Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

by Alfred Edmund Brehm · Dutch · Gutenberg #23925 · 702,475 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

Author: Alfred Edmund Brehm


        
Release date: December 19, 2007 [eBook #23925]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/23925

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 1, HOOFDSTUK 11: DE EVENVINGERIGEN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/










ELFDE ORDE.

DE EVENVINGERIGEN (Artiodactyla).


In de orde van de _Evenvingerigen_ vereenigt men alle Hoefdieren,
bij welke aan iederen voet slechts 2 teenen tot ontwikkeling zijn
gekomen, of althans de drie overige aanmerkelijk overtreffen. De
derde en vierde teen, dus die, welke bij den mensch middelvinger en
ringvinger heeten, zijn bij de Evenvingerigen buitengewoon krachtig
ontwikkeld; de eene even sterk als de andere, terwijl de beide
andere meer of minder in ontwikkeling achtergebleven zijn. De eerste
teen (de duim van den mensch) is bij alle Evenvingerigen volkomen
verdwenen. Het geraamte onderscheidt zich bovendien door de groote
standvastigheid van het getal rug- en lendewervels, dat altijd,
behalve bij eenige rassen van huisdieren, 19 bedraagt, en door het
ontbreken van de sleutelbeenderen. Als wij hier nog bijvoegen, dat er
zelden email-lagen in de maaltanden doordringen, hebben wij, behalve
de overeenstemmende eigenaardigheden van den ontwikkelingsgang,
alle gemeenschappelijke verschijnselen in den lichaamsbouw van de
Evenvingerigen op den voorgrond gesteld. In levenswijze gelijken de
Evenvingerigen in zooverre op elkander, dat de meeste uitsluitend,
de overige althans hoofdzakelijk planteneters zijn. In alle andere
opzichten biedt deze orde, die zulk een groot aantal vormen omvat,
een groote verscheidenheid van verschijnselen aan.

De Evenvingerigen ontbreken op Nieuw-Zeeland en op het vasteland van
Australië, maar komen overigens in alle door land-Zoogdieren bewoonde
gedeelten van de wereld voor. Voorwereldlijke Evenvingeren bestaan
sedert het tertiaire tijdvak.

Het groot aantal soorten van Evenvingerigen en het verschil dat
zij vertoonen, maakt het gewenscht, de orde in de eerste plaats in
onderorden te verdeelen. Men onderscheidt er twee: de _Veelhoevigen_
(_Multungulata_), bij welke, behalve de beide voornaamste teenen,
ook nog de tweede en de vijfde teen goed ontwikkeld zijn, en de
_Tweehoevigen_ of Herkauwers (_Bidactyla_, _Ruminantia_), waarbij de
tweede en de vijfde teen geheel of grootendeels ontbreken. Bovendien
zijn de middelhands- (middelvoets-) beenderen bij gene van elkander
gescheiden, bij deze onderling vergroeid.



De leden van de onderorde der _Herkauwers_ of _Tweehoevigen_ zijn,
ondanks haar grooten vormenrijkdom, innig aan elkander verwant: zij
zijn gehoornd of ongehoornd, fraai gevormd of plomp gebouwd, bevallig
of leelijk; hun grootte wisselt af binnen zeer wijde grenzen. De
volgende kenmerken hebben zij onderling gemeen: de hals is lang en zeer
lenig, de kop aan het voorhoofd zeer verbreed en dikwijls met hoornen
of geweien, met groote, levendige, niet zelden buitengewoon schoone
oogen en met goed gevormde, overeindstaande ooren versierd; de lippen
zijn beweeglijk, dikwijls onbehaard en bijna altijd zonder snorren of
borstels; de staart bereikt slechts zelden het hielgewricht, maar is
bij de meeste soorten kort. Het lichaam is bedekt met een kort, dicht,
nauw aanliggend en zacht haarkleed, dat zich aan den hals, de kin en
op den rug soms tot manen, en aan de spits van den staart soms tot een
kwast verlengt. Nooit is het borstelig, dikwijls echter buitengewoon
fijn, wollig en gekroesd. De kleur is zeer verschillend. Zeer
veel overeenstemming bestaat er in het maaksel van de tanden,
de samenstelling van het gebit en den bouw van het geraamte. 6
snijtanden in de onderkaak, geen (slechts zelden 2) snijtanden in
de bovenkaak, 2 hoektanden in de onderkaak, geen hoektanden in de
bovenkaak (bij sommige echter 1 hoektand in elke kaakhelft), 3 à 7
maaltanden in de bovenkaak, 4 à 6 maaltanden in de onderkaak vormen
het gebit. De snijtanden zijn meestal schopvormig en met een scherpe
snede voorzien; die van de bovenkaak (voor zoover aanwezig) hebben
altijd den vorm van hoektanden; de hoektanden van de onderkaak zijn in
den regel snijtandvormig en niet door een tusschenruimte van de echte
snijtanden gescheiden, die van de bovenkaak (voor zoover aanwezig)
zijn kegelvormig en steken slechts bij enkele soorten buiten den bek
uit; de maaltanden bestaan uit één of twee zuilen, welker kauwvlakte
door halvemaanvormige emailplooien gevormd wordt. De schedel is
langwerpig en naar de spits van den snuit versmald; de oogholten zijn
van de slaapgroeven gescheiden door een beenig schot, dat door het
voorhoofdsbeen en het jukbeen gevormd wordt; de schedelholte is van
geringen omvang. Van de wervelkolom trekken de buitengewoon lange,
smalle beweeglijke halswervels de aandacht. Bij alle Herkauwers zijn
slechts twee teenen, de derde en vierde, volkomen ontwikkeld.--De mond
onderscheidt zich door sterke lipspieren en van binnen door talrijke
wratten; de speekselkieren zijn zeer groot. De maag bestaat meestal uit
vier (minstens en bij uitzondering drie) verschillende afdeelingen;
de _pens_, de _netmaag_ of _muts_, de _boekmaag_ en de _lebmaag_. De
eerste staat met het spijskanaal, de laatste met den dunnen darm in
gemeenschap. De pens ontvangt het grof gekauwde voedsel en stuwt het
bij kleine hoeveelheden te gelijk in de netmaag, welker (op de mazen
van een net gelijkende) plooien het een verandering doen ondergaan
en er balletjes van vormen, die vervolgens door den slokdarm naar
de mondholte terugkeeren. Hier wordt het voedsel met de maaltanden
fijn gemaakt, terdege met speeksel vermengd en vervolgens op nieuw
doorgeslikt. Het gaat nu echter de pens en de muts voorbij, daar deze
afdeelingen alleen dan met den slokdarm in gemeenschap komen, wanneer
twee plooien van het spijskanaal, die zich van den maagmond tot aan
den ingang van de boekmaag uitstrekken, door de drukking van den prop
weinig of niet gekauwd voedsel van elkander verwijderd worden. Het goed
gekauwde, brijachtige voedsel komt dus onmiddellijk uit den slokdarm
in de boekmaag en gaat van hier na eenigen tijd in de lebmaag over.

Niet onbelangrijk voor de rangschikking en de onderscheiding
der soorten zijn de hoornen en geweien, die bij vele Herkauwers
voorkomen. Hieraan zijn de namen van de twee grootste groepen dezer
orde--de _Holhoornigen_ en de _Geweidragers_--ontleend. De hoornen
van de Holhoornigen, die ook wel meer bepaaldelijk "hoornen" heeten,
bestaan uit een scheede van hoorn, die een pit, gevormd door een
beenig uitgroeisel van het voorhoofdsbeen omgeven. Deze worden in
normalen toestand nooit afgeworpen. Hunne beide hoofdbestanddeelen--de
hoornscheede en de beenpit--groeien aan door de werking van een
tusschenbeide gelegen, weeke laag (een voortzetting van de opperhuid
en van de lederhuid), die naar buiten steeds nieuw hoornweefsel aan
de hoornscheede, naar binnen steeds nieuw beenweefsel aan de beenpit
toevoegt. De "geweien" daarentegen bestaan in volkomen ontwikkelden
toestand uit niets anders dan harde beenmassa's, die op betrekkelijk
korte verhevenheden van het voorhoofdsbeen rusten en bij oudere dieren
sterker vertakt zijn dan bij jongere. Ieder jaar worden de geweien
afgeworpen en na verloop van weinige maanden door nieuwe, aanvankelijk
door de gewone huid bedekte geweien vervangen. Zoolang deze huid met
bloed wordt voorzien, groeien de geweien; hun groei houdt op en de
bedoelde huid valt af, zoodra de bloedtoevoer door vernauwing van
de bloedvaten aan het onderste deel van het gewei gestaakt wordt;
geruimen tijd daarna, hoewel nog in den loop van hetzelfde jaar,
valt ook het gewei zelf af, zooals reeds werd opgemerkt. In den regel
zijn alleen de mannelijke dieren in het bezit van geweien, terwijl de
eigenlijke hoornen meestal zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes
voorkomen.--De vorm en de grootte der hoeven is bij de verschillende
groepen zeer ongelijk.

De Herkauwers bewonen alle werelddeelen met uitzondering van
Australië. Een bepaalde verbreiding van de hoofdgroepen is
duidelijk merkbaar. Het verst verbreid zijn de Runderen en Herten,
tot den engsten kring beperkt de Giraffes en de Muscusdieren;
de Herten ontbreken in het Ethiopische, zijn daarentegen de eenige
vertegenwoordigers van de orde der Herkauwers in het Zuid-Amerikaansche
rijk; de Muscusdieren zijn alleen in Centraal-Azië, de Giraffes alleen
in Ethiopië inheemsch; de Dwerg-muscusdieren ontbreken in Amerika.

Bijna alle Herkauwers zijn schuwe, vlugge, vreedzame dieren, die
lichamelijk zeer goed uitgerust zijn, maar bekrompen geestvermogens
hebben. Vele leven in kudden, alle tot gezelschappen vereenigd. Sommige
bewonen de gebergten, andere de vlakten; geen enkele is een echte
waterbewoner, hoewel eenige aan de moerassige laaglanden de voorkeur
geven boven de droge vlakten. Hun voedsel bestaat uitsluitend uit
planten. Zij houden van gras, kruiden, bladen, jonge spruiten en
wortels, enkele ook van zaden, andere van korstmossen. Het wijfje
werpt gewoonlijk slechts één jong, zelden twee, terwijl één worp van
drie jongen een uitzondering is. De meeste Herkauwers brengen zoowel
in wilden als in getemden toestand meer nut dan schade, hoewel enkele
soorten daar, waar de bodemkultuur een zekere hoogte bereikt heeft,
niet meer geduld kunnen worden. Van de in 't wild levende zoowel als
van de tamme worden vleesch en vel, hoornen en haar voor de meest
verschillende doeleinden gebruikt; de Herkauwers leveren, zooals
iedereen weet, het grootste deel van onze kleeding. Als huisdieren
onderscheiden zij zich wel is waar niet door schranderheid, maar
door gehoorzaamheid, geduld en tevredenheid; hierdoor zijn zij den
mensch geheel onmisbaar geworden. Slechts van vier familiën die
weinige soorten omvatten--de Dwerg-muscusdieren, de Muscusdieren,
de Gaffelbokken en de Giraffes--werd tot dusver nog geen soort als
huisdier gebruikt; van ieder der overige hebben de menschen het eene
of andere lid tot hun dienaar en slaaf gemaakt. De meeste in vrijheid
levende Herkauwers worden hoog geschat als voor de jacht geschikt wild.

Overblijfselen van Herkauwers zijn tot dusver in geen andere lagen
gevonden dan in die van het tertiaire tijdvak; voor een groot deel zijn
de vormen van dien tijd nauw verwant aan die, welke thans nog leven.

De Herkauwers verdeelen wij in zeven familiën--_Giraffes_,
_Kameelachtigen_, _Holhoornigen_, _Gaffelbokken_, _Geweidragers_,
_Muscusdieren_ en _Dwerg-muscusdieren_--, welker eigenaardigheden
wij bij ieder dezer afdeelingen zullen opnoemen.



Ook onder de Herkauwers komen wezens voor, die bij de thans
levende vormen, om zoo te zeggen, niet meer passen, daar zij ons
herinneren aan de gestalten uit lang vervlogen perioden van de
ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, die ons nu zoo vreemdsoortig
voorkomen; de meest opmerkelijke van deze is de _Giraffe_. Varro noemt
dit zonderlinge wezen niet geheel ten onrechte "een samenvoeging van
een Panter en een Kameel." Ook is het zeer verklaarbaar, dat reizigers
uit veel lateren tijd de afbeeldingen van een destijds weder geheel
uit het oog verloren dier, die zij op Egyptische gedenkteekenen
vonden, als droombeelden van een overmoedige kunstenaarsphantasie
beschouwden. Evenals de Romeinen zich verwonderden over de Giraffes,
die hun bij de kampspelen van Julius Caesar (46 v. C.) en ook later
nog eenige malen voorgesteld werden, zoo verbazen wij, beschaafde
Europeanen, ons thans nog, wanneer wij dit wezen voor de eerste
maal levend aanschouwen; want ook op hen, die het door afbeeldingen
voldoende kennen, maakt het den indruk van uit den sprookjestijd te
zijn overgekomen.

De _Giraffe_ is de eenige, hedendaagsche vertegenwoordiger van
een afzonderlijke familie (_Camelopardalidae_); bij haar is de
verandering in den bouw van den voet, waardoor de Herkauwers zich
van hunne vijfteenige voorouders uit vroegere geologische tijdperken
onderscheiden, verder voortgeschreden dan bij verreweg de meeste leden
dezer orde. De twee "rudimentaire" teenen (_bijteenen_) aan de voor-
en achterpoten, die bij de meeste Herkauwers voorkomen, ontbreken hier
geheel; ook van de _griffelbeenderen_ is geen spoor meer voorhanden,
zoodat de middelvoet hier alleen bestaat uit het bij alle Herkauwers
aanwezige _kanonbeen_, een been, dat door vergroeiing van de twee
middelvoets-beenderen der beide "ware" teenen ontstaan is.

De _Giraffe_, de _Zoraféh_ of _Serâfe_ der Arabieren (_Camelopardalis
Girafa_) is gekenmerkt door den bovenmatig langen hals, de hooge
pooten, den dikken romp met den naar achteren afhellenden rug, den
sierlijk gebouwden, kleinen kop met groote, fraaie, heldere oogen en
door twee vreemdsoortige, met een behaarde huid bekleede, op hoornen
gelijkende beenknobbels op het voorhoofdsbeen. De lange pooten en
de lange hals maken, dat de Giraffe in verhouding tot haar hoogte
onder alle Zoogdieren de geringste lengte heeft. Haar romp is slechts
2.25 M. lang, de schouderhoogte daarentegen bedraagt 3 M. en de kop
verheft zich 5 tot 6 M. boven den bodem. Met den haarkwast waarin hij
eindigt, is de staart 1.1 M., zonder dezen slechts 80 cM. lang. De
afstand van de spits van den snuit tot aan den wortel van den staart
bedraagt 4 M., het gewicht 500 K.G. Reeds uit deze afmetingen blijkt,
dat de gestalte van de Giraffe van die der overige Zoogdieren sterk
afwijkt; de bouw van haar lichaam is echter zóó merkwaardig, dat
er een uitvoerige beschrijving van gegeven moet worden. De Giraffe
werd, gelijk reeds gezegd is, vroeger aangeduid als een zonderlinge
vereeniging van de eigenschappen van den Panter met die van den
Kameel; werkelijk maakt zij den indruk van uit de lichaamsdeelen van
verschillende dieren samengesteld te zijn. 't Is, alsof zij den kop
en den romp aan het Paard, den hals en de schouders aan het Kameel, de
ooren aan het Rund, de staart aan den Ezel, de pooten aan de Antilope
heeft ontleend, terwijl de kleur en de teekening van het gladde vel
aan een Panter doet denken. Zulk een samenvoeging moet aanleiding
geven tot een wanstaltig geheel, en werkelijk zal niemand de Giraffe
schoon kunnen vinden. De korte romp staat in geen verhouding tot de
hooge pooten en den langen hals; de buitengewoon sterk afhellende
rug moet volgens de gewone begrippen over schoonheid leelijk worden
genoemd en de kolossale hoogte van het dier draagt volstrekt niet bij
tot verbetering van dezen indruk. Fraai is de kop, schoon het oog,
aangenaam de teekening, al het overige is opmerkelijk en vreemdsoortig.

De langwerpige kop van de Giraffe schijnt, wegens zijn tamelijk
dunnen snuit, nog langer dan hij werkelijk is; hij draagt zeer
groote, levendig schitterende en toch buitengewoon zachtaardige
oogen, groote, sierljjk gebouwde, uiterst beweeglijke ooren van
ongeveer 15 cM. lengte en twee uitwassen op het voorhoofd, die in
de verte aan horens herinneren en iets korter zijn dan de ooren;
zij zijn te beschouwen als de voetstukken van een onontwikkeld
gebleven gewei. Tusschen deze beide begint een verder naar voren
gerichte opzwelling van het voorhoofdsbeen, als het ware een derde
hoorn. De hals is even lang als de voorpooten, dun, zijdelings
samengedrukt en van achteren met een fraaien haarkam (met manen)
versierd. De romp is breed van borst, in de schouders veel hooger
dan in 't kruis en langs de middenlijn een weinig ingedeukt; aan
de voorzijde vallen de bijna rechthoekig uitstekende schouderbladen
sterk in 't oog; van achteren is de romp zeer sterk versmald, zoodat
men van het achterlijf in 't geheel niets bespeurt, wanneer men het
dier recht van voren beschouwt. De pooten zijn betrekkelijk fijn,
de voorpooten bijna even lang als de achterpooten; hunne hoeven zijn
sierlijk gebouwd. Aan het polsgewricht komt een naakte eeltplek voor,
zooals bij den Kameel. De huid is zeer dik en, met uitzondering van den
genoemden voorhoofdsknobbel, van den halskam, en van den staartkwast,
overal gelijkmatig lang behaard; De grondkleur is vaal zandkleurig
geel; op den rug wordt zij iets donkerder, aan de onderzijde neemt
zij een witachtige tint aan; de tamelijk groote vlekken hebben
een onregelmatigen vorm en een meer of minder donkere, roestbruine
kleur; zij staan zoo dicht bijeen, dat de lichtere grondkleur op
een netvormige teekening gelijkt. Aan den hals en op de pooten zijn
deze vlekken kleiner dan op de overige lichaamsdeelen. De buik en de
binnenzijde van de pooten zijn ongevlekt. De manen zijn vaal en bruin
gestreept. De ooren zijn van voren aan den oorsprong wit, van achteren
bruinachtig; de staartkwast is donkerzwart. Een verscheidenheid met
zwarte vlekken werd door Stanley in Centraal-Afrika gevonden.

Het tegenwoordige verbreidingsgebied van de Giraffe strekt zich in
een wijde boog over de oostelijke helft van Afrika uit, ongeveer 16°
N.B. tot 23° Z.B.; alleen in de Kalihari reikt het misschien een weinig
verder zuidwaarts, in geen geval echter tot aan de Oranje-rivier. Naar
het schijnt ontbreekt de Giraffe in het geheele Congo-gebied; ook in
Opper- en Neder-Guinea en in de Achterlanden van deze kuststrooken
is zij onbekend. In Zuidwest-Afrika waar men haar vroeger vond,
is zij sedert meer dan een menschenleeftijd uitgeroeid.

In de wouden van haar vaderland maakt de Giraffe een anderen indruk
dan in de nauw begrensde ruimte van een dierentuin. De merkwaardige
overeenstemming van de gestalte en van het algemeen voorkomen van
een dier met de plaats, waar het leeft, blijkt ook hier. "Ieder
die eenig gevoel voor natuurschoon heeft," zegt Gordon Cumming,
"zal moeten erkennen, dat een kudde Giraffes, verspreid tusschen
de schilderachtige, zonneschermvormige mimosa's, die de vlakten van
haar vaderland versieren, aan welker hoogste takken zij wegens hun
kolossale hoogte knabbelen kunnen, een buitengewoon schilderachtig
schouwspel oplevert." Men ontmoet ze veelvuldig daar, waar oude,
verweerde boomstammen voorkomen, die wegens de korstmossen, waarmede
zij bedekt zijn, niet zelden een in 't oogloopende overeenkomst
vertoonen met den langen hals van een Giraffe. "Dikwijls", zegt de
genoemde jager verder, "heb ik in twijfel verkeerd over de aanwezigheid
van een geheele bende van Giraffes, totdat ik van mijn verrekijker
gebruik maakte. Zelfs mijne half-wilde begeleiders moesten erkennen,
dat hunne scherpzinnige, geoefende oogen nu en dan misleid werden:
soms zagen zij verweerde boomstammen voor Giraffes aan, soms hielden
zij omgekeerd Giraffes voor de bedoelde, overoude boomen."

Gewoonlijk treft men de Giraffes aan in gezelschappen van 6 à 8 stuks;
zij vereenigen zich evenwel dikwijls tot grootere troepen in streken
waar zij niet gestoord worden. Cumming spreekt van kudden, die uit
30 à 40 stuks bestaan, meent echter, dat het gemiddelde aantal leden
van een gezelschap omstreeks 16 zal zijn.

Alle bewegingen van de Giraffe zijn vreemdsoortig. Op haar gunstigst
doet zij zich voor, als zij rustig gaat; zij heeft dan een waardig
en bevallig voorkomen. Haar gang is een langzamen, afgemeten telgang;
de beide pooten van een zijde worden te gelijker tijd verplaatst. Als
zij zich sneller wil bewegen, vervalt zij wegens de in 't oog loopende
wanverhouding tusschen de schouderhoogte en de hoogte in 't kruis
(en tusschen de hoogte en de lengte van den romp) in een merkwaardig
stijven, zwakken en plompen galop, die echter, wegens de groote wijdte
van elken sprong afzonderlijk beschouwd, het dier in korten tijd een
grooten weg doet afleggen. Het groote gewicht maakt het opheffen van
het voorste deel van 't lichaam moeielijk; dit noodzaakt het dier den
langen hals naar achteren te buigen, om aan zijn zwaartepunt een meer
achterwaartschen stand te verschaffen; hierdoor eerst wordt het in
staat gesteld om zich door een sprong boven den grond te verheffen. De
Giraffe springt zonder de voorpooten te buigen; zij drukt ze met een
gelijktijdige, voorwaartsche beweging van den hals stijf tegen den
grond; na een nieuwe beweging van den hals worden de achterpooten
bijgetrokken. De hals van een springende Giraffe "slingert dus", naar
Lichtenstein zegt, "voortdurend heen en weer, als de mast van een op
de hooge golven dansend schip." Men heeft een zeer goed Paard noodig,
om een snel loopende Giraffe na te jagen; buitengewoon moeielijk is
het, haar geruimen tijd achtereen te vervolgen, daar in den regel
bijna alle overige dieren eerder vermoeid worden dan zij.

Hoogst eigenaardig is de houding, die het dier aanneemt, als het iets
van den bodem opzoeken of als het drinken wil. In oude beschrijvingen
wordt beweerd, dat de Giraffe met dit doel neerknielt. Misschien doet
zij dit bij uitzondering. In den regel echter laat zij het voorste
deel van haar romp zakken, door de beide voorpooten zoo wijd uiteen
te plaatsen, dat zij gemakkelijk met den langen hals den bodem kan
bereiken. Wie dit niet zelf gezien heeft, zou het onmogelijk kunnen
achten. Gedurende haar slaap ligt zij gedeeltelijk op zijde, en vouwt
daarbij een van hare voorpooten of beide op. Zij slaapt zeer onvast,
en slechts gedurende korten tijd.

Het spreekt van zelf, dat er verband bestaat tusschen het voedsel
van de Giraffe, haar lichaamsbouw en haar aard. Zij is niet zeer
geschikt om gras van den bodem op te nemen; des te beter kan zij
bladen van de boomen afplukken. Hierbij heeft zij veel dienst van
haar buitengewoon beweeglijke, 20 cM. lange, violette tong. Iedereen
weet, dat de meeste Herkauwers, bij het afplukken van het voedsel,
de tong gebruiken; bij geen hunner is dit orgaan voor de bedoelde
verrichting zoo volstrekt noodig als bij de Giraffe. Wat de slurf
is voor den Olifant is de tong voor haar. Zij kan er de kleinste
voorwerpen mede opnemen, het fijnste blad afplukken en in den mond
brengen. "In onzen dierentuin," zegt Owen, "is meer dan een dame,
die naar de Giraffe keek, door deze beroofd van de kunstbloemen,
die haar hoed versierden. Naar het schijnt, laat de Giraffe zich bij
de keuze van haar voedsel minder door den reuk, dan door het gezicht
leiden, en zoo komt het dikwijls voor, dat het dier zich vergist,
zooals in de vermelde gevallen, waarin het met haar behendige tong de
kunstbloemen greep en van den hoed afrukte." In vrijen toestand voedt
de Giraffe zich hoofdzakelijk met de twijgen, knoppen en bladen van
de mimosaceeën; zij ontbladert echter ook gaarne de slingerplanten,
die in zoo grooten overvloed de boomen van de Afrikaansche wouden
omstrengelen. Daar deze boomen niet veel hooger worden dan zij zelf,
verkrijgt zij haar voedsel zonder moeite. In het droge jaargetijde,
als de boomen grootendeels van hun bladertooi beroofd zijn en de hooge,
verdorde grassen haar een karig voedsel verschaffen, begeeft zij zich,
om te drinken, dikwijls mijlen ver naar modderige waterplassen, of
naar de kolken, die overgebleven zijn van de stroomen, die gedurende
den regentijd vloeiden.

De zinnen van de Giraffe, vooral het gezicht en het gehoor, zijn
uitmuntend ontwikkeld, de geestvermogens evenzeer. Zij is een schrander
en verstandig, buitengewoon lieftallig, en, haar grootte in aanmerking
genomen, ook een zeer goedaardig, vreedzaam en zachtmoedig dier, dat
niet alleen met hare soortgenooten in goede verstandhouding leeft,
maar ook met andere dieren, zoolang deze haar geen overlast aandoen
of in gevaar brengen. In geval van nood weet zij zich recht goed te
verdedigen door krachtige slagen met hare lange, gespierde pooten,
niet met hare hoornen, die alleen tot sieraad schijnen te dienen.

Eerst in den laatsten tijd is de voortplanting van de Giraffe ons
bekend geworden. Uit de ervaringen, die tot dusver in verschillende
dierentuinen verkregen zijn, blijkt, dat de paring plaats vindt in
Maart of in het begin van April; de jongen worden geboren in Mei of
Juni van het volgende jaar; de draagtijd duurt dus 431 à 444 dagen,
of 14 1/2 à 15 maanden.

De inboorlingen van Afrika, zoowel als de Europeanen, zijn
hartstochtelijke liefhebbers van de Giraffejacht. De eerstgenoemden
maken bij deze jacht gebruik van Kameelen of Paarden; zij hakken
het door de vervolging vermoeide dier de Archillespees door. Zij
slachten de Giraffe om haar vleesch, dat overal zeer geschat wordt. De
Europeanen bedienen zich bij de jacht van het geweer, maar kunnen zelfs
met dit ver dragend wapen het voorzichtige dier eerst na een langdurige
vervolging bemachtigen. Volgens de mededeelingen van Selous kan men
de vluchtende Giraffe, omdat zij slechts in den hoogsten nood haar
grootste snelheid ontwikkelt, met een niet al te slecht Paard wel tot
op zulk een afstand naderen, dat men, snel uit den zadel springend,
haar met een goed gemikten kogel kan treffen.

Van de gedoode Giraffe wordt op velerlei wijzen partij getrokken. De
huid wordt voor allerlei lederwerk gebruikt, de staartkwast voor
vliegenklap, de hoeven voor 't maken van verschillende hoornen
voorwerpen; het vleesch smaakt uitmuntend. Nog liever vangt men de
Giraffe echter levend. Overal is men het in 't oog vallende dier
genegen; overal wil men het graag in zijn nabijheid hebben. In de
steden van Centraal-Afrika ziet men dikwijls een paar Giraffe-koppen
boven de hooge afsluitingsmuren van een tuin uitsteken, en niet zelden
ontmoet men in de nabijheid van dorpen getemde dieren, die naar vrije
verkiezing rondloopen. Bij onze aankomst in Karkodj, een plaats aan
de Blauwe Rivier, was het eerste bezoek, dat wij in onze boot kregen,
dat van een Giraffe; deze deed, alsof zij kwam met de bedoeling om ons
te begroeten. Zij ging vol vertrouwen op ons af, kwam dicht bij onze
boot, at brood en doerra-graan uit onze hand en behandelde ons zoo
vriendelijk, alsof wij hare oude bekenden waren. Bijzonder spoedig
scheen zij te bemerken, hoeveel schik wij in haar hadden; want zij
kwam zoolang wij ons in de nabijheid ophielden, iederen dag meermalen
bij ons, om zich te laten liefkoozen. De Arabische naam "Serâfe", de
"liefelijke", dat door ons woord Giraffe verminkt wordt weergegeven,
werd mij duidelijk.

Ongelukkig verdragen de naar Europa gebrachte Giraffes de gevangenschap
slechts bij uitmuntende verzorging gedurende langen tijd. De meeste
bezwijken aan een eigenaardige ziekte van het beenderenstelsel, die men
"Giraffeziekte" heeft genoemd. Waarschijnlijk zijn gebrek aan beweging
en een ondoeltreffende voeding oorzaken van deze kwaal. Ten gevolge van
de Mahdistische beroeringen in Soedan is de uitvoer van levende Giraffe
naar Europa geheel opgehouden, terwijl intusschen de in Europeesche
dierentuinen voorkomende exemplaren nagenoeg uitgestorven zijn. Te
verwachten is het echter, dat de firma C. Reiche in Alfeld, die met
C. Hagenbeck te Hamburg de eerste groote bezendingen Giraffes in Europa
bracht (sedert 1844), deze weldra weder uit Zuid-Afrika zal invoeren.



De _Kameelachtigen_ (_Camelidae_) onderscheiden zich van alle
overige Herkauwers, doordat zij de beide teenen over hun geheele
lengte op den grond laten rusten en niet slechts den nagel van het
eindlid. Een breede eeltzool wordt door de beide teenen gevormd, en
alleen van voren door de zeer kleine hoeven beschut. De bijteenen en
de hierbij behoorende griffelbeenderen, die bij de meeste Herkauwers
aanwezig zijn, ontbreken hier geheel, evenals bij de Giraffes. Het
kanonbeen behoudt echter voortdurend twee mergkanalen; de spleet,
die de beide gewrichtsvlakten van het kanonbeen vaneenscheidt,
welke voor de aanhechting der "ware" teenen bestemd zijn, zet zich
bij de Kameelachtigen verder bovenwaarts voort dan bij de overige
Herkauwers en is van onderen wijder. De bovenlip is gespleten
en verder dan de neusgaten naar voren verlengd. Het gebit van de
Kameelachtigen verschilt van dat der overige Herkauwers door het
bezit van snijtanden in de bovenkaak. In het melkgebit zijn er 3
in elke kaakhelft; bij de tandwisseling gaan de twee voorste geheel
verloren, terwijl de derde hoektandvormig wordt. Bovendien bevat elke
bovenkaakshelft nog twee hoektandvormige tanden, waarvan de voorste
als hoektand, de achterste als kies wordt beschouwd. De drie tanden
zijn van elkander en van de van de vijf volgende, aaneensluitende,
groote kiezen door wijde tusschenruimten gescheiden. De onderkaak
bevat behalve een aaneengesloten reeks van 5 kiezen, aan weerszijden
4 voortanden, waarvan 3 als snijtanden en de vierde, die er door
een kleine tusschenruimte van gescheiden is, als hoektand wordt
beschouwd.--De maag bestaat uit slechts drie afdeelingen, omdat de
boekmaag wegens zijn geringe grootte bij de lebmaag gerekend kan
worden.--De hoornen ontbreken.

De Kameelachtigen zijn zeer groote Herkauwers met langen hals,
langwerpigen kop, een in de flanken ingetrokken romp en een ruige,
bijna wollige beharing.

Het vaderland van deze dieren is Noord-Afrika, Centraal-Azië en
Zuidwest-Amerika. De weinig talrijke soorten der Oude Wereld zijn
bijna geheel, die der Nieuwe gedeeltelijk tot huisdieren geworden. Hier
bewonen zij de hooge gebergten tot 4000 M. boven den zeespiegel, daar
zijn zij thuis in de heete, droge vlakten. Grassen en andere kruiden,
boombladen, twijgen, distels en doornen strekken hun tot voedsel. Zij
zijn met bijzonder weinig tevreden en kunnen lang honger en dorst
verdragen. Hun gang is een telgang, hun wijze van loopen, hoewel
uitmuntend geschikt voor een snelle verplaatsing, is waggelend en
schijnbaar in de hoogste mate onbeholpen. De wilde soorten leven in
kudden; alle houden van gezelligheid. Hunne geestvermogens staan op
een tamelijk lagen trap. Men kan ze geen zachtmoedige, goedaardige,
schrandere en geduldige dieren noemen, hoewel zij zich met een
zekere zelfverloochening onder het juk van den mensch krommen en zijn
heerschappij erkennen. Het wijfje werpt slechts één jong en verzorgt
dit met veel liefde.



De _Kameelen_ (_Camelus_) onderscheiden zich door hun aanzienlijke
grootte en door één of twee vetbulten op den rug; bovendien hebben
zij in elke helft van elke kaak één kies meer dan de Lamas. Hun
gestalte is niet fraai en vooral de kop in 't oog loopend leelijk;
het haarkleed zeer ongelijk, op sommige plaatsen uit lange haren
samengesteld, over 't geheel genomen echter wollig; aan de borst,
aan den elleboog, aan de knieën, aan het polsgewricht en aan het
spronggewricht komen eeltplekken voor. Men kent twee soorten van dit
geslacht: de eene, de _Dromedaris_, bewoont hoofdzakelijk Afrika,
de andere, de _Bactrische Kameel_, wordt alleen in Azië gevonden.



De _Dromedaris_ is ongetwijfeld het nuttigste van alle Afrikaansche
huisdieren; het is echter, althans in de gewesten waar ik het leerde
kennen, het onbeminnelijkste, domste, koppigste en onpleizierigste
schepsel, dat men zich voorstellen kan. Zijn roem dankt het aan zijne
lichamelijke begaafdheden; zijne geestesgaven zijn nog nooit door
een Arabier geroemd, hoewel een groot deel van dit volk zonder dit
dier niet zou kunnen leven.

De _Dromedaris_ of _Eénbultige Kameel_, de _Djemmel_ der Arabieren
(_Camelus Dromedarius_), een kolossale Herkauwer, bereikt gemiddeld
een hoogte van 2 à 2.3 M., van de spits van den snuit tot aan het
puntje van den staart een lengte van 3 à 3.3 M. Hoewel deze soort
niet zoo rijk is aan rassen als het Paard, komen ook van de Kameel
zeer uiteenloopende verscheidenheden voor. Over het algemeen kan
men zeggen, dat de Kameelen van de woestijnen en steppen slanke, hoog
opgegroeide, langpootige dieren zijn, die van de vruchtbare landstreken
daarentegen, vooral die, welke in Noord-Afrika thuis behooren,
zijn plomp en log. Tusschen een "Bischarin", een ras dat door de
Bischarin-Nomaden gefokt wordt, en de Egyptische Vrachtkameel bestaat
een even groot verschil als b.v. tusschen een Arabisch Paard en een
Sleepersknol. De eerstgenoemde Kameel is het voortreffelijkste rijdier,
de laatstgenoemde het krachtigste lastdier van alle verscheidenheden
dezer soort.

De Arabier onderscheidt meer dan 20 verschillende rassen van "schepen
der woestijn"; er bestaat dus even goed een wetenschap van de Kameelen,
als een wetenschap van de Paarden: ook bij de Dromedarissen spreekt men
van edele en onedele dieren. De kop is tamelijk kort, de snuit echter
in de lengte gerekt en gezwollen; de oogen zijn groot en hebben een
onnoozele uitdrukking, de ooren zijn zeer klein, maar beweeglijk. De
hals is lang, zijdelings samengedrukt, in het midden het dikst; de
romp dikbuikig en eigenlijk in alle richtingen afgerond. De vetbult
staat overeind: zijn grootte wisselt echter aanmerkelijk af in den
loop van het jaar. Hoe overvloediger het voedsel van den Kameel is,
des te hooger wordt zijn bult; hoe kariger hem het voedsel wordt
toegemeten, des te meer zakt dit uitwas ineen. Bij gezonde, goed
gevoede dieren heeft het den vorm van een piramide, en neemt minstens
het vierde gedeelte van den rug in; bij zeer magere verdwijnt het
bijna geheel. In den regentijd, die sappig voedsel brengt, groeit de
bult, die gedurende de dorre hongermaanden nauwelijks zichtbaar is,
verbazend snel aan; zijn gewicht kan dan stijgen tot 15 KG., terwijl
het integendeel ook tot 2 of 3 KG. verminderen kan. De pooten zijn
slecht aangezet, vooral de dijen komen bijna geheel uit den romp te
voorschijn; voor een groot deel wordt hierdoor het woeste uiterlijk
van het dier veroorzaakt. De staart is met een dunnen kwast voorzien
en hangt tot op het hielgewricht naar beneden. Het haar is zacht
en wollig, op de kruin, in den nek, onder de keel, aan de schouders
en op de bult aanmerkelijk langer dan op de overige lichaamsdeelen;
aan de spits van den staart is het dikker. Eigenaardig zijn voorts
de eeltplekken, die zich op de borst, den elleboog, het handgewricht,
de knieën en de hielgewrichten bevinden; zij nemen, naarmate het dier
ouder wordt, in grootte en hardheid toe. De eeltplek aan de borst
verheft zich als een eigenaardige bult ver boven de omringende huid,
en vormt een soort van kussen, waarop het lichaam rust, als het dier
liggen gaat.

De kleur van de Dromedarissen is zeer verschillend. Het meest ontmoet
men lichtzandkleurige, er zijn echter ook grijze, bruine en geheel
zwarte exemplaren; ook hebben zij wel eens lichter gekleurde pooten;
nooit echter zijn zij gevlekt of bont.

Tegenwoordig kent men den Dromedaris alleen als huisdier, en wel in
alle landen van Afrika, van de Middellandsche Zee tot op ongeveer 12°
N.B., in Somali-land tot op 5° N.B., alsmede in Zuidwest-Azië. Te
beginnen in Boekhara en Toerkmenië, waar het verbreidingsgebied van
den Tweebultigen Kameel een aanvang neemt, is de Dromedaris door
Perzië, Klein-Azië, Syrië, Arabië, en het noorden van Afrika tot
aan den Atlantischen oceaan verbreid. Hij komt echter ook voor op
de Kanarische eilanden, en is in Australië, Noord-Amerika, Italië en
Zuid-Spanje ingevoerd. In de droge landstreken van Noord-Indië gedijt
hij zeer goed. Op het eiland Zanzibar zijn, volgens Hans Meijer,
Dromedarissen werkzaam in de oliemolens van den Sultan; zij lijden
echter zeer onder het klimaat. Het oorspronkelijk vaderland van dit
dier schijnt Arabië te zijn; in Noord-Afrika werd het waarschijnlijk
eerst tamelijk laat ingevoerd. Op de oud-Egyptische gedenkteekenen
komt geen afbeelding van dit in 't oog loopend dier voor; ook door de
Romeinsche en Grieksche schrijvers, die in Oud-Egypte reizen deden,
wordt de Kameel niet onder de inheemsche dieren vermeld. In den
Bijbel wordt dit dier onder den naam "Gamal" zeer dikwijls genoemd:
Job bezat 3000, later 6000 Kameelen; de Midianieten en Amalekieten
hadden Kameelkudden, zoo talrijk als "het zand aan de oevers van
de zee." Deze dieren werden destijds op dezelfde wijze gebruikt als
thans. Over Noord-Afrika hebben zij zich waarschijnlijk eerst met de
Arabieren verbreid. Getemd werden zij reeds in het vóór-historische
tijdvak; ook weet men niet, vanwaar zij eigenlijk afkomstig zijn. Wilde
of verwilderde Kameelen van deze soort komen nergens meer voor.

De Kameel is een echt woestijndier; alleen in de droogste en
heetste gewesten verkrijgt hij zijn volle kracht; in bebouwde en
vochtige landstreken verliest hij zijn waren aard. In Egypte heeft
men, waarschijnlijk ten gevolge van het overvloedigere voedsel,
langzamerhand zeer groote en zware Kameelen verkregen; deze hebben
echter verscheidene van hunne belangrijkste eigenschappen, lichtheid
van beweging, volharding en soberheid, verloren en worden daarom door
de Arabieren van de woestijn niet hoog geschat. In de keerkringslanden
van Afrika echter, waar de plantenwereld rijker wordt, gedijt de Kameel
niet meer. Herhaaldelijk, maar tevergeefs heeft men beproefd hem naar
Centraal-Afrika over te brengen. Binnen zijn verbreidingsgebied gevoelt
dit dier zich thuis en gedijt uitmuntend; wanneer het verder zuidwaarts
gebracht wordt, verliest het zijn kracht en bezwijkt eindelijk bij
het overvloedigste voedsel, zonder dat men recht weet waarom.

Tot dusver heeft men nog geen ernstige pogingen aangewend, om het
nuttige dier ook ten noorden van den grooten woestijngordel te
acclimatiseeren; er is echter geen reden om te betwijfelen, dat het
ook zal gedijen in landen, die niet te veel verschillen van zijn
vaderland. In het jaar 1622 liet Ferdinand II van Medicis in Toscane
Dromedarissen invoeren, en tot in den tegenwoordigen tijd heeft
het fokken van deze dieren daar voortgeduurd. In het gebied van San
Rossore bij Pisa gedijen de Kameelen zeer goed; zij leven er op een
zandvlakte geheel als in hun vaderland. In het jaar 1810 waren er
170 stuks en in 1840 171. Deze stoeterij heeft vele dierentuinen en
manegeriën met Dromedarissen voorzien. In Sicilië, waar zij eveneens
ingevoerd werden met het doel om ze in de zwavelmijnen als lastdieren
te gebruiken, stierven zij uit. In het zuiden van Spanje heeft men er
ook aan gedacht Kameelen te fokken, en gunstige uitkomsten verkregen.

In het geheele noorden en oosten van Afrika worden de Dromedarissen
in grooten getale gefokt. Een verbazend groote menigte van deze
dieren bewegen zich op de groote wegen door de woestijn tusschen de
Nigerlanden en het noorden van Afrika. Het aantal Kameelen, die ieder
jaar bij de reizen door de woestijn om het leven komen is moeilijk
te schatten; dat het zeer groot is, kan ieder, die een reis door de
woestijn maakt, best opmerken. In de Nubische woestijn, zoowel als
in de Bajoeda, vond ik aan den in- en uitgang van de genoemde wegen
over een afstand van vele mijlen geraamten van Kameelen zoo dicht
bij elkander, dat de weg door de wit gebleekte beenderen gemakkelijk
te onderscheiden was. De woestijn is niet alleen het vaderland en
het geboorteoord van den Kameel, maar ook de plaats, waar hij den
laatsten adem uitblaast en een graf vindt; de weinige exemplaren,
die geslacht worden, staan in geen verhouding tot die, welke gedurende
den arbeid bezwijken.

De Kameel ontleent zijn voedsel uitsluitend aan het plantenrijk
en is hierbij volstrekt niet kieskeurig. Men kan gerust zeggen,
dat juist de soberheid van dit dier zijn grootste deugd is: met het
slechtste voedsel is het tevreden. Het kan weken lang teren op de
dorste en droogste planten van de woestijn. In sommige gevallen acht
het een oude mand of een mat, die van de in lange strooken gescheurde
bladeren van den dadelpalm gevlochten is, een smakelijk gerecht. In
Oost-Soedan moet men de hutten der inboorlingen, die uit een geraamte
van zwakke stangen bestaan, dat met steppengras bekleed is, door
een dichte omheining van doornen tegen de Kameelen beschutten;
deze dieren zouden anders het geheele huis tot aan de grondvesten
opvreten. Het is werkelijk een wonder, dat zelfs de ergste doornen en
stekels den harden muil van den Kameel niet wonden. Wanneer hij een
enkele keer sappig voedsel kan krijgen, vindt hij dit zeer aangenaam;
op de akkers gaat hij soms op afschuwelijke wijze te keer en richt
er groote verwoestingen aan; hij eet graag boontjes, erwten, wikken;
alle soorten van graan beschouwt hij als een lekkernij. Bij het reizen
door de woestijn neemt iedere Arabier, om de last zooveel mogelijk te
verminderen, eenvoudig een weinig doera of gerst voor zijn Kameel mede;
hij geeft hem hiervan iederen avond een paar handen vol, gewoonlijk
zoo maar uit zijn omslagdoek, met andere woorden uit zijn schoot.

Als de Dromedaris saprijke planten tot voedsel krijgt, kan hij het
weken lang zonder water uithouden, indien hij niet beladen is, zich
niet bijzonder sterk behoeft in te spannen en de planten, die hij
eten wil, vrijelijk kan uitkiezen. Anders is het gesteld in tijden
van droogte. Men heeft beweerd, dat de Kameelen ook dan nog 14 à
20 dagen lang zonder water kunnen blijven; maar dit is een fabel,
waarmede ieder, die door eigen ervaring de woestijnreizen kent, den
spot drijft. Gedurende de verzengende hitte van den drogen tijd in
Afrika moet de Kameel onderweg niet alleen een behoorlijke hoeveelheid
voedsel hebben, maar ook genoeg water krijgen en bovendien alle 4 dagen
minstens 30 of 40 uur achtereen rusten, om niet te bezwijken. Maar
slechts ingeval van nood laten de Arabieren hun vee lang dorst lijden,
gewoonlijk alleen dan, wanneer een van de bronnen aan den weg, op
welks water gerekend werd, uitgedroogd blijkt te zijn.

Eertijds meende men de soberheid van den Kameel wat het drinken
aanbelangt, te moeten toeschrijven aan de eigenaardige inrichting
van zijn maag. De netvormige plooien van het slijmvlies, dat de
muts inwendig bekleedt--en waaraan deze afdeeling van de maag den
naam van "netmaag" te danken heeft--, zijn nl. zoo sterk verheven,
dat zij hokjes begrenzen, die naar men dacht, bestemd zijn om als
bergplaats voor water te dienen; deze maagafdeeling werd daarom ook
wel "waterzak" genoemd. In sommige oude reisbeschrijvingen leest men,
dat de reizigers in de woestijn in den uitersten nood in den waterzak
hunner Kameelen nog een zekeren voorraad water kunnen vinden. Ik heb,
ofschoon ik reeds vóór dien tijd aan de geloofwaardigheid van deze
verhalen twijfelende, opzettelijk oude, in de woestijn vergrijsde
kameeldrijvers hierover ondervraagd: geen hunner wist iets van dit
redmiddel af, geen enkele had ooit te voren zulk een kolossale leugen
hooren vertellen. Later heb ik mij bij het slachten van Kameelen,
die nog den vorigen dag gedronken hadden, zelf overtuigd, dat het
volkomen onmogelijk is, water te drinken, dat uren of dagen lang
vermengd is geweest met het maagsap en het in de maag opgehoopte
voedsel. De geheele Kameel heeft een onaangenamen reuk; de brijachtige
inhoud van zijn maag moet zelfs aan iemand, die van dorst versmacht,
een onoverwinnelijken afkeer inboezemen. Zonder overdrijving kan men
den stank van een versch geopende Kameel-maag onuitstaanbaar noemen.

Het is waarlijk een grappig schouwspel, hongerige en vermoeide Kameelen
in de nabijheid van een bron of een rivier te zien komen. Zij steken
den kop omhoog, snuffelen met half dichtgeknepen oogen in de lucht,
leggen de ooren in den nek en beginnen nu plotseling zoo hard
te loopen, dat men zich stevig in den zadel moet houden, om niet
afgeworpen te worden. Zoodra zij bij de bron komen, verdringen zij
zich om het water en trachten onder een afschuwelijk gebrul ieder
een plaats te krijgen, waar zij naar hartelust kunnen drinken.

Als men een rustig stil staanden Dromedaris beschouwt, kan men zich
moeielijk voorstellen, dat dit dier wat snelheid betreft, bijna met
een Paard wedijveren kan. En toch is dit het geval. De Kameelen, die in
de woestijn of in de steppe het eerste levenslicht aanschouwden, zijn
dikwijls voortreffelijke loopers en in staat om zonder te rusten, een
veel langeren weg af te leggen dan eenig ander huisdier. Schijnbaar is
de gang van alle Kameelen zeer onbeholpen, zoowel bij langzame als bij
snelle verplaatsing der pooten; toch vindt men den telgang van de voor
't rijden afgerichte dieren bij nadere kennismaking werkelijk licht
en bevallig. De gewone gang is een vreemdsoortige, aan steltloopen
herinnerende beweging; bovendien buigt het dier bij iederen stap den
kop op een zoo in 't oog loopende wijze naar voren en naar achteren,
dat men zich moeilijk een leelijker schouwspel kan voorstellen dan de
langzame gang van dit wangedrocht. Wanneer men echter een rijkameel
goed laat draven, maakt het logge beest den indruk van licht en schoon
te zijn, indien het tot een edel ras behoort en zonder onderbreking
de eens begonnen wijze van gaan behoudt. Aanvankelijk overtreft de
snelheid van het dravende Paard die van den dravenden Kameel; weldra
echter zal het Paard ver achterblijven, omdat het veel spoediger
dan de Kameel genoodzaakt is zijn vaart te verminderen. Als men een
Kameel gedurende de middaguren laat rusten, maar hem overigens van
den vroegen morgen tot laat in den nacht berijdt, kan men hem 16 uren
lang in den draf laten loopen en in dezen tijd zonder bezwaar een weg
van 140 KM. laten afleggen. Een goede Kameel, die behoorlijk gevoederd
en gedrenkt wordt, kan zulk een inspanning, zonder tusschenliggenden
rustdag, 3 en zelfs 4 dagen lang verduren en zal dus in dezen tijd
een reis van meer dan 500 KM. kunnen doen.

Anders is het echter gesteld met de middelmatige Kameelen en met die,
welke lasten dragen. De eerstbedoelde doorloopen in 't gunstigste
geval zonder rust een afstand half zoo groot als die, welke voor den
renkameel werd aangegeven, in den regel echter niet meer dan 50 KM. in
één dag; de laatstgenoemde leggen met een last van 150 KG. gewicht
gemiddeld 4 KM. per uur af; zij kunnen echter 12 uur achtereen,
bij uitzondering nog wel langer, marcheeren.

Drie eischen stelt de Arabier aan een goeden Dromedaris: hij moet
een zachten rug hebben, den zweep niet behoeven en bij het opstaan en
neerknielen niet schreeuwen. Alleen hij, die veel met Kameelen omgegaan
heeft, weet wat dit zeggen wil. Een gewone voor 't dragen van lasten
bestemde Kameel is het afschuwelijkste van alle rijdieren. Als het
dier stapt, wordt de ruiter volgens een vreemdsoortige booglijn min
of meer op de wijze van een beweeglijk Chineesch pagodebeeldje, op en
neer, heen en weer geschommeld. Zoodra de Kameel gaat draven, wordt
het anders. Daar de pooten in dit geval overkruis verplaatst worden,
valt de zijwaartsche schommeling weg; als de ruiter op een behoorlijke
wijze in den zadel achterover leunt, bespeurt hij van de altijd nog
hevige schokken niet meer dan wanneer hij te paard zit. Bij zeer sterke
aansporing gaat de Kameel geregeld aan 't galoppeeren. Lang kan hij
deze bewegingswijze niet volhouden; maar dit is ook niet noodig, want
gewoonlijk ligt de ruiter, die niet bijzonder vast in den zadel zit,
reeds in de eerste minuten op den grond; de Kameel draaft vroolijk
verder en vervalt hierna spoedig weder tot zijn gewonen pas. Om deze
reden heeft de Arabier zijn rijkameel er aan gewend om uitsluitend
te draven.

In bergstreken kan de in 't vlakke land opgegroeide Dromedaris
slechts in beperkte mate gebruikt worden, omdat het klimmen voor
hem zeer lastig is. Nog minder is dit dier op zijn gemak in het
water. Wanneer het er in gedreven wordt om te drinken, gaat het op
onzinnige wijze te keer. Nog veel erger stelt het zich aan, wanneer
het een grooten stroom moet overtrekken; het kan n.l. niet zwemmen
en moet toch zwemmend van den eenen oever naar den anderen gebracht
worden, omdat de veerschuiten meestal te klein zijn om het logge
dier op te nemen. Daarom dwingt men het in 't water te gaan, houdt
het aan de zijde van het vaartuig bij den kop en den staart boven
water en sleept het op deze wijze mede naar de landingsplaats.

De stem van den Dromedaris is onmogelijk te beschrijven. Gorgelen
en steunen, knorren, brommen en brullen wisselen op de zonderlingste
wijze met elkander af.

Waarschijnlijk is van alle zinnen van dit dier het gehoor het best
ontwikkeld; de gezichtszin staat, naar 't schijnt, in vele opzichten
lager en het reukvermogen is blijkbaar slecht. Daarentegen kan men
vele feiten noemen, die op fijnheid van het gevoel wijzen, terwijl
andere ons de zekerheid verschaffen, dat het smaakvermogen niet
ontbreekt. Over 't geheel genomen moet men den Kameel als een zeer
stompzinnig dier beschouwen.--Het oordeel over zijn geestvermogens
kan niet veel gunstiger luiden. Het valt niet te loochenen, dat de
Dromedaris een werkelijk verrassende geschiktheid bezit, om een mensch
onophoudelijk op ongeloofelijke wijze ergernis te geven. Domheid en
boosaardigheid gaan gewoonlijk gepaard; wanneer zich daarbij echter
nog lafhartigheid, halsstarrigheid, ontevredenheid, tegenzin in
elken verstandigen maatregel, haatdragendheid of onverschilligheid
tegenover den verzorger en weldoener en nog honderd andere ondeugden
voegen,--wanneer een schepsel al deze eigenschappen in hooge mate
bezit en uitnemend slag er van heeft om ze te laten blijken, kan het
niet uitblijven, dat een mensch, die met zulk een beest te maken heeft,
ten slotte razend wordt. Dit zal het best begrepen worden door iemand,
die door een Kameel werd afgeworpen, getrapt, gebeten, in de steppe
achtergelaten en voor den gek gehouden, nadat het dier hem dagen
en weken achtereen ieder uur met bewonderenswaardige volharding
en standvastigheid geërgerd heeft, en nadat de ruiter alle tucht-
en verbeteringsmiddelen in praktijk heeft gebracht. Dat de Kameel
een uitwaseming heeft, bij welke vergeleken de stank van een Bok een
aangename geur mag heeten, dat hij door zijn gebrul ons gehoororgaan
niet minder pijnigt, dan hij onzen neus martelt met zijn stank, of
ons oog door het onvermijdelijk gezicht op de onbeschrijfelijk domme
uitdrukking van zijn op een langen struisvogel hals rustende kop,
behoeft hier niet in aanmerking te komen; maar, dat hij met volle
bewustzijn te allen tijde juist het tegengestelde doet van hetgeen
zijn meester verlangt, is mijns inziens een voldoende reden om hem zeer
laag ontwikkeld te achten. Ik heb in Afrika bij de duizende Kameelen,
die ik kon nagaan, er maar één enkele gezien, die eenige gehechtheid
aan zijn meester toonde.

Mijn ervaring bepaalt zich echter tot de Dromedarissen van een
betrekkelijk klein gebied. Vele reizigers hebben minder onaangename
ervaringen van dit dier opgedaan; over de Dromedarissen van andere
veel grootere gewesten wordt een gunstiger oordeel geveld. Hieruit
valt af te leiden, dat deze dieren in het Zuidwesten van Azië, in
Somali-land en in de Sahara een geheel anderen aard hebben.

Na 11 à 13 maanden draagtijd werpt de wijfjes-kameel één enkel
jong. Hoewel dit reeds bij de geboorte een klein wangedrocht is, maakt
het toch, evenals alle jonge dieren, een grappigen en potsierlijken
indruk. Het heeft reeds bij de geboorte de oogen open en is met
tamelijk lang, zacht en wollig haar, dicht bekleed. De bult is
zeer klein en de eeltplekken zijn ternauwernood zichtbaar. Het is
aanmerkelijk grooter dan een pasgeboren veulen, ongeveer 1 M. hoog, na
verloop van één week echter reeds aanmerkelijk grooter. Bij het verder
groeien wordt de wollige vacht veel dichter en langer; de jonge Kameel
vertoont dan werkelijk een merkwaardige overeenkomst met den Paco,
zijn Amerikaanschen stamgenoot. Zoodra het jong droog geworden is,
volgt het zijn moeder, die het liefderijk verzorgt. Als twee wijfjes
met hare jongen bijeenkomen, spelen de kinderen op lieftallige wijze
met elkander en geven de moeders door gebaren haar goedkeuring te
kennen. Meer dan een jaar lang zoogt de Kameel haar jong en toont
gedurende dezen tijd een meer dan gewonen moed, daar zij haar spruit
soms krachtdadig verdedigt. De moeder bekommert zich alleen om haar
eigen kind, nooit echter om een vreemd veulen.

De prijs van een goeden Kameel is in verschillende gewesten zeer
ongelijk. Een uitmuntende Bischarin kost, wanneer men hem uit de
eerste hand neemt, 120 à 180 gulden, een gewone Vrachtkameel kost
zelden meer dan 54 gulden. Volgens onze begrippen is deze prijs zeer
gering; in Soedan noemt men dit een groote som.

De Kameel is onderhevig aan vele ziekten, maar deze verkrijgen alleen
op lagere breedtegraden het karakter van epizoötiën. Veel meer Kameelen
dan door ziekten om 't leven komen, bezwijken gedurende het uitoefenen
van hun beroep; slechts weinige worden geslacht. De dood van dit dier
heeft altijd iets treffends, 't zij dat het vale zand van de woestijn,
òf de slachtbank zijn laatste rustplaats is. Het vleesch van jonge
Kameelen wordt door J. Williams zeer geprezen. Van de huiden maakt
men tentbekleedingen en allerlei andere artikelen, hoewel het hiervan
bereide leder niet bijzonder sterk is; van het haar worden duurzame
weefsels vervaardigd.

De Kameelmelk is zoo dik en zoo rijk aan vet, dat het gebruik er van
tegenstaat; zij wordt daarom weinig gebruikt.

Gedurende de reizen door de woestijn, waar aan brandstof groot gebrek
is, verzamelt men 's morgens op de plaats, waar de Kameelen den
nacht hebben doorgebracht, den drek van deze dieren, die uit kleine,
rondachtige, droge, harde stukken ter grootte van walnoten bestaat,
om hem des avonds als brandstof te gebruiken. Ook in Egypte, waar
weinig hout gevonden wordt, zoekt men den drek van Kameelen, Runderen,
Paarden en Ezels zorgvuldig bijeen, kneedt er een deeg van, waarvan
ronde schijven worden gevormd, die, na in de zon gedroogd te zijn,
als brandstof dienen.

Bijna dezelfde rol, als de Dromedaris in de hierbovengenoemde landen
speelt, vervult de _Tweebultige Kameel_ (_Camelus bactrianus_) in Oost-
en Middel-Azië. Hij onderscheidt zich van den Dromedaris, doordat hij
op den rug twee bulten heeft: de eene boven de schouders, de andere
vóór het kruis. Zijn gestalte is log en plomp, de lichaamsmassa
grooter, de beharing veel overvloediger dan bij den Dromedaris,
zijn kleur is in den regel donkerder, gewoonlijk donkerbruin, in den
zomer roodachtig.

Ik betwijfel, of men den Tweebultigen Kameel als een afzonderlijke
soort mag beschouwen; er zijn redenen om hem met den Dromedaris te
vereenigen. De kruising van deze beide vormen levert geen bezwaren op;
de op deze wijze ontstaande bastaarden zijn bij paring onderling of
met een der beide stamvormen eveneens vruchtbaar. Wanneer men ze beide
als tot één soort behoorend beschouwt, moet men den Tweebultigen Kameel
als den oorspronkelijken vorm, den Dromedaris als een hiervan afgeleid
ras aanmerken, want de Kirgiezen en Mongolen zeggen van den wilden
Kameel, dat hij tweebultig is. Prshewalski heeft voor een twintigtal
jaren aangetoond, dat in Centraal-Azië werkelijk wilde, niet slechts
verwilderde Tweebultige Kameelen in grooten getale voorkomen. Zij
hebben kleinere bulten dan de Kameelen, die door den mensch gefokt
worden, en eeltplekken aan de "voorknieën"; ook door den bouw van hun
schedel verschillen zij eenigszins van de tamme vormen. Voor zoover
men weet, zijn zij over het zuiden van Dsoengarije, Oost-Toerkestan
en Tibet verbreid.

De Tweebultige Kameel wordt in alle steppenlanden van Centraal-Azië
gefokt, en wordt vooral gebruikt voor het vervoer van goederen
tusschen China en het zuiden van Siberië of Toerkestan. In Boekhara
en en Toerkmenië wordt hij allengs vervangen door den Dromedaris, die
geheel zijn plaats inneemt daar, waar de steppe de eigenaardigheden van
een woestijn aanneemt. De Kirgiezen stellen hoogen prijs op dit dier,
besteden echter minder moeite aan het fokken van deze soort van vee dan
aan de teelt van alle overige huisdieren van de steppe en gebruiken het
veel minder dan het Paard; voor de Mongolen van Oost-Azië daarentegen
is het even belangrijk als de Dromedaris voor de Arabieren. Men kent er
niet vele rassen van, maar deze verschillen aanmerkelijk van elkander
en hunne eigenaardigheden erven standvastig over.

Hoewel men zeggen mag, dat de Tweebultige Kameel in aard en
eigenschappen met den Dromedaris overeenstemt, valt het spoedig in
't oog, dat hij goedaardiger is dan deze. Gemakkelijk laat hij zich
opvangen, gewillig gehoorzaamt hij aan 't bevel van zijn meester. Toch
is hij een echte Kameel in de meest uitgebreide beteekenis van het
woord. Zijne geestvermogens staan op even lagen trap als die van den
Dromedaris; hij is even dom, onverschillig en lafhartig als deze. Een
voor zijne voeten opspringende Haas, jaagt hem soms een doodelijken
schrik op het lijf. Geheel ontsteld springt hij opzij, en rent als
zinneloos weg; al zijne soortgenooten volgen hem, zonder te weten
waarom. Een groote, zwarte steen op den weg, een hoop beenderen,
een afgevallen zadel, maken hem zoo verschrikt, dat hij geheel buiten
zinnen geraakt, en een geheele karavaan in verwarring brengt.

Op een vette weide gedijt de Tweebultige Kameel niet; om krachtig te
worden en te blijven moet hij steppenplanten hebben, die ter nauwernood
voldoende zouden zijn voor de voeding van andere dieren, b.v. alsem,
look, spruiten van allerlei heesters enz.; vooral echter heeft hij
behoefte aan zouthoudende planten.

De paartijd valt in de maanden Februari tot April; 13 maanden later
brengt het wijfje één jong ter wereld. Dit is zoo hulpbehoevend, dat
het gedurende zijne eerste levensdagen zorgvuldig gesteund, en aan de
uiers van zijn moeder gelegd moet worden; weldra echter volgt het deze
op al hare wegen, en wordt door haar zeer liefderijk behandeld. Eenige
weken na zijn geboorte begint het te eten, en wordt nu van tijd tot
tijd van de moeder gescheiden, omdat deze even goed gemolken wordt als
het overige vee van de steppe. In het tweede levensjaar boort men het
dier een gat door den neus; in deze opening wordt de toomplug gestoken,
want nu begint de africhting. In het derde jaar wordt het voor korte
ritten, in het vierde voor het dragen van lichte lasten gebruikt;
in het vijfde jaar beschouwt men het als volwassen, en voor het
verrichten van allen arbeid geschikt. Als het goed behandeld wordt,
kan het tot op 25-jarigen leeftijd dienst doen.

Een krachtige Tweebultige Kameel legt met een last van 220 KG. gewicht,
een zeer sterk exemplaar met nog 50 KG. meer, iederen dag 30 à 40
KM. af; met de helft van dezen last kan hij dravend ongeveer den
dubbelen weg doorloopen; in den zomer kan hij 2 of 3, in den winter 5
à 8 dagen lang dorst lijden; half zoo lang kan hij zonder bezwaar het
voedsel ontberen; bij langdurige reizen heeft hij slechts om de 6 à 8
dagen een rusttijd van 24 uren noodig. In de Kirgiezen-steppe wordt hij
trouwens niet uitsluitend als lastdier, maar eenspans of tweespans ook
wel als trekdier gebruikt; in landstreken, waar de bodem uit stuifzand
bestaat, neemt hij zelfs de dienst van de postpaarden over. H. Moser,
klaagt zeer over de langzaamheid van zulk een postrit en schrijft: "De
Tweebultige Kameel gaat slechts in den pas; hij schreeuwt erbarmelijk
gedurende het gaan; hoe zenuwachtig men hierdoor na verloop van eenigen
tijd wordt, kunnen alleen zij weten, wien het zeldzame geluk ten deel
is gevallen, van door deze dieren gereden te zijn."

In weerwil van al zijne gebreken, moet men toch den Tweebultigen
Kameel beschouwen als een van de nuttigste dieren, die de mensch
tot dienstbaarheid heeft gebracht. Op allerlei wijzen is hij zeer
nuttig; in de door hem bewoonde gewesten, kan hij door geen enkel
ander huisdier vervangen worden. Men trekt partij van zijn haar en
zijn melk, van zijn vel en zijn vleesch; men spant hem voor den wagen
en gebruikt hem als lastdier. Met hem trekt men door de waterlooze,
woestijnachtige steppen, waar Paarden geen dienst zouden kunnen doen;
met hem beklimt men bergen, die meer dan 4000 M. hoog zijn, en waar
alleen nog de Yak het kan uithouden. Het Paard is de metgezel, de
Tweebultige Kameel de dienaar van den bewoner der steppe.



Van de Kameelen der Nieuwe Wereld kan men, evenals van een groot aantal
andere Amerikaansche dieren zeggen, dat zij in vergelijking met hunne
verwanten in de Oude Wereld dwergen zijn. _De Lamas_ (_Auchenia_)
zijn Kameelen, maar zij staan in grootte verre ten achter bij hunne
zooeven beschreven familiegenooten. Men moet hierbij echter in 't oog
houden, dat de Amerikaansche Kameelen bewoners van bergstreken zijn
en reeds hierom niet dezelfde grootte kunnen bereiken, als hunne
verwanten in de Oude Wereld, die in de vlakte thuis behooren. De
Lamas onderscheiden zich van de eigenlijke Kameelen echter niet alleen
door hun geringere grootte, maar ook door den betrekkelijk grooten,
achterwaarts sterk teruggedrukten kop met spitsen snuit, groote ooren
en oogen, dunnen, schralen hals, hooge en slanke pooten, welker teenen
verder vaneengescheiden en slechts met onbeduidende eeltzolen voorzien
zijn, voorts door het lange, wollige haarkleed. Geen bult of bulten
op den rug; de flanken zijn nog meer ingesnoerd dan bij echte Kameelen.

De Lamas worden onderscheiden in vier verschillende vormen, die reeds
sedert oude tijden de namen _Huanaco_ of _Guanaco, Lama, Paco_ of
_Alpaca_ en _Vicuña_ dragen. Nog zijn de natuuronderzoekers het er
niet over eens, of zij alle vier dieren als oorspronkelijke soorten
moeten beschouwen, of niet. Sommige zien in den Guanaco de stamsoort
van de Lamas en de Pacos en meenen vooral steun te vinden voor hun
stelling in het feit, dat de Lama en de Guanaco zich vruchtbaar met
elkander vermengen en dat hunne bastaarden eveneens vruchtbaar zijn;
de anderen achten de geringe verschillen van gestalte belangrijk
genoeg, om de vier Lamas als afzonderlijke soorten te beschouwen,
gelijk de inboorlingen altijd gedaan hebben. Tschudi, die alle Lamas
in hun vaderland heeft kunnen nagaan, is van dezelfde meening als
de inboorlingen, en zijn beslissing heeft een tijdlang voor afdoende
gegolden. Wanneer men echter bedenkt, hoe groot de veranderingen zijn,
die door de temming in de diervormen kunnen worden teweeggebracht,
zal men ook aan de tegenovergestelde meening recht van bestaan moeten
toekennen en is het niet wel mogelijk in den Lama en den Paco iets
anders te zien, dan getemde afstammelingen van den Guanaco.

De Guanaco en de Vicuña leven ook thans nog in 't wild; de Lama en de
Paco zijn reeds sinds onheugelijke tijden huisdieren geworden. Reeds
de eerste ontdekkers van Amerika vonden beide dieren getemd; de
overlevering van de Peruanen plaatst de temming dezer dieren in het
vroegste tijdperk van 's menschen bestaan en brengt haar in verband met
het verschijnen hunner half-goden op de aarde. De eerste Spanjaarden,
die in Peru landden, vonden overal aanzienlijke Lama-kudden in het
bezit van de bewoners der bergstreken; de beschrijving, die zij van
de dieren gaven, was wel in sommige opzichten onduidelijk, maar toch
zoo uitvoerig, dat men zelfs de verschillende vormen zonder moeite er
in herkennen kan. Perdo de Cieza onderscheidt de vier soorten reeds
in 1541 zeer nauwkeurig. "Er is geen land in de wereld," zegt hij,
"waar men zulke vreemdsoortige Schapen vindt als in Peru, Chili en
eenige provinciën van La Plata. Zij behooren tot de voortreffelijkste
en nuttigste dieren, die God geschapen heeft, blijkbaar uit bijzondere
zorg voor de daar wonende lieden, die zonder dit vee niet in staat
zouden zijn, om op die plaatsen te leven. In de dalen van de vlakte
zaaien de inboorlingen katoen en maken hiervan hunne kleederen;
in het hooge gebergte en in vele andere gewesten groeit zoomin een
boom als katoen, zoodat de inboorlingen niets zouden hebben om zich
te kleeden. Daarom gaf God hun zulk een menigte van dit vee; de hevige
oorlogen met de Spanjaarden hebben het echter reeds zeer verminderd. De
inboorlingen noemen de ooien _Lamas_, de rammen _Oercos_. In grootte
komen zij met een kleinen Ezel overeen; zij hebben breede heupen en een
dikken buik; door den hals en de gestalte gelijken zij op den Kameel,
door het uitzicht op de Schapen. Deze dieren leven van de kruiden des
velds. Zij zijn zeer tam en in het geheel niet weerspannig; alleen als
zij pijn hebben, gaan zij liggen en schreeuwen als de Kameelen. De
rammen nemen gemakkelijk 2 à 3 arrobas op den rug, en hun vleesch,
dat zeer goed is, verliest niets van zijne goede eigenschappen door het
lastdragen. Er is een andere, aan deze dieren verwante vorm, dien zij
_Guanaco_ noemen. Hij heeft dezelfde gestalte, maar is grooter. Van
deze loopen talrijke kudden in de velden rond en springen zoo vlug,
dat de Hond ze bijna niet inhalen kan. Bovendien vindt men nog een
andere soort van deze Schapen, die men _Vicuñas_ noemt. Zij zijn
nog vlugger dan de Guanacos en loopen in de woestijnen rond om de
kruiden te eten, die God hier voor hen heeft laten groeien. Hun
wol is uitmuntend en even goed, ja zelfs nog fijner dan die van de
Merino-schapen. Ik weet niet, of men er laken van zou kunnen weven;
maar de stof, die voor de voornamen van dit land geweven wordt, is
bewonderenswaardig fraai. Het vleesch van de Vicuñas en Guanacos is
zeer goed; het komt in smaak overeen met schapevleesch. Eindelijk is er
nog een andere soort van tam vee, dat _Paco_ heet, maar zeer leelijk is
en lange wol heeft; het heeft ook de gestalte van de Lamas of Schapen,
maar is kleiner. De lammeren gelijken veel op de Spaansche. Zonder deze
Rammen en Schapen zou men niet in staat zijn, de vele waren van Potosi,
dat een der grootste handelsplaatsen is, heen en weer te voeren".

Uit deze opgaven blijkt duidelijk, dat in een tijdsverloop van drie
eeuwen de vier verschillende vormen van Lamas zich niet gewijzigd
hebben.

Alle Lamas zijn bewoners van de hoogvlakten van het kolossale gebergte
der Cordilleras. Zij gedijen alleen in de koude gewesten goed, en
dalen daarom alleen in het uiterste zuiden, in Patagonië, tot in de
Pampas of groote vlakten af. In de nabijheid van den Evenaar ligt
hun gewone verblijfplaats op een hoogte van 4000 à 5000 M. boven
den zeespiegel; lager dan 2000 M. gedijen zij hier niet, terwijl
daarentegen het koude Patagonië hun ook op geringere hoogte boven de
zee geschikte woonplaatsen aanbiedt. De in 't wild levende soorten
trekken zich gedurende het natte jaargetijde op de hoogste kammen en
ruggen van de gebergten terug en dalen gedurende het droge seizoen
in de vruchtbare dalen af. Zij leven tot gezelschappen vereenigd,
niet zelden in troepen van verscheidene honderden exemplaren; er
wordt ijverig jacht op dit wild gemaakt.



De _Guanaco_ of _Huanaco_ (_Auchenia huanaco_) is met de Lama het
grootste van alle Zuid-Amerikaansche land-Zoogdieren en ook een van
de belangrijkste, hoewel hij alleen in vrijen toestand voorkomt. Wat
de grootte betreft, gelijkt hij ongeveer op ons Edelhert; door
zijn gestalte is hij een zonderlinge middelvorm tusschen Kameel en
Schaap. Bij volkomen volwassene dieren bedraagt de totale lengte van
den romp 2.25 M., de lengte van den staart 24 cM., de hoogte in de
schouders 1.15 M., de hoogte van de kruin boven den grond 1.6 M. Het
wijfje is kleiner dan het mannetje, maar volkomen gelijk van gestalte
en van kleur. Een tamelijk lange, overvloedige, maar losse vacht
bedekt het lichaam. De beharing bestaat uit kort, fijn wolhaar met
dunner en langer bovenhaar. De algemeene kleur is vuil roodbruin; het
midden van de borst, het onderlijf en de aars, alsmede de binnenzijde
van de ledematen zijn witachtig.

De Guanaco is verbreid over de Cordilleras, van de boschrijke eilanden
van Vuurland tot aan het noorden van Peru. Vooral in het zuidelijk
gedeelte van het gebergte is hij veelvuldig.

Deze dieren leven gezellig in troepen. Meijen zag er van 7 tot 100
stuks aan beken grazen. De kudde bestaat gewoonlijk uit vele wijfjes
en slechts één volwassen mannetje.

Alle bewegingen van den Guanaco zijn snel en vlug, hoewel niet zoo
snel, als men zou vermoeden. In de vlakte haalt een goed Paard den
vluchtenden troep weldra in; aan gewone Honden kost het echter moeite,
hem te volgen. Hun loopen bestaat uit een korten, sleependen pasgang;
de lange hals wordt bij versnelde vlucht uitgestrekt. De Guanaco kan
uitmuntend klimmen; hij loopt als een Gems langs de steilste hellingen
en afgronden, zelfs daar waar de meest geoefende bergbestijger
geen vasten voet kan krijgen, en kijkt met onverschilligheid in de
diepte. In den toestand van rust ligt het dier evenals de Kameel
op de borst en de pooten; evenals deze gaat het liggen en staat het
op. Terwijl het rust, herkauwt het op een droomerige wijze.

Gewoonlijk zijn de Guanacos wild en zeer schuw. Het mannetje, dat als
hoofd van de kudde optreedt, staat bijna altijd eenige schreden van
den troep verwijderd en houdt met groote voorzichtigheid de wacht,
terwijl de overige dieren onbekommerd grazen. Bij het geringste gevaar
laat hij een luid hinnekend geblaat hooren; alle leden van de kudde
heffen oogenblikkelijk de koppen op, kijken scherp in alle richtingen
en gaan daarna schielijk op de vlucht.

De paartijd valt in de maanden Augustus en September. Veelvuldige
gevechten tusschen de mannetjes, die om de heerschappij strijden,
gaan er aan vooraf. Na 10 à 11 maanden draagtijd werpt het wijfje een
volkomen ontwikkeld, behaard jong, dat de oogen open heeft; zij zoogt
het 4 maanden lang, bewaakt het zorgvuldig, behandelt het met groote
teederheid en houdt het bij zich, totdat het geheel volwassen is.

De Guanaco verdedigt zich tegen zijne soortgenooten door te slaan
en te bijten; alle niet al te onbeduidende vijanden ontvlucht hij
daarentegen vol vrees, zonder aan tegenweer te denken. Als hij
gewend geraakt is aan menschen en huisdieren, wordt hij driester,
valt soms stoutmoedig een tegenstander aan en tracht hem te bijten
of te slaan. Dikwijls maakt hij gebruik van een eigenaardige wijze
van verdediging, die bij alle Lamas waargenomen wordt: hij laat zijn
tegenpartij dicht bij zich komen, legt de ooren in den nek, trekt
een zeer boos gezicht en spuwt den vijand nu plotseling met geweld
zijn speeksel en de kruiden, die hij toevallig in den mond heeft,
of opzettelijk voor dit doel uit de pens naar boven perst in 't gelaat.

Van alle vijanden dezer dieren is de mensch het meest te vreezen;
tegen den aanval van andere zijn zij door hun snelheid gevrijwaard. Of
de Condor hen werkelijk zooveel schade doet, als gezegd wordt, laten
wij in 't midden blijven. De Zuid-Amerikanen zijn hartstochtelijke
liefhebbers van de Guanaco-jacht, daar deze wegens het smakelijke
vleesch en goed bruikbare vel een aardige verdienste oplevert.

In het gebergte zoowel als in de vlakte vangt men niet zelden
Guanacos om ze te temmen. Zoolang zij jong zijn, gedragen zij
zich allerliefst. Zij zijn dan gezellig en aanhankelijk, volgen hun
meester als een Hond, en laten zich als lammeren behandelen. Hoe ouder
zij echter worden, des te geringer worden hunne genegenheid voor en
gehechtheid aan den mensch. De gevangen dieren kunnen gemakkelijk met
hooi, gras, brood en graan in 't leven gehouden worden, ook in Europa,
waar zij zich zelf voortplanten, wanneer men ze goed verzorgt.

De _Lama_, eigenlijk _Llama_ (_Auchenia lama_), wordt hoofdzakelijk
in Peru gevonden en gedijt daar het best op de hoogvlakten. Hij wordt
een weinig grooter dan de Guanaco en is gekenmerkt door de eeltplekken
aan de borst en aan de voorzijde van het polsgewricht. De kop is smal
en kort, de lippen zijn behaard, de ooren kort, de zolen groot. De
kleur biedt groote verschillen aan: er zijn witte, zwarte, bonte,
roodbruin en witgevlekte, donkerbruine, okerkleurige, vuurroode en
andere. Het volwassen dier bereikt een hoogte van 2.6 à 2.8 M., van de
zool tot de kruin gemeten; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.2 M.

Acosta verhaalt, dat de Indianen geheele kudden van "deze Schapen,"
als lastdieren bevracht, over het gebergte leiden, dikwijls troepen
van 300 à 500, ja soms van 1000 stuks. "Ik heb mij er dikwijls over
verwonderd," zegt hij verder, "dat ik deze kudden Schapen, die beladen
zijn met 2000 à 3000 zilveren baren, die meer dan 300.000 dukaten
waard zijn, zonder eenige ander geleide zag dan eenige Indianen, die
de Schapen drijven, beladen en ontladen, en bovendien hoogstens nog
eenige Spanjaarden. Zij slapen alle nachten te midden van de vlakte
en toch is er op dezen langen weg nog nooit iets verloren geraakt;
zoo groot is de veiligheid in Peru. Op rustplaatsen, waar bronnen en
weidegronden zijn, worden de dieren van hun last bevrijd; hier zetten
de geleiders tenten op, koken voedsel en gevoelen zich op hun gemak
ondanks den langen duur van de reis. Als deze slechts één dag duurt,
moet ieder Schaap 8 arrobas (92 KG.) dragen en er een weg van 8 à 10
leguas (29 à 36 KM.) mede afleggen; dit moeten echter alleen die Lamas
doen, welke aan de arme, door Peru zwervende soldaten toebehooren. Al
deze dieren houden van de koele lucht; zij houden zich goed in het
gebergte; in de vlakte sterven zij echter van de hitte. Soms zijn zij
geheel bedekt met rijp en ijs en blijven toch gezond. De kortharige
geven dikwijls aanleiding tot gelach. Soms blijven zij plotseling
onderweg stil staan, steken den hals omhoog, kijken de menschen zeer
opmerkzaam aan, en blijven langen tijd onbeweeglijk, zonder vrees
en ontevredenheid te toonen. Een anderen keer worden zij plotseling
schichtig, en rennen met hun last op de hoogste rotsen, zoodat men
ze naar beneden moet schieten, om de zilveren baren niet te verliezen."

Alleen de mannetjes worden voor het dragen van lasten gebruikt,
de wijfjes dienen uitsluitend als fokdieren. "Er is geen schooner
schouwspel," zegt Stevenson, "dan een stoet van deze dieren, die,
ieder met een vracht van ongeveer een centenaar op den rug, achter
elkander in de grootste orde voortloopen, aangevoerd door één hunner,
die met een smaakvol opgeschikten halsband, een klokje en een vaantje
op den kop versierd is. Zoo trekken zij langs de besneeuwde toppen
der Cordilleras, of langs de zijden van het gebergte, en volgen wegen,
die zelfs voor Paarden en Muildieren moeielijk begaanbaar zouden zijn;
toch zijn zij zoo gehoorzaam, dat hunne drijvers zoo min prikstokken
als zweepen noodig hebben, om ze te besturen en vooruit te doen
gaan. Rustig en zonder ophouden vervolgen zij hun weg, tot zij het
doel bereikt hebben."

Meijen acht de Lamas voor de Peruanen even belangrijk, als de
Rendieren voor de Laplanders. Op de hoogvlakten leven ontzaglijk groote
kudden van deze dieren. Alle Lama-soorten werpen slechts één jong,
dat ongeveer 4 maanden lang gezoogd wordt, bij de eigenlijke Lamas
gewoonlijk iets langer.

Dezelfde onderzoeker bericht, dat de beteekenis en ook de prijs van de
Lamas, sedert het in gebruik komen van de Eénhoevigen aanmerkelijk
afgenomen is, voorts, dat de Lamakudden soms ontzettend veel te
lijden hebben van ziekten, en hierdoor in verbazend grooten getale
worden weggemaaid.

Tegenwoordig ziet men den Lama in nagenoeg alle dierentuinen. Als
hij met andere dieren van zijn soort bijeengehouden wordt, schijnt
hij veel vriendelijker te zijn, dan wanneer hij alleen is, en zich
verveelt. Met zijne soortgenooten, en met dieren van verwante soorten,
leeft hij in zeer goede verstandhouding; vooral het mannetje en het
wijfje zijn innig aan elkander gehecht. Zij herkennen de personen,
die hen verzorgen, en behandelen deze tamelijk goed; tegenover
vreemde menschen gedragen zij zich evenwel als echte Kameelen,
d. w. z. voortdurend toonen zij een zeer slecht humeur en een
groote prikkelbaarheid. In de diergaarde te Berlijn was een Lama,
die bijzonder onaardig was; aan het hek, dat zijn perk omgaf, hing
een opschrift, inhoudende het verzoek om den Lama niet te plagen,
dat natuurlijk een geheel tegenovergestelde uitwerking had, en ieder
scheen aan te sporen om zich met dit dier meer dan met een ander te
bemoeien. Dit bracht teweeg, dat het voortdurend in een toestand van
opgewondenheid verkeerde. Zoodra iemand het hok naderde, was het uit
met de gemoedsrust van den Lama; hij hield dan op met herkauwen,
legde de ooren in den nek, keek den vreemdeling stijf aan, ging
plotseling regelrecht op hem af, en spuwde naar hem. Op soortgelijke
wijze gedroegen zich ook de overige Lamas, die ik zag, of zelf hield;
zonder overdrijving kan ik zeggen, dat ik er nooit één heb leeren
kennen, die zachtzinnig of goedaardig genoemd kon worden.



De derde vorm van deze groep, de _Paco_ of _Alpaca_ (_Auchenia pacos_),
is kleiner dan de Lama; hij gelijkt door zijn lichaamsbouw op een
Schaap, maar heeft een langeren hals en een sierlijker kop; zijn
vacht is zeer langharig en buitengewoon zacht; op sommige plaatsen,
b.v. aan de zijden van den romp, heeft het haar een lengte van 10 à
12 cM. De kleur is meestal geheel wit of effen zwart; er bestaan ook
bontgevlekte exemplaren.

De Pacos worden in groote kudden bijeengehouden, die het geheele jaar
door op de hoogvlakten grazen; alleen als zij geschoren zullen worden,
drijft men ze naar de hutten. Er bestaat misschien geen weerspanniger
dier dan dit. Als er een van de kudde wordt gescheiden, gaat het op den
grond liggen en is zoomin door zachtheid, als door slagen te bewegen
om weer op te staan. Het verduurt liever de hevigste kastijdingen en
zelfs den pijnlijksten dood, dan dat het gehoorzaamt. Om één van deze
dieren te vervoeren, is men genoodzaakt het te voegen bij een kudde
van Lamas en Schapen. De Indianen vervaardigen van de wol der Pacos
en Lamas sedert overoude tijden wollen dekens en mantels.

Herhaaldelijk heeft men getracht den Europeeschen veestapel met
Alpacas te verrijken; de uitslag heeft echter niet aan de verwachting
beantwoord; tot dusver zijn alle pogingen in deze richting jammerlijk
mislukt. Evenals in Europa schijnt het in Australië te zijn gegaan,
hoewel de proeven daar op grooter schaal genomen werden. De Alpacas
zijn tegen weer en wind bestand en tamelijk bescheiden in hunne
eischen. Behalve uitmuntende wol, waarvan de prijs reeds aan de
westkust van Amerika ongeveer 180 gulden per centenaar bedraagt,
leveren zij bijzonder smakelijk vleesch. Voor het dragen van lasten
worden zij niet gebruikt in hun vaderland, waar zij alleen om hun
vleesch en hun wol gefokt worden. Van de wol maken de Indianen op
zeer kunstige wijze tafelkleeden en andere nuttige zaken, die zich
bijzonder onderscheiden door duurzaamheid en fraaien glans. De Incas
of vroegere vorsten van Peru hadden knappe wevers in hun dienst;
de bekwaamste woonden aan het Titicaca-meer.



"Sierlijker dan de Lama," zegt Tschudi, "is de _Vicuña_ (_Auchenia
vicugna_). Door zijn grootte staat hij tusschen den Lama en den Paco
in; van beide verschilt hij echter door de veel kortere en gekroesde
wol, die door fijnheid uitmunt. De kruin, de bovenzijde van den
hals, de romp en de bovenste gedeelten van de ledematen hebben een
eigenaardige, roodachtig gele kleur (vicuña- of vigogne-kleur); de
benedenzijde van den hals en de binnenste oppervlakte van de ledematen
zijn okerkleurig; de 12 cM. lange borstharen en het onderlijf zijn wit.

"Gedurende het natte jaargetijde bewonen de Vicuñas de kammen der
Cordilleras, waar de plantengroei zeer schaars is. Omdat hunne hoeven
zacht en gevoelig zijn, blijven zij altijd op de weideplaatsen en
nemen, zelfs wanneer zij vervolgd worden, nooit de wijk naar de
steenachtige, naakte toppen en nog veel minder, gelijk onze Gemzen,
naar de gletschers en sneeuwvelden. In het heete jaargetijde begeven
zij zich omlaag naar de dalen. Het schijnt wel vreemd, dat deze
dieren in den winter de koude, in den zomer de warmere gewesten
opzoeken; deze handelwijze wordt echter verklaarbaar, wanneer men
weet, dat gedurende het droge jaargetijde de hoogere gedeelten van
de Cordilleras volkomen uitgedroogd zijn, en de toch al niet zeer
overvloedige plantengroei dan alleen in de dalen, waar bronnen en
moerassen voorkomen, een voldoend voedsel aan den Vicuña verschaft.

"In de maand Februari werpt ieder wijfje een jong, dat dadelijk na de
geboorte bewijzen geeft van flinke ontwikkeling en vlugheid. De jonge
mannelijke Vicuñas blijven bij hun moeder, totdat zij volwassen zijn;
dan komen echter alle wijfjes van de kudde bijeen om de mannetjes door
bijten en schoppen te verdrijven. Deze vormen dan afzonderlijke benden,
die zich met elkander vereenigen en zóó kunnen aangroeien tot troepen
van 20 à 30 stuks.

"Soms treft men ook alleen-levende Vicuñas aan, die men gemakkelijk
naderen, en als zij de vlucht nemen, na een korte galoppade inhalen
en met den lasso (of werpstrik) of met de bolas (of werpkogels) vangen
kan. De Indianen beweren, dat deze dieren zoo tam zijn, omdat zij last
hebben van Wormen. Van de volslagen juistheid van deze bewering hebben
wij ons persoonlijk overtuigd; bij het onderzoeken van de ingewanden
van een dergelijk dier vonden wij, dat de buikspeekselklier en de lever
letterlijk wemelden van Ingewandswormen. Met de Indianen zijn wij van
oordeel, dat deze ziekte toegeschreven moet worden aan de vochtige
weiden, die de Vicuñas bezoeken; want de ervaring heeft geleerd,
dat deze dieren bijna uitsluitend gedurende het natte jaargetijde
aan wormziekte lijden."

Jong gevangen Vicuñas kunnen gemakkelijk getemd worden en gedragen
zich zeer vriendschappelijk tegenover hun verzorger; zij zijn zeer
aan hem gehecht en loopen hem overal na; op lateren leeftijd echter
worden zij boosaardig, evenals hunne verwanten, en door het aanhoudend
spuwen onverdragelijk.

Reeds in Acosta's tijd schoren de Indianen de Vicuñas en maakten
van de wol kostbare dekens, die op witte zijden stoffen geleken en
zeer duurzaam waren, omdat zij niet geverfd behoefden te worden. De
van deze stoffen vervaardigde kleederen waren vooral gedurende het
warme weder zeer doelmatig. Nog tegenwoordig weeft men zeer fijne en
duurzame stoffen van deze wol en maakt er door vervilting zeer goede,
zachte hoeden van.



De derde familie van de Herkauwers wordt gevormd door de _Holhoornigen_
(_Bovidae_); zij kan zeer duidelijk van de overige familiën
onderscheiden worden, hoewel hare leden onderling nog zooveel verschil
aanbieden, dat men genoodzaakt is haar in vier onderfamiliën te
verdeelen. De Herten, welker overeenkomst met de Holhoornigen duidelijk
in 't oog loopt, zijn er echter gemakkelijk van te onderscheiden
door den vorm, de samenstelling en de ontwikkelingswijze der hoornen,
die bij deze doorgroeien, bij gene ieder jaar afgeworpen worden. De
beenwoekeringen aan het voorhoofd van de Holhoornigen loopen aan
den top spits toe en zijn door een hoornscheede blijvend omgeven;
de beenpit groeit van onderen voortdurend aan en verkrijgt een
grootere lengte; bovendien heeft het onderste en jongste gedeelte
de grootste dikte. Naarmate de beenpit groeit, vormt zich aan haar
oppervlakte voortdurend een nieuwe hoornmassa, die door de reeds
vroeger gevormde nauw omsloten blijft. De opperhuidsvormingen, die
de op het voorhoofdsbeen rustende beenpit bedekken, worden bij de
Holhoornigen echter niet zooals bij de Herten afgeworpen, daar de
kegelvormige gedaante van de aanrakingsoppervlakte van beenpit en
hoornscheede en de samenhang tusschen de oude en de nieuwe hoornlagen
het afvallen verhinderen. Andere kenmerken van deze familie zijn het
volslagen gemis van snij- en hoektanden in de bovenkaak; het voorste
gedeelte van de onderkaak bevat een aaneensluitende reeks van 8 tanden,
waarvan de 6 middelste als snijtanden worden beschouwd, terwijl de
beide buitenste, welk in vorm niet van de overige verschillen, als
hoektanden worden aangemerkt. Bovendien worden in elke helft van elke
kaak zes kiezen gevonden.

Behalve van het gebit en van de hoornen kan van de Holhoornigen niets
in 't algemeen gezegd worden. Hun lichaamsbouw is zeer verschillend;
tot deze familie behooren zoowel plompe en kolossale, als buitengewoon
lichte en sierlijke vormen. De vorm der hoornen en der hoeven, de
lengte van den staart, het haarkleed en de kleur wisselen af binnen
wijde grenzen.

Evenveel verscheidenheid als de gestalte biedt ook de levenswijze van
de Holhoornigen aan. Zij zijn bijna over de geheele aarde verbreid,
met uitzondering van Australië en Zuid-Amerika; door vele soorten
vertegenwoordigd, bewonen zij alle breedte- en hoogtegordels en
allerlei terreinen, de doodsche woestijn zoowel als de weelderig
groeiende tropische wouden, het moerassige laagland niet minder dan
de met gletschers bedekte gebergten. Verreweg de meeste soorten
leven gezellig; niet weinige vereenigen zich tot groote kudden;
eenige vormen, althans tijdelijk, scharen, die wat het aantal
individuën betreft, bij de Zoogdieren hoogstens overtroffen kunnen
worden door de vereenigingen van sommige soorten van Knaagdieren. In
overeenstemming met hun verschillende gestalte, is de beweging van
sommige plomp en onbeholpen, van andere hoogst behendig en vlug;
in verband met hunne verblijfplaatsen zwemmen sommigen zeer goed en
kunnen andere uitmuntend klimmen.

Voor den mensch hebben de Holhoornigen een veel hoogere en
belangrijkere beteekenis dan alle overige Herkauwers, met
uitzondering alleen van de Kameelen. Aan de Holhoornigen ontleende
hij zijne nuttigste huisdieren, die een groot deel van zijn voedsel
en grondstoffen voor zijne kleeding voortbrengen, en voor zijn
tegenwoordige wijze van leven onmisbaar geworden zijn. Ook de nog
ongetemde soorten van de familie zijn over 't geheel genomen eer
nuttig dan schadelijk; daar de inbreuk, die zij maken op hetgeen wij
ons eigendom noemen, ons niet zoo gevoelig treft, als het nadeel,
dat andere groote dieren veroorzaken; terwijl zij door hun vleesch,
dat bijna zonder uitzondering smakelijk is, door hun vel, hun haar,
hunne hoornen de schade, die zij aanrichten, min of meer--in sommige
gevallen zelfs ruimschoots--vergoeden.

De vier _onderfamiliën_, waarin wij de Holhoornigen verdeelen,
duiden wij aan door de namen _Bokken_, _Schaaprunderen_, _Runderen_
en _Antilopen_.



De beide geslachten van de onderfamilie der _Bokken_ (_Caprinae_)
n.l. de Bokken en de Schapen, zijn zoo nauw aan elkander verwant,
dat het nagenoeg onmogelijk schijnt, algemeen geldende kenmerken op
te geven, waardoor zij zich van elkander onderscheiden.

Alle hiertoe behoorende soorten zijn in vergelijking met de andere
Herkauwers slechts middelmatig groot; hun lichaamsbouw is krachtig,
ten deele zelfs plomp; zij hebben een korten hals en meestal ook
een ineengedrongen kop, korte, stevige pooten met betrekkelijk
stompe hoeven en een ronden of breeden, van onderen naakten staart;
hun ooren zijn kort of althans niet meer dan middelmatig lang, hunne
oogen tamelijk groot met een dwars geplaatste, langwerpig vierhoekige
pupil; de hoornen zijn min of meer samengedrukt en hoekig, achter-
en zijwaarts gericht, niet zelden schroefsgewijs gedraaid, zeldzamer
liervormig, dikwijls met dikke opzwellingen voorzien; zij komen
zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes voor; bij deze zijn zij
echter aanmerkelijk kleiner dan bij gene. Het dofgekleurde haarkleed
is zeer dicht en bestaat uit lang bovenhaar, waartusschen het zeer
overvloedige wolhaar groeit.

De Bokken zijn hoofdzakelijk over het noordelijke rijk van de Oude
Wereld verbreid; zij ontbreken geheel in drie faunistische rijken,
nl. in het Zuid-Amerikaansche, het Ethiopische en het Australische;
in ieder van de beide andere rijken, in het Oostersche en in het
Noord-Amerikaansche, wordt deze diergroep slechts door één soort
vertegenwoordigd.



De stevige en krachtige romp der _Geiten_ (_Capra_) die zeer zeker
de hoogste plaats in deze onderfamilie moeten innemen, rust op
gespierde, niet zeer hooge pooten; de hals is ineengedrongen,
de kop betrekkelijk kort en breed aan het voorhoofd; de staart,
die gewoonlijk omhooggericht gedragen wordt, is driehoekig en aan
de onderzijde onbehaard. De oogen zijn groot en levendig; de ooren
staan overeind; zijn smal toegespitst en zeer beweeglijk. De hoornen,
welker dwarse doorsnede, behoudens de afgeronde hoeken, den vorm
heeft van een vierhoek of van een gelijkbeenigen driehoek, en die
van voren met dwarsgerichte zwellingen (groeiringen) voorzien zijn,
vertoonen duidelijk afdeelingen, die de jaarlijksche vergrootingen
aanduiden; zij komen zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes
voor; zij zijn eenvoudig halvemaanvormig naar achteren gebogen, of
bovendien nog aan de spits liervormig buitenwaarts gekromd. Bij de
Bokken zijn zij steeds veel forscher dan bij de Geiten. Het haarkleed
is uit twee bestanddeelen samengesteld: de fijnere wol wordt door het
grovere bovenhaar bedekt. Bij verscheidene soorten ligt het bovenhaar
tamelijk dicht tegen het lichaam aan, bij andere verlengt het zich
op sommige plaatsen bij wijze van manen; bij de meeste ook aan de
kin tot een stijven baard. Altijd is de kleur van de vacht dof,
overeenkomend met die van den grond of van de rotsen, meestal bruin
of grijs. Een duidelijk merkbare eigenschap van deze dieren, en om
deze reden vermeldingswaardig, is voorts de doordringende reuk, dien
zij verbreiden en waarmede zij ons reukzintuig onaangenaam aandoen.

De in 't wild levende Geiten bewonen Middel- en Zuid-Azië, Europa
en Noord-Afrika; de getemde soorten zijn over de geheele wereld
verbreid. In den regel houden zij zich op in de bergstreken, vooral
in de hooge gebergten, waar zij eenzame, niet door menschen bewoonde
oorden opzoeken. De meeste soorten gaan tot boven de grens van de
eeuwigdurende sneeuw. Zonnige, droge, met gras begroeide plekjes,
ijle bosschen, zacht glooiende en steile berghellingen, alsmede
kale klippen en rotsen, die zich boven de eeuwigdurende sneeuw- en
ijsmassas verheffen, zijn hare standplaatsen. Alle soorten houden
van gezelligheid. Het zijn lenige vlugge, onrustige, schrandere
en speelsche dieren. Aanhoudend loopen en springen zij; alleen
gedurende het herkauwen blijven zij bedaard op een en dezelfde plaats
liggen. Alleen oude mannetjes leiden dikwijls een kluizenaarsleven;
de overige blijven steeds trouw vereenigd met andere dieren van hun
soort. Hoewel zij des nachts zoowel als des daags in beweging zijn,
geven zij toch de voorkeur aan den dag. Hunne eigenaardigheden
openbaren zij aanhoudend. Zij zijn buitengewoon behendig in 't
klimmen en springen en geven hierbij bewijzen van moed, overleg en
vastberadenheid, die werkelijk bewonderenswaardig zijn. Met vasten tred
overschrijden zij de gevaarlijkste plaatsen in het gebergte, worden
door geen duizeling bevangen bij 't staan op de smalste kammen, en
kijken onverschillig in de diepste afgronden; onbezorgd, ja zelfs met
verregaande vermetelheid wagen zij zich op bijna loodrecht af hellende
wanden, om er te grazen. Naar verhouding van hun grootte bezitten zij
een merkwaardig groote kracht en een verwonderlijke onvermoeidheid;
hierdoor zijn zij bijzonder geschikt om een arm gebied te bewonen,
waar ieder blaadje, ieder grassprietje met moeite en strijd veroverd
moet worden. Plaagziek en speelsch in hun onderling verkeer, zijn zij
voorzichtig en schuw tegenover andere wezens; zij vluchten gewoonlijk
bij het geringste geraas hoewel men niet met zekerheid kan zeggen,
dat het vrees is, die hen op de vlucht drijft, want in geval van nood
strijden zij moedig en dapper; zij toonen zelfs een zekere vechtlust,
die hun zeer goed staat.

Het voedsel van de Geiten bestaat uit saprijke bergplanten van
allerlei soort. Als echte lekkerbekken zoeken zij steeds de beste
hapjes uit. Water is voor haar een behoefte, daarom vermijden zij
gewesten, waar zoomin bronnen als beken voorkomen.

Het aantal jongen wisselt af van 1 tot 4; alle in 't wild levende
soorten werpen er slechts twee, de getemde slechts in zeer zeldzame
gevallen vier. De Geitjes komen goed ontwikkeld en met geopende oogen
ter wereld en zijn reeds na weinige minuten in staat om de ouden te
volgen. De in 't wild levende Geiten loopen op den eersten levensdag
even vermetel en veilig in het gebergte rond als hare ouders.

Men kan gerust zeggen, dat alle Geiten nuttige dieren zijn. De schade,
die zij aanrichten, komt slechts in weinige landen in aanmerking; haar
nut is daarentegen zeer groot, vooral daar, waar deze dieren den mensch
in staat stellen om nog eenig voordeel te trekken uit den schralen
plantengroei van gewesten, die anders niets zouden opleveren. De kale
bergen van het zuiden van ons werelddeel zijn letterlijk bedekt met
kudden Geiten, die ook nog kunnen grazen op hellingen, waar de voet
van den mensch geen betrouwbaar steunpunt zou vinden. Van de wilde
soorten kan men bijna alles gebruiken: vleesch en vel, hoorn en haar;
de tamme Geiten zijn niet slechts de liefste vrienden van den arme,
maar ook bijna de eenige melkvoortbrengers der zuidelijke landen.

Het is moeielijk de soorten van wilde Geiten van elkander te
onderscheiden, omdat zij onderling veel overeenkomst vertoonen; ook
zijn er vele bezwaren verbonden aan het nagaan van de levenswijze
dezer dieren. Deze soorten kunnen gegroepeerd worden in verscheidene
ondergeslachten, van welke wij er twee, n.l. de _Steenbokken_
en de _Geiten_ (in de meest beperkte beteekenis van het woord),
zullen beschrijven.



De _Steenbokken_ (_Ibex_) bewonen de gebergten, en vestigen zich
hier op hoogten, waar andere groote Zoogdieren niet zouden kunnen
leven. Slechts weinige Herkauwers volgen hen op de hoog gelegen
weiden, waar zij jaar in jaar uit grazen; hoogstens gedurende den
ijzigen winter dalen zij naar eenigszins lagere oorden af. Uit deze
levenswijze vloeit voort, dat elke soort van Steenbokken slechts een
zeer beperkt verbreidingsgebied heeft. Sommige natuuronderzoekers zijn
van meening, dat niet alleen de Europeesche leden van deze groep,
maar zelfs de Steenbokken in 't algemeen één enkele soort uitmaken;
wij willen voorloopig liever de verschillende vormen als soorten
beschouwen. Als wij dit doen, is het ondergeslacht der Steenbokken
tamelijk rijk aan soorten. Alleen in Europa zijn er drie: de eene
(_Capra ibex_) bewoont de Alpen, de tweede (_Capra pyrenaica_) de
Pyreneeën en andere Spaansche gebergten, de derde (_Capra caucasica_)
den Kaukasus. Bovendien komt een vierde Steenboksoort in Siberië, een
vijfde in Arabië, een zesde in Abessinië, een zevende, op den Himalaja
voor. Al deze dieren gelijken veel op elkander, wat gestalte en kleur
betreft, en verschillen onderling hoofdzakelijk door de hoornen en
den baard aan de kin. Overgangen van den eenen vorm tot den anderen
zijn echter nog niet waargenomen. Daarom moeten de genoemde vormen
voorloopig wel als verschillende soorten aangemerkt worden.



De _Alpensteenbok_ (_Capra ibex_) is een fier, indrukwekkend
en prachtig schepsel van 1.5 à 1.6 M. lichaamslengte, 80 à 85
cM. schouderhoogte en 75 à 100 KG. gewicht. Men kan het hem aanzien,
dat hij sterk en onvermoeid is. De romp is ineengedrongen, de hals
middelmatig lang, de kop betrekkelijk klein, maar aan het voorhoofd
sterk gewelfd; de pooten zijn krachtig en middelmatig hoog; de
hoornen, die bij beide seksen voorkomen, hebben bij oude bokken een
zeer aanmerkelijke grootte en dikte; zij krommen zich in één vlak
boogvormig of halvemaanswijs scheef naar achteren. Aan den wortel,
waar de hoornen het dikst zijn, staan zij zeer dicht bij elkander;
van hier te beginnen wijken zij hoe langer hoe verder uiteen,
terwijl zij tevens naar de spits toe allengs dunner worden. Hun
dwarse doorsnede is een langwerpige, aan de achterzijde slechts
weinig versmalde vierhoek, die smaller wordt, naarmate men de spits
nadert. De groeiringen zijn vooral aan de voorzijde in den vorm van
dikke, uitpuilende opzwellingen of knobbels zichtbaar, strekken zich
over de zijvlakken van den hoorn uit, maar verheffen zich hier minder
sterk dan aan de voorvlakte. Naar den wortel en naar de spits nemen zij
allengs in hoogte af; in het midden van den hoorn zijn zij het hoogst;
ook zijn zij hier het dichtst opeengedrongen. De hoornen kunnen een
lengte van 80 à 100 cM. en een gewicht van 10 à 15 KG. bereiken. De
hoornen van het wijfje gelijken meer op die van het wijfje van de
Huisgeit dan op die van den mannelijken Steenbok.

Het haarkleed is ruig en dicht, maar verschilt naar den tijd van
't jaar: in den winter is het haar langer, grover, meer gekroesd en
doffer, in den zomer korter, fijner en glanziger; gedurende het ruwe
seizoen is het gemengd met dicht wolhaar, hetwelk uitvalt, naarmate
de temperatuur toeneemt. Behalve aan het achterste deel van den hals
en in den nek, waar de haren tot manen aangroeien, verlengen zij zich
bij het volwassen mannetje ook aan den achterkop; eveneens geschiedt
dit aan de onderkaak; hier vormen zij echter hoogstens een kort sikje
van niet meer dan 5 cM. lengte, dat bij de jonge bokken en bij de
geiten geheel ontbreekt. De kleur is een weinig verschillend naar
leeftijd en jaargetijde. In den zomer heeft de roodachtig grijze,
in den winter de geelachtig grijze of vale kleur de overhand.

Reeds voor honderden van jaren was het aantal Steenbokken zeer
gering. Indien er in de vorige eeuw geen bijzondere maatregelen
waren genomen om ze te behouden, zou er misschien geen meer van over
zijn. Volgens oude berichten bewoonden zij in vroegere tijden alle
hooge Alpen van Zwitserland; in het voorhistorische tijdvak hielden
zij zich, naar het schijnt, ook nog in de Voor-Alpen op. Gedurende
de heerschappij der Romeinen moeten zij veelvuldig geweest zijn, daar
aan de kampspelen te Rome niet zelden 100 of 200 levende Steenbokken
deelnamen. Reeds in de 15e eeuw waren deze dieren in Zwitserland
zeldzaam.

In Salzburg en Tirol werden de Steenbokken waarschijnlijk eerst
omstreeks het midden van de 16e eeuw ingevoerd. Zij konden er slechts
gedurende korten tijd blijven bestaan. Wilddieven van de gevaarlijkste
soort vervolgden hen met zulk een ijver, dat de eigenaar van de jacht
in het door hen bewoonde gebied zich in het jaar 1561 met een verzoek
om bescherming tot zijn vorst, den aartsbisschop van Salzburg richtte,
die eindelijk in 1584 het jachtrecht overnam. Hij en zijne opvolgers
wendden verschillende middelen aan, om de uitroeiing van de edele
dieren te verhoeden. Zij namen een viermaal zoo groot aantal jagers
in dienst en stelden opzichters over het wild aan, die kleine hutten
op de hooge Alpen bewoonden. Zij lieten jonge Steenbokken opvangen,
die in diergaarden grootgebracht werden, daar de aartsbisschoppen
Steenbokken aan buitenlandsche hoven ten geschenke zonden. In het
jaar 1694 was de wildstand toegenomen tot 72 bokken, 83 geiten en 24
jongen. De wilddieven begonnen nu echter op nieuw groote schade aan
te richten; daarom liet men de dieren opvangen, om ze naar een andere
plaats over te brengen of ze weg te geven. In het jaar 1706 werden 5
Bokken en 7 Geiten gevangen; na dien tijd zag men er geen enkele meer.

Evenals in de reeds genoemde deelen der Alpen namen de Steenbokken
ook in de zuidelijke takken van dit gebergte zoo schielijk in
aantal af, dat Zummstein reeds in het jaar 1821 bij de regeering
van Piëmont ten sterkste aandrong op maatregelen tot bescherming
van deze wildsoort. Hij wist te bewerken, dat er een streng verbod
werd uitgevaardigd tegen het jagen van dit edele wild. Aan deze
verbodsbepaling is het te danken, dat de Steenbok hier nog niet geheel
uitgestorven is, maar, zij het dan ook op een zeer beperkt gebied,
nog steeds is blijven bestaan.

De Steenbokken vormen benden, die uit een zeer verschillend aantal
exemplaren kunnen bestaan; de oude bokken maken er alleen gedurende
den paartijd deel van uit, maar leiden gedurende de overige maanden
van 't jaar een kluizenaarsleven. De wijfjes en de jongen houden zich
gedurende alle jaargetijden in lagere gedeelten van het gebergte op dan
de bokken, die zulk een voorliefde voor hooggelegen plaatsen hebben,
dat alleen gebrek aan voedsel en zeer strenge koude hen kunnen dwingen
om zich naar een lagen hoogtegordel te begeven. Volgens Berthoud
van Berghem, wiens mededelingen ook thans nog vertrouwen verdienen,
nemen alle bokken die ouder zijn dan 6 jaar, de hoogste plaatsen
van het gebergte in; zij zonderen zich hoe langer hoe meer af en
worden ten slotte zoo ongevoelig voor de strengste koude, dat zij
dikwijls op volkomen vrije toppen, den kop gericht naar de streek,
vanwaar de storm komt, als standbeelden blijven staan, waarbij niet
zelden de toppen hunner ooren bevriezen. Evenals de Gemzen, grazen ook
de Steenbokken des nachts in de hoogste wouden, in den zomer echter
nooit verder dan een kwartier uur gaans beneden den top van een vrije
hoogte. Met zonsopgang beginnen zij grazend omhoog te klauteren; ten
slotte gaan zij liggen op de warmste en hoogste, naar het oosten of
zuiden gekeerde plekken; des namiddags begeven zij zich weder grazend
naar beneden, om zoo mogelijk in de bosschen den nacht door te brengen.

Waarschijnlijk is geen enkele Herkauwer zoo uitmuntend geschikt om de
steilste gebergten te bestijgen, als de wilde Geiten in 't algemeen en
de Steenbok in 't bijzonder. Iedere beweging van dit dier geschiedt
snel, krachtig en toch zonder merkbare inspanning. De Steenbok loopt
snel en onvermoeid en klimt met bewonderenswaardige gemakkelijkheid;
hij beweegt zich vlug en met een werkelijk onverklaarbare vastheid
van voet langs rotswanden, waar alleen hij steun kan vinden. Een
oneffenheid van den wand, die het menschelijk oog zelfs van
dichtbij ternauwernood opmerkt, is voor hem een veilig steunpunt;
een rotsspleet, een kleine opening enz. vormen voor hem de treden van
een begaanbare trap. Hij zet zijn hoeven zoo stevig en vast neder,
dat hij zich op het kleinste plekje kan staande houden.

Schinz merkte op, dat de dieren zonder te missen neerkwamen op de
plaats, die het doel was van hun sprong. Een zeer jonge Steenbok te
Bern sprong zonder aanloop een grooten man boven op het hoofd en hield
zich hier staande op zijne vier hoeven. Een andere zag men met alle
vier pooten op den top van een paal, een derde op den scherpen kant van
een deur staan en bij een loodrechten muur opklimmen, zonder gebruik
te maken van andere steunpunten dan de vooruitspringende gedeelten
der metselsteenen, die door het afvallen van den mortel zichtbaar
waren. In drie sprongen was hij boven op een muur. Hij plaatste zich
vlak tegenover het doelwit, dat hij bereiken wilde, mat den afstand
met de oogen, doorliep daarna met kleine passen een gelijke ruimte,
kwam herhaaldelijk op dezelfde plaats terug, wiegelde zich op zijne
pooten, alsof hij hun veerkracht wilde beproeven, zette af en was in
drie sprongen boven. Bij 't springen schijnt het, dat zij de rotsen
of den muur nagenoeg niet aanraken; hun lichaam beweegt zich als een
teruggekaatste, veerkrachtige bal. In hooge mate bewonderenswaardig
is ook de niet falende gewisheid van den sprong bij 't overschrijden
van rotskloven en afgronden. Als 't ware spelend, wippen zij van den
eenen klip op den anderen; zonder eenige aarzeling springen zij van
een aanzienlijke hoogte naar beneden in de diepte.

De stem van den Steenbok gelijkt op het fluiten van de Gems,
maar is meer gerekt. Onder de zinnen neemt het gezicht een
eerste plaats in. Het oog van den Steenbok is veel scherper,
zijn speurvermogen daarentegen veel geringer dan dat van de Gems;
ook het gehoor is voortreffelijk. Niet onwaarschijnlijk is het,
dat zijne geestvermogens op één hoogte staan met die van de Geiten
in 't algemeen. De Steenbok geeft bewijzen van schranderheid door
de keuze van zijne verblijfplaatsen en "wissels", door berekenende
voorzichtigheid in het behendig ontwijken van gevaren en doordat hij
zonder moeite zich schikt in veranderde omstandigheden.

In stille dalen van de hooge bergstreken zoekt de Steenbok zijn
voedsel in de voor- en namiddaguren; in oorden, waar hij vreest
gestoord te zullen worden, doet hij dit alleen gedurende de morgen-
en avondschemering, misschien ook des nachts. Lekkere bergkruiden,
grassen, boomknoppen, bladen, en takknoppen, vooral venkel- en
alsemsoorten, thijm, knoppen en takken van dwergwilgen, berken,
alpenrozen, brem en des winters bovendien ook dorre grassen en
korstmossen vormen zijn voedsel. Hij houdt zeer veel van zout.

De paring heeft in Januari plaats. De sterke, met kolossale hoornen
gewapende bokken bestrijden in dien tijd met moed en volharding hunne
mededingers. De geit werpt meestal in het einde van Juni of in het
begin van Juli 1 of 2 jongen, die in grootte ongeveer overeenstemmen
met een pas geboren Huisgeit. Reeds weinige uren na de geboorte
toont het jong, dat het bijna even stoutmoedig de bergen beklimt
als zijn moeder. Deze houdt veel van haar kind, likt het schoon,
bestuurt zijne schreden, begroet het met vriendschappelijk geblaat,
roept het bij zich, houdt zich, zoolang zij zoogt, met haar lieveling
in de holen van de rotsen verborgen. Zij verlaat haar kroost nooit,
behalve in gevallen, waarin de mensch haar al te gevaarlijk schijnt
en zij haar eigen leven moet redden, omdat haar dood ook die van
haar kind ten gevolge zou hebben. Bij dreigend gevaar loopt zij
langs duizelingwekkende hellingen en zoekt in woeste bergkloven
een toevlucht. Het jong echter houdt zich nu als een Muis zoo stil
en verbergt zich uiterst behendig achter steenen en in rotsholen,
beweegt zich niet, maar kijkt, luistert en speurt zorgvuldig in
alle richtingen. Zijn grijze haarkleur gelijkt zoozeer op de kleur
van rotsen en steenen, dat zelfs het scherpzinnigste valkenoog niet
in staat is het te zien, het van de rots te onderscheiden, die dus
tijdelijk de taak van de afwezige moeder op zich neemt.

Verscheidene oorzaken brengen te weeg, dat de Steenbokken zich slechts
langzaam vermenigvuldigen, zelfs daar, waar zij met zorg behandeld
worden. Behalve van den mensch hebben zij slechts weinig te lijden van
vijanden, die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Groote Roofvogels,
n.l. de Steenarend en misschien ook de Lammergier, staan het jonge dier
naar 't leven, maar behalen, dank zij de waakzaamheid van de moeder,
slechts bij uitzondering den begeerden buit. Oudere Steenbokken loopen
misschien nu en dan gevaar van de roofzucht van Lossen, Wolven en
Beren. Verderfelijker dan alle genoemde oorzaken bijeengenomen is de
onherbergzaamheid van de verblijfplaats van dit dier gedurende den
winter en de lente. Naar Wilczeck in Val Savaranche vernam, verliezen
betrekkelijk vele Steenbokken ieder jaar hun leven door lawinen; vooral
krachtige mannetjes vinden op deze wijze den dood, waarschijnlijk,
omdat deze zich minder gemakkelijk door het gevaar laten afschrikken,
dan hunne jongere en meer vreesachtige soortgenooten. De ergste
vijand ook van den Steenbok is en blijft echter de mensch, vooral de
wildstrooper. Waarschijnlijk is er geen onderneming zoo bezwaarlijk en
gevaarvol als de Steenbokkenjacht, zooals hij deze uitoefent. Al wat
van de gevaren van de Gemzenjacht gezegd kan worden, geldt ook--en
in nog hoogere mate, naar Schinz duidelijk doet uitkomen--van
de Steenbokkenjacht. Wegens de zeldzaamheid van dit wild moet de
jager zich er op voorbereiden, dat hij 8 à 14 dagen, ver van alle
menschelijke woningen, dus meestal in de open lucht, in het hooge
bergland zal doorbrengen. Hij moet vorst en sneeuw, honger en dorst,
nevel en storm verdragen, in den ijskouden wind dikwijls verscheidene
opeenvolgende nachten op harde rotsen zonder eenige beschutting rusten
en zeer dikwijls, nadat zijn moed vele malen op de proef gesteld is,
zonder wild naar huis terugkeeren. In het gunstigste geval moet hij
met den moeilijk verworven buit alle bezochte wegen vermijden, om
niet met de jachtopzieners in aanraking te komen; hij moet vrij van
duizeling de vreeselijkste paden kunnen bewandelen en in het dragen
van zware lasten geoefend zijn, zal hij er in slagen, het loon van
zijne moeite thuis te brengen. Maar al te vaak komt het voor, dat hij
in plaats van wild, nood en ellende in zijn armoedige hut brengt,
om er niet eens van te spreken, dat hij iederen dag gevaar loopt,
door een val of misstap naar beneden te storten of, door den kogel
van een jachtopzichter getroffen, in den afgrond verpletterd te worden.

Jong gevangen Steenbokken gedijen in den regel goed, wanneer men hun
een Geit als min geeft; zij worden ook spoedig tam, maar verliezen deze
eigenschap weer, naarmate zij ouder worden. Zij zijn even nieuwsgierig,
plaagzuchtig en uitgelaten als jonge geitjes en aanvankelijk zoo
speelsch en grappig, dat het een lust is naar hen te kijken. Aan het
voedsel der gevangenschap geraken zij reeds na weinige dagen gewoon,
aan hun verzorger na geruimen tijd; zij onderscheiden dezen zeer goed
van andere menschen en geven blijdschap te kennen, als zij hem na
lange afwezigheid wederzien. Op liefkoozingen zijn zij zeer gesteld;
zij dulden echter niets, wat hun niet aanstaat en zijn weldra ook
brutaal genoeg, om in een dergelijk geval weerstand te bieden aan hun
oppasser, waarbij zij een uitdagende houding aannemen en den kop met
de korte hoornen op een zeer komische wijze bewegen. Zij houden zich
zoo stil als lammetjes, wanneer men hen tusschen de hoornen krauwt;
maar beantwoorden deze liefkoozing niet zelden moedwillig met als
een grap bedoelden, maar toch duidelijk merkbare stoot. Hoe ouder
zij worden, des te meer zelfvertrouwen en overmoed toonen zij.

Dat er aan het fokken van bastaarden van Steenbokken en Huisgeiten
bezwaren verbonden zijn, blijkt o.a. uit de proefnemingen, die
in de jaren 1820 à 1830 in Bern genomen werden. Hier had men aan
de Steenbokken en hunne bastaarden een deel van de stadswallen als
weideplaats aangewezen, waar zij voldoende voedsel vonden en zich op
de gewenschte wijze vermenigvuldigden. Evenals de Steenbokken zelf
vergaten ook hunne nakomelingen weldra de hun bewezen weldaden en
toonden ten slotte jegens de menschen zoomin liefde als vrees. Een
bastaardbok vermaakte zich op de wallen met het uitdagen en bevechten
van de schildwachten en deed dit met een volharding, die hem weldra
zeer gehaat maakte. Eenmaal stoorde hij de waarnemingen van den
in zijn observatorium arbeidenden sterrekundige en scheurde hem de
roksmouw open. Later kreeg hij de liefhebberij van zich te bemoeien
met de wandelingen van de vreedzame burgers en joeg hij deze op
de vlucht. Eindelijk viel het hem in, op de daken te klauteren
en hier de leien of pannen stuk te maken. Er werd zooveel over de
handelingen van dit dier geklaagd, dat de edelachtbare autoriteiten
wel genoodzaakt waren maatregelen te nemen; de plaaglustige bok
werd plechtig uit de stad verbannen, en met zijne geiten naar een
berg bij Unterseen overgebracht. De geiten schikten zich goed in de
verandering van woonplaats; de bok echter vermeed de nabuurschap van
de gletschers en meende de voorkeur te moeten geven aan den bewoonden
gordel van het gebergte. Hij begon met de Alpenhutten te bezoeken,
en hier een innigere betrekking aan te knoopen met de Huisgeiten,
dan de veehoeders wenschten; ten slotte kwam hij hier zoo dikwijls
te gast, en gevoelde zich er zoo goed thuis, dat hij zich niet meer
liet wegjagen, en tegen iedereen een ruim gebruik maakte van zijne
hoornen. Deze geweldenarijen en uitspattingen maakten eindelijk het
verwijderen van het dier volstrekt noodig. Vier sterke mannen kregen
de opdracht het verder omhoog in het gebergte, tot op de hoogte van
het Saxetendal te brengen. Het woeste dier werd gebonden aan een
stevig touw; meer dan eens wierp het echter zijn geheele escorte op
den grond. Een forsche gemzenjager werd nu belast met het toezicht
over de voorgenomen steenbokkenfokkerij. Ook hij had hiermede echter
veel te stellen, want de bok scheen volstrekt geen denkbeeld te hebben
van onderworpenheid. Eens daagde hij zijn bewaker tot een tweegevecht
uit, een uitnoodiging, die de man goedschiks of kwaadschiks wel
aannemen moest, daar zij gedaan werd dicht bij den rand van een
afgrond. Een vol uur moest de jager met het dier worstelen, voordat
het hem gelukte de overhand te krijgen. De bok bepaalde zich echter
niet tot zulke ridderlijke oefeningen, maar deed ook op andere wijze
van zich spreken. Hij was en bleef de schrik der herders, die hij,
van de hoogten afdalend, in hunne hutten opzocht, letterlijk overviel
en mishandelde. Op nieuw werd door de bergbewoners over hem geklaagd;
een tweede verbanning van den bok was er het gevolg van. Men wees hem
den Grimselalp als woonplaats aan. Ook hier bleef hij aan zijne oude
liefhebberijen getrouw, aanvaardde den strijd met alle Honden, zelfs
met de grootste, en wierp ze, wanneer zij standhielden, met een forsche
beweging zijner hoornen, overmoedig over zijn kop heen. Uitdagend trad
hij de toeristen, die den berg beklommen, te gemoet, en veroorzaakte
schrik en ontzetting overal waar en telkens als hij zich vertoonde. De
overheid was ten slotte wel genoodzaakt tusschenbeide te komen;
het doodvonnis werd geveld, en de levensdraad van den naar vrijheid
dorstenden, merkwaardig sterken klant werd ontijdig afgesneden. Ook
zijne nakomelingen onderscheiden zich op lateren leeftijd door een
buitengewone wildheid. Zoolang zij nog jong waren, vermaakten zij de
herders door hunne uitgelaten sprongen en gebaren; toen zij evenwel
ouder en sterker werden, veroorzaakten zij zooveel last aan hunne
eigenaars, dat zij alle geslacht moesten worden. Zoo ging het met
de Berner steenbokkenfokkerij; het hiermede beoogde doel werd dus
niet bereikt.

De _Bergsteenbok_, de _Cabramontés_ der Spanjaarden, de
_Pyreneeënsteenbok_ der vroegere dierkundigen (_Capra pyrenaica_),
bereikt dezelfde grootte als de Alpen-steenbok, maar verschilt
aanmerkelijk van deze door den vorm en de ontwikkeling der hoornen. Die
van het mannetje staan aan den wortel zoo dicht bijeen, dat zij van
voren slechts een tusschenruimte van hoogstens 4, van achteren van
slechts 1 cM. overlaten; het onderste gedeelte rijst steil omhoog,
en is slechts weinig buitenwaarts gericht: voorbij het eerste derde
gedeelte van hun lengte wenden zij zich met een vrij sterke kromming
naar buiten; liervormig uiteenwijkend, keeren zij zich tevens naar
achteren en bereiken bij het begin van het laatste derde gedeelte
hun grootsten onderlingen afstand; de spitsen buigen zich weder
naar elkander toe en zijn ten slotte een weinig omhooggericht. Op
de dwarse doorsnede zijn zij over 't geheel genomen peervormig;
daar zij, scheef van voren gezien, een ronding vertoonen en aan de
tegenovergestelde zijde bijna scherpkantig samengedrukt zijn. De
jaarringen of groeiringen zijn als dwarse richels zichtbaar, maar
puilen veel minder uit dan bij den Alpen-steenbok. Deze hoornen
kunnen vermoedelijk wel 1 M. lang worden. Een hoorn van 79 cM. lengte,
had aan den wortel een omvang van 22 cM. en vertoonde 11 jaarringen.

Het verbreidingsgebied van den Berg-steenbok reikt van de kust van de
Golf van Biscaye tot aan de Middellandsche Zee en van de Pyreneeën
tot aan de Serrania de Ronda. Het veelvuldigst komt hij echter voor
in de Sierra de Gredos, een bergketen, die de scheiding vormt tusschen
het stroomgebied van den Doero en dat van den Taag.



De _Geiten_ (in de meest beperkte beteekenis van het woord) (_Hircus_)
zijn gemiddeld iets kleiner dan de Steenbokken; hare hoornen zijn
min of meer samengedrukt, bij het mannetje met twee scherpe kanten
en met dwarsrichels of rimpels voorzien, bij het wijfje geringd of
gerimpeld. Voor 't overige komen de Geiten in alle opzichten met de
Steenbokken overeen.

Evenals van de meeste andere huisdieren is ook van onze _Huisgeit_ de
afstamming onbekend. Van de in 't wild levende Geiten, die vooral in
Azië aangetroffen worden, is ons nog zoo weinig bekend, dat het zelfs
niet mogelijk is het aantal soorten bij benadering op te geven. Vele
dierkundigen meenen, dat de _Bezoar-geit_ meer dan eenige andere soort
aanspraak mag maken op de eer ons zulk een nuttig huisdier verschaft
te hebben. Werkelijk stemt dit dier in alle hoofdkenmerken met de Tamme
Geit overeen; alleen de richting en de kromming der hoornen verschilt.

De _Bezoar-geit_ (_Capra aegagrus_) is wel kleiner dan de Europeesche
Steenbok, maar toch aanmerkelijk grooter dan onze Huisgeit. De lengte
van den volwassen bok bedraagt ongeveer 1.5 M. de hoogte van de schoft
95 cM. en die van 't kruis 2 cM. meer. De zeer groote en forsche,
van weerszijden samengedrukte, van achteren en voren scherpkantige,
aan de buitenzijde echter afgeronde en gewelfde horens, welker lengte
reeds bij middelmatig groote dieren meer dan 40 cM., bij oude dikwijls
meer dan 80 cM. bedraagt, zijn van den wortel af sterk en gelijkmatig
gekromd. Zij vormen een achterwaarts gerichten, enkelvoudigen boog, die
bij oude mannetjes ongeveer een halven cirkel uitmaakt; aan den wortel
staan zij dicht bijeen, zijn vervolgens tot over het midden gestadig
naar onderen gebogen, richten echter hun spits weer sterk naar voren
en naar binnen; de middengedeelten zijn 30 à 40, de spitsen 18 à 25
cM. van elkander verwijderd. Tusschen de knoopen of dwarsrichels van
den hoorn, welker aantal bij oude dieren hoogstens 10 à 12 bedraagt,
komen talrijke, dwars gerichte rimpels voor. De vacht bestaat uit
tamelijk lange, stijve, glad tegen de huid aanliggende bovenharen,
die zich op de grens van kop en hals tot een baard verlengen, en uit
korte, middelmatig fijne wolharen. Zij is licht roodachtig grijs of
roestbruinachtig geel; aan de zijden van den hals en bij den buik
wordt de kleur lichter; de borst en de onderzijde van den hals zijn
donkerzwartbruin; de buik benevens de binnen- en de achterzijde
van de pooten zijn wit. Een scherp begrensde, donkerzwartbruine,
overlangsche streep loopt over het midden van den rug tot aan den
staart; deze heeft een effen zwarte kleur.

Het verbreidingsgebied van de Bezoar-geit omvat een uitgestrekte
landstreek van West- en Middel-Azië. Zij komt voor aan de zuidzijde
van den Kaukasus, in den Taurus en in de meeste overige gebergten van
Klein-Azië en Perzië tot ver in het zuiden, zelfs in Afghanistan en
Beloetsjitan; voorts wordt zij gevonden op verscheidene eilanden van
de Middellandsche en meer bepaaldelijk van de Grieksche Zee, misschien
ook op de hoogste gebergten van het Grieksche schiereiland. Het is
namelijk met nagenoeg volkomen zekerheid gebleken, dat zij het dier is,
dat Homerus bedoelde bij de beschrijving van het eiland der Cyclopen:



	"Der Geiten oneindige schare een speelplaats,
	Van 't wilde gedierte, dat nimmer de voet des menschen
	verjaagde."



Door uiterlijk, aard en bewegingen herinnert de Bezoar-geit sterk aan
den Steenbok. Vlug en onbekommerd loopt zij langs moeielijke paden,
staat dikwijls uren lang op een vooruitstekende rotspunt en kijkt,
op duizelingwekkende hoogte onbeschut, in den ontzaglijken afgrond;
zij klimt voortreffelijk en doet met bewonderenswaardigen moed en
behendigheid gevaarlijke sprongen. Zij is buitengemeen schuw en weet
aan de meeste gevaren te ontkomen.

Gedurende den paartijd, die in November valt, leveren de Bokken
elkander langdurige en heete gevechten. In April of Mei brengen de
jonge één of twee, de oude geregeld twee jongen ter wereld, zelfs
drielingen komen niet bijzonder zeldzaam voor. De jongen volgen de
moeder onmiddellijk na de geboorte, en vergezellen haar reeds na den
tweeden levensdag op de moeielijkste paden; zij groeien snel en zijn
te allen tijde speelsch en tot grappen geneigd.

Levende Bezoar-geiten komen nog steeds zeer zelden in onze dierentuinen
voor, hoewel de verzending van dieren dezer soort weinig bezwaren
aanbiedt, indien zij sinds hun vroegste jeugd in gevangenschap
geleefd hebben.

Een thans nog veelvuldig verbreide meening, waarvan de onjuistheid
echter reeds lang geleden aangetoond werd, is oorzaak, dat deze wakkere
bergbewoners in vele landen van Azië door den mensch fel vervolgd
worden. In de pens van vele Herkauwers vindt men namelijk rondachtige
lichamen, ziekelijke verhardingen, die men tot op zekere hoogte zou
kunnen vergelijken met de bekende galsteenen en blaassteenen. Zij
hebben al naar de diersoort, waarbij zij aangetroffen worden,
een verschillende samenstelling. Soms, zooals bij ons vee, bestaan
zij grootendeels uit plantvezels en haren, die bij wijze van vilt
met elkander vereenigd zijn; deze worden gewoonlijk "gemsballen"
(_Bezoar germanicus_) genoemd. In andere gevallen, b.v. bij de
Lamas en Vicuñas, is het hoofdbestanddeel dezer concrementen een
niet brandbare en niet smeltbare stof, n.l. phosphorzure kalk
(_Bezoar occidentalis_). De zoogenaamde "Oostersche Bezoar" echter
bestaat geheel uit een organische stof; soms uit een eigenaardig
vetzuur, soms uit een op galnotenzuur gelijkende verbinding. Aan
deze voorwerpen worden belangrijke geneeskrachtige eigenschappen
toegeschreven. Terecht werd dit reeds door Bontius ontkend. In vele
landen o. a. in Indië en Perzië, wordt dit kwakzalversmiddel ook thans
nog hooggeschat en duur betaald; hierdoor worden ondernemende jagers
aangelokt om een waren verdelgingsoorlog te voeren tegen de dieren,
welke dit kostbare product leveren. De Bezoar-geit ontleent haar naam
aan de zeer verbreide meening, dat bij haar de "Bezoar" veelvuldiger
voorkomt dan bij andere Herkauwers.

De bewoners van de Grieksche eilanden, van den Kaukasus en van den
Cilicischen Taurus hechten, naar het schijnt aan de Bezoar-ballen
geen waarde; de wilde Geiten worden in deze deelen van haar
verbreidingsgebied alleen ter wille van haar vleesch, haar huid en
haar hoornen gejaagd. Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet
onbelangrijk. Het zeer smakelijke vleesch van de Bezoar-geit herinnert
aan dat van onze Ree en is even zacht en malsch als dit; het wordt
in verschen toestand gebruikt, of in lange smalle strooken gesneden
en aan de lucht gedroogd om het voor later te bewaren. De langharige
huid van het in den winter gedoode dier doet bij de Muzelmannen dienst
als bidtapijt en wordt door hen hooggeschat, omdat zij de daaraan
hechtende, sterke lucht aangenaam vinden. Het kortharige vel, dat
des zomers buitgemaakt wordt, levert de grondstof voor de lederen
zakken, die in het Oosten tot berging van vloeistoffen dienen; van
de hoornen vervaardigt men sabelgevesten, kruithorens enz.; van den
dooden Bezoar-bok wordt dus zeer goed partij getrokken.



De geschiedenis en de overlevering werpen in 't geheel geen licht
op het vraagstuk van de _afstamming van de Huisgeit_ en van hare
buitengewoon talrijke rassen. Wij zijn niet in staat om te bepalen,
wanneer de eene of de andere wilde soort huisdier is geworden, òf
er kruisingen hebben plaats gehad, en zoo ja, in welken tijd dit
voor 't eerst geschiedde; evenmin is het bekend, hoe de kenmerkende
eigenschappen van de rassen--die, naar duidelijk gebleken is, sedert
duizenden van jaren onveranderd overerfden--zich ontwikkeld hebben.



Als het edelste van alle rassen mogen wij wel de _Angora-geit_
(_Capra hircus angorensis_) aanmerken. Zij is een fraai, groot dier van
ineengedrongen lichaamsbouw, met stevige pooten, korten hals en kop,
zeer eigenaardig gekromde horens en een vreemdsoortig haarkleed. De
dieren van beiderlei geslacht zijn met hoornen gewapend. Die van
den bok zijn nagenoeg lintvormig samengedrukt, scherpkantig en van
achteren stomp toegespitst; gewoonlijk gaan zij in horizontale richting
van den kop uit, vormen een lange dubbele schroefwinding en zijn met
de spits naar boven gericht; zij hebben dus een drievoudige kromming
ondergaan. De geit heeft kleinere, zwakkere, ronde enkelvoudig gebogen
hoornen. Korte, glad aanliggende haren komen niet anders voor dan
op het aangezicht, de ooren en de onderste gedeelten van de pooten;
de overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een zeer dikke vacht,
welke uit dichte en lange, fijne, zachte, glanzige, zijdeachtige en
tot lokken vereenigde, gekroesde haren bestaat. Een tamelijk lange,
uit stijve of harde haren samengestelde baard versiert de onderkaak
zoowel bij het mannetje als bij het wijfje. Verreweg de meeste leden
van dit geitenras zijn eenkleurig en wel schitterend wit; die, welke
op lichten grond donkere vlekken vertoonen, zijn zeldzamer. In den
zomer valt de vacht bij zeer groote vlokken uit, maar groeit zeer
snel weer aan. Fransche fokkers hebben bevonden, dat één zoo'n vacht
1.25 à 2.5 KG. weegt.

Naar het schijnt, hebben de ouden de Angora-geit in 't geheel niet
gekend. Belon was de eerste, die melding maakte van een "wolgeit",
waarvan de vacht zoo fijn is als zijde en zoo wit als sneeuw,
en tot het vervaardigen van kamelot dient. De naam van dit dier
is ontleend aan de kleine stad Angora, in het Turksche pasjalik
Anadoli in Klein-Azië, die reeds bij de ouden onder den naam Ankyra
als handelsstad zeer beroemd was. Bijna iedere bewoner van deze
plaats houdt zich met den wolhandel bezig. Het vaderland van de
Angora-geit is droog en heet in den zomer, maar zeer koud in den
winter, die echter slechts 3 of 4 maanden duurt. Eerst wanneer
de bergen geen voedsel meer opleveren, worden de Geiten in slecht
ingerichte stallen gehuisvest; gedurende het overige deel van 't
jaar moeten zij op de weide blijven. Zij zijn zeer gevoelig voor
temperatuurswisselingen, hoewel de slechte behandeling er niet toe
bijdraagt om ze te verweekelijken. Zuivere, droge lucht is volstrekt
noodig voor hun welstand. Gedurende het warme jaargetijde wordt de
vacht verscheidene malen (éénmaal per maand) gewasschen en gekamd,
om haar fraai te doen blijven.

Het geheele aantal Geiten in Anadoli wordt op een half millioen
geschat. Deze worden in April geschoren. Op één bok komen in den regel
honderd of meer geiten. Angora alleen levert bijna 1 millioen KG. wol,
ter waarde van 2.16 millioen gulden. Een deel van de wol wordt in
het land zelf gebruikt tot het vervaardigen van sterke stoffen voor
de mannen en van fijnere voor de vrouwen; ook worden er kousen en
handschoenen van gemaakt; al het overige gaat naar Engeland. Deze
vezelstof heet angora-wol, kemelshaar of mohair; de hiervan geweven
stoffen noemt men mohair, lustre enz. Men heeft opgemerkt, dat de
fijnheid van deze wol afneemt, naarmate de Geiten ouder worden.

Kort nadat de Angora-geit in Europa bekend werd, is men begonnen
pogingen te doen, om haar in ons werelddeel te acclimatiseeren. Tot
dusver heeft men geen reden tot klagen gehad over den uitslag van
deze proefnemingen, die aanleiding hebben gegeven tot het fokken van
dit ras in Spanje, Italië, Frankrijk en Zweden; zelfs wordt beweerd,
dat de wol van de in Frankrijk geboren dieren fijner is, dan die van
hunne stamouders.

Ook in Kaapland werd dit ras met uitnemend gevolg gefokt. De vraag
naar fokdieren is daar zoozeer toegenomen, dat in het jaar 1880
de beste, pas ingevoerde bokken met 1200 à 4800 gulden per stuk
betaald werden. Het fokken slaagde naar wensch: de jongen groeiden
voorspoedig op. De uitvoer van mohair nam buitengewoon snel toe: in
het jaar 1862 bedroeg zij nog geen 500 KG.; in het jaar 1885 echter
reeds 2.4 millioen KG., voor een aangegeven waarde van 1.44 millioen
gulden. Het is dus niet te verwonderen, dat de Kapenaars de hoop
voeden, de Aziaten, zoowel wat de hoeveelheid als wat de kwaliteit
van hun mohair betreft, weldra te zullen overvleugelen.



Weinig minder geschat dan het zooeven beschreven ras, is de
_Kasjmir-geit_ (_Capra hircus laniger_), een tamelijk klein,
maar bevallig gebouwd dier, van bijna 1.5 M. totale lengte, en 60
cM. schouderhoogte. De korte, buitengewoon fijne, weinig gekroesde,
zachte, donsachtige wol wordt bedekt door lange, stijve, fijne
en sluike bovenharen; alleen het aangezicht en de ooren zijn kort
behaard. De kleur is verschillend. Gewoonlijk zijn de zijden van den
kop, de staart en de overige deelen van den romp zilverwit of licht
geelachtig. Het verbreidingsgebied van deze fraaie Geit reikt van
Tibet over Boekhara tot in het land der Kirgiezen. Zij werd in Bengalen
ingevoerd; in de gebergten van Tibet, waar zij zelfs bij de strengste
koude in de open lucht vertoeft, is het aantal dezer dieren zeer groot.

Gedurende langen tijd was men in het onzekere over het dier, welks
haar voor het vervaardigen van het "kasjmier", de fijnste van alle
wollen stoffen, dient. Door Bernier, een Fransch geneesheer, die in
het jaar 1664 in het gevolg van den Groot-Mogol Tibet bezocht, vernam
men, dat twee Geiten, waarvan de eene in 't wild leeft, en de andere
als huisdier wordt gehouden, deze wol leveren. Het meest gezocht
is het zuiver witte wolhaar, dat geheel de glans en de fraaiheid
van zijde heeft. Ieder dier levert O.3 à 0.4 KG. van deze op dons
gelijkende wol. Voor het weven van één sjaal heeft men de wol van 10
à 20 geiten noodig.

Naar men zegt, bestonden er in Kasjmir gedurende de heerschappij van
den Groot-Mogol 40.000 sjaal-weverijen; langzamerhand echter is deze
tak van nijverheid zoozeer achteruitgegaan, dat van de 60.000 menschen,
die door het sjaal-weven hun kost verdienden, duizenden door gebrek
aan werk genoodzaakt werden, het land te verlaten. Thans heeft de
sjaal-weverij haar oude vlucht nog niet herkregen.

Het is licht te begrijpen, dat men reeds voor vele jaren op het
denkbeeld is gekomen, de zooveel winst afwerpende Kasjmir-geit
in Europa te acclimatiseeren. Ternaux, die de sjaal-weverijen in
Frankrijk invoerde, kwam op het denkbeeld zich dieren van dit ras te
verschaffen; de beroemde Jaubert hielp hem dit doel te bereiken. In het
jaar 1818 scheepte deze reiziger zich naar Odessa in, en vernam hier,
dat de nomadische stammen in de steppen tusschen Astrakan en Orenburg
Kasjmirgeiten hielden; hij bezocht deze menschen, overtuigde zich
door nauwkeurig onderzoek van het wolhaar, van de echtheid van het ras
hunner Geiten en kocht er 13000 stuks van. Deze kudde bracht hij naar
Kaffa in de Krim, scheepte zich hier met hen in en landde in April 1819
te Marseille. Slechts 400 stuks hadden de lange, moeielijke reis kunnen
doorstaan, en deze hadden zoo sterk geleden, dat men zeer betwijfelde,
of zij voor de fokkerij zouden kunnen dienen. Vooral de bokken waren
zeer verzwakt. Gelukkig werd bijna te gelijker tijd een flinke bok
van dit ras, dien de Fransche natuuronderzoekers Diard en Duvaucel
in Indië ten geschenke hadden gekregen, door hen aan den Parijschen
dierentuin gezonden. Hij werd de stamvader van alle Kasjmir-geiten,
die thans in Frankrijk voorkomen, en welke aan dit land 7.2 à 9.6
millioen gulden opleveren. Uit Frankrijk werd de Kasjmirgeit ook naar
Oostenrijk en Wurtemberg overgebracht; hier echter leverde het fokken
van dit ras ongunstige uitkomsten op.



De _Mamber-geit_ (_Capra hircus mambrica_) gelijkt door hare lange
haren eenigszins op de Kasjmir-geit, maar verschilt van deze door de
buitengewoon lange, slap afhangende ooren, die bij geen andere Geit zoo
groot zijn en zulk een vorm hebben. In grooten getale vindt men haar
tegenwoordig in de nabijheid van Aleppo en Damascus. In verscheidene
landen van Azië komt zij voor; de Kirgiezische Tartaren o.a. hebben
groote kudden van deze dieren.



Verder verdient, mijns inziens, vermelding de _Nijl-geit_ of
_Egyptische geit_ (_Capra hircus aegyptiaca),_ welker afbeeldingen
zoo veelvuldig aangetroffen worden op oude gedenkteekenen. Zij is
aanmerkelijk kleiner dan onze Huisgeit, maar staat hooger op de pooten
en heeft korter hoornen. Vooral onderscheidt zij zich door haar kleinen
kop en zeer grooten ramsneus. De mannetjes zoowel als de wijfjes van
dit ras zijn dikwijls ongehoornd; hoogstens komen bij deze dieren
kleine, dunne, onbeduidende hoorntjes voor; die, welke ik gezien heb,
misten bovendien den baard. Meestal zijn zij levendig roodbruin van
kleur. In het Beneden-Nijldal worden deze dieren algemeen gefokt;
tot in Middel-Nubië treft men ze aan; hooger op worden zij door een
ander ras vervangen.



Het zooeven bedoelde ras is de _Dwerg-geit_ (_Capra hircus reversa_),
een dier van hoogstens 70 cM. lengte, 50 cM. schouderhoogte en niet
meer dan 25 KG. gewicht, een der bevalligste leden van de geheele
groep. Haar op korte en stevige pooten rustende romp is ineengedrongen;
de betrekkelijk breede kop draagt bij beide geslachten korte hoornen,
die ternauwernood zoo lang zijn als een vinger. De tamelijk korte,
maar dichte beharing is gewoonlijk donker van kleur: meestal ten
deele zwart, ten deele roodachtig vaal. Misschien mag men alle
landen tusschen de Witte Rivier en den Niger als het vaderland van
dit ras beschouwen.



De _Huisgeit_ is tegenwoordig bijna over de geheele aarde
verbreid. Daar het nut van dit dier algemeen erkend wordt, treft men
het aan bij alle volken die een eenigszins geregeld leven leiden. De
betrekking, waarin het tot den mensch staat, is zeer ongelijk: de
meeste Huisgeiten grazen over dag nagenoeg volgens eigen verkiezing
en worden alleen 's nachts onder het toezicht van den mensch
gehouden. Verwilderde Geiten ontmoet men waarschijnlijk alleen hier
en daar in de gebergten van Zuid-Azië en op eenige eilanden van de
Middellandsche Zee.

De veel besproken Geiten van het Eiland _Robinson_ in den Stillen
Oceaan (waar vijf-of zesmaal Robinsonaden voorgevallen zijn, van welke
de meest bekende door De Foe tot een roman werd verwerkt) stammen
af van eenige individuën, die door den ontdekker van dit eiland,
Juan Fernandez, in het jaar 1563 achtergelaten werden. Deze Geiten
vermenigvuldigden zich buitengewoon sterk in haar nieuw vaderland,
dat bergachtig en voor haar gedijen uitnemend geschikt is. (Dit eiland
is sinds kort door een vulcanische uitbarsting geheel verwoest.)

De Geit is voor het gebergte geschapen; hoe woester tafereelen
het aanbiedt, hoe rijker het is aan steilten en afgronden, des te
beter gevoelt zij zich er thuis. In het zuiden van Europa en in de
gematigde gewesten van de andere werelddeelen zal men waarschijnlijk
in ieder gebergte kudden grazende Geiten ontmoeten. Zij zijn in staat
om de eenzaamste rotsen te verlevendigen en aan de treurigste oorden
bekoorlijkheid te verschaffen.

Door allerlei karaktertrekken verschilt de Geit van het Schaap, dat
in lichamelijk opzicht zooveel op haar gelijkt. Zij is een vroolijk,
wispelturig, nieuwsgierig, plaagziek, tot grappenmaken geneigd
dier, waarin ieder onbevooroordeelde behagen moet scheppen. Lenz
heeft haar op de volgende, uitmuntende wijze beschreven: "Reeds
als het sikje een paar weken oud is," zegt hij, "heeft het grooten
lust om zijne merkwaardige sprongen af te wisselen met halsbrekende
ondernemingen. Altijd wil het hooger op. Te klauteren op hoopen hout of
steen, op muren of rotsen, de trappen op te gaan, is voor een Geit een
groot vermaak. Dikwijls is zij na het bereiken van haar doel nauwelijks
of in 't geheel niet in staat weder naar beneden te komen. Zij weet
niet, wat het is duizelig te zijn: rustig gaat of ligt zij aan den rand
van den vreeselijksten afgrond.--Verschrikkelijk zijn de gevechten, die
de gehoornde bokken, ja zelfs de geiten, elkander leveren, wanneer zij
elkander voor de eerste maal ontmoeten. De schok van de tegen elkander
stootende hoornen is op een afstand hoorbaar. Zonder medelijden stooten
zij elkander tegen de oogen, den bek, den buik, alnaar het uitkomt en
schijnen intusschen volkomen gevoelloos te zijn; toch laat zulk een
strijd, die dikwijls een kwartier duurt, ternauwernood andere sporen
na, dan misschien een rood oog. Ongehoornde Geiten vechten zoowel
onderling als met gehoornde soortgenooten; zij geven er niet om, of
het bloed hun over den kop en het voorhoofd vloeit. De ongehoornde
dieren trachten ook wel te bijten; maar kunnen op deze wijze geen
kwaad doen. Geen van hen verweert zich met de pooten. Als men een
Geit, die aan het gezelschap van hare soortgenooten gewoon is, alleen
opsluit, blaat zij op een erbarmelijke wijze; dikwijls weigert zij
het eten en drinken gedurende langen tijd. Evenals de mensch heeft
ook de Geit allerlei nukken: de moedigste wordt soms door onbeduidende
dingen zoozeer verschrikt, dat zij hals over kop wegloopt en niet te
houden is."

De bok heeft iets ernstigs en waardigs in zijn geheele houding en
onderscheidt zich ook door grootere vermetelheid en uitgelatenheid
van de geit. "Als er gesnoept, gespeeld of gevochten zal worden,"
zegt Tschudi, "toont hij duidelijk zijn lichtzinnigen aard. Het
Schaap heeft slechts gedurende zijn jeugd een opgewekt humeur,
zoo ook de Steenbok; de Geit behoudt haar vroolijkheid langer dan
zijne beide verwanten. Zonder eigenlijk in ernst twistziek te zijn,
daagt zij gaarne iemand tot een tweegevecht uit." Ik denk nog steeds
met genoegen terug aan een zeer forschen geitebok, die rustig lag
te herkauwen in het dorp, waar ik als jongen woonde. Het was in den
vroolijken schooljongenstijd, en wij, baldadige knapen, konden het niet
van ons verkrijgen, het op zijn gemak uitgestrekte dier ongestoord
te laten. Eén van ons daagde door een stoot met de vlakke hand den
Bok tot een tweegevecht uit. Deze stond langzaam op, rekte zich uit,
bedacht zich eerst geruimen tijd, ging vervolgens vóór zijn uitdager
staan en vatte de zaak veel ernstiger op, dan deze gewenscht had. Hij
vervolgde ons door het geheele dorp, bepaald ontevreden, dat wij
hem den rug toekeerden; want, zoodra een van ons zich omdraaide om
naar hem te kijken, ging hij oogenblikkelijk in vechtpostuur staan
en knikte op een veelbeteekenende wijze met den kop. Eerst nadat hij
ons ongeveer 10 minuten ver begeleid had, en tot zijn groote spijt
bemerkte, dat met zulke lafaards geen twist eerlijk uitgevochten kon
worden, verliet hij ons en draafde, mokkend over het voorbijgaan van
de gelegenheid om zijn moed te toonen, naar het dorp terug.

De Geit is den mensch van nature genegen; zij is eergierig en in hooge
mate belust op liefkoozingen. In de hooge bergstreken begeleidt zij
den wandelaar, smeekend en zich tegen hem aan vleiend, dikwijls meer
dan een half uur. Wie haar, al is het ook maar éénmaal, iets gegeven
heeft, wordt niet door haar vergeten, en vol vreugde begroet hij een
nieuwe ontmoeting. Als een Geit weet, dat haar meester haar genegen
is, toont zij zich ijverzuchtig als een verwende Hond en valt iedere
andere Geit, zoodra deze door haar gebieder wordt voorgetrokken, met de
hoorns aan. Zij is schrander en verstandig, en bemerkt het wel, wanneer
de mensch haar onrecht heeft gedaan, of haar onrechtmatig bestraft
heeft. Goed gedresseerde bokken trekken den bokkenwagen bereidwillig
en met genoegen; zij weigeren echter uitdrukkelijk dezen arbeid te
verrichten, zoodra zij gekweld of noodeloos geplaagd worden. Er zijn
echter nog duidelijker bewijzen te vinden voor het goed ontwikkelde
verstand van deze dieren. Het is bekend, dat Geiten afgericht kunnen
worden om op het bevel van hun meester zeer verschillende werkzaamheden
te verrichten. Dat zij echter, zonder hiertoe afgericht te zijn,
duidelijk antwoord kunnen geven op vragen, die men haar doet, kan ik op
grond van persoonlijke ervaring verzekeren. Mijn moeder houdt Geiten
en stelt er veel prijs op; zij is er daarom bijzonder op gesteld,
dat deze dieren goed verzorgd worden. Dadelijk kan zij gewaar worden,
of hare beschermelingen tevreden zijn, of niet. Het is voldoende,
dat zij zich naar 't venster begeeft en het vraagt. Zoodra de Geiten
de stem van haar gebiedster hooren, beginnen zij luid te schreeuwen,
ingeval zij de een of andere reden van klagen meenen te hebben, zoo
niet, dan zwijgen zij stil. Wanneer deze dieren in den tuin komen en
met een paar zweepslagen van de bloembedden of vruchtboomen verdreven
worden, hoort men geen kik van hen; als echter de dienstmeid hen in
den stal een slag geeft, schreeuwen zij erbarmelijk.

In het hoogland van Spanje gebruikt men de Geiten wegens haar groote
schranderheid als aanvoerders en gidsen van de schapenkudden. De
edelste rassen van Schapen grazen daar gedurende den geheelen zomer
in het hooge gebergte, in het zuiden dikwijls op hoogten van 2000
of 3000 M. boven den zeespiegel. Hier zouden de herders zich zonder
Geiten in 't geheel niet kunnen redden. Deze zoo nuttige dieren worden
evenwel als een noodzakelijk kwaad beschouwd; omdat zij de Schapen
tot gevaarlijke klimpartijen verleiden.

In Griekenland ziet men bijna geen ander vee dan Geiten; zij bewonen
alle bergen en zijn voor den wandelaar reeds op een afstand merkbaar
door den zeer duidelijken bokkenstank, dien zij verbreiden.--In vele
gewesten worden de Geiten aan zichzelf overgelaten; dit geschiedt ook
dikwijls in de Alpen. Zij worden in een bepaald, zeer afgelegen gebied
gedreven om hier te grazen, en in den herfst weer bijeen gezocht;
niet zelden ontbreekt dan de eene of andere op het appèl. Om dit
verlies zoo gering mogelijk te maken, brengt een knecht dagelijks,
dikwijls trouwens slechts éénmaal per week, zout naar de weideplaats
van de Geiten, die op de hiervoor bestemde, haar welbekende steenklomp,
ter bepaalder tijd met groot verlangen naar dit geschenk uitzien.

In het binnenland van Afrika grazen de Geiten eveneens naar eigen
goedvinden, maar worden 's avonds opgesloten in een zoogenaamde
"seriba" of omheining van doornen, waar zij tegen de Roofdieren
beveiligd zijn. Ook in West-Afrika loopen zij naar vrije verkiezing
rond, beklimmen lage boomen met scheef geplaatste stammen, en klauteren
zelfs bij afschuttingen met dwarsgerichte balken omhoog. Daar, waar
Luipaarden, haar ergste vijanden, voorkomen, worden zij des nachts
goed opgeborgen. Zij zijn den menschen, ook den Europeanen, genegen;
de reiziger, die Geiten medeneemt, heeft zich hoogstens in den eersten
tijd om haar te bekommeren, want meestal hebben zij zich reeds na
verloop van eenige dagen geheel aan het reizen met de karavaan gewend.

Amerika heeft hare Geiten van de Europeanen gekregen. Zij zijn thans
van het zuiden tot het noorden over dit werelddeel verbreid. Aan het
fokken van dit vee wordt echter niet overal de noodige zorg besteed;
in vele gewesten wordt het zelfs zeer verwaarloosd, zoo b.v. in Peru
en Paraguay, in Brazilië en Suriname; in Chili wordt er beter voor
gezorgd. In Australië werd dit nuttige huisdier eveneens ingevoerd;
het heeft hier een groote verbreiding gekregen.

Naar beweerd wordt, heeft het onderzoek geleerd, dat onze Geit van
576 inheemsche soorten van planten er 449 eet. Hare veranderlijkheid
en wispelturigheid komen bij 't zoeken van voedsel het duidelijkst
aan 't licht. Zij streeft onophoudelijk naar nieuwe genietingen,
plukt op iedere plaats slechts weinig, proeft en snoept nu eens van
de eene, dan weer van een andere plant, en bepaalt zich niet eens
tot het beste voedsel. Bijzonder gesteld is zij op boombladen; zij
richt daarom in boomaanplantingen groote schade aan. Opmerkelijk is
het, dat zij enkele planten, die voor andere dieren zeer schadelijk
zijn, zonder nadeel eet: o. a. wolfsmelk, schelkruid, peperboompje en
driedistel, zoo ook muurpeper, hoefblad, melisse, salie, scheerling,
hondspeterselie en dergelijke kruiden, met smaak eet zij ook rooktabak,
stukjes van sigaren, enz. Het liefst eet zij jonge bladen en bloemen
van peulgewassen, bladen van allerlei soorten van rapen en kool en van
de meeste boomen; het best bekomen haar alle planten, die op droge,
zonnige, vruchtbare, hooge gronden groeien. Geiten, die in 't vrije
veld grazen, krijgen niet anders dan water te drinken; in den stal
geeft men haar een lauwwarm mengsel van roggezemels met een weinig
zout en water.

Het wijfje van de Geit werpt 21 of 22 weken na de paring 1 of 2,
zeldzamer 3 en slechts bij uitzondering 4 of 5 jongen. Weinige minuten
na de geboorte gaan de sikjes staan en zoeken de uier van de moeder;
den volgenden dag reeds loopen zij rond en na 4 of 5 dagen volgen
zij hun moeder overal heen. Zij groeien snel; in de tweede maand
komen de hoorntjes te voorschijn en na verloop van een jaar hebben
zij nagenoeg hun volle grootte bereikt.

De Geit is een zeer nuttig huisdier; in vele gewesten kan men haar
als den besten vriend van de armen beschouwen. Haar onderhoud kost
weinig, in den zomer om zoo te zeggen niets: daarentegen voorziet zij
het gezin met melk en levert aan de onbemiddelden ook nog mest voor
den akker. Lenz heeft zorgvuldig boekgehouden van de melkopbrengst
van een Geit, die goed gevoederd werd; hij vond, dat zij in 1 jaar
885 liter melk kan leveren.

Behalve door haar melk, waar kaas van bereid wordt, die in Griekenland
een groote rol speelt bij de voeding van het volk, en ook boter,
is de geit nuttig door haar vleesch, haar vel en hare hoornen. Het
vleesch van jonge geitjes is zeer smakelijk, hoewel het bijna te
malsch is; dat van oudere dieren is niet slecht. Het vel wordt tot
marokijn en corduaan, zeldzamer tot perkament verwerkt; het Oosten
brengt nog altijd het grootste deel van de eerstgenoemde ledersoorten
aan de markt. Van bokkenleder worden pantalons en sterke handschoenen
gemaakt, in Griekenland wijnzakken en in Afrika waterzakken. Voor de
lederbereiding wordt aan het vel van de Gewone Geiten van het Kaapland
de voorkeur gegeven. Het grove haar wordt in sommige landen voor het
vervaardigen van penseelen gebruikt of tot touw ineengedraaid. De
hoornen worden door de kunstdraaiers verwerkt; in het oosten en bij
vele zoogenaamde wilde volken komen zij ook in de geneeskunde te pas,
daar zij als "koppen" dienst doen. Dit uitmuntende dier is dus zoowel
gedurende zijn leven als na zijn dood zeer nuttig.



In lichamelijk opzicht zijn de _Schapen_ (_Ovis_) zeer nauw verwant aan
de Geiten; wat de gemoedsaard betreft, gelijken alleen de in 't wild
levende soorten van beide groepen op elkander. De Schapen onderscheiden
zich van de Geiten, doordat gene in den regel in 't bezit zijn van
traangroeven en klauwklieren, die bij deze meestal ontbreken. De
traangroeven, (die op de in dit werk voorkomende afbeeldingen van
Schapen en Herten duidelijk zichtbaar zijn) gaan van den binnenhoek
van 't oog uit, kunnen soms een aanzienlijke lengte bereiken en
bevatten in den regel een smerige stof, het afscheidingsproduct van
de talrijke, hier uitmondende huidsmeerklieren. De klauwklieren zijn
behaarde instulpingen van de huid tusschen de bovenste leden van
de beide teenen. Een ander punt van verschil tusschen de Schapen en
Geiten is de bij gene vlakke, bij deze gewelfde ruimte tusschen de
oogen. Voorts hebben de Schapen kantige, op de dwarse doorsnede min of
meer driezijdige, dwars gerimpelde, slakkehuisvormig gedraaide hoornen,
ook ontbreekt bij hen de baard. Over 't algemeen zijn de Schapen slank
gebouwde dieren met een schralen romp, dunne hooge pooten en korten
staart; hun kop is van voren sterk versmald; de oogen en ooren zijn
matig groot: het haarkleed is ruig en wollig en bestaat uit tweeërlei
soort van haren.

Alle in 't wild levende Schapen bewonen de gebergten van 't noordelijk
halfrond. Hun verbreidingsgebied reikt van Azië tot Zuid-Europa,
Afrika en het noordelijk deel van Amerika. Iedere groep van gebergten
in Azië bezit één of meer haar kenmerkende soorten. Europa, Afrika
en Amerika daarentegen zijn zeer arm aan Schapensoorten en hebben er,
voor zoover men weet, ieder slechts één. Vele soorten zijn zeer nauw
aan elkander verwant. Zij worden hoofdzakelijk onderscheiden op grond
van eigenaardigheden der horens, welker vorm, grootte en kromming als
soortverschillen worden aangemerkt. Bij sommige is de _rechter_ hoorn
van den wortel tot aan de spits links en de _linker_ hoorn _rechts_
gewonden; vervolgens wijken de hoornspitsen in buitenwaartsche richting
uiteen. Bij andere is de _rechter_ hoorn _rechts_, de _linker_ hoorn
_links_ gewonden; de hoornspitsen zijn dan naar achteren gericht;
deze hoornen herinneren dus aan die der Geiten.

Alle Wilde Schapen zijn echte kinderen van het gebergte, die, naar het
schijnt, alleen op aanzienlijke hoogten zich wel bevinden: de meeste
stijgen tot boven de sneeuwgrens; enkele tot op hoogten van 6000 à
7000 M., waar, behalve zij, geen andere dieren dan Geiten, een Rund,
het Muscusdier en eenige Vogels kunnen leven. In vlakke streken treft
men geen andere dan tamme Schapen aan; het is aan de exemplaren,
die in bergstreken gefokt worden, duidelijk te zien, hoe goed het
wonen in een voor hen passende omgeving hun bekomt. Grasrijke dreven
en ijle bosschen, steile rotsen en woeste hellingen, tusschen welker
steenklompen slechts hier en daar een groen sprietje te voorschijn
komt, zijn de verblijfplaatsen van de Wilde Schapen. Al naar het
jaargetijde trekken zij van de hoogte naar de laagte, of omgekeerd:
de zomer lokt hen naar boven; de ijzige winter drijft hen naar beter
bewoonbare oorden, omdat hij den voorraad voedsel in hoogere gewesten
met een sneeuw- en ijskleed bedekt. In den zomer bestaat hun voedsel
uit frissche en saprijke Alpenkruiden, in den winter uit mossen,
korstmossen en dorre grassen. De Schapen zijn kieschkeurig, wanneer
hun een rijke keuze van voederplanten geboden wordt, in hooge mate
sober, wanneer er niet veel voor hen te bikken valt: dorre grassen,
uitspruitsels, boomschors en dergelijke stoffen zijn in den winter
dikwijls de eenige gerechten op hun spijskaart, zonder dat men daarom
van hen zeggen kan, dat zij gebrek lijden.

Meer dan bij andere huisdieren, de Rendieren misschien alleen
uitgezonderd, ziet men aan de Schapen, hoezeer de slavernij ontaarding
na zich sleept. Het tamme Schaap is slechts een schaduw van het
wilde. De Geit behoudt tot op zekere hoogte ook nog in de gevangenschap
haar zelfstandigheid; het Schaap wordt in de dienst van den mensch een
volkomen afhankelijk wezen. Geen dier kan gemakkelijker onder toezicht
gehouden, gemakkelijker geregeerd worden dan het tamme Schaap; men
zou kunnen meenen, dat het zich er over verheugt, als een ander wezen
hem van de zorg voor zijn eigen welzijn ontheft. Dat zulke schepsels
goedaardig, zachtmoedig, vredelievend en onschadelijk zijn, is niet
te verwonderen: domheid is de grondslag van hun gemoedstoestand;
daarom is het lam geen bijzonder gunstig gekozen zinnebeeld voor
deugdzaamheid. In het zuiden van Europa, waar de Schapen meer aan zich
zelf overgelaten worden dan bij ons, ontwikkelen hunne geestvermogens
zich op een andere wijze, zoodat zij zelfstandiger, vermeteler en
moediger zijn dan hier te lande.

De Schapen vermenigvuldigen zich tamelijk sterk. Het wijfje brengt
na een draagtijd van 20 à 25 weken 1 of 2, zeldzamer 3 of 4 jongen
ter wereld, die kort na hun geboorte in staat zijn hun moeder te
volgen. De wijfjes van de wilde Schapen verdedigen hare jongen op
gevaar van haar eigen leven en betoonen hun zeer veel liefde.

Bijna alle wilde soorten kunnen zonder groote moeite getemd worden en
planten zich geregeld in de gevangenschap voort; hare nakomelingen
behouden althans gedurende eenige geslachten haar opgewektheid. Zij
hechten zich sterk aan lieden, die zich veel met haar bemoeien,
luisteren naar hun stem en laten zich gaarne door hen liefkoozen;
zij kunnen zoo tam worden, dat men ze met ander vee naar de weide
kan zenden, en niet behoeft te vreezen, dat zij van een gunstige
gelegenheid, om de vrijheid te herkrijgen, gebruik zullen maken. De
Tamme Schapen, die door den mensch reeds sedert duizenden van jaren
als huisdieren zijn gehouden, werden door hem, wegens het groote nut
dat zij opleveren, over de geheele wereld verbreid en met goed gevolg
ook in die landen ingevoerd, waar zij vroeger niet thuis behoorden.



Wij beginnen de beschrijving van de Wilde Schapen met die van
het _Manenschaap_ (_Ovis tragelaphus_), welk dier door zijne lang
afhangende manen een zeer eigenaardigen indruk maakt. De vacht bestaat
uit lange, ruige borstelharen en fijne, gekroesde wolharen, die den
geheelen romp bekleeden. De eerstgenoemde verlengen zich aan den
bovenhals, in den nek en aan de schouders tot een rechtopstaanden,
korten, aan manen herinnerenden kam en ontwikkelen zich aan de
voor- en onderzijde van den romp tot dichte, bijna tot op den grond
afhangende manen, die aan de keel beginnen en zich langs den hals en
de voorpooten uitstrekken.

Reeds in het jaar 1561 beschreef Cajus Britannicus het Manenschaap naar
aanleiding van een vel, dat hij uit Mauritanië had ontvangen. Daarna
kreeg men gedurende geruimen tijd geen nieuwe berichten over dit
dier, waarvan voor 't eerst weer door Pennant en later door Geoffroy
melding werd gemaakt. De laatstgenoemde ontmoette het in de nabijheid
van Kaïro in het gebergte; andere onderzoekers hebben het aan den
Boven-Nijl en in Abessinië gevonden. Het veelvuldigst komt het in
den Atlas voor. R. Jannasch zag het in 't zuiden van Marokko.

"Het Manenschaap wordt," naar Buvri bericht, "in het zuiden van Algerië
door de inboorlingen in den regel Aroeï genoemd. Zonder twijfel zal het
in de hoogste gedeelten van het gebergte, in den Marokkaanschen Atlas,
nog veelvuldiger zijn dan in Algerië, daar deze gewesten weinig door
den mensch bezocht worden, hetgeen voor het gedijen van een Herkauwer
niet anders dan bevorderlijk kan zijn.

"De Aroeï houdt gaarne verblijf op de hoogste rotskammen van het
gebergte, die men alleen door een doolhof van gespleten steenklompen
en van rolsteenen kan bereiken; de jacht op dit dier is daarom zeer
bezwaarlijk en dikwijls zelfs met gevaar verbonden. Daarbij komt nog,
dat er niet veel voordeel door te behalen is, want het Manenschaap
leeft eenzaam. Alleen in den paartijd, die in November valt, vormen
zich gezelschappen, die uit wijfjes bestaan, waarbij zich weldra ook de
rammen voegen; het mannetje en het wijfje leven eenigen tijd samen en
gaan vervolgens weer ieder afzonderlijk hun weg. De Arabieren houden
veel van het vleesch van dit Wilde Schaap; het gelijkt veel op dat
van een Hert. Van de vellen maken zij voetkleeden; de huid wordt op
sommige plaatsen gelooid en tot marokijn verwerkt.

"Hoewel de Aroeï niet zeer algemeen voorkomt, wordt hij menigmaal
door de bewoners van het gebergte in strikken gevangen en dan
gewoonlijk voor een geringen prijs verkocht aan den bevelhebber van
de naastbijgelegen militaire post. In den tuin van de sociëteit te
Biskra bevond zich een jonge Aroeï, die bij den 5 M. hoogen muur,
welke het terrein omgaf, met weinige, bijna loodrechte sprongen opklom,
alsof hij over den vlakken grond liep; daarna stond hij zoo rustig
op de kruin van den muur, die ternauwernood een hand breed was, dat
hieruit voldoende bleek, hoezeer hij zich daar op zijn gemak bevond."

In den laatsten tijd is het Manenschaap in onze dierentuinen geen
zeldzaamheid meer.



Slechts twee breedtegraden verder noordwaarts ligt het vaderland
van den _Moefflon_ (_Ovis musimon_), het eenige Wilde Schaap, dat
Europa--de gebergten van Sardinië en Corsika--bewoont. Vrij algemeen
is men van oordeel, dat de Moefflon in vroegere tijden ook in andere
deelen van Europa voorkwam, en o. a. ook op de Balearische eilanden
en in Griekenland gevonden werd; voor deze meening zijn echter geen
stellige bewijzen bij te brengen. Nog altijd treft men tegenwoordig
den Moefflon in troepen aan, die, naar men zegt, dikwijls uit een
50-tal exemplaren bestaan, maar gewoonlijk veel minder leden tellen.

Uit oude berichten blijkt, dat deze Wilde Schapen eertijds buitengewoon
veelvuldig waren. Vroeger werden er op een enkele groote jacht soms
400 à 500 stuks van gedood; tegenwoordig mag men tevreden zijn,
als men er enkele exemplaren van overmeestert; bij jachtpartijen,
die op onbekrompen wijze uitgerust zijn, gebeurt het zeer zelden,
dat men 30 à 40 van deze dieren buit maakt.

De Moefflon behoort tot de kleinste Wilde Schapen hoewel zijn lengte,
met inbegrip van den (hoogstens 10 cM. langen) staart, niet minder
dan 1.25 M., zijn schouderhoogte 70 cM. en zijn gewicht 40 à 50
KG. bedraagt. De hoornen bereiken, langs de kromming gemeten,
een lengte van ongeveer 65 cM. en een gewicht van 4 à 6 KG. Zijn
lichaamsbouw is meer gedrongen dan die van eenig ander Wild Schaap. De
ruglijn is donkerbruin, overigens is de kleur vosrood; aan den kop
heeft zij een aschgrauwe tint; aan den snuit, het kruis, de randen van
den staart, de onderste gedeelten der pooten en de buikzijde gaat zij
in wit over. De hoornen van den ram zijn sterk en lang, aan den wortel
zeer dik en op de doorsnede driehoekig. Het aanmerkelijk kleinere
wijfje verschilt van den ram door de meer naar vaal zweemende kleur
en ook door het ontbreken of zeldzaam aanwezig zijn van de hoornen.

In tegenstelling tot het Manenschaap, leeft de Moefflon in troepen,
die onder de leiding van een ouden en sterken ram staan. Deze troepen
kiezen de hoogste bergtoppen tot verblijfplaats en houden zich hier
bij steile, min of meer ontoegankelijke rotswanden op. Evenals dit
bij andere, gezellig levende Herkauwers geschiedt, houden eenige
individuën steeds zorgvuldig de wacht; zij laten bij het waarnemen
van een verdacht verschijnsel een angstkreet hooren en waarschuwen op
deze wijze hunne metgezellen, die daarna, evenals de schildwachten,
onmiddellijk de vlucht nemen. In den paartijd verdeelt het gezelschap
zich in kleine, uit één ram en verscheidene schapen bestaande troepjes;
de als gids dienende ram heeft zijn gezag door dapperheid in den strijd
met zijne mededingers verworven. In de maanden December en Januari
hoort men het kletteren van de tegen elkander botsende hoornen in
't gebergte weerklinken; als men voorzichtig op het geluid afgaat,
ziet men de sterke rammen van den troep met omlaag gehouden kop
tegenover elkander staan; met zooveel geweld rennen de strijders
elkander tegemoet, dat het onverklaarbaar is, hoe zij zich in het
strijdperk staande kunnen houden.

In April of Mei brengt de ooi 1 of 2 jongen ter wereld, die haar
reeds na weinige dagen op de halsbrekenste paden met de grootst
mogelijke zekerheid van beweging volgen en haar spoedig in al hare
vaardigheden evenaren.

De bewegingen van den Moefflon zijn vlug, behendig snel en
doeltreffend, maar worden niet bijzonder lang volgehouden, het minst
nog op den vlakken bodem. In het klimmen toont hij zich meesterlijk
bekwaam. Volgens Cetti is hij zeer vreesachtig; bij het geringste
gedruisch siddert hij van angst en schrik over het geheele lichaam
en vlucht zoo schielijk mogelijk.

De mensch maakt van elk beschikbaar middel gebruik om dit hooggeschatte
wild meester te worden. Men verhaalt, dat de rammen in den paartijd
door de in 't struikgewas verborgen jagers, die het blaten der
ooien nabootsen, gelokt kunnen worden; de gewone wijze van jagen
is echter het "bekruipen," ofschoon zij slechts zelden een goede
uitkomst oplevert.

Oude, volwassen Moefflons worden waarschijnlijk nooit levend gevangen,
de jongen alleen, nadat men hun moeder gedood heeft. Zij geraken
spoedig aan hun verzorger gewend; hoewel zij zeer tam worden, behouden
zij steeds de opgewektheid en den vluggen aard, waardoor zij zich in
den wilden staat zoozeer onderscheiden. Op Sardinië en Corsika ziet
men in de dorpen dikwijls getemde Moefflons; sommige zijn zoozeer
aan den mensch gehecht, dat zij hem, als een Hond, overal volgen,
naar zijn stem luisteren, enz. Lastig zijn zij alleen door hun
moedwilligheid. Zij doorsnuffelen alle hoeken van het huis, werpen
daarbij allerlei voorwerpen om, breken potten en pannen en halen
allerlei streken uit. Uit alles wat ik bij gevangen Moefflons heb
opgemerkt, blijkt, dat zij zwak van geestvermogens zijn, ongeschikt
om te oordeelen en zeer vergeetachtig. In de vallen, die ik plaatste,
lokte ik hen door hun voedsel voor te houden. Onnadenkend kwamen zij
telkens weer in de strikken en netten, ofschoon zij het blijkbaar
zeer onaangenaam vonden,

dat zij zich hadden laten vangen. De bewijzen van geesteswerkzaamheid,
die ik bij hen opmerkte, zijn: een zekere mate van plaatszin,
een flauwe herinnering aan ontvangen weldaden, gehechtheid aan het
gezelschap, waaraan zij gewoon zijn geraakt, en liefde voor de jongen.

In Centraal-Azië en Noord-Amerika treft men de grootste Wilde Schapen
aan; deze onderscheiden zich door het bezit van kolossale hoorns en
lange pooten.

De _Argali_ van de Mongolen (_Ovis argali_) is zoo groot als een kalf
van 9 maanden. De forsche, driezijdige, breede hoornen staan aan den
wortel dicht bij elkander, krommen zich eerst naar achteren en naar
buiten, vervolgens naar onderen en zijwaarts, met de spits echter
weder naar achteren en naar boven; van onderen tot boven zijn zij
bedekt met opzwellingen, die ringvormig den geheelen hoorn omgeven
en een golfsgewijs beloop hebben, of als 't ware dooreengevlochten
zijn. Het overal zeer gelijkmatige haarkleed bestaat uit dicht
bijeengeplaatste, golvende bovenharen en fijn, kort wolhaar. De
heerschende kleur is mat vaalgrijs; zij gaat in het aangezicht, aan
de beide bovenste afdeelingen der pooten, aan de bovenste helft van
den voet, aan de randen van het achterkwartier en aan het achterste
deel van den buik over in een merkbaar donkerder, bruinachtig grijs,
aan het voorste deel van den snuit, op het breede achterste, aan de
onderste helft van de voeten in grijsachtig wit.

Het verbreidingsgebied van den Argali reikt van de bergen van het
district Akmolinsk tot den zuid-oostrand van de Mongoolsche hoogvlakte
en van den Altaï tot aan den Alatau; misschien strekt het zich nog
verder zuidwaarts uit.

De Argali houdt niet van vochtige, met bosschen bedekte gebergten en
ook niet van groote hoogten. Bergruggen, die zich 600 à 1000 M. boven
den zeespiegel verheffen, rijk aan kale rotsen, met hellingen, waarop
weinig boomen groeien en dalen met breed grondvlak worden bij voorkeur
door hem als woonplaats gekozen. Hij bewoont 's zomers en 's winters
nagenoeg hetzelfde gebied; hoogstens begeeft hij zich van den eenen
bergrug naar den anderen. Tot aan den paartijd blijven de mannetjes
van de wijfjes gescheiden; gene vormen troepjes van 3 à 5 stuks,
deze leven meestal afzonderlijk; kort vóór den paartijd vereenigen
zij zich tot kleine kudden van gemiddeld 10 en hoogstens 15 individuën.

Gedurende den zomer voedt de Argali zich met alle planten, die het
Tamme Schaap bij voorkeur gebruikt; gedurende den winter behelpt hij
zich met mossen; korstmossen en verdroogde grassen. Hij beklimt dan de
toppen en kammen van de rotsen, vanwaar de wind de sneeuw heeft doen
verstuiven, zoodat de korstmossen blootliggen. Hij is kieschkeuriger
bij het drinken dan bij het grazen, daar hij zich altijd naar bepaalde
bronnen begeeft en aan deze klaarblijkelijk de voorkeur geeft boven
andere. Zouthoudende gronden worden ter wille van de door alle
Herkauwers zeer gewenschte lekkernij dikwijls bezocht. Zoolang de
sneeuwlaag niet al te dik geworden is, hindert de winter hem weinig,
daar de dichte vacht hem tegen de guurheid van het klimaat beschut.

Naar het schijnt, zijn de zintuigen van den Argali uitmuntend en
gelijkmatig ontwikkeld. Zij zien, hooren en speuren buitengewoon
goed, houden van lekkernijen, wanneer zij ze krijgen kunnen,
en zullen vermoedelijk ook wat het gevoel betreft, niet misdeeld
zijn. Hun uitzicht teekent bedachtzaamheid en bewustzijn van kracht;
ook merkt men bij hen het vermogen om te oordeelen en te onderscheiden
op. In landstreken, waar hun verstand gescherpt wordt door aanhoudende
vervolgingen, toonen zij zich steeds voorzichtig, hoewel niet bepaald
schuw; in 't tegenovergestelde geval geven zij verrassende bewijzen
van argeloosheid. Opmerkelijk is hun dwaze nieuwsgierigheid, die hen
in sommige gevallen aan groote gevaren blootstelt. Reeds de oude
Steller verhaalt, dat de jagers van Kamtschatka de Wilde Schapen,
die in hunne gebergten leven (het Dikhoornschaap en zijne verwanten),
bezighouden met een pop, die van hunne kleederen vervaardigd is,
en intusschen langs omwegen nader sluipen, totdat zij het wild
binnen schot hebben. Prshewalski vernam van den Argali hetzelfde, en
onderzocht de waarheid van het verhaal der Mongolen, door zijn hemd
op een laadstok te hangen; de aandacht van een vluchtende kudde Wilde
Schapen werd hierdoor gedurende een kwartier uurs geboeid. Zelfs met
zulke listen is voor de jacht op den Argali een geoefend jager, die
bovendien een uitmuntend schutter moet zijn, noodig. Het vleesch van
dit dier wordt door de Kirgiezen zeer geschat, en is ook inderdaad
voortreffelijk, ondanks zijn sterken wildsmaak.

Behalve door den mensch, wordt de volwassen Argali vervolgd door den
Tijger, den Wolf en den Alpenwolf, ofschoon deze Roofdieren slechts
zelden hun doel bereiken. Eerder gelukt het hun een Argali-lam
buit te maken, hoewel dit nog meer reden heeft om den Steenarend te
vreezen. Indien het gelukt den Argali te temmen, zal men hierdoor
een huisdier verkrijgen, dat van groot belang zou kunnen worden. Daar
het zoowel den strengen winter als den gloeienden zomer van de steppe
trotseert, zou het waarschijnlijk beter dan eenig ander dier geschikt
zijn, om in andere gewesten ingevoerd te worden.



Het _Dikhoornschaap_ (_Ovis montana_) bewoont het Rotsgebergte en
de verder westwaarts gelegen landstreken van 68° tot ongeveer 40°
N.B.; het wordt echter uitsluitend in de wildste en ontoegankelijkste
bergstreken aangetroffen. Tot dezelfde soort wordt een in Kamtschatka
levend Wild Schaap gerekend, hoewel het zich van zijn Amerikaanschen
verwant door minder sterk ontwikkelde hoornen onderscheidt.

Onze bekendheid met het Dikhoornschaap is tamelijk onvolledig, vooral
wat betreft de levenswijze. Volwassen rammen hebben een lengte van
1.9 M., met inbegrip van den slechts 12 cM. langen staart en een
schouderhoogte van 1.05 M.; het wijfje is 1.4 à 1.5 M. lang en 90 à
95 cM. hoog. Gene bereiken een gewicht van 175 KG. (alleen de hoornen
wegen soms 25 KG.); de ooi wordt 130 à 140 KG. zwaar. De gestalte is
gedrongen en gespierd; de kop gelijkt op dien van den Steenbok. De
lengte van de kolossale hoornen, langs de kromming gemeten, bedraagt
soms 70 cM. Het haar gelijkt niet op wol, maar is hard, hoewel zacht op
het gevoel, zwak golvend en hoogstens 5 cM. lang; een vuil grijsbruine
kleur, die langs den rug donkerder wordt, heeft de overhand.

De levenswijze van de Dikhoornschapen verschilt, naar men meent, niet
van die hunner verwanten, en onderscheidt zich niet eens belangrijk
van die der Steenbokken. Evenals deze, zijn zij onovertroffen
meesters in de kunst van 't bergen beklimmen. Zoodra zij iets vreemds
opmerken, vluchten zij naar steile hoogten, en posteeren zich hier op
vooruitspringende rotsen om hun gebied te overzien. Waar zij den mensch
hebben leeren kennen, vreezen zij hem niet minder dan hun anderen,
iets minder gevaarlijken vijand, den Wolf. Het vleesch van dit dier
wordt door de blanken zoowel als door de Indianen gegeten, maar heeft
een schaapachtigen reuk, die vooral bij dat van de mannetjes duidelijk
merkbaar is. De duurzame en sterke, maar toch zachte en buigzame
huid wordt door de Indianen voor het vervaardigen van hunne fraaie,
lederen hemden zeer gezocht.

Het vangen van jonge Dikhoornschapen werd altijd als een zeer
moeielijke zaak beschouwd, daar deze dieren met hunne moeders in den
regel naar de minst toegankelijke plaatsen vluchten. In den laatsten
tijd is men er evenwel in geslaagd; in het verre westen heeft men
niet alleen jonge rammen zoo ver getemd, dat men ze vrij bij de tamme
kudden kan laten loopen, maar bovendien goede uitkomsten verkregen
van de kruising dezer dieren met Huisschapen. Het vleesch van de
hierdoor ontstaande bastaarden wordt zeer geroemd.



Evenmin als van de oorsprong van andere Herkauwers, die door den
mensch onderworpen en volslagen huisdieren geworden zijn, kan men
iets bepaalds zeggen van de afstamming van ons _Huisschaap_. De
meeningen van de natuuronderzoekers over dit vraagpunt loopen
zeer ver uiteen. Eenige meenen, dat alle rassen van Schapen van
één enkelen wilden vorm afstammen, die vermoedelijk reeds sinds
onheugelijke tijden volkomen uitgestorven, of geheel in den tammen
staat overgegaan en dus nergens meer te vinden is. Anderen daarentegen
beweren, dat men in geen geval aan een enkele stamsoort moet denken,
maar dat verscheidene soorten van Wilde Schapen getemd werden en
door herhaalde kruising de talrijke, thans bestaande Schapenrassen
opgeleverd hebben. Sommigen zien in den Moefflon, anderen in den
Argali, enkelen ook in den Aroeï, verscheidene in den _Scha_ (_Ovis
vignei_) van Klein-Tibet den bedoelden stamvorm; anderen, waarbij ook
ik mij voeg, erkennen openhartig hun onwetendheid en laten terecht
uitkomen dat onderstellingen, die niet op goede gronden berusten, de
oplossing van het vraagstuk geen stap verder kunnen brengen. De punten
van verschil tusschen de rassen hebben hoofdzakelijk betrekking op de
wijze van kromming van de hoornen op de lengte en andere eigenschappen
van den staart en op de beharing.

Volgens de laatste onderzoekingen bestaan er goede gronden voor de
meening, dat ook de zoo talrijke Schapenrassen niets anders zijn dan
kunstproducten, ontstaan onder den invloed, dien de mensch geoefend
heeft op de kruising der afstammelingen van Wilde Schapen; het is
gebleken, dat zij veranderlijk zijn, wat gestalte en grootte, vorm
van de hoornen en samenstelling van de vacht, levenswijze, gewoonten
en allerlei andere eigenschappen betreft.



Als het meest voordeelige van alle Huisschapen beschouwt men
tegenwoordig het _Merino-schaap_ (_Ovis aries hispanica_), dat
in Spanje zijne kenmerkende eigenaardigheden verkregen heeft en
achtereenvolgens tot veredeling van bijna alle Europeesche rassen
gebruikt werd. Middelmatig groot en vol gebouwd, onderscheidt het zich
door zijn grooten kop, die aan het voorhoofd plat, langs den rug van
den neus gewelfd, aan den snuit afgestompt is; het heeft kleine oogen,
groote traangroeven en middelmatig lange, toegespitste ooren. De
horens, die in den regel alleen bij den ram voorkomen, zijn forsch,
bij den wortel reeds zij- en rugwaarts gekromd, vervolgens naar boven
gedraaid; zij vormen zoo een uit twee schroefwindingen bestaande
spiraal. De hals is kort en dik, sterk geplooid, van onderen met een
"kossem" voorzien, aan de keel kropvormig gezwollen. De betrekkelijk
korte, maar stevigen en gespierde pooten hebben stomp toegespitste
hoeven. De vacht bestaat uit korte, zachte en fijne, bijzonder
regelmatig gekroesde wol.

"In Spanje" bericht mij Martinez, secretaris van de Vereeniging
van schapenfokkers in Spanje, "onderscheidt men drie hoofdrassen
van Schapen: de _Entrefina_ of middelmatig fijne, die het talrijkst
zijn, de minder talrijke _Choerra_ en de _Merino_, de edelste van
alle, welker aantal echter tegenwoordig op betreurenswaardige wijze
vermindert. Vele buitenlanders hebben gemeend, dat er in Spanje geen
ander ras van Schapen bestond en nog bestaat, dan het Merino-ras, dat
dan ook ongetwijfeld gedurende eeuwen aan onze Schapen hun goeden naam
heeft verschaft; verschillende oorzaken hebben echter samengewerkt
om in Spanje de voorliefde voor dit ras te doen verminderen en het
door de beide andere bovengenoemde rassen te vervangen."

Een uitmuntenden invloed heeft het Merino-schaap op de ontwikkeling
der schapenfokkerij in Kaapland gehad. In 1812 werden tot veredeling
van de Kaapsche Schapen door Reitz en M. van Breda exemplaren van het
Saksische Electoraal-ras ingevoerd: afstammelingen van de Merino's,
die de keurvorst (elector) Friedrich August in 1765 en 1771 uit
Spanje ten geschenke ontving. In 1820 werd dit streven nagevolgd door
andere kolonisten, die direct uit Spanje Merino-schapen invoerden. De
nakomelingen en de kruisingsproducten van deze dieren werden wederom
gekruist met andere Schapen van edel ras, die uit Pommeren, Hannover
en Australië afkomstig waren; op deze wijze zijn verscheidene, voor
de verschillende gewesten uitmuntend geschikte slagen ontstaan.



De Schapenrassen worden verdeeld in twee groepen naar de lengte van den
staart, die bij de _kortstaartige_ 13 of minder, bij de _langstaartige_
14 à 22 wervels bevat. De onderverdeeling van deze groepen berust op
het bezit of gemis van hoornen, op eigenaardigheden van de hoornen,
den staart, de pooten, enz., maar vooral op de samenstelling van de
vacht; deze heeft den belangrijksten invloed op het voordeel, dat de
schapenteelt afwerpt. Dit hangt af van het drieërlei gebruik, dat
van het Schaap gemaakt wordt; de voortbrenging van vleesch en vet,
van melk en van wol. Bij sommige rassen staat het eene product op
den voorgrond, bij andere moeten vooral de overige producten voor de
moeiten van de schapenteelt vergoeding verschaffen.

Van de uitheemsche, gehoornde, kortstaartige rassen is
o. a. merkwaardig het _Vetstuitschaap_ (_Ovis aries steatopyga_),
welks vertegenwoordigers de steppen bewonen, die aan de zuidoostelijke
grens van Europa, beginnen en zich door Midden-Azië tot in China
uitstrekken. Het is het Schaap van de Tartaren, Kirgiezen, Kalmukken
en Bureten. Zijn naam dankt het aan de groote ophooping van vet aan
weerszijden van den staartwortel. De zeer korte staart, die soms
niet meer dan 3 of 4 wervels bevat, ligt verborgen tusschen de twee
bedoelde vetklompen, die zich aan de achtervlakte van den romp over
de bovenste gedeelten van de achterbouten uitbreiden en door een
onbehaarde huid bedekt zijn. Bij een Schaap van 100 KG. levert het
uitsmelten van dezen "vetstuit" soms meer dan 20 KG. vet op. De vacht
is grof; de harige wol wordt voor de bereiding van vilt gebruikt.

Een soortgelijke ophooping van vet komt voor bij het eveneens
kortstaartige _Stompstaartschaap_ (_Ovis aries pachycerca_), dat in
Arabië, Perzië en Opper-Egypte thuis behoort. De dieren van dit ras
zijn tamelijk groot, ongehoornd of met kleine hoornen voorzien. De
vacht gelijkt, evenals bij het vorige ras, meer op die der Wilde
Schapen, dan op die van onze Huisschapen, daar het bovenhaar (hier
glanzig en eenigszins kroes) verreweg de overhand heeft over het
fijnere en kroezere wolhaar. Bij de lammeren is het haarkleed echter
buitengewoon fijn en wollig. De kop en het bovenste gedeelte van den
hals zijn gewoonlijk zwart, de overige lichaamsdeelen wit van kleur
(Zwartkop-schaap). De behaarde, middelmatige lange staart bevat 13
wervels; buiten de vetmassa, die zich rondom de bovenste staarthelft
afgezet heeft, steekt de niet verdikte staartspits uit.

Bij een groep van langstaartige rassen, bij het _Vetstaartschaap_
(_Ovies aries platyura_), is de geheele staart door buitengewone
vetophooping zeer sterk verbreed en verdikt. Het meest loopt dit
verschijnsel in 't oog bij een in Syrië levend slag, waar de zeer
lange, breede en met een wollige vacht bekleede staart een omhoog
gekromde spits heeft en een gewicht van 15 KG. kan bereiken. Naar men
zegt, wordt onder dit zware aanhangsel soms een plankje gebonden, dat
ook wel op wieltjes rust, om de moeite verbonden aan het medesleepen
van den staart te verminderen en beschadiging er van te voorkomen. De
romp is bij dit ras met een vuil witte wol bedekt; de met korte en
stijve haren begroeide kop, de ooren en de pooten zijn lichtbruin
van kleur.--Vetstaartschapen met een middelmatig langen staart
worden ook nog wel in sommige landen van Europa (Macedonië, Zuid- en
Midden-Italië en de zuidelijke departementen van Frankrijk) gefokt,
voorts in Azië (Anatolië, Tartarije, Perzië en Arabië), het meest
echter in Afrika (de landen langs de noordkust, Egypte, Abessinië,
Centraal Afrika); alle nomaden van deze gewesten houden Schapen van
dit ras. De Hottentotten hadden ze, toen de Hollanders zich aan de
Kaap de Goede Hoop vestigden. Ook bij deze dieren kan de staart een
aanzienlijk gewicht verkrijgen: bij een in Perzië gefokt Schaap van
dit ras was hij 5 KG. zwaar.

Een ander langstaartig ras, het _Manendragend Huisschaap_ (_Ovis
aries afrikana_), herinnert aan het in 't wild levende Manenschaap
door de afhangende, lange, zwarte haren, waarmede de schouders,
de borst en de hals begroeid zijn, terwijl de beharing der overige
lichaamsdeelen kort is. Het is een huisdier van den Schilloek-stam,
die aan den linkeroever van den Witten Nijl woont.

Eveneens langstaartig zijn: het _Langpootige Schaap_ (_Ovis aries
longipennis_), dat in West-Afrika (Fezzan, Senegambië, Opper-
en Neder-Guinea) voorkomt en, evenals het vorige, geen andere dan
borstelharen heeft, en het _Spiraalhoornschaap_ (_Ovis aries
strepsiceros_), dat in 't zuid-oosten van Europa (Candia, Macedonië,
Walachije, Moldavië, Hongarije) aangetroffen wordt, en zich, behalve
door zijne op kurketrekkers gelijkende, lange, boven- en zijwaarts
gerichte hoornen, ook door zijn grove, meestal blauwachtig grijze
vacht onderscheidt, welker bovenharen in één jaar een lengte van
24 cM. bereiken, terwijl de wolharen in dien tijd 12 cM. worden. Ook
het _Hangoorschaap_ (_Ovis aries catotis_), waartoe de groote,
hoogpootige, ongehoornde Lombardische Schapen behooren, heeft een
uit bovenhaar en wolhaar bestaande vacht.

Niet anders dan borstelige bovenharen vindt men daarentegen bij het
_Langstaartschaap_ (_Ovis aries dolychura_), dat een langen over den
grond sleepende, niet met vet begroeiden staart heeft, en waartoe,
behalve het Arabisch-Syrische Bedoeïnen-schaap en Tscherkessen-schaap,
ook het Engelsche Leicester-schaap behoort; bij het laatstgenoemde
slag is het haar wit, glanzig, fijn en zwak golvend.

Tot de langstaartige rassen behoort ook nog het _Bergschaap_, welks
slagen in de vele bergstreken van Europa (Zevenburgen, Sardinië,
Zwitserland, Frankrijk, Engeland, Ierland) veelvuldig gefokt
worden. Zij zijn over 't algemeen klein, maar sterk gebouwd; zoowel
de rammen als de ooien zijn ongehoornd; zij hebben meer wolhaar dan
de Spiraal-hoornschapen.

Belangrijker dan de tot dusver genoemde, uitheemsche vormen, zijn
voor ons de inheemsche. Deze behooren gedeeltelijk tot de groep van
langstaartige rassen, die onder den naam _Landschaap_ (_Ovis aries
aries_) samengevat worden. Van de drie inheemsche slagen, die men
er rekent, is één, het Drentsche, gekenmerkt door lange, zware, 2 of
3 spiraalwindingen vormende hoorns bij de rammen, en korte, rechte,
achterwaarts gerichte hoorns bij de ooien; bij de beide andere, het
Veluwsche en Kempensche slag, blijft de hoornvorming achterwege,
of komt alleen bij de ram in geringe mate voor. De Landschapen
bewonen vlakke en droge gronden, en stellen minder hooge eischen
wat het voedsel betreft, dan de Laaglandschapen, die tot de groep
_Kortstaartschaap_ (_Ovis aries brachyura_) behooren, en o. a. de lage,
vochtige kuststreken van ons land bewonen, waar men ze in Groningsche,
Friesche, Texelsche, Zeeuwsche en Vlaamsche Schapen onderscheidt. De
hoornvorming is hier zelfs bij de rammen van weinig beteekenis. Het
Texelsche ras levert de beste wol; het wordt in verschillende gedeelten
van Holland gefokt.

Het _Huisschaap_ is bedaard, geduldig, zachtmoedig, onnoozel,
slaafsch, willoos, vreesachtig, lafhartig, in een woord saai. Het is
nagenoeg onmogelijk positieve eigenschappen te noemen, welke bij dit
dier bepaald op den voorgrond treden; het heeft geen karakter. Het
begrijpt en leert niets, kan zich daarom ook niet alleen redden. Als
de egoïstische mensch het niet onthief van alle zorgen, zou het in
zeer korten tijd ophouden te bestaan. Het is belachelijk vreesachtig
en erbarmelijk lafhartig. Ieder onbekend gedruisch maakt de geheele
kudde beangst; bliksem en donder en storm, ruw weder in 't algemeen,
brengen het geheel buiten zich zelf, en verijdelen niet zelden de
met groote moeite genomen voorzorgen van den mensch.

In de steppen van Rusland en Azië hebben de herders dikwijls veel te
lijden. Bij sneeuwjacht en storm geraken de kudden verstrooid, hollen
als zinneloos de steppe in, storten zich in 't water en zelfs in zee,
blijven stompzinnig op dezelfde plaats staan, laten zich door de
sneeuw bedekken of verkleumen, zonder eenige pogingen aan te wenden,
om zich op een of andere wijze te beschutten of naar voedsel om te
zien. Soms bezwijken duizenden op één dag. Ook in Rusland gebruiken de
schaapherders Geiten, om hun vee tot gids te dienen, maar ook deze zijn
niet altijd in staat, om de domme dieren naar behooren te leiden. Bij
onweder vereenigen zij zich tot een dichten hoop, en zijn niet van
de plaats af te brengen. "Als de bliksem in deze hoop slaat," zegt
Lenz "worden er velen te gelijk gedood; als de stal in brand vliegt,
loopen de Schapen niet naar buiten, soms storten zij zich zelfs in
't vuur. Ik heb eens een groote, afgebrande stal vol van gebraden
Schapen gezien; men had ondanks alle moeite slechts weinige met geweld
kunnen redden." Het beste middel, om Schapen uit hun brandende stal
te redden, is hen door de Herdershonden er uit laten jagen.

Doch ook het schaap geeft, tot op zekere hoogte, bewijzen van
geesteswerkzaamheid. Het leert zijn verzorger kennen, geeft gehoor
aan zijn roepstem, en betoont hem ook eenige gehoorzaamheid; het
schept, naar het schijnt, behagen in muziek, het luistert althans
aandachtig naar het spel van den herder; ook heeft het een voorgevoel
van weersveranderingen.

Het Schaap houdt meer van droge, hoog gelegen gronden, dan van lage
en vochtige. Volgens de berekening van _Linnaeus_, eet het van de
veelvuldige voorkomende Europeesche planten 327 soorten, terwijl het er
141 versmaadt. Boterbloemen, Wolfsmelk, Tijdeloozen, Paardenstaarten,
Vetblad en Biezen zijn voor dit dier vergif. Het best vaart het bij
het gebruik van velerlei gedroogde planten; door voedering met graan
wordt het te vet, en vermindert de wol. Op zout is het zeer gesteld;
het kan niet buiten versch drinkwater.

De oude Romeinen lieten hunne Schapen tusschen Mei en Juni paren; de
veefokkers in koudere landen geven voor dit doel de voorkeur aan den
herfst, bij ons aan de laatste helft van October of de eerste helft van
November. Daar de draagtijd van het Schaap 144 à 150 dagen bedraagt,
worden de lammeren in 't laatstgenoemd geval geboren in Maart of April
en krijgen dus spoedig jong en malsch groen voer. Gewoonlijk brengt
het wijfje (de ooi) slechts één enkel lam ter wereld; tweelingen
zijn tamelijk zeldzaam, drielingen zeer schaars. Men moet hierbij
niet uit het oog verliezen, dat de vruchtbaarheid der verschillende
rassen en slagen zeer uiteenloopt; bij sommige onzer slagen komen
tweelingen vrij veelvuldig voor. In de eerste levensmaand komen
de 20 melktanden voor den dag; na de zesde maand vertoont zich de
eerste ware kies; in het tweede levensjaar vallen de beide middelste
melksnijtanden uit, en worden door blijvende snijtanden vervangen:
eerst in het vijfde levensjaar worden de beide laatste melksnijtanden
(eigenlijk hoektanden), gewisseld, en komen de achterste ware kiezen
voor den dag, waarmede de tandwisseling is afgeloopen. Alle rassen
zijn onderling vruchtbaar, en laten zich zonder moeite kruisen;
het Schaap kan derhalve gemakkelijk veredeld worden.

Hier te lande heeft dit zoo gewaardeerde huisdier weinige vijanden;
in het midden en zuiden van Europa echter sluipt de Wolf vaak achter
de kudden aan; in Azië, Afrika en Amerika worden deze weerlooze dieren
vervolgd door groote Katten en de grootste Honden, in Australië door
den Dingo en den Buidelwolf. Ook Bruin, de Beer, haalt hier en daar
een stuk van dit vee weg. Arenden en Gierarenden rooven lammeren.

De veelvuldigste van alle ziekten, waaraan de Schapen onderhevig
zijn, is de draaiziekte, die zich hoofdzakelijk bij jonge Schapen
openbaart; zij wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van Blaaswormen,
een ontwikkelingstoestand van een Lintworm (_Taenia coenurus_)
in de hersenen. Andere Ingewandswormen, de zoogenaamde Leverbot
(_Distoma hepaticum_) veroorzaken het ongans, eenige draadwormen
de longziekte. Bovendien worden de Schapen gekweld door eenige
uitwendige parasieten, zooals de tot de Luisvliegen behoorende
zoogenaamde schapenteek (_Melophagus ovinus_) en de Schurftmijt
(_Dermatocoptes communis_). Daarbij komen nog bloedloop, klauwzeer,
hersenontsteking, sidderziekte, pokken, trommelzucht en andere dikwijls
doodelijke kwalen.

Het Schaap kan 14 jaar oud worden; reeds in 't 9e of 10e levensjaar
echter verliest het de meeste tanden. Daardoor wordt het onbruikbaar;
het moet dan zoo schielijk mogelijk gemest en geslacht worden.

Onder de landen, waar de schapenteelt een belangrijk deel van de
inkomsten der bewoners oplevert, staat Australië, dat in 1895 124
millioen Schapen bezat, bovenaan; Azië heeft er 90, Argentinië 82,
Rusland 50, Afrika 45, de Vereenigde Staten van Amerika 45, Groot
Britannië 29, Frankrijk 24, Spanje 20, Oostenrijk-Hongarije 20,
Uruguay 15, het Duitsche rijk bijna 11, Italië 9, Rumenië 5, Canada
3 millioen. In Nederland is het aantal Schapen 900.000.



In het hooge noorden, in de onherbergzame gewesten, waar de
bodem in den zomer slechts aan de oppervlakte ontdooit, waar
dwergachtige houtige planten een armoedig leven leiden, waar mos-
en korstmostoendras een groot deel van den bodem uitmaken, zwerft,
behalve het Rendier, nog een andere Herkauwer over de woeste vlakten,
n.l. de Schaap-os of Muscus-os. Vroeger leefden beide dieren in veel
verder zuidwaarts gelegen landen; vooral de Muscus-os heeft een harden
strijd om het bestaan moeten voeren, zooals blijkt uit de beenderen
door hem achtergelaten in verscheidene voormalige rivierbeddingen van
Europa en Azië. Meer dan 15 breedtegraden lager bevond zich eertijds
de zuidelijke grens van zijn verbreidingsgebied, dat thans in Amerika,
het eenige nog door hem bewoonde werelddeel, eerst aan gene zijde
van den 60en graad N.B. aanvangt.

De _Schaap-os_ of _Muscus-os_, de _Oemingarok_ der Eskimos (_Ovibos
moschatus_), vereenigt op een wonderlijke wijze de kenmerken van
de Runderen en van de Schapen in zich; het komt ons daarom noodig
voor hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijke onderfamilie
te beschouwen. Door het gemis van een "kossem" (of halskwabbe, een
huidplooi aan het achterste gedeelte van den onderhals en aan de
voorborst) en door het onbehaard zijn van de spits van den snoet,
door de kortheid van het staartstompje, door den bouw der hoeven en
door het bezit van slechts twee tepels verschilt dit tweeslachtig
wezen even duidelijk van de echte Runderen als het tot de Schapen
nadert. Zijn totale lengte bedraagt, met inbegrip van den slechts 7
cM. langen staart, 2.44 M., de schouderhoogte 1.1 M. De zwaar gebouwde
romp rust op korte en krachtige pooten en loopt uit in een in de vacht
verborgen staartstompje; de hals is kort en dik, de kop zeer plomp,
betrekkelijk smal en hoog, het voorhoofd grootendeels door de hoornen
bedekt; de oogen zijn klein, de muil is groot en plomp en door dikke
lippen begrensd. De hoornen zijn tot dicht bij het midden hunner
lengte gezwollen: dicht tegen den kop aanliggend, zijn zij eerst
een weinig naar achteren, daarna regelrecht naar onderen gebogen,
vervolgens naar voren en naar buiten gekeerd, waarna de scherpe
spitsen zich weer naar boven richten.

Een buitengewoon dichte vacht bekleedt den romp; de beharing is ook
opmerkelijk dicht op het aangezicht en de pooten. De betrekkelijk dikke
bovenharen nemen bij de kin te beginnen naar onderen in lengte toe en
vormen op de borst manen, die bijna den grond raken; aan beide zijden
hangen zij tot op de hoeven naar beneden. Ook bedekken zij in grooten
overvloed de schoft, waardoor een kussenvormig zadel ontstaat, dat
achter de hoornen begint, den hals aan weerszijden bedekt en zelfs de
ooren omhult. De algemeene kleur is donker omber-bruin; zij gaat op
't aangezicht en de manen in donkerbruin over en neemt op het zadel
een lichtere tint aan.

De Schaap-ossen bewonen binnen het genoemde, uitgestrekte gebied alle
oorden, die hun, zij het dan ook tijdelijk, woonplaats en voedsel
kunnen verschaffen. Tot kudden van verschillenden omvang vereenigd,
vestigen zij zich vooral in dalen en laagvlakten; in sommige
gewesten neemt hun aantal toe, naarmate men verder noordwaarts
komt: voor Oost-Groenland althans meenen de leden van de tweede
Duitsche Noordpoolexpeditie dit op grond van hunne ervaringen te
mogen aannemen. Zij ontmoetten hier aanvankelijk kudden van 20 à 30
exemplaren. Op de verstafgelegen eilanden van het noordwesten echter
zag Mecham gedurende een kleine dagmarsch 150 en op een andere plaats
binnen den gezichtskring 70 grazende Schaap-ossen. Gedurende den
zomer houden deze kudden zich in het noordelijk deel van het vasteland
van Amerika bij voorkeur in de nabijheid van de rivieren op; zoodra
de herfst invalt, trekken zij echter verder zuidwaarts; terzelfder
tijd vereenigen zij zich tot groote scharen, terwijl zij vroeger meer
afzonderlijk graasden. Als een samenhangende ijslaag hun hiertoe de
gelegenheid biedt, ziet men ze in langen optocht van het eene eiland
naar het andere loopen, om oorden te bereiken, die hun tijdelijk
meer voedsel verschaffen. Alleen door hun buitengewone soberheid
zijn zij in staat den vreeselijken winter door te komen. Langzaam
en bedachtzaam doorkruisen zij de eindelooze sneeuwwoestijn om er
leeftocht te vinden. Zoodra de dooi invalt, breekt voor hen een
tijdperk aan, waarin zij het minst gekweld worden door zorg voor 't
voedsel, maar dat daarentegen rijk is aan bezwaren van anderen aard. De
winter bood hun, diep onder de sneeuw verborgen, een armoedigen kost,
thans kunnen zij zonder eenige moeite zich verzadigen aan de kruiden,
die gedurende korten tijd, althans op sommige plaatsen, weelderig
groeien. Daarentegen hebben zij nu veel te lijden van de Muggen,
die hen dikwijls in werkelijk ontzettend groote zwermen overvallen,
terwijl zij tevens van haar verwisselen. Naar het schijnt, heeft de
verharing wegens hun dikke wollige vacht niet gemakkelijk plaats;
zij wentelen zich, misschien ook met het doel om hun huid te bedekken
met een korst, die hen tegen hunne pijnigers beveiligt, in poelen en
moerassen, en blijven, naar men vermoedt, gedurende dezen tijd in
een beperkt gebied; eerst nadat de haarwisseling geheel afgeloopen
is, hervatten zij geduldig en onverpoosd hunne zwerftochten door de
uitgestrekte vlakten van hun naargeestig vaderland.

Tegen het einde van Augustus paren deze dieren; omstreeks het einde
van Mei, dus na een draagtijd van 9 maanden, brengt het wijfje
één jong ter wereld: een klein, bijzonder lief beestje, dat door de
ouders liefderijk verzorgd en in geval van nood met zeer grooten moed
verdedigd wordt.

In weerwil van hun plompe gestalte bewegen de Schaap-ossen zich met
bewonderenswaardige gemakkelijkheid; zij zijn zoo vlug en behendig als
Antilopen. Gelijk Geiten klimmen zij op de rotsen rond, zonder eenige
inspanning beklimmen zij steile wanden en vrij van duizeling kijken zij
van de hoogte af omlaag. In tegenwoordigheid van den mensch gedragen de
Schaap-ossen, althans die, welke vóór dien tijd bijna of in 't geheel
niet met den aartsvijand van de dieren in aanraking zijn gekomen, zich
dikwijls onhandig en handelen zonder overleg. Het blijkt, echter, dat
zij in korten tijd een juist begrip verkrijgen van de vreeselijkheid
van den tegenstander, die plotseling in hunne tot dusver alleen door
IJsberen en Wolven bezochte velden verscheen; in het volle besef van
het hen dreigende gevaar vluchten zij te rechter tijd.

Wanneer verscheidene jagers gelijktijdig van verschillende zijden een
rustig grazende kudde van Schaap-ossen besluipen, dringen deze soms
nader bijeen, in plaats van te vluchten en zich te verspreiden;
hierdoor zijn de jagers in de gelegenheid verscheidene malen
achtereen te schieten. Dan beantwoordt de jacht werkelijk aan de
voorstelling, die Payer en Copeland er van geven; zij noemen haar
volkomen ongevaarlijk en zeggen, dat zij niet meer bezwaar oplevert
dan het schieten, op een kudde Geiten of Runderen, die gelegerd zijn
rondom een Alpenhut, waarbinnen de jager zich bevindt. Volgens mijn
meening is het echter verkeerd aan dergelijke ervaringen een algemeene
beteekenis toe te kennen, te meer omdat de ondervinding van alle
vroegere onderzoekers beslist hiermede in strijd is. Gewonde dieren
worden woedend en rennen, dorstend naar wraak, op den jager los, die
van geluk mag spreken, als hij niet omvergeloopen en met de puntige
hoornen doorboord wordt.

Het vleesch van dit dier heeft een duidelijke muscuslucht; deze is
evenwel bij de wijfjes niet zoo sterk, dat het vleesch er onbruikbaar
door wordt, zooals, naar men zegt, het geval is bij de mannetjes die
gedurende den paartijd gedood worden. De wol en het haar worden door
de Indianen en de Eskimo's hoog geschat. Het eerstgenoemd product
is zoo fijn, dat men daarvan ongetwijfeld uitmuntende weefsels zou
kunnen maken, als men er genoeg van kon krijgen. Van de staarten
maken de Eskimos vliegenverdrijvers en van de huid een goed schoeisel.



De derde onderfamilie van de Holhoornigen omvat de Runderen
(_Bovinae_): groote, sterke, logge Herkauwers, hoofdzakelijk gekenmerkt
door rondachtige, gladde hoornen, door een breeden snuit met onbehaarde
neuspunt (neusspiegel) en ver uiteengeplaatste neusgaten, door een
langen tot aan het hielgewricht reikenden, in een kwast eindigenden
staart en door het gemis van traangroeven en klauwklieren. De meeste
onderscheiden zich ook door een kossem aan den hals. Hun geraamte heeft
zeer plompe en krachtige beenderen. De hoornen zijn aan den wortel
breed en bedekken daarom bij sommige bijna het geheele voorhoofd,
wat bij verreweg de meeste niet het geval is; zij zijn glad en
rondachtig of hoogstens aan hun onderste gedeelte dwars geribd; zij
krommen zich naar buiten of naar binnen, naar achteren of naar voren,
naar boven of naar beneden, of hebben een liervormige gedaante. Het
haarkleed is gewoonlijk kort en glad aanliggend, maar kan ook op
sommige lichaamsdeelen bij wijze van manen verlengd zijn.

Geheel Europa en Afrika, Middel- en Zuid-Azië, en ook het noorden
van Amerika kan men als het vaderland van de Runderen aanmerken;
tegenwoordig zijn de soorten, die door den mensch dienstbaar gemaakt
werden, over alle deelen van den aardbol verbreid. De in 't wild
levende vormen bewonen zeer verschillende landstreken: sommige dichte
bosschen, andere open grasland, deze de vlakte, gene het gebergte, waar
zij zelfs nog op hoogten van 5500 à 6000 M. kunnen voorkomen. Slechts
weinigen hebben een vaste woonplaats, bijna alle leiden een zwervend
leven. Die, welke het gebergte bewonen, begeven zich in den winter
naar de dalen; zij die zich in het noorden ophouden, trekken naar
zuidelijker gewesten; andere verwisselen uit gebrek aan voedsel nu
en dan hunne gewone verblijfplaatsen met oorden, die rijker zijn aan
voedsel. Alle soorten zonder uitzondering leven gezellig en vormen
kudden, die door sterke en ervaringrijke dieren aangevoerd worden; bij
enkele soorten bestaan deze kudden soms uit duizenden individuën. Niet
zelden komt het voor, dat oude mannetjes het gezelschap van hunne
soortgenooten verlaten om een kluizenaarsleven te leiden.

Alle Runderen, hoe plomp en langzaam zij zich ook voordoen, zijn tot
snelle beweging in staat, en toonen veel meer bekwaamheden, dan men
van hen verwacht zou hebben. Hun gewone beweging is een langzame stap;
zij kunnen echter ook snel draven en nemen soms een zeer plompen galop
aan, die hen zeer snel verder brengt. De soorten, die het gebergte
bewonen, klimmen meesterlijk; alle zwemmen gemakkelijk en goed; enkele
trekken zonder schroom over de breedste stroomen. Hun spierkracht
is buitengewoon groot, hun volharding bewonderenswaardig. Onder
hunne zinnen neemt de reuk de eerste plaats in, ook het gehoor is
goed ontwikkeld, het gezicht is echter niet bijzonder scherp. De
geestvermogens zijn gering; de wilde vormen openbaren echter veel
meer verstand dan de tamme, die van de gaven van hun geest niet veel
gebruik behoeven te maken. Hun gemoedsaard is verschillend. Over 't
algemeen zachtaardig en argeloos tegenover wezens, die voor hen niet
gevaarlijk of lastig zijn, geven zij ook bewijzen van buitengewone
wildheid en vermetelheid en van een grooten moed; als zij getergd
worden, vallen zij met doodsverachting alle Roofdieren, zelfs de
sterkste aan; zij weten hunne wapens met zulk een behendigheid te
gebruiken, dat zij dikwijls de zege behalen. Jegens elkander zijn zij
over 't geheel genomen verdraagzaam, hoewel zij in bepaalde tijden,
en wel gedurende den paartijd, met een duidelijk zichtbaren lust
tot vechten bezield zijn. Hun stem is een gebrul, dat meer of minder
schel of dof klinkt, en soms ook wel op knorren en brommen gelijkt;
vooral in opgewonden toestand laten zij zich hooren.

Het voedsel van de Runderen bestaat uit zeer verschillende plantaardige
stoffen. Zij eten bladeren, malsche knoppen, spruiten en twijgen van
de meest verschillende boomen, grassen en andere kruiden, boomschors,
mossen en korstmossen, moeras- en waterplanten, zelfs scherpkantige
zeggen en rietachtige gewassen. In gevangenschap voeden zij zich met
alle mogelijke voortbrengselen uit het plantenrijk. Zout is voor alle
een lekkernij; water is hun een behoefte; verscheidene wentelen zich
vol behagen in slijkerige poelen, of gaan uren lang in rivieren of
vijvers liggen.

9 à 12 maanden na de paring werpt het wijfje één jong, zeer zelden
twee. Het kalf is reeds bij de geboorte zeer volkomen ontwikkeld en
na zeer korten tijd in staat om de moeder te volgen. Deze behandelt
het zeer liefderijk, zoogt en reinigt, likt en liefkoost het;
zij verdedigt het in tijd van gevaar met ware doodsverachting tegen
iederen aanval; later dragen bij vele soorten van Runderen de stieren
voor de bescherming van de jongen zorg.

Alle Rundersoorten kunnen getemd worden. Deze dieren onderwerpen
zich meer of minder gewillig aan den mensch, leeren hun verzorger
kennen en liefhebben, volgen zijn stem en gehoorzamen zelfs aan een
zwak kind. Toch toonen zij eigenlijk geen grootere gehechtheid aan
hun meester dan aan anderen, maar gedragen zich, wanneer zij eens
getemd zijn, even vriendelijk jegens alle menschen.

De jacht op wilde Runderen is niet vrij van gevaar, vooral een woedende
stier is een niet te verachten tegenstander. Juist hierom worden deze
dieren met een waren hartstocht gejaagd; bij vele volken beschouwt
men deze jacht als de roemrijkste van alle bezigheden.



"De Indiërs," zoo verhaalt ons reeds Aelianus, "bieden hun koning
tweeërlei Runderen aan: een van deze kan zeer snel loopen, de
andere is zeer wild. Hun kleur is zwart, de staart echter, die voor
het verdrijven van de Vliegen dient, heeft een schitterend witte
kleur. Het dier is zeer schuw en vlucht met groote snelheid; wanneer
het echter door de Honden achterhaald wordt, verweert het zich, nadat
het zijn staart in de struiken verborgen heeft; omdat het meent, dat
men het geen kwaad meer doen zal, als men zijn staart niet kan zien;
het weet namelijk zeer goed, dat men het wegens de schoonheid van den
staart vervolgt. Toch baat dit het dier niets. Men doodt het met een
vergiftigen pijl, snijdt het den staart af en neemt ook de huid mede;
het vleesch echter laat men liggen."

Het dier, waarop in dit bericht van Aelianus gedoeld wordt, is _Yak_
(_Bos grunniens_), die men ook wel _Knorbuffel_ noemt. Zijn romp is
krachtig gebouwd; de matig groote, zeer breede kop, neemt van het
lange en platte voorhoofd tot den knotsvormigen snuit gelijkmatig
in dikte en breedte af; de oogen zijn klein en hebben een onnoozele
uitdrukking; de ooren zijn klein en afgerond. De hoornen zijn achter
aan den kop aan weerszijden van de voorhoofdslijst gezeten, van boven
naar onderen samengedrukt, aan de voorzijde rond, aan de achterzijde
tot een kant versmald, eerst zijwaarts, naar achteren en naar buiten,
daarna weder naar voren en naar boven, en eindelijk met de spits naar
buiten en naar achteren gericht. De hals is kort en stijfnekkig; de
ruglijn, die eenige golvingen vertoont, daalt tot aan den staartwortel
langzaam af; de staart is lang en met een ruigen, tot op den bodem
reikenden kwast versierd. Het haarkleed bestaat over 't algemeen uit
fijne en lange haren, die dikwijls het geheele aangezicht bedekken,
zich aan de schouders en langs beide zijden verlengen tot steil naar
onderen hangende, op een gordijn gelijkende, zacht golvende manen. De
volwassen dieren hebben een fraaie donkerzwarte kleur, die op den
rug en aan de zijden een bruinachtige tint vertoont; de haren om den
bek zijn grijsachtig; langs den rug loopt een zilvergrijze streep. De
totale lengte van volwassen stieren bedraagt 4.25, de hoogte van den
bult tusschen de schouders 1.9 M.; de hoornen zijn 80 à 90 cM. lang
van volwassen koeien is de lengte maar weinig meer dan 2.8, de hoogte
1.6 M.

De hooglanden van Tibet en alle hiermede samenhangende hooge
bergketenen vormen het vaderland van den Yak; hij houdt verblijf
op hoogvlakten van 4000 à 6000 M. hoogte. De naakte bodem van de
onherbergzame velden der door hem bewoonde gewesten is slechts hier
en daar met een armoedig graskleed begroeid, dat door de woedende
stormen van den winter met sneeuw bedekt wordt. In zulke woestijnen
kan de Yak zijne behoeften bevredigen en beschutting vinden tegen
den mensch; de strijd om het bestaan is voor hem dus minder moeilijk,
dan men zou kunnen meenen.

Behalve wat zijn kracht betreft, staat de Yak bij de anderen dieren van
het hooge gebergte achter in begaafdheden. Wel is zijn geschiktheid
tot het bestijgen der bergen even groot als die der Wilde Schapen en
Steenbokken: hij klimt met dezelfde vastheid van gang als zij in de
hoogste en wildste rotspartijen, op kammen en steile hellingen; maar,
als hij op de effene vlakte loopt, kan ieder Paard hem inhalen. De
reuk heeft bij hem verreweg de overhand, vergeleken met de overige
zinnen. Dat zijn verstand op een lagen trap staat, blijkt reeds
uit zijn onevenredig kleine hersenen, nog duidelijker echter uit de
gebaren, die hij maakt, als 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/23925