Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Nederlandsche Volkskunde

by Jos. Schrijnen · Dutch · Gutenberg #22968 · 1,212,418 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Nederlandsche Volkskunde
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Nederlandsche Volkskunde

Author: Jos. Schrijnen


        
Release date: October 12, 2007 [eBook #22968]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/22968

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/








                    Nederlandsche Volkskunde


                     Door Dr Jos. Schrijnen

     Bijz. Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht


                  Zutphen--W. J. Thieme & Cie




                        Aan de bevolking
                      van Groot-Nederland
                       hereenigd in dagen
                         van beproeving






TER INLEIDING.


"Unsere Zeit ist klug, aber arm" zegt Paul Keller in een
zijner aantrekkelijkste romans, die als titel voert: Das letzte
Märchen. Daarin wil hij alles redden, wat nog jong, wat nog kind in
hem is, daarin wil hij meetroonen naar het sprookjesland allen, wien
de kinderziel nog uit de oogen lacht, wien het oude kinderhart nog
enkele malen klopt in den boezem, die vaak nog een onbepaald heimwee
voelen en met zachten weemoed herdenken de oorden van kinderspel
en kinderlust; die niet te trotsch zijn, en ook niet te arm, om een
onbezorgden sprookjestocht te ondernemen, en in rijpere dagen gaarne
nog eens willen aanschouwen hun prille wonderlanden, thans met een
anderen lichtglans overgoten.

Inderdaad--arm is onze tijd en arm ons leven te midden van de wonderen
der wetenschap! Arm is onze tijd, arm en kil en nuchter, gladstrijkend,
waar hij het vermag, tot de zwakste sporen van eigen aard in zeden en
gebruiken, doovend tot de laatste sprankjes poëzie, die nog opvonken
uit de gulden schatkamers van sprookjes, sagen en legenden. Wat
een tiental eeuwen niet vermochten, dat vermag helaas! stoom en
elektriciteit en ... aviatiek, dat vermag onze prozaïsche, hoogwijze,
cynisch-onverschillige tijdgeest.

De romantiek past kwalijk in een eeuw van triomfeerend realisme. Laat
ze vluchten naar de diepste schuilhoeken,--de zoeklichten
der wetenschap hebben haar spoedig achterhaald. Laat ze zich
terugtrekken naar de eenzame hoogplateau's, waar het Edelweiss
nog bloeit in ongerepte pracht,--de berglokomotieven hebben haar
spoedig bereikt. Laat ze, ook in onze lage landen, de wijk nemen naar
afgelegen oorden,--snorrende auto's volgen weldra verdelgend haar
spoor. Zij kwijnt weg in onze atmosfeer, bezwangerd met den walm van
ontelbare schoorsteenen van mijnen en fabrieken, monotoon oplijnend
tegen een valen gezichteinder boven de vormelooze huizengroepen der
moderne fabrieksstad, waar een trieste nevel hangt van gewoontesleur
en landerigheid.

Wij worden zoo praktisch en verstandig, maar ons alledaagsch-bestaan
wordt zoo eentonig en kleurloos en arm. Wij bestudeeren de natuur, en
verwijderen ons van haar. Oòk aan Maas en Schelde rekt het volksleven
een veeg bestaan: het volksleven, dat het volkskarakter weerspiegelt
in zijn menigvuldige uitingen en als een flonkersteen met duizenden
facetten het blijde, spelende zonnelicht opvangt en uitstraalt
naar alle richtingen. Zijn gezworen vijanden zijn overbeschaving
en banaliteit, die in haar sloopingswerk elkaar de hand reiken en
hoogtij vieren òok in de groote steden van Groot-Nederland, eens zoo
prat op zijn Dietschen volksaard. Niet in luidruchtige straatmuziek
en straatgetier ligt besloten de poëzie van het volksleven, maar
in de stille huiselijkheid rond den gezelligen haard. De naïeven,
de eenvoudigen van harte zijn de bezittenden.

Arm is onze tijd aan poëzie, die niet slechts schuilt in de romantiek
van sprookjes en legenden, maar evenzeer in de onuitputtelijke
schachten van volksgebruik en volksgeloof, hoe ruw dat erts somtijds
dan ook moge wezen en met hoeveel onedele bestanddeelen vermengd; die
uitbot in alle loten van het volksleven, hoeveel wilde scheuten dat
leven ook moge uitranken. Maar toch, Gode zij dank, niet algemeen arm
is onze tijd aan belangstelling. Een groote kern waardeert althans
de uitingen van het volksleven, zoekt naar begrip en verklaring,
vorscht naar herkomst en ontwikkeling. Voor hen zijn deze bladzijden
geschreven. Voor hen, die de waarde van hun volkswezen weten te
schatten, en wien de eer ter harte gaat van een verleden, waarin
het heden zijn diepe wortels schiet. Waardeering wekt waardeering,
en zoo kunnen zij door hun belangstelling een groot maatschappelijk
nut stichten, een werk verrichten van waarlijk nationaal belang.

Niet als zou het zaak wezen, kunstmatig de liefde tot den volksaard
weer op te wekken en aan te kweeken: want in zijn teerste uitingen is
hij zoo vaak als het gevoelige plantje, dat bij de geringste aanraking
de blaadjes dichtplooit. Maar door de volksziel te beluisteren,
het heden te ontraadselen door het verleden, door te dringen tot de
kiemcel van het kontemporaine kultuurleven, kan de hooger beschaafde
ruimheid winnen van blik, frissche, kerngezonde levenskracht garen;
en op anderen en telkens weer anderen zal hij de diepgevestigde
overtuiging overstorten, dat hij tot het volk behoort met lijf en ziel,
dat het volk van zijn geboortegrond van zijn vleesch, zijn bloed, zijn
gebeente is. Zóo wordt geteeld echte, onvervalschte vaderlandsliefde.

Maar ook, zóo kan worden overbrugd de kloof, die gaapt tusschen volk
en hooger beschaafden, kan worden bewerkstelligd een verzoening
der standen. Een waarlijk aristokratisch-denkend man zal zich
het volk nader voelen, wanneer hij van dat volk kennis neemt,
en gelijkvormigheid in wezen van zijne kultuur met de volkskultuur
beseft. Tot het volk zal hij zich nader getrokken voelen dan tot het
beschavingsgepeupel. Want, zegt Albrecht Dietrich, "der Parvenu ist
dem Volke immer am fernsten".

Met hen, die belang stellen en belangstelling wekken, wensch ik een
tocht te ondernemen naar het land der Folklore.--

Ik weet het, die belangstelling is niet dezelfde in alle deelen
van Groot-Nederland. Zelfs geloof ik aan de waarheid niet te kort
te doen, met te beweren, dat Zuid-Nederland hierin mijlen vooruit
is. Noord-Nederland kan niet bogen op namen als Gezelle, Gittée, Pol
de Mont, Teirlinck, om slechts eenigen te noemen; en nog minder kan
het wijzen op iemand, die van de volkskunde zijn levenstaak maakt,
als A. de Cock,--aan hem mijn eeresaluut!



De term Folklore werd het eerst gebezigd in een Athenaeum-nummer van
1846 door Mr. Thoms, sekretaris der Cambden-Society, die zijn opstel
schreef onder den schuilnaam Ambrose Merton. Folklore, zoo beweert hij,
omvat "the traditional beliefs, legends and customs, current among
the common people." Immers, deze term beduidt het weten, de wijsheid
des volks, de mondeling voortgeplante volksoverlevering, en niet de
kunde van en aangaande het volk. Naam en wetenschap vonden bijval
en ingang, en in 1877 werd te Londen de Folk-Lore Society opgericht,
die zich thans in een zoo reusachtige uitgebreidheid verheugt.

Intusschen wordt de uitdrukking "Folklore" nog slechts een enkele
maal gebezigd, terwijl "Volkskunde", en met recht, hare plaats heeft
ingenomen. Maar hierbij heeft het merkwaardige feit zich voorgedaan,
dat men het Engelsche woord door "Volkskunde" meende te vertalen,
en nu in plaats van de wetenschap der volkswijsheid een wetenschap
van volk en volksaard kreeg. Van subjektief werd de beteekenis
objektief, en bleef dit. Zoo werd echter de jeugdige wetenschap in
een min of meer bedenkelijke richting gestuurd, tot men ten slotte
de Volkskunde ging beschouwen als de kunde van het volk in al
zijn levensuitingen. Weinhold heeft in 1890 de definitie gegeven:
"Die Volkskunde hat die Aufgabe, das Volk, das ist eine bestimmte,
geschichtlich und geographisch abgegrenzte Menschenverbindung
von Tausenden oder Millionen, in allen Lebensäusserungen zu
erforschen." Inderdaad neemt hij in zijn folkloristisch program
de volksfysiologie op, den lichaamsbouw, de schedelvorming, de
gelaatskleur, de volksvoeding enz. Tot het uiterste wordt deze
opvatting wel gedreven in het werkplan van den "Sächsischen Verein
für Volkskunde." Dit toch omvat niet alleen het onderzoek naar de
geologische gesteldheid van den bodem, maar verder ook alles wat
behoort tot het begrip van geografie in engeren zin: koloniseering,
bevolkings-, krimineele-, religieuze-, beroepsstatistiek, schoolwezen
en wat al niet meer! Dit is inderdaad meer land- dan volkskunde;
en dat zulk een opzet veel te grootscheepsch is, is zonneklaar.

Welke is dan de specifieke beteekenis van "volk" in
"Volkskunde"? "Volk" is niet het plebs, het "vulgus in populo",
de onderste laag, de heffe der maatschappij. Zeer zeker, het
volkskarakter komt veel meer tot uitdrukking in de lagere, dan in de
hoogere standen, maar het "Volkstümliche" leeft en werkt toch óok in
de hoogere lagen der maatschappij. "Volk" is evenmin synoniem van
"natuurvolk", waardoor ik versta de zeer min beschaafde stammen,
vaak ten onrechte niet-kultuurstammen geheeten, terwijl toch algeheel
gemis aan kultuur nooit en nergens wordt aangetroffen. Met hen is het,
dat de ethnologie zich in hoofdzaak bezig houdt. Maar het objekt der
volkskunde kunnen zij niet zijn, eenerzijds, omdat de individuëele
volksgeaardheid hier in geenerlei mate op den voorgrond treedt, en
anderzijds, omdat hier voor een tegenstelling tusschen de kultuur der
verschillende volkslagen geen ruimte is. Wèl bieden de zeden, gewoonten
en voorstellingen dezer natuurvolken hoogst merkwaardige punten ter
vergelijking. Want de volkskunde is een vergelijkende wetenschap, en
was dit van meet af aan. Niet tevreden, op beperkt terrein eene reeks
van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik
op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt
de volkskundige analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen of
ook bij de natuurvolken op te sporen. Hij ontdoet het aldus verkregen
materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt en tracht
zoodoende tot de kern en oorspronkelijke beteekenis door te dringen.

Toch is de volkskunde met de ethnologie of volkenkunde nauw verwant:
immers de ruwere kultuurlagen, die de ethnologie bij de natuurvolken
onderzoekt, doorvorscht zij bij die volkeren, waar de tegenstelling
tusschen hoogere en lagere kultuur te voorschijn treedt; en daar
bestudeert zij het volk in de volkskultuur. Zij houdt zich dus
niet bezig met wat men gewoon is in den strikten zin des woords
de kultuur van een bepaald volk te noemen, maar met datgene, wat
het bonte substraat daarvan vormt en wat alleen in staat is, iets
eigenaardigs, iets karakteristieks aan het volksleven te schenken;
niet met de hoogere kutuur, maar met de onderkultuur.

Zoo komen wij dan tot de slotsom, waartoe ik reeds in het tijdschrift
"Volkskunde" XXIV (1913), bl. 4 vlg. geraakte, dat volkskunde is:
de systematische, rationeele navorsching van den ondergrond der
kultuur. Zij is de ethnologie der kultuurvolken. En wanneer de
ethnologie, volgens de moderne opvatting, niets anders kan beoogen,
dan te zijn een kultuurgeschiedenis der natuurvolken, dan dient men
ook de volkskunde als een onderdeel der algemeene kultuurgeschiedenis
te beschouwen. Zie F. Graebner, Methode der Ethnologie (Heidelberg
1911), bl. IX; W. Foy, Führer durch das Rautenstrauch-Joest-Museum
der Stadt Cöln (Cöln 1910), bl. 22 vlg.

Wat wij doorgaans "kultuur" noemen, het resultaat van de werking
der verschillende sociaal-psychische faktoren, met wier onderzoek
de kultuurhistorie zich bezig houdt, wortelt voor een groot deel
in de moederaarde der volkskultuur, van die beschaving, zoo innig
met den volksaard verbonden. Het recht vertoont zich dáar in den
vorm van zede en gewoonte. De religie van het "volk" is vaak een
ruw, ongelouterd of niet te louteren, vaak ook onschadelijk-naïef,
ja in dichterlijken vorm gestoken bijgeloof, andermaal omvat zij
voorstellingen, die tot het kerkelijk geloof in nauwe betrekking
kunnen staan. Een helderen blik op deze formatie verleent ons de
volksheortologie of feestenleer. De wetenschap ligt nog in de windsels,
men denke b.v. aan de volksgeneeskunde, etymologie en plantlore. Streng
wetenschappelijk onderzoek, in de beteekenis van systematisch teruggaan
tot de oorzaak, is aan het volk in weerwil van zijn kausaliteitsdrang
ten eenenmale vreemd. Volkswetenschap is synoniem van volksbijgeloof,
volksverbeelding, volkspoëzie. De kunst mist konventioneele vormen,
maar ook overal maat en regel; hier ontmoeten wij volksliederen,
spreekwoorden, rijmpjes, raadsels, sprookjes, sagen en legenden;
en "ein Volk ohne solche Erzeugnisse seiner Phantasie und seines
Verstandes", zegt Karl Knortz, "ist bis jetzt noch nicht entdeckt
worden". Dat hier een strenge scheiding van het volksgeloof ondoenlijk
is, ligt voor de hand. Wat waar is voor de kunst, geldt ook voor de
taal, die den vorm vertoont van vulgaire omgangstaal en taaleigen
of dialekt. Wat de ekonomie betreft, deze raakt van zeer nabij het
privaatleven, en gaat geheel op in woningbouw en grondbeheer.

In aansluiting met deze beschouwingen en uiteenzettingen volge nu
de verdeeling van dit boek. Op volledigheid wil en kan ik zelfs
bij benadering geen aanspraak maken. Wat ik bedoeld heb, is een
systematische omlijsting te geven, waarbinnen ieder zonder moeite
de hem bekende gegevens kan invoegen en rangschikken, en tevens den
sleutel ter verklaring der belangrijkste groepen van verschijnselen
aan de hand te doen. Bij het tweede deel wordt een ethno-geografische
kaart gevoegd, waarop het verbreidingsgebied van enkele folkloristische
kriteriën (dialekten, plaatsnamen, boerenwoningen enz.) door bepaalde
lijnen wordt aangeduid, om te zien, tot welke resultaten men hierdoor
voor de nadere kennis der stamverdeeling over den Nederlandschen
bodem geraken kan. Over deze methode zie b.v. Willi Pressler,
Ethno-geographische Wellen des Sachsentums, in het tijdschrift Wörter
und Sachen I, i, bl. 47 vlg.; en Richtlinien zu einem Volkstums-Atlas
von Niedersachsen (Hannover 1909).

Maar vooraf nog een woord van dank aan al degenen, die mij bij
het schrijven van dit boek behulpzaam zijn geweest. Tot bijzondere
erkentelijkheid voel ik mij verplicht jegens mijn vriend Dr. H. van
der Velden, die mij bij het doorzien der drukproeven, maar ook
anderszins met oordeelkundig dienstbetoon steeds gaarne ter zijde
stond. Mijn dank ook aan de Heeren Onderwijzers van Limburg,
Noord-Brabant en Gelderland voor de waardevolle gegevens in de
volijverig ingevulde lijsten mij verstrekt; aan den Heer A. Brom,
amanuensis aan de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, die mij den
moeizamen literatuurarbeid in niet geringe mate verlichtte, en aan
den Heer Jan Beudeker, litt. stud., die mij behulpzaam was bij het
samenstellen van het algemeen register.

Aan U, hooggeachte De Cock, hulde en dank, maar ook een woord
van bemoediging in deze zware tijden. Rotsvast staat bij ons de
overtuiging: een volk, dat een volksaard bezit en zijn volkswaarde
beseft, als het Vlaamsche, kan niet te gronde gaan.






VERDEELING DER NEDERLANDSCHE VOLKSKUNDE.


Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke
instellingen_.

    I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.

    II. Dorp en dorpsgebied.

    III. De boerenwoningen.

    IV. Volkstypen en kleederdrachten.


Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_.

    I. Volksreligie en geestenwereld.

    II. De volksfeesten.


Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_.

    I. Geboorte en kindsheid.

    II. Liefde en huwelijk.

    III. Het huiselijk verkeer.

    IV. Akkerbouw en veeteelt.

    V. Ziekte, dood en begrafenis.


Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_.

    I. Het taaleigen.

    II. Onze plaatsnamen.


Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_.

    I. Raadsels en spreekwoorden.

    II. Sprookjes, sagen en legenden.

    III. Het volkslied.

    IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.


Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_.

    I. Volksetymologie.

    II. Volksgeneeskunde.

    III. Natuurverklaring en weêrkunde.

    IV. Plantlore.






INHOUD.


Ter Inleiding


Eerste Hoofdstuk. _Algemeene beginselen en maatschappelijke
instellingen_


    I. Lagen en gebied onzer volkskultuur

        Praehistorie. Kelten. Germanen. Romeinen. Christendom.


    II. Dorp en dorpsgebied

        Allmende. Nederzettingen in
        dorpen. Eschdorpen. Terpdorpen. Streekdorpen of
        rijdorpen. Straatdorpen. Dijkdorpen. Duindorpen.
        Groepdorpen. Afzonderlijke hoeven. Steden.


    III. De boerenwoningen

        Het huis. Het Saksische type. Hooibergen. Het Friesche
        type. Het Frankisch-Keltische of langgevel-type. Het
        Frankisch-Romeinsche type.


    IV. Volkstypen en kleederdrachten

        Het somatische volkstype. Het
        psychische volkstype. Kleederdracht en
        versierselen. Oorijzer. Naald. Zeeuwsche
        knoop. Huifmuts.


Tweede Hoofdstuk. _De Volksreligie_

    I. Volksreligie en geestenwereld

        Natuurlijke en historische laag. Animisme. Germaansche
        Mythologie. Elfen. Witte Vrouwen. Dwergen of
        aardmannetjes. Kaboutermannetjes. Meerminnen.
        Boschnimfen. Wilde Jacht. Weerwolf. Mare. Heksen.
        Hoefijzer. Zout. Dwaallicht. Vuurman. Spook en
        spookdier. Reuzen. Romeinsche Mythologie. Keltische
        Mythologie. Christendom. Kerstputten. Duivel. Klokken.

    II. De volksfeesten

        Joelfeest. Bevruchtingstijdperk. Sint
        Maartensdag. Sint Maartensvuur. Noodvuur. Sint
        Maartensliedjes. Varkensslachten. Sint
        Maartensgans. Gaarde. Sint Katharina. Sint
        Andries. Sint Elooi. Sint Barbara. Sint
        Nikolaas. Schoenzet-liedjes. Sint
        Lucia. Guldenmis. Sint Thomasdag. Kerstmis. Roos van
        Jericho. Kerstblok. Kerstboom. Gebaksvormen. Sint
        Stefanusdag. Sint Jan
        Evangelist. Allerkinderen. Oudejaarsavond en
        Nieuwjaarsdag. Nieuwjaarsliedjes. Driekoningendag.
        Driekoningenliedjes. Kaarsjespringen. Boonenkoeken
        koningsbrieven. Sint Pontianus- en Sint
        Agnesdag. Vrouwkesavond. Koppermaandag.
        Antonius-abt. Sint Sebastianus. Pauli
        Bekeering. Maria Lichtmis. Klootschieten. Sint
        Blasius. Vastenavond. Maskerade.
        Vastenavondkoeken. Vastenavondliedjes. Haanslaan
        en gansrijden. Vastenavondvuur. Strarijden. Asch
        woensdag. Fakkelzondag. Kwenezondag. Laetare. Sint
        Pieter-in-den-Winter. 1 Maart. Gregoriusdag. Sint
        Geertrui. Lentefeest. Meiboom. Palmzondag.
        Palmpaasch. Palmpaaschrijmpjes. Kalfdag. Witte
        Donderdag. Goede Vrijdag. Goede
        Zaterdag. Paaschdag. Paaschei. Paaschvuur. Paaschbrood.
        Vlöggelen. Paaschmaandag. Beloken Paschen. Natte
        Paschen. 1 April. Meidag. Meitaksteken. Meiliedjes.
        Meifluitjes. Meigilden. Meileeste. Hemelvaartsdag.
        Luilak. Pinksteren. Pinksterbloem. Nustekook.
        Pinksterkroon. Tweede Pinksterdag. Pinkstergilden. Sint
        Jan de Dooper. Sint Janstak. Sint Jansvuur. Petrus-
        en Paulusdag. Rozenhoed. Sint Marten-in-den-Zomer.
        Maria-Hemelvaart. Bedevaarten. Maria-Geboorte.
        Michielsdag. Allerheiligen. Allerzielen. Sint
        Hubertusdag.


Derde Hoofdstuk. _Het Privaatleven_

    I. Geboorte, doop, kindsheid

        De geboorte. Ooievaar. Bronnen en
        boomen. Zwangerschap. Levensboom. Scheidings- en
        opnamegebruiken. Doopsel. Kerkgang. Kinderziekten.
        Wiegeliedjes. Loopen en spreken. Schootliedjes.
        Knieliedjes. Kinderspel. Hoorspel, gezichtspel,
        gevoelspel. Speeldrift. Loopspelen. Springspelen.
        Dansspelen. Werpspelen. Balspelen. Bolspelen.
        Ambachtspelen. Schommelspelen. Knikkerspelen.
        Tolspelen. Hoepel- en vliegerspelen. Sneeuw-
        en ijsspelen. Lutje leeft nog. Vindings- en
        schenkingsrecht. Eerste schooldag. Eerste Kommuniedag.

    II. Liefde en huwelijk

        Minnen en
        werven. Liefde-orakels. Vrijstemarkten. Kweesten
        en strunen. Dorhoed. Ketelmuziek. Volksrechtspraak.
        Verloving. Huwelijksdag. Ontwikkelingsgeschiedenis
        van het huwelijk. Noodigen ter
        bruiloft. Huwelijksmei. Heemgeleide. Het opeischen
        en schutten der bruid. Haalleiden. Het zich verbergen
        der bruid. Bruiloftsmaal. Huilbier.

    III. Het huiselijk verkeer

        Introuwen. Gebed. Voedsel. Het familiefeest. Kermis.
        Schuttersgilden. Vogelschieten. Draaksteken. Spinning.

    IV. Landbouw en veeteelt

        De buurtschap. Verhuizen. Vuurbeuten. Schildverteren.
        Bier(maal). Zaaien. Koorndaemon. Graanoogst.
        Oogstlied. Laatste schoof. Oogstkrans. Hanenslaan.
        Martelgans. Arenlezen. Dorschen. Dorschlied. Laatste
        slag. Hooi-oogst. Zwaluwliedjes. Vlasoogst, hopoogst,
        zaadoogst. De fooi. Veeteelt.

    V. Ziekte, dood, begrafenis

        Ziekte. Dood. Scheidingsgebruiken. Uitlichten. Laatste
        snik. Lijkstroo. Lijkplank. Doodskleed. Openen
        en luiken der
        vensters. Stroowisschen. Doodenwake. Overluiden. Het
        kisten. Lijkdeur. Begrafenis. Lijkstoet. Lijkweg.
        Doodenmei. Op het kerkhof. Lijkmaal. Uitvaartbrood.
        Levenslicht. Rouwtijd. Graftooi.


Vierde Hoofdstuk. _De Volkstaal_

    Inleiding

    I. Het taaleigen

        Het Friesche taaleigen. Het
        Saksische taaleigen. Het Frankische
        taaleigen. Woordenschat en syntaxis. Analytische
        richting. Woordvorming. Woordvoorraad en
        semantiek. Zinsbouw. Emphatisch karakter.

    II. Onze plaatsnamen

        Inleidend overzicht over persoons-
        en geslachtsnamen. Keltische
        plaatsnamen. Romeinsche plaatsnamen. Germaansche
        plaatsnamen. Huisnamen. Landerijen. Dorpen
        en steden. Stambepalende waarde der
        plaatsnamen. Straatnamen. Klemtoon. Spotnamen van
        steden en dorpen.


Vijfde Hoofdstuk. _De Volkskunst_

    Inleiding

    I. Raadsels en spreekwoorden

        Raadsels. Beschrijvende raadsels. Verhalende raadsels.
        Kwelraadsels. Letterraadsels. Raadselsprookjes.
        Spreekwoorden. Stafrijmen. Eindrijmen. Halve
        rijmen. Rijmlooze wederwoorden. Saksische
        spreekwoorden. Friesche spreekwoorden. Frankische
        spreekwoorden. Christelijke spreekwijzen. Apologische
        spreuk. Apologisch dierenspreekwoord. Psychologie der
        spreekwoorden. Volksluim. Volksluim bij plaatsnamen
        miet of zonder woordspeling. Spotrijmpjes op
        steden en dorpen. Spotrijmpjes op voornamen
        en familienamen. Spotrijmpjes op standen
        en ambachten. Spotrijmpjes op gebreken en
        mismaaktheden. Wat de klokken vertellen. Uien.

    II. Sprookjes, sagen en legenden

        Sprookje, sage, legende. Het sprookje. De bakermat
        der sprookjes. Grimm, Benfey, Cosquin, Bédier,
        Bastian, Aarne. Sprookjesmotieven. De dierenwereld
        in het sprookje. Het draakmotief. De dankbare
        visch. De drie wenschen. Het dierensprookje. Het
        verzamelmotief. Ethnologische motieven. Het
        Polyfemusmotief. Het Klein-Duimpjesmotief. Het
        verhaal van de Twee Broeders. Mythische motieven.
        Verlossingsmotief. Vormveranderingen. Tooverij
        en onwondbaarheid. Droommotieven. Wensch-,
        vergeet- en raadselmotief. Karaktermotieven.
        Asschepoester. Karakteristiek van het Nederlandsche
        sprookje. Kwelsprookjes. De sage. Mythische
        sagen. Spook- en tooversagen. Vogeltjes-,
        tekst- en Matthusalemmotief. Volkssage en
        kultuursage. Maresagen. Heksensagen. Natuursagen.
        Christelijke sagen. Duivelssagen. Historische sagen
        Heldensagen. Abasverus. Gewestelijke sagen. De
        legenden. Marialegenden. Andere heiligenlegenden.

    III. Het Volkslied

        Psychologie van het volkslied. Volkslied en
        rythme. Liederenmotieven. Volkslied en kultuurlied.
        Muziek. Arbeidslied. Oogstlied. Dorschlied. Andere
        arbeidsliederen. Bruiloftslied. Danslied. Kinderlied.
        Bij het touwtjespringen. Rondedansen. Reuzenlied. Klein
        Anna. Reidansen. Andere speelliedjes. Loopspelliedjes.
        Aftelliedjes. Balspelliedjes. Schommelliedjes.
        Wiegeliedjes. Minnelied. Cecilialied.
        Afscheidsliederen. Wachterliederen. Spotlied
        en gezelschapslied. Verhalend lied. De
        Twee Koningskinderen. Sprookjeslied. Het
        dierensprookje. Historisch lied. Feestlied. Geestelijk
        lied. Bedevaartliedjes. Het lied van den Boom. Het
        lot van het volkslied.

    IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst

        De volksbouwkunst. Stad en stadswoning. De
        privaatwoning. Het moderne stadsbeeld. De landelijke
        woning. De dekoratieve volkskunst. Vloer en
        haard. Spinnewiel en bedsteden. Verdere meubileering.
        Spreuken. Gevelspreuken. Uithangborden. Bidprentjes.
        Huiszegen. Processievaantjes. Volksprenten. Jan
        de Wasscher. Klein Duimpje. De volksprenten en het
        feestelijke jaar. Het volkstooneel. Het poppenspel.


Zesde Hoofdstuk. _De Volkswetenschap_

    Inleiding

    I. Volksetymologie

        De term volksetymologie. Klank- en
        begripsassociaties. Etymologische
        natuurverklaring. Volksetymologie in plaatsnamen.

    II. Volksgeneeskunde

        Volksgeneeskunde en kultuurgeneeskunde. Het
        beginsel der sympathie. Bezwering. Bannen
        en overdragen. Sympathetische
        geneesmiddelen. Offersurrival? Geneeskrachtige kruiden.

    III. Natuurverklaring en weerkunde

        Natuurverklaring. Natuurverklarende sprookjes. In
        de dierenwereld. In de plantenwereld. De
        volksweerkunde. Dichterlijke uitdrukking. Faktor der
        sympathie. Planten en dieren in de volksweerkunde. Het
        beginsel der periodiciteit. Kritische dagen. De
        volksweerkalender.

    IV. Plantlore

        De bloem als zinnebeeld. Volksbenamingen
        der planten. Tooverkracht. Invloed van het
        Christendom. Volksheiligen in de plantlore. Onze
        flora het beeld van den Nederlandschen volksaard. Het
        volkswezen van Groot-Nederland. De volkskultuur de
        ziel der natie.


Bij de isethnen-kaart





ALGEMEENE BEGINSELEN EN MAATSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN.



I. Lagen en gebied onzer volkskultuur.


Hoe geheel ons land in den diluvialen tijd door ijs en water was
overdekt; hoe het opdook uit de golven in het alluviale tijdperk,
door steeds zwakker-stroomende rivieren doorploegd; hoe de bodem zich
allengs vormde uit kompakte zand- en leemmassa's en meer regelmatige
steen- en klei- en zandlagen,--dit alles is zonder twijfel van belang
voor de verklaring van bewoonbaarheid, uitoefening van bedrijven,
bronnen van bestaan, plaatselijke verordeningen en gebruiken enz.,
maar ligt toch te ver van ons onderwerp. Meer van belang zijn de
verschillende kultuurlagen, die zich ten gevolge der stroomingen
van volkeren en rassen en ideeën hebben afgezet en waarneembaar zijn
ook in den ondergrond der hedendaagsche kuituur: het zijn de lagen
onzer volkskultuur.

1. _Praehistorie_. Aangaande de oudste bewoners van ons land,
de volksstammen, die in praehistorische tijden of ook in den
schemerschijn der geschiedenis huisden op Nederlandschen bodem, moeten
wij ons grootendeels tot gissingen bepalen. Waarschijnlijk dan woonde
eertijds in Noord- en Zuid-Nederland, met name op de boorden van Maas
en Lesse, een kortschedelig ras, dat Europa bevolkte vóor de komst,
althans vóor de definitieve uitbreiding der Indogermanen. "Wanneer de
verschijnselen in Zuid-Limburg niet bedriegelijk blijken", schrijft
Dr. J. H. Holwerda Jr., in Nederland's vroegste Beschaving (Leiden
1907), "moet daar al zeer vroeg, mogelijk reeds 3000 voor Chr., een
onbeschaafde stam hebben gewoond, maar zeker zien we in den maker van
het hunnebedvaatwerk, den bouwer dier grafmonumenten, een verwante
van dien voorhistorischen stam, die eenmaal een groot deel van Europa,
ook van de klassieke wereld, bewoonde" (bl. 49).

Naar men weet, verstaat men door hunnebedden (of hunebedden) steenen
grafkamers van verschillende afmetingen, gevormd door een kring van
erratische gesteenten, die in het diluviale tijdperk rechtstreeks
door landijs waren aangebracht. Enkele dier zwerfsteenen dienden
als dekking dezer sober-majestueuze grafsteden--wij noemen de minder
ingewikkelde vormen ook wel "grafkelders"--waarin de oerbewoners van
ons land hunne lijken neerlegden; de urnen dagteekenen uit lateren
tijd, want in Nederland evenals elders is de lijkverbranding jonger dan
het begraven. Naast de lijken legde men wapenen of andere voorwerpen,
welke den doode dierbaar geweest waren, of die hij, naar men meende,
noodig kon hebben in zijn laatste woonstede. Op dit geloof aan het
voortbestaan der ziel na den dood in zijn menigvuldige vormen en
uitingen zullen wij nog verder in de gelegenheid zijn de aandacht
der lezers te vestigen. Ook op de hunnebedden komen wij naderhand
terug. Hier zij slechts opgemerkt, dat het voorkomen van brandurnen
in hunnebedden niet pleit tegen de stelling der prioriteit van het
begraven. Want vooreerst is het waarschijnlijk, dat ook de Kelten en
Germanen, zij het dan ook in navolging hunner voorgangers, die zich
met hen--vooral met de Kelten--vermengd en wier kultuur zij ten deele
hebben overgenomen, dergelijke grafkamers hebben gemaakt. Verder kan
men gereedelijk aannemen, dat wederom door later-levende menschen
brandurnen in de ommanteling van reeds bestaande hunnebedden zijn
neergezet, zoodat het daarin gevondene: steenen, bronzen, zelfs
ijzeren voorwerpen, uit verschillende tijden en van verschillende
volksstammen afkomstig kan wezen.

Tuschen 1500 en 1000 vinden wij deze kultuur in Drente, zuidelijk
Friesland, Overijssel en het Gooi. De beschaving is een zuivere
steenkultuur. Het bruinachtig vaatwerk, zonder draaischijf gevormd,
vertoont typische gedaanten en versieringen. Wat de geestelijke
kultuur betreft met betrekking tot het hedendaagsche folklore,
hieromtrent is weinig met voldoende zekerheid vast te stellen. Menig
Nederlandsch begrafenisgebruik stoelt zeer zeker op animistischen
grondslag, maar ook het volksgeloof onzer Germaansche voorvaderen
vertoont sterk-animistische trekken. Insgelijks is de matriarchale
familie-inrichting--waarbij de vrouw alleszins de meerdere is,
de afstammingslijn aangeeft, den naam verleent en het erfrecht
bepaalt--, die bij de oorbewoners van ons land de heerschende zou
geweest zijn, bij de oude Germanen in een zeer vroege periode bekend
geweest: zie hierover mijne Essays en Studiën in vergelijkende
godsdienstgeschiedenis, mythologie en folklore (Venloo, 1910),
bl. 176 vlg. Trouwens hier behoeft niet alleen sprake te zijn van
"overleefsels" of "bezinksel", zooals wij te gelegener plaatse zullen
aantoonen.

2. Over begrip en omvang van den term _"Kelten"_ verkeert men in
het onzekere. Zeker is aan sommige stammen ten onrechte die naam
geschonken. Of wij met name den volksstam, die kort na 1000 v. Chr. van
uit het zuiden ons land binnendrong, tot de Kelten kunnen rekenen,
is hoogst onzeker. In alle geval behoort hij tot het Alpine ras. Hij
vertegenwoordigt de zoogen. "Klokkebeker-kultuur", die over een groot
deel van Europa is verspreid geweest: men ontmoet deze Alpinen in
een gedeelte van de provincie Utrecht, in Drente, Twente en op de
Veluwe. Den naam ontleent deze kultuur aan een eigenaardig vaatwerk,
geelbruin van tint en uit de hand gevormd, terwijl het vaasprofiel
klokkevormig gebogen en eigenaardig versierd is. Naast steenen vindt
men ook bronzen werktuigen en voorwerpen ter versiering, b.v. bronzen
ringen.

Deze urnen zijn slechts ten deele brandurnen. Want de dragers der
klokkebekerkultuur hebben ook hun dooden begraven en wel onder vrij
hooge opgeworpen heuvels. Bij het onderzoeken van zulke grafheuvels
op de Veluwe bleek het, dat wat een aardheuvel leek, niets anders
was dan een ineengestorte massa vergaan hout en zand, afkomstig van
een koepelvormigen bouw uit houten balken, met zand of heideplaggen
overdekt. Nu is het de verdienste van Dr. Holwerda, gewezen te hebben
op de analogie van deze grafheuvels met de prachtige koepelgraven
van Mykene; hiervoor verwijzen wij naar een Gids-artikel van zijn
hand (1912 Jan.), waar hij o.m. deze overeenkomst op populaire en
overzichtelijke wijze behandelt.

Een ander volk, ook behoorende tot het rondhoofdige Alpine ras,
waren de Galliërs, die omstreeks 300 v. Chr. in onze zuidelijke
provinciën de zoogen. "Hallstatt-kultuur" brachten. Op hen is de
naam "Kelten" zeker meer toepasselijk. De eigenaardige urn dezer
beschavingsperiode vertoont een min of meer bollen buik, terwijl
de rand daarin zeer geleidelijk overgaat òf er scherp op staat en
uitbuigt. De ornamentlijnen zijn meestal zigzagvormig. Zulke urnen
vond men in Noord-België, in het zuiden van Brabant en in Noord-Limburg
(b.v. te Wellerlooi, Oyen en Afferden). Enkele exemplaren vond men ook
op de Veluwe. Zoo vormt dan b.v. Hoog Soeren de noordelijkste schakel
van een keten, die wij door Nederland, België, Duitschland (Rijnland
en Würtemberg) tot in Italië kunnen volgen. Naar men aanneemt heeft
de vroeg-Italische bevolking omstreeks de VIIIe eeuw v. Chr. deze
beschaving geformeerd; de vormen der Hallstatt-urn in gebakken aarde,
zoo sterk herinnerend aan de metaaltechniek, hebben zij inderdaad
van een metalen urnvorm afgeleid.

Nu blijkt echter uit de opgravingen, dat deze beschaving in ons
land eerst in de laatste eeuwen vóór en in de eerste eeuwen na
Christus valt te dateeren. Hieruit mag men het besluit trekken, dat de
Hallstatt-kultuur, die in het Zuiden van Midden-Europa en in Frankrijk
betrekkelijk spoedig door de zoogen. "La Tène-kultuur" is vervangen, in
onze streken, hoewel in armelijker vorm, is blijven voortbestaan. Wij
hebben hier te doen met late afstammelingen van het Alpine ras.

De vindplaatsen der urnen stemmen overeen met de geschiedkundige
gegevens. De Grieksche geschiedschrijver Dio Cassius, die Rome's
historie heeft te boek gesteld, verhaalt, dat de Kelten oudtijds de
beide oevers van den Rijn bewoond hebben en zelfs ook daar gevestigd
waren, waar de stroom, Gallië ter linker zijde latend, in den Oceaan
valt; terwijl Julius Caesar meedeelt, dat de Keltische Menapiërs kort
vóór zijn komst in deze streken den rechter Rijnoever bewoonden.

Ook de plaatsnamen kunnen ons eenigermate van dienst zijn, om het
verbreidingsgebied der Kelten in ons land te bepalen. Te geschikter
plaatse zal ik de Nederlandsche plaatsnamen uitvoeriger bespreken;
hier volgen dus slechts enkele namen als criteria.

Evenals de Duitsche plaatsjes Remagen, Dormagen e.a. verraadt
_Noviomagus_ zijn Keltische herkomst. Misschien is deze plaats
identiek met _Batavodurion:_ "fort der Bataven", terwijl anderen
deze plaats voor Wijk-bij-Duurstede, weer anderen voor Batenburg
houden. _Arenacum_ is vermoedelijk Arnhem. De Bataafsche burcht van
den Keltischen handelsgod Lug, n.l. _Lugdunum Batavorum_, draagt een
Keltischen naam, die misschien nog in Loosduinen voortleeft. Zuidelijk
hebben wij verder _Coriovallum_, op de heirbaan van Maastricht naar
Keulen, thans de stad Heerlen; en wat veel zegt, de namen onzer drie
groote rivieren: Rijn, Maas en Schelde zijn beslist Keltisch. Ten
onrechte heeft men ook de Waal voor Keltisch willen verslijten;
deze benaming vertoont Germaansch karakter, verwant als zij is met
het Angelsaksische _wôh_ "krom" en het Gotische _wâhs_ in _unwâhs_
"onberispelijk". Zie de verhandeling van Prof. H. Kern in het
Tijdschrift van het Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap, 2de
serie XXI, bl. 773 vlg.

Verder heeft onze taal, of liever het Germaansch, een niet
onbelangrijke hoeveelheid taalgoed van de Kelten overgenomen, die
ik in het Vierde Hoofdstuk bij de behandeling van het taaleigen zal
bespreken. Laat ik hier slechts wijzen op zeer gebruikelijke woorden
als _volk, duin, rijk, ambacht_, misschien _havik_. Deze leenwoorden
zijn daarom zoo van belang, dewijl zij min of meer als maatstaf
kunnen gelden voor het overnemen van algemeene kultuur. Wij mogen
dus besluiten, dat ook heel wat kultuurgoed of althans elementaire
beschavingsbestanddeelen zijn overgenomen en uitgewisseld, waarvan de
bouwtrant der boerenwoningen in bepaalde streken o.m. getuigt. Maar
verder blijkt hieruit, dat de Keltische beschaving niet minderwaardig
was vergeleken bij de Germaansche; integendeel! Waar een groote
kultuurkloof gaapte, zijn de verhoudingen anders geweest. Zoo is het
een feit, dat het Keltisch op Keltischen bodem door het Vulgairlatijn
als het ware is opgezogen, en dat het slechts een niet noemenswaardig
aantal woorden in het Fransch heeft achtergelaten. Teekenend is het
ook, dat de Slaven, die in den loop der eeuwen in zoo grooten getale
zich in Griekenland gevestigd, en vooral in den Peloponnesus zich
zoo sterk met de Grieken vermengd hebben, wèl een grooten somatischen
invloed op de Grieksche natie vermochten uit te oefenen, maar in het
Nieuw-Grieksch nauwelijks enkele sporen van hun aanwezigheid konden
achterlaten.

3. De volkeren, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, steeds
door weer andere stamgenooten gevolgd, waren de _Germanen_,
vertegenwoordigers van het Teutonische ras. Wij kunnen hun sporen
volgen links van den Rijn in de zuidelijke gewesten, en verder in
Gelderland, Overijssel, Drente, het Gooi, wanneer wij letten op de
grove Germaansche cylinderurnen, die onder Romeinschen invloed steeds
meer verwantschap beginnen te vertoonen met de La Tène-kultuur.

Wij kunnen hier drie stammen onderscheiden: de Friezen, Saksers
(of Sassen) en Franken.

De Friezen wonen thans vrij onvermengd hoofdzakelijk nog slechts
in Friesland met uitzondering van het Bilt, een bedijking in den
mond der vroegere Middelzee, door Hollandsche kolonisten bevolkt, en
verder van Ooststellingwerf en Weststellingwerf. Ook Schiermonnikoog
en Terschelling wordt nog door Friezen bewoond. Maar eertijds reikte
hun gebied van de Dollard tot het Zwin, een voormaligen zeeboezem
in Zeeuwsch-Vlaanderen. Hun gebied vormde een lang uitgerekte,
smalle kleistreek, een kustzoom, zonder geografisch middelpunt:
en zoo verklaart men hunne spoedige vermenging en staatkundige
versnippering. Friesch leven en Friesche volksaard heerschte dus in de
provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijssel
en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, waar de
Kannenefaten woonden, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Sporen
van Friesche zeden en taal vindt men nog in ruime mate in Holland,
met name bij de landbouwers op de geestgronden. Vgl. Dr. H. Blink,
Nederland en zijn bewoners (Amsterdam 1892) III, bl. 143 vlg.

Het begin van den inval der Saksers in ons land kan op grond van
archaeologische gegevens gesteld worden op korten tijd na het begin
onzer jaartelling: tal van resten van vaatwerk, die een Saksisch
karakter vertoonen, zijn gevonden in Twente en Drente, en ook
sporadisch verder westwaarts. Deze stammen nu, die na Caesar's
tijd ons land van uit het Oosten zijn binnengedrongen, blond en
kortschedelig, mogen wellicht niet als zuivere Teutonen (Germanen)
worden beschouwd; maar door de Romeinen werden zij steeds bij de
Germanen gerekend. Aan hun verwantschap met den beslist-Saksischen
stam, die omstreeks de IVe of Ve eeuw binnendrong, is wel niet te
twijfelen. Maar Dr. Holwerda noemt ze terecht "proto-Saksers". Zij
vestigden zich in de oostelijke streken van Nederland, begrensd door
den IJssel, doch drongen verder op.

Hoe sterk de Saksers--in hun geheel genomen--zich over Nederland
verspreid hebben, toont o.a. het Saksische vaatwerk, dat men in Drente,
Friesland, Overijssel, Gelderland en Limburg vindt. Het zuiverst wordt
wel het Saksisch gesproken in de Graafschap, in Salland en Twente. In
Twente vindt men ook het sterkst-uitgesproken Saksische karaktertype;
en ook daar juist heeft de weefkunst, een Saksische huisindustrie, zich
tot grootindustrie ontwikkeld. Saksische mengbevolking, mengkultuur
en mengdialekten vindt men in Limburg, Gelderland, Holland, Overijssel
en elders.

Overheerschte aan den IJssel het Saksische element, aan den Rijn had
het Frankische de bovenhand. Raadselachtig is deze stam, in zoover
wèl het bestaan van een Frankisch volk vaststaat, dat zich over een
groot deel van West-Europa heeft uitgebreid; maar zijn herkomst ligt
in het duister. Omstreeks 300 na Christus vielen zij in het land der
Batavers, het eiland tusschen Maas en Rijn. Deze, de vertegenwoordigers
van een ouderen Frankischen stam, immers volgens Tacitus verwant met
de Chatten, waren het eerst met de Romeinen in aanraking gekomen:
reden, waarom zij, hoezeer ook ten onrechte, als de oorspronkelijke
bewoners van Nederland werden beschouwd.

De Franken woonden in het begin hoofdzakelijk in Salland. In de IVe
eeuw nestelden zij zich in Toxandrië om naderhand verder door te
dringen naar het zuiden. De Frankische grens in België vormt ook de
zuidelijke grens van het Nederlandsche taalgebied. Zij is nauwkeurig
vastgesteld door Prof. G. Kurth, La frontière linguistique en Belgique
et dans le Nord de la France (Bruxelles 1898). Ongeveer volgt zij de
groote Romeinsche heirbaan van Boulogne over _Castellum Menapiorum_
(Cassel, in Fransch-Vlaanderen), _Tornacum_ (Doornik) en _Aduatica
Tungrorum_ (Tongeren) naar Keulen.

Nakomelingen van den Frankischen stam vindt men heden ten dage
hoofdzakelijk in Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Zuid- en Noord- Brabant,
Belgisch en Nederlandsch Limburg, in het zuidelijk gedeelte van
Gelderland, Lijmers, Betuwe, Land van Maas en Waal, Tielerwaard,
Bommelerwaard en het Rijk van Nijmegen, in de Alblasserwaard en de
Vijf Heerenlanden (prov. Zuid-Holland) en in het grootste gedeelte
van Utrecht. In Zuid-Limburg wonen de afstammelingen der Ripuarische
Franken: de Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Sunucers en Eburonen,
die vanaf de IVe eeuw hun woonplaatsen aan de boorden van den Rijn
(van waar hun naam) verlaten hadden, om zich op beide Maasoevers
te vestigen.

Van de Noord-Nederlandsche steden zijn volgens Blink Deventer en
Zutfen wel de meest Saksische, 's-Hertogenbosch de meest Frankische,
Leeuwarden de meest Friesche.

Op de Veluwe stooten de drie stammen: Friezen, Saksers en Franken
aan elkaar. In het Westen van het land heeft meestal vermenging van
het Friesch met het Frankisch, in het Oosten van het Friesch met het
Saksisch, en van het Saksisch met het Frankisch plaats gehad.

4. Machtige invloed op volkswezen en volkskultuur is uitgeoefend
door de _Romeinen_. Toen deze veroverend ons land binnenrukten,
vonden zij daar Germaansche, Kelto-Germaansche en Keltische
volksgroepen. Ten noorden van den Rijn en op de eilanden aan de
monding woonden de Bataven en Kannenefaten, noordelijker de Friezen,
aan den Beneden-Rijn de Kelto-Germanen en Kelten. De groote stam der
Menapiërs in Noord-Brabant en een gedeelte van Limburg, Antwerpen en
Oost-Vlaanderen was wel overwegend Keltisch, maar toch met Germaansch
bloed en Germaansche kultuur vermengd. Hetzelfde geldt voor de
Toxandriërs in Noord-Brabant, de Moriners in West-Vlaanderen, de
Nerviërs in Zuid-Brabant, Henegouwen en Vlaanderen, de Atrebaten om
Atrecht, de Aduatikers in Luik en Belgisch Limburg. Daarentegen mag
men de Eburonen bij het latere Maastricht als vrij zuiver Germaansch
beschouwen. Zie hierover P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche
Volk (Leiden 1912) I, bl. 14 vlg.

Nog dient te worden opgemerkt, dat ten gevolge van den inval der
Romeinen het nationale gevoel meer werd opgewekt, zoodat in de IIe
en IIIe eeuw na Chr. de kleinere stammen zich tot groote volksgroepen
aaneensloten.

De Romeinsche overheersching heeft tallooze offers gevergd en harden
strijd. Vooral in het tegenwoordige België werden geheele stammen
uitgemoord en de bodem gedrenkt met stroomen bloeds. Tevergeefs poogden
ook de Friezen en Bataven het Romeinsche juk af te werpen. Maar toch
moet men erkennen, dat in vele opzichten Rome's heerschappij onze
landen ten zegen gestrekt heeft. Bij de komst der Romeinen waren onze
voorvaderen nog zoo goed als natuurvolken, in schamele kleeding van
ruw-bewerkte dierenhuiden gehuld. Spoedig zou dit anders worden. Overal
vertoont de bodem, bij opgravingen, sporen van Romeinsche beschaving,
al bepalen zich de kultuurvoorwerpen tot import: schalen, borden,
kommetjes, potjes, urnen, flesschen enz. Het meest vermaard is wel
de zoogen, _terra sigillata_, rood, met het fabrieksmerk gestempeld
vaatwerk. Hiernaast wapenen, munten enz. Vooral de linker Rijnoever
werd geromaniseerd. Weldra doorsneden tallooze grachten den bodem;
dijken werden opgeworpen en bruggen geslagen, vaste kasteelen verrezen,
heirbanen werden aangelegd. Dit waren hoofdzakelijk de volgende:

1. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Traiectum_ en _Fectio_ (Vechten)
naar _Noviomagus_. Uit dit _Traiectum_ met het voorzetsel _ût_
(uit) ontstond _Utrecht_. J. W. Muller vergelijkt _Ut-bremen_ en het
Westvlaamsche _Uutkerke_. De naam _Ultraiectum_ voor _Ultratraiectum_
is een verlatijnsching, eerst na de renaissance opgekomen.

2. Van _Lugdunum Batavorum_ over _Forum Hadriani_ langs den linker
Waaloever naar _Noviomagus_. Dit _Forum Hadriani_, het tegenwoordige
Voorburg, werd door keizer Hadrianus gesticht niet ver van den
Rijnmond. _Voor_- heeft hier dus met onze partikel _voor_ niets te
maken en kan slechts volksetymologisch er mee verbonden worden.

3. Van _Noviomagus_ over _Cevelum_ (Kuik?) en _Blaricum_ (Blerik)
naar _Pons Mosae_ (Maastricht), ook wel _Traiectum (Mosae_ of _ad
Mosam_) geheeten.

4. Van _Noviomagus_ over _Castra Vetera_ (Fürstenberg, bij Xanten)
naar _Colonia Agrippina_ (Keulen).

5. De reeds genoemde weg van Boulogne naar Keulen.

Uit de vaste kasteelen aan deze heirbanen, van zoo reusachtige
beteekenis voor het handelsverkeer, ontwikkelden zich belangrijke
plaatsen. Onnoodig te zeggen, in welke mate ook de ontwikkeling van
landbouw, veeteelt en nijverheid hiermee gebaat was, men denke slechts
aan de tegelbakkerij. Ook de zeevaart bleef niet achter. Aken en Spa
waren bekende badplaatsen. Overblijfselen van Romeinsche _villa's_
worden telkens weer opgedolven; en een merkwaardige getuige van den
invloed der Romeinsche kultuur is wellicht de nader te bespreken
villabouw der boerenwoningen.

Sterker dan eenige andere taal heeft het Latijn op onze taal ingewerkt,
ik noem slechts de leenwoorden: _keizer, kerker, wijn, pauw, venster,
zegel, poort, tegel, kelk, brief_ enz.

Na enkele eeuwen ging de Romeinsche beschaving hier te niet. Maar van
blijvenden aard zou wezen het door Rome's invloed hier verspreide en
gevestigde Christendom.

6. Het _Christendom_ bracht inwendige beschaving en vernieuwing,
en het heeft den drang der tijden doorstaan. Wellicht dagteekent het
Christendom in onze landen sporadisch reeds van vóor het jaar 400:
Christelijke oudheden te Nijmegen, Wijk bij Duurstede en elders
gevonden wettigen eenigermate dit vermoeden. Maar in de Ve eeuw
deed het in alle geval voor goed zijn intrede in deze gewesten. Het
vestigde zich eerst in het Zuiden en heeft zich dan snel noordwaarts
uitgebreid. Te Tongeren werd het Evangelie gepredikt door den heiligen
Servatius, die zijn bisschopszetel verplaatste naar Maastricht. Daar
zetelde in de VIe eeuw de h. bisschop Monulfus, in de VIIe eeuw
Amandus, die het geloof predikte aan de Friezen. Terzelfder tijd
predikten Eligius en Weranfridus onder de Franken en Friezen. Maar
ook Vlaanderen werd door den h. Eligius bezocht, waar reeds door
Victricius van Rouaan met vrucht aan de kerstening der bevolking
was gearbeid. De hh. Lambertus en Hubertus waren de apostelen van
Taxandrië en van de Ardennen.

Een kenmerkend feit voor de kerstening van Nederland is de stichting
van het bisdom Utrecht door den h. Willebrordus in de VIIIe eeuw; onder
hem was werkzaam de h. Bonifacius, aartsbisschop der Friezen. Blijvend
vestigde zich het Christendom in deze streken onder de Karolingers.



II. Dorp en dorpsgebied.


De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten,
vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid
van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel
mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze
verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele
folkloristische verschijnselen.

Ten tijde van Caesar leefden de Germanen nog grootendeels van
jacht en visscherij; ook met de veeteelt waren zij eenigermate
vertrouwd. Zij vormden nog een echt nomadenvolk, dat in groepen
van een zeker aantal families of geslachten rondzwierf van de eene
plaats naar de andere. Met privaatbezit waren zij ten eenenmale
onbekend. Gemeenschappelijk werd een ongedeeld stuk grond in
bezit genomen, een _marke_, d.i. grensland, een binnen bepaalde
grenzen omsloten gebied, dat in Saksische streken nog voortleeft als
"onverdeelde gronden, aan een markgenootschap behoorende" en verwant
is met het Oudsaksische _marka_, het Oudhoogduitsche _marcha_ en het
Latijnsche _margo_ "rand". Het verouderde Nederlandsche _mark, marke_
leeft voort in _markgraaf_ en _markies_. Zoodra dit stuk grond was
uitgeput, werd het met een ander verwisseld.

Tacitus kent echter ook zulke nederzettingen, waarbij elk familiehoofd
een bepaalde hoeveelheid land ter ontginning en bebouwing kreeg. Wij
vinden hier een overgangsvorm tot het privaatbezit, waarop wij nader
zullen terugkomen.

Toen eindelijk het akkerland in privaatbezit was overgegaan, bleef
toch weideland, heide, veen en bosschen in het bezit der gemeenschap:
_de allmende_. Ten slotte werd het recht hierop georganiseerd
en alleen toegewezen aan de nakomelingen der oude bewoners,
die daarop recht bezaten. Zoo ontstonden de markvereenigingen
of markgenootschappen, die meestal in de oorspronkelijk Saksische
gedeelten van ons land: Drente, Overijssel en Gelderland voorkwamen en
eerst door de wet van 10 Mei 1886 grootendeels zijn verdwenen. Deze
wet toch machtigde ieder markgenoot de verdeeling der onverdeelde
eigendommen te vorderen. In 1886 bestonden in Noord-Nederland nog ±
36000 H.A. onverdeelde markegronden. Zie hierover en tevens voor de
verdere behandeling van dit onderwerp Dr. H. Blink, Nederland en zijne
bewoners (Amsterdam 1889-1892) III, blz. 248; Ontwikkeling van den
grondeigendom in Nederland, in Vragen van den Dag IV, bl. 98 vlg.;
Studiën over nederzettingen in Nederland, in het Tijdschrift van het
Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, XVIII, bl. 754 vlg.

Natuurlijk bleven de marken op de schrale gronden van het zand-
en grintdiluvium langer bestaan, dan b.v. in de eertijds Frankische
provincies. Daar verdwenen zij onder den invloed van het leenstelsel,
wat natuurlijk met de gesteldheid van den bodem samenhangt. In het
Gooi, op de Veluwe, en nog elders, met name in het Oosten van het land
is het gemeenschappelijk grondbezit nog blijven voortbestaan. Soms
in rudimentairen vorm; zoo b.v. in den _stoppelgang._

Wanneer n.l. het land na den oogst in de stoppels lag, keerde het
gemeenschappelijk grondgebruik weer. Dan ontstond de _stoppelweide_ of
de _stoppelgang_, het recht om vee op den akker te drijven na afloop
van den oogst. Men noemde dit ook _overal_, vanwaar het spreekwoord:
"Na St. Gal loopen de schapen overal".

Dit recht blijkt ook uit vele verboden en bepalingen. In een keure
van het Land van Cuijk uit het jaar 1538 leest men: "En als de half
oogst voorbij is, mag men de schapen en beesten laten gaan, als van
ouds gewoon is, ongeschut"; en in de landrechten van Roermond; "Alle
erfschap van akkerland, dat onbezaaid ligt, is den kerspelluiden met
schapen en varkens te bedrijven gemeen, tenzij dat het ware besloten,
want geenen scheper of zwijn geoorloofd is, besloten kamp te openen
en te bedrijven".

Een eigenaardige uitzondering vinden wij in het landrecht van Drente:
"Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen,
zoolang in de groote buurtschappen en in de kleine twee verscheidene
lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit". Immers
boekweit, al was het reeds door de Kruisvaarders ingevoerd, werd als
een nieuw gewas beschouwd. Ook bij plakaat van Utrecht werd tijdens
prins Maurits het drijven van vee en paarden op het stoppelland
verboden.

In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland, dus in landen met betere
gronden en levendiger verkeer, kwam het privaatbezit reeds vóor Karel
den Grooten tot stand.--

Bij de landelijke nederzetting onzer bevolking dient men twee
hoofdgroepen te onderscheiden, n.l. de nederzettingen in dorpen,
en in afzonderlijke hoeven.

I. _Nederzettingen in dorpen_. Hierin heerscht bonte
verscheidenheid. Een voorname afdeeling vormen de planloos
geconcentreerde nederzettingen, die wij _komdorpen_ noemen en voor
welke men in het Duitsch de benaming _Haufendorf_ heeft. Elk huis heeft
zijn eigen richting en ligt op zich zelf: het raakt de naburige huizen
niet en rijgt zich met hen niet tot éen reeks aaneen. Het wegennet
van een komdorp is dan ook planloos, krom en hoekig. In Duitschland
komt dit type oorspronkelijk in Sleeswijk-Holstein, Oost-Hanover,
Brunswijk, Hessen en Thüringen voor, om zich naderhand over het
grootst gedeelte van Middel- en Opper-Duitschland uit te breiden.

Tot de oudste Germaansche nederzettingen in Nederland kunnen gerekend
worden de komdorpen op de Drentsche hoogvlakte, die den naam van
Hondsrug draagt. Zij vertoonen het tijpe der

1. _Eschdorpen_ en liggen op hooge, droge gronden, waar het water
aan het bouwen geen beletsel bood en waar men niet zuinig behoefde
te zijn met de ruimte. De Hondsrug was eertijds de natuurlijke brug,
die de noordelijke kuststreken met de landstreken van het Bentheimsche
en Overijssel verbond. De Keltische bewoners, die zich daar hadden
gevestigd, werden verdrongen door een Germaanschen stam, die later
wel met Franksische en Saksische stammen in aanraking kwam, maar
toch zijn eigen aard wist te handhaven. Welke die eigen aard was,
is moeilijk te bepalen; in alle geval stond hij de Saksers nader dan
de Franken. Wij denken met name aan de dorpen Emmen, Borger, Rolde,
Gieten, Grolloo, Zwinderen en Weerdinge.

Men vestigde zich steeds in de nabijheid van zachtoploopende heuvels,
die goeden grond voor bouwland boden, zoodat in den regel de dorpen
gebouwd zijn op den rand der bouwlanden: _esschen_ of _engen_. De
grondverdeeling kan men zich ongeveer volgenderwijs voorstellen:

Elk der dorpelingen kreeg op dezen esch door 't lot--waaraan
niet zelden hoogere beschikking werd toegekend--een strook gronds
ter bewerking, zooals b.v. bij het aardappelen rooien aan elk der
arbeiders een strook wordt toegewezen. Later moest men weer andere
stukken in bewerking nemen, en ook daar werkten de dorpsgenooten in
dezelfde volgorde en op gelijken afstand van elkaar. Heide, bosch,
veen en weideland werd gemeenschappelijk benut.

Het bouwland werd verdeeld in drie slagen, en wel om de vruchtbaarheid
te bevorderen volgens het drieslagstelsel: éen gedeelte werd bestemd
voor wintergraan, het tweede voor zomergraan, het derde bleef braak
liggen. Elk dezer drie hoofddeelen werd dan in gelijke rechthoeken
verdeeld, en in elk der slagen kreeg de dorpsgerechtigde een aandeel
naar zijn recht. De scheiding dezer rechthoeken was door voren, met
den ploeg getrokken, en door zware grenskeien aangeduid. Van daar de
naam _voorgenoten_, Nederduitsch _Vorgenaten_.

De oudste nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een
bosch; en hieraan herinnert een groot aantal Nederlandsche dorpsnamen
op--_woud,--holt,--loo,--horst,--rode,--rade_ enz. Elke woning nam dan
een open plek in het bosch in, en langzamerhand werd het bosch om en
te midden van de woningen der nederzetting meer en meer uitgeroeid,
en vormden de afzonderlijke huisplaatsen een aaneengesloten geheel.

Maar op de open plekken tusschen de huizen, de _brinken_ [1],
bleef het geboomte in stand, al werd elders het bosch gerooid. Daar
vergaderden de bewoners in de schaduw der oude eiken om naar de wijze
der oude Germanen hun belangen te bespreken. Is ook menig oud gebruik
verdwenen, nog heden zijn de brinken een sieraad onzer dorpen en uit
dorpen gegroeide steden (b.v. Laren, Blarikum, Bussum, Hilversum),
en wijzen op een nauw met het Saksisch element verwante herkomst. Ook
vindt men bij vele boerenwoningen nog begroeide brinken, "een spoor",
zegt Dr. Blink, "van den oorspronkelijken toestand, toen het geboomte
elke woning overschaduwde".

Welke die gemeenschappelijke belangen ter bespreking op den brink zijn
konden, springt in het oog. Allen, die een zelfden slag bebouwden of
bebouwd hadden, dienden een gemeenschappelijk overleg te plegen voor
het ploegen en oogsten, voor het gebruik der wegen, die naar het eene
stuk liepen over het land van den ander, en omgekeerd. Het gevolg dezer
samenkomsten was het tot stand komen van gemeenschappelijke bepalingen,
waaraan ieder zich had te onderwerpen, van een soort _velddwang_.

Tot het tot stand komen en in stand blijven van gemeenschapszin,
gemeenschappelijk overleg, gemeenschappelijke bepalingen droeg ook in
groote mate bij de gemeenschappelijke afkomst. Want doorgaans waren
de leden eener zelfde nederzetting door familiebetrekkingen verbonden,
zoodat men inderdaad van een "vermaagschapt" dorp zou kunnen spreken,
waarvoor men in het Duitsch de uitdrukkingen _Sippendorf_ kent. Ten
gevolge der isoleering bleef de herinnering aan de gemeenschappelijke
herkomst bestaan, ook toen de natuurlijke betrekkingen steeds losser
en losser werden. Oorspronkelijke verwantschapsverhoudingen spreken
ook uit plaatsnamen, die b.v. op--_ingen_ en--_ongen_ uitgaan,
want hierdoor wordt meestal de afstamming van een bepaalden persoon
uitgedrukt [2]. Breidde het gezin door het huwelijk der kinderen zich
uit, dan werd hierdoor de eenheid niet verbroken; het gezin bleef zoo
lang mogelijk op dezelfde hoeve, en de schoonzoon of schoondochter
trad eenvoudig als nieuwe werkkracht naast de andere kinderen bij
de familie in. Allen arbeidden voor _de_ familie, de zoons gingen
met den boer naar het land, de dochters bezorgden met de boerin de
huishouding. Nog heden treft men in Drente 3 tot 4 generaties aan in
één huis. Wie of in zulk een gezinskomplex den boventoon voert? Naar
verluidt, wordt het beslissend woord gesproken door "het oude mensch",
d.i. de oude boerin.

Zoo vormden dan de dorpelingen een zekeren clan, met een _buurtschap_
als nauwere kern. Vooral wanneer in bepaalde omstandigheden des
levens de hulpzame hand viel te bieden, waagde het niemand, zich aan
enkele clan-bepalingen in den vorm van dienstbetoon te onttrekken: bij
geboorte of overlijden, bij verhuizing, bij het bewerken van vlas, bij
het scheren der schapen, bij het oogsten, bij het bouwen eener woning
enz. Hier vinden wij ook de kiem van het soms op zoo eigenaardige
wijze zich uitende dorpsindividualisme, hierin b.v. dat, wanneer een
boerenzoon naar de hand dingt van een meisje uit een naburig dorp,
hem door de jongelieden van dat dorp allerlei zwarigheden in den weg
gelegd worden.

Nog lang riep de _boerhoorn_ de Drentsche dorpsgenooten ter vergadering
tot het gemeenschappelijk vaststellen van zaai- en oogsttijd en tot
het bespreken van onderwerpen van algemeen belang. Na het laatste
signaal op den boerhoorn waagde geen maaier het meer, de zeis te
haren,--wie zich verzette, werd beboet. Den boer, die den dekstier
hield, was dat jaar ook de boerhoorn toevertrouwd. Met trots sneed
hij er zijn naam in; met een gevoel van zelfwaarde blies hij ter
waarschuwing of verzameling bij brand, dreigend onweer en begrafenis.

Ook bij onze oostelijke naburen vertoont het volksleven van dezen
oorspronkelijken toestand nog menig rudiment. In Anhalt worden op
derden Pinksterdag des namiddags de paarden en koeien schoongemaakt en
de geiten gemolken; en zoodra de koeherder op den boerhoorn blaast,
verzamelen zich allen met hun vee vóor het dorp. In plechtigen
stoet, de paarden voorop en de ganzen het laatst, gaat het dan naar
de pinkstweide, door den "Dorfknecht" afgezet en ieder weidt zijn
vee. Bekranst keert het vee huiswaarts en de koeherder krijgt van den
boer, die dat jaar den bul houdt, het schoonste geschenk, een hals-
of zakdoek en een stuk koek. Veelal wordt elders in Nederduitschland
de hoorn vervangen door de klok.

2. Een anderen vorm van het komdorp vertegenwoordigen de _terpdorpen_
in Groningen en Friesland, en elders.

Terpen zijn kunstmatige kleiheuvels met zacht-oploopende hellingen,
slechts enkele meters lang, en dienende als vluchtheuvels. De hoogste
dier terpen vond men te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, Holwerda,
Anjum. Enkele zijn weer geheel of gedeeltelijk afgegraven; "want thans
wordt weder vernietigd", schrijft Dr. Blink, "wat voor eeuwen met
veel moeite tot stand werd gebracht": _Nederland en zijne bewoners_
II, bl. 306; vgl. III, bl. 259.

De naam _terpen_ geldt meest voor Friesland en Groningen. Hier spreekt
men ook van _wierden_, in Zeeland van _killen_ en _vliedbergen_;
de Zeeuwsche hillen zijn over het algemeen kleiner dan de Friesche
en Groningsche terpen.

Welnu, deze terpen hebben in overoude tijden tot het vestigen van
nederzettingen gediend, n.l. op zeekleilanden, reeds bewoond vóor
er bedijking langs de zee had plaats gevonden. Deze nederzettingen
zijn de kern onzer terpdorpen: Marsum, Kantens, Warfum, Bafloo, dan
ook Dokkum, Franeker, Leeuwarden enz. De kringvormige ligging wijst
op hun herkomst.

In de geschiedenis der nederzettingen op terpen kunnen wij vier fazen
onderscheiden. [3]

In de eerste faze waren de bewoners nog arme visschers, die op de
uiterste kust hun bedrijf uitoefenden. In het midden der eerste
eeuw na Christus beschrijft de Romeinsche natuurvorscher Plinius de
vluchtheuvels met haar schamele hutten gedurende dit tijdperk. [4]
Hij zelf heeft ze aanschouwd, in het Noorden, bij het volk der
groote en kleine Cauchen, oprijzend te midden eener uitgestrekte
vlakte, die tweemaal des daags en des nachts door den oceaan wordt
overstroomd. "Het armzalige volkje woont daar op hooge heuvels of
banken, met de hand opgeworpen tot op een hoogte, waar zij beschermd
zijn tegen de hoogste vloeden en waarop zij hutten bouwen, gelijk
zeevarenden omringd door de wateren, gelijk schipbreukelingen, die
op het droge gered zijn en bij hun vlucht voor het water jagen op
de visschen der zee". Ook de terpen der tweede faze zijn nog niet
hoog. Men vindt daarin lagen mest, stroo en afval, afwisselend met
kleilagen of daarmee aangevuld. Reeds zijn de bewoners veehouders
geworden. De gevonden palen zijn afkomstig van schuttingen,
drinkwaterputten, palen waaraan het vee gebonden werd, misschien van
leem- en stroohutten. Vermoedelijk verbouwden zij ook zomervruchten,
maar niet geregeld en slechts in geringe hoeveelheid.

Landbouwers in den engeren zin des woords worden zij eerst in de
derde faze. In deze heeft een ophooging der terpen plaats gehad door
het aanbrengen van klei, en in deze ophooging wordt veel minder mest
gevonden. De landbouwers achtten het noodzakelijk een afzonderlijke
kleilaag ten behoeve hunner behuizingen aan te brengen.

Gedurende de vierde faze verrijzen op de terpen dorpen met kerken
en kloosters: men denke aan Warfum, Uskwerd, Rottum, Oldeklooster
in de Marne, Oldeklooster bij Appingedam, Mariëngaard te Hallum,
O.L. Vrouw ten Dale te Lidlum, Klaarkamp bij Dokkum enz.

In den regel werden de terpen in de oudste tijden slechts door éene
familie bewoond. Bij al te groote uitbreiding der familie legde men
dan in de nabijheid der oude hoeve een nieuwe aan. Later, onder de
schutse der bedijking, waagde men het ook, nieuwe nederzettingen te
vestigen in het vlakke land. Zoo ontstonden huizengroepen van een
vijftal of ook meer woningen met een kleine gemeenschap, waaronder
de eigenaar der oudste woning het familiehoofd en als het ware de
landheer was [5]. Daar, waar zulke nederzettingen op een kruispunt van
land- of waterwegen lagen, waar een kerk, klooster of herberg stond,
ontwikkelde zich de nederzetting tot een dorp.

Toch waren op de grootere terpen reeds van meet af aan ook grootere
nederzettingen gevestigd, die men terecht als oorspronkelijke
terpdorpen mag beschouwen.--

Andere groepen van dorpen zijn niet komvormig, maar reeks- of rijvormig
gebouwd; het zijn de

3. _Streekdorpen_ of _rijdorpen_, meestal twee rijen huizen langs
wegen en kanalen; zijstraten zijn zoo goed als onbekend. Evenals
in de komdorpen woont en leeft men naast elkaar, maar ieder bewerkt
zijn grond naar eigen goeddunken. De verre lengtewegen en de talrijke
kanalen en slooten--hoe noodzakelijk ook-- verslinden veel terrein.

Natuurlijk ligt de reden van dezen bouwtrant in de gesteldheid
van den bodem. Verlaat men het Drentsche diluviale hoog-plateau
en nadert men de veenranden, dan stoot men vrij plotseling op
streekdorpen. Wie opmerkzaam door de verschillende nederzettingen
heentijgt, ziet de agrarische ontwikkeling van het land als een
reuzenfilm voorbijtrekken. In elk dorp wandelen wij als het ware
door de ruïnen van den voortijd, ouder en merkwaardiger dan zoovele
befaamde gedenkteekenen uit de Middeleeuwen, en de staalkaart der
bezittingen vertolkt ons de begrippen en bedoelingen der stichters.

Wij wijzen vooreerst op de _veendorpen_. Zij vertoonen alle een
eigenaardig karakter en een systeem van grondverdeeling, dat in nauwe
betrekking staat tot hun wording. Het landschap is geenszins rijk
aan afwisseling, veeleer eentonig. "Het poetische, schilderachtige
landschapsbeeld der oude zandgronden ontbreekt er geheel, ook al
bieden enkele gedeelten door goede bebossching werkelijk natuurschoon
aan. Stijf, afgemeten als het landschap, is het karakter van de
bevolking der [veen]kolonie; geen dichterlijke sagen leven er voort
in de volksverbeelding, en alleen de overleveringen van heksen en
spoken, droog en dor als zij zijn, tendencieus als zij werken, zijn
hier niet zelden blijvend en inwerkend": Dr. H. Blink, Studiën enz. in
het Tijdschrift v. h. Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902,
dl. XIX, bl. 66.

In sommige nederzettingen, als Ruinerwold, Giethoorn en Koekange,
zijn de huizen als één vaste reeks gegroepeerd. Zij ontstonden
als vaste dorpen aanvankelijk midden in het afgeveend land, niet
aan een rijweg. Daarentegen zijn b.v. Hoogeveen en Smilde jonge
nederzettingen in de venen, die zich tot een dubbelrijig lengtedorp
hebben geformeerd. Hier is dus het dorp in twee rijen gebouwd, aan
weerszijde van den weg, welke de lange, smalle landerijen aan beide
kanten rechthoekig snijdt. Zoo nog Wanneperveen, Koldeveen en Veendijk.

Staphorst en Rouveen zijn verschoven veenkolonies. Hier volgde
de nederzetting de afgraving van het veen, om ten slotte stabiel
te worden aan beide zijden van een geschikten verkeersweg. Beide
dorpen hebben waarschijnlijk thans hun derde plaats. Terwijl de
andere tweereeksige veenkolonies meestal door een mengelmoes van
velerlei herkomst bevolkt worden, wijzen deze beide dorpen op een
gemeenschappelijke, eenvormige afkomst. De bevolking heeft dan ook
iets zeer typisch en oorspronkelijks. Zij houdt weinig voeling met
de buurtschap, terwijl aloude zeden en gewoonten veelal in eere bleven.

Nog niet zoo heel lang geleden had te Staphorst bijna geen huis een
schoorsteen. Gaat de boer een nieuw huis bouwen, dan verzekert hij
zich eerst van de toestemming der buren, die dan weer ouder gewoonte
de verplichting hebben, hem bij het transport van het bouwmateriaal
en anderszins behulpzaam te zijn.

De greppels tusschen de verschillende akkers worden nooit in orde
gebracht of in rechte lijn doorgetrokken, maar kronkelen zich
in allerlei bochten en zigzaglijnen tusschen de akkers van twee
buurlieden heen.

Elk Staphorster is boer. Een eigenlijke arbeidersbevolking
ontbreekt. Wie op zijn land niet genoeg werk en verdienste vindt,
helpt zijn beter gezeten nabuur.

Hoogst belangrijk is ook de ontwikkeling van den grondeigendom aldaar;
zie hierover Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 143
vlg. Staphorst dankt zijn oorsprong aan een kleine nederzetting van
Friesche monniken in de XIIIe eeuw.

Tot de tweereeksige dorpen behooren ook de nederzettingen der
veengravende boeren, die eigenlijk van meet af aan van de boerderij hun
hoofdbedrijf maakten. Zij liggen aan de veenranden, b.v. de Meeden,
Kropswolde, Beerta, en de nederzettingen ten Oosten der Hunze, als
Wolfsbergen, Annerveen, Gieterveen enz. In de kern van het hoogveen
verrezen mettertijd de veenkolonies Veendam en Wildervank; het eerste
nam een stedelijk karakter aan, terwijl het tweede meer het cachet
van een dubbel streekdorp behouden heeft.

Den vorm van een streekdorp vertoonen nog de veendorpen Helenaveen
in Noord-Brabant en Griendtsveen (gemeente Horst) in Limburg.

Eenigermate het type der veendorpen vertoonen de Noord-Brabantsche
_straatdorpen_, met name de dorpen in de Langstraat: Raamsdonk, Waspik,
Kapelle, Besooien, Waalwijk, Baardwijk, Drunen en Nieuwkuik. Dit kan
niet bevreemden, als men weet, dat in 1396 een turfvaart van Den Bosch
naar 's Gravenmoer werd gegraven, en dat in het begin der XVIe eeuw de
turfhandel van de Langstraat op Holland en Zeeland zeer aanzienlijk
was. Toen het vervenen verliep, meent Blink, zochten de arbeiders
naar werk. De kleibodem was niet geschikt voor bouwland; daarentegen
gaf het vele goede water uitstekend gelegenheid tot leerlooierij,
waartoe de veeteelt vele huiden, de bosschen op de zandgronden niet
zeer verre de schors leverden. Zoo ontwikkelde zich in de Langstraat
de schoenen- en leerindustrie.

Meer nog vertoonen het karakter van veenkolonies 's Gravenmoer,
Vrijhoeve, Kapelle en Sprang. Tot de straatdorpen behooren ook de
dorpen in de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen.

4. Veel overeenkomst met de streekdorpen vertoonen de _dijkdorpen,_
nederzettingen gevestigd langs een dijk. Zij zijn veelvuldig op
kleigronden en laagveenlanden, waar de bodem meestal door dijken tegen
overstrooming moet beschermd worden. Zij liggen op den oever van groote
rivieren, maar ook aan de kleinere waterwegen. Wij noemen de dorpen
in de Haarlemmermeer en de Beemster; in Zuid-Holland: Kinderdijk,
Alblasserdam, Ridderkerk, Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam.

5. De _duindorpen_ en de dorpen op de geestgronden onderscheiden zich
door hun verstrooide, onregelmatige of centrale groepeering der huizen.

6. De _groepdorpen_ zijn overheerschend in Noord-Brabant, Limburg
en een gedeelte van Gelderland, maar ook in dat deel van België,
waarover zich ons onderzoek uitstrekt; m.a.w. in geheel ons zuidelijk
volksgebied. Zij vertoonen het Frankische type. "Groepdorpen" noemen
wij deze, omdat zij doorgaans hun ontstaan danken aan den drang der
bewoners, in grootere of kleinere groepen bij elkaar te wonen, zonder
dat die groep op verwantschap berust. De levendige, sociaal-aangelegde
aard, het Frankisch karakter met zijn Keltischen ondergrond, noopte hen
zich te vereenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten. Gehuchtsgewijze
hebben oorspronkelijk de talrijke verstrooide nederzettingen plaats
gehad, die de Frankische gouwen overdekken. Op den voorgrond staat
het begrip van de vrije deelbaarheid van den bodem, welke zich in die
streken reeds vroeg moet hebben ontwikkeld. Op kleine schaal heeft het
in bezit nemen van den bodem plaats gehad. De oudste nederzettingen
vormden zich op smalle, groene strooken, vlak aan het water, soms aan
weerszijden van een beek. Nergens is de grond zoo versnipperd: hoekjes,
kampjes, akkertjes liggen verstrooid door elkaar; de verstrooide
ligging van het grondbezit was nog willekeuriger en planloozer dan
in de akkerdorpen.

Alles wijst op partikularisme, op ontginning van partikulieren, die
onregelmatig en naar de omstandigheden hun kultuurland uitbreidden;
zie Blink, Studiën enz., t.a.p., dl. XXI, bl. I vlg.; Frost,
Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 129 vlg.

De bewoners waren buitenmate gehecht aan de plek hunner inwoning,
en de landgewoonte wilde, dat de landbezittingen door de ouders onder
de kinderen werden verdeeld. Dit leidde er toe, dat ieder boer moest
trachten het kultuurland uit te breiden; maar dit gebeurde buiten de
gemeenschap, het was overgelaten aan elks persoonlijk initiatief.

Versnippering van kultuurland en gemis aan aaneengesloten grondbezit
vindt men ook, en wel in hooge mate, in de Graafschap Zutfen,
ofschoon daar toch slechts een klein gedeelte der bevolking in
dorpskommen gevestigd is. De woningen staan er meestal over de velden
verspreid. Zij vertoonen het type der:

II. _Afzonderlijke hoeven_. Geïsoleerd liggende te midden van
de bijbehoorende landerijen dragen zij een Saksisch en Friesch
karakter. Men vindt ze dan ook in het Zuid-Oosten van Groningen, het
Westerwolder kwartier, in het Oosten van Overijsel en Gelderland,
in Twente en den Gelderschen Achterhoek, in Friesland, Noorden
Zuid-Holland en sporadisch op Frankischen bodem. Zoo treft men ze in
België, Nederland en Duitschland aan benoorden een lijn, die loopt
van Bergen langs de Dyle naar Leuven, en vandaar langs de Demer in
de richting van Maastricht. Bij Maaseyk gaat zij volgens Meitzen,
Siedelung und Agrarwesen I, bl. 517, over de Maas, en loopt dan
de Swalm opwaarts over Wegberg, Dahlen, Odenkirchen, Grefrath en
Neuss naar den Rijn, dien zij te Kaiserswerth kruist. Voor België
zijn typeerende voorbeelden: Berghem bij Brussel, Meygem bij Gent en
Ellicum bij Maaseyk. In Nederlandsch Limburg begint dus het gebied der
afzonderlijke hoeven benoorden Roermond en valt min of meer samen met
dat van het Frankisch-Keltische huis, waarover naderhand meer. Men
treft echter weer afzonderlijke hoeven aan in de zuidlimburgsche
zijdalen: Geuldal, Geleendal enz.

De meening van Meitzen, dat deze afzonderlijke hoeven niet van
Germaanschen, maar van Keltischen oorsprong zouden zijn, vindt niet
voldoende steun in den woontrant der Gallische, Britsche en Iersche
Kelten, terwijl zijne hypothese, die hiermee verband houdt, dat het
Keltische halle-huis als het type van het Nederlandsche woonhuis
moet worden beschouwd, beslist onwaar blijkt. Afzonderlijke hoeven
liggen in echt kern-Germaansche streken, die nimmer door Kelten zijn
bewoond, als in Noorwegen, noordelijk Zweden en op de Westkust van
Sleeswijk-Holstein.

Karakteristiek voor de nederzettingen in afzonderlijke hoeven is minder
de bouwtrant der huizen, dan wel de eigenaardigheid, dat elk huis door
de bijbehoorende landerijen omgeven is, en dat deze bezittingen in
kampen zijn verdeeld, d.i. kwadraatvormig begrensde stukken bouwgrond
of weiland, door afzonderlijke heggen of greppels omgeven. Deze
afgeslotenheid der afzonderlijke bezittingen heeft tot gevolg, dat
zij geïsoleerd verspreid liggen over de geheele uitgestrektheid van
het dorpsgebied. Het kultuurland ligt versnipperd en verstrooid,
omgeven door hagen en singels van hakhout. Iedere boer woont op een
afzonderlijk stuk gronds. Zóo is de gesteldheid van nederzetting en
grondverdeeling b.v. te Terborg, Lichtenvoorde, Varsseveld, Groenloo,
Beltrum enz. Waar men hier dorpen of gehuchtvormige huizengroepen
vindt, die kerk of markt omzoomen, zijn deze hoofdzakelijk niet door
landbouwers, maar door ambtenaren of neringdoenden bewoond.

Wat de verkeerswegen betreft: zij verbinden eigenlijk niet hoeve
met hoeve, maar dorp met dorp en stad met stad. De hoeven bereikt de
wandelaar slechts op zijpaden, en de bewoners trachten langs allerlei
zijweggetjes en dwarspaadjes, kriskras getrokken over de kampen heen,
kerk en markt te bereiken. Aan de hoofdstraat te wonen wordt heel
niet als een voordeel beschouwd.

Deze vorm van nederzettingen, die ook in geheel West-Duitschland van
Noord tot Zuid wordt aangetroffen, wortelt zeer zeker ten deele in het
stamkarakter, ten deele ook in oorspronkelijke familieverhoudingen: had
de landbouwer geen maagschap, stond hij met zijn familie geïsoleerd,
dan zal hij vaak zelfstandige bodemkultuur verkozen hebben boven een
zich-aaneensluiten met niet-verwante personen. Maar de machtigste
faktor was toch de gesteldheid van den bodem. Zoo was het b.v. in de
vette greidstreken van belang, het vee in de onmiddellijke nabijheid
van het huis te laten weiden. Verder treffen wij de afzonderlijke
hoeven daar aan, waar de betere grondgesteldheid en verscheidenheid van
den bodem aan een algemeene bebouwing der landerijen geen hinderpalen
in den weg stelde; terwijl de akkerdorpen bij al hun verruiming
en uitbreiding toch steeds oasen in het dorre heideland gebleven
zijn. Anderzijds duldde echter het feit, dat de bodem door watertjes
en rivier doorsneden was, geen inbezitneming van omvangrijke stukken.

Bij het erfrecht staat de ondeelbaarheid van hoeve en hoeveland op
den voorgrond. Alles lag hier bij elkaar, en wel in voldoende mate
om de familie te onderhouden. Waartoe zou men deelen, terwijl elders
nog zooveel gelegenheid tot nederzetting geboden werd? Daarom werden
jongere zoons en dochters, die de hoeve verlieten, met vee, huisraad
enz. tevreden gesteld, terwijl de boer zijn wensch kon vervullen:
de hoeve voor de familie te behouden. Zoo hoort men nog: "de hoeve
moet bij het bloed blijven", en "hoeve gaat boven kind".

Het heden ten dage geldende erfrecht heeft deze in het kern-Saksische
gedeelte van ons land ingewortelde rechtsbegrippen slechts onbelangrijk
kunnen wijzigen: in Twente, in den Achterhoek en elders is het erfrecht
Oudsaksich gebleven.

Elk boerenerf draagt zijn eigen naam en oorspronkelijk zijn eigen
huismerk: een eenvoudige, uit enkele lijnen samengestelde figuur,
later een monogram. De naam blijft aan het huis gehecht in weerwil
van alle wisseling van bezitters. Het "heem" of "heim" gaat boven
het geslacht. De hoevenamen zijn ouder dan de famielienamen.

III. Meerdere dezer dorpen zijn uitgegroeid tot _steden_ van den echt
Germaanschen stempel.

Verscheidene faktoren hebben tot den Nederlandschen stedenbouw
meegewerkt. De Kelten hadden steden als handelscentra; ik noemde reeds
Noviomagus, Batavodurum, Lugdunum Batavorum, Coriovallum. Om deze
centra zelf zette zich een belangrijke laag Romeinsche beschaving,
zoo b.v. Nijmegen, een bij uitstek belangrijk strategisch, staatkundig
en ook ekonomisch middelpunt, door Tacitus de stad der Batavieren bij
uitnemendheid genoemd: _Oppidum Batavorum_ (Hist. V, 19). Andere steden
van Romeinschen oorsprong vermeldde ik bl. 8. Tot de allervoornaamste
behoort zonder twijfel het oude Trecht, een plaats, door de natuurlijke
ligging aangewezen als grensstation. Over het bestuur en burgerrecht
dezer steden zijn wij slecht ingelicht.

De steden nu van beslist Germaanschen oorsprong, zooals gezegd uit
dorpen gegroeid, zijn te danken aan een geleidelijke ekonomische
ontwikkeling. De aanleiding, de stoot tot die ontwikkeling
werd gegeven door het bouwen van een kerk, het stichten van een
klooster, het optrekken van een burcht, welks heer ten slotte de
heer werd over de stad. Maar zeer juist zegt Prof. Brugmans in zijn
Oud Nederlandsche Steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling
(Leiden 1912), dat deze oorzaken niet steeds afzonderlijk werkten,
maar te zamen en in vereeniging: "Niet alleen omdat er een kasteel,
kerk, klooster of marke was ontstaan, vormde zich daar een tot
stad uitgegroeid dorp, maar omdat de plaats, waar dat kasteel,
die kerk, dat klooster of die marke gelegen was, gunstig was voor
het ontstaan van een handelscentrum. Dezelfde oorzaken, die eerst
het kasteel hebben doen ontstaan, doen daarna de stad uitgroeien;
beide zijn in hun soort, op eigene wijze, ekonomische middelpunten
van den omtrek. Veelal is de stedenformatie de resultante van een
parallelogram van krachten. Groningen b.v. is tegelijk een marke en
een markt, een landbouwdorp en een handelscentrum" (bl. 4).

De ekonomische emancipatie ging de politieke vooraf. Het
staatsgezag heeft hier niet scheppend, maar bevorderend en ten slotte
sanktioneerend gewerkt. Maar de voornaamste aanleidende oorzaak houdt
op de stad haar stempel gedrukt. Bisschop Balderik was de eigenlijke
stichter van het Middeleeuwsche Utrecht: en zoo draagt deze stad in
haar staatsrechtelijken en maatschappelijken bouw en ontwikkeling alle
eigenaardigheden van een bisschopsstad. Groningen is een gildestad. De
Friesche steden Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Leeuwarden
blijven het karakter vertoonen van zuivere landsteden. Nijmegen
is een keizersstad, Zutfen, met haar talrijke dochtersteden, een
grafelijke hofstad. Brugge, Gent, Yperen, Antwerpen, Amsterdam,
Dordrecht, Vlaardingen en het jongere Rotterdam zijn op-ende-op
handelssteden. Tot de min talrijke kategorie der gestichte steden
behoort 's Hertogenbosch.



III. De Boerenwoningen.


Bij de beschouwingen over dorp en dorpsgebied zijn wij eigenlijk
slechts aan de oppervlakte van het volksbestaan gebleven. De aard der
verschillende nederzettingen vergunde ons geen diepen blik te slaan
in het volksleven: het hart van dat leven, de intieme haard van dat
bestaan is het huis.

Hoe heeft ons volk op Nederlandschen bodem zich zijn heemstede gebouwd,
ter berging en ter schutse van zich en zijn gezin, ter berging van
veestapel en moeizaam verworven hooi- en vruchtenoogst? Hoe hebben onze
vaderen dit heem geformeerd, ten einde er hun welbehagen te vinden,
zonder in strijd te komen met ekonomische vereischten?

"De landman die zijn huis bouwt", aldus Stijn Streuvels in zijn
bekoorlijk-frissche boekje over De Landsche Woning in Vlaanderen
(Amsterdam), "heeft iets van de begaafdheden die eigen waren aan
den middeleeuwschen bouwmeester. In alles gebruikt hij overleg en
gezond verstand en hij streeft er naar om met 't minste middelen,
het grootst mogelijk uitwerksel te bekomen. Hij bekommert zich niet
om pracht of praal--een huis dient enkel om er in te wonen en alzoo
ziet hij er niet naar of denkt er nooit aan dat zijn huis langs de
straat moet staan... om gezien te worden, maar als 't zoo gelegen komt,
bouwt hij het met den achterkant naar de straat om 't met den voorkant
naar 't Oosten of 't Zuiden te keeren en alzoo licht en warmte op te
vangen--twee dingen die hem van groote waarde zijn" (bl. 17, 18).

Ik spreek hier alweer over den bouwtrant der boerenwoningen, en niet
der stadswoningen. Want in de boerenwoningen spreekt zich meer het
volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht,
is het oorspronkelijke het best bewaard. Daarom heeft tot nog toe
de wetenschappelijke volkskunde dan ook zoo goed als uitsluitend oog
gehad voor de landsche woning,--al zou het zeker de moeite loonen na
te gaan, hoe deze huistypen in de steden tot burgerwoningen werden
vervormd. Vooral het Oudhollandsche en Oudvlaamsche koopmanshuis met
zijn smalle straatfaçade, en evenzeer de visscherswoning, die zich
stellig niet tot de eilanden beperkt, zijn nadere onderzoekingen in
deze richting overwaard. Wat betreft de publikatie van Mr. S. Muller
en Prof. Dr. W. Vogelsang: Het Oud-Hollandsche Huis (Utrecht 1909),
deze ontwerpt een beeld van de Nederlandsche beschaving in de XVIIe
en XVIIIe eeuw aan de hand der Nederlandsche poppenhuizen; zie aldaar
over de indeeling en het gebruik van de Oudhollandsche patricische
huizen, bl. 26, 27. Vrijwel uitsluitend op historisch-architektonisch
gebied liggen de belangrijke bijdragen over onze Oudgeldersche gevels
van C. L. van Balen, gepubliceerd onder de rubriek "Oud-Limburg"
in Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43.

Dan ook,--de industrie blijkt hier opnieuw de gezworen vijandin van
het typische in den volksaard, zelfs in de landsche woning. Dit kan
weer niemand beter betoogen dan Stijn Streuvels: "Waar de nijverheid
ergens een landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt,
ziet men dien tooi en zorg aan de woningen gauw vergaan. Waar de
landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen,
zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij
niet om de woning een lachend uitzicht te geven. Gevels worden niet
meer gewit en de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen
heeft men niet meer van doen en wat de huisbaas aan de woning niet
wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die
streek en het landschap een ander uitzicht--iets als de kleurlooze
verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als een achterbuurt en
't geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid"
(De Landsche Woning, bl. 30).

Buiten beschouwing blijft hier ook het dorpshuis, niet hoeve
tevens, dat meestal in zijn tegenwoordigen vorm van jongen datum
is, afhankelijk van de gemeentelijke verordeningen. Wat de kleine
arbeiderswoning betreft, somtijds volgt zij op kleinere schaal het
type van het boerenhuis der streek. Maar de latere arbeiderswoning
vertoont meestal denzelfden droevigen internationalen stijl, dien
men ook in de kleine huizen der steden aantreft. Daarentegen gaat
de mijnwerkerswoning in Limburg, dank zij vooral de goede zorgen
der maatschappij "Ons Limburg", een aesthetisch en architektonisch
beslist beteren weg op.

De boer is in de wijze, waarop hij zijn woning bouwt, uitermate
konservatief. Gelijk zijn vaderen voor eeuwen hun hoeve ingericht
hadden, zoo doet hij het nog heden. Een treffend voorbeeld van dit
konservatisme geeft Prof. Gallée: "In de laatste vijf en twintig jaren
hebben groninger boeren aangevangen de heidevelden aan de Dedemsvaart
te ontginnen. Zij hebben hunne huizen en schuren daar naast die van
den overijsselschen landbouwer gevestigd. Men zou verwachten, dat
zij hun bedrijf zoo inrichtten als de sinds eeuwen en eeuwen daar
gezeten boer; maar neen. Terwijl deze op dezelfde wijze als zijn
stamgenooten aan Regge of IJssel zijn huis en hof heeft ingericht,
volgt de groninger boer daar aan de vaart geheel het friesche type,
waaraan hij in zijn groningsche land gewoon was." Zie het verslag
van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap 1907, bl. 12.

De verschillende typen van de Germaansche woning--en hiertoe behooren
de boerenwoningen van Groot-Nederland--zijn het voorwerp van nauwgezet
en scherpzinning onderzoek geweest bij onze oostelijke naburen. Ik
wensch hier slechts te wijzen op Rudolf Henning, Das Deutsche Haus in
seiner historischen Entwicklung, Quellen und Forschungen XLVII; Die
Deutschen Haustypen, Quellen und Forschungen LV, 2; Otto Lasius, Das
Friesische Bauernhaus in seiner Entwicklung während der letzten vier
Jahrhunderte, Quellen und Forschungen LV, I; vooral: August Meitzen,
Das Deutsche Haus in seinen volkstümlichen Formen (Berlin 1882) en:
Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen enz. (Berlin
1895), waar hij den Germaanschen woningbouw in de breede omlijsting
van het agrarische recht en de landbouwekonomie behandelt. Nu is op
het werk van Meitzen wel eens scherpe kritiek uitgeoefend, met name
door Karl Rhamm in Globus 1897, bl. 169 vlg., zóo scherp, dat hij
zelfs "in den bezüglichen Ausführungen Meitzens, wenigstens was die
Endergebnisse anbelangt, keinen Fortschritt gegen die Henningsche
Ära erblicken kann." Toch houdt het kloeke werk van Meitzen in deze
materie groote waarde en gezag,--al moeten wij Rhamm toegeven, dat
b.v. de theorie van den Keltischen oorsprong van het Saksische huis
verre van steekhoudend is (zie Siedelung und Agrarwesen I, bl. 184,
620; II, bl. 91 vlg.; III, bl. 126 vlg.).

De Nederlandsche bouwtrant is hoofdzakelijk onderzocht door wijlen
Prof. J. H. Gallée: Het Boerenhuis in Nederland en zijne bewoners
(Utrecht 1908), waaraan ik in de volgende uiteenzettingen dankbaar
meerdere gegevens en beschouwingen ontleen. Van de hand van denzelfden
geleerde verscheen een verhandeling in Les Pays-Bas (Cercle des
Journalistes étrangers), bl. 501 vlg., getiteld: Moeurs et Coutumes;
zie ook zijn rede gehouden in het Provinciaal Utrechtsch Genootschap,
medegedeeld in het Verslag van 5 Juni 1907.

Wij onderscheiden in ons land vier hoofdtypen: het Saksische,
het Friesche, het Frankisch-Keltische en het Frankisch-Romeinsche
type. Gallée noemt het Saksische type liever het halle-huis,
omdat het toch ook bij anderen dan Saksen gevonden wordt; en het
Frankisch-Keltische huis noemt hij liever het langgevel-type, of het
huis met den breeden, horizontalen voorgevel. Dit is ongetwijfeld
juist. Maar ik verkies uit praktisch oogpunt de benamingen, die in
verhouding staan tot de drie hoofdstammen, welke de bevolking van
Groot-Nederland uitmaken.

I. Het _Saksische type_ vertoont éen groote halle met hoog dak,
waaronder mensch en vee zonder eenige afscheiding huizen. Nu
vertegenwoordigt deze huisvorm echter niet alleen het alleroudste
Germaansche type, maar is in wezen met het oudste Indogermaansche type
identiek. Dit toch had den vorm van een vierkante hut, uit balken
en leem, rijshout en ruwe steenen, met of zonder mortel verbonden
opgetrokken. Wij onderscheiden twee lange en twee smalle zijden met
hoog en schuin dak. Driedeelig, met langwerpig grondvlak, vereenigt
het onder deze hellende afdakking woning, schuur en stalling.

Wijd en zijd vinden wij dit type verspreid. "Ueber die Anlage und die
Dimensionen des alt-europäischen viereckigen Hauses sind wir durch
sorgfältig ausgeführte Untersuchungen der Ueberreste von Ansiedlungen
im Erdboden an vielen Stellen Europas genau unterrichtet," schrijft
Sigmund Feist, Kultur, Ausbreitung und Herkunft der Indogermanen
(Berlin 1913). "Demnach ist der Urtypus dieses germanischen, slavischen
und griechischen Hauses ein Viereck, mit deutlich unterschiedener
Giebel und Langseite, der Herd steht ungefähr in der Mitte und eine
offene (oder spater geschlossene) Vorhalle von geringer Tiefe liegt vor
dem Hauptgebäude. Dieser Haustypus erstreckt sich von Norwegen durch
Norddeutschland, Polen und die Karpathenländer bis nach Griechenland
und Kleinasien (bl. 128, 129).

Maar dit type is toch vooral Saksisch. Hoe treffend b.v. de grenzen
van het Oudsaksische taaleigen en van "het huis met de lange deel"
elkaar dekken--behoudens enkele goed-verklaarbare afwijkingen--blijkt
wel het best uit Willi Pessler's opstel over de "Ethno-geographische
Wellen des Sachsentums" met bijgaande Is-ethnenkaart in het tijdschrift
Wörter und Sachen I, bl. 49 vlg. [6]

In het Saksische boerenhuis in zijn meest oorspronkelijken vorm
koncentreert zich alles om de deel. Aan de eene gevelzijde van het huis
woont de boer, de andere omspant een reuzenpoort, die naar de deel
leidt; aan weerszijde van het huis zijn de huisdieren ondergebracht;
hierbij valt op te merken, dat de koeien op de mest met de koppen
naar de deel gekeerd staan, waar de voedergoot is.

In de oudste huizen ontbreekt hier zoo goed als elke scheidsmuur of
schutting. Tegenover de groote schuurdeur, aan het andere eind van de
deel, bevindt zich de haard, waar de boerin den maaltijd bereidt en
waaromheen het gezin zich verzamelt. Deze open, vrij-liggende vuurstede
behoort mèt het omsloten-zijn van woning, stalling en schuur in éen
enkele ongescheiden ruimte tot de meest karakteristieke kenteekenen
van het Oudsaksische type en getuigt tevens van hooge oudheid.

In de groote, ruime halle heeft de boer heel zijn have en goed, heel
zijn bezittingen onder de oogen, in zijn onmiddellijke nabijheid. Zij
wordt begrensd door twee rijen van zuilen of stijlen. Boven deel
en stalling en woongedeelte verheft zich het hooge dak, dat als
bergplaats dient, en welks nok van voren naar achteren in éene
onafgebroken lijn doorloopt.

De ontwikkeling is tweeërlei richting gevolgd. Eenerzijds streefde
en streeft men er naar, den haard uit het midden naar den zijkant te
verdringen, uit de vrije, aloude woonruimte naar een engere keuken,
en hem een soort van hulphaard toe te voegen ter verwarming van een
meer moderne woonruimte, n.l. de kachel. Anderzijds tracht men woning,
stalling en schuur te scheiden, aanvankelijk nog onder éen dak,
dan over verschillende gebouwen verdeeld.

_a_. In Twente en in het Oosten der Graafschap vindt men nog het
"lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Als
ingang tot de deel dient de groote _bansdeure_ en _niendeure_, die
onder het eerste _gebint_ staan, terwijl het dak oversteekt. Deze
oversteek heet de _oos_ of de _onderschûr_ [7].

Daarnaast vindt men niet zelden rechts en links afhangende dakvakken,
waaronder veelal rechts de paardenstal is. De woonruimte is soms met
tegeltjes geplaveid. Aan den wand bij de voordeur is de _götte_ of
't waschhok; aan de andere zijde zijn de bedsteden. In sommige huizen
vindt men achter de bedsteden een kleine kamer voor "de deerns".

De stijlen, waarop het dak rust, worden twee aan twee door _bakke_
verbonden, die een _gebint_ vormen; het meerendeel der huizen heeft
vier gebinten. Op de stijlen worden de sporen gesteld, die zich
boven de dakspar vereenigen en een eind onder de dakspar door de
_hanenbalken_ samengehouden worden. Onderling zijn de balken verbonden
door de _balkensleete_, dunnere boomen, die de deel dekken; hierop
wordt het koren of hooi gevlijd. De groote opening, waardoor het
hooi wordt opgestoken, heet het _balkenslob_ (Gallée, het Boerenhuis,
bl. 45, 48).

Het Saksische boerenhuis munt uit door zijn ekonomische eenheid en
overzichtelijkheid. Bij den _haard_ is de zitplaats der boerin, die
van daaruit haar oog laat gaan door de geheele ruimte, om het doen
en laten, het komen en gaan, het rustelooze beweeglijke leven van
mensch en vee gade te slaan. Als op een open schouwtooneel speelt het
zich vóor den haard af. De arbeidsgemeenschap van daarbuiten wordt in
het inwendige des huizes voortgezet: nergens grijpt het veelzijdige
arbeidsleven zóo vastsluitend ineen, nergens is het samenleven van
familie en gezin zóo innig als onder het ruime Oudsaksische dak,
om den gezelligen Oudsaksischen haard.

Die haard, het middelpunt van dit oorkonservatieve familieleven,
de aan alle zijden vrijliggende _heerd_, de _raakkûle,_ is eigenlijk
en oorspronkelijk niets dan een rond gat in den bodem, omgeven door
steentjes. Hierop wordt het vuur van turf of _schadden_ en hout
ontstoken. Aan de eene zijde ligt het brandhout: dit is _den stòkhôk_.

Het vuur vlamt op en walmt op en hult somwijlen de heele ruimte in
dikke rookwolken, opkronkelend langs de stijlen en binten, een uitweg
zoekend langs het _balkenslop_, door de _walmgaten_, ja door de voegen
en naden van het stroodak, alles beroetend en besmeurend. Op den haard
wordt het vuur smeulende gehouden in de asch, en eerst wanneer gloed
noodig is, word het tot nieuw leven opgewekt. Zoo wordt naar aloude
zede bewaard het eeuwige haardvuur.

Vóor den haard, op de deel, worden de feestgelagen gehouden; daar
wordt het bruiloftsmaal gevierd; daar wordt lustig gedanst op het
oogstfeest; ... daar, in de gemeenschap van mensch en vee, op het
tooneel van het roerige, bonte alledaagsch-leven, wordt ook het lijk
ter schouw gelegd. Maar de gewichtigste en schoonste handeling van
het privaatleven, de blijde inkomst der bruid, het binnenleiden der
jonge huisvrouw in haar nieuwe huisgenootschap en het tooneel harer
huiselijke bezigheid,--die plechtigheid wordt bij den haard zelf
gevierd. Zij is van groote kultuur-historische beteekenis er in haar
bleef voortleven een der schoonste en zinrijkste handelingen van het
Indogermaansche bruiloftsritueel. De bruid--naderhand de meid--wordt
om den haard geleid ten teeken, dat zij daarvan bezit neemt; zij wordt
_gehaald_. Op dit gebruik kom ik in het Derde hoofdstuk (Privaatleven)
nader terug. Hierbij spelen ook de haal en de haalketting een voorname
rol, die aan de _wendezûle_, een zware, rechtopstaande stijl met
dwarsbalk, hangt. Aan de haal, die hooger en lager kan gesteld worden,
hangt de ketelhaak met den grooten ketel.

Bij de groote, eigenlijke hoeve bevinden zich veelal binnen een
omwalde of omheinde ruimte nog een hooischuur, meestal van hout,
met riet gedekt, dan een wagenschuur, een korenschuur (_het spîker_),
kalverstallen, bergplaatsen, varkenskotten, bijenschuur, waschhuis,
bakhuis enz.

Over een reusachtige uitgestrektheid van de Germaansche laaglanden is
dit type verspreid, omvattend de Saksische gouwen benoorden een lijn,
die van af de Maas--naar het heet nabij Venloo--in oostelijke richting
loopt en haar weg vervolgt over het Rothaargebergte. In Nederland--en
op Nederland past het boven beschreven type in de eerste plaats--vindt
men dezen huisvorm in het Oosten van Groningen, in Oost-Drente,
Overijsel, Gelderland, Utrecht, een groot deel van Zuid-Holland en
Limburg. Het zuiverste en meest archaïeke type vindt men in Twente
en den Achterhoek van Gelderland, Drente en Westerwolde; elders komen
verschillende varianten voor, ten deele onder te bespreken.

Een eigenaardig type treft men te Staphorst en Rouveen aan
(bl. 21). Gallée beschrijft dit type (Het Boerenhuis bl. 39 vlg.),
dat ook beoosten de Boorne, in een deel van Friesland gevonden
wordt, als een gemengd-Friesch type, en geeft het den naam van
"Zuiderzee-type". Zeker vallen hier Friesche bestanddeelen
waar te nemen. Maar op beslist Saksisch karakter wijst toch de
vrijliggende haard, de lange, ruime deel en de _banderdeur_. Thans
is de woning veelal van de schuur gescheiden door een _middelschot_
met _middeldeure_ of _milldeure_.

Men vindt dezen bouwtrant ook nog in het Gooi, bij Bussum, Hilversum,
Laren, Blaricum, Soest, de Vuursche. Volgens J. Claerhout, Biekorf
XXIV, bl. 312 komt de Oudsaksische bouworde mede in de Kempen voor.

_b_. Voor Twente vormt de Regge de westgrens van het zuivere,
onvermengde type. Westelijk van de Regge heeft men al vroeg een
scheidsmuur tusschen dorschvloer en woning, tusschen den koestal en
de bewoners opgericht. Op dezen scheidsmuur rust dan soms een zeer
lage zoldering boven het woonvertrek. Het hooi wordt hier geborgen in
afzonderlijke hooischuren of _hooibergen_. Deze bestaan uit vier of
vijf zware palen, de _bergroeden_, welke door een vierkant of vijfkant
dak steken, verplaatsbaar, van hout gemaakt en met riet gedekt.

De haard wordt verlegd naar den scheidsmuur of naar de keuken. De
ingang tot de keuken is nu eens in een gang, die van de voordeur tot
de deeldeur doorloopt, dan weer door een klein portaal. Aan de eene
zijde van de keuken is de opkamer, aan de andere een slaapplaats voor
de volwassen dochters.

Dit type komt met belangrijke wijzigingen hier en daar ook in
Noord-Brabant voor, b.v. in het land van Heusden en in de Langstraat.

_c_. "Ook in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden
van Tegelen, wordt een huistype gevonden, dat hiermede overeenkomt ...,
nergens echter met een hooiberg, noch met een dorschvloer in dezelfde
schuur met de koeien. Schijnbaar is er volkomen overeenkomst, doch
de langdeel ontbreekt en in de plaats daarvan heeft men een koestand
met mestvaalt en een gang voor den koestand langs den zijmuur. De
groote schuurdeur in den achtergrond geeft toegang tot de mestvaalt
en geeft gelegenheid om in te rijden met hooiwagens ten einde het
hooi boven de koeien te bergen. In een schuur achter het woonhuis is
de dorschvloer en daarboven de bergplaats voor koren, hooi en andere
gewassen ..." Aldus Gallée, Het Boerenhuis, bl. 57, 58.

De uitdrukking "in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten
noorden van Tegelen" kan ik niet beamen. Ik ontken niet het bestaan
van enkele hoeven, die dezen vorm vertoonen, benoorden Tegelen b.v. te
Well, Bergen, Gennep enz. Maar dit is een groote zeldzaamheid. Uit
autopsie weet ik, dat de gewone huisvorm in de omstreken van Venloo,
te Velden, Grubbenvorst, Horst, Arcen, Well, Wellerlooy, Bergen,
Afferden, Heijen enz. de Keltisch-Frankische is, reden, waarom ik
hierbij afzonderlijk een grondplan geef der boerenwoning van Venloo
en omstreken. Gallée geeft ook slechts één voorbeeld, n.l. een huis
te Gennep (pl. XIX, 3--5, pl. XXII, 8, 9).

Bij Willi Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner
geographischen Verbreitung (Braunschweig 1906), vind ik overeenstemmend
met mijne bevindingen bl. 137: "Jenseits der Maas in der holländischen
Provinz Limburg bei Venloo und Roermond finden sich keinerlei Anklänge,
sondern nur langgestreckte Wohnbauten, in denen Stuben, Viehstall,
Diele von einem Giebel bis zum anderen aneinander gereiht sind". Dan
stelt hij zich de vraag, bij welk Duitsch dorp beoosten Venloo de
huisgrens dan wel eigenlijk begint? Hij komt tot de slotsom, dat
wij "Gladbach, Hinsbeck und Leuth (alle Kreis Geldern) getrost mit
dem Zeichen des ausgestorbenen sächsischen Bauernhauses bezeichnen
können". Ik geloof, dat wij voor de dorpen benoorden Venloo tot
een zelfde konklusie kunnen komen. Wij bevinden ons hier in een
Saksisch menggebied, zooals de taalgrenzen uitwijzen; hierop kom
ik nader terug. Maar de Saksische bouwtrant mag men in deze streek
grootendeels als uitgestorven beschouwen.

_d_. Een laatste type is het T-huis of dwarshuis, in Noord-Brabant
_krukhuis_ genoemd. Hier is de schuur, die wat inrichting der
stijlen en van het dak, verdeeling der stalruimte en plaatsing van
deur betreft, met het hallehuis groote overeenkomst vertoont, in een
zijgevel ondergebracht, waarvan de dakspar met die van het woonhuis
een hoek van 90 graden vormt. Men vindt deze huizen langs Rijn,
IJssel en Vecht. In de Betuwe is het de meest voorkomende vorm; vrij
veelvuldig is hij ook in het land van Maas en Waal en in de Langstraat.

2. Het _Friesche type_.

_a_. De Friezen beschouwen als het voornaamste gedeelte hunner hoeve
de bewaarplaats van het hooi. Daar veeteelt en zuivelbereiding het
hoofdmiddel van hun bestaan uitmaken, is ruime hooiberging op de
allereerste plaats noodzakelijk. De hooiberg vormt dus het middelpunt,
waaromheen zich stalling, dorschvloer en melkerij groepeeren.

Hij verheft zich in het midden van een vrijwel kwadraatvormig
grondplan. Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in
den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog
rieten- of pannendak in den vorm eener pyramide wordt bekroond.

Dit viervakkig dak is het _stelpdak_, vanwaar de benaming: stelphoeve.

Waar de landbouw wordt uitgeoefend, die ruime berging van veldvruchten
en ruime dorschvloeren vereischt, daar neemt de schuur zeer groote
afmetingen aan. Aldus in Groningen en Friesland. Maar overal vindt
men hetzelfde grondbeginsel: de stapel, hooi of veldvruchten, vormt
het vierkant, waaromheen alles gelegen is.

De stijlen, _stenders_ of _zûlen,_ worden twee aan twee verbonden
door balken en onderling door twee dwarsleggers. Elk samenstel van
twee stijlen met een balk wordt een _bint_ genoemd. De ruimte binnen
vier van zulke stijlen heet het _vierkant_ of _vak_, in Friesland en
oostelijk _de golf_, in Noord-Holland _de tas_. Is éen vierkant niet
voldoende, dan worden de vakken vermeerderd en de schuur krijgt een
langwerpig uiterlijk (Gallée, Het Boerenhuis, bl. 17, 18).

Men heeft wel eens beweerd, dat het Friesche type zich uit het
Saksische heeft ontwikkeld, en wel door de deel met oogstgaven (hooi,
vruchten) te vullen en van wege het grootere brandgevaar huis en schuur
scherper te scheiden. Wat hiervan zij, dit eene staat vast, dat beide
typen in vroegere tijden veel dichter bij elkaar stonden. Bij het
Friesche type mist de boer het overzicht over het geheel, maar bij
de hoogopgevoerde ekonomische eischen is althans schijnbaar de vorm
van het éen-huis gered.

Dit type wordt aangetroffen in geheel Oost-Friesland, in Groningerland
en Noord-Holland tot even ten zuiden van Amsterdam. Verder in het
zuiden van Zuid-Holland (Alblasserwaard, IJselmonde, Beierland, Voorne,
het Dortsche eiland) en in den Zevenbergschenhoek in Brabant. Enkele,
en wel vrij oude vormen van dezen bouwtrant, vindt men in Zeeland.

Wat de stalling betreft dient te worden opgemerkt, dat het vee met den
kop naar den muur staat--dus omgekeerd als op de Saksische hoeve--en
met de achterzijde naar de stalgang. Elke koe, of elk paar koeien,
heeft een door planken of balken gescheiden stand. Het licht valt door
kleine venstertjes, veelal van gordijntjes voorzien. De zindelijkheid
is overal bepaald voorbeeldig te noemen. De meeste boerderijen hebben
een reusachtigen melkkelder, thans zoo goed als overbodig, daar de
bewerking der melk meestal in de centrifuges plaats heeft.

De dorschvloer heet in Noord-Holland de _darsch_. Aan de keuken, waar
de groote schouw is, geeft men in Friesland den naam van _pîzel_:
eigenlijk was dit de naam van de groote hang of schouw zelf, Latijn
_pensile._ Bij den Frieschen huisvorm in Duitschland beduidt _pêsel_
de woonkamer of feestzaal.

Voor België vind ik hieromtrent bij Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 313
na de beschrijving van het Friesche type het volgende: "Zulke
Friesche hofsteden zijn er in Westvlaanderen niet te vinden, maar
de Westvlaamsche bergschuur, hier en daar nog te zien, namelijk te
Leffinghe, te Snaeskerke, te Steenkerke, te Heyst en te Ramskapelle
en wellicht elders, moet ook door Friezen gebouwd zijn, want zij
vertoont de gedaante eener Friesche hofstede; 't en is maar de woning
van den boer die er in te kort is." Een grondig onderzoek in deze is
m.i. noodzakelijk en kan tot hoogst belangrijke resultaten leiden.

_b_. Terwijl het type der eigenlijke Stelphoeve vrij zuiver in
Noord-Holland, met name in de Streek, wordt aangetroffen, vindt men in
Friesland en Groningen meestal het gewijzigde type van "de hoeve met
de lange schuur". Hier is het vierkant tot een rechthoek verlengd,
terwijl woning en schuur niet onder één dak zijn vereenigd. Het
woonhuis is daar met de schuur door een smal dwarshuis verbonden,
dat zich uit de verbindingsgang heeft ontwikkeld, of de woning is
dwars vóor de schuur gebouwd.

Van de eilanden heeft Terschelling het Friesche type. Ameland
is daarentegen geheel afwijkend; óok in taal en kleeding komen de
bewoners het meest met die van Holland om Amsterdam overeen.

3. Het _Frankisch-Keltische of langgevel-type._

Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast
elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de
voorstal, de koestal, de deel (veelal _den_ geheeten), de schuur
of bergplaats voor hooi en stroo, en de _schop_ of bergplaats voor
gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend,
en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan.

Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek
in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den
gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis,
veelal ook kortweg _het huis_ of _de heerd_ genoemd. Hier is de
stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den
haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (_stort_)
enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden
_voorstal_, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is
aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier
aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal,
deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren,
naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in
den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De
ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst
onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de
zindelijkheid vaak te wenschen over.

Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men
bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve
in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een
ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het
sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk,
Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée,
Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn
langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen,
Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk
bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de
westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote
of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats
en varkenskotten.

_b_. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast
overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle
den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij
groot. De schuurruimte bestaat uit eenige _winkels_ of _tassen_ voor
de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij
de koe- en paardenstallen.

Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook
hier wordt de daknaald door de sporen gedragen.

Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het
type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij
huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en
Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand,
men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in
Belgisch Limburg.

Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in
Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij
de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in
Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal
vertoont hier Keltischen inslag.

4. Het _Frankisch-Romeinsche type_, of de "Zuidlimburgsche hoeve"
begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo.

De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is
steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de
zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige,
ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de _luif_ (vgl. luifel),
d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke _luif_
bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis;
dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde
als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt
voor de oogstkar dwars over de mestvaalt.

Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten
vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk
met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op
de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft
ramen aan de straat.

Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de
zoogenaamde "pachthoeven". De kleinere hoeven daarentegen behelpen
zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door
een _schop_.

Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout,
Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen in Oostvlaanderen,
Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen,
b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler,
Oud Nederland ('s-Gravenhage 1888), bl. 112.

Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude
Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, "de binnenplaats
daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De
gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat
zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard
hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk
van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het
schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt
het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn
geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint;
overigens zijn de kleuren weinig sprekend" (bl. XXII).

Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en
strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of
de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende
overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn
gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het
_compluvium_. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg
verscheidene Romenische _villa's_ zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870
door Habets op het plateau "op den Billich" ten Zuiden van Haasdal,
gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda
bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de
inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de
Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te
Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht:
"Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende
staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts
door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene
breede achtergalerij wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog
in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men
onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte
in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter
bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet
men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de
achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw" (bl. 34,
35). Zeer onlangs, van 1911-'13, werden door dezelfde oudheidkundigen
opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal,
gemeente Bocholz.

Over het grondtype der Romeinsche _villae_ vindt men een uitvoerige
beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers
Maandschrift 1907.

In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk,
dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun
invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens
geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door
lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de
konstruktie der Lombardische kloosters.

De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische
waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde
Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst.



IV. Volkstypen en Kleederdrachten.


1. Het somatische volkstype.


Het spreekt wel van zelf, dat men het type der oorspronkelijke bewoners
het zuiverst ten platten lande aantreft. De vermenging met vreemd
bloed is het sterkst geweest en is dit nog in de groote steden. Ook
zijn historische momenten in deze van grooten invloed geweest; laat ik
slechts wijzen op Spanje,--al is de bewering onjuist, dat de Zeeuwsche
bevolking haar donker uiterlijk aan een vermenging met Spaansch
bloed te danken zou hebben--"mariage de la neige et du soleil"--en
op de Fransche uitgeweken Protestanten. Somatisch en maatschappelijk
nemen ook de Israëlieten, ofschoon sinds lang staatsrechtelijk en
burgerrechtelijk met de overige ingezetenen van de Nederlanden volkomen
gelijkgesteld, nog steeds een eenigszins afgezonderde positie in.

Zooals wij hebben aangetoond, behoort de bevolking van Nederland voor
het meerendeel tot het Teutonische of Germaansche en tot het Alpine
of Keltische ras.

Het Teutonische ras is langhoofdig (dolichocephaal), lichtblond van
haar, grijs-blauw van oog en rijzig van gestalte. Het Alpine ras
is korthoofdig of rondschedelig (brachycephaal), donkerblond tot
zwart van haar, bruinoogig, en meer middelmatig van lichaamsbouw:
over het algemeen is dit ras sterker gepigmenteerd. Daar nu juist
de pigmentatie zich het best van de drie kenmerken tot een globaal
overzicht bij een rassenonderzoek leent, heeft Prof. Bolk te dezen
einde in de verschillende provincies van Nederland gegevens verzameld
omtrent het voorkomen der onderscheiden oog- en haarkleuren. Zijne
resultaten heeft hij neergelegd in de Verslagen der Koninkl. Akad. van
Wetenschappen te Amsterdam, 5 Mei 1904, en in Gallée's meermalen
aangehaald werk over het Boerenhuis in Nederland, Bijlage III, bl. 12
vlg. Wij ontleenen hieraan het volgende.

Het lichte oog is in het Noorden van ons land het talrijkst, en naar
het Zuiden toe ziet men dit allengs minder talrijk worden, om in de
beide meest zuidelijke provinciën--Limburg en Zeeland-- het minimum
te bereiken. Hand in hand daarmede neemt in zuidelijke richting de
bruinoogigheid toe. Ten opzichte van dit verschijnsel kan men het
land in drie zònen verdeelen. De vier noordelijkste provinciën hebben
gezamenlijk 79.1 procent lichtoogigen, de vier provinciën, die de
middelzône innemen, 69.9, en de drie zuidelijke provincies gezamenlijk
gemiddeld 60.5. Vergelijkt men met deze cijfers de vermindering der
blondharigen, dan blijkt het, dat deze beide verschijnselen vrijwel
evenwijdig verloopende reeksen vormen, n.l. de noordelijke zône staat
bovenaan met 80 procent blondharigen, dan volgt de middelste met 72.2,
dan de zuidelijke met 64.2. Duidelijkheidshalve zij nog vermeld,
dat de noordelijke zône omvat de provincies Groningen, Friesland,
Drente en Overijssel; de middelzône Gelderland, Utrecht en Holland;
de zuidelijke Limburg, Brabant en Zeeland. De totale vermindering
aan lichtoogigen bedraagt dus 18.6%, aan blondharigen 15.7%.

Ter vergelijking volge hier een staatje, waaruit blijkt, hoe ook in
Duitschland het blonde type van het Noorden naar het Zuiden afneemt. De
pigmentatie van haar, oog en huid is hier gezamenlijk genomen.


    Noord-Duitschland   43-33%     blondinen,   12-7%   brunetten
    Middel-Duitschland  32.5-30%      ,,        18-13%     ,,
    Zuid-Duitschland    24.5-18.4%    ,,        12-7%      ,,


Uit het hooge percentage aan brunetten in de zuidelijke zone van ons
land blijkt ook weer, dat de bewoners van Noord-Brabant, Limburg,
zuidoostelijk Gelderland en Zeeland een eenheid vormen, welke geen
andere is dan de eenheid van het Alpine ras. Deze bevolking zet zich
ook in België voort tot op het plateau der Ardennen.

Nu zou men verwachten, dat met het brunettengehalte ook de
brachycephalie in zuidelijke richting zou toenemen; immers het
Teutonische ras is lang-, het Alpine rondhoofdig. Maar de verandering
in den _index cephalicus_ (die de verhouding aangeeft van de lengte
tot de breedte van het hoofd) blijkt bijna geheel onafhankelijk van de
veranderingen in het brunettenpercentage; terwijl het brunettengehalte
in zuidelijke richting toeneemt, neemt de brachycephalie toe in
oostelijke richting. Deze toestand is dus niet primair: de noordelijke,
blonde bevolking is rondhoofdig, en de donkere rondhoofdige bevolking
van de zuidelijke gewesten is meer langhoofdig geworden. Prof. Bolk,
De Bevolking van Nederland t.a.p. bl. 182 vlg. verklaart dit zóo,
"dat een uit het Oosten afkomstig volkstype, dat blond en rondhoofdig
is, zich gemengd heeft met de oorspronkelijke langhoofdige bevolking
onzer Noordelijke provinciën, en de geschiedenis leert ons, dat
deze volksstam de zoogenaamde Saksen waren." Wat nu deze Saksen
betreft, "een ding kan men wel als vaststaand beschouwen, dat
zij anthropologisch niet als zuivere Teutonen of Germanen zijn te
beschouwen. M.i. komt eene verwantschap met de Slavische bevolking
van het westelijke en middelste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte
veel meer in aanmerking" (bl. 185, 186).

Dat de tegenwoordige bevolking van Zeeland langhoofdig is geworden, is
te danken aan de vermenging van het alpine type met het Teutonische,
nl. met de Friezen. De fusie is echter eerst na 1500 tot stand
gekomen. "Deze kruising mag vooral door de kombinatie van het bruine
oog met het lang ovale aangezicht een zeer gelukkige genoemd worden. De
Zeeuwsche bevolking geldt met recht als een der schoonste van Europa".

Laat ik hier ten slotte nog aanstippen, dat volgens Prof. Bolk het
Germaansche type het zuiverst bewaard is gebleven in de dorpen Katwijk
en Noordwijk, misschien in 't algemeen in de visschersbevolking van
onze Hollandsche Noordzeekust, en het Alpinetype in de omstreken
van Venlo. Het wil mij echter voorkomen, dat de frekwentie van het
brunette type in Zuid-Limburg veel grooter is. Wellicht komt hier
echter de invloed der Romaniseering in het spel.

Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur
l'Ethnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van
het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage
aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen.

Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De
eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg,
Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der
personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid.



2. Het psychische volkstype.


De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het
flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard "lost zich op in
de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen,
koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand,
niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot":
R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk
(zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8.

Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep
bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar
ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over
tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot
flauwheid en Jan-Salie-geest.

De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst
dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den
uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme
en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet
vreemd--de geschiedenis getuigt het--maar hij gaat niet graag over ijs
van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is
hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid
en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert
zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie
vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar
zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die
zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet
zelden in bandeloosheid ontaardt.

Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het
algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van
woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van
het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen
tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De
vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende
inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid.

De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord
en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de
zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig
de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of
inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor
luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid
overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling,
meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid,
wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er
meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker,
de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot
uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende
oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter
ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog
verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe
plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch
tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw--lokaal bedrijf bij
uitstek--behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude
gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke
hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar
leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel
der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken
van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name
in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van
invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met
haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit
de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den
streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den
katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het
streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke
Volendam jolig, opgewekt en vroolijk.

Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet,
stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. Weinig sprekend--het
is waar--is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de
gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van
de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid
en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt,
spreekwoordelijk werd.

De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid
van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de
sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd
den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in
soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins
wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid
en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed
op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid,
die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch
karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet
groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.--In de plaatselijke
nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller,
goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer
dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche
veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der
kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit
van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij
de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te
midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging,
waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den
Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje:
Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg.

Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van
het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor
het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische type
toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige
en godsdienstige overwicht van Holland--zij het ook maar officiëel--min
of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising
van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot
dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van
affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten
onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest,
terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De
Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en
Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens,
wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden,
denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidt's golf-theorie.

Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm
tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische
Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is
losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met
het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt
het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen
zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes
samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk
ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit
hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde
eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies,
ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen.

Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg,
de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken
in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met
den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden
zielsparfum.--Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid
en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid
geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal en in de
Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter
bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie
schets geeft: "De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn
de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen
aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker,
veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders
niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars
bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die
even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en
optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier:
Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle
verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen,
en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg
voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen:


            "Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang
            Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang."


Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger
en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne
menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan
wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken,
die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden
van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche
kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en
opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg.

Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders,
wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de
primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn
zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede
door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de
kalme Hollanders afsteken".



3. Kleederdracht en versierselen.


Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878
te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van
hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog
voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste
stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van
dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het
Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland
('s Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan,
Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare
Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het
eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes
(Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude,
nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen.

_a_. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog
bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok
_het onderst_, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente _de
kroplap_ genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te
steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop
en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren
draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover
het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange
floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland,
Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten
Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten.

Het Friesche _oorijzer_ was oorspronkelijk een ring, zooals nog de
Zeeuwsche benaming "beugel" of "hoepel" getuigt. Inderdaad leeft
in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of
diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige
J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring van Epe, Overijsselsche
Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle
ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel
buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch
landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een
hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber,
Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler
is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen,
waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel.

Een hoofdring, gevonden bij een grooten _cairn_ in de gemeente
Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede
opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in
twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze
uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus
het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het
boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen
ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den
hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de
ooren schuins naar beneden om: van hier de naam "oorijzer". Deze
wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer
van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de
afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen
punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het
Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men
kon ook--en dit was de latere Hollandsche behandeling--den hoofdband,
tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den
geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de
hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt
bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant
en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken
heeten in Holland _boeken_ of _pooten_, in haakvorm _token_. Men
gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen,
bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van _stiften_,
in Friesland van _knoppen_, in Zeeland van _stikken_. Daar, waar
men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de
haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen:
vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de
Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee.

De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het
metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men
hoort ook "hoofdijzer", of kortweg "ijzer". Maar in werkelijkheid
worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van
koper, verguld koper, zilver of goud.

Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij
de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de
Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche
dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het
aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk
Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het
grootste deel van West-Vlaanderen.

Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als
de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze
onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven
ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal
aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het
oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het
vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De
naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden
gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere
naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen.

Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot
het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en
meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. Marken heeft
een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude
Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak
achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij
grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt
zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het
bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg
en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82).

_b_. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen
droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan
het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee
rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden
knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die
men _broekstrikken_ noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen,
eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen
rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en
de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt.

De _Zeeuwsche knoop_ en gordel- of broekplaat gaan terug tot den
primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen
deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze
spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden,
getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De
groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om
lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De
knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied;
de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken
en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met
ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en
platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven
belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus
bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de
Zuiderzee; de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk.

De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het "onderst" heet in
Zeeland _de beuk_: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met
zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en
bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier _de beugel_ of _hoepel_
genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de _krullen_ en zij
hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker;
aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men _strikken_ noemt,
ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet.

De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan,
sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit
de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk _de langet muts_, ook in
Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter
met een lintje bij, reden waarom ze _trekmuts_ heet. Daarover draagt
men aldaar een geelstrooien _kaphoed_, aan de achterzijde met een
smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan
de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland
onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde,
rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het
achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel
grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant;
bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In
westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men
een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is
van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg _de
kant_. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor.

Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen,
eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst
onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die
althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze
overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op ontleening
berusten. De min of meer kostbare kant, met _het pasje_ er aan, daalt
langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen
eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook
langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man,
Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz.

In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge
en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de
dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder,
zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas
en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het
nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen,
tot Kortrijk en Poperinghe toe.

_c_. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met
zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg,
Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die
wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit
gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel-
en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen
knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks
twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als
model gelden.

In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar
de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben
de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij
de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische
huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht,
omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een
vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente
tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond.

Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met
die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die nog de oude
dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes
de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop
onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts.

_d_. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche
kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel
en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek
verdwenen. Maar typisch is de _pijjekker_ of lange jas, die over
het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de
grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het
de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient.

Het meisje draagt in de eerste jaren _de bonnet_, een zwarte, zijden
muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart,
waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of _knipmuts_ heeft van
voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger
was die "streppel" heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en
Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een
huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter
hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over
de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij
feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog
een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar
meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens
een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen
of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt
men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden
wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd
verdrongen.

_e_. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in
Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en
vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De
blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de
omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan de kleedij
nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje,
dat de vrouw om het hoofd draagt, heet _het pläkske_. De mannen
dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het
gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden.

Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met
de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone
dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche "groote muts",
de zoogenaamde _huifmuts_. Over de gladgestreken haren gaat eerst de
zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop
wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men _de poffer_
noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog
een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom,
Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met
haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland
hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875)
III, bl. 755.

Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met
zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare
spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel
gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge,
Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel
Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin
wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den _neuzik_ of _neusdoek_,
een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders
gedragen wordt.

Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die
voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch
in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van
zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult,
terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar
vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen
bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij kerkgang in
engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen
kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor
enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet
onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek
gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een
soort cloak van vrij dikke stof, die men 's winters en 's zomers bij
regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd
zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in
het Land van Hulst.

Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in
Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische
gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken
in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud
met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet _de
schoef_. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins
gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer
hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring
met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in
Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak,
die uit verschillende stukken is samengesteld.




DE VOLKSRELIGIE.


I. Volksreligie en Geestenwereld.


Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven
der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te
schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen
moge: "religie des volks" en "volksreligie" zijn niet synoniem. Deze
laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van
christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het
religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn
kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der
Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming,
uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der
onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de
natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst.

In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken
synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en
christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het
volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden
met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het
kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het
gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar
feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het
kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar
draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg,
dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring,
waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der
volksreligie het meest treffend tot uiting komt.

Ik zeg: "waar het volksgeloof strikt-populair blijft", en bedoel
hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk
geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel,
kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering
rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin
uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten
wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen
en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche
of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een
onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal
de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien
van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken,
of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den
palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan
dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name
verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke
animistische nuance verre blijft.

In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde
een _natuurlijke_ en een _historische laag_.

I. Op den bodem der _menschelijke natuur_ liggen de begrippen van
Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet
alleen bij de kultuurvolken, maar--zij het ook in de grilligste vormen
gehuld--insgelijks bij de minst beschaafde stammen.

Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener
steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des
volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden
van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen
van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het
heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral
Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd
in zijn Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme (Berlin
1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen,
neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch
tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing
van het _animisme_: het toekennen van een ziel aan alle dingen,
bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand,
waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen
hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch,
dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er
is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke
lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en
rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en
Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore
(Venloo 1910), bl. 51, 52.

Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de
mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst
tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel
toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de
_Vegetationsdämon_, die in de Germaansche boomvereering zulk een
gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten
bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen
met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met
een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der
vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn
verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats,
dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers
en dergelijke.

Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het
animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een
primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming
met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte
is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken
volkskultus te spreken, wanneer geen hooger bestanddeel aanwezig
is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid
eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding,
die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het
gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere
mate een vaag begrip van "boomziel" gemoeid zijn,--een "boomdienst" is
dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom
onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten
bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder
leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van
dit volksgeloof in de vereering--zoo daarvan sprake kan zijn--van
het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op
vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is.

II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de _Germaansche
Mythologie,_ die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche
folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een
lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin,
d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt
door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken,
weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide
daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige
wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door
erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus
werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden
der Oude Germanen.

Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze
volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze
het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en
bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar,
Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland,
koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar
de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle,
de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen het dorp Elspeet
en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder
den naam van _de hulde_ of _het hul_, verdeeld in een kleine en
groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als
verbastering van het Engelsche _hill_ "heuvel". Evenwel, "daar de
legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een
reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud;
daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een
Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken":
Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore
voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met
schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt.

Want Vrouw Holle is de koningin der _elfen_: deze toch, de lievelingen
der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen,
zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze
wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in
bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun
eigen koning hebben ze, den _Alfen-, Ellen_- of _Erlen_-koning, in
het Fransch _roi des aunes_. Het woord _elf_, Middelnederl. _elf_
of _alf_, Angelsaks. _aelf_, is verwant met het Oudindische _rbhu_
"geest, ziel van een afgestorvene". In onze Middelnederlandsche
letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige
beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in
de Sotternije van Lippijn 105:


        Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht
        Met alven ende met elvinnen.


En aldaar 146:


        Wat! ben ic dronken van den biere
        Ochte vlieghen dalve achter straten?


Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in
De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29.

Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de _Witte
Vrouwen_ met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in
Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen
neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze _guede holden_
en _belewitten_, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten,
later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller
in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast
aan haar en spreekt het anathema uit over allen, "die door ignorantie
van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven
verhaalt wert." Vooral in het Oosten van ons land zijn de _Witte
Wiêven_ bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche
bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn
Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn "in N.-Brabant,
Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus
genoemde West-Friesland of N.-Holland", en, naar hij, meent, ook in
Zeeland. "In het eigenlijke Holland en Utrecht" heeft hij daarvan geen
sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, _wiêvenbelter_ geheeten,
meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk;
zoo wonen zij te Buurse (O.) in den _Langenbelt_, en daar worden
nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te
Vriezenveen (O.) huisden zij op de _Jöst_. Niet zelden klopten zij
's avonds aan en vroegen dan om een _balkenhaze_ (kat); bij weigerend
antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het
varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden
zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens
is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot
Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit
haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd,
sprak haar toe:


                Witte wiêven wit!
        'k Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit;
        En um da'k neet hebbe en spit,
        Roop ik moar: witte wiêven wit!


Hierop antwoordden de geesten: "Wacht tot da' we deene schoband to
eknupt en doare' to erukt hebt". Maar de boer was zoo verstandig,
niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma,
Overijss. Alman. 1837, bl. 242.

Elders worden zij _Witte Juffers_ genoemd. Dr. L. Jansen heeft
verhaald over "de witte Juffer van Monferland", een berg, rond en
begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar 's Heerenberg (G.),
zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte
Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag
bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en
koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen,
en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat
bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn
Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I,
bl. 213 van de Witte Juffer van het "Gebroken Slot" bij Grubbenvorst;
Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven (Leeuwarden 1895) I,
bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie,
en van de Juffersbrug te Harlingen.

Tot de elfen behooren ook de _dwergen_ of _aardmannetjes_, in Noord-
en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden
zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen
baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen
zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht
wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel,
die de bergen aan het oog onttrekt.

Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch
verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw,
bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen,
vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de
zoogenaamde _haagten_, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden
o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar
men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij
op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op
den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de
aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond
kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten,
zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek
van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in
Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek.

Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen
diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht,
in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk
blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen
en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en
daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden:
want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen,
en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot,
Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel
in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche
bosch b.v. droeg een plaats den naam van _Aardmanshegge_.

De aardmannetjes heetten ook _alvermannekes, auvermannekes, laplanders,
klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes,
heuvelmannetjes_ enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in
zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de
_'Aimpies_, in Vlaanderen ook _de Alven_. Vandaar de uitdrukking: "gij
zult door d'Alven geleid worden", d.i. door de geesten, die iemand
het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven
aan _den Dalf_ in het land van Aalst en aan _den Als_ in de buurt
van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes
(Antwerpen 1898), bl. 136, moet _den Alf_, geest, die 's nachts de
reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden
worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160;
Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen,
no. 3 474, 475, 476, 479.

Eigenlijk verschillen van deze groep de _kaboutermannetjes_, ook wel
_boezemannen_ en _kobolden_ geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden
en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer
in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al
hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk
uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de
Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van
de _klabouters_ of _nachtwerkertjes_ had. Veelal werd ter vergelding
voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een
schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat
is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje;
zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg.

Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der
aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het
volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.--
Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206--211, 477, 478; V. D. Bergh,
Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters,
Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59.

De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en _meerminnen_. Zij
bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men
's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook
weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en
trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde
waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat
der oude Sirenen.

Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de
nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. "de Meermin"; zie Volkskunde
XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met
een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken,
dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken:


    Muden sal Muden bliven
    Muden en sal noit bekliven.


Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren
schild, vastgehouden door twee meerminnen.--In de groote kerk te Edam
op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin
afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde
van het "groene wijf", met dit bijschrift:


    Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis
    Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.
                    Anno 1403.


Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een
monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen
mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie
F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202.

Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan
watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de
_weiers_ (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent
men de _Grijze Meer_. Kinderen maakt men bang met den _waterwolf_,
om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de
watergeesten den naam van _nekkers_. Ook in Overijssel worden of
werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers
hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de _watersnaak_.

Wat betreft de in België niet onbekende _boschnimfen_, die in
Duitschland de typische benamingen van _Moosfräulein, Wald-weiblein,
Selige Fräulein_ e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In
Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud
moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote
voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren,
die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle
nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer "der Wald raucht",
dan pleegt men te zeggen: "Das Buschweibchen kocht".

's Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door
't geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen
giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de _Wilde
Jacht,_ die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De
voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend Germaansch. In de hymnen
van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra
aan het hoofd van zijne _Maruts_. In de Germaansche landen voerde
Wôdan op zijn schimmel _Sleipnir_ het geestenheir aan. In den loop
der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats
betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar,
in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling
overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens
een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de
spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt.

Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager
verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd,
met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den
jongsten dag. Hij draagt den naam van _Hackelberg_, uit _hackel
bärend_ "mantel dragend". Het Limburgsche folklore kent deze figuur
onder de benaming van "Henske met de hond"; "Henske" wordt ook
als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk
van de _Berndekesjacht_, en wordt als voorrijder genoemd _Dirk met
den beer_. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en
verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve "d'n bòvenste neendure"
's avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens
daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de
jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender;
vergel. Driem. Bladen III, bl. 3.

Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een
aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe
in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat
het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit
dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de _Aasgaardsreia_
in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van _Helsche Jacht_ of
_Helsche Wagel_, ook wel van _Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht_
(Hageland) en, evenals rond Leuven, _Tilkesjacht_: wonderschoone
muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar men
weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van
de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt
stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen,
oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het
geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die
zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde
men aan een "vurigen" of "gloeienden" wagen, met vier of zes honden
bespannen,; en insgelijks sprak men van een "ijzeren" wagen, onder
vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante,
rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men
den _Helwagen_, te Zwartewaal in Zuid-Holland den _Oogstwagen_ met
overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9;
't Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191.

Een animistisch karakter vertoont ook de _weerwolf_, letterlijk
"manwolf", immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische
_wair_ en het Latijnsche _vir_, dat wij ook nog hebben in ons
"weergeld" d.i. "man-geld." De term "Lykanthropie" is van het
overeenkomstige Grieksche woord afgeleid.

De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral
vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante
trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus,
Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890),
bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de
massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie
Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer;
hij is niet de "man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met
gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche
sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt
met een ketting.--Deze _Kludde_, die, naar het schijnt, benoorden
Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van _Lodder_, de plaats van
den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en
vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij _Kledden_, te Brecht _Klodde
met zijn bellen_. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men
dat zij "Kledden-loopen." Ook komt hij wel overeen met den grappigen
Gelderschen _Stoep_, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den
rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909)
I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142.

Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige
personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks
Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch,
daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende
blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen
van de wolfshuid of den wolfsgordel--men vergelijke het aanleggen
van het zwanenhemd--, in de volkstaal kortweg "het vel" geheeten;
vgl. de uitdrukking "uit zijn vel springen", waarover Prof. Verdam,
Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel,
van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897--98, bl. 46.

Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur
het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van
de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en
zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele
in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen
en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de
weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een
zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een
man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent
men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland,
in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde
huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men
erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen
de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep
over den weg, zeggende: "Als ge van God komt, dan nader; als ge
van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep." Hij toont zich ook
dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder
III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II,
bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken,
Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2.

Nauwverwant is de _mare_ of nachtmerrie. Het Middelnederl. _mâre_,
nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is
verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche _mara_ en beteekent
"nachtspook, nachtbelemmering"; in Noord-Brabant spreekt men dan ook
van _nachtmaar_. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel,
die zoowel in ons _meren_ "vastleggen, binden", als in _marren_
"talmen, dralen" steekt. Met ons woord _alfdruk_ vergelijke men het
Fransche _cauchemar: cauche_ is afkomstig van het Latijnsche _calcare_
"drukken".

Wat bewoog het volk, de termen _nachtmare_ en _merrie_ in verband te
brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt
zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en
zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten
voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard,
een _merrie_, die den slapende _berijdt_, vandaar de uitdrukking:
_marenrit_. Bij ons te lande hoort men de verwensching: "Ik wou, dat
je de maar reed". Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval
van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt _mare_ met het niet
vermaagschapte _merrie_; godsdiensthistorisch met den slaap en droom
als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is.

Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel
toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet
slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de
paarden 's nachts door de _maar_ gereden, dan vindt men ze 's morgens
nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan
gebeuren, dat men de _maar_ in den stal verrast; dan zit ze onder de
krib, te Heerlen onder het paard zelf, in de gedaante van een oud wijf,
dat bezig is, met het haar te kammen.

Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of
plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de
schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw,
bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren
liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een
paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men
beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de
kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In
België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond;
dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52
verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in
huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan.

Ook marentakken (_viscum album_) houden de nachtmerrie uit den
stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit
geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen
voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij
de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust--als op de
korenhalmen of de hop,--of dewijl hij den boom drukt evenals de mare
den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen
der Plantlore.

Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever,
vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde
vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje,
een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen
en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de
volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten
gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen
zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van
een krekel, zich op weg begeven naar een sadagoristruik en weer den
neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den
Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de
gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto
van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den
rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën,
bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf,
Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI,
bl. 132; Biekorf V, bl. 301.

De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens,
die men _heksen_ heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag
men--hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen
is vermengd--als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het
heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en
verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken
van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De
Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist,
die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip,
kraai, maar het liefst in een pad verandert.

Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met
kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook
samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals
bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave
der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar
bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van
het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze
moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan
de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens
valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op
bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht
bezitten, door de lucht te rijden--op 'n bok, bezemsteel enz.--en
aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het
geloof aan de levende, menschelijke heksen, dat door de bekende
heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg.

Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar
Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de
gedaante aannemen van hagedissen,--waarschijnlijk wortelverwant
met het woord _heks_--van uilen, honden en vooral van padden,
hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den
lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang
en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de
duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan _duvekater_
en _drommekater_. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of
neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in
verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij
zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch,
dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren
in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik ('s-Gravenhage 1827),
bl. 1 vlg.--De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de
parallelle der spreekwoorden: "Als het regent en de zon schijnt,
bakt elke heks pannekoeken";--"Als het regent en de zon schijnt,
is het kermis in de hel".

De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des
nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen,
leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten,
beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een
slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader),
bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen
zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het
Limb. _heksenscheut_, Hoogd. _Hexenschuss_. Grooten invloed hebben
zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk "behekst",
dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet;
terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren,
om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar
de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want
daarin verbergen zich de heksen.

Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze _betsjoend_,
zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een _kruuske-kaai_,
d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan
die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en
laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt
verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het
vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het
volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den
naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van
een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in
haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met
"ja" beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen,
zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben
vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in
het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen
bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp,
b.v. twee doodsbeenderen over elkaar.

Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders
aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt
geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het
ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot
de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans
ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis
liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld,
en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der
Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere
gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter
bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle
vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer.

Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den
schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het
geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; immers: "Tusschen
twaalf en een zijn alle heksen op de been". Zij rijden ook weg op een
spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: "Over haag en over
heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder." De heksenvaart wordt
niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der
heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de
_Hommelheide_ nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en
de _Haar_ bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland
is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als
zoodanig b.v. genoemd de _Kemmelberg_ bij Yperen en het _Galgenveld_
bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans,
dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer
bijwonen (Hageland).

Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook
de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort
wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke
Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als
reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de
elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men
de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich
bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht
aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht
van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met
zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt;
waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde;
waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men
plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout
bij zich heeft; enz.--Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen
dienst, waarover nader in de Plantlore.

Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als
kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding
bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral kinderen, die
onder den invloed van heksen geraken, worden _behekst_, en dienen
door een heksenmeester of heksenbanner _belezen_ te worden. Staan
de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan
zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit
Friesland's Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden
II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7
vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70;
Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201.

Een laatste animistische groep vormen de _dwaallichten_, eigenlijk
de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij
worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten
plaatselijk: _divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels;
stalkaarsen; valsche lantarens_. De Friesche benaming _wylde
lanteernen_ geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die
geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse,
waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men
noemt ze dan ook wel _blauwe vuurtjes_. Tot deze groep kan nog gerekend
worden het _St. Elmsvuur_, dat op de masten der schepen verschijnt.

Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den
eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze
opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn
nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen
en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te
worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de _stalkeersen_ wil
doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen
ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen:
"Ik doop u allen" enz.

Nauw met hen verwant is de _vuurman_. In Drente zijn vuurmannen meestal
landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben
verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland,
Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman _Lapöoge_
bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. _Glende kerels_
zweven ook als vlammende stroobossen langs de marke-scheidingen,
b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In
Belgisch Limburg heeten ze _vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik_
(b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel _brandende schoof_. Men
mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten
of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet,
dan zijt ge verloren,--òf ge moest bij u hebben een knipmes met
houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het
licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt
hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman
te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners
van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken
schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht
van den bovensten Houtmolen 's avonds laat van de stad en zag op een
hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij
riep hem dus toe: "Dikke, geef me eens wat vuur", doch daar kwam de
vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was
juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond
hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een
koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot
van dergelijke geschiedenissen.

Over den Brabantschen _Kludde_ is gesproken. Zulk overgangstype
tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het
_hêmanneken._ Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en
roept aldoor: "hêej, hêej." Beantwoordt iemand dat geroep, dan
springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt
is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met "gleunige ôogen"
als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche
Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X,
bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161.

Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar _spookt_ het. "Spook"
en "spoken" zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie
van het Germaansche _spôka_- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan
bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral
spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar
kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard
van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen
(VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover,
zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder
Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen
ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover
laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe.

Ook de doode, die "terugkeert", komt spoken en geeft stof tot vele
spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust
kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een
gelofte--b.v. een bidweg--niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden
de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend,
"verlost" worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft,
moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is.

Maar het volksgeloof kent ook _spookdieren_. Wij zagen reeds
herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in
diervorm kan zij ook "terugkeeren" of blijven voortleven. Zielen,
die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de
gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of
onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg
loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch
ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen
morgen is zulke ontmoeting van belang, "het eerste gemoet", zegt
men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen
voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst
zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van
honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen,
het janken van katten. "Krast er een uil, breekt er een glas. Dan
sterft de meesteresse ras", zegt men in Gelderland. Ook het huilen
van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral
kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf
oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te
Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd:


    De eksters en de kraaien,
    Die zwaaien al over mijn hoofd
    En snakken al naar mijn dood;
    Die dood begint te naken,
    Ik zal het niet lang meer maken.


De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als:
"De kraaien zullen het uitbrengen";--"Alles komt uit, al moesten de
kraaien (of raven) het uitbrengen", en ook wellicht "Daar zal geen
haan naar kraaien."

Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen
onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het
anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als
een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun
nest bouwen. "Zwaluwen in 't dak, guldens op zak;" en op de Veluwe:
"Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren
niet." Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting;
poëtischer is de Duitsche spreuk: "Wo die Schwalbe nistet im Haus,
Zieht der Segen niemals aus". Een zwaluwnest vernielen, brengt
ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het
de zwaluwen "de vogels van O.L. Vrouw" noemt, dewijl zij omtrent Mei
(Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer
vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw
ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond
den Heerd XXIV, bl. 115.

Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar hij
nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven
geen kraamvrouwen. De kinderen zingen:


    Ooievaar, lepelaar,
    Met je lange bekke,
    Wanneer zal je thuis kommen?
    Als de muis piep zeit.
    Piep zei de muis:
    Ooievaar komt t' avond thuis.


Ooievaar brengt ook de kindertjes. "Als een stork over 't huis
vliegt", heet het te Almelo, "komt er gauw een kleine schreeuwer in
de wieg". Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje:


    Uiver, uiver, pielepoot,
    Breng een kindje in moeders schoot.


Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje,
dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt:


    Koekoek Steven (of even),
    Hoelang mag ik leven?


en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland:


    Kukuk vom häven,
    Wo lange sall ik leven?


en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven
den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en
meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan:


    Koekoek, bakkersknecht,
    Zeg mij recht,
    Zeg mij waar,
    Hoeveel jaar
    Ik dit kransje nog dragen zal?


Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.--Maar het wordt tijd,
tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men
vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; verder
in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de
spookhond den naam van _stommelstaart, borries_ of _helhond_. Het
is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende
ketenen.--Het spookpaard heet in het Oldambt _hommel-stommel_; ook
waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de
spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze
spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht.

Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen
roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking
traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros
(_Sleipnir_) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (_Hugin_ en
_Munin_: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (_Geri_ en _Freki_:
de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De
kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den
huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden
als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten
van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging
niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel
heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis
onzer zegswijzen: "Loop naar den koekoek" (d.i. naar den drommel);
"hale u de koekoek", vgl. "hol dich der Kukuk und sein Küster", en
"le diable t'emporte";--"Dat wete de koekoek" (d.i. dat mag Joost
weten);--"Je bent een koekoekskind" (d.i. een satanskind).

Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook
rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden;
en eindelijk, dat de begrippen "gewijd, heilig" en "gevaarlijk, te
vermijden" in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt
eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken.

Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans
ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam _Martius_, daar hij den god
Mars was gewijd. Maar uit _Martis avis_ is _Martini avis_ gegroeid,
zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: "Sant
Martisvogel, Mertissvogelin." Ik kom naderhand op dezen vogel terug,
maar wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de
specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot
is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie
V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het
Germaansche volksgeloof, _passim_; De Cock, Een en ander over de
folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche
Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven
XII, bl. 15; 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburg's Jaarboek V,
3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg.

Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten
is het geslacht der _reuzen_. Nu eens vertegenwoordigen zij den
winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in
lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij
beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche
mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd:
uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee,
uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf.

Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche
sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel
droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg,
bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De
rest niet meer dragenswaard achtend, had hij di

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/22968