Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Mathias Sandorf [3]

by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #22908 · 506,456 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Mathias Sandorf [3]
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Mathias Sandorf [3]
        Een Model-volksplanting

Author: Jules Verne


        
Release date: October 7, 2007 [eBook #22908]
                Most recently updated: April 15, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/22908

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MATHIAS SANDORF [3] ***



                         WONDERREIZEN.


                          JULES VERNE



                        Mathias Sandorf

                    EEN MODEL-VOLKSPLANTING.



                 ROTTERDAM.--JACS. G. ROBBERS.








          Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij.







I.

Het Presidio van Ceuta.


Drie weken na de schrikkelijke gebeurtenissen, welke wij in het
vorige deel verhaalden, en waarvan de provincie Catania, op het eiland
Sicilië, het tooneel was geweest--drie weken later, zeggen wij, dus
op 9 October, stevende een snelvarend stoomjacht--de _Ferrato_, onze
oude bekende--geholpen door een stevige noordoosterbries, tusschen
de zuiderpunt van Europa, die eigenaardig genoeg op het Spaansche
schiereiland Engelsch is, en kaap Almina, de noordelijkste punt
van Afrika, die daarentegen, op het Marokkaansch gebied gelegen,
Spaansch is. De vier mijlen afstand, welke van de eene landspits
tot de andere gerekend worden, zouden, wanneer men op mythologische
gronddenkbeelden zou mogen afgaan, of daaraan slechts eenige waarde
mocht schenken, door wijlen Hercules, een waardigen voorganger van den
heer Ferdinand de Lesseps, de moderne landengte-doorsteker, daargesteld
en toegang aan de wateren van de Mare Mediterranea of Middellandsche
zee tot die van den Atlantischen Oceaan verleend zijn, door met een
enkelen knodsslag de rotsachtige omdijking van het Middellandsche
meerbekken daar ter plaatse te verbrijzelen, hetgeen, zooals ieder
lezer zal moeten bekennen, eene vrij aardige krachtsontwikkeling zou
vereischt hebben. Jammer, dat dergelijke halfgoden in onze eeuw niet
meer aangetroffen worden. De doorgraving van de landengte van Suez
zou zooveel geld niet gekost hebben, en de landengten van Panama en
van Corinthe zouden zooveel schatten niet verslinden. Met drie zulke
knodsslagen waren dan de Andes in de Nieuwe Wereld, de Dioikos in
Griekenland en de drempel van Serapeum in Egypte verbrijzeld geweest,
om de Middellandsche zee met de Roode zee, de golf van Corinthe met
die van Egina, en den Mexicaanschen zeeboezem met de Groote Stille
Zuidzee in verbinding te stellen. Nogmaals jammer, doodjammer!

Ziedaar, wat Pescadospunt voorzeker aan zijn vriend Kaap Matifou zou
medegedeeld hebben, terwijl hij hem daarbij tegelijkertijd de rots
van Gibraltar in het noorden, en den Hachoberg in het zuiden zoude
aangewezen hebben.

En, inderdaad, Calpé en Abyla zijn nog steeds de beide bekende
rotsmassa's, de beide zuilen, die als de "Zuilen van Hercules,"
den naam van den beroemden Griekschen held dragen.

Kaap Matifou zou ongetwijfeld dat "kunststuk van krachtsinspanning"
bewonderd en naar waarde geschat hebben, en dat nog wel, zonder dat de
nijd zijne eenvoudige en bescheiden ziel zoude verontreinigd, zonder
dat zijn edel hart door eene onwaardige gedachte zoude bezoedeld
zijn. Nogmaals, Kaap Matifou zou bewonderd en gewaardeerd hebben.

De Provençaalsche Hercules zou voor den Griekschen held, voor den
zoon van Jupiter en Alcmene, eerbiedig het groote hoofd gebogen hebben.

Maar Pescadospunt kon zijnen vriend dat verhaal niet opdisschen,
en Kaap Matifou kon zijn Titanshoofd niet buigen, om de eenvoudige
reden, dat noch de een noch de andere zich aan boord bevond. Beiden
waren op bevel van dokter Antekirrt te Antekirrta achtergebleven,
de eerste, omdat hij, zooals wij weten, vrij ernstig gekwetst was,
en de andere, om zijn vriend op te passen en te verplegen.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory waren alleen aan boord van de
_Ferrato_, die door kapitein Köstrik gekommandeerd werd; terwijl
Luigi-Ferrato nog steeds als eerste officier aan boord van het
stoomjacht dienst deed. Van bevordering was nog geen sprake
geweest. Maar er was nog tijd.

De expeditie, laatstelijk op het eiland Sicilië ondernomen, met het
doel om Sarcany en Silas Toronthal op te sporen en op te lichten,
als daar mogelijkheid toe bestond, had volstrekt geen resultaat
gehad, daar zij den dood van Zirone tengevolge had gehad. Men moest
dus andermaal trachten, die twee booswichten op het spoor te komen,
door den Spanjaard Carpena te noodzaken mede te deelen, alles wat
hij omtrent Sarcany en diens medeplichtige moest weten en ook wist;
daarvan waren dokter Antekirrt en Piet Bathory overtuigd.

Daar de Spanjaard nu tot de galeien veroordeeld en naar het Presidio
van Ceuta verwezen was, zou men hem daar moeten gaan opzoeken. Want
daar alleen kon men in aanraking met hem komen, en daarom was tot
die reis besloten.

Ceuta, in het Spaansch als Ce Veta en in het Arabisch als Septa
uitgesproken, is eene kleine, maar zeer versterkte stad, een
ware vesting, een soort van Spaansch Gibraltar op de Oostelijke
hellingen van den Hacho-berg en op de Marokkaansche kust gelegen,
op eene landtong ten westen van Tanger, waarachter de Apenberg, een
der Zuilen van Hercules verrijst. De stad bestaat uit drie deelen,
namelijk: de reeds genoemde berg Hacho, waarop een zeer sterk fort,
hetwelk de geheele landtong en den ingang der zeeëngte bestrijkt; de
Citadel, aan het uiteinde van de landtong gelegen en alleen over een
ophaalbrug toegankelijk; en eindelijk de eigenlijke stad of Almena,
waar de burgers en handelaren wonen. Hier bevinden zich ook de
hoofdkerk, twee kloosters, een hospitaal en onderscheidene scholen,
waaronder eene voor de zeevaart. Langs den zeeoever voert eene kade,
vanwaar men een verrukkelijk uitzicht op Spanje heeft. Aan de andere
zijde der stad ligt de Alameda of openbare wandelplaats, vanwaar men
het oog kan laten rondwaren, langs de Marokkaansche kust tot aan de
bergen van het Riff. Het aantal inwoners bedraagt bijna 12,000 en
deze vormen een mengelmoes van Spanjaarden, Engelschen, Franschen,
Italianen, Mooren, Negers, Mulatten, Israëlieten en Marokkanen. Ceuta
is de zetel van een bisschop, gesteld onder den aartsbisschop van
Sevilla; de Spaansche Regeering bezigt de stad voornamelijk als
ballingsoord en bagno.

Ceuta is het oude Septa of Septum of Ad Septem fratres: In de zeven
broeders.

Het wordt door sommigen voor Abyla, door anderen voor het Esilissa
van koning Ptolomeus gehouden, en was weleer de hoofdstad van
Mauritania Tingitana. Na den val van het Romeinsche rijk werd
de stad achtereenvolgens door de Vandalen, Gothen en Arabieren
overweldigd. Laatstbedoelden gaven haar den naam van Septa, en
verhieven haar tijdens hunne heerschappij over Zuid-Spanje, tot
een gewichtig oord. Later viel zij ten deel aan de Hamoedieten en
daarna aan de Almoravieden; en in 1409 werd zij veroverd door den
Portugeeschen koning Joào I, nadat ook de Genueezen er reeds korten
tijd heerschappij hadden gevoerd.

In 1580 kwam zij tegelijk met Portugal aan Spanje en bleef hieraan
onderworpen,--ook na de scheiding van die twee rijken in 1640.

Vruchteloos belegerden haar de Marokkanen bijna 23 jaren, van 1697
tot 1720, en te vergeefs trokken zij in 1732, onder aanvoering van
den bekenden renegaat Ripperda, nogmaals met een groote krijgsmacht
derwaarts. De stad werd dapper verdedigd, en is ook nu nog het
belangrijkste steunpunt der Spanjaarden in Noord-Afrika.

Er bestaat niets levendiger ter wereld dan die beroemde zeeëngte
van Gibraltar, die als het ware de monding der Middellandsche zee
vormt. Het is langs dat smalle kanaal, dat de heerlijke en overschoone
Amphytrite water-verversching uit de wereldzee, uit den Atlantischen
Oceaan erlangt. Daarlangs ontvangt zij ook duizenden vaartuigen, die
van Noordelijk Europa en van de beide Amerika's komen, om de honderden
havens aan te doen, die langs haren onmetelijken omtrek aangetroffen
worden. Daarlangs stoomen, naar binnen en naar buiten, die prachtige
en groote pakketbooten, die oorlogschepen van alle natiën, aan wie
het genie van een Franschman, van Ferdinand de Lesseps, eene deur
ontsloten heeft, toegang verleenende tot de Roode zee, tot de Golf
van Bengalen, tot den Indischen Oceaan, tot de Chineesche zee en tot
de Groote Stille Zuidzee.

Die Straat, door de Ouden _Fretum Herculeum_ geheeten, heeft eene
diepte van 16 meters [1], doch bezit in haar vaarwater geen banken of
klippen. Toch levert zij voor de schepen, die uit de Middellandsche
zee komen, wel eens gevaar op, wegens den sterken stroom, die er van
den kant van den Atlantischen Oceaan doorheen trekt. Bij dezen is
de ingang der Straat--tusschen Kaap Trafalgar en Kaap Spartel--vijf
geographische mijlen, en aan den anderen kant--tusschen Punta de Europa
en Punta de Afrika--ruim half zoo breed. Het smalste gedeelte is 1 2/3
geographische mijl breed en bevindt zich tusschen Punta del Frayle,
ten noorden, en Punta de Ciris ten zuiden.

Aan de Afrikaansche kust is de Straat begrensd door een effen rotswand;
doch de oever aan de Europeesche zijde vormt onderscheidene inhammen,
bepaaldelijk ten oosten in de golf van Gibraltar, die ook, vanwege
de daartegenover gelegen stad, Golf van Algesiras geheeten wordt.

Niets schilderachtiger bestaat er dan die smalle zeeëngte, die door
hoog gebergte van zeer verschillend uitzicht omlijst is. In het
noorden strekken zich de Sierra's van Andalusië uit. In het zuiden
steigeren langs die zoo heerlijk ingesneden kust, van Kaap Spartel
af tot aan de punt van d'Almina, de zwarte toppen van de Bullonen,
van den Apenberg en de nokken van de _Septem fratres_, de Zeven
Gebroeders omhoog. Rechts en links vertoonen zich in de diepte der
baaien en der kreeken, of als neergevlijd aan den voet en op de eerste
hellingen, welke zich langs de lagere kuststreek uitstrekken en door
een reusachtigen achtergrond beheerscht worden, schilderachtig gelegen
steden, als Tarifa, Algesiras, Tanger en Ceuta. Dan tusschen die
beide romantische oevers vertoont zich voor den scherpen boeg der
stoomschepen, die noch door de zee, noch door den wind weerhouden
worden, of voor den steden der zeilschepen, die soms bij honderden
door den westenwind in die monding naar den Atlantischen Oceaan
weerhouden worden, eene zeer bewegelijke wateroppervlakte, die uiterst
veranderlijk van kleurtinten is, die zich hier grijs en met machtige
kuiven getooid voordoet, elders aangenaam blauw en kalm, hier weer
geheele strepen van kleine krullende golfjes en maalkolkjes vormt die
de grenzen der stroomen en tegenstroomingen met hunnen getanden rand
zoo duidelijk mogelijk aangeven.

Niemand die zulk een tafereel onder de oogen krijgt, kan ongevoelig
blijven voor de bekoorlijkheden van die verheven schoonheden, die door
twee tegenover elkander gelegen werelddeelen als een dubbel panorama
langs de oevers van de zeeëngte van Gibraltar ten toon gespreid worden,
en de reizigers in den volsten zin des woords in verrukking brengen.

De _Ferrato_ naderde inmiddels vlug de Afrikaansche kust. De diep
ingesneden baai, aan welker uiteinde Tanger zich als het ware verbergt,
begon zich voor het oog der opvarenden te sluiten, terwijl de rotsmassa
van Ceuta des te meer zichtbaar werd, daar de kust daar ter plaatse
eene haaksgewijze verandering van richting naar het zuiden vormt. Men
zag dien steenklomp langzamerhand zich van de achtergelegen massa
afscheiden en alleen vooruitkomen als een schiereiland, dat aan den
voet van eene kaap gelegen, en daaraan door een smalle landengte
verbonden is, die het aan den vasten wal vasthecht.

Hoog daarboven, dicht bij den top van den Hachoberg, werd een fortje
bespeurd dat op de plek verrezen was, waar vroeger eene Romeinsche
citadel gestaan had. Daarin zijn steeds uitkijken op wacht, die in
opdracht hebben, de zeeëngte scherp gade te slaan, maar vooral het
Marokkaansche grondgebied waardoor Ceuta, behalve aan de zeezijde,
geheel omsloten wordt. Die geheele streek vertoont nagenoeg eene
zelfde bergachtige terreingesteldheid, evenals het kleine vorstendom
Monaco te midden van het Fransche grondgebied.

Het sloeg tien uren in den morgen, toen de _Ferrato_ eindelijk het
anker liet vallen in de haven, op twee kabellengten afstand van de
ontschepingskade, die door de deininggolven uit volle zee met ongetemde
kracht gebeukt werd. Daar bestaat echter slechts eene vluchthaven,
die bij frisschen en stevig doorstaanden wind voor de branding uit
de Middellandsche zee weinig beschutting aanbiedt, en dus nog al
gevaarlijk is.

Zeer gelukkig dat wanneer de schepen niet ten westen van Ceuta kunnen
ankeren, zij eene tweede ligplaats aan den anderen kant der rots
vinden, waar zij voor de westenwinden behoorlijk gedekt liggen.

Toen "de geneeskundige dienst" aan boord was gekomen, en toen de
scheepspapieren van de _Ferrato_ in orde bevonden waren, stapten dokter
Antekirrt en Piet Bathory tegen een uur des namiddags in de sloep en
lieten zich naar den wal roeien. Zij ontscheepten op eene kleine kade,
die zich dicht langs den voet der walmuren van de vesting uitstrekte.

Dat de dokter het ernstige voornemen opgevat had, om zich van Carpena
meester te maken, daaromtrent bestond hoegenaamd geen twijfel. Maar
hoe zou hij dat uitvoeren? Dat zou hij eerst beslissen, nadat hij de
plaats en hare omgeving in oogenschouw had genomen. Daarna zou hij
naar omstandigheden te werk gaan, hetzij door geweld te gebruiken,
om den Spanjaard te ontvoeren, hetzij hij diens ontsnapping uit het
Presidio van Ceuta in de hand zou werken. In ieder geval, hij rekende
er op, dat hij den Spanjaard in handen kreeg. Zijne maatregelen zouden
goed getroffen worden. Ditmaal was de dokter er niet op uit, om het
incognito te bewaren. Integendeel, reeds hadden zijn agenten, die
aan boord verschenen waren en hem weer verlaten hadden, het gerucht
van de aankomst van zoo een beroemd persoon allerwege verbreid. Wie
toch in dat geheele Arabische land, van Suez af tot aan Kaap Spartel,
kende dien geleerden taleb niet bij naam, die zich thans op het eiland
Antekirrta teruggetrokken had en daar in het binnenste gedeelte der
Syrtische zee verblijf hield?

De beste ontvangst viel hem dan ook, zoowel van den kant der
Spanjaarden, als van dien der Marokkanen ten deel.

Daarenboven was het niet verboden de _Ferrato_ te bezoeken en te
bezichtigen, zoodat weldra een groot aantal vaartuigen het stoomjacht
omringden en men aan boord kwam.

Dat alles kwam waarschijnlijk met de plannen van dokter Antekirrt
overeen. Zijne beroemdheid moest zijne voornemens te hulp komen. Piet
Bathory en hij poogden dan ook niet, zich aan de algemeene aandacht te
onttrekken. Een open rijtuig, dat in het voornaamste hôtel van Ceuta
gehuurd was, veroorloofde hen, om in de stad rond te toeren en haar
te bezichtigen. Die rijtoer was een ware zegetocht door het stadje.

Zij bevonden, dat de straten smal, ja nauw en omgeven waren door
droefgeestig uitziende huizen, waaraan iedere eigenaardigheid of
lokale kleur ontbrak. Hier en daar bespeurden zij kleine pleinen
met teringachtige boomen, welker takken en bladeren met een grauw
stof overdekt waren, en hunne spaarzame schaduw verleenden aan eene
armzalige kroeg of aan een of twee openbare gebouwen, die veel op
kazernes geleken. In één woord, er bestond niets oorspronkelijks,
tenzij het Moorsche kwartier, dat zijn bijzonderen stempel niet
verloren had.

Tegen drie uren gaf dokter Antekirrt aan den koetsier bevel, om hem
naar den Gouverneur van Ceuta te rijden, wien hij een bezoek wilde
brengen,--een eenvoudig beleefdheidsbezoek, dat van den kant van
een zoo aanzienlijk vreemdeling niet anders dan natuurlijk moest
voorkomen. Onmiddellijk werd in die richting voortgereden.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat die gouverneur
onmogelijk een civiel ambtenaar kon zijn. Ceuta is boven alles een
militaire kolonie. Men telt er ongeveer tien duizend zielen, alles
bij elkaar gerekend: officieren en soldaten, handelaren, visschers
en matrozen van de kustvaart, die zoowel in de stad wonen, als op de
terreinstrook, die zich oostwaarts van de vesting uitstrekt, en zoo
de omgeving van het Spaansche grondgebied vormt.

Ceuta werd in die dagen bestuurd en gekommandeerd door den Kolonel
Guyara.

Die hoofdofficier had onder zijne bevelen drie bataillons infanterie,
die van het landleger van Spanje gedetacheerd waren, en die daar
den garnizoens-dienst waarnamen; verder had hij een regiment van
aan de strengere krijgstucht onderworpen militairen, die bestendig
in de kleine kolonie gevestigd waren; dan nog twee batterijen
vestingartillerie, eene kompagnie pontonniers, en eindelijk nog eene
kompagnie Mooren, wier gezinnen een bijzonder kwartier bewoonden. Het
garnizoen was dus vrij sterk, zooals men ziet. Ongeveer drie duizend
vijfhonderd man.

Wat de tot de galeien veroordeelden betrof, hun getal bedroeg nagenoeg
twee duizend.

Om zich van de stad naar den zetel van den gouverneur te begeven,
moest het rijtuig den bedekten weg of ronde-weg volgen, die buiten
den walgang der stad liep. Dat was een gemaccadamiseerde heirbaan,
die niet alleen rondom het geheele territoir, maar ook tot aan het
oostelijkste uiteinde daarvan voerde.

Aan beide kanten van die baan was de smalle strook tusschen haar en den
voet der bergen aan de eene zijde, en tusschen haar en den zeeoever
aan de andere zijde, die, dank zij der onbezweken vlijt en arbeid
der inwoners, goed bebouwd was. Deze hebben de slechte hoedanigheden
van den grond weten te overwinnen. Noch groenten van allerlei soort,
noch vruchtboomen, die heerlijk dragen, ontbreken er. Maar er mag ook
niet verzwegen worden, dat aan handen en armen om te arbeiden geen
gebrek is, en dat de teelaarde, evenals dit voor Sint Helena gebeurde,
van Europa aangevoerd werd.

Inderdaad, de gedeporteerden worden niet alleen voor of vanwege den
Staat gebezigd, hetzij in bijzondere werkplaatsen, hetzij aan de
vestingwerken, hetzij aan de wegen, welker onderhoud voortdurende
voorzorgen vereischt, hetzij bij de stedelijke politie, wanneer
hun voortdurend goed gedrag aanleiding geeft, om er agenten van te
maken, die het toezicht voeren, maar tevens onder opzicht staan. Die
mannen, die hetzij voor twintig jaren, hetzij voor levenslang naar
het Presidio van Ceuta gezonden werden, kunnen ook door particulieren
gebezigd worden, evenwel slechts onder zekere voorwaarden, die door
het gouvernement in het belang der openbare veiligheid gesteld zijn, en
waaraan natuurlijk streng de hand gehouden wordt, hetgeen noodzakelijk
is, zooals ieder moet beamen.

Dokter Antekirrt had bij zijn bezoek te Ceuta verscheidene van die
ellendelingen ontmoet, die vrij en frank door de straten van de
stad zich bewogen, voornamelijk diegenen, die voor huishoudelijken
arbeid gebezigd werden. Maar hij zou een veel grooter aantal te zien
krijgen, wanneer hij buiten den versterkten walgang met voorliggende
verdedigingswerken gekomen zou zijn, daar buiten op de wegen en op
het veld, in de voorwerken of op den akker.

Tot welke categorie van het personeel van dat Presidio behoorde
nu Carpena? Dat was in de eerste plaats belangrijk om te weten
te komen. Want het plan van dokter Antekirrt kon toch slechts in
algemeene trekken vastgesteld zijn, en moest natuurlijk gewijzigd
worden, naarmate de bestaande omstandigheden, dat wil zeggen: naar
gelang de Spanjaard vrij rondliep of opgesloten zat, of hij bij
particulieren arbeidde, of in de werkplaatsen van den Staat. Dat
diende dus in de eerste plaats uitgevischt te worden.

"Maar", zeide de dokter tot Piet Bathory, "daar die Carpena nog niet
lang geleden veroordeeld is, is het meer dan waarschijnlijk, dat
hij nog niet die voordeelen geniet, welke den ouderen veroordeelden,
vanwege hun goed gedrag, toegestaan zijn."

"Dat 's waar," antwoordde Piet, "hoewel het toch zou kunnen zijn,
dat hij reeds buiten kwam."

"Jawel, wij kunnen daarop toch eenigermate rekenen, ja wij moeten
het zelfs."

"Maar als hij opgesloten zit?" vroeg de jonge werktuigkundige. "Dan
dunkt mij...."

"Dan wordt het vraagstuk veel lastiger," antwoordde dokter Antekirrt
droog.

"Dat meen ik ook. Het zal goed zijn, dit bij onze ontwerpen niet uit
het oog te verliezen."

"Maar, om het even: die kerel moet ontvoerd worden, en hij zal
ontvoerd worden!"

Het rijtuig reed gedurende dat gesprek zachtkens voort, terwijl de
paarden in een matigen korten draf liepen.

Op twee honderd meter afstand buiten den kring der vestingwerken,
was een zeker getal gedeporteerden onder opzicht van ettelijke
gevangenbewaarders van het Presidio bezig met keien en steenen als
verhardings-materiaal op den weg te brengen. Er waren daar een goede
vijftig aanwezig, waarvan een gedeelte de keien in kleine stukken
sloeg, een ander gedeelte die stukken over den weg uitstortte, en
een derde gedeelte hen onder een kolossale welrol verbrijzelde en
schier fijnmaalde.

Het rijtuig had dat gedeelte van den weg, waar die herstelling plaats
had, stapvoets, ja zelfs gedeeltelijk langs een zijweg moeten volgen,
waarop het werk nog niet aangevangen was. Dat was onzen reizigers
evenwel niet aangenaam.

Plotseling greep dokter Antekirrt Piet Bathory bij den arm.

"Hij!" zeide hij met gedempte stem, terwijl hij zijn makker gevoelig
kneep.

"Waar?" vroeg Piet Bathory, overal rondkijkende. "Waar toch? Ik zie
hem niet."

De dokter trok Piet naar zich toe en wees met den vinger in zekere
richting.

"Daar! Daar!" sprak hij steeds fluisterend.

Een man stond daar, op twintig passen afstand van zijne makkers en
leunde op den steel zijner schop.

Dat was Carpena.

Aan zijne oude geaardheid getrouw, nam hij er zijn gemak van en
arbeidde zoo min mogelijk.

Dokter Antekirrt had, hoewel hij dien man in twintig jaren niet
gezien had, den zoutvervaardiger van Istrië, in weerwil van zijne
tegenwoordige kleeding als galeiboef, dadelijk herkend, zooals Maria
Ferrato hem ook, in weerwil van zijn Maltezer kleeding, in de straten
van het Manderaggio-kwartier zonder aarzelen herkend had.

Dien misdadiger, die door zijne aangeboren luiheid, niets geleerd
had in het leven en dan ook tot eenig vak, welk ook, geheel en al
ongeschikt was, had men in de werkplaatsen van het Presidio niet
kunnen gebruiken. Keien stuk slaan op den weg, dat was alles, waartoe
hij gebezigd kon worden. Tot iets anders was hij onmogelijk in staat.

Maar had dokter Antekirrt hem ook al herkend, Carpena kon onmogelijk
in dien man daar in dat rijtuig den graaf Mathias Sandorf herkennen,
dien hij zoo snood verraden had. Ternauwernood had hij hem toen
eventjes gezien in het huis van den visscher Andreas Ferrato te
Rovigno, op het oogenblik, dat hij tot gids strekte van het detachement
politie-agenten, die de woning zouden omsingelen, om de vluchtelingen
gevangen te nemen.

Echter, evenals iedereen had hij de aankomst van dokter Antekirrt te
Ceuta vernomen.

Nu was die zoo beroemde dokter--en dat was Carpena niet
onbekend--dezelfde persoon, waarvan hem Zirone gedurende hun
onderhoud bij de rotsen van Polyphemus, op het zeestrand van het
eiland Sicilië, gesproken had. Dat was de man, waarvoor hij zich,
volgens de aanbeveling van Sarcany, vooral wachten moest. Dat was de
millioenen-bezitter tegen wien de bende van Zirone den vergeefschen
aanslag bij de Casa Inglese op de hellingen van den Etna uitgevoerd, en
waarbij ze het onderspit gedolven had. Ja, zeker, dat alles wist hij.

Wat ging er in Carpena's brein om, toen hij zich zoo plotseling in
tegenwoordigheid van dokter Antekirrt bevond?

Welke waren de indrukken, die zijne hersenen met die gevoeligheid
en die oogenblikkelijkheid opvingen, welke sommige photografische
bewerkingen kenmerken?

Dat zou zeer moeielijk te zeggen zijn. De lezer zal dat wel begrijpen,
hopen wij.

Wat evenwel de Spanjaard in werkelijkheid ondervond, dat was:
dat hij plotseling gevoelde, dat de dokter zich door een soort van
moreel overwicht van zijn geheel wezen meester maakte; dat zijne
verpersoonlijking te niet ging tegenover die van dien vreemden man;
dat eene vreemde wilskracht, sterker dan de zijne, hem beheerschte
en vermeesterde.

Te vergeefs poogde hij zich tegen dien invloed te verzetten. Hij
bezweek er voor en vermocht niets anders te doen, dan voor die
overheersching lijdelijk te bukken.

Intusschen had dokter Antekirrt zijn rijtuig doen stilstaan en ging
voort den galeiboef met een doordringenden blik aan te staren. De
schitterende uitstraling van dien blik bracht op de hersenen van
Carpena een vreemdsoortig en onweerstaanbaar effect teweeg. De
zinnen van den Spanjaard werden als door een soort van verdooving
verlamd. Zijne oogleden knipten en sloten zich eindelijk, daar hij
onmachtig was ze open te houden; terwijl hij geene andere beweging dan
eene trillende beving in de oogleden en wenkbrauwen ondervond. Toen
viel hij, zoodra de gevoelloosheid de overhand genomen had en derhalve
volkomen was, aan den rand van den weg neer, zonder dat zijne makkers
of lotgenooten er iets van bespeurden, daar hunne aandacht op de zoo
rijke reizigers gevestigd was. Hij was in een diepen magnetischen
slaap gedompeld, waaruit niemand hem zou hebben kunnen wekken, welke
middelen ook aangewend werden.

Toen het zoover gekomen was, gaf dokter Antekirrt bevel, om den
rijtoer te vervolgen en gebood den koetsier zich naar het verblijf
van den gouverneur te richten.

Dat geheele tooneel had hem niet meer dan eene halve minuut oponthoud
gekost. Niemand had kunnen waarnemen, wat tusschen hem en dien
Spaanschen galeiboef voorgevallen was,--niemand tenzij Piet Bathory,
die de zaak daarenboven niet begrepen had.

"Thans behoort die man mij", zei dokter Antekirrt tot Piet, "hij is
in mijne macht en ik kan hem tot alles noodzaken."

"Ook om u alles mede te deelen wat hij weet?" vroeg Piet Bathory
vrij ongeloovig.

"Neen, dat niet," antwoordde dokter Antekirrt met een geheimzinnigen
glimlach.

"Niet?... Dat is jammer!" meende de jeugdige werktuigkundige
teleurgesteld.

"Neen, maar ik kan hem wel noodzaken, alles te doen, wat ik wil,
dat hij uitvoeren zal."

"Zonder dat hij dit weet?... Zonder dat hij dit zal willen?"

"Ja, maar niet alleen dat, maar zelfs geheel onbewust," antwoordde
dokter Antekirrt.

"Hoe weet gij dat?" vroeg Piet Bathory, die, als ingenieur, het hoe
en waarom gaarne vernam.

"Bij den eersten blik, dien ik op den ellendeling wierp, gevoelde
ik, dat ik hem in mijne macht had, dat ik zijn wil door den mijnen
kon vervangen."

"Die man is toch niet ziek, niet waar? Zijn uiterlijk verraadde
daarvan niets."

"Neen, hij is volstrekt niet ziek. Hij is integendeel zoo gezond als
gij en ik", antwoordde dokter Antekirrt.

"Hoe verklaart gij dan...?"

"Denkt gij dan, dat die zenuwuitwerkselen alleen bij ziekelijke
zenuwlijders teweeg kunnen gebracht worden?"

"Mij dunkt, dat een gezond mensch aan dergelijke invloeden weerstand
kan bieden."

"Neen, Piet. Zij, die nog het meeste weerstand bieden, zijn juist de
hersenzieken, de waanzinnigen."

"Maar..."

"Een goed en gevoelig sujet moet juist een eigen wil hebben,
om behoorlijk gedomineerd te worden, en ik ben uitermate door de
omstandigheden begunstigd geworden, daar ik in dien Carpena juist
eene geaardheid aangetroffen heb, geheel en al geschikt, om mijn
invloed te ondervinden..."

"Maar wat helpt dat thans?" vroeg Piet Bathory. "Al hebt gij hem ook
al onder uwen zedelijken invloed, dan hebt gij hem nog niet in uwe
physieke macht."

"Neen, maar die galeiboef zal in slaap gedompeld blijven, en zonder
mijne tusschenkomst zal die slaap niet wijken."

"Aangenomen", zei Piet; "maar waartoe zal dat dienen? Ik zie daar
geen uitkomst in."

"Waartoe dat zal dienen, vraagt ge? Welke uitkomst dat zal hebben?"

"Voorzeker vraag ik dat, daar het onmogelijk is, om hem in den
toestand, waarin hij zich bevindt, te doen zeggen, wat wij zooveel
belang hebben te weten te komen."

"Dat is ontwijfelbaar waar," antwoordde dokter Antekirrt. "Ik kan
hem wel in mijne gedachten doen lezen; maar ik kan hem onmogelijk
doen zeggen, wat ik zelf niet weet."

"Welnu, dan herhaal ik mijne vraag: waartoe zal dat dienen, welke
uitkomst zal dat opleveren?"

"Maar wat ik wel in mijne macht heb", ging dokter Antekirrt
onverstoorbaar voort, alsof hij die vraag niet gehoord had, "is hem
te noodzaken te doen, wat mij in mijn kraam te pas komt, wat ik zal
willen, dat hij doen zal, en dat zonder dat zijn wil er zich tegen
verzetten kan."

"Ja, maar wat?" vroeg Piet Bathory ongeduldig. "Ja, maar wat? Zeg mij."

"Wanneer ik bijvoorbeeld zal willen, dat hij morgen of overmorgen,
over acht dagen of over drie of zes maanden, zelfs wanneer hij in
wakenden toestand is, het Presidio zal verlaten, dan zal hij dat
ongetwijfeld doen."

"Het Presidio verlaten!... Kom, gij gekscheert met mij!... Hoe zou
dat mogelijk zijn?"

"Ja! het Presidio verlaten!... Piet, ik ben te ernstig, om mij eene
grap te veroorloven!"

"Het Presidio verlaten?... Vrij en ongehinderd?..." vroeg Piet
Bathory steeds ongeloovig. "Dan zouden de bewakers dat toch moeten
veroorloven! De invloed van uwe wilskracht kan zoo ver niet reiken,
om hem zijne ketenen te doen verbreken, om hem de deur van het
bagno te doen verbrijzelen, om hem een onoverkomelijken muur te doen
overklimmen, ... waarbij de gevangenbewaarders hem dan nog behulpzaam
zouden moeten zijn."

"Neen, Piet," antwoordde dokter Antekirrt, "gij hebt gelijk; ik kan
hem niet noodzaken te doen, wat ik zelf niet uitrichten kan... Maar
ik kan..."

"Maar wat dan? Wat is uw plan?" vroeg de jonge werktuigkundige vrij
opgewonden.

"Mijn plan? Juist om dat uit te voeren, begeven wij ons thans naar
den gouverneur van Ceuta, ten einde dien hoofd-officier een officiëel
bezoek te brengen. En let nu maar op de verdere ontwikkeling van de
zaak, die ik mij gesteld heb."

Dokter Antekirrt overdreef niet. Dat zou Piet Bathory spoedig genoeg
ondervinden.

Die daadzaken omtrent den invloed der wilskracht op iemand in den
hypnotischen toestand, zijn thans algemeen erkend. De werken en
nasporingen van Charcot, van Brown Sequard, van Azam, van Richet,
van Dumontpallier, van Maudsley, van Bernheim, van Hack Tuke, van
Rieger, en van zooveel andere geleerden, kunnen daaromtrent geen
twijfel laten bestaan.

Dokter Antekirrt had gedurende zijne reizen in Oostersche landen
zeer merkwaardige gevallen daaromtrent kunnen bestudeeren en aan
dien tak der physiologie een rijken schat van nieuwe en belangrijke
waarnemingen toevoegen, en zijne reeds zoo rijke ondervinding zeer
kunnen vermeerderen.

Hij was dus uitnemend op de hoogte van die verschijnselen en van de
resultaten, die er van te erlangen zijn. Hij was zelf begaafd niet
eene groote mate van zich opdringende wilskracht, die hij dikwijls
gelegenheid had gehad in Klein-Azië uit te oefenen. En het was op
die wilskracht, dat hij rekende, om zich van Carpena meester te
maken,--daar toch het toeval het zoo gewild had, dat de Spanjaard
aan haren invloed volkomen onderhevig was.

Maar al was dokter Antekirrt voortaan meester over de wilskracht
van Carpena; al kon hij hem ook doen handelen, zooals en wanneer
hij wilde, door hem zijn eigen wil op te dringen, zoo was het toch
noodzakelijk, om tot eene afdoende handeling te kunnen overgaan,
dat de gevangene vrij in zijne bewegingen was, wanneer het oogenblik
gekomen zou zijn om hem deze of gene daad te doen uitvoeren. Daarvoor
was de vergunning van den gouverneur noodig, en die vergunning hoopte
hij wel van den kolonel Guyara, een uiterst welwillend en goedaardig
mensch, te verkrijgen, om daardoor de ontvluchting van den Spanjaard
uit het Presidio mogelijk te maken.

Tien minuten later kwam het rijtuig van dokter Antekirrt bij den
ingang der groote kazernes aan, die bij de grens van het geënclaveerde
grondgebied opgetrokken zijn, en hield bij het verblijf van den
gouverneur, dat in de nabijheid gebouwd is, stil.

De kolonel Guyara had reeds kennis bekomen van de aankomst van
dokter Antekirrt te Ceuta. Die beroemde persoon was, dank zij zijn
algemeen door zijne rijkdommen en zijne bekwaamheden bekenden naam,
als een soort souverein op reis. Nadat hij dan ook in het salon van
het gouvernements-paleis was binnengeleid, ontving de gouverneur hem,
alsook zijnen jeugdigen reisgenoot, op de meest innemende wijze. Al
dadelijk wilde die kolonel zich geheel en al ter hunner beschikking
stellen, om het kleine geënclaveerde grondgebied te bezoeken, dat
kleine stuk van Spanje, zoo zonderling in het Marokkaansche rijk
ingesneden.

"Gaarne nemen wij uw aanbod aan, heer gouverneur," antwoordde dokter
Antekirrt in het Spaansch,--eene taal, die ook door Piet Bathory goed
verstaan en vlug gesproken werd.--"Maar ik weet niet, of wij wel den
tijd zullen hebben, om uwe dienstvaardigheid te kunnen benuttigen."

"O, de kolonie is niet groot, dokter Antekirrt", antwoordde de
gouverneur. "In een halven dag kan men den geheelen omtrek er van
afleggen."

"Dat is zoo, maar ... onze tijd is nog al beperkt, heer gouverneur,"
antwoordde de dokter.

"Denkt gij dan niet eenigen tijd hier te vertoeven, zooals het gerucht
zich verbreid heeft?"

"Hoogstens vier of vijf uren," antwoordde de dokter. "Langer kan ik
inderdaad niet."

"Zoo kort? Maar, heer dokter, dan zult gij niets kunnen bezichtigen. En
dat is toch jammer."

"Ik moet heden avond nog naar Gibraltar vertrekken, waar ik morgen
in de ochtenduren verwacht word."

"Heden avond nog vertrekken!" riep de gouverneur uit. "Hoe is dat
toch mogelijk?"

"Het moet! heer gouverneur, het moet! Geloof intusschen, dat het mij
geweldig spijt."

"O, veroorloof mij te beproeven, u van dat voornemen af te
brengen." zei kolonel Guyara.

"Dat zou vergeefsche moeite zijn, heer gouverneur. Volkomen vergeefsche
moeite, geloof mij."

"Ik verzeker u, dokter Antekirrt, dat onze militaire volksplanting
inderdaad waard is van nabij bestudeerd te worden," drong kolonel
Guyara levendig aan.

"Ik twijfel er niet aan, heer gouverneur. Ik weet het trouwens,
want ik heb er veel van gelezen."

"Gij hebt ongetwijfeld veel gezien, veel waargenomen, heer
dokter, gedurende uwe veelvuldige reizen; maar uit het oogpunt
van verbeterings-kolonie of beter strafkolonie, verdient Ceuta,
ik verzeker het u, de geheele opmerkzaamheid zoowel van geleerden,
als van staathuishoudkundigen!"

Natuurlijk dreef de eigenliefde kolonel Guyara wel eenigermate om
zijn kleine volksplanting zoodanig te prijzen en te verheffen. Toch
overdreef hij niet; want het administratief bestuur van het Presidio
van Ceuta, wat geheel gelijk is aan dat der Presidios van Sevilla,
wordt beschouwd als een van de besten, zoowel van het Oude als van
het Nieuwe halfrond. En, dat niet alleen wat betreft den materieelen
toestand der gedeporteerden, maar ook hunne zedelijke verbetering,
waarbij beoogd wordt, gelouterde sujetten aan de maatschappij weer
te geven.

De gouverneur drong er dan ook op aan, dat een zoo voornaam man
als dokter Antekirrt was, zijn vertrek zou willen uitstellen, om de
verschillende lokalen en inrichtingen van de strafkolonie met een
bezoek te vereeren.

"Het is onmogelijk, dat ik langer blijf, heer gouverneur," verzekerde
de dokter, en ging met een glimlach voort; "maar heden behoor ik u
toe, en wanneer gij wilt, dan is het weinigje tijd, dat mij rest,
nog wel te benutten, dunkt mij."

"Het is reeds vier uren," hernam kolonel Guyara, terwijl hij een blik
op de pendule wierp.

"Reeds zoo laat?" vroeg de dokter, terwijl hij zijn horloge met het
salon-uurwerk vergeleek.

"Voorzeker. En gij ziet, er blijft ons slechts weinig tijd over,
om Ceuta te bezichtigen."

"Inderdaad," antwoordde de dokter, "en dat hindert mij te meer,
daar ik er prijs op gesteld zoude hebben, om u, na uwe gastvrijheid
genoten te hebben, aan boord van mijn stoomjacht te ontvangen."

"Dokter Antekirrt, zoudt gij uw vertrek naar Gibraltar niet een dag,
een enkelen dag kunnen uitstellen?"

"Dat deed ik zeker, heer gouverneur, als ik geen samenkomst bepaald
had voor morgen, zooals ik u reeds gezegd heb. Inderdaad, ik ben
verplicht, om nog heden avond zee te kiezen!"

"Dat is waarlijk betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "en
niets zal mij kunnen troosten, dat ik u niet langer hier heb kunnen
houden! Maar ... pas op..."

"Waarop moet ik passen, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt met
een glimlach.

"Het vaartuig ligt onder het bereik mijner kanonnen en mijner mortieren
ten anker...."

"Ho, ho!" riep de dokter lachende uit. "Dat is eene internationale
bedreiging!"

"En ik kan u op de plaats in den grond boren!" vervolgde kolonel
Guyara schertsende.

"En de represailles dan, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt
lachende.

"Welke represailles? Zijn er represailles mogelijk, als uw scheepje
in den grond geschoten is?"

"Zoudt gij denken dat Antekirrta die schending van het volkenrecht
ongewroken zou laten?"

"Wat, Antekirrta?..." riep kolonel Guyara schaterlachende uit.

"Zoudt gij in staat van oorlog met het machtige rijk van Antekirrta
willen geraken?"

"Ik weet, dat ik groot gevaar zou loopen," antwoordde de gouverneur
op denzelfden toon van gekscheren.

"Dat geloof ik ook... Zijt derhalve zeer op uw hoede, want Antekirrta
is machtig!"

"Maar, wat zou men niet willen wagen, om u vier en twintig uren langer
te mogen behouden!"

"Ja, maar het is toch beter dat gevaar niet te trotseeren," antwoordde
dokter Antekirrt met een beleefden glimlach.

Piet Bathory, die geen deel aan dit gesprek genomen had, vroeg zich af,
of dokter Antekirrt al of niet het doel, dat hij wenschte te bereiken,
nader was gekomen. Het besluit, om denzelfden avond nog Ceuta te willen
verlaten, hoorde hij voor het eerst, en het bevreemdde hem niet weinig.

"Te drommel", dacht hij, "hoe zullen in zoo weinig tijd de noodige
maatregelen te nemen zijn, om de ontsnapping van Carpena, met hoop
op goeden uitslag, te kunnen bewerkstelligen. Dat zal inderdaad een
tooverstuk zijn!"

Hij overdacht dat weinige uren later de gedeporteerden in het
Presidio wedergekeerd en achter slot gesteld zouden zijn. Onder die
omstandigheden werd het zeer onwaarschijnlijk, dat iemand de vergunning
verkrijgen zou, dat de Spanjaard zich buiten de gevangenismuren zoude
mogen begeven. Waarlijk, het vraagstuk werd uiterst belangwekkend.

Maar Piet begreep, dat de dokter een vastgesteld plan volgde, toen
hij hem hoorde antwoorden:

"Waarlijk, heer gouverneur, het spijt mij zeer, dat ik aan uw zoo
vriendelijk geuit verlangen niet voldoen kan."

"Het spijt mij nog meer. Maar kunt gij waarlijk niet?" vroeg kolonel
Guyara met plichtpleging.

"Neen, althans heden niet. Maar toch is het mogelijk, dat ik aan uw
wensch zal kunnen voldoen."

"Hoe dat?... Spreek spoedig!... Ik ben inderdaad zeer verlangend,
heer dokter..."

"Luister."

"Spreek, dokter Antekirrt, spreek dan toch!" hernam de gouverneur
ongeduldig.

"Daar ik morgen ochtend noodzakelijk te Gibraltar moet wezen, moet
ik heden avond vertrekken. Daaraan valt niets te veranderen. Maar ik
reken, dat mijn verblijf op die Engelsche rots niet langer dan twee
of drie dagen zal duren. Het zou mij zeer tegenvallen, wanneer het
anders ware en ik er langer zou moeten blijven."

"Des te beter! Want geloof mij, daar op dat Britsche grondgebied is
niet veel te zien."

"Neen, ik wil er niet langer verwijlen dan noodig is. Het is heden
Donderdag, niet waar?"

"Inderdaad."

"Welnu, in plaats van mijne reis langs de noordkust der Middellandsche
zee te vervolgen, zal mij niets gemakkelijker vallen, dan Zondagmorgen
naar Ceuta terug te keeren...."

"Juist, niets gemakkelijker dan dat, inderdaad," antwoordde de
gouverneur, "en ook niets aangenamer en verplichtender voor mij! Ik
betoon waarschijnlijk wel wat te veel eigenliefde, niet waar,
heer dokter?"

"Laten wij daarvan niet spreken, heer gouverneur."

"Och, wie heeft zijne ijdelheids-beweegredenen niet in deze wereld,
niet waar? Dat is dus afgesproken, dokter Antekirrt, tot Zondag! Niet
vergeten, hoor!"

"Jawel, maar op eene voorwaarde, hoort gij op uwe beurt, heer
gouverneur?"

"Voorzeker, ik hoor. En die voorwaarde is, heer dokter?.. Kom laat
hooren!"

"Maar neemt gij ze aan? Dat dien ik vooraf te weten, heer
gouverneur. Neemt gij ze aan?"

"Blindelings! Welke zij ook moge zijn!" antwoordde kolonel Guyara
galant.

"Ook dat gij met uw adjudant aan boord van de _Ferrato_ zult komen
ontbijten?"

"Aangenomen, heer dokter, aangenomen! Maar..."

Kolonel Guyara scheen te aarzelen.

"Maar wat? Trekt ge terug, heer gouverneur? Dat zou ik niet mooi
vinden."

"Maar, ook op mijne beurt, op eene voorwaarde, heer dokter," ging de
kolonel voort.

"Evenals gij, neem ik haar blindelings aan. Laat hooren, heer
gouverneur."

"Dat is, dat gij met den heer Bathory op het gouvernementshuis zult
komen dineeren."

"Dat is afgesproken, heer gouverneur. Zoodat tusschen het ontbijt en
het middagmaal..."

"Ik van mijn gezag en mijne macht misbruik zal maken..." antwoordde
kolonel Guyara lachende.

"Brr! Misbruik van gezag en macht! Het is om kippenvel te krijgen! Om
er van te ontstellen!"

"Om u al de heerlijkheid van mijn rijk te doen bewonderen," voleindigde
kolonel Guyara, terwijl hij de hand van dokter Antekirrt drukte.

Piet Bathory had evenzeer de uitnoodiging, die hem gedaan was,
aangenomen, en bedankte voor de welwillendheid van den gouverneur
van Ceuta met eene beleefde buiging.

Dokter Antekirrt nam afscheid, en Piet kon toen reeds in zijne
oogen lezen, dat hij zijn doelwit bereikt had. Maar de gouverneur
wilde zijne toekomstige gasten tot in de stad vergezellen. Alle drie
namen toen plaats in het rijtuig en volgden den eenigen weg, die het
gouvernements-hôtel met het stedeke Ceuta in verbinding stelt.

Het was van dien Spaanschen gouverneur niet te verwonderen, dat
hij de gelegenheid te baat nam, om de beide bezoekers de min of meer
betwistbare schoonheden van de kleine volksplanting te doen bewonderen,
dat hij met eene zekere voorliefde sprak over de verbeteringen, die
hij zich voorgenomen had in te voeren, zoowel in het militair als in
het civiel bestuur der nederzetting; dat hij de meening verkondigde
en verdedigde, dat de ligging van het oude Abyla niet minder was
dan die van Calpi aan de andere zijde van de zeeëngte; dat hij
beweerde, dat het mogelijk was er een waar Gibraltar van te maken,
even onneembaar als zijn Britsche tegenhanger; dat hij protesteerde
tegen de onbeschofte woorden van master Ford: dat Ceuta aan Engeland
moest toebehooren, omdat Spanje er niets van weet te maken en onbekwaam
is om het te behouden indien het aangevallen werd; dat hij zich zeer
vertoornd betoonde over die halsstarrige Engelschen, die nergens
den voet aan wal kunnen zetten, zonder dat die voet dadelijk wortel
schiet. Neen waarlijk, dat was niet te verwonderen.

"Inderdaad", riep hij vrij opgewonden uit, "voordat zij er aan denken,
om zich van Ceuta meester te maken, moeten zij er voor waken, dat
zij Gibraltar behouden! Er bestaat daar een berg, die Spanje op hun
hoofd zou kunnen neerstorten!"

Dokter Antekirrt, zonder te vragen op welke wijze de Spanjaarden een
zoodanig gewelddadig geologisch verschijnsel in het leven zouden kunnen
roepen, wachtte zich wel die bewering tegen te spreken, die met al de
opgewondenheid, een hidalgo zoo eigen, geuit was. Daarenboven werd het
gesprek door het plotseling stil houden van het rijtuig afgebroken. De
koetsier had zich genoodzaakt gezien zijne paarden te moeten inhouden
bij eene verzameling van gedeporteerden, die als het ware den weg
afsloten. Het was eene bepaalde opstopping, zooals men wel in groote
steden, maar niet in eene verbeteringsplaats kon verwachten.

De gouverneur werd ongeduldig, wenkte met een enkel gebaar een der
brigadiers van het bewakings-detachement, om tot hem te komen. Die
agent naderde hem dadelijk met den voorgeschreven versnelden militairen
pas. Bij het rijtuig aangekomen, bracht hij de hielen op dezelfde lijn,
sloot het dikke der kuiten tegen elkander, bracht de rechterhand aan de
klep zijner politiemuts, en wachtte in die voorschriftmatige houding,
totdat de gouverneur het woord tot hem zoude richten.

Al de andere aanwezigen, zoowel bewakers als gevangenen, hadden zich
op een gelid aan weerszijden van den weg geschaard en keken eerbiedig
toe, zonder een vin te durven verroeren.

"Wat is er aan de hand?" vroeg de gouverneur. "Waarom die versperring
van den weg?"

"Excellentie," antwoordde de brigadier, "wij hebben een veroordeelde
op de helling van het talud van den weg vinden liggen. Hij schijnt
slechts ingeslapen te zijn..."

"Welnu, brigadier? Wat heeft dat te beduiden?" ging kolonel Guyara
met vragen voort.

"Men is er niet in geslaagd hem wakker te kunnen maken, Excellentie,"
was het antwoord.

"Sinds hoelang is die man in dien toestand, brigadier?"

"Sedert een uur ongeveer, Excellentie," was het eerbiedige antwoord
van den ondergeschikte.

"En slaapt hij steeds door? Het is, alsof gij mij een sprookje
vertelt."

"Steeds, Excellentie."

"Hoe weet gij dat, brigadier? Hebt gij u daarvan overtuigd? Zeg?"

"Ja, Excellentie. Hij is zoo ongevoelig, alsof hij dood ware. Men
heeft hem geschud, men heeft hem geprikt...."

"Wat verder?"

"Men heeft hem geroepen, zelfs een pistoolschot vlak bij het oor
gelost."

"Welnu?"

"Excellentie, hij voelt niets en hij hoort niets! Hij blijft ongevoelig
en bewusteloos liggen."

"Waarom heeft men den geneesheer van het Presidio niet gehaald?" vroeg
de gouverneur. "Dat is eene nalatigheid."

"Ik heb hem laten halen, Excellentie; maar men trof hem niet te huis"

"En?"

"In afwachting dat hij komt, weten wij niet, wat wij met dien man
moeten uitvoeren."

"Welnu, laat hem naar het hospitaal dragen! Mij dunkt, dat is nog
al eenvoudig."

De brigadier was op het punt dat bevel te doen uitvoeren, toen dokter
Antekirrt tusschenbeide kwam.

"Heer gouverneur," sprak hij, "wilt gij mij in mijne hoedanigheid van
geneesheer veroorloven, dien hardnekkigen slaper te onderzoeken. Ik
wenschte hem wel van nabij gade te slaan."

"Waarachtig, dat 's waar ook," zei de gouverneur, "dat behoort tot
uw departement!... Een boef, die door dokter Antekirrt behandeld
zal worden!... Waarlijk, de kerel zal zich niet te beklagen hebben,
dunkt me."

Het drietal stapte uit het rijtuig en de dokter naderde den
veroordeelde, die op het talud van den weg uitgestrekt lag. Het leven
vertoonde zich bij dien man, die in diepen slaap gedompeld was,
niet anders meer dan door eene ietwat hijgende ademhaling en door
eene snellere beweging van den pols. Dat was alles.

De dokter wenkte, dat de omstanders meer achteruit zouden wijken,
om de toetreding van meer lucht mogelijk te maken. Toen dat gebeurd
was, bukte hij zich over dat schijnbaar levenlooze lichaam, en sprak
tot Carpena, maar met een zachte stem. Daarna bekeek hij hem een
lange poos, alsof hij een zijner wilsuitingen in de hersenen van den
galeiboef wilde doen doordringen.

En zich toen oprichtende, zeide hij kalm en bedaard, alsof het geheele
voorval niets te beduiden had:

"Het is niets! Die man is slechts door een aanval van magnetischen
slaap overvallen geworden!"

"Waarlijk?" vroeg de gouverneur. "Niets anders dan dat?"

"Niets anders," antwoordde de dokter met een schier onmerkbaren
glimlach op de lippen.

"Dat is inderdaad zonderling," meende de gouverneur. "Vindt gij niet,
dokter Antekirrt?"

"Toch niet," antwoordde deze ernstig en afgemeten in toon en
gebaren. "Zoo iets komt meer voor."

"En kunt gij hem uit dien slaap wakker maken? Dat zou ik wel eens
willen zien."

"Niets gemakkelijker dan dat!" antwoordde dokter Antekirrt
meesmuilend. "Kijk goed toe, kolonel."

En na het voorhoofd van Carpena met de vingertoppen aangeraakt te
hebben, opende hij met vaardige en lichte hand de oogleden van den
lijder, en zeide toen:

"Word wakker! ... ik wil het! Hoort ge?... Ik wil het... word wakker!"

Carpena bewoog zich, eerst onmerkbaar schier, daarna meer duidelijk,
keerde zich om, opende de oogen, hoewel hij toch nog in een staat
van slaapdronkenheid en verdooving bleef. De dokter bewoog toen
verscheidene malen en in schuine richting de hand voor het gelaat van
den gedeporteerde, alsof hij ten doel had de hem omringende luchtlaag
in beweging te brengen. Langzamerhand verdween de verdooving. Toen
stond Carpena op en ging, evenwel loom en traag, en zonder dat hij
eenig bewustzijn scheen te hebben van hetgeen er voorgevallen was,
plaats tusschen zijne makkers nemen.

De gouverneur Guyara, dokter Antekirrt en Piet Bathory stegen weer
in het rijtuig, dat de weg naar de stad vervolgde in vollen draf,
om het tijdverlies van het oponthoud in te halen.

"Was de kerel, alles wel beschouwd, niet ietwat onder den invloed van
sterken drank?" vroeg de gouverneur met een spotachtigen glimlach. "Het
kwam mij zoo voor."

"Dat geloof ik niet," antwoordde dokter Antekirrt ernstig. "Neen,
dat was het niet."

"Vooreerst ontbrak geheel en al de alcohollucht," zei Piet Bathory,
die den dokter te hulp kwam.

"Meent ge? Ik moet erkennen, dat ik daar niet op gelet heb," zei
kolonel Guyara.

"En dan valt hier slechts eene eenvoudige uitwerking van het
somnambulisme te constateeren."

"Maar hoe kan die uitwerking te voorschijn geroepen zijn?" vroeg
de gouverneur.

"Daarop kan ik niet antwoorden, heer gouverneur. Misschien is die
man onderhevig aan dergelijke aanvallen."

"Maar hij is nu op de been, verdere zorgen mijnerzijds zijn nu
overbodig en deze aanval zal hem geen kwaad doen."

"Mijnentwege," dacht de gouverneur. "Zoo'n boef! Alsof ik mij daarom
bekommeren zou."

Het rijtuig bereikte weldra den gordel der vestingwerken, reed de
stad in en dwars door en hield stil op een klein plein, waarbij de
verschillende inschepings-kaden van Ceuta uitkwamen.

Daar nam dokter Antekirrt hartelijk afscheid van den kolonel Guyara.

"Ziet, daar ligt de _Ferrato_," sprak de eerstgenoemde, terwijl hij
naar het sierlijk stoomjacht wees, dat op de open reede bevallig
door de deining heen en weer bewogen werd. "Vergeef mij, dat ik
u uwe belofte herinner. Gij zult niet vergeten, heer gouverneur,
dat gij aangenomen hebt, om aanstaanden Zondag-ochtend aan boord te
komen ontbijten?"

"Zeker niet, dokter Antekirrt. Evenmin als gij vergeten zult, dat gij
Zondag-avond op het gouvernementshuis dineeren zult! Denk daar ook om;
want ik reken er op."

"Ik zal woord houden, heer gouverneur, dat verzeker ik u," zei dokter
Antekirrt met plichtpleging.

"En ik ook, wees daar verzekerd van," was het wederantwoord van
den kolonel.

Beiden scheidden en de gouverneur verliet de kade niet, dan nadat
hij de sloep had zien afsteken.

"Een merkwaardig man!" zei hij bij het heengaan tot zijn
adjudant. "Bepaald een merkwaardig man."

De jonge officier knikte toestemmend, zooals dat een goed
ondergeschikte betaamt.

Toen de sloep aan boord gekomen was, antwoordde dokter Antekirrt
op de vraag van Piet Bathory, of alles volmaakt naar zijn wensch
was afgeloopen en of hij de uitvoering zijner plannen meer nabij
gekomen was:

"Ja!"

"Meent gij dat wezenlijk?" vroeg Piet Bathory, niet zonder ietwat
verbazing te laten blijken.

"Zeker! Want Zondag-avond zal Carpena met of zonder vergunning van
den gouverneur aan boord van de _Ferrato_ zijn."

Tegen acht uren verliet het stoomjacht zijne ankerplaats, wendde
den steven noordwaarts en weldra verdween de berg Hacho, die deze
Afrikaansche kusten beheerscht, in den nevel, die zich bij het vallen
van den avond uit den Atlantischen Oceaan en uit de Middellandsche
zee verhief.





II.

EENE PROEFNEMING VAN DOKTER ANTEKIRRT.


Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig,
waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op
welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar
voet aan wal zet.

Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen
voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen
gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat
gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke
geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een
onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is,
die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk
bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den
naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat
blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen
en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars,
van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers,
tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten
en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als
een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden,
Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers--dus zoowat
van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die
hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun
eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht
blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne
gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben,
en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.

Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die
zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de
Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.

Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van
Europa en voert langs veelkleurige villa's en groenende squares, onder
het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken,
die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met
kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die
in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over eene lengte
van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van
de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris
vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San
Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in
de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige
verschijning, van uit zee gezien.

Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig
meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met
zijne kanonnen, met zijne "oude besjestanden" zooals de Spanjaarden ze
noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van
die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen
door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije
kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst
somber aanzien verleenen.

Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting
wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de
voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te
rekenen, die beruchte "monos", een soort van staartelooze apen, Simia
Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van
de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen
zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de
eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden,
de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.

Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der
vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met
uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar
met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het
hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met
zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met
een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden
dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland
niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat
zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel
is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het
westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen
over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken
kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde
luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven
en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen
aard en verwerven daardoor veler gunst.

Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de
geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan en
heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en
aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer
het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.

De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen
en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en
laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt,
ten einde steeds op hunne hoede te zijn.

Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan
Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de
Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen
ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De
rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene
lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland
verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien
duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd
meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch
gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen,
onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige
gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt
zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den
zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar
eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk
bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d'Europa, verheft zich een
vuurtoren op 36° 6' 42'' Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel
ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der
stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden
nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal,
op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots
de Spaansche stad Santa Roqua.

Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting
gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de
Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal
bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde
muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt
de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal
gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen
vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te
verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in
de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede
rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van
1779-1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee
honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht--twee
boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut
bewapend zijn.

Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone
garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend
man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een
kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk
watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er
toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De
berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden
er een weelderigen plantengroei.

Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der
indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden,
werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste
gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de
straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant
gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de
donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.

Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor
de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met
sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den
berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa's
en tuinen, een weg naar Punta d'Europa.

Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het
gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen
een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is
een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis
herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest
in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.

Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee;
uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels;
maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad;
heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude
Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche
grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69 vierk. geografische
mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten
worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten
anker komen,--jaarlijks ongeveer tienduizend,--geven aanleiding tot
een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel
gedreven met Spanje.

Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden
ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere
Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen
Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden
ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen den
21sten Juli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar
dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal,
die reeds den 4en Augustus onder aanvoering van den Keizerlijken
luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting
bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12en
daaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de
vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal
Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen
der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot
verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg,
dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag
leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in
het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle
hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in
de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak
van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7en Maart 1727 het beleg
voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen
admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.

Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting;
het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle
aanspraken op Gibraltar afzien.

In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden
ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden,
om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De
bezetting deed op den 27sten November 1781 een gelukkigen uitval naar
de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar
vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd,
vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende
batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk
op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.

De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen,
nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden
meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.

Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa
aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.

Wanneer de _Ferrato_, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen
vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter
Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op
de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot
buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen
te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel
aan de linkerzijde verheffen, dan zouden wellicht de gebeurtenissen,
die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel
ander verloop hebben gehad.

Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19en September op een
dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te
vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug
naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede
kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij
er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars
konden worden beluisterd.

Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de
Marokkaansche vrouw Namir.

De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben,
dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest
vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de
Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo'n
vreeselijken dood vond.

Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd,
veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde,
dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen,
die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.

De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij
ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de
Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.

Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht
had te komen.

Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden
dag te kunnen vertrekken.

Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam
toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche
rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer
verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het
Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de
vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen
het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele
woorden verhaald werd.

Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de
meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna
altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan
Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone,
zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een
gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben,
zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.

Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat
hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over
Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.

Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van
Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en
het werd in de Arabische taal gevoerd.

Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een
antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende
beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.

"Sava?..." vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. "Waar
is Sava?"

"Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid," antwoordde het oude wijf,
met een grijnslach.

"Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje
in?" vroeg de Tripolitaan.

"Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust," was het antwoord van de
oude feeks.

"Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik
kunnen gemaakt worden...."

"Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande
iets te vreezen te hebben."

"Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op
het spel staan."

"Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude
jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw
kan ik volkomen vertrouwen."

"Is dat zeker?"

"Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen
dan gij. Daarenboven..."

"Ga voort... Ga dan toch voort... Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij."

"Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie
ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees
dus volkomen gerust."

"Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?... Gij weet, dat dit
van belang is."

"Voorzeker, Sarcany," antwoordde Namir. "Ik laat haar niet van het
denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal
zij! Dat heb ik gezworen!"

"Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen
van Toronthal nog maar weinig meer overblijft... Waarlijk, die arme
Silas heeft weinig geluk bij het spel."

"Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden,
dan gij ooit geweest zijt!"

"Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop
mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet,
dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht
weigeren... Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat
vermogen mij."

"Ik zal haar wel noodzaken toe te geven," antwoordde Namir
gemelijk. "Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!... Laat dat
maar aan mij over, Sarcany!"

Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor
te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij
zoo sprak.

"Goed, Namir, zeer goed!" antwoordde Sarcany, geheel en al
gerustgesteld.

"O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd,
niet waar, Sarcany?"

"Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen,"
antwoordde deze.

"Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te
verlaten?" vroeg de Marokkaansche.

"Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn," antwoordde
Sarcany met een glimlach.

"Gij hebt gelijk," zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden
toon.

"Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal
kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte,
om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is
goed afgesproken, niet waar?"

"Zoo is het goed, Sarcany," hernam Namir. "Maar zeg mij nu, waarom
gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?"

"Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te
zeggen dan te schrijven."

"Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek
het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren,
al ware het ook een moord!"

"Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister
goed," antwoordde Sarcany: "Mevrouw Bathory is verdwenen en haar
zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te
vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van
dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen,
die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas
Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De
andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op
Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand
kan praten en ook niemand zal praten!"

"Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend," zei Namir met haren
leelijken grijnslach.

"Ja, maar ..." hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende
stem. "Ja maar...."

"Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?" vroeg Namir,
terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.

"Ik vrees alleen nog maar de tusschenkomst van twee personen, waarvan
de eene een gedeelte van mijn verleden weet, en de andere zich in
mijne tegenwoordige plannen meer mengt dan mij inderdaad lief is."

"Wie zijn dat?" vroeg Namir heftig en woest, terwijl zij opsprong.

"De eene is Carpena," antwoordde Sarcany. "Gij weet wel, de Spanjaard
Carpena!"

"Zoo!" gromde de Marokkaansche met sombere stem. "En wie is de andere?"

"De andere... dat is die dokter Antekirrt, wiens verhouding tot de
familie Bathory mij vroeger te Ragusa al zeer verdacht voorkwam,
en mij nu ernstige ongerustheid inboezemt!"

De oogen van het oude wijf flikkerden gedurende een ondeelbaar
oogenblik.

"Ik heb bovendien van Benito, den kastelein van Santa Grotta
vernomen, dat die laatstgenoemde, die millioenen rijk is, Zirone door
tusschenkomst van een zekeren Pescados een loozen strik gespannen
heeft. Indien dat waar is, dan heeft hij dat gedaan om zich van
zijn persoon, daar ik niet in de nabijheid was, meester te maken,
natuurlijk met het doel om hem zijne geheimen te ontwringen!"

"Mij dunkt, dat dit duidelijk genoeg is," antwoordde Namir. "Meer
dan ooit moet gij u voor dien dokter Antekirrt in acht nemen... Ik
heb u vroeger reeds voor dien persoon gewaarschuwd."

"Dat is goed en wel; maar in de eerste plaats dien ik intusschen
steeds te weten, wat hij uitvoert..."

"Dat is waar. En dat zal lang zoo gemakkelijk niet gaan, als gij wel
zoudt meenen."

"Maar vooral waar hij zich bevindt. Dat moet en dat zal ik weten,"
sprak de Tripolitaan.

"Dat is zeer moeielijk, nog moeielijker dan het andere, Sarcany,"
antwoordde Namir.

"Waarom dat?"

"Ik heb te Ragusa hooren vertellen, dat hij zich den eenen dag in
dit gedeelte der Middellandsche zee bevindt en den volgenden weer
aan het andere uiteinde!"

"Ja, die man schijnt de gave der alomtegenwoordigheid te
bezitten!" riep Sarcany met een zucht uit. "Maar het zal niet gezegd
worden, dat ik hem zal veroorloven, mij spaken in het wiel te steken,
zonder dat ik een woordje meegepraat zal hebben. Dat die dokter zich
ernstig in acht neme!"

"Voorzichtig, Sarcany!" vermaande de oude. "Voorzichtig toch! Als
gij met vuur omgaat..."

"En al moest ik hem tot op zijn eiland Antekirrta gaan opzoeken,"
ging Sarcany hartstochtelijk voort, "ik zal hem..."

"Als dat huwelijk voltrokken is," suste hem Namir, "dan zult gij
van hem en van niemand meer iets te vreezen hebben. Niet waar,
Sarcany? Van niemand meer?"

"Ongetwijfeld, Namir; ... maar intusschen ... is dat huwelijk nog
niet voltrokken."

"Middelerwijl moeten wij oppassen, moeten wij zorgvuldig
uitkijken! Daarenboven, wij zullen steeds een voordeel boven hem
hebben! Gij verstaat mij, hoop ik?"

"Welk, Namir? Neen, ik begrijp u niet geheel en al. Welk voordeel?"

"Wij zullen kunnen vernemen, waar hij is, zonder dat hij weten kan,
waar wij ons bevinden."

"Dat is waar."

"Laten wij nu over Carpena spreken, Sarcany. Wat hebt gij van dien
man te vreezen?"

"Carpena kent mijne verhouding tot Zirone. Hij weet, dat wij trouwe
makkers en vrienden waren."

"Zoo!"

"Sedert verscheidene jaren maakte hij deel uit van enkele
rooversexpedities, waarin ik de hand had. Hij kan praten en dan
... dan zou ik verloren zijn."

"Accoord, maar Carpena bevindt zich thans in het Presidio van Ceuta,
veroordeeld tot levenslange galeistraf, wegens gepleegden moord,
niet waar?"

"Ja, Namir, en het is juist dat, hetgeen mij verontrust. Dat wil ik
u niet verbergen."

"Spreek, Sarcany. Spreek op, en ontvouw mij uwe geheimste
gedachten. Zeer waarschijnlijk kan ik helpen."

"Carpena kan, om zijn toestand te verbeteren, om eene verzachting
van straf te erlangen, aan het verraden gaan."

"Och, kom!... Zou hij daartoe in staat zijn? Dat geloof ik nog zoo
gauw niet."

"Zoowel als wij weten, dat hij naar Ceuta gedeporteerd is, weten dat
anderen ook."

"Dat is zoo. Ik moet erkennen, dat dit voor wederlegging niet
vatbaar is."

"Anderen kennen hem persoonlijk. Bijvoorbeeld die Pescados, die hem
te Malta zoo beet gehad heeft. Nu zal dokter Antekirrt door dien man
wel middel weten te vinden, om tot hem te genaken."

"Dat is niet onmogelijk," zei Namir peinzende. "En in dat geval is
inderdaad het gevaar groot."

"Die man kan zijne geheimen door kracht van goud willen koopen. Daartoe
bezit hij de middelen."

"Wat zou Carpena in het bagno van Ceuta met goud kunnen uitvoeren? Men
zou hem dat daar toch maar afnemen."

"Hij kan hem willen doen ontsnappen, Namir. En dan kan Carpena altijd
goud gebruiken."

"Ja, zoo beschouwd... Maar dat zou geld kosten. Veel, zeer veel
geld!" zei de Marokkaansche.

"Daarvoor zal de dokter wel niet terugdeinzen. En inderdaad, het
verwondert mij, dat hij het nog niet gedaan heeft!"

Sarcany, die trouwens schrander genoeg was, gaf hier blijken van zeer
scherpziende te zijn; want hij raadde inderdaad, welke de plannen
des dokters ten opzichte van den Spanjaard waren. Hij begreep als
bij instinct, alles wat hij van hem te vreezen had.

Namir moest toegeven, dat Carpena, bij den thans bestaanden toestand,
zeer gevaarlijk kon worden.

"Waarom," riep Sarcany uit, "is hij niet in stede van Zirone daar ginds
verdwenen! Hij ware beter in den krater van den Etna terecht gekomen!"

"Wat niet in Sicilië gebeurd is," antwoordde Namir kalm en op ijskouden
toon, "kan nog te Ceuta geschieden, hoewel ik bekennen moet, dat hier
geen krater ter beschikking staat."

Met dat woord was het vraagstuk zuiver gesteld. Die twee begrepen
elkander.

Namir verklaarde toen, dat haar niets gemakkelijker zoude vallen,
dan van Tetuan naar Ceuta te gaan, zoo dikwijls als zij zulks noodig
zou kunnen oordeelen. Hoogstens een twintigtal mijlen zijn die twee
steden van elkander gescheiden. Tetuan bevindt zich iets voorbij de
strafkolonie, ten zuiden van de Marokkaansche kust gelegen. Daar nu
de veroordeelden aan de wegen of in de stad te werk zijn gesteld, zou
het zeer gemakkelijk zijn met Carpena, die haar kende, in aanraking
te komen, en hem dan te doen gelooven, dat Sarcany zich onledig
hield met een plan, om hem te doen ontsnappen. Zij zou hem dan eenig
geld kunnen geven, ook eenige levensmiddelen, als toevoegsel aan het
schrale maal der gevangenen. Wanneer het nu gebeurde, dat een stuk
brood of wel eene vrucht vergiftigd was, wie zou zich dan om den dood
van Carpena bekommeren? Wie zou er de oorzaken van opsporen? Niemand,
niet waar? Een galeiboef is geen mensch meer. Wie bekommert zich over
zijne verdwijning?

Een schoft minder in het Presidio, dat zou geen voorval zijn, om den
gouverneur van Ceuta bovenmate te verontrusten! Dan zou Sarcany niets
meer van den Spanjaard te vreezen hebben, ook niet van de pogingen
van dokter Antekirrt, die er belang bij had, om Carpena's geheimen
te doorgronden. Een moord! Eenvoudiger kon het niet.

Alles wel beschouwd, was het gevolg van dat onderhoud dit: terwijl van
de eene zijde alles klaar gemaakt werd voor de ontsnapping van Carpena,
werd van de andere zijde alles beproefd om die ontvluchting onmogelijk
te maken, door hem naar die strafkolonie der andere wereld te zenden,
vanwaar niemand ontvluchten kan.

Toen alles behoorlijk overeengekomen was, wandelden Sarcany en
Namir weer naar de stad terug en namen daar een hartelijk afscheid
van elkander.

Dienzelfden avond verliet Sarcany Spanje, om Silas Toronthal te gaan
opzoeken; terwijl Namir den volgenden ochtend, na de baai van Gibraltar
overgestoken te zijn, zich te Algesiras inscheepte aan boord van de
pakketboot, die geregeld den dienst tusschen Europa en Afrika verricht.

Juist toen die pakketboot de haven verliet, kruiste zij een
pleizierjacht, dat spelevarende, de baai van Gibraltar rondstoomde,
alvorens in de Engelsche wateren het anker te laten vallen.

Dat was de _Ferrato_. Namir, die het vaartuig gezien had, toen het
Catania aandeed, herkende het dadelijk.

"Dokter Antekirrt hier!" prevelde zij binnensmonds. "Sarcany heeft
gelijk! Er is gevaar; en dat gevaar is wellicht reeds meer nabij dan
iemand onzer zelfs vermoedt."

Weinige uren later ontscheepte de Marokkaansche vrouw te
Ceuta. Alvorens evenwel naar Tetuan terug te keeren, nam zij hare
maatregelen, om in aanraking met den Spanjaard te komen.

Haar plan was eenvoudig, zoo eenvoudig zelfs, dat het slagen moest,
als haar ten minste de tijd gegund werd, om het ten uitvoer te
brengen. En dat zou slechts van de gelegenheid afhangen.

Eene verwikkeling verrees evenwel, waarop Namir onmogelijk verdacht
kon geweest zijn. Carpena had zich namelijk, ten gevolge van de
tusschenkomst van dokter Antekirrt tijdens zijn eerste bezoek, ziek
gemeld; en hoewel hij dat niet was, was hij er in geslaagd, voor eenige
dagen in het hospitaal van de strafkolonie opgenomen te worden. Namir
bleef dus niets over, dan rondom het hospitaal te drentelen, zonder dat
het haar evenwel gelukte tot hem door te dringen. Wat haar evenwel
geruststelde, was, dat al kon zij Carpena niet te zien krijgen,
dat dit dokter Antekirrt, of zijne agenten evenmin gelukken zou.

"Dus," dacht zij, "er bestaat geen onmiddellijk gevaar. Waarlijk,
een geluk bij een ongeluk!"

En inderdaad, geene ontsnapping scheen te vreezen, zoolang de
veroordeelde zijn arbeid op de wegen der kolonie niet hervat had.

Toch vergiste zich Namir bij die vooronderstelling. De opname van
Carpena in het hospitaal van de strafkolonie zou integendeel de
plannen des dokters begunstigen en het welslagen daarvan waarschijnlijk
verzekeren.

De _Ferrato_ kwam in den avond van den 22sten September in het
binnenste gedeelte der baai van Gibraltar ten anker. Die baai
werd dikwijls door de westen- en zuidwestenwinden geteisterd,
zoodat oppassen de boodschap was. Maar het stoomjacht zou er niet
lang vertoeven, hoogstens gedurende den dag van den 23sten, dat
wil zeggen: den geheelen Zaterdag. Dokter Antekirrt en Piet Bathory
begaven zich dan ook, na aan wal gegaan te zijn, naar het Post Office
in de Mainstreet, waar zij post-restant brieven hoopten te vinden.

Die hoop werd verwezenlijkt. Een door een der agenten op Sicilië aan
den dokter gerichte brief meldde hem, dat Sarcany, sedert het vertrek
der _Ferrato_, noch te Catania, noch te Syracuse, noch te Messina,
zich had laten zien. In één woord, dat hij spoorloos verdwenen was.

Een andere brief, die door Pescadospunt aan Piet Bathory geadresseerd
was, berichtte, dat hij veel beter ging en dat geen spoor zijner
wond weldra zou overblijven. Dokter Antekirrt kon hem, zoodra hij
verkoos, zijn dienst doen hervatten. Natuurlijk ook Kaap Matifou,
die aan beiden de eerbiedige groeten van een rustend Hercules aanbood.

De derde brief eindelijk was aan Luigi Ferrato gericht en kwam van
Maria. Deze was, en dat valt wel te begrijpen, meer een brief van
eene moeder dan wel van eene zuster.

Wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory zes en dertig uren vroeger
in de openbare tuinen van Gibraltar rondgewandeld hadden, zouden zij
voorzeker Sarcany en Namir ontmoet hebben.

Die dag werd gebezigd, om de kolenruimen van de _Ferrato_ te vullen met
behulp der gabara's, eene soort van lichters, die de steenkolen gingen
halen bij de kolenschepen, die vlottende magazijnen, welke op de reede
ten anker lagen. Men vulde ook den zoetwatervoorraad aan, benoodigd
zoowel voor de stoomketels, als voor de waterkisten en watervaten
van het stoomjacht. In het voornaamste werd dus dadelijk voorzien.

Alles was dus aangevuld en in orde, toen de dokter en Piet, die
in een hôtel op de Commercial Square gedineerd hadden, aan boord
terugkwamen, op het oogenblik dat het "first gun fire", het eerste
kanonschot, de sluiting verkondigde der poorten van die stad, waarin
de krijgstucht even streng en voorbeeldeloos gehandhaafd werd, als
in eene strafkolonie van Norfolk of van Cajenne, of in eene Duitsche
vesting als Mainz of Coblenz.

Toch lichtte de _Ferrato_ niet dienzelfden avond het anker. Daar het
vaartuig slechts kleine twee uren noodig had, om de zeeëngte over te
steken, ging het eerst den volgenden ochtend tegen acht uren onder
stoom. Toen stoomde het met volle kracht in de richting van Ceuta,
na onder het vuur der Engelsche batterijen voortgestevend te zijn,
die hunne excercitie-vuren wel wilden staken, om het bevallige
pleiziervaartuig niet in den vollen romp te treffen en in den grond
te boren.

Om half tien kwam het aan den voet van den berg Hacho aan; maar daar
de bries uit het noordwesten blies, zouden de ankers op dezelfde
plaats waar het stoomjacht drie dragen te voren ter reede gelegen had,
niet gehouden hebben. De kapitein ging dus aan de andere zijde der
stad ankeren in eene kleine kreek, welke door hare ligging tegen de
zeewinden gedekt was. Daar liet de _Ferrato_ op twee kabellengten
afstand van den oever het anker vallen. Het vaartuig zwenkte voor
de aanrollende zee om, met den boeg in den wind, en bleef toen
onbewegelijk liggen.

Dokter Antekirrt ontscheepte twee uren later op een kleinen pier,
die in zee uitgebouwd was.

Namir, die hem bespiedde, had geen enkele der wendingen en bewegingen
van het stoomjacht uit het oog verloren. De dokter herkende haar
natuurlijk niet; hij had haar ter nauwernood bij het vallen van den
avond op den bazaar van Cattaro ontmoet, en haar toen waarschijnlijk
niet eens opgemerkt. Zij daarentegen, had hem dikwijls te Gravosa en
te Ragusa ontmoet. Zij herkende hem dan ook dadelijk, en besloot,
gedurende al den tijd dat het stoomjacht te Ceuta zou doorbrengen,
uiterst voorzichtig en zeer nauwgezet op hare hoede te zijn.

Toen de dokter ontscheepte, stond de gouverneur van de kolonie,
vergezeld van een zijner adjudanten, hem op de kade af te wachten. Dat
was inderdaad een eerbetoon, hetwelk niet iedereen gegund werd.

"Goeden dag, waarde gast! en welkom hier!" riep kolonel Guyara
uit. "Gij zijt een man van uw woord. En, nu gij mij voor den geheelen
dag toebehoort..., zult gij mij niet ontsnappen."

"Heer gouverneur, ik zal u eerst dan toebehooren, wanneer gij mijn
gast zult geweest zijn. Vergeet niet..."

"Wat, dokter Antekirrt? Als ik u vriendelijk bidden mag...!" vroeg
kolonel Guyara.

"Ik moet u herinneren, dat het ontbijt aan boord van de _Ferrato_
gereed staat."

"Dat's waar ook! Welnu, wanneer het ontbijt gereed staat, zou het
niet beleefd zijn, mij te laten wachten!"

De sloep bracht den dokter met zijne genoodigden naar boord terug. De
tafel was weelderig voorzien, en allen deden het maal, hetwelk in
het salon van het stoomjacht klaar stond, alle eer aan.

Gedurende het ontbijt liep het gesprek voornamelijk over het bestuur
der kolonie, over de zeden en gebruiken harer bewoners, over de
betrekkingen, die bestonden tusschen de Spaansche bevolking en de
inboorlingen. Als bij toeval, kwam dokter Antekirrt er toe, om over
dien veroordeelde te spreken, dien hij twee of drie dagen te voren
op den weg naar het gouvernementshuis uit een magnetischen slaap
gewekt had.

"Hij herinnert zich ongetwijfeld niets meer?" vroeg hij niet zonder
belangstelling.

"Niets," antwoordde de gouverneur. "Ten minste, zooals mij is
gerapporteerd geworden."

"Dat verwondert mij niet," opperde dokter Antekirrt zoo ernstig
mogelijk.

"Maar," ging kolonel Guyara voort, "hij is niet meer ten arbeid
gesteld aan de verharding der wegen."

"Niet? Waarom niet? Hebt gij daar bijzondere redenen voor, heer
gouverneur?"

"Neen, dokter Antekirrt," antwoordde de kolonel. "Volstrekt niet."

"Waar is hij dan?" vroeg dokter Antekirrt, met een schakeering van
ongerustheid in zijne stem, die Piet Bathory alleen vermocht waar
te nemen.

"Hij is in het hospitaal," antwoordde de gouverneur. "Het schijnt dat
dit toeval zijne kostbare gezondheid geschokt heeft, en, niet waar,
die moet hersteld worden?"

"Wat is het voor een landsman? Is het een Franschman, een Duitscher
of een Italiaan?"

"Neen, het is een Spanjaard, die Carpena heet," antwoordde kolonel
Guyara. "Hij is voor levenslang hier."

"Is het een erge booswicht? Wat heeft hij voor streken uitgevoerd,
die hem hier gebracht hebben?"

"Het is een gewone moordenaar, die hoegenaamd geene belangstelling
verdient, dokter Antekirrt. Als die kerel overleed, zou het waarlijk
geen verlies voor het Presidio zijn!"

Daarna ging het gesprek op iets anders over. Waarschijnlijk wenschte
de dokter niet te laten blijken, dat hij eenigermate belang stelde in
dien gedeporteerde, die na weinige dagen, als hersteld, het hospitaal
zou verlaten.

Toen het ontbijt ten einde geloopen was, werd koffie op het dek
rondgediend, en werd die met smaak verorberd, terwijl de blauwe
rookwolkjes der Manilla-sigaren van de gasten onder de zonnetent van
het achterschip bevallig omhoog kronkelden.

Nadat die uitspanning een poos geduurd had, bood dokter Antekirrt den
gouverneur aan, om zonder verwijl naar den wal te gaan. Hij stelde zich
thans geheel ter beschikking en was gereed het geënclaveerde Spaansche
grondgebied in Afrika in alle zijne bijzonderheden te bezichtigen.

Dat aanbod werd natuurlijk dadelijk aangenomen, en de gouverneur zou
tot het diner tijd te over hebben, om zijn beroemden gast rond te
geleiden en hem alles te laten bezichtigen.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory werden dan ook met zorg rondgeleid
door het geheele Spaansche grondgebied, zoowel door de stad, als door
de omstreken. Geen enkele bijzonderheid werd overgeslagen, noch in de
strafkolonie, noch in de kazernes der bezetting, noch daarbuiten. Dien
dag--het was op een Zondag--waren de gedeporteerden niet aan hunnen
gewonen arbeid gezet, zoodat de dokter hen in dien nieuwen toestand
kon waarnemen.

Wat Carpena betreft, dien zag hij slechts ter loops, terwijl hij door
het hospitaal kwam, en hij scheen zijne aandacht niet te trekken.

De dokter dacht dienzelfden nacht van Ceuta te vertrekken, om naar
Antekirrta terug te keeren, evenwel niet zonder het grootste gedeelte
van dien avond aan den gouverneur gewijd te hebben. Tegen zes uren
ongeveer kwam hij dan ook in het Gouvernementshuis terug, waar hem een
keurig diner wachtte, dat tot tegenhanger moest dienen van het ontbijt,
des ochtends aan boord van het stoomjacht de _Ferrato_ genoten.

Het zal wel niet behoeven verteld te worden, dat de dokter gedurende
die wandeling _intra et extra muros_, binnen en buiten de stad, door
Namir gevolgd was. Hij kon niet bevroeden, dat hij het voorwerp was
van zulk eene hardnekkige bespieding. Maar al had hij het geweten,
wat zou hij er tegen hebben kunnen doen? Niets, niet waar?

Het ging vroolijk aan tafel toe. Eenige notabelen der kolonie,
verscheidene officieren met hunne echtgenooten, twee of drie rijke
handelaren waren genoodigd geworden, en die lieten vrij uit het
genoegen blijken, dat zij smaakten, zoo in de nabijheid te zijn van
den beroemden dokter Antekirrt en hem te kunnen zien en hooren.

De dokter verhaalde gaarne van zijne reizen in het Oosten, door
Syrië, door Palestina, door Arabië, door Nubië, door Egypte, door
Noord-Afrika. Daarna bracht hij het gesprek weer op Ceuta. Hij kon
niets anders dan den gouverneur zijn compliment maken, die met zooveel
verdiensten het Spaansche geënclaveerde grondgebied bestuurde. Het
was volgens hem bewonderenswaardig.

"Maar," liet hij er op volgen, "het toezicht over de veroordeelden
moet u toch soms zorgen veroorzaken, niet waar?"

"Waarom zou het dat, waarde dokter? Ik trek mij de wereldsche zaken
zoo zeer niet aan. Ik volvoer mijn plicht..."

"Maar die boeven zullen toch wel pogingen aanwenden, om te ontsnappen,
denk ik. En daartegen dient gewaakt te worden."

De kolonel glimlachte minachtend, maar antwoordde niet dadelijk,
alsof hij nadacht.

"Daar nu de gevangenen," ging de dokter voort, "er meer aan denken
om te ontvluchten, dan hunne bewakers om hun dat te beletten, volgt
daaruit, dat het voordeel aan den kant der gevangenen is. En het zou
mij niet verwonderen, wanneer nu en dan eenigen op het avondappèl
mankeerden."

"Nooit!" riep de gouverneur uit. "Nooit! Ik zou wel eens willen zien,
dat zoo iets zou gebeuren!"

"Evenwel, heer gouverneur... Er bestaan legenden van beroemde
ontsnappingen."

"Waarheen zouden die vluchtelingen gaan? Vraag u dat eerst eens
af! Daarin zit de groote moeilijkheid."

"Maar, mij dunkt, dat alle wegen voor hen open staan, en zij derhalve
maar te kiezen hebben."

"Maar, dokter Antekirrt. Over zee is de ontsnapping onmogelijk! Over
land zou zij te midden van die woeste, onbeschaafde bevolking
van Marokko zeer gevaarlijk zijn. Onze gedeporteerden blijven dan
ook stil in het Presidio, zoo niet voor hun genoegen, dan toch uit
voorzichtigheid. Zij vinden, dat een levende galeiboef beter is dan
een doode ontsnapte."

"Als dat zoo is," antwoordde de dokter, "dan kan ik u gelukwenschen,
heer gouverneur; want het is te vreezen, dat de bewaking der gevangenen
in de toekomst allengs moeielijker zal worden."

"Om welke reden, als het u belieft?" vroeg een der genoodigden,
die te meer belang in het gesprokene stelde, dewijl hij directeur
der strafkolonie was.

"Welnu, mijnheer," antwoordde de dokter, "omdat de studie der
magnetische verschijnselen bij het menschdom zeer groote vorderingen
heeft gemaakt...."

"Wat hebben magnetische verschijnselen met de bewaking der gevangenen
te maken?" vroeg de verblufte directeur.

Maar dokter Antekirrt liet zich niet uit het veld slaan, en vervolgde,
alsof hij niet gestoord ware:

"Omdat de toepassing dier magnetische verschijnselen door iedereen
kan geschieden; omdat eindelijk de uitwerking of gevolgen der
gedachtenopdringing meer en meer algemeen worden zal en dat die niets
minder beoogen dan den eenen persoon in de plaats van den anderen
te stellen. Ik meen, dat onder zulke omstandigheden het bewaken
moeielijk wordt."

"En, in dat geval?" ... vroeg de gouverneur nieuwsgierig, maar zonder
achterdocht.

"In dat geval, heer kolonel, meen ik, dat het verstandig zal zijn,
niet alleen de gevangenen, maar ook hunne bewakers te bewaken. Dat
zult gij moeten toegeven!"

"Hé, hé!" riep de directeur geërgerd uit. "Dat is sterk. Als de
bewakers bewaakt zullen moeten worden!"

"Gedurende mijne reizen, heer gouverneur," ging dokter Antekirrt voort,
"ben ik getuige geweest van zoo buitengewone voorvallen, dat ik voor
mij geloof, dat in die reeks van verschijnselen alles mogelijk is."

"Dus gij meent?..." vroeg kolonel Guyara uiterst nieuwsgierig.

"Ik meen dus, heer gouverneur, dat gij in uw belang niet moet
vergeten, dat wanneer een gevangene zijns onbewust, zijns ondanks
zelfs, onder den invloed van een vreemden wil kan ontvluchten,
eveneens een bewaker, aan denzelfden invloed onderworpen, hem even
onbewust kan laten ontsnappen."

"Zoudt gij ons kunnen uitleggen, waarin dat verschijnsel
bestaat?" vroeg de directeur der strafkolonie ernstig.

"Zeker, mijnheer, kan ik dit uitleggen, wanneer gij zulks
verlangt. Spreek maar een woord."

"Mag ik u dan om die uitlegging verzoeken? Gij zult mij daarmede
zeer verplichten."

"Leeringen wekken, maar voorbeelden trekken en ... zijn beter. Een
enkel voorbeeld zal u beter doen begrijpen dan iedere uitleg,"
antwoordde de dokter.

"Wij zijn nieuwsgierig, dokter Antekirrt," zei de gouverneur. "En
wachten met ongeduld uw voorbeeld."

"Veronderstelt, dat een bewaker eene natuurlijke voorbeschikking heeft
tot onderwerping aan den magnetischen of hypnotischen invloed; want dat
is hetzelfde, en laten wij aannemen, dat een gevangene dien invloed
op hem uitoefent... Welnu, van het oogenblik af dat deze laatste van
zijn invloed of zijne macht kennis zal dragen, zal hij baas over den
bewaker zijn, zal hij hem alles doen verrichten wat hij wil, zal hij
hem doen gaan, waarheen hij verlangt, zal hij hem noodzaken de deur
der gevangenis te openen, wanneer hij hem die gedachte zal opdringen."

"Ongetwijfeld, heer dokter," antwoordde de directeur, "maar op eene
voorwaarde, niet waar?"

"En die is?" vroeg dokter Antekirrt, met een goedkeurenden hoofdknik.

"Dat de gevangene zijn bewaker eerst in slaap zal gemaakt hebben,
meen ik?"

"Daarin vergist gij u, mijnheer," antwoordde de dokter hoogst ernstig.

"Zou ik?"

"Ja, gij vergist u. Al die daden kunnen volvoerd worden in wakenden
toestand, zonder dat de bewaker er eenig bewustzijn van heeft of
ondervindt."

"Wat, gij beweert...?"

"Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder
zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of
dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen,
en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio
openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij
zult mij niet zien!... Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk."

"Dat alles, wanneer hij wakker is?" vroeg de directeur steeds uiterst
ongeloovig.

"Juist wanneer hij volkomen wakker is!" bevestigde de dokter op een
toon, die geen tegenspraak duldde.

Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof
gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering,
als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van
den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam
hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.

"Niets is toch zekerder evenwel," zei toen Piet Bathory; "en ik zelf
ben getuige geweest van daadzaken ..."

"Zoodat," zei de gouverneur, "men de stoffelijkheid van een persoon
aan den blik van een andere kan onttrekken?"

"Geheel en al, heer gouverneur," antwoordde dokter Antekirrt,
"evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige
wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg
brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn,
of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan
zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der
verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan
dien invloed onderworpen."

"Dokter Antekirrt" zei toen de gouverneur, "ik meen het gevoelen van
alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die
zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!"

"En, zelfs dan nog! ..." meende een der tegenwoordige personen bij
wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.

"Het is dus zeer betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "dat de
weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet
veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen."

"Maar... met uw verlof, heer gouverneur," zei de dokter tot den
gouverneur.

"Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?" vroeg kolonel Guyara. "Gij
wildet iets zeggen."

"Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven."

"Mijne toestemming? Dadelijk," sprak de gouverneur opgewonden uit.

"Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!" antwoordde dokter Antekirrt
bescheiden.

"Ja, wat mij betreft," antwoordde de gouverneur. "Zult gij willen? Zult
gij kunnen?"

"Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te
Ceuta de baas."

"Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze
weetgierigheid te bevredigen."

"Het zij zoo," antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. "Gij
zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der
veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op
den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man
was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag
gedompeld. Herinnert gij u dat nog?"

"Inderdaad," zei de directeur der strafkolonie, "en die man bevindt
zich thans in het hospitaal."

"Gij herinnert u ook, niet waar," ging de dokter voort tot den
gouverneur, "dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der
bewakers daarin geslaagd was?"

"Voorzeker herinner ik mij dat," antwoordde kolonel Guyara levendig.

"Welnu, dat is voldoende geweest," ging de dokter kalm en bedaard
voort.

"Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?" vroeg de gouverneur. "Voldoende
voor wat?"

"Om tusschen mij en dien... Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?"

"Carpena."

"...Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing
te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt."

"Ha!" riep de directeur ongeloovig. "Dat zal te bewijzen vallen,
dokter Antekirrt!"

"Zoodat... gij hier in het gouvernements-hôtel ... en hij daar ginds
in het hospitaal!..." vroeg de gouverneur nieuwsgierig.

"Ongeloofelijk!" zei de directeur hoofdschuddend. "Dat is niet
mogelijk!"

"Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur," vroeg de dokter,
"om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en
van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?"

"Jawel, hij zal wegloopen!" antwoordde kolonel Guyara met een gullen
lach.

Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de
geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.

"Neen, heeren," hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, "die Carpena
zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld
doen, dan wat ik zal willen!"

"Maar wat, als 't u blieft?" vroeg kolonel Guyara met aandrang.

"Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik
hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel,
heer gouverneur."

"En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk."

"Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt
ge? Spreek slechts."

"Mij wel," antwoordde de gouverneur. "Ik geef ten volle permissie,
heer directeur."

"Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?" zeide
dokter Antekirrt.

"Mij?"

"Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,--en dat
zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,--zal
ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te
houden."

"Voor wien, als 't u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd
naar! Voor wien?"

"Ja, voor wien?... Laat zien... Bij voorbeeld... voor den Koning
Alphonsus XII."

"Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?" vroeg kolonel Guyara
ongeloovig.

"Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen..."

"Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven."

"Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven
nog..."

"Wat?"

"Het Isabella-kruis!"

Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter
Antekirrt. Het was een jool van belang!

"En die man zal dat volkomen wakker doen?" vroeg de directeur van
de strafkolonie.

"Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon
van de zaak kunnen overtuigen."

"Neen!... Neen!... Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!" riep
kolonel Guyara uit.

"Meent gij, heer gouverneur?" vroeg de dokter met een glimlach. "Wacht
de uitkomst af."

"Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult
gij mij kunnen overtuigen."

"Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?"

"Hoe kan dat?"

"Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen
late!"

"Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef."

"Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten
hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen,
wat ik zoo even gezegd heb."

"Welnu, dat is afgesproken," zei de gouverneur. "En wanneer gij
slechts zult willen..."

"Het is thans acht uren." zei de dokter, terwijl hij zijn horloge
raadpleegde. "Welnu, te negen uren. Is dat goed?"

"Zeer goed. Maar...."

"Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal
toelichten."

"Na de proef?..."

"Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren,
zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij
verricht zal hebben."

"Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?" vroeg de directeur van het
bagno onthutst.

"Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,--en dat is de eenige uitleg,
die van het verschijnsel te geven is,--Carpena zal van nu af geheel
en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in
werkelijkheid zal _hij_ dat alles niet verrichten, maar _ik_! Ik, die
hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten."

De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische
verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij
aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om
den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven,
daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd
worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen,
aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In
gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de
verte wegstierf.

Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en
gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon,
om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.

Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk
over de verschillende verschijnselen van het magnetisme of van
het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige
gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele
tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de
lezer nagaan.

Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes
aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der
donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen
niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig
verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker
geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die
hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in
staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen,
men wachtte op de komst van Carpena.

Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de
rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten
ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon
aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp
van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden
voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de
ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders
voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.

Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte
de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen,
zei eensklaps dokter Antekirrt:

"Het is thans drie minuten vóór half negen."

"Wat wilt gij daarmede zeggen?" vroeg kolonel Guyara, die ook zijn
horloge raadpleegde.

"Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het
hospitaal verlaat."

Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een
kwakzalver te doen te hebben.

Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en
bedaard als altijd:

"Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink
door."

De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate
indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel
Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.

Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en
het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd,
tot op het oogenblik,--het was vijf minuten vóór negen,--dat de dokter
andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:

"Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel
genaderd!"

"Och, kom!" zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een
glimlach. "Is hij reeds zoo nabij?"

Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een
bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon,
die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem
te spreken.

Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden
zij toch gemeend, te mogen twijfelen.

"Laat dien persoon binnen komen," antwoordde kolonel Guyara, wiens
ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen
feiten.

Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der
deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en
keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen
te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel,
toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor
hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.

"Sire!" zei hij met heldere stembuiging, "ik vraag gratie van Uwe
Koninklijke Majesteit!"

De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld
geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder
den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet
wat te antwoorden.

"Gij kunt hem gerust gratie verleenen," zei de dokter glimlachende;
"want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde
overblijven."

"Ik verleen ze u!" antwoordde de gouverneur met eene waardigheid,
alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk
in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.

"Ja, maar..." zei Carpena aarzelend. "Ik wenschte nog een verzoek
te doen."

"Wat wilt ge nog meer?" vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.

"Dat ge die gratie aanvult," ging de veroordeelde steeds geknield
voort, "met het eerekruis van de Isabella-orde."

"Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets
te verzoeken?"

Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar,
alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk
deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis
eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds met het
gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de
zaal uit.

Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan
de deur van het gouvernements-hôtel.

"Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien
terugkeeren!" riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een
heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen
zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel
andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den
invloed van zijn gast.

"Gelooft gij mij nog niet?" vroeg dokter Antekirrt met een ietwat
schamperen glimlach.

"Ik kan niet!" antwoordde kolonel Guyara. "Het gaat totaal mijn begrip
te boven."

"Welnu, kom dan!" zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel
oprees. "Kom dan!"

De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van
nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena,
die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van
het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had,
sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor
hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik
gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den weg te ruimen.

De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas
zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van
zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers
van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit
het oog te verliezen.

De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de
tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op
het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de
weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en
het toplicht van de _Ferrato_, welker vormen ijl en nevelachtig,
maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.

Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg
rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van
twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar
van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts
eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den
Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.

De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen,
ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de
gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene ontsnapping
tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.

Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij
daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid
gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de
beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund
hebben. Dokter Antekirrt's wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan
den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een
zeer leelijk standbeeld.

De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde
zich toen tot zijn gast:

"Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid
hulde doen!..."

"Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer
gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt zegevierend.

"Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet,
al begrijpt men ze niet."

"Dat's nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen
geslaagd?"

"Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man
de gedachte op..."

"Welke, heer gouverneur?... Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte
wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?"

"Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt
u dat!"

Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena
zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van
de haven stortte.

Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad
zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan
de macht en den invloed des dokters?

Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal
onverklaarbaar.

Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl
de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de
zee uitstrekte...

Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige
visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen
van het stoomjacht... Alles was overbodig... Men vond zelfs het lijk
van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette,
had het voorzeker naar volle zee gedreven.

"Heer gouverneur," zei dokter Antekirrt, "ik betreur inderdaad
levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop
niemand verdacht kon zijn, heeft gehad."

"Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?" vroeg de
gouverneur belangstellend.

"Niet anders dan daardoor," antwoordde dokter Antekirrt, "dat bij de
uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en
de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog
onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan
mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij
door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak
in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen
neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig..."

"Och kom!" zei kolonel Guyara lachende. "Wat is er bij zoo'n geval
betreurenswaardig!"

"Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur," hernam dokter Antekirrt
op zeer ernstigen toon. "Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij
werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!"

"Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!" antwoordde de gouverneur
wijsgeerig.

Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was
geen andere waard.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur
van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta
te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken
voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting
genoten hadden.

De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem
een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven,
dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij
daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht
naar het gouvernements-hôtel aan.

Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate
misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara,
den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele,
dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij
mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was
eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet
uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn
leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: "duizend
wegen... maar één doel!" [2]

Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had,
en die had hem naar zijn doel gevoerd.

Weinig tijds later had een van de sloepen van de _Ferrato_ den
dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan
de valreep en ontving hen hartelijk.

"En die man?..." vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. "Is
die man aan boord?"

"De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen
bespiedde," antwoordde de jeugdige zeeman, "heeft hem na zijn val
dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in
de kajuit van het voorschip doen opsluiten."

"Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?..." vroeg
Piet Bathory.

"Niets," antwoordde Luigi.

"In het geheel niets?"

"Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken... Hij schijnt
stom te zijn."

"Waarom kan hij niet spreken?"

"Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen
bewustzijn zijner handelingen."

"Goed," zei dokter Antekirrt.

De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden
het niet eene vraag te uiten.

"Het was mijn wil," ging de dokter voort, "dat Carpena van boven die
rots neerstortte en... hij is er afgestort.... Het was mijn wil,
dat hij sliep en... hij slaapt!... Wanneer ik zal willen dat hij
ontwaakt, zal hij ontwaken!... En nu, Luigi, anker op, en onder
stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het
oog verloren hebben."

De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne
volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige
minuten later had de _Ferrato_ de open Middellandsche zee bereikt en
stevende oostwaarts op naar Antekirrta.





III.

ZEVENTIEN MALEN


"Zeventien malen?..."

"Ja, zeventien malen!"

"Onmogelijk!"

"Wel mogelijk!... Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!"

"Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik
houd dat vol!"

"Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó
en niet anders!"

"En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?"

"Ja!"

"Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand
verloren?"

"De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!"

"Zeventien malen?... Zeventien malen?... Achter elkander?..."

"Ja, zeventien malen! en achter elkander!"

"Met de roulette of met het trente et quarante?... Zeg mij, met welke
dier beiden?"

"Met het trente et quarante!"

"Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet
voorgekomen."

"Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog
eens gebeurd!" antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de
eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. "Ja,
mijnheer, en het was toen zomer--wat zeer opmerkelijk is.--Ik ben
betaald, om er iets van te weten."

Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het
voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te
Monte Carlo in den avond van den 3den October, dus acht dagen na de
ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.

En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers,
zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen
leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van
geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.

Men zou de roode kleur wel hebben willen toejuichen, zooals men een
paard zou gedaan hebben, dat den grooten prijs bij de wedrennen van
Longchamps of van Epsom zoude behaald hebben.

En, inderdaad, voor die wel eenigszins gemengde bevolking, welke
dagelijks daar in dat kleine vorstendom Monaco uit de Oude en Nieuwe
wereld samenstroomt, had dat hardnekkig uitkomen der roode kleur in
eene serie van zeventien malen de belangrijkheid van eene staatkundige
gebeurtenis, die de wetten van het Europeesche evenwicht zou verbroken
of gewijzigd hebben. Erger dan dat! Want wat gaat het Europeesche
evenwicht een rechtgeaarden speler aan?

Gemakkelijk zal door den lezer aangenomen worden, dat die wel wat
zonderlinge hardnekkigheid van de roode kleur niet had kunnen plaats
hebben zonder veelvuldige slachtoffers gemaakt te hebben, vooral als
medegedeeld wordt, dat de winst der bank belangrijke sommen beliep.

"Bijna een millioen!" mompelde men in de verschillende groepjes. "Bijna
een millioen!"

En die winst sproot voornamelijk daaruit voort, dat de groote
meerderheid der spelers koppig tegen zulk eene onwaarschijnlijke
uitkomst gestreden hadden.

Onder die allen hadden voornamelijk twee vreemdelingen het grootste
deel betaald aan dat, wat door de ridders van de groene tafel de
"déveine" genoemd wordt.

De eene koel van uiterlijk, was zeer teruggetrokken, hoewel hij groote
aandoeningen bij het spel ondervonden had, waarvan trouwens zijn bleek
gelaat nog de sporen droeg. De andere vertoonde een ontsteld gelaat,
had de haren in wanorde, terwijl zijn oogen rondkeken als die van
een waanzinnige of van een wanhopige.

Beiden waren de trappen van het perron afgedaald en verdwenen in het
duister naar den kant van de Duivenschietbaan.

"Dat is op meer dan viermaal honderd duizend francs, dat die vervloekte
serie ons te staan komt!" riep de oudste dier twee uit. "Het is
verschrikkelijk!"

"Gij kunt zeggen viermaal honderd en dertien duizend," verbeterde
de jongste op den toon van een kassier, die de som eener optelling
controleert.

"En thans blijft mij...."

"Hoeveel?... Kom, zeg op, en wees niet achterhoudend! Het kan je toch
niets baten!"

"Nauwelijks tweemaal honderd duizend francs over!" jammerde de eerste
speler op treurigen toon.

"Denkt ge dat?" vroeg de andere snijdend spottend. "Ik geloof, dat
gij u vergist!"

"Meent ge meer?"

"Het mocht wat!... Slechts honderd zeven en negentig
duizend!" antwoordde de jongste op niet te verstoren flegmatischen
toon.

"Slechts dat?"

"Ja, kijk maar!" ging de jongste voort, terwijl hij zijn makker een
met cijfers bekrabbeld papier vertoonde.

"Dat is dus alles, wat mij van de twee millioenen overblijft, die ik
nog had, toen gij mij genoodzaakt hebt u te volgen."

"Een millioen, zeven honderd vijf en zeventig duizend francs! Niets
meer of minder dan dat!"

"En dat in minder dan twee maanden!..."

"In een maand en zestien dagen!"

"Sarcany!..." riep de oudste, die door de koelbloedigheid zijns
makkers, maar niet minder door de bijtende juistheid der cijfers,
die deze opsomde, buiten zich zelven geraakte, verbitterd uit.

"Welnu, Silas! Wat wilt ge? Ik dien u op de hoogte te brengen en te
houden. Effen rekeningen onderhouden de vriendschap."

"Ga zoo niet voort!" sprak de andere dreigend.

"Ah bah!" zei de ander met een luchtig gebaar. "Gij zijt heden in
een booze bui."

Ja, het waren Silas Toronthal en Sarcany, welke dat gesprek met
elkander voerden. Sedert zij Ragusa verlaten hadden, in dat kort
tijdsbestek van drie maanden, hadden zij het verzwendelen van hun
vermogen nagenoeg voltooid. Daaraan ontbrak waarlijk nog maar weinig
aan. Nadat hij zijn geheel aandeel, hetwelk hij tot prijs voor zijne
schandelijke verklikking genoten had, opgemaakt en verbrast had,
was Sarcany zijn ouden medeplichtige te Ragusa komen opzoeken. Daarop
hadden beiden met Sava die stad verlaten.

Toen was Silas Toronthal, die steeds door Sarcany in die doolhoven
van het dobbelspel voortgesleurd werd, niet veel tijd meer gegund
om tot verademing te komen. Zijn vermogen was spoedig te gronde
gericht. Er moet bijgevoegd worden om der rechtvaardigheids wille,
dat het Sarcany niet veel moeite gekost had, om van den ouden bankier,
die steeds een doldriftig speculant was geweest, die meer dan eens
zijn naam en bestaan in finantiëele ondernemingen, waarvan het blind
geluk de gids was, ergerlijk gewaagd had, een speler, een getrouwe
van kroegen en speelholen te maken. De geaardheid zat er in en had
slechts op de gelegenheid gewacht, om tot ontwikkeling te komen.

Daarenboven, hoe zou Silas Toronthal hierbij weerstand hebben kunnen
bieden?

Was hij niet meer dan ooit in de macht van zijn ouden makelaar bij
zijne Tripolitaansche handelsondernemingen?

Wel is waar, kwam zijn gemoed meermalen in opstand, maar dat baatte hem
weinig; want Sarcany hield hem door zijne onweerstaanbare meerderheid
in onverbreekbare boeien gekluisterd; en de ellendeling was zoo diep
gezonken, dat hem de geestkracht ontbrak, zich uit zijne vernedering
op te richten.

Sarcany verontrustte zich dan ook geenszins over die vlagen van
weerstand, welke zijn medeplichtige soms aan den dag legde, alsof
hij het juk van zijn noodlottigen invloed wilde afschudden. De
onbeschoftheid zijner antwoorden, de onwrikbaarheid zijner logica
deden Silas Toronthal ras den nek weer buigen.

De eerste zorg der beide medeplichtigen was geweest, toen zij Ragusa
onder de omstandigheden, die de lezer voorzeker niet vergeten heeft,
verlaten hadden, om Sava onder bewaking van Namir in verzekerde
bewaring te stellen. En inderdaad, in die schuilplaats te Tetuan,
als het ware een verloren plekje op de grenzen van het Marokkaansche
rijk, zou het moeielijk geweest zijn haar weer te vinden.

Daar had de onverbiddelijke bondgenoote van Sarcany op zich genomen,
de wilskracht van het jonge meisje te verbrijzelen, ten einde haar te
noodzaken hare toestemming tot dat gehaatte huwelijk te geven. Sava
evenwel was tot nu toe onverzettelijk in haar besluit geweest en
had zich daarbij gesterkt gevoeld door hare herinneringen aan Piet
Bathory. Maar, ... zou zij--die vraag mocht wel rijzen: altijd kunnen
weerstand bieden?

Intusschen had Sarcany zijn makker steeds opgehitst, om voort te
gaan met dwaasheden aan de speeltafel uit te voeren, hoewel hij zelf
daarbij zijn eigen vermogen verkwist had. Hij scheen daar een doel
mede te hebben.

In Frankrijk, in Italië, in Duitschland, in een woord in alle de groote
bevolkings-centra, waar de blinde godin van het spel hare altaren
opgeslagen had, op de beurs, bij de wedrennen en in de speelzalen
der groote hoofdsteden, der badplaatsen, enz. had Silas Toronthal
aan de stem der verleiding van Sarcany gehoor gegeven; en weldra was
zijn vermogen tot op een paar honderd duizend francs ingeslonken En
dat kon niet anders, want terwijl de bankier slechts zijn eigen geld
op het spel zette, waagde Sarcany dat van den bankier. En langs dat
dubbel hellend vlak spoedden beiden zich met dubbele snelheid naar
het verderf.

Daarenboven wat de spelers de "déveine" noemen,--een naam waarachter
zij hunne domme verblindheid verbergen,--verklaarde zich werkelijk in
hun nadeel. En toch geschiedde dat niet zonder dat zij alle kansen
beproefd hadden. Zij waren zelfs uitermate vindingrijk geweest,
om nieuwe speelwijzen te volgen; maar te vergeefs.

Om kort te gaan, het was het baccarat-spel, dat het grootste gedeelte
der millioenen verslond, die van de goederen van graaf Mathias Sandorf
afkomstig waren, zoodat Silas Toronthal er toe was moeten overgaan,
om het fraaie huis in de Stradona-laan te Ragusa te verkoopen. Dat
was een zware slag voor den bankier geweest.

Eindelijk, walgend van die verdachte huizen en bijeenkomsten, alwaar
het "rien ne va plus" der "croupiers" in de Peloponesische taal,
in de zoogenaamde dieventaal, uitgesproken moest worden, waren zij
ten langen laatste een weinig meer eerlijkheid komen afbedelen aan
de roulette en aan het "trente et quarante" te Monte Carlo. Dat zij
nu letterlijk uitgeschud waren, hadden zij thans slechts aan hunne
stijfhoofdigheid te wijten, die hen er toe aangezet had, om den strijd
bij zoo ongelijke kansen hardnekkig vol te houden en voort te zetten.

En, ziedaar de redenen, waarom die twee mannen zich thans sedert drie
weken te Monte Carlo bevonden.

Monte Carlo maakt een onderdeel uit van het vorstendom Monaco, en daar
het _à tout Seigneur tout honneur_ ook hier betracht dient te worden,
zullen wij, hoe bescheiden dat landje ook is, ons eerst met het Rijk
en daarna met de onderhoorigheid bezighouden.

Monaco is een zelfstandig, onder de beschermheerschappij van den koning
van Italië gesteld vorstendom, hetwelk aan den westelijken oever van
de golf van Genua gelegen en door het Fransche departement des Alpes
Maritimes ingesloten wordt. Vroeger was het iets meer uitgebreid
dan thans, maar in 1871 stond Vorst Karel Honorius, nadat in 1860
Nizza door Frankrijk ingelijfd was geworden, de gemeenten Mentone
en Roccabruna tegen eene vergoeding van vier millioen francs aan
laatstgenoemd rijk af.

Het tegenwoordige vorstendom, dat bijna 0,5 vierk. geograpische mijl
beslaat en ongeveer dertig minuten lang en op sommige plaatsen slechts
honderd vijftig meter breed is, telt ongeveer 10,200 inwoners en vormt
eene erfelijke monarchie in het bezit van het Genueesche Huis Grimaldi.

Volgens de geleerden, zoude de naam Monaco afgeleid worden van een
tempel aan Hercules Monoecus gewijd. Het rijkje bezit een staatsraad,
die uit vijf leden bestaat, en eene bezetting van een bataillon
nationale militie.

Het stedeke Monaco is gelegen op een in zee uitspringend terras,
en zoowel deze uitnemende ligging als het ongemeen gunstig klimaat
en het voortbestaan van de eenige speelbank in Europa, lokt vele
vreemdelingen derwaarts. Men ziet er een vorstelijk kasteel, omringd
door fraaie wandelparken en vestingwerken. De stad telt nagenoeg
drie duizend inwoners; heeft eene haven voor niet diepgaande schepen
en eene katoenfabriek, die nog al verkeer verschaft. Door hare
breede en stevige muren heeft de stad een krijgshaftig en zelfs een
sterk aanzien, en herinnert er weer aan, hoe deze muren weleer tot
schuilplaats van zeeroovers dienden.

Aan de andere zijde der baai, vlak tegenover, ligt Monte Carlo met
zijn Casino, waarheen een prachtige en uitstekend onderhouden rijweg
heen voert, te midden van berken- en pijnboomen, cypressen en ceders.

De ingang van het Casino, hetwelk op een open plein staat, is met
fraaie marmeren beelden versierd. Dat plein geeft toegang tot de
rijk gemeubelde voorzalen, waarin danspartijen en concerten gegeven
worden. Daarachter bevindt zich een heerlijk ingerichte leeszaal,
waarin men de dagbladen en de tijdschriften van de geheele beschaafde
wereld vindt.

Naast de eetzaal zijn de inderdaad smaakvolle en weelderig ingerichte
_Salons de jeu_ te vinden.

Het geheele Casino is op Franschen voet ingericht, wat zich door de
onmiddellijke nabijheid der grenzen wel verklaren laat.

Men ziet er slechts Fransch geld op de groene tafel.

De toegang tot de speelzalen wordt niet aan een ieder verleend. Zij,
die tot den dienstbaren stand behooren, en personen, die niet net
genoeg gekleed zijn, worden stelselmatig geweerd. In de eerste plaats
wordt er een vernis van goede manieren geëischt. De edelman, die zich
aan de groene tafel ruïneert, doet dat in de meest verfijnde vormen.

Toch kan op gebeurtenissen gewezen worden, dat een ongelukkige speler
zich in het midden der zaal, ten aanschouwe van een ieder, door een
pistoolschot het leven benam.

De contrôle, op de gasten der speelzalen uitgeoefend, is zeer streng,
ook op hen die, wat hunne kleeding en manieren betreft, niets te
wenschen overlaten. Niemand kan er binnen komen zonder eene entrée-
of beter eene introductie-kaart, die door den _Commissaire Spécial_
onderteekend moet zijn. Die kaart wordt slechts tegen nauwkeurige
opgave van naam, woonplaats en stand in de maatschappij afgegeven,
terwijl op iedere kaart duidelijk uitgedrukt staat, dat zij slechts
voor één dag geldig is.

Door de veelvuldige zalen, gangen en galerijen zwerven tallooze lakeien
met gegalonneerde rokken en met gladgeschoren vervelende gezichten.

In den regel wordt het spel tegen den avond met meer opgewondenheid
voortgezet dan over dag. De geheele zaal is dan door duizenden
waskaarsen schitterend verlicht en verdringt zich dan eene dichte
menigte rondom de groene tafel, zoodat de voorste rij, waar gewoonlijk
de vaste spelers zitten, onwillekeurig angstig omkijkt. Er wordt
nimmer toegejuicht; maar evenmin wordt er eene klacht vernomen. Men
hoort slechts het gerinkel of beter het metaalachtig geriktik van
het goud. Hier mogen slechts de oogen, niet de lippen spreken. Ook
dat is door de almachtige "Administration" bepaald.

Maar hoe duidelijk zijn die blikken, hoe begrijpelijk is dat
gebarenspel!

In die vertrekken vinden wij Silas Toronthal en Sarcany terug. Zij
verlieten de speeltafels niet meer, waarbij zij de onfeilbaarste en de
nieuwste kunstgrepen probeerden, die hen evenwel al verder en verder in
het verderf dompelden. IJverig bestudeerden zij de omwentelingen der
roulette, wanneer de hand des croupiers in het laatste kwartieruur
van haren dienst vermoeid raakte; zij stapelden maximum sommen op
de nummers, die maar niet uit wilden komen; zij verwarden de meest
eenvoudige combinatiën met de meest samengestelde; zij hoorden de
raadgevingen aan van oude ongeluksvogels bij het spel, die zich
thans voor professoren in de edele kunst uitgaven, en volgden die
blindelings; zij wendden de domste pogingen aan en pleegden de meest
bijgeloovige handelingen, die den speler tusschen het kind, dat zijn
verstand nog niet heeft, en den idioot, die het voor altijd verloren
heeft, eene plaats aanwijzen. En nog, wanneer men slechts zijn geld bij
het spel verloor, dan was het betrekkelijk nog niets; maar men raakt
er zijne verstandelijke vermogens tevens zoodanig kwijt, dat men er
toe komt de meest bespottelijke combinatiën uit te denken; men geeft
er zijne persoonlijke waardigheid prijs bij de aanraking dier wereld,
welker gemengdheid zich aan allen, die er zich in wagen, opdringt.

Om kort te gaan, ten gevolge van de gebeurtenissen op dien avond,
die berucht werden in de annalen van het wereldberoemde Monte Carlo,
door de hardnekkigheid, ja de stijfhoofdigheid om vol te houden tegen
eene serie van zeventien keeren, dat de roode kleur bij het _trente
et quarante_ uitkwam, bleven aan de twee medeplichtigen nog niet eens
meer tweemaal honderd duizend francs over.

Dat was de ellende en de bedelstaf binnen een zeer beperkt verschiet,
vooral voor mannen als deze.

Maar al hadden zij ook al hun vermogen verloren, zoo waren zij toch
nog hun verstand niet geheel en al kwijt; want terwijl zij daar op het
terras stonden te praten, konden zij een speler zien voorbijsnellen,
die met het hoofd op hol, door de tuinen van het Casino rondliep
en uitriep:

"Kijk!... Kijk!... Hij draait steeds!... Hij draait steeds!... En
zal altijd draaien!..."

Allen, die hem zagen, lachten hartelijk; en toch was daar zeer weinig
reden om te lachen.

De ongelukkige verbeeldde zich, dat hij juist gezet had op het nummer,
hetwelk voorbeschikt was, om uit te komen; maar dat de cilinder,
door eene spookachtige omwentelingskracht verward, draaide, draaide,
draaide, en was blijven draaien tot het einde der eeuwen en der
wereld!...

De arme kerel was krankzinnig! Geheel en al onherstelbaar krankzinnig!

"Zijt gij thans weer kalm geworden, Silas Toronthal?" vroeg Sarcany
aan zijnen medeplichtige, die geheel buiten zichzelven van ontsteltenis
was.

"Kalm, kalm!" bromde de bankier binnensmonds. "Gij hebt goed praten! Ik
wilde u wel in mijne plaats zien."

"Dat die waanzinnige u tot voorbeeld strekke, wat het zeggen wil,
in zulke omstandigheden het hoofd te verliezen."

"Ik herhaal het, en zal het steeds herhalen: gij hebt mooi praten;
maar ik wilde u wel in mijne plaats zien."

"Wij zijn niet geslaagd, dat is zoo," vervolgde Sarcany; "maar het
lot zal keeren, omdat het daartoe gedwongen zal worden, ook zonder
dat wij er iets voor doen."

Silas Toronthal, in de meest onbevredigde stemming verkeerende,
knorde steeds binnensmonds.

"Neen, wij moeten en wij mogen niets ondernemen, om het lot gunstiger
te stemmen!" ging Sarcany voort. "Dat is gevaarlijk, en daarenboven
geheel overbodig.... Men slaagt er nimmer in, het lot te wijzigen,
wanneer het ongunstig is. En niets kan het storen, wanneer het in
ons voordeel is!... Laten wij wachten, totdat het ongeluk afgewend
zal zijn, en laten wij dan niet aarzelen, om ons spel, wanneer wij
de veine hebben, hoog op te voeren."

Luisterde Silas Toronthal naar die trouwelooze raadgevingen, die
evenals alle redeneeringen, welke hasardspelen betreffen, slecht,
zeer slecht waren? Neen, voorzeker niet! Hij gevoelde zich diep
ter neergedrukt en had toen slechts eene overheerschende gedachte,
namelijk: om aan de macht, welke Sarcany zoo noodlottig op hem
uitoefende, te ontsnappen, om zoover weg te vluchten, dat zijn
verleden achter bleef en hem niet zou kunnen volgen, om op een
gegeven oogenblik tegen hem op te staan! Maar zulke aanvallen van
beslissende wilskracht konden onmogelijk lang duren in die verweekte
ziel, waarvan al de veerkracht gebroken was. Daarenboven werd hij van
nabij bewaakt en bespied door zijn medeplichtige. Sarcany, alvorens
hem aan zich zelven over te laten, alvorens hem als een uitgeperste
citroen weg te werpen, had hem nog noodig, totdat zijn huwelijk met
Sava voltrokken zoude zijn. Daarna zou hij zich van Silas Toronthal
wel weten te ontdoen. Hij zou hem dan vergeten, hij zou zich dat zwakke
wezen niet meer herinneren, alsof hij nimmer bestaan had, hij zou niet
meer willen weten, dat zij te zamen zaken gedaan hadden! Maar tot dat
oogenblik moest de bankier in zijne afhankelijkheid blijven! Zoo had
Sarcany het besloten en zoo meende hij dat het moest geschieden.

"Silas Toronthal," hernam Sarcany, "wij zijn heden zoo ongelukkig
geweest, dat het ongunstige lot in ons voordeel moet keeren!... Morgen
zal het ons gunstig zijn!"

"En als ik het weinige wat mij overblijft verlies!" antwoordde de
bankier, die te vergeefs tegen die verkeerde raadgevingen trachtte
op te komen. "Zeg, wat dan?"

"Dan blijft ons Sava Toronthal over!" was het antwoord, dat Sarcany
vrij driftig gaf.

"En dan?" vroeg de bankier op geheel ter neder geslagen toon. "En
dan?..."

"Dat is eene bovenste beste troef in ons spel. Die kan onmogelijk
overgetroefd worden!"

"Ja, morgen!... Gij denkt slechts, die dan leeft, die dan zorgt,
niet waar?"

"Zeker morgen!" bevestigde Sarcany. "Morgen zal het mijn geluksdag
zijn, wees daarvan verzekerd."

"Ja, morgen! ... morgen!" herhaalde de bankier, die zich in die
gemoedsstemming bevond, waarin een speler zijn hoofd als inzet zou
stellen. "Morgen!... Morgen!... Welaan, het zij zoo!"

Beiden keerden naar hun hôtel terug, dat halverwege van de laan
gelegen was, die van Monte Carlo naar La Condamine voert.

De haven van Monaco, die begrepen ligt tusschen de kaap Focinana en
het fort Antonius, vormt een vrije open kreek of kleine baai, die
toegang aan de noordwestelijke en zuidwestelijke winden verleent. Zij
buigt zich landwaarts in van de rotsmassa af, die de hoofdstad van den
Monacoschen staat torscht, tot aan het hoogvlak, waarop de hôtels,
de villa's en het speelhuis van Monte Carlo verrijzen, aan den voet
van den prachtigen Mont-Ayel, wiens top elf honderd meters hoog is
en het schilderachtige panorama van de kusten van Ligurië beheerscht.

De stad, die zooals gezegd is drie duizend inwoners telt, gelijkt
op een dischversiersel, hetwelk op die prachtige tafel geplaatst
zoude zijn, die door de rots van Monaco gevormd en langs drie zijden
door de zee bespoeld wordt, en die zelve onzichtbaar is onder het
eeuwige groen der palmboomen, der granaatboomen, der sycomoren, der
peperboomen, der oranje- en citroenboomen, der eucalyptussen, der
boomachtige varens en struikgewassen, zooals geraniums, aloëssen,
myrten, palmachristi's en zoovele anderen, die in eene bevallige
wanorde naast en tusschen elkander groeien.

Aan de andere zijde van de havenkom ligt, vlak tegenover de hoofdplaats
Monaco, Monte Carlo met zijne zonderlinge gebouwen en massa's, die zich
op alle bergwrongen verheffen, die zigzagsgewijze nauwe en klimmende
straten vormen, die tot bij den weg van La Corniche stijgen, welke weg
halverwege den berg, als in de lucht hangende, aangetroffen wordt. Dat
Monte Carlo vertoont als het ware een schaakbord van tuinen, waarin de
gewassen steeds in bloei zijn, van bevallige woningen in alle vormen,
van villa's in alle bouwstijlen, en waarvan er ettelijke als zwevende
boven de heldere wateren der Middellandsche zee gebouwd zijn. Het is
inderdaad een bekoorlijk oord, een der fraaiste, hetwelk het schoone
Italië oplevert.

Tusschen Monaco en Monte Carlo, heel diep in de bocht der haven,
van het strand af tot aan de vernauwing van het grillig toeloopend
dal, dat de berggroepen scheidt, ontwikkelt zich eene derde stad:
dat is La Condamine.

Daarboven ter rechterzijde verrijst een grootsche berg, wiens profiel,
naar de zeezijde gekeerd, hem den naam van den Hondenkop heeft
verleend. Op dien kop ontwaart men thans ter hoogte van vijfhonderd
twee en veertig meters boven de oppervlakte der zee, een fort, dat
gezegd kan worden onneembaar te zijn, en de eer heeft tot het Fransche
grondgebied te behooren. Aan dien kant bevindt zich de grens van het
Monacosche rijkje.

Van La Condamine naar Monte Carlo kunnen de rijtuigen langs een
prachtigen hellenden weg naar boven komen. Op het hoogste gedeelte
daarvan verrijzen de particuliere woningen en de hôtels, waarvan een
door Sarcany en Silas Toronthal betrokken was. Van uit de vensters
hunner vertrekken, die naast elkander gelegen waren, genoot men
een vergezicht, hetwelk zich tot La Condamine, ja tot over Monaco
uitstrekte en slechts door den Hondenkop begrensd werd, door dat
dogsgelaat, hetwelk de Middellandsche zee schijnt te ondervragen,
zooals de Sfinx dat met de Lybische woestijn deed.

Sarcany en Silas Toronthal hadden zich na hunne teleurstellingen in
hunne kamers teruggetrokken en onderzochten en overpeinsden daar den
toestand, natuurlijk ieder van zijn standpunt. Zouden thans de banden
der gemeenschappelijke belangen, die hen gedurende vijftien jaren te
zamen gebonden hadden, door de fortuinswisselingen verbroken worden?

Bij zijne thuiskomst had Sarcany een brief gevonden, die van Tetuan
aangebracht was en dien hij dadelijk geopend had. Hij wierp er in
alle haast een blik in.

In weinige regels deelde hem Namir twee tijdingen mede, die voor
hem zeer belangrijk waren. Vooreerst den dood van Carpena, die in
de haven van Ceuta, tengevolge van zeer zonderlinge omstandigheden
verdronken was. Dan de verschijning van dokter Antekirrt op dat punt
van de Marokkaansche kust, alsmede de aanrakingen die deze met den
Spanjaard gehad had, waarna hij dadelijk weer verdwenen was.

Toen hij dien brief gelezen had, opende Sarcany het venster van zijne
kamer. En daar, geleund op den rand van het balkon, gaf hij zich,
terwijl zijn blik doelloos en verstrooid over het landschap en over de
blauwe golven der Middellandsche zee waarde, aan zijne overpeinzingen
over. Die waren verre van rooskleurig.

"Carpena dood!... Dat kon waarlijk niet beter te pas komen!... Komaan,
dan waren zijne geheimen met hem verdronken en in de diepte op den
bodem van den Oceaan begraven!... Van dien kant kan ik dus gerust
zijn!.. Daaromtrent heb ik niets meer te vreezen!"

Toen met alle nieuwsgierigheid tot het tweede gedeelte van den brief
overgaande:

"Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft,
dat komt mij ernstiger voor!... Wie is die man toch?... Dat zou mij,
alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem
niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd vond in
alles wat mij betreft! ... Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie
Bathory! ... Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen
heeft! ... Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven
gekost heeft! ... Hij was daar dicht bij Tetuan! ... Maar het schijnt
niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de
schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag
zijn, die evenwel nog gebeuren kan! ... Wij zullen zien, of die niet
voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor
het tegenwoordige! ... De Senousisten zullen weldra meester zijn van de
geheele Cyrenaïsche kuststrook; ... zij zullen dan slechts een zeearm
over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! ... Als zij
in dat spoor voortgedreven moeten worden ... welnu, dan zal ik wel ..."

Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan
Sarcany's gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die
hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk
hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een
struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En
van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die
tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om
hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige
zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was
het krankzinnig worden nabij.

"Ja," zoo sprak hij tot zich zelven, "wij zijn, inderdaad, zonder
uitweg tegen den muur gedrongen! ... Morgen wordt alles op één worp,
op één dobbelsteen gezet! ... Of de bank zal springen, of ... wij! Dat
ik geruïneerd zal zijn door zijn val ... wat kan dat schelen? Ik kan
mij herstellen ... Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders ... Dan
zal hij gevaarlijk worden, ... dan kan hij geneigd zijn te praten,
... dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst
rust! ... Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is,
macht over mij krijgen!"

En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij
kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele
waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht
en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die
lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.

Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo'n benauwend
uiterste.

Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den
ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem
gelegen was, plaats vond.

Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een
lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast
noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie
voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na
langzamerhand de Focicana-kaap tot vlak onder het duiven-schietterrein
van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats,
voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker
in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer
vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip
verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats
hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen
strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl
de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was
het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door
een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor
na te laten, in de duisternis verdwenen.

Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de
strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten
hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna
sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen
van Monte Carlo voert.

Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit
oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan... Maar
hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige
die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene
stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.

"Silas! ... ik in de macht van Silas Toronthal!.." zoo herhaalde hij
al prevelend in zich zelven. "Silas, die met één woord mij zou kunnen
beletten, mijn doel te bereiken! ... Dat nooit! ... Als wij morgen
het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft,
dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! ... Ja, dat zal ik ... mij
te volgen tot Tetuan toe ... en wie zal zich daar op de Marokkaansche
kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te
verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?"

De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor
eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de
omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid
harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en
uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.

Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging
naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat
zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich
deed gevoelen.

Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een
schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van
zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd
duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan
nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste
partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn
oogen ontzettend netelig.

Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne
verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld
waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij
was zelfs onbekwaam--in dit oogenblik althans--om zich rekenschap
van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals
Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet,
dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht
had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts
oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang
deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem
redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke
ellende zou doen afdalen.

Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men
ziet, voorbij.

Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich
slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen
slapeloosheid.

Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij
Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield
zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en
formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid
doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte
wanhoop.

"Welnu, Silas Toronthal," begon de Siciliaan op dien luchtigen toon,
die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan
zij waard is.

De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en
berekeningen verdiept.

"Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur
geschonken?" vervolgde Sarcany.

"Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!" siste Silas Toronthal meer
dan hij sprak.

"Niet?"

"Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?" vroeg de bankier woest,
terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.

"Zeker heb ik kunnen slapen. Maar ... des te erger, Silas Toronthal,
des te erger voor u."

"Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat
wil en moet ik weten."

"Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar
uren rust u goed gedaan hebben."

"Och, wat! Bah!... Wat beteekent rust?... Heb ik rust noodig?.. En
toch...."

"Kijk mij... Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den
gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik
wilde, dat gij zoo kalm waart als ik."

"De fortuin?... De fortuin?..." herhaalde Silas Toronthal nadenkend
en met de hand voor het voorhoofd geslagen.

"Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt
zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te
beheerschen en haar onder den duim te houden,"

"Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene
vrouw doen kan!"

"Bah!... Een eenvoudige gril!... Als die gril over is, keert zij tot
ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult
zien, zij komt tot ons terug!"

Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot
hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor
hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend
had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de
cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of
te hooren.

"Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?" vroeg Sarcany, terwijl
hij het papier greep.

"Ik?" hernam de bankier als verschrikt... "Ik?... Geef mij dat papier
terug, Sarcany."

"Berekeningen, ... onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels,
waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het
begint u waarlijk in het hoofd te schelen!"

"Kom, loop heen, ik... Maar geef mij dat papier terug, Sarcany,
ik bid er u om."

"De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door
berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans
alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!"

"Welnu?" vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de
handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.

"Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen,"
hernam Sarcany op spotzieken toon.

"Welnu?" herhaalde de bankier vragend: "Zeg mij die manier, Sarcany,
als zij goed is."

"Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben  ... en
op dat gebied--dit moet gij erkennen--is onze opvoeding onvoltooid
gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten."

"Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?" vroeg Silas
Toronthal stampvoetende.

"Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had
de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal
hebben. En als dat zoo is, dan"... Sarcany's oogen glinsterden... "heb
ik u niets meer te zeggen."

"Dan?..."

"Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult
gij dan tevreden zijn?"

"Alles?..."

"Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij
mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij."

"God geve het!" zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk
verdiende penningen gold.

"Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel
stoutheid en koelbloedigheid!"

"En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?" hernam de bankier,
die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. "Zeg,
als wij hedenavond niets meer hebben zullen?"

"Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal,
niet waar?"

"Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?... Zoo
zonder geld?"

"Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is
te Monaco niets uit te richten."

"Monaco verlaten?... Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet,
dunkt mij."

Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen
gelijk.

"O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag,
toen ik uwe diensten verzocht!"

De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst
interessant voor hem.

"Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!" ging de
bankier kermend voort.

"Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien
uit de sloot te halen!" antwoordde de schaamtelooze kerel. "Dat moest
ge toch zelf inzien."

"Zwijg!" riep de bankier uiterst vertoornd. "Zwijg, of ik zal u..."

"Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten
te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft. Dat is
de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!"

"Pas op!" riep de bankier verbolgen uit. "Ik waarschuw u ernstig. Pas
op!"

"Ja!... ik zal oppassen!" mompelde Sarcany onverstaanbaar. "Daar kunt
ge staat op maken."

Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in
het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen,
hem te kunnen benadeelen.

Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd
was:

"Waarde Silas," zei hij honigzoet, "laten wij toch niet boos
op elkander worden!... Waartoe zou dat dienen?... Dat overspant
slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig
zijn!... Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!... Gij
zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!"

"Maar, intusschen.... Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is
de vraag."

"Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.... Dan ... ja
dan...."

"Welnu?..."

"Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb,
waarvan gij uw deel zult hebben."

"Ja!... Ja!..." riep Silas Toronthal uit, bij wien de
spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand
kreeg. "Ja!... Ja!... ik moet mijne revanche hebben! De bank is te
gelukkig geweest!"

"Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken
ik u weer."

"Te gelukkig geweest!" herhaalde Silas Toronthal, "en dezen avond
nog.... Ja, dezen avond!..."

"Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!" riep Sarcany uit,
"en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij
teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge ... wij
zullen dan het spelen staken."

"Heden?..." vroeg de bankier in gespannen verwachting. "Het spelen
staken?... Heden reeds?"

"Morgen verlaten wij Monte Carlo!... Morgen stevenen wij naar Tetuan."

"Naar Tetuan?... Monte Carlo verlaten?... Waarom, als ik u bidden mag?"

"Ja, wij zullen vertrekken.... En deze noodlottige plaats ontvlieden,
waar men slechts zijn geld kan verliezen."

"Waarheen?... Maar, waarheen dan toch?"

"Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen
hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke
croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje."

Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich
weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam
niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.





IV.

DE LAATSTE INZET.


De salons van den Vreemdelingen-Kring--gewoonlijk Casino
geheeten--waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog
zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille
van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans
die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.

De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld
geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas
staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch
invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende
schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers
zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele
van de bank hun voordeel kunnen doen.

Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel
in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der
twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat
is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen
geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting
genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met
hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op
zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom,
want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij
wordt als het ware opgelicht en afgezet.

Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met
hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd
waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in
gespannen verwachting.

In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en
hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers,
terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek
te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier
plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd
en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en
weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.

Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon
contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker
dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags
te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde
een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.

Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van
het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met
belangstelling het vervolg van zoo'n serie te zien en op te merken.

De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over
die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt
meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker
versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld
en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de
olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn,
en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.

Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den
boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het
metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die
geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van
de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: "rood wint en kleur" of
"zeventien, zwart, oneven," door de eentonige en onverschillige stem
des speldrijvers uitgegalmd.

Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den
afgrond der menschelijke hartstochten gunt.

Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren
nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers
op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de
veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et
quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen
tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van
den vorigen dag zich weer zou voordoen.

Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino
binnen.

Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal
op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid tot zich
trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij
den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen
dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.

Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen
gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te
winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar
genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer
verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany
was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider
lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.

Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten
inzet gingen wagen.

Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid
hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan
veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten
scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud,
met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus--een
van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.--Zijne
oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een
bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig
en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan
ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te
beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om
met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om
des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij
was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten
offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te
bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat
naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk
niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken,
die den glans der nieuwheid nog bezaten.

Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand
anders dan Pescadospunt in eigen persoon.

Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide
vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.

Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt
in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd,
gekomen waren?

Zij waren daags te voren door de vlet van de _Electric 2_, behoorende
tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo
zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.

Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen,
in die plaats des verderfs?

Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal
ons wel tot de ontknooping voeren.

Twee dagen nadat Carpena aan boord van de _Ferrato_ gebracht
was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne
tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het
eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte
van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene
gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren
tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur
van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van
dokter Antekirrt.

Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden,
hoezeer hij zijn brein ook aftobde.

Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder
ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk
te stellen, om zijn toestand te verbeteren.

Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die
hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid
te antwoorden.

Of hij den Triëster bankier Silas Toronthal al dan niet kende?

Daarop antwoordde hij ontkennend.

Sarcany dan?

Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met
groote tusschenpoozen gezien had.

Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert
deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania
onveilig maakte?

Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht
werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen
bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht,
waarbij Zirone omgekomen was.

Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter
Antekirrt.

Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort
verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf
gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier
Silas Toronthal.

Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar
het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht
te beginnen.

Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende,
waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich
van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena niet gissen,
dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem
ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van
den visscher van Rovigno.

Carpena werd in eene donkere casemat opgesloten, waarin hij nog
strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied
was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist
zoude zijn.

Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van
de Triëster samenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter
Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te
achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans
medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.

Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en
Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder
persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen
slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen
teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting
dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen,
niet meer uit het oog te verliezen.

Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen
overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde
hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen,
terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met
de _Ferrato_ zouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik
aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net
al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.

De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen
en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet
moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal
en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl
Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van
Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht
hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in
den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder
toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter
weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig
te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat
daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had,
namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele
slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas
Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid
besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover
moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat
hen vervolgd had. Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet
alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en
vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit
hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte,
dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat
het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met
vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke
greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.

Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt,
evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te La Valetta op
het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren
draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.

Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte
Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de
salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen,
volgde hij hen ook.

Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok
van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl
de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.

Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote
geestdrift heerschte.

De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar
bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan,
sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar
stelselmatig er deel aan te nemen.

Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een
onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs,
om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf
francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten
wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden,
hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had
hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor,
een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom
niet? Was het betweterij?

"Om te slagen in het spel," had deze gezegd, "moet men er zich
op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te
winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!"

Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde
verder.

Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij
zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik
gekomen achtten, om de veine "den tand te voelen", zooals zij dat
uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der
roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander,
en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd,
maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren
den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers
van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk
ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.

Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen
plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der
minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de
begonnen partij stelden.

Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander
op. Winst en verlies stonden gelijk.

Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en
Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk
op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de
eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de
roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet
tegen hen.

Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer
te begunstigen.

Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken
bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De
gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.

De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig,
wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet
ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de
bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.

Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen
enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat
bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan
te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd,
de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.

Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen
en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al
die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide
mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af,
of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op
te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven,
te behouden.

Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal en
Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter
betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten
einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer
opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben,
zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.

"Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn," mompelde hij in zich
zelven, "dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik
mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar
om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin,
wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen."

Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren,
de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig
niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen
springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het
aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.

Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers
van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer
genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op
die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie
der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.

Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen
ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd,
eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d'or te boven
ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas
Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken
was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen,
maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij
zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen,
alsof de lucht zijner longen hem benauwde.

Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den
bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te
ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel
moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te
onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.

Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap
van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel,
alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.

Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet
bespeuren konden.

Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin
Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in
wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.

Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die
wel gehad hebben?

Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats
naast zijn vriend op de bank.

"Kom," zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken
stem.

"Is het oogenblik gekomen?" vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond
en mede wilde gaan.

"Welk oogenblik?"

"Hou je me voor den gek?" vroeg de reus gemelijk. "Pescadospunt zou
mij niet begrijpen?"

"Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?" vroeg
de kleine man ongeduldig.

"Het oogenblik van ... van ... je weet wel.... Och, je wilt mij
niet verstaan...."

"O, van ten tooneele te verschijnen?" riep Pescadospunt uit, wien
een licht plotseling opging.

"Juist!"

"Neen, mijn waarde Kaap!... Nog niet!... Blijf nog maar wat ter
zijde!..." was het antwoord.

"Drommels!" pruttelde de reus. "Ik beken het volgaarne, ik begin mij
gruwelijk met dat niets-doen te vervelen."

"Hebt ge al gegeten?" vroeg zijn vriend hem met alle
belangstelling. "Ik hoop van ja."

"Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet,"
antwoordde Kaap Matifou met een zucht.

"Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo
laag is zij gezakt."

"Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou
niet op z'n plaats."

"Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet."

"Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch
zoovele behoeften niet."

"Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik
tijd heb. Intusschen...."

"Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht
wilt bezigen."

"Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap
Matifou! Begrepen?"

"Daar kunt ge op aan!" bromde de athleet. "Maar het begint knapjes
saai te worden."

Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas
Toronthal thans afdaalden.

Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich
het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt
den tijd om plaats te nemen aan de table d'hôte van het hôtel. Het
was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half
uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag
weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in
het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met
zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid....

Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op,
ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn
bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen,
die hem wist te gebruiken.

"Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te
spelen!" mompelde hij. "Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar,
wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan
worden. Daartoe is het te laat."

Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over
de aangelegenheden, die hij te behartigen had.

De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad
stellen kon, was:

"Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino
terugkeeren of niet?"

Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting
van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te
begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.

Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te
bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn
medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op
bevelenden toon te zeggen:

"Het moet, Silas!... Ik wil het!... Zoo gij niet naar mij hoort
... dan blijven de gevolgen voor uwe rekening."

Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.

De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op,
die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt
volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt,
verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.

Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde,
zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar
verflauwde.

"Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat
zou dwaasheid zijn!... Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!... Wat,
wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet
hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen
forceeren?... Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene
gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te
overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door
onze schuld laten ontsnappen?... Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?"

"Maar,..." poogde de ongelukkige te zeggen. "Als wij alles eens
verloren?... Denk daar toch aan."

Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam
oogenblikkelijk:

"Silas, voelt gij dan niet dat de veine!..."

"Als zij maar niet uitgeput is!" mompelde Silas Toronthal uiterst
neerslachtig. "Ik heb zoo'n voorgevoel."

"Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!" hernam Sarcany
met drift. "Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat
gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der
beenderen!... Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels
van het Casino!... Ja, een millioen!... hoort ge, een millioen! En ik
zal die laten ontsnappen!... Bij den duivel! dat moogt gij ook niet,
Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!"

"Speel gij dan, Sarcany!... Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen,"
stamelde de bankier.

"Ik?"

"Ja, gij!"

"Ik!... Ik alleen spelen?... Neen, waarachtig niet!... Wij spelen
samen!... Ja!... En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou
ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk
en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!... Speel dus en gij
zult winnen...."

"Maar...."

"Zwijg!... ik wil het!... Er valt hier niet meer op terug te komen,"
sprak de verleider op kort afgebroken toon.

Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou
vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd
zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was,
dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm
zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij
gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar
die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem
te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!

Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was
dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten van
den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen
toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd
zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te
Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend
vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had
zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende
de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het
onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij
op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra
vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.

Die dwaas!

Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal
op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het
verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het geluk _heeft_
mij toegelachen,--wat inderdaad waar was,--prevelde hij: het geluk
_lacht_ mij toe--wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die
plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering
gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste
wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo
juist ter snede zeide:

"Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!"

Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door
Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog
een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des
tempels andermaal weifelden.

"Silas," vermaande Sarcany toen, "Silas, geene aarzeling!... Gij zijt
vast besloten om te spelen, niet waar?"

"Ja!" antwoordde de bankier, die zijn moed als 't ware met beide
handen greep. "Ja, ik ben vast besloten!"

"Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen
weifelen! Vast besloten!"

"Bepaald en vast besloten ... om alles te wagen, ten einde alles te
winnen!" ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen
verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes,
dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig
voort: "Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!"

"Ik wil geen invloed op u uitoefenen!" hernam Sarcany met zachte stem
en teemend.

"Dat hoeft ook niet," antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met
hartstochtelijke stem.

"Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het
gelukskind, niet ik."

"Juist."

"Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle
overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen."

"Dat denk ik ook."

"Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een
ander voornemen?"

"Neen,... ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te
zetten!" antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw
binnentraden.

"Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!... De roulette
heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het
overige wel verrichten!"

Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en
neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een
der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel
der spelers schaarden.

Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar
zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van
inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler
groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is
het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar
eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene
duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te
New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.

Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen,
was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde
nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is,
als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven
ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om
zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en
de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft,
wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen
die verblinden niet in te zien.

Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die
laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de
afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere
winst of verlies aanteekening hield.

In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen
elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal
te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij,
duidelijk op te maken.

Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne
oogen schitterden van begeerlijkheid.

Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander
aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane inzetten
op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend
franken zijn.

Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid
beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene
krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde
maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het
voordeel.

Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke
verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!

Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog
voor en na.

De bankier was schrikkelijk om aan te zien. Zijn gelaat was verwrongen
en vuurrood en toonde aan, hoedanig het bloed hem naar het hoofd
steeg. Zijne oogen stonden verwilderd en schier uitpuilend. Hij
klemde zich vast aan de tafelranden, aan zijn stoel, aan de pakjes
bankbiljetten, aan de rolletjes goudstukken, die zijne hand niet kon
loslaten. En dat alles geschiedde met stuipachtige bewegingen, met
zenuwachtige trillingen, met spiertrekkingen, met schokken evenals een
man zou overkomen, die op 't punt is van te verdrinken! Er was niemand
om hem op den rand van den afgrond te weerhouden! Geene hand, die hem
toegestoken werd, om hem te redden! Sarcany deed geen enkele poging,
om hem van die noodlottige plek te sleuren, om hem heen te voeren,
alvorens zijn ondergang volkomen was, voor dat zijn hoofd verdwenen
was onder de toeijlende golf van het verderf!

Het was omstreeks tien uren, toen Silas Toronthal zijn laatsten inzet,
zijn laatste maximum waagde. Hij won ... won nog eens, verloor daarna
... verloor nogmaals en was toen alles kwijt! Toen hij met berooid
hoofd opstond, werd hij bestormd door dien afschuwelijk wreedaardigen
wensch, dat de bovenverdiepingen der Salons van het Casino mochten
instorten, om hem en met hem al diegenen te verpletteren, die zich
daarin bewogen. Hij bezat niets meer--niets meer van de millioenen, die
hij met zijn bankiershuis verdiend had, niets meer van de millioenen,
die hem als uitslag van zijn afschuwelijk verraad van het vermogen
van graaf Mathias Sandorf ten deel waren gevallen! Het noodlot had
onverbiddelijk uitspraak gedaan. De bankier was doodarm.

Silas Toronthal, vergezeld van Sarcany, die toen zijn gevangenbewaarder
scheen te zijn, verliet de speelzalen, stapte het gebouw door en ijlde
buiten het Casino. Beiden vluchtten vervolgens als het ware langs
de square naar de voetpaden, die naar La Turbia opklommen. Het was,
alsof zij vreesden achtervolgd te worden.

Pescadospunt was hen evenwel reeds op het spoor. Maar hij spoedde
zich in het voorbijgaan naar zijn vriend Kaap Matifou en sleurde
dien van zijne bank af, waarop de Hercules half ingedommeld lag,
en schreeuwde hem toe:

"Op! en spoedig!... De oogen open en de beenen gebruikt! Drommels,
het oogenblik is daar!"

"Wat is daar?" riep de reus, zoo uit den dommel wakker geschud,
onthutst uit. "Wat is daar?"

"Kom maar, wij hebben geen tijd om te babbelen," antwoordde
Pescadospunt gejaagd.

En beiden ijlden op het spoor voort, dat zij niet meer wilden
verliezen. Het was tijd ook.

Sarcany en Silas Toronthal bleven intusschen in allerijl naast elkander
voortstappen en stegen steeds, terwijl zij de kronkelende en klimmende
paden volgden, die langs de hellingen van het bergterrein te midden
van olijf- en oranje-boschjes voerden. Die grillige kronkelingen en
wendingen veroorloofden aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou, om hen
niet uit het oog te verliezen, hoewel zij geen woord konden verstaan
van hetgeen de beide medeplichtigen spraken.

"Keer naar het hôtel terug, Silas Toronthal," herhaalde Sarcany
onophoudelijk met bevelende stem, "keer terug ... en herneem uwe
koelbloedigheid.... Het is alsof gij krankzinnig zijt."

"Neen!... Ik keer niet naar het hôtel terug," kreet Silas Toronthal,
met onaangenaam klinkende stem.

"Kom, het moet!... Laat u door mij raden.... Laat u door mij
geleiden.... Er is nog herstel mogelijk."

"Neen, zeg ik u.... Wij zijn tot den bedelstaf gebracht.... En dat
alles is uwe, uwe schuld, Sarcany!"

"Kom, wees nu niet dwaas.... Anders zijt gij zoo verstandig.... Hoe
is het mogelijk zich zoo op te winden?"

"Wij moeten scheiden, Sarcany.... Ik wil u niet meer zien!... Ik
wil.... Ik wil verre van hier ... ver, zeer ver!"

"Scheiden?... Waarom?... Zeg mij!... Is dat nu niet het dwaaste
denkbeeld, dat bij u opkomen kan?"

"Ik wil.... Hoort gij, Sarcany.... Ik wil.... Ik ben uwe
tegenwoordigheid moede. U heb ik alles te danken."

"Gij zult mij volgen, Silas Toronthal. Morgen zullen wij Monte Carlo
verlaten!... Er blijft ons geld genoeg over om Tetuan te bereiken,
en daar zullen wij onze taak voleindigen. Gij weet wel, dat wij daar
niet zonder middelen zullen zijn."

"Neen!... Neen!... Duizendmaal neen!... Ik wil niet ... en daarmee
uit!" kreet de rampzalige.

"Maar, waarom niet?"

"Laat mij, Sarcany, laat mij!" riep Silas Toronthal uit. "Laat mij,
of ik bega een ongeluk!"

En hij stootte zijn makker gewelddadig terug, toen deze hem wilde
grijpen. Daarna stoof hij met zooveel vaart vooruit, dat Sarcany moeite
had, om hem weer in te halen. Geheel onbewust van hetgeen hij deed
of omtrent hetgeen rondom hem voorviel, liep Silas Toronthal veel
kans in de steile ravijnen te storten, waarboven en waarlangs zich
het net der tuinpaden uitspreidde. Eene enkele gedachte huisde nog in
het brein van den ongelukkigen bankier tot bedwelmens toe, dat was:
Monte Carlo te ontvluchten, waar hij zijn ondergang gevonden had,
en Sarcany te ontvluchten, wiens raadgevingen hem zoo verderfelijk
geweest waren en zoo ellendig gemaakt hadden. Hij wilde in één woord
vluchten, en het aan het toeval overlaten, waarheen hij zich zoude
wenden, zonder te weten, wat van hem worden zou.

Sarcany gevoelde wel, dat hij geen macht meer op zijn medeplichtige
zou kunnen uitoefenen, dat die op het punt was aan zijn invloed
te ontsnappen! O! wanneer de bankier niet bekend was met geheimen,
die hem in het verderf konden storten, of hem voor het allerminst de
laatste partij, die hij nog spelen wilde, kon doen verliezen, dan zou
hij zich al zeer weinig bekommerd hebben over dien man, dien hij tot
aan den rand van den afgrond gesleurd had! Maar, alvorens in dien
afgrond te storten, kon Silas Toronthal een laatsten gevaarlijken
kreet slaken, en die kreet moest vermeden, moest verstikt worden,
al moest dat ook door middel van eene misdaad geschieden!

Toen, in dat oogenblik was er van de gedachte aan die misdaad, waartoe
hij in zijn binnenste besloten was, tot de daadwerkelijke uitvoering
slechts een pas te maken en Sarcany aarzelde geen oogenblik dien
pas uit te voeren. Wat hij op weg naar Tetuan, in de eenzaamheid der
Marokkaansche velden wilde uitvoeren, zou hij dat niet, dezen zelfden
nacht op deze plek, die weldra geheel eenzaam en verlaten zoude zijn,
kunnen doen? Die gedachte bestormde wild en woest zijn misdadig brein.

Maar op dit uur werden toch nog te veel menschen, die zich verlaat
hadden, op dien weg tusschen Monte Carlo en la Turbia ontmoet. Nog te
veel wezens bewogen zich op die hellingen en klommen haar op of daalden
haar af. Een kreet, een schreeuw van Silas Toronthal zou hen kunnen
doen te hulp schieten, en de moordenaar wilde, dat de moord onder
zoodanige omstandigheden geschiedde, dat nimmer eenige achterdocht hem
zoude kunnen bereiken. Dat noodzaakte hem gebiedend te wachten. Hooger,
daar ginds la Turbia voorbij, over de Monacosche grenzen, op dien
bergachtigen weg, die zich op meer dan twee duizend voeten boven
de oppervlakte der zee, aan de flanken van het eerste voorgebergte
der Zeealpen vastklemde, zou Sarcany zeker en zonder gevaar kunnen
toestooten. Wie zou daar zijn slachtoffer te hulp komen? Hoe zou daar
het lijk van Silas Toronthal in de diepte van die peillooze, sombere
ravijnen, die langs den weg aangetroffen werden, weer gevonden worden?

Evenwel wilde Sarcany een laatste maal zijn medeplichtige weerhouden
en een laatste poging aanwenden, hem naar Monte Carlo naar het hôtel
terug te voeren. Die poging zou evenwel deerlijk mislukken.

"Kom, Silas Toronthal, kom!" zei hij, terwijl hij zijn makker bij
den arm greep. "Kom dan toch, zeg ik u!"

"Neen!... Laat mij! Laat mij!..." kreet de bankier; terwijl hij zijn
makker met verbeten woede terugstootte.

"Morgen zullen wij het spel hervatten!... Ik heb nog eenig
geld.... Morgen kunnen wij alles terugwinnen."

"Neen, neen! Laat mij..." riep Silas Toronthal met eene van razernij
trillende stem uit.

Wanneer hij bij machte geweest ware, om met Sarcany te worstelen;
wanneer hij met dolk of revolver gewapend geweest ware, dan zou hij
voorzeker niet geaarzeld hebben, om zich over al het kwaad, dat hem
zijn vroegere Tripolitaansche agent berokkend had, te wreken. Hij
zou dan toegestooten hebben, al had hij daarna ook het hoofd op het
schavot moeten brengen.

Met een woest handgebaar, waaraan de toorn nog meer spierkracht
verleende, stootte Silas Toronthal Sarcany terug; daarna ijlde hij
voort naar den laatsten draai van het pad en daalde langs eenige
trappen af, die den weg vormden in den rotswand waartusschen kleine
terrasvormige tuinen uitgehouwen waren. Hij had weldra de voornaamste
straat van Turbia bereikt, die op den smallen zadelrug uitkomt,
die den Hondskop van de bergmassa van Ayel afscheidt, en de vroegere
grensscheiding tusschen Italië en Frankrijk uitmaakt.

"Welnu, als gij het dan zoo wilt, ga dan, Silas," riep Sarcany hem
voo

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/22908