Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Nantas

by Émile Zola · Dutch · Gutenberg #21945 · 440,001 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Nantas
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Nantas

Author: Émile Zola


        
Release date: June 26, 2007 [eBook #21945]
                Most recently updated: January 2, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/21945

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NANTAS ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/







De

Cohen-Editie

Van de

Beste binnen- en buitenlandsche boeken

Uitgave van

Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
1920






Nantas

Door

Emile Zola



Uitgave van

Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam
Heerengracht 326








NANTAS, DE STERKE.

REALISTISCHE NOVELLE

Door _EMILE ZOLA_.




I.


Nantas bewoonde, sinds zijn aankomst te Parijs, een kamer op de
derde verdieping van een huis in de rue de Lille, grenzende aan het
prachtige gebouw van baron Danvilliers, lid van den Raad van State,
die het huis in weelderigen ouden stijl had doen optrekken. Als
Nantas zich voorover boog, kon hij een hoekje van den tuin van dit
paleis zien. Reusachtige boomen verspreidden een aangenamen schaduw
en hooger, over de groene kruinen, had hij het gezicht op de Seine,
de Tuileriën, het Louvre, de reeks van kaden, een groot dakenveld en
zelfs heel in de verte Père-Lachaise.

't Was een kleine zolderkamer, met een glazen pan als venster en Nantas
had haar zoo eenvoudig mogelijk gemeubileerd met een bed, een tafel
en een stoel. Hij had zich daar geïnstalleerd, omdat het goedkoopste
hem het beste voorkwam, zoolang hij moest worstelen om een betrekking
te vinden. En toch maakte het vuile behang, de zwarte zoldering, de
ellende en naaktheid van dit kamertje, waar zelfs geen schoorsteen
was, geen bedroevenden indruk op hem. Sedert hij sliep in het gezicht
der Tuileriën en van het Louvre, vergeleek hij zich bij een generaal,
die genoodzaakt was van een eenvoudigen boerenherberg aan den weg, zijn
verblijfplaats te maken, terwijl zijn troepen gelegerd zijn om de rijke
en machtige stad, die hij morgen stormenderhand hoopt in te nemen.

Nantas was de zoon van een metselaar te Marseille, en was aan
het gymnasium aldaar zijn studiën begonnen, daartoe gedreven
door de trotsche teederheid zijner moeder die een heer van hem
wilde maken. Toen zijn moeder gestorven was, had Nantas echter een
betrekking moeten aanvaarden, waar hij twaalf jaren lang een leven van
wanhopige eentonigheid had geleid. Wel twintig maal zou hij weggevlucht
zijn als zijn plicht hem niet bevolen had te Marseille te blijven,
tot hulp en steun van zijn vader, die door den val van een steiger
invalide was geworden. Hij moest thans in de behoeften van hun beiden
geheel voorzien. Op een avond thuis komende, vond hij den metselaar
echter dood, zijn nog warm pijpje naast hem liggend. Drie dagen later
verkocht hij wat er in het kleine huishouden nog van eenige waarde
was en vertrok met twee honderd francs in den zak naar Parijs.

Van zijn moeder had Nantas een hardnekkige zucht naar grootheid en
rijkdom geërfd. Hij was een jongmensch, die spoedig tot iets besloot
en zijn besluiten met ijzeren wil ten uitvoer bracht.

Toen hij nog jong was, had men iets bijzonders in hem meenen te
zien. Dikwijls had men gelachen als hij uitriep: "Ik voel mij o,
zoo sterk", een uitdrukking die comisch werd als men hem aanzag het
te kleine jasje uit den naad springende aan de schouders en waarvan
de mouwen hem tot aan de polsen reikten.

Zoo zachtjes aan had hij een zekere vereering voor de kracht opgevat,
slechts haar in het leven der menschen ziende, overtuigd dat de
sterken altijd de overwinnaars zijn. Volgens Nantas was het slechts
noodig te willen om te kunnen; de rest was bijzaak.

's Zondags, als hij geheel alleen in de omstreken van Marseille
wandelde, onder een verschroeiende zon, dan voelde hij een stroom in
zich, die hem voortdurend voorwaarts joeg. Thuiskomende at hij met
zijn verminkten vader wat aardappelen, zichzelf belovende later wel
te zorgen, dat de maatschappij, waarin hij op zijn dertigsten jaar
nog niets was hem wat beters zou geven. Het was geen gewoon verlangen,
dat hem bezielde, geen zucht naar laag genot, het was alleen het gevoel
van een verstand en een wil, die niet op hun plaats waren, maar bedaard
en kalm de plaats zochten te bereiken, welke hun rechtens toekwam.

Nauwelijks betraden zijn voeten het plaveisel van Parijs of Nantas
meende de hand maar voor 't uitstrekken te hebben om een hem waardige
betrekking te vinden. Den eersten dag reeds opende hij den strijd. Men
had hem eenige aanbevelingsbrieven mede gegeven, welke hij zich
haastte aan hun adres te bezorgen; ten overvloede klopte hij bij eenige
landslieden aan, hopende op hun hulp en steun. Een maand ging echter
zonder 't geringste succes voorbij; de tijd was slecht gekozen, zeide
men, of men deed hem schoone beloften. Zijn beurs werd echter lichter
en het oogenblik kwam waarop hij nog maar twintig francs bezat. Van
die twintig francs moest hij beproeven nog een heele maand te leven,
van den morgen tot den avond Parijs doorkruisende, om thuis komende
zonder licht naar bed te gaan, doodop van vermoeienis en met aldoor
leege handen. Toch verloor hij den moed niet; het eenige gevoel dat
in hem opkwam, was somberen toorn. Het lot scheen hem onredelijk en
onrechtvaardig toe.

Op een avond kwam Nantas thuis zonder te hebben gegeten. 's Morgens
had hij zijn laatste stuk brood gebruikt. Geen geld en geen vriend om
hem een dubbeltje te leenen. Het had den ganschen dag geregend, een
van die triestige koude regens, die in Parijs zoo talrijk zijn. Een
modderstroom ging door de straten. Tot op de huid nat was Nantas naar
Bercy gegaan en later naar Montmartre, waar men hem gezegd had, dat
betrekkingen open waren en waarop zijn laatste hoop gevestigd was;
te Bercy was de plaats echter reeds vergeven en te Montmartre had men
gevonden dat hij niet netjes genoeg schreef. Daar hij zeker was dat
hij in de eerste de beste betrekking zijn fortuin zou maken zou hij
alles hebben aangenomen. Hij vroeg niet anders dan een stuk brood,
om te kunnen leven te Parijs, het terrein waarop hij steen voor
steen het gebouw zijner grootheid wilde optrekken. Van Montmartre
begaf hij zich met trage schreden naar de rue de Lille, het hart van
bitterheid vervuld. De regen had opgehouden; de haastige voorbijgangers
drongen hem bijna van 't trottoir. Eenige minuten bleef hij voor een
wisselkantoor staan, vijf francs waren misschien voldoende geweest
om hem ééns tot den meester van al deze menschen te maken; van vijf
francs kon hij acht dagen leven en in acht dagen kon hij heel wat
tot stand brengen.

Zoo droomerig zijn weg gaande, vloog een rijtuig langs hem heen en
bespatte hem met modder, zoodat hij zijn gezicht moest afvegen.

Toen liep hij harder, de tanden op elkaar geklemd, met een duivelsch
verlangen, om zich met vuistslagen op de menigte te werpen, dat zou
hem eenigszins gewroken hebben op de domheid van het lot.

In de rue Richelieu had een omnibus hem bijna overreden. Het midden
van de place du Caroussel bereikt hebbende, wierp hij een jaloerschen
blik op de Tuileriën.

Op de brug der Saints-Pères, noodzaakte een klein, welgekleed meisje
hem den rechten weg te verlaten, welken hij gevolgd had met de
woeste onverzettelijkheid van een wild zwijn, dat door jachthonden
wordt nagezet en dit wijken scheen hem een toppunt van vernedering:
zelfs de kinderen beletten hem het voortgaan. Toen hij eindelijk zijn
kamer weder opgezocht had, als een gewond dier dat zijn leger zoekt
om te sterven, liet hij zich verslagen en krachteloos met een doffen
smak in zijn stoel vallen. Hij bekeek zijn versleten broek en zijn
gescheurde schoenen, waar het slijk uitdroop.

Ja, nu was 't gedaan, onherroepelijk! Hij vroeg zich af op welke
wijze hij zich zou dooden. In zijn trots meende hij dat zijn dood
een straf was voor Parijs. Inwendig sterk te zijn en geen mensch
te vinden die dat vermoedt, niemand die u het eerste tientje geeft,
waaraan gij zoozeer behoefte hebt. Dat scheen hem eene bespottelijke
onbillijkheid en zijn gansche wezen kwam er tegen in verzet. Als zijn
blikken echter op zijn onnutte armen vielen, kwam een gevoel van
spijt in hem op. Voor niets zou hij teruggedeinsd zijn, niets ware
hem te zwaar geweest; een wereld zou hij hebben opgetild aan zijn
pink.... hij, die daar zat, teruggekropen in zijn hoek, tot onmacht
gedoemd, op zijn klauwen knagende als een leeuw in zijn kooi. Weldra
werd hij kalmer en begon hij den dood grootsch te vinden. Toen hij
nog klein was, had men hem de geschiedenis van een uitvinder verteld,
die een wondermachine had samengesteld en haar eens met hamerslagen
vernietigde, omdat de menschen er te onverschillig voor waren. Welnu,
hij was die man, hij droeg in zich om een nieuwe kracht, een machine
van verstand en wilskracht, en hij zou die machine vernietigen door
zijn hersenen uiteen te doen spatten op de straatsteenen.

De zon ging onder achter de hooge boomen van het prachtige huis van
Danvilliers, een herfstzon, wier gouden stralen de gele blaadjes als
vlammetjes deed flikkeren. Nantas stond op, aangetrokken tot dezen
afscheidsgroet der zon. Hij ging sterven en voelde een behoefte in
zich ontwaken naar licht. Een oogenblik boog hij zich voorover. Bij
den draai van een laan, achter het dichte groen, had hij wel eens
een jong, blond meisje bemerkt, slank en statig, trotsch als een
prinses. Hij was niet romantisch; de tijd was voor hem voorbij,
waarin jonge mannen in hun zolderkamertje droomen van rijke meisjes,
die hen haar liefde en schatten komen brengen.

En toch, in dit uur, waarin hij zich ging toewijden aan den dood,
herinnerde hij zich plotseling dat schoone trotsche meisje. Hoe zou
ze wel heeten? Op 't zelfde oogenblik echter balde hij de vuisten en
voelde hij niets dan haat, gloeienden haat tegen de bewoners van dat
paleis, waarvan de vensters half geopend waren en hem hoekjes lieten
zien vol pracht en weelde. In zijn woede fluisterde hij:

"O, ik zou mezelf willen verkoopen, ik zou me verkoopen aan dengene,
die mij de eerste honderd stuivers gaf van mijn toekomstig fortuin."

Een oogenblik hield dat idée van zichzelf te verkoopen hem bezig.

Als er ergens een bank van leening was geweest, waar men geld
voorschoot op wilskracht en energie, hij zou er heengegaan zijn.

De onzinnigste denkbeelden rezen in hem op. Een staatsman kwam hem
koopen om een geschikt werktuig van hem te maken, een bankier wenschte
ieder oogenblik zijn verstand aan zijn speculaties dienstbaar te maken,
en hij nam alles aan, de eer verachtende en zich opdringende dat de
heele zaak was sterk te zijn en eens te zegepralen. Daarop glimlachte
hij. Hoe was het mogelijk zich te verkoopen? De dwaas, die wachtte tot
een koop voor hem op kwam dagen, zou omkomen van ellende. Weer zette
hij zich neder, zwerende dat hij zich uit het venster zou werpen,
zoodra het donker was.

Hij was echter zoo moe, dat hij op zijn stoel in slaap viel. Plotseling
werd hij gewekt door het geluid van stemmen, zijn concierge liet een
dame bij hem binnen.

"Mijnheer," zei ze, "ik ben zoo vrij...."

Bemerkende dat hij geen licht aan had, vloog zij naar beneden om een
kaars te halen. Zij scheen de persoon te kennen, welke zij medebracht,
want zij was beurtelings vleierig en eerbiedig.

"Zie zoo," zeide zij, zich verwijderende, "nu kan u praten, zonder
dat iemand u storen zal."

Nantas die overeind was gesprongen zag de dame verwonderd aan. Zij had
haar voile opgeslagen. 't Was een persoon van vijf en veertig jaar,
klein, buitengewoon dik, met een onvriendelijk gelaat. Hij had haar
nooit gezien. Toen hij haar den eigen stoel aanbood, haar met den
blik ondervragende, zeide zij:

"Juffrouw Chuin.... Ik kom u eens spreken, mijnheer, over een hoogst
gewichtige aangelegenheid."

Hij had plaats genomen op den rand van zijn ledikant. De naam
van juffrouw Chuin gaf hem geen licht. Hij vond het dus maar het
beste te wachten tot zij zich nader zou verklaren. Zij haastte zich
echter niet, maar liet haar blikken eens door 't vertrekje dwalen,
niet recht wetende hoe zij het gesprek op de geschikste wijze zou
beginnen. Eindelijk ging zij verder, zacht sprekende, de gewaagdste
gedeelten met een glimlach polijstende.

"Ik kom tot u, mijnheer, als een vriendin.... Men heeft mij omtrent
u de meest vleiende inlichtingen verschaft. Geloof echter niet aan
spionnage. Slechts het levendig verlangen om u nuttig te zijn, deed
mij die inlichtingen inwinnen. Ik weet hoe ondankbaar tot nog toe zich
het leven tegenover u heeft gedragen, met welken moed gij tot nog toe
hebt geworsteld om een betrekking te vinden, en wat op 't oogenblik
het resultaat van al die pogingen is. Vergeef mij nogmaals, mijnheer,
mijn onbescheidenheid van zoo in uw private aangelegenheden door te
dringen. Ik verzeker u, het is enkel uit sympathie...."

Nantas viel haar niet in de reden, door nieuwsgierigheid geprikkeld
en onderstellende dat zijn concierge haar al die bijzonderheden
had medegedeeld.

Juffrouw Chuin kon ongestoord doorgaan, en zij vervolgde, pogende al
zachter en vleiender haar woorden te kiezen:

"Gij zijt iemand met een groote toekomst, mijnheer. Ik ben zoo vrij
geweest uw verschillende pogingen na te gaan en ik ben werkelijk
getroffen door den moed, welken gij te midden van het ongeluk behouden
hebt. Ik geloof, dat gij het zeer vèr zult brengen, zoo iemand u de
behulpzame hand reikt."

Nogmaals hield zij op, wachtende dat hij iets zou zeggen. De jonge
man hoopte dat zij een betrekking voor hem had en antwoordde dat hij
gaarne alles zou aannemen. Zij echter, nu het ijs eenmaal gebroken was,
vroeg hem plotseling:

"Zoudt gij er op tegen hebben te trouwen?"

"Ik trouwen?" riep Nantas uit, "groote hemel, wat verlangt gij van
mij, mevrouw? .... Een arm meisje zeker, dat ik zelfs geen stuk brood
kan verschaffen."

"Neen een jong meisje, schoon en rijk, van deftige familie, die u in
eens in staat zal stellen de hoogste sporten van den maatschappelijken
ladder te betreden."

Nantas lachte niet meer.

"Tot welken prijs?" vroeg hij, instinctmatig zachter sprekende.

Nantas' eerste opwelling was de koppelaarster de deur uit te smijten.

"'t Is een laagheid, wat gij mij daar voorstelt," fluisterde hij.

"Een laagheid," riep juffrouw Chuin uit, het honingzoete in haar stem
terugbrengende, "ik zal maar doen of ik dat leelijke woord maar niet
gehoord heb .... De waarheid is, mijnheer, dat gij een familie van
de wanhoop zoudt redden. De vader weet van niets, de zwangerschap is
nog heel in 't begin en ik ben 't, die op de gedachte ben gekomen,
het arme meisje zoo spoedig mogelijk uit te huwen, den echtgenoot
voorstellende als de vader van het kind. Ik ken haar vader, hij zou
er van sterven. Mijn oplossing zou zijn smart echter stillen, daar
hij gelooven zal aan een zedelijk herstel. De werkelijke verleider
is gehuwd. O, mijnheer, er zijn mannen die waarlijk alle zedelijkheid
missen."

Op die wijze had zij zeker nog lang door kunnen gaan. Nantas
luisterde echter niet meer naar haar. Waarom zou hij weigeren? Had
hij zooeven niet gewenscht zich te verkoopen? En nu was er iemand,
die hem koopen wilde. De koop was wederkeerig. Hij gaf zijn naam,
hij kreeg een positie. Dat was een zuivere handelsovereenkomst,
zooals zoovele. Hij keek eens naar zijn broek, waaraan het slijk
nog vastkleefde en hij voelde dat hij sinds den vorigen avond niet
gegeten had, al de woede welke twee maanden lang van vruchteloos
pogen, zich bij hem had opgekropt, barstte los. Eindelijk zou hij
dan zijn voet kunnen zetten op die menigte, die hem uitgeworpen had,
hem overleverende aan den zelfmoord.

"Ik neem het aan," zeide hij ruw en scherp.

Nu verzocht hij juffrouw Chuin om nadere inlichtingen. Wat eischte
zij voor haar tusschenkomst? O neen, zij wenschte niets. Niettemin
eindigde zij met twintigduizend francs te vragen, na uitreiking van
het bedrag dat men den jonkman noodwendig ter hand moest stellen. Toen
hij niet afdong, toonde zij zich mild in haar verklaringen.

"Luister eens," zeide zij, "ik ben het die om u gedacht heb. Het jonge
meisje heeft geen 'neen' gezegd toen ik uw naam noemde .... Waarlijk,
gij doet een goeden stap en zult er mij later voor bedanken. Ik
had wel iemand van naam kunnen vinden; ik ken er zelfs een, die
mij bepaald de handen gekust zou hebben. Ik vond het echter beter
geen man te kiezen uit den stand van het arme meisje. 't Is ook nog
veel romantischer.... Gij zijt beminnenswaardig en hebt een flink
verstand. Vergeet niet, dat ik altoos tot uw dienst ben."

Tot nog toe was er geen naam over haar lippen gekomen. Op een
rechtstreeksche vraag van Nantas, stond de dame evenwel op en stelde
zich nogmaals voor:

"Juffrouw Chuin .... In betrekking als gouvernante bij baron
Danvilliers, sedert den dood der barones. Ik heb juffrouw Flavie,
de dochter van mijnheer de baron, opgevoed .... Het meisje waarvan
sprake is, is juffrouw Flavie."

Zij trok zich terug, met een bescheiden beweging een enveloppe op
de tafel leggende, welke vijfhonderd francs bevatte. Dit gaf zij uit
haar eigen zak om in de eerste onkosten te voorzien.

Toen hij weer alleen was, plaatste Nantas zich voor het venster.

De nacht was buitengewoon donker, men onderscheidde niets dan de zwarte
massa der boomen, wegkwijnende in 't donker; één venster was in den
donkeren voorgevel van het huis van den baron nog verlicht. 't Was
dus dat slanke blonde meisje, dat met een koninginnenstap daarheen
wandelde en deed of zij hem niet zag. Zij of een ander, wat deed dat
er toe? De vrouw was geen eigenlijk bestanddeel van den koop.

Nu sloeg Nantas de oogen op naar boven en liet zijn blikken dwalen
over Parijs, dat zuchtte in het duister, over de kaden en straten
en dwarsstraten aan den rechteroever, verlicht door de flikkerende
vlammen van 't gas; en een gevoel van grootheid rees in hem op,
de stad lag aan zijn voeten en hij riep uit:

"Nu behoort gij mij!"




II.


Baron Danvilliers bevond zich in zijn salon, een hoog vertrek, met
leer bekleed en van antieke meubels voorzien. Sinds den vorigen avond
was hij als vernietigd onder het nieuws, dat juffrouw Chuin hem had
medegedeeld omtrent de onteering van Flavie. Tevergeefs had zij alles
met de lichtste kleuren geschilderd, de grijsaard was onder den slag
als 't ware verpletterd en alleen de gedachte, dat de verleider zijn
fout weer eenigszins goed kon maken door een huwelijk, hield hem nog
op de been. Dezen morgen verwachtte hij bezoek van dat hem onbekende
jongmensch, dat zijn dochter haar eer ontnomen had. Hij schelde.

"Joseph, er zal een jongmensch komen om mij te spreken. Gij laat hem
dadelijk binnen komen. Voor ieder ander heb ik belet."

En plaats nemende in het hoekje bij het vuur, gaf hij zich over aan
zijne bittere gedachten. De zoon van een metselaar, een hongerlijder,
zonder eenige betrekking. Juffrouw Chuin stelde hem voor als een
jongen met een toekomst, maar wat een schande niettemin voor de
familie, waarop tot nog toe geen smetje kleefde. Flavie had zich
op tamelijk ruwe wijze verontschuldigd teneinde haar gouvernante te
vrijwaren voor de verwijten van den ouden heer. Sinds deze onaangename
verklaring bleef zij in haar kamer, daar de baron geweigerd had haar te
zien. Alvorens haar te vergeven, wilde hij eerst zelf deze verdrietige
zaken in orde brengen. Zijn grijzende haren hadden in enkele dagen
al het zwarte verloren en nu en dan kon men hem zenuwachtig het hoofd
zien schudden.

"Mijnheer Nantas," meldde Joseph.

De baron stond niet op. Hij keerde alleen het hoofd om en zag Nantas,
die bedaard binnentrad, lang en onderzoekend aan. Deze was zoo
verstandig geweest zich niet geheel in nieuwe kleeren te steken; hij
had een zwarte jas en pantalon gekocht, oud en hier en daar versteld,
maar zindelijk en toonbaar; dit gaf hem het aanzien van een arm,
oppassend student en verried niet 't minst den avonturier. In
het midden van het vertrek bleef hij staan, zonder te groote
onderdanigheid, flink rechtop.

"Dus gij zijt het, mijnheer," bracht de grijsaard met moeite uit.

Hij kon echter niet voortgaan, de aandoening belette het hem en hij
vreesde dat zijn woede hem te machtig zou worden.

Na een oogenblik van stilte, hernam hij bedaard;

"Mijnheer, gij hebt een laagheid begaan."

En toen Nantas zich wilde excuseeren, herhaalde hij opnieuw en met
meerder klem:

"Een laagheid .... Ik wil niets weten en verzoek u beleefd niet te
beproeven mij de zaken uit te leggen. Al had mijn dochter zich om
uw hals geworpen, dan zou uw laagheid toch even groot zijn gebleven
.... Slechts dieven weten zoo bij families in te dringen."

Opnieuw liet Nantas het hoofd op de borst zinken.

"'t Is niet moeilik op die manier een bruidschat machtig te worden;
in uw hinderlaag moesten noodzakelijk èn vader èn dochter vallen."

"Sta mij toe, mijnheer," viel hem de jonge man, die eindelijk driftig
werd, in de reden.

De baron maakte een beweging alsof hij hem aan wilde vliegen.

"Wat? wilt gij dat ik u toe zal staan? 't Betaamt u niet hier
te spreken. Wat ik u zeg ben ik genoodzaakt u te zeggen en 't is
evenzeer uw plicht dit aan te hooren, omdat gij hier komt als een
boosdoener. Gij hebt mij een verschrikkelijken smaad aangedaan. Ik
ben er bijna van gestorven en nu, nu beven mijn handen, alsof ik
plotseling wel tien jaren ouder was geworden. Houdt u stil en luister".

Nantas was zeer bleek geworden. Hij had mogelijk een te zwaren last op
zijne schouders gelegd. De verblindheid van zijn hartstocht wenschte
hij ondanks alles als excuus te gebruiken.

"Ik had het hoofd verloren," prevelde hij, een geschiedenis van zijn
voorgewende liefde bedenkende. "Ik kon juffrouw Flavie niet zien ...."

Toen hij den naam van zijn dochter hoorde sprong de baron overeind
en riep met donderende stem:

"Zwijg dan toch! Ik heb u gezegd, dat ik niets wensch te weten. Behoud
uw getuigenissen gerust voor u zelf, ik wensch de détails van al die
ongerechtigheden niet te hooren."

Toen ging hij weer zitten, bevend en uitgeput. Nantas boog zich,
innerlijk bewogen, ondanks zijn groote mate van zelfbeheersching. Na
eenige oogenblikken van stilzwijgen, ging de grijsaard voort op een
toon van iemand die een moeielijke zaak afhandelt:

"Pardon, mijnheer. Ik had kalm willen blijven. Ge behoort mij niet toe,
maar ik u, daar ik aan uw discretie ben overgeleverd. Gij zijt hier
gekomen om een voorstel te doen, laat ons onderhandelen, mijnheer."

Van nu aan sprak hij als een advocaat, die een schandelijk proces
behandelt, waarover hij zichzelf bijna schaamt en die tot allen prijs
de zaak in der minne wenscht te schikken. Met zeer groote beslistheid
zeide hij:

"Juffrouw Flavie Danvilliers heeft bij den dood harer moeder een
som van twee maal honderd duizend francs geërfd, welke zij eerst in
handen krijgt op den dag van haar huwelijk. Deze som heeft natuurlijk
reeds interest opgeleverd. Zie hier mijn verantwoording als voogd,
welke ik noodzakelijk oordeel u over te leggen."

Hij opende een portefeuille en begon de getallen voor te lezen. Nantas
beproefde tevergeefs hem hiermede te doen eindigen. Een machtige
ontroering maakte zich van hem meester bij 't gezicht van dien
grijsaard, zoo rechtvaardig en eenvoudig, die hem zoo trotsch en
groot voorkwam in zijn kalmte.

"Om kort te gaan," besloot hij, "heb ik door mijn notaris hedenmorgen
een som doen toewijzen van tweemaal honderdduizend francs, daar ik
weet dat gij niets bezit. Deze som kan u in ontvangst nemen den dag
na uw huwelijk".

"Maar mijnheer," zeide Nantas, "ik vraag uw geld niet, ik vraag alleen
uwe dochter ...."

De baron viel hem oogenblikkelijk in de rede:

"Gij hebt het recht niet te weigeren en mijn dochter zou geen man
kunnen trouwen, die niet minstens evenveel als zij .... Ik geef u den
bruidschat, welken ik voor haar bestemde, ziedaar alles. Misschien
had gij op meer gerekend, men onderstelt algemeen, dat ik rijker ben
dan werkelijk het geval is, mijnheer."

Daar de jonge man over de laatste hatelijkheid het stilzwijgen
bewaarde, oordeelde de baron het onderhoud afgeloopen en schelde
den bediende.

"Joseph, zeg aan de juffrouw, dat ik haar in mijn cabinet verwacht."

Hij was opgestaan zonder een woord meer te spreken. Nantas stond
nog steeds onbeweeglijk. Hij bedroog dezen grijsaard en voelde zich
tegenover hem klein en zwak. Eindelijk trad Flavie binnen.

"Mijn dochter," zeide de baron, "hier is die man. Het huwelijk zal
langs den gewonen, wettelijken weg plaats hebben."

En hij ging heen, hen alleen latende, alsof voor hem het huwelijk
reeds besloten was.

Toen de deur gesloten was stonden beiden sprakeloos tegenover
elkander. Nantas en Flavie zagen elkander eens aan. Zij hadden nog
nimmer elkander gezien. Zij scheen hem buitengewoon schoon toe met haar
bleek en trotsch gelaat, welks groote grijze oogen hem doordringend
aanzagen. Misschien had zij die dagen, waarin zij haar kamer niet
verlaten had, niets gedaan dan schreien; de koudheid harer wangen
moest echter de tranen wel hebben doen stollen, zij was het die hem
het eerst toesprak:

"Dus, mijnheer, de zaak is in orde gekomen?

"Welzeker, juffrouw," antwoordde Nantas bedaard.

Een minachtende trek kwam onwillekeurig op haar gelaat en hem
aanziende, scheen zij de laagheid op zijn gelaat te willen lezen.

"Zooveel te beter," hernam zij, "ik vreesde niemand voor een zoodanige
koop te zullen vinden."

Aan den toon waarop zij dit zeide, merkte Nantas maar al te zeer hoe
zij hem minachtte. Hij richtte het hoofd echter op. Had hij al gebeefd
voor den vader, wetende, dat hij deze bedroog, tegenover de dochter,
die zijn medeplichtige was, moest hij flink zijn.

"Pardon, juffrouw," zeide hij kalm en beleefd, "gij hebt een verkeerde
opvatting van de betrekking welke tusschen ons zal komen te bestaan en
die gij zeer juist een koop noemt. Ik meen, dat wij voortaan tegenover
elkaar op een voet van gelijkheid zullen zijn."

"Zeer zeker?" viel Flavie hem met een minachtende glimlach in de reden.

"Op een voet van volkomen gelijkheid ... Gij hebt behoefte aan
een naam, om een fout te verbergen, waarover ik geen oordeel durf
uitspreken, en ik geef u den mijnen. Van mijn kant heb ik behoefte aan
het noodige kapitaal en een positie in de maatschappij, om te komen
waar ik zijn wil, en gij verschaft mij deze twee. Vanaf heden zijn wij
twee compagnons, wier inbrengst in de firma zoowat van gelijke waarde
is en hebben wij elkander wederkeerig te bedanken voor de diensten,
die wij de een den ander bewijzen."

Zij lachte niet meer. Een trek van toornigen trots verscheen op
haar voorhoofd.

Na eenige oogenblikken zeide zij:

"Gij kent mijne voorwaarden?"

"Neen, juffrouw," zeide Nantas, die volkomen kalm bleef. "Wees zoo
goed mij die te noemen en ik beloof u bij voorbaat dat ik ze gaarne
accepteer!"

Nu zeide zij kalm, zonder de minste aarzeling of schaamte:

"Gij zult nooit anders dan in naam mijn echtgenoot zijn. Onze
levenswijzen zullen elkander ten eenenmale vreemd wezen. Ik heb geen
rechten op u en gij hebt geen rechten op mij."

Bij iedere voorwaarde boog hij toestemmend met het hoofd. Dat was
juist wat hij verlangde en hij antwoordde:

"Als ik galant wilde zijn zou ik u toevoegen dat zulke condities mij
wanhopig maakten. Wij zijn echter beiden boven zulke banaliteiten
verheven. Ik ben verheugd, dat gijzelven inziet hoe onze toekomstige
verhouding dient te zijn. Wij gaan beide het leven in langs een pad,
waar geen bloemen bloeien ... Ik heb u nog maar één ding te verzoeken,
en wel dit, dat gij op geenerlei wijze van uw vrijheid een zoodanig
gebruik maakt, dat mijn tusschenkomst noodzakelijk wordt."

"Mijnheer?" riep Flavie toornig uit, haar trots weer voelende ontwaken.

Hij boog echter beleefd met het hoofd, haar verzekerende dit niet
te hebben gezegd om haar te kwetsen. Hun positie was uiterst teer,
zij moesten zich beiden van toespelingen onthouden, om de goede
verstandhouding niet onmogelijk te maken. Juffrouw Chuin had hem
medegedeeld, dat haar verleider een zekere heer Fondettes was, de
man van een harer kostschoolvriendinnen. Een maand bij hem gelogeerd
zijnde, op het platte land, had zij zich op een avond in de armen
van dien man bevonden, zonder eigenlijk zelf goed te weten hoe alles
in 't werk was gegaan en tot hoeverre zijzelve hieraan schuld had;
juffrouw Chuin sprak bijna van een gewelddadige aanranding.

Plotseling voelde Nantas een bijna vriendschappelijke opwelling. Als
alle menschen, die zich van hun eigen kracht bewust zijn, hield hij
er van goedhartig te wezen.

"Kijk eens, mejuffrouw," zeide hij, "wij kennen elkaar niet, maar
ik geloof toch, dat wij verkeerd zouden doen als wij elkander op
het eerste gezicht veroordeelen. Misschien zijn wij in de wereld
gekomen om 't met elkaar zeer wel te kunnen vinden ... Ik zie wel,
dat gij mij veracht, dat komt, omdat ge mij niet kent."

En hij vertelde, koortsachtig opgewonden, van zijn leven te Marseille
en van zijn vergeefsche pogingen te Parijs. Wat baatte het oordeel der
menigte, als men den voet op haar nek kon zetten! Het was alleen maar
de vraag boven haar te staan. Macht was een excuus voor alles. Met
breede trekken teekende hij haar het leven, dat hij wenschte te
leiden. Hij vreesde geen hindernissen, niets zou tegen zijn kracht
kunnen opwegen, hij zou sterk zijn en gelukkig.

"Geloof niet, dat ik mij verkoop voor uw geld," vervolgde hij. "Ik
accepteer uw geld alleen om hoog, zeer hoog te kunnen stijgen ... O,
als gij wist, wat er in mij leeft, als gij mijn droom kendet, dien
de werkelijkheid steeds weder verjaagd heeft, dan zoudt gij mij
begrijpen en misschien met fierheid uw arm leggen in den mijnen,
u gelukkig achtende mij de middelen te kunnen verschaffen, die mij
in staat stellen iemand van beteekenis te worden."

Zij hoorde hem aan, zonder dat een trek in haar bewoog. Weer stelde
hij zich de vraag, die al drie dagen in zijn hoofd had rondgespookt,
zonder dat hij het antwoord had kunnen vinden: Had zij hem opgemerkt,
als hij aan 't venster zat en had zij daarom zoo spoedig in juffrouw
Chuin's voorstel toegestemd, toen deze hem had genoemd? Misschien,
meende hij, was zij hem gaan beminnen met een hartstochtelijke
romantische liefde, als hij met verontwaardiging den koop had
afgewezen, dien juffrouw Chuin hem kwam voorstellen. Daarna, alsof
zij van al zijn vertrouwelijke mededeelingen geen woord verstaan had,
herhaalde zij droogjes:

"Mijn man dus, alleen in naam; onze levenswijzen geheel van elkander
afgescheiden; de volstrekte vrijheid."

Nantas hernam na een oogenblik met onbewogen gelaat,  en op den toon
van iemand, die spreekt over een alledaagsche overeenkomst:

"Dat is overeengekomen, juffrouw."

Hij trok zich terug, ontevreden over zichzelf. Hoe had hij zoo dom
kunnen wezen, zich te verbeelden die vrouw te kunnen veroveren! Zij
was buitengewoon schoon.




III.


Tien jaren waren er verloopen. Wij zien op een morgen Nantas weder
in het kabinet van baron Danvilliers, hetzelfde, waarin hij vroeger
zoo onvriendelijk was ontvangen. Op 't oogenblik was dit kabinet het
zijne; nadat hij zich met zijn schoonzoon en zijn dochter had verzoend,
had de baron hun het gansche huis overgelaten, voor zichzelf slechts
een klein paviljoen behoudende aan het andere einde van den tuin,
uitziende in de rue de Beauxe.

In tien jaren tijds had Nantas een der hoogste financiëele en
industriëele plaatsen weten in te nemen. Betrokken in alle mogelijke
spoorwegondernemingen en in vele financiëele operatie's, welke het
keizerrijk kenmerkten, had hij zich spoedig een onmetelijk fortuin
verworven. Zijn eerzucht bepaalde zich daarbij echter niet, hij
wenschte een rol te spelen in de politiek en hij was er in geslaagd
afgevaardigde te worden voor een departement, waarin hij vele
bezittingen had. Sinds hij in dit wetgevend lichaam was getreden,
scheen hij de aangewezen persoon om in de toekomst minister van
financiën te worden.

Door zijn buitengewone kennis van geldzaken en zijn groote
welbespraaktheid, wist hij zich meer en meer te doen gelden. Overigens
was hij een hartstochtelijk voorstander van het keizerschap en had
hij den keizer volkomen voor zich weten te winnen.

Dezen morgen was Nantas overstelpt met bezigheden. In de bureaux,
waarin hij de eerste étage van zijn kolossaal huis had herschapen,
heerschte buitengewone bedrijvigheid en drukte. Een leger van bedienden
bewoog zich achter de loketten, af en aan loopende, met de deuren
slaande; een geluid van goud, uit de zakken op de tafels leeggeschud,
vulde als de muziek der fortuin de ruimte.

In de antichambre bewoog zich een stoet sollicitanten, politieke en
gewoon burgerlijke, heel Parijs aan de voeten van den machthebber. De
invloedrijkste personen wachtten daar geduldig een uur lang. En hij
op zijn bureau zittende, zag eindelijk zijn droom van macht vervuld,
voelde zich eindelijk de verstandskracht der reusachtige machine,
die koninkrijken en keizerrijken in beweging bracht.

Nantas schelde. Hij scheen bezorgd.

"Germain," vroeg hij, "weet je ook of mevrouw al thuis is?"

Toen de man antwoordde dat hij 't niet wist, beval hij hem naar de
kamer van zijn vrouw te gaan. Germain vertrok echter niet.

"Pardon, mijnheer," fluisterde hij, "al geruimen tijd wacht de
president van den ministerraad om binnen te komen."

Hij wendde zich wrevelig tot den bediende en zei:

"Nu laat hem binnen en doe wat ik zeg."

Den vorigen dag had Nantas' redevoering op de begrootingsquaestie
zoodanigen invloed uitgeoefend, dat de betreffende statuten naar
de speciale commissie waren teruggezonden om te worden gewijzigd
in den zin als door Nantas was voorgesteld. Na afloop der zitting
was er gefluisterd dat de minister van financiën zijn ontslag
zou indienen en in de onderscheidene groepen wees men reeds den
jongen afgevaardigde als zijn opvolger aan. Hijzelf haalde echter de
schouders op; er was immers niets wat daar aanleiding toe gaf; met den
Keizer had hij slechts een onderhoud gehad over zeer ondergeschikte
aangelegenheden. De komst van den president van den ministerraad kon
echter buitengewone beteekenis hebben. Een oogenblik duizelde hij bij
de gedachte aan hetgeen geschieden kon, hij stond op om den president
de hand te schudden.

"Mijnheer de hertog," zeide hij, "ik vraag u wel pardon. Ik wist niet
dat u wachtte.... Geloof me dat ik getroffen ben door de eer welke
u mij aandoet."

Een oogenblik praatten zij op familiaren toon over allerlei
onbeteekenende feiten. Daarop deelde president hem mede, dat hij door
den Keizer gezonden was om eens te informeeren of hij de portefeuille
van financiën zou aannemen, zoo deze hem werd aangeboden en zoo ja, met
welk program? Hij stelde zijn condities. Zijn gelaat was onbeweeglijk,
maar inwendig loeide een storm van vreugde over zijn zegepraal. De
laatste sport van den ladder zou hij bestijgen. Allen zouden onder
hem zijn. De hertog zou zich aanstonds naar den keizer spoeden om
hem dit onderhoud mede te deelen, verzekerde hij.

Daar werd een kleine deur geopend en de kamenier zijner vrouw trad
binnen.

Nantas werd plotseling bleek en voleindigde den zin niet, welken hij
juist uitsprak. Hij liep naar de kamenier toe, zeggende:

"Excuseer mij, waarde hertog."

Op fluisterende toon ondervoeg hij haar. Mevrouw was dus vroeg
uitgegaan? Had zij gezegd waar zij heenging? Wanneer zou zij
terugkomen? De kamenier antwoordde op onbevredigende wijze, als
een verstandig meisje, dat er niet van houdt dingen te vertellen,
die zij beter weet te verzwijgen. Het nuttelooze van een dusdanig
verhoor inziende, zeide hij:

"Als mevrouw thuis komt, wilt gij haar zeker wel mededeelen dat ik
verlangend ben haar te spreken."

De hertog had zich verwonderd afgewend en staarde den tuin in.

Nantas naderde hem weder en vroeg hem opnieuw pardon.

Hij had echter zijn koelbloedigheid verloren, hij stotterde en
verwonderde zichzelf over zijn onhandige woorden.

"Ik heb mijn heele zaak verloren", liet hij zich hardop ontglippen,
toen de president vertrokken was. "De portefeuille gaat mij
ontsnappen".

En in een toestand van neerslachtigheid, afgewisseld door vlagen
van toorn, bleef hij achter. In de naburige bureaux klonk nog altijd
de klank van het goud. Een geluid als van een fabriek deed de muren
schudden, de werkplaats naar het scheen, waar al die goudstukken werden
vervaardigd. Hij had slechts een pen op te nemen en een telegram te
verzenden om de Beursnoteeringen in Europa te doen stijgen of te
doen dalen hij kon een oorlog verhinderen of de uitbarsting ervan
verhaasten, de leening steunende of bestrijdende, waarover men zijn
opinie had gevraagd; de begrooting van Frankrijk zelfs had hij in zijn
hand en weldra zou hij weten of hij voor of tegen het Keizerschap was.

De triomf, dat was het gewicht van zijn persoonlijkheid, die de
wisselingen der wereld in zijn macht had. En toch had hij niet zooveel
genot van zijn zegepraal, als hij zich had voorgesteld. Hij voelde een
zekere matheid en zijn zenuwen leden onder den geringsten schok. Als
een koorts van bevredigde ijverzucht naar zijn wangen steeg, voelde
hij zich plotseling verbleeken, alsof van achteren hem eensklaps een
koude hand in den nek werd gelegd.

Twee uren waren verloopen en Flavie was nog niet teruggekeerd. Nantas
schelde opnieuw Germain om hem op te dragen baron Danvilliers op te
zoeken, als hij tenminste thuis was. Alleen gebleven, liep hij zijn
cabinet op en neer, weigerde dien dag nog bezoek te ontvangen. Zijn
opgewondenheid was toegenomen. Ongetwijfeld had zijn vrouw een
rendez-vous. Misschien had ze de oude betrekkingen weer aangeknoopt met
den heer des Fondettes, die sedert vijf maanden weduwnaar was. Voor
zichzelf durfde Nantas niet te bekennen dat hij jaloersch was;
gedurende tien jaren had hij de overeenkomst met zijn vrouw aangegaan,
in geen enkel opzicht geschonden; hij hield er alleen niet van--maakte
hij zichzelven wijs--bespottelijk gemaakt te worden. Nooit zou hij zijn
vrouw veroorloven zijn maatschappelijke positie te onteeren, door hem
aan de spottende blikken van 't publiek over te leveren. Zijn kracht
begaf hem, zijn kracht die hem nooit had verlaten, zelfs niet in die
hachelijke oogenblikken toen hij, in den aanvang van zijn fortuin,
de stoutste zetten speelde.

Flavie trad, nog geheel in haar wandelcostuum, binnen. Zij had alleen
zich van haar hoed en handschoenen ontdaan. Nantas vertelde haar
met bevende stem, dat hij wel tot haar zou gegaan zijn, als zij hem
slechts had doen weten dat zij thuis was gekomen. Zij echter, zonder
te gaan zitten, als iemand die zeer gehaast is, maakte een beweging
om hem aan te sporen het gesprek zoo kort mogelijk te doen zijn.

"Mevrouw", begon hij, "ik geloof dat een verklaring tusschen ons
noodzakelijk is geworden.... Waar zijt gij vanmorgen heengegaan?"

De bevelende toon, waarop hij dit zeide en het brutale der vraag,
verrastte haar.

"Wel", antwoordde zij op ijskouden toon, "waarheen het mij goeddacht
te gaan".

"Juist dat is het, wat mij niet bevalt en gij zult u zeker nog wel
herinneren dat ik u gezegd heb niet te zullen dulden dat u misbruik
maakte van uw vrijheid, om mijn naam te onteeren".

Fiavie glimlachte verachtelijk.

"Uw naam onteeren, mijnheer, dat is iets dat u aangaat, en iets wat
ik niet meer heb te doen".

Nantas sprong op als een waanzinnige, een beweging makende als wilde
hij haar verpletteren.

"Ongelukkige, gij keert terug uit de armen van mijnheer des Fondettes
.... Gij hebt een minnaar, dat weet ik".

"Gij bedriegt u", zeide zij, zonder zich over zijn bedreiging ongerust
te maken, "ik heb mijnheer des Fondettes nimmer wedergezien .... Als
ik echter een minnaar had, stond het nog niet aan u mij dat te
verwijten. Wat gaat u dat aan? Vergeet gij onze overeenkomst?"

Een oogenblik zag hij haar met wilde oogen aan; daarna in snikken
uitbarstende van lang ingehouden hartstocht, wierp hij zich aan
haar voeten:

"O, Flavie! Ik bemin u!"

Maar zij, rechtop en koud, wendde zich terzijde omdat hij den rand
van haar rok had vastgegrepen. De ongelukkige volgde haar echter,
zich op de knieën voortslepende, de handen smeekend uitgestrekt.

"Ik bemin u, Flavie! ... Ik bemin u tot gekwordens toe. Ik weet niet
hoe het komt! Al jaren duurt die toestand voort. Langzamerhand heeft
die liefde mij geheel veroverd. Ik heb er tegen geworsteld, omdat
ik dat gevoel mijner niet waardig vond; ik herinner mij maar al te
wel ons eerste onderhoud .... Nu is mijn lijden echter te zwaar,
ik moet spreken ...."

En zoo sprak hij langen tijd voort. De man, die al zijn geloof in
eigen kracht had en die volhield dat de wil de eenigste macht was
om werelden te verzetten, lag daar vernietigd, zwak als een kind,
geheel ontwapend, aan de voeten eener vrouw. Zijn droom van rijkdom was
werkelijkheid geworden, de hoogste sporten van den maatschappelijken
ladder had hij bestegen, en dat alles had hij willen geven voor één
kus van die vrouw.... Zij bedierf zijn zegepraal. Hij luisterde
niet meer naar het goudgeklank in de naburige bureaux; hij dacht
niet meer aan de afgevaardigden, die hem kwamen complimenteeren,
hij vergat den keizer zelfs, die in dit oogenblik hem mogelijk riep
tot een der gewichtigste staatsambten.

Dat alles was niets meer voor hem.--Als Flavie hem afwees, was al
't andere hem onverschillig.

"Luister," zeide hij. "Wat ik gedaan heb, deed ik voor u.... In den
beginne, ik beken het gaarne, dacht ik niet aan u; ik werkte alleen
om mijn heerschzucht te voldoen. Daarop zijt gij het eenige doel
mijner overdenkingen en mijner krachten geworden en wilde ik zoo hoog
stijgen als ik met mogelijkheid kon, om u waardig te worden. Ik hoopte
u te vermurwen, waneer ik al mijn macht aan uw voeten kon leggen. Gij
weet op welk standpunt ik op 't oogenblik sta. Heb ik uw vergeving
verdiend? Ik bezweer u, minacht mij niet langer."

Zij had nog geen woord gezegd. Nu antwoordde zij bedaard: "Sta op,
mijnheer, er kon iemand binnenkomen".

Maar hij stond niet op. Hij eindigde met haar te smeeken. Misschien
zou hij nog gewacht hebben, als hij niet zoo jaloersch was geweest
op den heer des Fondettes. Dit was een kwelling, die hem waanzinnig
maakte. Weldra werd hij onderdanig en ootmoedig.

"Ik zie wel, dat gij mij aldoor minacht. Welnu geef uw liefde, dit
smeek ik u, tenminste niet aan een ander. Vergeef me als ik soms
brutaal ben geweest en laat mij tenminste hopen, dat gij mij ééns
zult beminnen!..."

"Nooit!" stiet zij met groote vastberadenheid uit.

Hij was verpletterd, vernietigd en zij wilde vertrekken, doch door
een woeste vlaag van halven waanzin aangegrepen, vloog hij overeind
en vatte haar bij de polsen. Een vrouw zou hem weerstaan durven,
terwijl een wereld aan zijn voeten lag!

Hij vermocht alles, hij kon staten omwerpen. Frankrijk leiden, waarheen
hij begeerde en toch was hij onmachtig de liefde te verwerven van deze
vrouw. Hij, zoo sterk, zoo machtig, wiens minste wensch een gebod was,
hij had slechts één machtige begeerte, een die nooit bevredigd worden
zou, daar een schepsel, zwak als een kind, dit weigerde. Hij schudde
haar heftig bij den arm en riep op dreigende toon:

"Ik wil .... ik wil...."

"En ik wil niet", zeide Flavie die wit geworden was als krijt.

Nog worstelden zij samen, toen baron Danvilliers de deur opende.

Nantas liet oogenblikelijk Flavie los en riep uit:

"Mijnheer, ziehier uw dochter, die de armen van haar minnaar zooeven
heeft verlaten .... Vertel haar dat een vrouw den naam van haar man
niet mag bezoedelen, zelfs al bemint zij hem niet en al is haar eigen
eergevoel zoo klein, dat dit geen beletsel voor haar is."

De baron, door den ouderdom een grijsaard geworden, stond rechtop
in de deuropening het tooneel aan te zien. 't Was een smartelijke
verrassing voor hem. Hij dacht dat de jonge lieden een gelukkig leven
leidden. Zijn schoonzoon en hij waren van geheel verschillende afkomst,
doch had hij in sommige dingen geheel andere inzichten, hij kon niet
ontkennen dat een groote wil hem bezielde en dat hij veel verstand
bezat. En nu stond hij daar plotseling voor een drama.

Toen Nantas Flavie beschuldigde van een minnaar te hebben, deed
de grijsaard, die zijn dochter nog met al de gestrengheid van de
kinderjaren behandelde, een stap voorwaarts.

"Ik zweer u dat zij juist van haar minnaar terugkomt" herhaalde Nantas,
"en u ziet het, zij weerstaat mij nog!"

Flavie had verontwaardigd het hoofd afgewend. Zij streek haar
manchetten glad, door de brutaliteit van haar man verkreukeld. Zelfs
geen blos steeg haar naar de wangen. Niettemin sprak haar vader
haar aan.

"Mijn dochter, waarom verdedigt gij u niet? Zegt uw man de
waarheid. Zoudt gij ook deze smart mijn ouderdom willen aandoen? De
schande zou ook mijn deel zijn, daar de smet, welke één lid der
familie aankleeft, ook op al de anderen overgaat."

Nu werd zij ongeduldig. Moest haar vader haar nu óók al
beschuldigen! Een oogenblik kon zij zijn verhoor ondergaan, doch
toen ook hij zich opwond en zijn toon driftig en uitdagend werd,
riep zij uit:

"Laat dien man zijn rol spelen vader.... Gij kent hem niet. Noodzaak
mij niet te spreken, laat mij zwijgen uit eerbied voor u-zelf".

"Hij is uw echtgenoot", hernam de grijsaard. "Hij is de vader van
uw kind".

Maar nu richtte Flavie zich sidderend op.

"Neen, dat is hij niet .... Welnu, het moet, gij zult alles weten. Die
man is niets eens een verleider, dan zou hij een verontschuldiging
hebben in het feit dat hij mij eens bemind had. Die man heeft
zich alleen verkocht en er in toegestemd, de fout van een ander
te bedekken".

De baron wendde zich tot Nantas, die loodkleurig achteruit week.

"Hoort gij het vader", herhaalde Flavie luider, "hij heeft zich
verkocht, verkocht voor geld .... Ik heb hem nooit bemind en nooit
heeft hij mij zelfs met zijn vingertoppen aangeraakt .... Ik heb
u de smart van die bekentenis willen besparen; ik heb hem gekocht,
om u te bedriegen .... Zie hem aan, spreek ik de waarheid niet?" ....

Nantas verborg het gelaat in de handen.

"En nu", vervolgde de jonge vrouw, "nu wil hij dat ik hem
lief zal hebben .... Hij heeft zich op de knieën geworpen en
geweend. Ongetwijfeld alles comediespel. Vergeef mij dat ik u bedrogen
heb, vader, maar zeg het zelf: 'Behoor ik aan dien man?' En nu gij
alles weet, neem mij nu met u van hier. Hij heeft geweld tegen mij
gepleegd en ik wil hier geen uur meer blijven".

De baron richtte zich op. Stilzwijgend gaf hij zijn dochter den arm
en beiden doorschreden het vertrek, zonder dat Nantas één beweging
maakte om hen te weerhouden. Aan de deur gekomen, zeide de grijsaard
niets dan:

"Vaarwel, mijnheer".

De deur viel dicht. Nantas bleef alleen, verpletterd rond starend in
de ledige ruimte om zich heen.

Germain kwam binnen en legde een brief op zijn schrijfbureau. Hij
opende hem werktuigelijk en doorliep hem vluchtig. Deze brief,
eigenhandig door den keizer geschreven, benoemde hem in complimenteuse
woorden tot minister van financiën. Ternauwernood begreep hij, wat
hij las. De vervulling van zijn stoutste wenschen liet hem koud. In de
naburige bureaux klonk nog luider het geklank der goudstukken; het was
het uur, waarop het huis Nantas diep ademhaalde, leven gevende aan de
gansche wereld. En hij te midden van deze reusachtige ondernemingen,
alles zijn werk, op het toppunt van zijn macht, de oogen starende op
het handschrift van den keizer, snikte als een kind:

"Ik ben niet gelukkig .... Ik ben niet gelukkig ...."

Met het hoofd op zijn bureau leunende weende hij, en heete tranen
vielen op de letters van den brief, die hem tot minister van financiën
benoemde.




IV.


Nantas, thans ruim achttien maanden minister van financiën, scheen
zich te willen bedwelmen door overmaat van werkzaamheden. Den dag
na het tooneel dat zich in zijn cabinet had afgespeeld, had hij een
onderhoud gehad met baron Danvilliers. Op aanraden van haar vader had
Flavie er in toegestemd in de echtelijke woning terug te keeren. De
beide echtgenooten spraken elkander echter nooit een woord toe,
behalve als de samenleving, comediespel noodzakelijk maakte. Nantas had
besloten geen bureaux buiten zijn eigen huis te betrekken. 's Avonds
deed hij zijn secretarissen komen en deelde hen mede wat zij te doen
hadden. Voor lofredenen was hij ongevoelig en men zou gemeend hebben,
dat hij werkte zonder hoop op belooning, hopende het eene werk op
het andere, als wilde hij het onmogelijke beproeven.

Telkens wanneer zijn roem steeg, raadpleegde hij in stilte het gelaat
van Flavie. Zou zij eindelijk eens getroffen worden? Zou zij hem
eindelijk zijn vroegere laagheid eens vergeven, om iets te zien van
de ontzettende ontwikkeling van zijn verstand en van zijn kracht? Maar
altijd was haar gelaat onbeweeglijk en stom.

De jalousie verteerde hem. Zijn onmacht om zich door Flavie te doen
beminnen, was vreeselijk, maar erger dan dat was het te moeten denken,
dat zij gaf aan een ander, waar hij te vergeefs om smeekte. Zij zou
instaat zijn met des Fondettes betrekkingen aan te knoopen, al was
't alleen maar om hem te doen zien, dat zij in haar vrijheid geen
belemmering duldde. Hij veinsde, zich niet om haar te bekommeren,
terwijl hij doodsangsten uitstond gedurende haar afwezigheid. Als hij
't niet te bespottelijk gevonden had, zou hij haar zelfs op straat
hebben achtervolgd. Veel beter was het iemand te vinden, die dat deed
en wiens diensten hij betaalde.

Juffrouw Chuin had Flavie steeds bij zich gehouden. De baron
was eenmaal aan haar gewoon geraakt. Bovendien wist zij te
veel, om het niet geraden te achten, haar de wijde wereld in te
zenden. Een oogenblik had de oude jongejuffrouw er aan gedacht met
de twintigduizend francs, welke Nantas haar den dag na zijn huwelijk
had uitbetaald, op zichzelf te gaan leven.

Ongetwijfeld oordeelde zij het echter beter te blijven, van meening
dat het in troebel water goed visschen is. Zij wachtte slechts op
een nieuwe gelegenheid, bij zichzelf reeds uitrekenende dat haar nog
twintigduizend francs ontbraken om te Roinville, haar geboorteplaats,
het huis van den notaris te kunnen koopen, dat altijd de droom
van haar jeugd was geweest. Voor haar behoefde Nantas zich niet
te geneeren; haar devote manieren bedrogen hem niet. Den morgen,
waarop hij haar in zijn cabinet ontbood en haar voorstelde hem op
de hoogte te houden van al de handelingen zijner vrouw, veinsde zij
echter hevige verontwaardiging en vroeg zij hem waarvoor hij haar
eigenlijk wel hield.

"Komaan, juffrouw", zeide Nantas ongeduldig, "ik heb het erg druk en
men wacht mij. Maak het dus kort, verzoek ik u".

Zij wilde echter van niets hooren, als hij zich niet bepaalder
uitdrukte. Haar principes waren, dat niets leelijk of slechts is
uit zichzelf, doch dat het leelijke en slechte alleen afhangt van de
wijze van voorstelling.

"Welnu", herhaalde hij, "het betreft een goede zaak, mejuffrouw .... Ik
geloof dat mijn vrouw een stil verdriet met zich omdraagt. Reeds weken
lang zie ik haar bedroefd en 't is van u dat ik de oorzaak van haar
leed wensch te vernemen".

"Dan kan u op mij rekenen", zeide zij op moederlijken toon. "U weet
dat ik aan mevrouw gehecht ben, ik wil alles doen voor uw geluk en voor
het hare .... Reeds morgen zal ik beginnen met over haar te waken".

Hij beloofde haar heur diensten naar waarde te zullen beloonen.

Weder werd zij boos, waar hij over beloonen sprak, doch zij was zoo
slim het toch daarheen te leiden dat hij een bepaalde som noemde: hij
zou haar tienduizend francs ter hand stellen als zij hem een bewijs
leverde van het behoorlijke of onbehoorlijke gedrag zijner vrouw.

Langzamerhand waren zij er toe gekomen de dingen te noemen zooals
zij waren.

Van dit oogenblik af waren Nantas' kwellingen minder hevig. Drie
maanden gingen voorbij: hij was overstelpt met werkzaamheden, daar de
begrooting aan de orde was. In overeenstemming met den Keizer had hij
verscheidene veranderingen bij het financiewezen ingevoerd. Hij wist,
dat hij daarvoor in de Kamer veel zou moeten hooren en hij diende dus
de noodige documenten voor zijn verdediging bijeen te brengen. Soms
bracht hij gansche nachten werkende door. Dit bedwelmende hem en
stemde hem kalmer. Zag hij juffrouw Chuin, dan ondervroeg hij haar
zoo kort mogelijk.

Wist zij iets? Had mevrouw visites gemaakt? Had zij zich in sommige
huizen lang opgehouden? En juffrouw Chuin deed een heel omstandig
verslag. Tot nog toe echter kon zij niet anders dan zeer onbeteekenende
feiten mededeelen.

Nantas stelde zich gerust, terwijl de oude jongejuffrouw geheimzinnig
knipoogde en vertelde dat zij te avond of morgen wel een meer
belangrijke ontdekking zou doen.

De waarheid was dat juffrouw Chuin over alles eens goed had
nagedacht. Tienduizend francs waren niet voldoende om haar het
huis van den notaris te doen koopen, zij kwam twintigduizend te
kort. Aanvankelijk had zij er over gedacht zich aan de vrouw te
verkoopen, waar zij zich reeds aan den man verkocht had. Zij kende
mevrouw echter te goed en vreesde weggejaagd te worden bij de geringste
zinspeling daarop.

Geruimen tijd voor dat Nantas haar die opdracht deed, had zij Flavie
reeds voor haar eigen rekening bespied, zeggende dat de ondeugden der
heeren de grondslagen dikwijls zijn voor het fortuin der bedienden,
zij was hier echter gestooten op een van die kuische en onberispelijke
levens, welken de trotsch verbiedt iets te doen wat niet edel is. Uit
haar misstap was bij Flavie een afkeer ontstaan tegen al wat man
was. Juffrouw Chuin was op dit punt wanhopig, toen zij op zekeren dag
den heer des Fondettes ontmoette. Hij informeerde met buitengewone
belangstelling naar zijn oude maîtresse en zij begreep aanstonds dat
hij niets liever zou wenschen dan haar weder te bezitten, brandend van
verlangen bij de gedachte aan het genot dat hij eens in haar armen
gesmaakt had. Haar plan was gemaakt: zij zou den echtgenoot en den
minnaar dienen, dat was een combinatie, die vernuftig mocht heeten.

Zij had op 't juiste tijdstip den heer des Fondettes gesproken. Deze
hopeloos verliefd, zou zijn fortuin opgeofferd hebben om de vrouw te
bezitten, die hem eens één oogenblik had toebehoord. Hij was het zelf
die juffrouw Chuin met het voorstel voor den dag kwam. Toen hij haar
een tweede maal zag, zwoer hij, dat hij zich dooden zou, als zij hem de
behulpzame hand niet reikte. Juffrouw Chuin nam acht dagen bedenktijd,
doch eindigde met hem te beloven te doen wat in haar vermogen was;
zij zou tienduizend francs ontvangen, als zij hem op een avond in de
kamer van Flavie verborg.

Den volgenden morgen zocht Juffrouw Chuin Nantas op.

"Wat hebt ge voor nieuws?" vroeg hij verbleekend.

Zij wilde haar doel bereiken langs een omweg.

Mevrouw had ongetwijfeld een liaison. Ook geloofde zij dat er wel
eens rendez-vous bepaald werden.

"Kom ter zake", zeide Nantas, woedend van ongeduld.

Eindelijk kwam de naam van den heer des Fondettes over hare lippen.

"Vanavond kan u hem vinden in de kamer van mevrouw".

"'t Is goed, dank je", stotterde Nantas.

Met een beweging van de hand gaf hij haar te kennen dat zij gaan
kon. Hij was bang dat hij zich zwak zou toonen tegenover haar. Dit
plotseling wegzenden vervulde haar met verwondering en blijdschap;
zij had zich op een lang verhoor voorbereid en haar antwoorden reeds
bedacht, bevreesd als zij was, zich te zullen verspreken. Zij maakte
een buiging en trok zich met geveinsd medelijdend gelaat terug.

Nantas sprong overeind. Nu hij alleen was, sprak hij hardop:

"Vanavond .... in haar kamer ...."

En hij bracht de hand aan zijn hoofd, alsof hij vreesde dat het
barsten zou. Dit rendez-vous, gegeven in de echtelijke woning was de
onbeschaamdste beleediging, welke hij zich kon denken. Zoo'n smaad kon
hij zich niet laten welgevallen. Zijn vuisten balden zich, hij zag zich
in zijn verbeelding reeds een moordenaar. Het werk, waaraan hij bezig
was, moest echter nog af. Driemaal zette hij zich voor zijn bureau,
driemaal sprong hij overeind, het werk drong hem tot kalmte doch een
wild verlangen, dat hem aanzette, oogenblikkelijk naar zijn vrouw te
gaan en haar heur laagheid voor de voeten te werpen, stond daar naast.

Hij bedwong zich zelven echter en hervatte zijn arbeid, zwerende hen
van avond beiden te dooden. Dit was de grootste overwinning ooit op
zichzelf behaald.

Dien namiddag ging Nantas den keizer het voorloopig begrootingsplan
overhandigen. Deze maakte echter eenige aanmerkingen, welke hij echter
gemakkelijk weerlegde. Hij moest echter beloven, vóór den volgenden
dag het ontwerp werd ingeleverd, verscheidene punten hier en daar
nog toe te lichten.

"Sire, ik zal den ganschen nacht doorwerken", zeide hij, terwijl
hij dacht: "ik zal hem om twaalf uur dooden, dan kan ik tot de dag
aanbreekt aan mijn werk blijven."

Dien avond aan het diner was het onderwerp van het gesprek tusschen
Nantas en baron Danvilliers het veelbesproken begrootingsplan. Hoewel
hij niet alle inzichten van zijn schoonzoon deelde, vond hij zijn
ideën groot en oorspronkelijk. Onderwijl hij den baron antwoordde,
had Nantes meenen te bespeuren dat de oogen van zijn vrouw de zijne
zochten. Zij zag hem tegenwoordig zoo dikwijls aan; er was niets
teeders in haar blik, doch zij scheen tot diep in zijn hersenen te
willen doordringen. Nantas onderstelde dat zij vreesde voor verraad,
hij veinsde zich daarom zoo opgeruimd mogelijk en sprak levendig over
zijn plannen, waarvoor hij allengs ook den baron wist te winnen.

Flavie staarde hem aldoor aan en een schemer van teederheid vloog
een oogenblik over haar gelaat.

Tot middernacht arbeidde Nantas in zijn cabinet. Hij was langzamerhand
weer geheel in zijn werk opgegaan; niets bestond meer voor hem, dan
dit ontwerp, dit financieele raderwerk, dat hij stuk voor stuk ineen
had gezet, tallooze moeielijkheden overwinnende.

Toen de pendule twaalf uur sloeg, hief hij instinktmatig het hoofd
op. Een doodsche stilte heerschte rondom hem. Plotseling herinnerde
hij zich, dat te midden van deze duisternis en deze stilte het
verraad sliep.

Met weerzin rees hij uit zijn fauteuil overeind en spijtig legde hij
de pen neer. Als zoekende naar zijn oude wilskracht, deed hij eenige
schreden door de kamer. Plotseling steeg de warmte hem echter naar
't hoofd, zijn oogen begonnen te gloeien en hij spoedde zich naar de
vertrekken zijner vrouw.

Dien avond had Flavie haar kamenier reeds vroeg weggezonden. Zij
wilde alleen zijn. Tot twaalf uur bleef zij in het kleine salon,
dat aan haar slaapkamer grensde. Lang uitgestrekt op de canapé, las
zij een boek, dat haar echter ieder oogenblik uit de hand gleed. Dan
staarde zij voor zich, vaag, droomerig. De hardheid van haar gelaat
was verdwenen; nu en dan glansde er iets op als een glimlach.

Plotseling sprong zij overeind. Men had geklopt.

"Wie is daar?"

"Open", antwoordde Nantas.

De verrassing was zoo groot, dat zij werktuigelijk de deur opende. Nog
nooit was haar man zoo bij haar binnengekomen. Hij trad de kamer in,
een woeste uitdrukking op het gelaat. Juffrouw Chuin, die hem in den
gang had bespied, had gelegenheid gevonden hem in 't oor te fluisteren
dat de heer des Fondettes zich reeds gedurende twee uren bij haar
bevond. Hij gebruikte dan ook niet den minsten omslag.

"Gij verbergt een man in uw kamer", zeide hij.

Flavie was zóó weinig met haar gedachten bij 't geen hij sprak,
dat zij hem niet dadelijk antwoordde. Eindelijk begreep zij hem.

"Gij zijt gek, mijnheer", zeide zij.

Zonder verder te redeneren wilde hij zich naar haar slaapkamer begeven,
maar met een sprong stelde zij zich voor de deur, uitroepende:

"Ik verbied u hier binnen te gaan .... Dit zijn mijne vertrekken,
waar ik meesteres ben".

Zich oprichtende in haar toorn, bewaakte zij de deur.

Een oogenblik stonden zij sprakeloos tegenover elkander, elkander
woedende blikken toeschietende. Het hoofd vooruit, de handen
uitgestrekt, stond hij gereed zich op haar te werpen, teneinde zich
een doorgang te banen.

"Ga uit den weg", stiet hij op schorren toon uit, "ik ben sterker
dan gij en ik zal binnen".

"Neen, gij zult niet binnen, omdat ik het niet wil".

Als een krankzinnige schreeuwde hij: "daar is een man, daar is een
man ...."

Zij verwaardigde zich niet hem tegen te spreken en haalde als eenig
antwoord de schouders op. Toen hij nog een pas nader kwam, zeide zij:

"Welnu, ondersteld dat daar een man is, wat gaat u dat aan? Ben ik
niet volkomen vrij te doen en te laten wat ik wil?"

Hij deinsde bij deze woorden terug, alsof hij een slag in 't gelaat
had ontvangen. Inderdaad zij was vrij. 't Was of een koud bad over hem
werd uitgestort, hij voelde dat zij in dit oogenblik de meerdere was
en dat hij zich aanstelde als een dwingerig ziek kind. Hij dacht niet
aan hun overeenkomst, zijn hartstocht maakte hem onbillijk. Waarom
was hij niet blijven werken in zijn cabinet? Een doodelijk bleek
overtoog zijn wangen. Toen Flavie zag welken verpletterenden indruk
haar woorden op hem hadden gemaakt, verwijderde zij zich van de deur,
terwijl een mildere trek over haar gelaat gleed.

"Zie!" zeide zij kortweg.

Zij trad de kamer binnen, een lamp in de hand, terwijl Nantas op den
drempel bleef staan. Met een gebaar had hij haar te kennen gegeven
dat hij niet wenschte te zien, doch thans drong zij er op aan. Toen
zij voor het bed kwam, lichtte zij de gordijnen op en des Fondettes,
daarachter verborgen, kwam te voorschijn. De schrik was zóó hevig,
dat zij een gil gaf. "'t Is waar", stamelde zij verward, "'t is waar,
daar was een man in mijn kamer .. Ik wist het echter niet, bij God,
ik wist het niet!"

Met een uiterste wilsinspanning hernam zij haar kalmte; zij scheen
er zelfs spijt van te hebben dat zij gepoogd had zich te verdedigen.

"Gij hebt gelijk, mijnheer, en ik vraag u wel pardon", zeide zij tot
Nantas, terwijl zij haar best deed zoo koud en onverschillig mogelijk
te spreken.

Des Fondettes vond zijn toestand bespottelijk. Hij zou alles hebben
willen geven als haar echtgenoot woedend was geweest.

Nantas zweeg echter. Hij was alleen zeer bleek. Toen hij zijn blikken
van des Fondettes naar Flavie had gewend, boog hij voor de laatste
en fluisterde alleen:

"Mevrouw, vergeef mij, gij zijt vrij".

Hij keerde haar den rug toe en ging. 't Was of er iets in hem was
gebroken; alleen de spieren van het zenuwstelsel werkten nog.

In zijn cabinet teruggekeerd, liep hij rechtstreeks op een lade toe,
waarin hij een revolver verborgen hield. Na het wapen te hebben
bekeken, zeide hij hardop, als sloot hij een overeenkomst met zichzelf:

"Komaan, 't is genoeg, ik zal mij aanstonds dooden".

Hij draaide de lamp, die lager was gaan branden, wat op en nam weer
plaats voor zijn bureau, stil en ijverig beginnende te werken. Zonder
de minste aarzeling, te midden der stilte, voltooide hij de straks
begonnen zin. De bladen papier hoopten zich, een voor een, naast hem
op. Twee uur later toen Flavie, die des Fondettes had weggejaagd,
blootsvoets beneden kwam en luisterde aan de deur van zijn cabinet,
hoorde zij niet anders dan het gekras der pen over 't papier, toen
boog zij zich en keek door 't sleutelgat. Nantas schreef aldoor, met
dezelfde kalmte, terwijl op zijn gelaat niet anders te lezen stond
dan kalmte en voldaanheid over zijn werk. Bij het licht der lamp zag
zij een revolver naast hem liggen.




V.


Thans was het oude huis, dat grensde aan den tuin van het trotsche
gebouw, het eigendom geworden van Nantas, die het van zijn schoonvader
had gekocht. Dikwijls had hij, nadat hij zijn fortuin had gemaakt,
behoefte gevoeld er zich eenige uren af te zonderen. Dáár had hij
geleden, dáár wilde hij zijn overwinning genieten. Deed zich een
hindernis voor, dan hield hij er van dáár na te denken en plannen te
beramen. Daar werd hij weer wat hij eens geweest was. Nu hij den dood
onvermijdelijk achtte, wenschte hij ook dáár te sterven. Tegen acht
uur was Nantas 's morgens eerst met zijn taak gereed. Bevreesd dat
hij door vermoeidheid zou worden overvallen, wiesch hij zich met koud
water. Daarop riep hij zijn onderscheidene beambten om hun de noodige
orders te geven. Met zijn secretaris had hij een lang onderhoud; deze
moest onverwijld het begrootingsontwerp naar de Tuileriën brengen en
de noodige verklaringen geven, wanneer de Keizer nieuwe aanmerkingen
maakte. Toen dit afgedaan was, meende Nantas, dat hij zijn taak had
teneinde gebracht. Hij had alles geregeld, hij zou niet heengaan als
een bankroetier, alles in wanorde achterlatende. Eindelijk behoorde
hij zichzelven toe, zonder dat men hem kon beschuldigen van egoïsme
of lafhartigheid.

't Sloeg negen uur. Het was tijd. Toen hij echter zijn cabinet zou
verlaten, restte hem nog een bittere beker. Juffrouw Chuin kwam binnen
om haar tienduizend francs te ontvangen. Hij betaalde haar en moest
zich nog een laatste familiariteit van haar getroosten.

Zij veinsde een moederlijke genegenheid en behandelde hem vrijwel als
een schoolknaap. Had hij nog geaarzeld, deze laatste beleediging was
meer dan voldoende zijn besluit onherroepelijk vast te stellen. Hij
klom haastig naar boven, vergetende den sleutel uit de deur te nemen.

Niets was veranderd. Het behangselpapier was nog op evenveel plaatsen
gescheurd, het bed, de tafel en stoel bevonden zich nog steeds op
dezelfde plaats; over alles lag nog hetzelfde waas van armoede en
ellende. Een oogenblik bezag hij dit alles opmerkzaam, zich zijn
vroegere worstelingen weer voor den geest roepende. Daarna naderde
hij het venster, waardoor nog steeds hetzelfde gedeelte van Parijs
te zien was, de boomen van zijn eigen weelderig huis, de Seine, de
kaden, een stuk van den rechteroever, waar de huizenstroom heengolfde,
rijzende, zich verwarrende tot aan Père-Lachaise, heel in de verte.

Op de oude tafel, onder het bereik van zijn hand, lag de revolver. Nu
had hij geen haast meer; hij was zeker dat niemand hem zou kunnen
storen en dat hij zich dooden kon zooals hij dat wilde. Hij dacht
zich weg in het verleden en vond dat hij precies even ver was als
toen. Reeds eens, op een avond, had hij op deze zelfde plaats, zich
het hoofd willen verbrijzelen; toen was hij te arm om een revolver
te koopen en had hij niets om aan zijn ellende een einde te maken,
dan het straatplaveisel; het einde was toen echter evenals thans:
"Sterven". In zijn heele bestaan, was eigenlijk niets hem zoo trouw
gebleven als de dood, een vriend op wien hij rekenen kon en die altijd
voor hem gereed stond.

Hij vond het nu jammer, dat hij tien jaar te lang geleefd had. De
wetenschap, die hij in het leven had gekregen, al stijgende tot
rijkdom en macht, leek hem klein en nietig toe. Waartoe had hij zooveel
wilskracht vermorst, waartoe zooveel kracht verspild, daar de wil en
de kracht toch niet alles beteekenden? Een hartstocht was voldoende
geweest hem ten onder te brengen. Zijn dwaze liefde voor Flavie deed
het gebouw dat hij had opgetrokken, op zijn grondvesten schudden. 't
Was vreeselijk min en had wel iets van de straf eens schooljongen, die
op een tak is geklommen, en met tak en al naar beneden valt. Het leven
was een onding, waarin de groote geesten even ellendig ondergingen
als gekken en dwazen.

Nantas nam de revolver van de tafel en laadde hem langzaam. Een
laatste gevoel van spijt deed hem een oogenblik week worden. Wat had
hij niet kunnen volbrengen, als Flavie hem had begrepen! Den dag,
waarop zij zich aan zijn borst zou hebben geworpen, uitroepende:
"Ik heb je lief?" dien dag zou hij de kracht in zich gevoeld hebben
de wereld te verzetten. Zijn laatste gedachte was minachting voor
de kracht, waarvan hij alles had gehoopt en die niet in staat was
geweest hem de liefde van Flavie te geven. Hij hief het wapen op. De
morgen was schoon.

Door het open venster gleden de zonnestralen binnen, hun spel van
jeugd en schoonheid spelende in de kleine kamer.

In de verte begon het reuzenlichaam van Parijs zich te bewegen. Nantas
drukte den loop tegen zijn slaap. Op 't zelfde oogenblik werd echter
de deur woest opengeworpen en Flavie vloog binnen. Den revolver
wegduwen was het werk van een oogenblik, doch het schot ging af,
en de kogel in den zolder. Zij zagen elkander aan. Zij was echter
zóó zenuwachtig, dat zij niet spreken kon. Eindelijk voor het eerst
Nantas intiem aansprekende, vond zij het woord, het eenige dat hem
kon doen besluiten het leven niet te verlaten.

Zij wierp zich aan zijn hals en riep snikkend: "Ik heb je lief!" Zij
ontwrong aan haar hoogmoed deze bekentenis, die Nantas deed opspringen
van vreugde:

"Ik heb je lief, omdat je sterk bent!"







DE OVERSTROOMING

OF DE ONTZETTENDE LOTGEVALLEN VAN DE FAMILIE ROUBIEU

DOOR EMILE ZOLA.




I.


Ik heet Louis Roubieu. Ik ben zeventig jaar en geboren in het dorpje
Saint-Jory, op eenige mijlen afstands van Toulouse, aan den bovenloop
der Garonne. Gedurende veertien jaren heb ik een worstelstrijd met
den grond beproefd om mijn brood te verdienen. Mijn werkzaamheid
heeft vruchten gedragen, de welvaart kwam in mijn huis en de vorige
maand nog was ik de rijkste landbouwer uit den omtrek. Ons huis
scheen gezegend. Het geluk bloeide er; de zon was onze vriend en ik
herinner mij den tijd niet dat wij een slechten oogst gehad hebben. En
al dat geluk deelden wij op de hoeve met ons twaalven. Ik zelf, nog
opgeruimd en krachtig, zette de anderen aan het werk; daar hadden we
mijn jongsten broer Pierre, een oud sergeant; dan mijn zuster Agathe,
die bij ons kwam inwonen na den dood van haar man, een flinke vrouw,
sterk en vroolijk, wier lach weerklonk tot aan het andere einde van
het dorp. Dan kwamen de jongeren; mijn zoon Jacques, zijn vrouw Rose
en hun drie kinderen Aimée, Véronique en Marie; de eerste van deze
drie was getrouwd met Cyprien Bouisson, een aardige kerel, bij wien
zij twee kinderen had, een van twee jaar en een van tien maanden;
de tweede, kortelings verloofd, zou trouwen met Gaspard Rabuteau;
de derde eindelijk was een echt juffertje, zóó fijn, zóó blond,
dat men gemeend zou hebben een stadskind voor zich te zien. Alles
meegerekend waren er dat tien. Ik was grootvader en overgrootvader.

Als wij aan tafel zaten, zat mijn zuster aan mijn rechterhand, mijn
broer Pierre zat aan mijn linker; de kinderen vormden een kring,
geplaatst naar hun leeftijd, van den grootste tot den kleinste,
een kleuter van 10 maanden, die reeds soep kon eten als een groot
mensch. Wat tikten de lepels vroolijk op de borden! En wat kon er veel
gegeten worden! Hoe opgeruimd was 't steeds aan tafel. Wat voelde ik
mij gelukkig en trotsch als de kleuters de handen naar mij uitstaken
en riepen: "Grootvader, geef ons nog wat brood! .... Een groot stuk,
als 't u blieft, grootvaatje!"

Wat een heerlijke dagen! Uit alle vensters onzer hoeve klonk het gezang
van den arbeid naar buiten. Pierre dacht 's avonds spelletjes uit of
vertelde geschiedenissen uit zijn soldatentijd. Tante Agathe bakte
's Zondags pannekoeken voor de meisjes. Marie zong gewijde zangen,
met een stemmetje als de koorknapen in de kerk; zij scheen wel een
heilige met haar blonde haren als een aureool, haar handen gevouwen
op haar boezelaar. Toen Aimé met Cyprien was getrouwd, had ik een
verdieping op het huis laten zetten en sprak er lachend over om het
met een tweede te laten verhoogen toen er sprake was van het huwelijk
van Véronique met Gaspard; op die wijze had het huis ten laatste tot
aan den hemel gereikt; als wij tenminste bij elke trouwgelegenheid
zulke plannen hadden gehad. Wij wilden elkaar niet verlaten, veeleer
zouden wij een gansche stad achter onze hoeve gebouwd hebben. Als
families in de beste harmonie verkeeren is het zoo goed te leven en
te sterven waar men geboren is.

De Meimaand was dat jaar prachtig geweest.

In jaren had de oogst zich niet zoo mooi laten aanzien.

Ik had dien dag met mijn zoon Jacques een wandeling gemaakt. Te drie
uren ongeveer waren wij vertrokken. Het jeugdig groen onzer weiden
strekte zich langs de oevers der Garonne uit; het gras was wel drie
voet hoog en het verleden jaar geplante rijsbosch had reeds jonge
takken van een meter lengte. Vandaar hadden wij een bezoek gebracht
aan onze korenvelden en onze wijngaarden, stukken gronds één voor
één gekocht, naarmate de welvaart toenam; de korenvelden beloofden
veel, van de bloeiende wijngaarden hoopten wij een rijken oogst
te behalen. Jacques met zijn vriendelijken lach zeide, mij op den
schouder kloppende:

"Nu zullen wij noch gebrek aan brood, noch aan wijn hebben, vader. De
goede God doet het geld tegenwoordig op uw akkers regenen." Dikwijls
staken wij zoo onder ons den draak met de harde dagen van 't
verleden. Jacques had gelijk, ik moest daarboven wel een gunst van
den een of anderen heilige of misschien wel van den goeden God zelf
verworven hebben, want van alle landbouwers in den omtrek waren wij
het fortuinlijkst. Als het hagelde, hing de bui zóó, dat hij juist
buiten de grenzen van onze velden zich ontlastte. Als de wijngaarden
onzer buren door de een of andere ziekte waren aangetast, schenen
de onze als door een muur daartegen beschut. En dat alles leek mij
rechtvaardig toe. Geen mensch kwaad doende, meende ik dat ik deze
voorspoed verdiende. Op den terugweg hadden wij de akkers bezocht,
die wij aan 't andere einde van het dorp bezaten. De moerbeziën stonden
prachtig, terwijl de amandelboomen er niet beter konden uitzien.

Wij praatten vroolijk en maakten allerlei plannen; als wij het noodige
geld hadden, zouden wij nog wat akkers koopen en zoodoende zorgen,
dat een groot deel der gemeente ons eigendom was.

Was de oogst zóó mooi als hij zich liet aanzien, dan zou hij ons in
staat stellen onze wenschen te vervullen. Toen wij het huis naderden,
stond Rose ons reeds te wenken en te roepen:

"Kom dan, kom dan toch!"

Een onzer koeien had gekalfd en dat zette thuis natuurlijk alles
op de stelten. Tante Agathe was met haar groote lichaam het meest
in de weer. De meisjes bekeken het kalf. De geboorte van dit beest
scheen ons een zegen te meer. Wij hadden onlangs onze stallen moeten
vergrooten. Meer dan honderd dieren had men er kunnen tellen, koeien
en vooral schapen, uitgenomen de paarden.

"Dat is een goede dag," riep ik uit. "Wij zullen van avond er eens
een extra flesch wijn op drinken."

Rose nam ons even terzijde en vertelde ons dat Gaspard, de verloofde
van Véronique, was gekomen om met ons den dag van het huwelijk
te bepalen. Zij had hem ten eten gevraagd. Gaspard was de oudste
zoon van een landbouwer te Moranges, een groote jongen van twintig
jaar, in den ganschen omtrek om zijn kracht bekend; op een feest
te Toulouse had hij zelfs Martial, den z.g. leeuw van het zuiden,
overwonnen. Ondanks zijn kracht had hij een uiterst goedaardig karakter
en was zeer bedeesd. Dit laatste was zelfs zoo erg, dat hij al bloosde
als Véronique hem bedaard in 't gelaat zag.

Ik verzocht Rose hem te roepen. Hij bleef achter in den hof staan en
hielp de dienstmeiden den driemaandelijkschen wasch uitspreiden. Toen
hij de eetkamer was binnengetreden, waar wij ons bevonden, wendde
Jacques zich tot mij, zeggende:

"Spreek nu, vader!"

"Dus, mijn jongen, je komt om met ons den grooten dag vast te stellen?"

"Ja, vader Roubieu, dat is waar," antwoordde hij, kleurende.

"Daar behoef je niet over te kleuren, mijn jongen," vervolgde
ik. "Als je wilt kunnen wij den dag bepalen op Sinte Félicité, den
10en Juli. Wij hebben nu 23 Juni, dus behoef je nog een twintig dagen
te wachten. Mijn overleden vrouw heet Félicité en dat zal jelui dus
zeker geen ongeluk aanbrengen...... Vindt je dat goed?"

"Heel goed, op Sinte Félicité dan, vader Roubieu."

En hij drukte ons de hand, mijn broer Jacques en mij, alsof hij
een os moest smoren. Daarna gaf hij Rose een zoen en noemde haar
moeder. Die groote jongen met zijn groote verschrikkelijke vuisten
beminde Véronique tot gek wordens toe. Hij vertelde ons dat hij ziek
geworden zou zijn als wij haar hem geweigerd hadden.

"Je blijft toch bij ons eten? .... Ja, vooruit dan, de soep is reeds
op tafel en ik heb honger als een wolf."

Dien keer zaten wij met ons elven aan tafel. Men had Gaspard naast
Véronique geplaatst en hij deed niets dan haar aankijken, zijn eten
vergetende, zoo innerlijk verheugd dat zij zóó dicht bij hem was,
dat tusschenbeiden groote tranen in zijn oogen opwelden.

Cyprien en Aimée, die nu drie jaar getrouwd waren, glimlachten
eens. Jacques en Rose, die reeds 25 jaar waren getrouwd, bleven
bedaarder, toch wisselden zij bij het zien dier jonge liefde nu en dan
een vochtigen blik. Wat mijzelf aangaat, ik voelde mij in de liefde
dier twee als herleven; hun zoet geluk veranderde onze tafel in een
hoekje van 't paradijs. Wat was de soep dien avond heerlijk! Tante
Agathe vond ieder oogen blik aanleiding om te lachen en waagde allerlei
aardigheden. Pierre wenschte niets liever dan zijn liefdesavonturen
te vertellen met een juffertje te Lyon. Gelukkig waren wij aan het
dessert begonnen en praatten allen door elkaar. Uit den kelder had
ik twee van de fijnste flesschen wijn laten aanrukken. Wij dronken
op het geluk en den voorspoed van Gaspard en Véronique, het eerste
beloofde ons dat zij elkaar niet zouden slaan, het tweede dat zij
veel kinderen zouden krijgen en een vetten spaarpot zouden maken.

Gaspard begon zijn minneliedjes te zingen en Marie werd uitgenoodigd
een lofzang ten beste te geven; zij stond daarbij op en haar stemmetje
klonk hoog en fijn, toch zacht en melodieus.

Ik stond een oogenblik voor 't venster. Toen Gaspard naar mij toekwam,
vroeg ik hem:

"Geen nieuws bij u?"

"Niets," antwoordde hij. "De hevige regens, welke wij in de laatste
dagen gehad hebben, maken menigeen beangst voor ongelukken."

Inderdaad had het eenige dagen geleden zestig uren aaneen geregend,
zonder ophouden, en sinds gisteren was de Garonne buitensporig
gewassen; wij stelden echter het grootste vertrouwen in haar en
zoolang zij nog niet overliep, mochten wij haar niet als een kwade
buur beschouwen. Zij verschafte ons zulke uitstekende diensten; haar
water was zoo groot en zoo zacht! En dan, een landman verlaat zijn
hoeve niet spoedig, zelfs al dreigt het dak boven hem in te storten.

"Och," antwoordde ik, de schouders ophalende, "daar is geen kwaad
bij. Alle jaren hetzelfde liedje; de rivier zet een hoogen rug,
alsof zij kwaad is en in éénen nacht trekt zij zich weer terug en
wordt zoo zacht als een lam. Je zal zien, mijn jongen, dat alle vrees
ook dezen keer overbodig is .... Zie eens, wat een heerlijk weer!"

En met de hand wees ik naar den hemel. 't Was zeven uur, de zon ging
onder. Wat een blauw, wat een blauw! De hemel was niets dan een blauwe
uitgestrektheid, oneindig en onnoemelijk rein, door de ondergaande
zon met stofgoud overstrooid. Een zoete vreugde daalde van boven neer,
den horizont omvademende. Nog nimmer had ik zoo'n oneindigende vrede
over het landschap zien dalen. Het laatste roode licht kwijnde weg
op de daken. Ik hoorde een buurmeisje lachen en luid gepraat van
kinderstemmetjes op den weg, vóór ons. Verderop, door den afstand
zwak en flauw, klonk het geblaat en geloei der kudden, die den stal
weer opzochten. Een daarboven rees het zware gezucht der Garonne als
de stem van de stilte, zóó was ik aan haar geruisch gewoon.

De hemel werd al bleeker en bleeker, het dorp sliep in. Het was de
avond van een schoonen dag en het scheen mij toe dat ons geluk, onze
voorspoedige oogst, het huwelijk van Véronique, uit den hemel daalde
in een reine klaarheid van licht. Met den avond viel een onzichtbare
zegen op ons neder.

Ik was teruggekeerd naar het inwendige van het vertrek. De vrouwen
babbelden vroolijk. Wij, mannen, luisterden glimlachend toe, toen
plotseling door de stilte van het veld een kreet weerklonk, een
verschrikkelijke kreet, een stem van verwoesting en dood:

"De Garonne! De Garonne!"




II.


Wij ijlden den tuin in.

Saint-Jory ligt in het dal, van boven naar beneden van de Garonne
doorsneden. Gordijnen van hooge popels, die de vlakte in ongelijke
stukken afdeelen, verbergen de rivier volkomen.

Wij bemerkten niets. Maar aldoor klonk de kreet:

"De Garonne! de Garonne!"

Plotseling zagen wij op den breeden weg vóór ons twee mannen en drie
vrouwen verschijnen; een der laatste had een kind op den arm. Zij
waren het, die als krankzinnigen schreeuwden, loopende zoo hard zij
maar konden. Nu en dan zagen zij om met doodelijk ontstelde gezichten,
alsof een troep wolven hen op de hielen zat.

"Wat scheelt die menschen?" vroeg Cyprien. "Ziet gij iets, grootvader?"

"Neen, niets," zei ik. "Het gebladerte beweegt zich zelfs niet."

Inderdaad schenen de boomen en struiken, die ons een vergezicht
onmogelijk maakten, te slapen. Een uitroep van schrik ontsnapte mij
echter, terwijl ik nog sprak. Achter de vluchtelingen, tusschen de
stammen der populieren, te midden van hoopen gras, zagen wij iets
verschijnen, dat veel weg had van een kudde grijze beesten, geel
gevlekt, en die in woedende vaart op ons afkwamen. Van alle zijden
doken zij op, de achterste golven duwden die voor hen waren, voort
als een kudde dolle schapen, dofbrullend en den grond doende daveren
onder hun wilden galop.

Op onze beurt slaakten wij de wanhoopskreet:

"De Garonne! De Garonne!"

Nog aldoor holden over den weg de twee mannen en de drie vrouwen. Zij
hoorden den woesten galop der golven, die hen dreigden in te halen. Nu
vormden de golven één lange lijn, dreunend aanrollend, als met
het gedonder van een musketvuur. Onder hun eersten aanval bezweken
drie populieren, wier hooge kruinen neerstortten en verdwenen. Een
planken hut werd verzwolgen; een muur scheurde; karren en wagens dreven
weg.... De golven schenen het echter hoofdzakelijk op de vluchtelingen
gemunt te hebben. Bij een draai van den weg vielen zij hen plotseling
met geweldige woede aan en sneden hen elken uitweg af. Toch liepen zij
nog stil, zonder te schreeuwen, gek van wanhoop. Het water bereikte
hun knieën. Een groote golf wierp zich op de vrouw, die het kind
droeg.... Toen verdween alles.

"Gauw, gauw!" riep ik. "Wij moeten naar binnen.... Het huis is stevig
genoeg. Daar hebben wij niets te vreezen."

Uit voorzichtigheid begaven wij ons dadelijk naar de tweede
verdieping. De vrouwen gingen vooruit. Ik zelf bleef tot het laatste
oogenblik.

Het huis was op een soort heuvel gebouwd aan den kant van den weg. Het
water stroomde den tuin reeds in, langzaam, met zacht geruisch. Erg
bang waren wij niet.

"Och!" zei Jacques, om de anderen gerust te stellen, "'t zal niets om
't lijf hebben .... In '55 was 't net zoo; het water drong ook den
tuin binnen, een voet hoog! daarna daalde het weer."

"Niet te min is het ellendig voor den oogst," bromde Cyprien halfluid.

"'t Zal niets te beteekenen hebben," zeide ik, als antwoord op de
smeekende blikken onzer vrouwen.

Aimée had de twee kinderen te bed gebracht. Met Véronique en Marie
zat zij aan het hoofdeinde. Tante Agathe wilde den wijn, dien zij
meegebracht had, warm maken om ons wat moed in te gieten. Jacques
en Rose keken door het venster naar buiten. Met Cyprien en Gaspard
stond ik voor het andere raam.

"Kom toch naar boven," riep ik de twee dienstboden toe, die nog steeds
in den tuin plasten. "Schei toch uit met natte beenen halen."

"Maar de beesten dan?" vroegen zij. "Zij zijn bang en zullen elkander
vermoorden."

"Neen, neen, kom maar boven.... Dadelijk. We zullen wel zien."

Het was onmogelijk het vee te redden, als het water bleef wassen.

Ik vond het echter onnoodig onze huisgenooten te verontrusten. 't Beste
wat ik doen kon, was een onbezorgd gezicht te zetten. Aan het venster
leunende babbelde ik wat en toonde den vooruitgang van het water aan.

Nadat het water het dorp had overweldigd, was het tot in de kleinste
gangen en stegen doorgedrongen. Het dal, waarin Saint-Jory is gelegen,
was in een meer veranderd. In den tuin was het water weldra een meter
gestegen. En aldoor zag ik het klimmen; tegen de anderen vertelde ik
echter dat het zijn hoogste punt bereikt had, ja, dat het zelfs daalde.

"Nu zal je hier moeten slapen, mijn jongen", zeide ik tot
Gaspard. "Tenminste als de wegen in enkele uren niet droog zijn.... en
dat zou best mogelijk wezen."

Hij zag mij aan met doodsbleek gezicht en antwoordde niet; daarna
zag ik hem de oogen met onuitsprekelijke ongerustheid naar Véronique
opslaan.

't Was nu half negen. 't Was nog licht buiten; een bleeke glans
daalde uit den hemel neer. Vóór dat zij naar boven kwamen hadden de
dienstboden twee lampen meegebracht. Ik stak ze aan, hopende dat het
licht onze benarde eenzaamheid wat op zou vroolijken. Tante Agathe,
die de tafel naar het midden van de kamer geschoven had, stelde voor
wat kaart te spelen. De goede vrouw, wier oogen nu en dan de mijne
zochten, was er maar op uit de anderen wat te verstrooien.

Haar goed humeur was onveranderlijk en zij lachte en praatte om de
stijgende angst wat te bezweren. Wij speelden een spelletje. Met
zachten drang had zij Aimée, Véronique en Marie aan de tafel doen
plaatsnemen. Zij stopte haar de kaarten in de handen en speelde zelf
als iemand, die levendig in het spel belang stelt, gevende, afnemende,
schuddende, alles vergezeld van een vloed van woorden, waaronder zij
het geruisch van het water poogde te smoren. De vrouwen lieten zich
echter niet afleiden; zij zaten daar doodsbleek en met bevende handen,
het oor spitsende om elk geluid op te vangen. Ieder oogenblik hokte
het spel. Daar wendde zich een tot mij met de vraag:

"Grootvader, stijgt het nog aldoor?"

Het water rees werkelijk met schrikbarende snelheid. Glimlachend
antwoordde ik:

"Neen, neen, speel maar gerust door. Er is volstrekt geen gevaar bij."

Nooit evenwel had ik mij zoo angstig gevoeld. De mannen stonden
allen voor de ramen als om het vreeselijk tooneel voor de oogen der
vrouwen verborgen te houden. Als wij ons even omdraaiden, poogden
wij te glimlachen. Het bleeke lamplicht viel daarbinnen met een even
rustigen schijn op de tafel als in de vredige dagen van voorheen.

Ik herinnerde mij de winteravonden als wij gezellig rond die tafel
hadden plaats genomen. Dezelfde vrede, dezelfde toewijding heerschte
nog oogenschijnlijk daar binnen. Achter mijn rug hoorde ik echter
het dreigend gebrul van den ontketenden stroom, welks water maar
aldoor wies.

"Louis," zeide mijn broer Pierre, "het water is nog maar drie voet
onder de vensters, wij zullen raad moeten schaffen."

Ik greep zenuwachtig zijn arm vast alsof ik zeggen wilde:

"Zwijg toch stil."

't Was evenwel onmogelijk het gevaar te verbergen. In de stallen
vermoordden de dieren zich onderling.

Het was plotseling een geblaat en een geloei op hartverscheurende
wijze; de paarden stieten die ruwe kreten uit, die men zoo ver kan
hooren, als ze in doodsgevaar verkeeren.

"O God, o God!" riep Aimée uit, die overeind sprong, en de vuisten
tegen 't voorhoofd drukte, als door een vlaag van razernij aangegrepen.

Nu rezen allen overeind en 't was onmogelijk hen van de vensters
verwijderd te houden. Zij stonden daar rechtop, stom, haar haren als
ten berge gerezen van ontzetting. De schemering was ingevallen. Een
valsche lichtschijn dreef boven de oneindige watervlakte. De bleeke
hemel scheen wel een wit laken dat over de aarde werd uitgespreid.

"O God, o God!" herhaalden de vrouwen half voor zich heen, als vreesden
zij den klank van haar eigen stem te hooren.

Een vreeselijk gekraak overstemde haar woorden. De dieren hadden in
hun doodsangst de deuren van hun stal weten open te dringen. En nu
zagen wij ze daar gaan op de gelige golven, omrollend, geslingerd
naar links en rechts, meegesleurd door den stroom. De schapen zagen
wij wegdrijven als doode bladeren, bij gansche kudden tegelijk. De
koeien en de paarden worstelden tegen den stroom, liepen, verloren
vervolgens den grond. Ons groote paard vooral wilde niet sterven het
sloeg om zich heen, stak den hals vooruit en snoof met het geluid
van een machine; de woedende golven grepen hem echter bij de keel en,
overwonnen, zagen wij hem zich overgeven.

Toen slaakten wij mannen onze eerste kreten. Dat ging ons aan het
hart ondanks alles. Wij hadden behoefte om te schreien. De handen
heengestrekt naar die lieve dieren, die daar wegdreven, weenden
wij, zonder dat wij elkander hoorden, de tranen en zuchten, die
wij zoolang hadden opgekropt, uitstootend naar buiten. Dat was de
ondergang! De oogst vernield, het vee verdronken, de fortuin had
ons den rug toegekeerd in enkele uren. God is niet rechtvaardig;
wij hadden hem toch niets misdaan, opdat hij ons zoo alles weer zou
ontnemen. Ik hief naar den horizon mijn gebalde vuist op.

Ik sprak van onze namiddag-wandeling te midden der weiden, der
korenvelden en de wijngaarden, die allen zooveel beloofden. Was dat
alles dan een leugen? De zon loog ook, als zij zoo kalm en zacht
onderging, temidden der eindelooze klaarheid des avondhemels.

Het water steeg aldoor. Pierre, die het aanhoudend gadesloeg, riep
mij toe:

"Louis, laten wij op onze hoede zijn, want het water raakt reeds aan
het venster."

Deze woorden wekten ons uit onze verdooving op. Ik kwam tot mij zelf
en zei, de schouders ophalende:

"Het geld is niets. Zoolang wij nog allen bij elkaar blijven, zullen
wij door hard werken de schade wel weer zien in te halen."

"Zeker, zeker, vader, gij hebt volkomen gelijk," voegde Jacques
mij koortsachtig toe. "Wij zelf loopen geen gevaar, de muren zijn
hecht.... Wij zullen op het dak klimmen."

Slechts deze toevlucht bleef ons nog over. Het water, dat trede voor
trede de trap was opgeklommen, met een hardnekkige volharding, trad de
deur reeds binnen. Wij spoedden ons naar den zolder, elkaar geen stap
verlatende, behoefte als men in gevaarlijke oogenblikken heeft, om zoo
dicht mogelijk bij elkander te blijven. Cyprien was verdwenen. Ik riep
hem en zag hem uit een der naburige vertrekken komen met een ontsteld
gezicht. Nu bemerkte ik ook, dat de beide dienstboden nog niet boven
waren; ik wilde haar wachten, doch Cyprien voegde mij zachtjes toe:

"Dood. Dat gedeelte van den schuur, waarboven hun kamertje was,
is ingestort."

De arme meisjes waren zeker in de koffers hun spaarpenningen wezen
zoeken. Hij vertelde mij even zacht, dat zij zich van een ladder
bediend hadden, en die bij wijze van brug gebruikt hadden om het
naburige gebouwtje te bereiken. Ik verzocht hem van dit alles niets
te zeggen. Een koude stroom was mij over den rug gegleden. De dood
had den voet in ons huis gezet.

Toen wij op onze beurt naar boven gingen, dachten wij er zelfs
niet aan de lampen uit te blazen. De kaarten lagen nog op de tafel
uitgespreid. Het water stond reeds een voet hoog in de kamer.




III.


Gelukkig was het dak sterk en de helling zacht. Door een klein venster,
waarboven zich een soort afdakje bevond, klom men erop. Daardoor was
het dat onze kleine familie vluchtte. De vrouwen gingen zitten. De
mannen gingen het dak rond, tot aan de hooge schoorsteenen, om hun
schuilplaats te verkennen. Uit het venster, waardoor wij zooeven naar
boven geklommen waren, onderzocht ik den horizon naar alle windstreken.

"De hulp kan niet lang uitblijven," zei ik moedig. "De mannen van
Saintin hebben schepen. Zij zullen zeker hierheen komen... kijk eens
daar beneden, is dat geen lantaarn?"

Maar niemand antwoordde mij en Pierre, zonder eigenlijk goed te weten
wat hij deed, stak zijn pijp aan en rookte zoo ruw, dat hij bij iederen
trek een stuk van zijn pijpesteel afbeet. Jacques en Cyprien staarden
met treurig gezicht in de verte, terwijl Gaspard, de vuisten ballende,
over het dak bleef rondloopen, alsof hij een uitweg zocht. Aan onze
voeten zaten de vrouwen bijeen gehurkt, sprakeloos, bibberend, het
gelaat verbergende om niets meer te zien. Rose hief echter het hoofd
op, wierp een blik om zich heen en vroeg:

"Maar de dienstboden, waar zijn die? Waarom komen die niet boven?"

Ik vermeed haar blik om geen antwoord behoeven te geven, doch zij
zag mij lang en doordringend aan, terwijl zij herhaalde:

"Maar waar zijn de dienstboden toch?"

Ik keerde mij om, daar ik er tegen opzag haar een leugen op den mouw
te spelden. Ik voelde dat de koude hand des doods ook onze vrouwen en
dochters aanraakte. Zij begrepen mij. Marie richtte zich op, zuchtte
diep en viel daarop weder neer, in tranen losbarstende. Aimée had
haar beide kinderen in haar rokken verborgen, als wilde zij ze zoo
beschermen. Véronique, het gelaat in de handen, bewoog zich niet
meer. Tante Agathe zelfs, doodsbleek, maakte het teeken des kruises
en prevelde onophoudelijk Pater's en Ave's.

Om ons heen won het schouwspel echter in vreeselijke schoonheid en
kracht. 't Was een maanlooze hemel, doch de lucht was als met sterren
bezaaid en van een zóó helder blauw, dat zij de ruimte vulde als met
een blauw licht. Het scheen dat de schemering voortduurde, zoo klaar
en helder was de horizon.

En onder dezen heerlijken hemel strekten de oneindige wateren
zich uit, schitterend blank, als glimlachend over de eigen glans,
een phosphorieke gloed die kleine vlammen deed branden op iederen
golf. Men kon van de aarde niets meer zien; de vlakte was verzwolgen
door het water. Er waren oogenblikken dat ik het gevaar vergat. Aan
de kust te Marseille had ik eens de zee gezien en ik was betooverd
geweest door hare schoonheid.

"Het water stijgt, het water stijgt," herhaalde mijn broeder Pierre,
tusschen zijn tanden nog altijd den pijpesteel vermorzelend; het vuur
was in het pijpje zelf echter gebluscht.

Het water was het dak tot op een meter genaderd. De wind stak meer
op; met de kalmte was het gedaan. Wanneer het nog iets steeg, zouden
wij door den heuvelrug, die ons nu nog beschutte, niet meer gedekt
zijn. In minder dan een uur werd het water dreigend en kreeg het een
valsch gelen gloed. Het stormde op het huis aan; tonnen, stukken hout
en hoopen gras medevoerende. Nu en dan hoorden wij hoe in de verte
de muren werden gebeukt en gerammeid. De populieren braken met een
ijzig gekraak, huizen stortten in, alsof 't karren steenen waren,
omgekeerd aan den kant van den weg.

Jacques, wiens hart verscheurd werd onder de klachten der vrouwen,
riep uit: "Wij kunnen hier niet blijven. Wij moeten wat probeeren
.... Vader, ik smeek u, laten wij 't een of ander beproeven.

"Ja, ja, er moet wat beproefd worden."

Maar geen van allen wisten we eigenlijk wat.

Gaspard bood aan Véronique op zijn rug te nemen en haar zwemmende
te redden. Pierre sprak van een vlot maken. Dat was dwaasheid
natuurlijk. Cyprien eindelijk zeide:

"Als wij de kerk slechts konden bereiken."

Met zijn vierkanten toren stak de kerk hoog uit boven het water.

Door zeven huizen waren wij van haar gescheiden.

Onze hoeve, de eerste van het dorp, grensde aan een hooger gebouw,
dat op zijn beurt weer tegen een naburig huis leunde. Misschien zou
men over de daken inderdaad de sacristie en van daar de kerk kunnen
bereiken. Reeds hadden verscheidene dorpsbewoners er een toevlucht
gezocht; de naburige daken waren tenminste ledig en wij hoorden uit
den toren het geluid van stemmen tot ons doordringen. Hoeveel gevaren
waren echter aan dien tocht verbonden!

"'t Is onmogelijk," zei Pierre. "Het huis der Raimbeau's is te
hoog. Wij zouden ladders noodig hebben om het te beklimmen."

"Toch wil ik het eens probeeren," zeide Cyprien. "En ik kom terug
als het niet gaat. Als het mij gelukt gaan wij allen en zullen wij
de vrouwen dragen."

Ik liet hem gaan. Hij had gelijk. Men moest zelfs het onmogelijke
beproeven. Door middel van een ijzeren haak, vastgemaakt in den
schoorsteen, gelukte het hem op het dak van het naburige huis te
klimmen. Het hoofd opheffende bespeurde zijne vrouw Aimée plotseling,
dat hij verdwenen was en riep uit: "Waar is hij? Ik wil niet dat hij
ons verlaat. Wij behooren bij elkaar, wij zullen ook samen sterven."

Toen zij hem op het naaste dak bespeurde, vloog zij over de pannen
heen, zonder de kinderen los te laten, uitroepende:

"Cyprien, wacht mij. Ik kom bij je, ik wil met je sterven."

En zij bleef voortgaan. Tevergeefs boog hij zich voorover en bezwoer
haar terug te keeren, zeggende dat hij terugkwam en dat het voor ons
aller welzijn was, wat hij deed. Zij scheen hem niet te begrijpen,
schudde het hoofd en herhaalde: "Ik kom bij je, ik kom bij je. Wat
er ook gebeurt, ik ga met je."

Hij moest de kinderen van haar aannemen en daarna haar behulpzaam zijn
bij 't opstijgen. Wij konden al hun bewegingen op den nok van 't huis
volgen. Zij vorderden langzaam. De beide kinderen, die schreiden,
had zij weer in haar armen genomen: bij iederen pas keerde hij zich
om, om haar te ondersteunen.

"Breng haar in veiligheid en kom dan dadelijk terug!" riep ik hem toe.

Ik zag hem de hand bewegen, doch het gebruisch van het water maakte
het onmogelijk zijn woorden te verstaan. Weldra zagen wij hem niet
meer. Zij waren op het andere huis, lager dan het eerste afgedaald. Na
verloop van vijf minuten verschenen zij op het derde, welks dak
zeer steil moest zijn, daar zij zich op de knieën langs de goot
voortbewogen. Een plotselingen angst overviel mij. Ik zette de handen
voor den mond en schreeuwde uit alle macht: "keer terug, keer terug!"

En allen, Pierre, Jacques, Gaspard, schreeuwden hun eveneens toe
terug te keeren. Een oogenblik deden onze stemmen hun stilhouden. Toen
zetten zij hun gevaarlijken tocht voort.

Thans bevonden zij zich bij den draai van de straat, vlak voor het
huis der Raimbeau's, een hoog gebouw, dat zeker drie meter boven de
andere uitstak. Een oogenblik aarzelden zij.

Cyprien klom vervolgens met de vlugheid van een kat tegen de
schoorsteenpijp op. Aimée, die had moeten beloven, hem te wachten,
bleef met de kinderen op het dak achter. Wij konden haar duidelijk
onderscheiden, de kinderen tegen haar borst aandrukkende, zwart
afstekende tegen den lichten hemel. Van dat oogenblik af, begon de
reeks van ongelukken.

Het huis der Raimbeau's, oorspronkelijk tot werkplaats bestemd,
was licht gebouwd. Ten overvloede stond het juist op den wind en
meende ik dat het beefde en schudde bij de stooten van 't water;
met beklemd hart volgde ik Cyprien, terwijl hij het dak overstak.

Plotseling deed zich een vreeselijk gerommel hooren. De maan kwam te
voorschijn, een ronde maan, eenzaam hangende aan den hemel, en wier
geel licht het onmetelijke meer verlichtte met den bleeken gloed
eener lamp. Geen enkele bijzonderheid van den ramp ontging ons.

Het huis der Raimbeau's stortte in.

Een ontzaglijke wanhoopskreet rees uit ons op, toen wij Cyprien zagen
verdwijnen. Een oogenblik zagen wij niets dan een groote opspatting
van water, waaronder het dak verdween, toen werd alles weer stil,
het water herkreeg zijn gladde oppervlakte; alleen lag daar nog als
een zwart gat het karkas van het ingevallen huis; balken en latwerk
wild dooreen geworpen. En tusschen die balken scheen zich een lichaam
te bewegen, iets levends, dat bovenmenschelijke krachten inspande.

"Hij leeft!" riep ik uit. "God zij gedankt! Hij leeft! .. Zie daarboven
dat licht dat de maan op het water werpt!"

Een zenuwachtige lach weerklonk. Wij klapten van vreugde in onze
handen, alsof wij verblijd waren over onze eigen redding.

"Hij zal wel weer bovenkomen," zeide Pierre.

"Ja zeker", voegde Gaspard er bij, "zie hij beproeft den balk aan
den linkerkant te grijpen."

Maar ons lachen verstomde. Wij wisselden geen woord meer; de keel
werd ons door de angst als toegesnoerd. Wij begrepen den vreeselijken
toestand, waarin Cyprien verkeerde. Bij het instorten van het huis
waren zijn voeten tusschen twee balken beklemd geraakt, en hij hing nu,
zonder zich los te kunnen maken, met het hoofd naar beneden, slechts
een halve handbreedte boven het water. Dat was een verschrikkelijke
doodstrijd. Op het dak van 'n naburig huis stond Aimée nog altijd
overeind, haar twee kinderen in de armen geklemd. Een zenuwschok
doortrilde haar. Zij stond daar, den dood van haar echtgenoot
voor oogen, geen oogenblik haar blikken van het vreeselijk tooneel
losmakende dat zich een paar meter onder haar afspeelde. Een wild
gehuil steeg uit haar borst op, als van een hond, die dol dreigt te
worden van pijn.

"We kunnen hem toch zoo niet laten sterven", zei Jacques. "Wij moeten
naar beneden."

"Misschien zouden wij langs de balken af kunnen dalen om hem zoo te
bevrijden," voegde Pierre er bij.

En zij spoedden zich naar het naaste dak, toen eensklaps het tweede
huis instortte. De weg was nu geheel versperd. Een afgrijselijke
huivering beving ons. Werktuigelijk grepen wij elkaars handen en
drukten ze of wij ze verbrijzelen wilden, zonder onze blikken van
het vreeselijk tooneel af te wenden.

Cyprien had eerst beproefd zich op te richten. Met buitengewone
krachtsinspanning was het hem gelukt zich van het water verwijderd te
houden, zijn lichaam in een schuine richting brengende. Die houding
was echter al te vermoeiend. Toch worstelde hij nog en poogde zich
vast te hechten aan de balken; hij sloeg de handen om zich heen om te
voelen of er niets was waaraan hij zich kon optrekken. Ziende dat er
niet te worstelen viel, gaf hij zich over, liet zich ruggelings vallen
en bleef bewegingloos hangen. 't Duurde lang voor de dood kwam. Zijn
haren raakten even het water aan, dat langzaam steeg. De verkoeling
moést hij in zijn hersenen wel voelen. Een eerste golf bedekte hem
het voorhoofd, een tweede sloot hem zijn oogen. Langzaam zagen wij
zijn hoofd verdwijnen.

De vrouwen aan onze voeten, hadden het gelaat in de handen
verborgen. Wij zelf waren op de knieën gevallen, de armen uitgestrekt,
weenend, smeekbeden fluisterend. En op het andere dak stond Aimée
nog altijd overeind met hare twee kinderen, afgrijselijk huilende in
den nacht!




IV.


Ik weet niet hoe lang wij in dezen toestand zijn gebleven. Toen ik
weer meester over mijzelf werd was het water nog meer gerezen. Op 't
oogenblik bereikte het reeds de daken, ons dak was niet meer dan een
klein eiland, omgeven door de oneindigheid van het water. Rechts en
links waren de huizen ingestort en strekte zich de onmetelijke zee uit.

"Wij drijven", murmelde Rose, die zich krampachtig aan de pannen
vasthield.

En inderdaad hadden wij een gewaarwording alsof wij bewogen, alsof het
dak losgemaakt op het water dobberde als een boot. Wanneer wij onze
oogen echter op den onbeweeglijken kerktoren richtten, bespeurden
wij dat wij ons nog aan dezelfde plaats bevonden, te midden van het
onstuimig gerol der golven.

Thans begon het water den aanval. Tot nog toe had het zich bewogen
in de richting der straat; de ruïnes die het thans den doortocht
belemmerden, deden het terugvloeien. Nu werd het een ongeregelde
aanval. Nauwelijks kwam een plank of een balk in het bereik der
golven, of zij werden opgenomen en met ontzettende kracht tegen het
huis geslingerd. En de golven lieten hen niet los, neen, zij trokken
ze terug om er nog eens de muren mede te rammeien, regelmatig en
geweldig. Tien, twaalf balken werden soms tegelijk aan alle kanten
tegen ons aangeslingerd. Het water huilde, het schuim spatte om onze
voeten. Wij hoorden het doodsgerochel van het volgeloopen, in zijn
gebinten reeds krakende huis. Soms, als de aanval wat al te wild was
geweest, meenden wij dat het met ons gedaan was, dat de muren vaneen
scheurden en ons overleverden aan de woede der rivier.

Gaspard had zich op den rand van het dak gewaagd. Met zijn gespierde
worstelaarsarmen greep hij een balk.

"Wij moeten ons verdedigen," riep hij uit.

Jacques beproefde een langen stok in zijn vaart te grijpen. Pierre
hielp hem. Ik zelf verwenschte den ouderdom, die mij krachteloos
gemaakt had als een zwak kind.

Men begon de verdediging, een zinneloos duel, drie mannen tegen den
machtigen stroom.

Gaspard wachtte met zijn balk de stukken hout af, welke het water met
geweld tegen den muur poogde te slingeren en brak met een ruwen stoot,
op korten afstand, hun kracht. Soms echter was de schok zóó hevig,
dat hij omgeworpen werd. Naast hem beproefden Pierre en Jacques met
hun langen stok hetzelfde doel te bereiken. Een uur ongeveer hielden
ze dezen ongelijken strijd vol. Langzamerhand echter lieten zij den
moed zakken, vloekende en het water verwenschende. Gaspard bracht de
golven steeds degenstooten toe, doch zij rolden voort, onverdragelijk
kalm, zonder één zichtbare wonde. Jacques en Pierre strekten zich
doodelijk vermoeid op het dak uit, terwijl Gaspard, in een laatste
poging, zich door de golven zijn balk liet ontrukken, die op zijn
beurt den aanval tegen ons begon. Er was geen vechten tegen.

Marie en Véronique waren elkander in de armen gevallen. Zij herhaalden
aldoor, op hartverscheurenden toon, dezelfde woorden, welke ik nog
onophoudelijk in mijn ooren hoor weerklinken:

"Ik wil nog niet sterven! Ik wil nog niet sterven!"

Rose sloot beide in haar armen. Zij poogde haar te troosten, haar
gerust te stellen, doch zijzelven, het bleeke hoofd opheffend, riep
ondanks zichzelf:

"Ik wil nog niet sterven!"

Alleen tante Agathe zei niets. Zij bad zelfs niet meer en haar
handen vergaten het slaan van een kruis. Half wezenloos liet zij haar
blikken ronddwalen; als zij echter de mijne ontmoetten, poogde zij
nog te glimlachen.

Nu besproeide het water zelfs de pannen. Geen hulp was meer te
verwachten. Aldoor hoorden wij een klank van stemmen, van den kant der
kerk; twee lantaarns waren een oogenblik in de verte zichtbaar geweest;
een oneindige stilte was echter weder over alles neergedaald en de
wateren stuwden meedoogenloos de gele golven voort. De bewoners van
Saintin, die schepen hadden, waren zeker voor ons door den stroom
verrast.

Gaspard bleef echter nog aldoor het dak rondwandelen. Plotseling riep
hij ons en zei:

"Wacht!... Help mij eens en hou mij vast."

Hij was weer een stok machtig geworden en bespiedde thans een
groote zwarte massa, die langzaam op het huis aandreef. Het was het
reusachtige dak van den een of anderen schuur, uit stevige planken
samengesteld, dat de golven in zijn geheel hadden wegerukt, op ons
afkomende als een vlot. Toen dit dak eenmaal binnen zijn bereik was,
hield hij 't met zijn stok tegen, voelende dat hij medegesleurd werd,
riep hij ons toe hem vast te houden. Wij hadden hem om het middel
en stonden stevig. Eenmaal in den stroom komende, dreef het van zelf
tegen ons aan en wel met zoo'n schok, dat wij vreesden het uit elkaar
te zien vallen. Dapper sprong Gaspard op dit vlot, dat het toeval ons
toezond. Hij liep er over in alle richtingen om zich van de soliditeit
te overtuigen, onderwijl Jacques en Pierre hem bij de hand vasthielden.

Vroolijk riep hij uit:

"Grootvader, wij zijn gered...... Laten de vrouwen niet meer
schreien! ...... 't Is een echt vlot, kijk, mijn voeten blijven
volkomen droog, 't Zal ons best houden. Wij zullen er beter zijn dan
op het dak." Niettemin vond hij het raadzaam de stevigheid wat te
vergrooten. Hij greep de ronddrijvende balken, bond ze met de touwen
aan elkaar, die Pierre bij toeval bij zich had gestoken, toen hij
beneden de kamers voor 't laatst had doorzocht. Hij viel zelf in
't water, doch op den kreet die ons ontsnapte, antwoordde hij met
luiden lach. Het water kende hem. Hij zwom de Garonne een mijl ver
af. Weer op het dak geklommen, schudde hij zich af en riep:

"Vooruit, laten wij geen tijd verliezen, maar ons dadelijk inschepen."

De vrouwen waren op de knieën gevallen. Gaspard moest Véronique
en Marie naar het midden van het vlot dragen, waar hij haar
neerzette. Rose en tante Agathe lieten zichzelve langs de pannen
afglijden en plaatsten zich naast de jonge meisjes. Op dit oogenblik
zag ik den kant van de kerk uit. Aimée stond daar nog altijd. Zij
leunde nu met den rug tegen een schoorsteen, hare kinderen in de hoogte
houdende met uitgestrekte armen, daar het water reeds aan haar middel
was gestegen.

"Houdt u nu goed grootvader," riep mij Gaspard toe. "Wij zullen haar in
't voorbijgaan meenemen, dat beloof ik u."

Pierre en Jacques waren eveneens op het vlot geklommen. Op mijn beurt
sprong ik er ook op. Het boog een beetje naar éénen kant over, doch
in werkelijkheid was het groot genoeg om ons allen te dragen. Gaspard
was eindelijk de laatste, die het dak verliet en ons voorstelde de
stokken te nemen, welke hij tot riemen had gevormd. Hij zelf had
een bijzonder langen genomen, waarvan hij zioh met groote handigheid
bediende. Wij lieten ons gaarne door hem bevelen. Op zijn commando
zetten wij allen de stokken tegen het dak om af te duwen. Het was
echter of het vlot aan het dak was vastgehecht. Ondanks al onze
krachtsinspanning gelukte het ons niet het los te maken. Bij elke
nieuwe poging voerde de stroom ons met kracht naar het huis terug. Dit
was wel een van de gevaarlijkste manoeuvres, daar de schok iederen
keer de planken dreigde te doen losgaan.

En opnieuw voelden wij onze kleinheid en onze onmacht.

Wij dachten gered te wezen en zagen dat wij nog altijd aan de rivier
waren overgeleverd. Ik betreurde het dat de vrouwen zich niet op
het dak bevonden; ieder oogenblik vreesde ik ze te zien neergeworpen
in het water, te zien voortgesleurd door de onstuimige golven. Toen
ik er evenwel van sprak onze oude schuilplaats weder op te zoeken,
riepen allen uit:

"Neen, neen, laten wij nog eens probeeren! Wij sterven nog liever
hier!"

Gaspard lachte niet meer. Wij hernieuwden onze pogingen, met
verdubbelde kracht op de stokken drukkende. Pierre bedacht eindelijk
om weer op het dak te klimmen en met behulp van een touw naar links
te trekken; op die wijze hoopte hij ons buiten bereik van den stroom
te brengen. Toen sprong hij weer op het vlot en een paar duwen met de
stokken deden ons werkelijk de ruimte winnen. Gaspard herinnerde zich
echter de belofte, welke hij mij gedaan had, van onze arme Aimée te
gaan halen, wier klagend geluid niet ophield. Om dat ten uitvoer te
brengen, moesten wij de straat oversteken en in den verschrikkelijken
stroom, aan wiens armen wij juist ontsnapt waren, weder terecht
komen. Hij vroeg mij met den blik om raad. Ik wist niet wat ik doen
moest, alles draaide voor mijn oogen. Acht menschenlevens gingen
wij in de waagschaal stellen. Toch, als ik een oogenblik aarzelde,
was het te laat.

"Zeker, zeker", zeide Gaspard. "Wij kunnen haar daar onmogelijk laten".

Hij boog het hoofd zonder een woord te spreken en begon met zijn
stok te sturen langs de overblijfselen der huizen. Wij voeren langs
het naburige gebouw en over onze stallen. Toen wij evenwel in de
straat kwamen, ontsnapte ons een kreet. De stroom, wiens armen ons
weder vastgrepen, sleurde ons opnieuw mee en slingerde ons tegen ons
huis. Dit alles was het werk van een paar seconden. Als een blad rolden
wij om en zoo snel, dat onze angstkreet werd gesmoord in den schok
van het vlot tegen de pannen. De planken scheurden los en dreven weg,
terwijl wij allen terecht kwamen in den woedenden stroom.

Wat er verder gebeurde, weet ik niet. Ik herinner mij alleen nog,
dat ik onder mijn val tante Agatha op het water zag liggen, drijvende
op haar rokken; ik zag haar verdwijnen, het hoofd naar achteren,
zonder zich te verroeren.

Een vreeselijke pijn deed mij de oogen openen. Het was Pierre die
mij bij de haren tegen de pannen optrok. Ik lag daar, verstomd
toeschouwende.

Pierre wierp zich opnieuw in de golven en ik verwonderde mij
plotseling Gaspard te zien opduiken op de plaats waar hij verdwenen
was, de jonge man had Veronique in de armen. Toen hij haar naast
mij gelegd had, sprong hij opnieuw te water en bracht Marie boven,
wier gelaat wasbleek was en zoo strak en onbeweeglijk, dat ik haar
dood waande. Toen ondernam hij zijn tocht voor de derde maal. Dezen
keer zocht hij echter tevergeefs. Pierre voegde zich bij hem. Zij
spraken tegen elkander en deden elkaar aanwijzingen, die ik niet
verstond. Toen zij uitgeput weer op dak klommen, riep ik uit:

"En tante Agathe, Jacques en Rose?"

Zij schudden het hoofd. Groote tranen stonden in hun oogen. Uit
de weinige woorden, welke zij mij zeiden, begreep ik dat Jacques'
hoofd verbrijzeld was door den schok van een balk. Rose had zich aan
het lijk van haar man vastgeklemd en was door hem mee in de diepte
gesleurd. Tante Agathe was niet meer boven gekomen.

Wij vermoedden dat haar lichaam, door den stroom meegevoerd, het huis
beneden ons door een open venster was binnengedreven.

Mij oprichtende zag ik naar het dak, waar Aiméé eenige minuten
tevoren, zich nog krampachtig had staande gehouden. Het water steeg
aldoor. Aimée huilde niet meer. Ik zag alleen haar verstijfde armen
nog boven het water uitsteken, waarmede zij de kinderen voor den
ondergang had hopen te redden. Toen verdween alles, het water sloot
zich boven haar. En over dat alles goot de maan een bleeken lichtgloed.

Nu waren wij nog maar met ons vijven op het dak. Het water liet ons
ter hoogte van den nok nog slechts een smallen strook over. Een der
schoorsteenen was reeds ingestort. Wij moesten de in zwijm gevallen
Véronique en Marie bijna overeind houden, wilden wij niet dat het
water hare voeten bevochtigde. Eindelijk kwamen zij weer bij en onze
angst werd grooter toen wij haar zoo doornat en bibberend zagen,
aldoor roepende dat zij niet wilden sterven. Wij stelden ze gerust,
zooals men kinderen geruststelt, zeggende dat zij niet sterven zouden,
dat wij den dood wel zouden verhinderen aan haar leven te komen. Zij
geloofden ons echter niet en voelden maar al te goed dat ook haar einde
naderde. Iederen keer dat het woord "sterven" over haar lippen kwam,
begonnen hare tanden te klapperen en deed de angst haar elkander in de
armen vallen. Dat was het einde. Van het verwoeste dorp om ons, stond
hier en daar nog een stuk muur overeind. Alleen de kerk verhief haar
toren ongerept boven het water, en een stemmengeruisch van personen,
die daar in veiligheid waren, drong gestadig tot ons door. In de
verte dreunde het zware geklots van het water. Wij hoorden zelfs het
instorten der huizen niet meer, vallende met het geluid van wagens
met steenen, die plotseling worden leeggestort. Het was een algeheele
verlatenheid, een schipbreuk in volle zee, op duizend mijlen afstands
van de kust.

Een oogenblik meenden wij ter rechterzijde 't geluid van riemen te
vernemen. Men zou gemeend hebben een zachten, gelijkmatigen slag,
die al duidelijker zich deed hooren. O, welk een heerlijke muziek vol
blijde verwachting, hoe richtten wij ons allen op om die ster van
hoop te zien dagen! Wij hielden onzen adem in. Doch wij bespeurden
niets. De gele watervlakte strekte zich rondom ons uit, hier en daar
gevlekt door schaduwvlakken, doch geen dezer zwarte stippen, kruinen
van boomen of overblijfselen van ingestorte muren, bewoog zich.

Stukken drijfhout, bundels gras, leege tonnen, veroorzaakte ons een
telkens teleurgestelde hoop; wij wuifden met onze zakdoeken, totdat
we, onze dwaling bespeurende, terugvielen in den toestand van angst,
die ontstond door het aldoor klinkende geluid, welks oorsprong wij
niet konden ontdekken.

"Ha, ik zie haar!" riep Gaspard plotseling. "Kijk daar, een groote
bark!"

En hij wees ons met uitgestrekte hand naar een ver verwijderd punt.

Ik zag niets. Pierre evenmin. Gaspard hield echter vol. 't Was wel
een bark. Het geplas der riemen in 't water werd duidelijker. En wij
eindigden zelf ook met haar te zien. Zij bewoog zich langzaam en 't
was of zij om ons heen draaide, zonder te naderen. Ik herinner mij nog
hoe wij op dat oogenblik als gek waren. Wij hieven de armen omhoog met
wild gebaar, wij stieten doordringende kreten uit, als wilden wij onze
keel stuk schreeuwen. Doch zij, zwart en stom, ging al langzamer. Was
het werkelijk wel een bark? Ik weet het nog niet. Toen wij haar meenden
te zien verdwijnen, was 't of onze laatste hoop van ons werd weggerukt.

Van nu af kon ieder oogenblik het huis ons medeslepen in zijn val. Het
was als 't ware ondermijnd en steunde nog maar op een dikken muur,
die, wanneer hij instortte, alles moest medesleuren.

Waar ik mij echter bovenal beangst om maakte, was het buigen van het
dak onder ons gewicht. Het huis zelf zou het misschien den ganschen
nacht nog wel uithouden, alleen de pannen verdwenen voor en na,
stukgeslagen en verbrijzeld door de aandrijvende balken.

Wij waren naar de rechterkant gevlucht, waar alles nog stevig in elkaar
zat. Doch ook hier scheen de verzwakking een aanvang te nemen. Als
wij alle vijf opeengehoopt bleven op dit plekje, zou de instorting
niet ver meer zijn.

Sinds eenige oogenblikken had mijn broeder Pierre zijn pijpje
werktuigelijk weer tusschen de lippen genomen. Hij draaide aan
zijn ouden soldatenknevel, de wenkbrauwen gefronsd, sombere woorden
prevelend. Het dreigend gevaar dat hem omringde en waartegen hij zich
machteloos gevoelde, begon hem ongeduldig te maken. Twee of driemalen
had hij in 't water gespogen, met een uitdrukking van minachtenden
toorn. Op eens, terwijl wij voelden dat het dak onder ons zakte,
nam hij een kort besluit en liet zich naar beneden glijden.

"Pierre, Pierre!" riep ik, bevreesd dat ik hem begreep.

Hij wendde zich bedaard om en zei:

"Vaarwel, Louis.... 't Duurt mij te lang, en 'k zal voor jelui
plaats maken".

Toen wierp hij zijn pijpje in de golven en het volgende zeide hij nog:

"Bonsoir, ik heb er genoeg van!"

Hij kwam niet meer boven. Zwemmen kon hij niet al te best. Bovendien
scheen hij zich vrijwillig over te geven, het hart gebroken door onze
ruïne en door den dood van al de onzen, die hij niet wilde overleven.

De torenklok sloeg twee uur in den morgen. De nacht ging eindigen,
die verschrikkelijke nacht vol doodstrijd en tranen.

Al kleiner en kleiner werd de droge plek onder onze voeten; het was
een aanhoudend geklots van water, van kleine kabbelende golfjes,
die aanrolden en terugvielen. Opnieuw was de stroom van richting
veranderd; het drijfhout zocht nu een weg rechts van het dorp,
langzaam drijvende, alsof de wateren bijna het hoogtepunt bereikt,
wat rust namen en loom en moe werden.

Plotseling trok Gaspard zijn schoenen en zijn vest uit. Ik had hem
gedurende enkele oogenblikken zijn handen al zien vouwen en zich de
vingers al te pletter zien drukken. Toen ik hem ondervroeg zeide hij:

"Luister eens, grootvader, ik ga nog liever dood dan zoo te moeten
afwachten. Ik kan hier niet langer blijven.. Laat mij begaan en ik
zal haar redden".

Hij sprak van Véronique. Ik wilde zijn meening bestrijden. Nooit zou
hij sterk genoeg zijn om het meisje tot aan de kerk te brengen. Hij
hield echter vol.

"Zeker, zeker. Ik heb goede armen, ik voel mij sterk .. U zal 't zien!"

Hij voegde erbij dat hij oneindig liever dezen gevaarlijken tocht
ondernam dan hier als een kind te blijven afwachten, tot het huisje
stukje voor stukje onder ons zou afbrokkelen.

"Ik bemin haar en zal haar redden", herhaalde hij.

Ik bleef stil en roerloos en drukte Marie tegen mij aan. Toen meende
hij dat ik hem zijn egoïsme euvel duidde en stamelde hij:

"Ik kom terug om Marie te halen, dat zweer ik u. Ik zal wel een boot
vinden en op de een of andere wijze raad schaffen. Vertrouw gerust
op mij, grootvader".

Slechts zijn broek hield hij aan. Snel en fluisterend richtte hij
zich tot Véronique; zij verweerde zich niet, zij gaf zich gewillig
aan hem over, niet de geringste vrees gevoelende. Op ieder zijner
gezegden antwoordde zij, als wezenloos, slechts "ja".

Na een teeken des kruizes gemaakt te hebben, schoon hij anders
volstrekt niet vroom was, liet hij zich van het dak afzakken,
Véronique aan een touw vasthoudende, dat hij onder de armen door
gebonden had. Zij stootte een vreeselijken kreet uit, sloeg met armen
en beenen in 't water en viel daar in zwijm. "Dat vind ik beter",
riep Gaspard mij nog toe. "Nu sta ik voor haar in".

Men kan zich voorstellen met welk een angst ik hen met de oogen
volgde. Op het blanke water zag ik de minste bewegingen van
Gaspard. Hij ondersteunde het jonge meisje met behulp van zijn touw,
dat hij om zijn eigen hals had geslagen; zoo droeg hij haar, half
rustende op zijn rechterschouder, voort. Soms werd het gewicht hem te
zwaar; niettemin kwam hij vooruit, zwemmende met bovenmenschelijke
inspanning. Reeds een derde van den afstand had hij afgelegd en
ik twijfelde niet meer, toen hij zich plotseling stootte aan een
onder water verborgen muur. De schok was verschrikkelijk. Beiden
verdwenen. Daarna zag ik hem weder te voorschijn komen, alleen; het
touw moest gebroken zijn. Tweemaal dook hij. Eindelijk kwam hij boven,
Véronique weder rustende op zijn rug. Hij had nu echter geen touw
meer om haar te steunen en de last werd te zwaar. Toch ging hij nog
aldoor vooruit. Ik beefde van vreugde nu ik hen al dichter de kerk
zag naderen. Plotseling, ik wilde schreeuwen, bemerkte ik balken die
op hen aandreven. Mijn mond bleef wijd open staan: een nieuwen schok
had hen gescheiden, de wateren waren weer gesloten.

Sinds dat oogenblik waren mijn zinnen verdwenen. Nog maar één gedachte
vervulde mij, die van het beest, denkend aan zijn redding. Toen 't
water nog hooger steeg, kroop ik terug. In deze verstandsverbijstering
hoorde ik eensklaps luid lachen, zonder mijzelf te kunnen verklaren wie
het deed. De zon ging op, een bleeke gloed overstroomde den hemel. Het
was heerlijk weer, frisch en kalm, als aan den kant van een vijver
voor het opgaan der zon. Aldoor klonk die luide lach en omziende zag
ik Marie rechtop staan in haar doorweekte kleeren. Zij lachte zoo.

Ach, dat arme lieve kind, wat was zij teeder en beminnelijk in
dat morgenuur! Ik zag haar zich bukken en in haar handen wat water
scheppen, waarmede zij zich het gelaat waschte. Daarop strikte zij
haar langen blonden haren in een knoop op het achterhoofd. Ongetwijfeld
maakte zij haar toilet en meende zij in haar klein kamertje te zijn, op
Zondagmorgen, als de klok vroolijk luidt. Zij bleef doorlachen met haar
kinderlijken lach, haar heldere oogen, haar van geluk stralend gelaat.

En ik, door haar waanzin aangegegrepen, begon te lachen, evenals
zij. De angst en ontzetting hadden haar krankzinig gemaakt en 't
was een geluk dat zij zoo verrukt was over de heerlijkheid van dien
lente-morgen.

Ik liet haar zich haasten, zonder evenwel iets te begrijpen en het
hoofd schuddend. Zij knapte zich op en toen zij meende gereed te
zijn, begon zij met haar glasheldere stemmetje een kerkgezang aan te
heffen. Zij viel zichzelve echter in de rede en riep als antwoord
op een stem, die haar riep en die zij alleen scheen te hooren:
"Ik ga er heen, ik kom!"

Weder begon zij haar lofzang te zingen, daalde zachtjes het dak af
en liep het water in, dat haar in zijn schoot ontving geruischloos.

Ik glimlachte aldoor en beschouwde met van geluk stralend gelaat de
plek, waar zij verdwenen was.

Daarna herinner ik mij niets meer. Ik was alleen op het dak.

Nog steeg aldoor het water. Eén schoorsteen stond nog slechts overeind
en ik geloof dat ik mij met al mijn krachten daaraan vastklemde,
als een beest, dat niet sterven wil. En daarna niets meer, niets,
een zwart gat, het eeuwige niets......




VI.


Waarom ben ik nog hier? Men heeft mij verteld, dat tegen zes uur
de mannen van Saintin met hun barkassen gekomen zijn en dat zij mij
bezwijmd boven op den schoorsteen hebben gevonden. De wateren zijn zoo
wreed geweest mij te sparen, nadat zij al de mijnen hebben medegevoerd.

Ik, de oudste, ik moet hen allen overleven.

Zij zijn allen heengegaan, de zuigelingen, de huwbare meisjes,
de jonge echtgenooten, het oude paar. En ik, ik leef nog als een
onkruid, verschrompeld en verdroogd, tusschen de straatsteenen
vastgeworteld. Als ik moed had, zou ik doen als Pierre en zeggen:
"Bonsoir, ik heb er genoeg van!" en mij in de Garonne werpen om den
weg te gaan, dien zij allen hebben gevolgd. Mijn kinderen zijn dood,
mijn huis is vernield, mijn velden liggen verwoest. O, die heerlijke
avonden, als wij allen aan tafel zaten, de ouden in 't midden,
de kleintjes naast elkaar, wat een vroolijkheid en een warmte! En
die dagen van den oogst, als wij allen hard meêwerkten en wij thuis
kwamen, trotsch op onzen nieuw verworven rijkdom! En de kinderen en
de wijngaarden, de meisjes en de korenvelden, dat alles, de vreugde
van mijn ouderdom, de levende belooning voor mijn werkzaam leven! Nu
dit alles dood is, lieve God, waarom wilt Gij nu nog dat ik zal leven!

Troost baat mij niet. Hulp wensch ik niet. Ik zal mijn akkers geven
aan de dorpelingen, wier kinderen nog leven. Zij zullen den moed
hebben ze van het drijfhout te bevrijden en ze opnieuw vruchten te
doen dragen. Als men geen kinderen meer heeft, verlangt men niets dan
een hoekje om te sterven. Slechts één wensch heb ik nog, één enkel
verlangen: ik zou zoo gaarne de lichamen der mijnen terug hebben om
ze te begraven op ons kerkhof, onder een steen, waar ik mij bij hen
kon voegen. Men vertelde dat te Toulouse een menigte lijken waren
aangespoeld.

Ik ben besloten er heen te gaan.

Wat een verschrikkelijke ramp heeft het land getroffen!

Twee duizend huizen zijn ingestort; zeven honderd menschen verloren
het leven alle bruggen zijn weggeslagen; een heele landstreek is
met den grond gelijk gemaakt, verdronken onder het slijk; en wat een
verschrikkelijke drama's; twintig duizend ellendigen, half naakt en
stervende van honger; de stad verpest door de lijken, doodsbenauwd
door de vrees voor typhus; rouw overal, de straten vol lijkstaties;
aalmoezen onmachtig zooveel leed te stillen. Zonder iets op te merken,
liep ik midden door de ruïnes. Ik had echter mijn eigen dooden,
mijn eigen leed, waaronder mijn hart verpletterd was.

Men heeft mij verteld dat inderdaad verscheidene lijken zijn
opgevischt. Zij waren reeds begraven, in lange rijen, in een hoek
van 't kerkhof. Men had echter zorg gedragen de onbekenden te
photografeeren. En onder deze afgrijselijke portretten heb ik die
gevonden van Gaspard en Véronique. De beide verloofden hielden elkaar
hartstochtelijk omvat, in den dood elkander den bruidskus gevende. De
verstijfde armen hielden elkaar nog stevig omklemd, de mond rustte
nog tegen den mond en men zou hun de ledematen hebben moeten breken,
om hen te scheiden. Zoo tezamen had men hen gephotografeerd en zij
sliepen ook zoo tezamen onder den grond. Slechts die verschrikkelijke
beeltenis heb ik altijd voor oogen, van die twee lieve kinderen,
door de golven verzwolgen, doch op hun gelaat nog de trekken van een
teederen heldenmoed. Ik staar hen aan en ween.






HOE MEN STERFT.




I.


De graaf de Verteuil is vijftig jaar. Hij behoort tot een der
aanzienlijkste families van Frankrijk en is schatrijk. Verstoord op
het gouvernement heeft hij zijn tijd zoek gebracht op zijn wijze
en eenige artikelen geschreven in hoogst ernstige tijdschriften,
welke hem een plaats bezorgd hebben in de Academie van zedekundige en
politieke wetenschappen. Daarna heeft hij zich in den handel begeven,
zich toegelegd op den landbouw, op schoone kunsten enz.

Eéns zelfs is hij afgevaardigde geweest en heeft hij zich onderscheiden
door de hevigheid zijner oppositie.

Gravin Mathilde de Verteuil is zes en veertig jaar. Nog wordt zij de
beminnenswaardigste blondine van Parijs genoemd. De ouderdom schijnt
haar huid nog blanker te maken.

Vroeger was zij wat mager; tegenwoordig hebben haar schouders de
ronding van een sappige vrucht aangenomen.

Nooit is zij wat men noemt schoon geweest. Als zij een salon
binnentreedt met haar gouden haren en satijnen hals, lijkt zij een
opgaande ster; meisjes van twintig jaar zijn zelfs jaloersch op haar.

Het huishouden van den graaf en de gravin is een van die, waar niets
van te zeggen valt. Zij zijn getrouwd, zooals men meestal in hun stand
trouwt. Zelfs beweert men dat zij zes jaar in de beste harmonie samen
geleefd hebben.

Toen kreeg zij een zoon, Roger, die luitenant is en een dochter,
Blanche, die verleden jaar getrouwd is met den heer de Bussac. In die
twee kinderen vinden zij zichzelf terug. De jaren, dat zij feitelijk
met elkaar gebroken hebben, zijn zij niettemin goede vrienden gebleven,
het egoïsme op den voorgrond stellende. Zij vragen elkaar om raad en
zijn voor 't oog van de wereld op den besten voet. Komen zij thuis,
dan gaan zij naar hunne afzonderlijke vertrekken en ontvangen hun
intieme kennissen ieder op eigen wijs.

Eens op een nacht kwam Mathilde om twee uur 's morgens van een bal
thuis. Haar kamenier ontkleedde haar en zei, op 't oogenblik dat zij
heen zou gaan:

"Mijnheer de graaf was wat ongesteld vanavond."

De gravin, half slapende, wendde loom het hoofd om, zeggende:

"Zoo!"

Zich daarna in haar bed uitstrekkende, voegde zij er bij:

"Wek mij morgen om tien uur; ik verwacht de modiste".

Toen den volgenden morgen de graaf niet aan het dejeuner verscheen,
liet de gravin naar zijn toestand informeeren en besloot tenlaatste
hem persoonlijk op te zoeken. Zij vindt hem zeer bleek te bed
liggen. Drie geneesheeren zijn er reeds geweest, hebben zacht met
elkaar gesproken en hun bevelen achter gelaten; tegen den avond zullen
zij terugkomen. De zieke wordt door twee bedienden verzorgd, die
ernstig en stil om hem dwalen, het geluid hunner voetstappen doovende.

De groote kamer dommelt in benauwende rust; geen stuk linnengoed is
achteloos ergens neer geworpen, ieder meubel staat op zijn plaats. 't
Is de kalme, bezadigde, ceremonieuse zieke, die bezoek verwacht.

"Hebt gij pijn, mijn vriend?" vroeg de gravin binnentredend.

De graaf doet een poging, om te glimlachen.

"Och, een beetje moe, zonder dat ik rusten kan," antwoordde de
zieke. "Ik dank u voor uw attentie."

Twee dagen verliepen. De kamer bleef even waardig; ieder voorwerp
bleef op zijn plaats, de fleschjes en potjes verdwenen zonder een
spoor achter te laten.

De glad geschoren gezichten der bedienden durfden zelfs geen gevoel
van verveling uitdrukken. De graaf weet evenwel dat hij in doodsgevaar
verkeert; hij heeft den geneesheeren de waarheid afgedwongen en laat
hen handelen zonder een klacht te uiten. Meest ligt hij met gesloten
oogen, ofwel staart hij voor zich heen als dacht hij na over zijn
eenzaamheid.

Aan de wereld vertelt de gravin dat haar echtgenoot ziek is. Zij
heeft evenwel geen enkele harer gewoonte afgelegd, zij slaapt en eet
en wandelt op haar gewone uren. Iederen avond en iederen morgen gaat
zij zelf den graaf vragen hoe 't hem gaat.

"Wel, is het wat beter, mijn vriend?"

"Zeker, veel beter, dankje wel, lieve Mathilde."

"Als ge 't wenscht, zal ik bij u blijven."

"Welneen, dat is niet noodig. Julien en François zijn
voldoende........ Waarom zoudt gij u vermoeien?"

Zij zelf begrepen elkaar volkomen. Zij hadden gescheiden geleefd, zij
wenschten ook gescheiden te sterven. De graaf wenschte dat bittere
egoïstische genot van heen te gaan geheel alleen, zonder om zich
het blijspel der smart te zien. Hij wenschte voor zich zelf en voor
de gravin de onaangenaamheid van het laatste tête-à-tête zoo kort
mogelijk te maken.

Zijn laatste verlangen was zoo stil mogelijk te verdwijnen, als een
man van de wereld, die er niet van houdt anderen overlast aan te doen.

Op een avond echter voelde hij dat de adem hem begaf en dat hij den
nacht niet zou doorkomen.

Toen de gravin hem haar gewoon bezoek bracht, trachtte hij nog te
glimlachen en zei:

"Neen, ga niet heen...... ik voel mij zoo vreemd".

Hij wenschte te vermijden dat de wereld praatjes omtrent haar
onachtzaamheid uit zou strooien en zij, hem begrijpende, verwachtte
deze vingerwijzing.

Zij installeerde zich in zijn kamer. De geneesheeren verlieten den
stervende niet meer.

De beide bedienden gingen met hun gewone werkzaamheden voort, even
stil en even ijverig.

Men had de kinderen laten roepen. Roger en Blanche stonden bij het
bed, naast hun moeder. Andere familieleden bevonden zich in het naaste
vertrek. Op deze wijze gaat de nacht voorbij, in angstige afwachting.

Tegen den morgen worden de heilige sacrementen toegediend, de graaf
vond deze laatste godsdienstige ceremonie noodzakelijk. Thans kan
hij in vrede sterven.

Hij haast zich echter niet en schijnt zijn krachten te herwinnen,
teneinde een benauwden doodstrijd te verhinderen. Zijn ademhaling is
als het geluid van een horloge dat afloopt.

't Is een man van de wereld, die hier gaat.

Als hij zijn vrouw en kinderen vaarwel gekust heeft, wendt hij zich
van hen af, keert zijn gelaat naar den muur en sterft alleen.

Een der geneesheeren buigt zich over hem heen en sluit de oogen van
den doode. Daarop zegt hij op zachten toon:

"Het is gedaan."

Snikken en zuchten klinken in stilte. De gravin, Roger en Blanche
zijn neergeknield. Zij weenen in hun gevouwen handen; hun gezichten
ziet men niet. De kinderen nemen daarop hun moeder meê, die bij de
deur, nog eens haar droefheid willende toonen, een laatste zucht
slaakt. Sinds dit oogenblik behoort de doode aan de treurige pracht
en weelde, waarmede men hem gaat omringen.

De geneesheeren zijn vertrokken, met gebogen rug loopende, een quasi
bedroefd gezicht trekkend. Men heeft bij de parochie een priester
verzocht om bij het lijk te waken.

De twee bedienden blijven bij den priester, op hun stoelen gezeten,
recht en onbeweeglijk dit is het einde van hun diensttijd. Een van hen
bemerkt een lepel, welken men op een meubel heeft laten liggen; hij
staat op en laat hem vlug in zijn zak glijden, opdat de ordelijkheid
in de kamer niet gestoord worde.

Beneden in 't salon hoort men een geluid van hamers; 't zijn de
behangers, die dat vertrek in lijk-kapel veranderen. De gansche dag
gaat voorbij met het balsemen; de deuren zijn gesloten, de persoon
die balsemt is alleen met zijn helpers. Als men den volgenden dag
den graaf afdraagt en op het rustbed legt, is hij geheel gekleed,
een jeugdige frischheid op 't gelaat.

Om negen uur vult zich op den dag der uitvaart, het gebouw met
stemmen. De zoon en schoonzoon van den overledene, wachten in een salon
op de eerste étage de bezoekers af; zij buigen en zijn stom beleefd
als bedroefde menschen. De aanzienlijksten uit den lande zijn daar:
de adel, het leger, de wettelijke macht; zelfs senatoren en leden
van het Instituut.

Om tien uur eindelijk zet de stoet zich in beweging om naar de kerk te
gaan. De lijkwagen is een eerste klasse voertuig, met pluimen versierd,
gedrapeerd met zwarte kleeden met zilveren franjes. De slippen worden
gedragen door een maarschalk van Frankrijk, een hertog, oud vriend
van den overledene, een oud-minister en een lid van de Academie.

Roger en mijnheer de Bussac begeleiden de kist. Dan komt de stoet,
een stroom van gewichtige personages, die fluisterend praten en met
gemaakt-eentoonige stappen loopen, gehandschoend en zwart-gedast.

Voor alle vensters staan kijkers; de menschen staan aaneengesloten op
de trottoirs, nemen de hoeden af en zien hoofdschuddend den versierden
lijkwagen voorbijgaan. Het verkeer is gestremd door de onafzienbare
rij van bijna ledige rouw-rijtuigen; de omnibussen, de huur-rijtuigen
hoopen zich in de dwarsstraten op; men hoort het gevloek der koetsiers
en het geklap der zweepen. Gedurende dezen tijd houdt de gravin de
Verteuil haar kamer, zeggende dat zij van smart gebroken is.

In een luien stoel uitgestrekt, speelt zij met de uiteinden van haar
ceintuur, droomerig het plafond aanstarende. In de kerk duurt de
plechtigheid bijna twee volle uren. Van den morgen af ziet men niets
dan ijverig in den weer zijnde priesters, bevelen gevende, zich het
voorhoofd afdroogende en den neus snuitende op luidruchtige wijze.

In het midden van 't gebouw schittert in een zee van licht de zwarte
catafalk. Eindelijk heeft zich de stoet geschaard, de vrouwen links,
de mannen rechts; en de orgeltonen dreunen klagelijk, de koorzangers
zingen fluisterend, temidden van het groene schijnsel der lichten,
die een droeve bleekheid werpen over den doodenpraal.

"Moet Faure niet zingen?" vraagt een afgevaardigde aan zijn buurman.

"Ja, dat geloof ik wel", zegt deze, een oud prefect, die in de verte
glimlacht tegen de dames.

En wanneer de stem van den zanger hoog opklinkt met zacht gesidder:

"Wat een methode, wat een volheid!" en hij schudt van verrukking
het hoofd.

Het gansche gezelschap is aangedaan. De dames hebben een glimlach om
de lippen en denken aan haar opera-avonden. Die Faure heeft waarlijk
talent!

Een vriend van den doode fluistert:

"Hij heeft nog nooit zoo mooi gezongen! ........ 't Is jammer dat
die arme Verteuil hem niet hooren kan; hij hield zooveel van hem!"

De priesters in hun zwarte gewaden, bewegen zich rondom den catafalk
en prevelen latijnsche gebeden, met de wijkwasten sprenkelend. Na de
familieleden de handen gedrukt te hebben, gaat men uiteen. Daarbuiten
worden zij verblind door het volle licht.

't Is een heerlijke Juni-dag. Op het kleine plein vóór de kerk
sloot men elkander aan. 't Is een heele stoet en 't kost vrij wat
moeite er weer orde in te brengen. Zij, die niet verder meê gaan,
verdwijnen. Op twee honderd meter afstands bespeurt men reeds aan
het einde der straat de wuivende pluimen van den lijkkoets. En nog
aldoor staat het pleintje vol rijtuigen. Men hoort het dichtslaan der
portieren en het haastig getrappel der paarden op het plaveisel. De
koetsiers rijden achter elkaar en voort gaat het naar het kerkhof.

In de rijtuigen voelt men zich weer op zijn gemak; men kan zich
voorstellen langzaam een ritje naar het Bosch te maken op een schoonen
lentedag.

Als men de lijkkoets niet meer ziet, vergeet men dat men een
begrafenisplechtigheid bijwoont en de gesprekken worden opnieuw
aangeknoopt; de dames spreken over het zomer-seizoen, de heeren over
hun zaken.

"Zeg eens, mijn waarde, gaat gij van 't jaar nog naar Dieppe?"

"Ja misschien. Maar dan toch niet vroeger dan Augustus........ Zaterdag
gaan wij naar ons buiten aan de Loire."

"Ja, en toen heeft hij dien brief weten machtig te worden en hebben
zij geduelleerd. Och, een schrampje, meer heeft hij niet opgeloopen".

"'s Avonds heb ik nog met hem in de club gedineerd en heeft hij mij
zelfs nog vijf en twintig louis afgewonnen".

"Nietwaar? De vergadering van aandeelhouders is overmorgen?...... Men
wil mij lid van het Comité maken, doch ik ben zoo geweldig druk,
dat ik het niet weet of ik het aan zal nemen."

Een oogenblik ging de stoet door een kleine laan.

Een frissche schaduw viel uit de boomen en een zonnige vroolijkheid
zong in het groen.

Plotseling buigt zich een dame uit het portier en roept uit:

"Och, wat is het hier mooi!"

Op dit oogenblik rijdt de stoet het kerkhof Montparnasse in. De
stemmen zwijgen, men hoort slechts het geknars der wielen op het
zand der paden. Men steekt het kerkhof dwars over; het familiegraf
der Verteuils is heel achteraan links: een groot grafgesteente van
wit marmer, een soort van kapel, rijk met beeldhouwwerk versierd. Men
plaatst de kist voor de deur dezer kapel en de lijkredenen beginnen.

Er worden vier gehouden. De oud-minister herdenkt het politieke leven
van den gestorvene, dien hij voorstelt als een bescheiden genie,
welke zeker Frankrijk zou hebben gered, als hij niet zoo'n afkeer
had gehad van intrigues.

Een vriend spreekt vervolgens over de burger-deugden van den doode,
welken allen beweenen. Daarop neemt een onbekend heer het woord als
afgevaardigde van een industrieel genootschap, waarvan de graaf de
Verteuil eere-voorzitter was geweest. Een klein mannetje, met een
grijzig uiterlijk, vertelt ten slotte hoe bedroefd de Academie van
zedelijke en politieke wetenschappen is over het heengaan van dezen
voorbeeldigsten harer leden.

Gedurende dezen tijd nemen de toehoorders de naburige graven in
oogenschouw en lezen de opschriften op de marmeren steenen. Zij,
die schijnbaar toeluisteren, vangen slechts enkele klanken op. Een
grijsaard, met opeengeklemde lippen, schudt het hoofd nadat hij heeft
hooren spreken van: "zijn grootheid van hart, zijn edelmoedigheid en
zijn goed en edel karakter...." en zegt:

"Ja, ja, ik heb hem gekend; 't was een hond van een kerel."

Het laatste vaarwel vervliegt in de lucht. Als de priesters het lijk
gezegend hebben, trekt de menigte zich terug en blijven er op deze
stille plaats geen anderen over, dan de doodgravers, die de kist laten
zakken. De touwen schuren met een dof geraas langs de kist, die kraakt.

De gravin de Verteuil is thuis.

In haar luien stoel heeft de gravin zich niet bewogen. Nog aldoor
speelt zij met den slip van haar ceintuur, de oogen naar het plafond
gericht, in droomen verzonken, die langzamerhand weer een blos tooveren
op haar schoon gelaat.




II.


Mevrouw Guérard is weduwe. Haar echtgenoot, dien zij sedert acht jaar
heeft verloren, was magistraat. Zij behoort tot een zeer voorname
familie en bezit een fortuin van twee millioen. Zij heeft drie
kinderen, alle drie zoons die, bij den dood van hun vader, ieder
vijfmaal honderdduizend francs hebben mede gekregen.

Deze kinderen echter, opgegroeid in zoo'n strenge, stille omgeving,
hebben de weelde der vrijheid niet kunnen dragen en binnen weinige
jaren hun vijfmaal honderdduizend francs verteerd. De oudste, Charles,
werd een hartstochtelijk mechanicus, die zijn geld heeft weggesmeten
in dolzinnige uitvindingen. De tweede, Georges, heeft zich laten
uitkleeden door de vrouwen. De derde, Maurice, heeft zich door een
vriend laten bestelen, met wien hij een theater op zou richten. Op
't oogenblik leven deze drie zoons op kosten hunner moeder, die hen
wel wil huisvesten en eten geven, maar voorzichtigheidshalve den
sleutel der brandkast bij zich houdt.

Dit gezin bewoont een groot gebouw in de rue de Turenne.

Mevrouw Guérard is acht en zestig jaar. Met den ouderdom zijn de
eigenaardigheden gekomen. Zij wenscht een stilheid en netheid als van
een klooster om zich. Ze is vrekkig, telt de klontjes suiker, sluit
zelfs de aangebroken wijnflesschen weg, deelt het tafellinnen en de
borden uit, naar gelang er noodig is. Haar kinderen houden ongetwijfeld
veel van haar en, ondanks hun dertig jaar en hun dwaasheden, heeft
zij hen steeds het noodige ontzag weten in te boezemen.

Ziet zij zich echter alleen, te midden van deze drie groote kwajongens,
dan krijgt zij een drukkend gevoel over zich, dan vreest zij ieder
oogenblik dat zij haar geld zullen vragen en zij niet zal durven
weigeren het te geven. Zij is daarom zoo verstandig geweest haar
fortuin in vaste goederen te beleggen en bezit drie huizen te Parijs en
wat grond ter hoogte van Vincennes. Deze bezittingen kwellen haar meer
dan men denkt; zij is echter tevreden en vindt steeds een uitvlucht
om geen al te groote sommen te gelijk behoeven te geven.

Charles, Georges en Maurice doorsnuffelen het huis in alle hoeken,
elkaar het brood betwistende en de een den ander zijn grooten honger
verwijtende. De dood van hun moeder zou hen opnieuw rijk maken,
dat weten zij, en achten zij voldoende om af te wachten zonder wat
uit te voeren. Hoewel zij er nooit over spreken, is hun nachtmerrie
de wijze waarop de verdeeling plaats zal hebben; worden zij 't niet
eens, dan publiek verkoopen, wat toch altijd een schadelijke oplossing
is. Zij denken aan dit alles, zonder eenig onedel verlangen, alleen
maar omdat men alles van tevoren moet bezien. Zij zijn vroolijk als
goede kinderen, middelmatig eerlijk; zij wenschen dat hun moeder zoo
lang leeft als maar eenigszins mogelijk is. Zij hindert hen volstrekt
niet. Zij wachten bedaard af, dat is alles.



Op een avond van tafel afgaande voelt mevrouw Guérard zich
ongesteld. Haar zoons dwingen haar naar bed te gaan en laten haar
met de kamenier alleen, toen zij de zekerheid meenden te hebben dat
het wat beter was en zij alleen maar verschrikkelijke hoofdpijn
had. Den volgenden morgen was de toestand der oude vrouw evenwel
erger en de gewone huisdokter wenschte er met een ander over te
consulteeren. Mevrouw Guérard is werkelijk in levensgevaar. Gedurende
acht dagen wordt nu aan het ziekbed der stervende een waar drama
afgespeeld. Ziende dat zij de kamer niet kon verlaten, is haar
eerste zorg geweest zich van alle sleutels meester te maken,
om die onder haar hoofdkussen te verbergen. Van haar bed af,
wenschte zij nog het commando te voeren en haar kasten te behoeden
voor plundering. Zij worstelde met zichzelve, de twijfel verscheurt
haar. Eerst na langdurige aarzelingen kan zij besluiten. Haar drie
zoons staan daar voor haar en zij bestudeert hen met vage blikken,
een goede ingeving wachtende.

't Is in George dat zij op een goeden dag vertrouwen stelt. Zij
beduidt hem wat naderbij te komen en zegt hem zachtjes:

"Kijk eens, hier is de sleutel van 't buffet, haal den suiker
eens...... Na weer goed gesloten te hebben, brengt gij mij den
sleutel terug".

Op een anderen dag wantrouwt zij Georges; zij vervolgt hem met den
blik, als vreesde zij dat hij de ornamentjes van den schoorsteen in
zijn zak zou steken. Dan roept zij Charles, vertrouwt hem op zijn
beurt den sleutel toe en fluistert:

"De kamenier zal met je meêgaan. Let goed op als zij de lakens krijgt
en sluit de kast achter haar".

Haar grootste kwelling is aldoor zelf niet meer over het huishouden
te kunnen gaan. Zij herinnert zich de dwaasheden harer kinderen,
zij weet dat zij lui zijn, veel eten, een zwak verstand hebben en hun
handen niet thuis kunnen houden. Zij voelt zich lang geen de minste
achting voor hen; geen enkele harer droomen hebben zij verwezenlijkt
en storen zich niet in 't geringste aan haar stelregels van zuinigheid
en strengheid. Alleen de moederlijke liefde komt nu en dan boven en
doet haar hen weer in genade aannemen. In haar smeekende oogen leest
men dat zij hun erbarming vraagt om haar te sparen zoolang zij nog
in leven zal zijn, dat zij eerst daarna er toe zullen overgaan de
kasten te ledigen en den inhoud te verdeelen. Deze verdeeling nog
bij haar leven, zou een àl te vreeselijke marteling voor haar zijn.

Charles, Georges en Maurice vertoonen echter niet de minste kwade
neigingen. Zij verstaan zich in zooverre onderling, dat een van hen
altijd in de nabijheid der moeder is.

Een werkelijke genegenheid straalt in hun minste zorgen
door. Onwillekeurig echter brengen zij met zich de zorgeloosheid van
de buitenwereld, den geur der sigaar, welke zij gerookt hebben, de
nieuwtjes welke in de stad rondgaan. En het egoïsme der zieke lijdt
er onder dat zij in haar laatste uren, voor haar kinderen niet meer
alles zijn kan. Haar wantrouwen maakt echter de verhouding hoe langer
hoe drukkender. Als zij niet dachten aan het fortuin, dat zij gingen
erven, zou zij er hen aan hebben doen denken, door de wijze, waarop
zij haar schat tot den laatsten ademtocht verdedigt. Zij ziet hen
aan met een blik zóó scherp, met een vrees zóó duidelijk, dat zij het
hoofd omwenden. Daarna meent zij dat zij haar doodsstrijd bespieden;
en inderdaad, zij denken daaraan, zij worden onophoudelijk er toe
gedreven door de vragende blikken der oude vrouw. Zij zelf doet
de hebzucht in hen ontwaken. Ziet zij een van hen met bleek gelaat
droomerig staan, dan zegt zij:

"Kom dichter bij mij...... Waar denk je aan?"

"Aan niets, moeder".

Hij schrok echter onwillekeurig. Zij schudt langzaam het hoofd en
voegt er aan toe:

"Ik verschaf je wel zorg, kinderen. Kom, kwel je niet al te zeer,
ik zal er spoedig niet meer zijn".

Zij omringen haar, zweren haar dat zij haar beminnen en beter zullen
maken.

Zij antwoordt dat dit onmogelijk is met een stommen hoofdknik en wordt
nog wantrouwender dan voorheen. 't Is een verschrikkelijke doodstrijd,
vergiftigd door het geld.

De ziekte duurt drie weken. Reeds hebben vijf consulten plaats
gehad; de grootste beroemdheden op geneeskundig gebied zijn bij haar
geweest. De kamenier helpt de zoons van mevrouw om haar te verzorgen;
doch ondanks al deze voorzorgsmaatregelen, is er eenige wanorde in
het vertrek ontstaan. Alle hoop is verloren, de geneesheer deelt mede
dat de zieke ieder uur kan bezwijken.

Op een morgen dat de zoons meenen dat zij ingeslapen is, spreken zij
met elkander over een moeielijkheid, welke zich heeft voorgedaan. 't
Is de vijftiende Juli. Zij zelf had steeds de gewoonte de huur
te innen van haar huizen en de zoons zijn er verlegen mede, niet
wetende op welke wijze dit geld te doen binnenkomen. De concierges
hebben reeds gevraagd hoe zij handelen moeten. In den toestand,
waarin de zieke thans verkeert, is het onmogelijk haar over zaken
te spreken. Niettemin, wanneer het een of ander ongeluk gebeurde,
zouden wij geld noodig hebben.

"Lieve hemel!" zei Charles zachtjes, "ik ga, als jelui dat wilt, mij
aan de huurders voorstellen.... Zij zullen den toestand begrijpen en
ons betalen".

Georges en Maurice schenen echter in dit middel niet veel behagen te
scheppen. Ook zij zijn wantrouwend geworden.

"Wij zouden je kunnen vergezellen", zegt de eerste. Wij hebben alle
drie geld noodig".

"Wel, ik zou het geld wel hier brengen. Je denkt toch niet dat ik er
mee aan den haal zal gaan?"

"Neen, maar het is beter dat wij alle drie bij elkaar zijn. 't Is
meer zooals het behoort".

Zij zien elkaar aan met oogen, waarin reeds de woede en haat
glinsteren, welke de verdeeling zal opwekken. Ieder zal pogen het
grootste deel te krijgen.

Charles herneemt plotseling, hardop de overdenkingen voortzettende,
welke zijn broeders in stilte maken:

"Luister, wij zullen alles verkoopen, dat is veel beter.. Als wij nu
al ruzie hebben, zullen wij elkaar morgen verscheuren".

Een benauwde snik deed hen plotseling het hoofd omkeeren. Hun moeder
had zich opgericht, doodsbleek met akelig starende oogen, het lichaam
schokkend van zenuwen. Zij heeft alles verstaan, strekt de magere
armen uit en herhaalt:

"Kinderen ...... kinderen ......"

Een nieuwe zenuwschok werpt haar terug op het kussen, zij sterft in
de ellendige gedachte dat haar zonen haar bestelen.

Doodelijk verschrikt zijn alle drie voor het bed op de knieën
gevallen. Zij kussen de handen der doode en sluiten haar, al snikkend
de oogen. Zij voelen in dit oogenblik dat zij kinderen zijn van de
moeder, die daar heenging, hen tot weezen makende. Als een wroeging
en een haat ligt de dood der moeder op den bodem van hun hart.

De kamenier heeft het toilet der doode gemaakt en men gaat thans
een liefdeszuster halen om het lichaam te bewaken. Gedurende dezen
tijd zijn de drie zonen in de weer; zij gaan het overlijden aangeven,
bestellen de rouwbrieven en regelen de begrafenis. 's Nachts vereenigen
zij zich weer om, ieder op zijn beurt, met de liefdezuster te waken. In
de kamer, wier gordijnen zijn dichtgetrokken, ligt de doode uitgestrekt
in het midden van 't bed, het hoofd akelig koud, de handen gevouwen,
een zilveren kruisbeeld op de borst. Terzijde brandt een kaars. Een
palmtakje staat in een vaasje met wijwater. En zoo waken zij tot
de kille morgen aanbreekt. De liefdezuster voelt zich niets op haar
gemak en verzoekt om wat warme melk.

Een uur vóór de begrafenis, is de trap vol menschen. De koetspoort is
behangen met zwarte kleeden met zilveren franjes. Daar wordt de kist
neergezet, als in een kleinen kapel, omringd van kaarsen, overdekt
met kransen en bouquetten.

Ieder der binnenkomende neemt de wijkwast, doopt haar in den
wijwaterbak en besprenkelt het lichaam. Tegen elf uur zet de stoet
zich in beweging. De zoons van de overledene loopen vlak achter
het lijk, achter hen ontdekt men eenige overheidspersonen, groote
industriëelen, heel een stoet van deftige en invloedrijke burgers,
die stap voor stap loopen, schuins kijkende naar de nieuwsgierigen,
welke op de trottoirs elkander verdringen. Twaalf rijtuigen volgen. Men
telt ze en weet er het noodige van te zeggen.

Twee dagen later, bij den notaris van hun moeder, twisten de zoons
onderling, met op elkaar geklemde tanden en drooge oogen, geen van
allen geneigd den ander een centime toe te geven. Hun belang zou wezen
te wachten en den verkoop der bezittingen niet te verhaasten. Zij
wierpen elkander evenwel allerlei hatelijkheden naar het hoofd:
Charles zou alles opmaken met zijn uitvindingen; Georges moest
een meisje hebben, dat hem plukt; Maurice heeft ongetwijfeld het
hoofd nog vol van allerhande speculaties, waar hun kapitaal door zou
verdwijnen. Tevergeefs poogt de Notaris een minnelijke schikking tot
stand te brengen. Zij scheiden, elkander dreigende met deurwaarders
en dagvaardingen.

De doode staat weer in hen op met haar vrekkigheid en haar vrees van
bestolen te worden. Als het geld den dood vergiftigt, stijgt het er
niet uit op dan om woede en tweedracht te zaaien. Men vocht bepaald
op het graf der overledene.




III.


De heer Rousseau is op twintig jarigen leeftijd getrouwd met een
wees Adèle Lemercier, die achttien jaar telde. Den avond van hun
huwelijk bezaten zij met hun beiden zeven duizend francs. Zij zijn
begonnen onder een soort koetspoort schrijfbehoeften te verkoopen;
daarop hebben zij een winkeltje gehuurd, klein en onaanzienlijk,
waarin zij gedurende tien jaren al hun best gedaan hebben om hun zaken
uit te breiden. Op 't oogenblik hebben zij een handel in papier en
schrijfbehoeften in de rue de Clichy, die zeker een vijftigduizend
francs waard is. Adèle heeft geen sterke gezondheid. Zij heeft altijd
een beetje gehoest. De dompige winkellucht en de weinige beweging,
welke zij nam, deugden in 't geheel niet voor haar. De geneesheer,
welken zij raadpleegden, schreef haar rust voor en flinke wandelingen
als 't mooi weer was. Dat zijn echter voorschriften welke men niet na
kan komen als men het er op toelegt het nog eens zóó ver te brengen,
dat men in vrede van zijn renten kan leven. Adèle zegt dat ze later
wel rust zal nemen en wandelen, als ze hun zaak verkocht hebben en
zich in de provincie terug trekken.

De heer Rousseau zelf maakt zich echter wel eens ongerust als hij
haar soms zoo bleek ziet, met kleine vuurroode vlekjes op de wangen.

Zijn papierhandel laat hem echter geen oogenblik vrij, hij
kan onmogelijk aanhoudend op haar letten en haar verhinderen
onvoorzichtigheden te doen. Weken lang vindt hij geen minuut om met
haar over haar gezondheid te spreken. Als hij dan plotseling haar
droogen hoest hoort, maakt hij zich boos en dwingt hij haar een sjaal
om te doen en een wandeling met hem te maken in de Champs-Elysées. Zij
keert echter hoe langer hoe vermoeider terug; de drukte der zaken
maakt zich opnieuw van den heer Rousseau meester, de ziekte wordt
opnieuw vergeten, tot een nieuwe crisis zich voordoet. Zóó gaat het
in den handel, men sterft er in, zonder den tijd te vinden de noodige
zorg aan de gezondheid te besteden.

Op een goeden dag neemt de heer Rousseau den geneesheer apart en vraagt
rondweg of zijn vrouw in gevaar verkeert. De geneesheer begint met te
zeggen dat men het vertrouwen op de natuur niet moet verliezen, dat hij
wel erger zieken gezien heeft, die 't er nog weer ophaalden. Daarna,
zijn dringende vragen niet langer ontwijkend kunnende beantwoorden,
verklaart hij den heer Rousseau dat zijn vrouw de tering heeft,
zelfs in zeer gevorderden graad. De winkelier is bij deze bekentenis
doodelijk bleek geworden. Hij houdt veel van Adèle; zij hebben zoo
lang samen gewerkt en geslaafd om eens in vrede hun brood te eten. Hij
had niet alleen een vrouw in haar, doch een compagnon evenzeer, wier
activiteit en verstand hij waardeerde. Als hij haar verliest zal dat
een geweldige slag zijn èn voor zijn liefde èn voor zijn handel.

Hij moet het hoofd echter boven water houden; zijn winkel sluiten
en zich aan zijn droefheid overgeven gaat niet. Het beste is niets
te laten merken en Adèle niet te beangstigen met roodgeweende
oogen. Hij gaat zijn gewonen gang weer. Na verloop van een maand,
aan al die treurigheden denkende, eindigt hij met te gelooven dat de
geneesheeren zich dikwijls vergissen. Zijn vrouw ziet er niets ziek
uit. Ten slotte komt hij er toe haar langzaam te zien wegsterven,
zonder zelf veel te lijden, opgaande in zijn zaken, het noodlottig
oogenblik verwachtende, het in zijn verbeelding terugdringende tot
een ver afgelegen tijdstip. Adèle herhaalt dikwijls:

"O, als wij eens buiten zijn, zal je eens zien hoe ik weer
opknap...... Nog een jaar of acht maar, en die zijn gauw genoeg om".

En de heer Rousseau denkt er niet aan, dat zij reeds nù naar
buiten zouden kunnen gaan, als zij zich met iets minder tevreden
wilden stellen. Adèle zou eveneens niet willen. Heeft men een bedrag
vastgesteld, dan dient men te wachten tot men het heeft bereikt. Reeds
tweemaal echter is mevrouw Rousseau bedlegerig geweest. Zij is echter
weer opgestaan en heeft haar werkzaamheden hervat. De buren zeggen:
"Dat vrouwtje zal 't ook niet lang meer maken". En zij bedrogen
zich niet. Juist in de dagen dat de balans moest worden opgemaakt,
moest zij voor de derde maal te bed blijven. De geneesheer komt 's
morgens, praat wat met haar en schrijft verstrooid een receptje. De
heer Rousseau is gewaarschuwd dat het noodlottig oogenblik nadert. Het
opmaken der balans houdt hem echter beneden in den winkel en 't is
al mooi als hij nu en dan vijf minuten weg kan.

Indien haar man wat al te lang bij haar in de kamer blijft, zendt
zij hem weg. Het kan haar toch niet genezen of hij daar al zit en
het doet de zaken maar in de war loopen. Zij is overtuigd dat de
bedienden staan te kijken naar de voorbijgangers en herhaalt maar:

"Ga weer naar beneden, beste, ik verzeker je dat ik niets noodig
heb. En vergeet niet de noodige registers in te slaan, want de scholen
gaan weer beginnen en wij zouden er anders te kort komen".

Geruimen tijd geeft zij zich geen rekenschap van haar waren
toestand. Zij hoopt steeds den volgenden dag weder op te zullen staan
en weer hare plaats achter de toonbank in te nemen. Zij maakt zelfs
plannen, indien zij binnenkort uit mag gaan, zullen zij een Zondag te
Saint-Cloud doorbrengen. Nog nooit heeft zij zulk een groot verlangen
gekoesterd de boomen te zien. Maar eensklaps, wordt zij op zekeren
morgen ernstig gestemd. Dien nacht, terwijl zij daar geheel alleen
neêrlag, met wijd geopende oogen, heeft zij ingezien dat zij sterven
ging. Tot den avond toe zegt zij niets, ligt zij na te denken, met
den blik op de zoldering gevestigd. En dien avond, houdt zij haar
man bij zich terug, en spreekt zij hem heel rustig toe, alsof zij
hem een rekening liet nazien.

"Luister," zeide zij: "je moet morgen een notaris gaan halen. Er
woont er een hier vlak bij, in de rue Saint-Lazare".

"Waartoe dient een notaris?" roept de heer Rousseau uit: "zoo ver
zijn wij toch nog niet gekomen!"

Maar zij herneemt op haar kalmen, verstandigen toon:

"Dat kan wel zijn! Maar het zal mij gerust stellen, te weten dat onze
zaken geregeld zijn. Toen wij geen van beiden iets bezaten, zijn wij
in gemeenschap van goederen getrouwd. En nu dat wij een stuivertje
hebben verdiend, wil ik niet dat mijn familie je zou kunnen komen
uitkleeden. Zoo lief is mijn zuster Agatha ook niet, dat ik haar iets
zou nalaten. Liever nog nam ik alles met mij in het graf".

En zij houdt vol, haar man moet volstrekt den volgenden dag den notaris
gaan halen. Als deze komt raadpleegt zij hem breedvoerig, wenschende
alle maatregelen goed genomen te zien en dat men het testament niet
zou kunnen betwisten. Zoodra dit gemaakt is en de notaris weder is
vertrokken, strekt zij zich uit en mompelt:

"Nu kan ik tevreden sterven. Ik had wel verdiend naar buiten te gaan
wonen en ik kan niet zeggen dat ik het buitenleven niet betreur; maar
je moet er heengaan, jij.... Beloof mij je te zullen vestigen op het
plekje dat wij uitgekozen hadden, je weet wel, het dorp bij Melun,
waar je moeder geboren werd. Dat zal mij genoegen doen."

De heer Rousseau stort heete tranen. Zij vertroost hem en geeft hem
allerlei goeden raad. Indien hij het niet alleen kan uithouden, zal
hij wel doen met te hertrouwen, maar hij zal eene vrouw van zekeren
leeftijd moeten kiezen, omdat de jonge meisjes, die een weduwnaar
huwen, hem nemen om zijn geld. En zij noemt hem een hunner kennissen
op, die zij gaarne zou zien, dat hij tot vrouw had.

Denzelfden nacht daarop heeft zij een vreeselijken doodstrijd. Zij
voelt zich verstikken en vraagt om lucht. Françoise, de meid, is op een
stoel in slaap gezonken. De heer Rousseau, die aan het hoofdeind staat,
kan slechts de hand der stervende in de zijne nemen en haar drukken,
om haar te zeggen dat hij bij haar is en haar niet verlaat. Tegen den
morgen, gevoelt zij plotseling eene groote rust; zij is zeer bleek,
haar oogen zijn gesloten en zij haalt langzaam adem. Haar echtgenoot
meent dat hij wel met Françoise naar beneden kan gaan, om den winkel
te ontsluiten. Als hij weder boven komt, vindt hij zijne vrouw nog
altijd heel wit, in dezelfde houding uitgestrekt liggen; maar hare
oogen staan nu open. Zij is dood.

Sedert langen tijd is de heer Rousseau er op voorbereid geweest haar
te zullen verliezen. Hij weende dan ook niet, maar voelt zich alleen
als verbrijzeld van afmatting. Hij gaat weer naar beneden, ziet toe
hoe Françoise opnieuw de luiken sluit, en schrijft eigenhandig op
een blad papier: "_Wegens sterfgeval gesloten._" daarna plakt hij
met behulp van vier ouweltjes dit vel op het middelste luik. Boven,
is men den heelen morgen bezig met het schoonmaken en schikken
der kamer. Françoise neemt den vloer met een dwijl op, ruimt de
medicijnfleschjes op en plaatst bij de doode een brandende kaars en
een kopje met wijwater, want men verwacht Adèle's zuster, die Agatha,
die zulk een vergiftige tong bezit, en de dienstbode wil niet dat men
haar zou kunnen beschuldigen het huishouden te verwaarloozen. De heer
Rousseau heeft een klerk uitgezonden om de noodige formaliteiten te
vervullen. Hij zelve begeeft zich naar de kerk en dingt langen tijd
op het tarief der begrafenisplechtigheid af. Niet dat hij er over
treurt dat niet anders kan of men zal hem bestelen. Hij hield veel
van zijne vrouw, en indien zij op hem kan nederzien, is hij overtuigd
haar genoegen te doen met de priesters en de begrafenis-dienaren
te beknibbelen. Toch wil hij, met het oog op de buurt, dat de
teraardbestelling fatsoenlijk zal zijn. Hij eindigt met het eens te
worden: hij zal tachtig gulden geven aan de kerk en honderd vijftig
aan de begrafenis. Hij berekent dat hij er, met onvoorziene onkosten
meê, met minder dan tweehonderd vijftig gulden af zal komen.

Als de heer Rousseau thuiskomt, ziet hij zijne schoonzuster Agatha bij
de doode zitten. Agatha is eene lange, uitgedroogde vrouw, met roode
oogen, en dunne blauwachtige lippen. Sedert drie jaar was het gezin
kwade vrienden met haar geweest en zag men elkander niet meer. Zij
staat vol deftigheid op, en omhelst haar zwager. Tegenover den dood,
houden alle twisten op. Mijnheer Rousseau, die des ochtends niet
heeft kunnen weenen, barst nu in snikken los, want hij ziet hoe
bleek en strak zijne arme vrouw is, hoe weggetrokken haar neus is
en hoezeer haar gelaat is gekrompen; het is ternauwernood dat hij
haar herkent. Agatha stort echter geen traan. Zij heeft den besten
armstoel gekozen en laat langzaam den blik door de kamer glijden,
als maakte zij nauwkeurig een inventaris op van de meubels die er
in prijken. Tot hiertoe heeft zij nog niet over geldzaken gesproken,
maar men kan wel zien dat zij van verlangen daarnaar brandt en zich
af moet vragen of er ook een testament zou bestaan.

Op den morgen van de begrafenis, juist als men de doode zal kisten,
bemerkt men dat de begrafenisdienaren zich vergist hebben en een
te korte kist hebben gezonden. De bidders moeten een andere gaan
halen. Maar de lijkwagen staat voor de deur te wachten, en de buurt is
in rep en roer. Dit maakt eene nieuwe foltering voor den heer Rousseau
uit: Indien het zijne vrouw slechts weêr levend kon maken, dat zij
zoo lang in huis bleef! Ten laatste haalt men de arme mevrouw Rousseau
naar beneden, en blijft de doodkist maar tien minuten ten toongesteld
onder de met zwart omfloersde voordeur. Een honderdtal lieden staan op
straat te wachten, winkeliers der wijk, de huurders van het huis, de
vrienden van het gezin, eenige werklieden in zondagsche kleederen. De
stoet zet zich in beweging, mijnheer Rousseau, volgt de koets.

En op den doortocht van den stoet, maken de buurvrouwen haastig een
kruisteeken, terwijl zij voortgaan onder elkander te fluisteren. Het
is immers de vrouw uit den papierwinkel? Dat kleine, gele menschje,
dat slechts vel en been was. O? nu, dan zal zij het beter hebben onder
den grond! Wat men toch weinig van ons kan zeggen! zulke welgestelde
kooplieden, die arbeidden om er op hun ouden dag van te genieten! De
papierhandelaarster zal nu geen pleizier meer maken! En de buurvrouwen
vinden mijnheer Rousseau heel behoorlijk, omdat hij blootshoofds,
alleen en bleek, achter den lijkwagen aanloopt, terwijl zijne enkele
haren in den wind fladderen.

Binnen veertig minuten tijds, hebben de priesters in de kerk de
plechtigheid volbracht. Agatha, die op de voorste stoelen is gaan
zitten, schijnt de opgestoken kaarsen te tellen. Zij is zonder twijfel
van meening dat haar zwager er wat minder beweging van had kunnen
maken; want, alles wel beschouwd, zoo er geen testament bestaat,
en dat zij de helft van het fortuin heeft, zal zij haar aandeel in
dezen dag moeten betalen. De priesters spreken een laatste gebed uit,
de wijwaterkwast gaat van hand tot hand en men verwijdert zich. Bijna
iedereen gaat heen. Men heeft de drie volgkoetsen laten voorkomen,
waar eenige vrouwen in stijgen. Achter den lijkwagen blijft niemand
meer over dan de heer Rousseau, die nog altijd blootshoofds is, en een
dertigtal lieden, vrienden die niet durven verdwijnen. De lijkkoets
is eenvoudig versierd met eene draperie omzet met witte franjes. De
voorbijgangers nemen den hoed af en loopen haastig door.

Aangezien de heer Rousseau geen familiegraf bezit, heeft hij slechts
een graf voor vijf jaar genomen op het kerkhof van Montmartre, zich
voornemende later een blijvend graf aan te koopen en zijne vrouw te
laten opgraven, opdat zij op eigen grond zou liggen.

De lijkwagen blijft aan het einde eener laan stilstaan, en men
draagt nu de kist over laaggelegen graven, naar een kuil voort,
die in de weeke aarde gedolven is. De aanwezigen staan zwijgend te
trappelen. Daarop verwijdert de priester zich, na binnensmonds een
twintigtal woorden gepreveld te hebben. Aan alle kanten strekken
zich kleine, met hekken omzette tuintjes uit, graven versierd met
muurbloemen en groene boomen; te midden van al dat groen, schijnen de
witte steenen fonkelnieuw en heel vroolijk. De heer Rousseau wordt
getroffen door den aanblik van een gedenkteeken, een smalle kolom,
bekroond met de zinnebeeldige urn. Dien morgen is een steenhouwer hem
komen plagen met teekeningen. En hij zegt tot zichzelven dat, wanneer
hij een eigen graf zal aankoopen, hij op de laatste rustplaats zijner
vrouw zulk een zuil zal laten zetten met dezelfde mooie vaas.

Maar Agathe trekt hem mede, en als zij in den winkel zijn teruggekeerd,
gaat zij er eindelijk toe over de geldzaken aan te roeren. Zoodra
zij verneemt dat er een testament bestaat, richt zij zich loodrecht
overeind, en vertrekt, de deur achter zich dichtslaande. Nooit
zal zij weder een voet in dien rommel zetten. Mijnheer Rousseau
gevoelt nog altijd, bij oogenblikken, eene groote droefheid die hem
verstikt; maar wat hem bovenal versuft, zijn hoofd op hol brengt en
zijne ledematen doet beven, het is de gedachte dat de winkel, op een
werkdag, gesloten blijft.




IV.


Januari is een harde maand geweest. Geen werk, geen brood en geen
brandstof in huis. Het gezin Morisseau heeft aan alles gebrek
geleden. De vrouw wascht voor de lieden, de man is metselaar. Zij
wonen te Batignollis, in de rue Cardinet, in een donker huis, dat de
buurt verpest. Hun kamer, op de vijfde verdieping, is zoo onttakeld,
dat de regen door de spleten der zoldering heendringt. Zij zouden
nog niet eens klagen als hun kleine Charlot, een tienjarige knaap,
geen versterkend voedsel noodig had om ooit op te groeien.

Het kind is heel teêr, een duizeling maakt hem ziek. Toen hij naar
school ging, beloofde hij zich slechts in te spannen om in eens
alles te willen leeren, en hij keerde ongesteld terug. Daarbij heel
schrander, een alleraardigst jongske, dat als een volwassene weet
meê te praten.

Op den dag dat zij hem geen brood kunnen geven, schreiën de ouders als
ongelukkigen, en dat des te meer, daar de kinderen op alle verdiepingen
der woning als vliegen stierven, zoo ongezond als het daar is.

Men hakt de sneeuw weg op straat. Zelfs is vader er in geslaagd
zich daarvoor aan te laten nemen; hij maakt de goten weêr open met
zijne houweelslagen, en des avonds brengt hij een gulden thuis. In
afwachting van het oogenblik, dat men weêr beginnen zal te houwen,
is het toch altijd iets om niet van honger te sterven.

Maar op zekeren dag, vindt de man bij zijne thuiskomst Charlot
bedlegerig. De moeder weet niet wat hem scheelt. Zij had hem naar
Courcellis gezonden, naar zijn tante, die kleerkoopster is, om te zien
of hij geen warmer buisje zou vinden dan zijn linnen kiel, waar hij in
rilt van koude. Zijne tante had slechts oude mannenjassen, te groot
voor hem, en de kleine is bibberend teruggekeerd, met verglaasden
blik, alsof hij te veel gedronken had. Nu ligt hij daar vuurrood
op zijn peluw en spreekt wartaal; hij gelooft dat hij met knikkers
speelt en zingt straatliedjes.

De moeder heeft het overblijfsel van een omslagdoek voor het venster
gehangen, om daarmede een gebroken ruit dicht te stoppen; daarboven
blijven nog slechts twee ruiten over, die het naargeestige grauw der
lucht laten doorschemeren. De armoede heeft hun latafel geledigd, al
het linnengoed is verpand. Op een avond heeft men een tafel en twee
stoelen verkocht. Charlot sliep sedert op den grond; maar nu hij ziek
is, heeft men hem het bed afgestaan, en hij ligt daar nog zeer slecht,
want men heeft de veêren van den matras handje voor handje naar een
schachelaarster gebracht, bij halve ponden te gelijk, voor vier of
vijf stuivers. Thans zullen de vader en de moeder in een hoek slapen,
op een stroozak, waarvan geen hond gediend zou willen zijn.

Zij zitten daar beiden naar Charlot te staren, die op zijne legerstede
voortwoelt. Wat heeft de jongen toch, dat hij zoo'n beweging
maakt. Misschien heeft het een of andere dier hem gebeten of gaf
men hem iets slechts te drinken. Eene buurvrouw, juffrouw Bonnet,
is binnen getreden; en na den kleine bekeken te hebben en betast,
verzekert zij dat het koude koorts is. Zij heeft er verstand van,
zij heeft haar man aan eene dergelijke ziekte verloren.

De moeder schreit en klemt Charlot in hare armen. De vader holt als
een waanzinnige weg en gaat een dokter halen. Hij brengt er een mede,
een langen man met ijskoud gelaat, die zonder een woord te zeggen, het
oor tegen den rug van den knaap ligt en hem op de borst tikt. Daarna
moet juffrouw Bonnet in haar eigen kamer een potlood en papier gaan
halen, opdat hij zijn recept zou kunnen schrijven. Op het oogenblik
dat hij zich, nog altijd sprakeloos verwijdert, ondervraagt de moeder
hem op gesmoorden toon.

"Wat scheelt hem, mijnheer?"

"Een pleuris", antwoordt hij kortaf, zonder nadere toelichting.

Hij vraagt daarna op zijne beurt:

"Zijt gij ingeschreven bij het bestuur van Liefdadigheid?"

"Neen, mijnheer ...... Het ging ons goed, verleden zomer. Het is de
winter, die het ons heeft gedaan".

"Des te erger voor u!"

En hij belooft dat hij terug zal komen. Juffrouw Bonnet leent hem
tien stuivers om naar den apotheker te gaan. Voor Morisseau's gulden
heeft men twee pond ossenvleesch, steenkolen en waskaarsen gekocht. De
eerste nacht gaat goed voorbij. Men houdt het vuur aan. De zieke,
die door de hitte schijnt ingeslapen te zijn, spreekt niet meer. Zijn
handjes gloeien. Hem zoo tot verdooving gebracht ziende door de
koorts, stellen zijne ouders zich gerust; maar den volgenden morgen
staan zij als versuft, grijpt hun eene nieuwe ontzetting aan, als de
geneesheer hoofdschuddend voor het bed zit, met de uitdrukking van
iemand wien geen hoop meer overblijft. Vijf dagen achtereen komt er
geen verandering in den toestand. Charlot slaapt, als vernietigd op
zijn peluw. In de kamer schijnt de armoede, die nog toegenomen is,
met dien wind binnen te dringen door de gaten in het dak en in het
venster. Den tweeden avond heeft men het laatste hemd der moeder
verkocht; den derden dag heeft men weer nieuwe plukjes veêren van
onder den zieke weg moeten halen, om den apotheker te betalen. Daarna
heeft men gebrek gehad aan alles, er is niets overgebleven.

Morisseau bikt nog altijd de sneeuw; maar zijn gulden is niet
toereikend meer. Aangezien de felle koude Charlot kan dooden, verlangt
hij naar dooi, hoe bang hij er anders ook voor is. Als hij zich naar
het werk begeeft, is hij blij de straten wit te zien, maar dan denkt
hij weêr aan het kind, dat daarboven ligt te zieltogen, en wenscht
hij vurig naar een zonnestraal, naar wat lentegloed, die de sneeuw
weg zal doen smelten. Als zij maar ingeschreven waren bij het Bestuur
van Liefdadigheid, dan hadden zij dokter en apotheker voor niets. De
moeder is naar het gemeentehuis geweest, maar men heeft haar ten
antwoord gegeven dat de aanvragen te talrijk zijn en dat zij moest
wachten. Toch heeft zij eenige kaartjes voor brood gekregen en gaf
een barmhartige dame haar een rijksdaalder. Daarna is het gebrek weer
van voren af aan begonnen.

Den vijfden dag, brengt Morisseau zijn laatsten gulden thuis. De
dooi is ingevallen en men heeft hem afgedankt. Daarmede is alles
afgeloopen: de kachel blijft zonder vuur staan, men heeft geen brood,
de recepten worden niet meer naar den apotheker gebracht. In het
van vocht druipend vertrek, blijven de vader en moeder tegenover het
reutelende kind voortrillen.

Juffrouw Bonnet komt hen niet meer opzoeken, omdat zij weekhartig is
en het haar te zeer aangrijpt. De lieden uit het huis loopen haastig
hun deur voorbij. Nu en dan werpt de moeder, die in tranen uitbarst,
zich op het bed, en omhelst den knaap, als om hem verlichting te
schenken en hem te genezen. De vader, die als wezenloos is, brengt
uren achtereen aan het raam door, den ouden omslagdoek opheffende,
en starende naar het wegsmelten der sneeuw, het afsijpelen van het
water, dat in groote droppelen van het dak afvalt en de straat zwart
maakt. Misschien doet dat Charlot wel goed.

Op zekeren morgen verklaart de dokter dat hij niet wederkeeren zal. Het
kind is opgegeven.

"Het is het vochtig weder, dat hem den genadeslag heeft toegebracht,"
zegt hij.

Morisseau balt de vuisten tegen den hemel. De armen sterven dus
van alle weêr! Het vroor en dat deugde niet; nu dooit het en is
dat nog erger. Indien de vrouw er in toestemde, zouden zij een pan
met doovekoolen aansteken, en met hun drieën sterven. Dan zou alles
spoedig voorbij zijn.

Maar de moeder is naar het gemeentehuis teruggekeerd; men heeft haar
beloofd dat men onderstand zou sturen en zij wachten daarop. Het is
een vreeselijke dag; van de zoldering daalt een ijzige koude neder;
in een hoek van het vertrek loopt de regen af; men moet er een emmer
neerzetten, om de droppels op te vangen. Sedert den afgeloopen avond
hebben zij niets gegeten; het kind heeft alleen een kopje kamillen
gedronken, door de portierster naar boven gebracht. De vader zit voor
de tafel, met het hoofd in de handen verborgen, hij is versuft, zijn
ooren suizen. Bij elk gedruisch van voetstappen, snelt de moeder toe op
de deur, geloovende dat men haar de toegezegde hulp brengt. Het slaat
zes uur, en nog is er niets gekomen. Er heerscht een grauwe schemering,
die langzaam en onheilspellend als een doodstrijd nederdaalt.

Plotseling, terwijl de duisternis toeneemt, stamelt Charlot afgebroken
woorden:

"Moeke ... moeke...."

De moeder treedt op hem toe en een zware ademtocht waait haar
tegen. Zij hoort thans niets meer; zij ziet onbestemd het kind liggen,
met achterover geworpen hoofd en uitgestrekten hals. Half waanzinnig
roept zij smeekend uit:

"Licht! Dadelijk licht! Mijn Charlot.... zeg dan toch iets!"

Er is geen stukje kaars meer over. In haar haast strijkt zij lucifers
af, die tusschen hare vingers breken. Daarna betast zij, met hare
sidderende handen het gelaat van het kind.

"O! mijn God! hij is dood!.... Morisseau, luister dan toch, hij
is dood!"

Verblind door de duisternis, heft de vader het hoofd op.

"Welnu, hoe zou het ook anders kunnen? Hij is dood...... Het is
beter aldus!"

Bij het vernemen van die snikken der moeder, is juffrouw Bonnet er
toe overgegaan met hare lamp te verschijnen. En terwijl de beide
vrouwen bezig zijn met Charlot op te knappen, klopt men aan de deur
het is de beloofde bijstand, vijf gulden, kaartjes voor brood en
vleesch. Morisseau lacht met wezenlooze uitdrukking en zegt dat het
Bestuur van Liefdadigheid altijd te laat komt voor den trein.

Welk een treurig kinderlijkje, zoo mager en even licht als een
veertje! Indien men een van koude omgekomen huismusch op straat
opgeraapt, en op het bed neergelegd had, zou het diertje niet minder
plaats hebben beslagen.

Juffrouw Bonnet, die weêr heel behulpzaam is geworden, brengt hem
aan het verstand dat het Charlot niet tot het leven terugroepen kan,
of men al honger lijdt aan zijn zijde. Zij biedt zelfs aan brood
en vleesch te gaan halen, en voegt er bij dat zij meteen ook voor
kaarsen zorgen zal. Zij laten haar begaan. Zoodra zij wederkeert,
dekt zij de tafel, en zet worst op, die nog warm is. De ouders zijn
uitgehongerd en beginnen gulzig te eten naast den doode, wiens bleek
gezichtje men in het schemerlicht ontdekt. De kachel snort, het is
alles heel gezellig. Bij oogenblikken worden de oogen der moeder
vochtig, vallen er groote tranen op haar brood. Wat zou Charlot het
nu warm hebben gehad! Wat zou hij graag wat worst hebben gegeten!

Juffrouw Bonnet wil met alle geweld waken. Tegen één uur, nadat
Morisseau ten slotte, met het hoofd op het voeteneind van het bed,
in slaap is gevallen, zetten de beide vrouwen koffie. Men heeft een
andere buurvrouw, een achttienjarig naaistertje, uitgenoodigd er
van te komen drinken, en om toch ook een duit in het zakje te doen,
heeft zij een weinig brandewijn meegebracht. De drie vrouwen ledigen nu
langzaam haar kopje en spreken fluisterend met elkander over allerlei
verhalen van buitengewone sterfgevallen; van lieverlede worden hare
stemmen luider, dwalen hare gesprekken af; zij praten over hetgeen er
voorvalt in huis, in de buurt, over een misdaad, die in de rue Nollet
gepleegd werd. En nu en dan, staat de moeder op en gaat naar Charlot
kijken, als om zich te overtuigen dat hij zich niet verroerd heeft.

Aangezien men dien avond geen aangifte van den dood heeft gedaan,
moeten zij den kleine den ganschen volgenden dag bij zich behouden. Zij
bezitten slechts één vertrek en leven, eten en slapen dus bij
Charlot. Bij oogenblikken vergeten zij hem; maar, als zij hem daarna
weêr zien, is het hun alsof zij hem andermaal verloren.

Eindelijk, den tweeden morgen brengt men den lijkkist, die niet
grooter dan een speelgoeddoos is; vier slecht op elkaar passende
planken, kosteloos verstrekt door het gemeentebestuur, dank zij een
certificaat van onvermogen. En, nu vooruit! Men begeeft zich op een
draf naar de kerk. Achter Charlot loopt de vader met twee kameraden,
die hij onderweg heeft ontmoet, daarna volgen de moeder, juffrouw
Bonnet en de andere buurvrouw, het naaistertje.

Al deze brave lieden waden tot over de enkels door het slijk. Het
regent niet maar de mist is zoo vochtig dat de kleederen er van
doorweekt geraken. In de kerk wordt de plechtigheid zoo spoedig
mogelijk vervuld. En andermaal hervat men den tocht over de glibberige
steenen.

Het kerkhof ligt aan het eind der wereld, buiten de vestingwerken. Men
loopt de avenue de Saint-Ouen af, men laat den tol achter zich
liggen en ten laatste komt men aan. Het is een uitgestrekte ruimte,
een onbewerkt terrein, omsingeld met witte muren. Het gras schiet
er overal op, de omgewoelde aarde maakt er heuveltjes op, terwijl
men aan het eind daarvan een rij kwijnende boomen ziet verrijzen,
die de lucht met hunne zwarte takken verduisteren.

Langzaam treedt de stoet over het weeke zand heen. Het regent thans;
en men moet onder een stortbui wachten op een ouden priester,
die er eindelijk toe besluit uit een kleine kapel te voorschijn te
komen. Charlot moet ter ruste worden gelegd in de algemeene kuil. De
doodenakker ligt bezaaid met kruisen, die de wind omverwerpt en
kransen, door den regen verrot; het is een veld van ellende en rouw,
onttakeld, omwoeld, en vervuld van de pestwalmen van lijken, aldaar
opgestapeld door den honger en de koude der achterbuurten.

Alles is afgeloopen. Men neemt de spade op, Charlot ligt onder in
het gat, en de ouders vertrekken weêr, zonder neêr te hebben kunnen
knielen, op het vloeibare slijk, waarin zij wegzinken. Eenmaal
buiten gekomen zijnde, en ziende dat het nog altijd regent, noodigt
Morisseau die nog een daalder van de vijf gulden van het Bestuur van
Liefdadigheid overheeft, zijn kameraden en de buurvrouwen uit iets
te gaan gebruiken in een herberg. Men neemt plaats aan tafel, men
drinkt twee liters wijn en eet wat brood met een stuk Breikaas. Daarna
onthalen de makkers, op hunne beurt, op twee liters. Als het gezelschap
weêr naar Parijs terugkeert, is men heel vroolijk.




V.


Jean Louis Lacour is zeventig jaar oud. Hij werd geboren te la
Corteille, een gehucht van honderd vijftig zielen, dat in een door
wolven bevolkte streek gelegen is. In zijn leven, is hij ééne enkele
maal naar Angers geweest, op vijftien mijlen afstands van daar; maar
hij was toen nog zoo jong, dat hij het zich niet meer herinnert. Hij
heeft drie kinderen gehad, twee zoons, Anton en Jozef, en eene dochter,
Catharina. De laatste trouwde; daarna is haar man gestorven, en keerde
zij tot haar vader terug met Jacquinet, een twaalfjarigen knaap. Het
gezin leeft van vijf of zes bunders grond, juist genoeg om een stuk
te eten en niet zonder kleêren rond te loopen. Wanneer zij eens een
glas wijn drinken, dan hebben zij daarvoor gezwoegd.

La Courteille ligt in de diepte van een dal, van alle zijden omgeven
door bosschen, die het dorpje omsluiten en verbergen. Eene kerk is
er niet, daartoe is de gemeente te arm. De pastoor van Cormiers komt
er de Mis lezen, en aangezien hij daarvoor meer dan twee mijlen af
te leggen heeft, komt hij slechts eenmaal in de veertien dagen. De
huizen, een twintigtal bouwvallige spelonken, liggen langs den
straatweg verspreid. Voor de deuren daarvan morrelen de kippen in
den mesthoop. Als er een vreemdeling voorbij komt, rekken de vrouwen
den hals uit, terwijl de kinderen, die bezig zijn zich in de zon te
koesteren te midden van een zwerm verschrikte ganzen wegstuiven.

Jean Louis is nooit ziek geweest. Hij is even lang en knokelig
als een eik. De zon heeft hem uitgedroogd, zijn huid geblakerd en
doorbarsten, en hij heeft de kleur, het ruwe en de rust der boomen
overgenomen. Onder het veranderen is hij stilzwijgend geworden. Hij
spreekt niet meer, dat nutteloos achtende. Hij loopt voort met groote,
gelijkmatige passen en heeft daarbij de kalme kracht der trekossen.

Het jaar te voren, was hij nog sterker dan zijn zoons, behield hij
den zwaren arbeid voor zich, altijd zwijgend aan het werk op zijn
veld, dat hem scheen te kennen en voor hem te beven. Maar, op zekeren
dag, nu twee maanden geleden, hebben zijne ledematen hem plotseling
begeven, en hij is twee uren in een wagenspoor blijven liggen, als
een neêrgevelde stam. Den volgenden morgen wilde hij weêr aan het werk
gaan; doch zijne armen weigerden hem den dienst, de aarde gehoorzaamde
hem niet langer. Zijn zoons schudden het hoofd, zijne dochter poogt hem
binnenshuis te houden. Hij blijft echter stijfhoofdig, en men geeft
Jacquinet met hem mede, opdat het kind om hulp zou kunnen roepen,
als grootvader weer eens vallen mocht.

"Wat doe-je daar, luiaard?" vraagt Jean Louis aan den knaap, die hem
geen oogenblik verlaat: "Op jou leeftijd verdiende ik mijn brood."

"Ik pas op u, grootvader," antwoordt het kind.

Dat woord brengt den grijsaard een schok toe. Hij vraagt niet
verder. Dien avond, gaat hij liggen en hij staat niet weder op. Als
de zoons en dochter zich den volgenden morgen naar het veld begeven,
gaan zij eerst omzien naar hun vader, dien zij niet hebben hooren
bewegen. Zij vinden hem op zijn bed uitgestrekt, met wijdgeopende
oogen en een uitdrukking alsof hij over iets nadenkt. Zijn huid is
zoo hard en zoo verbrand, dat men niet eens kan zien of de ziekte
hem verbleekt heeft.

"Nu, vader, gaat het niet goed?"

Hij bromt iets, en schudt ontkennend het hoofd.

"Dus kunt gij niet mede? Moeten wij gaan zonder u?"

Ja, hij geeft hun een wenk dat zij zonder hem moeten gaan. Men is aan
den oogst begonnen en heeft alle handen noodig. Als men een morgen
verloren liet gaan, zou er wel eens een onweder kunnen opzetten dat
alles op het veld vernielde. Zelfs Jacquinet volgt zijne moeder en
zijn ooms. Vader Louis blijft alleen achter. Als de kinderen dien
avond wederkeeren, ligt hij nog op dezelfde plaats, nog altijd op den
rug uitgestrekt, met wijdgeopende oogen en die peinzende uitdrukking.

"Dus gaat het niet beter, vader?"

Neen, het gaat niet beter. Hij bromt en schudt het hoofd. Wat zou men
wel voor hem kunnen doen? Catharina komt op den inval wat kruiden met
wijn voor hem te koken; maar dat blijkt te straf voor hem te zijn
en doodt hem bijna. Jozef zegt dat men den volgenden dag zal zien,
en iedereen gaat ter ruste.

Den volgenden morgen, voordat zij weer naar het veld gaan, blijven
de zoons en dochter een oogenblik staan kijken bij het bed. Het lijdt
geen twijfel meer of de oude is ziek. Nooit nog is hij zoo op zijn rug
blijven liggen. Misschien zou men toch, alles wel beschouwd, maar beter
doen met den dokter te laten komen. Het ergste is dat men daartoe naar
Rougemont moet gaan; zes mijlen heen en zes mijlen terug, dat maakt er
twaalf. Men zal er een heelen dag bij verliezen. De oude, die zijne
kinderen aanhoort, wordt gejaagd en schijnt zich boos te maken. Hij
heeft geen dokter noodig, dat dient tot niets en 't kost geld.

"Dus wilt gij het niet?" vraagt Anton: "Dan gaan wij aan den arbeid".

Natuurlijk, dat zij aan het werk gaan. Het zou hem toch niet helpen,
of zij daar al bij hem bleven. De grond heeft vrijwat meer behoefte
aan zorgen dan hij. En er verloopen drie dagen, en de kinderen gaan nog
elken morgen naar het veld. Jean Louis verroert zich niet, hij blijft
geheel alleen en drinkt uit een kruik als hij dorst heeft. Hij is als
een dier oude paarden, die van vermoeienis in een hoek neervallen,
en die men rustig sterven laat. Hij heeft zestig jaar lang gearbeid
en kan thans wel heengaan, nu hij tot niets anders meer dient dan om
plaats te beslaan en den menschen tot last te wezen.

De kinderen zelf zijn niet bijzonder verdrietig. De aarde heeft hen
met dergelijke zaken verzoend; zij leven dicht bij haar, om boos
op haar te zijn dat zij den oude wegneemt. Een blik des ochtends,
een blik des avonds, meer kunnen zij ook niet doen. Als de vader er
toch weer eens boven op kwam, zou dat bewijzen dat hij al heel stevig
gebouwd is. Zoo hij er aan sterft, dan komt het omdat hij den dood
in het lijf draagt, niets hem daaruit verjaagt, noch alle mogelijke
teekens des kruises, noch de medicijnen.

Was het nog een koe, dan kon men het dier oppassen.

Des avonds ondervraagt Jean Louis, met een blik, zijne kinderen naar
den oogst. Als hij hoort hoe zij de schoven tellen en roemen over
het mooie weder dat hunne taak begunstigt schittert er vreugde in
zijn oogen. Nog eenmaal, spreekt men er van den geneesheer te gaan
halen; maar de grijsaard maakt zich driftig, en men vreest hem nog
eerder te dooden, indien men tegen zijn zin in handelt. Hij laat
alleen vragen om den veldwachter, een zijner oude kameraden. Vader
Nicolaas is ouder dan hij, want hij is met Maria Lichtmis vijf en
zeventig jaren geworden. Hij komt en gaat, met ernstig gelaat, bij
Jean Louis zitten. Jean Louis, die niet meer spreken kan staart hem
aan met de kleine verbleekte oogen. Vader Nicolaas, die niets tot
hem te zeggen heeft, ziet ook hem aan. En de beide grijsaards blijven
een uur lang tegenover elkander, zonder een woord te uiten, tevreden
elkaar weder te zien, zich waarschijnlijk allerlei herinnerende,
dat heel ver af ligt, in de dagen van weleer. Dienzelfden avond,
als de kinderen huiswaarts keeren, vinden zij Jean Louis dood, op
den rug uitgestrekt, reeds verstijfd en de oogen omhoog geslagen.



Ja, de oude is gestorven, zonder een lid te verroeren. Hij heeft zijn
laatste ademtocht recht voor zich uitgeblazen, als een zucht te meer
over het uitgestrekte land. Evenals de dieren, die zich verbergen en
zich onderwerpen, heeft hij zelfs geen der buren last veroorzaakt,
maar heel alleen alles afgehandeld.

"Vader is dood", zegt Jozef, als hij de anderen roept.

En allen op hun beurt, Anton, Catharina en Jacquinet, herhalen:

"Vader is dood".

Het verwondert hun niet. Jacquinet rekt nieuwsgierig zijn hals uit,
de vrouw haalt haar zakdoek te voorschijn, de beide mannen loopen
zonder iets te zeggen op en neer, hun verbrand gelaat is ernstig en
bleek. Alles wel beschouwd heeft hij het toch lang uitgehouden, hij
was wat stevig die oude vader! Deze gedachte vertroost de kinderen,
zij zijn trotsch op de lichaamskracht der hunnen.

Dien nacht, blijft men tot elf uur bij den vader waken, daarna geven
allen aan den slaap toe; en Jean Louis rust daar weer alleen, met
zijn ondoordringbaar gelaat, dat nog altijd schijnt na te denken.

Bij het aanbreken van den dageraad, begeeft Jozef zich op weg
naar Cormiers, om den pastoor te verwittigen. Aangezien er echter
nog korenschoven zijn binnen te halen, begeven Anton en Catharina
zich niettemin dien morgen naar het veld, het lijk aan Jacquniet's
hoede overlatende. De kleine verveelt zich bij den oude, die zich
geen enkele maal beweegt, en nu en dan gaat hij den weg op, gooit
hij de huismuschjes met steenen of kijkt hij naar een marskramer,
die gekleurde zakdoeken voor twee buurvrouwen uitspreidt. Als hij
dan weder aan zijn grootvader denkt, loopt hij haastig naar binnen,
kijkt eens of hij zich niet verroerd heeft, en ontvlucht dan weer om
te gaan zien naar twee vechtende honden.

Aangezien de deur is open blijven staan, komen de kippen binnen,
en loopen rustig rond, voortdurend met den bek in den versleten
vloer pikkende. Een roode haan heft zich zoo hoog mogelijk op zijn
pooten omhoog, rekt den hals uit en spalkt de flonkerende oogen
open, verontrust door dat lijk, waarvan hij niets begrijpt; het is
een voorzichtige, schrandere haan, die zonder twijfel weet dat de
grijsaard niet gewoon is ooit na zonsopgang te bed te blijven, en
hij eindigt met zijn luiden heraut-kreet te doen schallen, aldus den
dood van den oude bezingende, terwijl de kippen weer een voor een,
al kukelende en voortpikkende, heengaan.

De pastoor van Cormiers kan eerst om vijf uur komen. Sedert den
vroegen morgenstond hoort men de wagenmaker bezig met houtzagen en
het inslaan van spijkers. De lieden, die het nieuws nog niet weten,
zeggen: "Wel, daar is Jean Louis gestorven!" Want de inwoners van la
Courteille kennen die geluiden maar al te goed.

Anton en Catharina zijn weder thuis gekomen, de oogst is binnen;
zij kunnen niet klagen dat zij ontevreden zijn, want in geen tien
jaren heeft het koren zoo mooi gestaan.

Het gansche gezin wacht den pastoor op; men houdt zich met allerlei
bezig om geduld te oefenen: Catharina zet de soep op het vuur, Jozef
gaat water putten, men zendt Jacquinet uit om te zien of men op het
kerkhof wel een gat heeft gegraven. Pas tegen zes uur komt de pastoor
eindelijk aan. Hij zit in een karretje, met een jongen bij zich,
die hem tot koorknaap dient. Voor de deur der Lacours stijgt hij
uit, haalt zijn stola en zijn rochet uit een courant te voorschijn,
en begint zich aan te kleeden, terwijl hij zegt:

"Laat ons voortmaken, ik moet om zeven uur weer thuis zijn".

Niemand denkt er echter aan zich te haasten. Men is genoodzaakt de
twee boeren te gaan halen, die den overledene op een ouden zwarthouten
draagbaar moeten wegbrengen. Als men zich tenslotte op weg zal begeven,
komt Jacquinet aanhollen en roept hen toe dat het gat nog niet klaar
is, maar dat men toch wel komen kan.

De priester loopt nu het eerst vooruit, een boek in de handen
houdende, waarin hij latijn leest. De kleine koorknaap, die achter
hem aantreedt, draagt een oud gedeukt wijwatervat van koper, waarin de
kwast hangt. Eerst als men halverwege het dorp is gekomen, treedt een
andere jongen uit de schuur te voorschijn, waar alle veertiendagen de
mis gelezen wordt, en plaatst hij zich aan het hoofd van den stoet met
een op een langen stok gestoken kruis. De bloedverwanten gaan achter
het lijk; van lieverlede voegen al de dorpsbewoners zich bij hen;
een heele reeks van in lompen gehulde bengels, sluit blootshoofds en
zonder schoenen, den optocht.

Het kerkhof is aan het andere uiteinde van la Courteille gelegen. De
beide boeren zetten dan ook tot driemaal toe de draagbaar neêr; zij
staan uit te blazen, terwijl de stoet stilhoudt, en daarna begeeft
men zich opnieuw opweg. Men hoort het geklots der klompen over den
harden grond. Als men aankomt is de kuil inderdaad niet gereed; de
doodgraver staat er nog in en met elke spade aarde die hij omhoog
werpt ziet men hem regelmatig bovenkomen en weer neerduiken.

De doodenakker is omringd van eene eenvoudige heg. Er zijn
struiken tegenaan gegroeid, waarvan de dorpsjongens gedurende de
Septemberavonden braambeziën komen eten. Het is een tuin in het open
veld. In de diepte ziet men reusachtige bessenboompjes; in een der
hoeken is een perzikboom even hoog opgeschoten als een eik; in het
midden werpt een korte laan van lindenboomen haar schaduwen af, het
is een lommerrijk plekje, waar de ouden van dagen in den zomer hun
pijp komen rooken. De zon is brandend, de sprinkhanen schrikken op,
gouden vliegen gonzen vol vreugde in de warme lucht. De stilte is
vervuld van leven, het sap dier vette aarde vermengt zich met het
roode bloed der klaproozen.

Men heeft de lijkkist bij het gat nedergezet. De knaap, die het kruis
draagt, plaatst het thans aan de voeten van den doode, terwijl de
priester, die aan het hoofdeind heeft post gevat, voortgaat met in
zijn boek te lezen. Maar de toeschouwers stellen vooral belang in
den arbeid van den doodgraver. Zij scharen zich om de kuil heen, en
kijken voortdurend naar de spade. Als zij zich ten slotte omwenden, is
de pastoor met de beide kinderen verdwenen; alleen de familie blijft
nog over en wacht met eene uitdrukking van geduld af tot alles klaar
zal zijn.

Eindelijk is de kuil gegraven.

"Wel! het is diep genoeg!" roept een der boeren, die het lijk heeft
helpen dragen.

En iedereen spant zich in om de lijkkist naar omlaag te laten. Vader
Lacour zal het goed hebben in dat gat. Hij kent de aarde, en de aarde
kent hem. Zij zullen het best met elkaar kunnen vinden. Al sedert bijna
zestig jaar, van den dag af waarop hij haar het eerst met zijne spade
aanraakte heeft zij hem toegeroepen dat zij op hem wachtte. Hunne
liefde moest hierop uitloopen, de aarde kon niet anders dan hem tot
zich nemen en hem bij zich behouden. En welk een heerlijke rust! Hij
zal niets anders vernemen dan de lichte pootjes der vogelen, die de
grashalmen doen nederbuigen. Niemand zal over zijn hoofd heenloopen,
hij zal jaren achtereen in zijne laatste woning blijven, zonder dat
een sterveling hem daar storen komt. Het is de dood vol zonneschijn,
de eindelooze slaap te midden van den vrede der natuur.

De kinderen zijn het graf genaderd. Catharina, Anton en Jozef rapen een
handjevol zand op en werpen het op den oude. Jacquinet, die onderwijl
klaprozen geplukt heeft, strooit er zijne bloemen op neer. Daarna keert
het gezin huiswaarts om soep te eten; de koebeesten komen terug van
de weiden, de zon gaat onder. Een warme nacht wiegt het dorp in slaap.






DE OESTERS VAN DEN HEER CHABRE
OF
HET MIDDEL VAN DEN DOKTER

door EMILE ZOLA


Mejuffrouw Catinot, de blonde Estella, een mooi, slank achttienjarig
meisje was gehuwd met den heer Chabre. Hun huwelijk was tot groot
verdriet van den heer Chabre kinderloos gebleven. Vier bange jaren
wachtte hij reeds, teleurgesteld, lijdende onder het vergeefsche van
zijn pogingen.

De heer Chabre was vroeger graanhandelaar, en bezat een groot
vermogen. Hoewel hij het kalme leven geleid had van een burger,
die vast van plan is millionair te worden, sleepte hij op zijn vijf
en veertigste jaar zijn beenen mede, als een grijsaard. Zijn bleek
gelaat, waarop geldzorgen hunne sporen hadden geteekend, was even
plat en onbeteekenend als een keisteen. En hij gevoelde zich wanhopig,
want iemand, die vijf en twintig duizend gulden rente verdiend heeft,
mag zich er zeker wel over verbazen dat het moeilijker gaat vader te
worden dan rijk te worden.

De schoone mevrouw Chabre was destijds twee en twintig jaar oud. Zij
zag er betooverend uit met haar perzikkleurig gelaat en hare lokken
die de tinten der zon droegen en in haar hals krulden. Haar groenachtig
blauwe oogen schenen een onbekend meer, in welks diepte men niet licht
doordringen kon. Zoo vaak haar man over hun kinderloozen echt klaagde,
richte zij haar lenige gestalte op, deed zij de omvang van haar heupen
en van haar hals uitkomen, en zeide de glimlach die om een hoek harer
lippen speelde, heel duidelijk: "Is het mijn schuld?" Mevrouw Chabre
werd trouwens, in den kring harer kennissen, beschouwd als iemand
van eene uitstekende opvoeding, met teveel tact om over zichzelve
te laten babbelen, juist vroom genoeg, in 't kort doortrokken van
de goede burgerlijke beginselen, haar door eene strenge moeder
ingeprent. De fijne vleugels van haar wit neusje trilden alleen nu
en dan zoo zenuwachtig, dat iederen anderen graankooper zich zou
hebben verontrust.

De geneesheer der familie, dokter Guisand, een dikke slimme,
glimlachende man, had reeds menig geheim onderhoud met mijnheer
Chabre gehad. Hij bracht hem onder het oog hoezeer de wetenschap nog
ten achteren is. Genadige hemel! neen, men kon nu maar eenmaal geen
kind planten gelijk een eikenboom. Daar hij echter nooit iemand tot
wanhoop wilde drijven, had hij hem beloofd na te zullen denken over
zijn geval. En op een Julimorgen, kwam hij tot hem met de woorden:

"Gij moest naar een zeeplaats gaan, mijn beste mijnheer Chabre. Ja,
dat is uitstekend, gebruik vooral veel oesters, eet niets dan oesters".

Mijnheer Chabre, die weer nieuwen moed kreeg, vroeg op levendigen toon:

"Oesters, dokter? Gelooft gij dat oesters......?"

"Zeer zeker. Men heeft dit middel zien slagen. Luister wel, alle
dagen oesters, mosselen, garnalen, krabben, zelfs kreeften".

En, op het oogenblik dat hij wegging, voegde hij er, reeds op den
drempel staande, bij:

"Gij moet u niet gaan begraven. Mevrouw Chabre is jong en heeft
afleiding noodig. Begeef u naar Trouville. De lucht is daar heel goed".

Drie dagen later, begaf het gezin zich op reis. Maar de voormalige
graankoopman was van oordeel geweest, dat het geheel overbodig zou
zijn naar Trouville te begeven, waar men hem de dolste prijzen af zou
vragen. Men kan immers even goed op eene andere plaats oesters eten;
in eene afgelegen streek moesten de oesters zelfs veel beter voorhanden
en goedkooper zijn. Het was ook geen pleizierreisje dat zij maakten.

Een vriend had mijnheer Chabre attent gemaakt op de kleine badplaats
Pouligeun, niet ver van Saint-Nazaire. Na twaalf uur doorgespoord te
hebben, verveelde mevrouw Chabre zich schromelijk, gedurende den dag,
dien zij te Saint-Nazaire doorbrachten. De stad was pas in haar opkomst
en vertoonde slechts nieuw aangelegde straten, nog vol van onvoltooide
huizen. Zij gingen de haven bezichtigen en wandelden de verschillende
wijken door, waar de winkels het midden hielden tusschen de donkere
kruidenierswinkels der dorpen en de groote magazijnen der steden. Te
Pouliguen stond geen enkele woning te huur. De kleine huisjes van
hout en pleister die het water schijnen te omgeven als bontgeverfde
kermiskramen, waren reeds zonder onderscheid in beslag genomen door
Engelschen, zoowel als door de rijken kooplieden uit Nantes. Estella
trok bovendien den neus op voor die dwergachtige woningen, door
kunstlievende burgers met de vruchten hunner verbeelding opgesierd.

Men raadde den reizigers aan te Guérande te overnachten. Het was
Zondag. Toen zij daar omstreeks twaalf uur aankwamen, gevoelde mijnheer
Chabre zich ondanks heel zijn gemis aan poëzie, getroffen. De aanblik
van Guérande, dat zoo goed bewaarde juweel uit de riddertijden,
met zijne versterkte vestingwallen; en zijne diepe poorten waarop
nog torens prijken, vervulde hem van verbazing. Estella beschouwde
de zwijgende stad, omringd van de groote boomen harer wandelwegen;
en in het stille water harer oogen, scheen zich een droom af te
spiegelen. Maar het rijtuig voerde hen nog altijd verder, het paard
reed in vaart onder een poort door, en de wielen hosten over de
puntige keisteenen der nauwe straten. De Chabre's hadden geen woord
met elkand

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/21945