Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren

by Alfred Edmund Brehm · Dutch · Gutenberg #20530 · 516,474 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren

Author: Alfred Edmund Brehm


        
Release date: February 6, 2007 [eBook #20530]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/20530

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 1, HOOFDSTUK 07: DE KNAAGDIEREN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/










Zevende Orde.

De Knaagdieren (Rodentia).


De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij
dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren den
hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden
uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor tusschen
snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken,
die aan alle eigen zijn.

Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in 't algemeen
gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen omvat en
daarom zeer rijk is aan familiën en soorten. De voor alle geldige
kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende neer: de romp is in de
meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel
ongelijke lengte hebben, daar de achterpooten gewoonlijk een weinig,
en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door
een korten, dikken hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot
en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen
bezet, zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in
den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer of minder
sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij
sommige door zwemvliezen met elkander verbonden. Het haarkleed is bijna
altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes
of aan den (in dit geval meestal ruigen) staart tot een pluim verlengd.

De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige
bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd korter, maar
breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd
(de bovenste het sterkst), aan de sneede breed of puntbeitelvormig,
aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde,
nu eens gladde, dan weer gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig
of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard
email bedekt; de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde
van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd
materiaal samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit
een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik,
dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten
tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot voorrecht
hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd
door. De tandwortel ligt in een tandholte, die zich tot diep in de
kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig
verwijd), achterste uiteinde, een blijvende kiem, die den tand van
achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren
afslijt. De snede van den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat
de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat
de eene langs den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke
wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl
van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand
in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting geslepen
worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar
werking de onderkaak zoowel opheffen als naar voren schuiven. In
verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in
overlangsche richting, van voren naar achteren ontwikkeld. De tanden
zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot
afknabbelen geschikt. Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die
hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren
van den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen,
door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden,
b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde
bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is aan afslijting,
schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn,
en verkrijgt, steeds groeiend en niet slijtend, een spiraalvormige
gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de
voeding zeer bemoeilijkt. Na het afbreken van een bovensnijtand zal
de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal
verlengen en hier, door het gehemelte in zijn opwaartschen groei
gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak
doordringen. Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen
rand aan den top van de kroon.--De maaltanden hebben platte kronen,
met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij
enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche
beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk
in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden, het vermalen
van harde stoffen in hooge mate bevordert.

Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan
de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap staan, en
zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen
van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen; een hiervoor bestemde
spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden.

De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover
de plantengroei zich uitstrekt, in alle klimaten, op alle breedten en
op alle hoogten voor. "Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs." zegt
Blasius, "daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen
en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig en
armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte
hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame vlakten van het
noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een
schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger de plantenwereld is, des
te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde,
die bijna geen plekje van de aarde onbewoond laat." De levenswijze
van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend.

Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den
grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen zijn dikwijls
onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te
midden van het struikgewas, nog andere in het open veld. Alle zijn in
meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met
de plaats waar zij zich ophouden, voortreffelijk loopen, òf klimmen,
òf graven, òf zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn
zij evenwel, naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone
geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede
van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig
zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit door in
't oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn
tot familiën en niet weinige tot groote troepen vereenigd; zij
zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet
met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid en onbeschaamdheid,
willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als
hun een gevaar dreigt, keeren zij zoo schielijk mogelijk naar hunne
schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander
genoeg, om op listige wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren
voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels,
schors, bladen, bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden,
gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten;
de meeste maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn
echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn,
om groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan
de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche
bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een
eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen zeer
kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering
van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen den winter
door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand
van verstijving, en teren op het vet, dat zij gedurende den zomer in
hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer
sterk verminderde levenswerkzaamheid tot aan het volgende voorjaar
in hunne behoeften kan voorzien.

In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de
Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn onze
schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger
van vijanden tegenover zich hadden, en niet in hooge mate onderhevig
waren aan ziekten en epidemiën van velerlei aard, zouden zij de aarde
overheerschen en verwoesten. De onophoudelijke verdelgingsoorlog,
die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende
vruchtbaarheid en vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls
hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is
toch waar, dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van
één jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individuën
bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige
leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige zijn
slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de
eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken, zijn de
Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch.



In de eerste familie plaatsen wij de _Eekhoornachtigen_ (_Sciuridae_),
verdeeld over twee onderfamiliën: de _Eekhoorntjes_ en de _Marmotten_.

De romp van de _Eekhoorntjes_ (_Sciurinae_) is lang en eindigt in
een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De
oogen zijn groot en uitpuilend, de ooren bij sommige klein, bij andere
groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De
voorpooten zijn aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4
teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten
hebben vijf teenen.

Met uitzondering van Australië bewonen de Eekhoorntjes de geheele
aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten, als in
de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij
leven op verschillende hoogten, sommige soorten treft men zoowel in
het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar
boomen groeien, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen; verreweg
de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in
onderaardsche, door henzelf gegraven holen.

Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op
de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes gevoelen
zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote
sprongen te doen, hoewel altijd slechts van boven naar beneden. De
meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de
geheele zool aan. Bijna alle klimmen uitmuntend en springen over
groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen
ineengerold en doen dit bij voorkeur op een gemakkelijke ligplaats,
die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche
woning, dan weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en
ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of
door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen,
trekken zuidwaarts bij 't naderen van den winter, of vervallen in
een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of
minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan zij in geval van
nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit
een eigenaardig, niet nader te omschrijven gebrom, geknor en gesis.

De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan
éénmaal jongen. Vóór en na den paartijd houdt het mannetje zich
dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij
het bouwen van de meer of minder kunstige woning, waarin zij later
haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt
af van twee tot zeven. De kleintjes komen nagenoeg kaal en blind ter
wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige
verpleging. Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder
bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden
leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren
eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig en toonen
lust tot bijten.

Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden
uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij echter,
evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet;
zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht op Vogels,
welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel
van verscheidene soorten van Eekhoorntjes als pelswerk dienst doet
en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch
dit geringe nut niet opwegen tegen de schade, die zij toebrengen aan
de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels.



Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot
het slechts in Australië ontbrekende geslacht der _Dag-eekhoorntjes_
(_Sciurus_). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander
overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft,
dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te
beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het leven van al
zijne verwanten.



De _Eekhoorn_ of _Eeker_ (_Sciurus vulgaris_) is een van de weinige
Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die
hij, in weerwil van sommige onaangename eigenschappen, gaarne als
huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een
bevallige gestalte. Dit werd reeds gevoeld door de Grieken, aan
wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend
hebben. Deze naam beteekent: "die zich met den staart overschaduwt",
en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord _Sciurus_
kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de
hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. Rückert heeft het wakkere
schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het
hem niet verbeteren kan.

De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20
cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht van
het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote
verscheidenheid aan, al naar men het dier 's zomers of 's winters,
in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur
van de bovendeelen bruinachtig rood, aan de zijden van den kop met
grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den
winter is het haarkleed aan de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit
gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberië en Noord-Europa echter is
het winterkleed van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl
het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls
ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze
behooren echter niet tot een bijzondere soort, want bij de jongen van
een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of
gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam, zoo ook die met witten of
halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het
oor is versierd met een pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt.

Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend
als aan de Siberiërs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied strekt
zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den
Oeral, door het geheele zuiden van Siberië tot aan den Altaï en tot
in Achter-Azië. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle
jaren even menigvuldig. Hoogstammige, droge en schaduwrijke wouden
vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem
even onaangenaam als zonneschijn. Wanneer het ooft en de noten rijp
zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij
met het woud verbonden zijn door kreupelboschjes, of althans door
struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden,
vestigt hij zich voor goed; hier heeft hij één of meer woningen,
gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij
naar zijne behoeften op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een
kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters,
Kraaien en Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als
nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer
voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd,
hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen,
die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt
te hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met
zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen, het
liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in
sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot liggende
nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam
van den boom; hun vloer is gebouwd als die van een groot vogelnest,
van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op
dat van een eksternest gelijkend en dicht genoeg om het binnendringen
van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht,
gewoonlijk naar het oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich
dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm
kussen van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke
twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den stevigen,
met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt
het Eekhoorntje gaarne als grondslag van zijn woning.

Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste
aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder
beweegt het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk
in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden;
somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt
naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de Eekhoorn
dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet
wenscht, in 't geheel niet op den grond te komen. Hij is de Aap van
onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die
van den genoemden, nukkigen tropenbewoner. Er zijn waarschijnlijk
maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en
zoo kort op dezelfde plaats blijven als de Eekhoorn bij tamelijk
goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen,
van kroon tot kroon, van tak tot tak; zelfs op den grond is hij
alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij;
altijd beweegt hij zich huppelend met groote of kleine sprongen;
hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen,
en een mensch reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De
sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het
klimmen. Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de
boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen
aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke
diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit met alle
vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en
schiet verder naar boven; de eene sprong volgt echter zoo schielijk op
den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft;
men zou kunnen meenen, dat het dier bij den stam omhoogglijdt. De
klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin
men de verschillende oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende
sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder
rust te nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den
top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende
tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk
in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten van
4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van
den tweerijig behaarden staart voor 't springen heeft men zich door
een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes
den staart afgehouwen en opgemerkt, dat het verminkte dier niet half
zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de
Eekhoorn uitmuntend, ofschoon hij niet gaarne te water gaat.

Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende
zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het jaargetijde eet
hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van
dennen, sparren en zilversparren, knoppen en jonge uitspruitsels zullen
wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels
van onze naaldboomen bij den steel af, gaat op zijne achterpooten
zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem
onophoudelijk rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene
schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan
met de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te
zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed kan
krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig:
twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden.

Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het
opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels en zaden van
naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door
hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben van te verslinden;
verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen,
die voor het aanleggen van bosschen noodig zijn, door het afknagen
van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig
afschellen van de schors van berkenstammen, en ook door andere
naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen;
voorts geeft hij aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels,
die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur
nuttig zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen,
dat hij in 't voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met de
zoo schadelijke Meikevers voedt.

Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het
voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten en gaten
van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen,
onder struiken en steenen, in een van zijne nesten en op andere
dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls
sleept het de voor proviand bestemde noten, graankorrels en zaden over
groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van
het zuid-oosten van Siberië bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen;
hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. "Zij zijn," merkt
Radde op, "zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen
niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan de
kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van
hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst te zijn."

Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe
buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed van het weder
zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij
hun middagslaapje in hun nest en zwerven dan alleen des morgens en des
avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien,
hevige onweders, stormen en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben
zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven
dag vóórdat de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen
van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en door een
zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen
hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra de eerste voorboden van
het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten
(dikwijls verscheidene in één nest) en laten, nadat zij de opening aan
de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold,
de bui uitrazen. Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat
zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad
opgebruiken. Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng
is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van.

Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende
bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt hier, zoolang
het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den
weg vinden. Lenz liet eens door twee daglooners een lange ladder in het
bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met jonge
Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn
bleef beneden bij de dragers en Lenz klom naar boven. Zoodra hij het
nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de
wind naar buiten; voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op
in den boom, één bij den stam langs naar beneden en één door de lucht
naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil.

Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: "Doek, doek". Als
hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe mate ontevreden
is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed
door klankteekens kan worden weergegeven. Buitengewone vreugde of
opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het
gezicht, het gehoor en de reuk, zijn scherp: bovendien moet ook het
gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van
weersveranderingen voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak
moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft,
van eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit,
blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid, waarmede
het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich
naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid bevindt, loopt bijna
altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam
omhoog tot aan de eerste gaffelvormige verdeeling, komt dan hoogstens
met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo
goed, als de omstandigheden dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk
onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt.

Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst
gelegen nest 3 à 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang blind blijven en
door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend
zijn, brengt de moeder, en misschien ook de vader, hun eenige dagen
achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot
over. De jongen blijven nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met
elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen
aan. In Juni heeft de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook
deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de
jongen van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms
uit 12 à 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en 't zelfde
deel van 't woud ziet arbeiden.

Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst
zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt om in de
kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest
genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men voedert ze met melk en
wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven.

In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen
onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit en
liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen
zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept. Ongelukkig worden
bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd,
wanneer zij ouder worden.

De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt
het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken en groote
Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan,
schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam heen naar boven
te klimmen. Daar de Vogels bij 't vliegen natuurlijk veel grootere
kringen moeten beschrijven, bereikt de vervolgde eindelijk een holte,
een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij
te overwinnen, wanneer hij voor den Edelmarter vluchten moet. Deze
moordzuchtige roover is in 't klimmen even goed ervaren als zijn
slachtoffer; hij volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel
als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een
schuilplaats zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder
angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter; de
behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als 't ware
in 't maken van prachtige sprongen. De eenige kans op redding, die
er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder
bezwaar uit den top van den hoogsten boom op den grond te springen,
schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken,
waar hij, zoo noodig het oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve,
als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren,
en intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn
volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn. Steeds
klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk
snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds schijnt de Edelmarter
het ingehaald te hebben,--op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten
top een geweldigen, boogvormigen sprong in de lucht, strekt, alle
ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar
beneden, komt behouden op den bodem aan en ijlt nu angstig voort,
zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te
zoeken. Zoo'n sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij
in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft,
maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet
overgeven.--Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren blootgesteld
dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs
door een behendig klimmend mensch achterhaald worden. Als jongens
zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer
dan eens werd de onverschilligheid, waarmede zij ons lieten naderen,
hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken,
waren zij verloren. Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het
verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om
zich stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al
verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend den tak
schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken.

De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van
Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst van
Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De
Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel niet te bederven,
of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een
erwt, en dooden het dier door het in den kop te treffen. Volgens
mondelinge mededeelingen van Radde is de Eekhoornjacht in het
zuidoosten van Siberië even onderhoudend als opwindend. Het gevangen
wild beloont den jager voor zijn moeite, want het vel, dat onder den
naam _petit gris_ (_grauwerk_, _feh_) bekend is, wordt als pelswerk
zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen
bezig. De mooiste vellen komen uit Siberië; zij zijn des te donkerder
en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten
afkomstig zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van
kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden
afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberië leveren jaarlijks 6 à
7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts 2 à 3
millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in
't land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien worden de staarten
afzonderlijk verwerkt tot "boa's"; van de staartharen maakt men goede
schilderspenseelen. Het witte, malsche, smakelijke vleesch wordt door
deskundigen overal gaarne gegeten.



Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indië worden vervroolijkt door de
tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer fraai gekleurd
zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan
de Apen de aandacht van den onderzoeker. Bovendien laten sommige zich
zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid
is allerlei eigenaardigheden van deze dieren op te merken, die in
't geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen
toestand in de wildernis leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch
Eekhoorntje werd een tijdlang door Pechuel-Loesche aan de Loango-kust
verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: "Een allerliefst
Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd met twee dubbele, zwarte
en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De
inboorlingen noemden het _Mkaka_. Blijkbaar was het geheel volwassen,
toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de
holle hand bergen kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat
het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en
zacht geroep van 'tik, tak,' dat telkens met een opwaartsche beweging
van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige spelen;
des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen
veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos het, wanneer het
nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit,
poetste en kamde zich, en volgde intusschen al mijne bewegingen met
zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd
op mijn hand over, en wanneer ik deze terugtrok, nam het zijn vorige
plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later
mijn schouder, kroop intusschen ook in het geopende hemd, in een van
mijne zakken, zoodat ik bij 't opstaan altijd vooraf nagaan moest,
of ik het kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap
viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats had
ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige
hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig deze ruimte te vullen,
met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die
het uit de kamer van mijn buurman wegnam, en naar boven vervoerde,
door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot
omhoog te klauteren.

"Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit
tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken, die het tot
stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van
het zachte nest, of het begon al reeds de met moeite bijeengebrachte
bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk
hoekje op mijn boekenplank; nadat deze eenigen tijd als slaapplaats had
gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast
mijn schrijfstoel aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende
geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou
zijn gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen
wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen, aan
een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij
in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht tot woning voor
mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en
vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn rustelooze lieveling, evenals
de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen
te verzamelen: percussions, patroonhulzen, bontgekleurde scherven
en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen
tijd miste, kwamen uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed
het niet veel kwaad."



De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den
Oost-Indischen archipel voor. De _Reuzen-eekhoorn_ (_Sciurus maximus_)
heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke
lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch _Dwerg-eekhoorn_
(_Sciurus exilis_) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang
is. Van alle zoö-geographische rijken is trouwens het Oostersche
gebied het rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 à
120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (_Sciurus_) komen in
dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen Wallace van deze dieren zegt,
naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit
Seboentang bij Palembang, die voor de begraafplaats van den stamvader
der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: "Op een plaats,
die ongeveer drie palen van de stad verwijderd is [1], rijst de
grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig
wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt door een kolonie van
half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun
eenige broodkruimels, of eene of andere vrucht voorhoudt, komen zij
snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit
zijn vingers weg, en zijn in een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen
hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin
geringd is, spreidt zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit,
en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate
op de wijze van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij,
alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak
rondom zich staren. De wijze waarop de Maleiers zich dikwijls het
vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen
trek in hun karakter, en is tot op zekere hoogte te verklaren uit de
kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust
boven beweging geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen
hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot
kattekwaad, die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden
wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van
een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd
zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op te sluiten, met
allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit
heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes in Engeland op zoodanige
wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het
park van ieder heerenhuis zou kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns
hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning
zouden opleveren."

Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging
van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten. Zoo
wordt van den _Tweekleurigen_ en van den _Zwartgevlekten Eekhoorn_
(_Sciurus bicolor_ en _S. nigro-vittatus_) bericht, dat zij voor de
koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte
van den vruchtwand der koffiebessen verslinden. Een andere Eekhoorn
doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz.



Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende _Vliegende
Eekhoorns_ (_Pteromys_) laten volgen. Zij onderscheiden zich van
de leden van 't vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid,
die hunne ledematen, met uitzondering van de voor- en achtervoeten,
aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in
staat, om met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting
van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid,
die aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden
van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de
buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel
van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan den
handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink
ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk behaard,
bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere
bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe verschillen in de
samenstelling van het gebit.



De _Tagoean_ (_Pteromys petaurista_), het grootste lid van de geheele
familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De
fladderhuid begint aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden
van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog
een klein verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het
achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin
van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid
geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde van den kop,
op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een
mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde heeft de vacht
een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt
af van zwartbruin tot kastanjebruin aan de bovenzijde, de randen zijn
licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige
tint. De staart is zwart.

De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indië en Ceylon, waar
uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk of bij
paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste
boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen, des nachts komt hij te
voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid
en zekerheid van beweging in de boomkronen rond, of maakt zeer groote
sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij
strekt hij zijne ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant
hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt
als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat
om door een plotselinge wending gedurende den sprong de richting van de
beweging te veranderen. Sanderson weerspreekt deze bewering en zegt,
dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat
het den sprong heeft aangevangen; de inboorlingen wachten het aan
het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar
men verhaalt, is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere
bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet
volgen kan.



In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig
behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort de _Gewone
Vliegende Eekhoorn_, de _Ljoetaga_ der Russen (_Pteromys volans_),
die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberië
bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje; zijn
romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De
dichte en voor 't gevoel zijdeachtige vacht is in den zomer aan
de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de "vlieghuid" en de
buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin, de onderdeelen
zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter
van kleur; de bovendeelen en de staart zijn dan zilvergrijs.

Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of
gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met elkander
afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te
zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die over 't geheel
genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur
van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de schors van dennen en
sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde
heeft, wordt het toch door de Chineezen voor dit doel gebruikt. Iederen
winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal
neemt dan ook sterk af; uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig
voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er
echter nog talrijker voor, dan men meent.

Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen,
knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude aanvangt,
vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen
slapen zij; als het weder zachter is, loopen zij iederen dag minstens
een paar uur rond.



Een merkwaardig geslacht is dat van de _Aard-eekhoorns_
(_Tamias_). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het
achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche
levenswijze vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels;
zij stemmen echter meer met gene dan met deze overeen. De dun behaarde
staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort
en niet zeer zacht, op den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche
streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen
Oost-Europa, Siberië en Noord-Amerika.



De _Boeroendoek_ of _Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn_ (_Tamias
striatus_) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze
Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is aan
den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele
lange haren met witte spitsen; over den rug loopen vijf overlangsche,
zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de
middelste is boven de ruggegraat gelegen, de beide volgende strekken
zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt
zich een bleekgele strook. De geheele onderzijde is geelachtig wit.

Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een
groot deel van Noord-Azië en een klein stuk van Oost-Europa. Hij is een
woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen
voor, het veelvuldigst echter daar, waar vele Russische ceders of
arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij
gaarne eet. Onder de wortels van deze boomen graaft hij zijn tamelijk
kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en één, twee
of drie voorraadkamers bestaat, welke ruimten het dier door een lange
gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen,
maar vooral met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen
bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 à 8 KG., welke
proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht.

De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne
gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en
richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne
gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen die van de
Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberiërs trekken ook partij
van het vel van deze dieren, dat naar China wordt gezonden, waar het
gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen.

De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge
bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van hen, die gaarne
dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd
blijven zij vreesachtig en toonen lust tot bijten.



De _Marmotten_ (_Arctomyinae_), die de tweede onderfamilie van
de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in
engeren zin door den loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren
staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat
een tamelijk groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azië
en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige
echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden
zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige gewesten, in
grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten,
die in de gebergten leven, geven echter aan de weiden, die boven de
grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen,
die tusschen deze grens en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur
boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen
en trekken niet van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe,
onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls
uit een verbazend groot aantal individuën bestaan. Sommige hebben
meer dan één woning, en maken van de eene of de andere gebruik, al
naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan
te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar uit in hetzelfde
hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en
vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht bij de eigenlijke Eekhoorns
achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche
spruiten, jonge planten, zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen
en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich
met veel moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven,
eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook zij,
behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken
zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen, of plunderen hunne
nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen;
het door haar veroorzaakte nadeel is echter niet belangrijk. Bij
het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en
brengen het voedsel met de voorpooten naar den mond. Zoodra de
vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en
hare onderaardsche voorraadschuren te vullen met grassen, bladen,
zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in
hare holen en vervallen hier in een diepen, onafgebroken winterslaap.

Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef,
en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene
gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele
soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam, schuw
en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de
veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste vermoeden
van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche
schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat zij gemakkelijk
en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare
verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam; eenige geven zelfs
bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen
van verscheidene kunstjes africhten.

Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts
eens 't jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 à 10 stuks.

Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch
gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den mensch, tot
zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet.



De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de _Ziesels_
(_Spermophilus_). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa,
vermelding de _Gewone Ziesel_ (_Spermophilus citillus_), een aardig
diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang,
zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte omstreeks 9 cM.), maar
met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse,
uit tamelijk stijve haren bestaande vacht, die aan de bovenzijde
geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne
vlekjes, aan de onderzijde roestgeel, aan de kin en het voorste deel
van den hals wit.

De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. Albertus
Magnus heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar
hij thans niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt
zijn woongebied zich in Silezië hoe langer hoe verder naar 't westen
uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren
echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie, en wel in
het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit
verder westwaarts voort. Naar het schijnt, heeft hij van alle verwante
soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men
hem als bewoner van het zuiden en midden van Rusland, van Galicië,
Silezië en Hongarije, Stiermarken, Moravië en Boheme, Karinthië,
Krain. Op de meeste plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij
veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den
landbouw. Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats,
vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus van
akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij
volgens Herklotz, begonnen zich te vestigen in streken, die door
spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven
gemakkelijk maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze
dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen
hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje
dieper. De kamer ligt 1 à 1.5 M. onder de oppervlakte van den bodem,
is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn
en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven leidt altijd slechts
een enkele, nauwe gang, vóór welker opening een kleine hoop aarde
opgeworpen is. Andere ruimten van de onderaardsche woning dienen als
bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht
wordt. Het hol, waarin het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of
Mei, hare 3 à 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld
brengt is, om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen,
altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol.

"Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is," schrijft
Herklotz, "geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon,
zoodat deze hem ten slotte in 't geheel niet meer hinderen. Op een
Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele
in 't puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk doordringend
Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond
werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen, ging ik op de loer liggen,
en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half
uur later kwam de trein aansnorren, de Ziesel schoot in zijn hol,
maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over
zich heen ratelen, kwam toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte
zijne vroegere bezigheden."

Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei
bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen den aanvang
van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de
wijze van den Hamster in de wangzakken naar zijn hol vervoert. Als
de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor
Muizen en voor Vogels die op den grond nestelen; want hij ontrooft
hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels,
als zij niet voorzichtig zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun
de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering
van de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten
vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding op zijn
achterwerk zit.

De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt,
wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon
sterk vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en
Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de Katten,
de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken
ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt den Ziesel met
evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw
en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand van den mensch is
tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn
smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken en vallen, graaft hem
uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten,
enz. Hierdoor wordt aan de sterke vermenigvuldiging van den Ziesel
paal en perk gesteld.

Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het
in zijn hol verborgen dier spoedig aan 't daglicht, of de arglistig
voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning
de vrijheid verliezen. In dit geval gedraagt de Ziesel zich op een
zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit
langzamerhand vriendschap met den hem opgedrongen meester. Toch toont
hij niet zelden de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig
te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene
jaren lang als gevangene in 't leven blijven. Met de Hazelmuis is
hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer houden kan.



De in Noord-Amerika levende _Prairie-hond_ (_Cynomys ludovicianus_)
verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten;
hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch meer op
deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort,
ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard; de wangzakken
zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip
van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40
cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin,
met grijs en een zwartachtige tint gemengd, die van de onderzijde is
vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept.

De naam "Prairiehond," die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is
aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers of pelsjagers,
die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het
blaffend geluid, dat het laat hooren. In zijn uitwendig voorkomen is
niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen,
die men, wegens hun omvang "dorpen" noemt, worden geregeld gevonden
op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort
een prachtig tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van
voedsel gemakkelijk maakt. "Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid
de koloniën van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid," zegt
Balduin Möllhausen, "bemerkt men het best, wanneer men voortdurend,
dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan
twee of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn
gewoonlijk 5 à 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine heuvel, die
zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk
uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand door de bewoners
uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige
woningen hebben één, andere twee ingangen. Een vastgetreden pad
leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het
vermoeden, dat er tusschen deze vlugge diertjes een innige vriendschap
moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner
'steden' schijnen zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een
korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert,
en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel
van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten van Nieuw-Mexico,
waar vele mijlen in 't rond geen druppel water te vinden is, treft
men dicht bevolkte vrijstaten van deze diersoort aan. Daar er in deze
streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om
het grondwater te bereiken, meer dan 30 M. diep moet graven, mag men
wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben,
dan dat hetwelk door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne
grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt
naderen, waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk
in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen
van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en
geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld weder
te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw,
vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de Indianen, opent
hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud
is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar voorteeken van de
spoedige komst van warme dagen.

"Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het
gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door de wachten
opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en
beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop als een Eekhoorntje, de
kleine, geelachtig bruine Marmot; het naar boven gerichte staartje is
voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele
duizenden dieren, vereenigen zich tot een gonzend gedruisch. Als de
toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt
hij de zwaardere stem van de oude en ervaren hoofden; maar op
eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte
verdwenen. Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop
van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend
geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch
waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te bewegen met
geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt,
zal men na verloop van korten tijd de schildwacht weder zijn plaats
op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te
blaffen, maakt hij zijne soortgenooten bekend met het ophouden van het
gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere
gangen aan de oppervlakte, waar weldra de vreedzame werkzaamheden
van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou
men, zonder verveling, dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen
beschouwen; 't is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich
voelt opkomen, de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne
gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te
dringen."

Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene
natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der
Prairie-honden ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren
huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten,
Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te
zien gaan.

"Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is", schrijft
Finsch, "weet, dat deze dieren vreedzaam in een en 't zelfde hol
bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met
voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die
onder den naam van 'de gelukkige familie' bij de vreemdelingen niet
weinig verwondering wekt."

Van de gevangen Prairie-honden bericht Haacke onder meer het volgende:
"Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen
staat zich zoo gemakkelijk tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend
beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat
van de Prairie-honden, welker kunstige woningen en merkwaardige
werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van
den Frankforter dierentuin worden nagegaan. Nauwelijks waren in den
vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat
door eenige nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche
arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in 't park
toegelaten, den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe
holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met
groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem
van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want daardoor
zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken;
steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke nabijheid van
den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven
liggen, met de voorpooten onder den buik van het dier geschoven en
vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt
het dier, dat afwisselend met de voor- en achterpooten arbeidt,
langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het
bouwen van de woning niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den
hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de
uitgangsopening, waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard
wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al
wat te ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de
buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het dier,
omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig
met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom den ingang
op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt,
wordt zij netjes met den neus vastgestampt; om de beste uitkomst te
verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den
wal en van de wanden van den ingang; men ziet op zulke dagen rondom
den ingang overal de indruksels van den neus van het dier.

"Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan
tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het in October koud
werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen
tot hun hol dicht. Voor dit doel werden de wallen gedeeltelijk
afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den
zomer, als de zon na eenige regendagen veel warmte gaf en er voor het
uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het
ontwijken van den waterdamp te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om
het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi
en dergelijke materialen bekleed worden. Bij droog weder werpen
wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en
den bek maken de dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn,
dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen
hiermede in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier;
geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het hol
gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen
zij het weg en vervangen het door nieuw hooi."



Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de _Bobak_ (_Arctomys
bobac_) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte
van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de Marmot der
Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9
cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is vaal roestgeel. De
jongen zijn doffer van kleur dan de ouden.

Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van 't zuiden
van Polen en Galicië over een deel van Centraal-Azië tot aan den Amoer
en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij
bewoont vlakten en steenachtige heuvels; zoowel bosschen als zandige
streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van
zijne diepe woningen niet veroorloven. Adams vond hem in de breedste
dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven
den zeespiegel. Hier houdt hij zich op in vruchtbare vlakten, waar
gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont
maar niet hoog opgroeit, den bodem bedekt. Altijd en overal leeft
hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individuën bestaan,
en geeft hierdoor aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen:
tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azië,
opmerkt, danken hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die
door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun
vleesch voor de menschen en voor vele dieren, die de steppe bewonen,
van groot belang zijn.



Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen
struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar de Geiten en
Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden
midden tusschen de groote gletschers, waar de sneeuw slechts gedurende
hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt
weggevaagd: daar woont een reeds sinds overouden tijd bekend lid
van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft,
overeenstemt met dat van zijne vroeger beschrevene verwanten, maar
wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van
afwijkt. De Romeinen noemden dit dier _Alpenmuis_, de Savoyaarden
noemen het _Marmotta_, de bewoners van Engadin _Marmotella_. Van deze
namen zijn zoowel het Nederlandsche woord _Marmot_, als het Duitsche
woord _Murmelthier_ nabootsingen. In Bern heet het _Murmeli_, in
Wallis _Murmentli_ en _Mistbelleri_, in Gauwbunderland _Marbetle_
of _Murbentle_, in Glarus _Munk_.

Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme
Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken zij tot
in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den
rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die zij met hun eenige
bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het
is met de Marmot gegaan als met het Kameel, den Aap en den Beer: zij
heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn;
men moet thans tamelijk ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om
nog een levende Marmot te zien.

De _Marmot_ (_Arctomys marmota_) kan, met inbegrip van den
11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een
schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte en lichaamsbouw gelijkt zij op
hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar
bestaat, is dicht, overvloedig en tamelijk lang; de kleur is aan de
bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het
achterhoofd afgebroken door eenige witachtige stippen, in den nek,
aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker
roodachtig bruin, aan de pooten, de zijden van den romp en aan het
achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig
wit. De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig
geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit gevlekte
exemplaren aan.

Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot
uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge gebergten,
in de Alpen, Pyreneën en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst
gelegen gedeelten, in de weiden die in de onmiddellijke nabijheid van
de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over 't
algemeen niet lager dan tot de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest
zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd
zijn of kleine, nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen,
bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van 's
menschen bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is,
des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert,
is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar 't
zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen, omdat zij,
evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier
heeft zij hare holen gegraven, sommige klein en eenvoudig, andere
dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd,
deze voor den winter, gene tot beschutting tegen voorbijgaande
gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te
dienen gedurende den vreeselijk strengen winter, die hierboven 6, 8,
ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden
van het jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer,
want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn
leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar.

Het leven van de Marmot gedurende den zomer is zeer
merkwaardig. Volgens Tschudi vertoonen zich met het aanbreken van
den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig
den kop buiten het hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan
langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op
de achterpooten zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd
zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd
daarna ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang
van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig,
liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met
elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met de grootste
opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste
dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een Roofvogel, een
Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van
de overige herhalen dit en in een oogwenk zijn alle verdwenen. In
verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van
fluiten een luid gekef vernomen; dit heeft misschien tot den naam
"Mistbelleri" aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke
wachten uitzetten, is nog niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert
het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en
in nog hoogere mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn.

Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs
in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 à 4 M. lengte, met
zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn
dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet mogelijk schijnt er den vuist
in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer
klein deel naar buiten; voor het meerendeel trappen of drukken zij haar
vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn
meestal onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier
heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt
6 weken later 2 à 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor
het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met de ouden deelen.

Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van 't
gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1 1/2 M. onder de
oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder
dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning in den
regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver
onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd voor de geheele familie,
die uit 5 à 15 individuën bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het
bewoonde winterhol zoowel aan het hooi, dat er vóór verspreid ligt,
als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist,
maar van binnen goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl
de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen
uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand
en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange galerij, de
zoogenaamde "spon". Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men
weldra aan een plaats, waar de gang zich in tweeën verdeelt. De eene
tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij
heeft waarschijnlijk de bouwstof voor het bekleeden en stevig maken
van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand
omhoog en komt eindelijk uit in een ruime kamer, de verblijfplaats
van de winterslapers, die dikwijls 8 à 10 M. boven den ingang van het
hol gelegen is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort,
zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk ieder
jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere
diertjes gras af te bijten, te drogen en met den bek naar het hol
te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op,
dat een man het dikwijls niet alleen zou kunnen wegdragen. Vroeger
werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een
Marmot op den grond ging liggen, zich met hooi beladen en vervolgens
bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot
dit verhaal vond men in het feit, dat bij vele Marmotten het haar
van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is
van het kruipen door de nauwe gangen van het hol.--Behalve de beide
genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen,
waarin zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol
niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven.

De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst
eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel over den grond
sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen
heb ik de Marmotten, mijne gevangenen althans, nooit zien doen;
hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als
het opzit; het rust dan kaarsrecht op zijn achterste, stijf als een
stok; het heeft den staart loodrecht van 't lichaam afgebogen, laat de
voorarmen slap naar beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond.

Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het
voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats, maar als
zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na
elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen en de Ganzen. Uit
de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken,
dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen heeft.

Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer
en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst aanvangt,
houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten
zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken nu familiesgewijs
de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke
laag droog hooi gevoerd zijn, is het gemeenschappelijke leger van
het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht
bijeen. Alle levenswerkzaamheden zijn tot op het allergeringste
bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een
op den dood gelijkende verstijving bevangen, in de eens aangenomen
houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar
te nemen. De temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van
de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal
per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit
haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt, wordt eerst,
zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21° C. gestegen is, de ademhaling
duidelijker, bij 25° begint zij te snorken, bij 27.5° strekt zij de
ledematen uit, bij 31° C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd
heen en weer, komt langzamerhand bij en begint eindelijk te eten. In
het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de
opening van haar winterwoning, zien smachtend uit naar iets eetbaars,
en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen,
daar waar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, een weinig verdord
gras te vinden.--De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele
moeilijkheden aan. De naderende jager wordt bijna altijd door het een
of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid
gefluit aangekondigd. Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men
ze soms in 't begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche
kantons het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze
handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid zouden
worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer
gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen de Marmotten
zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten
of van hare stevige klauwen gebruik te maken.

Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem
voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen voor
allerlei ziekten.

Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best
de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal uitgaan, hoewel
het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen
Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn moeilijk groot te brengen
en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging;
de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk gevoederd en lang in 't
leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit
verschillende plantaardige stoffen en uit melk. Als men zich met hen
bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam,
leeren hun verzorger kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen
allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen
met een stok, enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de
lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid.



Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van
lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam
_Slaapmuizen_ (_Myoxidae_) kan samenvatten. Haar gestalte en haar
aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van
welke zij zich echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw
duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer
of minder spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote,
onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen,
fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den
duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan de achtervoeten
komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en
tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld en zachtharig.

Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed
omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van de
Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer
bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en tuinen, zijn
hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls
in door haar zelf gegraven holen in den grond, tusschen boomwortels of
in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich
zooveel mogelijk. Verreweg de meeste slapen over dag, en gaan alleen
gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men
ze slechts zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap
uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend
loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns,
bijzonder groote sprongen doen.

In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in
een toestand van verstijving, en brengen den winter slapend in hare
nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken
hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk wakker zijn; andere hebben dit
niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij
op haar vet kunnen teren. Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten
en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren
en jongen van Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns,
op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den
mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet;
wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in tuinen.

Het eerste geslacht is dat der _Relmuizen_ of _Zevenslapers_
(_Myoxus_). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe
behoorende soorten: de _Gewone Relmuis_ of _Zevenslaper_ (_Myoxus
glis_), Duitsch: _Bilch_, Fransch: _Loir_ (afgebeeld op p. 284). De
naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen
bekend dan zijn gestalte en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken
wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen,
die bepaalde inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en
beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers
niet konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene
holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes voederde
men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet
middellijn, glirariën genaamd, geheel vet te mesten. De opgravingen
te Herculaneum hebben ons de glirariën, die voor de laatste mesting
bestemd waren, doen kennen als half bolvormige schalen, met veel
luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden
voorzien waren om de dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven
waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin
werden verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel
voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als een
groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers.

De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den
13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is aan de
bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin
waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan is de melkwitte en
als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van
de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden.

Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje,
Griekenland en Italië tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk,
Stiermarken, Karinthië, Moravië, Silezië, Bohemen en Beieren komt hij
veelvuldig voor; in Kroatië, Hongarije en Zuid-Rusland is hij algemeen;
in het noorden van Europa, en reeds in 't noorden van Duitschland,
in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt hij. Hoofdzakelijk
bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en
beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen, tegen den avond
komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft 's nachts
rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij zoolang de zomer duurt.

Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de
Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels,
beukenoten en hazelnoten maken misschien zijn gewone voedsel uit;
walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet
versmaad; dierlijk voedsel is, naar het schijnt, onontbeerlijk voor
hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat
hij overmeesteren kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten,
die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij
naar beneden werpt. Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te
zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al
"zoo vet als modder", maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten;
daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier. Met
dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten
van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten van boomstammen
een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van
verscheidene soortgenooten, in dit nest op, en valt, reeds lang,
voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de
koude bergstreken reeds in Augustus, in de warmere vlakte eerst tegen
October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers
op; misschien heeft hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men
kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud
en beweegt zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand,
maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer, maar
ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt
hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt dan een deel van
zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In
den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst zeer laat in 't voorjaar,
zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven
maanden; hij draagt zijn naam dus te recht.

De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De
Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de Ooruil en
de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich,
zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed verdedigt, delft hij
toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch
ijverig jacht op hem, ten deele om zijn vleesch, ten deele om zijn
vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in
andere vallen gelokt. In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen
met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim
leggen. Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk
met ooft gevuld zijn en van boven slechts één toegangsopening hebben,
n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht,
dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen kan, maar er niet weer
uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale,
dat menige jager gedurende één herfst er 200 à 400 stuks buit maakt.

De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap
gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste
deugd is zindelijkheid; voor 't overige is hij niet geschikt om de
belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend verkeert
hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met
den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige, snorkende stem
tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in
gevangenschap geboren worden, zijn en blijven even onbeminnelijk als
de oude dieren.



De _Boomslaper_ (_Myoxus dryas_) kan men aanmerken als een
overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt
in 't geheel een lengte van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op
den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn
kleur roodachtig bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de
onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een
zwarte streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort
tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig grijs,
van onderen wit.

Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van
Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezië;
in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden
voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak met
die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen.



De _Tuinslapers_ (_Eliomys_) verschillen voornamelijk door hun gebit
van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht
dwarsstrepen en slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal
dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het
afslijten eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar
aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid,
aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van
het vorige geslacht, verschillen zij van die van het volgende, doordat
de bovenzijde van 't lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde.

De _Tuinslaper_ of _Groote Hazelmuis_ (_Eliomys nitela_, afgebeeld
op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het
volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte van hoogstens
14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de
bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin, de onderzijde wit.

De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen
onder den naam _Nitela_ bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis
in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland
komt zij niet voor, wel echter in België, Frankrijk, Zwitserland,
Italië, Duitschland, Hongarije, Galicië, Zevenbergen en de Russische
Oostzee-provinciën. In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in
de Hartz, zeer veelvuldig. Haar voedsel is gelijk aan dat van den
Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners
te goed aan vet, boter, spek en ham; ook eet zij eieren en jonge
Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel
minder goed kan springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van
't laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen
boomtakken; zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van
gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van
andere holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het,
dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt voor
zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is.

Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte
gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook begeeft
zij zich soms naar de in 't woud staande boerderijen, tuinhuizen,
schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere gebouwen en
vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen
verscheidene van deze dieren bij elkander in één nest, het geheele
gezelschap dicht ineengerold, bijna tot één klomp vereenigd. Zij slapen
onafgebroken, maar niet zoo vast als andere dieren met winterslaap;
want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets
van hun wintervoorraad en slapen eerst weder in, wanneer de koude op
nieuw begint.

De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar
fijne soorten van ooft gekweekt worden. Eén enkel dier is in staat
om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare
snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon fijnen smaak. Zij
zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om
ze te keuren, en vernielt op deze wijze veel meer, dan zij eigenlijk
opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin
door haar vleesch als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de
eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen
in draadstrikken, die men vóór de leiboomen ophangt, of in kleine
klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar beter
nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven
beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels, Ooruilen en Uilen maken
ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen,
die dicht bij het woud wonen, zeer raadzaam, alle bondgenooten in
den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen.

De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om
getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend en bij
iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze,
die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van hare scherpe
tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men
zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe zij zich in de
gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel
met de vraatzucht van de andere Relmuizen, vallen met ware woede op
ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een
oogwenk een Vogel, maken binnen weinige minuten voor goed een einde
aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander
aan. "Wanneer verscheidene Tuinslapers bij elkander opgesloten worden,"
zegt Weber, "moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met
voedsel--noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad
enz.,--en met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm
houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen,
dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger
heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge, waarvan het
einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen
wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor het dier, dat er door
bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen
strijder. Als van verscheidene in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers
er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn,
dan is hij verloren; hij wordt door zijne verraderlijke kameraads
doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene
in winterslaap verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden;
die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na
den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op,
omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven verdedigt."



Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de
_Hazelmuizen_ (_Muscardinus_), die hoofdzakelijk door haar gebit,
en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen,
van de leden der beide vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn
de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart,
evenals bij de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig
behaard, hier echter tamelijk kort.

In Europa leeft slechts een enkele soort van dit geslacht, n.l. de
_Hazelmuis_ of _Kleine Hazelmuis_ (_Muscardinus avellanarius_),
een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche
Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke gestalte en schoone
kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij
is ongeveer zoo groot als onze Huismuis; haar totale lengte bedraagt
14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht
is geelachtig rood, van onderen een weinig lichter, met uitzondering
van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet
voor, in de meeste andere landen van Middel-Europa wel. Naar het
schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste,
Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste afdeelingen van
haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galicië
en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont nagenoeg dezelfde
oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur
hazelaarboschjes, zijn hare meest geliefde verblijfplaatsen.

Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te
slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten,
eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen
bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij op een kunstige
wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te
verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen en wordt bijgevolg niet zelden
in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die
niet bijzonder innig met elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis,
of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een
zacht, warm, tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes
en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door
zijn gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de
nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig
goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3
à 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig zomernest,
dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand
van ongeveer één meter van den bodem gelegen is. De jongen groeien
buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder
gezoogd, hoewel zij intusschen zoo groot geworden zijn, dat zij nu
en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de
naastbijgelegen hazelaars; de dieren spelen genoegelijk met elkander
en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle
naar het nest terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden
van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar
zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes,
bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar zij zich
geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen
in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van hare verwanten; men
kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij
eenig bewijs van leven geven. Al naar de winter streng of zacht is,
slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak
voor korten tijd afgebroken, totdat de schoone, warme lentezon haar
tot een nieuw leven opwekt.

Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen
wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere val;
deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt
met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien. Gemakkelijker
verkrijgt men ze in 't laatste gedeelte van den herfst of in den
winter bij het opharken van 't loof of bij het uitroeien van de
wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij
zoo goed als getemd. Nooit waagt zij het, weerstand te bieden aan
haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst
ontlokt haar alleen een piepend of helder sissend geluid. Weldra
echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard
naar huis dragen, en voegt zich geheel en al naar den wil van den
mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren
schuchterheid en vreesachtigheid. Men voedt haar met noten, pitten van
ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en
bescheiden, aanvankelijk alleen 's nachts. Haar buitengewoon groote
zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met
hare soortgenooten omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren
maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij
als kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals
kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers houden,
want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den
zomer merkt men bij haar een muskusachtigen reuk op, die echter zoo
zwak is, dat men er geen hinder van heeft.

Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek
niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht dan een nestje
te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of
anderen hoek van haar kooi slapen. Als men haar in de warmte brengt,
o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om
echter kort daarna weer in te slapen.



Hoewel de _Bever_ in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot
dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten
zoo belangrijk van hen en van de overige leden der orde, dat hij
als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (_Castoridae_)
beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens
eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren, die door hunne thans
levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen
tijd zijn er wel enkele, die aan de Bever herinneren, maar geene,
die werkelijk op hem gelijken.

Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de
natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers wordt
hij onder de namen _Castor_ en _Fiber_ vaak vermeld. Van hen vernemen
wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn
levenswijs. Zij leeren ons wel, dat dit dier vroeger veel algemeener
verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort
het aantal vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit
hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat ook
thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over
alle landen, die tusschen 33° en 68° N.B. gelegen zijn; in vroegere
tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een
der teekens van het Egyptische hiëroglyphenschrift heeft men den
Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika
bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften van de Indische
Magiërs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in
Indië inheemsch geweest zijn.

"De Bevers," schrijft Prof. Harting in "de Bouwkunst der Dieren,"
"leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland,
gelijk sommige plaatsnamen nog getuigen, zooals die van Beverwijk,
Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze
van talrijke wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden
welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats
op, even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer
langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de IJsel
aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen
gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij het buitenverblijf
Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij
het op één uur van 's Hertogenbosch gelegen dorp Hedel, een Bever
geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had
opgehouden en daar veel graan en jong hout bedorven had. De laatste
Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd,
is die, welke het onderwerp der Akademische Dissertatie van A. C. Bonn
heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse,
aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op een half uur
afstand van Deventer, in een otterstap gevangen." "Hij had aldaar
in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en slib eene zes voet (1.8
M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde
hout was zoo groot, dat twee Paarden het ter nauwernood vervoeren
konden." "Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken
bewoond heeft, want twee jaren later werd door eenige schippers
en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van
Doesburg gelegen, een dergelijk, ofschoon kleiner, dier gezien,
dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest." "Het blijkt
uit de Kameraarsrekeningen van Deventer," schrijft P. C. Molhuijsen,
"dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In
de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, dat de stedelijke
regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt
deze vermelding voor op den post van uitgaven, en bij een nauwkeurige
optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij
wij nog in het oog moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat
tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar
1454 opgemerkt vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd
gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden,
in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf,
in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge".... Uit het
register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de
stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt werd voor door
hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen
bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een oeverlengte van 3 uren gaans
(de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers,
éénmaal 6 jongen te gelijk. (H. J. H. Groneman.)

In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. Scaliger
en Buffon maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde
gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland
Camargue, dat door de Rhônemondingen ("Le grand" en "Le petit Rhône")
wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door visschers in
hunne netten vijf Bevers gevangen. "Naarmate de ontginning van het
deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar de overblijvende woeste
streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem
gemaakt, is het aantal reeds te zeer afgenomen om nog het bestaan van
ware koloniën toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze
of als afzonderlijke families verspreid over de geheele delta, meer
bepaald in de 'petit Rhône' tusschen Fourques en Sylvéréal. Ook wordt
er nu en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den
"petit Rhône" uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet meer." In
Strabo's tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens Geszner
werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden.

Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan
treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer begrensd wordt
aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere
door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan hij echter beschouwd worden
als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier,
vooral in de opperhoutvesterdistricten Steckby en Tochheim alsmede
Grünewald (tegenover Schönebeck) aan den rechteroever en Lödderitz aan
den linkeroever, waar men het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks
begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale,
te beginnen bij haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden
Kalbe); op dit gebied leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op
de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet
alleen ten allen tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen,
maar ook nu en dan hem zelf aan 't werk zien. Enkele exemplaren
worden nu en dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de
Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de Möhne (een aan de
rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de
laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer). Van alle landen
van Europa zijn Bosnië, Rusland en Skandinavië (vooral Noorwegen) die,
waar de Bevers thans nog het veelvuldigst leven. In Rusland vindt
men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het
gouvernement Minsk.--Veel talrijker dan in Europa zijn de Bevers in
Azië. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel-
en Noord-Siberië; naar men zegt, komen zij ook voor in de rivieren,
die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden
worden in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling
van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotamië. In Amerika waren de Bevers
algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun
aantal reeds zeer afgenomen. Audubon noemde in 1849 alleen nog maar
Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine
en Massachusetts als deelen van het door den Bever bewoonde gebied,
maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde
gewesten van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden.



De _Bever_ (_Castor fiber_) is een van de grootste Knaagdieren. De
lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30
cM. langen staart, 75 à 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht
20 à 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk
dikker dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en
dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend, met platte
kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig,
de achterste iets langer dan de voorste; de voeten hebben vijf teenen;
die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies
vereenigd. De staart is aan den wortel rond, in het midden van boven
naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp
afgerond; de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp
kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten
behaard, en kunnen zóó tegen den kop aangelegd worden, dat zij de
gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn voorzien
van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van
den binnenhoek van het oog uitgaande, onder de beide andere oogleden
langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De
pupil is langwerpig en verticaal geplaatst. De neusgaten kunnen door
de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat
uit buitengewoon dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste,
zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en
glanzige bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den
rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn. De
bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend;
de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje is aan den wortel
zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel
zeer lang behaard, overigens echter kaal en hier met langwerpig ronde,
bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele
korte, stijve haren te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt
soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en
gevlekte Bevers aan.

De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op
de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige
knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten
komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid verborgen,
twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte
een vreemdsoortige stof, het _bevergeil_ (_Castoreum_) afscheidt;
deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is
aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot een hars gelijkende
massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol
herinnerenden reuk, die door slechts weinige menschen aangenaam
gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren
tijd werd zij als krampstillend middel veelvuldig voorgeschreven,
tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide
bevergeilzakken bevinden zich twee dergelijke zakken, die echter geen
_castoreum_, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden.

De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich
slechts in de stilste streken tot meer of minder groote familiën. In
alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal
eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken zij er niet aan zich hutten
te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken
van de stadjes Barby en Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg),
op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de
Elbe stort. Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek,
die door het slechts 4 à 8 schreden breede riviertje doorstroomd
wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht ("Beverpoel") wordt
genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester von Meijerinck
hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij
over hen het volgende mede: "Er wonen thans (in 1822) nog verscheidene
paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een
Dassenhol, een lengte van 30 à 40 schreden hebben en op gelijke hoogte
met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de
nabijheid van de holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde 'burgen'
op. Deze zijn 2.5 à 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop
opeengestapelde stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de
naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel
gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en
andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft de gedaante van
een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord,
wanneer de hooge waterstand hen uit hunne gangen verdrijft. In den
zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 à 20 jonge en oude
dieren bestond, bemerkte men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe
was toen zóó ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever
overal zichtbaar werden en het water daaronder nog slechts weinige
cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in
het midden van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier
begonnen zij aan weerszijden dikke takken in 't water te werpen, en
de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor
ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er beneden. De
dam werd meermalen vernield, in den regel was hij echter telkens den
volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de
Nuthe doordrong en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij
ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op
de naburige knotwilgen."

Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het
volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of beek
uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen
en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten bijzonder
geschikt voorkomen. De eenzaam levende individuën bewonen eenvoudige,
onderaardsche holen in den trant van die van den Vischotter. Een of
meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 à 6 M.), die alle onder
water uitkomen, leiden naar een ruime, meer of minder hoog boven den
waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit één
woonkamer, die netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout
gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer
dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer familiën bestaan,
bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig is, dammen aan
om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige
van deze dammen zijn 150 à 200 M. lang, 2 à 3 M. hoog, van onderen 4
à 6 M., van boven nog 1 à 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker
dikte afwisselt tusschen die van een arm en die van een dij; zij
zijn 1 à 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd,
steken met het andere boven het water uit, zijn door dunnere takken
met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en
zand op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde
de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde zijde
een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen
aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding noodige stoffen
gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het
beneden den dam gelegen water gesleept of gevlot kunnen worden.

De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut
is ontleend aan Prof. Harting's "Bouwkunst der Dieren": "Het dak
steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat
voorzien. De vloer ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij
is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer
is een opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door
naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts
uit één enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan
twee beverfamiliën, namelijk vier ouden en zes tot acht jongen. Niet
zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers
gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk dak overdekt worden,
doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn
aangelegd. Elke kamer heeft dan ook haar eigen opening of deur naar
buiten. Zoo b.v. zag Hearne op een eilandje zulk een groot gebouw,
dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond.

"Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd
en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever verheffen,
dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien,
en met de levenswijs der Bevers onbekend zijn, daarin voortbrengselen
van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te
herkennen, gelijk Möllhausen verhaalt van de lieden, die de expeditie
van luitenant Whippler vergezelden, waaraan ook hij deelnam.

"In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken;
in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien magnoliën,
de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen
voeden zij zich. Hun voorraad van stammen en takken laten zij vóór
hun woning in 't water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte
naar binnen, schillen het daar op hun gemak af en werpen het overige
weder in het water. Cartwright zag zulke magazijnen, die meer dan
een karrevracht hout bevatten.

"De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun
winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet
rijzen en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de
hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond
en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar
de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar in Juni
hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun
woning; te zamen herstellen zij dan de oude of bouwen een nieuwe hut
en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad."

Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met
zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze schildert,
wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste
Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen in zeer afgelegen
landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen,
zijn zij ook over dag aan den arbeid. "Kort na zonsondergang verlaten
zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in
't water vallen. Zij zwemmen een tijdlang rond in de nabijheid van
den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en
houden, naarmate zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en
het voorhoofd, òf den kop en den rug boven water. Na de veiligheid van
de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot
op een afstand van 50 schreden of nog verder van den oever begeven,
om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne
bouwwerken noodig hebben." Takken, die eenige cM. dik zijn, worden in
eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den
stam een ringvormige groeve te knagen en deze aan de naar het water
gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt
en in 't water valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat,
bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo glad
en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen
werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan mansdikte af,
dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden
vóór het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd, in sommige gevallen in
stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle
stukken hout daarna in 't water gesleept en hier ontschorst of voor
latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de
Bever hem als bouwmateriaal, haalt hem uit het water, sleept hem naar
de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel
bij het rangschikken van de voor 't bouwen dienende stokken is niets
te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien,
aan een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht:
eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere verticaal,
enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit,
andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend
iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle voor het
dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde,
zand, leem of slib worden op verschillende wijzen, maar toch altijd
slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met
de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij hoogstens voor het
behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het
mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende staart, die soms niet
minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt.

Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het
bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast, het mannetje
verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het
geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden ijver. In den zomer
en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan 't spelen dan aan
het voltooien van de woning; vóór het invallen van het koude weder
arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij
hebben een fijn voorgevoel van de naderende weersgesteldheid en nemen
hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen.

Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de
bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die ik mijne
gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit,
en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken van witte, zwarte
en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van
elzen en eiken. Harde takken, die zij met de voorvoeten aanvatten
en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig;
zij schillen ze zoo schoon af, dat men op den van schors beroofden
tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig
geraken zij gewoon aan brood en scheepsbeschuit, appels en peren,
en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten.

Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch
over 't algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het dier op een
groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere
bewogen want de bijna over grond schurende buik laat geen snelle,
gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de
Bever sprongen, plomper en onbehendiger dan die van eenig ander, mij
bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste
en het voorste deel van 't lichaam omhooggeheven; toch komt hij op
deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel
zoo diep ondergedompeld, dat alleen de neusgaten, oogen en ooren
benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen;
het achterste deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De
voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd, zelden
één voor één, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls
eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs bewogen
wordt, dient voor 't sturen; de voorpooten doen bij 't zwemmen geen
dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven, voordat de behoefte
om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen.

De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd
kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening
ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de
voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn het gehoor
en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een
tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is het gezichtsorgaan echter
evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet
onbeduidend. Over zijn verstandelijke ontwikkeling zou verschil van
meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen,
dat het te dezen aanzien in de orde der Knaagdieren een hooge plaats
inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde
omstandigheden, en leert het, zich deze op de meest voordeelige
wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het,
voordat het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit
gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan die van
andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist
besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar zij gelegen zijn;
beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld.

Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk;
tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen koel. Die, welke
goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij
gaan ook wel naar hun oppasser toe om hem als 't ware te begroeten;
tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen
goedgeefs zijn, hebben zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig
geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan,
niet alleen vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook,
op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de
voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging
maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet, of die hen
plaagt, slaan zij echter op de vingers.

Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele
berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt van
Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren
worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde schrijvers zelf
waren. "Ik zag", zegt La Hontan, "in deze dorpen niets wat zoozeer mijn
aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout,
ongestoord heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden." Hearne
had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze
riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij geliefkoosd
werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel
hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren onrustig, wanneer de
menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst.

De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats,
al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt dit in
't begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na
een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een droog hol 2 of 3
behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en
worden zij door de moeder medegenomen naar het water; soms geschiedt
dit echter eerst een paar dagen later.

Behalve _Vorst_ Schwartzenberg, die op de Wereldtentoonstelling te
Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met
het fokken van Bevers bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam
als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een
paar Bevers, dat in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had
zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14,
10 jaren later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter
beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier
veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in Beieren, werden eveneens
Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang
in de gevangenschap in 't leven bleven.

Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid
doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan. Nadat hij eens
verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat
hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche trappers (zoo
genoemd naar de vallen--in 't Engelsch "traps"--, die zij gebruiken
om wild te vangen) beweren, dat de Bevers daar, waar zij in grooten
getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het
gezelschap voor een naderend gevaar waarschuwen door een signaal,
bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de
oppervlakte van het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze
mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van
verscheidene voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen,
dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van
het gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het
plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel
veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling
te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan geschiedt,
als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne
metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch, en verdwijnen,
zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever
vooral met het geweer, maar vangt hem bovendien in allerlei soorten
van vallen. In den winter hakt men gaten in 't ijs en slaat de Bevers
dood, wanneer zij daarin komen om te ademen. Ook neemt men wel eens
de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier
of beek, bedekt dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten
open en jaagt de verschrikte dieren in het net.

Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de
schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in 't oog houden, dat zij
bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen
tot het afsnijden van dunne takken van boomsoorten, die spoedig weder
aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle
moeite en bezwaren van de jacht worden daarentegen door het vel en
het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil,
zeer rijkelijk vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000
vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden;
ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 à 36 gulden op.

Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij
schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch en gelooven,
dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,--om van
andere sprookjes maar te zwijgen.



De _Spring-knaagdieren_ (_Dipodidae_), herinneren door hun
lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde
wanverhouding tusschen het voorste en het achterste deel van
den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon
krachtig ontwikkeld: de achterpooten zijn wel driemaal zoolang als de
voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste
gedeelte gewoonlijk tweerijig behaard, zoodat hij in een kwast
uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk
van de Spring-buideldieren wat den kop betreft. Deze is bij de
eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar
verhouding de langste die bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls
zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op
een nachtelijke levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij
weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld
is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte
afwisselt van één derde tot de geheele lengte van den kop. De hals
is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de
kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen voor, aan de achterpooten
3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het
zand. De naast elkander gelegen beenderen, die bij de meeste andere
Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot één enkel been,
aan welks uiteinde de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels
voor de teenen voorkomen.

De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azië;
van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied echter tot in
Zuid-Europa uit; één geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika
thuis. Zij zijn bewoners van het droge, vrije veld, van de grasrijke
steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren,
zooals ook uit hun kleur oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen
of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan
dicht met kreupelhout begroeide weidezoomen en in de nabijheid van
bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele
vertakte, doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte
gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag
in hunne holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en
leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels,
bollen, allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en
kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels,
gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander
op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den mond, terwijl
zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en
op den staart steunen.

Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van
die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen den eenen
achterpoot vóór den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter
sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige achterpooten wordt
het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den
tweerijig behaarden staart de richting van den sprong geregeld en zoo
het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de
kin aan, of kruisen ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst;
dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten
kunnen kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de
sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene sprong
volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet
men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp, dat volgens vlakke
bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid
graven zij in den bodem, in weerwil van de zwakheid hunner voorpooten,
die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen,
gaan zij, ook weder evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze
beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij
het zitten rusten zij op de zolen van de achtervoeten.

Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben zij een fijn
gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan
dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst vreesachtig, schuw
en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk
hun hol te bereiken of slaan, wanneer hun dit niet mogelijk is,
met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt
zich in gevallen van uitersten nood, op de wijze der Kengoeroes,
met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij
gegrepen worden, nooit van hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem
bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge
Katten gelijkt, bij andere leden der familie ook wel uit een dof
geknor. Men hoort echter over 't algemeen slechts zelden een geluid
van hen. Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of
verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter geen
wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen.

In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en
bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid
en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven.

Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor
ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij er geen behoefte
aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen.



De _Amerikaansche Springmuis_ (_Jaculus hudsonius_) is de eenige
vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door
haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste verwanten in de Oude
Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij
echter ook aan de gewone Muizen. In grootte komt zij ongeveer overeen
met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM,
zonder den 13 cM. langen staart. Het gladde en dichte haarkleed is
aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd.

Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt
voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den Missouri tot in
Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den
Stillen Oceaan. Hier woont het in de met dicht struikgewas bezette
weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het
verborgen, des nachts zwerft het bij gezelschappen rond. Zijne holen
zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. Vóór
den aanvang van den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op
een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om
het lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving
liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in Maart
bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een
kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering wekte; de
tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin
een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als een kuiken in een
ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In
den zomer is zij zeer vlug, zij springt buitengewoon behendig en
snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd
wordt, in 't geheel niet vangen. Met gemak springt zij hier over lage
struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan,
en weet dan altijd een veilig plaatsje te vinden. Audubon betwijfelt,
of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart.

Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in 't leven
gehouden worden.



Over de _Echte Springmuizen_ (_Dipodinae_) is men beter onderricht. Men
kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want
zij vertoonen al hare eigenaardigheden het duidelijkst. Haselquist
merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken
van verschillende dieren zijn samengesteld. "Men zou kunnen zeggen,
dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den
Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en de voorvoeten van de
Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw." In
de eerste plaats valt de kop in 't oog: er blijkt onmiddellijk uit,
dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen
is de noodige ruimte aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of
althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals
bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze
hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin zijn
goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange
snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig beweeglijk,
de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer
dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal gelijkmatig kort
behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere
borstelharen bezet, waardoor de staart eenige overeenkomst met een
pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen
zoo tegen het lichaam aangedrukt en in de vacht verborgen, dat hierin
een reden te vinden is voor de oude benaming "Tweevoet"; zij hebben
slechts vier teenen met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen,
en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel
voorzien is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo
lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet
buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte,
zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen blauwachtig
grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin;
aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen
aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men bij vele snel
loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is,
dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling hebben, en
slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon
korte teenen van de springpooten hebben in den regel slechts twee
leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk
een weinig gebogen en gestrekt worden. Bij het loopen komt alleen
de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door
een veerkrachtige, kraakbeenige massa, wordt zij echter gevrijwaard
tegen den invloed van schokken bij den sprong.



Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik
de _Woestijn-springmuis_, de _Djerboa_ der Arabieren (_Dipus
aegyptius_), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog
gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast). De
Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds
aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken van Grieksche en
Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder
den naam van "tweevoetige Muizen", welke naam daarom ook thans nog
tot aanduiding van het geslacht dient.

Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het
grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel van
West-Azië. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door
haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste landschappen, en
leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor
zijn levensonderhoud kan vinden. Op deze met harde grassen begroeide,
naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen
vereenigd aan. Zij komt hier voor nevens het Woestijnhoen, de
kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het
is moeielijk te begrijpen, dat ook de Springmuizen voedsel vinden
daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel
Insecten eten, ter nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden
grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht
bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste
gevaar verschuilen.

Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten,
ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet schuw noemen,
maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste
gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp zien, zoo schielijk
mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen
afstand in 't oog, omdat hun kleur volkomen met die van 't zand
overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze
bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde zintuigen kunnen zij daarentegen
de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel
mag men zeggen, dat het moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje
aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar
wanstaltig moge haar voorkomen zijn, als men haar dood in de
hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar
uitzicht, als zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren
zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne
merkwaardige begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die
aan het ongeloofelijke grenst; 't is alsof zij vleugels hebben. Geen
mensch is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel
de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten
eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder
zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den dag voor haar
woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid
voor den verzengenden gloed van de middagzon in Afrika, die zij bij
deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral
als men bedenkt, dat nagenoeg geen enkel dier op dezen tijd van den
dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor
de echte bewoners van dit verheven landschap in den volsten zin van 't
woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij
zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in
haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van verstijving, die
aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert.

Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid
bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier, omdat zij zijn
vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite
vangen zij het levend of slaan het dood als het uit zijn hol komt.

Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de
Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de gevaarlijkste
warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker
wordt voor hen de Egyptische Brilslang. Deze leeft nl. op soortgelijke
plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door in de holen,
die zij graven en doodt er vele van.

De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls
Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen ervaring kan
ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok
of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende mijn verblijf in Afrika
werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan
zulk een gezelschap een groote kamer tot woonplaats om de bewegingen
dezer dieren te kunnen nagaan. Van 't eerste oogenblik af waren zij
mak. Zonder bezwaar lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden
zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan
in hun kamer moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig
bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander
zijn de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam
en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon. Als
het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren,
verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer zij tarwe,
rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel,
een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend en kunnen lang
in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote
zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht worden.

Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn
mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen
moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos,
zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje uit hebben,
zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en
zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen, dat men zich uren
lang met haar kan bezig houden.

Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het
haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt. Men kan
haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer
iemand haar 's avonds een vinger toesteekt tusschen de traliën van haar
hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een
weinig langs den vingertop schaaft, waarschijnlijk omdat zij meent,
dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te
bijten is ook dan zelfs geen sprake. Het komt mij voor, dat men de
Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden,
zoo goedaardig, argeloos en zindelijk is dit dier.



Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de
achterpooten verschillen de _Zandspringers_ (_Scirtetes_) van de
Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen
aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken heeft voor de
aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen;
aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen bevindt zich een korter
been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet
is dus met vijf teenen voorzien.



Door de uitmuntende beschrijvingen van Pallas, Brandt en anderen,
zijn wij vooral met de _Paardepoot-springmuis_, den _Alakdaga_
der Mongolen (_Scirtetes jaculus_) bekend geworden. Dit dier heeft
ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen
staart heeft het een lengte van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de
kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen
met cirkelvormige pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer
zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen
aan weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal
zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste, want de
beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de
middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds opgemerkt werd, zoo
hoog geplaatst en kort, dat zij bij 't gaan den grond niet aanraken.

Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa
voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim, is Azië
toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan
de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich
uit tot in het oosten van Mongolië.

Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga
in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa en Azië,
vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand
vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid voor zijne gangen en
holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet
in groote troepen bijeen. Over dag rust hij, verborgen in zijn kunstig
hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des
nachts herhaaldelijk naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op
die van zijne reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt
hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier;
de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar
men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis,
en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem
niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt hij reeds
bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast,
richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving te bespieden. Als
hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg,
maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs van richting, totdat hij
zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft,
waarin hij zich oogenblikkelijk verbergt.

De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen
van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen; Insecten
versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel
eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of althans met diens
eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de
kruidachtige planten der steppe vreet hij echter alleen de jongste
uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis
in slaap. Bij 't naderen van den winter sluit hij de uitgangen zijner
onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich
met andere dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het
hol tot een kluwen ineen.

De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners
zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden houden de
nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon
hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds meermalen levend
in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar
ook soms voor een wetenschappelijk doel. De beste beschrijving van het
leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan
den oudheidkundige Haym. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren,
waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde
kruid _Silphium_ [2] met een Zandspringer er onder afgebeeld was,
schafte Haym zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang
in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken
viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag.

Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap,
at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches (de
eetbare vruchten van een in Syrië en Mesopotamië inheemschen, in de
oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom, _Pistacia
vera_) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte
hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke,
die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, brandnetels, enz.;
hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men Haym gezegd
had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en
soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere melkspijzen roerde
hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven
ieder ander voedsel. Hij verbreidde volstrekt geen onaangenamen reuk,
zooals andere Knaagdieren--Muizen, Eekhoorns en Konijnen--doen; ook
was hij zoo zachtaardig, dat men hem gerust in de handen kon nemen;
hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor
diertjes, die kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In
het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad;
des winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van
het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig
toeval de oorzaak van den dood van dit dier.



De _Springende Haas_, door de Hollandsch sprekende bewoners van
Zuid-Afrika ook wel _Aardmannetje_ genoemd (_Pedetes caffer_),
wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke
onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren verschilt
hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere
opzichten. De langwerpige romp neemt van voren naar achteren allengs
in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te
onderscheiden en veel beweeglijker dan bij de verwante geslachten;
de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger
dan bij de Springmuizen; hunne vijf teenen zijn met stevige, lange,
sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen
zijn lange, krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder
door een afzonderlijk middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen
stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De
middelste teen van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de
korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet
aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den
oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige beharing naar de
spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het
lange, dichte, overvloedige en zachte haarkleed van den Springhaas,
dat, wat de kleur betreft, een in 't oog loopende overeenkomst met het
vel van onzen Haas vertoont, is aan de bovenzijde roest-bruinachtig
vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen
hebben), aan de onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier,
ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer
60 cM.; de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer.

De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs
woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika
verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en
in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor. In het Kaapland
is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken
als in open vlakten, soms vindt men deze dieren in zulk een groot
aantal bijeen, dat zij echte koloniën vormen. Op soortgelijke wijze
als zijne verwanten graaft hij onderaardsche woningen met lange
gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de
oppervlakte gelegen zijn en naar een op grooter diepte voorkomende
kamer leiden. Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan
verscheidene paren, ja zelfs aan geheele familiën.

Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is,
begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering invalt. Hij
komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op
alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt, dat uit wortels,
bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van
kruipen dan van loopen. Bijna iedere minuut gaat hij op de achterpooten
staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij
niet eet, poetst hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij
zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van
geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te
roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen, met de korte
voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer
hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit schielijk opeenvolgende
sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange
achterpooten verheft hij zich boven den bodem en komt weer op de
achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst
aangedrukt blijven, den grond aan te raken. Gewoonlijk bedraagt
de sprongwijdte 2 à 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert
echter zijn snelheid zoodanig, dat de gemiddelde sprongwijdte 6 à 10
M. bedraagt.

Bij den aanvang van 't regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele
familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht tegen elkander
aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de
Springende Haas de gevangenis zeer goed en gedurende langen tijd;
weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens
zijn zindelijkheid verdient hij als huisdier aanbeveling; voedsel kan
men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is
hij best tevreden.

De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht
op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en het vel op
soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas.



Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der
Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt,
als die welke de _Muizen_ (_Muridae_) omvat. Deze familie is niet
alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook
verreweg het meest verbreid; haar verbreidingsgebied, althans dat
van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den
mensch, tot op den huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn
doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk
is, door talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te
kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele
familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit,
de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal behaarde
ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden,
en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke pooten, met
smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte
vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft, vertoonen echter vele
Muizen een toenadering tot andere familiën van de Knaagdieren-orde:
stekelig bovenhaar herinnert aan de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten,
korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde
staart roept ons het beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In
overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den
algemeenen vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere
mate gewijzigd.

De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In
alle werelddeelen komen leden van deze familie voor; de weinig
talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de
genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen vroeger of later nog
wel bevolkt worden door één soort, die door haar reislust reeds een
ontzaglijk groot verbreidingsgebied heeft verkregen. De Muizen bewonen
alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de
vlakten van gematigde en warme gewesten boven het gure hoogland en
het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de
plantengroei ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke
nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde
landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door
haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen, oevers van
rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs
op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas begroeide vlakten,
zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige
vermijden de nabijheid van plaatsen, waar de mensch zich gevestigd
heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen
hem overal, waar hij zich metterwoon nederzet, zelfs naar overzeesche
gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld,
weide en bosch, overal richten zij met de scherpe werktuigen harer
vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder,
die eenzaam of bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid;
sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen. Bijna alle
soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal
jongen van een enkelen worp wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten
zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter.

De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare
eigenschappen stellen haar, naar 't schijnt, juist hiertoe, in
staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend
loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar lichaam door de
nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen
vinden, maken zij die met haar scherp gebit. Zij zijn tamelijk
schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd,
listig en moedig; hare zinnen zijn over 't geheel genomen fijn,
hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar
voedsel bestaat uit alle eetbare voortbrengselen van het planten-
en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras,
bloemen vormen haar gewone voedsel; niet minder graag echter eten
zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en
beenderen; wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals
b.v. papier en hout. Water drinken zij over 't algemeen slechts zelden:
daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen
die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen aan om ze
te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken;
door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste vijanden van den
mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben
wegens haar sierlijke gestalte, de bevalligheid van hare bewegingen
en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt
vooral van de knapste bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle
Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen,
en die door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel,
welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten,
die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden
winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen; andere ondernemen,
tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen,
die echter in den regel noodlottig voor haar zijn.

Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts
een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam
ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi
onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de vriendschap,
welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht
vergelden. Nuttig in den eigelijken zin van 't woord zijn de Muizen
nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs
het vleesch eet, komen deze geringe voordeelen niet in aanmerking
nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd
aanricht.



De _Renmuizen_ worden in een afzonderlijke onderfamilie
(_Merionidinae_) geplaatst, omdat zij zich door verschillende
eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden;
het meest valt hiervan in 't oog de van voren tot achteren dicht
behaarde staart.

Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azië
en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij gewesten, die
in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten
en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon grooten getale. De
meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte
onderaardsche gangen, waarin zij den dag doorbrengen. Hare bewegingen
zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt,
groote sprongen doen.

Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers,
worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen,
evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten.



De _Zand-Renmuis_ (_Psammomys obesus_) heeft ongeveer de grootte van
onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13
cM. lang is bij een totale lichaamslengte van 32 cM.; van boven is
zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van
onderen lichtgeel.

In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer
veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden van het rijk
der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan,
die veelvuldig vertakt en tamelijk diep zijn; het liefst doet zij dit
onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende
planten, die de door haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken
en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook
over dag voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren
kennen. Dikwijls ziet men 10 à 15 van deze dieren tegelijk rondloopen,
met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De
Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke men voor
de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt
merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd op de tafel
rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder
aanstalten te maken om te bijten. De groote, niet sterk uitpuilende
oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk,
dien dit dier op den toeschouwer maakt; ook de dichtbehaarde staart,
met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed.



De meest typische vertegenwoordigers van de familie--de _Muizen_
in engeren zin (_Murinae_) zijn, wat haar aard en hare handelingen
betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die
soorten, welke zich met den mensch over de geheele wereld verbreid,
en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog
niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te
verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin zij voor
't eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben
zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens is de mensch hun
dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon,
zijn huis, zijn hof aan den dag leggen; overal vervolgt en haat hij
hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in 't werk
om zich van hen te bevrijden, toch blijven zij aan hem verknocht,
trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig
zijn deze aanhankelijke huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als
echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en
bereiden hun gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor
is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke,
akelige dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in
den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige,
aardige wezentjes zijn.

Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie
twee hoofdgroepen onderscheiden, de _Ratten_ en de _Muizen_; deze
verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste
en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste vormen. Bij gene
heeft de staart 200 à 270 uit schubben bestaande ringen, bij deze 120
à 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke
en fijne voeten; de Ratten zijn in volwassen toestand aanmerkelijk
grooter dan hunne bevalliger verwanten.

Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa
gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren, maar
van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts
één enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking kan hebben. Welke
soort Amyntas bedoeld heeft in zijn door Aelianus aangehaalde
mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De _Zwarte Rat_ is het eerst
in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde
de _Bruine Rat_; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog
gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van
Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige _Egyptische Rat_ of _Dakrat_
(_Mus alexandrinus_). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft
en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester
gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last
krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie, en vooral,
dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der _Hamsterrat_
(_Mus_ of _Cricetomys gambianus_), die onze Ratten niet alleen
door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en
tegenwoordig aan de kooplieden te Zanzibar meer moeite veroorzaakt
dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit
dier tot ons kwam, eens recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten.

Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten,
de _Zwarte Rat_ en de _Bruine Rat_, voldoende zijn.



De _Zwarte Rat_ (_Mus rattus_) heeft, met inbegrip van den 19
cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn
donker van kleur, bruinzwart, de onderdeelen een weinig lichter,
grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets
lichtere kleur. Aan den betrekkelijk slanken staart neemt men 260
à 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino's (wezens die zich
door gemis van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet
zelden voor.

Wanneer deze soort voor 't eerst in Europa verschenen is, kan niet met
zekerheid opgegeven worden. Albertus Magnus is de eerste dierkundige,
die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier
reeds in de 13e eeuw inheemsch. Gesner noemt haar een dier dat
"menigeen beter kent, dan hem lief is"; de bisschop van Autun sprak
in het begin der 15e eeuw de banvloek der kerk over haar uit. 't Zou
kunnen zijn, dat zij uit Perzië afkomstig is, waar zij tegenwoordig
in ongeloofelijk groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van
de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds
dezen tijd heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar
dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog
over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts
zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk
en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal
verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland (Bremen,
Luneburg) en in Thüringen (bij Rudolstad) woonplaatsen van de
Zwarte Rat bekend. Prof. Ritzema Bos schrijft hierover het volgende
(Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): "Dat langzamerhand de Zwarte Rat in
Europa vermindert, in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel
verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de
sterkere overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet
alleen in bepaalde streken, maar in 't algemeen het geval is, blijkt
o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars
in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15 à 20 jaar de Zwarte
Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder
was dan deze, vindt men haar nu dikwijls niet meer vermeld, of ten
opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.--Zooveel
is zeker, dat een twintigtal jaren geleden, de Zwarte Ratten ten
onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons
land bijna nergens meer in aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor
tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in
't binnenste, oudste gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte
dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der
stad) van het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden
dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die
in 't nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had
verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal overschreden,
en thans vindt men in 't oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook
geen Zwarte Ratten meer; in elk geval zijn ze er zeldzamer geworden,
terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert."

De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij
reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld was
zij vroeger in Amerika, Australië en Afrika niet inheemsch, maar de
schepen brachten haar naar alle kusten, en van de kusten trok zij
al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook
in de zuidelijke gedeelten van Azië, met name in Indië, in Afrika,
vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika,
in Australië, en op de eilanden in de Groote Zuidzee.



De _Bruine Rat_ (_Mus decumanus_) is aanmerkelijk grooter dan haar
zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18
cM. langen staart, waarop men ongeveer 210 geschubde ringen telt;
de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen;
beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen
van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de
onderdeelen grijsachtig wit. Soms komen aan de bovenzijde der
voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en
bonte exemplaren aan; voorts albino's (wit met roode oogen). De bonte
exemplaren zijn òf zwart met wit, òf grijs en wit; bijna altijd zijn
bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens
een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of grijs),
de overige deelen wit.

Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit
Indië en Perzië tot ons is gekomen. Aan Pallas heeft men de eerste
betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa
te danken. Deze onderzoeker bericht, dat zij in den herfst van 1727
na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee
naar den oostelijken oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is
binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier
uit verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna
ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indië
naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de
wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750, te Parijs reeds
in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in
Zwitserland kent men haar eerst sedert het jaar 1809 en in Denemarken
omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij
voor het eerst in Noord-Amerika en vermenigvuldigde zich ook hier in
zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot
gebied verbreidde; toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston
in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den
Missouri nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare
gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen echter
tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker
dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester van de plaatsen waar
deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate
toe, als die van haar mededingster afneemt.

Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide
Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo men de andere
beschrijft. Wanneer men in 't oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij
voorkeur in de onderste localiteiten van de gebouwen en vooral in
vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de
oevers van rivieren nestelt, terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde
heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers
enz., zal er niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander
onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in
de woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke
denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn. Van den
kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat,
van het paleis tot in de hut, overal treft men haar aan. Tegen haar
beschermen geene omheiningen noch muren, geene deuren of sloten:
waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken
balken en door dikke muren knagen zij zich gangen. Alleen wanneer
men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de
steenen flink met stevig cement aanvult, waarna het misschien als
voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te
midden van het metselwerk aan te brengen, is men tamelijk goed tegen
hen beveiligd.

Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en
doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van de
schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen
zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar is, valt in haar
smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt,
en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad, maar maakt evenzeer
gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan,
dat de Ratten brandewijn en jenever leeren drinken, om te kunnen
zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door
het menschelijk geslacht zijn uitgevonden, mede helpt opmaken. Niet
tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de
Ratten ook zeer gretig op allerlei andere voorwerpen en met name op
levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van
den mensch is in bepaalde gevallen nog van haar gading, rottende
krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn,
zaden en boomschors, of liever gezegd alle mogelijke stoffen en
dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen,
wordt toch stuk geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten
zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend,
dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere
eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe erg sommige van
zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen
vreten zij gaten in 't lichaam, dicht opeengepakte Ganzen knabbelen
zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij
onder water om ze te verdrinken, den wilde-dieren-handelaar Hagenbeck
hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van
deze kolossale dieren stuk te knagen.

Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het
er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen waar
zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg
geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den tijd van vier
weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis
doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid van genoemde hoofdstad
verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat
er alleen de beenderen van overbleven. Zoodra zij bemerken, dat de
mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op
een waarlijk verbazende wijze toe. Las Cases verhaalt, dat Napoleon,
evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap
op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816 zonder ontbijt moest
blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken
waren binnengedrongen en alles medegenomen hadden. Zij waren op dit
verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en
buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk hadden zij maar weinige dagen
noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning
van den keizer te doorknagen. Terwijl Napoleon aan den disch zat,
kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze
Knaagdieren letterlijk oorlog voeren om de gerechten van de tafel te
kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest
opgegeven worden, omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels
's nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de
factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten,
waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd werden,
zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote
schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars van planten
en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame
voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen waren en dat
zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten
op den bodem, langs de wanden en op de daken van hun slaapvertrek in
hun nachtrust stoorden.

Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er
is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord. Op de oude
vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk
in bezit, zoodra de eerste lading er in gebracht wordt. Gedurende
lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende
wijze, vooral als zij genoeg voedsel kunnen vinden, en maken dan het
verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den
noordpoolreiziger Kane in de nabijheid van 80° N.B. was vastgevroren,
waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij
een geweldige schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende
gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in 't schip
werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De
bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September op het
dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd
te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde zij, dat dit middel
niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak
men in het hol van het schip een groote hoeveelheid houtskolen, om
de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij
de onvolledige verbranding gevormd wordt. Na verloop van korten tijd
was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden,
die de onvoorzichtigheid hadden er in neer te dalen, onmiddellijk
bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op
het dek gebracht konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim
liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter
op een ander gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool
en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote
inspanning, en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd,
het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28
lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich vóór den
volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare aanvallen
kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk,
nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf op in handschoenen,
mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met
veel list en sluwheid aan alle vervolgingen. Men probeerde toen een
ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone
verblijfplaats van de Ratten, in 't hol van 't schip, neergelaten, om
daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk
gehuil van dit dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was
en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit
zijn gevangenis te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds
de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo
voor, de Ratten één voor één met pijlen dood te schieten; deze jager
was zoo gelukkig, dat Kane, die de buitgemaakte dieren liet koken,
gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep
had. Eindelijk ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het
schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde
zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos.

In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij
loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen
zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk,
weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door één sprong
te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag
lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat is, naar het schijnt,
nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt
haar zwarte stamgenoot, naar het schijnt, ook in het klauteren de loef
af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt
zich in 't water gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het
vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het
water haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt,
neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver of
een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den
breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene minuten
over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine
Rat daarom dikwijls "Waterrat" genoemd. De Zwarte Rat begeeft zich
alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de
zwemkunst zeer goed bedreven is.

Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het
gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet slecht,
en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke
bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de lekkerste spijzen
weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het
voorafgaande niet veel meer te zeggen. Men kan waarlijk niet ontkennen,
dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende
list en een zekere sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de
wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen.

Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten
een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der zwakste partij
altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander
eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar zij veelvuldig zijn, houden
des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd
houdt ook dan nog aan, als een deel der strijders reeds op de vlucht
geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne
stamgenooten in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op,
waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen.

Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het
aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid
over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker
als K. von Dalla Forre de volgende, in 't jaar 1880 door hem zelf
waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. "In
den kelder van een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens
weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde
bewaard had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op
de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld te
bewijzen, maar--te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te
geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige van de
list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in 't bezit van de eieren
te komen. De eieren lagen ongeregeld op een hoop bijeen; begeerig
naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra
gevolgd door een tweede. De eerste vatte een ei met de voorpooten
aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde,
zoover zij het met eenige krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte
de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig,
op de wijze waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon
zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten
worden voor 't vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den
staart van de eerste met den bek en trok haar in groote haast en zonder
eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De
geheele handeling--waarin zij, naar het aantal ontbrekende eieren te
rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,--duurde nauwelijks 2 minuten;
één uur nadat het diefachtige paar van het schouwtooneel verdwenen
was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling
als vroeger. Door de welwillendheid van de familie, in welker huis het
beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige
te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde,
steeds op dezelfde wijze plaats had."

Ongeveer een maand na de paring werpen de wijfjes 5 à 21 jongen,
kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou
scheppen,--als het maar geen Ratten waren. Dehne, die albino's van
de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de
eerste jeugd der jongen en van de wijze, waarop de moeder met hen
omgaat, het volgende: "Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte
Rat zeven jongen. Het oude dier had zich in de kooi van ijzerdraad
een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot
als Meikevers en hadden een bloedroode kleur. Bij elke beweging,
die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep
hooren. Den 8en waren zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den
16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds
kwamen zij voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter
bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze één voor één in den bek
en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een
andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes van
de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en
hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis, den 28en den
omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag
ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden onderling, vervolgden
elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een
aardige wijze, dat het een lust was er naar te zien. Soms gingen
zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten
zich door haar ronddragen. Zij waren veel potsierlijker dan de witte
Huismuizen.--Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en
plaatste haar weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals
een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren,
had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met
een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden, en reeds den
11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik
van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte van het glas, scheen de
moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein
was. Tevergeefs trachtte zij een grooter nest samen te stellen,
waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er
niets meer van hen te zien was; zij zocht ze echter altijd weer
bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine
dieren waren reeds een weinig wit behaard; doch op eens waren zij
allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!"--Reichenbach deed
verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op.

Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden
zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf
voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich
vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare verzorgers als
Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis-
of kamerdieren in de beste beteekenis van 't woord.

Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte
voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de staarten aaneen,
en vormen dan een zoogenaamden "rattenkoning." Van dit monster, dat
men thans in verscheidene verzamelingen zien kan, heeft men zich in
vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger
meende men, dat de rattenkoning, versierd met een gouden kroon, op
een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van
den zetel den geheelen rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms
een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn,
zoodat zij zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende
soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven tot
dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten
een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die veroorzaakt wordt
door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen
zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart men een rattenkoning, die uit
27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden.

Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te
verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer of
minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen
doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze te stellen, want de
lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten
te waarschuwen. Oude Ratten, die reeds andere stamgenooten hebben zien
vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken,
dat zij zeer hevig vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch
komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens
op nieuw vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo
sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is
als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de
Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op de plaatsen,
waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit
middel verdient echter afkeuring, niet alleen omdat de Ratten door het
vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij
dikwijls een deel van het door haar gebruikte voedsel weer uitbraken,
en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen
hen beveiligen wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of
van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout
en ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan
gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het water, dat
zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier
ten gevolge heeft.

Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart
geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert van
de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door Lenz
beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen
stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op dergelijke
plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en
bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen of tegels. Een
vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier
anderen die naar boven toe smaller worden, de zijden. De vierkante
opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem,
zoodat alle zijwanden naar binnen overhellen, waardoor het aan een
Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te
komen. Nu giet men op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet,
een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen,
plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte,
dat, na met honig doortrokken en met maïs, tarwe, haver, een weinig
gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn,
met cement aan den bodem van den kuil bevestigd wordt; door de
nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van
den voor Ratten niet bereikbaren inhoud. Op den bodem van den kuil
wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den
kuil met een rooster bedekt om te verhoeden dat een kip of een jong,
onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer
met den val te bemoeien. "Aangelokt door den aangenamen etensreuk en
de voor ligplaats zoo goed geschikte heede," schrijft Lenz, "springt
de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo
heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden, dat het Knaagdier aan de
verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het
met den reuk van al dat lekkers tevreden zijn, omdat het etenspotje
ontoegankelijk is." De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt,
gelijk licht te begrijpen is, weldra door een woedenden honger gekweld,
tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis
te ontsnappen. Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is
dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten
besnuffelen elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het
gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel
te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege
maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een duel op
leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de
andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val overwinnaar blijft,
zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als
de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde eenige uren later plaats
hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in
deze val; den volgenden dag is het aantal gevangenen stellig met één
verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op;
de kuil blijft altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de
vreeselijkste beteekenis van het woord.

De natuurlijke vijanden van de Ratten--vooral de Uilen, Raven,
Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden--zijn nog de beste
verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een
Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de Bruine Rat
wordt door haar geschuwd. Dehne zag vóór de riolen van Hamburg,
Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen
dezer dieren dacht er aan, het andere den oorlog aan te doen.--Ook
ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet
met de Ratten inlaten. Evenals bij de andere huisdieren dappere en
lafhartige individuën voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen,
welker leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke
liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor
den moed missen. Het kost aan de Kat in 't eerst veel moeite, een
zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten ving
reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar
definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi met zulk
een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele
erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder haar vijand los te
laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist
te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste vijandin der Ratten
gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte
gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet eens volstrekt noodig,
dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door
haar voortdurend rondsluipen in stallen en schuren, in kamers en
kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/20530