Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
by H. Bertrand · Dutch · Gutenberg #22686 · 615,153 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Een strijd om de schatten van Alva: of De watergeuzen in 1572
Author: H. Bertrand
Archibald Clavering Gunter
Illustrator: C. Koppenol
Release date: September 20, 2007 [eBook #22686]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/22686
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA: OF DE WATERGEUZEN IN 1572 ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
EEN STRIJD OM DE SCHATTEN VAN ALVA
OF
DE WATERGEUZEN IN 1572
NAAR HET ENGELSCH
DOOR
H. BERTRAND
Geïllustreerd door C. KOPPENOL
AMSTERDAM
H. J. W. BECHT
SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.
INHOUD
I. DE STORM OP DE SCHELDE
II. DE INHOUD VAN DE BARGE
III. DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL
IV. DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD
V. HET GEVAAR WORDT DREIGEND
VI. IN HET GESCHILDERDE HUIS
VII. ALVA'S DOCHTER
VIII. "ONBEREIKBAAR!"
IX. "GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT!"
X. HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD
XI. MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG
XII. "BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN."
XIII. "GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!"
XIV. GODS VOORZIENIGHEID
XV. HET GEVECHT OP SCHAATSEN
XVI. DE BERSERKER EED
XVII. GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573
XVIII. "IS HET EEN DROOM?"
XIX. DE BRUIDSCHAT VAN DE DOCHTER
XX. "PAPA KOMT! NU--ZAL IK HET DOEN!"
XXI. "DE HERTOG VAN ALVA!"
XXII. "OHO! DE VOS IS EINDELIJK GEVANGEN!"
XXIII. "HET IS EEN STAATSZAAK!"
HOOFDSTUK I.
DE STORM OP DE SCHELDE.
"Eerste officier, waar is de bootsman?"
"Vóóruit, commandant, om het plechtanker klaar te maken," antwoordt
Harry Dalton, de dienstdoende luitenant van de _Dover Lass_.
"Goed, roep den bootsman hier. Hij heeft den besten neus aan boord,"
schreeuwt Guy Stanhope Chester, de commandant.
"Tot uw orders, commandant!"
Hierna gaat de jonge zeeman, want hij is hoogstens vijf en twintig
jaar, terwijl hij het schuim en het water van zijn oliejas schudt,
al tastend naar het kompashuis, waarvan de lantaarn bedekt is,
voornamelijk om haar voor den wind te beschermen, maar ook om te
voorkomen, dat het schip in de duisternis zal verraden, waar het
zich bevindt.
Terwijl hij den koers van het schip opneemt, kijkt hij naar de twee
mannen, die vastgebonden zijn aan het stuurtoestel, om niet door de
golven te worden meegesleept, die over het schip hebben gespoeld,
sedert zij de krijtrotsen aan Engelands kust verlieten, en roept hun
toe: "Maakt je maar los, jongens, wij zijn nu in stiller water. Een
gedeelte van Vlaanderen is tusschen ons en den storm."
Een oogenblik later verschijnt de bootsman, een geharde oude Engelsche
pikbroek, een van de nieuwe soort van zeelieden van de groote vaart,
uit de school van Drake en Frobisher. Hij is voor geen kleintje
vervaard en zou geheel en al zeerob zijn, indien hij niet een
borstkuras van geslagen ijzer droeg. Hij salueert zijn commandant,
die vraagt:
"Hoelang is het geleden, sinds wij Vlissingen passeerden, Martin
Corker?"
"Ongeveer vier glazen, mijnheer."
"Twee uur! Dat dacht ik al. Kon je de plaats met het bloote oog
onderscheiden, bootsman?" vraagt Guy, het bezaanswant grijpend van
het schip, dat geweldig slingert door den noordwester storm en het
wassend tij.
"Het was te donker, kapitein; maar ik peilde met mijn lood, zag het
land met mijn oogen en rook de slachterijen op de kust met mijn neus."
"Zoo ging het mij ook," lachte de commandant. "Jij en ik, Martin,
zijn dikwijls genoeg op de Schelde geweest, om het kanaal te kunnen
ruiken in zoo'n donkeren nacht, ofschoon die vervloekte Spanjaarden
iedere boei op de rivier hebben vernield."
Daarna neemt de jonge commandant den eersten officier terzijde en
vervolgt ernstig, met saamgetrokken wenkbrauwen: "Er is geen kans op,
dat wij Alva's galjoenen op deze onstuimige zee in zulk een nacht
zullen ontmoeten."
"Neen," bromt Dalton, "die Spaansche lummels zijn alleen op zee te
vinden bij mooi weer."
"En buitendien," voegt de commandant er aan toe, "zou de _Dover Lass_
het flinkste en grootste Spaansche galjoen, dat ooit de zee bevoer,
bij zulk een storm ook te schande maken," en hij kijkt met den trots
en de liefde van een zeeman naar het nette kleine schip, op welks
halfdek hij staat, terwijl het danst op de golven van den Scheldemond,
het water, dat zijn boeg schoonveegt, vlug door zijn spuigaten werpend,
met Zuid-Beveland te lij en Vlaanderen te loever.
Maar de nacht is zoo donker en het schuim zoo verblindend, dat
Guy Chester's scherpe oogen slechts de helft van zijn schip kunnen
onderscheiden, dat niet meer dan honderd vijf en dertig voet lengte
en tweehonderd vijftig tonnen inhoud heeft, opgetuigd op een wijze,
zooals in de tijden van koningin Elizabeth van Engeland in zwang was,
met drie masten, de groote- en de fokkemast vierkant getuigd, en de
bezaansmast met een langen zeilboom, waaraan een brikzeil zou kunnen
gespannen worden, als het schip niet wegens den storm gereefd had.
Onder dit tuig bevinden zich op het dek van de _Dover Lass_ zulk een
menigte grimmige verdedigingsmiddelen als ooit op een schip van die
grootte, dat koers zette naar Engeland, bijeen werden gevonden;--zes
lange halve achttienponders voor negenponds kogels aan iedere zijde;
vier draaibassen op het halfdek, drie kleine kanonnen, moorddadige
stukken, op den bak, en een half dozijn serpentines, gemonteerd als
draaibassen, op de verschansingen, die voor een schip uit die dagen
ongewoon laag zijn.
Een eigenaardigheid van de _Dover Lass_, met betrekking tot haar
hutten en verschansingen, is, dat zij geen hoogen achtersteven en
hooge voorplecht heeft en dientengevolge in staat is, met grooter gemak
tegen den wind op te zeilen, dan de gewone zestiende-eeuwsche schepen.
Rondom het dikste gedeelte van haar masten bevinden zich wapenrekken
met een menigte hartsvangers, enterhaken en strijdbijlen, terwijl de
haakbussen en pistolen te vinden zijn bij den wapenmeester onder den
bak of in de hut van den bevelhebber.
Haar bemanning, ongeveer honderd vijf en twintig van de luchthartigste
zeerobben, die ooit iemand den hals afsneden of een schip in den
grond boorden, liggen dezen avond, allen zonder uitzondering, niet in
hun kooi, maar op de gemakkelijkste plaatsen, die zij kunnen vinden
tusschen het geschut aan de loefzijde van het dek, en halen grappen
uit, die hun op een gouvernementskruiser niet zouden veroorloofd
worden.
Toch heeft de _Dover Lass_ het uiterlijk van een oorlogsschip, al is de
discipline er niet zoo streng; het is klaarblijkelijk een dier schepen,
door een particulier persoon uitgerust, om te handelen, als er wat te
handelen valt, te vechten, als zij er toe genoodzaakt worden, en de
"Dons" te plunderen, overal en te allen tijde, zooveel ze kunnen;
zooals de schepen, die onder Drake en Frobisher en den ouden John
Hawkins de schrik van de Spanjaarden waren, nog meer dan de schepen
van de Koningin.
"Wel een verschil met verleden week," bromt de eerste officier,
"toen gij, kapitein Chester, bezig waart het hof te maken aan de
schoone dames van Shene en Windsor."
"En gij aan ieder mooi meisje in Harwich," lacht de aangesprokene.
Deze opmerkingen, die schenen gefluisterd te worden, werden in
werkelijkheid uitgeschreeuwd, de een met den mond aan het oor van den
ander, want het gehuil van den wind door het want en het geklots van de
aanrollende golven, als zij het schip zweepten, waren bijna in staat,
zelfs de stem van den ouden Stentor te smoren.
Een oogenblik later staat de bootsman voor den gezagvoerder, salueert
en schreeuwt: "Zou het niet beter zijn, dat ik het andere anker ook
gereed hield?"
"Ja, wij zouden het bij deze zee kunnen noodig hebben," antwoordt
de commandant, terwijl de eerste officier uitroept: "Bij den ouden
Boreas Bill, wat een hondenweer!"
"Ja, maar nog slimmer aan land dan op zee," antwoordt Guy, met de eene
hand zijn oliejas dichter om zich heen trekkend en met de andere zijn
zuidwester vasthoudende, waar, ondanks al de moeite, die hij zich
geeft, om hem vast op zijn hoofd te drukken, toch nog eenige blonde
lokken onder uitwaaien. Het drietal houdt niet op, al dien tijd met
de voeten te stampen, onophoudelijk het water af te schudden, en zijn
best te doen, om warm te blijven bij dien snijdenden noordenwind.
En het is een verschrikkelijke nacht; een van die nachten, die het
menschdom voorgoed in het geheugen blijven door de weduwen, die zij
maken en de weezen, die zij achterlaten; een nacht, waarin de zee het
land verzwelgt; een nacht, waarin de dijken voor het gebeuk van den
oceaan bezwijken, en het water stroomt over de onbeschermde weiden
en bloeiende boomgaarden, die veranderen in een bed van voortjagende
stroomen en diepe zoutzeeën, die de vluchtende boeren met hun vrouwen
en kinderen doet omkomen in Vlaanderen, Brabant, Zeeland, Friesland en
op de eilanden en in de polders van Zuid- en Noord-Holland; een nacht,
die de Nederlanders opnieuw in ellende dompelde, de rijken zoowel als
de armen, edellieden zoowel als burgers, die buitendien reeds vijf
jaar lang het slachtoffer waren van de martelingen, verbrandingen en
geeselingen van Philips II en Alva, zijn onderkoning; een nacht, waarin
de lang aanhoudende noordwesterstorm blaast tegen de onbeschermde
dijken van Holland, gesteund door een springvloed van ongemeene
kracht, en de weerlooze Nederlanden teistert, om ze te herinneren
aan den grooten vloed, waarvan men nog eeuwen zal gewagen--dien van
Allerheiligen 1570.--Het is nu bijna twee jaar later, in de lente van
1572. Teekenen van de ellende, welke op het land wordt aangericht,
vertoonen zich weldra in de duisternis van den nacht. Op het strand
van Zuid-Beveland ziet men lichten heen en weer zweven, en de kreten
van tal van verdrinkende boeren worden meegevoerd door het gehuil
van den wind.
"Bij Sint George, er is een dijk doorgebroken!" schreeuwt Chester
zijn luitenant toe; dan zegt hij iets zachter: "God sta de arme
drommels bij, wij kunnen het niet!" als het schip naderbij stevent,
met den storm nu meer aan stuurboord.
Een minuut later commandeert hij haastig: "Roep de twee
kwartiermeesters en laat loggen."
Als dit gedaan is, mompelt hij plotseling: "Tien knoopen--in den vloed
vier meer! Twee uren! Wij moeten het Kromvliet te loever hebben,
de overstroomde landen liggen aan lij." Daarna roept hij haastig
tot zijn luitenant: "Ga vóóruit en zie, of de beide ankers gereed
zijn. Wij moeten trachten te komen onder de lij van Zuid-Beveland in
het slecht water, waar de vloed, van de Oosterschelde komende, den
stroom van de Westerschelde ontmoet. Als wij verder op geraken met
dezen wind en vloed, zullen onze ankers ons niet meer kunnen houden
aan deze zijde van Fort Lillo, en dat beteekent gevangenschap en dood
voor iedereen, _Alva's dood_--gij weet, wat dat is!"
Hierop mompelt de luitenant niet anders dan: "Ja, dat weet ik!" en
begeeft zich haastig naar vóóruit, waar men hem de matrozen kan
zien commandeeren, die geroepen zijn door den bootsman. Chester,
die bij het roer staat, geeft zelf de richting van het schip aan,
en commandeert de beide stuurlieden.
Een oogenblik later waggelt Martin Corker, de bootsman, over het
glibberige dek naar den commandant toe en fluistert schor: "Schip
vooruit!"
"Hoe weet ge dat? dat zoudt ge immers onmogelijk vannacht kunnen zien."
"Lichten!"
"O, de lichten van Sandvliet."
"Neen, schepen! pistolen--haakbussen. Ik zag hun geweren flikkeren,
drie streken aan lij in het slecht water onder de kust van Beveland!"
"Dan kan ik deze schepen nemen," fluistert de commandant.
Hierbij komt de natuur van dezen man plotseling duidelijk aan het
licht, zijn verwonderlijke vlugheid van denken en doen. Hij beveelt:
"Alle hens aan dek, klaar om te wenden. Zend twintig man naar het
achterdek, om de bezaan te geiën! Laat de twee ankers stoppen tot
op twintig vaâm! Gelast het stuurboordskwartier zich te wapenen met
pieken, haakbussen en bijlen--enkel staal. Er moet bij deze affaire
geen rumoer worden gemaakt! Commandeer drie mannen te loever met
enterhaken!"
Een minuut later ziet hij vuurwapenen schitteren op een kabelslengte
aan bakboord.
"Stuurboord je roer!" schreeuwt hij tot den man aan het
stuurrad. "Genoeg, stuur voorzichtig, zeg ik je. Bezaan uit!"
Een oogenblik later passeeren zij rakelings de schepen en nauwkeurig
de kracht van de strooming berekenend, die geweldig is, wendt hij
plotseling zijn schip en geeft zijn bevelen door de spreektrompet:
"Stuurboord je roer! Lijbrassen los! Haal door de loefbrassen!"
En aanstonds wendt het schip met scherp gebrast vóórtuig en staanden
kluiver, die, hoewel bijna uit de lijken gewaaid, het schip spoedig in
het slecht water drijft, gevormd door den stroom van de Oosterschelde,
die hier het water van den hoofdmond ontmoet.
Het volgend oogenblik heeft hij twee schepen langszij en zijn de
manschappen van stuurboordskwartier, door zich aan touwen af te laten,
in de schepen gesprongen, die ze enteren en nemen. Deze dobberen weldra
naast hem aan lij, beschermd voor de zee en den wind, terwijl hij het
anker laat vallen in het slecht water, gevormd door de ondiepten en
moerassen van Zuid-Beveland.
Er is blijkbaar nagenoeg niet gevochten in de boot, daar zijn
manschappen haar bij verrassing genomen hebben.
Een oogenblik later klimt de bootsman weer aan boord van de _Dover
Lass_ en bericht: "Wij hebben ze beide!"
"Wat zijn het?"
"De een is een vriend en de ander een vijand."
"Wie is de vriend?"
"Dirk Duyvel en zijn Watergeuzen; en Dirk gaat te keer als een bezetene
en vloekt en zweert bij hoog en laag, dat hij gemeen behandeld is."
"Wie is de vijand?"
"Een Spaansch plezier-galjoen of staatsbarge, te oordeelen naar de
uitrusting en de tenten."
"Wie zijn er aan boord?"
"Roeiers, die om hun leven smeeken, en twee of drie vrouwen, op
één na allen flauw gevallen. Er was ook een Italiaan aan boord of
een Spanjaard, tenminste zoo iets, maar Duyvel en zijn troep hebben,
toen zij hem gevangen hadden genomen, een touw om zijn lijf gebonden,
hem overboord geworpen en hem zoo meegesleept; ik denk, dat hij nu
wel verdronken zal zijn."
"Goed, trek den Italiaan op en breng hem aan boord. Zend Dirk ook
hier."
Een oogenblik later komt een breedgebouwde Hollandsche zeerob aan
boord, stampt hard met zijn zware laarzen en vloekt bij iederen stap,
dien hij doet.
"Kom hier, Dirk, wat hebt gij te vloeken?" lacht de jonge commandant.
"Waarom ik vloek? Ik vloek op u! Wie geeft u het recht, mij mijn buit
af te nemen? Wie zijt gij, zeg?"
"Kent ge me niet meer, Dirk? Kom eens hier."
De commandant werpt de deur van zijn hut open en wenkt den Hollandschen
zeeman, dat hij hem naar binnen zal volgen. Er hangt een schommelende
lamp aan een dwarsbalk van den koekoek, die een schemerachtig
licht verspreidt, maar de duisternis is zóó ondoordringbaar, dat
de Hollander en de Engelschman toch beiden met hun oogen knippen,
als zij binnenkomen.
Een oogenblik later roept Dirk uit:
"Genadige hemel! Ik herkende de stem niet. Het is kapitein Chester. De
'Eerste der Engelschen'!"
Deze bijnaam, waarmee hij Guy betitelt, is hem door de Hollanders
gegeven, toen hij voor het eerst in hun land verscheen als spion,
gezant en agent van koningin Elizabeth; daar Engeland op voet van
vrede met Spanje verkeert, heeft zijn souverein openlijk de daden
van den man afgekeurd, die zijn leven dag aan dag in de waagschaal
stelde voor hare belangen op de kusten van Holland, belangstellend
den ongelijken strijd gadeslaande, dien de Nederlanders voeren tegen
de macht van Philips II van Spanje en de wreedheden--het verwoesten,
verbranden, geeselen en martelen--van Alva, zijn onderkoning. Deze
bijnaam, de "Eerste der Engelschen", is hem waarschijnlijk gegeven in
de hoop--hoe flauw die ook was--dat hij niet de _laatste_ Engelschman
zou zijn; dat anderen na hem zouden komen, om hen te helpen strijden
voor vrijheid van denken en dat zij, zoo zij al niet openlijk worden
bijgestaan, althans in het geheim ondersteund zullen worden door de
macht der dochter van Hendrik VIII;--heeft toch Philips niet gezworen,
de kettersche Engelschen evengoed als de Hollanders te zullen verdelgen
in het belang van den godsdienst? Want totaal verslagen te Jemmingen
en verdreven uit Friesland, hun stadhouder en prins een balling in
Duitschland, bestaat er voor de aanhangers van Willem den Zwijger
geen hoop op redding meer, tenzij door de krachtdadige tusschenkomst,
of zoo hem deze niet mocht worden verleend, door den heimelijken
bijstand van Engeland.
Als hij den Engelschman herkent, komt er een droomerige uitdrukking
op het gelaat van Dirk Duyvel, ofschoon hij grimmig mompelt: "Kapitein
Chester, uw daad is niet de daad van een Watergeus."
"Wel verdraaid! Gij weet best, dat ik een van de uwen ben," lacht
de jonge man, een penning toonend, dien hij om den hals draagt en
waaraan twee of drie geuzennapjes hangen met deze woorden er op: "_En
tout fidelles au Roy!_" en een borstbeeld van Philips II van Spanje.
"Een wonderlijke zinspreuk voor een Engelsch onderdaan," vervolgt Guy,
"doch sinds ik een der uwen werd, ter wille van haar, die mij herwaarts
zond," hij aarzelt een weinig, eer hij de woorden uitspreekt, "heb
ik tegenover u gehandeld als een broeder Gueux, en trouw gezworen
aan de grondbeginselen van de Bedelaars van de Zee--als zij er die
ten minste op na houden. Houden zij er die op na, Dirk?" spotte
hij. "Antwoord mij, gij zeeschuimer. Hebt gij niet het schip van uw
eigen broer gekaapt, verleden jaar?"
"Nu, die geschiedenis is voor tweeërlei uitlegging vatbaar, kapitein,"
bromt de Hollander. Daarna vervolgt hij angstig: "Maar gij zijt toch
niet van plan, mijn buit te rooven?"
"Neen, ik wil u alleen maar helpen, hem in veiligheid te brengen. En
gij hebt mijn hulp vannacht wel noodig, want gij zoudt het met dezen
wind zonder mij nooit klaarspelen en uw schepen weer bereiken. Waar
zijn zij?"
"Ongeveer vier mijlen de Oosterschelde af."
"Dan zou uw boot ze nooit bereiken. Gij zoudt in het Sandvliet gedreven
worden of voorbij de forten, in Alva's klauwen, tenzij gij op een dijk
werdt geworpen, waar gij gevaar liept, door zijn Spaansche huurlingen
overhoop te worden geschoten. Gij zoudt uw ankers hier niet kunnen
uitwerpen, uw booten zouden zinken; zonder de hulp van mijn schip
zoudt gij binnen tien minuten in de armen van de zeenimfen liggen of
binnen twee uren in Alva's handen zijn. Wat zou het ergste wezen?"
"Ik denk, dat in Alva's handen te vallen, het ergste zou zijn, zoowel
voor mij als voor u! Hij haat den 'Eerste der Engelschen' haast nog
meer dan ons, oproerlingen," grijnst de Hollander. Hij huivert toch
bij het uitspreken van dien naam, gevreesd door iederen Nederlander
en meer nog door al die bannelingen, welke zich tot lijfsbehoud
gedwongen hebben gezien, om, onder den naam van Geuzen, piraten en
zeeroovers te worden, ofschoon zij de vrijheidsapostelen zijn onder
Willem van Oranje.
"Nu, en wat hebt gij gevangen? Vertel mij eens alles," zoo laat de
Engelschman zich weer hooren. Deze heeft schitterende, donkerblauwe
oogen en lang, krullend, kastanjebruin haar, en zijn geheele persoon
vormt een scherpe tegenstelling met den Hollander, die er flegmatiek
en droomerig uitziet en wiens goedaardig gelaat prijkt met een
onveranderlijken grijnslach--die hem, Dirk Duyvel, nooit verlaat,
hetzij hij zijn gebeden opzegt, een schip plundert of een Spanjaard
naar de andere wereld zendt.
"Wel, wij zetten hierheen koers," antwoordde hij. "De storm was toen
nog niet zoo hevig, anders hadden wij het zeker niet gedaan. Wij
zagen een dijk doorbreken aan deze zijde van het Sandvliet, en wij
wilden de bezittingen van de boeren in bewaring nemen, om ze hun
terug te geven, als zij in het leven mochten terugkeeren. Terwijl wij
daarmee bezig waren, zagen wij, dat er aan een landhuis een vaartuig
werd uitgezet; wij begrepen, dat daarop wat zou te halen zijn. Nu,
en toen volgden wij dat vaartuig. Het trachtte de rivier op te komen
in de richting van Antwerpen, maar wij schoten de matrozen dood, en
hadden het juist vermeesterd en een Italiaan overboord geworpen, en
waren bezig te onderzoeken of er ook iets viel buit te maken, behalve
de vrouwen, waarvan er drie in zwijm vielen, toen ik haar aansprak
en haar vertelde, wat wij van plan waren met haar te doen,--toen gij
langszij kwaamt; eer ik wist wat er gebeurde, lag ik op den grond,
met twee van de uwen over mij heen, die hun dolken tegen mijn hals
hielden, terwijl zij aardigheden verkochten over den waarschijnlijken
duur van mijn leven."
Dit verslag wordt afgebroken door de komst van den bootsman, die
salueert en een levenlooze, druipende massa op de bank in de kajuit
neerlegt, terwijl hij plichtmatig bericht: "De Italiaan is aan boord,
commandant."
"Laat eens zien, of er nog leven in zit."
Doch na een kort onderzoek maakt Chester het teeken des kruises en
fluistert: "Hij is buiten het bereik der levenden. Alle barbiers,
medicijnmeesters en chirurgijns ter wereld zouden zijn hart niet weer
aan het kloppen kunnen brengen," en hij legt zijn hand op het hart
van den doode.
Op hetzelfde oogenblik schrikt hij en roept uit: "Er zit iets in zijn
jas, er schijnt iets ingenaaid te zijn."
"Alle duivels! Geld? Heeft hij geld in zijn jas?" schreeuwt de
Hollandsche vrijbuiter op spijtigen toon. "Zouden wij zoo dom zijn
geweest, het niet te vinden, toen wij zijn zakken doorzochten, eer
wij hem overboord gooiden? Is het geld? Dan is het van mij!"
"Het is geen geld, het zijn papieren," merkt Chester op, het wambuis
van den Italiaan opensnijdend en er een pakje uithalend, dat zorgvuldig
in geoliede zijde gewikkeld is.
"Als het enkel papieren zijn, kunt gij ze houden," zegt de
Nederlandsche Watergeus edelmoedig.
De Engelschman onderzoekt de documenten, die hij in de hand houdt;
eensklaps maakt hij een gebaar van verrassing, hij schijnt te
ontroeren en mompelt in zichzelven: "Zou het mogelijk zijn!--ik kan
dat vervloekte Spaansche cijferschrift niet lezen."
Weer onderzoekt hij alles nauwkeurig en na verloop van een paar
minuten beginnen zijn oogen te schitteren.
Hij wendt zich tot Dirk Duyvel en zeg kortaf: "Hoeveel verlangt
gij voor uw buit? Voor alles! Gij hebt mij de papieren gegeven--wat
verlangt gij nu voor de boot?"
"Het is een mooie boot!"
"Maar _gij_ hebt er toch niets aan!"
"En dan de drie vrouwen. Ik zou een losgeld voor haar kunnen krijgen."
"Van wien?"
"Van haar vaders of moeders of beminden; zij zouden het niet heel
aangenaam vinden, als zij wisten, dat die vrouwen ontvoerd waren door
de Watergeuzen, de kampvechters voor de vrijheid," zegt Duyvel met
een leelijke grijns, "en één is er bij, die heel mooi is."
"Hm! hoe hebt gij dat kunnen onderscheiden in deze duisternis?"
"Dat kon ik niet zien, maar ik hoorde het. Haar stem is zoo zoet
als het zachtste register van het groote orgel in Amsterdam, dat,
hetwelk men de 'engelenstem' noemt."
"Hoeveel verlangt gij voor alles?" vraagt de Engelschman,
onverschilligheid veinzend, op den toon van een man, die met een
kramer marchandeert.
"Duizend kronen."
"Driehonderd," antwoordt Chester kortaf.
"Vijfhonderd in elk geval."
"Driehonderd in zilver," en de jonge commandant opent een kastje
in zijn hut en haalt er een zak met Carolus-guldens uit. "Het is
beter, dit zekere in handen te hebben," zegt hij, "dan te moeten
marchandeeren aan den wal, met de kans, om gevangen genomen en gehangen
te worden. Driehonderd voor alles, vrouwen, boot, alles!"
"Wat wilt gij er mee doen?"
"Dat is mijn zaak," zegt de Engelschman, opnieuw in de papieren
kijkend, die hij den doode,--naar zijn kleeding en voorkomen te
oordeelen, een Spanjaard of Italiaan,--heeft afgenomen.
"En ik zal u zeggen, wat ik wil doen," vervolgt Guy; "wanneer deze zaak
zoo voordeelig blijkt als zij schijnt, geef ik er nog tweehonderd bij,
als ik weer uit Engeland hier kom."
"Welnu, de buit is de uwe, geef mij nu maar spoedig het geld."
Dit is spoedig gedaan. Chester schrijft een bewijs van ontvangst,
dat de Hollander onderteekent. Een oogenblik later zegt kapitein
Guy losweg: "Duyvel, ik zou u raden met uw boot naast ons te blijven
liggen tot morgen vroeg, gij redt het nooit in dien storm," gaat naar
het dek, en zijn eersten officier ter zijde nemend, zegt hij kortaf:
"Gij moet het commando van de _Dover Lass_ overnemen, luitenant Dalton,
tot ik terugkom."
"Wilt gij het schip dan vannacht nog verlaten?"
"Ja; een bericht, dat ik daar pas heb gekregen, maakt het noodig,
dat ik vannacht nog naar Antwerpen ga."
"Naar Antwerpen! _In Alva's klauwen_, regelrecht in het verderf?"
"Ja."
"Hoe?"
"In die Spaansche barge, die naast ons ligt."
"Gij neemt toch eenigen van uw manschappen mee?"
"Neen."
"Dan is uw leven geen duit waard."
"Dat zal wel losloopen. Die laffe roeiers van de barge zullen mij geen
kwaad doen. Gij weet, dat ik op Hispaniola Spaansch heb geleerd en
het zoo goed spreek, dat ik er mij zelf haast om veracht. Ik ben van
plan te gaan als een Spaansch officier, onder den naam, waarvan ik
mij bij mijn vorige bezoeken aan Antwerpen reeds bediende: kapitein
Guido Amati. Ik zal mij uitgeven voor den redder van de dame in
de boot,--namelijk als alles naar wensch gaat. Zorg dat de sloep
morgenmiddag op mij wacht bij den dijk, die het dichtst bij fort
Lillo is."
"Gij speelt met uw leven. Ja, gij gaat zelfs nog verder, gij werpt
het weg," waagt de eerste officier nog angstig op te merken.
"Ik doe beide voor mijn goede Queen Bess [1], wier hand ik kuste,
eer ik Engeland verliet," fluistert de jonge man. "Nu wil ik mijn
gevangene gaan zien."
Een touw grijpende, springt hij over de lage verschansing en staat
in het volgende oogenblik tusschen zijn manschappen, die nog steeds
de wacht houden op het Spaansche pleiziervaartuig,--een seconde later
hoort Guy Chester de zoetste, lieflijkste, verleidelijkste stem, die
hij ooit heeft gehoord, sinds hij zijn ooren opende voor het geluid
van man--of vrouw.
HOOFDSTUK II.
DE INHOUD VAN DE BARGE.
Nooit te voren is Guy Chester zoo getroffen door den toon van een
menschelijke stem, ofschoon, in de bijna ondoordringbare duisternis,
haar bekoring niet wordt ondersteund door een bevallig figuurtje,
aanminnig gelaat of schitterende oogen. Het is enkel de stem, die
hem bekoort. Deze zegt: "Senor, zijt gij een officier? Hebt gij gezag
over deze woeste mannen?"
Zij, die spreekt, is opgestaan, toen Guy in de boot sprong. Misschien
heeft de dame, in weerwil van de duisternis, opgemerkt, dat zijn
manschappen hem salueeren. Zij spreekt Spaansch, zuiver, beschaafd
Spaansch; het welluidende der Castilianen.
"Dat heb ik, Senorita," antwoordt Guy, in dezelfde taal, ofschoon zijn
accent en uitspraak bijna barbaarsch klinken naast haar beschaafden
tongval. De klank van het Spaansch schijnt de dame gerust te stellen,
die te voorschijn komt van onder de tent, die den achtersteven van
de boot versiert en beschermt, vlak voor Chester gaat staan en op een
half verzoekenden, half bevelenden toon zegt: "Zeg mij, wie gij zijt!"
"Kapitein in Romero's regiment Sicilianen. Niet geboren in Spanje,
zooals mijn accent verraadt," antwoordt de jonge Engelschman, en hij
voegt er aan toe: "Mijn geboorteplaats was op Hispaniola."
"Ah! een Spaansch officier," roept de dame verheugd uit; "dus is uw
schip een Spaansch?"
"Zeker," antwoordt de Engelschman, die, nu hij zich eenmaal heeft
voorgenomen te bedriegen, ook niet op een leugen ziet.
"Dan," antwoordt de dame op een toon, die eensklaps vertrouwelijk en
toch bevelend wordt, "senor capitan, zijt gij wel zoo goed mij terstond
veilig naar Antwerpen te begeleiden." Een oogenblik later vervolgt zij:
"En ik hoop, dat gij die woeste Hollandsche rebellen, die onbeschaamde
Watergeuzen, zoo spoedig mogelijk zult straffen. Zij hebben den
kapitein en de soldaten van mijn barge vermoord, en den armen
secretaris van den markies de Cetona, Chiapin Vitelli, verdronken."
Bij den naam van Vitelli ontstelt Chester. "Zeker, senorita," antwoordt
hij snel. "Al die schurken zullen worden gehangen aan de ra, zoodra
uw jacht uit zicht is."
"Maar gij moet met mij meegaan, ik beveel het!"
"Uw woorden zijn voor mij een bevel," zegt Guy beleefd, een glimlach
onderdrukkende, als hij er aan denkt, dat zijn schoone gevangene
zich een vreemd gezag over hem aanmatigt. "De commandant van het
schip zal overgaan tot de bestraffing van de zeeschuimers, zoodra
wij vertrokken zijn."
"Gij zult zeker spoedig gereed zijn om mij te vergezellen?" De stem,
die in de duisternis tot hem komt, is die van iemand, welke gewoon
is te bevelen, ofschoon zij ongemeen lief en welluidend klinkt.
"Binnen vijftien minuten," antwoordt Guy met militaire promptheid;
daarna vervolgt hij, met iets galants in zijn stem: "Zal ik u niet
een weinig ververschingen zenden van het schip? De nacht is heel koud."
"Neen, ik ben goed ingestopt. Mijn kameniers kunnen mijn handen wrijven
en wij hebben uitstekenden Spaanschen wijn en andere ververschingen
in de kajuit. Maar haast u wat, of wij zullen niet voor morgenochtend
te Antwerpen zijn."
"Zoo spoedig mogelijk zal ik terug zijn." Met deze woorden springt
Guy vlug uit de barge en klautert over de verschansing van zijn
eigen schip.
Vervolgens trekt hij zijn eersten officier, die naar het gesprek heeft
staan luisteren, haastig ter zijde en zegt: "Het is alles naar wensch
gegaan. En ik ben nu ook nog iets meer te weten gekomen. Die doode
man in de hut (dien gij zoo spoedig mogelijk overboord moet werpen)
is de secretaris van dien verwenschten Chiapin Vitelli!"
"De schurk, die Alva helpt in zijn plannen tegen het leven van onze
vorstin?" roept Dalton uit.
"Ja. Dit maakt het dubbel noodzakelijk, dat ik naar Antwerpen ga. Het
zou kunnen zijn, dat ik daar eenige dagen moest blijven. Blijf met de
sloep dicht bij den dijk beneden fort Lillo, zooals ik u bevolen heb."
"Gij doet een dolzinnig waagstuk," mompelt zijn ondergeschikte,
nog een bedenking wagend.
"Maar ik moet het wel doen. Voor het geval, dat mij iets overkomt,
voor het geval, dat ik--niet terug mocht komen, zeg dan aan mijn
koningin, dat ik het om harentwil deed. Keer met het schip naar
Engeland terug, Dalton, en spreek tot onze vorstin deze woorden:
'Wees meer dan ooit op uw hoede voor Spaansch vergift of Spaansche
dolken. Het is de laatste waarschuwing van Uwer Majesteits getrouwen
vazal Guy Stanhope Chester.'"
Dit zeggende, stapt de jonge man in zijn hut en als hij na tien minuten
de deur weer opent, beschijnt het flauwe licht een geheel ander man.
Hij is niet langer de door weer en wind geteisterde zeeman in oliejas
en zuidwester, maar de zwierigste en wellevendste jonge edelman, die
ooit het hof maakte aan de dames van Hampton of met haar schertste
op de tennisvelden van Windsor of Westminster.
Een lichtblauwe fluweelen baret, versierd met twee lange witte veeren,
vastgehecht door een diamanten gesp, bedekt zijn jeugdig hoofd; om zijn
hals draagt hij een breeden Spaanschen kraag van Venetiaansche kant;
zijn fluweelen wambuis is gegarneerd met zilver en satijn; zijn broek
is van de fijnste Fransche zijde; zijn hooge Spaansche laarzen zijn
van het zachtste bronskleurig marokijnleder. In dit zwierig kostuum,
met zijn blauwe, overmoedig schitterende oogen, lachende lippen en
krullende haren, maakt Guy Stanhope Chester een even goed figuur als
de ridderlijke Dudley, graaf van Leicester, wanneer hij de koningin
van Engeland en haar hofdames wist te betooveren.
Misschien wint hij het zelfs nog van dezen, want zijn gelaat is open
en zijn glimlach oprecht, ofschoon er een vastberaden uitdrukking op
zijn gelaat ligt, als hij uit zijn hut stapt en naar het kruit in de
pan van de twee lange pistolen kijkt, die hij in zijn gordel heeft,
en zijn borst betast, om zeker te zijn, dat de lange scherpe ponjaard
op zijn plaats is, en vervolgens tegen het gevest van zijn zwaard
slaat, om er zich van te vergewissen, dat zijn trouw, welbeproefd
Toledaansch rapier aan zijn zijde hangt. Want bij het bezoek, dat hij
gaat brengen aan de groote stad der Nederlanden, die zich in Alva's
macht bevindt, is het voor hem niet alleen een quaestie van slagen
of mislukken, maar een quaestie van leven of dood. Guy is natuurlijk
zoo verstandig geweest, zich het aanzien te geven van een Katholiek
Spaansch officier; hij heeft den Geuzenpenning afgedaan en draagt in
plaats daarvan, zeer in het oog vallend, een rozenkrans van gouden
kralen en een rijk versierd kruis.
Terwijl hij deze verandering in zijn uiterlijk maakte, had hij
een miniatuur-portret, gevat in diamanten, van zijn borst genomen,
een portret van een meisje van zeldzame Castiliaansche schoonheid,
dat hij met smachtende blikken bezag onder het mompelen van deze
onverstaanbare woorden: "Mijn eenige prijs van al de schatten van Alva,
die ik buitmaakte voor mijn koningin--als ik het origineel kon winnen."
Intusschen veroorzaakt het zwierige kostuum van Guy Chester heel wat
opschudding op zijn halfdek, en trekt zelfs de aandacht van den anders
zoo onverstoorbaren vrijbuiter Dirk Duyvel, die juist buiten de hut
doodbedaard zijn driehonderd guldens zit te tellen. Deze roept:
"Drommels, daar moet een mooi meisje in 't spel zijn!" En zijn
eerste officier, ja, zelfs zijn tweede, veroorloven zich een paar
grappen over zijn voorkomen, terwijl Dalton nog opmerkt: "Bij de vier
Evangelisten! Die rooftocht beteekent _liefde_ zoowel als _bloed_!"
En de tweede stuurman, die nog weinig meer is dan een roodwangig
jongetje, schatert het uit en fluistert daarna in het oor van zijn
commandant: "Neem mij mede, kapitein Chester, voor een kruisvaart te
land. Er zijn nog andere dames in de barge, behalve degene, voor wie
gij u zoo hebt opgedirkt."
"Neen, mijn beste jongen, zulk een uitstapje aan wal zou je dood
zijn," merkt de commandant op, doch opeens keert hij terug in zijn hut
en mompelt: "Bij de zeven kampioenen van het Christendom, die stem
zou mij haast alle overleg doen verliezen. Daar zou ik nu waarlijk
zonder geld op weg zijn gegaan, een achteloosheid, die mij duur zou
te staan komen!"
Met deze woorden ledigt hij in zijn eenen zak den inhoud van een
kleinen buidel, gevuld met Spaansch goud, dien hij uit een der
kastjes in de hut heeft gekregen, en stopt in den anderen een
aantal Spaansche florijnen, Hollandsche kronen en Nederlandsche
stuivers. Zich omkeerende, ziet hij zijn eigen beeld weerkaatst
in een kleinen Venetiaanschen spiegel, die in de hut is bevestigd,
en roept plotseling verschrikt uit: "En ik zou mijn regenmantel ook
vergeten. Dat zou een koopje zijn geweest bij dezen storm!"
Dit zeggende, werpt hij over zijn zwierige kleedij een langen mantel
van een zachte Engelsche wollen stof en in het volgend oogenblik
is hij aan boord van het Spaansche vaartuig dat, na snel door zijn
manschappen te zijn ontruimd, nu van het schip wordt afgestooten.
Daarna begeeft hij zich naar den achtersteven, neemt de roerpen in
de hand en roept op bevelenden toon in het Spaansch: "Voorwaarts,
gij honden van roeiers! De man, die rechtop durft gaan zitten of geen
slag houdt bij het roeien, totdat wij in Antwerpen zijn, sterft door
mijn hand." Want hij vreest, dat de minste onachtzaamheid van den
kant der roeiers de boot dwars van den wind en van den stroom zal
brengen, wat noodlottige gevolgen kon hebben bij deze holle zee,
snellen vloed en hevigen wind.
"Gij schijnt zeeman zoowel als soldaat te zijn," merkt de jonge
Spaansche dame op, aan wier zijde hij nu gezeten is.
"Ja, ik ben een weinig vertrouwd met elke wijze van vechten, te land
en ter zee," antwoordt Guy, iets nader schuivende bij die welluidende
stem.
"Ik zal u," fluistert de jonge dame, "altijd als mijn redder
beschouwen."
Vervolgens brengt zij hem in de uiterste verbazing en doet hem haast
schrikken, door op beschermenden toon te zeggen:
"Gij hebt geluk gehad, senor capitan! _Want ik wil, dat gij voor
hetgeen gij aan mij hebt gedaan, tot kolonel bevorderd zult worden_!"
Deze verzekering wordt door de liefelijke stem naast hem gedaan
met evenveel vertrouwen, alsof zij kwam van de koningin van Spanje
zelve. Maar den Engelschman loopt, bij het hooren er van, een koude
rilling over den rug. "Wie voor den drommel kan zij zijn?" vraagt
hij zich verwonderd af. "Ik lever mij roekeloos over in Alva's macht,
door haar naar Antwerpen te begeleiden."
Maar terugkeeren is niet meer mogelijk. De boot is reeds in den
hoofdstroom; beide, wind en vloed, zweepen haar nu voort naar
Antwerpen, evenals de lijken van menschen en vee, die de stroom
meevoert, als getuigen van de verwoesting, welke de oceaan in de
Nederlanden aanricht.
"En wie heb ik te danken voor deze bevordering?" waagt Guy te vragen,
want hij brandt van nieuwsgierigheid om den naam te vernemen van de
dame, die naast hem zit.
"Gij kunt mij Dona Hermoine noemen," antwoordt de schoone op een
toon, die aanduidt, dat zij voldoende bekend is, om het geven van een
nadere aanduiding als overbodig te kunnen beschouwen. Een oogenblik
later zegt zij op kalmen toon tot een harer onderhoorigen, die naast
haar knielt, om haar handen te wrijven, daar de nacht zeer koud is:
"Zoo is het goed, Alida, tracht nu zelve ook warm te worden."
"Ja, Excellentissima," antwoordt het meisje.
De hoog klinkende titel prikkelt Chester's nieuwsgierigheid nog meer,
maar hij kan die thans niet verder bevredigen. Elke spier van zijn
gelaat is gespannen, hij heeft al zijn gedachten noodig om de boot
uit den wind en recht in den stroom te houden, terwijl zij de Schelde
opvliegt. Eén enkele verkeerde beweging van een der roeiers zou haar
uit den koers kunnen brengen, en dat zou in dezen stormachtigen nacht
gelijk staan met haar ondergang.
Hij kan nauwelijks tijd vinden om de vrouwelijke bedienden van de
jonge dame te gelasten, haar zooveel mogelijk met stukken zeildoek
te beschutten voor het schuim, dat hen volgt; al zijn opmerkzaamheid
wordt vereischt, om de zwakke boot veilig te houden in haar wedloop
met de wilde wateren rondom haar. Hij heeft geen moeite met de roeiers;
zij roeien, alsof zij weten, dat hun leven afhangt van hun inspanning.
Zóó snellen zij voort.
Een donkere, sombere massa aan zijn rechterhand duidt het grimmige
fort Lillo aan. Als zij dit voorbij zijn, weet Guy, dat hij onder het
bereik is van Alva's handen, binnen de Spaansche linie. Zij snellen
echter voort, langs schepen, die zijn losgeslagen van hun ankers en
nu wegdrijven met den vloed, langs andere, die een schuilplaats hebben
gevonden in de verschillende bochten en inhammen van de Schelde. Geen
enkel vaartuig--behalve het hunne--spoedt zich voort met een doel,
alle hebben ergens een schuilplaats gezocht. Geen Spaansche galeien
houden de wacht op de rivier, maar de lichten op de dijken duiden aan,
dat de oeverbewoners waken, om hun bezittingen en zichzelven te redden.
Een poosje later zegt de dame, die al dien tijd haar best heeft
gedaan om zich warm te houden, door met haar voetjes te stampen en
haar kleine handen te wrijven, waarin zij door haar vrouwen wordt
bijgestaan: "Zoudt gij niet een kleine hartversterking willen nemen,
senor capitan? Een glas wijn? Gij spaart zorg noch moeite voor mijn
veiligheid."
"Leid in Gods naam mijn aandacht niet af van de boot!" mompelt Guy
tusschen de tanden. "Wij zijn aanstonds in een bocht van de rivier. De
wind zal dwars overkomen. Ik worstel voor ons aller leven."
Dan zet hij zich opnieuw schrap voor den strijd, want de stroom en
de wind zijn niet meer in één richting en dat maakt zijn taak aan
het roer des te moeilijker.
Maar als zij deze bocht voorbij zijn, en nu de waterzijde van Antwerpen
naderen, wordt de wind, door het land gebroken, minder hevig, en het
wassend tij, dat bijna zijn hoogtepunt heeft bereikt, minder snel
en gevaarlijk.
"Goddank, wij hebben het ergste gehad," zegt Guy met een zucht van
verlichting. "Nu zal ik gaarne een glas wijn aannemen, schoone dame;
het is vinnig koud;" dit laatste zegt hij klappertandend.
"Oho!" lacht de schoone aan zijn zijde. "Zijde, satijn en fluweel zijn
ook niet zoo doelmatig, senor capitan, als uw oliejas en zuidwester,
toen gij het eerst aan boord van mijn jacht kwaamt. Wie mooi wil zijn,
moet zich daarvoor ook wat last getroosten. Uw zwierige kleedij werd
vermoedelijk gekozen ter wille van de een of andere schoone dame in
Antwerpen, capitan mio."
"Ja, voor een _zeer_ schoone," antwoordt Guy, wiens mantel van zijn
schouders is gegleden en wiens kanten opslagen den fijnen pols van
de jonge dame hebben aangeraakt, terwijl hij den zilveren beker aan
den mond brengt en den fijnsten ouden Spaanschen wijn, die ooit door
zijn keel is gegleden, in staat stelt zijn bloedsomloop te versnellen
en zijn verkleumd lichaam te verwarmen.
Het edele vocht schijnt zijn levensgeesten op te wekken en hij lacht.
"Nog een beker, als ik u mag verzoeken, om hem uit te drinken
op de gezondheid van de schoonste dame." En als hij dien heeft
gekregen, zegt Guy met zeemans-stoutmoedigheid en jeugdig vuur:
"Op u!" de schoone vóór hem doordringend aankijkend in de hoop,
dat de gloed zijner oogen door de duisternis heen zal dringen. Want
hij heeft de hand aangeraakt, die hem den beker heeft gereikt, en
deze is verwonderlijk zacht en klein, en de gansche wijze van zijn
en doen zijner schoone gezellin is die van bloeiende, levendige,
opgewekte jeugd; de jeugd, die de ouderdom kan benijden doch nooit
kan nabootsen; de jeugd, die de goden slechts eens geven; de jeugd,
die de zwartste duisternis niet kan verbergen.
Buitendien heeft zij, door een onverwachte slingering van de boot,
een oogenblik tegen zijn borst gerust--slechts een _oogenblik_; doch
in die vluchtige aanraking heeft hij de gestalte van een Venus kunnen
onderscheiden en de vlugge bevalligheid van een Hebe.
"In naam van alle heiligen, wie kan zij zijn?" vraagt hij verwonderd.
Bij zijn vermetelen toost trekt de dame zich haastig terug, met
een ingehouden kreet, voortgekomen half uit verwondering, half uit
hoogheid. Een oogenblik later lacht zij, een lach, alleen eigen aan
de jeugd, bekoorlijk, betooverend, en merkt op: "Zulke toosten zullen
u de verontwaardiging van mijn duena op den hals halen."
"Uw duena! die is hier niet!"
"O ja. Zij is al dien tijd in onze tegenwoordigheid geweest. Mijn
strenge duena ligt in dien zetel recht tegenover u. De reuk van kruit
doet de gravin De Pariza altijd flauwvallen. Zij verliest geregeld
haar bezinning als haar pupil in het grootste gevaar verkeert. Bij
het eerste vuur, dat de Watergeuzen gaven, viel zij doodbedaard flauw,
en zij is sedert dien tijd niet weer bijgekomen. Als wij in Antwerpen
aankomen, heeft zij zeker haar oogen wijd open."
"Vertel mij dan, eer zij ze opent, iets van uzelve," fluistert Guy
galant, want hij kan nu enkele oogenblikken wijden aan de dame, in
wier gelaat hij met bewonderende blikken zou kijken, als de duisternis
het hem veroorloofde.
"Vertel mij allereerst iets van u _zelven_," antwoordt zij een
weinig haastig, op een toon van belangstelling, die den jongen
man behaagt. "Hoe meer ik van u weet, hoe beter ik u kan helpen,
om kolonel te worden. Hoe heet gij?"
"Noem mij kapitein Guido," fluistert Chester zoo teeder mogelijk.
"Geen anderen naam?"
"Ik kan u mijn anderen naam niet noemen. Ik ben afwezig van mijn
regiment zonder verlof."
"Dan zal het zeer moeilijk zijn, u te bevorderen," lacht de
dame. Vervolgens zegt zij: "Maar als gij mij uw naam niet wilt
toevertrouwen, vertel mij dan tenminste iets van uw vroeger leven."
Dit doet Guy, door een geschiedenis te bedenken van zijn geboorte op
Hispaniola, van verschillende gevechten te land en ter zee voor den
roem der Spaansche vlag, in Italië en de Nederlanden, de dame aan
zijn zijde in den waan brengend dat hij zich aan de Spaansche zaak
heeft gewijd met lichaam en ziel en alle vijanden van de Moederkerk
haat, zich hullende in een weefsel van romantisme en bedrog, dat hem
eens noodlottig zal kunnen worden, want zijn schoone gezellin houdt
hem voor een soldaat van Philips van Spanje en zijn onderkoning,
Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva en Huesco.
"Ah!" mompelt zij, "een dapper soldaat. Ik _moet_ u de benoeming van
kolonel verschaffen!"
"En de volle naam van mijn weldoenster?"
Misschien was zij van plan, deze vraag te beantwoorden, maar op
dit oogenblik komen de lichten van Antwerpen in zicht. Het gedeelte
van de stad, dat naar de rivier is toegekeerd, is geheel verlicht
door lantaarns, die zich her- en derwaarts bewegen; schepen worden
in veiligheid gebracht; de bemanning der aanzienlijke handelsvloot
in de haven is op haar hoede in dezen nacht, om zich voor den vloed
in veiligheid te brengen. De kooplieden van Antwerpen, de rijkste
koopstad van geheel Europa, zijn bezig om de handelsproducten van
Indië en Noord-Europa op de kaden te bewaren voor bederf door het
wassend getij, dat bruist over de half overstroomde kaden en dokken
der groote wereldmarkt voor den zestiende-eeuwschen handel.
"Waar wilt gij landen?" vraagt Guy haastig.
Haar antwoord is van dien aard, dat het den stoutmoedigen man naast
haar bijna doet beven. Zij zegt achteloos: "Het is het beste, dat
gij mij naar de Citadel brengt."
"De Ci--ta--del?" stamelt Guy.
"Ja, Sancho d'Avila, de gouverneur, zal het zich tot een eer rekenen,
mij vannacht nog te verwelkomen."
"Kunt gij dan de schildwachten passeeren? Weet gij dan het wachtwoord
voor hedenavond?" stoot Chester uit, die een koude rilling voelt
bij de gedachte, dat hij zich te midden van Alva's garnizoen zal
moeten begeven.
"Zeker. Zij zonden mij vanavond de woorden."
"Wees dan zoo goed, ze mij op te geven, opdat ik u door de wachten
heen kan brengen."
"Dat van hedennacht," zegt zij, "is _Jemmingen_."
"En het contrasigne?"
"_Santa Maria de la Cruz_. Gij zoudt het noodig kunnen hebben, daar
gij een officier zonder verlof zijt," fluistert zij; vervolgens voegt
zij er lachend aan toe: "Ik heb u misschien bewaard voor arrest. Dat
is een klein blijk van mijn dankbaarheid."
Zij snellen nu voort langs de stad. De Engelsche kade ligt reeds
achter hen en zij bevinden zich tegenover het groote middendok,
waarvan de kolossale pakhuizen alle verlicht zijn, terwijl troepen
mannen met flikkerende toortsen op de aangrenzende werven en schepen
hun best doen, om de vaartuigen steviger voor anker te leggen en de
ladingen te bergen, waarvan reeds vele gedeeltelijk in veiligheid zijn
gebracht. Eenige Spaansche oorlogsgaljoenen bewegen zich tusschen
de andere schepen. De slaven zwoegen aan de groote roeiriemen, om
de schepen, die nu hulpeloos zijn in dezen hevigen storm, naar een
veiliger ankerplaats te brengen.
En boven al dat rumoer en deze drukte--het geschreeuw der zeelieden,
het gevloek der kapiteins, de kreten der galeislaven bij het striemen
der zweep, de dansende lichten van stad en haven, want geheel Antwerpen
is in dezen nacht op de been,--klinkt het zilveren klokkenspel van
de groote kerk bij het slaan van kwart voor middernacht.
Als zij haar voorbij varen, worden zij aangehouden door een
patrouilleboot; daar Chester echter het wachtwoord geeft, kan zijn
barge ongehinderd en zonder verder beletsel haar koers vervolgen.
Zoo snellen zij verder, langs een aaneenschakeling van werven en kaden,
waarachter men de stadswallen en poorten kan onderscheiden--niet
zoo sterk gebouwd, niet zoo duchtig versterkt als die, welke de
landzijde der stad beschermen, maar toch goed bewaakt, de Spaansche
schildwachten op hun hoede, want deze nacht van storm en vloed heeft
niet enkel de burgers van Antwerpen doen opschrikken om hun bezittingen
en goederen te redden, maar ook het Spaansch garnizoen van de plaats,
om te beletten, dat er een oproer uitbreekt tijdens de beroering,
veroorzaakt door wind en getij.
Een oogenblik later kan men achter de Esplanade of het Paradeplein,
dat de Citadel van de stad scheidt, de flikkerende lichten zien van
twee rivierbastions der uitgestrekte versterking, door Alva gebouwd,
niet om deze groote handelsstad, die in zijn macht is, te beschermen,
maar om haar te overheerschen en te onderdrukken.
Terwijl hij de uitwerking van den vloed aan den oever gadeslaat,
bespeurt Chester's vlug zeemansoog het gevaar, waaraan hij zich zou
blootstellen, door de muren te naderen, die de gracht begrenzen. Bij
zulk een hoogen vloed en hevigen wind, zal hun boot als een eierdop
tegen de steenen verpletterd worden. Hij zegt dus haastig: "Is er
niet een andere waterpoort? Als ik van deze zijde beproef te landen,
zijn wij kinderen des doods. Spreek vlug, om Godswil--antwoord mij!"
"Ja! Een kleine uitvalpoort achter het tweede bastion." De
zoetvloeiende stem naast hem is zenuwachtig en gejaagd. De golven
van de Schelde schuimen tegen het metselwerk van den Spanjaard.
"Dat zal beter zijn!" roept Chester uit, en de boot met vaste hand
in de diepe gracht sturend, die de Citadel omringt, en die thans door
den hoogen vloed is herschapen in een bruisenden stroom, snellen zij
voorbij het groote, sombere bastion van den Hertog, en een oogenblik
later voorbij dat, hetwelk naar Alva zelven is genoemd. Hier landt de
boot, geheel beschut voor den wind, achter de hooge muren van deze
machtige Spaansche vesting, aan een kleine uitvalpoort, gelegen op
een kunstmatig eilandje in het midden van de gracht en verbonden
door een lichte, beweegbare brug met het hoofdgebouw tusschen de
reusachtige bastions van Alva en Paciotto, het laatste genoemd naar
den grooten ingenieur, die dezen omvangrijken, dreigenden vijfhoek
met zijn vijf geduchte redoutes ontwierp en bouwde,--de sterkste
vesting uit dien tijd.
Als de boot landt, roept de schildwacht haar aan en ontvangt als
antwoord van den Engelschman het wachtwoord van dien nacht. Daarop
wordt de ophaalbrug neergelaten en worden zij verlicht door een
menigte brandende toortsen, die Chester doen ontdekken, hetgeen de
duisternis tot nu toe voor hem verborg, dat namelijk de boot, die
hij heeft binnengeloodst, blijkbaar een staatsgalei is, welker tent
is gedecoreerd met versierselen van Spaansch leder, waar het wapen
van den Onderkoning zelven is ingedrukt. Maar hij heeft geen tijd,
om hier verder over na te denken.
"Mijn duena," zegt de dame haastig. "Wij moeten haar wekken, ter
wille van de etiquette, senor capitan, wij moeten de gravin De
Pariza wekken!"
Dit gaat gemakkelijk, want de eeredame is blijkbaar reeds sinds
eenigen tijd bijgekomen, en een paar bekers van denzelfden wijn, die
den jongen zeeman heeft verkwikt, geven de chaperone aanstonds haar
spraak terug. Met verwilderde oogen in het rond ziend, roept zij uit:
"Heilige Maagd! Ik leef nog! Santa Maria! De Citadel van Antwerpen! Ik
ben gered!"
Vervolgens staat deze hoedster van de etiquette en het decorum op
en richt haar trotsche patricische oogen op den Engelschman, terwijl
zij haastig uitroept: "Wie is die man?"
"De edelman, die ons gered heeft uit de handen der Watergeuzen,"
antwoordt de jonge dame van de barge.
Hierop biedt Chester, die een nader onderzoek naar zijn identiteit
minder wenschelijk acht, fluks zijn arm aan de schoone, die nog dicht
in haar mantel en kap is gehuld en, toen het licht der toortsen op
haar viel, den Spaanschen sluier over haar gelaat heeft getrokken. Een
oogenblik later voelt Chester een lichte rilling, als zijn aanbod is
aangenomen en een fijn handje in zijn arm glijdt.
Nog een oogenblik en hij heeft haar geholpen bij het uitstijgen en gaat
met haar de ophaalbrug over, gevolgd door de beide kameniers, die de
duena ondersteunen, welke dame nog niet zeer stevig op haar voeten
schijnt te staan en in een staat van buitengewone zenuwachtigheid
verkeert.
Juist als zij aan het einde van de ophaalbrug zijn gekomen, hoort Guy
een doordringenden kreet achter zich, en hoe hachelijk zijn toestand
is, vlak voor de Citadel van Alva, wier open poort gereed staat hem
te verzwelgen, kan hij toch een glimlach niet onderdrukken, als hij
bemerkt, dat de Spaansche duena op de natte brug is uitgegleden en nu
half verdronken uit het water van de gracht wordt opgehaald. Als de
kameniers haar een weinig onhandig helpen, vergeet de Gravin, in blinde
woede ontstoken, alle etiquette en roept klappertandend, en met den
mond vol water, dat de meisjes voor haar onhandigheid zullen boeten.
Maar Chester's lach besterft om zijn mond, als de schildwachten aan
de poort hem met gekruiste pieken den weg versperren en hun vaandrig
barsch zegt: "Het contrasigne, senor!"
"_Santa Maria de la Cruz_," fluistert Guy.
De pieken zakken, als de officier met zijn zwaard wenkt, en zij gaan
hem voorbij door de hooge Gothische poort. Op dit oogenblik valt er een
straal van een toorts, die in een nis van het metselwerk is bevestigd,
op de dame en doet haar gestalte scherper uitkomen. Nauwelijks heeft
hij haar opgemerkt, of de Spaansche officier neemt zijn stalen helm
af en zegt, tot op den grond buigend: "Als ik had geweten, dat gij
het waart, Excellentissima, zou ik niet zoo barsch zijn opgetreden!"
"Gij deedt slechts uw plicht, senor," zegt de onbekende. Daarna Guy's
arm loslatend en den jongen officier terzijde nemend, die in gebogen
houding met ongedekten hoofde voor haar staat, fluistert zij hem in
het Spaansch iets toe.
Een gedeelte van het antwoord van den vaandrig bereikt Guy's
oor. "Neen, Excellentissima, hij is nog niet van Brussel aangekomen."
"Dan zal papa zich niet bezorgd over mij maken," zegt de dame
snel. En opnieuw Chester's arm nemend, vervolgt zij tot den jongen
officier: "Wees zoo goed en geleid ons naar de woning van de gravin
van Mansfeld."
Voorafgegaan door den vaandrig, komen zij thans door de poort op het
hoofdplein van de Citadel, en gaan tusschen stapels kanonskogels en
allerlei oorlogstuig door, naar dat gedeelte van het plein, waar zich
blijkbaar de kwartieren van de officieren bevinden.
Door de vensters van een dezer woningen, die oogenschijnlijk grooter,
geriefelijker en weelderiger is dan de overige, schitteren lichten
als van een feest en dringt dansmuziek tot hen door. Daar de
woning onmiddellijk achter het bastion van Paciotto ligt, hebben
ze haar spoedig bereikt en Guy heeft weinig gelegenheid, om met
zijn gezellin in gesprek te komen, nog te minder, omdat de storm,
die steeds aanhoudt, hen tot spoed aandrijft en de dame noodzaakt,
haar mantel zoo dicht mogelijk om zich heen te trekken.
Zij treden door een zijdeur van het huis binnen, waar een lakei in
een rijke livrei hen ontvangt, eerbiedig buigend.
"Verwacht de Gravin mij?" vraagt Guy's beschermelinge haastig.
"Ja, Excellentissima, het feest van hedenavond is te uwer eer. U is
zeker opgehouden? Het is reeds middernacht," antwoordt de bediende
opnieuw buigend.
Het antwoord wordt de dame bespaard door de komst van de druipnatte
duena, die op bitsen toon zegt: "Wat beteekent het, dat gij hier staat,
Dona Hermoine? Gij laat de gravin van Mansfeld boven wachten en mij,
druipnat en verstijfd tot op mijn beenderen hier beneden." Vervolgens
roept zij uit: "Vooruit, meiden, en helpt mij, mij verkleeden!" Het
klapperen van haar tanden en een dreigend gebaar aan het adres van
haar kameniers zet klem aan haar woorden bij; de kameniers snellen
dan ook den jongen Engelschman en zijn beschermelinge voorbij.
Bij de lichten in de vestibule merkt Guy op, dat de vrouwelijke
bedienden jonge meisjes zijn met lenige figuurtjes en een bleeke,
olijfkleurige tint, zeker Moorsche slavinnen, welke toentertijd in
Spanje veel gehouden werden. Zij verdwijnen langs een trap met de
gravin De Pariza, bij wie de slaafsche gehechtheid aan de etiquette
gansch en al schijnt weggespoeld door het zoute water van de Schelde,
want zij verlaat Guy met zijn dame zonder een enkel woord meer
te spreken.
Guy kijkt nu zijn gezellin opmerkzaam aan, in de hoop, dat haar gelaat
eindelijk zichtbaar zal zijn, maar de dichte sluier verbergt het nog
altijd en de mantel eveneens haar figuur, maar toch doet de laatste
een buitengewoon schoone gestalte vermoeden. Terwijl hij dit opmerkt,
bespeurt de Engelschman tevens, dat de mantel der dame gemaakt is van
het fijnste koninklijke sabelbont, en dat hij wordt vastgehouden door
juweelen versierselen van groote waarde.
"Als Dirk Duyvel dit geweten had," denkt Guy glimlachend, "zouden er
meer dan driehonderd Carolusguldens noodig zijn geweest, om alleen
dien mantel van hem te koopen!"
Maar aan zijn overpeinzingen wordt weldra een eind gemaakt; de
welluidende stem naast hem, nu nog liefelijker door de begeleiding van
luiten en strijkinstrumenten uit de aangrenzende vertrekken, zegt:
"Mijn duena heeft blijkbaar de plichten der gastvrijheid vergeten,
ik echter niet." En zij beveelt den lakei: "Geleid kapitein Guido
terstond naar een eetkamer. Niet naar een van die, welke voor de
gasten is ingericht, daar hij niet gekleed is voor het feest."
Zij lacht even, en Chester kan, als zij een blik werpt op zijn langen
mantel, een schelmsche flikkering in haar oogen bespeuren, die te
sterk schitteren, om geheel beschaduwd te worden door den sluier,
en daarbij zegt zij op halfluiden toon: "Neem mijn gastvrijheid aan,
ik heb u een boodschap mee te geven."
Dan gaat zij met lichten, zwevenden tred de trap op en is verdwenen,
terwijl Guy zich verkneutert bij de gedachte: "Zij heeft volstrekt
geen vermoeden van mijn zwierig costuum; ik heb nog een verrassing
voor haar in petto."
"Hierheen, senor capitan," zegt de lakei op zachten toon en de
Engelschman wordt geleid naar een afzonderlijk salon, welks vorstelijke
weelde hem in verbazing brengt, want de met gobelins bekleede muren en
ingelegde Vlaamsche meubels overtreffen in pracht zelfs die van zijn
koningin te Hampton Court en Westminster. Hier wordt hem binnen enkele
minuten zulk een uitgezochte maaltijd voorgezet, als waaraan ooit een
hongerige zeeman zich te goed deed. De tafel is gedekt met sneeuwwit
linnen en prijkt met massief zilver en het fijnste Venetiaansche
glaswerk, en de vleeschgerechten bestaan uit oesters uit de Schelde,
koude patrijzen, een delicieuse salade van versche latuw met een
bewijsje knoflook; voorts is er een flesch koninklijke Xereswijn.
"Mij dunkt, dat mijn dame groote oogen zal opzetten over mijn costuum
à la Leicester," denkt Guy, terwijl hij zijn langen mantel afwerpt
en zich vertoont in de smaakvolle kleeding, waarin hij zich heeft
gestoken, voordat hij zijn schip verliet. Ofschoon zijn marokijnen
laarzen een weinig hebben geleden van het zeewater, is de rest van
zijn costuum vrij wel onbeschadigd gebleven.
Guy Stanhope Chester is dan ook zeer met zichzelven ingenomen, als
hij gaat zitten en een aanval doet op het maal, dat voor hem staat,
en den zilveren beker met Xeres telkens aan de lippen brengt, om
zijn verkleumd lichaam te verwarmen, zwijgend en vlug bediend door
den lakei. In de hoop, iets naders te vernemen omtrent de dame,
die hij heeft bevrijd, merkt Chester op: "Een luisterrijk feest,
dat uw meesteres vanavond geeft!"
"Ja!" antwoordt de bediende, trotsch op de voornaamheid van zijn
huis. "Om onze gasten te amuseeren, hebben wij rederijkers uit Gent,
die voordrachten houden en kluchten vertoonen, twee Zigeunermeisjes uit
Andalusië, onzen eigen hofnar, om ons te laten lachen, en dan nog de
dochter van den oud-burgemeester, die voor ons zal dansen, gekleed in
de duurste zijde van haar vader. Ik zal trachten in de zaal te komen,
om haar te zien pronken; de kleine Vlaamsche heks heeft mooi gevormde
enkels en de allures van een gravin," grinnikt de jongen.
Hij zegt echter niets van de dame van de barge, en als Chester zijn
maal heeft geëindigd, wordt de tafel afgenomen door verscheidene
lakeien in prachtige livrei; het schijnt, dat de familie, in welker
huis Chester zich bevindt, een vorstelijken staat voert.
"Wel deksels," zegt de jonge man tot zichzelven, terwijl hij de
lakeien naoogt, als zij het vertrek verlaten, "de gastvrijheid van
de gravin van Mansfeld is niet te versmaden!"
Maar nu voelt hij weer een koude rilling, ondanks den verwarmenden
wijn, als hij er aan denkt, dat hij het zout van den Spanjaard eet
in de Citadel van Antwerpen.
Doch eensklaps heeft hij alle besef van zijn hachelijken toestand
weer verloren; hij springt overhaast op, zijn oogen nemen eerst een
uitdrukking van verwondering aan en daarna van verrukking, en zijn
hand tast in zijn borst, om te voelen, of een zeker iets nog wel goed
onder zijn satijnen wambuis geborgen is. Want een meisjesgestalte van
verwonderlijke schoonheid en bevalligheid, met een fluweelachtige huid
en groote, kwijnende maar toch levendig tintelende oogen, de kenmerken
van het zuiverste Castiliaansche bloed en de hoogste Castiliaansche
bevalligheid, staat vóór hem, gekleed in een avondtoilet, met een
fluweelen sleep en een keurs van glanzige zijde en kant, dat de
blanke schouders en armen zichtbaar laat, en de welluidende stem,
die hem op hun tocht over de Schelde reeds zoozeer heeft bekoord,
zegt met een mengeling van coquetterie en schuchterheid: "Ik dacht,
dat gij wel het gelaat zoudt wenschen te zien van haar, die gij uit
de handen der Hollandsche vrijbuiters hebt gered!" Daarna lacht
zij even en zegt: "Als zij geweten hadden, wie ik was, zouden de
Vlaamsche oproerlingen mij zeker een hoofd kleiner hebben gemaakt,"
daarbij een beweging makend langs haar albasten hals, "eer gij mijn
barge terug hadt kunnen nemen."
"Wie, voor den drommel, kan zij zijn?" vraagt Guy zichzelven, opnieuw
naar het miniatuur-portret tastend. "Zij is het origineel van het
portret, maar _wie_--_wie_?"
Doch verbazing en bewondering zijn niet alleen aan zijn kant.
Als hij opstaat, ziet de dame vóór zich een flinke, welgebouwde
gestalte van zes voet lang, met breede schouders, sterke armen en
een vlug, lenig lichaam; mannelijke vastberadenheid spreekt uit het
gelaat, dat gebronsd is door weer en wind, hetgeen bijna een zuidelijke
tint geeft aan zijn blanke Saksische huid, en waarmede zijn licht
kastanjebruin haar, zijn blauwe oogen en zijn blonde neerhangende
knevel een vreemd contrast vormen. Alles te zamen genomen het type
van een echten man,--in staat om een vrouwelijk hart duizend slagen
in de minuut te laten doen, iemand, die in staat is om te beminnen
als een troubadour, en te vechten als een paladijn voor wat hem in
deze wereld begeerlijk toeschijnt, en die veel kans heeft, dat ook
te verkrijgen; iemand, die in elk geval het bloed van de dame, die
vóór hem staat, sneller door de aderen doet vloeien en den glans van
haar oogen nog verhoogt.
Niet, dat zij nog geen knappe mannen zou hebben gezien, want de
bloem van de Spaansche ridderschap heeft voor haar gebogen. Maar dit
vreemde type, deze kloeke Angelsaks, met zijn ijzeren spieren, zijn
groote trouwe oogen, zijn jongensachtig voorhoofd en echt mannelijk
gelaat, doen haar hart geheel anders kloppen, dan het ooit voor een
donkeroogigen Spaanschen grande, een Italiaanschen cavalier met zijn
zijdeachtigen knevel, een Franschen ridder of een Nederlandschen
edelman heeft gedaan.
Beiden schijnen te gehoorzamen aan dezelfde opwelling--want
onwillekeurig zoeken en vinden hun handen elkander.
Maar Chester is al te zeer verbijsterd--hij vergeet de Spaansche
begroeting, en de dame trekt lachend haar hand terug, terwijl zij
halfluid vraagt: "_Geen kus_? Gij--gij beleedigt mij!"
"U beleedigen! Is _dat_ een beleediging?" En in het volgend oogenblik
geeft de dame een kleinen gil van verbazing, misschien wel van schrik,
want Guy Chester, zich niet bekreunende om de Spaansche wijze van
begroeting, heeft haar een fermen, welgemeenden Engelschen zoen
gegeven, zooals de zoon van den squire gewoon was, met Kerstmis op de
roode lippen van de meisjes te drukken, als zij onder den mistletoe
stonden.
"Madre de Dios!" roept het meisje uit, met een purperen blos. "Ik
bedoelde mijn hand. Heilige Maagd! Welk een vergissing! Als de Gravin
dat eens had gezien,"--daarna moet zij lachen, ondanks zichzelve,
zij slaat de oogen neer en keert zich om.
Guy trekt hiervan partij,--want zij bezit die eigenaardige schoonheid,
welke mannen waanzinnig kan maken. Snel heeft hij de zachte, slanke,
aristocratische vingers in de zijne genomen en de fout, een gevolg
van zijn Angelsaksische onstuimigheid, hersteld.
Niettemin heeft de kus op die lippen bij hem zijn uitwerking gedaan,
en eveneens bij de jonge dame, al weet zij het nu zelve nog niet. Zij
zegt haastig en gejaagd: "Ik heb de gravin van Mansfeld verteld van
den dienst, dien gij mij hebt bewezen. Zij had u willen verzoeken,
haar feest met uw tegenwoordigheid te vereeren, maar ik meende,
dat uw kleeding daarvoor niet geschikt was. Ik zie nu, dat ik mij
vergiste. Gij hebt groot toilet gemaakt. Wilt gij u nu niet bij de
gasten voegen?"
"Liever niet," haast Guy zich te antwoorden, want hij begrijpt, dat
hij onder de menigte gasten niet zooveel kans op een vertrouwelijk
gesprek zal hebben als nu.
"Ah, gij vreest u te vertoonen, omdat gij u zonder verlof hebt
verwijderd uit uw garnizoen. Romero's Sicilianen liggen in Middelburg,
als ik mij niet vergis. Dat verklaart ook uw komst per schip. Maar,"
vervolgt de dame ernstig, "ik heb daarover nagedacht. Als men er u
in Antwerpen naar vraagt, zeg dan dat gij door de officieren zijt
gezonden als hun eletto, om te vragen, wanneer hun achterstallige
soldij zal worden uitbetaald. Want gij weet, dat sinds de koningin
van Engeland ons achthonderd duizend kronen ontstal, geen soldaat in
Brabant, Vlaanderen of Friesland zijn soldij heeft gekregen. Geef
dit als reden op en het zal waarschijnlijk uitwerken, dat er geen
verder onderzoek wordt ingesteld, of gij in het bezit zijt van een
geschreven verlofpas van Romero."
"Drommels," denkt Guy, "zij zou zeker raar opkijken, als zij wist,
dat ik meer dan iemand anders de hand heb gehad in het stelen van
die achthonderd duizend kronen." Hij vervolgt echter zeer ernstig,
want de dame heeft haar verlegenheid blijkbaar overwonnen en haar
oogen ontmoeten onbeschroomd de zijne: "Hartelijk dank voor uw
vriendelijken raad, Dona Hermoine. Ik zal er aan denken, als ik door
den provoost-generaal ondervraagd mocht worden.--Maar," en hier dwingen
zijn oogen het meisje de hare neer te slaan, "die raadgeving heeft voor
mij nog veel meer waarde, dan gij u kunt voorstellen--niet alleen toch,
dat zij mij voor arrest kan bewaren, maar zij is mij tevens een bewijs,
dat gij nog aan mij gedacht hebt, nadat gij mij reeds verlaten hadt."
"Als dat zoo is, veroorloof mij dan u te toonen, dat ik zelfs nog
meer aan u dacht, dan gij kondt vermoeden," antwoordt het jonge
meisje, blozend over de bewonderende blikken waarmee de jonge man haar
aanziet. "Ik heb ook eenige regelen in uw belang geschreven--hier is de
brief. Nadat gij u weer bij uw regiment hebt gevoegd, moet ge dien bij
de eerste geschikte gelegenheid aan het hoofdkwartier overgeven, en ik
twijfel niet, of hij zal u spoedig een kolonelsplaats verschaffen." Dit
zeggende, overhandigt zij hem een brief, die hem groote oogen doet
opzetten, want hij is geadresseerd aan: "Don Fernando Alvarez de
Toledo, hertog van Alva, onderkoning van Spanje".
"Wie, voor den duivel, kan zij zijn?" denkt Guy, maar hij heeft
geen tijd, om vragen te doen; de eene verbazing volgt bij hem op de
andere. Het meisje zegt nu haastig: "De gravin van Mansfeld en haar
gasten wachten mij. Dit feest is te mijner eere;" dan voegt zij er
op een bevangen toon, die Guy een vleugje van hoop geeft, aan toe:
"Als ik langer wegbleef, zou men willen weten, wat er de reden van
is." En zij raakt een zilveren schel, die op de tafel staat, aan.
En als hij die schel hoort, die voor hem als het ware de doodsklok is
van zijn kortstondig geluk,--wetende dat het hem het leven kan kosten,
haar weer te zien, en aangegrepen door dien wilden hartstocht, die een
man slechts eens in zijn leven overmeestert en die hem doet gevoelen,
dat de vrouw daar vóór hem van alle wezens op aarde, diegene is, voor
wie hij, ware het noodig, zou willen sterven, zegt hij gejaagd: "Dan
rest mij nog slechts den tijd, om u van ganscher harte te danken voor
de vriendelijkheid, aan een onbekende bewezen; om u te zeggen"--maar
zijn oogen zeggen veel meer dan zijn lippen en met een verschrikt:
"Madre mia!" treedt zij haastig achteruit, als hij, door naderende
voetstappen tot vertwijfeling gebracht, de woorden fluistert: "_Ik
heb u lief_!"
Waarop zij met moeite uitbrengt: "Neen! Neen! Gij weet niet, wie
ik ben!"
En hij, een knie voor haar buigend, fluistert: "Al waart gij de
koningin van Spanje, dan zou ik u nog zeggen, dat ik u bemin!" en
drukt op haar met juweelen versierde hand den kus van trouw en
altijddurende toewijding.
Doch de lakei treedt binnen, en zij zegt, hoog en bevelend, alsof zij
de koningin van Spanje was: "Gelast een vaandrig, kapitein Guido met
alle verschuldigde eer buiten de Citadel te geleiden."
Haar zijden kleed ruischt en het volgend oogenblik is zij bij de deur
van de kamer, doch daar keert zij zich nog eens om, alsof zij slechts
noode heengaat.
En hij, haar naoogend, met zijn geheele hart in zijn oogen, ziet een
tafereel, dat hij nooit zal vergeten; want het meisje staat daar in
de bevalligste houding, stralend van jeugd en schoonheid, getooid met
kanten, zijde en fonkelende juweelen, met ontblooten, sneeuwwitten
hals en albasten schouders; een van haar Andalusische voetjes, in
een ragfijn Brusselsch weefsel en een klein fluweelen schoentje,
komt uitkijken onder haar rok van kant en zijde; met haar eene hand
houdt zij de draperie boven de deur omhoog, en met de andere wuift
zij hem een vaarwel toe.
Hij snelt op haar toe en fluistert: "Is het voor eeuwig?"
"Eeuwig? Hoe plechtig!" en zij tracht te lachen. "Neem dit als
een herinnering!" en van haar vinger een ring trekkende, waarin
één vlammende robijn is gevat, laat zij dien vallen in zijn hand
en verdwijnt.
En als hij zich omkeert, ademt hij zwaar en diep, als werd zijn borst
verruimd door een flikkering van hoop. Want in haar oogen heeft iets
geblonken, dat antwoord gaf op zijn woorden: "Al waart gij ook de
koningin van Spanje, toch zou ik u beminnen!"
HOOFDSTUK III.
DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL.
Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift,
komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan
een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende
snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform,
met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman
zegt op levendigen toon: "Ik ben de officier, die is aangewezen, om
u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan
u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon's busschutters."
"En ik," antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande,
zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, "en ik neem wederkeerig
de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero's
musketiers."
"Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg," merkt de vaandrig
op, als zij samen het huis verlaten. "Gij zijt zeker naar Antwerpen
gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is een onmogelijk
doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant
is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben
geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden,"
voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.
"Diablo! Gij zijt een vechtersbaas," meesmuilt Guy.
"'t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers
waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen," antwoordt
de vaandrig. "Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult
herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te
danken aan Alva's veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor
zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het," zegt
het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan,
op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.
Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk
zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen
buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der
Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en
glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op
zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden.
"Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het
is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de
laatste van zijn armen!" vervolgt de jongensachtige krijgsman, een
oneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis
van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij
geheimzinnig: "Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat
doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?"
Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend
bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade
der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop
een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf,
en elke toren bewaakt door een wolf--het wapen van Alva; daaronder
de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit
land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van
het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het
licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden
vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur.
De militaire voorschriften eischen, dat Guy's geleider rapport doet
aan den officier van den dag.
Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht
door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn
rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug,
kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten
aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat,
hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt,
want het luidt aldus:
_UITGELOOFD!_
_Drie duizend Carolus-guldens._
Nademaal zekere Engelschman, genaamd Guy Stanhope Chester, en nog
beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als de _Eerste der
Engelschen_, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres,
koningin Elizabeth van Engeland, op den 21sten Maart van het jaar
1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoen
_Santa Cruz_ en sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van
deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden
en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire
overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene,
die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope
Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij
verklaren. Op last van
ALVA, _Onderkoning._
JUAN DE VARGAS,
_President van den Raad van Beroerten_.
Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking
hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het
aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de
eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een
gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn
persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden
onjuist is.
"Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!" zegt de
jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij:
"Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den 'Eerste der Engelschen'
te lezen," en onder het heengaan vervolgt hij levendig: "Drie duizend
Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon
ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een
festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd
van den zeeroover!"
Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming,
want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat
gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat
de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid,
want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen,
en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in
de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het
beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en
de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog
onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken
luiden voortdurend.
"Hier moet ik u verlaten," zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug
zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. "In welke
herberg wilt gij uw intrek nemen? In _De Roode Leeuw_? Die heeft,
dunkt mij, den besten wijn."
"Neen," antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht;
"ik ga naar _Het Geschilderde Huis_. Het is daar rustiger."
"Zoo?" lacht de jonge man. "Dus gij weet niet, wat daar morgen zal
gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar
komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij
hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der
Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van 'de Zes
Drinkebroers van Brussel', om ze allen op één avond onder de tafel
te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker,
dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken;
ik hoop u daar te ontmoeten!"
"Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!" zegt Chester,
die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort
van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op
zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,--want de twee
hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede
kameraden geworden: "Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars
over naar de Bagijnenstraat," en hij keert met een vriendelijken
groet naar de Citadel terug.
Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen,
om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft
gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan
terug. "Neen--om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft
meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn--mijn beminde--" hij
herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest--"zou
te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diende de dame te kennen, die ik
naar Antwerpen heb gebracht."
Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen
en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van
de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog
altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij:
"Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het,"
en hij versnelt zijn pas.
Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van
de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt
eenige malen in zijn handen en roept: "Heidaar, jongen! Hier met de
toorts. Licht mij voor!" wat weldra een dreumes van een straatjongen
tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt.
"Waarheen, Uwe Edelheid?" vraagt de jongen, want Guy's manieren en
uiterlijk zijn die van een man van geboorte.
"Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine."
"O! De wondheeler en barbier," antwoordt de jongen. "Ik ken zijn
uithangbord."
Zij loopen nu--de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die
vlug voortstapt--de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm
lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij
de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de
kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren
geluid doet hooren. Vervolgens duiken zij weg in den doolhof van nauwe
straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt,
om het noordelijk einde van de stad te bereiken.
Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze
nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd
met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken
dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen
wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier.
Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen
en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche
manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een
klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig:
"Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!"
"Drommels!" antwoordt een van de anderen, "de duivel zelf zou den vloed
dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed
van 1300 is nog vijftig voet beneden ons." Hij lacht verachtelijk en
spot: "Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!"
De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en
vraagt hem: "Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?"
Het antwoord is ontmoedigend: "Neen, hij is in Brussel."
"Zoo!" bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld,
want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren
getrotseerd, en hij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt
hij eenigszins angstig: "Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?"
"Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut
en onder-secretaris van den Onderkoning."
"Ja!" roept het kereltje uit, "ik ben er zoo blij om; als monsieur
Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van
duivenpastei--gij ook?"
"Nu, of ik!" lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder
spoedig terug wordt verwacht.
"Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn
portie van de duivenpastei," snapt het kind voort; "maar misschien
krijgen wij er in het geheel geen--een man heeft vandaag zooveel
duiven weggehaald."
"Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn
kleine baas," lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje
geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: "Zijt gij
zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?"
"Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn
beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het
is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder--tenminste,
hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon
Achille als leerling--mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo
verzot is op duivenpastei," babbelt de Franschman, die blijkbaar van
zijn angst voor den vloed is bevrijd en wiens hart Guy heeft gestolen
door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: "Heb ik u niet
reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden
geleden ook reeds bezocht."
"Ja," antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te
voorkomen: "Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?"
"Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman
van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont."
"O, de Place de Meir, dank u, senor," antwoordt Guy, en den
toortsjongen terugroepend, zegt hij: "Bodé Volckers!"
"Dat is twee stuivers meer," zegt de knaap; iemand, denkt hij, die
een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven.
"Vier, als gij er mij spoedig brengt."
"_Vier_? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn," roept het kind
in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem,
weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé
Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen
naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in
groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman,
handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van
dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde--tenzij
zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot
financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie
van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie.
Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft
bereikt.
Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim
binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er
met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte
echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de
kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door
de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit,
en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en
satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden
gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn.
"Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken," zegt Guy tot
een hem voorbij spoedenden bediende.
"Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?" herhaalt de knaap
ten hoogste verbaasd; "nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?"
"Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!" roept Chester
ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden,
burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen.
"Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat," antwoordt de
leerling. "Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het
vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot
pakhuis op de Engelsche kade."
Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den
hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt,
in gesprek met een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is
van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te
wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad,
daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit
te roepen: "Die arme menschen!" en: "Goede hemel!"
Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht
zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: "Zou ik
ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers
kunnen spreken?"
"Ik weet het niet," is het antwoord. "Als mijnheer maar binnen wil
gaan, dan zal ik het vragen."
Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar
een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen
aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid,
hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek,
bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt,
ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en
sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje
en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op
de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door
een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een
gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis.
"Wiarda Schwartz!" roept het meisje, in haar handen
klappend. "Wiarda!" Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: "Ik ben
dadelijk terug," en de trap vlug oploopend, komt zij een oogenblik
later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig
kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar
meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts
haar doen kennen als een behaagziek ding.
In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester:
"Ik ben kapitein Guido Amati van Romero's voetvolk. Kan ik vrouw Bodé
Volckers een oogenblik spreken?"
"Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat," antwoordt het dametje
vrijpostig. "Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood."
"Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar
weduwnaar," herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: "Kan ik dan
de meesteres van het huis spreken?"
"O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers," zegt het meisje,
en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: "Freule Wilhelmina Bodé
Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld."
Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin
van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den
oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de
kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een
glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft,
om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: "Misschien kunt
gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver,
de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?"
Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda
Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid:
"Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van
hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder
den adel!"
Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet
hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met
haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed,
spottend op den grond stampt.
"Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te
slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan," overlegt de Engelschman bij
zichzelven. "God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen."
Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de
buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy's bezoek aan de familie Bodé
Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen
naar de herberg _Het Geschilderde Huis_, die beroemd is om haar wijn
en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij
is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd,
en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert,
daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels.
In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel,
versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende
lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers
hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en een half dozijn
reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid
van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten.
Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig
buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met
zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad
het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid. _De Roode Leeuw_
mag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het
regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staat
_Het Geschilderde Huis_ in Antwerpen verreweg het gunstigst bekend.
"Welkom in _Het Geschilderde Huis_!" roept de spraakzame herbergier
uit. "Welkom, senor--kolonel!"
"Neen, kapitein," zegt Guy.
"Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel
of militair."
"Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben."
"Onmogelijk!"
"Onmogelijk?!"
"Ja; alles is bezet."
"Gij moet mij toch een hokje geven."
"Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven
den stal. Mijn huis is geheel vol--gij hebt het nieuws toch zeker
gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen
onzen beroemden artist Frans Floris, en 'de Zes Drinkebroers van
Brussel'. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te
zien. Er is zelfs een deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt
er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien
wil hij mij de eer bewijzen--misschien is hij van plan te komen, om
het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in
Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten
Rijnwijn moeten aansteken."
"Twintig vaten voor zes drinkebroers?" lacht Chester.
"Wel neen--maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal
ook dronken zijn!"
"Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was," zegt Guy, die vreest,
dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer,
dat tot hem komt uit het binnenvertrek.
"St!" fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. "Stoor
hen niet. Het zijn," en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen
open, "het zijn 'de Zes Drinkebroers van Brussel', die hun avondeten
gebruiken!"
"Het schijnt, dat 'de Zes Drinkebroers van Brussel'," zegt Guy, op
wien die klinkende titel geen indruk maakt, "zich weinig sparen voor
morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang."
"Ja, dat is juist het mooie van de zaak," zegt de waard, zich in
de handen wrijvend. "Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd;
niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben
ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben
een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt
van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de
opperste van de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd
twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den
grootsten kunstenaar van onzen tijd--den Raphael van deze lage landen,
onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor
vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van
Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan,
eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?"
"Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn," zegt
Guy. "Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier--laat mij daarvan dus
liever een kan nemen," gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn
nationaal brouwsel getrouw blijvend.
"Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout
uit Londen."
"Juist, dát is het ware!" roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard
vergetend. "Breng mij Engelsche mout!" En dan, zijn onvoorzichtigheid
bemerkend, voegt hij er aan toe: "Ik heb den geheelen dag reeds
Rijnwijn gedronken."
Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd,
figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid
en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer,
de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt,
bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En
naast die aankondiging hangt Alva's edelmoedig aanbod van drie duizend
Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman.
Weldra brengt men hem het verlangde, en hij neemt plaats aan een
tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig
begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de
merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien.
Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek.
Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een
vaandrig van De Billy's Walen, die door de anderen den eenoogige wordt
genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg's nederlaag,
en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals
men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en
aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve
in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van
hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk,
beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de
laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi
Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen,
uit de hoofdstad.
Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier
niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,--want
hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,--naar hun
gesprekken.
"Par Dios!" zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,--een groote man
met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele
grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn
groote losbandigheid,--"ik verneem, dat onze tegenstander Floris een
caricatuur van ons heeft geteekend."
"Diablo! Is het beleedigend?" roept Tomasito, de eenoogige, een kleine
Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid
op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal.
"Neen," zegt Mendez lachend, "hij heeft ons alleen maar _onder de
tafel_ geschilderd."
"Sapristi!" grijnst de Italiaan Pisa. "Hij mag ons voor mijn part
onder de tafel _schilderen_, maar hij kan ons toch niet onder de tafel
_drinken_!" Daarna roept hij: "Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren
Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel
over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent." Dit gaat vergezeld
van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen:
"Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!"
Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit:
"Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei," en trekt zijn mes
terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn
vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. "Gij hebt ons maar
zes duiven gegeven, kapitein Vasco."
"Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!" antwoordt De Guerra.
"Gij zoudt duiven geschoten hebben?" spot De Rijk.
"Zeker!--vandaag--hier!"
"Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet,
die wij tegen den schilder verwed hebben!" sart De la Noel.
"Toch heb ik ze geschoten," antwoordt Vasco, terwijl er een vreemde
uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, "en ik doodde niet
_alleen_ de zes duiven, maar ik zal ook--een ander dooden. Wij zullen
een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!" Hij
grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien.
"Zijn _hoofd_?" roept er een.
"De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van
den Engelschman?" schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende,
wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen.
"Bah!" lacht Vasco. "Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag,
om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten
afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik
mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een
feestgelag, dat ons niets kost."
Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een
gerinkinkel van bekers en kannen. "De Zes Drinkebroers van Brussel"
houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier
Jacques Touraine.
Doch nu wordt Guy's aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast
hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt:
"Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft
er de laatste drie dagen in geslapen."
Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein
vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het
verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen
te sluiten.
Een oogenblik later is hij feitelijk alleen--de eenige van zijn buren
in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit,
en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een
veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst
acht--het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet;
maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint;
vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met
de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust,
maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij
kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva,
terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren
van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt,
waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd
van den "Eerste der Engelschen".
HOOFDSTUK IV.
DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD.
De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De
storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk,
als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de
naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee,
dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester
kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de
aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en
daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs
lijken van menschen.
Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm
heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af
te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben
hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als
die van heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden.
Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy's kamertje van de
Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden
druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers;
dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de
uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk.
Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende
kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op
zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord
verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn
roes uit.
Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in
de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver
een ongebruikten handdoek machtig wordt.
Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig
en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen
komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt
haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der
stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers
tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt,
dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij
nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij
van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want
het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf in de klauwen
van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder
oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele
Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad
op, van wie eenigen den "Eerste der Engelschen" misschien van aanzien
kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend
Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen.
Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een
aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds
tegemoet en roept uit: "Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld,
dat gij naar hem hebt gevraagd!"
"Hij--wie?" vraagt Guy.
"Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel
gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem."
Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de
twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis,
waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer,
die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in
de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten,
heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der
Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al
is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor
dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver
heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn
meester te winnen.
Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft
gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het
oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen;
Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand,
als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt.
"Ah!" roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, "ik ben
blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido."
"En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen,"
antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van
samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten
vriendschapsband geknoopt.
"Ik ben blij u te zien," vervolgt de Vlaming, "en toch ook weer
niet." Dan fluistert hij: "Gij weet van den prijs op uw hoofd?"
"Ja, ik heb het gezien," antwoordt Guy kortweg.
"O, misschien in uw herberg?"
"Neen, in de wachtkamer van de Citadel."
"Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?" brengt de
schilder angstig uit.
"Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!" lacht
de Engelsche zeeman. "Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij
Romero's musketiers!"
"Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!"
"Natuurlijk," zegt Guy, "hangt het samen met de zaak, die mij in
Antwerpen brengt."
"Ja," antwoordt de ander nadenkend, "die zaak moet wel hoogst
belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt."
"Het is als altijd voor mijn Koningin!" fluistert Guy; "is er niemand
in de buurt?"
"Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre
boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken."
"Welke verre boodschap?"
"Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleesch _op crediet_ te
koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had
meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn." Vervolgens de deur
grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver:
"Vertel mij nu alles."
"Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het
welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?" fluistert de
Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den
vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen,
vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt
afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling,
zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder.
Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord.
"Ei!" roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, "hebt gij deze
gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?" Dan voegt
hij er aan toe: "Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen
lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op
het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener,
in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens
hand ik kus,--den Hertog van Alva!" Er komt een vreemd licht in zijn
oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. "Het is heel gemakkelijk
te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb
geleerd en in mijn hoofd heb--ik durf hem nergens anders bewaren."
"Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!"
"Zeker," zegt de artist. "Gij kunt u intusschen onledig houden met
het bekijken van mijn schetsen."
Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met
het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen,
blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van
het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven,
waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met
grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel
staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch
meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch
type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat
men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek
hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te
verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer.
"Schuif het niet weg," zegt de schilder opkijkende, als hij hoort,
dat Guy het gordijn nadert. "Ik heb nog een aardige verrassing voor u
in petto," en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks
aan. "Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt
het gelaat van de schoone uit de barge niet onderscheiden?" Want
Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen
nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar,
opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van
de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde.
"Wat bedoelt gij?" vraagt Guy levendig. "Wacht een oogenblik," en een
half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den
schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door
het ontcijferen van het geheimschrift.
Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek
der documenten.
Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: "Ik kan u nu in hoofdzaak
zeggen, wat de inhoud der brieven is."
"En wat behelzen zij dan?" vraagt Guy ongeduldig.
"Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva's
vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven--zoo groot is
hun waarde--om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi,
een Italiaan, die bankier is in Londen."
"Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen
met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside,"
zegt Guy. "Maar wat heeft hij er mee te maken?"
"Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke
eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met
Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man,
die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland
en die zich nu in Elizabeths handen bevindt--onderhandelingen, welke
betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland."
"Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!" brengt Guy met moeite uit. Een
oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: "Ja, geruchten
van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van
Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit
nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend
door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede
wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,--een Engelsche
afrekening, dat kan ik u verzekeren,--met uw Spaanschen tyran!"
"Dat weet ik. Daarom juist help ik u," mompelt de schilder. "Op
Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn
verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar
Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel
in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen
ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt
dus niet te rekenen,--van Engeland alleen kan nog redding komen. Als
zoodanig heb ik u verwelkomd als den 'Eerste der Engelschen', om de
Nederlanders bij te staan. Gij zult niet de _laatste_ zijn--ik weet
het! Maar,"--en het gelaat van den schilder wordt bezield door een
patriotisch vuur,--"wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij
veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand
kan verkeeren,--een verrader in de naaste omgeving, in het bureau
van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den
Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking
staat gelijk met--nu, dat weet gij!"
Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend:
"Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag
vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een
schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden,
te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion
in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven
en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?" Hij huivert, doch voegt er
daarna vastberaden bij: "Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!"
"En ik voor het mijne," antwoordt Guy. "Op mijn hoofd is een prijs
gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth
schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt
mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur
van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben;
zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is,
om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen
als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien," vervolgt
hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, "houd ik niet
van Spanjaarden."
"Persoonlijk," merkt de Vlaamsche schilder op, "heb ik eenige zeer
aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva's leger
een ontelbaar aantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland,
dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds
boven mijn hoofd."
Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de
waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit,
al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft
zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen
en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat
Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens
zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij
aanhoudend verkeert.
Toch komt hij rond voor zijn meening uit.
"Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb,
die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit.
"Arme jongen!" mompelt de schilder met een lichte huivering. "Op
Hispaniola! dat is een heel eind weg!"
"Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick
en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de
Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola
en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad
Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende
munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest
van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een
jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van
zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefd was geworden op
een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd
als een Engelschen ketter, en de--Inquisitie--" Hier begeeft hem de
stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een
wild vuur. "Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en
mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen," zegt Guy,
na een pauze op somberen toon, "en als vrijbuiter in haar dienst,
kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur."
"Kunt gij mij ook zeggen," vraagt hij plotseling, het miniatuurportret
op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, "wie de dame is,
die hierop staat afgebeeld?"
"Oho!" lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn
oogen. "Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de
dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido's
pijlen?"
"Wat bedoelt gij daarmee?" bromt de Engelschman, terwijl hij
verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid.
"Ik bedoel," lacht Antony, "dat gij een man zijt, die tot over de ooren
verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht
werd telkens door u gewag gemaakt van de 'godin in de barge', de
'schoone onbekende', het 'bevallige wezen in het nachtelijk donker',
de 'feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen',
de 'stem zoo zoet als die van een engel', uw gansche wijze van doen
verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is,
om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen
der Watergeuzen; en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was,
gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij
u haar portret gaf?"
"Neen," antwoordt Guy, "ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op
deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde."
Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij
mompelt: "Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar
gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken
met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft. _Verliefd op
een portret_?"
"Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden," antwoordt
de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een
schertsenden toon. "Op het eind van '68 speelde ik tennis in Londen,
toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord
Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf
Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan
Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen,
waren op weg naar Antwerpen--"
"Ja," valt de ander hem glimlachend in de rede, "ik weet het--het geld,
waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen--"
"En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden
door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den
schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de
Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met
Spanje in vrede verkeerde, moest men hem wel ter wille zijn, maar
Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen
van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus,
zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij
wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn,
om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds
verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van
Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter
bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen
maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton
gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij
hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen
niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en
vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. 'Als zij
Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,' dacht zij. Volgens
de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik
mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen."
"En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij," lacht de
schilder, "op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede
aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af,
heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den
Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te
kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland
te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?"
"Slechts dit," antwoordt Guy. "Het eenige, wat ik van het Genueesche
schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze
beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin
het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de
Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke
opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in
haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn
leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige
kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik
heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij
goed! Maar zeg nu, wie zij is."
"Wel," antwoordt de schilder, "mag ik u als antwoord een ander portret
laten zien?"
"Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars
denkt altijd aan kunst--ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het
van kunst."
"Winnen zij het ook van dit?" lacht Oliver, en het gordijn op den
achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk,
onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al
verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij
den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de
hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige
altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn,
dat door de liefde geïnspireerd is.
De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek, en mompelt:
"Gij bemint haar dus ook!" terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar
afgunstig aanziet.
"Neen," antwoordt Antony, "ik bemin de dame niet, al bemin ik
mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde
Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een
wezen van vleesch en bloed--juffer Wilhelmina, dochter van den
oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien
ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij
mij het uwe deedt. Maar _dit_," hij kijkt teeder naar het doek,
"is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al
mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als
ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand,
die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in
de herinnering te blijven voortleven--niet als de patriot, maar als
de kunstenaar!"
"En, bij den hemel! dat zult gij," roept Guy uit, die natuurlijk niets
liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft,
een onvergankelijken roem beschoren te zien, "want gij hebt niet alleen
een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te
zijn." Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt
opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle
verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om
de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet.
In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk
geschetst op een parelgrijzen achtergrond, de Madonna is de eenige
afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy's beminde.
Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke,
blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog
van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de
schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is
gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel
hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid,
welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen,
waarop rozen en leliën bloeien, Guy's hart ook nu weer zoo onstuimig
doen kloppen.
Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig
gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone
effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de
school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek
van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret
van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al
aan haar gelijk.
Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een
enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens,
als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken
beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij
telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt.
Hij roept ongeduldig den schilder toe: "Gij beantwoordt mijn vraag
niet. Gij laat mij alleen iets zien, dat mijn verlangen, om haar naam
te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!"
Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem
tevens. "Zij is," zegt Oliver langzaam, "het eenige wezen op aarde,
dat Alva liefheeft!"
"Neen, neen, dat wil ik niet gelooven," brengt Chester met moeite uit.
"Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige
wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden
naam toespreekt."
"Ik kan u niet gelooven," roept de Engelschman uit, zijn handen als
in doodsangst wringend. "Zij is te rein, om de beminde te zijn van
wien ook en het allerminst van dien duivel."
"Zij is niet te rein," zegt de schilder langzaam, "om zijn dochter
te zijn."
"Zijn _dochter_?! Alle heiligen in den hemel!"
"Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder,
de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid,
stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona
Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste
bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit
even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder
als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom,
mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in
acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!"
Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid
der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra
komt de Engelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit:
"Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest
liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem
dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken,
de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie
duizend Carolus-guldens heeft gezet,--den vrijbuiter,--den 'Eerste
der Engelschen'!" en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden,
maar hartelijken lach.
HOOFDSTUK V.
HET GEVAAR WORDT DREIGEND.
"Bravo!" roept de Vlaming uit, "bravo! Maar eerst moet zij u ook
liefhebben."
"O, ik ben er zeker van, dat zij mij al liefheeft," roept Chester uit,
den robijn in den ring aan zijn vinger beschouwende, welks rood licht
voor hem niet een teeken van gevaar schijnt te zijn, maar de rosse
gloed van de fakkel van Hymen.
"Nu, ik ben blij, dat gij zoo vol vertrouwen zijt.... Ik wenschte,
dat ik ook zoo was," zucht de schilder en vervolgt dan, zich
vermannend: "Doch nu ter zake! Gij kunt uw tijd niet verbeuzelen met
hofmakerij. Koningin Elizabeth moet verwittigd worden van het complot
tegen haar leven en gewaarschuwd voor Ridolfi, den Italiaanschen
bankier in Londen."
"O, wij zullen wel goed op hem passen," zegt Guy op dreigenden
toon. "Ik moet van avond nog weer aan boord van mijn schip zijn, om
onder zeil te gaan naar Engeland, en daarvoor moet ik het wachtwoord
van hedenavond hebben, opdat ik na zonsondergang de stad kan verlaten."
"Waarom vertrekt gij niet terstond?"
"Omdat," antwoordt de Engelschman, "gij mij de overzetting van
die brieven nog niet hebt gegeven. Daarmee zal nog wel eenige tijd
gemoeid zijn."
"Volstrekt niet."
"Waarom niet?"
"Omdat ik niet van plan ben, ze voor u over te zetten; ik zal u
eenvoudig den sleutel van het cijferschrift geven, dan kan dit in
Engeland gebeuren, en alle andere dergelijke brieven, die u in handen
mochten vallen, kunnen dan mede ontcijferd worden door Koningin
Elizabeth en haar ministers. Het zal u menig gevaarlijk bezoek aan
de Nederlanden besparen." Dit zeggende, gaat de schilder zitten en
schrijft in enkele minuten de verklaring van het cijferschrift op.
Daarna vervolgt hij: "Berg dat goed weg bij de brieven," en geeft den
sleutel aan Guy; glimlachend zegt hij op halfluiden toon: "Mij dunkt,
dat gij u nu wel zult haasten om te vertrekken, met dien prijs op
uw hoofd."
"Ik ga niet vóór van avond," antwoordt Chester, bijna gemelijk. "Het
tij is van avond nog gunstiger voor mijn schip--het zal mij dus niet
veel ophouden. Buitendien--" hier valt zijn oog op het spottend gezicht
van den schilder, en hij valt zichzelf in de rede: "Maar, voor den
drommel, man! gij denkt toch niet, dat ik Antwerpen zal verlaten,
zonder haar nog eens gezien te hebben?" Hij wuift met de hand de
goddelijke schoone op het doek toe, die, verlicht door de morgenzon,
hem niet alleen met hemelsche, doch ook--zoo denkt tenminste deze
vermetele jonge man--met aardsche liefde aanziet.
"Zoo! zijt gij van plan papa om de hand van de jonge dame te
vragen?" spot de schilder.
"Nog niet, ofschoon ik een introductiebrief voor hem heb," merkt
Guy op, door den spot van den schilder geprikkeld, om den brief te
laten zien, dien Dona Hermoine hem den vorigen avond heeft gegeven,
en die geadresseerd is aan Alva, onderkoning van Spanje.
"En gij hebt hem nog niet geopend?" vraagt Oliver, den brief van alle
kanten bekijkend.
"Zeker niet; hij is verzegeld."
"Maar, mijn jongen," herneemt de schilder, "gij zet te veel op het
spel, om zoo angstvallig te zijn. Gij moet weten, hoe gij met de
dame staat, eer gij haar weer ontmoet." En hij doet Guy schrikken,
als hij er bijvoegt:
"Gij hebt machtige medeminnaars: generaal Noircarmes staat zeer hoog
in de gunst bij haar vader, wiens volle vertrouwen hij geniet."
"Een medeminnaar?" stamelt Guy.
"Een medeminnaar?! Een groot aantal medeminnaars! Denkt gij zoo
gering van uw schoone beminde, dat zij vóór u geen anderen man zou
bekoord hebben? Iedereen buigt voor de schoonheid en den geest van
gravin Hermoine de Alva--generaals en edellieden." Daarna vervolgt
hij op bevelenden toon: "Gij moet dezen brief openen. Het spel,
dat gij speelt, noodzaakt u, gebruik te maken van elke kaart. Het is
waarschijnlijk geen vertrouwelijke mededeeling, hij moet uitsluitend
op u betrekking hebben, daar zij u opdroeg, hem zelf te overhandigen."
Terwijl hij spreekt, en eer Guy het hem kan beletten, heeft Oliver
vlug een kaars ontstoken en met de linkerhand den brief er boven
gehouden, als iemand, die gewoon is aan zulke bezigheden, waarop hij
hem, met ongeschonden zegel, geopend aan den Engelschman overreikt.
"Gij moet hem lezen," zegt hij. "Uw leven zoudt gij kunnen inboeten
door u te laten leiden door een overdreven eergevoel. _Lees hem_! Den
een of anderen dag kunnen de omstandigheden u dwingen, hem aan Al va
te geven. In uw positie behoort gij te weten, wat hij behelst. _Lees
hem_, of ik heb verder geen gemeenschap meer met u."
"Waarom niet?" vraagt Guy, die, ofschoon hij brandt van begeerte om
het handschrift van zijn geliefde te zien, nog standvastig blijft.
"Omdat," zegt de schilder plechtig, "wij een spel spelen, waarbij ons
beider leven de inzet is; en ik trek van elke kans partij. Gij moet
hetzelfde doen, want mijn zaak is de uwe. Als ik omgang met u heb,
als men mij in uw gezelschap ziet, en gij wordt gevangengenomen,
val ik misschien met u. Buitendien zijn wij beiden aan ons vaderland
verplicht, gebruik te maken van elk wapen, dat God in onze handen
geeft. Lees!"
Terwijl hij dit zegt, heeft hij het geparfumeerd biljet, dat alleen
door het zegel gesloten was, losgevouwen en hij houdt het voor de
oogen van den Engelschman, die naar den zevenden hemel wordt opgevoerd,
als hij het korte, doch kernachtige briefje leest, geschreven in het
schoonste vrouwelijke handschrift:
"Lieve papa!
"Wees zoo goed en bevorder brenger dezes, kapitein Guido van Romero's
voetvolk, die mij redde uit de handen der Watergeuzen (en die te
nederig is, om mij een anderen naam op te geven), zoo spoedig mogelijk
tot kolonel en stel hem dan in de gelegenheid, om weldra generaal te
worden; doe het ter wille van uw liefhebbende
Hermoine."
Verrukking en trots vervullen den Engelschman te zeer, om den brief
niet aan zijn vriend en mentor te toonen.
"Bij Saint Denis!" roept Oliver uit, het briefje inziende, "ik geloof,
dat zij u bemint. Als gij haar hart hebt getroffen, zijt gij de eerste,
en zij heeft half Spanje aan haar voeten gehad, naar men mij heeft
verteld." En den jongen man aanziende, voegt hij er mijmerend bij:
"Dat hebt gij zeker te danken aan uw blond Germaansch uiterlijk. Als
gij een donkere Adonis waart geweest, zou ik geen stuiver voor uw
welslagen hebben gegeven. Donkeroogige fatjes in haar omgeving zijn
even talrijk als windmolens."
"En ik zou, met zoo iets in mijn bezit, niet een poging wagen,
om haar nog eens te zien, eer ik vertrek?" zegt Guy stoutmoedig,
het briefje met de zorg van een minnaar in zijn wambuis stekend.
"Gij zult u althans door mij niet laten weerhouden," glimlacht de
schilder. Daarna vervolgt hij ernstig en plechtig: "Maar laat ik u
een goeden raad mogen geven. Deel haar in geen geval uw geheim mede,
hoezeer zij u ook bemint, al zweert zij ook, dat zij u meer bemint
dan alles ter wereld."
"Zoudt gij denken, dat zij mij zou verraden?"
"Neen, duizendmaal neen!"
"Meent gij dan, dat het haar liefde voor mij zou doen verkoelen?"
"Niet, als zij u tevoren reeds beminde. Wien Hermoine de Alva eens
trouw heeft beloofd, kan zeker van haar zijn."
"Waarom zou ik dan moeten vreezen, het haar te zeggen?"
"Om deze reden. Zij weet hoeveel haar vader van haar houdt. Zij
heeft geen vrees voor den tijger in menschengedaante; zijn klauwen
zijn voor haar altijd van fluweel. Uit dit briefje kunt gij zien, dat
Dona Hermoine meent, dat haar wenschen wet zijn voor den onderdrukker
der Nederlanden. En zoo is het ook, in kleinigheden!--een diamanten
halsketen, een dozijn nieuwe kleedjes, zelfs de verwijdering uit
haar omgeving van een aanbidder; want als zij 'neen' zegt, heeft
ieder edelman ook afgedaan bij haar vader. Maar in staatszaken heeft
zij haar krachten tegenover hem nooit beproefd. Zij weet niet, dat
Alva in staatszaken, in het ten uitvoer leggen van zijn eigen wetten,
edicten en afkondigingen, als ijs en ijzer is. Waarvoor ik vrees is,
dat gij op zekeren dag zult worden overgehaald, om met haar naar den
Onderkoning te gaan en hem uw geschiedenis te vertellen, en dan zal
zij haar papa zeggen, dat zij u bemint, in de vaste overtuiging, dat
hij u zal sparen en vergeven en groot maken ter wille van haar; maar
misleid uzelven in Gods naam nooit omtrent Alva's barmhartigheid. Als
gij dat doet, zijt gij verloren. Haar tranen, haar gebeden zullen u
niet redden. Onthoud dat, mijn Guido, die in liefde ontgloeid zijt
voor des tijgers welp!"
"Waarom noemt gij haar zoo?" roept Guy toornig uit.
"Ik heb er eigenlijk ook geen recht toe," antwoordt de schilder
weemoedig. "Zij is een en al goedheid en vriendelijkheid voor mij
geweest; zij heeft mij veroorloofd, haar schoon gelaat op het doek te
brengen, en mij daardoor uitzicht op roem en onsterfelijkheid gegeven."
"Ah! zij heeft _hier_ voor u geposeerd?"
"Ja, in het bijzijn van haar duena."
"Dan moet gij mij hedennamiddag hier een onderhoud met haar
verschaffen."
"Dat zou u niets helpen. Zij zou niet komen zonder geleide. Denk niet,
dat Hermoine de Alva ook maar de geringste zonde tegen de etiquette zou
begaan, ook al aanbidt zij u--iets, waarvan gij zeker schijnt te zijn."
"Maar gij moet mij in de gelegenheid stellen, haar te spreken. Ik
wil twee vliegen in één klap slaan. Zij weet het wachtwoord. Zij
zal het mij geven. Zij zal bij mij komen, dat weet ik zeker,"
zegt Guy vol vertrouwen. "Gij kunt toegang tot haar verkrijgen als
ondersecretaris van Alva. Doe het nog heden. Geef haar dezen ring,"
en hij neemt den schoonen robijn van zijn vinger en legt hem in de
hand van den schilder.
"Mon Dieu! Gij hebt reeds ringen gewisseld! Ging dat vergezeld van een
kus?" lacht Oliver; en als een gloeiende blos Guy's gelaat overdekt,
mompelt hij: "Parbleu! Ik begin het te gelooven. Spreek mij niet meer
van Italiaanschen hartstocht! Hij is koud als ijs in vergelijking
met den Engelschen." Als hij geen antwoord ontvangt, vervolgt hij:
"Ik kan u vandaag wel een onderhoud verschaffen, doch niet hier. De
duena zou u in den weg staan bij een tête-à-tête. Het eenige middel
om u in staat te stellen, uw beminde onder vier oogen te spreken,
gelukkig jongmensch--of beter, ongelukkig jongmensch--is een samenkomst
ten huize van den man, dien ik eens vader hoop te noemen."
"Den burgemeester Niklaas Bodé Volckers?" roept Guy uit.
"Ja. Onder voorwendsel, dat zij kostbare zijden stoffen wil zien,
die licht beschadigd zijn door den vloed, kan Dona Hermoine haar
duena in de stad brengen. Bij den koopman kunt gij Dona de Alva
afzonderlijk spreken."
"Maar de duena--de fatale duena?" bromt Guy.
"De duena zal blind en onschadelijk gemaakt worden in de aangrenzende
kamer, door haar stoffen te laten bekijken. Als wij het gedaan weten
te krijgen, dat Bodé Volckers zijn prijzen zeer laag zet, zal de
gravin De Pariza stellig een uur lang koopjes doen. Buitendien zullen
zij vandaag toch wel in stad komen, uit nieuwsgierigheid, om nadere
bijzonderheden te vernemen omtrent het groote drinkgelag,"--hier
wordt de schilder rood van verontwaardiging,--"tusschen den man,
die zijn talent en zijn kunst onteert door onmatigheid, en 'de Zes
Drinkebroers van Brussel'. Gij hebt het aangeplakt gezien op de muren
van de herbergen en wijnhuizen, het biljet, dat den naam draagt van
den grootsten kunstenaar, dien de Nederlanden hebben voortgebracht,
den Raphael van het Noorden, den man, wiens leerling ik was, den man,
wiens altaarstuk in de groote kerk van Onze Lieve Vrouwe hem voor
altijd beroemd zou hebben gemaakt, als de Beeldstormers het vier
jaar geleden niet verbrand hadden, toen zij al de beelden in de kerk
omverhaalden en ontelbare meesterstukken vernielden, in blinde woede
tegen de Inquisitie. Ik en een andere leerling van Floris redden
dien nacht een ander schilderij van hem, een klein doek, 'de Val
der Engelen'; het is niet zijn beste werk; het is eigenlijk beneden
zijn talent, maar het is het eenige, dat bewaard zal blijven voor het
nageslacht, want nu is hij een leeglooper en een dronkaard geworden,"
en Oliver zucht.
"Dat is dus afgesproken," roept Guy uit, het verontwaardigd relaas
van den artist afbrekend, want zijn maag heeft hem er inmiddels aan
herinnerd, dat hij nog niet ontbeten heeft. "Nu wij met onze zaken
klaar zijn, zult gij mij wel iets te eten willen geven, zoodra Achille
terug is met zijn proviand,--misschien wel een weinig duivenpastei,
hè?" en hij geeft gekscherend den schilder een ribbestootje, want
door Antony's berichten over Hermoine de Alva is de vermetele jonge
man in een vroolijke stemming gebracht.
De opmerking wordt schertsend gemaakt, maar de lach besterft op
Guy's lippen, als hij bespeurt, welk een onverwachte uitwerking zij
op den schilder heeft. Bij het woord "duivenpastei" wordt Oliver
doodsbleek. Hij keert zich om en zegt op wantrouwenden toon: "Wat
weet gij van duivenpastei?"
"Niets anders dan wat ik gisteravond hoorde van den kleinen Marvédie,
het zoontje van Touraine, den barbier."
"Wat zei hij van duivenpastei?" vraagt de schilder, wiens vreemde
wijze van doen Guy's aandacht trekt. "Spreek op, spoedig--ons leven
kan er van afhangen!"
"Alleen dit," zegt de Engelschman, "dat hij zooveel duivenpastei van
u kreeg. Hij vroeg mij of ik van duivenpastei hield en later zei hij
nog,--ik geloof het tenminste, neen, ik ben er zeker van,--dat hij
misschien niet meer zooveel duivenpastei zou krijgen, daar er een
man was gekomen, die zooveel duiven had weggenomen."
"Een man--zooveel duiven weggenomen--van hier!" stamelt Antony. Daarna
roept hij plotseling uit: "Dat verklaart mij waarom er geen brieven
van Lodewijk van Nassau waren in de til boven,--geen duiven, die ze
brachten. Ik vond het al zoo vreemd; het maakte mij reeds beangst. Mijn
God! Ik moet het weten."
Op dat oogenblik wordt er aan de deur geklopt, hij schuift het gordijn
weg en opent de deur voor zijn leerling Achille, een Franschen jongen
met schitterende oogen, die op ontevreden toon zegt: "Ik kan niets
krijgen zonder geld. Onze groote schilder, Frans Floris, is zooveel
geld schuldig, dat men geen ander artist meer iets op crediet wil
geven."
"Goed, zet je mand maar neer. Ik zal zien, of ik nog geld heb," zegt
Oliver nadenkend. Dan schijnt hij plotseling een idee te krijgen,
want hij roept uit: "Achille, waar is de kleine Marvédie? Breng hem
boven en wij zullen eenige duiven laten halen en duivenpastei voor hem
maken," met zichtbare inspanning groote luchthartigheid voorwendend.
"Heerlijk! Marvédie is dol op duivenpastei en ik niet minder,"
antwoordt de jongen en vliegt de trappen af.
"Ik moet hem ondervragen," mompelt de schilder. "Als dit waar is,
dan is het zwaard van Damocles op het punt te vallen."
Een oogenblik later hoort men juichende kinderstemmen op
de trap. Achille en zijn broertjes springen de kamer binnen,
uitroepend: "Duivenpastei! duivenpastei! Hoezee voor monsieur Oliver's
duivenpastei!"
"Ja zeker, duivenpastei!" roept de schilder, "duivenpastei! Maar wat
is er met mijn duiven gebeurd? Hebt gij ze weggenomen, Achille?"
"Neen!"
"Hebt gij er om de til zien vliegen? Ik bedoel niet onder in het hok,
maar in de til--vliegende om de til?" De stem van den schilder klinkt
heesch--zijn oogen schieten vuur.
"O ja, verscheidene, de twee laatste dagen," antwoordt de jongen. En
als hij de vreemde wijze van doen van zijn meester opmerkt, roept
hij angstig uit: "Maar ik heb ze niet weggenomen, ik zweer het u,
monsieur Oliver, ik heb er geen uit de til genomen. Geloof mij op
mijn woord van eerlijken jongen!"
"Neen, hij heeft ze niet weggenomen," roept nu de kleine Marvédie;
"een groote man met akelige zwarte oogen nam ze mee."
"Wanneer?"
"Gisteren."
"Hebt gij hem gezien? Kent gij hem?"
"O, ik herinner mij hem heel goed, omdat hij lachte en recht in zijn
schik scheen te zijn, en hij gaf mij twee stuivers om een zak voor
hem te halen om ze in te stoppen."
"Kunt gij mij iets van hem vertellen? Weet gij zijn naam, kleine
Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" brengt Antony met moeite uit,
zijn best doende om grappig te wezen, maar met een gezicht als van
een doode.
"Neen, maar hij was leelijk en heeft akelige oogen, oogen als de
schelvisch op de markt."
"Hoeveel duiven nam die man weg? Hebt gij ze geteld, kleine
Marvédie--kleine duivenpastei-Marvédie?" en de schilder grijnst
afschuwelijk.
"Ja, hij nam er zes, van dezelfde soort, die gij den nek omdraait,
als gij duivenpastei voor mij maakt," zegt de kleine jongen.
"En waar was uw broer?" De stem van den schilder klinkt dof.
"O, ik was uitgegaan om een paar van uw schilderijen te verkoopen,"
zegt Achille. "Dat geloof ik tenminste. Zoolang gij weg zijt geweest,
heb ik daar telkens moeite voor gedaan, maar ik heb geen enkel
verkocht. De tiende penning van den Hertog ruïneert iedereen. Niemand
heeft geld te missen, tenminste niet voor schilderijen."
"Het is goed," zucht Antony, "hier is een gulden. Ja, haal daarvoor
duiven!" Hij lacht droevig. "Wij willen toch duivenpastei hebben."
De beide jongens loopen weg. Het gezicht van den schilder is zoo wit
als krijt en hij stamelt: "Het is er eindelijk toe gekomen. Iemand
heeft mijn geheim ontdekt."
"Welk geheim?" fluistert Guy, de waarheid reeds half vermoedend.
"Dat van de brieven, die ik door middel van postduiven krijg van
Lodewijk van Nassau, met wien ik in correspondentie sta voor het
welzijn van de Nederlanden. Zij zijn natuurlijk in geheimschrift,
zij moeten eerst ontcijferd worden, maar dat is maar een quaestie van
tijd--Ik ben een verloren man, ja, nog erger--ik ben een gemartelde! O
mijn God! Denk aan de pijnbank, den brandstapel, die mij wachten!" en
de Vlaming staat daar met verwilderde oogen, aschgrauw gelaat en
blauwe lippen.
"Als wij den man eens konden ontdekken, die uw geheim heeft," zegt
de Engelschman, steeds gereed tot handelen en wel wetende, dat gevaar
voor Oliver gelijkstaat met gevaar voor hemzelf.
"Ja, maar hoe? Als Alva komt, zal de man er hem zeker kennis van
geven; het loont de moeite, een verrader aan te wijzen onder
de schrijvers van den Hertog. Ik--ik was den geheelen morgen
reeds niet op mijn gemak. Toen ik--ik hier aankwam, dacht ik de
duiven te zullen vinden, met brieven van Lodewijk. Nu weet ik--de
reden. Zes! Zes brieven--waarvan elk op zichzelf voldoende is om
mij tot den brandstapel te doen veroordeelen!" kreunt de schilder,
zijn handen zoodanig wringend, dat zijn nagels er blauw van worden.
"Zes! Zes duiven!" herhaalt Guy. Dan vraagt hij plotseling: "Kent gij
een man met donkere, vischachtige oogen, zooals de jongen beschreef,
en een zwarten knevel met een enkele grijze vlok er in?"
"Mijn God!" roept de schilder uit, "zeker! Hij, dien gij daar
beschrijft, is Vasco de Guerra--mijn vijand! Hij--heeft--heeft de
brieven!--Wat bracht u op die gedachte?"
"Alleen dit, dat Vasco de Guerra gisteravond 'de Zes Drinkebroers
van Brussel', die hier reeds waren aangekomen voor het drinkgelag
met Floris, onthaalde op een duivenpastei, gemaakt van zes duiven,
die hij, zooals hij verzekerde, had geschoten; maar hij sprak van
een zevende, en verklaarde, dat hij voor het hoofd van de zevende
zulk een belooning zou ontvangen, dat hij in staat zou zijn, zijn
kameraden een groot feest te geven."
En nu vertelt Guy aan den ontstelden Oliver, wat hij den vorigen nacht
zag en hoorde bij het drinkgelag van "de Zes Drinkebroers van Brussel"
in _Het Geschilderde Huis_.
"Ja, dat is bewijs genoeg, en meer dan genoeg, dat hij mijn geheim
bezit,--hij, die van alle menschen er het eerst gebruik van zal maken,
want deze Vasco de Guerra is mijn vijand. Hij is een ellendige schurk,
die zich zóó berucht heeft gemaakt, dat hij uit het Spaansche leger
is weggejaagd,--bedenk eens wat dat zegt, in een leger, waar het den
soldaten vrijstaat, te rooven, te plunderen, te moorden, te pijnigen
en te verwoesten, zonder een woord van berisping te ontvangen van hun
officieren. Hoe moet wel een man zijn, die uit zulk een leger wordt
weggejaagd? Hij is een dronken fortuinzoeker; hij dingt naar de hand
van Mina Bodé Volckers, die mij liefheeft; hij heeft haar kamenier,
Wiarda Schwartz, omgekocht."
"Ah, zoo!" merkt Guy op. "Daarom behandelde zij mij zoo beleefd,
toen ik naar u vroeg."
"Wiarda? Ja, een valsch, ijdel ding. Maar wij moeten overleggen,
wij moeten handelen--en dat wel spoedig," antwoordt de schilder, die
zijn kalmte herkregen heeft, nu hij weet, wie zijn verrader is. "Vasco
vermoedt zeker, welke waarde deze brieven hebben, want hij loert reeds
eenige weken op mij. Hij zal trachten ze zelf te ontcijferen, want hij
zal er niemand in kennen, om de belooning niet te verliezen. Hij kan
vandaag onmogelijk reeds handelen. Hij heeft ze ongetwijfeld bij zich."
"In dat geval moeten wij hem terstond uit den weg ruimen," zegt
Guy. "Er blijft ons niets anders over. Wij moeten hem dooden in
ons eigen belang. In elk geval moeten wij ons van de brieven zien
meester te maken. Stuur om hem, haal hem hier en ik knap dit zaakje
met mijn dolk op. Dan kunnen wij hem naar beneden sleepen en in den
stroom werpen. Hij drijft dan weg naar den oceaan, en er zal geen
haan naar kraaien."
"Neen," zegt de schilder, "dat zou ons in verdenking brengen. Misschien
kan ik iets beters verzinnen," en hij spant zijn vindingrijk brein in,
zooals nog nooit tevoren. Na eenige seconden roept hij verheugd uit:
"Het is zeker, dat Floris bij het drinkgelag wint. Floris zal elk van
'de Zes Drinkebroers van Brussel' onder de tafel drinken, bewusteloos,
levenloos. In de verwarring kunnen wij den benevelden Vasco naar een
andere kamer dragen, oogenschijnlijk om hem bij te brengen, en hem
de brieven afnemen, die hij mij heeft ontstolen."
"Maar als Vasco eens wint?"
"Onmogelijk! Ik heb Floris op één avond meer wijn zien drinken dan
eenig ander menschelijk beest op aarde kan verzwelgen."
"Maar wij moeten toch voorbereid zijn op het geval, dat hij het niet
doet," zegt de Engelschman; vervolgens voegt hij er langzaam bij:
"Misschien kan ik u helpen, ik heb hier...." hij haalt uit zijn
wambuis een klein glazen fleschje van Venetiaansch fabrikaat, dat
beschermd wordt door een omhulsel van fijn gouddraad, en welks stop
zorgvuldig verzegeld is; de inhoud is kleurloos en doorschijnend.
"Wat is het? Vergift?" vraagt de schilder. "Het vergift van de
Borgia's?"
"Neen, het vergift van de Antillen. Dit is het sap van den
manzanillaboom, toebereid door de Indianen van de Caraïben, volgens
een geheim proces. Gij kent de vreemde eigenschappen van den boom; wie
maar een enkelen nacht onder zijn takken slaapt, bekoopt het met den
dood. Het vergift is zeer vluchtig, daarom houd ik het verzegeld. Ik
draag het bij mij, voor het geval dat ik mocht worden gevangengenomen
en op de pijnbank gebracht, het zal mij zoo vast doen slapen, dat mijn
lippen geen geheimen van mijn koningin zullen kunnen verraden. Als
het mocht gebeuren, dat de schilder Vasco de Guerra niet onder de
tafel drinkt, dan zullen een paar druppels van dit vocht in zijn
beker hem voor altijd doen inslapen."
"Dus als Frans Floris niet slaagt,--het vergift van de Antillen,"
prevelt de schilder. "Het geldt zijn leven of het onze." Na een
oogenblik nadenken vervolgt hij: "Neen, ik moet Vasco de Guerra,
mijn vijand, in ieder geval dooden. Als hij enkel bewusteloos werd
gemaakt, zelfs al kreeg ik de brieven van Lodewijk van Nassau terug,
zou hij mij toch blijven verdenken. Op een goeden dag zou hij een
ander bewijs tegen mij in handen krijgen. Als ik hem nu niet dood,
zou ik terstond moeten vluchten, en Willem de Zwijger zou geen spion
meer in Alva's nabijheid hebben. Voor het welzijn van mijn land blijf
ik hier. Vasco de Guerra moet sterven. Het gevaar wordt te dreigend."
"Dat is flink gesproken," antwoordt Guy kortaf. "Doe een weinig van
dit in den wijn van den Spaanschen spion."
Hij drukt den schilder het fleschje met het vergift in de hand,
doch kijkt hem eensklaps vreemd aan en zegt angstig: "Maar, bij alle
heiligen, hoe zult gij het aanleggen, om hiervan iets in zijn beker
te doen, en niet in de bekers van de anderen?"
HOOFDSTUK VI.
HET DRINKGELAG IN HET GESCHILDERDE HUIS.
Deze vraag schijnt den schilder te doen ontstellen. Hij herhaalt
weifelend: "Hoe?" en zegt dan: "Laat mij even nadenken. Ik ken de
gebruiken van dit land," en hij overlegt in zichzelven met gefronste
wenkbrauwen.
Na een oogenblik peinzens roept hij uit: "Ik heb het probleem
opgelost."
"Hoe?" vraagt de Engelschman levendig.
"Hoe? Wel, het is het gebruik bij deze drinkgelagen, dat, als het
feest zijn toppunt heeft bereikt, verschillende vrienden der deelnemers
hun, ter eere van Bacchus, groote drinkbekers vol fijnen wijn met hun
complimenten zenden. Vasco de Guerra is een aanbidder van mademoiselle
Bodé Volckers, de schoone Mina, die ik bemin. Dat zal zijn ondergang
zijn. Na het tiende rondje,--het zou niet voorzichtig zijn, het
eerder te doen, misschien was het in dit geval beter, te wachten tot
na het vijftiende,--zal ik hem een beker wijn zenden met _dit_ er in,
het vergift van de Antillen," hier klopt hij op het fleschje, dat de
Engelschman hem gegeven heeft, "met de complimenten van Wilhelmina Bodé
Volckers. De Guerra zal een beker, vergezeld van zulk een boodschap,
niet weigeren, en daarna--daarna--zouden gij en ik," hij fluistert
het laatste, "mijn beste Guido,--in ieder rustig, gelukkig, vredig
land moordenaars worden genoemd; maar bij het spel, dat wij spelen,
gaat het eenvoudig op leven of dood. En nu tot de zaak."
Het tweetal werkt zijn plan verder uit met de koele berekening van
menschen, die, als zij eenmaal tot een besluit zijn gekomen, hun
voornemen ook onmiddellijk ten uitvoer leggen.
"Het drinkgelag begint om twaalf uur. Het is nu tien uur. Ik denk
niet, dat De Guerra reeds is opgestaan," zegt Guy, "maar ik zal op
hem letten en er voor zorgen, dat hij de herberg niet verlaat, om ons
geheim aan iemand anders mee te deelen. Als hij van plan schijnt dit
te doen, zal ik hem op de een of andere wijze zien op te houden; in
dien tijd kunt gij naar de Citadel gaan, om Dona Hermoine te spreken
en een ontmoeting mogelijk te maken, die niet alleen noodig is voor
mijn veiligheid, maar ook voor mijn liefde."
Chester steekt nu de brieven van Vitelli en den sleutel, dien de
schilder hem heeft verschaft, bij zich en bergt met nog meer zorg
het miniatuur-portret en den brief van zijn beminde op zijn borst,
terwijl Antony Oliver zich wapent met zwaard en pistolen en er zich
van vergewist, dat het scherpe Italiaansche stilet, dat hem nooit
verlaat, in het bereik van zijn hand is.
Als zij hiermee gereed zijn, gaan zij samen uit, en Oliver zegt
den barbier, dat zijn zoontjes, als zij thuis komen, hun maaltijd
alleen kunnen gebruiken, maar dat Achille hen in den namiddag in
_Het Geschilderde Huis_ moet opzoeken. Vervolgens begeven zij zich
door nauwe stegen, waar de zon eerst op dit uur doordringt, naar het
ruimere, het schoonere gedeelte van de stad.
Hier neemt de schilder afscheid van den Engelschman, fluisterend:
"Verlies Vasco niet uit het oog."
"En gij bezorgt mijn boodschap?" antwoordt de Engelschman.
"Zeker. Ik heb een goed voorwendsel voor mijn onderhoud met Dona
Hermoine. Haar vader verlaat Brussel hedennamiddag. Alva kan niet
hier zijn vóór vanavond laat en wilde, dat ik dit zijn dochter zou
doen weten," antwoordt Oliver, den weg naar de Esplanade inslaande,
waarachter de Citadel ligt.
Chester begeeft zich opnieuw naar _Het Geschilderde Huis_, dat nu
het tooneel is van veel leven en beweging.
De gelagkamer is zóó vol, dat hij nauwelijks een plaatsje kan
veroveren, om zijn ontbijt te bestellen, daar zijn honger op dit
oogenblik de overhand heeft over zijn liefde.
Het gelukt hem op handige wijze, van den knecht, die hem bedient, te
weten te komen, dat de man, dien hij zoekt, eerst om drie uur in den
morgen naar bed gegaan en nog niet opgestaan is, zeker in de meening,
dat afzondering en rust hem het best kunnen sterken voor den ernstigen
strijd, die hem wacht.
Het gesprek aan de tafeltjes rondom hem loopt natuurlijk over het
aanstaande drinkgelag. De kamer is vol burgers en artisten, eenigen
zijn gekomen om te genieten van den triomf van den schilder, anderen
om zich te bedroeven over den man, die zijn talent te gronde laat
gaan in den wijn. Er zijn ook een aantal van zijn schuldeischers,
met angst in hun hart en op hun lippen, want Frans Floris' leven
vertegenwoordigt voor hen een groote som, daar zijn schilderstukken
altijd vlug van de hand gaan; Frans Floris' dood daarentegen zou hun
groote schade berokkenen, en zij vreezen, dat hij zich te eeniger tijd
zal dooden door de enorme hoeveelheid wijn, die hij naar binnen slaat,
om zijn mededingers onder de tafel te werken.
"Ach, mijnheer Dirk Coornhert, wat een treurige dag," merkt een dikke
burger op, wiens kleeren nog een moutlucht verspreiden, wat hem als
een brouwer doet kennen.
"Ja," antwoordt een ander, blijkbaar iemand van artistieken smaak
en opvoeding. "Hebt ge het gedicht gelezen, dat ik heb uitgegeven,
om Floris te waarschuwen voor het gevaar, dat zijn ongeregelde
levenswijze na zich sleept, niet alleen voor zijn talent, maar ook
voor zijn leven? Ik heb het hem gisteravond voorgelezen. Het was
een ingeving, ingekleed als een droom, waarin de geest van Albrecht
Dürer mij verscheen en op een zwaarmoedigen, somberen toon sprak
over de droefheid, die zich zelfs nu nog, nadat hij reeds honderd
jaar in de andere wereld was geweest, van hem had meester gemaakt,
omdat een artist, zoo begaafd als Floris, een dronkaard was geworden."
"En heeft het hem bekeerd?" spot de ander.
"Hem bekeeren!" roept Dirk Coornhert uit. "Neen, hij zwoer, vandaag
te zullen drinken op de gezondheid van Albrecht Dürer's geest en
hij lachte mij in mijn gezicht uit: 'Als ik dronken ben, dan ben ik
gelukkig, dan vergeet ik mijn schuldeischers. Als ik nuchter ben,
zorgen mijn schuldeischers er wel voor, dat ik hen niet vergeet.'"
"Vervloekt! En ik ben er ook een," bromt de brouwer. "Twee duizend
Carolus-guldens voor bier, in zijn huis verteerd. Een schilder, die
het grootste paleis in Antwerpen bouwt! Boven den ingang heeft die
verwaande lap zichzelf geschilderd; hij houdt het penseel in zijn hand,
en de muzen dalen uit den hemel neer, om hem te kronen. En iederen
dag rijdt hij in staatsie uit met vier witte paarden, terwijl iedereen
den hoed voor hem afneemt, zijn schuldeischers het diepst. Als ik niet
vreesde, dat het volk mij zou vermoorden, zou ik hem laten gijzelen. En
dan zijn vrouw! Lieve hemel! Airs, alsof zij een gravin was."
"Ja, zij heeft hem geruïneerd," mompelt de drukker. "Het is juist
iets voor vrouwelijke eerzucht, om te willen wedijveren met den adel,
wat immers onmogelijk is voor een schilder, ofschoon sommige burgers
zich verbeelden, het wel te kunnen. Daar hebt gij bijvoorbeeld dien
onnoozelen Bodé Volckers! Hebt gij van zijn dochter gehoord? Men zegt,
dat de schoone Wilhelmina er naar streeft, met den adel te verkeeren,
en dansles heeft genomen van een Franschen dansmeester, en dat zij
speelt op een klavier en een spinet en zingt met trillers en hooge
gillende tonen als zoo'n Italiaansche gemaskerde. Ja, de tijden
veranderen hier in Antwerpen. Wat zou haar goede moeder daar wel van
zeggen? Ook de oude Niklaas is er alles behalve over gesticht en hij
zweert, dat zijn dochter achter de toonbank zal staan en zijn zijde
en satijn zal verkoopen, zooals haar moeder deed, ofschoon men hem
op meer dan een millioen kronen taxeert."
"Alle duivels!" valt de brouwer uit, "wat beteekent een millioen of
zelfs twee millioen kronen in dezen tijd--het is enkel maar zooveel
meer voor dien vervloekten tienden penning!"
"Ja, God sta ons bij," stemt de drukker toe. "De tiende penning zal
alles verslinden, wat wij nog bezitten."
En de brouwer schudt treurig het hoofd over zijn kroes zwaar Vlaamsch
bier en de drukker slurpt zijn Rijnwijn zwijgend, want Alva heeft juist
zijn beruchten tienden penning geheven, een belasting, die bepaalt,
dat men bij elken omzet van koopwaren in de Nederlanden een tiende
van het bedrag zal afstaan aan de koninklijke schatkist, telkenmale
dat een handelsartikel wordt gekocht of verkocht. Dit beteekent
natuurlijk bij een levendigen handel binnen korten tijd algeheele
inbeslagneming en volslagen ruïne voor den grooten handelsstand in
Brabant, Vlaanderen en Holland.
Deze tiende penning is niet juist geschikt, om bij het volk genegenheid
te wekken voor de blufferige Italiaansche en Spaansche officieren
van het garnizoen, die met kletterende sporen en rinkelende zwaarden
rondslenteren, er bitter weinig om gevende of zij de burgers op
de teenen trappen, en hun trotsch opgestreken knevels bij iedere
gelegenheid in bekers Spaanschen wijn steken, terwijl de waard en zijn
helpers hen met de grootste onderscheiding en nederigheid bedienen;
want geheel Antwerpen wringt zich en kreunt, maar laat zich toch nog
vertrappen onder den ijzeren voet van de Spanjaarden,--edelman zoowel
als boer, koopman zoowel als visscher.
Onder deze militaire bluffers treedt niemand overmoediger op dan de
vaandrig De Busaco. Als hij Guy ziet, komt het krijgshaftige fatje
op hem af, en den Engelschman kameraadschappelijk op den schouder
kloppend, roept hij uit: "Op wien wedt gij, capitan Guido? Ik wed op
de Drinkebroers van Brussel."
"Dat is niet heel ridderlijk," zegt Guy, "zes drinkebroers tegen
één. Maar ga zitten en denk aan uw belofte van gisteravond, om een
beker met mij te drinken."
"Gracios, senor capitan," antwoordt de jonge officier, en weldra
zitten hij en Guy te babbelen bij het druivensap.
"Gij zijt zeker uit Middelburg gekomen," merkt de Spanjaard op, "voor
de achterstallige soldij. Wij hebben in maanden geen stuiver gezien
en ik veronderstel, dat het u niet beter gaat. Maar de tiende penning,
mijn jongen, zal de kas van den betaalmeester voor ons openen. En als
hij het niet doet,"--hij kijkt woest in het rond,--"zijn wij van plan,
ons zelf recht te verschaffen. Dit is een rijke stad, nietwaar? Hier
is buit te vinden, schatten van de Indiën en Peru slechts voor het
grijpen! Op een goeden dag zullen wij de burgers wel klein krijgen
en hun goederen en huizen en vrouwen en dochters een paar dagen voor
hen in bewaring nemen! Buit en schoonheid!"
"God zij hun genadig," denkt Guy, terwijl hij zijn oogen in het rond
laat gaan en als het ware een visioen krijgt van die afgrijselijke
"Spaansche furie", die een paar jaar later in Antwerpen zal
uitbreken. Hij geeft echter een andere wending aan het gesprek,
zeggende: "Natuurlijk hebben ook wij geen soldij ontvangen, maar ik
heb nog een paar goudstukken in mijn zak!" en hij roept: "Jongen,
nog een kan wijn!"
Het gesprek loopt nu verder over het drinkgelag, en de Spanjaard
vertelt den Engelschman, dat, hoewel Floris bekendstaat voor den
grootsten drinkebroer van de wereld, men toch algemeen gelooft,
dat "de Zes Drinkebroers van Brussel" een list hebben bedacht om
hem te verslaan, tenminste, zoo wordt er gefluisterd, en dat, als
capitan Guido geld heeft om te wedden, hij het niet op den schilder
moet zetten.
"Zij zullen winnen, mijn jongen," lacht de vaandrig. "Ik heb zelf
gezien, dat de kleine Tomasito achttien kannen wijn dronk en geen spier
vertrok. Stel u nu eens voor, wat hij zal doen, als zijn dorst wordt
geprikkeld door het prachtig feestmaal, dat hier wordt gegeven," hij
wijst in de richting van de groote bruiloftszaal achter de gelagkamer,
"en in het vooruitzicht van een winst van vijfhonderd gulden,
behalve het geld dat de weddenschappen hem opbrengen. Buitendien is
De Guerra de laatste dagen recht in zijn nopjes en hij lacht nooit,
dan wanneer hij de guldens maar voor het grijpen heeft. Maar ik
denk, dat ik een weddenschap zal kunnen winnen van Valdez van ons
regiment. Hij heeft Floris zien drinken en zweert, dat geen man op
aarde hem evenaart. Excuseer mij daarom een oogenblik," en vaandrig De
Busaco staat op en begeeft zich naar een troepje Spaansche officieren
aan het andere einde van de kamer, zeer tot genoegen van Guy, want hij
heeft den schilder Antony Oliver in het oog gekregen, die hem zoekt.
Zoodra de Spanjaard ver genoeg weg is, wenkt Guy den Vlaamschen artist,
die bij hem komt en fluistert: "Ik heb uw boodschap gedaan."
"Zij komt natuurlijk?"
"Ja, maar het heeft mij veel moeite gekost. Zij was eerst zoo
ongenaakbaar als een rots, en vroeg mij, hoe ik zulk een vermetele
boodschap durfde overbrengen."
"En toen?" vraagt Guy ongeduldig.
"Toen gaf ik haar den ring en zeide haar, dat het voor uw veiligheid
noodig was, dat zij tot u kwam, daar gij u in gevaar hadt gebracht
om harentwille, want dat gij u nu zonder verlof hier bevondt."
"En vervolgens?"
"Toen zeide zij op onverschilligen toon: 'Ik zal vandaag om drie uur
bij den burger Bodé Volckers komen. Mijn duena, de gravin De Pariza,
heeft reeds haar wensch te kennen gegeven, om de dochter van den
koopman nog eens te zien dansen.'"
"Niets anders?" vraagt Guy teleurgesteld.
"O ja, zij merkte ook nog terloops op, dat haar duena waarschijnlijk
eenigen tijd zou besteden, zooals zij gewoonlijk deed, met de kanten en
de zijden en fluweelen stoffen in het magazijn van den burgemeester te
bekijken en zich te vermaken met de talenten van de bevallige senorita
Wilhelmina. 'Gij zult er toch zeker ook zijn, senor Oliver?' lachte
zij, 'en de heer misschien ook, wiens afgezant gij zijt. Hebt gij
mijns vaders dienst verlaten voor dien van capitan Guido?'" Hierop,
zegt Oliver met een glimlach, had ik de stoutmoedigheid te antwoorden:
"Misschien blijf ik dan toch in de familie," en verliet ik haar,
zoo rood als de robijn, dien zij in de hand hield.
Ook Chester bloost bij deze woorden van vreugde, en hij vindt de kamer,
die hem bij de eerste woorden van den schilder duister en somber had
toegeschenen, nu zeer zonnig en vroolijk.
En het wordt nog lichter om hem heen als Oliver vervolgt: "Ik zag
Hermoine de Alva nog nooit blozen bij het hooren uitspreken van den
naam van een man. En ik betwijfel het zeer, stoutmoedige jonge man,
of er iemand op de wereld is, wien zij een samenkomst zou toestaan,
behalve haar eigen vader. Maar ik zou u raden, met drinken uit te
scheiden," valt hij zichzelf in de rede, "of men zal u nog houden voor
een van 'de Zes Drinkebroers van Brussel', en wij hebben gewichtiger
dingen te doen dan aan een drinkgelag deel te nemen. Kom, daar gaan
zij naar binnen, ik zie mijn vijand, die mijn lot in zijn handen
heeft." En hij kijkt met een angstigen blik naar het eind van de
kamer, waar Vasco staat, omringd door zijn vijf kornuiten, die allen
het wapen van Brussel op hun wambuis dragen.
Als de Guerra's oogen die van Oliver ontmoeten, flikkert er een
glimlach van wreeden triomf in, en met een vlugge, misschien onbewuste
beweging, steekt hij de hand in zijn boezem, als om er zich van te
verzekeren, dat hij zeker kostbaar voorwerp nog bij zich heeft.
"Ziet gij die beweging?" fluistert Guy tot Antony. "Die brieven
zullen uw verderf worden als gij ze niet nog heden in uw bezit weet
te krijgen!"
"Dat zal ik," zegt de schilder op vasten toon, ofschoon zijn hand
licht beeft, als hij van zijn kant er zich van overtuigt, dat het
vergift der Antillen nog in zijn bezit is.
En nu mengt het tweetal zich onder de menigte, die in de groote,
geschilderde zaal stroomt, waarin de voorname bruiloften van Antwerpen
worden gevierd. Deze is nu gereserveerd voor het feestmaal, dat gegeven
wordt, om het drinkvermogen van het Antwerpensch talent te vergelijken
met dat van het Brusselsch clubje tot bevordering van matigheid, dat
zijn doel bereikt, door zelf al den wijn van de wereld op te drinken.
Een oogenblik later klinkt luide de kreet: "Hij is gekomen!" en
de menigte stroomt uit de eetzaal naar de voordeur, om De Vriendt,
den schilder, te zien, gezeten op zijn wit paard en gevolgd door zes
zijner leerlingen.
Zoo komen Guy en Oliver gemakkelijk in de feestzaal, een hoog vertrek
met fraaie, gesneden balustrades en balkon, de muren gedecoreerd
met schilderstukken en fresco's, waarvan sommige door den aan het
drinkgelag deelnemenden kunstenaar zelf geschilderd zijn.
In het midden staat een groote eikenhouten tafel, met stoelen voor
zeven personen; de tafel is overladen met allerlei eetwaren, om
den dorst op te wekken,--zoute visch, kaviaar, vleesch, in olie
gedoopt,--alles zoo keurig mogelijk versierd en opgezet; met een
menigte bloemen en een krans van rozen voor den overwinnaar. Het geheel
is een afschuwelijk mengelmoes van kunst, middeneeuwsche pracht en
barbaarsche losbandigheid.
Zes stoelen om de tafel worden ingenomen door "de Drinkebroers van
Brussel". Vasco de Guerra zit aan het benedeneind als de aanvoerder
dezer drinkersbende. Ieder heeft vóór zich staan een kolossalen
zilveren Frankforter beker, die een hoeveelheid wijn inhoudt,
zóó groot, dat een matigheidsgenootschap er stuiptrekkingen van
gerechtvaardigde verontwaardiging van zou krijgen.
De stoel aan het hoofd van de tafel is opengelaten voor den man,
die alleen strijdt tegen de zes anderen; de glorie van Antwerpen;
het groote genie, dat bezig is zijn talent te vermoorden; den grooten
slemper, die voor de eer van zijn stad en voor een weddenschap van
vijfhonderd gulden, op het punt staat, de zes andere nathalzen onder
de tafel te drinken; terwijl rondom dien feestdisch, gewijd aan de
gulzigheid en aan Bacchus, een bonte mengeling staat van mannelijke
ingezetenen der stad, van den Spaanschen generaal Vargas tot den
vaandrig De Busaco; van den welgedanen vorstelijken koopman tot den
gespierden en vleezigen vertegenwoordiger van het slagersgilde;--ja
zelfs ziet men er den kleinen Achille Touraine, die tusschen de
beenen van de omstanders doorkruipt, om bij zijn meester te komen,
terwijl hij zich menigen stoot en duw moet laten welgevallen van de
fatterige officieren, wier uniformen hij in wanorde brengt.
"Daar ben ik, zooals gij hebt bevolen, monsieur Oliver," roept
hij. "Dat wil zeggen, een gedeelte van mij--een van de officieren heeft
mij met zijn sporen een aderlating bezorgd, zooals vader zijn patiënten
doet ondergaan, en mijn gezicht is met krabben bedekt, als dat van de
klanten, die door hem geschoren worden. Maar ik--ik kon niet eerder
komen, Marvédie en ik waren niet eerder klaar met onze duivenpastei."
Hier wordt de stem van den jongen overstemd door het gejuich,
dat de komst van den schilder begroet. Als De Vriendt binnenstapt,
zijn bleek Vlaamsch gelaat en zachte blauwe oogen verhelderd door een
vriendelijken glimlach, roept hij, zijn hoed ter begroeting zwaaiend:
"Welkom, broeders slampampers van Brussel!" en neemt plaats aan het
hoofd van de tafel.
Dit wordt beantwoord door den kleinen, vriendelijken Tomasito, die
zegt: "Gegroet, broeder-zwijn van Antwerpen." Een middeleeuwsche
geestigheid, die de menigte doet brullen van het lachen, ofschoon
Floris het pijnlijke van de vernedering gevoelt en rood wordt--doch
slechts voor een oogenblik.
Op het volgende heeft hij alles vergeten, behalve het genot, dat
de wijnbeker hem verschaft, want een knecht plaatst vóór hem een
enormen Frankforter beker met den zwaarsten Markobrunner, en zijn
liefde voor het druivensap maakt er hem onverschillig voor, of hij
de achting van zijn vrienden en stadgenooten verspeelt. Opstaande
van zijn stoel, roept hij uit: "Laat ons beginnen, Drinkebroers van
Brussel! De bepalingen van de weddenschap zijn vastgesteld. Ik drink
u allen onder de tafel en laat u daar liggen."
"Dat zijn de bepalingen, senor Floris," antwoordt De Guerra met
een onderdrukten lach en de zes pimpelaars staan op, ieder op zijn
plaats en ieder met een beker in de hand, gevuld tot aan den rand
met denzelfden zwaren wijn, als die in den beker van De Vriendt.
"Nu, daar gaat hij dan!" schreeuwt Floris, en ieder slaat zijn portie
naar binnen, smakkend van genot, waarop de menigte bravo roept.
Maar nauwelijks zijn de kampioenen weer gezeten en hebben zij geproefd
van de kaviaar, de haring of de ansjovis, als de knechts de bekers
ook reeds weer gevuld hebben en Floris uitroept: "Nogmaals!"
Wederom staan zij op en naar binnen vloeit de Rijnwijn; daarna werpen
zij zich weer op de spijzen,--want met dronkenschap gaat gulzigheid
gepaard.
Zoo gaat de slemppartij voort, gadegeslagen door de menigte, op
wier gezichten zeer verschillende gewaarwordingen zijn te lezen. De
opgewondenheid stijgt; maar niemand is opmerkzamer dan Guy Chester en
Antony Oliver, want niemand, zelfs niet de grootste dobbelaar van de
stad, heeft zooveel gezet op dezen reuzenstrijd aan het altaar van
Bacchus, als dit tweetal.
Intusschen groeit de menigte aan, en honden sluipen snuffelend
naar binnen,--zij hebben het feest geroken en loeren op beentjes
en kruimels,--en men onderscheidt zelfs kleederen van vrouwen op de
groote galerij, die bij bruiloften wordt ingenomen door de muzikanten;
en vrienden zenden bekers wijn met hun complimenten en goede wenschen
aan de verschillende deelnemers.
Dezen drinken echter telkens allen tegelijk en op hetzelfde
oogenblik--ofschoon nu en dan het merk van den wijn wordt veranderd om
den lust tot drinken op te wekken. Rothenberger heeft den Markobrunner
gevolgd en maakt op zijn beurt plaats voor Hochheimer.
Het is het tiende rondje. De inhoud uit zeven enorme zilveren bokalen,
de zwaarste Rijnwijn, stroomt juist over de lippen en door de kelen
van de dronkaards.
"Bij de vijftiende bokaal," fluistert Oliver.
"Waarom nu niet?" zegt Guy vlak aan zijn oor.
"Neen, het zou niet voorzichtig zijn vóór de vijftiende," antwoordt
de schilder. "Niemand zou gelooven, dat tien bekers het hem zouden
kunnen doen."
Een paar minuten, en het twaalfde rondje is voorbij, en nu wankelt
een der drinkebroers, de kleine uitgedroogde Italiaan Guiseppe Pisa,
als hij tracht op te staan en zakt heel zachtjes onder de tafel.
"Doe het nu," fluistert Guy.
"Ik durf niet--nog niet," antwoordt Oliver.
Het dertiende rondje is gedronken onder gelach en gespot, en als De
Guerra zijn beker aan de lippen zet, wordt Oliver's gelaat krijtwit
en dat van Guy eveneens, want tot hun schrik zien zij, dat de man,
dien zij van plan waren te vergiftigen bij het vijftiende rondje,
nu reeds wankelt en bewusteloos onder de tafel valt.
"Te laat! Mijn God, hij is mij ontsnapt," stamelt Antony.
"Wij kunnen hem de brieven toch nog ontnemen, als het drinkgelag uit
is," fluistert Guy, die zich het eerst herstelt.
"Ja, maar dat is slechts uitstel van mijn ondergang. Vasco's
achterdocht is gaande gemaakt,--de pijnbank wacht mij. Ik zal moeten
vluchten. Ik zal aan de taak, die ik mij had opgelegd, niet langer
kunnen arbeiden." Dit laatste komt nauwelijks hoorbaar van zijn
witte lippen.
Maar daar stijgen alweder juichkreten op uit de omringende menigte;
bij het veertiende rondje vallen twee van de overblijvende Drinkebroers
van Brussel neer. Nu blijven er nog slechts twee over, om het met
den schilder uit te vechten, maar deze twee zijn taai. De Vriendt
glimlacht triomfantelijk; zijn Vlaamsch gelaat, ofschoon rood en
opgezet, heeft nu een spottende uitdrukking, hij staat echter niet
zoo heel vast meer op zijn beenen.
Weer vier rondjes, de vijfde der Drinkebroers zoekt zijn kameraden
onder de tafel op. Nu komt alleen de kleine Tomasito nog op voor de
dukaten, die zijn vrienden op het zestal gewed hebben en voor de eer
van de hoofdstad. Guy,--die het hoofd heeft afgewend en enkel op de
gelegenheid wacht, om bij het einde van het drinkgelag De Guerra van
zijn papieren te berooven, daar hij er weinig om geeft wie het zal
winnen,--voelt zich plotseling aan de mouw trekken en ziet, omkijkend,
het ontdane gezicht van Antony met uitpuilende oogen.
"Hij komt weer bij!" fluistert deze.
"Wie?"
"Vasco! Kijk! Hij staat alweer op zijn beenen. Hij wil de weddenschap
winnen. Het is een streek, een gemeene streek van hem, om zoodoende
eenige bekers bij Floris ten achteren te komen."
Dat is ook het gevoelen van Floris' vrienden; en als De Guerra nog
wankelend uitroept: "Een nieuwen beker wijn voor de Drinkebroers van
Brussel," komen zij tusschenbeiden en protesteeren op heftigen toon.
Maar De Vriendt zegt: "Laat hem maar begaan, ik geef hem vijf bekers
voor en speel het toch wel met hem klaar."
Men zal tot een nieuw rondje overgaan, maar nog vóór het gedronken
wordt, ploft de kleine Tomasito neer, alsof hij door een kanonskogel
was getroffen; De Guerra en Floris blijven nu alleen als kampioenen
over en kijken elkander uitdagend aan, de een met den kalmen glimlach
van den Vlaming, de ander schuimbekkend van woede als een echte
Spanjaard, die, als hij opgewonden raakt, woest hartstochtelijk
wordt,--woest hartstochtelijk in den oorlog en bij het spel.
Ieder giet zijn beker naar binnen en Floris begint te wankelen.
"Nu is het uw laatste kans," fluistert Guy.
Een bediende roepend, zegt Antony: "Een beker van uw zwaarsten
Rijnwijn, maar spoedig."
Terwijl De Vriendt en de Spanjaard zich weer versterken voor het
volgende rondje, de een door wat kaviaar te verslinden en de ander
door met gezouten vischlever zijn maag te prikkelen, is het oogenblik
om te handelen voor Oliver eindelijk gekomen.
Als de knecht den wijn uit de flesch in den beker heeft gegoten,
gaat hij heen en een oogenblik later ontzegelt de gehaaste schilder,
die bijzonder handig geworden is door het dagelijksch omgaan met
zijn fijne penseelen, vlug het kleine fleschje en giet onopgemerkt
een gedeelte van het sterke vergift in den beker.
"Geef hem vooral genoeg," fluistert Guy, die voor zijn vriend is
gaan staan, om hem tot scherm te dienen, ofschoon het gedrang zoo
groot is en de opgewondenheid zulk een hoogte heeft bereikt,--daar er
weddenschappen twee tegen één op den Spanjaard worden gedaan,--dat het
niet eens zou zijn opgemerkt, al hadden zij die voorzorgsmaatregelen
niet genomen.
Bij deze aansporing giet Oliver een dubbele dosis in den beker. Daarop
reikt hij hem aan Achille over, die zijn tijd nuttig heeft besteed met
het eten van sinaasappelen, welke door de onvaste en bevende handen
der zwelgers van de tafel zijn geworpen, en fluistert: "Breng dit
aan den Spanjaard Vasco de Guerra."
"Ja."
"Vergis je niet! De man met den zwarten knevel met die eene grijze
vlok er in!"
"Ja wel, de donkere. Ik ben geen kind!"
"Geef het hem met de complimenten en de goede wenschen van mademoiselle
Wilhelmina Bodé Volckers. Rep je!"
Als de twee kampvechters weer uitdagend tegenover elkander staan voor
een nieuw rondje, de Spanjaard steviger op zijn voeten dan de andere,
want zijn tactiek heeft hem een groot voordeel verschaft, gaat Achille
naar hem toe, overhandigt hem den beker, door de hand van zijn vijand
voor hem toebereid, en fluistert een woord in zijn oor, dat een blos
van verrukking over zijn rood dronkemansgezicht verspreidt.
Den beker, dien hij in de hand houdt, op zijde zettend, roept Vasco
de Guerra uit: "Dit is oude roode Rijnwijn; ik drink dien, mijn
knikkebeenende Floris, op het mooiste jonge meisje van Antwerpen!"
En den beker aan zijn mond brengend, slaat hij den inhoud in een
lange teug naar binnen. En als hij vervolgens naar zijn mededinger
kijkt, komt er een triomfantelijke uitdrukking in zijn oogen, want
de schilder kan, als hij zijn beker heeft geledigd, nauwelijks meer
op zijn beenen staan.
"Vervl ...," fluistert Oliver. "Het vergift werkt niet."
"Wacht maar," antwoordt Guy.
Zij zijn te angstig om verder een woord te spreken, en in ademlooze
spanning staren zij naar de twee drinkebroers, die in hun stoel zijn
neergezonken en de voor hen staande eetwaren opnieuw aanspreken.
Al etende glimlacht de Spanjaard over den schilder, die zijn handen
nauwelijks meer tot zijn beschikking heeft.
Maar hun bekers worden weer gevuld en het tweetal staat opnieuw op,
Floris moet zich met de hand aan de tafel vastgrijpen, daar zijn
voeten alleen hem niet in evenwicht kunnen houden.
"Drink!" zegt De Guerra, en de schilder werkt met moeite zijn portie
naar binnen, terwijl de ander flink rechtop staat en hem bespot.
"Let nu op, hoe ik het doe!" en Vasco neemt vlug, bedaard en
zegevierend zijn beker op, onder het gejuich van diegenen der
omstanders, die op hem gewed hebben.
Doch op hetzelfde oogenblik, dat hij den beker aan zijn lippen wil
brengen, komt er op zijn gelaat een uitdrukking van verbijstering,
zijn hand zakt slap langs zijn lichaam neer, en de beker valt rinkelend
op den grond; dan grijpt hij met beide handen naar zijn keel, alsof
hij geen adem kan krijgen en ploft als een blok hout neer op de
lichamen zijner kameraden, die daar in dronkemansverdooving liggen,
terwijl een triomfkreet wordt aangeheven door hen, die het op Floris
hebben gehouden.
Een oogenblik later gaat De Vriendt, waggelend, strompelend,
zwaaiend, ondersteund door zijn vrienden, naar buiten in de frissche
lucht, die hem nieuwe krachten geeft. Bijgestaan door zijn zes
leerlingen, die hem naar huis en te bed willen brengen, roept hij
uit: "Hallo! nog een beker wijn, zwaren Rijnwijn, waard van _Het
Geschilderde Huis_!" en zijn voet in den stijgbeugel zettend, slaat
hij nogmaals een groote hoeveelheid wijn naar binnen als plengoffer
voor de verslagenen. Vervolgens rijdt hij, heen en weer slingerend,
naar zijn paleis in de naar hem genoemde straat, omringd door zijn
overgelukkige schuldeischers, die zich troosten met de gedachte,
dat zoolang Floris in leven blijft, hij nog schilderijen kan maken,
en dan ook wel eenige zijner schulden zal afbetalen.
De menigte, die thans naar buiten stroomt, schenkt weinig aandacht
meer aan "de Zes Drinkebroers van Brussel", behalve misschien een
enkele, die den schijnbaren lijken, die hem zijn geld hebben gekost,
een paar schoppen geeft.
Zoodra hij viel, hebben Guy en Oliver echter De Guerra, die zwaar
ademt, opgenomen en hem naar de aangrenzende kamer gedragen.
Hier maakt de schilder haastig het wambuis van den Spanjaard open, en
er zijn hand instekend, voelt hij tusschen de voering een klein pakje.
Als hij er dat uit heeft losgetornd, fluistert hij, terwijl hij het
bekijkt: "Goddank! De zes brieven van Lodewijk van Nassau!"
Een oogenblik later legt Guy zijn hand op de borst van hun slachtoffer
en prevelt: "De spion is dood!" En de Vlaming haalt verruimd adem,--een
van de vele gevaren, die hem bedreigen, is tenminste door den dood
van De Guerra afgewend.
De kleur is op zijn aangezicht teruggekeerd en hij lacht: "Uw komst
ter rechter tijd en de duivenpastei hebben mij gered,--tenminste voor
een korte poos, mijn vriend, mijn Guido!"
Het tweetal begeeft zich naar buiten, en als zij op straat zijn
gekomen, neemt Oliver's gelaat opnieuw een ernstige uitdrukking aan
en hij fluistert: "Alva! Hier, vóór den bepaalden tijd! Hij zou eerst
vanavond komen. Wat heeft hem zoo onverwachts van Brussel hierheen
gebracht?"
Want een cavalcade nadert met groote praal; dertig ruiters in stalen
wapenrustingen met lange lansen, waaraan het vaantje van Vargas
wappert. Op een sterk Andalusisch paard rijdt aan het hoofd een lange,
magere man in een compleete, blinkende, met goud versierde Milaneesche
wapenrusting. Hij draagt over den ringkraag om zijn hals de keten van
het Gulden Vlies, waaraan het Lam Gods hangt, het insigne van die
orde. Dit is gedeeltelijk bedekt door zijn langen, oorspronkelijk
zwarten, doch nu zilveren baard, die in twee eigenaardig gevormde
punten op zijn borst neerhangt; ook zijn kortgeknipt hoofdhaar
is grijs, evenals zijn knevel, die de opmerkelijke lippen bedekt;
de bovenlip is dun en duidt wilskracht en vastberadenheid aan, de
onderlip is zinnelijk, maar toch ook energiek; zijn voorhoofd is
hoog, bleek, blauwgeaderd en buitengewoon intelligent, men herkent
er den militairen mathematicus aan; zijn arendsneus is klassiek,
forsch besneden, zuiver en onbeweeglijk; zijn wangen zijn vaalbleek
en aschkleurig,--het geheel vormt een gezicht, koud als de dood,
waarin twee doorborende, onverschrokken oogen gloeien, slangenoogen;
en toch gelijkt het nu en dan door de eigenaardige uitdrukking, die de
trekken aannemen, zóó sterk op dat van het meisje, hetwelk Guy's hart
den vorigen nacht zoo onstuimig van liefde deed kloppen, dat hij geen
oogenblik twijfelt, of dit is haar vader, en hij fluistert: "Alva!"
De Hertog is in gesprek met Alfonso de Ulloa en Pedro de Paciotto,
zijn grooten vestingbouwkundige, die vlak achter hem rijdt. Allen
zijn met stof bedekt, tengevolge van den haastigen rit.
Terwijl zij voorbij de herberg rijden, kijkt de Onderkoning met zijn
scherpe oogen uit de hoogte op de menigte neer, die hem met den hoed
in de hand nederig groet. Eensklaps houdt hij zijn paard in en roept:
"Oliver! Antonius Oliver!" en de schilder, naar voren tredend, buigt
voor het strijdros van den Hertog.
"Het toeval dient mij, dat ik u zoo spoedig tref. Ga onmiddellijk een
zekeren Vasco de Guerra, ex-kapitein in Ladrono's regiment musketiers,
voor mij opsporen. Zeg hem, dat hij binnen een uur bij mij moet komen,
ik wil hooren, wat hij mij te zeggen heeft. Breng hem maar liever
dadelijk zelf naar de Citadel," beveelt de landvoogd.
"Met verlof,--Uwe Hoogheid," antwoordt Oliver, "de man--de man,
naar wien gij vraagt--"
"Nu, vlug wat. Waarom hakkelt gij zoo?" zegt de Onderkoning, want de
onverwachte vraag naar den man, dien hij heeft vermoord, heeft den
schilder geheel van zijn stuk gebracht, hoe koelbloedig hij anders
ook is.
"Ik wilde zeggen, Uwe Hoogheid, dat deze Vasco de Guerra, die behoort
tot 'de Zes Drinkebroers van Brussel', nu smoordronken in de herberg
ligt, tengevolge van den wedstrijd in het drinken met De Vriendt."
"Wat, met dien in zijn hersens gekrenkten kunstenaar Floris!" zegt
Alva; dan vervolgt hij, op een toon zoo barsch, dat Oliver er
van siddert: "En die dronkaard dacht, dat ik hem zou herstellen
in zijn rang in het leger! Hij wilde mij vandaag een mededeeling
doen,--waarvan de veiligheid van het rijk misschien afhing,--wat
mij vier uur vroeger dan mijn plan was te Antwerpen bracht! Zeg den
provoost-geweldige, dat hij De Guerra terstond in arrest neemt. Ik
wil hem in de gevangenis spreken, als hij ontnuchterd is,--dien zot,
dien dronkaard, dien zuiplap. En toch ben ik benieuwd, wat hij mij
heeft te zeggen.--Voorwaarts, heeren!"
En de Hertog rijdt verder, den schilder bijna even wezen- en ademloos
latende staan, als het lijk in _Het Geschilderde Huis_; want Oliver
weet, dat de dood hem haast even nabij is geweest als zijn slachtoffer,
en hij mompelt, terwijl hij zich weer bij Guy voegt: "Brr! De beul
heeft mij nog nooit zoo dicht op de hielen gezeten, als vandaag!"
HOOFDSTUK VII.
ALVA'S DOCHTER.
"Ja, het was juist op tijd," fluistert de Engelschman, eveneens een
zucht van verlichting slakend. Daarna werpt hij een haastigen blik
op de groote Hollandsche klok in de gelagkamer, die langzaam tikt.
Als hij dit opmerkt, begint de schilder te lachen. "Het zien van den
vader doet u naar de dochter verlangen, hè? Maar ge zult nog een half
uurtje geduld moeten hebben, mijn ongeduldige minnaar. Buitendien heb
ik vandaag nog niets gegeten. De provoost-geweldige moet maar wachten,
tot ik verzadigd ben. Neem deel--aan mijn diner."
Nadat zij hun verlangen aan een vluggen knecht hebben kenbaar gemaakt,
nemen zij plaats, om een haastigen en toch gezelligen maaltijd te
houden, met een vredig en voldaan gevoel, want deze jonge mannen zijn
zóó gewend aan gevaar, dat iedere korte pauze in hun aanhoudende
worsteling met den dood hun een kalme, rustige en genoeglijke tijd
toeschijnt.
Terwijl hij eet en drinkt, werpt Guy nu en dan een afgetrokken blik
naar buiten; er gaan een menigte menschen over de Schoenmarkt. Deze
menigte heeft een schilderachtig aanzien door de bonte mengeling
van kleederdrachten, want bijna alle natiën der wereld zijn hier
vertegenwoordigd. Antwerpen is op dit oogenblik het middelpunt van
Noord-Europa en de grootste handelsstad van de wereld.
Op de rivier liggen schepen, die ladingen innemen, bestemd voor de
Indien, Oost en West, zelfs voor de ver verwijderde stranden van Peru
en de Kaap de Goede Hoop; andere, die terugkeeren uit de Oostzee en
de Middellandsche zee, worden gelost, en dientengevolge verhoogen
zeelieden en bezoekers uit alle bekende deelen van den aardbol de
levendigheid van het tooneel.
Vreemd genoeg, ziet men op dat tijdstip geen Engelschen in Antwerpen;
want sinds Elizabeth de achthonderd duizend kronen van Alva roofde,
heeft de Hertog allen handel met Groot-Brittannië verboden en beslag
gelegd op alle Engelsche bezittingen in de stad, en alle Engelschen,
die te Antwerpen woonden, of er zaken deden, vandaar verdreven;
en vroeger hielden er zich een groot aantal op en was de Engelsche
wolhandel een voorname bron van inkomsten voor de stad. Juist nu
heeft Antwerpen zijn toppunt bereikt, waarvan het spoedig, tengevolge
van de afpersingen, de belastingen en de tyrannie van den Spanjaard,
zal dalen tot een handelsstad van den vierden rang.
De burgers echter, ofschoon lijdende onder den druk, vermoeden
daarvan nog niets, en de kooplieden gaan lachend over de straat, zich
beschouwende als vorsten op een handelstroon, die nooit kan wankelen.
De totale afwezigheid van Engelsch bloed en Engelsche gelaatstrekken
zouden Guy in het oog doen loopen, als er niet verscheidene Deensche
officieren van De Billy in de stad waren, bij sommigen van welke
men eveneens het blonde haar en de blauwe oogen van het Saksische
type opmerkt.
"Nu moet ik Alva's bevel aan den provoost-geweldige
overbrengen. Gelukkig is zijn bureau niet ver van hier. Wacht op mij,
ik ben in een kwartier terug. Gij behoeft niet zoo ongeduldig naar
de klok te kijken," zegt Oliver lachend.
Maar Guy kijkt niet naar de klok. Zijn oogen zijn gevestigd op een
man in de kleederdracht van een Zeeuwschen handelaar, die zorgvuldig
zijn schildpadden bril afveegt en daarna het plakkaat leest, dat een
belooning uitlooft voor het hoofd van den "Eerste der Engelschen". Als
de Zeeuw zich omkeert, is de Engelschman er zeker van, dat hij hem
meer heeft gezien.
Een oogenblik later meent Guy, dat de man hem ook herkent; ofschoon
hij het hoofd afwendt, houdt hij hem toch in het oog en merkt op,
dat deze van zijn kant hetzelfde doet.
"Laat mij meegaan naar den provoost-geweldige," fluistert hij
Oliver toe.
"Gij--wilt _daar_ heengaan?" brengt Antony verwonderd uit, zijn oogen
wijd openend.
"Ja," antwoordt Guy. "Er is hier een man, die mij herkent en ook
bekend is geworden met de waarde van mijn hoofd. Als hij mij volgt,
zal ik hem een poets bakken."
Als zij zich op weg begeven, Oliver met een heel ernstig gelaat,
ontmoeten zij den kleinen De Busaco, die met groote passen naar hen
toe komt en buitengewoon hartelijk wordt verwelkomd door Chester, daar
deze niet ten onrechte meent, dat intimiteit met Spaansche officieren
de achterdocht van den man, die hem bespiedt, misschien zal verdrijven.
"Gij zijt in goed gezelschap, zie ik, Amati," zegt de kleine
vaandrig. "Wees zoo goed, mij voor te stellen aan den ondersecretaris
van den Hertog."
En als dit gedaan is, vraagt de jonge Spanjaard: "Waar gaat gij heen?"
"Naar den provoost-geweldige."
"Dan ga ik mee," herneemt De Busaco. "Ik moet daar toevallig
ook wezen. Ik zou gaarne verlof hebben, om vanavond in de stad te
blijven. Een Vlaamsche schoone, gij begrijpt me!" en hij strijkt zijn
knevel krijgshaftig in de hoogte.
Als zij samen hun weg vervolgen, begint De Busaco, die zich
blijkbaar om die reden bij hem heeft gevoegd, Oliver uit te hooren,
welke vooruitzichten er bestaan op een spoedige betaling van de
achterstallige soldij voor het garnizoen van Antwerpen; of hij iets van
de plannen van den Hertog weet; of de tiende penning geregeld inkomt,
enzoovoort; zijn verliezen bij het drinkgelag hebben klaarblijkelijk
zijn belangstelling in die zaak nog aanmerkelijk verhoogd.
Guy let hier echter weinig op. Hij is geheel oog en oor om te
ontdekken, of de Zeeuw hen volgt. Op de Schoenmarkt is het zóó druk,
dat dit moeilijk valt uit te maken, maar als zij de Kammestraat zijn
ingeslagen, de herberg _De Roode Leeuw_ voorbij zijn en de nauwe
steegjes, die naar de voornaamste waterpoort van de stad leiden,
waar het bureau van den provoost-geweldige zich bevindt, wordt de
menigte minder talrijk, en als Guy zich even omkeert, ziet hij den
man dicht achter zich.
Deze volgt het drietal tot aan de poort, doch blijft als versteend
van verbazing staan, als hij Guy en Oliver, vergezeld door den
Spaanschen officier, het bureau van Alva's provoost-geweldige ziet
binnentreden, op de deur van welk gebouw de belooning van drie duizend
Carolus-guldens is aangeplakt.
"De Busaco," merkt de Engelschman op, terwijl hij aan de deur blijft
stilstaan, "ziet gij ginds dien Zeeuw?"
"Ja."
"Wilt gij een klein sommetje verdienen, als schadeloosstelling voor
uw achterstallige soldij?"
"_Santos_! Wat graag!"
"Roep dan een paar soldaten en neem hem gevangen. Hij woont in de
weerspannige gewesten, te Vlissingen. Ik geloof dat de Raad van
Beroerten op hem loert."
"Een belooning!" roept de kleine Spanjaard uit, en de wachtkamer
binnenstormend, met verwaarloozing van alle militaire vormen,
schreeuwt hij: "Gauw, gauw, een paar man tot mijn assistentie,--er
is wat te verdienen!"
Twee Spaansche soldaten komen ijlings naar hem toe, hij snelt met
hen de straat op en achtervolgt weldra, zoo snel als hij kan, den
Zeeuwschen koopman, schreeuwend: "_Heretico fugitivo!_" en andere
woorden van dolle woede, welke den persoon in quaestie beenen doen
maken, met het gunstig gevolg dat deze, die goed den weg weet in de
stad, zich kan verbergen in een van de blinde sloppen van dit kwartier
en den kleinen Spanjaard ontsnapt, wiens hooge, wijde laarzen juist
niet bevorderlijk zijn aan zijn vlugheid van beweging.
"Ik kon hem niet inhalen," klaagt De Busaco, als hij vijf minuten later
buiten adem terugkomt, aan Guy, "maar ik zal hem in het oog houden."
"Doe dat; de belooning zal u uw achterstallige soldij doen vergeten,"
merkt Guy op, als Oliver terugkeert, nadat hij met den kapitein van
de wacht alles heeft afgesproken voor de arrestatie van De Guerra.
"Ik denk," lacht Chester, als hij en Oliver hun weg vervolgen (want
zij hebben den vaandrig bij den provoost-geweldige gelaten), "dat
die snuiter uit Zeeland wel geen haast zal maken, zich aan een der
wachthuizen in de stad aan te melden, om inlichtingen omtrent mij te
verschaffen. En nu, na gevaar--" de uitdrukking van zijn gelaat geeft
zijn bedoeling te kennen aan den schilder, die zijn woorden aanvult
met: "Liefde!"
De twee vrienden gaan nu weer door de Kammestraat over de Schoenmarkt
naar de Place de Meir, waar het deftige huis van Bodé Volckers ligt, en
als zij er binnentreden, bevinden zij zich weldra in tegenwoordigheid
van een koopmansfamilie uit dien tijd.
Guy is echter een weinig teleurgesteld, als hij, de verwulfde
koetspoort doorgaande, geen equipage op het binnenplein ziet staan.
"Wees niet ongeduldig, het is beter, dat wij de eersten zijn, dan
kan ik alles voor de inkoopen regelen, eer Dona de Alva met de Gravin
komt," zegt de schilder.
Oliver gaat Guy voor met de familiariteit van den vriend des huizes en
klopt aan een zijdeur aan den overkant van het binnenplein, die bijna
onmiddellijk wordt geopend door het dienstmeisje van den vorigen avond;
de kamenier Wiarda is zeker ergens anders bezig.
Zij worden regelrecht geleid in een vertrek, dat blijkbaar de
huiskamer is. De leden van het gezin,--bestaande uit den koopman
zelf, zijn zoon Jacob, een jongen van zestien jaar, die pas de
school voor het kantoor heeft verlaten, en zijn dochter Wilhelmina,
wier zijdeachtige blonde krullen en vroolijke blauwe oogen zulk een
diepen indruk hebben gemaakt op Olivers hart,--voeren blijkbaar een
klein dispuut, want hun stemmen klinken luid en schel.
De oude heer, een energieke maar corpulente Vlaming, met het type
van een rijk koopman, is zeer opgewonden. Zijn wangen zijn rood
van drift. Ook in de blauwe oogen van de jonge dame flikkert toorn,
ofschoon zij min of meer omfloerst zijn door ingehouden tranen, en een
der hoeken van den fijn besneden mond trilt zenuwachtig. De jongen
schijnt, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd zouden doen,
zich te vermaken met de woordenwisseling tusschen zijn vader en zijn
zuster, want zijn blond Germaansch gezicht heeft moeite om een lach
te weerhouden. Als hij durfde, zou hij het uitschateren van pret.
"Zoo, Oliver," roept de koopman uit, hem te gemoet komende met
uitgestoken handen, "terug van Brussel! Dat was maar een kort
uitstapje!" en hij verwelkomt den schilder, los en gemeenzaam, als
een vriend des huizes.
Juffer Wilhelmina daarentegen groet Antony op deftige Spaansche wijze,
en steekt haar beminde de blanke vingers toe, hem verlof gevend,
ze te kussen.
De jongen giegelt alleen: "Hoe gaat het u?"
"Ik ben zoo vrij geweest, een vriend mee te brengen, kapitein Guido
Amati van het garnizoen te Middelburg," zegt de schilder.
"Een vriend van u, Oliver! Welkom,--welkom in mijn huis," zegt Niklaas
met Vlaamsche gastvrijheid, Guy hartelijk de hand schuddend.
"Kapitein Amati is een kennis van Dona Hermoine, en als secretaris
van den Hertog--"
Het is onnoodig, meer te zeggen; als hij den naam van de dochter van
den Onderkoning uitspreekt, is juffrouw Wilhelmina ook aanstonds een
en al voorkomendheid en houdt hem haar slanke vingers toe voor een
Spaanschen groet. Guy weet nu ook wat hem te doen staat, hij vergist
zich ditmaal niet en drukt een kus op de blanke hand, waarvoor hij
misschien wel wat veel tijd neemt, naar Oliver's meening.
De koopman, op en top de eenvoudige Vlaming, roept nu uit: "Stoelen,
Wilhelmina; stoelen voor de heeren!"
"Vader," antwoordt het meisje op hoogen toon, "gij vergeet, dat wij
lakeien in huis hebben," en na een tafelschel in beweging te hebben
gebracht, beveelt zij den binnentredenden bediende, den cavaliers
stoelen te geven.
"Oho! nog meer vreemde kuren!" spot de oude heer op scherpen toon,
blijkbaar het gesprek weer opnemend, waar het was afgebroken. "Vergeet
den Vlaamschen eenvoud niet, mijn dochter. Ofschoon uw vader een
millionnair wordt genoemd, kon hij wel eens niet lang meer een
millionnair blijven, tengevolge van dien verwenschten tienden penning,"
voegt Niklaas er aan toe, op de tanden knarsend.
"Gij komt van Brussel, senor Antony," valt de jonge dame hem in de
rede, de Spaansche wijze van aanspreken navolgend. "Daar hebt gij
zeker, als onder-secretaris van den Hertog, de hertogin van Aerschot
ontmoet. Zij komt vandaag in Antwerpen en geeft morgenavond een
partij. Gij komt er natuurlijk ook, kapitein Amati, en gij eveneens,
senor Oliver?"
"Ik moet ongelukkig Antwerpen vanavond alweer verlaten," antwoordt Guy.
"En onder-secretarissen en herauten worden niet uitgenoodigd," merkt
de schilder op, die zich klaarblijkelijk met hun uitsluiting volstrekt
niet kan vereenigen.
"Maar gij zijt toch zeker uitgenoodigd, freule Bodé Volckers?" vraagt
Guy. "Uw dansen wordt, naar ik hoor, zeer bewonderd."
"Natuurlijk," antwoordt de jonge dame achteloos.
"Natuurlijk _niet_!" roept de Vlaamsche vader uit met het air van
een Romeinschen.
"Papa!"
"Wel vermaledijd! Denkt gij, dat ik u nogmaals zal toestaan, jonge
dame, mijn koetspaarden tot laat in den nacht buiten te laten wachten,
zooals gisteravond, zoodat zij 's morgens voor den vrachtwagen in slaap
vallen! De gravin van Mansfeld gisteren en de hertogin van Aerschot
morgen, en gij niet vóór het middagmaal uit uw bed! Mijn bedienden
spelen den baas in huis; gij houdt sinds weken uw huishoudboek niet
meer bij. Spreek mij niet tegen, dametje, ik heb uw huishoudboek
ingekeken, niets opgeschreven,--niets opgeschreven,--geen greintje
handelsgeest! Maar laat ik u zeggen," voegt de oude heer er aan toe,
"dat als zoo iets weer gebeurt, gij voortaan om acht uur beneden
zult zijn, om de vrouwelijke klanten in den winkel te bedienen,"
en hij wijst naar het gedeelte van het huis, waar het magazijn zich
bevindt. "Onthoud dat!"
En zijn woede verder opkroppend, zegt papa Bodé Volckers Guy en Oliver
vaarwel met de hatelijke opmerking, dat hij de zaken wel moet nagaan,
als niemand anders in huis het doet, en neemt den giegelenden jongen
met zich.
"Papa is heel zonderling. Een dergelijk gesprek begint altijd met den
tienden penning," merkt de jonge dame ernstig op. Dan vervolgt zij,
half zuchtend, half lachend: "Wij hebben dat bijna iedere week,
ofschoon niet altijd in het publiek. Hij zal zoo aanstonds wel
terugkomen," en zij begint verschrikt en zenuwachtig te lachen, als
de oude heer haar profetie vervult, door zijn hoofd door de deur te
steken en te roepen:
"En den Franschen kakkerlak, die u leert uw voeten in de lucht
te gooien, heb ik vanmorgen met ceintuur, halskraag en al de deur
uitgesmeten!"
Dit bericht blijkt echter te veel voor de zelfbeheersching der schoone
Wilhelmina. Met een kreet van schrik springt zij op. "O papa! Arme,
lieve, kleine monsieur de Valmy!" en de tranen springen haar in
de oogen.
"Ja, en de muziekmeester, die vent, die op het spinet speelt, zal
hem volgen. Niets meer van al die malle bokkensprongen, niets meer
van al die halve trillers en dat hooge Italiaansche gegil," bromt de
oud-burgemeester. "Denk aan den tienden penning! Op een goeden dag
zal ik zelf nog muziekmeester moeten worden," en onder het uiten van
die buitensporige profetie verdwijnt Bodé Volckers naar zijn kantoor.
Maar dit is iedereen te kras. Allen beginnen te schateren, juffrouw
Wilhelmina het hardst, steeds uitroepend: "Muziekmeester! Daar is
hij juist voor in de wieg gelegd! Halve trillers en gegil!"
En terwijl zij plaats neemt voor het spinet, begint zij glimlachend
een Provençaalsch liedeke te zingen, met zooveel natuurlijke gratie,
dat beiden, Oliver en Guy, eenstemmig verklaren, dat het schande zou
zijn, als de muziekmeester werd afgedankt, tiende penning of geen
tiende penning.
Dit schijnt hen allen op hun gemak te zetten, en juffrouw Bodé Volckers
vergast nu de heeren op een verslag van het groote feest bij de gravin
van Mansfeld ter eere van Dona Hermoine de Alva, den vorigen avond,
en noemt de namen van de seigneurs de Noircarmes, d'Avila, Mondragon,
Gabriel de Cerbolloni en andere officieren en edelen, die tegenwoordig
waren, evenals de jongere gravin van Mansfeld, de aristocratische
barones d'Ayala en de schoone Dona Anica de la Medrado, die juist
uit Madrid was aangekomen en de laatste modes had meegebracht. "Ik
was de eenige _uit de stad_," voegde zij er argeloos aan toe, "maar
mijn dansen werd zeer bewonderd."
Een oogenblik
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/22686