken, werd dit toch nog uitgesteld door de
slechte tijden.

Op den plattegrond van Rotterdam door v. Deventer, ± 1563, wordt
Rotterdam aan de rivierzijde afgebeeld als door strooken aangeslibd
land, platen, waardoor de monding der Rotte liep, welke laatste de
haven vormde, van de Maas gescheiden. De gedeelten, welke thans de
Noordblaak en de Nieuwe Haven uitmaken, waren nog gedeelten van
de stadsgracht. Eerst omstreeks 1580 werd de stad naar die zijde
uitgebreid door het afbreken van oude muren en torens en het opwerpen
van zeven nieuwe bolwerken, waardoor de beide nieuwe havens, de Blaak
en de Nieuwe Haven, een veilige ligplaats aanboden voor de schepen.

Zoo zien wij Rotterdam in den loop der tijden aangroeien ten koste
der rivier. Het was een onweerstaanbare en als instinctmatige drang,
die de bewoners er toe bracht, om zoo dicht mogelijk bij het levende
water gevestigd te zijn. De Rotterdammers begrepen toen al, dat de
Maas de hoofdbron van de welvaart, de hoofdfactor voor de ontwikkeling
hunner stad zou zijn.

Na het jaar 1572 ving de vijfde uitlegging der stad aan, die zich
in de rivier uitbreidde tot de Scheepmakershaven; in 1597 begon de
zesde uitlegging in het westen der stad langs de Leuvehaven, en in
1609 volgde een zevende uitlegging, waarbij de Boompjes tot stand
kwamen. Hiervoor werd een lengte van 1800 schreden in de Maas gedempt,
waarop in 1611 een straat werd aangelegd, die in 1615 met een rij
iepenboomen werd beplant en daarnaar den naam Boompjes ontving. Deze
straat is in 1661 verhoogd en van een kade voorzien, zoodat in
laatstgenoemd jaar de stad voor dit gedeelte haar tegenwoordige
uitbreiding verkreeg, naar den kant der rivier.

In denzelfden tijd verkreeg Rotterdam ook de gedaante, welke het tot
het midden der 19e eeuw behouden heeft: een gelijkbeenige driehoek
met de basis naar de Maas gekeerd en de spits landwaarts. Het was,
of de stad in haar vorm een zinnebeeldige voorstelling wilde geven
van het feit, dat haar geheele ontwikkeling berustte op de Maas,
gelijk dat bij Amsterdam het geval was met het IJ, waartegen de
hoofdstad gebouwd was met haar langste zijde.

Gedurende de 17e en in de eerste helft der 18e eeuw stond de
ontwikkelingsgeschiedenis van Rotterdam vrijwel stil, zoo zij al
niet in enkele perioden achteruitging. Vooral bij den aanvang der
19e eeuw zag het er te Rotterdam evenals te Amsterdam treurig uit met
den handel. In den tijd gedurende en volgende op den tachtigjarigen
oorlog was Rotterdam reeds tot een belangrijke ontwikkeling gekomen,
al kon de Maasstad op verre na niet met Amsterdam vergeleken worden en
al zag het rijke, aristocratische Dordrecht uit de hoogte neer op de
jong opkomende stad. Rotterdam telde in 1515 nog slechts 1118 huizen,
welk getal in 1682 tot 5048 was gestegen, in 1732 tot 6621. In een
eeuw tijds nam de stad weinig toe; in 1840 telde zij niet meer dan
7348 huizen.

Rotterdam is eerst een geheel andere stad geworden na 1858. Een
kaartje van Rotterdam vóór dat jaar vertoont de stad nog in haar
driehoekvorm. Over de Maas, waar zich thans een druk stadsgedeelte
uitbreidt met mooie en uitgestrekte havens, reusachtige dokken
en grootsche pakhuizen, lag Feijenoord, een eenvoudig eilandje,
dat tot een uithoek van IJselmonde geworden was. Oorspronkelijk was
dit een gors of naakte plaat in de rivier, die allengs meer en meer
opslibde. Zulke gorzen worden als Oorden of Noorden aangeduid. Dat
eilandje werd in 1591 voor twee derden en in 1658 voor het overige
gedeelte door Rotterdam aangekocht; in 1795 werd het bedijkt, terwijl
het door de afdamming van het Zwanengat, den arm der Maas, die het
eilandje ten zuiden bespoelde, met IJselmonde werd verbonden.

De stad had op Feijenoord een Pesthuis laten bouwen, dat later tot
Militair Hospitaal werd ingericht voor de Marine. Tijdens koning
Lodewijk werd hier een kweekschool voor de Marine gesticht, later
een industrieschool, en in 1825 werd er de Fabriek der Nederlandsche
Stoombootmaatschappij gevestigd, waardoor er eenige bedrijvigheid aan
den overkant der Maas ontstond. Die fabriek werd in 1838 uitgebreid,
zoodat er 900 man arbeidden. In 1841 werd in het westen op de gorzen
van Feijenoord een scheepshelling gebouwd. Omstreeks 1841 vond men
hier, behalve de werkplaatsen, een gehucht van 79 woonhuizen, meest
bewoond door werklieden en opzichters der fabriek. Havenwerken vond
men in 1859 op Feijenoord nog niet.



Wij willen thans een enkelen blik werpen op de handelsontwikkeling
van Rotterdam. Rotterdam was vóór de 19e eeuw al een belangrijke
handelsstad geworden, maar stond toch ver bij Amsterdam achter. Het
had zijn beteekenis als zoodanig te danken aan de ligging in
het mondingsgebied van den Rijn, en zoowel de delta-eilanden in
het zuiden, de handelssteden op het vasteland van Holland tot den
Ouden-Rijn in het noorden, en het Maas-Rijngebied naar het oosten en
zuiden vormden het natuurlijk achterland van de haven van Rotterdam,
die deze streken met de zee in verbinding bracht. De scheepvaart en
handel, in vorige eeuwen zoo nauw aan elkander verbonden, bepaalden
zich voor Rotterdam dus geenszins uitsluitend tot die der schepen,
welke van zee binnenkwamen. Een aantal schepen van kleiner charter
kwamen langs Maaslandssluis voor de stad; een nog veel grooter aantal
kwamen van Zeeland, van België, Dordrecht, de handelsplaatsen aan
de Waal, Maas en Rijn. En over de waterwegen in het binnenland van
Holland, hoe slecht ook in den tijd der gedecentraliseerde Republiek,
had toch ook een druk scheepvaartverkeer met Amsterdam en andere
steden plaats, en met Hamburg, Bremen en Embden en andere steden op
het vasteland stond Rotterdam in vaste betrekking. Over de zee lag
Engeland het meest voor de hand en ook aan de vaart en handel op
andere landen nam Rotterdam deel.

Voor de gewesten in de zuiderlijke helft der noordelijke
Nederlanden was Rotterdam aldus de hoofdmarktplaats geworden, en de
export-produkten dezer gewesten werden van Rotterdam uitgevoerd. Het
vruchtbare deltagebied leverde meekrap en vlas, welke door Rotterdam
werden geëxporteerd; de vruchtbare kleilanden van Zeeland en
West-Brabant leverden tarwe voor de Rotterdamsche markt, de schoone
graslanden ten noorden der Maas boter en kaas, welke van hier veel
naar Engeland werden uitgevoerd; het bier, dat in de oudheid over de
Maas was uitgevoerd, werd in lateren tijd vervangen door jenever, het
produkt zoowel van Rotterdamsche als van Schiedamsche brouwerijen. En
tegenover dien uitvoer stond de invoer van vele koloniale en andere
produkten van het buitenland, welke van Rotterdam uit over zijn
havengebied gedistribueerd werden.

Zoo was het in de 18e eeuw. De 19e eeuw ving onder den invloed van
de treurige tijdsomstandigheden ook voor Rotterdam alles behalve
rooskleurig aan. Een reiziger, die in 1805 deze stad bezocht, zegt,
dat de handel niet meer dan 1/10 van vroeger bedroeg. Meer dan vijf
zesden der magazijnen stonden ledig; een groot aantal koopmanshuizen
was onbewoond en voor een nietigen prijs te koop, en de bevolking,
die vroeger 60.000 bedroeg, was in 1813 beneden 52.000 gedaald.

Met het herstel der Nederlandsche zelfstandigheid begon ook hier de
handel weer levendiger te worden. Het eerste tijdperk der Nederlandsche
handelsgeschiedenis van 1815-1830 was van veel beteekenis, omdat
in dien tijd de eerste nieuwe strijd werd hervat tusschen de havens
van Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen. Deze laatste stad, gedurende
de Republiek door het sluiten der Schelde vervallen, kwam weder op
en trok met ijver van haar gunstige ligging partij. Tusschen die
twee concurrenten lag Rotterdam. In het begin van dat tijdvak stond
Amsterdam als haven nog bovenaan; in 1819 vielen te Amsterdam binnen
3077 schepen, in Rotterdam 1700, en Antwerpen had het reeds gebracht
tot 1000 schepen. Maar na dien tijd won Antwerpen steeds meer en meer
ten koste van Amsterdam. En al ging Rotterdam niet zooveel achteruit,
het kwam toch ook niet tot grooten vooruitgang.

Na de afscheiding van België werd de toestand beter voor Rotterdam,
en de Oost-Indische handel, die vóór 1830 hier te niet gegaan was,
bloeide er weder op; het aanzienlijke aandeel van Antwerpen werd naar
Rotterdam verplaatst.

Maar er dreigden nog donkere wolken aan den horizon voor de
Rottestad. Het Brielsche zeegat, de natuurlijke zeepoort van Rotterdam,
was meer en meer verondiept, zoodat schepen van 53-55 d.M. diepgang
niet anders dan bij kalm weder en onder gunstige omstandigheden
konden binnenkomen. De groote bodems moesten hun weg nemen door het
Brouwershavensche Gat en over Krammer en Volkerak, langs Dordrecht,
over de Oude Maas tot bij Vlaardingen en vervolgens de Maas weder
op, om Rotterdam te bereiken, een omweg, waarmede vele dagen gemoeid
waren. En dat in een tijd, toen de snelvaart door stoom in opkomst was!

In die omstandigheden zon men op middelen tot verbetering, en in 1829
werd het Voornsche Kanaal voltooid naar Hellevoetsluis, dat daardoor
opkwam. Dit was aanvankelijk een vooruitgang, maar duurzaam kon dit
kanaal niet aan de behoefte voor Rotterdam voldoen, vooral niet bij den
meerderen diepgang der schepen. In de gunstigste omstandigheden kon
men langs dat kanaal van Rotterdam in 18 uren de zee bereiken, doch
in 1880 waren er dikwijls voor groote schepen 5-8 dagen noodig. Het
Brielsche Gat slibde steeds meer aan, zoodat hier geen hoop meer op
gevestigd kon worden. De Rotterdamsche handel begon ernstig beangst
te worden voor de toekomst der haven, die niet meer voldeed aan de
eischen van den nieuwen tijd.


    Hoe zal het zijn,--eens--vroeger, later zijn?
    Zal eens het bed van Maas en Waal en Rijn
    Verdrogen en van zomerhitte scheuren?
    Zal eens wellicht een sombre bouwval treuren,
    Waar nu de Maasstad tiert?--een nieuw geslacht
    Eens zoeken naar de teekenen dier macht
    En grootheid, waarvan de overleveringen
    Nog spreken en nog oude liedren zingen?


aldus zuchtte des Amorie van der Hoeven mistroostig bij 't aanschouwen
der rivier? En hij eindigde met den tot kracht aansporenden uitroep:


    Waakt, kindren, waakt!


Rotterdam heeft gewaakt en niet versaagd. Met onvermoeide energie is
de kamp der concurrentie volstreden, en bij de hernieuwde opkomst van
Neerlands handel, na 1850, onder den invloed van het vrijhandelstelsel,
werd ook de grootsche arbeid aangevangen, om Rotterdam een nieuwen en
open waterweg naar zee te schenken. Op grond van een ernstig onderzoek
in 1857 aangevangen, werd in 1863 een wetsontwerp dienaangaande
aangenomen en den 31en Oct. 1866 werd door den Prins van Oranje de
eerste spade voor dien reusachtigen arbeid in den grond gestoken, die
in Sept. 1870 zoover gevorderd was, dat twee kleine visschersschepen
er door in zee konden steken. En op 9 Maart 1872 ging het eerste
stoomschip, de "Richard Young", door den Nieuwen Waterweg naar buiten.

Dat was de morgen van een nieuwen dag voor Rotterdam's handelsleven. En
al werd de opkomende zon nu en dan door enkele wolkjes verduisterd,
toch bleef zij stijgen. Tegelijk met de opening van den Nieuwen
Waterweg kwam ook de spoorweguitbreiding tot stand. Reeds in 1847
was Rotterdam met Amsterdam door een spoorweg verbonden; in 1850
kwam de spoorwegverbinding met Utrecht en daardoor met Duitschland
tot stand; in 1872 werd de aansluiting met Dordrecht en verder met
de Noord-Brabantsche en Belgische lijnen verkregen en werden de
grootste en moeielijkste spoorwegbruggen over de breede wateren in
het moerassige deltaland tot stand gebracht. Wel werd de stad zelf
ontsierd door het bouwgewrocht, dat het stoomros langs een zware,
smakelooze viaduct over de stad leidt, en het geraas der straten nog
versterkt door dat van de dreunende treinen boven de hoofden der
bewoners; wel werd menig schilderachtig plekje daardoor bedorven,
maar de Rotterdammer is in de eerste plaats bedacht op handelsbelang,
ook wat den stadsbouw betreft.

Thans, nu de scheepvaart en de verbinding met het spoorwegverkeer
zich recht ontplooien konden, nu de handel voortdurend toenam, was er
ruimte noodig, havenruimte in de eerste plaats. En de stad vestigde
thans wederom het oog op het land aan de overzijde der rivier. Naast
de spoorwegbrug werd door de stad in 1878 de groote Willemsbrug
gebouwd voor rijtuigen en voetgangers, om de nieuw te bouwen stad
aan de overzijde met de oude te verbinden. Daar werden nieuwe havens
gegraven en kaden aangelegd; daar, op het vroeger zoo rustige eiland,
namen het verkeer en de beweging een ongekende vlucht. Rotterdam, dat
in 1852 slechts 27.7 H.A. havenruimte had, kon zich in 1885 beroemen
op 50 H.A. oppervlakte havenruimte, terwijl de kadelengte van 10.3
kilometer tot 21.3 kilometer was toegenomen.

Voortdurend nam het verkeer langs de rivier toe en de havens en kaden
bleken steeds meer te klein. Groote havens werden nog ontworpen en
zijn thans gereed: de groote Maashaven aan de overzijde der rivier, en
de Schiehaven aan den rechterkant. Door deze beide laatst aangelegde
verkregen de havens van Rotterdam een oppervlakte van 125 H.A. en de
kaden een lengte van 29 kilometer. Dat de havens niet vruchteloos
zijn aangelegd, blijkt hieruit, dat de scheepvaartbeweging van
Rotterdam, die in 1850 346186 tonnen inklaring bedroeg, in 1900 tot
6326901 tonnen was toegenomen, en van 37 % der totale inklaringen
in Nederland in 1850 tot 66.94 % in 1898 was vermeerderd. In 1900
vertrokken 7318 stoomschepen en 278 zeilschepen langs den Nieuwen
Waterweg naar zee. Hoofdzaak is het verkeer met Groot-Britannië, dat
in 1900 bedroeg 31.66 % van het geheel; daarop volgden de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika met 14.86 %, Rusland met 11.11 %, Spanje met
10.49 %, Zweden en Noorwegen met 6.67 %, Argentinië met 2.54 %, de
Fransche Koloniën met 2.16 % en Frankrijk met 1.56 % der inklaringen.

Met die handelsuitbreiding moest de stad ook naar de landzijde haar
grenzen uitzetten en werden weldra onderscheidene naburige gemeenten in
de gemeente Rotterdam opgenomen. Dit geschiedde in 1886 met Delfshaven,
in 1895 met Kralingen en Charlois. Hierdoor werd Rotterdam van een
stad met 72000 inwoners in 1830, tot 106000 in 1859, 116000 in 1869,
148000 in 1879, 201000 in 1889 en 338185 in 1900.

Zoo is Rotterdam in korten tijd tegelijk een groote stad en een
wereldhaven geworden. Grootsch en fier, maar toch eenvoudig; oud,
maar toch vol jeugdige levenskracht; schier aan het vermetele
grenzend in stoute daden, maar die toch bij nader inzien gegrond
blijken op zeer zorgvuldige berekening; op een moerassigen, slappen
bodem zich opbeurend, maar toch hecht als op rotsen gegrondvest; in
een aanslibbend deltaland, maar toch met een rivier, die schepen van
den grootsten diepgang naar de haven voert.... Zoo vertoont zich in de
ontwikkeling van Rotterdam een reeks van scherpe contrasten, welke de
oprechte bewondering voor den arbeidenden geest doen stijgen bij ieder,
die deze koopstad in haar ongeëvenaarden vooruitgang gadeslaat. Als
door de aanraking met den tooverstaf eener weldadige fee is in minder
dan een halve eeuw uit de oude Maasstad het nieuwe Rotterdam verrezen
en tot de haven van Midden-Europa geworden. Die weldoenster der stad
is de Maasnymph, welke aan Rotterdam haar zegen gaf, maar haar ook
toesprak: niet vooruit dan met arbeid! En Rotterdam heeft die woorden
in het hart geschreven en gevolgd.

Voorwaarts! dat is het wachtwoord, hetwelk in de Rottestad overal
weerklinkt; de natuurlijke verkeerswegen wijzen den weg en de energie
der bewoners vormt de levende kracht, die rusteloos de stad voortstuwt
op de baan, met zooveel succes betreden. 't Was geen overdrijving
toen de dichter der stedemaagd het lied deed zingen:


    'k Heb u lief, Rotterdam, met uw drukte en gewoel,
      Waar het leven zoo krachtig in bruist,
    Koningin van de Maas, uit wier golven een lied
      Vol van glorie en hoop u omruischt.
    In den wedstrijd van handel en scheepvaart houdt gij
      Fier de vlag onzer vaadren omhoog,
    En uw heden is niet van 't verleden ontaard,
      Dat met roem Hollands naam overtoog....


En ook wij zeggen haar na:


    Met verrukking aanschouw ik de groeiende vloot,
      Die steeds talrijker havens vervult,
    Voortgestuwd langs het spoor, voor de waat'ren gebaand
      Door uw moed, uw beleid en geduld.


Wij mogen ons niet langer ophouden met het schetsen der
ontwikkelingsgeschiedenis van Rotterdam en zijn handel, hoe belangrijk
die op zichzelf ook moge zijn. Hierop moeten wij echter de aandacht
vestigen, dat Rotterdam in de laatste halve eeuw een geheel andere
stad is geworden, met een levenskarakter, dat iets heeft van de
kenmerken eener groote stad. Het burgerlijke kleed, dat Rotterdam
nog lang omhulde, is afgelegd; het ouderwetsche, nationaal eigene
der Rotterdammers is verzwonden in internationale opvattingen.

In 1860 schreef W. N. Peijpers nog in zijn geschiedenis van Rotterdam,
dat er "geen stad is in ons vaderland, waar de sporen van het oude
Mid-zomerfeest nog zoo lang waren blijven bestaan als in Rotterdam. De
St. Jansvuren zijn bij velen nog in herinnering, ja, worden nog hier en
daar ontstoken. Hoewel nu de knaap, die het St. Jansvuur stookt, niet
meer den welgevulden hoorn door de vlammen zwiert, doet hij dit evenwel
met de muts of huppelt langs den gloed. Er is geen plaats in ons land,
waar het Pinksterfeest met zooveel heidensche drukte gevierd wordt als
te Rotterdam; met zooveel gejoel en geweld, als op den zoogenaamden
morgen van luilak! Dan verlaat ieder, die even kan, de stad, om in
de vrije lucht te zijn, zingend, jubelend, schreeuwend, ieder op
zijn wijze. Hoeveel drukte en beweging gaf dat langs de boorden van
Rotte en Delftschevliet, aan de Heul, den Bergweg en te Overschie,
waar het kermis was en de Pinksterbollen--de ronde Balderskoeken
van weleer--reeds vroeg in den ochtend te koop werden aangeboden. En
eindelijk Pinkster drie, wat een drukte langs Blaak en Zeevischmarkt;
hoeveel kleur van Pinksterbloemen, zoowel natuurlijke als van papier
gevormde, hoeveel gezang en getier! Daar vindt men nog sporen van
het oude Baldersfeest, zelfs de brooddronkenheid niet uitgesloten."

Dat oude Germaansche is geheel verdwenen in de koopmansstad. Men
heeft er geen tijd meer voor de natuurfeesten; de sporen van het
oogstfeest behoorden er al veel vroeger tot het verledene. De
bewoners zijn ook niet meer als voorheen door een band van
familiebetrekkingen, die elkander lang kenden, aan de stad en
wederzijds verbonden: er heeft een internationale wind gewaaid over
de bevolking, die de gemeenschappelijke herinneringen aan het oude
deed verstuiven. Van alle kanten kwamen de bewoners hier bijeen, met
één doel: geld-verdienen. Dat maakt de stad zaakrijk, realistisch,
koud. Vooral de snelle beweging van het verkeer, die niet altijd met
evenredige rijkdommen gepaard ging, zooals in het oude Amsterdam, die
fluctueerend was, opkomend en neergaand, heeft hier nog niet zulk een
stand van rijke koopmanspatriciërs doen ontstaan, als in den bloeitijd
der Compagnie de hoofdstad dit zag. Daardoor heeft men in Rotterdam ook
nooit den kunstzin zoo vrij den teugel kunnen vieren, als in Amsterdam
in vroeger tijden het geval was, en het schilderachtige in aanleg
en huizenbouw, dat de Amsterdamsche renaissance zoo aantrekkelijk
en bekoorlijk maakt, mist men in de stadsphysionomie van Rotterdam
bijna geheel.

Rijk aan bouwkundig schoon is Rotterdam daardoor niet; integendeel,
de stad is veelal vlegelachtig groen op architectonisch gebied. Zelfs
vele mooie plekjes, die de oude stad had, zijn verdwenen.

Zij waren er nog, toen de zaken den boventoon begonnen te voeren. De
vroegere Binnenrotte was een van de meest schilderachtige gedeelten,
karakteristiek door de uitbouwsels der huizen boven en de houten
tuintjes (vlonders) op het water, met de in de volkstaal zoo goed
bekende Lombardsche brug, die altijd "op" was, wanneer iemand een
excuus noodig had voor te laat komen. Dit alles is thans vervangen
door het leelijke steenen en ijzeren gevaarte van de Viaduct. Dat
sluit echter niet uit, dat ons bij het rondwandelen door de stad nog
onderscheidene merkwaardige of mooie gebouwen uit jongeren of lateren
tijd in het oog vallen en enkele oude stadsgedeelten schilderachtige
effecten voortbrengen. Wij wijzen op de afbeelding van het Haagsche
Veer. En daarenboven ziet men vooral in den laatsten tijd de opkomst
van een beteren smaak ook in deze stad.



Wij vangen onze wandeling aan in het centrum der stad, bij de Groote
kerk of St. Laurenskerk. Dit gebouw, dat vóór de hervorming aan den
heiligen Laurens gewijd was, werd gebouwd op de plek, waar omstreeks
het jaar 1000 de St. Laurenskapel stond, die in 1300 tot parochiekerk
werd verheven. Deze kerk was weldra te klein en in 1412 werden de
fundamenten voor de tegenwoordige gelegd. Om de middelen voor den
bouw te verkrijgen, werden allen, die wegens overtreding of misdrijf
gevonnist werden, veroordeeld als boete een hoeveelheid steenen of
kalk aan de kerk te zenden. De Hoogheemraden van Schieland werkten
eveneens mede tot het doen verrijzen van het godsgebouw, en in 1436
was het eindelijk voltooid.

In het jaar 1449 werden de fundamenten gelegd voor den toren, waartoe
vele stedelingen hun krachten inspanden. Onder het geschal van pauken
en trompetten en onder het dragen van het vaandel van den heiligen
Laurens werden zij tot den arbeid aangevuurd. De bouw van den toren
werd herhaaldelijk afgebroken en weder voortgezet in de jaren 1543,
1613 en 1619. Doch reeds in 1645 bemerkte men, dat het houtwerk zijn
kracht verloren had. Daarna werd de toren gedeeltelijk afgebroken
en opnieuw opgebouwd. De nieuwe opbouw deed echter blijken, dat
ook de fundamenten te zwak waren: de toren zakte scheef. Toen werd
de belangrijke taak ondernomen van 1650-1651, om den toren nieuw te
omheien; vervolgens werd hij 3 1/2 voet van het noordwesten naar het
zuidwesten overgewonden, zoodat hij weder in zijn goede houding kwam
te staan. De St. Laurenskerk is het eenige overblijfsel, dat Rotterdam
uit den Gothischen tijd behield. Met zijn zwaren, stompen toren (62
M. hoog) staat dit gebouw te midden van een moderne omgeving en naast
den koud-realistischen, hangenden spoorweg, als gevoelt het er zich
somber te moede. Daarom maakt de Kerk uitwendig dan ook niet meer
den rechten indruk.

Binnen de kerk wordt de herinnering aan onderscheidene beroemde
personen bewaard. In den kerktoren vindt men de graftombe van
den Vice-Admiraal Witte Cornelisz. de Witt; de slag in de Sond,
waarbij hij op 28 Nov. 1658 sneuvelde, wordt op de tombe in relief
voorgesteld, waarboven de daden van den held, in zwart marmer
gebeiteld, vermeld zijn. Het beeld van den Admiraal ligt in volle
wapenrusting en krijgspraal neder, doch de twee vrouwenbeelden,
Bellona en de Faam, met drie stuks wapenen boven op de lijst, de twee
groote beelden van Mars en Neptunus onder het lijstwerk, tusschen een
paar gevleugelde kolommen, het schild met zijn grafschrift, waarop
zij rusten, vastgehouden door een tweetal geniën en steunende op een
wereldkloot, de menigte van oorlogstuigen, scheepsgereedschappen en
krijgsversierselen, dat alles geeft een overlading, die den algemeenen
indruk schaadt. Dieper is dan ook de indruk der tombe van Egbert
Meeuwsz. Kortenaer, die den 14en Juni 1665 in een zeeslag tegen de
Engelschen sneuvelde.


    De held der Maas, verminkt aan oog en rechterhand,
    En echter 't oog van 't Roer, de Vuist van 't Vaderland,
    De groote Kortenaer, de schrik van 's vijands vloten,
    De ontsluiter van de Sont, ligt in dit graf besloten,


aldus luidt het grafgedicht. Kortenaer wordt geharnast voorgesteld,
het hoofd rustend op een stuk geschut, met den staf in de hand. De
tombe heeft een frontespice van zwart marmer, gedragen door vier
kolommen, in wier midden een enkel wapen.

Nog vinden wij hier de grafplaatsen van de zeehelden Lambert
Hendriksz., bijgenaamd Mooie Lambert, Johan de Liefde, Johan Brakel,
Aart en Johan van Nes.



Niet ver van de Groote Kerk, op de Groote Markt, verrijst het metalen
standbeeld van "den grooten Rotterdammer", Erasmus, die in 1466 te
Rotterdam geboren was en in 1537 te Bazel overleed. Reeds in 1549, bij
de inhaling van Filips II in Rotterdam als erfheer, was de gedachte
opgekomen, om den beroemden zoon van deze stad door een standbeeld
te huldigen. Men richtte bij die gelegenheid een houten beeld op,
dat Erasmus in geestelijk gewaad voorstelde. In 1557 werd het houten
beeld door een nieuw van arduinsteen vervangen, doch in 1572, toen
de Spanjaarden plunderend en brandstichtend door Rotterdam trokken,
werd het beeld van dien ketter en libertijn beschoten, vervolgens
van zijn voetstuk gerukt en in het water geworpen.

Eerst in 1621 werd besloten, weder een nieuw beeld voor Erasmus te
doen verrijzen, en zoo ontstond het tegenwoordige, het metalen beeld,
een gewrocht van Hendrik de Keyser. Bijna drie eeuwen studeert de
groote geleerde op het marktplein, starende op het geopende boek. Een
der opschriften op het voetstuk luidt:


    Hier rees de groote zon en ging te Bazel onder;
    De Rijksstad eer' en vier' dien Heilige in zijn graf;
    Dit tweede leven geeft, die 't eerste leven gaf,
    Maar 't licht der talen, 't zout der zeden, 't heerlijk wonder,
    Waar met de Liefde en Vrede en God-geleertheid praelt,
    Wordt met geen graf geëert, nog met geen beeld betaelt;
    Dies moet hier 't luchtgewelf Erasmus overdekken,
    Nadien geen mindre plaats zijn tempel kon verstrekken.


Het beeld van Erasmus wordt door den volkshumor dikwijls de "oudste
burger van Rotterdam" genoemd. Veel heeft die "oudste burger" onder
zijn oogen zien gebeuren, en men heeft hem deel laten nemen aan
de gebeurtenissen op een wijze, waaraan de levende Erasmus, weinig
moedig als hij was, niet zou hebben gedacht. Nadat Napoleon I gedreigd
had, dit standbeeld tot kanonspijs te bestemmen--wat gelukkig niet
geschiedde--las men op een morgen dit opschrift op het beeld:


    Ik sta hier nog, gelijk voor dezen,
    Aandachtig in mijn boek te lezen,
    Doch had mij eens Napoleon,
    Zooals hij heeft gedreigd, gegoten tot kanon,
    Dan had ik, hiertoe afgezonderd,
    Hem zeker van den troon gedonderd.


Bij de omwenteling van 1813 was Erasmus de eerste, die den 16en
November de vereenigingsleus van Oranje droeg, terwijl deze woorden
er aan waren toegevoegd:


    "Durft niemand nog Oranje dragen,
    Ik durf mijn ouden kop wel wagen."


Wij richten ons van deze herinnering aan de wetenschap naar de
Beurs. Op korten afstand, door een zijstraatje, bereiken wij het
flinke, ruime Beursplein, een der levendigste pleinen van de stad. Het
Beursgebouw, zeer ruim en luchtig gebouwd, treft niet door schoonen
stijl. Het geheel is een stijf gebouw; de oostelijke en westelijke
gevels zijn geheel van Bentheimer steen, volgens Romeinsch-Dorische
bouwkunde; langs de binnenwanden van het gebouw zijn vier colonnades
van Romeinsch-Toscaansche orde, gedekt door kruisgewelven. Sedert
1829 laat een klokkenspel zich hooren uit den koepel der Beurs.

De eerste Beurs te Rotterdam werd gebouwd in 1597 aan den hoek van de
Spaansche Kade en het Haringvliet, N. Z., op de plaats, waar tot 1886
het Admiraliteitsgebouw van de Maas, later Zeekantoor, stond. Nog geen
halve eeuw na het stichten van een Beurs had er een gebeurtenis plaats,
die een ruimer gebouw voor den handel noodzakelijk maakte. In het
laatst der 16e eeuw was het vervaardigen van lakens in Engeland zoo
aanzienlijk toegenomen, dat die, in plaats van uit Holland betrokken
te worden, gelijk vroeger, in groote hoeveelheid van Engeland naar
Duitschland werden uitgevoerd. Dit geschiedde door een maatschappij,
bekend als "Marchands avonturiers".

Tengevolge van een geschil tusschen Keizer Rudolph II en koningin
Elizabeth moesten de handelaars Duitschland ontruimen, waarna zij zich
te Middelburg en Rotterdam vestigden. Het bestuur van Rotterdam bood
zulke aannemelijke voorwaarden aan, dat het ook de lakenhandelaars
uit Delft naar eerstgenoemde stad lokte. Den 5en Februari werd een
concordaat gesloten met de Societeit der "Marchands avonturiers"
van Engeland, ook bekend als "Engelsche Court", waarbij zij het nog
overgebleven gedeelte van het slot Bulgerstein verkregen met eenige
daarnaast gelegen erven aan de Korte Hoogstraat tot verblijf en
bergplaats hunner wapens, de Waalsche kerk tot uitoefening hunner
religie, en een ruimer beursgebouw "tot gerief van dezelve natie
en andere negotianten". De toenmalige Zeevischmarkt werd daarvoor
aangewezen.

De bakker-dichter J. Oudaen bezong die gebeurtenis in de volgende
regelen:


    O, zegenrijke zee! met volheid brengt gij voort,
    Voor wie dies zegening het waken aan zijn netten
    Niet toeschrijft! maar die stil, met z' overboord te zetten,
    Zeid in vertrouwen: Heer! Wij werpen ze op U woord!
    Dit maakt een volle beurs. Dies werd dees' plaats, voor desen
    Den visscher eigen, nu den koopman toegewezen.


Tengevolge van het verbod van invoer der Engelsche lakens in 1635
verdween de Eng. Court weer uit Rotterdam en uit geheel Holland,
waarna de Beurs voldoende schijnt geweest te zijn tot het begin der
18e eeuw, toen de beruchte actie-handel weer een ruimer lokaal noodig
maakte voor handelaars, die zich meermalen tot 10 uur 's avonds en
later op de Beurs bevonden en elkaar verdrongen.

In Jan. 1721 werd besloten een nieuwe Beurs te doen verrijzen. Men
wilde die maken "tot een ordentelijk cieraad en bequaam gebruijck ten
dienste van de commercie en volgens de kunst van de architecture zal
bevonden worden te behore".

Het plan werd opgemaakt door den Rotterdamschen schilder A. v. der
Werf. Eerst in 1736 werd het gebouw voltooid, een feit, dat door
een fraaien gedenkpenning vereeuwigd is. Die gedenkpenning heeft het
volgende opschrift: "Divitias huc terra suas huc transtulit unda ad
permutandas urbis et orbis opes, d. i.: Land en water brachten hun
schatten herwaarts, om de rijkdommen van de stad en die van de wereld
te verhandelen".

De hoofdvorm der Beurs is een rechthoek; de bebouwde oppervlakte
bedraagt 2340 M2. De oostelijke gevel is de voornaamste. Aanvankelijk
stond op het midden een bevallig torentje, dat in 1829 vervangen
is door een koepel, zooals wij dien heden nog kunnen zien. De
vernieuwing is geschied naar aanleiding van het besluit, om het
carillon van den afgebroken Raadhuistoren op de Beurs te plaatsen. De
luidklok voor de beursbezoekers, die van 1596 dagteekent, heeft reeds
dienst gedaan op de eerste Beurs en roept dus meer dan drie eeuwen
de koopmanschap samen, om zaken te doen. Of het opschrift der klok
"Soli Deo gloria", dat de gieter er op plaatste, ook het wachtwoord
is voor de beursbezoekers, durven wij niet verzekeren.

Van de bovenlokalen der Beurs zijn in 1769 twee, in 1790 nog meer
vertrekken aan het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke
wijsbegeerte ten gebruike gegeven. Terwijl Mercurius beneden zijn
schepter zwaait, is in de bovengedeelten aan Minerva de heerschersstaf
geschonken.

In 1852 werd vóór de Beurs het beeld van Mercurius door Stracké
geplaatst, in Rochefort-steen gebeiteld. Eerst in 1867 is de Beurs
met een ijzeren bekapping overdekt.

Het Beursplein en de aangrenzende gebouwen vormen een eigenaardig
middelpunt van Rotterdamsch leven. Realistisch schetst Herman Robbers
dit gedeelte der oude stad en het beursleven met schelle kleuren op
zijn palet.

"Daar, waar de enorme blinde-muur van 't grauwe, zwaar-massieve
Beursgebouw schaduwt over 't ruime, kleurig-lichte plein, het woelige,
geluidenvolle centrum van het tramverkeer; tusschen het Spoorstation,
wanbouw van steen en roestig ijzer, der eeuwenoude havenstad brutale
hoon--een duffe stank van stof en rook walmt altijd van onder de kap
en van uit de donkere, vervuilde ingangen; schok-rommelend stuwen
de zwarte treinen naar rechts en links over het lage, gedrukte,
roet-besmeerde viaduct, dat in z'n holige duisterheden vunze plassen
en vuilnis verbergt--tusschen die vormlooze, troostlooze leelijkheid
en 't groot-vierkant van 't Postkantoor, officieel kantorig, banaal
net van bouw, waar de deuren voor 't ingaand en uitgaand publiek
al maar kreunende openzwiepen, dichtzuigen en weer opengestooten
worden.... daar is het stadshart, het kloppende, roepende hart van
't rustloos Rotterdam. Want in een sjofele buurt tusschen de suffende
huizen van een verlaten en treurig misvormd plein, sombert de Groote
Kerk; het Museum staat verscholen in de duisterende herrie van
een nauwe straat vol pakhuizen en zeemanskroegen; stil vegeteert
de Schouwburg in een nieuwerige wijk van burgermanswoningen en
huishoudelijke winkeltjes.... Maar de zware adem van 't Beursgebouw
gaat over 't breede, vierkante plein, waar de trammen bellen,
de rijtuigen ratelen, de haastende menschen gaan; het staat in de
fleurige buurt der dure winkelstraten, de Blaak afsluitend, waar 't
's middags parade is van uitgedoste koopmansvrouwen, leegloopers en
gymnasiumheertjes. Het is omringd van restauraties en societeiten".

"Iederen middag, als de zware Beursdeuren geopend worden en het
klokkenspel hoog in 't koepeltorentje waarschuwend klingeltingelt
in de drukke, oude stad--in de kantoren, de bier-, sigaren- en
koffiehuizen--dan komen de haastende handelsmenschen toeschieten van
links en rechts en hoopen zich op in donkere, rumoerige groepen. De
trammen bellen, de treinen bomberen aan, 't gedaver van een stoet
logzware sleperskarren overstemt een tijdlang elk ander geluid. En
de groepen zwellen, van alle kanten komen de zwarte, bruin en grijze
heerenmenschen; zij staan te praten, lachen en rooken, en trekken bij
klompen het donkere Beursgebouw in. Van den Maaskant komen de meesten,
van de oude "Boompjes" en het nieuwe Feijenoord, van de havens en de
kaden, maar ook van de mindere kantoren, die op bovenverdiepingen
zijn in zware, lugubre straten. Uit de koffiehuizen vlak bij en
uit de verste hoeken der naar alle windstreken om zich heengrijpende
zakenstad; de handelaars en de makelaars, de cargadoors en expediteurs,
de reeders, de bankiers, de handelsagenten, de commissionnairs,
allen komen ze op de Beurs, want daar is hun leven, hun geluk; want
daar is hun slag te slaan. Daar is het leven, het handelsleven,
de culminatie van zaken doen; koning kapitaal houdt daar zijn hof,
verdeelt daar zijn gunsten.... ze verdienen er hun brood en hun
sigaren, hun biertjes en dineetjes, hun vrouwen en kinderen, ál hun
rijkdom, ál hun pleizier. Ze brengen er het belangrijkste, het meest
intense van hun bestaan. Sommigen moeten erg veel moeite doen, moeten
vragen, aandringen, lastig zijn, flikflooien, grijnslachen, schreeuwen,
druk doen, zich opwinden, maar anderen staan er, zonder gebaar, met
een enkel woord uit hun mompelende monden vermogend te worden. Velen
spelen er met helsche vreugd, anderen lijden inwendig en geheim,
doen wanhoopscoupen met droge oogen en trekkende monden. De Beurs is
een somber hol, waar mannen leven, verteerd van onedele passie; een
moderne, onbloedige arena, zonder toeschouwers: stads-academie van
slimmigheid en "handelsgeest", duivelstempel der sjaggeraars... Het
hart van de zwoegende handelsstad bonst er met zware slagen".

Op korten afstand bereiken wij de Noord-Blaak, de breede algemeene
promenadeplaats, de ziel van de Maasstad, langs de vierkante havenkom
gelegen, welke Blaak heet, die vóór 1580 nog deel van de stadsgracht
uitmaakte, doch omstreeks dien tijd bij uitlegging naar de Maaszijde
in de stad kwam en in een havenkom werd veranderd. Door de ruimte,
het licht en het water aan de eene zijde maakt de Blaak een geheel
anderen indruk dan de Kalverstraat te Amsterdam, waarmede ze in
beteekenis eenigszins is te vergelijken. "Daar heerscht drukte maar
geen handelsdrukte; daar heerscht vroolijkheid maar geen volksgejoel;
daar heerscht deftigheid, maar met mate; in één woord: de Blaak
is voor de Rotterdammers een ideaalbuurt, een wijk om jaloersch op
te zijn." Het is, of een blijmoedige glimlach het gelaat plooit van
ieder, die de Blaak overgaat. Ieder neemt zich in acht om op de Blaak,
vooral des middags, met zorg te verschijnen, want daar ontmoet men
allicht kennissen der schoone sekse, die een inspecteerenden blik
slaan op hen, die ze ontmoeten.

Over de Blaak gaande, zien wij spoedig de zeevischmarkt, een ruim en
luchtig gebouw, voor het doel met vele gemakken ingericht, en gedurende
den morgen tijdens den afslag de plaats, om een eigenaardige taal te
bestudeeren, die van het vischvrouwen-Rotterdamsch, welke soms krachtig
en origineel is. Een kijkje op de vischmarkt is zeker aan te bevelen.

Achter de vischmarkt strekt zich de breede, drukke Leuvehaven uit,
omringd door pakhuizen en magazijnen voor scheepsbenoodigdheden. De
Leuvehaven en ook de andere binnenhavens van Rotterdam, die den handel
en de scheepvaart door de geheele stad verspreiden, geheel anders
dan te Amsterdam, waar op de grachten weinig scheepvaart gevonden
wordt, zij bieden tal van typische plekjes aan. De havens en kaden
als van het Haringvliet, de Oude- en Nieuwe havens, de Leuvehaven,
de Wijnhaven, de Kolkkade, zij leeren ons het echte Rotterdamsche
stadsleven kennen voor de mannen van zaken, en openen bij de drukke
bedrijvigheid talrijke schilderachtige uitzichten.

Verder onzen weg vervolgend, zien wij spoedig een vierkant gebouw
verrijzen op den hoek van den Schiedamschen dijk.

Dit is het Museum Boymans.

Al heeft Rotterdam geen groote musea of verzamelingen, toch mag men
enkele kleinere bij een wandeling door de stad niet vergeten. Het
Boymans-Museum is bijeengebracht door Mr. Frans Jacob Otto Boymans,
die zijn verzameling aan de stad legateerde, welke er in 1847
eigenares van werd. Doch helaas! in 1864 werd het Museum door een
zwaren brand geteisterd, waardoor niet minder dan 300 schilderijen
verloren gingen. 163 schilderijen werden gered, en deze vormden den
grondslag voor de verzameling van het nieuwe Museum, dat in 1864-1867
gebouwd is. Men vindt hier stukken van Rembrandt, Frans Hals, Albert
Cuyp, Hobbema, enz. en van onderscheidene moderne meesters.

Achter het Museum verrijst het standbeeld, ter eere van den staatsman
Gijsbert Karel v. Hoogendorp, den krachtigen strijder voor den
vrijhandel, dien belangrijken factor van Rotterdams ontwikkeling,
op het Hogendorpsplein opgericht.

Thans wenden wij ons naar de Remonstrantsche kerk, aan den Wester
Singel, in 1898 geopend, om een blik te slaan op een merkwaardig
bouwwerk van architectonische beteekenis uit den laatsten tijd. Deze
kerk is een geheel, dat door lijnen, vormen en afmeting spreekt van
kracht, eenvoud, verheven ernst en waarheid. Die beginselen zijn tevens
vertolkt in het inwendige, in de binnenruimte met haar afwisselende
hoogte, door de plaatsing en afmetingen der sprekende onderdeelen:
ramen en deuren en het inwendige organisme van den bouw.

De muren vertoonen een vlakke, massale behandeling, zonder noodelooze
onderbreking of voorsprongen. Slechts op enkele punten, in de assen van
voor- en zijgevel, zijn hoofdmotieven gevormd tot juist overzicht van
het geheel en tot bepaling van de aandacht. Hierin is uitgesproken,
door krachtige architectuurlijnen, samenwerkend met plastiek en
mozaïek, wat het Remonstrantisme den voorbijgangers te zeggen heeft.

Het centrum van den voorgevel wordt ingenomen door een gekoppelde
dubbeltravée, in goudmozaïek het symbool van den godsdienst
verzinnelijkend. Het is een gevleugelde figuur, hoog houdende
het Evangelie met de alpha en de omega, en waarboven de ster als
lichtpunt is aangebracht. Cirkelvormig omlijst zijn de tympanvelden,
ter weerszijden ingenomen door stijgende, witte leliën als symbool
van reinheid. Zij worden onderbroken door horizontale banden, waarop
in gulden letters links glanzende woorden: "Geloof, als bron van elk
godsdienstig leven"; rechts: "Onderzoek, als bron van godsdienstige
ontwikkeling". Het geheel, in witte tonen, door matgoud verlevendigd
en op teerblauwen achtergrond, is gedragen door een kapiteel, het
symbool van eenheid voorgesteld door twee adelaars, hun voedsel
nemende uit één nap.

De grondslagen van het Remonstrantisme: vrijheid en verdraagzaamheid,
zijn verzinnelijkt door overlevensgroote figuren, die de hoofdpoort
bewaken. Op den randboog staat in sierschrift de Remonstrantsche
spreuk: "Eenheid in 't noodige, Vrijheid in 't onzekere, in alles
de Liefde".

Terwijl de voorgevel een verzinnelijking is van het Remonstrantisme,
herdenkt de zijgevel de groote dragers er van.

--Van de belangrijke instellingen te Rotterdam noemen wij nog de
Diergaarde met een belangrijke plantenverzameling, het Museum voor
Land- en Volkenkunde met het Maritiem Museum "Prins Hendrik", in
het Jachtclubgebouw vereenigd, dat een belangrijke ethnographische
verzameling bezit. Het nieuwe Archiefgebouw is prachtig en soliede
naar de eischen des tijds ingericht.

De tien vroegere poorten van Rotterdam, waarvan er zes aan de
landzijde en vier aan den kant der Maas stonden, zijn op één na alle
verdwenen. Alleen de grijze Delftsche poort, een fraai, zwaar gebouw,
is gespaard geworden voor des mokers woede en staat aan het eind van
het Haagsche Veer nog daar, alsof zij zich verveelt, sedert de muren
en grachten verdwenen zijn. Toch mogen wij er ons over verheugen,
dat dit bouwstuk bewaard gebleven is.

De Delftsche poort is een statig gebouw, geheel van arduinsteen
opgetrokken, dat tegenwoordig aan de tallooze voorbijgangers een nauwen
toegangsweg verschaft van het buiten de singels gelegen stadsgedeelte
naar de binnenstad. Zij dagteekent eerst van 1772, en heeft op zijn
minst twee voorgangsters gehad. In de 15e eeuw stond daar reeds een
poort, die omstreeks het midden der 16e eeuw vervangen werd door
een nieuwe, een karakteristiek gebouw, van baksteen opgetrokken
en afgewisseld door zandsteen, met ronde hoektorens, in scherpe
spitsen en achtkanten bovenbouw eindigend, met een vooruitspringende
voorpoort. De laatste werd in 1663 afgebroken; daarvoor in de plaats
kwam de ophaalbrug. Doch de poort zelf verviel ook meer en meer, zoodat
men ten laatste tot afbraak besloot. In 1768 werd de tegenwoordige
Delftsche poort aanbesteed volgens het ontwerp van De Swart. Zij
was in 1772 voltooid. Het onderste gedeelte der poort behoort tot de
Romeinsch-Dorische, het bovenste tot de Romeinsch-Jonische bouworde;
het geheel wordt door een fronton gedekt. Op de hoofdlijst ziet men
een kolossale groep van vier beelden, voorstellende de stedemaagd,
zittende met een pijlbundel in de linkerhand, rechts achter haar
Mercurius, terwijl aan den voet van den zetel de Rotte- of Schienimf,
over een urn heen liggend, haar wateren aan een naast haar gezeten
Maasgod toevoert.

Aan de Schiezijde van de poort vindt men het stadswapen, geflankeerd
door twee leeuwen, terwijl op het slotstuk boven den doorgang een
Herculeshoofd prijkt.

Een geheel modern gebouw vormt het hooge Witte Huis (aan de Oude
haven,) steil, glad oprijzend met zijn witte muren, als doet het denken
aan ijzerconstructie. Een menigte kantoren zijn daarin gevestigd. De
top van dit huis biedt een schoon uitzicht aan over de stad en bovenal
over de rivier in de nabijheid.

Thans wenden wij ons naar de Maaszijde, naar den


    "Zilvren stroom, wiens golfgewiegel
    Voortrolt van 't Ardensche woud
    Tot aan 't bruisend Noorderzout;
    Oogbekoorbre waterspiegel,
    In wiens helder vloedkristal
    Vesten, breed van schans en wal,
    Steden, rijk aan kooptrezoren,
    Blij heur beeltenis zien gloren.
    Trotsche Maas, wier kabb'lend nat
    Ook mijn dierbre vaderstad,
    Uit uw volle kruik komt laven,
    En haar strekken doet ten haven
    Voor kasteelen, rijk aan pracht
    En met keur van schat bevracht
    Van de rijke morgenlanden,
    Van de kille nachtschâuwstranden".


zooals Van der Hoop zegt van de Maas, die hij liefhad, zooals elke
Rotterdammer. En terecht! De grootheid en schoonheid van Rotterdam
moeten beide aan de rivier gezocht worden. Aangrijpend is de Maas,
gezien van de hooge brug, naar het westen, waar zij den oceaan tegemoet
snelt, in breede bochten de stad doorsnijdend, die zich thans aan haar
beide oevers gelegerd heeft, als trillend en zuchtend onder den last
der honderden schepen van allerlei grootte en vormen en van allerlei
natiën, die de bedrijvige stad haar op de schouders voert.

En des avonds, als de schaduwen van den nacht zich over de stad
uitspreiden, als karren en kranen en fluiten een oogenblik rusten,
dan schijnt het een tooverwereld, die ordeloos verspreide menigte
van lichten, rustend of als kometen zwevend over het donkere diep,
dat zich daar als een sterrenhemel uitstrekt onder onze voeten.

Nog anders is het, wanneer de maan aan den helderen hemel de rivier
doet verbleeken tot een matten zilverstroom, golvend en vloeiend, in
zachte rimpelingen stoeiend met de bootjes op zijn oppervlakte. Welke
Europeesche havenstad heeft zulke riviergezichten!

Aan de Maas heeft Rotterdam zijn beroemde "Boompjes".

"De Boompjes! Wie zal ze beschrijven, die eigenaardige handelskade, met
flinke boomen bezet, de glorie der stad, waarheen elke Rotterdammer,
zoo hij tijd heeft, den buitensteedschen vriend voert, om hem met trots
het ongemeen schouwspel te toonen. Wie, die ooit van Rotterdam vernomen
heeft, is onbekend met den roemruchten naam van de "Boompies". De kade
der Boompjes is de aanrakingslijn voor stad en stroom; hier is het
tooneel hunner innige verbintenis; hier vlijt zich de rivier met hooger
wellust langs de gespierde lendenen van haren krachtigen minnaar."

En dan het uitzicht van de Boompjes!

"Op het water ligt een onnoemelijk aantal schepen ten anker. Flinke
stoomschepen, voortdurend aan den kant, sissend, lossend en
ladend. Groepen van schepen, meestal een groote driemaster met
veelgerookte stoompijp aan het hoofd, in het midden der rivier;
daaromheen andere, kleine stoomers of lange, platte, breede aken
en Rijnschepen, op slakken gelijkend, als eilanden onbeweeglijk,
muurvast in het stroomende water. Groote, ronde boeien, hier en daar
als priktollen drijvend, met een kolossalen ijzeren ring, om ze te
hanteeren, deinen, zonder van plaats te veranderen, op den golvenden
stroom. Als had een kwistige hand ze los er overheen gestrooid,
dringen, schuiven, snijden overal kleine sleepbootjes met korte,
zenuwachtige machinestooten, tusschen de hooge, rustige stoomers of
voor anker liggende groepen door, breede voren in het water ploegend,
den kop hooger dan het achtereind. Platte, snorrende watertorren
gelijken zij, nu rechts, dan links schietend in toomelooze vaart,
soms gekalmeerd in hun ren door de stevige trossen, waarmede zij nu,
vastgemeerd, een grooten, hulpeloozen, onhandigen broeder moeten
voortsleepen, maar altoos nerveus jagend, tartend den spitsen kop uit
de schuimende baren omhoog stekend. Het rustig schouwspel, dat een
breede, uitgestrekte watervlakte biedt, is in vreemde tegenspraak
met de voortdurende rusteloosheid van dit tooneel. Overal ziet men
beweging: duwen, trekken, schuiven, snellen; overal hoort men dat
brommende, gonzende, onbestemde, benauwende geluid."

Met deze woorden schetst Plemp van Duiveland de indrukken, door de
Rotterdamsche Boompjes teweeggebracht.

Hij, die Rotterdam in zijn ware kracht kennen wil, moet over de
Maas nog de havens en kaden bezoeken op Feijenoord, omzoomd met de
pakhuizen der onderscheidene veemen en handelsondernemingen, waar de
schepen van alle natiën lossen en laden, hetzij door de hulpmiddelen
der nieuwere techniek of nog enkel door menschenkracht. Daar hijschen
de stoomkranen duizenden kilo's zware lasten naar boven, als waren
het noten; ginds werken de elevatoren, om het graan uit de schepen,
bijna zonder menschenhulp, in de pakhuizen te brengen: elders weer
ziet men andere hulpmiddelen. Maar dat, ondanks de hulp der machines,
toch nog talloos veel arbeiders hier werkzaam zijn, blijkt het best,
als de brug over een der havens een oogenblik openstaat en er zich
onmiddellijk een menschenmenigte ophoopt, niet van wandelaars, maar
alleen arbeiders, die een oogenblik tot rusten genoopt worden. Wij
zien daar de Binnenhaven, de Spoorweghaven, de breede Rijnhaven en de
nog grootere nieuwe Maashaven, welke laatste het oude dorp Katendrecht
geheel heeft opgeslokt.

Tal van bootjes bieden gelegenheid aan, om elk oogenblik van hier
de Maas weder over te steken naar de oude stad. Een dergelijk
riviertochtje blijft op een schoonen zomerdag steeds aangenaam, en
in gedachten maken wij het mede, om af te stappen op een der kaden
in het westen der stad en een bezoek te brengen aan het Park.

Aan den kant van Delfshaven heeft Rotterdam voor natuurschoon gezorgd
en het Park aangelegd, dat wel niet groot is, maar door zijn ligging
aan de rivier en door het schoone plantsoen met zijn waterpartijen
toch een liefelijk plekje vormt. In het Park heeft Rotterdam
ook zijn dichter Tollens geëerd door een marmeren standbeeld van
Stracké, dat tusschen statige boomen op een schoon plekje geplaatst
is. Blootshoofds, in eenvoudige kleeding, de linkerhand rustend op een
boomstam en in de rechterhand de schrijfpen, staat de beeltenis van den
dichter daar; de naam Tollens op het voetstuk spreekt voldoende tot de
oudere Nederlanders, om hen hier eenige oogenblikken tot stilstaan te
nopen. Want al wordt Tollens' poëzie door het tegenwoordige geslacht
niet hoog meer geroemd, in zijn tijd was hij de volksdichter bij
uitnemendheid.

Het Park is door villa's omringd. Aan den westkant heeft Rotterdam
rondom en voorbij het Park zijn huizenmassa's reeds voortgeschoven
tot dichtbij Delfshaven. Vóór een kwart eeuw zag men Delfshaven nog
op een afstand van Rotterdam, maar beide steden reiken thans elkander
de hand en zijn ook burgerlijk één geworden. Veel bezienswaardigheden
heeft Delfshaven niet, maar toch moeten wij dit plaatsje even bezoeken,
om een herinnering te doen herleven, want


    "Waar Delfshavens kerk en toren
    Zich heffen boven dijk en dam,
    Werd de onverschrokken held geboren,
    Die Spanje's zilvren schepen nam.
    't Had reeds uw zonen leeren kennen,
    Toen 't aan uw mond (de Maas) des Prinsen vlag
    Na kort beraad en stout berennen
    Van Brielle's toren waaien zag".

                            Des Amorie van der Hoeven.


In een kleine woning aan een smal straatje van Delfshaven zag Piet
Hein hier in 1578 het levenslicht. Een steen in den voorgevel van
het eenvoudig huisje, waarin thans een tapperij gedreven wordt,
wijst het geboortehuis aan. Het eenige kleine parkje der plaats is
naar den zeeheld "Piet Heinspark" genoemd; men heeft dáár ook een
standbeeld te zijner eer doen verrijzen.

Delfshaven geeft in zijn aanleg geheel het beeld van een nederzetting,
ontstaan aan een haven, die in een rivier mondt. Langs den mond der
Delftsche Schie en om de haven heeft de bevolking zich gegroepeerd,
en de meestal burgerlijke huizen der plaats wijzen aan, dat het mannen
van zaken waren, die zich hier vestigden.

Wenden wij ons thans naar de andere zijden der stad.

Aan de landzijde is Rotterdam geheel door polderland ingesloten, met
hoog loopende boezemwateren, die door hun molens op enkele punten
schilderachtige gezichten aanbieden. Ten oosten van de Rotte vindt
men hier een hoogen bergboezem, waarop zeven molens het water afmalen.

Ten noorden en oosten van de stad lag vroeger het Ambacht van
Kralingen, waar twee adellijke huizen of sloten gevonden werden:
het Huis te Krooswijk aan de Rotte en het Huis te Kralingen, later
"slot Honingen" genoemd. Het eerste, dat uit den Romeinschen tijd zou
dagteekenen, was al voor lang verdwenen; het laatste, in de vroege
middeleeuwen gesticht, heeft langer bestaan; in 1672 evenwel werden
de laatste bouwvallen daarvan afgebroken. Het terrein van dit slot
vormt het tegenwoordige "Park Honingen", een vriendelijk villapark.

Het oude dorp Kralingen heeft gelegen in de streek, waar thans
de Kralingsche plas gevonden wordt. Door ontvening is dit dorp
langzamerhand ontvolkt en verder zuidelijk verplaatst, terwijl de
bodem in een meer is veranderd, omgeven door schamele huisjes. De
"weg naar Kralingen", die een spreekwoordelijke beroemdheid heeft
verkregen, wordt teruggevonden in den Oudendijk; hij was te midden
der moerassige gronden zoo vast aangelegd, dat men er zonder vrees
zware gebouwen op kon doen verrijzen, zoodat door enkelen aan een
ouden Romeinschen heirweg wordt gedacht, als aanvang van dien weg [10].

Langs den rivierdijk, hoofdzakelijk tusschen dezen en den Oudendijk,
ligt thans Kralingen, dat bij Rotterdam is getrokken en waar meer en
meer de stedelingen zich een woning bouwen. Zelfs denkt men er aan,
om rondom den Kralingschen plas een breede allee met boomen aan te
leggen en alsdan het villapark uit te breiden.




II. SCHIEDAM.


Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar
Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per
stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen
Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte
lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om
Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want
Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld
aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen
driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt
hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen
rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het
land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog;
alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.

De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee
op de weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons
reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen
en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam
vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden,
die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men
zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk,
groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur
der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de
overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen,
worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg
van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en
gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervul

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/24512