De schat in het Zilvermeer
by Karl May · Dutch · Gutenberg #21875 · 1,261,913 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De schat in het Zilvermeer
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De schat in het Zilvermeer
Author: Karl May
Release date: June 20, 2007 [eBook #21875]
Most recently updated: January 2, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/21875
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHAT IN HET ZILVERMEER ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN
DE SCHAT IN HET ZILVERMEER
VAN
DR. KARL MAY
NAAR HET 48STE DUIZENDTAL DER DUITSCHE UITGAVE
MET PLATEN
DERDE DRUK
AMSTERDAM H. J. W. BECHT
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE ZWARTE PANTER.
Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de
"Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen
van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der
rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot
van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken,
om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan
boord genomen moesten worden.
De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten
of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen
achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig
schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder
een uitgespannen zeil een _Bed-and-Board_ (dat is een toeslaande
beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden,
welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende
gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht
van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te
knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en
dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord
over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een
groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den
grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er
werd om een _drink_ (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het
spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel
betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid
een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had.
Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis
gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar
men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij
met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van
die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al
de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem
"kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel,"
dat "overste" beteekent.
Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met
scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen
keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos,
wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed,
dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding
bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een
nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg
hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien,
waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te
worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde,
bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel
gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en
twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog
zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden,
om als ransel op den rug gedragen te worden.
De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed,
maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien
men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden
met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was,
en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en
plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken,
zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden
stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten
waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in
geen geringere mate door den sterken drank.
De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten,
en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige
noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde:
"Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te
dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn _boys_ (= jongens), die men
maar liever _niet_ aan boord ziet komen."
"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een
hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor _harvesters_ (=
oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen
als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn,
bij wien zij om werk kwamen aankloppen."
"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte _tramps_ (= vagebonden);
ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen
houden."
"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend
zijn. Wij hebben _hands_ (= manschap) genoeg aan boord om hen allen
in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar
klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg
in het gezicht komen."
De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen
noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen
der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt
oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal
werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in
moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden
opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze
kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht.
Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hun daardoor niet
aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel
beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts
ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten
mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers
bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den
met de inning belasten beambte volstrekt niet als _gentlemen_ (=
heeren van stand) behandeld werden.
Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van
lichaamsbouw. De groeikracht van zijn donkeren vollen baard was zóó
sterk, dat men van zijn gansche gezicht niets anders zien kon, dan de
oogen, den neus en het bovengedeelte der wangen. Als hoofddeksel droeg
hij een oude pet van bevervel, die in den loop der jaren bijna kaal was
geworden. Welke gedaante die pet vroeger gehad had, zou niemand hebben
weten te zeggen; hoogstwaarschijnlijk had zij reeds alle mogelijke
gedaante-verwisselingen doorleefd. De kleeding van dien man bestond
uit broek en buis van stevig, grijs linnen. In zijn breeden lederen
gordelriem staken twee revolvers, een mes en verscheidene kleine
instrumenten, die iedere bewoner van het verre Westen van Amerika
als onmisbaar beschouwt. Buitendien bezat hij een zwaar geweer met
dubbelen loop, waaraan ongeveer ter halver lengte, ten einde beide
gemakkelijker te kunnen dragen, een lange bijl vastgebonden was.
Toen hij de vracht betaald had, wierp hij een uitvorschenden blik over
het dek. De goedgekleede kajuit-passagiers schenen hem geen belang in
te boezemen. Daar viel zijn oog op de anderen, die van hun dobbelspel
opgestaan waren, om de aan boord komenden gade te slaan. Hij werd den
kornel gewaar, doch liet terstond zijn blik in een andere richting
gaan, juist alsof hij hem in het geheel niet had opgemerkt; maar,
terwijl hij de neergezakte kappen van zijn hooge waterlaarzen weder
omhoogtrok over het dik van zijn beenen, mompelde hij zacht bij
zich zelf: "_Behold_ (= Kijk eens na wat ik zeg), als dat de roode
Brinkley niet is, wil ik als een bokkum gerookt, en met huid en
haar opgevreten worden. Het doel, waarmee hij zulk een bende _boys_
om zich heen heeft getrommeld, is stellig niet veel goeds. Ik hoop
maar dat hij mij niet herkent."
Degene, dien hij bedoelde, had hem ook opgemerkt, en daarbij een
zekere gewaarwording van onthutstheid ondervonden. Hij wendde zich
nu tot zijn metgezellen, en zeide zacht fluisterend: "Kijk eens even
naar dien zwarten kerel! Is er iemand onder u, die hem kent?"
Deze vraag werd beantwoord met "neen".
"Nu, ik moet hem reeds vroeger eens gezien hebben, en onder
omstandigheden, die voor mij niet zeer aangenaam geweest zijn. Mij
dunkt, daar staat mij zoo vaag iets van voor."
"Dan zou hij u, dunkt mij, toch óók moeten kennen," merkte een der
_boys_ aan. "Hij heeft zijn oog over ons allen laten gaan; doch u,
schijnt het, heeft hij niet eens opgemerkt."
"Hum! Misschien schiet het mij nog te binnen. Of ik weet nog beter;
ik zal hem naar zijn naam vragen. Als ik dien hoor, zal ik uit den
droom zijn. Gezichten kan ik vergeten, maar namen niet. Wij zullen
een zoopje met hem maken."
"Als hij maar mee wil doen!"
"Wel, als hij niet wilde, dat zou een schandelijke beleediging
zijn--dat weet gij allen evengoed als ik. Weigert u iemand om met u
te drinken, dan heeft men hier te lande, het recht, om die weigering
te beantwoorden met het mes of met de pistool; en steekt of schiet
men den beleediger dood, dan kraait daar verder geen hen of haan naar."
"Hij ziet er, dunkt mij, niet uit als iemand, die zich zal laten
dwingen tot iets, waarin hij geen trek heeft."
"_Pshaw!_ Willen wij eens wedden?"
"Ja, wedden, wedden!" riepen allen te gelijk. "De verliezer betaalt
voor ieder onzer drie borrels."
"Dat neem ik aan!" verklaarde de kornel.
"Ik ook!" zeide de andere. "Maar er dient toch gelegenheid te zijn om
revanche te nemen. Drie weddenschappen en telkens om de drie borrels."
"Met wie?"
"Wel om te beginnen, met den zwartbaard, dien gij zegt te kennen,
zonder te weten wie hij is. Dan met een der heeren, die daar nog
staan te gapen naar den wal. Nemen wij, bij voorbeeld, dien langen,
die daar bij hen staat als een reus, omringd door dwergen. En eindelijk
den rooden Indsman, die met zijn jongen ook aan boord is gekomen. Of
zijt gij bang voor hem?"
Een algemeen gelach volgde als antwoord op die vraag, en de
kornel zei op een toon van minachting: "Ik bang voor dat roode
apenbakkes? _Pshaw!_ Als gij dat nog gevraagd hadt wat den reus
betreft, tegen wien gij mij ophitst. _All devils_ (= alle duivels),
wat moet die kerel sterk zijn. Maar juist die reuzen hebben doorgaans
het minst moed in hun lijf, en hij is zóó fijn en mooi gekleed, dat hij
stellig beter weet om te gaan in de salons van de grooten der aarde,
dan met menschen van _ons_ kaliber. Maar ik neem de weddenschap aan:
een zoopje van drie borrels met elk der drie. En nu aan het werk!"
Hij had de drie laatste volzinnen met zooveel stemverheffing geuit,
dat al de passagiers het gehoord moesten hebben. Ieder Amerikaan en
iedere Westman kent de beteekenis van het woord "drink" (= zoopje),
vooral wanneer dat zoo met luider stem en op zulk een dreigenden toon
uitgesproken wordt, als hier het geval was. Aller oogen richtten zich
dan ook op den kornel. Iedereen zag, dat hij, evenals zijn metgezellen,
reeds half beschonken was; maar niemand verwijderde zich, daar allen
nieuwsgierig waren, om te zien wie die drie waren, aan wie de dronk
zou worden aangeboden.
De kornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand en trad op
den zwartbaard toe, die het dichtst in de nabijheid was en naar een
geschikte plaats voor zich zocht. "_Good day, sir!_" zeide hij. "Mag ik
het genoegen hebben u dit glas aan te bieden? Ik houd u natuurlijk voor
een gentleman, want ik drink nooit anders dan met echt fatsoenlijke
lieden, en ik hoop, dat gij het zult ledigen op mijn gezondheid?"
De zwarte baard van den toegesprokene verbreedde zich, en trok zich
toen weer ineen, waaruit men kon opmaken, dat er een lachje van
vergenoegdheid over zijn gelaat gleed.
"Wel," antwoordde hij, "ik ben niet ongenegen u dat plezier te
doen; doch ik zou eerst gaarne weten, _wie_ mij deze verrassende
eer bewijst."
"Natuurlijk, sir! Men moet weten met wien men drinkt. Ik heet Brinkley,
kornel Brinkley, als gij er niets tegen hebt. En gij?"
"Mijn naam is Grosser, Thomas Grosser, om u te dienen. Dus op uw
gezondheid, kornel!"
Hij dronk het glas leeg, waarbij ook de anderen hun glas ledigden,
en gaf het aan den kornel terug. Deze voelde zich als winner, nam hem
op een bijna beleedigende wijze met de oogen op van het hoofd tot de
voeten, en zeide: "Uw naam is Duitsch, als ik het wel heb. Gij zijt
dus een vervloekte Dutchman, is het niet zoo?"
"Neen, ik ben een Germaan, sir!" antwoordde de Duitscher op een
minzamen toon, zonder zich door de grofheid van den andere tot drift
te laten vervoeren. "_Uw vervloekte Dutchman_ dient gij dus aan een
ander adres te bezorgen; op mij heeft die titel geen vat. Ik dank u
dus voor uw dronk, en daarmee basta!"
Dit gezegd hebbende maakte hij rechtsomkeer, en verwijderde zich
schielijk terwijl hij bij zich zelf mompelde: "Ik heb mij dus niet
vergist; het _is_ die Brinkley. En hij noemt zich _kornel_! De kerel
heeft stellig niet veel goeds in den zin. Wie weet hoe lang hij nog
aan boord blijft. Ik zal hem ten minste in het oog houden."
Brinkley had dus de eerste weddenschap gewonnen: doch zeer
triomfantelijk zag hij er niet uit, allesbehalve. Zijn gelaat was
geheel veranderd, er was duidelijk aan te zien, dat hij zich verbeet
van wrevel. Hij had gehoopt, dat Grosser zou weigeren, en zich dan door
de bedreigingen zou laten dwingen om te drinken. Maar Grosser was de
wijste geweest; hij had eerst gedronken, en toen vrij duidelijk gezegd,
dat hij te verstandig was om aanleiding te geven tot een twist. Dit
hinderde den kornel geweldig. En nadat hij zijn glas opnieuw had
laten vullen, ging hij naar zijn tweeden slachtoffer, den Indiaan.
Te gelijk met Grosser, namelijk, waren twee Indsman aan boord gekomen,
een oude en een jongere, die naar gissing omstreeks vijftien jaar
oud kon zijn. Zij geleken zoo sprekend op elkander, dat men daaruit
terstond de juiste gevolgtrekking maken kon, dat zij vader en zoon
waren. Daarbij waren zij zoo volkomen eender gekleed en gewapend,
dat de zoon het verjongde evenbeeld van den vader was.
Hun kleeding bestond uit lederen leggins, aan de zijden uitgesneden
als franje, en geel geverfde mokassins. Een jachthemd of jachtbuis
was niet te zien, doordien zij hun bovenlijf, van de schouders af,
gehuld hadden in een door weerschijn kleuren-wisselend tsoeni-kleed,
zooals er zijn die zestig dollars kosten. Hun zwarte hoofdhaar was
glad gekamd naar achteren, waar het op hun rug neerhing, hetgeen aan
hun uiterlijk iets vrouwelijks gaf. Hun gezichten waren gevuld en rond,
en hadden een in hooge mate goedige uitdrukking, die nog verhoogd werd,
doordien zij hun wangen met vermiljoen hoog rood hadden geverfd. De
geweren, zooals ieder hunner er een in zijn hand had, schenen te zamen
geen halven dollar waard te zijn. In het geheel zagen zij er beiden uit
als volkomen onschadelijk en tevens zoo nuchter, dat zij, gelijk reeds
is aangestipt, den lachlust der drinkers hadden gaande gemaakt. Zij
hadden zich, als waren zij bang voor andere menschen, schuchter van
de menigte afgezonderd, en leunden tegen een stevige houten kast,
een manslengte hoog en even breed en lang. Daar schenen zij op niets
acht te geven; en zelfs nu de kornel op hen toetrad, sloegen zij niet
eens hun oogen op, dan toen hij vlak voor hen stond, en hen aansprak:
"Mooi weer vandaag! Vindt gij dat ook niet, roode snaken? Dan smaakt
een borrel. Hier, oude! laat dit eens achter uw kiezen loopen."
De Indiaan verroerde zich niet, en antwoordde in gebroken Engelsch:
"_Not to drink_--niet drinken."
"Wat, gij wilt niet?" riep de eigenaar van den rooden keelbaard,
opvliegende als buskruit. "Het is een drink, verstaat gij, een
drink! Dien geweigerd te zien, is voor iederen echten gentleman,
zooals ik er een ben, een beleediging, die uitgewischt moet worden
met het mes. Doch eerst moet ik weten wie gij zijt. Hoe is uw naam?"
"Nientropan-hawi," antwoordde de gevraagde bedaard en bescheiden.
"Tot welken stam behoort gij?"
"Tonkawa."
"Zoo, dus tot de makke roodhuiden, die bang zijn voor een kat--verstaat
gij dat: bang voor een kat, al ware het 't kleinste poesje! Ik zal
geen lange morgenspraak met u maken. Dus, wilt gij drinken!"
"Ik niet drinken vuurwater."
Hij zeide dit, in weerwil van den dreigenden toon, waarop de kornel
gesproken had, even bedaard als vroeger. Laatstgenoemde gaf hem echter
een oorvijg, die klonk als een klok.
"Ziedaar dan, roode lafaard!" riep hij uit. "Ik wil mij niet anders
wreken, omdat ik zulk een ellendeling te ver beneden mij acht."
Terwijl de klap gegeven werd, greep de hand van den jongeren Indiaan
terstond onder zijn tsoeni-gewaad, ontwijfelbaar naar een wapen,
en tegelijk sloeg hij zijn oogen op naar zijn vader, om aan diens
gezicht te zien wat die nu doen en zeggen zou.
Het gelaat van den oude was eensklaps zoo veranderd, dat men hem nu
ternauwernood herkend zou hebben. Zijn gestalte scheen plotseling
gegroeid, zijn oogen vlamden op en zijn gelaatstrekken teekenden een
opwelling van geestkracht. Doch even snel sloeg hij zijn oogen weder
neer, verdween de fierheid van zijn opgericht lichaam en zijn gelaat
stond weder in dezelfde goedige plooi van vroeger.
"Nu, wat zegt gij daarvan?" vroeg de kornel hoonend.
"Nientropan-hawi danken."
"Is die muilpeer zoo naar uw zin geweest, dat gij er dankje voor
zegt? Daar hebt gij er dan nog een!"
Dit zeggende voegde hij de daad bij het woord; doch doordien de Indiaan
snel als een gedachte bukte en den slag ontweek, sloeg hij met zijn
hand tegen de kast aan, tegen welke de Indianen leunden, en wel met
zooveel kracht, dat de slag het geheele schip over gehoord werd. En
dadelijk weerklonk uit de kast een kort, schel gebrom en geblaas,
dat schier terstond overging in een vervaarlijk woesten schreeuw,
onmiddellijk gevolgd door een gebrul zoo ontzettend, dat het was
alsof het schip er van dreunde.
De kornel sprong van schrik achteruit, liet het glas uit zijn
hand vallen, en schreeuwde met een gillende stem: "_Heavens_ (=
lieve hemel)! wat is dat? Er zit een wild beest in die kast! Dat is
ongepermitteerd. Het is goed om een mensch den dood op het lijf te
jagen van schrik, of althans een beroerte!"
De schrik had niet hem alleen bevangen, maar evenzeer de andere
passagiers. De zich op dek bevindende mannen gaven even luid uiting
aan hun ontsteltenis als de kornel. Slechts vier hunner hadden geen
schijn of blijk gegeven van onthutstheid, namelijk de zwartbaard,
die nu voor aan den boeg zat, het reusachtige heerschap, dat de kornel
nu nog tot een dronk moest uitnoodigen, en de twee Indianen. De vier
personen hadden evenmin als de anderen geweten, dat zich een wild
beest aan boord, en wel in die kast bevond; doch zij bezaten een zoo
groote en lang geoefende zelfbeheersching, dat het hun niet moeilijk
viel hun bevreemding te verbergen.
Het gebrul was ook onder het dek in de kajuiten gehoord. Verscheidene
dames kwamen gillend naar boven, ten einde te weten te komen door
welk gevaar zij bedreigd werden.
"Het is niets, _ladies_ en _messieurs_ (= dames en heeren)!" antwoordde
een zeer fatsoenlijk gekleed heer, die zooeven insgelijks uit zijn
kajuit was gekomen. "Slechts een pantertje, een klein pantertje,
anders niet! Een allerliefste _Felis pantera_, slechts een zwarte,
slechts een zwarte, messieurs!"
"Wat? Een zwarte panter?" krijschte met een pieperige stem een klein
mannetje met een grooten bril op den neus, zoodat men hem slechts
behoefde aan te zien om te begrijpen, dat hij beter thuis was in de
zoölogische boeken dan in den practischen omgang met wilde dieren. "De
zwarte panter is een allergevaarlijkst verscheurend dier. Hij is
grooter en langer dan de leeuw en de tijger. Hij werpt zich op zijn
prooi uit louter bloeddorst, zelfs al heeft hij geen honger. Hoe oud
is hij al?"
"Drie jaar pas, mijnheer! niet ouder."
"Drie jaar pas? Noemt gij dàt _pas_? Dan is hij reeds
volwassen... Lieve hemel! En zulk een ondier bevindt zich hier aan
boord! Wie kan dat verantwoorden?"
"Ik, mijnheer! ik," antwoordde de elegante onbekende; en nu een
buiging makende, zei hij: "Vergunt mij, _myladies_ en _gentlemen!_
dat ik zelf mij aan u voorstel. Ik ben de beroemde menagerie-eigenaar
Jonathan Boyler, en bevind mij sedert eenigen tijd met mijn gezelschap
in Van Buren. Daar deze zwarte panter in Nieuw-Orleans voor mij
aangekomen was, ben ik hem daar gaan afhalen, vergezeld van mijn
knapsten dierentemmer. De kapitein van dit goede schip heeft mij,
tegen betaling van een hoog vrachtgeld, vergund, hem aan boord te
brengen, onder beding, dat de passagiers niet te weten mochten komen
in welk gezelschap zij zich bevonden. Daarom heb ik den panter niet
anders gevoederd dan in den nacht, en hem elken nacht een geheel kalf
gegeven, opdat hij zich zat zoude vreten, dat hij den ganschen dag
met slapen doorbrengt, en zich bijna niet verroeren kan. Wanneer men
echter met vuisten tegen de kast slaat, wordt hij wakker, en laat dan
ook zijn stem hooren. Ik hoop, dat de geëerde dames en heeren alsnu
van de aanwezigheid van mijn pantertje, dat overigens niemand hindert,
niet verder notitie zullen nemen."
"Wat?" krijschte het manneke met den grooten bril, terwijl zijn
pieperig stemmetje bijna in zijn keel bleef steken. "Dat niemand
hindert? Niet verder notitie er van nemen? Ik moet zeggen, dat mij
zóó iets nog nooit van mijn leven overkomen is. Ik zou de reis met
deze boot moeten maken in gezelschap van een zwarten panter! Neen,
dat nooit, nooit in der eeuwigheid! Of dat beest zal van de boot af,
òf _ik_ ga er af! Smijt dat ondier in het water, of zet het met kast
en al aan wal!"
"Maar, mijnheer! er is wezenlijk hoegenaamd geen gevaar bij,"
verzekerde de menagerie-eigenaar. "Zie maar eens welk een stevige
kast, en...."
"Wàt stevige kast!" viel het kleine mannetje hem met drift in de
rede. "Ik zou kans zien om die kast kapot te breken--hoeveel te eer
dan een panter!"
"Ja maar, met uw welnemen: in die kast, die slechts tot omkleedsel
dient, zit de ijzeren kooi, die geen tien leeuwen of panters in staat
zouden zijn te breken."
"Is dat waar? Laat ons dan die ijzeren kooi zien! Ik moet mij
overtuigen."
"Ja, ja, de ijzeren kooi laten zien! Wij moeten weten waaraan wij
ons te houden hebben!" riepen twintig, dertig of meer stemmen tegelijk.
De menagerie-eigenaar was een Yankee, en trok dadelijk partij van de
gelegenheid, om met dat algemeene verlangen zijn voordeel te doen.
"Volgaarne, volgaarne," antwoordde hij. "Maar, _myladies_ en
_gentlemen_! het spreekt vanzelf, dat men de ijzeren kooi niet zien
kan zonder te gelijk den panter te zien, die er in zit. En dáárvoor
dient natuurlijk iets betaald te worden. Om het aantrekkelijke van dat
zeldzame schouwspel te verhoogen, zal ik het dier, terwijl het te kijk
is, laten voederen. Ik zal de plaatsen voor de toeschouwers indeelen
in drie rangen: de eerste rang zal een dollar kosten, de tweede rang
een halven dollar, de derde rang een kwartdollar. Aangezien ik hier
louter _ladies_ en echte _gentlemen_ om mij heen zie, begrijp ik,
dat er van tweeden en derden rang geen gebruik gemaakt zal worden;
die twee rangen vervallen dus--of, is er wellicht iemand op het dek
aanwezig, die liever slechts een halven dollar voor deze belangwekkende
vertooning wenscht te betalen, of zelfs slechts een kwartdollar?"
Op deze vraag volgde natuurlijk geen antwoord.
"Nu dan, enkel eersten rang! Asjeblieft, myladies en mylords! een
dollar per persoon!"
Hij nam zijn hoed af, en ging daarin de dollars inzamelen, terwijl
zijn dierentemmer, dien hij inmiddels geroepen had, de noodige
toebereidselen voor de vertooning ging maken.
De passagiers waren meerendeels Yankees, en als zoodanig vonden zij
de wending, die de zaak genomen had, volkomen naar hun zin. Hadden
de meesten het eerst schandelijk genoemd, dat de kapitein er
zijn stoomboot toe leende, zulk een allergevaarlijkst roofdier te
vervoeren, nu hun de gelegenheid geboden werd, om van dat beest een
kijkje te nemen, beschouwden zij het als een welkome afwisseling in de
eentonigheid van het langdurende, vervelende verblijf aan boord. Zelfs
de kleine geleerde had zijn angst overwonnen, en zag de vertooning
met groote belangstelling te gemoet.
De kornel maakte van dien tusschentijd gebruik om aan zijn metgezellen
het volgende voorstel te doen: "Luister eens, _boys_! Ik heb een
weddenschap gewonnen, en de tweede heb ik verloren, daar die roode
schobberd niet heeft willen drinken. Dat is dus kiet. De derde
weddenschap zullen wij niet om drie glazen _brandy_ (= brandewijn)
maken, maar om den dollar entree-geld, dien wij betalen moeten. Vindt
gij dat goed?"
De anderen namen dat voorstel natuurlijk aan, want de reus zag er
niet naar uit, dat hij van bangheid in zijn schulp zou kruipen.
"Nu," sprak de kornel, die zich door het veelvuldige gebruik van
brandewijn zeker waande van de overwinning: "Let nu eens op, hoe gauw
en gretig die Goliath met mij drinken zal."
Hij liet zijn glas volschenken, en ging daarmede naar den bedoelden
persoon. De lichaamsvormen van dien man waren in alle opzichten
reusachtig te noemen. Hij was nog langer en breeder van gestalte, dan
de man met den zwarten baard, die zich Grosser genoemd had. Hij was
zeer stellig geen salonheer, want zijn gelaat was door de zon bruin
gebrand; zijn mannelijk schoone wezenstrekken waren fijn geteekend, en
zijn blauwe oogen hadden dien eigenaardigen, niet te beschrijven blik,
waardoor zich menschen onderscheiden, die op groote vlakten leven,
waar de horizon niet eng begrensd is, dus zeevarenden, woestijnbewoners
en prairie-mannen. Zijn gelaat was gladgeschoren, hij kon omstreeks
veertig jaar oud zijn, en hij droeg een elegant reiskostuum. Wapens
zag men niet bij hem. Hij stond bij eenige heeren, met wie hij in een
levendig gesprek was over den panter. Ook de kapitein bevond zich onder
hen. Die was van de commando-brug afgekomen, om de tentoonstelling
van den panter bij te wonen.
Daar kwam de kornel nader, plaatste zich uittartend voor zijn derde
vermoedelijke slachtoffer, en zei: "Sir! ik bied u een dronk aan. Ik
hoop, dat gij er niets tegen zult hebben, mij als een echte gentleman
te zeggen wie gij zijt."
De toegesprokene keek hem met zichtbare bevreemding eens aan, en
wendde zich zonder iets te antwoorden weer ter zijde, om het door
dien verwaten indringer afgebroken gesprek te vervolgen.
"_Pooh!_" riep deze uit. "Zijt gij doof, of wilt gij mij met opzet
niet hooren? Dit laatste zou ik u niet raden, daar er niet met mij
te gekscheren valt, als men weigert met mij te drinken. Ik geef u
den goeden raad, een voorbeeld te nemen aan den Indsman."
De dus lastig gevallene haalde de schouders eens op, en vroeg aan
den kapitein: "Hebt gij gehoord wat die snaak daar tegen mij zegt?"
"_Yes, sir!_ woord voor woord," gaf de gevraagde met een hoofdknikje
ten bescheid.
"Nu, dan zijt gij getuige, dat ik hem niet hier geroepen heb."
"Wat?" schreeuwde de kornel verwoed. "_Snaak_ noemt gij mij? En gij
weigert met mij te drinken? Moet het u dan gaan als den Indiaan,
dien ik...."
Verder kwam hij niet, want op dat oogenblik ontving hij van den reus
zulk een geweldige muilpeer, dat hij ten onderste boven en over den
kop duikelde en een eind weegs over het dek rolde. Daar lag hij een
oogenblik als versuft, doch toen zich schielijk oprichtende, trok
hij zijn mes, en vloog als een razende op den reus aan.
Deze had zijn handen in zijn broekzakken gestoken, en stond daar zóó
bedaard, alsof hem niet het minste gevaar dreigde, en de kornel in
het geheel niet bestond. Deze brulde op woedenden toon: "Hond! mij
een oorveeg? Dat kost bloed, en wel het uwe!"
Verscheidenen der omstanders en ook de kapitein wilden tusschenbeide
komen, maar de reus wees hen met een veelzeggend hoofdschudden terug;
en toen de kornel hem tot op twee passen afstands genaderd was
lichtte hij zijn rechterbeen op, en ontving den aanvaller met zulk
een duchtigen schop tegen diens maag, dat de onverlaat andermaal ten
onderste boven ging en over het dek rolde.
"Nu hebt gij genoeg; pas nu op voor den derden keer!" riep de goliath
dreigend.
Maar de kornel sprong wederom overeind, schoof het mes in zijn gordel,
en haalde er, schuimbekkend van woede, een der pistolen uit, om daarmee
zijn tegenstander te lijf te gaan. Doch deze trok zijn rechterhand
uit zijn broekzak, waarin hij een revolver verborgen had.
"Weg met die pistool!" gebood hij, te gelijk de loop van zijn klein,
maar uitmuntend wapen op de rechterhand van zijn aanrander drukkende.
Een--twee--drie schrille maar scherpe knallen--de kornel gaf een gil,
en liet de pistool uit zijn hand vallen.
"Ziezoo, snaak!" zei de reus. "Nu zult gij niet gauw weder klappen
uitdeelen, als men weigerachtig is uit het glas te drinken, waaraan
gij uw vuile lippen gezet hebt. Uw hand is onschadelijk gemaakt voor
uw geheele leven. En als gij nu nog weten wilt wie ik ben dan...."
"Vervloekt zij uw naam!" brulde de kornel. "Ik wil hem niet
weten. Uw persoon moet ik hebben, en _zal_ ik hebben. Gaat hem te
lijf jongens! _go on!_"
Nu bleek het, dat die kerels een werkelijke bende vormden, waarvan
allen voor één stonden. Zij trokken hun messen uit de gordels,
en stormden los op den reus, die een verloren man scheen, eer de
kapitein zijn mannen te hulp kon roepen. Maar de moedige man deed
een stap voorwaarts hief zijn armen omhoog, en riep: "Kom op maar,
wie trek heeft om aan te binden met Old Firehand!"
Het hooren van dien naam werkte als bij tooverslag. De kornel, die met
de ongekwetste linkerhand zijn mes weer getrokken had, bleef staan als
aan den grond genageld, en riep: "Old Firehand!" (en met een vloek)
"wie kon dat ruiken? Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd?"
"Is een gentleman dan niet anders veilig voor uw schanddaden, of hij
moet beschermd worden door zijn naam? Pakt uw weg, gaat rustig in
een hoek zitten, en komt niet weer onder mijn oogen, of ik blaas u
allen het licht uit!"
"Nu, wij zullen elkander wel nader spreken."
Hij draaide zich om, en ging met zijn bloedende hand naar de
voorplecht. De anderen volgden hem als honden, die een pak slaag
gekregen hadden. Daar gingen zij zitten, verbonden de hand van hun
aanvoerder, en spraken fluisterend en druk met elkander, en wierpen
daarbij naar den beroemden jager telkens schuinsche blikken, die wel
allesbehalve vriendelijk waren, maar die toch bewezen hoe groot het
ontzag was, dat zij voor dien man hadden.
Doch niet alleen op hen had de wijdbekende naam gewerkt. Er bevond
zich waarschijnlijk niemand onder de passagiers, die nog nooit had
hooren spreken over dien onvervaarden man, wiens geheele leven een
aaneenschakeling was van gevaarlijke daden en avonturen. Men trad
onwillekeurig met een soort van eerbied een weinig van hem af, en
bekeek nu met meer aandacht die forschgebouwde, rijzige gestalte,
welker harmonische proportiën en afmetingen reeds vroeger door allen
waren opgemerkt.
De kapitein reikte hem de hand, en zeide op den allervriendelijksten
toon, dien een Yankee in staat is aan te slaan: "Wel, sir! dat had ik
moeten weten! Dan zou ik u mijn eigen kajuit afgestaan hebben. Het is
een groote eer voor den 'Dogfish', dat uw voeten zijn planken hebben
betreden. Waarom hebt gij u toch _anders_ genoemd?"
"Ik heb u mijn waren naam opgegeven; doch de Westmannen noemen mij
Old Firehand, omdat het vuur uit mijn geweer, bestuurd door mijn hand,
altijd verderf brengt."
"Ja, dat heb ik gehoord--gij schiet nooit mis, zeggen ze."
"_Pshaw!_ Misschieten een onmogelijkheid. Ieder goed Westman kan dat
evengoed als ik. Maar gij ziet welk een groot voordeel een bekende
krijgsnaam geeft. Ware de mijne niet zoo heinde en verre verspreid,
dan zou het stellig tot een gevecht gekomen zijn."
"Waarin gij het onderspit hadt moeten delven."
"Zoo, denkt gij dàt?" vroeg Old Firehand, terwijl er een niets
naar trots zweemend lachje van zelfvertrouwen om zijn lippen
speelde. "Zoolang ze maar met messen komen, ben ik volstrekt niet
bang. Ik zou mij stellig wel staande hebben weten te houden, totdat
uw bemanning kwam opdagen tot ontzet."
"Daaraan zou het zeer zeker niet ontbroken hebben. Maar wat moet ik nu
met die schavuiten-bende aanvangen? Ik ben heer en meester en rechter
hier aan boord. Wil ik hen in boeien slaan en aan de rechterlijke
macht overleveren?"
"Neen."
"Of wil ik hen aan land zetten?"
"Ook niet."
"Maar gestraft dienen zij toch te worden."
"Ik raad u, die gedachte geheel uit uw hoofd te zetten. Dit is toch
niet voor de laatste maal, dat gij met uw boot deze reis maakt?"
"Ik hoop van neen! Ik hoop nog jaren lang den ouden Arkansas op en
af te varen.
"Welnu, wees dan zoo wijs, niet de wraakzucht van die lieden gaande
te maken. Dat zou bepaald noodlottig voor u worden. Zij zijn in
staat om zich ergens aan den oever van de rivier te gaan nestelen,
en u een poets te bakken, die u niet slechts uw schip, maar ook uw
leven kon kosten."
"Dat moesten zij eens probeeren!"
"Dat zouden zij stellig! Overigens zou dat voor hen volstrekt geen
waagstuk zijn; zij zouden alles heimelijk doen, en het wel zoo weten
aan te leggen, dat er nooit een haan naar kraaien zou."
Op dit oogenblik werd Old Firehand den zwartbaard gewaar, die
naderbij was gekomen, doch op een korten afstand was blijven staan,
met de oogen bescheiden, doch onafgewend, op den jager gericht, vol
zichtbaar verlangen om met hem in aanraking te komen. Old Firehand
ging naar hem toe, en vroeg: "Wenscht gij mij te spreken, sir? Kan
ik u in een of ander opzicht genoegen doen?"
"Ja, een zeer groot genoegen," antwoordde de Duitscher.
"En dat is?"
"Vergun mij, u de hand te drukken, sir! Dat is alles wat ik u
verzoek. Als gij mij die eer toestaat, zal ik tevreden van u weggaan,
en u niet meer lastig vallen. Maar aan dat oogenblik zal ik met
blijdschap denken, zoolang als ik leef."
Men zag aan zijn open blik, en hoorde aan den toon van zijn stem,
dat die woorden werkelijk uit zijn hart kwamen. Old Firehand stak hem
de rechterhand toe, en vroeg: "Hoe ver wilt gij met deze boot varen?"
"Met deze boot? Slechts tot Fort Gibsen."
"Dat is toch nog een goed eind."
"O, ik moest eigenlijk nog verder. Maar ik vrees, dat gij, de beroemde
man, die nog nooit het onderspit heeft gedolven, mij voor een bangerd
aanziet."
"Waarom?"
"Omdat ik den dronk van dien zoogenaamden kornel aangenomen heb."
"O neen. Ik kan u niet genoeg lof toezwaaien, dat gij zoo verstandig
hebt gehandeld. Maar toen hij vervolgens den Indsman sloeg, nam ik
mij voor, hem daarvoor een behoorlijk lesje te geven, zooals ik dan
ook gedaan heb."
"Het is te hopen, dat het hem tot waarschuwing zal strekken. Trouwens,
als gij hem zóó geraakt hebt, dat hij er een stijven vinger van houdt,
is het met hem als Westman gedaan. Maar wat ik van den Roodhuid moet
denken, weet ik niet."
"Hoe zoo?"
"Hij heeft zich gedragen als een echte lafaard, en toch, hij scheen
volstrekt niet geschrikt, toen het brullen van den panter iedereen
met angst vervulde. Dat kan ik maar niet met elkander rijmen."
"O, dat zal ik u gemakkelijk oplossen. Niets is eenvoudiger."
"Kent gij dan den Indiaan?"
"Neen, gezien had ik hem vroeger nooit, maar des te meer had ik van
hem gehoord."
"Ook ik heb zijn naam gehoord, toen hij dien uitsprak. Het is een
woord, goed om van iemands tong het onmogelijke te vergen."
"Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, ten einde den kornel niet
te laten merken met wien hij te doen had. Zijn naam is Nientropan-hawi,
zijn zoon heet Nientropan-homosj; dat wil zeggen: de groote beer en
de kleine beer."
"Is het mogelijk! Van dien vader en van dien zoon heb ik inderdaad
reeds dikwijls gehoord. De Tonkawa zijn ontaard. Maar deze twee
Nientropan hebben de krijgszuchtigheid van hun voorvaderen geërfd,
en dolen in het gebergte en in de prairie rond."
"Ja, het zijn twee kerels van stavast. En nu zult gij waarschijnlijk
wel begrijpen, dat zij niet uit lafhartigheid den kornel niet
geantwoord hebben, zooals hij eigenlijk verdiend had."
"Een andere Indsman had den kerel dadelijk het licht uitgeblazen."
"Misschien. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat de zoon dadelijk
onder zijn kleeding naar het mes of den tomahawk greep? Doch toen
hij het onbeweeglijke gezicht van zijn vader zag, bedwong hij zich
en zag hij er van af dien klap dadelijk te wreken. Ik zeg u, bij
die Indsmen is een vluchtige blik voldoende, waar bij ons blanken
menigmaal een lange omhaal van woorden noodig is. Van het oogenblik
af, toen de kornel den Indiaan in zijn aangezicht sloeg, is zijn
dood een besloten zaak. De twee 'beren' zullen zijn spoor volgen,
totdat zij hem het licht uitgeblazen hebben. Maar wat ik zeggen wil,
gij hebt hem uw naam genoemd, dien ik dadelijk als een Duitschen naam
herkende. Wij zijn dus landslieden."
"He, sir! Zijt gij ook een Duitscher?" vroeg Grosser verwonderd.
"O ja, mijn ware naam is Winter. Ook ik vaar nog een goed eind weegs
met deze boot mee, zoodat wij nog gelegenheid genoeg zullen hebben
om wat langer met elkander te praten."
"Als gij u daartoe verwaardigen wilt, sir! Zal het mij de grootste
denkbare eer zijn."
"Geen plichtplegingen, asjeblieft. Ik ben niets meer, dan gij zijt--een
Westman, anders niet."
"Ja, maar een generaal is óók niets meer dan een recruut--namelijk:
soldaat."
"Wilt gij u werkelijk bij een recruut vergelijken? Dan zijt gij
stellig pas sedert kort in het Westen."
"Nu," hernam de zwartbaard op bescheiden toon, "toch reeds een aardig
poosje. Ik heet Thomas Grosser. Den familienaam laten ze hier weg, en
van Thomas maken ze bij verkorting Tom; en omdat ik zulk een zwaren,
zwarten baard draag, noemen ze mij Zwarte Tom."
"He! Wat zegt gij?" riep Old Firehand uit. "Zijt gij Zwarte Tom,
de beroemde _rafter_ (= houtvlotter)?"
"Tom heet ik, rafter ben ik; maar of ik beroemd ben, dat betwijfel ik."
"Dat zijt gij, sir! dat zijt gij--daar geef ik u mijn hand op!"
"Spreek asjeblieft wat zachter, sir!" waarschuwde Tom. "De kornel
daar moet mijn naam niet hooren."
"Waarom niet?"
"Omdat hij mij daaraan herkennen zou."
"Hebt gij dan al eens met hem te doen gehad?"
"Een beetje dat zal ik u straks wel vertellen. Kent _gij_ hem niet?"
"Ik zie hem vandaag voor het eerst."
"Nu, bekijk dan zijn baard eens goed, en zijn roode haar; en verneem
bovendien, dat zijn naam Brinkley is."
"Wat zegt ge! Dus is hij die roode Brinkley, die over de honderd
schanddaden bedreven heeft, zonder dat men er hem één heeft kunnen
bewijzen."
"Dezelfde, sir! Ik heb hem herkend."
"Dan zal ik hem, als hij langer aan boord blijft, wat scherper op de
vingers kijken. En u moet ik nader leeren kennen. Gij zijt de man,
die mij past. Als gij u nog niet elders verbonden hebt, zou ik u
kunnen gebruiken."
"Nu," hernam Tom, als iemand die nadenkt, de oogen neerslaande, "de
eer, bij _u_ te kunnen zijn, is mij meer waard dan al het andere. Ik
heb wel een overeenkomst met andere rafters aangegaan; zij hebben
mij zelfs tot hun aanvoerder gekozen; maar als gij mij den tijd kunt
laten, om hen er van in kennis te stellen, zal ik mij wel van hen af
weten te maken."
"Goed! Dan moet gij een kajuitplaats nemen, opdat wij bij elkander
kunnen zijn. Wat gij daarvoor bij te passen hebt, zal ik u gaarne
vergoeden."
"Daarvoor zal ik u bedanken, sir! Wij rafters verdienen, als wij
vlijtig zijn, zeer veel geld; en op dit oogenblik heb ik juist al
mijn zakken vol, want ik kom van Vicksburg aan de beneden-rivier,
waar ik onze rekeningen geïncasseerd heb. Ik kan dus de kajuitplaats
zeer goed zelf betalen. Maar zie eens! Ik geloof dat de voorstelling
met den panter op het punt is om te beginnen."
De menagerie-eigenaar had van kisten en pakken verscheidene zitplaatsen
gefabriceerd, en noodigde nu met een hoogdravende toespraak het geëerde
publiek uit om plaats te nemen. Dat geschiedde. Het scheepsvolk,
voor zoover het niet aan het werk behoefde te zijn, mocht gratis het
schouwspel bijwonen. De kornel kwam met zijn volgelingen niet kijken;
hij had den lust daartoe verloren.
De twee Indianen waren niet uitgenoodigd geworden, om ook aan de
voorstelling deel te nemen. Twee Indsmannen in gezelschap te brengen
bij ladies en gentlemen, die een dollar per persoon betaald hadden,
daaraan had de eigenaar van het dier zich niet willen schuldig
maken. Zij stonden dus op een tamelijken afstand, en schenen dus
volstrekt niet nieuwsgierig, zoo min naar de ijzeren dierenkooi als
naar de groep toeschouwers, ofschoon er intusschen aan hun scherpe
schuinsche blikken niets hoegenaamd ontging van alles wat er voorviel.
Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten houten kast. De
meesten hunner hadden geen juist begrip van een zwarten panter. De
tot het kattengeslacht behoorende roofdieren der Nieuwe Wereld zijn
aanmerkelijk kleiner en minder gevaarlijk dan die der Oude Wereld. Een
Gaucho, bij voorbeeld, vangt den jaguar, die Amerikaansche tijger
genoemd wordt, met de lasso, en sleept hem achter zich voort. Eer hij
dat met den Bengaalschen koningstijger probeerde, zou hij zich eerst
wel tweemaal bedenken. En de Amerikaansche leeuw, dat is de poema,
gaat voor den mensch op de vlucht, zelfs al kwelt hem de honger. De
panter, nu, wordt beschreven als aanmerkelijk kleiner dan de leeuw en
de tijger; en daar de toeschouwers bij die twee namen aan den poema
en den jaguar dachten, verbeeldden de meesten zich een roofdier
te zullen zien van ongeveer een halven meter hoogte, en nagenoeg
dezelfde lengte en breedte. Niet gering was dan ook hun bevreemding,
toen het voorgedeelte van het houten omkleedsel van de ijzeren kooi
werd verwijderd, en zij den zwarten panter aanschouwden.
Hij had van Nieuw-Orleans af in den donker gelegen; slechts des nachts
had men de kast geopend. Nu zag hij voor het eerst weer het daglicht,
en dat verblindde hem aanvankelijk. Hij deed zijn oogen weder dicht,
en bleef lang uitgestrekt liggen, zoo lang als zijn kooi was. Toen
knipte hij eenige keeren met zijn oogen en werd zoodoende de voor hem
zittende menigte menschen gewaar. Met de snelheid eener gedachte sprong
hij overeind, en hief een gebrul aan, dat de meeste toeschouwers met
schrik vervulde en achteruit deed schuiven.
Ja, het was een volwassen, pracht-exemplaar, stellig een meter hoog,
en zonder zijn staart, tweemaal zoo lang. Met de klauwen van zijn
voorpooten greep hij de ijzeren staven van zijn kooi, en schudde
die met zooveel kracht, dat de houten kast er door in beweging
kwam. Daarbij liet hij zijn schrik-aanjagende tanden zien. Zijn
donkere kleur verhoogde slechts den indruk, dien hij maakte.
"Ja, myladies en gentlemen!" sprak de menagerie-eigenaar op
verklarenden toon; "de zwarte basterdsoort van den panter behoort
eigenlijk thuis op de Soenda-eilanden. Doch die dieren zijn klein. De
echte zwarte panter, die overigens zeer zeldzaam is, wordt in
Noord-Afrika, aan de grens der Sahara-woestijn gevonden. Hij is even
sterk als de Leeuw en veel gevaarlijker, en kan een volwassen rund
in zijn bek wegdragen. Welke kracht hij in zijn gebit heeft zal u
overigens spoedig blijken, zoodra de voedering begint."
De dierentemmer kwam met de helft van een geslacht schaap aandragen,
en legde dit voor de ijzeren kooi neder. Toen de panter het vleesch
rook en zag, stelde hij zich aan als dronken van bloeddorst. Hij sprong
heen en weer in zijn kooi, en brieschte en brulde zoo huiveringwekkend,
dat verscheidenen der toeschouwers nog meer achteruitdeinsden.
Een bij de machine der boot werkzame neger had zijn nieuwsgierigheid
niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein werd
hem gewaar en gebood hem, om oogenblikkelijk weer aan zijn werk te
gaan. Toen de zwarte niet terstond gehoorzaamde, greep de kapitein
een voor de hand liggend eind touw, en gaf hem daarmee eenige
slagen. Nu maakte de getuchtigde zich snel uit de voeten; doch aan
het luik, waardoor hij in het machineruim moest afdalen, bleef hij
even stilstaan; en ziende, dat de kapitein met zijn rug naar hem toe
stond, maakte hij met zijn opgeheven vuisten een dreigende beweging
tegen hem. Daar de toeschouwers op dit moment slechts oogen hadden
voor den panter, werd dat door niet een hunner gezien. Maar het werd
opgemerkt door den kornel, die dadelijk tegen zijn makkers fluisterde:
"Die neger schijnt het land aan den kapitein te hebben. Daar zullen wij
misschien partij van kunnen trekken. Wij moeten eens met hem aan den
praat zien te komen. Eenige dollars doen bij zulk een zwarte wonderen."
Thans schoof de dierentemmer het vleesch tusschen de ijzeren staven van
de kooi door, liet zijn blik vluchtig over de aanwezige toeschouwers
gaan, en zei toen fluisterend iets tegen zijn patroon. Deze schudde
bedenkelijk het hoofd; doch de andere liet niet af, en scheen
de bezwaren van den menagerie-eigenaar te wederleggen, totdat die
eindelijk toestemmend met het hoofd knikte, en daarop de voor de kooi
zittenden en staanden aldus aansprak: "Myladies en messieurs! ik moet
u zeggen, dat gij een zeldzaam geluk hebt. Een getemde zwarte panter is
nog nooit gezien, althans niet hier in de Vereenigde Staten. Gedurende
de drie weken, die ik in Nieuw-Orleans heb doorgebracht, heeft mijn
dierentemmer den panter in de leer genomen; en hij verklaart zich
bereid, om thans, voor de eerste maal in het publiek, bij den panter
in de kooi te gaan en naast dat gevaarlijke dier te gaan zitten,
indien hem daarvoor een behoorlijke belooning wordt toegezegd."
De dierentemmer was een buitengewoon forschgebouwde man, met een
uitdrukking van zeldzame geestkracht in zijn gelaatstrekken. Hij
was overigens van het welgelukken van zijn waagstuk volkomen zeker,
dat was duidelijk aan hem te zien.
De panter was intusschen aan zijn maaltijd begonnen; de beenderen van
het schaap vermorzelde hij tusschen zijn tanden, als waren het zachte
beschuitsbollen. Hij scheen zóó uitsluitend met zijn pruimerij bezig,
dat zelfs verscheidene toeschouwers, die natuurlijk zonder kennis van
zaken oordeelden, toen zij hem daar zagen smullen, van oordeel waren,
dat er, zoolang hij daar iets te bikken had, niet veel gevaar in stak,
bij hem in de kooi te gaan.
Niemand anders dan het manneke, dat kort te voren het beangst
van allen geweest was, namelijk de kleine geleerde met den bril,
antwoordde vol geestdrift: "Dat zou prachtig wezen, sir! Een kloek
bedrijf, waarvoor ieder, die op onverschrokkenheid prijs stelt, wel
iets over zal hebben. Hoeveel verlangt de temmer voor dat stoute stuk?"
"Honderd dollars!"
"Hum! Dat is toch wel een beetje veel, vindt ge niet?"
"Neen, sir! het is veel te weinig. Het gevaar, waaraan de man zich
blootstelt, is niet gering, daar hij het dier pas half meester is."
"Zoo! Welnu, ik ben niet rijk. Maar vijf dollar zal ik gaarne
bijdragen." En zich tot de toeschouwers wendende: "Messieurs! wie
draagt ook iets bij?"
Er meldden zich zoo vele liefhebbers aan, dat het genoemde bedrag
gemakkelijk bijeen zou komen. Men had nu eenmaal A gezegd; en nu wilde
men ook het schouwspel genieten tot het einde. Zelfs de kapitein werd
er warm door, en wilde weddenschappen aangaan, dat de temmer het er
niet goed afbrengen zou.
"Doe geen verkeerde dingen, sir!" waarschuwde Old Firehand. "Ik bid
u laat dat waagstuk niet toe. Juist omdat de man het dier nog niet
geheel meester is, rust op u de verplichting, het te beletten."
"Op mij?" lachte de kapitein. "_Pshaw!_ Ben _ik_ dan de vader, of
de moeder van den temmer? Heb ik hem bevelen te geven? Hier in dit
land heeft iedereen het recht, om met zijn leven te koop te loopen,
juist op de manier, die hij zelf goedvindt. Wordt hij door den panter
opgevreten, welnu, dat is een zaak tusschen hem en den panter, daar heb
ik niets hoegenaamd mee te maken. Dus, gentlemen! ik wil om honderd
dollars wedden, dat de man er niet zoo heelhuids uit zal komen als
hij er in gaat. Wie zet er honderd dollars tegen? Van alles wat door
de weddenschap gewonnen wordt, krijgt de temmer tien percent extra."
Deze toespraak werkte electriseerend. Er werden verscheidene
weddenschappen aangegaan om vrij aanzienlijke sommen, en het bleek
dat die weddenschappen, ingeval de temmer er het waagstuk werkelijk
goed afbracht, hem nog een extra-voordeel zouden opleveren van circa
driehonderd dollars.
Er was niet bepaald of de dierentemmer daarbij gewapend zoude zijn. Hij
haalde zijn ploertendooder, een soort zweep, met een ontplofbare
kogel in den knop. Viel de panter hem aan, dan had hij slechts een
fermen slag te geven om het dier oogenblikkelijk te dooden.
"Ik heb zelfs in zulk een ploertendooder niet veel vertrouwen," zeide
Old Firehand tegen Zwarten Tom. "Ik zou een doelmatig ingericht stuk
vuurwerk veel practischer vinden. Daarvan zou het dier terugschrikken,
zonder er door gedood te worden. Doch, elk zijn meug, zei de boer. Ik
wil het waagstuk meeprijzen, maar niet voordat het gelukt is."
Nu hield de dierentemmer een korte toespraak tot het publiek, en begaf
zich toen naar de kooi. Hij schoof eerst de zware grendels open,
en toen het smalle ijzeren tralie-hek, dat de ongeveer vijf voet
hooge deur vormde. Om naar binnen te komen moest hij bukken. Daarbij
had hij zijn beide handen noodig, om de deur vast te houden en die,
zoodra hij zich in de kooi bevond, weer te kunnen sluiten; daarom
had hij den ploertendooder tusschen zijn tanden genomen, en was dus,
ofschoon voor een oogenblik slechts, weerloos. Wel was hij reeds
verscheidene malen bij den panter in de kooi geweest, doch onder
geheel andere omstandigheden. Toen had het dier niet dagen achtereen
in volslagen duisternis doorgebracht, het had niet zooveel menschen om
zich heen gezien, en ook niet het eentonige stampen der machine en het
gedruisch en gebruis der schepraderen gehoord. Deze omstandigheden
had noch de menagerie-eigenaar, noch de dierentemmer voldoende in
aanmerking genomen, en--de gevolgen bleven niet uit.
Zoodra de panter het gedruisch van de tralie-deur hoorde, keerde hij
zich om. Juist stak de temmer bukkende zijn hoofd naar binnen--een
bliksemsnelle beweging van het roofdier, en het hoofd, uit welks mond
de ploertendooder op den grond was gevallen, had het in zijn muil en
verbrijzelde het tusschen zijn geweldige tanden tot splinters en moes.
Het geschreeuw en gegil, dat op dit oogenblik vóór de kooi van
den panter aangeheven werd, is met geen pen te beschrijven. Alle
toeschouwers sprongen op, en namen de vlucht. Slechts drie bleven daar:
de menagerie-eigenaar, Old Firehand en Zwarte Tom. Eerstgenoemde wilde
de deur van de kooi dichtschuiven; maar dat bleek hem onmogelijk,
want het lijk lag half er binnen en half er buiten. Toen wilde hij
den doode bij diens beenen naar buiten trekken.
"Om Godswil, dat niet!" riep Old Firehand. "De panter zou achteraan
meekomen. Schuif het lijk geheel naar binnen, de man is toch dood nu;
dan zal de deur toe kunnen!"
De panter lag voor het onthoofde lijk. Met de beendersplinters in zijn
van bloed druipenden muil, vlamden zijn oogen zijn meester aan. Hij
scheen diens oogmerk te raden, want hij begon in gramschap te brullen
en kroop voorwaarts op het lijk, en hield dat door de zwaarte van zijn
eigen lichaam vast. Zijn kop was nu nog maar eenige duimen afstands
van de open deur af.
"Weg, weg! Hij komt er uit!" riep Old Firehand. "Tom, uw geweer! uw
geweer! Een revolver zou de zaak nog erger maken."
Zwarte Tom vloog naar zijn geweer.
Van het oogenblik af waarop de temmer de kooi had betreden tot op dit
moment waren er hoogstens tien seconden verloopen. Niemand had nog den
tijd gehad, om zich volkomen in veiligheid te brengen. Het gansche
dek was een wartooneel van vluchtende en angstkreten aanheffende
personen. De deuren naar de kajuiten en onderdeks-verblijven waren
versperd. Menigeen dook achter vaten en kisten om zich te bergen,
doch sprong dadelijk weer op, daar men zich in zulk een schuilplaats
niet veilig kon achten.
De kapitein was naar zijn commando-brug gesneld, en klom naar boven,
drie, vier treden tegelijk nemend. Old Firehand volgde hem. De
menagerie-eigenaar vluchtte naar de achterzijde van de ijzeren
kooi. Zwarte Tom ijlde weg, om zijn geweer te halen. Doch onderweg
herinnerde hij zich, dat hij zijn bijl daaraan vastgebonden had, zoodat
hij het vuurwapen toch niet terstond zou kunnen gebruiken. Hij bleef
dus bij de twee Indianen, die hij voorbij moest, staan, en rukte den
"ouden beer" diens vuurroer uit de hand.
"Ik zelf schieten!" zei deze, tegelijk de hand uitstekende om zijn
geweer terug te grijpen.
"Laat mij!" voegde de zwartbaard hem driftig toe. "Ik schiet in elk
geval beter dan gij."
Hij draaide zich om de ijzeren kooi. De panter had die juist verlaten,
hief zijn kop op, en brulde. Zwarte Tom legde aan, en haalde den haan
over. Het schot knalde maar de kogel was niet raak. Schielijk rukte
hij nu ook den jongen Indiaan het geweer uit de hand, en brandde de
lading op het ondier af, maar het schot was andermaal mis.
"Slecht schieten. Geweer niet kennen," zeide de "oude beer" zoo
bedaard, alsof hij in zijn veiligen wigwam bij zijn gebraden vleesch
zat.
De Duitscher hoorde die woorden niet eens. Hij wierp het geweer weg,
en vloog naar de voorplecht, waar de geweren der mannen van den kornel
lagen. Die gentlemen hadden geen lust gehad om den strijd met het
dier op te vatten, maar waren ijlings weggekropen.
Daar klonk dicht bij de commando-brug een hartverscheurende gil. Een
dame wilde naar boven vluchten. De panter kreeg haar in het oog juist
toen hij ophield met brullen. Hij dook neer, en vloog met groote
sprongen op haar aan. Zij zag dat, en gaf dien gil. Zij bevond zich
nog onder aan de brugtrap, terwijl Old Firehand reeds op de vijfde
of zesde trede stond. In een oogwenk had hij haar gegrepen, trok haar
omhoog, en tilde haar met zijn sterke armen over zijn hoofd heen naar
boven, waar de kapitein haar van hem aannam. Dat was het werk van twee
seconden geweest, en nu bevond zich de panter onder aan de trap. Hij
zette zijn twee voorklauwen op een der treden, en kromp zijn lichaam
reeds ineen, om naar boven te springen en zich op Old Firehand te
werpen. Deze gaf hem een duchtigen trap op zijn neus, en schoot hem
toen de nog restende drie kogels uit zijn revolver tegen den kop.
Dit verweermiddel was eigenlijk belachelijk. Door een schop en eenige
revolver-kogeltjes niet grooter dan een erwt, laat een zwarte panter
zich niet afschrikken: maar Old Firehand bezat op dat oogenblik geen
ander middel om zich te verdedigen. Hij was overtuigd, dat het ondier
hem nu zou beetpakken; doch.... dat gebeurde niet, de panter, nog
altijd met zijn voorpooten op de trap staande, wendde langzaam zijn
kop zijwaarts, als wilde hij zich bezinnen op iets beters. Hadden de
op zulk een korten afstand afgeschoten kogels die hoogstens een duim
diep in zijn harde schedelhuid doorgedrongen konden zijn, hem in een
soort van duizeling gebracht? Of had de trap op zijn gevoeligen neus
hem te veel pijn veroorzaakt, zooveel is zeker, dat zijn oogen niet
meer op Old Firehand gericht waren, maar naar het voordek, waar nu een
omstreeks dertienjarig meisje onbeweeglijk stond, als versteend van
schrik, met de beide armpjes uitgestrekt naar de commando-brug. Het
was het dochtertje van de dame, die zooeven door Old Firehand gered
was. Het arme kind, zelf op de vlucht, had het gevaar gezien, waarin
haar moeder verkeerde, en was, van ontzetting daarover, als versteend
blijven staan waar het nu nog stond, gekleed in een wit jurkje, dat nu
den panter in het oog viel. Hij trok zijn voorpooten van de brugtrap
af, keerde zich om, en vloog toen, met sprongen telkens van zes à
acht ellen lang op het kind aan, dat wel die ijzingwekkende nadering
zag maar niet in staat was om zich te verroeren of geluid te geven.
"Mijn kind, mijn kind!" jammerde de moeder.
Allen, die het zagen, schreeuwden en jammerden mee; maar niemand
verroerde een vinger of een voet tot redding. Er was ook geen tijd
meer toe. Geen tijd meer? En verroerde zich werkelijk geen mensch? Ja
toch, één,--en wel diegene, van wien men zooveel stoutmoedigheid en
tegenwoordigheid van geest en goed overleg wel het allerminst zou
verwacht hebben, namelijk de jonge Indiaan.
Hij had met zijn vader op ongeveer tien passen afstands van het
meisje af gestaan. Toen hij het gevaar zag, waarin het kind verkeerde,
vlamden zijn oogen op. Hij keek naar rechts en naar links, als zoekende
naar een middel tot redding; toen liet hij het tsoenikleed van zijn
schouders vallen, en riep zijn vader in de taal der Tokawa toe:
"Tiakaitat; sjai sjoyana--blijf staan, ik zal zwemmen!"
In twee sprongen was hij bij het meisje, greep haar om haar middel,
snelde met haar naar het rasterwerk (hek of balustrade rondom het dek)
en was in een wip er bovenop. Daar bleef hij een oogenblik staan,
ten einde om te kijken. De panter was vlak achter hem, en maakte zich
reeds gereed om ingelijks op het hek te springen. Maar nauwelijks
waren de pooten van het dier van den grond af, of de jonge Indiaan
wierp zich in een schuinsche richting, ten einde niet op dezelfde
plek als het ondier in het water te komen, van de balustrade af in
den stroom. Hij verdween met zijn vracht onder de golven. Tegelijk
sprong de panter op het rasterwerk met zulk een vaart, dat hij zich
niet er op staande kon houden en regelrecht neerplofte in de rivier.
"Stoppen! Stoppen!" commandeerde de kapitein, met veel tegenwoordigheid
van geest, door de spreektrompet, die uitkwam in de machine-ruimte.
De machinist gaf dadelijk tegenstoom; de boot stopte, en bleef
zoodoende op de plaats liggen, daar de schepraderen nu slechts zooveel
water grepen als noodig was om het afdrijven te voorkomen.
Daar het gevaar thans voor de passagiers voorbij was, snelden allen uit
hun schuilhoeken te voorschijn en naar de balustrade. De moeder van het
kind was in onmacht gevallen; de vader riep met een hartverscheurende
stem: "Ik geef duizend dollars voor de redding van mijn dochter--twee
duizend--drie duizend--vijf duizend en nog veel meer!"
Niemand luisterde naar zijn angstkreten. Allen bogen over de
balustrade heen, om in het water te kijken. Daar lag de panter als een
voortreffelijk zwemmer met uitgespreide pooten, zich bovenhoudende
en rondkijkende naar zijn prooi--tevergeefs. De wakkere jongeling
met het meisje waren nergens te zien.
"Ze zijn omgekomen in de raderen!" jammerde de vader, met beide handen
de haren uit zijn hoofd trekkende van wanhoop.
Maar opeens klonk van de andere zijde van het schip de luide stem
van den ouden Indiaan: "Nientropan-homosj oolijk geweest. Onder het
schip wegzwemmen, om panter niet laten zien. Hier onder zijn." Nu
vloog alles naar stuurboord, en de kapitein commandeerde, touwen
uit te werpen. Ja waarlijk, daarbeneden, vlak naast het schip,
zwom langzaam op zijn rug, ten einde niet afgedreven te worden, de
"jonge beer", en had het bewustelooze meisje dwars over zijn lichaam
gelegd. Touwen waren spoedig uitgeworpen.
De jongeling bond er een stevig onder de armen van het meisje; en
terwijl het arme kind omhooggetrokken werd, heesch hij zich zelf
behendig aan een tweede touw naar boven.
Hij werd met een daverend gejubel begroet, maar stapte fier langs de
menigte weg zonder een woord te zeggen. Doch toen hij aan de plek kwam,
waar de kornel stond, die óók alles had aangezien, bleef hij vlak voor
hem stilstaan, en zei zoo luid dat iedereen het hooren kon: "Zeg eens,
is Tonkawa wel zoo erg bang voor een kleine kat? Kornel heeft zich
met zijn twintig helden schuilgehouden; maar Tonkawa heeft zich aan
groot gevaar blootgesteld, om meisje en passagiers te redden. Kornel
spoedig nog meer van Tonkawa hooren!"
Het geredde meisje werd naar de kajuit gedragen. Nu strekte de
stuurman, die het beste uitzicht had, zijn hand uit naar bakboord,
en riep: "Kijkt den panter eens! En het vlot!"
Nu snelden allen weder naar de andere zijde van het stoomschip,
waar zich een nieuw en niet minder in spanning brengend tooneel aan
hun blikken vertoonde. Men had namelijk, geheel en uitsluitend bezig
met het tot dusverre verhaalde, niet gelet op een klein van teenen
en riet gevlochten vaartuigje (eigenlijk niets meer dan een vlot),
waarin twee gestalten zaten, die van den rechter rivier-oever af op
de stoomboot aanstuurden. Zij werkten met van boomtakken vervaardigde
roeiriemen. De eene persoon was een jongeling; de andere scheen een
zeer zonderling gekleed vrouwspersoon. Men zag een hoofddeksel, veel
gelijkende op een oude klapmuts, en daaronder een rond gezicht met
roode koonen en kleine oogjes. Het overige der gestalte was omhuld
door een wijden zak of iets dergelijks, men kon met geen mogelijkheid
zeggen wat, daar de persoon gezeten was. Zwarte Tom stond naast Old
Firehand, en vroeg hem: "Kent gij die vrouw wel, sir?"
"Neen," was het antwoord. "Is zij dan zóó beroemd, dat ik haar moest
kennen?"
"Zeer zeker. Zij is namelijk in het geheel geen vrouw, maar een man,
een prairie-jager en vallen-opzetter. Ha, daar komt de panter aan. Let
nu eens op wat een vrouw, die een man is, in staat is te doen."
Hij boog over de balustrade heen, en riep naar beneden: "Heila, Tante
Droll (Droll is Engelsch en beteekent: kluchtig), opgepast! Die snaak
wil u opeten."
Het vlot was ongeveer nog vijftig passen van de stoomboot
verwijderd. De panter had daar, steeds zoekende naar zijn prooi,
aanhoudend langs die zijde van het schip heen en weer gezwommen. Nu
zag hij het vlot naderen, en hield terstond daarop aan. De zich er
op bevindende oogenschijnlijke vrouw, keek naar het dek op, herkende
hem die haar had toegeroepen, en antwoordde met een schelle fluitstem:
"_Good lack_ (= lieve hemel) zijt gij het, Tom? Het doet mij pleizier
u te zien, als het noodig is! Wat is dat voor een dier?"
"Een zwarte panter, die van boord gesprongen is. Maak maar dat gij
wegkomt. Gauw, gauw!"
"Een mooi ding! Tante Droll gaat voor geen mensch op den loop, en
voor een panter nog minder, hij mag er dan zwart of blauw of groen
uitzien. Mag men het ondier doodschieten?"
"Natuurlijk! Maar dat zal u niet gelukken. Het behoorde tot een
menagerie, en is het gevaarlijkste roofdier, dat in de wereld
bestaat. Vlucht maar gauw naar de andere zijde van het schip."
Niemand dan Tom alleen kende de potsierlijke gestalte: maar allen
riepen haar de waarschuwing toe om te vluchten. Zij scheen er echter
vermaak in te vinden, met den panter krijgertje te spelen. Zij
hanteerde het gebrekkige roer met bewonderenswaardige behendigheid,
en wist het dier telkens en telkens te ontwijken. Daarbij riep zij,
altoos met dezelfde fluitstem: "Ik zal het wel klaarspelen, oude
Tom! Waar moet zulk een creatuur geraakt worden, als het noodig is?"
"In zijn oog," antwoordde Old Firehand.
"Nu, dan zullen wij die waterrot eens wat dichterbij laten komen."
Hij haalde de roeispaan binnen, en greep het geweer, dat naast hem
gelegen had. Vlot en panter naderden elkander snel. Het roofdier
staarde met wijd opengespalkte oogen den vijand aan, die het geweer
aanlegde, kort mikte, en twee schoten loste. Het geweer neerleggen,
het roer grijpen, en het vlot achteruit laten zwenken, was het werk
van een oogenblik. De panter was verdwenen. Daar, waar men hem het
laatst gezien had, verried een dwarreling in het water de plek van
zijn doodsstrijd; toen zag men hem een eind weegs verder weer boven
water komen, bewegeloos en dood: zoo dreef hij eenige seconden lang,
en verdween toen weer in de diepte.
"Een meesterlijk schot!" riep Tom van het dek af, en al de passagiers
verklaarden vol geestdriftelijke bewondering hetzelfde, behalve
de menagerie-eigenaar, die den duren panter en zijn dierentemmer
verloren had.
"Twee schoten zijn het geweest," antwoordde de zonderlinge gestalte:
"in ieder oog één. Waar gaat deze boot naar toe, als het noodig is?"
"Zoo ver als we maar water genoeg vinden," was het antwoord van
den kapitein.
"Wij wilden aan boord komen, en hebben ons daarom daarginds aan wal
dit vlot gebouwd. Wilt gij ons opnemen?"
"Kunt gij de vracht betalen _ma'am_ (= madame) of _sir?_ Ik weet
waarlijk niet of ik u als man of als vrouw aan boord moet nemen."
"Als tante, sir! Ik ben namelijk Tante Droll, begrepen, als het noodig
is. En wat de vracht betreft, ik ben altijd gewend met goed geld te
betalen, of zelfs met nuggets (= goudkorrels)."
"Dan zal ik de touwladder voor u neerlaten. Komt dus maar gauw aan
boord. Wij moeten maken, dat wij van deze ongeluksplaats vandaan
komen."
De touwladder werd neergelaten. Eerst klauterde de jongeling naar
boven, die ook met een geweer gewapend was; toen wierp de andere
zijn geweer over den schouder, stond op, greep de ladder, stiet het
vlot onder zich weg, en klom met de vlugheid van een kat tegen den
scheepswand op naar het dek, waar hij met groote, ijselijk verbaasde
oogen ontvangen werd.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE TRAMPS.
"De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil--of juister
gezegd ten gevolge--van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt
van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een
Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn."
Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker
instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De
plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische
en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid
te vermelden de twistzoekende _loafers_ en _rowdies_, en dan ook
de zoogenaamde _runners_, die het bij voorkeur op de aankomende
landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft
zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat
aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders
gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller
ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door
behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen,
ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars
vormden, die slechts door het doortastende optreden van "Master Lynch"
vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook de _kukluxes_
kunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna
zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste
landplaag ontwikkelden zich de _tramps_ als vertegenwoordigers van
het ruwste en brutaalste vagebondendom.
Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden,
duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos
werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een
westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende
staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds
spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen
werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een
zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen
terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen
van den oogst, en werden daarom gewoonlijk _harvesters_ (= daggelders
tijdens den oogst) genoemd.
De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van
rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden
daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid,
en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij
moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den
tuchtigenden arm der strafwet.
Die _tramps_ (= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote
hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij
overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer
zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij
vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten
overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedig
op een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan
bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de
gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te
roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.
Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de "Dogfish",
zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen
aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch
geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was
slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de
overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling
aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het
oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg
volstrekt niet overbodig waren.
De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die
op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij,
als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had
gelachen, toen Tom den wonderlijken naam "Tante Droll" uitsprak. Maar
nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed
kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen
hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen
men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord:
"die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil;
ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen."
"Waarom? Kent gij hem dan? Is 't een man of een vrouw?" vroeg een
hunner.
"Een man, natuurlijk."
"Waarom dan die maskerade?"
"Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel,
maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime
politie."
"_Pshaw!_ Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan
alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier
gelooven; maar dat hij een _detectieve_ is, dat geloof ik nooit!"
"En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll
gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar
grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar
nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is
een _detectieve_, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem
vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar
hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en
overleverde aan de galg--en wij waren toch over de veertig man sterk!"
"Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn
lijf kunnen steken!"
"Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan
met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij
ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een
onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan
met zijn slachtoffer, en dan opeens is het 'kip, ik heb je!' eer het
mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!"
"En kent hij u?"
"Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens
opgemerkt. Overigens is dat heel lang geleden, en in dien tijd ben
ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is,
ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid
op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen
kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den
weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager
van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als
een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel
gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht,
en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let."
Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er
waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om
bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu,
hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen,
wat eigenlijk zijn kostuum was.
Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon
desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het
bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het
middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde
braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de
klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen,
die over zijn ooren hingen.
Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond
uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere
genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien,
dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende
tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan
de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats
van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte
en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij
het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen
af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen
gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek,
waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan
te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan
zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het
kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en
veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid,
en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn
armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen
zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.
De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van
een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken
door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen
en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan
in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren,
opdat hem toch niets ontgaan zou.
Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich
jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid,
en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders
in de plaats te stellen, dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem
aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan,
wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der
beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.
In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig
reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog
ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien
was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een
toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.
De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien
jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn
gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend
zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te
weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond
uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van
leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver
gewapend.
Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe,
en riep met haar schelle, dunne fluitstem: "Welkom, oude Tom! Welk
een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet
gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?"
Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde:
"Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik
mijn rafters in de bosschen heb."
"Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen;
want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst
de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine
jongen, als het noodig is?"
Deze vraag was tot den kapitein gericht.
"Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij
hebben wilt," was het antwoord.
"Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit,
sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij
kunnen het _lasso_ altijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?"
"Ja, wat graag!"
"Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?"
Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij
zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De
kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte,
en antwoordde: "Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp
u vierkant over boord."
"Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water
zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens,
als gij trek hebt."
"Neen," hernam de kapitein ontwijkend, "tegen dames moet men de
wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij
natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo
naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast;
dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier."
"Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel,
als het noodig is."
"Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor."
Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen
gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge
personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op
een toon van verwondering: "Gij hadt die nuggets eens moeten zien,
messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!" Dit
zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er
die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt,
vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter. "Die man moet een
bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker
is dan hij er uitziet."
Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen
belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij
de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet
naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen,
zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde
hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die
mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht,
en hij sprak hem aan:
"Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens
gezien?"
"Dat ik weet niet," was het antwoord.
"He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij
bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?"
"Neen."
"In Fort-Sully ook niet?"
"Dat ken ik niet eens."
"Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?"
"Hoe zoo? Waarom?"
"Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij
bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe
hij heet."
"Wat dat betreft," antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon,
"mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg
zijn om u naar uw naam te vragen."
"He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik
voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd
geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke
dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten."
"Is dat bedoeld als een beleediging, sir?"
"Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als
het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er
volstrekt niet nieuwsgierig naar."
Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.
"Dat iemand zoo iets durft tegen mij!" mompelde de roodbaard
tandenknarsend. "En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!"
"Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?" merkte een zijner
volgelingen lachend op. "Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben
met mijn vuist."
"En van een koude kermis thuisgekomen zijn!"
"_Pshaw!_ Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van
spierkracht te verrichten."
"Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand
durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij
een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet
te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen:
ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar
zaak voor ons, alle opzien te vermijden."
Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de
twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem
zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij
aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag,
snelde toen naar hen toe, en riep uit: "_Mira, el oso viejo y el oso
mozo_ (= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!"
Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet
te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.
"_Qué sorpresa, la tia Droll_ (= welk een verrassing, Tante Droll),"
antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen
hij nog op het vlot zat.
"Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?" vroeg Droll,
terwijl hij aan beiden de hand gaf.
"Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om
inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen
met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons
hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben."
"Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu
veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders
met hun naburen in vrede?"
"Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat
zij die niet weer behoeven op te graven."
"Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?"
"Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid
zou zijn; maar nu zal het wel langer duren."
"Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?"
"Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn
mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger."
"Wie is dat?"
"Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden
Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven."
"Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch
weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven,
en dat nog wel den Ouden Beer."
"Hij schijnt niet te weten, dat _ik_ dat ben. Ik heb mijn naam genoemd
in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder,
hem dien niet in het Engelsch te vertolken."
"Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders
zijn dan de naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar
de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog
dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten."
En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader
van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat
zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden
vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel
op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den
moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll
had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het
hem verteld had, zei hij: "Ja, daar is het juist een jongen naar;
hij is geen kind meer, maar een volwassen man."
"Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken."
"Ik heb hem eenige keeren ontmoet."
"Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven
stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het
hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande."
"De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw
gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist
als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij
hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu
en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen
van 'de zijnen', en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en
of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen
ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig
uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel."
"Heeft hij u daarvan gesproken?"
"Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld
heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man."
"Dat heb ik ook gezegd," merkte Old Firehand aan. "Zooals ik de
Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit
lafhartigheid."
"Zoo?" vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd
tot de voeten. "Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig
is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij
een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons,
dunkt mij, dan in de prairie."
"O wee, tante!" lachte Tom; "daar schiet gij een geweldigen bok. Raad
eens wie deze sir is!"
"Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn,
het mij liever te zeggen?"
"Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient
er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is
namelijk een van onze beroemdste Westmannen."
"Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?"
"Ja."
"Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde,
die evenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient,
bestaat er niet, voor zoover ik weet."
Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met
het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje
hooren, dat als een op de klarinet geblazen, "hihihihi" klonk,
en vervolgde toen: "Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old
Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand
anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?"
"Ja, dat ben ik," knikte de genoemde.
"_Egad?_" vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl
hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. "Zijt gij
inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den
lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar
... misschien is het toch maar fopperij?"
"Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?" vroeg Old Firehand, en meteen pakte
hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem
zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel,
en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.
Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed
geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken
volzinnen: "_Zounds_, sir! houdt gij mij voor den slinger van een
klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen
om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig,
dat mijn _sleepinggown_ (= nachjapon) van stevig leder gemaakt is,
anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water
geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk,
sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds
gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen
nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze
aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht
hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een
eenvoudige _trapper_ (= opzetter van vallen, uitzetter van strikken);
maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen
heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt,
dan zult gij die niet terugwijzen."
"Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen
braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij
ons zoo kranig geïntroduceerd heeft."
"Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?"
"Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt."
"O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje
voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt
geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te
redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer
geweest ben."
"Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel
degelijk op _u_ gemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang,
want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal
kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen
gelukken. Door hem te dooden, hebt gij in allen gevalle vele menschen
het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader
leeren kennen."
"Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking
iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst
te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon."
Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te
kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan
gretig door hem voldaan werd.
Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die
niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te
voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om
voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij
met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien
kon, dat hij niet bijzonder in zijn "hummetje" was. Dit zag de kornel,
die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.
"Wat is er van uw verlangen, sir?" vroeg de zwarte, zoodra hij
dichterbij gekomen was. "Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot den
_steward_ (= hofmeester; spreekt uit; 'stjoerd') wenden. Ik ben niet
hier voor de passagiers."
Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.
"Dat begrijp ik," antwoordde de kornel. "Ik wilde u louter vragen,
of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken."
"Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden
verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier
dat naar een glas brandy gelijkt."
"Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat
gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten."
De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger,
en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle
flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel,
die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud
van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het
glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen:
"Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar,
dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag,
hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken
zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten."
"Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik
heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een
zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk,
dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal,
begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen."
"Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt
inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens 'een ferm hapje'
van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten
minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over
de brug komt met geld--_damn!_"
"Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?"
"Ja, louter op mij."
"Waarom?"
"Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon
elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn
dorstigheid van dag tot dag grooter wordt."
"Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te
goed zult kunnen doen of niet."
"Hoe zoo dat?"
"Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een
dienst wilt doen?"
"Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een
na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst,
dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen."
"Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de
rechte man wel voor wezen zult!"
"Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man."
"Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden."
"Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen
rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er
iets gebeurt dat niet in den haak is."
"Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders
te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen--niets anders,
dan een beetje goed te luisteren."
"Waar? En bij wien?"
"In het salon."
"Hum!" bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. "En dat
waarom, sir?"
"Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken."--Hij
schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een
vertrouwelijken toon: "Daar is een groote, reusachtig uitziende sir,
dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard,
die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren
jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand
is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij
meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij,
om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede
gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen
wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun
zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal
het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen,
waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost
te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus,
dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang."
"Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als
ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik
den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt."
"Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?"
"Daar zit ik juist over te denken."
"Moogt gij in het salon komen?"
"Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen."
"Zoek dan maar een of ander voorwendsel."
"Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen
kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een
oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen,
dat de moeite waard is."
"Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat
langer kwansuis bezig kunt blijven?"
"Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die
zou ik schoon kunnen gaan maken."
"Zal dat geen argwaan geven?"
"Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet
gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is."
"Maar dat is immers _uw_ werk niet?"
"Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar
die zal blij wezen als een ander het voor hem doet."
"Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?"
"O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel
drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat
ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy
geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet
ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar
hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?"
"Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie
dollars kunt gij in elk geval rekenen."
"_All right!_ Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in,
dan ga ik er dadelijk op uit."
Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat
hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: "Wij zijn arme
tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier
de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen
om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier
terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben,
dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij
weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn."
"Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!"
"Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds
hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die
gelegenheid geen partij te trekken."
"Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan
boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de
voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het
stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen
alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten
doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen."
"Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets
is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel
van af hoe het ding aangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar,
om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn
raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken."
"Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar
niet iets op de mouw gespeld hebben."
"_Pshaw!_ Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu
reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn
waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet
gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te
halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch
wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard
afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal."
Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding
en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren
wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich
zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best
om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde;
de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan,
tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.
De "domme neger" scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als
hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig
teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward
gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon
verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot
uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken
in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een
blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette,
zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend
werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen,
den Ouden en den Jongen Beer.
"Wel," vroeg de kornel met gespannen ongeduld, "hoe hebt gij het
er afgebracht?"
De gevraagde antwoordde mismoedig: "Ik heb mij alle moeite gegeven;
maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van
u zal krijgen dan de bedongen drie dollars."
"Hoe zoo dat?"
"Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u
schromelijk vergist, sir!"
"Waarin dan?"
"Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer,
en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren
gevraagd hebben op zijn boerderij."
"Wel nu nog mooier!" viel de kornel uit, op den toon van iemand,
die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.
"Het is zooals ik u zeg," verzekerde de neger. "De reus is een beroemd
jager en wil ver het gebergte in."
"Waarnaar toe?"
"Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van
het gansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met
den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten."
"Wil hij alleen het gebergte in?"
"Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem
meegaan."
"Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren
hebben?"
"Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen."
"Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan
de knapste ingenieur."
"Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler's broeder, die een
prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk
zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de
ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat
brengen."
De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps
liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige
ontdekking.
"Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers," merkte de kornel aan, op
een onverschilligen toon. "Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig
mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?"
"Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch
heb ik het verstaan."
"Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt
mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij
in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren."
"Neen, neen, want ze zouden het niet vinden."
"Jongen het zijn zulke gewikste kerels."
"Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld
weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken."
"Weet gij dan waar?"
"Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer
geheimzinnig en bedekt, opdat _ik_ het niet zien zou. Zoodra ik
dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe
staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde;
maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk
zag alsof ik er bij zat."
"Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor
staat--dat is algemeen bekend--ziet men zijn rechterzijde links en
zijn linkerzijde rechts."
"Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar
wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk
een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de
banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen
viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes
geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat
ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten
andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet
zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is,
in het Westen een verloren man zou zijn."
"Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan
dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?"
"Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren
zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas."
"O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen
tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood
hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus
vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel,
en draagt ook denzelfden naam."
"Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur
de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak
van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij
verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn."
"Waar zijn die dan?"
"Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier--maar waar
dat is, weet ik niet."
"Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel
rafters zijn daar bijeen?"
"Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje
in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat
óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht
hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men
in de wildernis gaat reizen."
"Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch
behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen,
waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn
die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet
begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk
een jong meisje bij zich heeft."
"Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem,
en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om
een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er
zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar
besloten zijn vrouw en kind mee te nemen."
"Blok_huizen_? Heeft hij dat gezegd?"
"Ja."
"Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn,
dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen
zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen
weten wat eigenlijk hun doel daarmede is."
"Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei
hem, dat hij dat later wel vernemen zou."
"Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien,
dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is,
die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het
onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij
de plaats niet weet, waar zij naar toe willen."
"Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard
en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden
met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien,
naast elkander hebben."
"Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?"
"Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de
ingenieur; nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer
vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred."
"Wie is dat?"
"De jongen, die de Tante meegebracht heeft."
"Is dat een zoon van Droll?"
"Neen, voor zoover ik vermoeden kan."
"Hoe is zijn 'van', en wat is de reden dat hij met Droll meereist?"
"Daar is geen woord over gesproken."
"Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?"
"Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den
ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch
over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor
u natuurlijk van geen belang."
"Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb,
is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd
hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten
stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben
als wij maar verlangen kunnen."
"Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de
raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er
het slechts aan toe zijn, zijn _wij_ natuurlijk. Wij moeten, als wij
's nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,"--hij
wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen
onder het dek--"nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier
ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door
dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het
onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is
het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken."
"Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de
scheepskiel?" vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder
belangstelde.
"Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden."
"Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?"
"Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te
moeielijk."
"Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig
hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter."
"Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog
even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje
te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar
hoe staat het nu met mijn dollars?"
"Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal
betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing,
en dáárvoor wil ik _u_ niet laten boeten. Hier zijn dus de drie
dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons
volstrekt niet gebaat heeft."
"Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel
brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een
nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan
asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen."
Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder
in de schaduw van een groote baal liggen.
De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten
zij waaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige
zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.
"Gij kijkt mij nu aan om opheldering," zei hij, terwijl er over zijn
tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. "Negenduizend dollars
aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes)
of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar
kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer
welkom zal zijn."
"Als wij het hebben," zei degeen, die gewoon was voor de anderen het
woord te doen.
"Wij hebben het!"
"Vooreerst nog in lang niet!"
"Tut, tut! Als _ik_ zeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!"
"Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig
worden?"
"Ik zal het gaan halen."
"Uit de slaapkajuit?"
"Ja."
"Gij zelf?"
"Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan
een ander over."
"En als gij gesnapt wordt?"
"Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken."
"Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur
wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen
aan het dansen."
"Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben
wij de plaat gepoetst."
"Hoe dat?"
"Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk."
"Moeten wij dan naar den wal zwemmen?"
"Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik
ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik
het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever
bijna niet zien kan."
"O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee
booten? Is dat de bedoeling?"
"Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat
het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden,
die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht
kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk
zouden maken."
"Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal
ontdekt is."
"Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb
ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het
scheepskiel-ruim?"
"Dat kan ik niet weten."
"Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw
oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?"
"Dat schijnt een gereedschapskist te zijn."
"Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en
verscheidene boren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer
een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee--de boor
en het scheepskiel-ruim--eens met elkaar in verband?'
"_Thunder-storm!_ Gij zult toch het schip niet lek willen boren?" riep
de andere verbaasd.
"Ja dat is juist wat ik van plan ben."
"En maken, dat wij allen verzuipen!"
"_Pshaw!_ Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij
hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan
wal aan te leggen."
"O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?"
"Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en
als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken,
en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert."
"Maar als men het te laat pas ontdekt?"
"Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen
zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet
door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet
blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen,
dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben
om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijn _wij_
al lang geblazen."
"Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de
kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men
dient op alles bedacht te zijn."
"Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange
lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere
einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt,
zou alwetend zijn.'
"Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip
af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren."
"Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen
kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim
vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze
beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of
een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen,
zonder die te betalen."
"Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?"
"Allereerst naar de Blackbear-rivier!"
"Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?"
"Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich
ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op
den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is
dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te
kunnen uitrusten."
"Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?"
"Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te
tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het
zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien
tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden
hebt. Van avond is er werk aan den winkel, en aan slapen valt niet
te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond
weer frisch en in staat om goed te marcheeren!"
Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte
heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en
rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat
de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den
tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling,
die het midden houdt tusschen slapen en waken, en die noch aan het
lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.
Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen,
kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden,
en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De
ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om
die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich
onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van
haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was
bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide
dames hen nog niet bedankt hadden.
De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche
rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds
zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook
nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.
"He--el bakh sjaj--bakh mateloe makiek (= nu zullen ze ons geld
geven)," zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij
hen aan zag komen.
Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid
is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand,
met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen
snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn
vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op
het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem
toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk,
en zei: "Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij
niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben."
Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde:
"Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren;
hij weten, dat ze waar zijn."
"Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij
herinnert. Mag ik dat doen?"
Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af,
en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek
naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed,
maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een
klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst,
met ettelijke teekens er op.
"Ik u ook geven aandenken," zeide hij. "Het is totem van
Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar
komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten
eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem,
en gehoorzamen zijn totem."
Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde
dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat
hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar
zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te
fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben
kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig
geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij
de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en
antwoordde: "Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets
van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die
geschenken elkaar niet vergeten zouden." Nu bedankte hem ook de moeder
van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader:
"Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm;
maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen
hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar
ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven,
waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij
mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen
aannemen? Ik verzoek hem dat."
Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan
de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die
aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij
doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als
een kaars, en zeide: "De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote,
zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik
die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede
menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!"
Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu
kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht
zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij
zei tegen Butler:
"Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of
menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij
nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens
squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het
zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!"
Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de
hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.
"Toea enokh (= goede menschen)!" zeide de vader.
"Toea-toea enokh (= zeer goede menschen)!" bevestigde de zoon. Dat
waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid
hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door
vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij
zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.
Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen,
zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij
was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend,
dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval
gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die
had hem de noodige voorlichting verstrekt. Nu keerde hij terug naar
zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem
mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag
maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis
van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem:
"Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?"
"O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij
ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende
verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen
bestaan."
"Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan
mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben
daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend
dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds
daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone
daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang
van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter
ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als
bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons
blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die
het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen,
naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee,
die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien."
Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.
"Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?" vroeg Butler.
"O ja," knikte Old Firehand. "Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de
meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten
spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de
hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in
de Tonkawa-taal geschreven, en luidt aldus: Sjakhe-i-kauvan-eelatan,
hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el,
ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en
zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden
'oudere broeder' zijn nog vereerender dan 'broeder'. Het totem
bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie
den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te
verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun
vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur
der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u
bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is
door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan
het leven van verscheidene menschen afhangen."
De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren
voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den
Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat
men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar
hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen
in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst
aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich
weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te
Fort Gibson tot aan den morgenstond wel wakker zou blijven. Van het
dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er
slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het
een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon
zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die
daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat
zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met
een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet
belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll
nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag,
hoe Droll aan den zonderlingen naam "Tante" gekomen was. De gevraagde
antwoordde: "Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om
aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere
bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik
zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij
komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar
ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor
heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte
heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken
met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid,
hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll."
"Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?"
"O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu
en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs,
en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit 'drool'), zooals
ge weet. Vandaar die naam."
"En uw ware naam--is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom
heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers
zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister
gehuld te willen houden?"
"Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik
mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen,
die meer..... hoogere belangen raken."
"Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?"
"Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen
weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op
dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een
tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat,
een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch."
"Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo
heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag."
Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in
de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden:
"Ik heet.... Pampel."
"Wat, Pampel?" lachte Old Firehand. "Poëtisch klinkt het woord
natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel
om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine
noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die
naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend,
die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch;
zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?"
"Ja."
"En in de Vereenigde Staten geboren?"
Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde:
"Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch
echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!"
"Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?" riep Old Firehand. "Wie
zou dàt gedacht hebben!"
"Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen
dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van
de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn
eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?"
"Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij."
"Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want
juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen
later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus,
zeg mij dan eens waar ik geboren ben?"
"In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas
(=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt."
"Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat
gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers
genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij,
ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd,
dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in
ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen
kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken,
dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds
zoo lang hier in het land ben."
Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek
zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want
eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe
geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen
aan een fermen _smoke_(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen
in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons
drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het
eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old
Firehand met de woorden: "Het speet mij geweldig, dat wij niet verder
konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij
ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te
rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort
na middernacht moeten wij weer op!"
Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten
uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven
lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere
achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo
ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier
en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er
voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer
wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te
zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk
niet meegerekend).
Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand
van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks
boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom
het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand
daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep
spreekt vanzelf.
"Een verduivelde geschiedenis!" fluisterde hij tegen dengene, die
naast hem lag. "Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een
man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat
ons in den weg."
"Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot
aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den
hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien,
zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?".
"Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort
Gibson komen moeten we klaar zijn."
"Eerst haalt gij het geld natuurlijk."
"Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en
ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles
mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb,
is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan
den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede
verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht
gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik
wel hooren."
Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en
zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De
tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte
hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog
verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af,
die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen,
stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk
te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers
verbranden.
De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot
bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden,
was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene
zijde naar de andere. Eenige kleine colli's vrachtgoed lagen ordeloos
hier en daar.
Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk
onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van
zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper
in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand--het blik,
waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed
was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water
sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te
worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het
eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam
hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg
daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het
blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand
nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok,
ontving hij een fermen waterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde
moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen
onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik
door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich
toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die
pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die
eerst nog medenemen naar boven!
Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend
of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat
hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.
Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan
weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend
eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande,
waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu
slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde
en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang,
ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.
Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de
kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die
lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts
vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier
niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel
van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw
lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler
nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?
Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten
licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd
juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt,
terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij
trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder
het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit
te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over
hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.
Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van
onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder
lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand
gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand
stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs
en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen,
als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er
naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het
mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet
zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.
"Verduiveld!" dacht de dief: "dat is veel gemakkelijker gegaan,
dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar
binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen."
Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij,
uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord,
stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om
naar de zijnen terug te kruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden
luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan;
daar verbeeldde hij zich twee flauw phosphoresceerende stippen te zien,
die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met
inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken,
schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om
uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En
ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een
plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet
om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende
officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.
"Wie is daar?" riep hij.
"Ik, Nientropan-hawi!" luidde het antwoord.
"O, de Indiaan! Ga toch slapen!"
"Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij
te gauw weg!"
"Waarheen?"
"Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest."
"_Pshaw!_ Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen
hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!"
"Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is."
De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste
geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over
maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.
Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man,
die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.
"Sir!" zeide deze, "ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water
komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt."
"Onzin!" lachte de officier.
"Kom dan even hier, en overtuig u."
De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond
naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij
met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken
bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De
luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar
beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer
rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging
met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.
"Hij wil geen alarm slaan," fluisterde de kornel tegen de zijnen. "Maar
kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden
om aan te leggen."
Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in
alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en
ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige
beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van,
en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar
boven, om te zien wat er gaande was.
"Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!" riep de kapitein
hun toe. "Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat
er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan
wal gaan."
Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een
tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om
redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles
draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn
op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever
parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen
bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en
de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan
bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis
van den nacht verdwenen.
Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old
Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden
in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter-
en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den
kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog
hield: "Waar is de plaats van deze boor, sir?"
"Daar in de gereedschapskist," antwoordde een matroos. "En van middag
lag die er nog in."
"Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk
op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is."
Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden
teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl
vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan
boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit
zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: "Ik ben
bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door
midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!"
En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: "Ik weten, kornel heeft
gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet
gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan
in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer
drinken; en alles vertellen moeten."
Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en
de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles
nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een
eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.
"Dat zijn Jonge Beer," riep de Indiaan. "Ik hem achterna gestuurd
kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn."
En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over,
en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord
ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: "Daar wegroeien
zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot,
die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien
naar overzijde."
Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk
genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps
jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning
en een groot deel der passagiers antwoordden hen woedend. In de
algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen
waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen,
eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens
een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk:
"De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te
wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot
vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote
Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!"--Beiden hadden
de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De
kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.
Terwijl nu de _deckhands_ (= de manschap op het dek) een begin
maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker
in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo
in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er
gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief,
en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd,
met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn
verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden,
opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal
slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke
vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.
Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig
werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een
kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers
kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten
het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men
zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens
iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de
lange reis was onderbroken.
Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had
hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest
vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: "Er bestaat nog
hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in 's hemelsnaam met vrouw
en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien."
"Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?"
"Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen."
"Maar dat is immers gevaarlijk!"
"_Pshaw!_ Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor
die tramps--want dat zijn ze stellig."
"En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever
die som voorgoed kwijt zijn."
"Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars,
maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook
Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier
wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij
daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij
het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa
vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden, en zoodra de dag aan
den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en
zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?"
"Ja," antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.
"O ja," gaf ook Droll ten bescheid. "De kornel moet in onze handen
vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken,
dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!"
DERDE HOOFDSTUK.
NACHTELIJKE GEVECHTEN.
Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel
stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat,
om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen,
waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou
hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis,
dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar
op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een
regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd,
en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit
laatste bestond uit zoogenaamde _clapboards_, planken die men ruw
uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het
voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter
weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde
het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig
woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen
tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren
geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten
door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk
gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich;
misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.
Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel,
waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee
uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of
mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker
vol vleeschnat uit den kokenden ketel.
Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen
zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de
moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een
vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche
wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die
op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van
het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en
velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een
gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.
Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der
achterbosschen.
Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen de _farmers_ (= landbouwers)
en de _trappers_ (= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst
nabij de beschaving staat en tot de lieden behoort, die een vaste
woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde,
volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje
gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij
trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eene _county_
(= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen,
zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent,
eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout
velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op,
er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden
boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid,
dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de
plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan
een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en
bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit,
maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het
buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.
De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist
vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij
vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het
bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij
kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en
kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen
die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken
en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen
geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.
En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want
hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis,
ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te
lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er
verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam
zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter
aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want
met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun
leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar
een twist aanvangen.
Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en
ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim
betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij
goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er
twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met
de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den
ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om
"vleesch te maken". In streken waar overvloed van wild is, valt hun
dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een
moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere
versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch
eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden
optrekken--zelfs ingewand.
Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was,
scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij
waren dan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte
zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde
elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men
indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die
men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden,
geschikt om den lachlust gaande te maken.
"Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara,"
zei een oude grijsaard, "dien hadt ge moeten zien! Het was een man,
natuurlijk, en toch werd hij door iedereen _tante_ genoemd."
"Was dat misschien Tante Droll?" vroeg er een.
"Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens
ontmoet?"
"Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn
verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over
hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet,
totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam
uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen."
"Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft
er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere
perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder,
die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken,
de hersens inslaan."
"He, Blenter! gij? Waarom dat?"
"Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen
geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig
en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben
er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te
kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra
het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was
er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die
Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft
de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden
zien. Wij zijn den dans ontsprongen?"
"Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens."
"Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover
houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen,
waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door
de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit
zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed
kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll."
"Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg
geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als
een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de
klem te komen."
"Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond
reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden."
"Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet
veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die
martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel."
"Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat,
die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de
Roodhuiden al hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand
kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?"
"Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn
leven kosten."
"En is deze plaats dan uw eigendom?"
"Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste
niets voor betaald."
"Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij
hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen
verzetten, veroordeelt gij hen."
"Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten
uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders."
"Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat
zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten
verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel
uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand
genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden
eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij een _boy_
(= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag
als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met
de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te
maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als
onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om
maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij
en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna
afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven--aan
de Roodhuiden of aan de Blanken?"
"Dat kan _ik_ toch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken."
"Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste
begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar
één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige
van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!"
De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk
leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij
kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets
te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop
met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als
iemand, die bij zich zelf spreekt: "Doodgeschoten of doodgestoken heb
ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend
moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als
zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er
waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een
korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen
gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt
is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen
vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger,
en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven
te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen."
Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets
zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner
de vraag:
"Zeg Blenter, wie was die kerel?"
De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: "Wie hij was? Het
was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder
de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen--ik
wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig
zelf ben: een rafter!"
"Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?"
"Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch
te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden
zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven
en spitsboeven."
Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar
zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: "Deze rivier,
waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen
om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons
wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren
toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar,
overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen
diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?"
Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet
dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: "En met zulke roovers kreeg
ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten
met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren
bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een
grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen,
moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij
hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig
genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een
korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland
af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste
ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde
ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die
bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden
zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens,
messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart
geweest?"
"Ik had de kerels overhoop geschoten," antwoordde er een. "En daartoe
zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het
Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund
de doodstraf."
"Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel
vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond
te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel
van hen gevergd, geloof ik?"
"Neen, allesbehalve?" riepen verscheiden stem men. "En deden zij
dat niet?"
"O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter
niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier
of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik
vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden
die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen,
dat zij mij uitlachten. Toen ik hen den volgenden morgen opzocht,
hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen
om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu
natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord
met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en
anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn
geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder
scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem
dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn
vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen,
ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis,
om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang
voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu
was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie
dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons
blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en
ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij
waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een
spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken
onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen
van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter
een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk
zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten,
zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig
niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn
zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong
dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en
het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die
zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor
zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog
vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette
het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen."
"Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten,"
riep er een. "Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later
gewroken heeft."
"Ja, hij heeft hem gewroken," knikte de oude, meteen opstaande
om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn
gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: "Wij waren gelukkig
op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging
ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het
was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde,
doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons
woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op
den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook
op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van
mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw
en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen
mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op
hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil,
dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet
beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en
schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveld was, eer ik aan
tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik
weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten."
"Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger
geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner
een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel
op zijn hoede wezen."
"Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later
heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot
ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar
luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met
geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat
ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik
den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester
gemaakt van mijn _brandy_ (= brandewijn); ze dronken zich zóó zat,
dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar
letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten
sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van
mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden,
hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe,
de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning
kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn
vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden
haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen
meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een
soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel
door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee
zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik
lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste
zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid
is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn
gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en
razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een
woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet
bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik
werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving,
heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand,
waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet
ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk,
en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een
schot viel. Ik was bewusteloos geworden."
"O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!"
"Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de
omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd,
die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt
had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien,
dat mijn leven geen _penny_(= stuiver) meer waard was. Daarom had
hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een
schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten,
niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens
ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die
verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zij
kunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen,
daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een
loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te
ontkomen naar het bosch."
"Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn."
"Westman? _Pshaw!_ Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is
de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!"
"Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op
den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!"
"Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij
een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten
om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou."
"Winnetou, de Apache? _Good lack!_ Ja, dàn willen wij het wel
gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?"
"Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene
rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem
stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen
trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien,
ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk
zijn verschijning alleen reeds maakt."
"Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?"
"Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit
hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun
geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij
natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken
op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit
begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar
hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te
verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou
weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat
hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit
de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden
was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter
geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn,
en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet
toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de
rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk
verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman,
om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen,
dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van
mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest
was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar
aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij
mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest
hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand,
daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien
eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven,
en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn
gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik
al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij
was de rafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord,
dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan
hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen
hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het
overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden."
"Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden
ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is
Winnetou niet met u meegegaan?"
"Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had
hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik
niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de
zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den
ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij
was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom
ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best
in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En
nu...._behold_ (= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?"
Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist
waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis
van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren
Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend
zijn hand omhoog, en zei: "Niet vrees hebben, want wij niet vijanden
zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?"
"Ja, dien kennen wij," antwoordde de oude Blenter.
"Hij voor u weg, om te halen geld?"
"Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder
bij ons zijn."
"Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die
wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten,
anders wijd gehoord worden."
Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende
hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken
brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan
was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei:
"Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen
honger hebben."
Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der
rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te
zeggen: "Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken,
zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet
precies alsof deze plaats aan u toebehoort."
"Wij niets wagen," luidde het antwoord. "Roode man moet niet
zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat
ondervinden."
"Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot
een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen,
vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een
Pueblo zijt."
"Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn
Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon."
"Wat, de Groote Beer," riepen verscheiden rafters verwonderd, en de
Missouriër voegde er bij: "Is die jongen dan de Jonge Beer?"
"Juist geraden!" zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.
"Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal
welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons
zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?"
"Wij komen, om rafters waarschuwen."
"Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?"
"Groot gevaar."
"Welk gevaar dan? Spreek!"
"Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken."
Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen
een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen
zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen
wigwam.
"Hebt gij paarden bij u?" vroeg de oude Blenter. "En dat in den
nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden
ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!'
"Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan
het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden,
dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig,
want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden."
"Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze
streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden
te verweren.'
"Missouri-Blenter zich vergissen."
"He, weet gij mijn naam?"
"Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht
praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch
komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs
door weinig vijanden."
Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee
paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel,
en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn
portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: "Nu Tonkawa
spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom
hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld."
"Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis
hebben."
"Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen."
Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de
stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed
een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste
aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd
was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever
van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den
dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet
volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest
en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en
den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer
noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de
tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden
te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee
Tonkawa rondzwervende Choktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee
paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke
formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de
tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij
den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de
Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht
op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open
plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk
geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en
ander mededeeling te doen.
"Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?" vroeg de oude
Missouriër.
"Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen."
"Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch
den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig
gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?"
"Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is."
"Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht."
"Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk
doorrijden om rafters waarschuwen, want..."
Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel
zachter fluisterend: "Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van
huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken."
Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop
hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel
tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil,
dien iedere Westman kent--den doodsgil van een mensch. Kort daarop
kwam de Tonkawa-hoofdman terug.
"Een spion van de tramps," zei hij. "Tonkawa hem gegeven het mes,
van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen
wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal
terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen
misschien beluisteren tramps."
"Dat is waar," fluisterde de Missouriër. "Ik zal meegaan en gij zult
mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben
nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen
zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in
hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht
te weten wat zij van plan zijn te doen."
"Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier
dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen,
maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn."
"En wat doen onderwijl de anderen hier?"
"In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen."
Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het
blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop
met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort;
toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te
gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.
De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat
eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven van
_Rolling-Prairie_ (= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan
berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen
gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien,
die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche
oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan
boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op
elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende
golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit
men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras-
of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de
wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat
haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal
steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid
is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland,
want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze
dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.
Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de
hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer,
hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde
sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de
rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning
naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van
kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker
te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van
veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den
Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel
en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo
behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men
het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid,
want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk
veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.
Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als
rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer
nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de
behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich
voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert
de duisternis van den nacht reeds begonnen was.
Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in
een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht
begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende
beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier
ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen
met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen
en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders
reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van
het bosch bevonden.
"Tramps even onvoorzichtig als rafters," fluisterde de Tonkawa-hoofdman
tegen zijn tochtgenoot. "Branden groot vuur, alsof zij braden wilden
geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken
dan klein vuur. Vlam niet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk
daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien."
"Ja, er komen kunnen wij," zei Blenter. "Maar of wij zoo dicht bij
hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog
de vraag."
"Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij
staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk
bosch in."
Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en
de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen,
de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger
op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden,
dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden
de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo
schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af
te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het
stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen
en weer slaan van hun staarten onderscheiden.
Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader
en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij
van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De
tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht
opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de
tramps zaten.
De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas,
dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij
ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en
dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat
men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het
biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook
mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor
zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude
Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen
met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen
doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich
plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor
den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te
maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in
zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.
Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen
zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan
konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet
gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag
naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte
gaan, en vroeg toen zacht: "Wie is nu die kornel, van wien gij ons
verteld hebt?"
"Kornel niet daar; hij weg!" fluisterde de Indiaan terug.
"Misschien óók wel om naar ons te zoeken."
"Ja; bijna niet anders kunnen zijn."
"Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?"
"Neen, hij dat niet zijn."
"Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?"
"Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met
handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel."
"Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad;
en dien andere zult gij doodgestoken hebben."
"Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen."
De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over
allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars
het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei:
"Ik ben benieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het
zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren."
"Ze zijn er nog, en dichtbij ook," antwoordde een ander. "De
houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch
waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren."
"Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te
dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En
zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken;
wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen."
"En dat zullen wij niet krijgen," merkte een ander op.
"Waarom niet?"
"Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken
kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan
wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij
laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is
onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan."
"Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!"
"Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten
schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft
er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden,
gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien,
om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn
eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans
een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die
ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van
de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand,
Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen
hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld
kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren
rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten
of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den
nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al
even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en...."
Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit
oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur
aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam
den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: "Ik breng
geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad."
"Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?" kwamen de vragen uit aller
mond. "Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?"
"Bruns?" antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. "Die komt in
het geheel niet weerom; die is dood!"
"Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood
kan geen mensch hem gemaakt hebben."
"Wat zijt gij een snuggere piet!" hernam de kornel, zich tot den
laatsten spreker wendende. "Verongelukt is de arme drommel--dat hebt
gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat
een ander hem in zijn hart heeft gestoken."
Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar
het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij
niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte;
en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling:
"Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de
knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij
deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn
neus bracht ons bij de rafters."
"Zijn neus?" vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor
al de anderen.
"Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te
vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer
voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om
die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd
donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij
hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking
maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij
vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen
reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.
"Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk
naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht
als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en
geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur
vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten
de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen
beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en
Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad,
om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen,
geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen,
dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote
en de Jonge Beer van den Dogfish."
De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het
niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid
aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: "Ik zag dat
de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo
zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne
weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik
een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg
en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter
Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerust over hem te maken,
en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast
voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk
lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat
het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug,
die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat
kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn
revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde
ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu
maakte ik mij ijlings uit de voeten."
De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het
lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door
te zeggen: "Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer
daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!'
"Waarom dat?" werd er gevraagd.
"Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak
kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk
morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den
doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best
mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen,
zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder."
"Maar waarnaar toe?"
"Naar Eagle-tail."
"O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij
dus in den steek moeten laten."
"Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen,
en...."
Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van
verwondering, die de anderen niet begrepen.
"Wat is het? Wat scheelt u?" vroeg er een. "Spreek verder!"
De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek
gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet
meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër
de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een
geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender
werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef
niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door
het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun
kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige
voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd
uit de biezen omhoogstak.
"Niet zien laten!" fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen
achteruit.
Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom
had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan,
om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met
groote sluwheid, want hij zei: "Ik herinner mij daar, dat ik bij de
paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!"
Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en
linkerzijde gezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde
hij hun toe: "Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt
een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb,
dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook
gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed
vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus
vooruit maar!"
Bij deze woorden "vooruit maar!", die hij zoo luid mogelijk uitsprak,
draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar
de plek, waar hij het hoofd gezien had.
De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en
scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen
fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging
achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook
was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij
stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe:
"Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!"
Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop
schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat
alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij
achter zich reeds het "vooruit maar!" van den kornel, en omkijkende
zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee
andere tramps dadelijk volgden.
De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid
van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn
lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps
sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn
mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond,
dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij
kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren
zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook
zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening
weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.
Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de
kornel legde hun het zwijgen op. "Stil!" gebood hij; "wij weten niet of
er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken."
Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn
geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te
brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te
worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou
moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden,
daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde
ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig
gauw weggegaan, om hulp te halen.
Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel
over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen,
scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij:
"Kerel! ik ken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je
vroeger al eens gezien hebben?"
De oude
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/21875