Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1

by Multatuli · Dutch · Gutenberg #23796 · 658,049 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1

Author: Multatuli

Editor: Jeanette van den Bergh van Eysinga-Elias


        
Release date: December 10, 2007 [eBook #23796]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/23796

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE, DEEL 1 ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/












                           Multatuli

             De Geschiedenis van Woutertje Pieterse

                Opnieuw verzameld uit de "Ideen"

                              Door

             Dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias


                          Eerste Deel



       Amsterdam--Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"--1921








 N.V. Electr. Drukkerij "Volharding" Ceintuurbaan 250 Amsterdam







INLEIDING.


In de eerste jaren na 1860 heeft Multatuli zijn lezende en denkende
landgenooten in heftige beroering gebracht: door de _Max Havelaar_,
door zijn geschrift _Over vrijen-arbeid in Nederlandsch-Indië_ en
door zijne _Minnebrieven_ wekte hij geestdrift eenerzijds, sterke
afkeuring andererzijds door zijne excentrieke persoonlijkheid.

Voor den groeienden kring zijner aanhangers begon hij in 1862 zijne
_Ideen_ uit te geven. Deze verschenen op ongezette tijden per vel
druks in een lossen omslag, dien M. als correspondentieblad met
zijne lezers en lezeressen gebruikte. Zoodoende kreeg hij voeling
met zijnen lezerskring. De strijd om recht te verkrijgen voor den
Javaan werd verruimd tot een "strijd tegen Droogstoppelarij in
alle beteekenissen": "Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk,
maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of
benauwd is", verklaart M. in I. 403.

En dit deed hij--schrijvende naar den indruk van het oogenblik--in
kernachtige spreuken en prikkelende paradoxen, in parabelen en
betoogen, soms zangerig en dichterlijk van taal, dan weer vlijmend
scherp van toon.

M. leefde voor en in zijn geestelijken strijd. Hij was vol moed
en vervuld van hoop, toen zijne Ideen bij velen insloegen. Maar
nieuwe denkbeelden dringen tot de groote hoop, ook tot die der
intellectueelen uiterst langzaam door: ondanks een groeienden kring van
geestverwanten lieten werkelijke hervormingen op zich wachten. En dit
maakt geestelijken strijd zoo ontmoedigend. Deze ontmoediging heeft
M. ruimschoots gekend en het heeft hem vaak bitter gestemd, ja het
vervulde hem met walging. En dan barst hij uit in een wanhoopskreet:
"Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel
walglyks òm my." (I. 360-361.) En dan zegt Fancy hem tot troost een
sprookje voor, een sprookje geboren uit heimwee naar de heerschappij
van 't goede, schoone en ware.

Een zeer eigenaardig sprookje is de _geschiedenis van Woutertje
Pieterse_: geen zweverig sprookje, dat buiten het alledaagsche
leven omgaat, maar het wonderverhaal van een ontwakende dichterziel
temidden der meest stuitende alledaagschheid en van zijn streven
naar goedheid, waarheid en schoonheid in een wereld, waar platheid,
zelfzucht en eigengerechtigheid hoogtij vieren. Het is de strijd van
Multatuli's eigen kinderjaren, dien hij eerst onbewust, later bewust
gestreden heeft.

Toch moet de Woutergeschiedenis niet opgevat worden als M.'s
autobiographie. In dieperen zin is dit wel het geval: het leed,
de droomen, de innerlijke strijd en ontwikkeling zijner kinderjaren
zijn er in geteekend. Maar _niet_ zijn ouderlijk huis, _niet_ zijn
moeder vooral. Alleen de schepping van Stoffel staat eenigszins
in verband met herinneringen aan een niet zeer beminden broeder en
Leentje is historisch. Episoden als het romanlezen, de pepermenthandel
met de Hallemannetjes, de kantoorcarrière bij de firma Kopperlith,
en het twijfelachtig genot van de uitnoodigingen op hun "buiten",
Femke en Pastoor Jansen (voor wien een braaf dorpsdominee tot model
diende),--dat alles is min of meer historisch.

De groei van een kinderziel in een gezin en een maatschappij, die
door conventie verwrongen zijn, en die door de kracht van dien
zuiveren, innerlijken groei bestemd is om eenmaal de knellende
vormen te verbreken, maar voorloopig moeite heeft zich te schikken
in de grootemenschenwereld, die hij niet verstaat: dat is de
Woutergeschiedenis.

Voor het eerst heeft Multatuli in ons land den ontwikkelingsgang
van het kind in een kunstwerk geschetst. Wat Rousseau met zijn
_Emile_, Bernardin de St. Pierre met _Paul et Virginie_, von Sallet
in _Contraste und Paradoxe_ hebben gedaan, dat deed Multatuli op
zeer oorspronkelijke wijze in zijn Woutergeschiedenis. De Fransche
schrijvers plaatsen hun kinderen _buiten_ de werkelijkheid. Maar
Multatuli plaatst Wouter _midden_ in het leven. Hij laat Wouter
opgroeien in een uiterst-bekrompen, kleinburgerlijke omgeving. Deze
omgeving schetst hij met scherpe humor; hij laat zien hoe bekrompenheid
van woning samenhangt met die van lichaam en ziel: "begrippen van
deugd, zedelijkheid, godsdienst zijn veelal geschoeid op de leest
van de ruimte waarin men zich bewoog", en "er bestaat 'n zeer innige
verwantschap tusschen de benauwde tweede-achter-verdiepingsche
denkbeelden, en de bekatechiseerde stofferigheid van zoo'n
omnibus-bedstede. _Alles is in alles._" (I. 401.)

Wouter nu doorbreekt dien samenhang tusschen uiterlijke en innerlijke
bekrompenheid. Hij ontwikkelt zich juist in sterke tegenstelling
tot zijn omgeving. Bij deze heerscht harmonie tusschen uiterlijke
omstandigheden en innerlijk leven. Maar Wouter groeit innerlijk
tegen de verdrukking in door den adel van zijn aanleg. Telkens
ontvlucht hij het ouderlijk huis om te droomen bij slooten en molens
en bruggetjes. Daar gaat de romantische boekenwereld voor hem open,
daar vindt hij Femke en de liefde en uit al die sensaties wordt
Fancy geboren.

De tegenstelling tusschen Wouter en zijn familie vinden we terug in de
tegenstellingen in de omgeving, waarin hij opgroeit: 't huis Pieterse
en consorten staat tegenover Vrouw Claus en Femke, huisdominee en
Pennewip tegenover Pastoor Jansen, de holle deftigheid der Kopperliths
tegenover de wezenlijke superioriteit der Holsma's.

In het tweede gedeelte der Woutergeschiedenis krijgt Wouter een
lotgenoot: tegenover Wouter, die aan kleinburgerlijke bekrompenheid
tracht te ontkomen, verschijnt Prinses Erica, die zich tegen
vorstelijke geesteloosheid en vormelijkheid verzet.

Wouter ziet in Erica de ware verschijning zijner Fancy, door wie de
liefelijke Femke wordt verdrongen. Erica waant in de ruwheid van
het volksleven, in den degelijken eenvoud van Vrouw Claus de ware
menschelijkheid te hebben gevonden.

En onbewust spreekt ze waarheid, als ze bij vergissing in de donkere
kroeg Wouter _Mein Bruder_ noemt: want als zusterzielen zoeken beiden
naar poëzie en ware menschelijkheid in de sfeer tegengesteld aan
de eigene.

Het verzoenende beeld, dat deze uitersten moet opheffen, is geteekend
in het gezin van dokter Holsma: niet in hoogheid van rang of eenvoud
van leven, maar in zuiverheid van gemoed, in innerlijken rijkdom
schuilt de ware menschelijkheid. In de uitspraken van Dr. Holsma,
Zielearts en Opvoeder in den waren zin des woords, vinden we
Multatuli's eigen denkbeelden terug.

Wouters ontwikkeling wordt zeer uitvoerig geschetst: zijn kleeding,
zijn leeren, zijn omgang met kameraden en vriendinnetjes, zijn
reageeren op moederlijke en Pennewipsche paedagogie, zijn tobben over
de z.g.n. levenswijsheid der groote menschen en dan het ontwaken in
zijn gemoed van liefde en begeerte naar macht om het goede te doen
zegevieren, zijn tobben, waarom een almachtig God zooveel onrecht
duldt, de botsingen van zijn ontwakend idealisme met het bestaande
thuis, op school, in den handel.--dat alles wordt in fijn gevoelde,
humoristische tafreeltjes geschetst.

De Woutergeschiedenis is onvoltooid gebleven. Wel is het Multatuli's
plan geweest Wouter tot diens dood toe te volgen, daarom liet hij hem
dan ook omstreeks 1800 geboren worden. Maar de bittere stemming over
kritiek op zijn werk en persoon, over het uitblijven der zoo vurig
bepleite hervormingen, verduisterden voorgoed de Fancy-verschijning
in zijn gemoed.

En zoo verliezen we Wouter uit het oog als een jongen, die op het
punt staat het groote leven in te gaan. Hij is bezield met goede
voornemens--maar de weg naar de hel is ermee geplaveid, voegt Multatuli
er aan toe.

En zijn de eerste daad als hij met Pastoor Jansen op pad gaat om
_eigen_ domheid te herstellen, is een poging twee meisjes van _hare_
domheid te redden: en dit stemt sceptisch of Wouter zijn goede
voornemens inderdaad ten uitvoer zal leggen.



Multatuli beperkt zich niet tot het schetsen van Wouters
wederwaardigheden: hij wijst telkens op fouten in opvoeding en
onderwijs, op bekrompenheid, op maatschappelijk onrecht. Hij trekt
telkens een parallel tusschen de ontwikkeling der kinderziel en
die der menschheid: hij vindt hierin aanleiding opmerkingen over
taalontwikkeling, mythologie, folklore en geschiedenis te plaatsen.

De grens tusschen deze uitweidingen en de Woutergeschiedenis is vaak
moeilijk te trekken: soms zijn het korte kernachtige spreuken, soms
dijen ze uit tot lange vertoogen.

Zoo vinden we _hoofdstukken mèt_ en _hoofdstukken zònder ideen_,
ook wel eens _Ideen zonder hoofdstuk_, herhaaldelijk hoofdstukken
met zijsprongen op 't gebied van kunst, geschiedenis, zedelijkheid,
politiek of literaire kritiek.

Zoo is de Woutergeschiedenis in en door de Ideen heengewerkt, maar toch
als een bewuste tegenstelling tot die Ideen. In de Woutergeschiedenis
geeft Multatuli de idee op de wijze van het sprookje, de idee
gekleurd door het schoone licht der fantasie. Maar telkens weer
wekten de beelden door Fancy hem voorgetooverd den beschouwenden,
kritischen geest van den schrijver; dan onderbreekt hij Fancy om
redeneerend, afbrekend en opbouwend aan _hare beelden zijne ideen_
te demonstreeren. En dan gebeurt het niet zelden, dat hij van idee
tot idee voortredeneerend, Fancy laat glippen.

Zoo is de Woutergeschiedenis zeer nauw, ja haast onverbrekelijk met
de _Ideen_ verbonden: en tòch, wie de bekoring van Fancy's sprookje
ten volle wil genieten, zal bij voorkeur achter elkaar die stukken
van de _Ideen_ opslaan, waarin de Woutergeschiedenis wordt voortgezet,
en de betoogen, die deze onderbreken, zooveel mogelijk overslaan. Want
ondanks alle uitweidingen is ze in zichzelven een eenheid van groote
schoonheid. Dit nu komt beter tot zijn recht in een afzonderlijke
uitgave, dan in de _Ideen_ zelve.

Wegens den innigen samenhang met de _Ideen_ echter is Multatuli
nooit overgegaan tot het bewerken eener afzonderlijke uitgave en
heeft zijne weduwe sterk geaarzeld, eer ze er toe kon besluiten.

In deze nieuwe afzonderlijke uitgave zijn weer meer stukken weggelaten,
dan in die van Multatuli's weduwe. De eenheid en samenhang dezer
kunstschepping zuiver te doen uitkomen is hierbij richtsnoer geweest,
doch allerminst was het de bedoeling den samenhang met de _Ideen_
weg te doezelen; wie de Woutergeschiedenis volkomen wil leeren kennen,
leze deze zoowel in de afzonderlijke uitgave, als in de _Ideen_.

Daar vele der weggelaten betoogen in zeer nauw verband staan tot de
Woutergeschiedenis, is in noten met enkele woorden naar deze _Ideen_
verwezen; minder belangrijke coupures zijn echter niet aangegeven.

Dat thans eene geïllustreerde uitgave verschijnt is geheel in den
geest van den schrijver; dat vaderlandsche kunstenaars zich niet
geroepen voelden Wouter in zijn pittoresk milieu uit te beelden,
was hem steeds een grievende teleurstelling. [1]

Door besprekingen met den Heer Van der Valk over de keuze der
illustraties en met ondergeteekende over het al dan niet weglaten
van sommige stukken heeft Mevrouw de Weduwe Douwes Dekker--Hamminck
Schepel ook aan deze uitgave hare vriendelijke medewerking verleend.

Dat een en ander _hare_ goedkeuring verwierf, moge gelden als waarborg,
dat de bewerking dezer uitgave het werk van Multatuli tot zijn recht
doet komen.


J. van den Bergh van Eijsinga-Elias.













    Wat poëzie, myn God, gy die in poëzie alleen bestaat.
    Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging over
    zooveel walg'lyks òm my.
    . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje voorzeggen? [2]




_Chronologisch-archaeologisch onderzoek naar den oorsprong dezer
geschiedenis, en van den naam der hartenstraat. Over Poëzie in 'n
stad wier naam op dam uitgaat. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van
valsch haar. De held van deze historie verdedigd tegen 't vermoeden
van misdaad. Apothéose van Glorioso. 't Gevaar van den roem, en de
veiligheid van 't bovenste plankje. De geduldige Kat van vader Van
Alphen, die nooit zooveel geduld noodig had--ik meen de Kat--als de
kinderen die z'n versjes moesten leeren--de versjes van Van Alphen,
meen ik--en als de martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze
moesten aanhooren._





Het jaar weet ik niet. Daar ge er belang in stelt, lezer, het tydstip
te weten, waarop de geschiedenis die ik u verhalen wil aanvangt,
zal ik 'n paar punten opgeven als _jalons_.

M'n moeder klaagde over duurte van levensmiddelen en brandstof. 't
Moet dus geweest zyn vóór de ontdekking der staathuishoudkunde. Onze
meid was getrouwd met den barbiersknecht die maar één been had. "Dat
was zoo zuinig, meende de ziel, om 't schoeisel." Daaruit zou men nu
weer besluiten dat de staathuishoudkunde wèl uitgevonden was.

Hoe dit zy, 't is lang geleden. Men zeide nog niet: ik heb _bepaald_
pyn in 't hoofd, Amsterdam had nog geen trottoirs, de _inkomende
Rechten_ bestonden nog, men gebruikte in zekere beschaafde landen
nog galgen, en stierf niet zoo dagelyks aan anevrismen. Ja, 't is
lang geleden.

Ik heb nooit begrepen waarom de hartenstraat _hartenstraat_ genoemd
wordt. Of moet men hartéstraat schryven, of hèrtenstraat? Nooit
heb ik in die buurt meer hartelykheid opgemerkt dan elders, en ook
hertebeesten waren er niet menigvuldig, schoon er iemand woonde
die kippen verkocht, en dus poelier genoemd werd, dat kachelmaker
beteekent.

Ik ben daar in-lang niet geweest; en herinner me alleen dat het 'n
straat is die twee hoofdgrachten aan elkaar verbindt, hoofdgrachten die
ik zal laten dempen zoodra ik de macht heb Amsterdam te maken tot een
der schoonste hoofdsteden van Europa. Wat een myner vele plannen is.

Die ingenomenheid met de toekomst onzer hoofdstad, maakt me niet
blind voor haar gebreken. Daaronder reken ik in de eerste plaats haar
volslagen ongeschiktheid tot tooneel van romantische voorvallen. Men
ontmoet daar geen gemaskerde dominoos op de straten... de burgerlyke
stand wordt geregeld bygehouden... er is geen _Ghetto_ geen
_Templebar_, geen "Chinesche kamp", geen _Cour des miracles_... wie
er 'n moord doet, wordt gestraft... en de meisjes heeten Mietjen of
Jansjen. Alles proza.

Er is moed noodig om 'n verhaal te doen aanvangen in 'n plaats die op
"dam" uitgaat, en waar men dus moeielyk Emérence's of Héloïzes kan
laten wonen. Wat ook weinig baten zou, wyl die frajigheden al lang
geprofaneerd zyn.

Hoe maken 't toch de fransche schryvers om hun Margots en hun Marions
aantekleeden als idealen, en om niet te doen walgen van de Henri's
en Ernesten die evenzeer doen denken aan _M'sieu_ Henri en _M'sieu_
Ernest uit den _nouveauté_-winkel, als onze burgwallen aan vuil water?

Göthe was 'n moedig man: _Grietje_, _Klaartje_...

En ik: in de hartenstraat!

Maar ik schryf geen roman, dat 's waar. En al schreef ik 'n roman, dan
nog zie ik niet in, waarom ik die niet geven zou als geschiedenis! En
wel van iemand die in z'n jeugd verliefd werd op 'n houtzaagmolen,
en lang heeft nagesukkeld aan die kwaal.

Want verliefdheid is 'n kwaal, al is 't maar op 'n molen.

Men ziet dat m'n verhaal heel eenvoudig wezen zal. Te eenvoudig
eigenlyk om alleen te staan. En daarom, als 't me wat al te mager
voorkomt, zal ik er wat tusschenvlechten hier-en-daar, zooals de
Chinezen doen met hun staarten wanneer die wat dun zyn, omdat ze geen
_Eau de Lob_ hebben en geen olie van Makasser... waar ik trouwens nooit
'n beer ontmoette die vet leverde aan Rowland.

In de hartenstraat dan was 'n leesbibliotheek. Een kleine jongen met 'n
stadskleurig gezichtje stond op de stoep, en scheen besluiteloos. Het
was hem aantezien dat-i gebukt ging onder 'n plan boven z'n kracht.

Telkens stak-i de hand uit naar de kruk van de deur, en telkens
veranderde hy die halfvolbrachte beweging in 'n onnoodig neertrekken
van 't rechthoekig hemdskraagje dat als 'n juk op z'n schouders lag,
of in 'n even onnoodig tegenhouden van 'n gemaakte kuch.

Schynbaar verdiept in de beschouwing der bonte twee-duits-prenten
die de glazen voordeur van den aandoeningwinkel maakten tot 'n
staalkaart van onbegrypelyke dieren, vierkante boomen en onmogelyke
soldaten, dwaalde z'n blik gedurig scheef-uit, als van iemand die
vreest betrapt te worden op misdryf. 't Was duidelyk dat-i 'n opzet
in den zin had dat ten-eeuwigen-dage moest verborgen blyven voor de
blikken van voorbyganger en nageslacht, en wie bovendien lette op de
krampachtigheid waarmee hy met de linkerhand onder 't opgeschort
kieltje iets scheen te betasten en te knypen in z'n broekzak,
zou allicht op 't denkbeeld zyn gekomen, dat Wouter voornemens was
huisbraak te plegen, of zoo-iets.

Want hy heette Wouter.

't Is wel gelukkig dat ik op 't idee ben gekomen z'n geschiedenis te
verhalen, en ik beschouw 't als 'n eerste plicht u te zeggen dat-i
volkomen onschuldig was aan poging tot huisbraak of moord.

Maar 't zou me veel waard zyn hem even bondig te kunnen vryspreken
van andere vergrypen. 't Voorwerp dat hy heen-en-weer keerde in
z'n linkerbroekzak, was wel geen _rossignol_, geen _passe-partout_,
geen _casse-tête_, geen _tomahawk_ of _machine infernale_... maar
toch 'n papiertje dat de veertien stuivers inhield, waarvoor-i z'n
Nieuw-Testament met gezangen had verkwanseld aan den stalleman op
_d'ouwenbrug_, en 't plan dat hem zoo kleven deed aan die stoep
in de hartenstraat, was niet meer of minder dan z'n intrede in de
tooverwereld der romanlektuur: hy wilde _Glorioso_ lezen.

_Glorioso!_ Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso!

Al de Rinaldini's en Fra Diavolo's van later tyden mogen niet op één
dag genoemd worden met den onvergelykelyken held die gravinnen schaakte
by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare menschen,
en Wouter Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.

Maar dit laatste was Glorioso's schuld niet, zeker niet. Men zou
schromen 'n held of 'n genie te wezen--of 'n roover zelfs--als men
daarom belast werd met de verantwoordelykheid voor misdaden die na
jaren kunnen begaan worden om onze geschiedenis machtig te worden.

Ik protesteer ernstig tegen medeplichtigheid aan de vergrypen die na
m'n dood zullen geschieden ter stilling van den dorst naar kennis
myner lotgevallen, en verklaar dat ik me op m'n weg naar roem niet
laat terughouden door de bedenking, dat eenmaal 'n Nieuw-Testament
met gezangen kon worden verkwanseld voor 't "_Leven en de daden van
Multatuli_", schoon ik 't niet duur vinden zou.

--Wat maalje daar toch, jongetje? Motje wat, kom in. Anders, ga heen.

Nu moest Wouter wel binnengaan, of hy had afstand moeten doen van
_Glorioso_. Want de man die, bukkende over de toonbank, zich als
'n alikruik omwrong om de deur te openen, en onzen held die woorden
toetegrauwen, had geen gezicht dat uitlokte tot terugkeeren, als-i
eenmaal toornig was gemaakt door doelloos "malen" aan de deur. Althans
Wouter, die eerst den moed niet had binnentegaan, durfde nu niet
wegloopen. Hy voelde zich binnengetrokken... 't was of de boekwinkel
hem inslikte.

--_Glorioso_... asjeblieft, m'nheer, en hier...

Hy haalde z'n _machine infernale_ voor den dag.

... en hier is _geld_!

Want hy wist van den schoolmakker die hem had aangestoken met
de romanziekte, dat men in 'n leesbibliotheek "pand" eischte van
onbekende klanten.

De boekenman scheen zich "gedekt" te achten door de neergelegde
veertien stuivers. Althans hy nam uit de kast 'n deeltje dat, vet
en belezen, op omslag en bladzyden teekens droeg van veel onzindelyk
genot.

Ik ben zeker dat de preeken van dominee Splitvezel, die van hun
bovenste plank in ongestoorde rust en met minachting neerzagen op de
lektuur van den dag, zich zouden geschaamd hebben hun onbezoedeld
gewaad in aanraking te brengen met zooveel vuiligheid. Maar 't is
niet moeielyk rein te blyven als men op de bovenste plank staat,
en nooit wordt uitgevraagd. Ik vind dus dat die preeken ongelyk
hadden. En dat vind ik van veel preeken.

Na met 'n bevend stemmetje den man te hebben opgegeven hoe-i heette,
verstopte Wouter z'n misdadig geluk onder 't helend kieltje, en vloog
de deur uit, schichtig als 'n kat die haar prooi beet heeft, nadat ze
"uren lang gedoken zat."




    Een kort hoofdstuk in vyf deelen. 1e. De nederigheid van den
    schryver, blykende uit de erkentenis zyner onwetendheid omtrent
    den naam van zekere poort. 2e. De invloed van Fransje Halleman
    op Wouter's heldenziel. 3e. Verband tusschen dien invloed en
    de profetiën van Habakuk. 4e. Nog iets over Habakuk, met 'n
    wenk over de onbegeerlykheid van gedrukte perzikken. 5e. Groote
    menschen bezien door de kleine.


Wouter liep, liep... en wist niet waarheen. Naar huis kon-i niet. Daar
toch werd hy te streng bewaakt. Wat niet moeielyk viel, want de ruimte
was bekrompen.

Hy koos eenzame straten, en kwam eindelyk aan 'n poort die hy zich
herinnerde meer gezien te hebben. Maar den naam wist-i niet, en ik ook
niet. 't Was 'n platte lage poort in welks buurt het altyd zoo naar
asch rook, en waar-i eens dien sprong had gedaan, toen hy met Fransje
Halleman was weggebleven van de katechizatie, die meende dat Wouter
niet durfde wegblyven en van de poort springen. Maar Wouter durfde wèl,
en deed het, juist omdat Fransje Halleman getwyfeld had aan z'n durven.

Aan dat wegblyven had hy te danken dat-i zoo byzonder goed thuis
was in _Habakuk_, wiens profetiën hy twaalfmaal moest afschryven
tot straf. Die sprong bezorgde hem bovendien 'n barometer in z'n
verstuikten grooten teen, die uit edele wraak hem later altyd
waarschuwde als 't regenen zou.

In zekeren zin was Habakuk te beschouwen als Wouter's overgang van
de kinderlektuur tot de boeken waarin van "groote menschen" wordt
verteld. Sedert eenigen tyd namelyk voelde hy zich geschokt in z'n
eerbied voor brave Hendrikken, en hy walgde van de papieren perzikken
der naarstigheid. Andere perzikken kende hy niet, omdat die zoo niet
voorkomen in 'n burgerhuishouden.

Niets was natuurlyker dan dat-i vurig verlangde met z'n grootere
makkers op de school te kunnen meespreken over de wonderen die er
gebeuren in de werkelyke wereld, waar men in 'n koets rydt, steden
verwoest, prinsessen trouwt, en 's avends opblyft na tienen, al is er
niemand jarig. Ook bedient men zichzelf aan tafel in die wereld, en
heeft maar te kiezen wat men gebruiken wil. Zoo meenen de kinderen. [3]






    Een Italiaansche roover op 'n buitensingel te
    Amsterdam. Proefje van 't bitter lyden der deugdzame
    Amalia. Privat en Jouvin met huwelyken en godsdienstige
    waskaarsen, de palladia der zedelykheid. Bewys van het fatsoen
    der Hallemannen, waaruit men tevens kan te weten komen hoe
    eerlykheid ryk maakt.


Wouter dacht volstrekt niet aan heldeneeuwen, toen-i heel ongevoelig
voor de afwezige schoonheid van 't landschap aan 'n moddersloot kwam,
waarover 'n onnoodig brugje lag, welks leuning hy uitkoos tot lezenaar,
na goed te hebben rondgezien, en zich overtuigd dat-i alleen was,
en ongestoord kon overgaan tot het verslinden van z'n roover.

Ik heb 'n oogenblik den lust in my voelen opkomen, den lezer deelgenoot
te maken van Wouter's genot, door 't leveren eener schets van 't
onsterfelyk werk dat hem zoo boeide. Maar, behalve dat ik Glorioso's
geschiedenis niet recht ken--wat me trouwens niet volstrekt beletten
zou er over te spreke--heb ik u veel andere zaken te verhalen van
dringender aard, en ben dus wel genoodzaakt u te verwyzen naar de
hartenstraat, in de hoop dat ge daar zult terechtkomen zonder uwen weg
te nemen over _d'ouwen-brug_. Laat het u genoeg zyn te weten dat het
"heel mooi" was. "De deugdzame Amalia, die, by flikkerend toortslicht,
aan het treurig sterfbed van hare verëerde moeder, in het somber
cypressendal, plechtig had gezworen, dat hare vurige liefde, voor den
edelen roover, door het yzingwekkende valluik, en de verroeste ketenen,
met derzelver zilte tranen... kortom, 't was treffend. Ook was er meer
zedelykheid in dan in al die flauwe navolgingen. Al de leden der bende
waren behoorlyk getrouwd, en droegen handschoenen. In de grot stond
'n altaar met kaarsen, en de hoofdstukken waarin meisjes geschaakt
werden, eindigden met eerbare puntjes of geheimzinnige gedachtenstrepen
die Wouter vergeefs tegen 't licht hield om er meer van te weten.

Hy las tot "sterf verrader". Toen was 't donker, en hy begreep dat
het tyd werd 'n eind te maken aan de voorgewende wandeling met de
Hallemannetjes "_dat_ zulke fatsoenlyke kinderen waren." Met weerzin
sloot hy 't dierbaar boekjen, en liep haastig weg, omdat-i vreesde
beknord te worden over z'n lang uitblyven.

"Hy zou nooit weer permissie krygen" werd er by zoo'n gelegenheid
gedreigd. Maar Wouter begreep wel dat dit geen ernst was. Daartoe
wist-i te goed dat men graag de kinderen "eens van de vloer heeft,
als men zoo klein behuisd is." En: "de Hallemannetjes waren zoo
buitengewoon fatsoenlyk. Ze woonden naast 'n huis met 'n balkon,
en hadden onlangs heel lief hun petjes afgenomen."

Ik voor my geloof niet dat de Hallemannetjes fatsoenlyker waren dan de
andere mannetjes onder Wouters kennissen. En daar ik graag reden geef
van m'n geloof, wil ik hier 'n voorval inlasschen dat iets vroeger
had plaats gevonden.

Wouter ontving geen zakgeld. Z'n moeder zei dat hoefde niet omdat hy
thuis alles kreeg wat-i noodig had. 't Stuitte hem altyd te moeten
wachten op vergunning om "meetedoen" als z'n kameraadjes met den
bal speelden, en hem verweten dat hy 't zyne niet had bygedragen
tot aanschaffing van dat meubel. 't Kostte drie duiten in Wouter's
tyd. Nu zal 't wel duurder wezen... neen, goedkooper... door de
staathuishoudkunde.

En by veel gelegenheden meer had-i verdriet over z'n voortdurende
geldeloosheid. Later zullen we zien of 't waar was, wat z'n moeder zei,
dat-i thuis alles ontving wat hy noodig had. Zéker is het, dat men
hem thuis niet de gelegenheid gaf om nu-en-dan over 'n kleinigheid
te beschikken _naar eigen wil_. Wat toch zoo heel prettig is voor
kinderen. En voor menschen.

De Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk waren--gaven hem heel
duidelyk te kennen dat het hun verveelde, langer alleen de kosten te
dragen van 't verkeer. Fransje berekende dat Wouter's vriendschap hun
al negen stuivers gekost had--wat ik duur vind, niet om de vriendschap,
maar om 't berekenen--en Gus zei dat het nog meer was, maar dat laat
ik daar. Ook had deze hem vier griften voorgeschoten, welke hy noodig
had om z'n hof te maken by lange Ceciel die niet van hem weten wou
omdat i 'n insteekpakje droeg. [4] Maar de griften had ze aangenomen,
en overgedaan aan Gus voor 'n zoen.

De bittere verwyten der Hallemannetjes--die zoo byzonder fatsoenlyk
waren--maakten Wouter wanhopig.

--Ik heb gevraagd aan m'n moeder, zeide hy, maar ze wil me niets geven.

--Dat gaat ons niet aan, antwoordden de Hallemannetjes
d. z. b. f. w. Je bent 'n klaplooper.

Wouter hoorde dit woord voor 't eerst, maar begreep het terstond. Niets
maakt scherpzinniger dan bitterheid van hart.

--Klaplooper, klaplooper... ik ben 'n klaplooper!

Schreiend liep hy heen, en koos 'n omweg om de straat te myden, waar
lange Ceciel's vader 'n lappenwinkel "deed". Och, als ze gezien had
hoe hy als 'n klein kind liep te huilen op straat... zeker, dat was
èrger dan de broek boven 't buisje.

--Klaplooper, klaplooper!

Hy ontmoette veel groote menschen die misschien ook klaploopers waren,
maar ze huilden er niet om als Wouter.

--Klaplooper!

Hy zag 'n diender, en haalde diep adem toen die voorby was. 't
Bevreemdde hem dat de man hem niet gevangen nam.

--Klaplooper!

Daar kwam de man van de vuilniskar, die 't woord naklepperde met z'n
ratel, 't Was niet uittehouden!

Onze arme lyder herinnerde zich, hoe de Hallemannetjes
d. z. b. f. w. hem eens hadden voorgespiegeld welke winst er viel te
behalen op 'n kleinhandel in peperment. Voor vierentwintig stuivers had
men 'n grooten zak vol. By verkoop tegen zóóveel stuks voor 'n duit zou
't voordeel enorm wezen, als men maar kapitaal had om te beginnen. Dit
hadden de Hallemannetjes precies uitgerekend. Want ze waren niet
alleen byzonder fatsoenlyk, maar knap ook. Knapheid en fatsoen gaan
meestal samen. Maar, hadden ze gezegd, er moest _kapitaal_ wezen. Zy
zouden de inkoopen doen, _zy_ zouden zich belasten met den verkoop,
en als Wouter maar één gulden kon bydragen, was de zaak gezond.

--Klaplooper... klaplooper...

Wouter _stal_ 'n gulden uit het "knipje" van z'n moeder, en bracht
die aan de Hallemannetjes d. z. b. f. w.

--Hoe kom je 'r aan? vroeg Gus, maar zorgde dat Wouter geen tyd had
om te antwoorden, en tevens dat-i 't antwoord niet verstond, dat deze
gaf door zwygende verlegenheid.

--Hoe kom je 'r aan--zonder vraagteeken alzoo--zie, nu zullen Franssie
en ik ieder 'n dubbeltje byleggen, dat maakt vierentwintig, en dan
koopen _wy_ de peperment. Op de Rozengracht is 'n fabriek... zóó'n
zak voor vier schellingen! _Wy_ zullen al de moeite doen,
Franssie en ik. By ons op school is meer gelegenheid om te slyten,
weetje! Kris Kloskamp heeft er al twaalf besteld--hy zal betalen
na de vakantie--_wy_ zullen ons al de moeite getroosten... jy hoeft
niets te doen, Wouter... en gelyk deelen, daar kunje-n-op aan...

Wouter ging naar huis, en droomde van ongehoorde winst. Hy zou 'n
daalder teruggeven in 't knipje van z'n moeder, en voor lange Ceciel
'n potlood koopen van den man die er gaten mee prikte in 't hout van
z'n kruiwagen. Zóó sterk waren ze! Dat was wat ànders dan 'n paar
griften, dacht-i, en als lange Ceciel hem dan nòg niet wou hebben tot
'n vryertje, dan... neen, verder dacht Wouter niet. Daar zyn op den
weg onzer verbeelding afgronden die we niet durven peilen. Wy worden
ze instinktmatig gewaar, schrikken terug, sluiten de oogen, en... ik
weet niet verder. Maar dit weet ik, dat Wouter dien avend heel gelukkig
insliep, in de hoop dat-i weldra 'n goed geweten hebben zou over 't
bestolen knipjen en 'n voldaan hart over z'n liefde tot lange Ceciel.

Helaas, helaas, Wouter had gerekend buiten de knapheid en 't fatsoen
van de Hallemannetjes!

Den volgenden dag namelyk zochten zy hem op toen-i de school
verliet. Wouter die zich gevleid had hen te zien hygen onder 't
gewicht van 'n grooten zak, Wouter die zoo verlangend was te weten
of Kris Kloskamp z'n kordate bestelling had volgehouden, Wouter die
brandde van nieuwsgierigheid naar den uitslag... och, hy voelde zich
bitter teleurgesteld toen-i Gus Halleman ontwaarde, die niet alleen
geen zak peperment droeg, maar bovendien 'n zeer ernstig gezicht
meebracht. Ook Franssie keek als de deugd.

--Wel, hoe staat de zaak? vroeg Wouter zonder 'n woord te spreken. Hy
was te nieuwsgierig om niet te vragen, en te angstig om die vraag
anders te uiten dan door 't geluideloos openen van z'n mond en 't
vooruitsteken van zyn gelaat.

--Hoor eens, Wouter, we hebben ons bedacht... er is veel tégen.

Arme Wouter! Daar verongelukten in één schipbreuk z'n geweten en z'n
hart. Weg, droomen van zedelyke rehabilitatie, weg, gapend "moeder's
knipje" weg, houtborend potlood dat 'n opening klieven zou in 't hart
van lange Ceciel... weg... weg... weg... alles weg!

--Je begrypt, Wouter, die peperment zou smelten...

--Ja...a...a, hikte de arme jongen.

--En die Kris Kloskamp, die 'r twaalf besteld heeft, weetje?...

--Ja...a...a...

Of Kris ook smelten zou?

...hy gaat van-school, en zal zeker niet weerom komen na de vakantie.

--Zoo...o...o?

--Ja, en daarom... en ook... we hebben uitgerekend, Franssie en ik,
dat er veel minder in 'n pond gaan dan we meenden, omdat de peperment
tegenwoordig heel zwaar is, weetje?

--Ja, voegde Fransjen er by, met hoogen ernst als iemand die in
levensgevaar 'n "eerst" beginsel verkondigt, ja, de peperment is heel
zwaar tegenwoordig. Voel eens, maar je moet 't weeromgeven.

En hy bood Wouter 'n pepermentjen aan, dat deze heel goedmoedig
woog op z'n vinger. De arme jongen gaf het trouw terug. Zwáár vond-i
't... och, hy was zoo bedrukt, en zou alles zwaar gevonden hebben op
dat oogenblik.

Fransje stak 't zware pepermentjen in z'n mond, en zei, al zuigende:

--Ja wezenlyk, heel zwaar... 't is engelsche, weetje? En dan is
'r nog wat... niet waar Gus? 't Fatsoen! Toe Gus, zeg jy 't maar.

--'t Fatsoen, Wouter! riep Gus bedenkelyk.

--We meenen 't fatsoen, herhaalde Fransjen, alsof-i wat ophelderde.

Wouter zag beiden beurtelings aan, en scheen begrip tekort te komen.

--Zeg jy 't maar, Gus.

--Ja, Wouter, onze pa is in de diakenie, weetje, en-i gaat rond met
'n zakje, en by ons "op" de gracht...

--Ja, riep Fransje, by ons op de gracht... weetje... daar woont
m'nheer Krullewinkel die 'n buiten heeft...

--En 'n balkon ...

--'t Is maar om 't fatsoen... weetje, Wouter? En als er huisbezoek
komt, dan prezenteert onze mama...

--Ja, dan prezenteert ze madera... heusch, en onze tabakspot is
van zilver...

--Né, Franssie... maar 't is net als zilver, weetje Wouter?

De arme jongen zei maar dat-i 't wist, hopende eindelyk te weten te
komen wat-i inderdaad _niet_ wist: het verband tusschen al die dingen
en _zyn_ vervlogen hoop. Hy stamelde:

--Ja, Gus... ja, Franssie... maar de peperment?

--'t Is maar, weetje-n om je te zeggen dat we heel erg fatsoenlyk zyn.

--Ja. Gus.

--En braaf.

--Ja...a...a... Franssie!

Arme Wouter!

--En daar je zei dat je geen zakgeld krygt...

--Ja, Wouter, en weetje, omdat onze pa zoo fatsoenlyk is... als
't winter wordt kan je 't zien, dan gaat-i rond met 'n weesjongen...

--Ja, en-i schelt aan al de deuren. Nu, daarom zyn we bang dat je...

--Dat je...

--Die gulden...

--Die gulden, weetje?

--Dat je 'm niet...

--Dat je 'r niet eerlyk aankomt... dàt is het, zei Fransje, die
'n tweede pepermentjen uit z'n zak haalde en in den mond stak, tot
versterking zeker na dat beslissend woord.

't Was er uit! Arme, arme Wouter!

--En daarom, Wouter, willen we niet met je mee doen. Maar _gelyk_
deelen... dat is afgesproken!

--Ja, gelyk deelen, riep Gus. Je begrypt... _wy_ hebben al de moeite
gehad, en daarom... ziedaar, gelyk deelen!

De Hallemannetjes waren knap. Gelyk deelen: (20+2×2)/3 = 8, en
alzoo... Wouter ontving acht stuivers.

--Weetje, zei Gus, 't is omdat onze pa diaken is.

--Ja... en onze tabakspot... al is 't dan geen zilver, 't lykt precies
op zilver.

Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de
buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over
tot de meening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel
van Wouter's moeder, omdat ze "nauw behuisd" was. 't Is de vraag of
zy ooit iets zoo byzonder fatsoenlyks in die kinderen zou ontdekt
hebben, als ze kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in
't huishouden. [5]






    Verloren suikerpotten en zoekgeraakte bybels voor de
    rechtbank van 't geweten. De onmannelykheid der natie,
    volgens Siegenbeek en andere moralisten. De verdiensten en de
    gebreken van Leentje, beschouwd uit 'n menschenvriendelyk
    oogpunt. Verregaande onkiesheid van de voorprinselyke
    spelmethode. De Hollandsche graven in verband met de pryzen
    van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip's
    eer. Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te
    herstellen.


Hoe 't zy met die principe-barende vruchtbaarheid van de nauwte,
Wouter kende de vrucht, al was-i niet zoo wysgeerig ingelicht omtrent
den oorsprong. Over z'n laat thuiskomen bekommerde hy zich dus niet
zóó erg, als over de vreeselyke straf die hem wachtte als men z'n
nieuw testament met gezangen zou missen. Hy was teruggekeerd van z'n
uitstapjen in de Abruzzen, en by z'n terugkeer in Amsterdam viel hem
de herinnering aan z'n boosheid--of liever 't voorzien van de straf
die er volgen zou op die boosheid--drukkend zwaar op 't gemoed.

Maar Wouter troostte zich met de bedenking dat-i ditmaal geen
vingerhoed had weggemaakt, zooals laatst. Men zou 't Nieuw-Testament
niet zoo gauw missen, dacht-i, omdat de Zondag nog vèr was, en in de
week zou er niet naar gevraagd worden.

Nogeens: 't was geen vingerhoed, geen breipen, geen suikerpot, of
zoo-iets van dagelyksch gebruik...

Toen onze held thuiskwam, verstopte hy den vetten _Glorioso_ achter
de latafel van Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong
z'n broekje herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder
't nooit geweten heeft.

Ja, ze is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik
weet niet of "broek" mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken,
vooral omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik "_broek, m._"
in 'n woordenlystje. Onlangs vond ik géén _m._ achter _natie_. Dat zal
'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.

Of Wouters's broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de
scheur geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en
ontving daarvoor zeven stuivers in de week, en 's avends 'n boterham.

Lang na Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: "goeien
avend, juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien
avend, Wouter"... en de rest.

Want Wouter's moeder heette "juffrouw" om de schoenmakery. De
jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n
broer was "m'nheer" sedert diens benoeming tot derden ondermeester
aan de stads-tusschenschool. Hy had toen verlengstukken aan z'n buis
gekregen om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en "Stoffel" paste
toen niet langer, meende Wouter's moeder. Maar dezen noemde Leentje
eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy
haar drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy
haar nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld
wilde afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.

Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was
foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook
beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze
zou namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken
in _de Nederlanden_.

Ik wil dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers
en 'n boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch
niet aangenaam in den omgang.

Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het
gansche gezin "heel" en verstond de kunst om een broek, twee buisjes
en 'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten
er nog lappen over voor de _sous-pieds_ die Stoffel noodig had voor
z'n examen als sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout
in Euklides.

Niemand buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men
bang was haar te bederven door te groote zachtzinnigheid. De
"jonge-juffrouwen" spraken gedurig van "stand" en "dat ieder op
z'n plaats moest blyven." Dit gold háár. Leentje's vader namelyk
was 'n schoenmaker geweest die achterlapte, en de vader van de
jonge-juffrouwen had 'n winkel "gedaan" waarin-i schoenen verkocht die
uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot verschil. Want het is deftiger
iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n ander, dan zelf wat te maken.

De moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist
gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid
van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en
geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest,
het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6]

Stoffel beschuldigde haar van dien verkeerden val in z'n hemdsboordjes,
"die zoo nadeelig werkte op 't respekt" en klaagde dat ze hem altyd
zoo mal aankeek, als-i "heeren had."

Dat "heeren hebben" was 'n _privatissimum_ over de leerwyze van
Prinsen, die nog niet was uitgevonden, maar door Stoffel werd
voorgevoeld. Leentje bracht thee by die zaak, en was eenmaal niet
geslaagd in 't wegbyten van 'n lach, toen ze Stoffel z'n naam hoorde
spellen, en uitvaren tegen 't onkiesche ouwerwetsche "esse té" dat
dan ook leelyk is.

En dan, die bessen met suiker!

Aldus had ieder z'n grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield
veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam,
misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus wel
genoodzaakt was, of genoopt althans, z'n troost te zoeken by haar. Want
alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin
in de zedelyke als in de stoffelyke wereld.

Wouter's moeder noemde hem: "die jongen." Z'n broers--er waren er meer
dan Stoffel--beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig
sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem
'n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De
zusters verklaarden hem voor "sleets" of "sleetsch." Ik weet niet
hoe ze 't spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar
by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond
het schande dat men niet meer "werk maakte van 'n jongen als hy." Ze
scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En
dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis
te vertellen.

Tot kort na de expeditie naar _ouwenbrug_, hartenstraat en aschpoort,
was Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen
die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over
de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm "redelyk" gaf,
en "uitmuntend" met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje,
die geen "som" alleen wist te maken en altyd steken bleef in de
hollandsche graven.

--Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis
van Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond.

Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's
vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die
graven en hun gedurig verhuizen.

Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat
Pennewip, wel beschouwd er niet uitzag als iemand die misbruik maakt
van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van
's mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was
door Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is,
of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander.

Of, als z'n broers hem plaagden met 'n sarrend "professer
Wouter"... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat "mal
gekrabbel op 't behangsel"... of, als z'n moeder hem strafte voor
dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot en nog juist
zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was 't altyd Leentje die
Wouter's gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze
den winkelhaak in z'n kleeren onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar
"heen-en-weertje."

O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief
gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat
al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk:

--Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje
voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven
die gedurig overgingen van 'n eene huis in 't ander.







    Diepzinnige achterhoudendheid van juffrouw Laps. Predikatie
    van Stoffel. Wouters standvastige trouw aan Glorioso. Roerende
    terugblik op Scelerajoso's dood, dien we, om 't gevoel des
    lezers te sparen, en wegens zeer uitgebreide _binnenlandsche
    betrekkingen_, slechts lieten gissen op blz. 9. Fatsoenlyk
    sterfgeval van Glorioso. De laatste Koning van Athene. Bedorven
    magen en verscheurde trommelvliezen, voorgesteld als gevolgen
    eener eigenaardige stofwisseling.


Ik weet niet welke profeet onzen Wouter werd ingegeven tot straf van
't wegmaken van z'n bybeltje. De huisdominee kwam er by te-pas, en de
man was puur ontsteld over zooveel boosheid. Juffrouw Laps die op de
ondervoorkamer woonde, had er ook van gehoord. Ze was zeer godsdienstig
en beweerde dus dat zoo'n jongen opgroeide voor de galg, want:

--Men begon met 'n bybel, zei ze beteekenisvol, en eindigde met
wat anders.

Niemand evenwel heeft ooit kunnen te weten komen wat dan toch dat
_andere_ wel wezen zou, als men begonnen was met 'n bybel. Ik denk dat
zyzelf 't niet wist, en dat ze 't maar zoo zeide om de menschen in
den waan te brengen dat ze veel levenswysheid bezat, en meer van de
zaken verstond dan zy uiten wilde. 't Is my wel, schoon 'k niet houd
van wysheid die zich niet openbaart in verstaanbare woorden, en als
't myn zaak geweest was, zou 'k juffrouw Laps den duim tusschen de
deur gezet hebben.

Stoffel hield 'n napreek, waarin-i aanvulde wat huisdominee
vergeten had. Hy sprak van Koran, Dathan en Abiram, die iets
dergelyks misdaan hebbende als Wouter, daarvoor waren gestraft met
'n ontydige begrafenis. Ook zeide hy: "dat de eer van de familie
op _d'ouwenbrug_ was verloren gegaan, dat hy, als "eenige" oudste
zoon van 'n onbesproken weduw, en als derde ondermeester op de stads
tusschenschool, verplicht was zorg te dragen voor de eer van 't huis...

--Van Beieren, zei Leentje zacht.

...dat 'n huwelyk of 'n _andere konditie_ voor de meisjes kon
afspringen door Wouter's schuld, want dat niemand zou willen tedoen
hebben met meisjes, die... in 't kort, Stoffel beweerde "dat het
schande was, en dat-i de oogen neersloeg voor ieder die kennis droeg
van 't feit. Hy had duidelyk bemerkt dat "de jongens" er ook al van
wisten, want Lodewyk Hopper had de tong tegen hem uitgestoken."

En eindelyk: "dat-i bevreesd was over de Nieuwmarkt [7] te gaan, omdat
die hem zoo onaangenaam herinnerde aan de vreeselyke voorspelling
van juffrouw Laps omtrent Wouter's toekomst."

Daarop volgde nog iets over die Koran, Dathan en Abiram, waarop de
heele familie uitberstte in gehuil, omdat het zoo byzonder treffend
was.

Wouter troostte zich met de gedachte aan Glorioso, en als er gesproken
werd van "dat andere" dat komen zou volgens juffrouw Laps, droomde
hy van z'n huwelyk met de schoone Amalia wier sleep gedragen werd
door zes pages. Juffrouw Laps zou zeker vreemd hebben opgezien als
ze die uitlegging van haar ingeslikten klimax ware te weten gekomen.

't Spreekt vanzelf dat alle pogingen om onzen held te bewegen tot
het openbaren der wyze waarop hy 't ontvangen geld had besteed,
ydel waren. Men moest daarvan afzien, na 't vruchteloos aanwenden
van alle gebruikelyke middelen. Water en brood, water en geen brood,
brood zonder water, water noch brood, huisdominee, Stoffel, Habakuk,
juffrouw Laps, tranen, slaag... alles te-vergeefs. Wouter was er de
jongen niet naar om Glorioso te verraden. Dit had-i juist zoo leelyk
gevonden in dien Scelerajoso, die dan ook slecht afspeelt, zooals we
gezien hebben.

Zoodra 't hem weer vergund was te wandelen met de Hallemannetjes
d.z.b.f. waren, ylde hy naar de brug buiten de aschpoort, om z'n
boeiende lektuur voorttezetten, en hy herhaalde dit tot het rampzalig
oogenblik waarop-i moest afscheid nemen van z'n held, die op 't laatste
blaadje als berouwhebbend generaal-majoor sterft in de armen van de
deugdzame Elvira.

Toen Wouter z'n boek had teruggebracht in de hartenstraat werd z'n blik
aangetrokken door amandeltaartjes by 'n banketbakker op den hoek. Hy
handelde met Glorioso als de Atheners met Kodrus: niemand was waardig
zoo'n held optevolgen, en binnen weinig tyds was 't overschot van
't Nieuw-Testament veranderd in maagbedervend gebak. Dat ook weer
veranderde.

Wat het aandeel der "gezangen" betreft in het saldo dat Wouter restte
na z'n italiaansche reis, ze leverden zeer eigenaardig de vaste
stof tot 'n drietonige mondharmonika die ooren en ziel scheurde,
en weldra door meester Pennewip werd gekonfiskeerd als storend voor
de schoolrust.




    Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen.


Pennewip was 'n man van den ouden stempel. [8] Zoo althans zoud-i ons
nu voorkomen, als we hem voor ons zagen in z'n gryze schooljas, dyvest,
korte broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje,
dat-i gedurig heen-en-weer trok, en dat in 't begin der week altyd
zoo krulde als er geen regen aan de lucht was. Want krullen kunnen
geen nat verdragen, en zondags kwam de man met het yzer.

Doch dat ouwerwetsche is misschien maar denkbeeldig. Wie weet of-i
niet modern was in zyn tyd, en hoe spoedig men 'tzelfde van ons zal
zeggen. Hoe dit zy, de man heette _meester_, z'n school was 'n _school_
en geen _instituut_, wat dan ook de zaak minder goed uitdrukt, en ik
vind het 'n vreemde manier van vooruitgang, de dingen anders te noemen
dan ze werkelyk heeten. Op z'n school, waar volgens de naïve gewoonte
van die dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men--of kón
men leeren--lezen, rekenen, schryven, vaderlandsche geschiedenis,
psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles
was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of
gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in 't verzenmaken,
een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.

Hy maakte de jongens "klaar" tot het "aannemen" toe, en met behulp van
z'n vrouw voerde hy de meisjes op tot 'n merklap met 'n rood vader-ons
op zwarten grond, of 'n gespietst hart tusschen twee bloempotten. Dan
waren ze volleerd, en des-verkiezende klaar om grootmoeders te worden
van onzen tegenwoordigen burgerstand.

Van natuurkunde was geen sprake in dien tyd. Dit punt laat trouwens
ook in onze dagen veel te wenschen over. Dat jammer is. Want het
is 'n kind nutter te weten hoe 't koren groeit, dan het te kunnen
toespreken in vreemde taal. Maar 't zou kunnen samengaan.

Buiten 't verzenmaken bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat
hem boven ieder ander aanspraak gaf op 'n troon. Hy was bezeten door
de verdeelwoede, een ziekte die aan weinigen bekend is omdat ze maar
zelden en niet dan sporadisch voorkomt. Ik heb die ziekte nooit goed
begrepen, maar alle onderzoek naar de eerste oorzaak opgegeven zoodra
ik inzag dat het moeielyk omgaan is met stokpaardjes uit den stal van
'n ander, en zal me dus bepalen tot de korte beschryving van Pennewip's
onschuldig dier. Hy bracht al wat-i zag, waarnam, of ondervond, tot
familiën, _genera_, klassen, _species_ en onderdeelen, en maakte
alzoo de heele maatschappy tot één botanischen tuin waarvan hy de
Linnaeus was. Hy beschouwde dit als de eenige wyze om te geraken tot
'n helderen blik in de einddoelen der schepping, en tot de verklaring
van alle duisterheden in en buiten de school. Ja, hy ging zoo-ver, te
beweren dat Wouter's Nieuw-Testament weer zou te-voorschyn gekomen zyn,
als juffrouw Pieterse maar had kunnen opgeven tot welke klasse de man
behoorde, die 't gebonden had in zwart sjagryn. Maar dat wist ze niet.

Wat my aangaat, ik zou niet eens gesproken hebben over Pennewip's
verdeelzucht, als ik niet kon gebruik maken van zyn arbeid om m'n
lezers eenig denkbeeld te geven van den kring waarin de held myner
geschiedenis zich bewoog, even als ik gezegden Pennewip ongestoord
zou hebben laten onderricht geven in verzenmaken--dat _après-tout_
niet verboden is--wanneer ik niet voorzag weldra 'n paar gedichten
van z'n leerlingen te zullen noodig hebben tot plaatselyk kleursel.

Na de gewone hoofdafdeelingen van bezield en onbezield--waarby de
goeieman stoutweg den mensch 'n ziel gaf--volgde 'n stelsel dat
er uitzag als 'n pyramide, waar God met engelen, geesten en verder
toebehooren, bovenop stond, terwyl de oesters, polipen en mosselen
op de bazis rondkropen of stillagen naar verkiezing. Terhalverhoogte
stonden de koningen, schoolopzieners, burgemeesters, wethouderen en
dominees-doktoren in de H. Godgeleerdheid. Daaronder, professoren en
kooplieden die niets zelf maken. Vervolgens, doktoren in wereldsche
dingen--mits tweepaardig--advokaten en ongedokterde dominees,
kolonel van de burgerwacht, de rektor van de latynsche school, en
zoo voort. Wysgeeren--maar ze moesten 'n _stelsel_ hebben--dokters
met één paard, en dichters kwamen later. Heel laag daaronder, en vry
naby de mosselen, had-i de zevende onderafdeeling geplaatst der III
klasse van den burgerstand, en in die buurt hoorde myn held thuis.



    BURGERSTAND, IIIe KLASSE, ZEVENDE ONDERAFDEELING.

    _Burgermenschen "op kamers" wonende._


    _a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met
    achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleeden zich
    in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leeren fransch, en
    reciteeren den_ Kerstnacht. _De meisjes heeten_ Lena, Maria,
    _soms--maar zelden_--Louise. _Ze borduren, en zeggen: U. De
    jongens op 'n kantoor. Houden meid, naaister, en 'n "mensch
    voor 't grove werk." De was nat thuis. Lezen preeken van_
    v.d. Palm. _Zondags rookvleesch, schoon linnen, en likeur na
    de koffi. Godsdienst en fatsoen._

    _b1_) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen
    buren die "tweemaal schellen." (Zie b2) Leentje, Mietje,
    Jansje. Louise _komt minder dikwyls voor. De onderdeur wordt
    opengetrokken met 'n touw dat glimt van lange dienst. Slapen
    in één kamer. Kraamschut. Meid, "halve naaister" en 'n
    "mensch." Zondags kaas, geen likeur, maar overigens godsdienst
    en fatsoen als-boven._

    _b2_) Tweeschellige buren. Nagenoeg als-boven. Zonder meid,
    maar met 'n "mensch." Naaister, kaas en schoon linnen van-tyd
    tot-tyd, maar zelden. Godsdienst als-boven.

    _c) Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer
    die inspringt om de binnenplaats. 't Heele gezin slaapt in
    twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heeten_
    Louw, Piet _of_ Gerrit, _en gaan "op" horologiemaken
    of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig
    twist met de buren over dien verstopten gootsteen in 't
    portaal. Overigens godsdienst als-boven. Hebben kennis aan
    "heel fatsoenlyke menschen." Lezen den Haarlemmer samen met
    III 7, b2_ (Pp.) _Geen meid of "mensch" maar 'n naaister van
    zeven stuivers en 'n boteram..._


Daar zyn we aangeland by juffrouw Pieterse.

De lezer weet nu vry juist wat-i te denken heeft van Wouter's omgeving,
en begrypt waarom ik z'n gezichtje stadskleurig noemde toen we hem voor
't eerst zagen in de hartenstraat.






    Voorbereiding tot een avendje. Rolverdeeling. Stryd
    tusschen willen en zyn, geopenbaard in 'n kindermymering
    (daquerreotiep). Moddersloots-droomen, stroohalm-wedvliet,
    eendenoorlog en molen-vertellingen, eindigende met 'n
    luchtreis.


't Was woensdag. Er zou 'n "avendje" wezen by de Pietersens. Juffrouw
Laps was gevraagd, en ook de juffrouw boven den melkkelder, wier man
"aan de beurs" was. Voorts vrouw Stotter die zoo lang gebakerd had
"maar altyd heel in 't fatsoenlyke." Dan de weduwe Zipperman, "die
'n dochter getrouwd had met iemand van de assurantie, of 't kadaster,
of zoo-iets." Voorts de juffrouw van den koekbakker. Dat kon niet
anders, want het was "zoo opvallend als men allerhande en janhagel
liet halen zonder haar meetevragen." Dan de juffrouw van onder-achter
die wel niet komen zou, dacht men "maar men wou graag de minste wezen
na dat gekibbel over 't gebroken glas." En kwam ze nù niet, dan was
't ook _uit_, zei juffrouw Pieterse. Ja, dan zou 't uit wezen met de
juffrouw van achter-onder. Ik zal nu maar terstond zeggen dat ze niet
gekomen is, en dat het dus met die juffrouw _uit_ was.

De kleinere kinderen zouden vroeg naar-bed, met de belofte van 'n
kop koude saliemelk aan 't ontbyt "als men ze den heelen avend niet
hoorde." 't Is ook lastig de kinderen te "hooren" als men 'n avendje
heeft. Wat voor hóórt, moet voor gáán. Wouter kreeg vergunning om
te wandelen met de Hallemannetjes, d. z. b. f. waren, en hy moest
thuiskomen tegen acht uur, werd er gezegd, maar op 'n toon die hem
deed voelen dat-i niet zou bekeven worden als hy ditmaal wat langer
uitbleef. Laurens, die natuurlyk op 't letterzetten was, en gewoonlyk
's avends tegen zeven uur thuiskwam, was groot genoeg om van de party
te wezen, maar hy moest beloven stil te zitten en te bedanken by 't
tweede kopje. De groote meisjes hoorden er by, dat sprak vanzelf--ze
hadden de belydenis en den merklap achter den rug--en Stoffel zat
voor. Hy zou de heeren te-woord staan als die zoo tegen tienen de
juffrouwen kwamen halen, en 't gezelschap vermaken met vertellingen
over Mungo Park en de bepalende lidwoorden, waarin-i zoo byzonder
sterk was.

Leentje zou blyven tot de "menschen" er waren, wyl 't anders voor de
jonge-juffrouwen zoo lastig was telkens de deur opentetrekken. Ook kon
ze wat helpen aan 't wegzetten van de latafel, en aan al 't geredder
dat onafscheidelyk is van 'n avendje. "Maar ze moest wat vlugger wezen,
of anders deed men 't waarlyk liever zelf."

Het oudste der meisjes, juffrouw Truitje, zou voor de saliemelk
zorgen. Pietje had de boterammen tot haar aandeel, en Myntje de
bestellen, "maar ditmaal moest er wat meer boter in, omdat ze laatst
zoo droog waren."

't Zou allerprettigst wezen "als nu juffrouw Laps maar niet altyd
het hoogste woord voerde, want dat was nogal haar zwak." Ook was
het te hopen dat de weduwe Zipperman "wat minder opsneed van haar
schoonzoon, omdat zoo-iets toch vervelend wordt op 't laatst." En de
juffrouw boven den melkkelder "mocht ook wel wat bescheidener wezen,
want ze had niet altyd in 'n _toehuis_ gewoond, en 'n _winkel_ was
geen schande, en _op-kamers-wonen_ ook niet... heere, neen!" Ook kon
niemand weten waar-i toe komen zou.

Niemand begreep ook waarom de juffrouw van den koekbakker altyd
zooveel fransche woorden gebruikte, dat niet te-pas komt in den
burgerstand, "en als ze-n-'t weer doet, Stoffel, zeg jy dan ook
maar iets wat ze niet begrypt. Dan zal ze toch zien dat wy óók geen
volk van de straat zyn, en dat wy óók weten hoe 't hoort."--En
"dat de juffrouw van onder-achter niet komt, raakt me niet, ging
juffrouw Pieterse voort, 't raakt me volstrekt niet. Ik ben niet om
haar verlegen... vier... vyf... dáár kan Louw zitten, dan moet-i z'n
beenen maar vóór zich houden... en dáár 'n stoel... ja, zóó... 't is
heel goed dat ze niet komt, 't was toch te vol geworden... Leentje,
ga aan je werk, en snuit je neus... of neen, ga 'ns even naar juffrouw
Laps, en vraag of de juffrouw me-n-'n paar krukjes wil leenen, zonder
leuning, weetje... omdat die stoelen... zieje, tegen den schoorsteen,
dat schuift niet in... ja, vraag 'n paar krukjes aan de juffrouw, en
zeg aan de juffrouw dat 't voor my is, en dat ik de juffrouw wacht
tegen zevenen... maar doe 't kompliment aan de juffrouw, en snuit
je neus."

Juffrouw Pieterse hield niet van persoonlyke voornaamwoorden. 't Was
zoo onbeleefd, vond ze.



Wouter was dien namiddag reeds vroeg uitgegaan naar z'n brug, die
ditmaal wat minder overbodig was dan gewoonlyk. Want, na de regens
van den vorigen dag was er ditmaal wezenlyk water in de sloot,
en in dat water zelfs beweging, zoodat de kleine strootjes die hy
gedachteloos of vol gedachten--wat byna 't zelfde is--daarin wierp,
werden meegevoerd naar den poel waar de balken lagen die gezaagd
moesten worden door de beide molens: "_d' Morgenstond_" en "_den
Arend_" welke sedert eenige weken getuigen waren van Wouters gedroom.

Na _Glorioso_ namelyk, en de onmogelykheid om dat boek waardig te
vervangen, was-i in de namiddagen die hy vry had, onwillekeurig
weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige
romanwereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld
uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de
grofheid van die kleuren, hy voelde zich daardoor zóó aangetrokken,
dat-i zichzelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe
hy ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.

Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van
dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden
maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat
voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel
beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n
moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen
sleep, zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat
is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar
dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer
op z'n muts, zooals in 't boek stond.

Ook verveelde hem z'n broer Stoffel, en z'n zusters, en juffrouw Laps,
en huisdominee, en alles. En hy begreep niet waarom de heele familie
niet naar Italie ging, om daar 'n behoorlyke roovery optezetten. Maar
Pennewip hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesjen ook niet.

't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers...

Alle woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend
waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar
den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had
opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel gekregen,
niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den
wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke
verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en
hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i
de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem
't naast aan 't hart lag, de roovery.

Hyzelf was, als alle schryvers--en menschen--zeer ingenomen met z'n
werk. Hy hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en
hem om-den-wille der voortreffelyke uitvoering de afwyking van de
deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den burgemeester worden
gezonden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter
tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.

Zoo droomde hy, en wierp z'n strootjes in 't water. Ze dreven langzaam
voort, en verdwenen tusschen de groenbemoste balken. Onwillekeurig
begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der
strootjes, en zyn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar
ze haakte aan den kant, en bleef steken in de modder. De kuische Amalia
had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:
hy naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit
haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt
door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's
laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hy duidelyk
Amalia's verwytend geklaag:


    Warre, warre, warre, wou.
    Waar is warre, warre, wou...
    Wouter die me redden zou?


Dit maakt hem verdrietig, en hy kon zich niet weerhouden 'n steen te
werpen naar den eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's
twyfel aan z'n riddereer.

De eend koos de beste party, en vertrok, na Wouter te hebben
uitgescholden zoo goed hy kon. Maar de molens schenen zich niet te
storen aan de gebeurtenissen van den middag, en klapperden dapper
voort.

Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat
weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die
ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening
dat er iets byzonders was in die molens, haast ik my te zeggen dat
ze knarden en knersten juist als andere houtzaagmolens, en dat alles
wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de
weerklank der aandoeningen in z'n eigen gemoed.

--Wie 't snelste draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk
beginnen... zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens.. nu! Och,
weer verkeerd!

Wie nu 't eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van
die wolk af. _Morgenstond_, pas-op... mis weer! Ik kan 'r geen oog
op houden... wat 'n gedraai!

Zoo, ben je moê? 'k Wil 't wel gelooven!

Als ik eens op zoo'n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat
zou de molenaar gek kyken!

Waarom heetje _Morgenstond_? Hebje wat in den
mond? En... _Arend_... kunje vliegen? Wilje my meenemen? _Ik_ zou
wel willen... wat 'n ruimte daarboven... en geen school!

Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n
school of 'n meester?

Maar die eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die
eerste school moet toch 'n meester gehad hebben...

Of zou de eerste meester vanzelf...

Vanzelf? Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den
wind? Kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens,
_Arend_... toe! Kryg de _Morgenstond_... gauw, gauw... pak 'm
beet... mooi!

Nu weer samen... _karre, karre, kra, kra_... steek-uit je armen... neem
me mee... wilje niet? Goed _Arend_! Zet je hoed op... wat fladderen
die linten... hoe heetje? _Warre, warre, warre, wou_... ik kon 't
niet helpen... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? _Fanne, Fanne, fan,
fan_... heetje _Fan_? En jy, _Morgenstond_, hoe is je naam? _Sine,
sine, sine, si_... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu tegelyk,
komaan... samen... zingt 'n liedje samen:


    Fanne, fanne, fan, fan...
    Sine, sine, si, si...
    Fanne, sine, fanne, sine,
    Fanne sine... Fan... cy...


_Fancy_... wat meenje daarmee? Heetje _Fancy_! En... wat is
dàt... hebje vleugels?

Ja, "_d' Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden
vleugels en heetten _Fancy_.

Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.

Toen ze hem weer neerzette op de brug, was 't al lang donker. Wouter
schudde zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit,
en ging naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch
moeten daartoe 'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet
te _collet monté_ is tot het aannemen van m'n uitnoodiging op de
saliemelk van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf
maakte, en alles van Parys kreeg.

In 't voorbygaan echter, wenschte ik 'n kort bezoek te brengen by
meester Pennewip.


_Dichtoefeningen, pruikevreugd, pruikeverdriet en pruikewanhoop._

De school was ledig, en de banken zagen er uit alsof de leerlingen
daarop al hun verveling hadden achtergelaten. De kaart van Europa
keek verdrietig neer op den stapel schryfboekjes, waarnaast de boutjes
lagen die tot aan het tandvleesch waren afgeschreven op de streepjes
en haakjes waarmee sedert onheugelyke tyden de toegang wordt ontsloten
aan alle geleerdheid. Wel prykte nog die moeielyke breukensom in al
haar luister op 't zwarte bord, maar toch, de school was geen school
meer, de geest was er uit, 't was 'n lyk.

Ja, de geest was vertrokken met de kinderen. Want dat dezen 'n groote
hoeveelheid van dat artikel met zich omdroegen, zal den lezer weldra
blyken.

Wy weten reeds dat het heden de groote dag was, waarop meester Pennewip
de dichterlyke voortbrenselen van 't genie zyner leerlingen keuren
zou. Daar zat-i. Z'n veelbewogen pruikje deelde in de aandoeningen die
hem bezielden by 't lezen der dichtstukken, en we zyn onbescheiden
genoeg om over z'n schouders te zien, om op onze beurt bewogen te
worden door indrukken van onwaardeerbaar kunstgenot.

Pruik: recht en in rust.


    "TRYNTJE FOP, _op haar muts_.

    Ik heet Tryntje Fop.
    En heb een muts op myn kop."


--Niet kwaad... maar... laat zien--ja, zóó is 't beter--die beide
laatste woorden verzwakken den indruk van het geheel door derzelver
overtolligheid.

Meester haalde de beide verzwakkende woorden door, en nu had Tryntje
Fop heel eenvoudig 'n muts òp, zonder kòp. Ik mag dien styl wel.

Pruik: iets of wat links.


    "LUKAS DE BRYER, _op het Vaderland_.

    Vaderland, koek en amandelen.
    Ik ga in de maneschyn wandelen.
    Koek, vaderland en brandewyn,
    Ik ga wandelen in de maneschyn.
    Vyf vingers heb ik aan myn hand
    Ter eer van 't lieve vaderland."


--Zangerig, zei meester, zeer zangerig! Er is diepte in die koek niet
brandewyn, en 't vaderland daartusschen.

Pruik: rechts.


    "LYSJE WEBBELAAR, _op het beroep van haar vader_.

    De kat viel van de trappe,
    Myn vader verkoopt aardappe-
    Len en uyen."


--Oorspronkelykheid... maar dat doorsnyden van de aardappelen keur
ik af.

Pruik: links.


    "JANNETJE RAST, _op een windwyzer_.

    Hy staat op een schoorsteen van binnen vol roet.
    En wyst aan den wind hoe hy waaien moet."


--Dit is niet geheel juist... want, wèl beschouwd... maar als
dichterlyke vryheid kan het er door.

Pruik: vooruit.


    "GRIETJE WANZER, _op een rups_.

    Het rupsje zonder schromen,
    Springt rond op alle boomen."


--Beschryvende dichtsoort. Er is stoutheid in de voorstelling van
die onbeschroomd rondspringende rups.

Pruik: in rust.


    "LEENDERT SNELLEMAN, _op de lente_.

    In de lente is het heel aardig.
    In Mei is myn broertje jarig.
    Maar nu heeft hy wintervoeten.
    Zoodat wy de lente pryzen moeten.
    Dan gaan wy samen kuieren.
    En op paasch, vacantie met eieren."


--'t Is jammer dat hy het rym zoo verwaarloosd. Zyne denkbeelden zyn
inderdaad ongemeen, en goed ontwikkeld. Die overgang op de eieren is
zeer eigenaardig.

Pruik: in den nek.


    SLACHTERSKEESJE, _lofdicht op den meester_.

    Myn vader heeft menigen os den doodsteek gegeven,
    Maar meester Pennewip is nog in leven.
        Soms waren zy mager en somtyds vet.
        En hy heeft zyn pruik op zy gezet."


De pruik ging inderdaad op-zy, en nogal héél ver.

--Hm... 't is zonderling... wat zal ik daarvan zeggen?

De pruik ging over-stag naar de uiterste rechterzyde.

--Wat heb ik met die ossen te maken?

De pruik protesteerde door eenige indrukwekkende bewegingen tegen
alle verwantschap met die ossen.

--Hm... zou dat nu wezen wat de nieuwerwetsche boekenmakers _humor_
noemen?

De pruik werd neergehaald tot aan de wenkbrauwen, wat twyfel aanduidt.

Ik zal dien jongen eens onderhanden nemen...

De pruik kwam weer terecht op 't zenith, om haar tevredenheid
uittedrukken over meester's voornemen om Slachterskeesjen eens terdeeg
onder-handen te nemen.


    "LUKAS DE WILDE, _op de godsdienst_.

    De godsdienst is een goede zaak.
    En geeft het menschdom veel vermaak."


--Het gronddenkbeeld is juist en schoon, zei meester, maar hetzelve
had iets meer uitgewerkt behooren te worden.

De pruik wipte duidelyk dat ze dit ook vond.


    TRUITJE GIER, _op juffrouw Pennewip_.

    Het pad der deugd wyst zy ons aan.
    Wie zou niet gaarne medegaan?
    En in verloren oogenblikken
    Leert zy ons naaien, stoppen en stikken."


De pruik maakte een vreugdesprong, en de krullen omhelsden
elkaar. Meester kon niet nalaten z'n vrouw terstond deelgenoot te
maken van Truitje Giers ontboezeming, die opgeplakt en boven den
schoorsteen werd gehangen, ter eere van zangster en bezongene.

By 't volgend gedicht hing de pruik waterig, slap en schynbaar
onbewogen, maar de oplettende beschouwer had 'n hysterische
geestvervoering kunnen waarnemen, in de trilling van haar krullen.


    "KLAASJE VAN DER GRACHT, _op God_.

    Grootmachtig Opperheer, verbazing, hoogverheven
        Met stof, en stergewoel, van 't aardsch bazuingeschal!
    Verbeelding, tydsgewricht, Verzoening, juichend beven,
        Wie zegt ons waar 't gewoel, een einde nemen zal?
    Tot weêrklank van Genaè, met Eng'len op de transen,
        Gevaar van 't smalle pad, uit onbekend genot...
    Een vader weegt zyn kind, met eeuw'ge kroonbalansen,
        Zich spieg'lend in, en door, en op, en onder God.
    Laat vry de zondenval, op onwaardeerbre wyzen.
        Het zevenslotig boek, een zang van 't boos geslacht,
    Nooit zal het sterflyk lied, by nacht naar onder ryzen.


_Dit vers is saamgedicht door_ Klaasje van der Gracht _van den
katechiseermeester, boven den pottenwinkel, in de Peperstraat, oud
dertien jaar, en ongevaccineerd ter eere der predestinatie, waar de
vliegende theeketel uithangt._"



--Verheven! Als z'n vader hem dááraan niet geholpen heeft, is het
verbazend! Dit is nu al des jongelings derde gedicht op God, en
telkens heeft hy nieuwe denkbeelden over dat onderwerp. Hy groeit my
boven het hoofd... het is verbazend!

Ook de pruik was verbaasd: ze verroerde zich niet.


    "LOUWTJE DE WILDE, _op de vriendschap_.

    De vriendschap is een schoone zaak.
    En geeft het menschdom groot vermaak."


De pruik scheen niet tevreden. De godsdienst van Lukas de Wilde werd
voor den dag gehaald, en ter vergelyking neergelegd naast Louwtjes
vriendschap.

--Hm... zoo... het is mogelyk! Men ziet wel eens meer, dat één
denkbeeld geboren wordt in twee hoofden tegelyk. Het kan wezen... of
zyn.


    "WIMPJE DE WILDE, _op het hengelen_.

    Het heng'len is...


--Hoe... wat is dat?

Ja waarachtig, 't stond er:


    "Het heng'len is een schoone zaak.
    En geeft het menschdom veel vermaak."


De pruik was in voortdurende beweging. 't Scheen wel dat ze
meehengelde.

Meester bladerde de nog onïngeziene proeven door, zocht de
voortbrengselen van de heele wilde-familie byeen, en... jawel! Mietje
de Wilde, Kees de Wilde, Piet en Jan de Wilde, allen verklaarden
met eenstemmigheid dat godsdienst, vriendschap, hengelen, droomen,
bloemkool en goochelen schoone zaken waren die veel vermaak
gaven aan 't menschdom! 't Was 'n stortvloed van schoone zaken en
vermakelykheden.

Wat zou de pruik doen? Ze deed wat in de gegeven omstandigheden
't beste was, en meer kan men niet verlangen. Na 't inzien der
vruchteloosheid harer bemoeiingen om onderscheid te vinden tusschen
hengelen en vriendschap, goochelen en droomen, godsdienst en kool,
hield ze zich alsof de zaak haar niet aanging en bleef in 't juiste
midden, met 'n uitdrukking in haar krullen, of ze met verlangen uitzag
naar 't vervolg, als de lezer.


    "LEENTJE DE HAAS, _op admiraal de Ruyter_.

    "Hy is op een toren geklommen,
        En heeft daar touw gedraaid.
    Toen is hy op zee gekommen,
        En werd met roem bezaaid.

    Hy wou 't er niet by laten,
        En heeft _Saleh_ geveld.
    Toen hebben heeren Staten
        Hem aangesteld als held.

    Toen is hy aangekomen
        In 't roofziek Engeland.
    Dat heeft hy zonder schromen
        Belegerd en verbrand.

    Hy heeft veel christenslaven
        Met vryheid overstrooid.
    Toen hebben Neêrlands braven
        Zyn glazen ingegooid.

    Tot afschrik van verraders
        Toen hy de zee bevoer.
    Was zyn naam bestevader,
        Zyn vrouw was bestemoêr.

    Hy gaf de eer den Heere,
        En was als Christen groot.
    Toen kreeg hy door zyn kleeren
        Een kogel, en was dood."


De pruik klapte toejuichend in de krullen. Ze scheen
verheugd. Helaas... de vreugde van zoo'n pruik duurt niet lang! Ook
de hare zou weldra... maar wy willen de gebeurtenissen niet
vooruitloopen. Spoedig, àl te spoedig zullen we haar zien...


    "WOUTER PIETERSE, _Rooverslied_..."


--Hè... wat is dat? En de deugd... waar is de deugd?

Meester vertrouwde z'n oogen niet. Hy keerde 't blad om en bekeek de
achterzyde, of misschien de deugd zich daar verscholen had...

Helaas... helaas... er was geen spoor van deugd te zien op Wouter's
blaadje!

Arme pruik!

Ja, arme pruik! Want na te hebben ondergaan wat nooit 'n pruik
onderging, na te zyn getrokken, geplukt, gehavend en gemarteld op
'n wyze die zelfs de verbeeldingskracht zou te boven gaan van
de familie de Wilde, rukte meester Pennewip haar af, kneep ze
tusschen de krampachtig saamgevouwen handen, stamelde een kort:
_heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven_,
hoe komt-i er aan!... plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n
schedel... dekte haar toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog
de deur uit als 'n bezetene.

Hy ging den weg op naar Wouter's woning, waar we hem weldra zullen
zien aankomen, na vooraf behoorlyk onzen plicht te hebben vervuld
als geschiedschryver van de gebeurtenissen die daar waren voorgevallen.




    Een salieavendje. Mogelyke promotie van de baker. Vreeselyke
    gaping in de geleerdheid van den schryver, die niet eens weet
    wat Wimpie geantwoord heeft en wie er schelde. Stoffel's
    zoölogische geestigheid, oorzaak van 'n laatsten punischen
    oorlog. Pennewip homoeopaath en vredestichter _malgré lui._
    Arme Wouter!


--Heeremens... dâ-doeme plissier dat uwe der al bent. Leentje, sê-chou
die stoel wech, en cheef ereis 'n tessie in die stoof... toe as 'n
meit, of 'k doe 't liefer sellif. En-oe maak je 't, mens? Juffrò-Laps
k'mt ook, weet je?--Myntje, denk 'm je deeg, en skei uit mê-kamme--ze
ken niet f'n d'r hare blyve, die meit, as 'r folk is... ga sitte,
mens... né, niet in die hoek... 't tocht 'r so...

Het tochtte in dien hoek niet meer dan in andere hoeken. Maar... vrouw
Stotter was 'n "vrouw" en geen "juffrouw." Ze had dus geen recht op
de eereplaats, want eens-vooral, 'n juffrouw gaat boven 'n vrouw,
zoo goed als 'n mevrouw gaat boven 'n juffrouw. Ieder moet op z'n
plaats blyven, vooral op bovenkamer III, 7. _b1_ of c, (Pp) waar
de _préséance_ nauwkeuriger wordt in acht genomen dan aan 't hof te
Madrid, jazelfs met 'n angstvalligheid die 't ceremonie-meesterschap
op die hoogte der maatschappy, tot 'n hoofdbrekend werk maakt voor
menige juffrouw Pieterse.

Ik zeg dit maar, om door 't woord "hoofdbreken" ongezocht te
geraken tot de opmerking dat ik zooveel moeite heb gehad met de
juiste konstruktie der welkomstgroet van vrouw Stotter, en dat ik
niet zal kunnen overgaan tot het meedeelen van haar antwoord, voor
't afleggen van 'n bezoek op dezen of genen III. 7, _b_1. (Pp).

Want als 't nu eens later iemand in 't hoofd komt, vrouw Stotter
te verheffen tot algemeene baker van 't heele menschdom, zal 't
dan niet vóór alles noodig zyn nauwkeurig te weten wàt ze gezegd
heeft, en hòe ze 't gezegd heeft? Lieve menschen, moet het dan juist
hebreeuwsch wezen of plat-grieksch, wat u aantrekt? Wat my betreft,
'k wasch m'n handen in onschuld, en ga terstond naar de Noordermarkt.

Ik ben er geweest! Ziehier:

--Och me lieffe juffre Pieterse... 'k was so bedaan toe Louweris
me kwam fraache. Want 'k sech al so teuche Wimpie, die musse maakt,
weetje--né, dankie f'r fuur. Strakkies, Pietje--'t zech al so teuche
Wimpie, hoe sou juffre Pietersen 't make, 'mdâ-'k in so lang niet
fâ-je chehoort-ep, weetje,--ja, lech 'm m'r neer,'t is m'n outje--je
neemt ommes nie kwalik, dâ-'k m'r m'n outje hep omchedaan?... en doe
sei Wimpie, omdâ-we net aan de was wasse...

Wat Wimpie daarop gezegd heeft, weet ik waarachtig niet. Het "outje"
van vrouw Stotter werd opgenomen, en neergelegd aan 't voeteneind op de
bedstee in de achterkamer, met last aan de kinderen die daar saamgepakt
lagen, de beenen niet uittesteken, om baker's "outje" niet te bederven.

--Wel mens, cha sitte... ja, dâ's f'rons... 't is tweemaal--Leentje,
wâ-benje weer... d'r wordt cheskelt, hoorje niet!--'t Sel juffre
Sipperman wese... w'nt juffre Sipperman k'mt ook, weetje...

Ik weet alweer niet of 't inderdaad juffrouw Zipperman was die
gescheld had, en de lezer mag me verwyten dat ik geschiedenissen
vertel die ikzelf niet recht ken. Maar in 't onzekere latende of
't ditmaal juffrouw Zipperman was, of juffrouw Mabbel van den
koekbakker, of juffrouw Krummel "die 'n man op de beurs had" of
juffrouw Laps... neen, die hoefde niet te schellen, want ze woonde
op de ondervoorkamer. Genoeg, vóór half-acht was 't heele gezelschap
kompleet, en Stoffel rookte z'n pyp alsof 't zoo hoorde. Leentje
was weggegaan zonder boterham. "Die zou ze morgen wel krygen, omdat
't zoo druk was vandaag, en men kon niet alles tegelyk doen."

--En toe hebbe ze daadelik 'n and're chenome... uwe weet wel... die
soo'n flakki op 'r neus het.

--Och, 't is soo'n chemaal met-i meide... zei juffrouw Pieterse. Toe,
neemt uwe d'r noch eentje, en lâ-je nie nooie... 't is 'n koekie f'n
j'eiche deech.

--Friskuus, zei de koekbakkersjuffrouw, met 'n konynenmondje, dat
fatsoen beduidt.

--Kemän, of 'k sou denke dâ-je 't niet lustte.

Dat mocht ze niet laten denken, want ze had 't zelf gebakken.

--Dan mach 'k je nie riffesére, juffrouw Pieterse. Chobliseert en
dankie wel.

--En uwé, juffre Laps, toe, mach 'k 'r j'eentje cheefe?

Juffrouw Laps koos janhagel.

--Skenkerissin, Trui!--Ja, fre Stotter, nou je hier bent, mô-je
meedrinken, 't wort je f'n harte chechunt, mens!--Pietje, feeg de tafel
'r's of... só, as 'n meit... en cha nou 'r's kyke na de kleintjes,
en sech dâ'k se nie hoore mot.--Och, juffre Mabbel, 't is zoo'n chedoe
mettie kindere... en hoe faart uwe's Sientje mette kinkhoest?

--We hebbe d'r nou 'n machenetisseur bycheroepe, m'r 't wil nie
vatte... 't m'nkeert 'm an de kleèrfenjanse fâ-de sonnebuul.

--Isset moooochelik... wat 'n mens al beleeft! En w'nneer komt-i... die
kle ... klik... kleer...

--Dat leit 'm an de sénewe, juffre Sipperman. M'r nou het-i d'r
slaapmussie, en d'r hempie waar ze-n-in gezweet het, weet uwe, en
nou sel 't chou komme, seit-i.

--Wel mens, wat sech-i! M'r oe cháát 't dan?

--Wel... dan sel de sonnebuul 't seche, wâ-me doen motte.

Juffrouw Laps was er tegen.

--Ik dééj't niet, ik dééj't niet... fô-cheen werels choet! Want
weetje wat _ik_ sech? Ik sech maar, as Chot 't wil, d'n mô-je beruste,
dâ-sech _ik_!

--Ja, juffre Laps, m'r de juffr' uit de chruttery het 't ook chedaan,
en d'r kint is veel beter.

--Dat seit uwé, juffre Mabbel, m'r _ik_ sech dâ-se wat in d'r oochies
het, wâ-me niet befalt...

--Wâ-dan, juffre Laps?

--Se kykt onstichtelik... en ik houw 't f'r sonde... en dàt sech _ik_
maar. 't Benne allemaal m'r kunste die nie te-pas komme... en as Chot
wil, mô-je beruste.

--Kom, Stoffel, prateris mee... je sitter by as de steeneman. Sechereis
'n ferssie op, of fertellis fâ-je school. Ja, juffre Mabbel, i-ken
'n heel fers f'n buite, en dâ-ken-i opseche achtermekaar. En ook
ken-i al de werrikwoorden f'n 't frouwelyk cheslacht.

--Moeder, wâ-praat uwe fan, zei Stoffel onvergenoegd, uwe sietâ-'k
rook.

--Ja, ja, as je pypie uit is, meen ik, mô-je-n-'s 'n werrikwoord
opseche.--Je sou seche, w'r haalt de jong' 't f'ndaan, juffre
Sipperman.--Hoe is 't 'k weer, lobbes?... ik zou beskonke chewees syn,
en hy sou beskonke chewees syn--och heere, begryp 't goet, mens, niet
omdat-i dronke was, gut né, m'r 't kwam so te-pas in s'n werrikwoort,
'tis 'm je slap te lachen, as-i bechint.--Skenkerissin, Trui, en
blaas es in de tuit... d'r sit 'n blaatje foor.

De lezer zal my ten goede houden, dat ik wat luchtig heenstap over
de verdere geschiedenis van dat salieblaadje, en dat ik ook in 't
verder relaas van juffrouw Pieterse's avendje, my eenige afwyking
veroorloof van den juisten tekst der gesprekken. [9]

Stoffel dreunde z'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de
dames schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken
geweest was, en dat zy 't wezen zouden. Daarop werd de buurt over den
hekel gehaald, en de juffrouw van "onder-achter" kreeg haar deel. Dat
spreekt vanzelf want ze was er niet.

De godsdienst en 't geloof speelden 'n groote rol, en juffrouw Laps
gaf te kennen dat ze van plan was 'n "oefening" optezetten, omdat de
tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet
goed in de hoeken veegden.

--Ik zeg maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is,
riep ze, en dáár kom _ik_ maar op. Men moet 't niet beter willen
weten dan God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade
komt door 't geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de
genade niet en je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat
je verdoemd bent, zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee
maal twee, zieje... en daarom wou 'k zoo graag 'n eigen oefeningetje
houwen... niet om geld of gewin... heere, neen... maar om 'n zakduitje
op kermis en nieuwjaar. Denk 'r 'ns over juffrouw Mabbel.

Juffrouw Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag 's
avends uitging en zy dan op den winkel moest passen. Bovendien:
"'t kwam zoo slecht uit met bakken. Niemand kon begrypen wat dat 'n
"werkelyk" beroep was."

--Uwé dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat 't wel gaan
zou? Ik zou koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen
in de schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, gut né! We
zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet
uwé... oefening, weet u?

Juffrouw Zipperman wist 't wel, doch haar schoonzoon van de
assurantie--of van 't kadaster--had gezegd dat de dominees voor die
zaak betaald werden, en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten
wezen zou.

Die heeren van 't kadaster--of van de assurantie--zyn zoo gek niet.

--Wat denkt uwe d'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat
zoo'n oefeningetje...

Juffrouw Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de
beurs kwam. Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw
Stotter, schoon ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke
aanbiedingen te doen aan 'n "vrouw."

--Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als
ik, zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van
de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik
heb altyd heel in 't fatsoelyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met
'n hooge stoep, en in de gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en
wind... en die zei altyd: "vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie
vrouw, zeit-i en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen,
zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar
zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net
doen of je 't niet hoort"--dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is
omgekeerd, dat zie je wel--en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet
weten wat-i doet.

--Maar zoo'n oefeningetje... vrouw Stotter.

--'t Is mogelyk, juffrouw Laps, 't is wel mogelyk... maar ik heb al
zooveel ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m'n eigen gang
ga, en dat 's dan ook maar 't beste. Want ik ben in 'n kraam geweest
by m'nheer De Witte die 'n oom heeft aan 't stadhuis, weetje, want
ik baker altyd heel in 't fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo
grappig was, weetje, die zei altyd: "baker, baker, zeit-i, je bent
m'n 'n baker!" Zoodat ik maar zeggen wil dat 'k heel goed weet wat
'k doe, want ik heb 'r al wat ingespeld van m'n leven. Daar heb je
nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de Prinsengracht... neen,
op de Kalkmarkt... och, hoe heet-i...

De lezer zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van 't punt in
kwestie. Maar dat doen er wel meer.

--En uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over 'n oefeningetje?

--Och mensch, ik heb al zoo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet
wat 't is, mensch, om 'r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar
m'n godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee
'r wat voor, ik hoor 'r weer.

Truitje had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer
ging om kleine Kee er "wat vóór te geven." Men kon 't haar aanzien
dat ze zich gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke
waardigheid. Kleine Kee scheen minder gestreeld.

--Waar was ik weer? Ja, dat is m'n godsdienst, zeg ik maar. 't Is
'n getob met die kinderen, mensch, je wéét 't niet! En ik vind, als
ik ze goed opbreng... ga jy nu 'ns, Pietje, en breng Simon terecht,
die knypt zeker z'n zussie weer, dat doet-i altyd als 'r volk is.

Simon werd terechtgebracht.

--Als er volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik
daar weer? Myntje, ga 'ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.

Myntje ging, en kwam terug met de tyding dat "ze wat hadden omgegooid."

Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van
"achter-onder." 't Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van
achter-onder, als de kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien,
achter. Vreeselyke opschudding.

Eindelyk:

De kinderen waren "terechtgebracht." Juffrouw Zipperman zat weer in
den hoek "waar 't zoo tochtte" waaruit men ziet hoe alle aardsche
grootheid 'n keerzy heeft, en dat 'n schoonzoon by 't kadaster--of
de assurantie--regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw
Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen
waren gekastyd. "'t Was juist als in de Schrift stond", zei ze, en ze
haalde een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar
't staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het èrgens staat. Want
in die Schrift staat alles. Vooral van slaan.

--Kom, Stoffel, vertel jy nou 'reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw,
die toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.

--'k Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste
sokratische hovaardy.

--Och toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... och toe--zoo
is-i altyd, juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden,
anders gaat 't niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwe zien--toe,
Stoffel!--hy zal moe wezen van z'n school, weet u... 't is 'n gedoe
met zoo'n school! Ja, juffrouw Krummel, daar is 'n heele boel aan
vast... zou u dat wel zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk
zyn. Is 't niet waar, Stoffel?

--Né, moeder.

--Niet, wel nou kom-an... en verleden zei je--'t is maar, weet uwe,
juffrouw Zipperman, om 'm aan 't praten te krygen, maar dat kan zoo
in-eens niet, weet uwé, omdat-i moe is van z'n school--verleden zei
je, dat alles...

--Né, moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.

--Nou hoort uwé 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Begryp
'ns baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook--je
korrenet, weetje--en jy ook...

--Né, moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en
baker ook.

Baker keek heel vreemd. _Zy_ mannelyk... dat had ze nooit geweten.

--Baker is mannelyk, ging Stoffel voort--nou begint-i! riep z'n
moeder--alle woorden op k. e. r. zyn mannelyk: rakker, makker,
bakker... raker, maker, baker.

--Is 't mogelyk! riepen de gasten uit één mond.

--Ja menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd
staan als je 't hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?

--Ik... ik? Wat ik bèn?

--Ja, ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?

--Wèl... ik ben juffrouw Krummel, zei 't mensch, maar ze zei 't met wat
twyfel, want ze las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse,
en op de diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in 't
eind wel heel wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.

De spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van
'n byzondere zaak 'n algemeene makende, vroeg Stoffel's moeder,
kringsgewys rondgaande met haar blik:

--En uwé ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw
Zipperman, en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat
je bent?

Ze wisten 't geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen
die de moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende
de hoogschalke Stoffel 't niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps
antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:

--Ik ben juffrouw Laps!

--Mis... mis... glad mis!

--Wel heerem'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?

--J...a...a...a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet
gevraagd _wie_ je bent, maar _wat_ je bent... daar zit 'm 't fyne!

--Wàt ik ben? Wel... griffermeerd!

--J...a...a...a... dat ben je wel, m...a...a...r... né, dàt is 't nu
niet. De vraag is... wat je bént? Stoffel, help m-n-eens...

Stoffel zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal
mogelyk:

--Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk
oogpunt.

--Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op
't punt staat zich beleedigd te voelen.

--Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.

--En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw,
met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan
was vasttehouden aan die meening.

--Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...

--Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.

--Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we
komen voor ons plezier.

--Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek--Stoffel, zeg 't
maar--je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat
't in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen--toe, Stoffel,
zeg 't maar!

--Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig--en er was 'n gewichtig oogenblik
aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse--juffrouw Laps,
je bent 'n zoogdier.

Ik erken onbekwaam te zyn tot geschiedschryver van de krisis die er
volgde op dat vreeselyk woord.

Juffrouw Laps, die meer rechtstreeks dan de anderen was aangevallen,
en die bovendien als aanstaande oefenaarster iets meer militants
in haar karakter had, liet haar gelaat alle kleuren aannemen die
gewoonlyk gebruikt worden om toorn afteschilderen. De voorlaatste
fransche romanschool ging tot groen, maar wyl ze geen fransch las,
bepaalde zy zich tot 'n schrikinboezemend violet, en riep... neen,
ze riep niets, want ze had geen adem. Maar ze kneep haar janhagel
tot gruis, en zag beurtelings Stoffel en diens moeder aan, op 'n wyze
die haar zeer zou hebben bezwaard in rechten, als deze personen dien
avend waren komen te overlyden.

Stoffel ontging haar blik door, nagenoeg op de manier der inktvisschen
als ze onaangenaamheden voorzien, zich te hullen in 'n dikken wolk van
rook. Maar de arme juffrouw Pieterse die niet rookte, was wapenloos. Ze
stamelde deemoedig:

--'t Staat in 'n boek, 't staat waarachtig in 'n boek! Och, lieve
menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek!

Er kwam lucht in de keel van juffrouw Laps, genoeg lucht om haar te
bewaren voor stikken. Ze wachtte daarna 'n oogenblik, hoestte, wierp
't mishandeld overschot van haar janhagel op tafel, en begon:

--Juffrouw Pieterse, je bent 'n keronje. Je mag zelf 'n zoogdier wezen,
jy en je zoon, dat zeg _ik_ je! Ik ben zoo fatsoenlyk als jy durft te
denken, want m'n vader was in de granen, en nooit heeft iemand... zie
zooveel op me te zeggen gehad! Vraag alle menschen na me, en of ik me
ooit heb opgehouden met manvolk of zoo-iets... en of ik niet ieder
't zyne geef... en-i was fakter, weetje... en we woonden over 't
bessieshuis... want-i was in de granen, en dáár kan je na me vragen,
hoorje! Je kan, goddank, overal na me vragen... maar nooit of nóóóóit
is me dat overkomen wat jy me aandoet, en als ik me niet ontzag,
zou ik je zoogdieren tot je bezoogdierd werd... ja, dat zou ik! En
ik zeg je nou nog 'ns dat je-n-'n keronje bent, jy en je zoon en je
heele familie--weg, Trui!--m'n vader was in de granen, weetje... en
ik ben te fatsoenlyk om door jou...

--Maar mensch, 't staat in 'n boek... omdeliefdewil, geloof me... 't
staat in 'n boek!

Houje mond, met je boek! Jy mocht wel zwygen van je boek, jy die
Godswoord hebt verkwanseld en verdaan op _d'ouwenbrug_...

Dit was niet geheel juist. Dat had Wouter gedaan, en niet z'n
moeder. Maar als men driftig is, neemt men wel eens meer 't een voor
't ander.

--Stoffel, haal dan toch je boek, riep de moeder, en wys 't toch aan
de juffrouw... ach lieve god, wat heb ik begonnen!

--Loop naar de hel met je boek en je zoogdieren. Je hebt me niets te
wyzen in je boek, dat zeg _ik_ je! En ik zeg je nogeens dat je-n-'n
keronje bent, jy en je lummel van 'n zoon, en je sletten van dochters
die opgroeien als...

Truitje, Myntje en Pietje, meenende te moeten ontkennen dat er iets
haperde aan hare wyze van opgroeien, kraaiden nu ook mee. 't Overige
gezelschap schreeuwde er van-tyd tot-tyd 'n woordje tusschen. Er
kwam weer 'n boodschap van de juffrouw van achter-onder, die met de
politie dreigde. De kinderen maakten gebruik van de opschudding,
om hun konsigne te breken. Ze hadden 't bed verlaten, en loerden
door 't sleutelgat. Juffrouw Pieterse riep om haar "lodderyndoos"
en zei dat ze 't besterven zou. Vrouw Stotter eischte haar "oudje"
en Stoffel speelde den inktvisch, zoo goed-i kon.

Allen waren opgestaan en wilden vertrekken. "Men kon veel verdragen,
maar dàt niet." Juffrouw Krummel zou 't geval meedeelen aan haar
man. Juffrouw Zipperman aan de assurantie of 't kadaster. Vrouw
Stotter zou 't vertellen aan dien m'nheer op de Prinsengracht, dien ze
gebakerd had, en juffrouw Mabbel aan ik weet niet wien. Kortom, ieder
wilde dezen of genen deelgenoot maken van de zaak, en de hemel weet
of 't by die bedreiging zou gebleven zyn, als niet ter-goeder-uur de
huisgenius der Pietersens op dat oogenblik aan de bel had laten trekken
door den waardigen man dien we zoo wanhopig deugdzaam achterlieten in
't vorige hoofdstuk.






    Nasleep van den àllerlaatsten punischen oorlog. Nederlaag
    van Hannibal-Laps door Scipio-Pennewip. Politiek
    baskule-systeem. Litteratuur van de toekomst. Buitenkansje
    voor den lezer, die hier allerlei gewichtig nieuws verneemt
    dat nog gebeuren moet.


Ja, daar werd gescheld... nog eens: 't was ...f'r ons."

Juffrouw Pieterse haalde adem, en daaraan deed ze wèl, vind ik, schoon
't altyd dom is te zeggen wat men zou goedvinden te doen als men 'n
ander was dan men is. 't Komt me echter nu zoo voor, omdat ik in haar
geval adem zou gehaald hebben. In de eerste plaats, daar ik berekenen
kan dat ze 't in lang niet gedaan had. Voorts, omdat ik weet hoe men
in hachelyke omstandigheden uitkomst wacht van elke verandering, en
verandering van elke kleinigheid. En eindelyk, wyl ik denk dat juffrouw
Pieterse op dit punt wel 'n mensch zal geweest zyn als 'n ander.

--Och, me lieve menschen, zei ze, wees toch bedaard, daar zullen de
heeren wezen.

De "dames" beweerden dat de "heeren" nog niet konden dáár zyn, wyl
't nog te vroeg was, en juist deze twyfel òf 't de heeren waren, gaf
'n gunstige wending aan de vreeselyke krisis.

Twyfel werkt altyd verlammend, onverschillig of ze al dan niet
in-verband staat met de zaak die ons bezighoudt. Bovendien, als
men gestoord wordt in toorn, is 't heel moeielyk het juiste punt
weertevinden waar men gebleven was.

Juffrouw Laps beproefde dit wel, maar 't ging niet, want haar: "'n
zoogdier... hebje van z'n leven, 'n zoogdier!" werd overstemd door:
"hedenm'ntyd, anders komt-i nooit voor tienen." Juffrouw Pieterse
maakte handig van die afleiding gebruik, en wist haar gezelschap te
bewegen weer plaats te nemen. Myntje zou "opentrekken". Truitje werd
belast met het "terechtbrengen" van de kinderen--die er heel slecht
by voeren--en de gastvrouw-zelf was juist begonnen met 'n nieuwe
zoölogische verhandeling die 'n ongehuichelde vrede zou herstellen
onder de krygvoerende partyen, toen de deur geopend werd, en meester
Pennewip zich vertoonde aan 't nog ontstemd gezelschap. Ook hy was
ontstemd, de lezer weet het.

De homoeopathen zullen hier denken aan hun _similia similibus_,
want de verrassing van z'n komst werkte gunstig op de aangevangen
vredesonderhandelingen. Er werd stilzwygend 'n wapenstilstand gesloten
tusschen de krygvoerende partyen--niet zonder voorbehoud aan den
Laps-kant, om den stryd weer aantevangen zoodra de nieuwsgierigheid
naar de oorzaak van Pennewip's komst zou voldaan zyn--en ze ging
hiertoe te gemakkelyker over, wyl men 't den man kon aanzien dat-i
wat zeer gewichtigs had meetedeelen. De pruik riep duidelyk moord en
brand, en daar hield ze van, die goeie juffrouw Laps.

--Goeden avend, juffrouw Pieterse, ik ben uw onderdanige dienaar. Ik
zie, ge hebt gezelschap, maar...

--Dat is niks, meester. Komt uwé maar in, en ga maar zitten.

't Gezelschap was _niets_, en: "ga _maar_ zitten." Daar heerscht
'n zonderlinge beleefdheid op Burgerstand III, 7, _b_1, (Pp).

--Wil uwe-n-'n koppie meedrinken, meester... saliemelk?

--Juffrouw Pieterse, zei de man op waardigen toon, ik ben niet gekomen
om saliemelk te drinken!

--Maar ga toch zitten, meester...

Dit ging moeielyk genoeg, maar men schikte wat, en 't kwam er toe.

Pennewip kuchte met ernst. Hy zag 't gezelschap rond, haalde een rol
papieren voor den dag, trok de pruik scheef, en sprak:

--Juffrouw Pieterse! Gy zyt een brave fatsoenlyke vrouw, en uw
man... verkocht schoenen...

Juffrouw Pieterse zag juffrouw Laps aan, met 'n zegevierenden blik.

--Ja meester, dat deet-i!

--Val my niet in de rede, juffrouw Pieterse. Uw overleden echtgenoot
verkocht schoenen. Ik heb uwe kinderen op myne school gehad, van zóó
groot af, tot de belydenis toe. Is dat niet waar, juffrouw Pieterse?

--Ja, meester, antwoordde zy benauwd, want ze begon angst te voelen
over de indrukwekkende plechtigheid van Pennewip's toon, jawel,
dat is waar, meester.

--En ik vraag aan u, juffrouw Pieterse, of gy u, zoolang gy, door
middel van uwe kinderen, iets hebt te doen gehad met myne school,
klachten hebt--ik bedoel gegronde klachten, juffrouw Pieterse--over de
wyze waarop ik--met behulp myner echtgenoote--aan uwe menigvuldige
kinderen heb onderricht gegeven in lezen, schryven, rekenen,
vaderlandsche geschiedenis, psalmzingen, naaien, breien, merken en
de godsdienst? Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse?

Akelige stilte. De juffrouw van onder-achter had reden tot
tevredenheid.

--Dàt vraag ik aan u, juffrouw Pieterse, herhaalde de meester, terwyl
hy 'n neusknyper opzette die voor ouwerwetsch doorging in die dagen,
doch bestemd was weer nieuwerwetsch te worden, eenige tientallen
jaren later.

--Maar, meester...

--Geen maren, juffrouw Pieterse. Ik vraag aan u, of u--want het is
volkomen geoorloofd, juffrouw Pieterse, in dit geval het voorzetsel
achterwege te laten--ik vraag u of gy klachten hebt--ik bedoel
natuurlykerwyze: _gegronde_ klachten--over myn onderwys in lezen,
schryven, rekenen...

--Gut né, meester, ik heb geen klachten, maar...

--Zoo? Geene klachten alzoo! Welnu, dan verklaar ik u... waar is uw
zoon Wouter?

--Wouter?--'t Is waar ook--is-i niet thuisgekomen. Trui?--Wouter is
uit wandelen, meester, met de Hallemannetjes. Dat zyn heel fatsoenlyke
kinderen, meester, en ze wonen...

--Zoo... met de Hallemannetjes... die op de fransche school
gaan! Zoo... ei! Ei... zoo! Het is dus van de Hallemannetjes dat men
die dingen leert... van de Hallemannetjes, III, 7 _a_1... misschien
_a_... ja, wie weet... het kan wel II wezen... of zyn--want dat is
hetzelfde, juffrouw Pieterse--het kan niet anders... zedeloosheid,
verderf... op de fransche school... Welnu, juffrouw Pieterse, ik zeg
u dat uw zoon...

--Hè?

--Ik zeg u, dat uw zoon Wouter...

De meester zag rond, als wilde hy de ademlooze stilte inzuigen, die
'n gevolg was van z'n spookachtige voordracht. Juffrouw Laps haastte
zich den zegepralenden blik van zooeven met woeker terugtegeven
aan de ongelukkige gastvrouw, die weer groote behoefte had aan haar
_eau-de-la-reine_-doosje, niet zoozeer omdat ze wat ongunstigs hooren
zou over Wouter "dien jongen" die haar altyd zooveel verdriet had
gedaan, als wel uit ergernis dat juffrouw Laps getuige was van 'n
beschuldiging die zy gewis zou aangrypen als wapen in den zoölogischen
stryd. Dit geschiedde dan ook.

--Hèb ik 't niet gezegd? Van dien Wouter komt nooit wat goeds. Men
begint met 'n bybel, en eindigt met... wat anders. Ja, meester, ik
verwonder me niet over de zaak... in 't geheel niet! Ik heb 't lang
voorzien. Wat kan men ook verwachten in 'n familie, waar...

Juffrouw Pieterse begreep met bliksemsnelheid dat zich 'n gelegenheid
opdeed om 't voordeel te herwinnen dat ze verloren had. Stoffel had
gezegd: het stond in 'n boek... wat in 'n boek stond, moest meester
weten; en dus:

--Meester, riep ze, is 't waar of niet, dat juffrouw Laps 'n
zoogdier is?

Ik ben overtuigd dat Pennewip deze vraag rangschikte onder de klasse
der zonderlinge uitboezemingen, vooral na z'n onvoltooide beschuldiging
tegen Wouter. Hy keek over z'n bril heen en beschreef langzaam 'n
kring met z'n blik, die overal vooruitgestoken hoofden ontmoette,
met lange halzen, open mond en teruggehouden adem. Vooral juffrouw
Laps had iets dreigends in gelaat en houding, dat duidelyk zeide:
antwoord of sterf, ben ik 'n zoogdier?

--Wie heb ik het genoegen te spreken? vroeg Pennewip, waarschynlyk
zonder te bedenken dat deze vraag de kwestie nog vreemder maakte, wyl
't nu den schyn kreeg of de dierlyke hoedanigheid van juffrouw Laps
afhankelyk was van haar naam, woonplaats, ouderdom, familiebetrekkingen
en beroep.

--Ik ben juffrouw Laps van onder-voor, zei ze.

--Ah... zoo! Juffrouw Laps, gy behoort inderdaad tot de klasse der
zoogdieren.

Er slaakte zich in 't gezelschap 'n tienvoudige zucht. Juffrouw
Pieterse triumfeerde weer. In de staatkunde en op boven-voorkamers,
is 'n volstrekt evenwicht onbestaanbaar. De partyen of mogendheden
zyn voortdurend in op- of nedergaande beweging.

De mogendheid Laps, die niets gewonnen had met haar hevigheid van
zoo-even, wilde nu eens beproeven wat gemoedelykheid zou uitwerken:

--Maar, meester, hoe kan uwé dat zeggen? Myn vader was in de granen...

--Juffrouw Laps, antwoord my...

--Gut ja, meester, maar...

--Antwoord my juffrouw Laps: waar woont gy in, of juister uitgedrukt;
wáárin woont gy?

--Waarin ik woon? Wel... in m'n kamer, hieronder... twee ramen... vrye
opgang... kwart in den regenbak beneden...

--Dit was geenszins de bedoeling myner vraag, juffrouw Laps, Derzelver
bedoeling was, te weten of gy behoort tot de byzondere klasse van
bewerktuigde wezens welke zich ophouden in eene oesterschelp?

--Ja, ja, juffrouw Laps, riep de zegepralende gastvrouw, dáárop komt
de zaak neer, daarop komt nu juist de heele zaak neer, zieje!

En Stoffel voegde er by dat eigenlyk de heele zaak dáárop neerkwam.

Juffrouw Laps zag in dat ze dan 'n verloren mensch was, want ze moest
erkennen dat ze haar gewoon verblyf niet hield in 'n oesterschelp.

Dit was 'n illuzie van 't schepsel.

Met verbazing zag zy den meester aan, die zich volstrekt niet stoorde
aan den indruk zyner ondervragingen, en met iets rechterlyks in toon
en pruik, voortging:

--Kunt gy leven in 't water? Hebt gy kieuwen?

--In 't water? Maar, meester...

Pruik links. Dat beduidde: geen maren.

--Of half in 't water, half op het land?

--Meester hoe zou ik...

Pruik rechts: geen uitvluchten!

--Antwoord my, juffrouw Laps. Hebt gy koud bloed? Brengt gy levende
jongen ter wereld?

--'t Is zonde, meester.

De pruik had iets van 'n stormram, en te-recht. Want daar volgde de
stormrammige vraag:

--Kunt gy eieren leggen, juffrouw Laps? Dit vraag ik maar, slechts dit:
kunt gy eieren leggen... hè?

Dàt kon ze niet!

--Dan zyt gy een zoogdier, juffrouw Laps.

En de pruik kwam weer in 't midden, en in rust. Ze had juffrouw Laps
uit het veld geslagen.

Ik stel er belang in, te weten hoe de lezer zich 't gezelschap
voorstelt, na dit verschrikkelyk vonnis, dat geen hooger beroep
toeliet, want Pennewip's gelaat had het voorkomen van 'n gewysde. Ook
was er geen spoor van gratie in z'n saamgeknepen wenkbrauwen.



De gedachte is in my opgekomen, wat al verkeerde meeningen er zouden
worden te-voorschyn gebracht over wat er na 't zoo-even verhaalde
voorviel, wanneer ik hier op-eenmaal m'n boek sloot, en hoevele
duizende gissingen 't menschdom eeuwen lang zouden bezighouden, als ik
verhinderd werd voorttegaan door orgeldraaiers, of... door wat anders.

Het lust my 'n oogenblik toetegeven in dat denkspel, en 'k lees
duidelyk in de dagbladen van de 50e eeuw:


_EERSTE BERICHT_.

"Er heeft weder 'n gevecht plaats gehad tusschen de Lapsianen en de
Stoffelianen. De laatsten hebben 't veld geruimd, doch niet zonder
hun geloof te bezegelen met veel bloed. De heilige lap is behouden,
maar er is 'n gat in. Men ziet dagelyks 'n nieuw treffen te-gemoet,
waarby waarschynlyk de Krummelianen, Kadasteristen en Mabbelaars de
behulpzame hand zullen bieden aan de geloofsverwante Lapsianen, om 'n
eind te maken aan het overwicht der Stoffelianen, die met behulp der
Pennewippers, 'n hoogstverderfelyken invloed uitoefenen in Opper-Azie.

"Zonder te-kort te doen aan de heiligheid der zaak, komt het ons
voor, dat wy, opper-aziaten, die de beschaving hebben gemaakt tot ons
privaat-eigendom, beter deden ons te bemoeien met de bebouwing onzer
landeryen en 't melken van onze koeien, dan gedurig te stryden over
dingen die zoo lang geleden zyn voorgevallen in 't verloren hoekje
gronds, dat by oude geschiedschryvers voorkomt onder den naam: Europa."


_TWEEDE BERICHT_.

"Naar men verneemt, is er gisteren een groote zege behaald door de
oude Stotters op de nieuwe Stotters. Men weet dat sedert eenigen tyd,
de sekte der Stotters gescheiden is in twee hoofdafdeelingen. De
oude Stotters hebben 't genoegen gehad hun jonge geloofsbroeders
geheel uitteroeien, zoodat nu de vraag over de juiste kleur van vrouw
Stotter's oudje naar den zin der laatstlevenden is beslist."


_DERDE BERICHT_.

"Er is 'n nieuwe sekte van Stoffelianen opgestaan, die in zóóverre
afwykt van de oude leer, dat ze op eenige punten de onfeilbaarheid
van Stoffel Pieterse in twyfel trekt. Die twyfel zou gegrond
wezen op z'n malle houding in _de Nederlanden_. (Het bekende
bessen-met-suikerdogma.)

"De oude Stoffelianen hebben 'n concilie gehouden, waarin besloten is,
de ware leer te gaan verkondigen in alle landen waar die nog niet
is doorgedrongen. Er zal 'n algemeene kollekte worden gehouden, om
ammunitie en Stofféliums intekoopen. Ook wordt er 'n korps europeesche
wilden aangeworven, die wel halsstarrig weigeren toetetreden tot
het ware geloof, maar zeer bruikbaaar zyn in godsdienst-oorlogen,
waartoe zy (als de handgelden hoog zyn) 'n instinktmatigen aanleg
schynen te bezitten."


_VIERDE BERICHT_.

"Er is sprake van de ontdekking der Janhagel, die door juffrouw Laps
werd saamgeknepen, kort voor haar dood. Drie theologen zyn in kommissie
gesteld om dat eerwaardig overblyfsel der geloofsheldin te keuren.

"Reis-, verblyf- en keuringskosten zyn genomen ten laste van den Staat,
en zullen bestreden worden uit equivalente verhooging der belastingen
op brood en brandstof."


_VYFDE BERICHT_.

"By alle rechtzinnige boekhandelaars des aziatischen ryks is
verschenen: _Nieuw en omstandig bericht van wat er heeft plaats
gevonden op_ III, 7, _b_1 (Pp), _na de kategorische verklaring des
meesters over de ware natuur van juffrouw Laps._

Alle weldenkende tydschriften doen hulde aan de homiletische
en exegetische waarde van dit prachtwerk, dat naar den
zuidoost-Afrikaanschen tekst, met behulp der nieuwste bronnen, is
vertaald uit het Europeesch.

De overzetting der laatste woorden van juffrouw Laps, geven 'n
geheel nieuw inzicht in de bedoeling harer dierwording, en toonen
ten duidelykste aan hoe hare zoogvatbaarheid in nauw verband staat
met de welbegrepen belangen van volksbeschaving en verdere zoölogie.

Ook beweert men dat er 'n nieuwe lezing is uitgedacht van de laatste
verzuchting des bakers, die 'n eind maakt aan den langen stryd over
zyn mannelykheid, en die de hooge waarde van Stoffel Pieterse's
grammatikaal-theologische roeping in 't helderst licht plaatst,
waardoor op-nieuw de overeenstemming wordt aangetoond tusschen de
wetenschap en de heilige boeken van ons geloof."


_ZESDE BERICHT_.

"De Krummels en Zipperlieden hebben elkaar de hand geboden, en in
de geloofsartikelen opgenomen dat men niet volstrekt verplicht is
vasttehouden aan juffrouw Zipperman's verkoudheid, met uitdrukkelyke
bepaling evenwel, dat dit geloof niet schaden zal aan de zaligheid,
mits men vaststa in 't kadaster, omdat de laatste opgravingen in Europa
hebben aangetoond dat het venster op III, 7, _b_1 (Pp) redelyk goed
gesloten was. Deze ontdekking, in verband met de jongste nasporingen
omtrent de kanonieke beteekenis van de assurantie, schynt tot gezegde
verbroedering geleid te hebben."


_ZEVENDE BERICHT_.

"Het blykt hoe langer hoe duidelyker uit de yverige nasporingen
van den theologischen doctor Klesmeyer, dat juffrouw Laps wel
degelyk aan meester Pennewip 'n oog heeft uitgekrabd, wat natuurlyk
hare talryke vereerders aangenaam is te vernemen. Die geleerde
onderzoeker heeft namelyk in 't hooge Noorden, waar ons gezegend
Azië grenst aan 't oude Europa, 'n ysbeer ontmoet die zich vermaakte
met 'n éénglazigen neusknyper, uit welke ontmoeting de diepdenkende
hooggeleerde scherpzinnige eer- en geldwaardige Klesmeyer zyn stelling
onweersprekelyk bewyst, vooral door die in verband te brengen met
den gekromden voorvinger en den gescheurden nagel van juffrouw Laps,
op de autentieke schildery te Foppipolis."


_ACHTSTE BERICHT_.

"Het verheugt ons onze lezers te kunnen onthalen op de aangename
tyding dat onze stad dezer dagen 'n waar feestgenot heeft gesmaakt,
en wel 'n genot dat meermalen zal kunnen herhaald worden.

Er is namelyk 'n aanvang gemaakt met het verbranden van alle in onze
handen vallende personen die zich verstouten langer of korter te zyn
dan onze burgemeester.

De behoefte aan dezen maatregel werd sedert lang gevoeld, maar de onwil
van eenige buitenmatige personen heeft ons tot-nog-toe weerhouden
gevolg te geven aan de algemeene billyke wenschen des volks, en de
eerste beginselen van tucht, orde, godsdienst, deugd en fatsoen.

De schuldigen zyn onder 't meten en branden, tot afleiding en
opbeuring, beziggehouden door dominee Stikleer, die hen gewezen heeft
op Stoffel's verdienste en dood, in verband met de lengte van z'n
buis, na de benoeming tot derden ondermeester, en met z'n edel pogen
tot algeheele ontworteling der onzedige oud-christelyke spel-methode.

Die welsprekende redenaar heeft alzoo door zyn gemoedelyke toespraak
veel
bygedragen tot de vroolykheid en den genoegelyken afloop van 'n feest,
dat in aangename
herinnering blyven zal by ieder die de juiste maat had."


_NEGENDE BERICHT_.

We kunnen ons niet weerhouden 'n kort verslag te geven van de
ingrypende leerrede die gisteren in onze hoofdkerk werd gehouden door
den eerwaarden Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen
baker's onwaardeerbaar gezegde: "_dankie wel/ Juffre Pieterse/ m'n
Koppie is omgekeerd/ dat zieje wel!_"


Hierop volgt 'n verslag van die preek. De nederige berichtgever uit
de 50e eeuw noemt het kort. Dit moge waar zyn, maar ik vind het zóó
belangryk, zóó uitlokkend, dat ik geen weerstand bieden kan aan den
lust om dat zielknyperig voortbrengsel van de toekomst in z'n geheel
te lezen. Ik ga naar den boekverkooper die de zaken van godsdienst
tot z'n specialiteit maken zal in die eeuw, en koop de preek. Ik
doe dit gedeeltelyk om uwentwil, lezer, maar voornamelyk om myzelf,
wyl ik in dat stuk genoemd word met veel onderscheiding. Gy begrypt
hoe aangenaam het is, te ontdekken dat men over zooveel eeuwen nog
aan ons denkt. Zie hier:


    Voorzang.

    O/ Baker vol van Zaligheid/
        Wie zou Uw Lof niet zingen!
    O/ Baker Die de Baker zijt
        Van alle Stervelingen!
    O Baker/ hoor ons juichen aan/
    Als wij met U uit baak'ren gaan.

    O Baker/ groot in Lief en Leed/
        In Kraamzaal of Saletje!
    Wie heeft zooveel als Gij reeds deedt'
        Gespeld in een Servetje!
    Wij knielen bidden voor U neer
    En zingen/ Baker/ U ter Eer.

    Zie op uw Kroost genadig neer
        Van uwen Troon op Wolken
    Er leeft als Gij geen Baker meer/
        Gij bakert alle Volken
    Gloei eeuwig door van Kindermin/
    En speld ons in Uw Luiers in.


"Geliefde Medestotters! De rust van de kraamkamer, en de vrede van de
luiermand kome, zy, en blyve overvloediglyk over u allen... dat zy zoo!

"Wat is het dan toch, myne veelgeliefde Medestotters, dat u op
elken Woensdag doen te-zamen komen in dit heilig stotterhuis? Is
het winstbejag, zucht naar aardsch genot? Is het de wensch om gezien
te worden, de begeerte om u te verheffen boven uwe medeburgers? In
het kort, bestaat er eene reden van zinnelyken aard, die u hier
saamvergadert aan den voet van dit gestoelte?

"Neen, neen, ik zie het aan uwe blikken, die met nedergeslagen
oprechtheid en bedekte helderheid, luide uitroepen: "dat is verre van
ons! Wy zyn hier gekomen tot het opslokken van de kruimelen die er
zullen afvallen van de feesttafel des eeuwigen gastmaals. Wy dorsten
naar het brood van de onbevatbare geheimenissen des Bakers, en ons
hongert naar de springfontein zyner onafzienbare zelfvolkomenheid."

"Juist, myne geliefden, dàt is de ware stemming om optegaan tot de
verhevene openbaring des onbekenden woords, want er staat geschreven:
"_daar zijn hooge Stoepen aan de Huizen_" en weldra zal 't koppie
worden omgekeerd. Wie wys is, zie toe dat hy de gesprokene woorden
versta, opdat niet eenmaal de dwaas zegge: "_dat zieje wel!_"

"Het is dan ook deze bemoedigende beschouwing, geliefden, die my
aanleiding geeft, uwe onafgebroken opmerkzaamheid interoepen by de
behandeling van het punt dat me zal bezighouden op dezen heiligen
bakerdag, een punt, zoo gewichtig, zoo treffend, zoo uitnemend, zoo
verheven, zoo diep, zoo belangryk, zoo indrukwekkend, zoo luistervol
en onbegrypelyk... dat het niet te zeggen is, en dat ik my dus voorstel
kortelyk tot klaarheid te brengen.

"Gy vindt de woorden van mynen tekst die van deze verklaring den
grondslag zal uitmaken, opgeteekend in het elfde _Stoffelium_, en
daarvan het elfde hoofdstuk, het elfde vers.

"Ik heb gezegd: het elfde vers uit het elfde hoofdstuk des elfden
_Stoffeliums_, waar we--met gepasten eerbied--het volgende lezen:



Hier volgde de tekst dien we reeds kennen uit 't negende bericht,
en bovendien uit ons verslag van het salie-avendje.


    "Hoe langer wy de onschatbare heilige _Stoffeliën_ beoefenen,
    geliefde Stotters, hoe meer ons de diepe wysheid van alles wat
    daarin voorkomt in het oog springt, en hoe meer we geraken tot
    de overtuiging dat die onvergetelyke wegwyzers ter zaligheid
    juist aldus moesten zyn geplaatst op ons pad, om ons af te
    houden van de dwaalwegen der Kadasteranen, of wegtelokken
    van de poelen der Pennewipsche kettery.

    "Onder alle andere heilige uitspraken, worden wy in 't
    byzonder getroffen door de voorgelezene tekstwoorden, die
    niet alleen de laatstvoorgaande opmerking ten duidelykste
    bevestigen, doch bovendien ook dáárom zoo uiterst gewichtig
    zyn voor ons eeuwig heil, omdat de Baker zich in die woorden
    openbaart in de volheid Zyner houding, en in al den rykdom
    van Zyne Bakerlyke waardigheid, terwyl voorts de diepzinnige
    toespeling op de weer-en-windklok die in de gang stond, ons
    voldoende middelen aan de hand geeft om onze Heilige Schriften
    te verdedigen tegen de goddelooze wereld, die voorgeeft te
    twyfelen aan Baker's bestaan, en durft beweren dat wy geen
    verstand hebben van natuurkunde.

    "Ik stel u te-dien-einde voor, geliefde Medestotters, my te
    volgen met uwe aandacht, als ik, na:


        "_ten eerste_, den historischen zin myner tekstwoorden
        te hebben toegelicht,

        "_ten tweede_, zal overgaan tot de ontwikkeling van
        de stralen die daarin doorlichten, en wel:


            _a) Eerste straal._ De straal van Baker's
            _goedheid_.
            _b) Tweede straal._ De straal van Baker's
            _wysheid_.
            _c) Derde straal._ De straal van Baker's
            _menschenkennis_.
            _d) Vierde straal._ De straal van Baker's
            _matigheid_.
            _e) Vyfde straal._ De straal van Baker's
            _Standvastigheid_.
            _f) Zesde straal._ De straal van Baker's
            _algemeenheid_.
            _g) Zevende straal._ De straal van Baker's
            _zelfkennis_.
            _h) Achtste straal._ De straal van Baker's
            _edelmoedigheid_.
            _i) Negende straal._ De straal van Baker's
            _nederigheid_.
            _j) Tiende straal._ De straal van Baker's
            _kuisheid_.
            _k) Elfde straal._ De straal van Baker's
            _levenswysheid_.
            _l) Twaalfde straal._ De straal van Baker's
            _onschuld_.
            _m) Dertiende straal._ De straal van Baker's
            _dubbelslachtigheid_.
            _n) Veertiende straal._ De straal van Baker's
            _eeuwigheid_.
            _o) Vyftiende straal._ De straal van Baker's
            _waarheidlievendheid_.
            _p) Zestiende straal._ De straal van Baker's
            _voorzichtigheid_.
            _q) Zeventiende straal._ De straal van
            Baker's _geduld_.
            _r) Achttiende straal._ De straal van Baker's
            _zedigheid_.
            _s) Negentiende straal._ De straal van Baker's
            _geheimzinnigheid_.
            _t) Twintigste straal._ De straal van Baker's
            _eenvoud_.
            _u) Een-en-twintigste straal._ De straal van
            Baker's _liefde_.
            _v) Twee-en-twintigste straal._ De straal
            van Baker's _trouw_.
            _w) Drie-en-twintigste straal._ De straal
            van Baker's _yver_.
            _x) Vier-en-twintigste straal._ De straal
            van Baker's _schranderheid_.
            _y) Vyf-en-twintigste straal._ De straal van
            Baker's _fatsoen_.
            _z) Zes-en-twintigste straal._ De straal van
            Baker's _goedertierenheid_.
            _z bis.) Zeven-en-twintigste straal._ De
            straal van Baker's _volmaaktheid_.


        "om daarna: _ten derde_, over te gaan tot de
        beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane
        bakerbeschouwing voortvloeien.


    "Het menschdom, myne geliefden, was verzonken in duisternis
    en hooge belastingen. Alom werd ten duidelykste gevoeld dat
    er verlichting noodig was, maar te vergeefs wendden zich de
    blikken naar het Oosten en naar het Westen, naar Zuiderpool en
    Noordermarkt. Alles bleef even duur en donker. Daar schoot
    op-eens een golf van licht door den drabbigen hemel. Er
    werd door de aardbewoners een ster gezien, die losberstte in
    geruischvolle stilte, en by het schuchter gedonder van die
    omstandigheid, kwam Stoffel ter wereld. Hy leefde en leerde,
    zooals hy geboren was, met zachtmoedig geweld.

    "Het zou ons nu te vèr leiden, geliefden, als we thans
    ons bezighielden met zyn prille kindschheid en slanke
    jeugd... neen, even als de reiziger die noode afscheid neemt
    van de bloemryke aardappelvelden langs zynen weg, maar toch
    met begeerige blikken voorwaarts staart op den nabyliggenden
    berg der toekomst, zóó ook, geliefde Stotters, nemen wy voor
    heden afscheid van Stoffel, en richten onze blikken op den
    tekst die voor ons staat als 'n berg van genot.

    "De saliemelk der deugd was genoten, en de tuitstoppende
    blaadjes waren verwyderd uit de monding des ketels door
    den krachtigen moeder-gehoorzamenden adem van de oudste
    der dochteren des huizes. De yverige juffrouw Laps, die de
    onvergankelyke ziel stelde boven 't brooze lichaam, en de
    oefening der genade boven het streven naar zoeten drank... zy
    die woonde op de onder-voorkamer van het huis dat gezegend
    was onder alle huizen... zy had toegegeven in de begeerte
    om meetepraten, en hieraan sluiten zich de voorgelezene
    tekstwoorden met verbazende geleidelykheid.

    "Ik heb moeite, geliefden, my te weerhouden reeds nu
    uitteweiden over de voortreffelykheid die er ligt in die taal,
    maar de vrees afbreuk te doen aan den straalbundel dien ik
    my voornam aftesteken in het tweede deel myner rede, doet
    my besluiten u eenvoudig te wyzen op den eerwaardigen Baker
    Stotter, en op het bont-katoenen jak dat Zyne gelukzalige
    lenden met geestelyken wellust omsluit. Ziet, geliefden, hoe
    Zyn geheel lichaam beeft van innigen zielevrede, ziet hoe Hy
    den vinger opheft by het uiten der nadrukkelyke woorden: _dat
    zeiti!_ Merkt op, hoe er spanning is by die herinnering aan de
    onvergetelyke klok, en geestdrift by het meten van die stoep...

    "Want hy moet die stoep gemeten hebben, myne geliefden! Het
    is van hoog gewicht, achtteslaan op deze byzonderheid.

    "Ja, geliefde Stotters, er zyn hooge stoepen, en er was een
    klok met wind in den gang! Dit geloof staat als een rots! Wat
    er wankele of bezwyke, wy houden vast aan die hooge stoep
    en aan dien wind! Hoe ook de verdoolde mensch zich aankante
    tegen de openbaring der Geheimenissen van het bakerschap, hy
    zal zich te-pletter stooten tegen ons stoepsel, en verbryzeld
    zal hy worden door den wind onzes geloofs!

    "Maar, geliefden, vat gy het wel, begrypt gy wel ten-volle
    wat er in dien wind zit? Zyt gy wel geheel doordrongen van
    dien wind? Doorblaast u die wind wel behoorlyk by uw opstaan
    en uw slapen gaan, by uw middagmaal en uw ontbyt? Dringt die
    wind wel met voldoend stormgeweld door het weefsel uwer ziel,
    en doorbruischt hy wel behoorlyk de poriën van uwe gedachten?

    "Of--helaas, geliefden, vergeeft my deze schrikwekkende,
    maar noodige vraag--of is die storm wellicht in uwe harten
    geworden tot een zuchtje? Is misschien uw wind weggekrompen
    tot eene labberkoelte, te zwak om 't lichtste voorwerp
    voorttedryven naar, opteheffen tot, binnentestuwen in de
    eeuwige gelukzaligheid?

    "En die stoep.... geliefden! Wat hebt gy met uwe stoep
    gedaan? Hebt gy wellicht verleid door de doemwaarde
    leeringen van de Pennewippers, medegewerkt om de stoep des
    heils, de hooge stoep der zaligheid, de verheven stoep der
    genade, te verlagen tot 'n dorpeltje, hoog genoeg--ja, maar
    ter-nauwer-nood hoog-genoeg--om opteklimmen tot de bovenste
    plank uwer aardsche etenskast, gy die eene stoep noodig hebt
    om den hemel te bereiken, een wind om u dien stoep optewaaien?

    "Zegt het my, zegt het my, geliefde verdwaasden. O, zegt het
    my, dierbare Medestotters, waar is uw stoep en waar is uw wind?

    "Gy zwygt?

    "Hemelsche Baker, zie in genade neder op dat zwygen, en neem
    onze belofte aan, dat we onze stoep zullen herstellen en
    onzen wind aanblazen tot er de zaligheid op volgt. Dat zy zoo!

    "Doch laat ons voortgaan. Na de diepzinnige toespeling op die
    stoep en dien wind, haalt de verheven Baker met ernst en nadruk
    de woorden aan van den man, die dagelyks die stoep beklom,
    dagelyks den adem diens winds voelde, de woorden van den man
    die als het ware met die stoep en dien wind vereenzelvigd was:
    "_Je bent 'n goeie Vrouw/ Vrouw Stotter/ en 'n knappe Baker!_"

    _Een goeie vrouw en 'n knappe baker!_ Kan er treffender
    getuigenis worden gegeven, myne geliefden? Hy zegt niet:
    _Je bent 'n goeie vrouw, en daarmee uit!_ En niet: _Je bent
    'n knappe baker, en daarby blyft het!_ Neen, duidelyk staat
    er: _Je bent 'n goeie vrouw èn 'n knappe baker_, zoowel dus
    het één als het ander.... het andere niet minder dan het
    één.... beiden te-zamen.... alles tegelyk!

    "Ik weet wel, geliefde Stotters, dat er sedert eenigen tyd
    onder de valsche geleerden dezer aarde lieden zyn opgestaan
    die beweren dat het voegwoord: (en) in den grondtekst,
    zou behooren vertaald te worden met het tegenstellend:
    "_maar_" en dat alzoo de Heilige stoep-en-windman eigenlyk
    bedoelde de hoedanigheid des Bakers te stellen niet _naast_
    maar _tegenover_ die der vrouw, maar de Baker die zorge draagt
    voor Zyne kraamkinderen tot het einde der eeuwen, heeft niet
    gewild dat er twyfel wezen zou over een zoo gewichtig punt, en
    daarom heeft Hy toegelaten--wat zeg ik, Hy heeft bewerkt--dat
    de juiste tekst Zyner woorden is bewaard gebleven in het
    _Stoffelium_ naar de beschryvinge des Heiligen Multatuliï.

    "Ja Geliefden, dáár staat het: "_en een knappe Baker!_"
    Dat zegevierende "_en_" springt in het oog als een vonk
    van diamant, en wy kunnen den man niet genoeg danken, die
    door zyne nauwkeurigheid het menschdom bewaard heeft voor
    de dwalingen die een onmiddellyk gevolg wezen zouden van de
    verkeerde lezing des onschatbaren voegwoords: "_en_."

    "_En_, geliefden, _en!_ Uwe zaligheid berust op, hangt af
    van, is verscholen onder, spruit voort uit, gaat samen met,
    is te vinden in, wordt verzekerd door... dat goddelyke _en!_

    "Doch verder nog gaat de helsche Pennewippery onzer
    dagen. Er zyn er die den braven eenvoudigen Multatuli zelven
    verdenken, òf van onkunde, òf van opzettelyke verkrachting
    der waarheid....

    "Verdoolden! Ziet ge niet waartoe gy wordt vervoerd door
    uwe zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven
    leidt? Beseft gy niet de ydelheid uwer pogingen om aftebreken
    wat opgebouwd werd door zoo heilige handen? Gevoelt gy niet
    dat elke aanval op het gebied der Bakerlyke _Stoffelien_
    uitloopt op uwe beschaming? Was _Hy_ niet heilig, _Hy_ de
    eenige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men
    dit toestemt--wat dan toch wel niet kàn ontkend worden--moet
    dan niet ook _hy_ heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en
    woorden van dien Heiligen persoon heeft te-boek gesteld? En
    aldus die heiligheid aannemende als uitgemaakt, kunnen er
    dan fouten wezen in zyn geschrift, geheel geschreven onder
    den invloed der begeesterende indrukken van het pas ontloken
    Bakerdom dat, nog maagdelyk en nieuw, nog niet bedorven
    door menschelyke byvoegselen en helsche Pennewipsels, eenen
    heiligenden invloed uitoefende op de schryvers die getuigen
    waren, of die althans achternaneven hadden kunnen gezien
    hebben vàn de getuigen der gebeurtenissen die zy boekstaafden?

    "Weg van ons, gy wereldsche wysheid, die knagen wilt aan onze
    zaligmakende voegwoorden! Neen, aarde en hel, gy ontneemt ons
    niet het vast geloof aan de juistheid, aan de zuiverheid, aan
    de geloofwaardigheid, aan de heiligheid onzes onvolprezenen
    _Stoffeliums!_ Met nederige fierheid zien wy neder op uw ydel
    gepoog! Met onzeggelyke gemoedsrust en betooverend zelfgevoel,
    roepen wy juichend uit: "_Gij was een goeie Vrouw en een
    knappe Baker!_"

    "Doch dit is nog niet alles. Verder nog, hooger nog, dieper
    nog, sterker nog, grypt onze tekst in de dierbaarste belangen
    onzer toekomst.... _Hy zal altyd 'n goeie vrouw en 'n knappe
    baker blyven!_ Gevoelt gy wat dit zeggen wil, Geliefden? Wat hy
    was, was hy niet voor een oogenblik, voor heden, voor gisteren
    of voor den dag van morgen... neen. Hy zal blyven wat hy was,
    altyd, eeuwig... _'n goeie vrouw en 'n knappe baker!_

    "De aarde zal verkruimelen en te-niet gaan: _Hy_ zal
    blyven! De zon zal maan worden, of in 't geheel niets! _Hy_ zal
    blyven! Het heelal zal verzinken: _Hy_ zal blyven voortbakeren
    ten einde toe!

    "O, Geliefden, wien duizelt niet het hoofd by het beschouwen
    van zulk een roeping! Hy zal bakeren, bakeren, bakeren
    tot er niets meer zal te bakeren vallen, en toch blyven
    voortbakeren! Myne zwakke krachten schieten te-kort by dit
    denkbeeld! De onnoozele mensch beschouwt, overpeinst, begrypt
    er niets van, aanbidt en... zwygt.

    "Ja, zwygen! Daarom verkondigen wy luide onze overtuiging! Zie,
    o mensch, gy die bouwt op de dingen van één dag, zie
    onze vastigheid die gegrondvest is op de onomstootbare
    mannelyke schouderen der vrouw! Waar alles ligt, zal Hy staan
    blyven. Waar alles bukt, zal Hy zich oprichten. Waar alles
    vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner
    jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en
    de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als
    uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: "_dat zeiti!_"

    "En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor
    my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit
    we onzen tekst kozen: "_mijn heele Familie zal je altyd
    gebruiken!_"

    "Ziet gy, Geliefden: _zyne heele familie!_ Wat is de
    familie van iemand die eene _zoo_ hooge stoep heeft, en een
    windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker
    van het heele menschelyke geslacht. Hy is uw Baker, Hy is myn
    Baker, Hy is zyn Baker, Hy is haar Baker, Hy is onze Baker,
    Hy is ulieder Baker, Hy is hun Baker, Hy is de Baker van ons
    allen, ja van allen... behalve van die vervloekte Pennewippers
    en andere verdoolden die van ons verschillen in geloof.

    "Weg van Zyn Bakerlyken schoot, gy die geen deel aan Hem hebt,
    die niet zyt van de familie des mans des verheven stoepsels
    en des windkloks! Weg van Hem, en vaart naar de diepe
    gewelven, waar geen Baker is. Betreurt daar uwe doemwaardige
    verstoktheid, en vergaat in bakerlooze ellende!

    "Ja, Hij zal het menschdom bakeren ten einde toe! "_Ma_, staat
    er verder, _als de menschen je wat zeggen/ moet je net doen of
    je 't niet hoort!_" De bedoeling dezer verhevene woorden is:
    het zal gebeuren dat uw zuigeling--het ingebakerd menschdom,
    namelyk--wederspannig is, en zich krytend en schreeuwend
    teweerstelt... doe of je 't niet hoort, Baker! Speld er maar
    dapper op toe. Beschouw elke beweging als strydig met de ware
    beginselen van Bakerdom en deugd. Maak een pakje van Uwen
    voedsterling, en laat elke nieuwe Bakerspeld luide verkondigen
    met kop en met punt: het Bakerdom heeft gezegevierd over de
    aangeboren verdorvenheid van de familie des mans des verheven
    stoepsels en des windkloks!

    "_Doe net of je 't niet hoort, Baker!_ Stop uwe ooren voor de
    gebeden der omstanders. Luister niet naar de betweters die
    meenen dat schoppen en trappen en òm zich slaan, de eerste
    natuurlyke uitspanning is van ons geslacht. Speld toe, Baker,
    speld toe! Er staat geschreven dat Gy Baker zyt, en Baker
    blyven zult... baker dus het menschdom tot het einde der
    eeuwen. "_Gloei eeuwig door_ zooals de psalmist zegt,


		"Gloei eeuwig door van Kindermin/
        En speld ons in Uw Luiers in!


    "Doch Hy is ook mensch, die Baker, en wat meer zegt--of volgens
    sommigen, minder--Hy is vrouw! Ja, Hy is vrouw op het avendje
    van juffrouw Pieterse, en met echt vrouwelyke bescheidenheid en
    iets dubbelnaturigs dat ook de meest verstokte harten treffen
    moet, hooren wy Hem in onzen tekst uitroepen: "_Dankie/Juffrouw
    Pieterse/ mijn koppie is omgekeerd/ dat zieje wel._"

    "_Hy bedankte, Hy had zyn koppie omgekeerd, en zy zag het
    wel!_ Verheven drieëenigheid van zinnediepte! Hy bedankte,
    ja... maar Hy bedankte niet alleen, Hy keerde te-gelyker-tyd
    Zyn koppie om, en wel verre van Zich te bepalen tot die Heilige
    handeling, voegde Hy ter onzer leering daarby: _dat zieje wel!_

    "Voor ik overga tot de verklaring dezer hoogstgewichtigheid,
    maak ik de zielpynigende opmerking, Geliefden, dat sommigen
    beweren dat het woord "koppie" in den europeeschen grondtekst
    tot een verbasterd taaleigen behoort, dat niet dan door lieden
    van den laagsten stand, en slechts in den gemeenzamen omgang
    gebruikt werd waaruit zy aanleiding nemen, om een smet te
    werpen op de deftigheid van Multatuli den _Stoffelist_. Doch,
    zooals immer, valt ook deze steen neder in den hof des
    rampzaligen die den steen geworpen heeft. Want is niet juist
    dat wedergeven van vrouw Stotter's aanbiddelyke taal, letterlyk
    zóó als Zy moet gesproken hebben om begrepen te worden door
    juffrouw Pieterse, een bewys voor de echtheid des Heiligen
    boeks? Zou niet de nooit volprezen Multatuli, indien hy
    't beeld des Bakers had willen opsieren met franjekleederen
    of krulgewaden...


Hier komt dominee Zielknyper zoo uittewyden in myn lof, dat ik uit
pure zedigheid genoodzaakt ben terugtekeeren tot den tyd toen er nog
inkomende-rechten bestonden, en dus vóór Baker-apothéose en anevrismen.

De lezer zal zich herinneren dat de preek, waarvan ik 'n fragment
meedeelde, alleen mogelyk was door de veronderstelling dat ik
verhinderd ware geweest den indruk te schetsen, dien de nederlaag
van juffrouw Laps by haar en hare zoog-lotgenooten teweegbracht, en
dat er dus vry spel ware gelaten aan de behendigheid van toekomstige
godsdienstsmeden, om uit den katastroof op III, 7, _b_1 (Pp) de
elementen byeentezoeken tot 'n bruikbaar windselsysteem.

Daarvan gebeurt niets. De godenmakers die na ons komen, zullen
zich moeten behelpen zoo goed ze kunnen, want wel verre van m'n
boek hier te sluiten, verklaar ik uitdrukkelyk dat het verbaasd
gezelschap, na Pennewip's beslissing, zich bepaalde tot den uitroep:
"Z...ó...ó...ó!" zonder iemand aantevliegen, te bekrabben, of ander
molest aan te doen.





    Ontwikkeling der oorzaken van den lankwyligen vrede in Europa,
    waaruit tevens (alles is in alles!) den lezer 't nut blyken kan
    van de gezette studie der salieavenden. Vervolg en slot der
    dichtproeven, zeer geschikt voor rederykers en andere knappe
    versöpzeggende kinderen. Arme Wouter... neen, ryke Wouter!


De oplettende lezer die op menschkunde gesteld is, wil natuurlyk
gaarne weten welke oorzaak ons vorig hoofdstuk zoo kalm deed eindigen,
en waarom 't saliegezelschap zoo vreedzaam berustte in 'n geval dat
nog kort geleden aanleiding had gegeven tot zoo hevige ontploffing?

Nog geheel vervuld van den indruk der bakerspreuk, zal ik de oorzaken
der betrekkelyke kalmte die er heerschte na Pennewip's vonnis,
splitsen in drie deelen:

_Vooreerst._ Men was reeds driftig geweest, en dus wat uitgeput.

_Ten tweede._ Juffrouw Laps, de aanvoerster in den stryd, overzag
met genialen blik het slagveld, en zonder juist te denken aan 't
wereldberoemd gevecht van de Horatiërs en Curiatiërs, vatte zy met
aangeboren talent de taktiek van 't "verdeel en heersch!" Mèt de
mogendheden Stotter, Mabbel, Krummel en Zipperman tegen 't "huis" der
Pietersens... dat kòn. Maar nu dat huis gesteund werd door Pennewip's
meesterlyk gezag, schreef de voorzichtigheid voor zich terugtetrekken
uit den stryd. Want wie verzekerde Talleyrand-Laps, dat ze rekenen kon
op haar bondgenooten? Wie kon haar waarborgen dat niet de baker, of
misschien juffrouw Zipperman zelve, zou overgaan tot den vyand, al ware
het uit bekrompen eerbied alleen voor meester's bewegelyke pruik? Neen,
neen... niet op zulken onzekeren bodem liet juffrouw Laps de artillerie
voortrukken van hare welbespraaktheid. Zwygend zei ze: "'k zal je
later wel krygen!" en als we ons haar, en al de verhoudingen van 't
gezelschap, vermenigvuldigd denken met twintig- of dertig-millioen,
zouden we ons kunnen voorstellen den volgenden dag in deze of gene
"onder invloed staande" Juffrelapsche krant te lezen: _"De verhouding
met het ryk der_ Pietersens _is allerkordiaalst. Men spreekt zelfs van
'n vriendschappelyke byeenkomst der respektieve soevereinen, zonder 't
minste staatkundig doel, en alleen om zich te verheugen in elkanders
aanschyn. Men ziet hieruit alweder hoe ongegrond de geruchten waren
omtrent zekere spanning die er zou bestaan hebben over de ware natuur
van onze geëerbiedigde vorstin. De lezer zal zich herinneren dat wy
die geruchten dan ook slechts onder reserve hadden meegedeeld."_

_Ten derde._ De derde en voornaamste reden van den wapenstilstand
was: nieuwsgierigheid. Wie zich op-nieuw boos maakte, of boos blééf,
of boosheid blyken liet, zou moeten vertrekken. En wie vertrok, zou
niet weten waarom meester Pennewip was komen vertellen dat er weer wat
aan de hand was met Wouter. Hieruit ziet men voor den duizendsten keer
dat alle zaken haar goede zyde hebben. Als Wouter Pieterse deugdzaam
ware geweest in meester's oogen, hadden die oogen waarschynlyk 't
lot ondergaan dat hun in zoo'n geval door den archaeoloog Klesmeyer
eenmaal in de oud-europeesche mythologie zou worden aangewezen.

--Maar meester, vroeg juffrouw Pieterse--na op 't overwonnen zoogdier
'n blik te hebben geworpen die gelden kon voor 'n: "waar blyf je
nou?" met rang van overwinningsbulletin--maar meester, wat heeft die
Wouter dan nu weer uitgevoerd?

--Ja, wat heeft Wouter weer gedaan? werd er bygevoegd door juffrouw
Laps, die zich verheugde omdat het gesprek 'n andere wending nam,
en tevens over de nieuwe misdaad die zy vernemen zou, omdat ze zoo
godsdienstig was. Want in de godsdienst is de zondaar 'n ding waarop
men zich oefent. En juffrouw Laps hield veel van oefenen, zooals we
gezien hebben.

Juist zou Pennewip 'n begin maken met de akte van beschuldiging, toen
de bel ging... nogeens...--"'t was f'r ons"--en de arme delinkwent
trad de kamer in.

Hy was nog bleeker dan gewoonlyk, en er was reden toe want er waren
vreemde zaken met hem gebeurd sedert Fancy hem opnam en meevoerde...

--Juffrouw Pieterse, begon Pennewip, myne school is beroemd tot op
Kattenburg... hoort gy dat, en verstaat gy dat?

--Och ja, meester.

--Ik herzeg: beroemd, en wel voornamelyk wegens de goede zeden die daar
heerschen... ik bedoel natuurlykerwyze: op myne school Godsdienst en
deugd staan by my op den voorgrond. Ik zoude u verzen kunnen toonen
over God... maar dit zal ik nu met stilzwygen voorbygaan. Het zy
ulieden genoeg, te weten dat myne school beroemd is tot op... wat zeg
ik... zelfs heb ik 'n zoontje gehad van iemand op Wittenburg--van den
blokkenmaker--en eenmaal zelfs ben ik schriftelyk geraadpleegd over
de verbetering van 'n knaapje wiens vader heel te Muiderberg woonde.

--Gut, meester!

--Ja, juffrouw Pieterse! ik ben nog in het bezit van den brief, dien
ik u zoude kunnen toonen als ik zulks verkoos--de man was doodgraver,
en die jongeling had zich overgegeven aan het teekenen van ongepaste
figuren op de zerken--maar juist dáárom--ik bedoele om de godsdienst
en deugd waaromtrent ik zoo beroemd ben--voel ik my verplicht u by
dezen medetedeelen dat ik niet verkies den goeden naam myner school
te zien verloren gaan door uw deugniet van 'n zoon die dáár staat!

De arme Wouter was onthutst. Dat klonk anders dan 'n pauselyke
aanstelling... die hy trouwens niet langer begeerde, want hy had
zoo-even 'n heel andere aanstelling bekomen die hem beter aanstond.

Z'n moeder wilde terstond overgaan tot wat zy haar godsdienst noemde en
hem 'n kastyding toedienen, om den meester tevreden te stellen en dezen
te toonen dat ook in haar huis deugd en goede zeden op den voorgrond
stonden. Maar meester vond beter het gezelschap te doen weten wat er
aan de hand was, om daardoor te gelyker-tyd het schuldbesef van den
patiënt inniger te maken.

--Uw zoon, juffrouw Pieterse, behoort tot de klasse der roovers,
moordenaars, vrouwenschenners en brandstichters...

Meer niet.

"Heilige genade! Goeie hemelsche gerechtigheid! Barmhartige
christenzielen nog toe! Och, lieveheeremenschelyke deugd, is 't
mogelyk! Wat 'n mensch moet beleven!" Zoo omtrent--maar ik sta niet
in voor de juistheid--was de stortvloed van uitroepingen waaronder
de tienjarige roover, moordenaar, vrouwenschenner en brandstichter
bedolven werd. Arme Wouter!

--Ik zal u 'n stuk voorlezen van zyne hand, zei meester, en wie daarna
nog twyfelt aan de verdorvenheid van dezen knaap...

't Heele gezelschap beloofde dat men er niet aan twyfelen zou. Het stuk
dat de meester daarop voorlas, was dan ook van 'n aard dat die twyfel
heel moeielyk viel, en ikzelf, die Wouter heb gekozen tot myn held,
zal moeite hebben den lezer te overtuigen, dat-i niet zóó slecht was
als-i er uitzag in z'n vreeselyk


"ROOVERSLIED.

    Met myn zwaard.
    Op m'n paard.
  En myn helm op het hoofd.
Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,
    En vooruit!


--Christenzielen, riep 't heele gezelschap, is-i dol?


    "En vooruit!
    Op den weg,
    Langs de heg,
  Met een houw en een stoot
De dragonders verjaagd, en den markgraaf gedood...


--Lieve goeie god, wat heeft-i toch tegen dien markgraaf? jammerde
de moeder.


    Om den buit!


--Zieje, 't is om den buit, zei juffrouw Laps, _ik_ zeg maar altyd,
men begint met 'n bybel, en...


    "En die buit
    Is myn bruid...


--Hebje van z'n leven... z'n bruid! De jongen heeft pas gewisseld!


    "En die buit
    Is myn bruid...
  My gekocht met m'n staal...


--Met z'n st...a...a...a...l!


    "En die buit
    Is myn bruid,
  My gekocht met m'n staal,
En ik voer, als een veêr, met my mee haar in 't zaal,
    Naar de grot...


--Hemelsche genade, wat wil-i in die grot uitvoeren?


    "Als de wind
    Zoo gezwind,
  Jaag ik voort met myn vracht,
En ik sla op haar schreien en kermen...


--Och, gerechtige vrede, 't mensch kermt 'r van!


"En ik sla op haar schreien en kermen geen acht,
    Wat genot!


--Dat noemt-i genot! Ik word 'r koud van!


    "En dan weer
    Op-en-neer,
  Rechts en links door het land...


--Lieve Jesis, daar gaat-i weer!


    "En dan weer
    Op-en-neer,
  Rechts en links door het land,
Hier een villa verwoest, daar een klooster verbrand,
    Tot vermaak!


--De hel zit in dien jongen... tot vermaak!


    "En dan voort
    Weer gespoord
  Naar een nieuw aventuur...


--Alweer? Waar wil-i in godsheeren-naam nu weer naar toe? 't Is om
te bezwyken...


    En dan voort
    Weer gespoord
  Naar een nieuw aventuur,
En myn reisweg geteekend met bloed en met vuur,
    Om de wraak...


--Goeie god, wat hebben ze 'm toch gedaan?


    "Want de wraak
    Is de taak
  Van den koning van 't woud...


--Is-i razend... 'k zal 'm koningen!


    "Want de wraak
    Is de taak
  Van den koning van 't woud...
Die, alleen tegen allen zyn schepter behoudt...


--Wat 's dàt voor 'n ding?


"Die, alleen tegen allen, zyn schepter behoudt,
    En banier!
    Op, hoezee...
    Wie gaat mee?


't Gezelschap rilde op die uitnoodiging.


    "Op, hoezee...
    Wie gaat mee?
  Nu geen schepsel verschoond,
Nu de mannen gehangen...


--Lodderyn! Trui, je ziet dâ-k...


"Nu de mannen gehangen, de vrouwen...


--Lodderyn... lodderyn!


    "de vrouwen gehoond...


--Lodderyn, lodderyn, lodderyn... Trui!


    "de vrouwen gehoond,
  Voor pleizier!"


--Voor pleizier... herhaalde meester op 'n graftoon, voor
pleizier! Hy... doet... die... dingen... voor... zyn... pleizier!

't Heele gezelschap lag in zwym. Ook Stoffel's pyp was uitgegaan. Maar
Wouter had iets kalms in z'n wezen, en toen z'n moeder hem genoeg
geslagen had om haar bezinning terug te krygen, legde hy zich niet
ontevreden neer in 'n hoekje van de achterkamer, waar-i weldra insliep
om te droomen van Fancy.






    Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der hoofdpersonen
    van deze geschiedenis, na de katastrofe.


Den volgenden dag was er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken,
en om niet den schyn van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy
ons niet over de personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben
doorgebracht, zullen we in 't voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel
weer aan 't bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan
't bakeren. Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg
werden toevertrouwd tot 'n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid,
zeker om den pasgeborenen 'n prettig denkbeeld inteboezemen van hun
nieuwbegonnen loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken
luidruchtigheid waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun
geboorte.

Meester Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren
onzer gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z'n pruik, nog niet
geheel hersteld van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend
naar zondag.

Klaasje van der Gracht had den prys gekregen, met 'n plechtig:
"ga zoo voort, myn zoon!" Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik
gedichten verschynen die zyn meesterhand verraden door duidelykheid,
bondigheid en geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen
zyn die beweren dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan
de pokken, acht ik me verplicht hem in bescherming te nemen tegen
dien laster. 't Genie sterft niet, dat spreekt vanzelf, anders zou
't voor 'n genie niet de moeite waard wezen zich te laten geboren
worden. Doch al ware onze Klaas dood naar den mensch, zyn geest leeft
voort in z'n volgelingen, en dit vind ik 'n schoone onsterfelykheid.

Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar
ben ik zeker van.

Juffrouw Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk 'n zoogdier was,
en hy die veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde
na eenig overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de
helft. "In dit geval: de laatste" zeid-i er binnen-'smonds by.

Juffrouw Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar
ze had het er voor over, want ze was 'n "schikkelyk mensch." Alleen kon
ze niet verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had opgegeven van haar
vader "in de granen" en van haar deugd. De oude Laps, beweerde zy,
was niet _in_ de granen geweest, maar er _onder_. Hy had ze namelyk
gedragen in 'n zak op z'n hoofd, dat heel anders is dan granen te
verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger dan wie wat
draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En wat haar
deugd betrof, ieder wist van die historie met den briefbesteller
die zulke zware bakkebaarden had. "'t Was niet om 't mensch te
skandeliseren, heere neen! 't Was maar dat men 't wist, en dat men er
van sprak... dàt was 't maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel zwygen
van 'r deugd." Juffrouw Zipperman wou echter "de zegs_man_ niet wezen,
omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de briefbesteller
keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!"

Truitje en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor
't venster, en als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar
gezichten in 'n plooi alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden
"terechtgebracht."

De juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou
"want 't was 'n schandaal by de Pietersens... 'n wààr schandaal." En:
"er had juist wat onder gestaan!"

Juffrouw Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als 'n
"mensch". Van-tyd tot-tyd "deed" ze haar godsdienst op de kinderen
die, als ze 't voor 't wenschen hadden gehad, gewis liever waren
ter-wereld gekomen by Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat
minder gevoeligheid belyden in hun godsdienst.

Juffrouw Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen
doet. Ik zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór
me omdat ik nooit m'n onderwerp uitput.

Stoffel was naar z'n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd
verachting inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van 'n gedicht
dat gemaakt scheen op 'n vliering, door iemand die vermoedelyk niet
veel last had van z'n rykdom. Maar de jongens waren onoplettend, en
schenen maar niet te vatten welk genoegen 'r in stak geen geld te
hebben om knikkers te koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner
harten toe aan Wouter's wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van
den aanslag op 't leven van dien markgraaf, en van dat zonderling
logeeren in 'n grot. Daarom bewezen zy minder eerbied aan Stoffel,
dan hem toekwam als derden ondermeester met 'n verlengd buis.

En Wouter?

Deze was nog altyd in afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots
verdiend had, want z'n moeder had hem te kennen gegeven dat de
"terechtstelling" van den vorigen avend maar 'n voorloopige
godsdienstoefening geweest was, en dat de eigenlyke bezoldiging
zyner zonde uitbetaald worden zou als ze daarover had gesproken
met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken van godsdienst,
heeft de dominee--huis- of niet--'n stem. Hy wordt er voor betaald,
en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men wèl doet de
geestelyken uit z'n huis te houden, weten niet wat ze zeggen.

Maar intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan,
kon-i niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen
uit die bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. "God weet wat
je weer uitvoert als ik je-n-uit m'n oogen verlies" zei de moeder,
die voorgaf bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de klosters,
maar eigenlyk alleen daarom 't verlof tot uitgaan weigerde, omdat
Wouter dat verlof gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het
voor ondeugende kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.

Als Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd
te zyn op die donkere achterkamer, om de trap te worden afgejaagd
tot zedelyke verbetering, en dan had-i 'n bezoek kunnen brengen aan
z'n molens.

En de voorkamer was hem verboden omdat de jonge-jufvrouwen "hem niet
konden zien." Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van
roovers en Wouter's verdorvenheid uit.

Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker
geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de
dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp).

Als 'n looden domper drukt zoo'n verblyf iemand op 't hart, en
ik mag niet toegeven, aan wat misschien m'n plicht was, aan de
begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo'n hol, om niet oorzaak
te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by
zulke beschryving. [10]





    Wat vluchtige karakterstudie, gevolgd door 'n zot sprookje.


Maar als ik, die van-tyd-tot-tyd de werelddeelen doorjaag als 'n nieuwe
Mazeppa, als ik zoo op-eenmaal toegaf aan den benauwenden indruk van
'n keukenkamertje, hoe moet dan wel de ziel van dien armen Wouter
zyn benepen geweest tusschen de muren zyner woning, en in de sterk
toegehaalde banden van z'n geheel bestaan.

De arme jongen was bewindseld en bezwachteld van z'n geboorte
af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met
_twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes,
mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten,
zwarte mannen voor stoute kinderen, "oogjes toe" voor en na 'n boteram,
slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over gescheurde
broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement van
gevoeligheid... arme Wouter!

Ik weet wel dat duizenden en duizenden geen beter lot hebben, maar
juist daarom zeg ik: arme Wouter! Misschien dat die uitroep anderen
opwekt tot de klacht: arme _wouters!_

En al ware dit zoo niet, wat den een past, is te min of te nauw voor
'n ander, en Wouter's ziel was van ongewone leest.

Het kluchtig rooverslied dat hem was ingegeven door 't pas gelezen
boek, toonde hoe z'n maagdelyke verbeelding was getroffen door
de indrukken van wat hem groot voorkwam. Hy was nog geheel kind,
en bovendien 'n _goed kind_. Hy zou geen vliegje hebben leedgedaan,
zoodat de hoogst krimineele strekking van z'n lied alleen voortkwam
uit de zucht om op-eenmaal 't _hoogste_ te grypen, het _verste_
te bereiken, de _eerste_ te zyn, in 't wedperk dat z'n kinderlyke
fantazie hem had ingeleid.

Roover... goed! Maar dan ook 'n flinke roover, 'n roover boven alles,
'n roover zonder genade, 'n roover voor pleizier!

Van dat vrouwen-hoonen had-i eigenlyk geen begrip. Hy zei dat maar om
't rym, en wyl-i uit 'n paar zinsneden van z'n boek had opgemaakt
dat het zoo'n byzonder aangename uitspanning was.

Als-i voor z'n veertien stuivers toevallig 'n _Karel
Grandisson_--vervelender gedachtenisse!--had te lezen gekregen, zou
z'n gedicht van dien woensdag heel anders uitgevallen zyn, en hy had
misschien... ja zeker had-i dan de hand van verzoening gereikt aan
Slachterskeesje, en dien wellicht nog 'n paar griften toegegeven,
met volkomen vergiffenis voor 't onjuist verhuizen van dezen of
genen graaf.

Want het eigenaardige van gemoederen als dat van Wouter, is dat ze
geheel zyn wàt ze zyn, en verder gaan, in welke richting ook, dan
oppervlakkig scheen te liggen in de macht der indrukken die hen 't
eerst die richting volgen deden. Er zou van zulke karakters veel te
wachten zyn, wanneer niet het toeval--d. i. deze of gene natuurlyke
oorzaak die we niet kennen, en die we _toeval_ noemen uit schaamte
over dat gebrek aan kennis--wanneer niet zoo'n toeval zich vermaakte
de Wouters te doen geboren worden in 'n kring waar ze niet worden
begrepen... en dus mishandeld. [11]

Wouter zat met beide elbogen op de tafel, en liet daarop het hoofd
rusten. Hy scheen verdiept in 't _over'shandsche_ naadje dat Leentje
bezighield, maar we zullen terstond zien dat z'n gedachten elders
waren, en wel zeer ver van _Burgerstand III_, 7, _b_1(Pp).

Men had haar verboden te spreken met "dien kwajongen" en slechts
van-tyd tot-tyd, als juffrouw Pieterse de kamer verliet, vond Leentje
gelegenheid hem eenige troostwoorden toetevoegen, schoon 't haar in
't oog viel dat Wouter niet zoo bedroefd was als men vooronderstellen
zou van iemand die benepen zat tusschen de kastyding van gister
en den huisdominee van morgen. Want morgen zou de man komen om die
zaak aftedoen.

--Maar, Wouter, hoe kon je spreken van brandstichten?

--Och... ik meende... sjt!

--En die graaf... wat was dat weer met dien graaf?

--'t Was 'n markgraaf... sjt!

--Wat is dat voor 'n graaf? Zeker weer uit 'n ander huis?

--Ja... 't was de vader van Amalia. Maar dat is de zaak niet... ik
heb je wat te zeggen, Leentje... sjt!

--Amalia? Wie is Amalia?

--Dat was m'n bruid. Maar, Leentjen, ik wilde je zeggen... sjt!

--Je bruid? Benje gek, Wouter... je bruid?

--Ja, dat wàs ze... maar nu niet meer. Ik wou haar helpen, en dreef
daarheen... toen kwam er 'n eend... maar, Leentje, dat is de zaak
niet... ik begryp nu alles... sjt! Ik ben voorbygedreven... sjt!

--Wie ... waar ... wàt benje voorbygedreven?

--Amalia. Ze zat in 't kroos ... ik begryp nu alles ... ik ben ... sjt!

--Ik begryp er niets van, Wouter. Maar zeg eens, die vrouwen ... waarom
toch wou je die vrouwen...

Arme Leentje... _zy_ was nooit gehoond! Ze had er zooveel voor
over gehad!

--Die vrouwen stonden in 't boek. Maar, hoor eens ... ik ben ... sjt!

--En dat klooster?

--Dat doet er niet toe. Ik weet nu alles, alles... luister, ik zal
't je zeggen, Leentje ... sjt!

--M'n god, Wouter, jongen, wat mankeert je? Je kykt alsof je gek bent!

Wouter was opgestaan. Hy hief zich hoog op, richtte een fieren blik
naar de balken, legde de rechterhand op 't hart, stak de linker uit
als om 'n spaanschen mantel te drapeeren...

Men bedenke dat Wouter nooit in den schouwburg geweest was... ... en
zeide:

--Leentjen, ik ben 'n prins!

Daarop kwam de moeder binnen, en verwyderde hem met 'n paar oorvegen
uit Leentje's tegenwoordigheid.

Het prinsdom van Wouter lag in de maan... neen, veel verder.

Ziehier hoe hy gekomen was tot die nieuwe waardigheid.

Lang voor het begin dezer geschiedenis--ja, zéér lang geleden was
er 'n koningin der geesten, juist als in _Hans Heiling_. Ze heette
A-OO.

Ze bewoonde geen hol, zooals in _Hans_, maar hield haar hof ver boven
de wolken, wat luchtiger is en dan ook beter past voor 'n koningin.

Als ze uitging stoven de nevelvlekken op als stof, en met 'n waaierslag
verjaagde zy de firmamenten.

Haar kinderen speelden met planeten als knikkers, en klaagden dat die
zoo moeilyk waren weer te vinden na 't wegrollen tusschen 't huisraad.

Het zoontje der koningin, prins Upsilon, was verdrietig daarover,
en verlangde gedurig ander speelgoed.

De koningin liet hem 'n doosje siriussen geven, maar binnen weinig tyds
waren ook deze weer verloren. Doch 't was Upsilon's eigen schuld. Hy
had maar beter moeten achtgeven op z'n speelgoed.

Men stelde hem zoo goed mogelyk tevreden. Maar wat men hem ook gaf,
gedurig vraagde hy wat anders, wat grooters, en méér. Dit was 'n fout
in 't karakter van den kleinen prins.

De moeder, die als koningin der geesten 'n zeer verstandige vrouw was,
begreep dat het voor den kleine nuttig wezen zou zich 'n beetje te
gewennen aan ontbering.

Daarop gelastte zy dat men Upsilon eenigen tyd geheel zonder speelgoed
laten zou.

Dit geschiedde.

Men nam hem alles af. Zelfs de komeet waarmed-i aan 't kaatsen was
met prinses Omikron, z'n zusje.

Prins Upsilon was driftig van aard, en vergat zich in z'n uitdrukkingen
zóóver dat hy iets onëerbiedigs zeide over zyne moeder.

Ook prinses Omikron, verleid door zyn voorbeeld--want niets is
verderfelyker dan slechte voorbeelden--wierp met driftig gebaar haar
palet tegen 't heelal. En dat staat niet voor 'n meisje.

Nu bestond er in 't ryk der geesten 'n wet dat wie 't ontzag voor
de koningin uit het oog verloor, of iets tegen 't heelal aangooide,
daarvoor zou worden gestraft met tydelyk verlies van alle waardigheid.

Prins Upsilon werd 'n zandkorl.

Na zich 'n paarduizend eeuwen goed gedragen te hebben, werd hem de
heerlyke tyding meegedeeld dat-i bevorderd was tot mosplantje.

In deze hoedanigheid paste hy braaf op, en deed wat 'n goed mosplantje
behoort te doen.

Op zekeren morgen ontwaakte hy als poliep.

Dit geschiedde omstreeks den tyd toen de menschen begonnen hun spyzen
te bereiden met vuur.

Hy bouwde 'n paar werelddeelen, en werd 'n eeuw of duizend daarna
tot belooning van z'n yver veranderd in 'n garnaal.

Ook in deze betrekking had niemand de minste klachte over z'n gedrag,
en weldra ging-i over in de klasse der zeeslangen.

Hy vermaakte zich heel onschuldig door schuilhokje te spelen met de
zeelui maar deed niemand kwaad, en kreeg daarop vier pooten, met rang
van mastodont, en de vergunning zich wat te vertreden op 't land.

Met wysgeerige gelatenheid schikte hy zich in dien nieuwen stand,
en hield zich bezig met geologische opmerkingen.

Een paar millioen eeuwen later...

Als ik zoo van eeuwen spreek, houde men in 't oog dat al die tyd
te-zamen genomen in het ryk der geesten maar 'n klein kwartiertje
was... of juister: dat die tyd volstrekt _niets_ was. Want _tyd_ is
uitgevonden tot gemak van de menschen, zooals wy spelboeken geven aan
kinderen. Voor geesten is _toen_, _nu_ en _dan_ volkomen hetzelfde. Zy
grypen _gisteren_, _heden_ en _morgen_ te-zamen met één blik, even
als men zonder spellen 'n woord leest. Wat _was_ en _wezen zal_, is.

Dit wisten de Egyptenaars en de Feniciërs heel goed, maar de Christenen
hebben 't vergeten.

Fancy begreep dat Wouter niet _lezen_ kon, en daarom _spelde_ ze hem
Upsilon's geschiedenis vóór, zooals ik doe voor den lezer.

Een paar millioen eeuwen later alzoo, klom-i op tot olifant, en 'n
geestminuut of wat dáárna, dat is dus tien jaren--menschelyke jaren
ditmaal--vóór den aanvang van m'n verhaal, werd-i overgeplaatst in
de klasse der menschen.

Wat-i als olifant misdaan had, weet ik niet.

Maar, had Fancy gezegd, om nu niet verder teruggezet, en om binnen
weinig tyds hersteld te worden in z'n rang als prins van den geeste,
moest-i nu als mensch braaf oppassen, geen roofliederen maken, niets
verkwanselen, zelfs geen bybel... en dan zou 't wel gaan.

Ook moest-i zich schikken in de sleepeloosheid van juffrouw
Pieterse. "Dit wàs nu eenmaal zoo!" zei Fancy.

Die Fancy scheen 'n soort hofdame van Wouter's moeder te wezen, die
hem 'n bezoek bracht in z'n ballingschap om hem wat optebeuren en moed
in te spreken, opdat-i de tydelyke bestraffing die hem ten-deel viel,
niet zou opvatten alsof men boos op hem was.

Zy beloofde hem te bezoeken van-tyd tot-tyd...

--Maar, had Wouter gevraagd, hoe vaart m'n zusje?

--Uw zusjen is ook gestraft ... ge kent de wet. Doch zy is 'n
lief kind. Ze schikt zich geduldig in de kastyding, en belooft
beterschap. In den beginne is zy een luchtbolletje geweest, en heeft
zich als zoodanig onberispelyk gedragen. Daarop werd ze een maanstraal;
en ook in die hoedanigheid was er niets op haar te zeggen. Zy schéén
dat het 'n lust was, en uw moeder had geestkracht noodig om haar straf
niet te bekorten. Zeer spoedig is ze dan ook bevorderd tot geur, en
voldeed byzonder, want ze vulde de heelallen dat wy er hoofdpyn van
kregen. Dit gebeurde omstreeks den tyd toen gy begonnen zyt gras te
gebruiken. Weldra werd ze 'n vlinder. Maar uw moeder vond die konditie
niet geschikt voor 'n meisje, en liet haar daarom spoedig overgaan in
'n sterrenbeeld ... zie, daar staat ze ... ònder ons.

Wouter zocht Omikron, maar vond haar niet...

--Zie, zeide Fancy, dáár ... rechts ... neen, iets verder ... dáár
... dáár ... de noordster! Dat is haar linkeroog. Het rechter kunt
ge niet zien, omdat ze bukt naar Orion, haar pop, dien ze op haar
schoot houdt en liefkoost...

Wouter zag het duidelyk, en riep:

--Omikron ... Omikron!

--Neen, neen, sprak de hofdame, dat gaat niet, prins! Er staat
uitdrukkelyk in den last der koningin dat uw straf cellulair is. 't Is
reeds 'n groote gunst dat ge samen zyt opgesloten in één heelal. Toen
onlangs uw broertjes den melkweg hadden bemorst met zondvloeden,
zyn ze heel ver van elkaar gezet.

Wouter was daarover zeer bedroefd. Hy had zoo graag 'n kus gegeven
aan al die sterren met 'n pop op den schoot, die z'n zusje waren...

--Ach, Fancy, riep hy, laat me samenwonen met Omikron!

Fancy zeide niet: ja, en niet: neen. Ze had iets in haar wezen als
iemand die nadenkt over de mogelykheid van het tot stand brengen
eener hoogstmoeilyke zaak.

Maar Wouter, moed scheppend uit haar weifelen, herhaalde z'n bede:

--Ach, laat me samenwezen met m'n zusjen ... al moest ik weer gras
eten of werelddeelen bouwen, ik zal eten en bouwen met lust en met
yver als ik mag samenzyn met Omikron!

't Schynt dat Fancy bevreesd was iets toetezeggen wat boven haar
macht stond, en tevens dat het haar smartte die toezegging niet te
kunnen geven:

--Ik zal 't vragen, fluisterde zy, en nu...

Wouter wreef zich de oogen uit ... dáár was 't brugje ... dáár
de sloot...

Hy hoorde de eend, die hem nog altyd uitschold uit de verte...

Hy zag z'n molens weer ... ja, ja ... zy waren het!

Maar ze heetten niet meer ... hoe was ook weer die naam?

Die molens heetten _d'Morgenstond_ en _den Arend,_ en zy riepen zooals
houtzaagmolens gewoon zyn:


    Karre karre, kra kra...


Daarop was Wouter naar-huis gegaan, en we hebben gezien wat hem
daar wachtte.






    Plechtig bezoek van huisdominee, dat anders afloopt dan
    de scherpzinnigste lezer kan voorzien. Taal, genade, 't
    huis op den hoek, de gekompromitteerde vrouw uit Babilon,
    prikkelslangen, napreek met gevoeligheid... arme Wouter!


Daar de lezer veel ondervinding heeft--ik zoek sedert jaren te-vergeefs
naar iemand die zich beklaagt over gebrek aan die waar--zal-i weten
dat genoegens en rampen nooit zoo groot zyn als ze ons toeschenen in
de verte.

Het was dus te voorzien dat de huisdominee die Wouter boven 't
hoofd hing, niet zoo zwaar op hem zou neerkomen als men zonder deze
wysgeerige opmerking meenen zou. Dit wàs ook zoo.

De man was eigenlyk maar beunhaas in 't vak. Hy behoorde namelyk tot
de klasse der katechizeermeesters en krankbezoekers, en stond tot
'n wezenlyken dominee, als 'n likdoornsnyder tot 'n geneesheer. Maar
voor de eksteroogen van III, 7, _b_1 (Pp) was-i bekwaam genoeg. En
al ware hy dit niet geweest, ieder moet de tering naar de nering
zetten. Menschen die op de tweede verdieping wonen, kunnen geen
aanspraak maken op grieksch in hun zielevoedsel.

Wouter zou dan ook gekapitteld worden in gewoon hollandsch. Juffrouw
Pieterse had 'n schoon jak aan. Stoffel had pypen neergelegd, en er
was 'n stoel gezet voor juffrouw Laps die verzocht had van de party
te wezen: "om de stichting" zei ze. De meisjes waren uitgegaan, daar
huisdominee geweldig met de armen slingerde als er indruk noodig was,
en ze dus voorzagen dat er behoefte wezen zou aan ruimte.

--Jon_ch_elin_ch_ ... sprak de man, en er scheen al terstond indruk
noodig te wezen, jon_ch_elin_ch_...

Het is zeer opmerkelyk hoe 't geloof en de genade invloed hebben op
de uitspraak van de meest gewone woorden. Huisdominee zou zeker niet
gezegd hebben, _lanche_ pyp of _jonche_ doperwten, maar de heiligheid
verandert alles. En niet de uitspraak alleen, de heele taal, de woord-
en zinvorming verandert door 't geloof. Ik ben niet ongenegen dit
aantenemen als 'n bewys voor de kracht en de waarheid van die dingen,
en denk ernstig aan 'n verhandeling: "over den invloed der genade op
de hollandsche taal." Ja, 'k ga in deze meening zóó ver dat ik twyfel
koester aan de rechtzinnigheid van iemand die op dagelyksche manier,
zonder zalving of gebrouw, my 'n opmerking meedeelt over 't weêr,
of tyding vraagt van m'n gezondheid. Zelfs in hoesten en niezen moet
die genade zich openbaren, of de zaak is niet zuiver. Let maar eens
op of niet 'n dominee z'n neus anders snuit dan 'n ander?

--Jonchelinch, gy zyt diep gezonken...

Juffrouw Laps knikte dat dit juist geoordeeld was. Stoffel zoog aan
z'n pyp, met 'n uitdrukking van onbeschryfelyke godzaligheid. Juffrouw
Pieterse hield 'n hoek van haar voorschoot gereed om by-de-hand te
wezen als ze huilen moest.

--Jonchelinch, of juister gezegd: jonche dochter...

't Gezelschap keek wel wat vreemd, maar men hield het voor 'n _lapsus
linguae_. Ook moet men by geestelyke toespraken niet vitten op 'n
woord. Dit is lastig voor den spreker, en leidt tot niets.

--Jonche dochter, uit kracht van myn ambt, en door de roeping als
hoochepriester in den Heere... want ieder die 't Evangelium verkondigt,
is 'n hoochepriester in den Heere... in den Heere...

De man zag rond alsof-i toestemming noodig had. Ieder knikte.

--In den Heere...

Nieuwe blik om bevestiging uittelokken. Die blik slaagde, maar ik
kan niet ontveinzen dat men verwonderd was over z'n buitengewoon lang
toeven by dien "Heere."

Ditmaal sloeg men de oogen neer om hem te dwingen voorttegaan.

--Door myn hoochepriesterschap... in den Heer... zeg ik u, jonche
dochter, dat gy gelyk zyt aan de hoere van Babilon die hoereerde met
de koningen der aarde.

Niemand myner lezers mag den neus optrekken voor 't juist weergeven van
huisdominee's taal. Ik erken dat ik, die geen christen ben, de vryheid
nemen zou de deur te wyzen aan iemand die zich zulke uitdrukkingen
veroorloofde in myn stal. Maar christenen kunnen toch welstaanshalve
zich niet beklagen als men hen toespreekt met woorden uit hun bybel.

Dit was 't dan ook eigenlyk niet wat de toehoorders hinderde. Juffrouw
Laps vernam zelfs gaarne een-en-ander over de slechte reputatie van die
babilonische vrouw. Ze had daarby iets in haar houding dat te kennen
gaf dat _zy_ nooit in Babilon geweest, en dus buiten spel was. Juffrouw
Pieterse en Stoffel waren te goed gewoon aan de onbeschofte platheden
der tale Kanaäns, dan dat zy daarover zouden verwonderd of ontsticht
geweest zyn. Neen, de verbazing van 't gezelschap had 'n heel anderen
grond.

Men moet erkennen dat meester Pennewip by 't oplezen van Wouter's
zondenregister zeer weinig kapitale misdaden ongemoeid had gelaten, en
zie, daar komt huisdominee die 't brandstichten overslaat, het rooven
vergeet, van moord en doodslag geen melding maakt, het vrouwenhoonen
op den achtergrond laat, en in-plaats van dat alles Wouter heel
onverwacht beschuldigt van "hoerery met de koningen der aarde." Dit
was iets heel nieuws, en hoe ook gewoon aan Kanaänitische beeldspraak,
juffrouw Pieterse, vond het wat sterk. Zy waagde dus 'n bescheiden:
_friskuus!_ het afgekeurde stopwoord van de koekbakkersjuffrouw. Zoo
gaat het. Men schimpt op iets vreemds, en neemt het over. Maar hier
was 't geval ernstig genoeg om 't gebruik van wat vreemds te wettigen.

--Friskuus, dominee! Wouter heeft...

Juffrouw Laps wilde ook wat zeggen, maar ze werd in de rede gevallen:

--Zwyg, o gy vrouwe van de muren Jericho's, gy die 'n huis van ontucht
bewoont op de wallen der stad...

--Maar dominee, de juffrouw woont onder-voor...

--Ja, en m'n vader was...

--Houd op met je gevlei... o gy Delilah-Rachab! En gy, vrouw... ik
zeg u ... zoowaar de Heer leeft... dit meisjen is weggezonken...

--Maar dominee, Wouter is 'n jongen!

--Zwyg, en hoor de woorden des hoochepriesters! Ik zeg u dat zy is
weggezonken in 'n poel van ongerechtigheid...

--Laat 'm begaan, fluisterde juffrouw Laps, daar zit wat achter. Hy
zal op Wouter neerkomen met 'n omweg... dat doen ze wel meer.

Hierin had juffrouw Laps gelyk.

--Dit meisje, ging huisdominee voort, met 'n uitdrukking van indruk
die veel plaats noodig had, en die ons noopt de wysheid te bewonderen
van de dochteren des huizes, welker uitgaan ruimte liet aan dominee's
welsprekendheid, dit meisjen is ... 'n meisje!

--In-godsnaam dan, zuchtte juffrouw Pieterse.

Maar dat toestemmen kostte haar inspanning. Want niets is moeielyker
te gelooven dan 'n wonder dat men ziet. De wonderen die men niet ziet,
maken 'n onderscheid.

--In-godsnaam dan...

--Ja ... dit meisjen is 'n meisjen ... en wat meer zegt, ze is eene
vrouw! Ja, ze is eene vrouw, en heeft gehoereerd...

--Och lievechristenzielen, ik kan er niet uit wysworden!

--Ik wel, zei juffrouw Laps, ik begryp 't heel goed.

--Ja, slang ... jy begrypt me! Je geweten verklaart je de woorden die
er stroomen van de lippen des mans Gods ... en je verdorvenheid doet
je de verzenen tegen de prikkels slaan.

Juffrouw Laps had reeds lang opgemerkt dat huisdominee zich by-voorkeur
tot haar wendde. Ze had dit beschouwd als 'n hulde aan haar diepere
geloofskennis, en als des sprekers wensch zich te verzekeren dat de
verheven zin zyner woorden beter werd begrepen dan van den patient of
de anderen kon verwacht worden. Maar toch wou ze nu graag een woordjen
in 't midden brengen over die verdorvenheid, om te protesteeren tegen
de meening dat deze haar privaat eigendom wezen zou:

--Ja zeker, dominee, verdorven zyn wy allen ... allen zonder
onderscheid, maar...

--Zwyg, goddelooze vrouwe Babilons ... en vertrek uit je huis op de
muren der stad. Je bent verdoemd, zeg ik je, en...

--Hé? vroeg juffrouw Laps verwonderd en ietwat beleedigd.

Want de vromen nemen verdorvenheid en verdoemenis met veel genoegen
aan, zoolang men die dingen kollektief uitdeelt, maar ze worden boos
als men verklaart dat er iets hapert aan hen persoonlyk.

--Hé ... hoe meent u dat, dominee?

--Ik zeg dat je verdoemd bent, vrouwe uit _Josua twee_ ... er hangen
roode koorden uit je venster ... en je hebt gehoereerd met de koningen
der aarde...

Tot-dusver was alles goed. Het hoereeren met koningen heeft iets
deftigs, en schaadt niet. Maar:

... met de koningen der aarde, en met den briefbesteller die zulke
dikke bakkebaarden heeft.

Dit was èrger dan "zoogdier."

Voor juffrouw Laps den tyd had haar eer te herstellen door 't
verscheuren van den man gods, vloog Leentje de kamer in:

--De vent is dronken, juffrouw, hy is stomdronken ... hy heeft
gebitterd op den hoek ... daar is-i de deur uitgegooid, en de jongens
loopen 'm na ... kyk hier!

En ze wees door 't raam naar-buiten, waar inderdaad de straatjongens
met veel gejuich 'n preek kommenteerden die huisdominee scheen gehouden
te hebben, want ze riepen: ho, ho, prikkelige slang met je verzenen
... houd je staart recht!

Stòmdronken nu was huisdominee niet, dit hebben wy gehoord, maar
dronken was-i. In 't wynhuis op den hoek had hy oefening gehouden, en
Leentje die dit wist of giste, was uitgeloopen om daarvan zekerheid
te hebben, en door de openbaring van 's mans toestand de pyniging
van Wouter te bekorten. In dit voornemen werd zy te-hulp gekomen
door huisdominee zelf, die in 't wynhuis had hooren spreken over
die geschiedenis van den briefbesteller, en by z'n aankomst in de
woning van juffrouw Pieterse, zich vergiste in den patient dien-i
behandelen moest.

--En, voegde Leentjen er by, 't is niet nu alleen ... 't is niet
altyd even erg, maar laatst met Habakuk...

--Zwyg jy, en ga aan je werk, zei juffrouw Pieterse, die beschaamd
was omdat ze zich vergist had in de soort van wynberg dien huisdominee
bearbeidde.

My komt die vergissing heel verschoonbaar voor, en ik ben zeker dat
ze nog lang had kunnen voortduren als de kloeke Leentje daaraan geen
eind gemaakt had.

Niet zonder moeite beschermde men huisdominee tegen de woede van
juffrouw Laps. Stoffel hielp den man de trap af, zoo goed-i kon,
en leverde hem over aan de straatjongens die terstond 'n liedjen
op hem maakten, vol prikkelslangen en jenever. Ik heb dat dichtstuk
niet kunnen machtig worden. Wat jammer is. En iets te maken, en dat
uittegeven als echten _codex_, strydt tegen m'n principes.

Zoodra juffrouw Laps zich 'n beetje hersteld had, koos zy de
verstandigste party, en beschuldigde zichzelf van verkeerde opvatting.

--O ... o ... o! Zoo ziet men hoeveel oefening er noodig is,
om vasttestaan in de leer! Ik herinner me nu klaar hoe er in de
Schrift wordt gesproken van verkeerde handelingen der dochteren
Jeruzalem's. Dàt heeft-i bedoeld met z'n briefbesteller. M'n vader was
in de granen, en ieder weet dus wie ik ben. De zaak is duidelyk, maar
ik voel hoe langer hoe meer behoefte aan oefening ... aan oefening,
weetje?

--Maar, lieve juffrouw Laps, de man was dronken...

--Zoo zegt Leentje, maar...

--En al dat volk op de straat! Hoor eens...

--Juist als met den profeet Eliza. Ook hem beschimpten de kinderen
op de straat, en toen kwamen er beeren...

"Hei, hei ... pas op je verzenen!" klonk het buiten.

--Waarom zendt de Heer z'n beeren niet, klaagde juffrouw Laps die inzag
dat de eenige wys om zich rein te wasschen van dien briefbesteller,
bestond in 't verheffen van huisdominee tot profeet. En hierin had
ze alweer gelyk. Wat 'n profeet zegt, kan men opnemen zooals men
wil. Een bruid is 'n kerk, een tempel is 'n lichaam, een vader is
'n zoon, een zoon is 'n geest, een geest is 'n vader, één is drie,
drie is één, en 'n briefbesteller is niemendal.

--Maar de man was dronken, herhaalde juffrouw Pieterse, alsof ze
hierin 'n reden vond om huisdominee's taal niet zóó ver wegtewerpen
als wanneer-i eenvoudig ware bezeten geweest door bybelwoede.

--En al waar-i voor 'n oogenblik gevallen, wat zou dat bewyzen? Blyft
men niet altyd mensch, en is de val niet noodzakelyk om de genade te
doen uitkomen? Zeg, mensch, waar bleef de genade, zonder val?

Dit wist juffrouw Pieterse niet, en ik ook niet.

Ik vind dat die juffrouw Laps alweer gelyk had: zonder val geen genade,
en zonder genade geen val. Die dingen hooren by-elkaar als slot en
sleutel, en wie er wat afneemt, doet verkeerd. Als men 'n gebouw
wil laten bestaan, moet men niet hier-en-daar 'n pyler omhalen of
'n hoeksteen wegbreken. _Sit ut est, aut non sit._ Huisdominee was
dus geheel in z'n recht, en juffrouw Laps ook, schoon zy eigenlyk de
zaak alleen dáárom overbracht op het terrein der H. Godgeleerdheid,
wyl ze de aandacht wou afleiden van haar briefbesteller.

--Maar wat moeten we dan in-godsnaam aanvangen met dien kwajongen? riep
Juffrouw Pieterse in 't eind.

Stoffel begreep, by ontstentenis van huisdominee geroepen te zyn
tot de preek van den dag. Hy behandelde _Ezechiel_ en de afscheiding
van de tien stammen, en deed er wat by uit _Mattheus_. Daarna ging-i
over op de _Makkabeen_, en sloot met Daniel, Paulus, 'n _Onze Vader_
en den H. Geest.

--Heel goed, zei juffrouw Laps, maar nu de straf?

Want de vromen zyn nooit tevreden voor er wat van straffen in komt,
waarin ze, met het oog op de Schrift, volkomen konsekwent zyn.

--Water en brood ... stelde de moeder voor, of ... wat zou je denken
van de _Openbaring_?

--Ja ... zoo ... ik mag de psalmen nogal, of ... de geslachtsregisters
... Jakob gewan Juda, Zadok gewan Achim...

--Och, mensch, dat is alles al geprobeerd, en niets heeft geholpen.

--Als we hem eens 'n paar hoofdstukken lieten van-buiten leeren,
van-achteren-af?

Jammer dat dit voorstel niet doorging. Misschien ware er wat voor
den dag gekomen waarin slot en zin stak.

--Als ik hem eens by _my_ nam, juffrouw Pieterse? Om 't geld is
't me niet te doen, je zou kostgeld kunnen geven...

Wouter rilde.

--Och ja, ging juffrouw Laps voort, je zou kostgeld kunnen geven,
en ik zou hem oefenen ... want om 't geld is 't me volstrekt niet te
doen. _Oefenen_, weetje?

Ik heb niet juist kunnen te weten komen welke marteling er ditmaal
voor Wouter werd uitgedacht. Ik denk dat men hem gemakshalve geslagen
heeft, en dit vind ik dan ook--alles in aanmerking genomen--maar het
beste. [12]






    Doorslaand bewys van Wouter's beterschap, blykbaar uit 'n
    kerkelyk getuigschrift. Wouters eerste uitgang. Zyn studie
    in de liefde. Kongrevische vertelling die dóórbrandt in water.


Onze Wouter was bedrukt en neerslachtig. Zelfs Leentje had moeite om
hem optebeuren, en te-meer omdat ze, ronduit gezegd, niet goed kon
wys worden uit haar beschermeling.

In 't mazen zocht ze vergeefs haar weerga, en ik heb al gesproken over
de onzichtbaarheid van haar heen-en-weertjes--dat toch alles is wat
men van heen-en-weertjes verlangen kan--doch haar bevattingsvermogen
schoot te-kort by Wouter's vertrouwelyke mededeelingen, en ze kon
zich niet onthouden van-tyd tot-tyd den jongen aantezien met 'n
medelydenden blik die twyfel verraadde aan de gezondheid van z'n
verstand. Te-vergeefs bespaarde zy eenige duiten van haar schraal
weekgeld om hem optevroolyken met de vroeger zoo welkome pepernoten
... helaas, Wouter's ziel was haar pepernoten ontwassen, en de
ontdekking hiervan veroorzaakte Leentje bittere smart.

--Maar, beste jongen, wees dan toch verstandig, en laat je niet het
hoofd op-hol brengen met zulke praatjes! Die Fancy, of hoe 't schepsel
heeten mag, heeft je beet gehad. Of misschien heb je gedroomd.

--Neen, neen, neen, Leentje ... alles is de waarheid! Ik weet zeker
dat alles wat zy gezegd heeft, de zuivere waarheid is.

--Maar Wouter ... die historie met je zusje ... dat had je dan toch
vroeger moeten weten, dunkt me.

--Ik wist het ook, maar ik had het vergeten. Al wat Fancy zeide,
wist ik. Het was me maar ontgaan. Terwyl ze sprak, kwam 't my weer
duidelyk voor den geest.

--Ik zal eens naar die molens gaan, zei Leentje.

En dat deed ze. Naar Wouters aanwyzing vond zy de juiste plek waar
die belangryke ontmoeting zou hebben plaats gehad. Zy zag de balken,
den modder, de eenden, het kroos ... alles was er, tot de aschlucht
toe, alles ... behalve Fancy en haar vertellingen.

En ook Wouter-zelf vond Fancy daar niet meer. Te-vergeefs wandelde
hy met de fatsoenlyke Hallemannetjes, zoo dikwyls men hem thuis "van
den vloer" wenschte. Te-vergeefs stond hy uren lang aan de leuning
van z'n brugje, en luisterde naar 't geklepper van de molens. Ze
vertelden hem niets, en zongen niet, en er kwam geen Fancy.

--Ze zal te veel bezigheid hebben aan 't hof myner moeder, zuchtte
Wouter, en bedroefd ging-i naar huis.

Maar als-i door 't venster al de schoone sterren zag die zoo vriendelyk
tintelden alsof ze hem toewenkten moed te houden, dan werd hy iets
beter gestemd. De treurigheid bleef, maar ze was minder bitter. Ze
ging van smart over in heimwee, in zoet verlangen "naar huis", en
met betraand oog, maar niet wanhopig meer, riep hy fluisterend:

--Omikron, Omikron! [13]





Na lang beraad, en op Wouter's uitdrukkelyke belofte van
beterschap, had eindelyk meester Pennewip zich laten verbidden,
en de hoofdroover-vrouwenhooner werd weer in genade aangenomen, of
althans nagenoeg. Wouter mocht weer naar school gaan, en zich oefenen
in verzenmaken, schoonschryven, werkwoorden, kort-stomp-scherplange
_o_'s, hollandsche graven en dergelyke wetenswaardigheden.

Meester zei dat het jongetje te Muiderberg nog verdorvener geweest was,
en dat hy zelfs dáárvoor raad had geweten. Met Wouter zou 't dus ook
wel gaan. Maar juffrouw Pieterse moest veranderen van huisdominee,
want de tegenwoordige "behoorde tot de klasse der wynzuipers." Nu,
dat deed ze. Wouter werd op de katechizatie "gedaan" by 'n wezenlyken
dominee die na kerktyd uit 'n boekje "vragen overhoorde." Den titel
van 't boekje weet ik niet meer maar de eerste regels waren:

1e. _Vraag: Vanwaar hebt gy en alles wat er is, uw oorsprong?_

Wouter had graag willen zeggen: wel, van m'n moeder ... maar in
't boekje stond:

_Antw. Van God, die alles uit Niet heeft voortgebracht._

2e _Vraag: Hoe weet gy dit?_

_Antw. Uit de Natuur en uit de Openbaring._

Wouter begreep dit niet, maar goedig en volgzaam als-i was antwoordde
hy trouwhartig wat er in z'n boekje stond. Wel speet het hem dat
de pleizierige schoolvrye zondag, anders zoo uitnemend geschikt
tot wandelen, bedorven werd door 't "opzeggen" der koningen
Israels, wel was hy nayverig op de Joden die telkens werden
"weggevoerd"--'n ongeluk dat hèm byzonder prettig voorkwam--maar
hy schikte zich met vroom geduld, en was niet de minste onder de
zaligheids-leerlingen. Althans toen 't jaar om was, ontving hy 'n
boekje met drie-honderd-vyf-en-zestig bybelteksten, één-en-twintig
gebeden, even zooveel dankzeggingen, een vader-ons, de tien geboden
en de artikelen des geloofs. Er was 'n voorschrift by, hoe dat alles
moest gebruikt worden: eens _pr_ dag, 'n jaar lang ... driemaal daags,
'n week lang by herhaling ... en de rest _quantum sufficit_. Voorin
stond op 'n ingeplakt blaadje:


                         ter belooning
                     aan _Wouter Pieterse_
                            omdat hy
                  de lessen in de Noorderkerk
                              wel
                        heeft opgezegd,
                               en
                        ter aanmoediging
                               om
                         ter eere Gods
                               op
                       den ingeslagen weg
                          voorttegaan.


En daaronder stonden de namen van Dominee en Ouderling, met krullen
die Pennewip zouden beschaamd gemaakt hebben.



Het fatsoen der Hallemannen nam toe. De ouders van die kinderen
huurden een tuin "aan den Overtoom." Dat was zoo "heelemaal buiten"
zeiden zy, en "men kon toch niet altyd in de stad blyven." Bovendien
"de kosten waren zoo groot niet, want er was één tuinman voor 't heele
pad, er stonden wel dertig bessenboompjes, en dat was toch altyd
'n aardigheid." Ook zou er wel gras genoeg zyn om 't kleingoed te
bleeken, en dat won zooveel uit op de wasch "want, zei de stamvrouw
der Hallemannen, verleden was er yzersmet in Betsy's _Kanesoe_ ... dus
was 't heel goed om dien tuin te huren, en als de menschen er over
spraken--want dat deden "ze" altyd--was 't uit pure jaloezie. Ook was
er een regenbak by ... en juffrouw Karels had gezegd dat die lek was,
maar dat was laster, want ieder moet zelf weten wat-i doet, en àls
je wat doet, heb je-n-altyd zoo'n gemaal met de menschen ... want 't
was vooraan op d'Overtoom ... en als je je dááraan storen zou, konje
nooit iets doen ... en voor de kinderen was 't 'n heele uitspanning
... die juffrouw Karels moest maar letten op 'r zelf ... en als Gus
jarig was, mocht-i jongeheeren vragen...

Gus werd jarig. Er zouden jongeheeren gevraagd worden, en, o geluk,
Wouter was onder de uitverkorenen.

Het zou me te vèr leiden, hier te onderzoeken wat Gus en Franssie
bewogen hun gewezen kommanditair-deelgenoot in den pepermenthandel
voortedragen tot kandidaat-feesthouder. De lyst der genoodigden werd
opgemaakt en goedgekeurd, en daar juffrouw Pieterse zich gestreeld
voelde door den omgang van haar zoon met "menschen die 'n buiten
houwen" werd ook van dien kant geen bezwaar gemaakt, mits Wouter
beloofde "heel fatsoenlyk te wezen, zich niet vuil te maken, niet
te ravotten, z'n kleeren niet te scheuren" en zoo-al meer. Ook zeide
juffrouw Pieterse "dat 't zoo lief van 'r was, dat ze dit toestond,
want 't was toch 'n heel ding voor 'n kind om zoo eens uittegaan."

Ja, Wouter zou uitgaan! Voor 't eerst uitgaan, voor het eerst eten,
drinken, zich vermaken onder 'n vreemd dak. 't Was 'n hoofdgebeurtenis
in z'n leven, en hy voelde al minder nayver op de Joden die zoo
dikwyls uitgingen, en ten-laatste zelfs nooit weer thuiskwamen.

De heugelyke middag was aangebroken. Met onbeschryfelyke fierheid
stapte Wouter de poort uit. "'t Was rechts, links, weer links, dan 'n
brug over, en daarna rechtuit, het kon niet missen" had Gus gezegd. En
de tuin heette _Stad-rust, dus_: "Wouter moest maar vragen, dan zou-i
't zeker vinden."

Dit was ook zoo. Wie voor 't eerst uitgaat, komt altyd te vroeg. Wouter
was op _Stad-rust_ vóór de andere genoodigden, maar Gus en Franssie
ontvingen hem vry wel, en stelden hem voor aan hun ouders, die zeiden
dat Wouter 'n lief gezichtje hebben zou als-i wat minder bleek was
geweest.

De andere speelnootjes kwamen vervolgens opdagen, en 't stoeien,
draven, gooien, nam 'n aanvang, zooals dat by knapen gebruikelyk
is. De pret werd afgewisseld met wafelen en limonade "die heel langzaam
moest gedronken worden, omdat de kinderen zoo bezweet waren."

Toen de stammoeder der Hallemannen melding maakte van de bessenboompjes
en den zoo kwaadaardig belasterden regenbak, had ze onder de
volkomenheden van _Stad-rust_, ook dat prieel moeten opnoemen, waar
Betsy zat met dien heer...

--Wie is dat? vroeg Wouter aan de kleine Emma, die meespeelde met
de jongens.

--Wel, dat is Betsy's vryer.

Nu weten wy uit de treffende geschiedenis van lange Ceciel, dat Wouter
z'n eerste liefde reeds achter den rug had, maar toch trof hem dat
gezegde van Emma als iets vreemds. Tot-nog-toe was 'n vrystertje,
in zyn meening, 'n meisjen aan wie men griften en ulevellen geeft, en
die Betsy scheen verheven boven zulke dingen. Wouter begreep terstond
dat-i lange Ceciel niet behoorlyk behandeld had, en op eenmaal beving
hem de lust om te weten hoe 'n volwassen heer vryt met 'n meisje dat
niet meer school-gaat.

--Haar vryer?

--Wel zeker ... geëngageerd!

Dit woord was Wouter te modern, en als nu de lezer scherpzinnig is,
kan hy met vry veel juistheid berekenen in welk jaar onze meid haar
ekonomisch huwelyk aanging met den barbiersknecht. Men stelle zich
slechts de vraag: wanneer is in de Klasse _Burgerstand_, III, 7, _a_1
(Pp) 't flauwe "geëngageerd zyn" in zwang gekomen voor 't hartelyke:
vryen?

--Ge ... wàt? vroeg Wouter.

--Geëngageerd ... ze verkeeren.

--Wat is dat?

--Wel, ze willen samen trouwen. Weetje dàt niet?

Wouter voelde schaamte dat-i zoo'n eenvoudige zaak niet wist, en
zooals meer gebeurt, hy schaamde zich nogeens, juist òver die schaamte.

--Wel zeker, dat wist ik wel. Ik had niet goed verstaan. Emma... wilje
met _my_ trouwen?

Emma kon op 't oogenblik niet, wyl ze geëngageerd was met haar
mama. Maar zoodra ze weer vry werd, zou ze zich bedenken, en dan
had Wouter veel kans. Want ze keek hem heel vriendelyk aan voor ze
weghuppelde om te voldoen aan 'n konvokatie tot "stuivertje-wisselen"
in 'n anderen hoek van den tuin.



Als den lezer de _Spectator_ van Van Effen bekend is, zal-i zich
herinneren dat daarin voorkomt de heel aardige beschryving eener
_burger-vryaadje_. Ik houd die beschryving voor echt, en vergeef
dezen Justus makkelyker 't afluisteren dan 't verzinnen, 't Eerste
is nagenoeg geoorloofd, jazelfs byna plicht in iemand die menschen
bestudeert om _Spectators_ of _Ideen_ te schryven. Wie 't afkeurt,
moet ook den geneesheer veroordeelen die z'n patient bespiedt met
het doel diens kwalen te leeren kennen om ze te genezen.

Ik spreek dus Van Effen vry van onbescheidenheid, maar erken eenigszins
jaloers te wezen op de gelegenheid die hy schynt gevonden te hebben
tot zoo nauwkeurige waarneming. Wy weten weinig van 't huiselyk leven
der trekvogels, de hartstochten der schelpdieren ontsnappen voor
'n groot deel aan onze scherpzinnigheid, en toch staat in zekeren
zin de natuurlyke historie van oesters en zwaluwen in helder licht,
wanneer wy die vergelyken met de kennis van onszelf. Vooral is die
kennis moeielyk te verkrygen ten aanzien van 't geslachtsleven--in
alle beteekenissen!--dat zich meer dan andere handelingen verbergt
voor de blikken van den opmerker.

"Wat zouden die twee elkaar te zeggen hebben?" vraag ik altyd myzelf
als ik 'n verliefd paar zie, en soms betrap ik my op de verdrietige
vraag: "_zouden_ ze elkaar wat te zeggen hebben?"

Verdrietig, ja! Want het doet me leed als ik 'n lid van myn geslacht,
'n wederdeel dus van myzelf, een _mensch_, moet verdacht houden
van gebrek aan adel, van onkunde in liefde, van verwaarloozing der
schoonste--neen, van de eenige--kracht der Natuur, van opstand tegen
de aantrekkingswet. Liefde--ik heb 't al meer gezegd, en men heeft
myn bepaling zeer onzedelyk gevonden, wat me genoegen doet--liefde
is neiging tot éénzyn.

Maar gewis openbaart zich die neiging op oneindig veel wyzen. Gelyk
overal, is ook hierin de Natuur éénvoudig in _regel_, veelvoudig in
_toepassing_. De liefde van 'n dief zal wel beduiden: kom, laat ons
saam uit stelen gaan. De goddiener vereenigt zich met z'n geliefde
in den gebede of in den psalme, en zoo al voort: "elck ghedierte naer
synen aerdt."

Of zou die neiging tot meedeelen, tot samenzyn, tot vereenigen,
by sommigen tevens de begeerte wezen tot het _goede_?

By Wouter was het zoo, al wist hyzelf dat niet. Had-i niet eens, in
naam van lange Ceciel, de vryheid weergegeven aan 't vogeltje dat zoo
angstig rondvloog in de nauwe kooi? Wel had Ceciel daarom gelachen,
en gevraagd of Wouter gek was? Wel begreep _zy_ niet dat er verband
was tusschen zyn medelyden met het arme dier, en 't kloppen van z'n
hart als-i háár naam kraste op de bevrozen ruiten van de achterkamer,
maar misschien zou ze dat verband begrepen hebben als ze Wouter had
liefgehad. En dat kon nu eenmaal niet, om dien broek boven 't buisje.

Hoe dit zy, hèm ware 't onmogelyk geweest te denken aan iets kwaads
als-i Omikron riep. Daarby vergat hy lange Ceciel, en zeker zou
hy zeer verwonderd geweest zyn als deze verschenen ware op dien
roep. Kleine Emma leek er meer op, vond-i nu. Zonder te denken aan
't schryven van 'n _Spectator_, voelde Wouter groote begeerte om te
weten hoe de jongeheer die met Betsy in 't prieel zat, zich kweet van
't "verkeeren." Hy wist middel te vinden zich aftezonderen van z'n
kameraadjes, en hoorde een-en-ander dat hem niet veel wyzer maakte
in z'n liefdestudie.

--Ja, ik heb ook gezegd: met Mei...

--Wel zeker, om de bovenhuizen...

--'t Is 'n gemaal! En wat zegt je moeder?

--Zóó ... zy vindt we moesten 't nog 'n jaartjen aanzien. 't Is zoo
onfatsoenlyk gauw te trouwen. 't Is net, weetje, of...

--Vier jaar...

--Ja, vier jaar, Louw en Anna zyn zeven jaar geëngageerd geweest...

Wouter was er grootsch op, dat-i nu precies wist wat dit beduidde. Hy
begreep dat het zooveel wil zeggen als: samen 'n bovenhuis huren,
liefst in Mei.

--En kryg je nou die linnenkast?

--Neen ... die wil m'n moeder zelf houden. Maar als we nog 'n jaar
wachten, zal ze ons 'n andere geven, zegt ze, 'n kleine.

--'k Had liever de groote.

--Ik ook. Maar, weetje, zy zegt: jongelui hebben geen groote kast
noodig. Maar toen m'n zuster trouwde, heeft ze toch 'n groote kast
"meegekregen."

--Zeg dan dat je 'r ook een moet hebben.

--'t Zal niet helpen.

--Probeer 't maar ... ik trouw niet zonder die groote kast.

--'k Wil 't wel vragen, maar ...

Van dit gehalte waren de gesprekken die Wouter afluisterde in 't
prieel. Hy was zeer onvoldaan, en verschool zich peinzend in 'n donker
hoekje. Wat hem eigenlyk ontbrak, wist-i zelf niet, maar toen kleine
Emma hem kwam roepen, bleek er dat-i aan heel iets anders had gedacht
dan aan linnenkasten en vakante bovenhuizen, want met vroolyken schrik
riep hy:

--Zou _zy_ 't wezen ... m'n zusje?

't Was avend geworden, en het spel der kinderen zou binnens'huis
worden voortgezet. De kleine gemeente was vermoeid. Er zou _verteld_
worden door een van de _grooten_.

Welke "_groote_" verdwaald was op _Stad-rust_, om dáár Moore's _Peri
en Paradys_ te behandelen, weet ik niet. Men zal vinden dat het niet
paste by Betsy's "engagement" en die liefdesmorende linnenkast. Maar
evenals, volgens sommigen, ieder persoon ééns tenminste wordt bezocht
door de fortuin, zoo ook schynt er in de platste, minst dichterlyke
omgeving, éénmaal althans iets voortevallen dat "aan wie 't vatten wil"
de gelegenheid geeft zich te verheffen boven 't alledaagsche. Eénmaal
wordt den drenkeling toegeroepen: ge kùnt zwemmen, sla uw armen uit!

De "groote" volgde in z'n vertelling den engelschen dichter niet.

Hy volgde een van de vele wyzen waarop de _peri_-legende in alle
talen is bezongen, nadat ze in de gemoederen van alle volken ontstaan
was. [14]

"_De_ Peri _die voor de poorten van 't paradys vruchteloos smeekte te
worden toegelaten tot den heilstaat der gelukzaligen, bracht alzoo
na veel vergeefsche pogingen eindlyk als 't schoonste wat de aarde
opleverde, den laatsten zucht van 'n berouwhebbend zondaar, en vond
genade in de oogen des wachters aan de poort, om de heiligheid der
gave die zy offerde..._

--Nu pandverbeuren! riep Gus.

--Pandverbeuren, pandverbeuren! riep de gansche kleine gemeente hem na.

Er werden panden verbeurd, gegeven en ingelost. Er moest "gezoend"
worden, dat spreekt vanzelf. "Een raadseltjen opgeven." 't Werd niet
geraden... natuurlyk. Wie 't _wist_, mocht het niet zeggen! Dat is
by raadsels zoo de gewone konditie.

--Wat zal de eigenaar van dit pand doen?

--Op één been staan!

--Over 'n strootje springen!

--Een vers opzeggen!

--_Neen_, 'n fabel... _la cigale_, of zoo-iets!

--Ja, ja, ja!

't Pand was van Wouter.

--Ik ken geen fabel, zeid-i bedrukt, en fransch versta ik ook niet.

--Ik zal je helpen, riep Emma... _le pere_, _du père_.

--Och, dat 's geen fabel... toe, Wouter!

't Was 'n heele pret voor sommigen in den kring, dat Wouter geen
fabel kende en geen fransch verstond. Als 'n bekwaam mensch wist
hoeveel genoegen hy velen doet met 'n blyk van wat _on_bekwaamheid,
zoud-i waarlyk menigmaal zich dom houden uit louter menschenliefde.

Maar Wouter dacht ditmaal niet aan 't pleizier van de anderen, dat-i
ook niet zou begrepen hebben. Hy schreide, en was boos op meester
Pennewip die hem geen fransch en geen fabels geleerd had.

--Komaan, Wouter, komaan! plaagden de pandhouders.

--'t Hoeft geen fransch te wezen, vertel maar 'n fabel.

--Maar ik weet niet wat 'n fabel is.

--Wel, dat 's 'n vertelling met beesten.

--Ja... of met boomen: _le chêne, un jour, dit au roseau_, zieje,
er hoeft juist geen beest in te komen.

--Ja, ja... 'n fabel is 'n vertelling, anders niet... er mag inkomen
wat 'r wil.

--Maar 't moet rymen!

Wouter was op 't punt z'n rooverslied optezeggen. Maar hy bedacht
zich, en gelukkig! Want dat ware 'n groot schandaal geweest in den
huize Halleman, dat zoo byzonder fatsoenlyk was.

--Wel neen, 't hoeft niet te rymen ook, riep 'n ander die al weer
wyzer was dan de rest, "de koe geeft melk, Jantje zag eens pruimpjes
hangen, prins Willem de eerste was 'n groot wysgeer." Zieje Wouter,
't gaat vanzelf, komaan... vertel wat, of je krygt je pand niet.

Wouter begon:

"Er was eens 'n jongetje gestorven, dat niet in den hemel mocht..."

--Ho, ho, dat 's de geschiedenis van de _Peri_! Wat anders!

--Ik zal 't anders maken, beloofde Wouter verlegen.

"Nu dan, dat jongetje mocht niet in den hemel, omdat-i... geen fransch
verstond, en ook omdat-i dikwyls stout was geweest, en ook omdat-i
meestal z'n vragen niet had gekend, en ook omdat-i... omdat-i...

Ik geloof dat Wouter hier wat zeggen wilde over 't onzalige
"moedersknipje." Maar hy slikte het in, uit vrees de Hallemannen te
grieven door 'n schynbare toespeling op den pepermenthandel.

"... omdat-i eens gelachen had onder 't bidden. Want, dit is zeker,
jongetjes die lachen onder 't bidden, komen niet in den hemel.

--Z... o... o... o? vroegen 'n paar schuldbewusten.

"Ja, die komen niet in den hemel. Nu had dat jongetjen 'n zusje
gehad, dat een jaar vóór hem gestorven was. Hy had veel van haar
gehouden, en toen hy dood was, zocht-i terstond naar z'n zusje. "Wie
is uw zusje?" vroeg men hem...

--Wie vroeg dat?

--Stil, val 'm niet in de rede, laat Wouter voortgaan.

"Ik weet niet wie dat vroeg. Maar 't jongetje zei dat z'n zusjen... 'n
blauw jurkje droeg, en kuiltjes in de wangen had...

--Net als Emma.

--Ja, net als Emma.

"Men zei hem dat er in den hemel 'n klein meisje was, dat er juist
zoo uitzag. Ze was daar 'n jaar geleden gekomen, en had verzocht
haar broertje binnentelaten, die zeker naar haar vragen zou. Maar
't jongetje mocht niet binnen... ik heb al gezegd waarom."

--Had _zy_ altyd 'r "vragen" gekend?

--Zeker wèl! Dat spreekt vanzelf. Laat Wouter voortgaan.

"Hy was heel verdrietig omdat-i z'n zusje niet zou weerzien, en vond
nu dat het sterven eigenlyk niet de moeite waard was geweest. "Och,
laat me toch binnen!" vroeg-i heel vriendelyk aan 'n heer die aan de
deur stond...

--Aan de _poort_, verbeterden velen tegelyk, die zich gestuit voelden
door de dagelyksheid eener _deur_, maar niet getroffen waren door de
verhevenheid van Wouter's begrippen over 't sterven.

Zoo gaat het meer.

"Goed, aan de _poort_, zei de arme jongen, beschaamd dat-i zich
zoo bezondigd had aan deftigheid. Maar die heer aan de poort zei:
neen. Daarop keerde 't jongetje terug naar de aarde."

--Dat kàn niet... eens dood, blyft dood, riepen de wysgeeren.

--Laat 'm toch voortgaan... 't is immers maar 'n vertelling.

"H

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/23796