Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het Geheimzinnige Eiland

by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #20331 · 460,371 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het Geheimzinnige Eiland
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het Geheimzinnige Eiland

Author: Jules Verne

Translator: Gerard Keller


        
Release date: January 11, 2007 [eBook #20331]
                Most recently updated: January 1, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/20331

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GEHEIMZINNIGE EILAND ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/









                          WONDERREIZEN.


                          JULES VERNE



                   HET GEHEIMZINNIGE EILAND.
                   DE LUCHTSCHIPBREUKELINGEN.


              NAAR DE 20STE FRANSCHE UITGAVE DOOR

                         GERARD KELLER.


                           AMSTERDAM
                UITGEVERS-MAATSCHAPPY "ELSEVIER"
                             1914.







I.

    De orkaan van 1865.--Stemmen in de lucht.--Een luchtballon
    door een windhoos medegesleept.--De ballon gescheurd.--Niets
    dan de zee voor oogen.--Vijf reizigers.--Wat in het schuitje
    gebeurt.--Een kust aan den horizon.--Ontknooping van het drama.


"Stijgen wij!"

"Neen! Integendeel! Wij dalen!"

"En erger dan dat, mijnheer Cyrus! Wij vallen!"

"Werp dan in 's hemels naam allen ballast over boord!"

"Daar gaat de laatste zak!"

"Stijgt de ballon thans?"

"Neen!"

"Het is of ik het klotsen der golven hoor."

"De zee is onder het schuitje!"

"Zij is hoogstens vijf honderd voet beneden ons!"

Daarop doorkliefde een krachtige stem de lucht met de woorden:

"Alles wat gewicht heeft over boord!.... alles! werp alles over boord
en Gode bevolen!"

Dit was het bevel dat gegeven werd boven de onmetelijke uitgestrektheid
der Stille Zee, tegen vier uur in den avond van den 23sten Maart 1865.

Ieder herinnert zich zeker nog den vreeselijken storm, die uit het
noordoosten woei bij de dag- en nachtevening van dat jaar, terwijl
de barometer zevenhonderd en tien millimeter daalde. Het was een
orkaan zonder tusschenpoozen, die van den 18den tot den 26sten
Maart duurde. Vreeselijk waren de verwoestingen die hij aanrichtte
in Amerika, Europa en Azië over een streek van achttienhonderd
mijlen breedte, die zich schuin over de evennachtslijn uitstrekte,
van de vijfendertigste noordelijke, tot de veertigste zuidelijke
parallel! Geheele steden werden omvergeworpen; wouden ontworteld;
oevers door bergen van water verwoest, opgezweept als bij het hoogste
springtij; schepen op de kust geslingerd, die door het _Bureau
Veritas_ bij honderden werden aangeteekend; gansche landen werden
gelijk gemaakt door de hoozen, die alles op haar weg verbrijzelden:
duizenden menschen vielen verpletterd ter aarde of werden door de
zee verzwolgen: dit waren de slachtoffers van de woede, waarvan deze
orkaan de geduchte sporen achterliet. De rampen overtroffen verre die,
welke op zoo schrikbarende wijze Havanna en Guadeloupe verwoestten,
de eene den 25sten October 1810 en de andere 26 Juli 1825. Maar op
hetzelfde oogenblik dat deze onheilen op aarde en op zee voorvielen,
was de lucht het tooneel van een niet minder schrikwekkend schouwspel.

Een ballon, als een bal op den top van een hoos, en in de draaiende
beweging van de luchtzuil medegesleept, doorkliefde de ruimte met een
snelheid van negentig mijlen in het uur, om zijne as rondwentelende
alsof hij door een draaikolk in de lucht was gegrepen.

Onder den ballon werd het schuitje heen en weder gezweept met zijn
vijf reizigers, die ternauwernood zichtbaar waren te midden van de
dichte dampen, vermengd met het schuim, dat van de oppervlakte der zee
zich verhief. Van waar kwam die luchtballon, thans een speelbal van den
vreeselijken storm? In welk gedeelte der wereld was hij opgegaan? Zeker
had hij niet gedurende den orkaan kunnen opstijgen. Nochthans de
orkaan woedde reeds vijf dagen, en de eerste verschijnselen hadden
zich den 18den voorgedaan. Men moest hieruit dus wel opmaken, dat
die ballon van zeer verre kwam, want hij had toch niet minder dan
twee duizend mijlen in de vierentwintig uur moeten afleggen?

In elk geval hadden de reizigers geen enkel middel tot hun beschikking
om den weg, dien zij sedert hun vertrek hadden afgelegd, te schatten,
daar zij niets tot maatstaf bezaten. Zelfs deed het zonderlinge
geval zich voor, dat toen zij in het hevigst van den storm waren,
zij er niets van gevoelden. Ook werd hun het gezicht benomen door den
zwaren mist, die zich onder het schuitje samenpakte. Om hen heen was
niets dan nevel en damp, en de wolken waren zelfs zoo ondoorschijnend,
dat zij bijna niet konden gewaar worden of het nacht of dag was.

Geen enkele lichtstraal, geen enkel teeken van leven uit de bewoonde
wereld, noch het klotsen der golven van den Oceaan konden hen in die
onmetelijke duisternis bereiken, zoolang zij in die hooge luchtstreek
waren. Slechts hun plotselinge daling had hen bekend gemaakt met het
gevaar dat zij boven de golven dreven.

Maar zoodra de ballon vrij was van alle zware voorwerpen, zoo als
ammunitie, wapenen en levensmiddelen, was hij terstond gestegen
in hoogere luchtlagen tot een hoogte van vier duizend vijf honderd
voet. De reizigers hadden, zoodra zij bemerkten dat de zee onder hun
schuitje was, en zij het minder gevaarlijk in de hoogte dan wel in de
laagte achtten, niet geaarzeld alle voorwerpen, zelfs de onmisbaarste,
over boord te werpen, want hun eenigste zorg was niets te verliezen
van die vloeistof, de ziel van hun toestel, die hen boven den afgrond
hield.

De nacht ging onder de vreeselijkste angsten voorbij en zeker zou
hij voor minder krachtige mannen doodelijk zijn geweest. Eindelijk
brak de dag aan, en met den dag, was het of de orkaan in hevigheid
was afgenomen. Reeds bij het begin van den 27sten Maart waren er
eenige voorteekenen van kalmte te bespeuren. Bij het aanbreken van
den dageraad waren de wolken lichter geworden en weder naar hoogere
luchtstreek gestegen, en binnen eenig uren was de hoos geëindigd en
brak de zon door.

Op dit oogenblik wierpen de reizigers de laatste voorwerpen, die
het schuitje bezwaarden, in zee, zelfs de weinige nog overgebleven
levensmiddelen, en een van hen had zich opgeheschen naar den ring waar
alle touwen bijeenkwamen, om het schuitje vaster aan den binnensten
toestel van den ballon te hechten.

Blijkbaar konden zij den ballon niet meer in de hooge luchtstreek
houden en ontbrak het hun aan gas!

Zij waren dus verloren!

Inderdaad bevonden zij zich noch boven het vasteland, noch boven een
eiland. Op die geheele uitgestrektheid was geen enkel stuk grond,
zelfs geen zandbank te bespeuren, of eenige harde oppervlakte waar
zij hun anker konden laten vallen.

Toch moesten zij dalen, want zij konden niet verhinderen, dat het
gas door een opening in den toestel ontsnapte; zoo, vóór dat de nacht
inviel, geen land te zien was, zouden de luchtreizigers, het schuitje
en de ballon ongetwijfeld door de golven verzwolgen zijn.

Het eenige wat hun nog te doen stond, werd door hen gedaan.

Zeker is het dat de reizigers moedige mannen waren, die den dood in
het aangezicht durfden zien. Geen klacht kwam over hun lippen. Zij
waren besloten tot het laatste oogenblik te strijden, alles te doen
om hun val te vertragen.

Het schuitje bestond slechts uit een mand van teenen gevlochten,
volstrekt niet in staat te drijven, en er was geen mogelijkheid om
het op de oppervlakte der zee te houden, wanneer het viel.

Tegen twee uur was de ballon nauwelijks vier honderd voet van de
golven verwijderd.

Op dat oogenblik klonk een stentor-stem, waaruit niet de minste angst
sprak. En zijn woorden werden op even krachtigen toon beantwoord.

"Is alles er uit geworpen?"

"Neen! Er zijn nog tweeduizend dollars goud geld!" Terstond daarop
werd een zware zak door de golven verzwolgen.

"Stijgt de ballon?"

"Een weinig; maar hij zal spoedig weer dalen!"

"Wat is er nog over, dat uitgeworpen kan worden?"

"Niets!"

"Toch wel!.... De schuit!"

"Laten wij ons aan het net vasthouden! En werpt de schuit in zee!"

Dit was inderdaad het eenige en laatste middel om den ballon lichter
te maken.

De touwen, die het schuitje aan den ballon bevestigden, werden
losgesneden en plotseling steeg hij twee duizend voet.

De vijf reizigers hadden zich in het net geheschen en staarden in
den afgrond.

De stijging door het lossnijden van de schuit veroorzaakte duurde
slechts een zeer korten tijd, want al spoedig begon de ballon, door
het ontsnappen van het gas, weder te dalen.

De reizigers hadden alles gedaan wat zij doen konden, en hun restte
nu niets anders dan zich aan God over te geven.

Ten vier ure was de ballon gedaald tot vijfhonderd voet boven de
oppervlakte der zee.

Eensklaps begon de hond, die zich naast zijn meester in het net had
gewrongen, te blaffen.

"Top heeft iets gezien!" riep een der luchtvaarders uit. Daarop klonk
onmiddellijk een krachtige stem over de uitgestrekte wateren:

"Land! Land!"

De ballon werd door den wind altijd in een zuidwestelijke richting
gedreven en had sedert het opkomen van de zon een aanmerkelijken
afstand afgelegd; inderdaad zag men nu in die richting een vrij hoog
land. Maar het was nog dertig mijlen onder den wind. Een uur zou er
noodig zijn om het te bereiken, zoo men tenminste niet afdreef. Een
uur! Zou de ballon in dien tijd niet al zijn gas verloren hebben?

Maar, weldra was het duidelijk dat de ballon niet verder kon.

Hij scheerde de oppervlakte der zee. Reeds bereikte het schuim der
golven het onderste gedeelte van het net; hij ging hoe langer zoo
langzamer en weldra kon hij zich bijna niet meer oprichten en was een
aangeschoten vogel gelijk. Een half uur later was het land nog maar op
een mijl afstand, maar de ballon was nagenoeg ledig, slap, vol plooien
en slechts in het bovenste gedeelte was er nog gas aanwezig. Zelfs de
reizigers, die aan het net hingen, waren te zwaar, en spoedig half in
zee gedompeld moesten zij met de woedende golven strijden. Er kwam een
deuk in den ballon, de wind drong er binnen en blies hem voorwaarts
als een schip, dat den wind achter heeft. Misschien zouden zij op
deze wijze de kust nog bereiken! Zij waren geen twee kabel-lengten er
van verwijderd, toen een doordringende kreet de lucht doorkliefde. De
ballon, die zich niet meer scheen te kunnen opheffen, kreeg plotseling
een onverwachten schok, nadat een krachtige golf hem had getroffen. Het
was alsof hij weder van een zwaren last ontheven was en hij steeg tot
een hoogte van vijftienhonderd voet. Twee minuten later viel hij op
het zand der kust, buiten het bereik der golven. De reizigers maakten
elkaar los uit de mazen van het net. De ballon, bevrijd van zijn last
werd door den wind opgenomen en als een gewonde vogel, die nog een
oogenblik zijn krachten voelt herleven, verdween hij in het luchtruim.

Het schuitje had vijf passagiers gehad met een hond, en de ballon
wierp er slechts vier op de kust. De reiziger, die ontbrak, was
zeker door dien golfslag verzwolgen en hierdoor was de zware ballon
in staat geweest voor de laatste maal te stijgen, en daarop, eenige
oogenblikken later, het land te bereiken.

Nauwelijks hadden de vier schipbreukelingen, zooals men hen noemen kan,
voet aan wal gezet, of allen, aan den afwezige denkende, riepen ze uit:

"Misschien tracht hij met zwemmen de kust te bereiken! Laten wij
hem redden!"




II.

    Eene gebeurtenis uit den burgeroorlog.--De ingenieur Cyrus
    Smith.--Gideon Spilett.--De neger Nab.--De zeeman Pencroff.--De
    jonge Harbert.--Een onverwacht voorstel.--Samenkomst ten tien
    ure.--Vertrek in den storm.


Het waren noch luchtreizigers van beroep, noch liefhebbers van
luchtreizen die de orkaan op de kust had geworpen. Het waren
krijgsgevangenen, die door hunne vermetelheid gedreven waren, om
onder de zonderlingste omstandigheden te ontvluchten. Honderd maal
hadden zij moeten sterven! Honderd maal was hun ballon gescheurd en
hadden zij in den afgrond moeten zinken! Maar de hemel had hen tot een
bijzonder lot bestemd, en den 20sten Maart nadat zij Richmond ontvlucht
waren, dat door de troepen van generaal Ulysses Grant belegerd werd,
bevonden zij zich zeven duizend mijlen van de hoofdstad van Virginia
verwijderd, de voornaamste vesting der zuidelijken uit den tijd van den
amerikaanschen burgeroorlog. Hunne luchtreis had vijf dagen geduurd.

Ziehier onder welke zonderlinge omstandigheden de ontvluchting
der gevangenen plaats had--eene ontvluchting die uitliep op de
gebeurtenissen, welke wij zooeven medegedeeld hebben.

Datzelfde jaar, in de maand Februari 1865, beproefde generaal Grant
zich door overrompeling van Richmond meester te maken, maar het gelukte
hem niet en vele officieren vielen in handen der vijanden en werden
binnen de stad geïnterneerd. Een der aanzienlijksten van hen en die
tot den staf der noordelijken behoorde, was Cyrus Smith.

Cyrus Smith, geboren in Massachussets, was ingenieur, een der kundigste
mannen waaraan de regeering der Vereenigde Staten gedurende den oorlog
het opzicht over de spoorwegen had toevertrouwd, die toen in den
oorlog van zoo onberekenbaar gewicht waren. Hij was het type van een
Noord-Amerikaan, mager, lang en beenderig, ongeveer vijf en veertig
jaar oud, en zijn kort geschoren hoofdhaar en baard begonnen reeds
een grijze tint te vertoonen. Hij had een kop die bestemd scheen om op
munten afgebeeld te worden met vurige oogen en ernstigen mond, en zijn
geheele voorkomen was dat van een man doorkneed in de krijgskundige
wetenschappen. Hij behoorde tot de ingenieurs, welke wilden beginnen
met het hanteeren van hamer en houweel, gelijk die generaals, welke
als gemeen soldaat hunne loopbaan aanvangen. Aan scherpzinnigheid
van geest paarde hij een ongewone vaardigheid der hand. Zijn spieren
droegen de duidelijkste teekenen van veerkracht. Een man die zoowel
tot handelen als tot denken in staat was; die door den invloed eener
groote levenskracht zonder inspanning handelde, daar hij tevens die
taaie volharding bezat, welke allen tegenspoed tart. Geleerd, practisch
en tevens scherpzinnig, had hij een uitstekend karakter, want hoewel
hij steeds meester over zich zelf bleef, welke omstandigheden zich
ook voordeden, kwam hij zeer stipt deze drie voorwaarden na, die te
zamen den energieken man vormen: werkzaamheid naar geest en lichaam;
streven naar het hoogste doel; wilskracht. Zijn zinspreuk kon die
van den stadhouder Willem III wezen. "Ik behoef niet te hopen om te
ondernemen, noch te slagen om te volharden." Tevens was Cyrus Smith
de verpersoonlijkte moed. Hij had alle veldslagen in den burgeroorlog
mede gemaakt.

Hij was begonnen met te dienen onder Ulysses Grant bij de
vrijwilligers van Illinois; hij had gestreden bij Paducah, Belmont,
Pittsburg-Landing, bij de belegering van Corinthe, bij Port Gibson,
de Zwarte Rivier, Ghattanooga, Wilderness en ook op den Potomak
had hij zijn hulp verleend; overal had hij dapper gestreden, als
een soldaat, den generaal waardig, die zeide: "Ik tel mijne dooden
niet!" En honderdmaal had Cyrus Smith behoord onder hen, die door
generaal Grant niet geteld werden, maar in die veldslagen nam hij zich
nooit in acht; het lot was hem steeds gunstig tot op het oogenblik
dat hij gewond werd en bij den slag van Richmond gevangen werd genomen.

Op hetzelfde tijdstip en denzelfden dag viel ook een ander gewichtig
persoon met Cyrus Smith in handen der Zuidelijken. Niemand anders dan
Gideon Spilett, correspondent van den _New-York Herald_ die naar het
oorlogsveld was gezonden.

Gideon Spilett was een van die bewonderenswaardige, engelsche of
amerikaansche correspondenten, als Stanley en anderen, die voor niets
terugdeinzen om een nauwkeurige opgave te bekomen en deze zoo snel
mogelijk aan hun courant te berichten. Hij was een man van groote
verdiensten, energiek, steeds bereid alles te doen, en voor alles
raad te schaffen, die de geheele wereld doorkruist had als soldaat en
artist, stoutmoedig in zijn raadgevingen, krachtig in zijn handelingen;
moeite, vermoeienissen noch gevaren waren hem te veel, wanneer het
er op aan kwam alles te weten, in de eerste plaats voor zich zelf en
vervolgens voor zijn courant; een van die helden der weetgierigheid,
altijd strevend naar onderzoek, van het onuitgegevene, onbekende en
onmogelijke; hij behoorde tot een van die onverschrokken opmerkers
die schrijven onder het bulderen van het kanon, en voor wie alle
gevaren buitenkansjes zijn. Ook hij had alle veldslagen mede gemaakt,
met de revolver in de eene hand en zijn aanteekeningboekje in de
andere en de kanonnen deden zijn potlood niet trillen. Hij gebruikte
de telegraaflijnen niet onophoudelijk zooals zij die altijd praten
en niets te zeggen hebben, maar al zijn korte, duidelijke en nette
berichten verspreidden licht over iedere belangrijke zaak. Bovendien
ontbrak het hem niet aan geest. Hij was het, die na den slag aan de
Zwarte Rivier, het mocht kosten wat het wilde, zijn plaats aan het
loket van het telegraafkantoor behouden wilde; ten einde zijn blad den
afloop van den slag te berichten, telegrapheerde hij twee uur lang de
eerste hoofdstukken uit den Bijbel. Hij betaalde daarvoor twee duizend
dollars, maar de _New-York Herald_ had het eerst het bericht ontvangen.

Gideon Spilett was lang van gestalte. Hoogstens veertig jaar oud met
blonde bijna roode bakkebaarden, een vastberaden, levendigen en snellen
oogopslag. Krachtig gebouwd, was hij in staat in alle luchtstreken
te vertoeven, als een stalen staaf in het koude water gehard.

Sedert tien jaar was Gideon Spilett de correspondent van den _New-York
Herald_ en verrijkte hij dit blad met zijn verslagen en schetsen,
want hij kon even goed met het potlood als met de pen omgaan. Toen
hij gevangen genomen werd was hij juist bezig een beschrijving en
een teekening van den slag te geven. De laatste woorden op zijn
aanteekeningboekje waren:


    "Een Zuidelijke legt op mij aan en...."


En Gideon Spilett werd niet geraakt, want volgens zijn onveranderlijke
gewoonte kwam hij er slechts met een schampschot af.

Cyrus Smith en Gideon Spilett, die elkander niet kenden dan bij
reputatie, werden naar Richmond gebracht. De ingenieur genas spoedig
van zijn wonden, en gedurende zijn herstel maakte hij kennis met
den correspondent. De beide mannen leerden elkander kennen en
waardeeren. Spoedig had hun leven hetzelfde doel: te ontvluchten,
zich weder bij het leger van Grant te voegen en te strijden voor de
eenheid van Amerika.

De twee Amerikanen hadden dus besloten om van elke gelegenheid gebruik
te maken; maar hoewel zij in Richmond alle vrijheid hadden, werd deze
stad zoo streng bewaakt, dat een ontvluchting als onmogelijk moest
beschouwd worden.

In dien tusschentijd had zich een bediende van Cyrus Smith bij hen
gevoegd, die hem in leven en dood getrouw was. De dappere man was
een neger, die op het grondgebied van den ingenieur geboren was,
wiens ouders slaven waren, maar die sedert lang vrij was gemaakt door
Cyrus Smith, een abolitionist met hart en ziel.

Als vrij geworden slaaf wilde hij toch zijn meester niet verlaten.

Hij zou voor hem door een vuur hebben geloopen. Hij was ongeveer
dertig jaren oud, krachtig, vlug en handig, had veel gezond verstand,
een kalmen en zachten aard, somtijds was hij wat onnoozel maar altijd
welwillend, gedienstig en goedhartig. Hij heette Nebuchadneser,
maar gewoonlijk werd hij bij verkorting Nab genoemd.

Toen het Nab ter oore kwam dat zijn meester gevangen was genomen,
verliet hij zonder dralen Massachussets, ging naar Richmond en door
list, na wel twintig maal gevaar te hebben geloopen zijn leven te
verliezen, gelukte het hem de belegerde stad binnen te dringen. Welk
een vreugde het voor Cyrus Smith was, toen hij zijn bediende terug
zag, evenals Nab's blijdschap bij het vinden van zijn meester, valt
moeilijk te beschrijven.

Zoo Nab binnen Richmond had weten te komen, viel het wel zoo moeilijk
deze stad weder te verlaten, want men bewaakte de krijgsgevangenen
zeer streng. Men moest op eene onvoorziene omstandigheid rekenen om
een ontvluchting te beproeven die op een goeden uitslag kans had,
zulk een omstandigheid deed zich niet voor en het was onmogelijk haar
te scheppen.

Intusschen ging het beleg voort; en zoo de gevangenen vurig verlangen
zich weder onder Grant te scharen, niet minder wenschten sommige
belegerden te ontvluchten. Onder dezen was Jonathan Forster, een
vurige zuidelijke. Inderdaad, de noordelijken konden niet ontvluchten,
maar de zuidelijken evenmin; want het leger der noordelijken had
hen ingesloten.

De gouverneur van Richmond kon sedert langen tijd geen bericht van
zijn toestand aan generaal Lee zenden, en het was toch van het hoogste
belang dat deze daarmede bekend zou zijn, opdat dan des te spoediger
hulp zou opdagen.

Jonathan Forster kwam op het denkbeeld een luchtballon te laten
opstijgen en zoo over de belegeraars heen het kamp der zuidelijken
te bereiken.

De gouverneur gaf tot deze poging verlof. Er werd een ballon
vervaardigd en ter beschikking van Jonathan Forster gesteld, die met
vijf metgezellen de lucht moest doorklieven. Zij werden van de noodige
wapenen en levensmiddelen voorzien, ingeval zij met den vijand in
aanraking kwamen, of hun reis lang mocht duren.

Het vertrek van den ballon was op den 18den Maart bepaald. Des nachts
zouden zij bij een kalmen noordwesten wind, binnen weinige uren het
kamp van generaal Lee bereiken. Maar de noordwesten wind was lang
geen gewone bries. Reeds 's morgens vermoedde men dat het een orkaan
zou worden. Weldra werd de storm zoo hevig, dat er geen denken aan
vertrekken meer was. De 18de en 19de Maart gingen voorbij en geen
verandering was er te bespeuren. Het was zelfs moeilijk den ballon
zoo lang te bewaren. De nacht van 19 op 20 verstreek, maar bij het
aanbreken van den morgen bleek de storm nog heviger te wezen. Het
vertrek was onmogelijk. Dien dag werd de ingenieur Cyrus Smith in
een der straten van Richmond aangesproken door een man, dien hij
niet kende. Het was een matroos, Pencroff genaamd, tusschen de vijf
en dertig en veertig jaar oud, krachtig gebouwd, met een door de zon
verbrand gelaat, levendige oogen, die hij onophoudelijk knipte, maar op
zijn geheele voorkomen was goedhartigheid te lezen. Deze Pencroff was
een Noord-Amerikaan, die alle zeeën op den aardbodem doorkruist had,
en die, wanneer het avonturen betrof, alles beleefd had wat met een
levend wezen op twee beenen en zonder vleugels gebeuren kan. Onnoodig
is het te zeggen, dat hij een ondernemende geest bezat, alles durfde
en niets hem verwonderde. Pencroff was in het begin van dit jaar voor
zaken naar Richmond gegaan met een knaap van vijftien jaar, Harbert
Brown van New-Jersey, den zoon van zijn kapitein, nu een wees, die
hij als zijn eigen kind liefhad. Hij was ook genoodzaakt geweest in
de stad te blijven, en wilde nu niets liever dan ontvluchten. Hij
kende Cyrus Smith bij naam en wist ook dat hij met ongeduld wachtte
op een gelegenheid om te ontkomen. Hij aarzelde dien dag dus niet
om hem, zonder eenige voorbereiding aan te spreken met de woorden:
"Mijnheer Smith, hebt gij genoeg van Richmond?"

De ingenieur zag den persoon, die hem aldus toesprak, ernstig aan,
waarop deze verder vroeg:

"Mijnheer Smith, wilt gij vluchten?"

"Wanneer?......" antwoordde de ingenieur levendig. Zeker is het dat
hem deze woorden onwillekeurig ontsnapten, want hij had den onbekende,
die hem aldus aansprak, nog niet genoeg opgenomen.

Maar toen hij met een doordringenden blik het open gelaat van
den matroos had opgenomen, koesterde hij geen twijfel meer aan de
eerlijkheid van den man, die voor hem stond.

"Wie zijt gij?" vroeg hij kortaf.

Pencroff maakte zich bekend.

"Goed," antwoordde Cyrus Smith. "En op welke wijze wilt gij de vlucht
ondernemen?"

"Met dien luien luchtballon, die daar ligt om niets uit te voeren;
hij maakt op mij den indruk dat hij op ons wacht!...."

De matroos behoefde zijn zin niet te voleinden. De ingenieur had de
geheele zaak uit dat ééne woord begrepen. Hij vatte Pencroff bij den
arm en voerde hem met zich mede naar zijn kamer. Daar legde de matroos
zijn geheele plan bloot, dat inderdaad zeer eenvoudig was. Men waagde
bij het uitvoeren slechts zijn leven. De orkaan was wel is waar in
volle hevigheid, maar een ervaren en moedig ingenieur zooals Cyrus
Smith zou zulk een ballon wel weten te besturen. Zoo Pencroff zelf
er maar eenig verstand van had, zou hij niet geaarzeld hebben te
vertrekken,--natuurlijk met Harbert. Anderen hadden het wel gedaan,
en men behoefde voor een storm geen angst te hebben!

Cyrus Smith luisterde naar den matroos en viel hem geen oogenblik in
de rede, maar zijn oogen schitterden. De gelegenheid bood zich aan
en hij was er de man niet naar, die voorbij te laten gaan. Wel was
het plan zeer gevaarlijk, maar toch uitvoerbaar. 's Nachts kon men,
ondanks de strenge bewaking, zeer gemakkelijk den ballon naderen,
in het schuitje stappen en daarop de touwen doorsnijden, die hem
vasthielden. Zeker, men liep gevaar omtekomen, maar daartegenover
stond dat men slagen kon en zonder dien storm.... Maar zonder dien
storm zou de ballon reeds vertrokken zijn, en de gelegenheid, die
men zoo vurig wenschte, zou zich niet hebben voorgedaan. "Ik ben niet
alleen!...." zeide Cyrus Smith eindelijk.

"Hoeveel personen wilt gij nog medenemen?" vroeg de matroos.

"Twee: mijn vriend Spilett en mijn bediende Nab."

"Dat is drie," antwoordde Pencroff, "en Harbert en ik maakt vijf. Maar
de ballon moest er zes medenemen...."

"Het is genoeg. Wij zullen vertrekken!" zei Cyrus Smith.

Met het "wij" werd ook de correspondent bedoeld, maar deze was niet
voor een klein gerucht vervaard en toen het plan hem medegedeeld werd,
was hij het ten volle met zijn vriend eens. Het eenige waarover
hij zich verwonderde, was, dat dit plan niet vroeger bij hem was
opgekomen. En wat Nab betreft, deze volgde zijn meester overal,
waar hij gaan wilde.

"Heden avond dus," zeide Pencroff. "Wij zullen alle vijf als
nieuwsgierigen daar ronddwalen!"

"Heden avond ten tien ure," antwoordde Cyrus Smith, "en de hemel geve,
dat de storm niet voor ons vertrek afneemt!"

Pencroff verliet den ingenieur en keerde naar zijn woning terug, waar
hij Harbert Brown had achtergelaten. Dit moedige kind kende het plan
van den matroos en niet zonder angst wachtte hij den uitslag van het
gesprek met den ingenieur af. Vijf personen dus hadden besloten zich,
te midden van een heftigen storm, tusschen hemel en aarde te wagen.

De avond viel. Het was een stikdonkere nacht. De straten waren geheel
verlaten. Men had zelfs niet noodig geacht de plaats te bewaken waar
de ballon heen en weer slingerde. Alles was blijkbaar het vertrek der
gevangenen gunstig; maar die reis te midden der woedende elementen!....

"Slecht getij!" zeide Pencroff, terwijl hij zijn hoed stevig op zijn
hoofd drukte. "Maar kom, wij zullen alles toch wel klaar spelen!"

Tegen half tien uur stonden de gevangenen naast het schuitje bij
elkander. Niemand had hen bemerkt, en zulk een duisternis heerschte
er, dat zij ook elkander niet zagen. Zonder een woord te spreken,
plaatsten Cyrus Smith, Gideon Spilett, Nab en Harbert zich in het
schuitje, terwijl Pencroff op bevel van den ingenieur den ballast er
uitwierp. Dit was het werk van weinige oogenblikken en spoedig voegde
de matroos zich bij hen.

De ballon werd slechts door een dubbel kabeltouw tegengehouden en
wachtte op het bevel van Cyrus Smith om te stijgen. Op dat oogenblik
sprong een hond tegen het schuitje op. Het was Top, de hond van den
ingenieur, die van zijn ketting was losgebroken en zijn meester had
gevolgd. Cyrus Smith, die vreesde voor te groote zwaarte, wilde het
arme dier niet medenemen.

"Kom, één meer!" zeide Pencroff, terwijl hij twee zakken zand uit
het schuitje wierp.

Daarop sneed hij den kabel los en de ballon steeg in een schuinsche
richting, terwijl het schuitje in zijn vaart twee schoorsteenen
verbrijzelde. De orkaan woedde in al zijn hevigheid. De ingenieur
kon er gedurende den nacht niet aan denken te dalen, en toen de
morgen aanbrak kon hij door den zwaren mist niets van de aarde
bespeuren. Eerst vijf dagen later klaarde het op en was hij in staat
de onmetelijke zee onder het schuitje te zien, dat door den wind met
een vreeselijke snelheid werd voortgedreven!

Men weet, dat van de vijf personen, die den 20sten Maart vertrokken,
vier den 24sten op een verlaten kust werden geworpen, die meer dan
zes duizend mijlen van hun land was verwijderd.

En hij die ontbrak, tot wiens hulp de vier overigen terstond alle
pogingen in het werk stelden, was hun chef, de ingenieur Cyrus Smith.




III.

    Vijf uur in den avond.--Hij die ontbreekt.--Wanhoop van
    Nab.--Nasporingen ten Noorden.--Het eilandje.--Een nacht
    vol angst.--De morgennevel.--Nab zwemt.--Land in zicht.--Het
    doorwaden van het kanaal.


De mazen van het net waartusschen de ingenieur zich geslingerd
had, waren onder den last bezweken, en hij was door een golf
meegesleept. Ook zijn hond was verdwenen. Het trouwe dier had zich
vrijwillig in den afgrond gestort, om zijn meester te redden.

"Vooruit!" riep de correspondent. En alle vier, Gideon Spilett,
Harbert, Pencroff en Nab vergaten hun vermoeienissen en vingen hun
onderzoek aan.

De arme Nab weende van woede en wanhoop, bij de gedachte dat hij
alles verloren had, wat hem op de wereld lief was.

Geen twee minuten waren er verloopen sedert het oogenblik dat
Cyrus Smith verdwenen was en zijn metgezellen op vasten wal waren
gekomen. Zij hadden dus nog eenige kans hem te redden.

"Laten wij hem zoeken! laten wij hem zoeken!" riep Nab uit.

"Ja, Nab," zeide Gideon Spilett, "en wij zullen hem terugvinden."

"Levend?"

"Levend!"

"Kan hij zwemmen?" vroeg Pencroff.

"Ja," antwoordde Nab. "En bovendien is Top er bij!"

De matroos hoorde het klotsen der golven en schudde het hoofd! Zeker
was de ingenieur op de noordelijke kust van het eiland en ongeveer
een halve mijl afstands van het punt waar de schipbreukelingen waren
neergekomen, verdwenen. Het was toen zes uur. De mist viel neder en dit
maakte dat de nacht zeer donker was. De schipbreukelingen volgden de
noordelijke richting der kust, waarop het toeval hen geworpen had--een
onbekend land, waarvan zij zelfs de ligging niet konden gissen.

Nadat zij twintig minuten geloopen hadden, bevonden zij zich plotseling
voor de zee. Zij voelden geen vasten grond meer. Zij waren aan het
einde van een spits toeloopende punt, waarop de onstuimige golven
braken.

"Dit is een voorgebergte," zeide de matroos. "Wij moeten weer
terugkeeren."

"Maar zoo hij daar is?" zeide Nab.

"Wij zullen hem roepen," antwoordde Pencroff. Eenige malen riepen
zij hem, doch te vergeefs; daarop vervolgden zij hun weg meer
zuidwaarts. Nadat zij anderhalve mijl afgelegd hadden, steeds in de
hoop plotseling een hoek te zien dien hen weer de noordelijke richting
kon doen volgen, was hun teleurstelling zeer groot, toen zij nogmaals
stuitten op steile rotsen.

"Wij zijn op een eilandje!" zeide Pencroff, "en wij hebben het van
zijn eene uiteinde naar het andere doorsneden!"

De opmerking van den matroos was juist. De schipbreukelingen waren niet
op het vaste land, zelfs niet op een eiland, maar op een eilandje van
twee mijlen lengte, en dat zeker niet veel breeder kon zijn. Eindelijk
zeide de correspondent:

"Dat wij niets van Cyrus Smith hooren, bewijst niets. Hij kan in
zwijm liggen, gewond zijn of buiten staat ons op het oogenblik te
antwoorden. Laten wij nog niet wanhopen."

Daarop kwam Spilett op het denkbeeld om een vuur aan te leggen, dat
den ingenieur tot eenig signaal zou kunnen dienen. Maar men kon nergens
takkenbossen of droog hout vinden. Slechts zand en steenen waren er.

Het waren pijnlijke uren die zij sleten. Er heerschte een
felle koude. De schipbreukelingen leden veel, maar voelden
het ternauwernood. Zij dachten er niet aan, zich een oogenblik
rust te gunnen, zij vergaten alles om hun leidsman maar terug te
vinden. Terwijl Nab steeds stond te roepen, was het of een zijner
kreten werd weerkaatst. Harbert deed dit Pencroff opmerken en voegde
er bij:

"Dat is een bewijs dat er in het westen een kust nabij is."

De matroos knikte toestemmend. Zijn oogen konden hem buitendien ook
niet bedriegen. Zoo hij daar, hoe flauw het ook wezen mocht land zag,
dan was daar ook land.

Maar die echo was het eenige antwoord, dat Nab op zijn geroep kreeg:
overigens bleef alles doodstil om hen heen.

De nacht ging voorbij. Tegen vijf uur in den ochtend van den 25sten
Maart kwamen er kleine wolken aan den hemel. De horizon was betrokken
en, met het krieken van den dag, steeg er zulk een dikke mist uit
zee op, dat men geen twintig pas vóór zich uit kon zien. De mist werd
hoe langer zoo zwaarder.

Dit was een groote teleurstelling. De schipbreukelingen konden niets
om zich heen zien. En terwijl Nab en de correspondent hun blik over
den oceaan lieten dwalen, zochten Pencroff en Harbert de westelijke
kust. Maar geen streep land was er te bespeuren.

"Het doet er niet toe," zeide Pencroff, "al zie ik geen kust, toch
voel ik dat er een is.... zij is daar.... daar.... even zeker als
dat wij niet meer te Richmond zijn!"

De mist hield niet lang aan. Spoedig brak de zon door en verspreidde
eene aangename warmte over het eilandje.

Ja! Daar was land. Daar waren zij voor het oogenblik in
veiligheid. Tusschen het eilandje en de kust, van elkander gescheiden
door een kanaal van een halve mijl breedte, stroomde een helder en
snelvlietend water.

Intusschen wierp zich een der schipbreukelingen, slechts aan de
ingeving van zijn hart gehoor gevende, zonder een woord tot zijn
metgezellen te zeggen in den stroom. Het was niemand anders dan
Nab. Hij verlangde slechts om op die kust te zijn en zich noordwaarts
te begeven. Niemand had hem kunnen weerhouden.

Pencroff riep hem terug, maar te vergeefs; Spilett wilde hem nu
ook volgen.

Pencroff ging naar dezen toe.

"Wilt gij dat kanaal oversteken?" vroeg hij.

"Ja," antwoordde Gideon Spilett.

"Wacht liever," zeide de matroos. "Nab is voldoende om zijn meester
hulp te brengen. Zoo wij ons in dit kanaal werpen, loopen wij nog
gevaar door den heftigen stroom mede gevoerd te worden. Zoo ik mij niet
vergis is het eb. Zie maar, de zee wijkt terug van het strand. Laten
wij dus geduld hebben, misschien vinden wij een doorwaadbare plaats."

Nab had in dien tijd na vele moeielijkheden te hebben doorworsteld
de overzijde bereikt. Eindelijk stond hij op een hoog rotsblok en
verdween weldra daarachter.

Tegen tien uur trokken Gideon Spilett en zijn twee metgezellen hun
kleederen uit, maakten er een pakje van, dat zij op hun hoofd legden en
waagden zich in het kanaal dat geen vijf voet diep was. Harbert voor
wien het water te hoog was, zwom als een visch, wat hem uitmuntend
afging. Alle drie kwamen zonder moeite aan de overzijde. Daar droogde
de zon hen spoedig en trokken zij de kleederen weer aan, die zij voor
nat worden bewaard hadden, en overlegden zij wat hun te doen stond.




IV.

    De lithodomen.--De rivier en haar monding.--Voortzetting van
    het onderzoek.--Het woud der groene boomen.--De voorraad
    brandstof.--Men wacht den vloed af.--Van de hoogte der
    kust.--De houtvlotten.--Terugkeer naar den oever.


Voor het oogenblik, zeide de correspondent, moesten zij maar wachten
tot hij terugkwam en zonder een oogenblik te verliezen, volgde hij
de kust, dezelfde richting nemende welke Nab eenige uren vóór hem
was ingeslagen. Daarop verloren zij hem uit het gezicht, toen hij
den hoek omsloeg.

Harbert had hem willen volgen.

"Blijf mijn jongen," had de zeeman gezegd, "wij moeten een kamp
inrichten, en eens zien of het mogelijk is iets te eten te krijgen,
dat beter in de maag staat dan schelpdieren. Onze vrienden moeten
ook versterkt worden bij hun terugkomst. Ieder zijn taak."

"Ik ben tot uw dienst, Pencroff," antwoordde Harbert.

"Goed zoo," hernam de zeeman, "dan zal het wel gaan. Alle dingen moeten
met orde geschieden. Wij zijn vermoeid, wij hebben het koud, wij hebben
honger. Dus moeten we een ligplaats, vuur en voedsel vinden. In het
bosch is er hout; in de nesten zijn eieren; wij behoeven alzoo slechts
een huis te vinden."

"Welnu," sprak Harbert, "ik zal een grot in die rotsen zoeken, en ik
zal wel een gat ontdekken, waarin we een schuilplaats vinden kunnen."

"Dat is juist wat wij noodig hebben," antwoordde Pencroff. "Vooruit
nu maar, mijn jongen."

Zij volgden nu den rotsketen langs het strand, maar in plaats
van noordwaarts, richtten zij zich zuidwaarts, omdat Pencroff had
opgemerkt, dat een honderd passen verwijderd van de plek, waar zij
aan land waren gekomen, de bodem een helling maakte, waaruit hij
afleidde, dat daarginds een rivier of een beek moest stroomen. Nu was
het van belang, dat men zich vestigde in de nabijheid van drinkwater,
terwijl het bovendien niet onmogelijk was, dat de stroom Cyrus Smith
herwaarts had gedreven.

De rotsketen had een hoogte van ongeveer driehonderd voet, maar
hij vormde eene onafgebroken massa van de kruin tot den grond;
geen enkele spleet vertoonde zich, waarin men een schuilplaats kon
vinden. Boven de rotsen vlogen gansche zwermen van watervogels met
lange puntige snavels; zij schreeuwden om het hardst, zonder zich te
bekommeren om de menschen, die zeker voor de eerste maal thans hunne
eenzaamheid verstoorden. Een geweerschot onder de dichte zwermen zou
een groot aantal vogels hebben gedood, maar om een geweerschot te
lossen, moet men een geweer hebben en Pencroff noch Harbert bezat er
een. Bovendien die meeuwen en andere zeevogels zijn niet smakelijk,
zelfs hun eieren zijn walglijk.

Harbert had zich een weinig ter linkerzijde begeven en ontdekte
eenige rotsen met zeeplanten, die zoo straks, wanneer het water zou
zijn gestegen, weder onzichtbaar zouden worden. Te midden van die
planten bespeurde hij een menigte schelpdieren, die voor hongerige
menschen niet te verwerpen waren.

"Het zijn mossels!" riep de matroos uit. "Zij kunnen bij ons de plaats
van de eieren innemen, die ontbreken!"

"Het zijn geen mossels," antwoordde Harbert, toen hij ze nauwkeurig
onderzocht had, "het zijn lithodomen."

"En kan men die eten?" vroeg Pencroff.

"Zeer goed."

"Dan zullen wij eten."

De matroos kon op den knaap vertrouwen, want Harbert had altijd groote
liefhebberij in natuurlijke historie gehad.

Pencroff en Harbert voorzagen zich overvloedig van deze lithodomen;
zij aten ze als oesters; daarbij vonden zij er een kruidensmaak in,
zoodat ze het gemis van peper of welke andere specerij ook niet
behoefden te betreuren.

Voor het oogenblik was hun honger dus gestild, maar hun dorst was nog
door het gebruik dezer weekdieren toegenomen. Zij verlangden daarom
des te meer naar zoet water, en het was niet waarschijnlijk dat in
een land zoo rijk aan allerlei voortbrengselen dit ontbreken zou.

Ongeveer tweehonderd pas verder kwamen zij aan de streek, waar volgens
het voorgevoel van Pencroff een rivier moest stroomen. En inderdaad
vonden zijn daar een kanaal van honderd voet breedte.

"Hier is water! en daar een bosch! Nu, Harbert, nu moeten wij nog
een huis hebben."

Het water was helder, Harbert zag al rond of hij een holte zag,
die hun tot schuilplaats zou kunnen dienen, maar nergens ontdekte
hij iets van dien aard.

Aan den mond van dezen stroom en boven de oppervlakte der zee hadden
een aantal steenen geen grot, maar een opeenstapeling van rotsen
gevormd, zooals men ze vindt in bergachtige streken, en die de naam
van "schoorsteenen" dragen.

Harbert en Pencroff drongen een eind ver door tusschen die rotsen, door
welker openingen het licht viel maar met dat licht baande zich ook de
wind een weg. Pencroff begreep dat men, door die openingen met steenen
en zand aan te vullen, die schoorsteenen tot een zeer geschikte woning
zou kunnen inrichten. Hun eerste werk was nu om eenig vuur te maken
en het hout, dat zij in den omtrek vonden, kwam hun spoedig te stade.

Zij verlieten nu de schoorsteenen en toen zij den hoek om waren,
volgden zij den linker oever der rivier. Het was een snelstroomend
water, waarin veel dood hout dreef. Daar het water opkwam--en
men voelde het reeds op dit oogenblik--moest het altijd weder met
een zekere kracht terugvloeien tot op een vrij grooten afstand. De
matroos kwam toen op het denkbeeld dat men die eb en vloed zeer goed
als vervoermiddel van zware voorwerpen kon aanwenden. Toen zij een
kwartier hadden geloopen, maakte de rivier een kronkeling en vervolgde
haar loop door een bosch met prachtige boomen, Hier voorzagen zij zich
in overvloed van brandhout, wat zeer gemakkelijk ging, daar zij het
maar voor het oprapen hadden. Maar zoo zij genoeg hout vonden, hadden
zij toch nog geen middel om het te vervoeren. Het hout was zeer droog,
het zou dus spoedig verbrand wezen. Men was daarom wel genoodzaakt,
meende Harbert, een groote hoeveelheid in de schoorsteenen te brengen,
maar dan waren twee man niet voldoende.

"Wel mijn beste jongen," antwoordde Pencroff hierop, "er zal wel
een middel wezen om dit hout te vervoeren. Er is voor alles raad te
vinden! Zoo wij een kar of een bootje hadden zouden wij geholpen zijn."

"Maar wij hebben de rivier!"

"Juist," hernam Pencroff. "De rivier is een weg voor ons, die geheel
alleen gaat en de houtvlotten zijn niet voor niets uitgevonden."

"Alleen loopt die weg op het oogenblik in een andere richting dan de
onze, daar het water opkomt," merkte Harbert aan.

"Dan wachten wij maar tot het weder afloopt," sprak de matroos, "en
dan zal het ons tot vervoermiddel dienen. Laten wij in dien tijd ons
vlot bouwen." Spoedig hadden zij het vervaardigd en stapelden zij er
hun voorraad op. Binnen het uur lag het aan den oever en behoefde men
slechts op de eb te wachten. Zij moesten evenwel nog geruimen tijd
geduld hebben eer het water afnam, maar die uren gebruikten zij om
een hooger gedeelte te gaan onderzoeken.

Toen zij bijkans het hoogste punt hadden bereikt, viel hun oog
voor het eerst op dien onmetelijken oceaan, dien zij in zulk een
vreeselijken toestand hadden overgestoken! Zij overzagen het geheele
noordelijke gedeelte, waar de ballon was verongelukt. Daar was Cyrus
Smith verdwenen. Een poos lang sloegen zij aandachtig de zee gade,
of er ook soms een overblijfsel van den ballon, waaraan een mensch
zich vast had kunnen klemmen, op de golven dobberde. Niets! De zee
was geheel verlaten. Op de kust was ook geen spoor van eenig wezen te
ontdekken. Noch de correspondent, noch Nab vertoonde zich. Maar het
was zeer wel mogelijk dat zij zich op te grooten afstand bevonden,
om hen met het bloote oog te zien.

"Er is iets," zeide Harbert, "hetwelk mij zegt, dat zulk een energiek
man als mijnheer Smith zich niet als de eerste de beste heeft laten
verdrinken. Hij moet eenig punt der kust bereikt hebben. Niet waar
Pencroff?"

De matroos schudde droevig het hoofd. Hij voor zich geloofde niet meer
dat zij Cyrus Smith terug zouden zien; maar toch wilde hij Harbert
alle hoop niet ontnemen.

"Zeker, zeker," zeide hij, "onze ingenieur is wel de man om zich uit
een zaak te redden, waaronder een ander bezwijken zou!...."

Toen zij verder waren gekomen en de geheele streek konden overzien,
vroeg Pencroff onwillekeurig zich zelf af:

"Zijn wij wel op een eiland?"

"In ieder geval op een vrij groot!" antwoordde de knaap.

"Een eiland, hoe groot het ook wezen mag, blijft altijd een
eiland!" hernam Pencroff.

Maar dit belangrijke vraagstuk konden zij thans niet oplossen. Zij
moesten tot een geschikter tijd wachten. Wat het land zelf betreft,
eiland of geen eiland, het bleek duidelijk dat het zeer vruchtbaar
aangenaam gelegen en rijk aan verschillende voortbrengselen was.

"Dat is gelukkig," merkte Pencroff aan, "en in al onze ellende moeten
wij toch dankbaar wezen."

Eensklaps zagen zij een aantal vogels opvliegen.

"Ha," riep Harbert uit, "ziet daar eens wat een vogels!"

"Wat voor vogels zijn het?" vroeg Pencroff. "Men zou zeggen, dat het
duiven waren."

"Dat zijn zij inderdaad, maar in alle geval wilde. En daar de
rotsduiven zeer goed te eten zijn, moeten haar eieren ook uitmuntend
smaken, en als zij ze in het nest hebben gelaten!...."

"Zullen wij ze den tijd niet gunnen om uit den dop te komen, tenzij
als ommelet!" riep de matroos lachend uit.

"Maar waarin zult gij uw ommelet bakken?" vroeg Harbert. "In uw hoed?"

"Jawel," zeide Pencroff; "zoo'n goochelaar ben ik niet. Wij zullen
ons dus op versche eieren onthalen, en ik zal ze wel uit den dop eten."

Zij vonden dan ook een goede hoeveelheid eieren! Zij namen er een
twaalftal in een zakdoek mede, en toen het water weder opkwam, begaven
zij zich naar den oever der rivier. Toen zij dien bereikten was het
één uur en dus tijd om hun vlot in beweging te brengen; vóór tweeën
hadden zij met hun rijke lading de schoorsteenen bereikt.




V.


    Inrichting der schoorsteenen.--De vuur-quaestie.--De
    lucifersdoos.--Onderzoek van de kust.--Terugkomst van den
    correspondent en Nab.--Eén lucifer.--Het vlammende vuur.--Het
    eerste avondmaal.--De eerste nacht aan land.


De eerste zorg van Pencroff was, toen zij het vlot gelost hadden, de
schoorsteenen zoo bewoonbaar mogelijk in te richten door al dadelijk
de openingen, waardoor de wind gierde, dicht te stoppen. Daarop
plaatste hij een nauwe buis in een der holten, waardoor de rook kon
opstijgen. De schoorsteenen waren verdeeld in drie of vier kamers,
zoo men dien naam aan de duistere holen geven kon, waarin zich een
wild dier tevreden had gesteld. Maar hier was men tenminste beschut
tegen regen en wind en in de grootste kamer kon men recht overeind
staan. Fijn zand bedekte overal den grond.

"Nu kunnen onze vrienden terugkomen. Zij zullen een voldoende
schuilplaats vinden," zeide Pencroff. Thans moesten zij nog vuur
aanleggen en een middagmaal bereiden. Dit was echter een zeer
gemakkelijke taak. En terwijl de matroos bezig was eenig brandhout
onder den schoorsteen te leggen, vroeg Harbert hem of hij wel
lucifers had.

"Zeker," zeide Pencroff, "en ik voeg er bij, gelukkig, want zonder
lucifers of zonder zwam zouden wij in groote verlegenheid zitten."

"Wij konden dan toch altijd vuur maken zooals de wilden," antwoordde
Harbert, "door twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven?"

"Welnu beproef het eens, en wij zullen zien of u iets ander gelukt
dan uw armen te breken!"

"Men doet het toch veel op de eilanden van den Stillen Oceaan."

"Ik zeg ook niet dat het onwaar is, maar de wilden weten er mede
om te springen of gebruiken er misschien bijzonder hout voor, want
meer dan eens heb ik mij op deze wijze van vuur willen voorzien,
maar het is mij nooit gelukt. Ik beken dus gaarne, dat ik liever
lucifers heb! Waar zijn mijn lucifers?"

Pencroff zocht in zijn vestjeszak naar het doosje, dat hem nooit
verliet, want hij was een verstokt rooker. Hij vond het niet. Hij
doorzocht al zijn zakken en tot zijn groote verbazing voelde hij
het nergens.

"Dat is toch dom, en meer dan dom!" zeide hij, terwijl hij Harbert
aanzag. "Het doosje is zeker uit mijn zak gevallen en zoodoende heb
ik het verloren! Maar Harbert, hebt gij niets, geen vuurslag, niets
waarmede wij vuur kunnen maken?"

"Neen, Pencroff!"

De matroos verliet de schoorsteenen, gevolgd door Harbert, en krabde
zich het hoofd.

Op het zand bij de rivier, in de rotsen, hoe en waar zij ook zochten,
alles was te vergeefs. Het doosje dat van koper was, zou hun blik
niet ontgaan zijn.

"Pencroff, hebt gij het niet over boord geworpen?" vroeg Harbert.

"Daar heb ik wel op gepast," antwoordde de matroos. "Maar als men zoo
geslingerd is, zooals wij zijn gedaan, moet zulk een klein voorwerp
wel zoek raken. Zelfs mijn pijp heb ik verloren! Duivelsche doos! Waar
kan zij wezen?"

Nog eenigen tijd zochten zij naar het doosje, maar
vruchteloos. Eindelijk keerden zij naar de schoorsteenen terug.

Tegen zes uur, op het oogenblik dat de zon in het westen verdween,
kwam Harbert, die op de kust heen en weer liep, terug met de tijding
dat Nab en Gideon Spilett op hun terugtocht waren. Zij keerden alleen
terug!.... Een beklemd gevoel maakte zich van den knaap meester. De
matroos had zich niet in zijn voorgevoel bedrogen. Men had den
ingenieur Cyrus Smith niet gevonden!

Toen de correspondent was aangekomen, zette hij zich op een steen
en sprak geen woord. Uitgeput van vermoeienis was het hem onmogelijk
iets te zeggen.

Wat Nab betreft, diens roode oogen getuigden voldoende, dat hij
geweend had, en de tranen die thans weer in zijn oogen kwamen,
bewezen duidelijk dat hij alle hoop had verloren.

Spilett verhaalde uitvoerig welke pogingen zij in het werk hadden
gesteld om Cyrus Smith terug te vinden. Nab en hij hadden meer dan
acht mijlen langs de kust afgelegd en dus waren zij veel verder gegaan
dan de plek waar het onheil had plaats gehad, dat gevolgd was door
de verdwijning van Cyrus Smith en zijn hond Top. De geheele kust
was verlaten. Geen spoor, geen enkele voetstap. Waarschijnlijk had
nooit eenig menschelijk wezen hier een voet gezet. De zee was even
verlaten als het land, en zeker had de ingenieur eenige honderden
passen daarvan verwijderd den dood gevonden.

Op dit oogenblik stond Nab op, en op een toon waaruit duidelijk sprak
dat hij alle hoop nog niet verloren had, riep hij:

"Neen, neen, hij is niet dood! Neen het kan niet! Hij dood,
onmogelijk! Ik! of wie anders ook, dat zou mogelijk wezen! Maar
hij! Nooit! Hij redt zich altijd!...."

Daarop begaven hem zijn krachten en stamelde hij:

"O, ik kan niet meer!"

Harbert snelde naar hem toe.

"Nab," zeide de knaap, "wij zullen hem terugvinden! God zal hem
ons wedergeven! Maar luister eens, gij hebt honger! Eet eerst eens
wat!" Dit zeggende gaf hij den neger eenige lithodomen, een schamel
en een ontoereikend voedsel.

Nab had sinds vele uren niets gebruikt, maar toch weigerde hij. Nu
hij zijn meester niet meer had, kon of wilde Nab niet langer leven.

Maar Gideon Spilett van zijn kant verslond de schelpdieren; daarop
legde hij zich op het zand neder aan den voet van een rots. Hij was
uitgeput maar kalm.

Toen naderde hem Harbert, hem bij de hand vattende en zeide:

"Mijnheer, wij hebben een betere schuilplaats ontdekt dan
deze. De nacht nadert. Ga nu rusten, morgen zullen wij verder
zien." De correspondent stond op en met den knaap ging hij naar de
schoorsteenen. Op dit oogenblik kwam Pencroff naar hem toe en op den
meest natuurlijken toon, vroeg hij hem of hij ook een lucifer had.

Spilett stond stil, zocht in zijn zakken, vond niets en zeide:

"Ik had er wel, maar ik heb ze weg moeten werpen."

Toen riep de matroos Nab, deed hem dezelfde vraag en ontving hetzelfde
antwoord.

"Vervloekt!" mompelde hij, zijn gewaarwordingen niet kunnende
onderdrukken. Spilett hoorde het, en ging naar Pencroff toe met
de woorden:

"Hebt gij geen lucifers?"

"Geen een en dus ook geen vuur!"

"O," riep Nab uit, "als mijn meester er maar was, hij zou het u wel
verschaffen!"

De vier schipbreukelingen staarden elkander roerloos en verbijsterd
aan. Harbert verbrak het eerst de stilte met de woorden:

"Mijnheer Spilett, gij rookt, gij moet altijd lucifers bij u
hebben. Misschien hebt gij niet goed gevoeld? Zoek nog eens! Eén
lucifer zou ons voldoende wezen!"

Weder doorzocht de reporter al zijn zakken en tot groote vreugde van
Pencroff, evenals tot zijn eigen niet geringe verbazing voelde hij
tusschen de voering van zijn vest een stukje hout. Hij had het wel
tusschen zijn vingers, maar kon het houtje toch niet door de voering
trekken en daar het de eenige lucifer was, dien zij hadden, moesten zij
vooral zorgen dat de phosphorus er niet afging. Het gelukte eindelijk
aan Harbert het ongeschonden er uit te krijgen.

"Eén lucifer!" riep Pencroff uit. "Het is zoo goed alsof wij een
geheele lading hebben!"

Hij nam den lucifer en gevolgd van zijn drie makkers ging hij naar
de schoorsteenen terug.

Het kleine stukje hout, dat in de bewoonde landen met zulk een groote
onverschilligheid wordt bejegend en dat geen waarde heeft, moest hier
met de uiterste behoedzaamheid worden behandeld. Eerst overtuigde de
matroos zich dat het goed droog was. Toen hij dit gedaan had, zei hij:

"Nu moet ik papier hebben."

"Hier," antwoordde Gideon Spilett, die na eenige aarzeling een stukje
uit zijn schrijfboekje scheurde. Pencroff nam het papier, dat de
correspondent hem gaf en knielde bij den haard neder. Men legde er
dorre bladeren en droog mos op, zoodanig dat de wind er doorheen
speelde en het hout dus spoedig vlam zou vatten.

Toen hij den lucifer zacht afstreek, kwam er geen vuur. Pencroff had
niet met genoeg kracht gedrukt, daar hij bang was de phosphorus er
af te strijken.

"Neen, ik zal het niet kunnen," zei hij, "mijn hand beeft.... De
lucifer zal niet afgaan.... Ik kan het niet.... ik wil het ook
niet!" En opstaande liet hij de taak aan Harbert over.

Zeker was de knaap in zijn geheele leven nog nooit onder zulk een
indruk geweest. Zijn hart bonsde. Toen Prometheus het vuur uit den
hemel stal, kon hij zoo geroerd niet geweest zijn. Toch aarzelde
hij niet en streek hij hem snel af. Een zwak knetteren hoorde men en
daarop ontstond een blauwachtig vlammetje dat een scherpe zwaveldamp
deed ontstaan, Harbert draaide den lucifer langzaam om, zoodat de
vlam voedsel kreeg, daarop bracht hij hem bij het papier. Het papier
vatte oogenblikkelijk vlam en spoedig het mos ook.

Eenige oogenblikken later knetterde het droge hout en een vroolijk
vlammetje, aangewakkerd door het blazen van den matroos, flikkerde
te midden der duisternis.

"Eindelijk," riep Pencroff, "ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest!"

Hun eenige zorg was thans dit vuur niet meer te laten uitgaan; dit
zou hun niet moeilijk vallen, daar er hout in overvloed was.

Pencroff maakte het zich terstond ten nutte, met er een voedzamer
maaltijd op te bereiden. Spilett zat in een hoek en zijn eenige
gedachten waren: Leeft Cyrus nog? En zoo hij leeft, waar zou hij
wezen? Zoo hij niet in de golven is omgekomen, waarom heeft hij dan
geen middel gevonden, om dit ons bekend te maken. Wat Nab betrof,
deze zwierf langs de kust. Hij was slechts een lichaam zonder ziel.

Eenige oogenblikken later was Pencroff met zijn maal gereed.

De harde eieren, die hij hun voorzette, versterkten de arme
schipbreukelingen, en nadat Spilett met korte woorden de gebeurtenissen
van de twee laatste dagen had opgeteekend, gelukte het hem eindelijk
in slaap te vallen.

Harbert was ook spoedig in rust. Wat den matroos aanging, deze bracht
zijn nacht bij het vuur door, waarop hij telkens nieuwe brandstoffen
wierp. Eén echter van hen sliep niet. Het was Nab. Deze doolde den
ganschen nacht langs de kust en riep gedurig zijn meester.




VI.

    De inventaris der schipbreukelingen.--Niets.--Gebrand
    linnen.--Een tocht door het bosch.--De bloem der
    groene boomen.--Het boomkruipertje.--Sporen van wilde
    dieren.--Koeroekoes.--Schildpadden.--Zonderlinge vangst met
    een hengel.


De inventaris van al wat de schipbreukelingen, op dit verlaten eiland
geworpen, bezaten, was spoedig opgemaakt.

Zij hadden niets dan de kleeren, die zij droegen, toen hen het onheil
trof. Toch had Gideon Spilett, bij ongeluk zeker, een opschrijfboekje
en een horloge behouden, maar overigens was er geen wapen, geen
werktuig, zelfs geen zakmes te vinden. De reizigers in het bootje
hadden alles overboord geworpen om het luchtschip lichter te maken.

De denkbeeldige helden van Daniël de Foe of van Wyss, zoowel als de
Selkirken en de Raynals, die schipbreuk leden op de Juan-Fernandez
eilanden of in den archipel der Auckland eilanden, waren nooit zoo
geheel en al van alles beroofd of zij vonden toereikende hulpmiddelen
in hun gestrand schip, of hadden een voorraad graan, vee, werktuigen
en kruit en lood. Of wel er dreef een wrak naar de kust, dat hen
van de eerste levensbehoeften voorzag. Zij bevonden zich niet zoo
terstond geheel ongewapend tegenover de natuur. Hier echter was geen
enkel stuk gereedschap, geen werktuig. Maar vóor alles moesten zij
zich vestigen op dit gedeelte der kust, zonder eerst te onderzoeken
tot welk land zij behoorden, of het bewoond werd, dan wel slechts
het strand van een onbewoond eiland uitmaakte.

Dit was een gewichtige vraag, die zoo spoedig mogelijk moest opgelost
worden. Toen dit besluit genomen was, moest men slechts voor het
dadelijk noodige zorgen. In elk geval volgde men den raad van Pencroff
op, die het geschikter vond nog eenige dagen te wachten, voor men tot
een onderzoek overging. Men moest toch eenige levensmiddelen bereiden
en zich versterkender voedsel verschaffen dan eieren en schelpdieren.

De schoorsteenen boden voor het oogenblik een voldoende schuilplaats
aan. Nu het vuur eenmaal brandde, viel het hun niet moeielijk dit te
onderhouden. Voor 's hands hadden zij geen gebrek aan schelpdieren en
eieren, die zij op de rotsen en het strand vonden. Nu en dan gelukte
het hun eenige duiven te vangen, die bij honderden over de bergvlakte
vlogen, en die zij dan met stokken of steenen doodden. Misschien
zouden de boomen van het naburige bosch hun wel van eetbare vruchten
voorzien. En eindelijk had men hier toch zoet water. Men kwam dus
overeen, dat men nog eenige dagen in de schoorsteenen zou blijven om
zich tot een ontdekkingstocht gereed te maken, hetzij langs de kust,
hetzij in het binnenste gedeelte van het eiland.

Zeer vroeg in den ochtend van den 26sten Maart was Nab, die niet aan
den dood zijns meesters geloofde, de noordelijke richting van het
eiland gevolgd en hij was teruggekeerd naar het punt, waar de zee
den ongelukkigen Smith vermoedelijk had verzwolgen.

Toen zij dien dag het middagmaal gebruikt hadden, vroeg Pencroff
aan den reporter of deze hen naar het bosch wilde vergezellen, daar
Harbert en hij van plan waren te gaan jagen?

Maar alles wel overlegd, moest er toch iemand thuis blijven, om het
vuur te onderhouden, en ook voor het geval dat zich misschien mocht
voordoen, hoewel het zeer onwaarschijnlijk was, dat Nab hulp noodig
had. De reporter bleef dus.

"Op jacht, Harbert," zeide de matroos. "Wij zullen wel op onzen weg
jachtgereedschap vinden en ons in het bosch van een geweer voorzien."

Maar op het oogenblik dat zij zouden vertrekken, merkte Harbert op
dat zij geen zwam hadden en misschien verstandig handelden tondel
mede te nemen.

Het was toen negen uur in den morgen. Het weer was onstuimig en de
wind blies uit het zuidoosten.

Harbert en Pencroff sloegen den hoek van de schoorsteenen om, maar
wierpen eerst een blik op den rook, die boven de rots opsteeg; daarop
volgden zij den linker oever der rivier.

Toen zij in het bosch kwamen, was Pencroffs eerste werk om twee
stevige takken af te breken, die hij tot knuppels maakte, en waaraan
Harbert tegen een rots een punt sleep. Wat zou hij niet hebben willen
geven om een mes te bezitten! Daarop gingen zij in het hooge gras,
terwijl zij den steilen oever volgden.

De zeeman beschouwde intusschen aandachtig de gesteldheid en de
natuur van het land. In het bosch, zoowel als aan de kust, was geen
spoor van eenig menschelijk wezen te ontdekken. Pencroff zag slechts
sporen van viervoetige dieren, maar tot welke soort die behoorden,
kon hij niet nagaan.

Zéér zeker--en dit meende Harbert ook--waren er eenige verslindende
dieren, waarmede zij ongetwijfeld ook nog te strijden zouden hebben;
maar nergens was de houw van een bijl op een boomstam te vinden,
noch de overblijfselen van een uitgedoofd vuur, noch de indruk van
een voetstap. Dit was misschien nog gelukkig, want op dit eiland,
in het midden van den Stillen Oceaan, was de tegenwoordigheid van
een mensch meer te vreezen dan te wenschen.

Harbert en Pencroff spraken weinig, want de moeielijkheden, die de
weg opleverde waren talrijk en zij vorderden slechts zeer langzaam. Na
een uur loopen hadden zij nog nauwelijks een mijl afgelegd.

Tot nog toe had de jacht weinig opgeleverd. Soms hoorden zij eenige
vogels zingen en zagen ze tusschen het groen fladderen, waarop ze
dan zeer verschrikt wegvlogen alsof de mensch hun een instinctmatigen
angst inboezemde.

Onder het gevogelte herkende Harbert, in een zeer moerassig gedeelte
van het bosch, een dier met langen spitsen bek, die veel op een
ijsvogel geleek. Vooral deed hij aan dezen denken door zijn donker
gevederte, waarover een metalen glans lag.

"Het moet een boomkruipertje wezen," zeide Harbert, terwijl hij
beproefde het dier te naderen.

"Dit zou een goede gelegenheid wezen, om zoo'n boomkruipertje eens
te proeven," hernam de zeeman, "zoo dat vogeltje tenminste geschikt
is om gebraden te worden."

Op hetzelfde oogenblik wierp de knaap met krachtige hand een steen,
die het dier aan zijn vleugel trof; maar de worp was niet doodelijk
geweest, want de boomkruiper vluchtte in allerijl en was in een
oogenblik uit het gezicht.

"Domkop, die ik ben!" riep Harbert uit.

"Wel neen, beste jongen!" zeide de matroos. "Gij hebt goed gemikt en
menigeen zou den vogel niet geraakt hebben. Kom, treur er maar niet
over! Wij zullen hem een andermaal wel vangen!"

De ontdekkingstocht werd voortgezet. Naarmate de jagers verder kwamen,
werden de boomen schaarscher maar ook prachtiger, hoewel er aan geen
enkelen eetbare vruchten gevonden werden. Juist vloog er een zwerm
kleine vogels, met langen staart en prachtige veeren, tusschen het
geboomte op en bedekte den grond met vederen.

"Het zijn koeroekoes, nietwaar?"

"Ik zou wel zoo graag een parelhoen of een korhoen gehad hebben,"
antwoordde Pencroff; "maar zij zullen toch ook lekker zijn?"

"Zij smaken uitmuntend, hun vleesch is zelfs zeer fijn," hervatte
Harbert. "En, zoo ik mij niet vergis, kan men ze gemakkelijk naderen
en met een stok dooden."

De matroos en de knaap drongen tusschen het gras door en slopen op hun
teenen naar een zeer lagen tak, waarop een menigte van die vogeltjes
zaten. Deze koeroekoes loeren op de kleine insecten waarmede zij
zich voeden.

De jagers richtten zich op en met hun stokken, die zij als zeisen
hanteeren, doodden zij geheele rijen van deze kleine vogels,
die er niet aan dachten om weg te vliegen en zich argeloos lieten
treffen. Een honderdtal lag reeds over den grond gestrooid, toen de
overigen besloten te vluchten.

"Ziezoo," zeide Pencroff, "nu hebben wij een wild, zooals voegt aan
jagers, gelijk wij! Wij zouden ze met de hand kunnen grijpen!"

Tegen drie uur 's middags ontdekte men een nieuwe vlucht vogels boven
zekere boomen, waarvan zij de bessen afplukten, die een welriekenden
geur verspreidden. Plotseling weerklonk een waar trompetgeschal
door het bosch. Deze zonderlinge en helderklinkende fanfare was het
gezang van hoendervogels, welke men in de Vereenigde Staten ook
aantreft. Weldra kwamen er eenige te voorschijn. Pencroff achtte
het noodzakelijk om zich van een dezer vogels meester te maken, die
ongeveer de grootte van een kip hebben en wier vleesch even malsch als
van een hoen is, maar het ging met zeer veel moeielijkheden gepaard,
daar men ze niet naderen kon. Na eenige vruchtelooze pogingen, die tot
geen andere uitkomst leidden dan dat zij de vogels schrik aanjoegen,
zeide de matroos tot den knaap:

"Zeker moeten wij die, daar men ze niet in de vlucht kan grijpen,
aan den hengel vangen."

"Als een karper?" riep Harbert verwonderd over dit voorstel uit.

"Als een karper," antwoordde de zeeman op ernstigen toon.

Pencroff had in het gras een zestal nestjes dezer vogels gevonden en
in elk lagen twee a drie eieren. Hij zorgde wel dat hij deze nestjes
niet aanraakte, daar ongetwijfeld de eigenaars wel er in terug zouden
keeren. Om hen te vangen zou hij een net spannen, met een lokaas er
in. Hij wenkte Harbert op korten afstand van de nestjes nader te komen
en bracht daar alles tot de vangst in gereedheid. Daarop verscholen
zij zich beiden achter een boom, waar zij geduldig afwachtten wat
gebeuren zou. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat Harbert weinig
vertrouwen stelde in de goede uitwerking van zijn toestel.

Toen een half uur verloopen was, gebeurde wat de matroos voorzien had,
en keerden verscheidene vogels in hun nest terug. Zij trippelden
rond en zochten op den grond hun voedsel, en schenen volstrekt de
tegenwoordigheid der jagers niet te bespeuren, die dan ook wel gezorgd
hadden, dat zij niet door de hoenders bemerkt konden worden.

Inmiddels kwamen de vogels langzamerhand op het lokaas af; Pencroff
bewoog het nu en dan eens, alsof de wormen nog levend waren.

Zeker is het, dat zich op dat oogenblik een geheel andere gewaarwording
van den matroos meester maakte dan die, welke de hengelaar gevoelen
moet, daar deze zijn prooi niet onder het water zien kan.

Spoedig trok het op en neer gaan van het aas de aandacht van de
hoenders en pikten zij in het lokaas. Op hetzelfde oogenblik had
Pencroff er verscheidene in zijn bezit.

"Hoezee!" riep hij en snelde naar zijn buit.

Harbert klapte in de handen van vreugde over het welslagen zijner
poging, want hij had nog nooit vogels met een hengel zien vangen.

Maar daar de avond begon te vallen, achtten zij het raadzamer
huiswaarts te keeren, en tegen zes uur kwamen zij vermoeid in de
schoorsteenen aan.




VII.

    Het avondeten.--Een slechte nacht.--Vreeselijke
    storm.--Nachtelijke tocht.--Strijd met regen en wind.--Op
    acht mijlen van het eerste kamp.


Spoedig hadden zij eenige vogels geplukt en zorgde Pencroff voor een
meer versterkend maal. Tegen den nacht zette de storm weder op. De zee
klotste met geweld tegen de rotsen en een zware regenbui viel als een
dikke mist neer. Hieraan moest men het wegblijven van Nab toeschrijven,
die ongetwijfeld een nachtverblijf in een rots gevonden had.

Men besloot dan ook, zich niet verder over hem ongerust te maken en
elk zocht zijn hoekje van den vorigen nacht weder op.

Ondanks het geloei van den storm was Pencroff, die zich aan alle
weer gewend had, in slaap gevallen. Gideon Spilett alleen was door
de onrust, die hij omtrent Nab koesterde, wakker gebleven.

Het was ongeveer twee uur 's nachts toen Pencroff, die in een diepen
slaap gedompeld was, plotseling wakker werd geschud.

"Wat is er?" vroeg hij, en terwijl hij ontwaakte was hij met de
vlugheid van geest, die den zeeman eigen is plotseling weder geheel
op de hoogte van den toestand.

De reporter stond naast hem en zeide:

"Luister Pencroff, luister."

De zeeman luisterde aandachtig, maar geen enkel geluid dan het loeien
van den storm trof zijn oor.

"Het is de wind," zeide hij.

"Neen," antwoordde Gideon Spilett, terwijl hij opnieuw luisterde,
"ik meen iets gehoord te hebben...."

"Wat dan?"

"Het blaffen van een hond!"

"Een hond!" riep Pencroff uit, terwijl hij overeind sprong.

"Ja,.... blaffen...."

"Het is onmogelijk!" antwoordde de zeeman. "En buitendien, hoe zou
het kunnen, bij het loeien van den storm...."

"Wacht.... Hoor dan zelf," zeide Spilett.

Pencroff luisterde nog oplettender, en meende nu ook geblaf in de
verte te hooren.

"Nu!...." zeide de reporter, terwijl hij de hand van den zeeman
vastgreep.

"Ja, ja!...." antwoordde Pencroff.

"Het is Top! Het is Top!...." riep Harbert uit, die ook ontwaakt was
en alle drie snelden naar den ingang der schoorsteenen.

Met moeite konden zij buiten komen; de wind hield hen tegen, maar
eindelijk toch slaagden zij, en konden zij zich, door zich aan de
rotsen vast te klampen, staande houden.

Het was stikdonker. Eenige oogenblikken stonden de correspondent en
zijn vrienden stil, als vastgenageld door den storm, doornat van den
regen en verblind door het zand. Eindelijk hoorden zij weder blaffen,
en bemerkten zij, dat het geluid nog verre van hen verwijderd was. Geen
ander dan Top kon het wezen! Maar was hij alleen! Het waarschijnlijkste
was dat hij alleen was, want zoo Nab zich bij hem bevond, zou hij
wel naar de schoorsteenen geijld zijn.

De zeeman drukte de hand van Spilett, daar deze hem niet verstaan kon;
en hiermede gaf hij te kennen:

"Wacht!" en daarop ging hij weder naar binnen.

Een oogenblik later kwam hij met een brandenden takkenbos terug,
zij wierpen dien in de duisternis, terwijl zij een schel gefluit
lieten hooren.

Dit teeken scheen verwacht te zijn; dit mocht men ten minste gelooven,
want het werd weder door een geblaf beantwoord en weldra zagen zij
een hond de schoorsteenen binnen snellen. Pencroff, Harbert en Gideon
Spilett volgden hem.

Zij wierpen eenig droog hout op het vuur. Een helder licht verspreidde
zich in de duisternis.

"Het is Top!" riep Harbert uit.

Het was inderdaad Top, de hond van den ingenieur Cyrus Smith. Maar
hij was alleen! Noch zijn meester, noch Nab vergezelde hem!

Hoe had zijn instinct hem naar de schoorsteenen geleid, die hij
volstrekt niet kende. Dit was hun onbegrijpelijk, vooral in deze
duisternis en met zulk een hevigen storm! Maar wat zij nog minder
konden verklaren was dat Top volstrekt niet vermoeid noch uitgeput
scheen en zelfs geen slijk of zand aan zijn pooten had!

Harbert had hem naast zich genomen en omvatte zijn kop met beide
handen. De hond liet hem rustig begaan.

"Wanneer de hond teruggevonden is, zullen wij den meester ook
weervinden," zeide Spilett.

"Ik hoop het!" antwoordde Harbert. "Kom, laten wij voortgaan, Top
zal ons geleiden!"

Pencroff maakte geen tegenwerpingen. Hij begreep dat de terugkomst
van Top zijn voorgevoel logenstrafte....

"Vooruit!" zeide hij.

Eerst legde hij nog eenige blokken hout op het vuur en daarop
vertrokken zij allen, voorafgegaan door den hond, die zich eerst nog
aan de overblijfselen van het avondmaal te goed had gedaan.

De storm had toen zijn toppunt bereikt en daar het nieuwe maan was,
dus geen straaltje licht op de aarde viel, moesten zij geheel op het
instinct van Top vertrouwen. De correspondent en Harbert volgden hem,
en Pencroff sloot den stoet. Het was hun onmogelijk een woord te
wisselen, daar de regen te veel gedruisch maakte.

Eindelijk kwamen zij achter de rotsen en waren zij dus voor een groot
gedeelte tegen den wind beschut. Harbert en Spilett stonden stil om
adem te halen. Nu konden zij elkaar verstaan en antwoorden en toen
Harbert den naam van Cyrus Smith uitsprak, blafte Top, alsof hij
zeggen wilde, dat zijn meester gered was.

"Gered, nietwaar?" herhaalde Harbert, "gered Top?"

En de hond blafte als om te antwoorden.

Tegen vier uur in den morgen hadden zij ongeveer vijf mijlen
afgelegd. Het weer helderde langzamerhand op; maar thans hadden
zij meer van de koude te lijden, daar hun kleeren volstrekt niet
dik genoeg waren; maar geen klacht ontsnapte aan hun lippen. Zij
waren vast besloten het verstandige dier te volgen, waar het hen ook
brengen mocht.

Tegen zes uur was het klaar dag. De matroos en zijn vrienden waren
toen ongeveer zes mijlen van de schoorsteenen verwijderd. Zij waren
thans op een vlakke kust; aan hun linkerzijde verhief zich een keten
van rotsen, waarvan de toppen alleen boven de zee uitstaken, wanneer
het vloed was; hier en daar zag men eenige boomen. Op verren afstand
strekte zich de zoom van het laatste bosch uit.

Op dit oogenblik blafte de hond weder, maar veel gejaagder. Hij liep
heen en weer en snelde naar den matroos en smeekte hem als het ware
zijn schreden te verhaasten. De hond sloeg den weg naar de duinen in.

Men volgde hem. Het land scheen geheel verlaten te zijn. Geen levend
wezen was er te bespeuren. Vijf minuten later stond Top voor een hol
stil en begon heftig te blaffen. Harbert, Pencroff en Spilett drongen
er binnen.

Nab lag daar naast een lichaam geknield, dat op eenige droge kruiden
was uitgestrekt. Het was het lichaam van den ingenieur Cyrus Smith.




VIII.

    Leeft Cyrus Smith?--Nab's verhaal.--Voetstappen in het
    zand.--Onoplosbare vraag.--De eerste woorden van Cyrus
    Smith.--Terugkeer naar de schoorsteenen.--Pencroff radeloos.


Nab verroerde zich niet. De matroos zeide slechts:

"Leeft hij?"

Nab antwoordde niet, Gideon Spilett en Pencroff werden
doodsbleek. Harbert vouwde de handen krampachtig samen, maar bleef
onbeweeglijk staan. Het waarschijnlijkste was, dat de arme neger,
te zeer overstelpt door zijn eigen smart, noch zijn vrienden gezien,
noch hun woorden gehoord had.

De reporter knielde naast dat wezenlooze lichaam neder, waarvan hij
de kleederen losmaakte. Een minuut--een eeuw!.... verliep, terwijl
Spilett aandachtig naar eenig kloppen van het hart luisterde. Nab had
zich een weinig opgericht en staarde hen aan zonder te zien. Nog nooit
had de wanhoop een menschelijk gelaat zoo kunnen veranderen. Nab was
onkenbaar, uitgeput van vermoeienis en gebroken door zijn smart. Hij
meende dat zijn meester dood was.

Gideon Spilett stond op na hem lang met aandacht gadegeslagen te
hebben.

"Hij leeft!" zeide hij.

Pencroff knielde thans op zijn beurt naast Cyrus Smith neder; ook
hij hoorde het kloppen van het hart en zijn lippen voelden den adem
van den ingenieur.

Harbert snelde naar buiten, om op verzoek van den correspondent
water te halen. Een honderd passen ver vond hij een helder stroomend
beekje. Maar hij had niets om dit water in te scheppen. De knaap
moest zich dus tevreden stellen met zijn zakdoek daarin te doopen en
spoedig snelde hij naar de grot terug.

Gelukkig was deze natte zakdoek voor Gideon Spilett voldoende,
daar hij slechts de lippen van den ingenieur wilde bevochtigen. Deze
weinige droppelen water hadden een plotselinge uitwerking. Een zucht
ontsnapte aan de borst van Cyrus Smith en het scheen zelfs dat hij
wilde beproeven eenige woorden te spreken.

"Wij zullen hem behouden!" riep de reporter.

Nab kreeg bij deze woorden weer eenige hoop. Hij ontkleedde zijn
meester om te zien of hij ook ergens gewond was. Maar noch het hoofd,
noch de borst, noch de armen, noch de beenen hadden eenig letsel
bekomen, zelfs geen enkele schram, iets wat hem zeer verwonderde,
daar het lichaam van Cyrus Smith toch tegen de rotsen moest zijn
geworpen. Zelfs de handen waren onbezeerd; het was hem onverklaarbaar
dat er bij den ingenieur volstrekt geen sporen te bekennen waren van
de pogingen die hij had moeten doen om over de klippen te komen.

Maar later zou zich deze onbegrijpelijke omstandigheid wel verklaren.

Toen Cyrus Smith weder spreken kon, verhaalde hij hun het
gebeurde. Voor het oogenblik kwam het er slechts op aan, niets
onbeproefd te laten, om hem in het leven terug te roepen, en het was
niet onwaarschijnlijk dat men dit doel door wrijven zou bereiken. Zij
hadden het aan den duffel van den matroos te danken. De ingenieur
werd door de aanraking met deze ruwe stof een weinig verwarmd en
gevoelde zich daardoor in staat om zijn arm even op te lichten
en zijn ademhaling werd regelmatiger. Hij leed aan uitputting en
ongetwijfeld zou het, zonder de komst van Spilett en zijn vrienden,
met Cyrus Smith gedaan zijn geweest.

"Gij dacht dus dat uw meester dood was?" vroeg de matroos aan Nab.

"Ja! dood!" antwoordde Nab, "en zoo Top u niet gevonden had en gij
niet gekomen waart, zou ik mijn meester begraven hebben en zou ik
aan zijn zijde zijn gestorven!"

Men ziet dus waarvan het leven van Cyrus Smith had afgehangen.

Nab verhaalde toen hetgeen voorgevallen was. Den vorigen dag, nadat
hij de schoorsteenen verlaten had, had hij de noordwestelijke richting
van de kust gevolgd en was dus in dat gedeelte gekomen, wat zij reeds
doorzocht hadden.

Nab was vastbesloten toch nog eenige mijlen de kust te
houden. Misschien was het lijk door het opkomen van de zee verder
opgespoeld. Wanneer een lijk op eenigen afstand van de kust drijft,
gebeurt het zeer zelden dat de golven het niet vroeg of laat op het
strand werpen. Nab wist dit en hij wilde zijn meester toch nog voor
het laatst zien.

"Twee mijlen volgde ik nog de kust," zeide hij, "en waar of ik ook
zocht, nergens vond ik eenig spoor en begon nu te wanhopen, iets
van hem te ontdekken toen ik gisteren, omstreeks vijf uur 's avonds,
eenige indrukken van voetstappen bespeurde."

"Voetstappen?" riep Pencroff uit.

"Ja!" antwoordde Nab.

"En die voetstappen begonnen reeds op de klippen?" vroeg de
correspondent verder.

"Neen," antwoordde Nab, "op het strand eerst, want tusschen het strand
en de klippen moeten de voetstappen zijn uitgewischt."

"Ga voort, Nab," zeide Gideon Spilett.

"Toen ik deze voetstappen zag werd ik waanzinnig. Zij waren goed
zichtbaar en blijkbaar voerden zij naar de duinen. Ik volgde ze een
halve mijl, maar zorgde wel ze niet uit te wisschen. Vijf minuten
later, toen de avond begon te vallen, hoorde ik het blaffen van een
hond. Het was Top en Top bracht mij hierheen, bij zijn meester."

Nab's eerste gedachten waren toen aan zijn makkers geweest. Deze
zouden hem waarschijnlijk ook nog wel eens voor het laatst willen
zien! Top was daar. Kon hij niet vertrouwen op het verstand van dit
edelmoedige dier? Nab sprak toen verscheidene malen den naam van
Spilett uit, daar hij een van de vrienden van den ingenieur was,
dien Top het best kende; daarop wees hij hem het zuidelijke gedeelte
der kust en de hond verwijderde zich in de aangewezen richting.

Men weet, hoe de hond door een bijna bovennatuurlijk instinct geleid
aan de schoorsteenen was gekomen.

Allen hadden naar dit verhaal aandachtig geluisterd. Er lag iets
onbegrijpelijks in, dat Cyrus Smith, na alle pogingen die hij moest
aangewend hebben om aan de golven te ontsnappen en over de klippen
heen te klimmen, zelfs geen enkele schram bekomen had. En wat hun
niet minder onverklaarbaar toescheen, was dat de ingenieur op een mijl
afstand van de kust deze grot in het midden der duinen gevonden had.

Slechts Cyrus Smith zelf kon hun deze vragen ophelderen. Men moest dus
geduld hebben tot dat hij weer tot zich zelf was gekomen. Gelukkig
ontwaakte het leven meer en meer in hem. Nab, die naast hem
zat sprak nu en dan zijn naam uit, maar zijn oogen bleven altijd
gesloten. Eindelijk kwamen zij overeen daar Pencroff geen vuur bij zich
had, Smith zoo spoedig mogelijk naar de schoorsteenen over te brengen.

Toch kwam de ingenieur sneller bij kennis dan men had durven
hopen. Pencroff kwam op het denkbeeld om bij het water, waarmede hij
zijn lippen bevochtigde, een weinig vet van de vogels te doen, die
hij meegebracht had. Harbert keerde eindelijk met twee groote schelpen
terug. De matroos maakte een drank klaar, dien hij langzaam tusschen
de lippen van den ingenieur liet vloeien, wien het blijkbaar goed deed.

Daarop opende hij de oogen. Nab en de correspondent waren over hem
heen gebogen.

"Meester! Meester!" riep Nab uit.

De ingenieur hoorde hem. Hij herkende Nab en Spilett, daarna zijn
beide andere metgezellen, Harbert en Pencroff; zacht raakte hij hen
met de hand aan.

Toen kwamen eenige woorden over zijn lippen--woorden, die hij zeker
reeds meer gezegd had en die duidelijk te kennen gaven welke gedachten
in hem omgingen. Deze woorden waren slechts:

"Eiland of vasteland?"

"Och!" riep Pencroff uit, en hij kon dezen uitroep niet weerhouden,
"goede hemel, wat zal er dat toe doen, als gij maar leeft, mijnheer
Cyrus! Eiland of vasteland. Dat zullen wij later wel zien."

De ingenieur knikte toestemmend en scheen weder in te slapen.

Daarop gingen Pencroff en zijn beide vrienden naar de duinen, waar zij
met geen ander werktuig dan hun handen een dun boompje uit den grond
haalden. Van de takken maakten zij een bed waarover zij droge bladeren
en kruiden spreidden, zoodat de ingenieur daarop gelegd kon worden.

Dit was het werk van een half uur en het was tien uur toen Nab en
Harbert bij den ingenieur terugkeerden, terwijl Gideon Spilett hem
niet verlaten had.

Cyrus Smith ontwaakte juist. Er kwam weder kleur op zijn wangen, die
tot nog toe doodsbleek waren geweest. Hij richtte zich een weinig
op, wierp een blik om zich heen en scheen te vragen waar hij zich
thans bevond.

Eindelijk vroeg Cyrus Smith op zwakken toon of zij hem niet op het
strand gevonden hadden?

"Neen," zeide Spilett.

"Zijt gij het dan niet, die mij in deze grot gelegd hebt?"

"Neen."

"Hoever is de grot van de klippen verwijderd?"

"Ongeveer een halve mijl," antwoordde Pencroff, "en zoo gij verwonderd
zijt, mijnheer Smith, wij zijn niet minder verbaasd u hier te vinden."

"Inderdaad," hernam de ingenieur die langzamerhand meer belang in
alles begon te stellen, "inderdaad, dat is zeer zonderling!"

"Maar," zeide de matroos, "kunt gij ons zeggen, wat er met u
voorgevallen is, sedert gij door dien golfslag medegevoerd werd?"

Cyrus Smith bedacht zich een oogenblik. Hij wist er weinig van. De
golfslag had hem uit het net gerukt. Hij was eerst in de diepte
verdwenen. Toen hij op de oppervlakte der zee terugkwam, voelde
hij in deze halve duisternis een levend wezen naast zich. Het was
Top, die hem ter hulp was gesneld. Hij bevond zich te midden der
onstuimige golven, op geen grooteren afstand dan een halve mijl van
de kust verwijderd. Hij beproefde tegen de golven te worstelen, door
te zwemmen. Top hield hem aan zijn kleederen vast. Toen hij plotseling
door den storm werd medegevoerd en nadat hij een half uur lang zich er
met kracht tegen verzet had, moest hij zich laten drijven en sleepte
hij Top in den afgrond mede. Van dat oogenblik af totdat hij zich in
de armen zijner vrienden bevond, herinnerde hij zich niets meer.

"Toch moet gij kracht genoeg gehad hebben," zeide Pencroff, "om, toen
gij op het strand geworpen waart, van daar naar deze grot te loopen,
want Nab heeft hier uw voetstappen ontdekt."

"Ja.... dat moet wel...." antwoordde de ingenieur peinzend. "En gij
hebt volstrekt geen spoor van eenig menschelijk wezen gevonden?"

"Geen enkel," antwoordde Spilett. "En bovendien, zoo gij toevallig
door iemand gered waart, welke redenen zou die persoon hebben u te
verlaten nadat hij u aan de golven had ontrukt."

"Ge hebt gelijk, beste Spilett.--Zeg Nab," ging hij voort, terwijl hij
zich tot zijn bediende wendde, "gij waart het niet.... ge zult toch
niet gedachteloos iets gedaan hebben.... terwijl ge.... Neen, dat is
al te ongerijmd.... Zijn er nog van die voetstappen te zien?" vroeg
Cyrus Smith.

"Ja, meester," antwoordde Nab, "hier bij den ingang zijn er nog
eenige. De overige zijn door den storm en den regen uitgewischt."

"Pencroff," hernam Cyrus Smith, "wilt gij mijn schoenen medenemen en
zien of zij dezelfde indrukken maken?" De matroos deed wat hem gevraagd
werd. Harbert en hij gingen, geleid door Nab, naar de plaats waar de
indrukken te vinden waren, terwijl Cyrus Smith tot den reporter zeide:

"Er hebben onverklaarbare dingen plaats gehad!"

"Onverklaarbare!" beaamde Spilett.

"Maar laten wij er niet langer over denken, later spreken wij er
nader over." Een oogenblik daarop kwamen de matroos, Nab en Harbert
weder terug.

Er viel thans niet meer te twijfelen. De schoenen van den ingenieur
pasten juist in de voetsporen. Het was dus Cyrus Smith, die ze in
het zand gedrukt had.

"Ik was het dus die deze zinsverbijstering onderging, terwijl ik
dacht dat het Nab geweest was. Ik moet in mijn slaap gewandeld hebben,
zonder te weten waarheen ik mijn schreden richtte; en het was dus Top,
die door zijn instinct geleid, mij hierheen bracht, na mij gered te
hebben.... Kom eens hier Top! mijn beste trouwe hond!"

De prachtige hond sprong blaffend tegen zijn meester op en werd
overladen met liefkoozingen.

Tegen den middag gevoelde Cyrus Smith zich in staat, gesteund door
den arm van Spilett, naar de schoorsteenen te gaan.

Men bracht nu de draagbaar. Cyrus Smith strekte zich op het mos en
de droge bladeren uit, terwijl Pencroff en Nab de baar tusschen zich
namen. Acht mijlen moesten zij afleggen; en daar zij niet snel zouden
kunnen loopen en zeker nog wel eens dikwijls stil zouden moeten staan,
kon men rekenen dat er zes uur zouden voorbijgaan eer de schoorsteenen
bereikt waren.

Tegen vijf uur waren zij hun doel nabij en bevonden zij zich vóór
hun woning. Allen stonden stil en zetten de draagbaar op het zand
neer. Cyrus Smith lag in een diepen slaap en ontwaakte niet.

De grond voor de schoorsteenen was geheel door den opgekomen vloed
doorweekt. Pencroff snelde naar binnen, want plotseling had zich een
gedachte van hem meester gemaakt.

Oogenblikkelijk daarop keerde hij terug en staarde roerloos zijn
vrienden aan....

Het vuur was uitgedoofd. De tondel die de plaats van zwam kon innemen
was verdwenen. De zee was zeer ver in de schoorsteenen doorgedrongen
en had alles verwoest wat daar aanwezig was.




IX.

    Cyrus is er.--Pogingen van Pencroff.--Wrijven van hout.--Eiland
    of vastland?--De plannen van den ingenieur.--Op welk punt van
    de Zuidzee?--In het dichtst van het woud.--De pijnboom.--De
    jacht.--Rook die veel belooft.


Met weinige woorden werden Gideon Spilett, Harbert en Nab op de
hoogte van den toestand gebracht. Deze gebeurtenis die zeer ernstige
gevolgen kon hebben,--Pencroff zag het ten minste zoo in,--had
een verschillende uitwerking op de metgezellen van den braven
zeeman. Nab was zoo verheugd zijn meester te hebben weergevonden, dat
hij niet luisterde en zelfs volstrekt niet wilde letten op hetgeen
Pencroff zeide. Harbert scheen eenigermate de vrees van den zeeman
te deelen. Wat den verslaggever betreft, deze antwoordde slechts op
de woorden van Pencroff.

"Op mijn woord van eer, Pencroff, het is mij volmaakt onverschillig! Is
Cyrus er dan niet? Leeft onze ingenieur niet? Hij zal wel weten hoe
hij ons vuur kan verschaffen?"

"Waarmee dan?"

"Met niets."

Wat moest Pencroff daarop antwoorden? Hij antwoordde niet, want in zijn
binnenste deelde hij het vertrouwen, dat zijn metgezellen in Cyrus
Smith stelden. De ingenieur was voor hem een vereeniging van alle
menschelijke wetenschappen en kennis! Het kwam op hetzelfde neer of
men met Cyrus op een verlaten eiland was, dan wel zonder Cyrus in de
meest welvarende stad van de Unie. Met hem kon men aan niets gebrek
hebben. Met hem behoefde men nooit te wanhopen. Al had men dezen
goeden lieden gezegd, dat een vulkaansche uitbarsting dit land zou
vernietigen, dat het verzinken zou in de peillooze diepte van de Stille
Zee, zij zouden kalm geantwoord hebben: "Cyrus is daar! Daar is Cyrus!"

Cyrus Smith moest nu vóór alles onder gebracht worden; men bereidde
hem zoo goed mogelijk een bed van zeegras en de diepe slaap, waarin
hij weldra verzonk, herstelde spoedig zijn krachten.

De nacht was ingevallen en de temperatuur begon tegelijkertijd kouder
te worden door het draaien van den wind naar het noordoosten. Daar
de zee de beschuttingen had verwoest, die Pencroff op verscheidene
plaatsen had aangebracht, begon het zoo te tochten dat de schoorsteenen
bijna onbewoonbaar werden. Het zou er dus slecht voor den ingenieur
hebben uitgezien, indien zijn lotgenooten hem niet zorgvuldig toegedekt
hadden, door zich zelve van hun overkleederen te ontdoen.

Het avondeten bestond dien avond slechts uit die onvermijdelijke
lithodomen, waarvan Harbert en Nab er zooveel op de kust hadden
gevonden; zij wisten echter op de hoogste rotsen nog een eetbare
plant te vinden, die nog al in den smaak viel van den correspondent
en zijn lotgenooten.

"Toch wordt het tijd, dat Cyrus ons te hulp komt," zeide de zeeman.

Het werd intusschen zeer koud en ongelukkig genoeg, men had geen
enkel middel om de koude tegen te gaan.

De zeeman, die inderdaad ongerust werd, beproefde op alle mogelijke
manieren vuur te maken. Nab hielp hem zelfs daarbij. Hij had eenig
droog mos gevonden en door twee keisteenen tegen elkander te slaan,
verkreeg hij vonken; maar het mos, was niet brandbaar genoeg en vatte
geen vlam; die vonken waren toch slechts gloeiende stukjes vuursteen
en hadden niet dezelfde bestanddeelen als die, welke aan het staal
bij het vuurslaan ontspringen. De poging gelukte dus niet.

Pencroff beproefde vervolgens, hoewel hij er niet veel van verwachtte,
om, in navolging van de wilden, twee stukken droog hout tegen
elkander te wrijven. Wanneer volgens de nieuwe theorie, de beweging,
die Nab en hij maakten, in warmte moest overgaan, dan zou deze zeker
voldoende zijn geweest om het water voor een stoomketel aan de kook
te brengen! De uitkomst echter leidde tot niets. De stukken hout
werden warm, dat was alles, en zelfs niet eens zoo warm als zij,
die de beweging maakten.

Na een uur gewreven te hebben, gudste Pencroff het zweet uit alle
poriën en hij wierp spijtig de stukken hout weg.

"Als het waar is, dat de wilden op deze manier vuur maken," zeide hij,
"dan zou het zelfs in den winter warm zijn! Door zoo te wrijven zou
ik nog eerder mijn armen in brand steken!"

Pencroff vergat dat niet alle soorten van hout er toe geschikt zijn
en dat hij er niet den slag van had.

Harbert had den zeeman gadegeslagen en de stukken hout opgenomen,
toen deze ze wegwierp; hij begon met grooten ijver te wrijven en hij
antwoordde, toen Pencroff hem spottend toeriep:

"Wrijf maar, mijn jongen, wrijf maar."

"Ik wrijf alleen om mij zelf warm te maken evenals gij het er door
zijt geworden, Pencroff."

Wat er ook gebeurde, zij moesten zich dien nacht ter ruste leggen
zonder er in geslaagd te zijn vuur te maken.

Spilett, Harbert, Nab en Pencroff strekten zich in een van de gangen
op het zand uit en Top sliep aan de voeten van zijn meester.

Toen de ingenieur den volgenden morgen, 28 Maart, tegen acht uur
ontwaakte, zag hij zijn metgezellen om zich geschaard, die op zijn
ontwaken wachtten; evenals den vorigen avond, waren zijn eersten
woorden:

"Eiland of vasteland?"

Men ziet, deze gedachte vooral hield hem bezig.

"Dit is nu juist wat wij niet weten, mijnheer Smith!" antwoordde
Pencroff.

"Weet gij dat nog niet?..."

"Maar wij zullen het weten," voegde Pencroff er bij, "wanneer gij
ons door dit land den weg hebt gewezen."

"Ik geloof wel het te kunnen ondernemen," antwoordde de ingenieur
die zonder veel inspanning opstond en bleef staan.

"Dat gaat al goed!" riep de zeeman uit.

"Ik zou bijna van honger omkomen," antwoordde Cyrus Smith. "Vrienden,
ik moet iets te eten hebben, en dan ben ik ter uwer beschikking.--Er
is vuur, nietwaar?"

Het duurde eenige oogenblikken, voordat er antwoord op deze vraag
kwam. Pencroff zeide eindelijk:

"Helaas, wij hebben geen vuur, of liever, mijnheer Smith, wij hebben
geen vuur meer!"

Hij vertelde vervolgens, wat er den vorigen avond gebeurd was. Smith
gebruikte inmiddels zijn sober maal, en toen dit genuttigd was,
kruisde hij zijn armen en zeide:

"En dus, mijn vrienden, gij weet nog niet of het lot ons op het
vasteland of wel op een eiland geworpen heeft?"

"Neen, mijnheer Smith," was het antwoord.

"Morgen zullen wij het weten," hernam de ingenieur. "Tot zoolang
staat ons niets te doen."

"Zeker wel," gaf Pencroff ten antwoord.

"Wat dan?"

"Vuur," zeide de zeeman, die ook van zijn kant een idée fixe had.

"Wij zullen vuur maken, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.--"Heb ik
gisteren niet, terwijl gij mij vervoerdet, in het westen een berg
gezien die boven alles uitsteekt?"

"Ja," antwoordde Gideon Spilett, "een berg, die hoog genoeg moet
zijn...."

"Goed," hernam de ingenieur. "Morgen zullen wij den top bestijgen
en zien of dit land een eiland of het vasteland is. Tot zoolang,
ik herhaal het, is er niets te doen."

"Toch wel, vuur!" hernam nogmaals de koppige matroos.

"Maar men zal vuur maken!" antwoordde Gideon Spilett. "Een beetje
geduld, Pencroff."

De zeeman zag Gideon Spilett aan, alsof hij zeggen wilde: "Indien
gij er alleen voor staat om het ons te geven, dan zullen wij nog zoo
spoedig geen biefstuk bakken!" Maar hij zweeg.

Cyrus Smith echter had nog niets geantwoord. De quaestie om vuur te
maken scheen hem al zeer weinig bezig te houden. Gedurende eenige
oogenblikken bleef hij in gedachten verzonken. Eindelijk nam hij het
woord en zeide:

"Mijne vrienden, onze toestand is misschien ellendig, maar hij is
in ieder geval zeer eenvoudig. Of wij zijn op een vasteland, en dan
kunnen wij ten koste van meerdere of mindere vermoeienis, een bewoond
punt bereiken; òf wel, wij zijn op een eiland. In dit laatste geval
blijven ons slechts twee dingen over; indien het eiland bewoond is, dan
zullen wij het met zijn bewoners trachten te vinden; is het verlaten,
dan zullen wij trachten ons alleen te redden en ons hier vestigen,
alsof wij het nooit moesten verlaten!"

"Nooit!" riep de verslaggever uit. "Zegt gij nooit! mijn waarde Cyrus?"

"Het is beter, dadelijk het ergste van de zaken te zien," antwoordde
de ingenieur, "en betere uitkomst als een verrassing te beschouwen."

"Flink!" zeide Pencroff. "En men moet ook nog hopen, dat dit eiland,
als het er een is, niet juist geheel buiten den weg der schepen
ligt! Dat zou al zoo ongelukkig mogelijk zijn!"

"Wij zullen niet eer weten waar ons aan te houden, vóórdat wij den
berg hebben bestegen," antwoordde de ingenieur.

"Maar, mijnheer Cyrus, zult gij morgen de vermoeienis van dien tocht
kunnen doorstaan?" vroeg Harbert.

"Ik hoop het," antwoordde de ingenieur, "maar onder voorwaarde dat
Pencroff en gij, mijn jongen, zult toonen knappe en handige jagers
te zijn."

"Mijnheer Cyrus," viel de zeeman hem in de rede, "daar gij nu toch
van wild spreekt, als ik, bij mijne terugkomst, even zeker kon zijn
het wild te zien braden, als ik nu zeker ben het thuis te brengen...."

"Breng het maar eerst thuis, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith.

Men kwam overeen, dat de ingenieur en de correspondent den dag in de
schoorsteenen zouden doorbrengen, om de kust en de hooge vlakte te
onderzoeken. Nab, Harbert en de zeeman zouden intusschen naar het bosch
terugkeeren, een nieuwen voorraad hout opdoen en zich meester maken
van elken vogel of van elk stuk wild, dat onder hun bereik mocht komen.

Tegen tien uur in den morgen gingen zij op weg, Harbert vol vertrouwen,
Nab vroolijk en Pencroff binnensmonds mompelende:

"Als ik bij mijn terugkomst vuur in huis vind, dan heeft het onweder
in eigen persoon het er aangebracht!"

Zij kwamen overeen om met de jacht te beginnen en op den terugtocht
hout in te zamelen. In plaats van, zooals den vorigen keer, de rivier
te volgen, drongen zij dieper in het bosch door, maar dit beantwoordde
niet aan hunne verwachting, want na een uur geloopen te hebben,
hadden zij nog geen wild gezien.

De zon had haar hoogste standpunt nog niet bereikt; de tocht duurde
nog maar altijd voort. Eindelijk werden zij beloond; Harbert ontdekte
namelijk een soort van denneboom, waarvan de vruchten eetbaar waren
en veel overeenkomst met amandelen hadden.

"Dat gaat goed," zeide Pencroff, "zeeplanten in plaats van brood, rauwe
mosselen in plaats van vleesch en amandelen tot dessert, dat is wel een
diner voor menschen die geen enkelen lucifer meer in hun zak hebben!"

"Ge moet niet klagen," antwoordde Harbert.

"Ik klaag niet, mijn jongen," hernam Pencroff, "ik herhaal slechts,
dat het vleesch wel een beetje te veel ontbreekt bij dat maal!"

"Top denkt er anders over...." riep Nab uit, die op een kreupelboschje
toeliep, waarin de hond blaffend verdwenen was. Het keffen van Top
vermengde zich met een zonderling geknor.

De zeeman en Harbert waren Nab gevolgd. Nauwelijks waren de jagers in
het boschje of zij zagen Top, die een beest bij een oor vasthield. Het
was een soort varken, ongeveer twee en een halven voet lang, bruinzwart
van kleur met een harde, maar niet zeer dikke huid, en pooten waarvan
de teenen, die op dat oogenblik aan den grond als genageld stonden,
door vliezen verbonden waren.

Harbert meende dat het een moeraszwijn was, dat is te zeggen, het
grootste soort van de orde der knaagdieren.

Intusschen verweerde het dier zich volstrekt niet tegen den
hond. Het keek dom uit zijn oogen, diep verborgen in een dikke laag
vet. Misschien was dit de eerste maal dat het menschen voor zich zag.

Nab had zijn stok stevig in de hand genomen en wilde het knaagdier
afmaken, toen dit zich eensklaps uit de tanden van Top, die slechts een
stuk van het oor behield, losrukt, een vreeselijk gebrul uitstoot,
op Harbert aanvliegt, dezen op den grond werpt en daarna in het
bosch verdwijnt.

"Ha! die schelm," riep Pencroff uit.

Onmiddellijk volgden zij de sporen van Top en op het oogenblik dat zij
het beest nabij waren verdween het onder water in een grooten poel,
door eeuwenoude pijnboomen omringd.

Nab, Harbert en Pencroff stonden onbeweeglijk. Top was in het water
gesprongen, maar het dier verscheen niet weer.

"Wij moeten wachten," zeide de knaap, "want het zal weldra komen om
adem te halen."

"Zou het niet verdrinken?" vroeg Nab.

"Neen," antwoordde Harbert, "het heeft zwemvliezen en is dus een
amphibie. Maar wij moeten opletten."

Top bleef te water. Pencroff en zijn metgezellen gingen ieder aan
een kant staan, om het beest elken uitweg af te snijden.

Harbert had zich niet vergist. Weinige oogenblikken later verscheen
het zwijn aan de oppervlakte van het water. Top wierp zich in een
sprong op hem en belette het op nieuw onder te duiken. Het volgende
oogenblik was het dier door een slag van den stok van Nab afgemaakt.

"Hoezee!" riep Pencroff, die gaarne door dien kreet zijn vreugde
uitte. "Nu nog slechts een gloeiend kooltje en dit knaagdier zal zelf
tot op de beenderen afgeknaagd worden!"

Pencroff laadde het zwijn op zijn schouders en den stand der zon
gadeslaande, oordeelde hij, dat het ongeveer twee uur zou zijn en
gaf bevel tot den terugtocht.

Dank zij het instinct van Top, konden de jagers den weg, dien zij
gekomen waren, terugvinden. Een half uur later waren zij aan den oever
van de rivier. De zeeman was nog op vijftig passen van de schoorsteenen
verwijderd, toen hij op nieuw een oorverdoovend hoezee aanhief en op
den steenhoop wijzende, uitriep:

"Nab! Harbert! Zie eens!"

Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op!




X.

    Eene uitvinding van den ingenieur.--De vraag, die Cyrus Smith
    bezig houdt.--Op weg naar het gebergte.--Het woud.--Vulkanische
    bodem.--Vreemde dieren.--De eerste vlakte.--Een nacht in de
    open lucht.--De top van den kegel.


Eenige oogenblikken later stonden de drie jagers voor een knetterend
vuur. Cyrus Smith en de correspondent bevonden zich daar eveneens,
Pencroff staarde hen aan, zonder een woord te zeggen, met zijn zwijn
in de hand.

"Zeker, zeker, mijn jongen," riep de verslaggever uit. "Vuur waarachtig
vuur, dat dit prachtige stuk wild, waaraan wij ons straks te goed
zullen doen, heerlijk zal braden!"

"Maar wie heeft dit aangemaakt?" vroeg Pencroff.

"De zon!"

Het antwoord van Gideon Spilett was zeer juist. De zon had deze warmte
aangebracht, waarover Pencroff zich verwonderde. De zeeman kon zijn
oogen niet gelooven, en hij was zoo buiten zich zelf van verbazing,
dat hij er niet eens aan dacht den ingenieur naar de toedracht der
zaak te vragen.

"Hadt gij dan een brandglas, mijnheer?" vroeg Harbert aan Smith.

"Neen, mijn jongen," antwoordde hij, "maar ik heb er een gemaakt."

En hij liet hem den toestel zien, dien hij voor brandglas gebruikt
had. Het waren slechts de glazen van de horloges van den correspondent
en van hem. Na ze met water gevuld en de randen door middel van een
weinig klei hermetisch aaneengesloten te hebben, had hij een brandglas
vervaardigd, dat, door de zonnestralen op een stuk zeer droog mos te
concentreeren, de ontbranding had veroorzaakt.

De zeeman beschouwde den toestel en keek toen den ingenieur aan zonder
een woord te spreken. Maar zijn blik zeide genoeg! Was Cyrus Smith
voor hem al niet een God, zeker was hij meer dan een mensch. Eindelijk
kreeg hij zijn spraak terug en riep uit:

"Teeken dat aan mijnheer Spilett, teeken dat in uw boek aan."

"Het is reeds aangeteekend," antwoordde de verslaggever.

Weldra had de zeeman, met behulp van Nab, het zwijn aan het
braadspit. De ingenieur en zijn metgezel hadden hun dag goed besteed,
de schoorsteenen waren weder bewoonbaar geworden, doordat de reten met
steen en zand dicht waren gemaakt en de gloed van het vuur zich ook
daar deed gevoelen. Cyrus Smith had zijn krachten weder teruggekregen
en staarde, in gepeins verzonken, naar den top van den berg, dien zij
den volgenden dag zouden bestijgen. Die berg lag ongeveer op zes mijlen
noord-westelijk en verhief zich, naar zijn schatting, drie duizend
vijf honderd voet boven de oppervlakte der zee. Bijgevolg kon iemand,
die op den top stond den horizon met een straal van minstens vijftig
mijlen overzien. Cyrus Smith zou dus waarschijnlijk zonder moeite,
de quaestie van "vasteland of eiland" kunnen oplossen, welke hij,
niet zonder reden, de gewichtigste van allen oordeelde.

Het avondeten werd met grooten smaak genuttigd en na eenige groote
blokken hout op het vuur geworpen te hebben, begaven zich allen
ter ruste.

Den volgenden morgen om half acht waren Cyrus Smith en zijn
lotgenooten, met stokken gewapend, gereed om den tocht te
ondernemen. De rest van het zwijn was voldoende voedsel voor vier en
twintig uur; zij hoopten onder weg echter nieuwen voorraad op te doen;
en de glazen waren dan ook weer op de horloges van den ingenieur en
den verslaggever gezet.

Op raad van Pencroff volgde men den reeds afgelegden weg door het
bosch, daar dit de naaste naar den berg was. Toen zij aan den zoom van
het bosch waren, begon de weg een weinig te hellen. Ten tien uur maakte
men even halt op een plaats vanwaar men den berg in het gezicht had.

"Wij zijn op vulkanisch terrein," zeide Smith tot zijn
metgezellen. Harbert maakte hen opmerkzaam op versche sporen van
groote dieren, wilde of andere.

"Die beesten zullen ons misschien ongaarne hun gebied afstaan,"
merkte Pencroff op.

"Welnu," antwoordde de correspondent, die in Indië reeds tijgerjachten
had mee gemaakt en in Afrika de leeuwen had vervolgd, "wij zullen
ons van hen trachten te ontdoen. Maar laten wij intusschen op onze
hoede zijn."

Om twaalf uur werd er een tweede halt gemaakt om te ontbijten,
waarna het troepje zich weer in beweging zette, maar nu door vrij
dik kreupelhout. In de schaduw fladderde een groot aantal vogels,
tot het geslacht der fazanten behoorende. Gideon Spilett doodde met
een steenworp een van deze vogels, waarop Pencroff, die waarschijnlijk
door de lucht honger had gekregen, gulzige blikken wierp.

De weg werd voortdurend moeielijker, want hij ging nu steil naar
de hoogte en ieder moest nauwkeurig toezien, waar hij zijn voet
zette. Nab en Harbert gingen vooraan, Pencroff was de laatste;
tusschen hen in liepen Cyrus en de verslaggever. De dieren, die op
deze hoogte verblijf hielden--en hun sporen ontbraken niet--moesten
noodzakelijk behooren tot die rassen met vasten voet en lenig lichaam,
waartoe de gemzen en wilde geiten behooren. Men zag er zelfs eenigen,
maar Pencroff scheen ze niet met een juisten naam aan te duiden,
want eensklaps riep hij uit:

"Schapen!"

Allen bleven stilstaan op vijftig passen afstand van een half dozijn
groote dieren met krachtige horens, die naar achteren gebogen en plat
aan het uiteinde waren, hun vacht was wollig, maar verborgen onder
lang zijdeachtig haar van licht gele kleur.

Het waren geen gewone schapen, maar een soort, dat algemeen gevonden
wordt in de bergen der gematigde luchtstreken en waaraan Harbert den
naam gaf van wilde rammen.

"Zitten er ook bouten en koteletten aan?" vroeg de zeeman.

"Ja," antwoordde Harbert.

"Nu dan zijn het ook schapen!" hernam Pencroff.

Deze beesten bleven onbeweeglijk en met verwonderden blik tusschen de
blokken basalt staan alsof zij voor de eerste maal menschelijke wezens
aanschouwden. Toen verdwenen zij in een paar sprongen achter de rotsen.

"Tot weerziens!" riep Pencroff hun op zulk een echt komischen toon na,
dat zijn metgezellen begonnen te lachen.

Zeven uur lang waren zij bergopwaarts gegaan; de duisternis viel in en
men besloot te kampeeren om de krachten te herstellen, het avondeten
te nuttigen en vervolgens te slapen. Het weer was prachtig, de hemel
onbewolkt en de nacht nog niet geheel donker. Te midden van eenige
rotsen vond men een schuilplaats. Hoewel de brandstof niet overvloedig
was, wisten de zeeman, Nab en Harbert spoedig zooveel mos en droog
hout bij elkander te zoeken, dat er binnen weinige oogenblikken een
knetterend vuurtje opvlamde, dat alleen diende om de koude nachtlucht
een weinig tegen te gaan. Nab bewaarde den fazant voor den volgenden
dag, de overblijfsels van het zwijn en eenige dozijnen amandelen
vormden nu het souper. Het was nog geen half zeven, toen dit reeds
afgeloopen was.

Cyrus Smith kwam op de gedachte om, voor hij ter ruste ging, den
omtrek nog eens op te nemen; hij wilde zich overtuigen of men het
pad kon volgen dat rondom dezen kegel liep, voor het geval dat de
zijden te stijl mochten zijn en men den top aldus niet zou kunnen
bereiken. Kon men echter geen van beiden, dan was het onmogelijk het
westelijke gedeelte van de streek op te nemen en men zou het doel
van den tocht gedeeltelijk missen.

Zonder zijn vermoeienis te tellen, liet de ingenieur Pencroff en
Nab voor slaapplaatsen zorgen, Gideon Spilett zijn aanteekeningen
schrijven en volgde hij zelf den weg, die om den top liep. Harbert
vergezelde hem.

Na een marsch van ongeveer twintig minuten, konden Smith en Harbert
niet verder: op dat punt vloeide de helling der beide kegels ineen;
ter zelfder tijd werd hun echter de kans geopend om regelrecht op den
top af te gaan. Zij bevonden zich namelijk voor een diepe spleet in
den berg. Het was de mond van den krater, die zich bovenaan bevond,
de hals, als het ware, waardoor de vloeibare stoffen uitgeworpen
werden in den tijd dat de vulkaan nog in werking was. De lava was
hard geworden, het metaalschuim had zich gezet en vormde een soort
van natuurlijke trap met breede treden, die het beklimmen van den
top van den berg gemakkelijk maakten.

In een oogopslag overzag Cyrus Smith den stand van zaken en, zonder
aarzelen, begaf hij zich, door zijn jeugdigen makker gevolgd,
in de groote spleet te midden van een diepe duisternis. Men moest
nog ongeveer duizend voet stijgen. Zou de helling binnen den krater
begaanbaar zijn? Men moest het onderzoeken. De ingenieur wilde zijn
tocht voortzetten, zoolang hij door niets daarin belemmerd werd.

Wat den vulkaan zelf betrof, het viel geen oogenblik te betwijfelen
of hij was geheel uitgedoofd. Geen rookwolkje steeg er uit. Geen
vlam was er in de diepte zichtbaar. Geen gerommel, geen geluid, geen
beweging kwam er uit deze donkere put, die mogelijk doordrong tot in
het binnenste der aarde. Zelfs de atmosfeer in den krater was door
geen enkelen zwavelachtigen damp bezwangerd. Het was meer dan een
sluimerende vulkaan, het was een geheel uitgedoofde.

De poging van Cyrus Smith moest slagen. Langzamerhand zagen Harbert en
hij, terwijl zij stegen, den krater boven hun hoofd wijder worden. Het
gedeelte van den hemel dat zij boven zich zagen werd al grooter en
grooter. Bij elken stap, dien Smith en Harbert deden kregen zij nieuwe
sterren in het gezicht. Het schitterde prachtig.

Het was even voor acht uur toen Cyrus Smith en Harbert hun voet zetten
op den top van den berg.

Het was geheel duister en zij konden niet verder dan twee mijlen
zien. Werd dit onbekende land door de zee omgeven, of hechtte het zich
in het westen aan eenig vasteland van de Stille Zee? Men kon het nog
niet onderscheiden. In het westen maakte een nevelachtige streep,
die scherp tegen den horizon afstak, de duisternis nog grooter en
het oog kon niet beslissen of hemel en water in éen lijn samenvloeiden.

Plotseling echter vertoonde zich een flauw licht aan een punt van
den horizon, dat langzaam daalde, naarmate de wolk steeg.

Het was de smalle sikkel van de maan, die weldra zou verdwijnen;
maar haar licht was voldoende om de lijn van den horizon, waarvoor
de wolk verdwenen was, duidelijk af te teekenen, en de ingenieur zag
een oogenblik haar beeld zich in een vloeiende oppervlakte trillend
weerspiegelen.

Cyrus Smith vatte de hand van den knaap en zeide op ernstigen toon,
op het oogenblik dat de maan in de golven verdween:

"Een eiland!"




XI.

    Op den top van den kegel.--Het binnenste van den krater.--De
    zee rondom.--Geen land in zicht.--De kust in vogelvlucht
    gezien.--Is het eiland bewoond?--Doop der baaien, golven,
    kapen en rivieren.--Het eiland Lincoln.


Een half uur later waren Cyrus Smith en Harbert weder op weg naar hun
kamp. De ingenieur zeide slechts tot zijn metgezellen, dat het land,
waarop zij geworpen waren, een eiland was, en dat men den volgenden
dag verder zou overleggen. Vervolgens maakte ieder het zich zoo
gemakkelijk mogelijk om te slapen en in dat hol van basalt op een
hoogte van vijf en twintig honderd voet boven de oppervlakte der zee,
smaakten "de eilandbewoners" een diepe rust.

Den volgenden morgen, 30 Maart, wilde de ingenieur, na een sober
ontbijt, uit een gebraden geit bestaande, weder den top van den
vulkaan bestijgen, teneinde nauwkeurig het eiland op te nemen,
waarop hij en de zijnen gevangen waren, misschien zelfs levenslang,
indien het op grooten afstand van elk land gelegen was, of wanneer het
niet in den weg lag van de schepen, welke de archipel der Stille Zee
bezoeken. Ditmaal volgden allen hem op zijn ontdekkingstocht. Ook
zij wilden het eiland zien, dat al hun behoeften zou moeten
bevredigen. Cyrus Smith volgde denzelfden weg als den vorigen dag. Het
was prachtig weer. De zon steeg aan een effen hemel en verlichtte
met haar stralen het geheele oostelijk gedeelte van den berg.

Men kwam bij den krater. De ingenieur zou hem zelfs in de duisternis
teruggevonden hebben. Nog voor twee uur waren Smith en zijn metgezellen
op den top van den krater vereenigd, op een kegelvormige hoogte,
die zich aan de noordzijde verhief.

"Zee! overal zee!" riepen zij uit, alsof hun lippen dat woord niet
konden weerhouden, dat hen tot eilanders maakte.

De ingenieur en zijn vrienden beschouwden eenige oogenblikken,
sprakeloos en onbeweeglijk, alle punten van den oceaan. Zij drongen
met hun oog tot de uiterste grenzen der onmetelijke watervlakte
door. Maar Pencroff, die zulk een scherp gezicht had, zag niets, en
waarlijk, indien er aan den horizon land ware geweest, al had het zich
ook voorgedaan als een flauwe nevel, de zeeman zou het ongetwijfeld
herkend hebben, want het waren twee ware telescopen die de natuur
onder zijn zware wenkbrauwen geplaatst had.

Van den oceaan richtten zij hun blikken naar het eiland, dat zij
geheel overzagen, en Gideon Spilett was de eerste, die het woord nam
en de belangrijke vraag stelde:

"Hoe groot kan dit eiland zijn?"

Het scheen inderdaad niet groot te midden van den onmetelijken oceaan.

Cyrus Smith dacht eenige oogenblikken na; hij volgde oplettend den
omtrek van het eiland, waarbij hij de hoogte waarop hij zich bevond,
in aanmerking nam, en zeide toen:

"Vrienden, ik geloof niet dat ik mij vergis, wanneer ik den omtrek
van het eiland op ongeveer tweehonderd mijlen schat."

"En bijgevolg is de oppervlakte?...."

"Dat valt moeielijk te bepalen," antwoordde de ingenieur, "want er
zijn te veel bochten."

Cyrus Smith vergiste zich niet in zijn schatting; het eiland had
ongeveer de uitgestrektheid van Malta of Zante in de Middellandsche
Zee; maar het was daarbij veel onregelmatiger, en minder rijk in
kapen, uitstekende punten, baaien, inhammen en kreken. Zijn inderdaad
zonderlinge vorm verwonderde allen, en toen Gideon Spilett, op raad
van den ingenieur, den omtrek er van geteekend had, vond men dat het
geleek op eenig phantastisch dier, een monsterachtig gevind weekdier,
dat op de oppervlakte van de Stille Zee ingeslapen was.

Het eiland zelf maakte in het algemeen daarvan den indruk. Het geheele
zuidelijke gedeelte, van den berg tot de kust, was dicht met hout
begroeid; het was onvruchtbaar en zandig in het noorden. Cyrus Smith en
zijn metgezellen waren niet weinig verwonderd, toen zij tusschen den
vulkaan en de kust een meer zagen, rondom door groene boomen omringd,
waarvan zij het bestaan niet hadden vermoed. Van die hoogte af scheen
het meer en de zee hetzelfde peil te hebben, maar, na er over te hebben
nagedacht, verklaarde de ingenieur, dat de hoogte van dat meer boven de
oppervlakte der zee ongeveer drie honderd voet moest bedragen, want de
bergvlakte die tot kom diende was slechts een verlenging van de kust.

"Het is dus een zoetwatermeer?" vroeg Pencroff.

"Dat kan niet anders," antwoordde de ingenieur, "want het moet gevoed
worden door het water dat van de bergen stroomt."

"Ik zie een klein riviertje dat er zich in uitstort," zei Harbert,
op een smalle beek wijzende.

"Inderdaad," antwoordde Smith, "en daar deze beek het meer van water
voorziet, is het waarschijnlijk dat er aan den zeekant een uitloozing
bestaat, waardoor het overvloedige water ontsnapt. Wij zullen dit op
onzen terugtocht zien."

De vulkaan was niet midden in het eiland gelegen; hij verhief zich
integendeel in het noordwesten en scheen de grens aan te geven der
twee hemelstreken. In het zuidwesten, zuiden en zuidoosten verdween
het laagste gedeelte van het voorgebergte onder een weelderigen
plantengroei.

In het noorden kon men echter zijn vertakkingen volgen die uitliepen in
zandvlakten. Naar dien kant hadden dan ook, tijdens de uitbarstingen,
de vloeibare stoffen een uitweg gezocht en een breede lavastroom
strekte zich uit tot den kleinen inham, die in het noordoosten een
baai vormde.

Er bleef nu nog een ernstige quaestie uit te maken, die van zeer veel
invloed was voor de toekomst der schipbreukelingen.

Was het eiland bewoond?

Het was de verslaggever, die deze vraag deed, waarop men schijnbaar
reeds ontkennend kon antwoorden, na het nauwkeurig onderzoek, dat
naar verschillende kanten van het eiland ingesteld was.

Nergens zag men eenig werk van menschelijke hand. Geen verzameling van
huizen, geen eenzame hut, zelfs geen visschersloods aan de kust. Geen
rookwolkje steeg in de lucht en verried de aanwezigheid van menschen.

Een afstand van dertig mijlen scheidde evenwel de schipbreukelingen van
de verst verwijderde punten, dat is te zeggen, van dat gedeelte, dat
zich naar het zuid-westen uitstrekte, en het zou moeielijk zijn, zelfs
voor oogen als die van Pencroff, daar een woning te ontdekken. Ook kon
men dat gordijn van gebladerte niet optillen, dat drie vierden van
het eiland bedekte, en zien of het al dan niet eenig klein gehucht
verborg. Maar over het algemeen vestigen zich de bewoners van die
kleine eilanden, welke uit de golven van de Stille Zee verrijzen,
aan de kust, en die kust scheen geheel en al verlaten.

Tot het tegendeel uit een nauwkeuriger onderzoek zou zijn gebleken,
kon men dus aannemen, dat het eiland onbewoond was.

Maar werd het ook bezocht, al was het ook slechts nu en dan,
door de bewoners der naburige eilanden? Op die vraag was moeilijk
te antwoorden. Gedurende die onzekerheid moest men echter eenige
voorzorgen nemen tegen een mogelijke landing van naburige volksstammen.

De verkenning van het eiland was volbracht, zijn vorm opgenomen, zijn
hoogte aangeteekend, zijn oppervlakte berekend, zijn toestand, met
betrekking tot water en bergen, verkend. De gesteldheid der bosschen
en vlakten was in het algemeen op het plan van den verslaggever
aangegeven. Men moest nu slechts de hellingen van den berg afdalen en
den bodem onderzoeken uit het drievoudig oogpunt, dat der delfstoffen,
der planten en der dieren. Maar alvorens zijn lotgenooten het sein
tot den terugtocht te geven, zei Cyrus Smith op kalmen, ernstigen
toon tot hen:

"Ziehier, mijne vrienden, het kleine stukje grond waarop de Almachtige
ons geworpen heeft. Hier zullen wij moeten leven, misschien zeer
lang. Misschien zal hier onverwacht hulp komen, indien eenig schip
bij toeval voorbij zeilt.... Ik zeg bij toeval, want dit eiland
is van weinig beteekenis; het heeft zelfs geen haven, die een
toevluchtsoord zou kunnen zijn voor schepen, en het is te vreezen,
dat het ligt buiten elken koers, die gewoonlijk gevolgd wordt,
dat is te zeggen, te zuidelijk voor de schepen, welke de archipels
van de Stille Zee bezoeken, te noordelijk voor diegenen, welke naar
Australië gaan en Kaap Hoorn omzeilen. Ik wil u niets omtrent onzen
toestand verbergen...."

"En gij hebt gelijk, mijn waarde Cyrus," antwoordde de correspondent
met vuur. "Gij hebt met mannen te doen. Zij stellen vertrouwen in u
en gij kunt op hen rekenen. Niet waar, mijne vrienden?"

Harbert en Nab verzekerden Smith van hun gehoorzaamheid en trouw,
en de zeeman stelde zelfs voor om van dat eiland een klein Amerika
te maken. Hij zag geen bezwaar om steden te bouwen, spoorwegen
aan te leggen en zelfs een telegraaf op te richten, en wanneer dit
alles volbracht was, het te gaan aanbieden aan het gouvernement der
Vereenigde Staten. Hij stelde slechts één voorwaarde.

"Welke?" vroeg de correspondent.

"Ons niet meer als schipbreukelingen te beschouwen, maar als
kolonisten, die hier gekomen zijn om een kolonie te stichten!"

Cyrus Smith kon niet nalaten te glimlachen, en het voorstel van den
zeeman werd aangenomen. Vervolgens bedankte hij zijn lotgenooten
en voegde er bij, dat hij rekende op hun energie en op den bijstand
des hemels.

"Welnu, op weg naar de schoorsteenen!" riep Pencroff uit.

"Nog een oogenblik, vrienden," zei de ingenieur, "het komt mij niet
kwaad voor dit eiland een naam te geven evenals aan de kapen, de
golven en de stroomen, die wij aanschouwen."

"Zeer goed," zei de correspondent. "Dat zal in het vervolg de bevelen,
die wij moeten geven of volgen, gemakkelijker maken."

"Inderdaad," zei de zeeman, "het is reeds veel te kunnen zeggen
waarheen men gaat of vanwaar men komt. Dan weet men ten minste dat
men ergens is."

"Bij voorbeeld in de schoorsteenen," zei Harbert.

"Juist!" antwoordde Pencroff. "Die naam is het eenvoudigste, en
ook bij mij is die van zelf opgekomen. Zullen wij aan onze eerste
verblijfplaats den naam geven van Schoorsteenen, mijnheer Cyrus?"

"Ja, Pencroff, omdat gij die zoo gedoopt hebt."

"Goed! en wat de andere betreft, dat is gemakkelijk," hernam de
zeeman. "Laten wij er namen aan geven zooals Robinson, waaruit Harbert
mij zoo dikwijls heeft voorgelezen: "de baai der Voorzienigheid",
"Walvisschen-kaap" en "kaap der bedrogen hoop!"....

"Of liever de namen van de heeren Smith en Spilett of van Nab,"
zei Harbert.

"Mijn naam!" riep Nab uit, terwijl hij zijn schitterende witte tanden
liet zien.

"Waarom niet," antwoordde Pencroff.

"Nab's haven, dat klinkt zeer goed! En dan kaap Gideon...."

"Ik zou de voorkeur geven aan namen, aan ons land ontleend," antwoordde
de correspondent; "zij zouden ons aan Amerika herinneren."

Cyrus Smith was het volkomen met hem eens. Een groote baai in het
oosten, werd de baai der Vereenigde Staten genoemd, een ander in het
zuiden Washingtonbaai; de berg waarop zij stonden werd berg Franklin
gedoopt, en het meer, dat zij voor zich hadden, het Grantmeer. Er
werd besloten de stroomen, bosschen en kreken later een naam te
geven. Een schiereiland, dat in het zuidwesten slechts door een
smalle strook land aan het groote eiland verbonden was, noemde men
het Slangenschiereiland, en de vooruitstekende punt de Hagedis. De
rivier, in wier nabijheid de ballon hen geworpen had kreeg den naam
van de Mercy. Het dichte bosch op het Slangenschiereiland werd het
bosch van het Verre Westen genoemd.

Alles had een naam gekregen en de kolonisten zouden den berg Franklin
verlaten, om naar de Schoorsteenen terug te keeren, toen Pencroff
uitriep:

"Wat zijn wij toch dom!"

"Hoe dat?" vroeg Gideon Spilett, die zijn aanteekeningboek reeds
gesloten had en opstond.

"En ons eiland? Dat hebben we geheel vergeten te doopen."

Harbert wilde het den naam van den ingenieur geven en allen zouden
het zeker met hem eens geweest zijn, ware Smith hem niet in de rede
gevallen met de woorden:

"Laten wij het den naam van een groot burger geven, vrienden, van
hem, die op dit oogenblik strijdt om de eenheid van de Amerikaansche
republiek te verdedigen! Laten wij het Lincoln noemen!"

Een luide toejuiching was het antwoord op dit voorstel.

Dien avond spraken de kolonisten, vóór zij zich ter ruste begaven,
over hun vaderland; zij spraken over dien vreeselijken oorlog,
die het tot een land des bloeds maakte; zij twijfelden niet of het
Zuiden zou weldra onderworpen worden en de zaak van het Noorden, de
zaak der rechtvaardigheid zou, dank zij Grant en Lincoln, zegepralen.

Dit viel voor op den 30sten Maart 1865, en zij waren geheel onbewust
dat er zestien dagen later een vreeselijke moord te Washington zou
gepleegd worden, en dat Abraham Lincoln op goeden Vrijdag door den
kogel van een dweeper zou omkomen.




XII.

    De horloges worden geregeld.--Pencroff is voldaan.--Een
    verdachte rook.--De roode beek.--De bloemen van het Lincolns
    eiland.--De dieren.--De bergfazanten.--Jacht op Kangaroes.--Het
    Grantmeer.--Terugreis naar de Schoorsteenen.


De kolonisten van het eiland Lincoln wierpen een laatsten blik om zich
heen en daalden door den krater neder, en een half uur later waren zij
op de plaats, waar zij hun nachtleger hadden opgeslagen. Pencroff dacht
dat het tijd was om te ontbijten, en daardoor kwam men op het denkbeeld
de horloges van Gideon Spilett en den ingenieur gelijk te zetten.

Zooals men weet, had dat van Gideon Spilett niet door het zeewater
geleden, omdat de correspondent dadelijk op het zand was terecht
gekomen, buiten bereik van de golven. Het was een uitmuntend uurwerk,
een ware zak-chronometer, dien Gideon Spilett nooit vergeten had op
te winden. Het horloge van den ingenieur had natuurlijk stilgestaan
gedurende den tijd dien Smith in de duinen had doorgebracht.

De ingenieur wond het op en rekende dat het te oordeelen naar de zon,
ongeveer negen uur in de morgen moest zijn: hij zette zijn horloge
op dat uur.

Spilett wilde zijn voorbeeld volgen, toen Smith hem weerhield en zeide:

"Neen, wacht even. Gij hebt den tijd van Richmond behouden, nietwaar?"

"Ja, Cyrus."

"Bijgevolg is uw horloge geregeld naar den meridiaan van de stad,
de meridiaan, die bijna dezelfde is als die van Washington."

"Zeker."

"Nu, houd het dan zoo. Wind het slechts trouw op, maar kom nooit aan
de wijzers. Dit kan ons van dienst zijn."

"Waartoe moet dat dienen!" dacht de zeeman.

Men besloot een anderen weg terug te gaan om het meer Grant eens
van naderbij te beschouwen. Er was overeengekomen dat de kolonisten,
zonder juist allen bij elkander te loopen, toch niet te ver uiteen
zouden gaan. In de dikke bosschen van het eiland zouden zeker eenige
wilde dieren verblijf houden en men moest dus voorzichtig zijn. Meestal
gingen Pencroff, Harbert en Nab voorop, zonder echter bij Top te kunnen
blijven, die overal rondsnuffelde. De ingenieur en de correspondent
liepen samen; Gideon Spilett gereed om de minste bijzonderheid aan
te teekenen, en Smith in gedachten verzonken; hij bukte zich slechts
nu en dan om een steen of plant op te rapen, die hij, zonder er een
woord over te zeggen in zijn zak stak.

"Wat drommel raapt hij daar toch op?" mompelde Pencroff. "Ik kijk al,
maar zie niets, dat de moeite waard is om er voor te bukken!"

Tegen tien uur was de kleine troep aan den voet van den berg
Franklin. Slechts hier en daar stond eenig laag hout en een paar
boomen. Men liep over een vlakte van ongeveer een vierkante mijl,
die aan den zoom van het bosch vooraf ging en waarvan de grond geel
en kalkachtig was. Hier en daar lagen groote blokken basalt, die,
volgens Bischof, drie honderd vijftig millioen jaren noodig hebben
gehad om af te koelen. Er waren echter nergens sporen van lava te
ontdekken; deze was meer langs de noordelijke helling afgevloeid.

Op eens snelde Harbert op Smith toe, terwijl Nab en de zeeman zich
achter een rots verscholen.

"Wat is er mijn jongen?" vroeg Gideon Spilett.

"Rook," antwoordde Harbert. "Wij hebben rook zien opstijgen achter
de rotsen op ongeveer honderd passen van ons verwijderd."

"Hier menschen?" riep de verslaggever uit.

"Laten wij ons niet laten zien, voordat wij weten met wie wij te doen
hebben," antwoordde Cyrus Smith. "Ik vrees de bewoners van dit eiland
meer, dan dat ik naar hen verlang. Waar is Top?"

"Top is vooruit."

"En hij blaft niet."

"Neen."

"Dat is zonderling. Laten wij niettemin trachten hem terug te roepen."

In een oogwenk waren de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert bij hun
twee metgezellen en verscholen zich, evenals deze achter blokken
basalt. Van daar zagen zij duidelijk een rookwolk in de lucht
opstijgen, waarvan de geelachtige kleur hunne bijzondere aandacht trok.

Top was op een zacht fluitje van zijn meester teruggekomen en deze
gaf een teeken aan zijn lotgenooten om hem te wachten terwijl hij
zelf tusschen de rotsen vooruit sloop. De kolonisten wachtten met
zekere angst den uitslag van deze verkenning af, toen zij allen op het
geroep van Cyrus Smith toesnelden. Toen zij bij hem kwamen, waren zij
verbaasd over de onaangename reuk, waarmede de lucht bezwangerd was.

"Dat vuur," zei Cyrus Smith, "of liever, die rook, is alleen door de
natuur ontstaan. Daar is een zwavelbron en niet anders."

"Welzoo," zeide Pencroff. "Hoe jammer dat ik niet verkouden ben."

De kolonisten begaven zich vervolgens naar de plaats, waar de
rook opsteeg. Daar zagen zij een bron van zwavelzure soda die vrij
overvloedig tusschen de rotsen stroomde na de zuurstof uit de lucht
te hebben opgeslorpt, en waarvan het water sterk naar zwavelwaterstof
rook.

Toen Cyrus Smith zijn hand in dat water stak, bevond hij, dat het
olieachtig was. Hij proefde het en bevond, dat het een flauw zoeten
smaak had. De temperatuur er van schatte hij op vijf en negentig graden
Fahrenheit. En toen Harbert hem vroeg op welken grond hij dit deed,
antwoordde hij:

"Zeer eenvoudig, mijn jongen, omdat ik kou noch warmte gevoelde op
het oogenblik, dat ik er mijn hand indompelde. Het is dus van dezelfde
temperatuur als het menschelijk lichaam, dat ongeveer vijf en negentig
graden heeft."

Daar de zwavelbron op dat oogenblik van geen nut was, richtten de
kolonisten zich naar den zoom van het bosch. Zooals men vermoed had,
stroomde de beek met haar helder doorschijnend water tusschen steile
oevers van rood zand, waarvan de kleur de aanwezigheid van ijzeroxyde
verried. Naar aanleiding van deze kleur noemde men dit water de Roode
Beek. Het water was zoet, hetgeen deed veronderstellen, dat het meer
eveneens zoet zou zijn. Voor het geval dat men aan zijn oevers een
betere woning dan de schoorsteenen mocht vinden, was deze omstandigheid
van zeer veel belang.

De boomen behoorden grootendeels tot die soort, welke overvloedig
gevonden wordt in de gematigde luchtstreek van Australië of van
Tasmanië en waren niet dezelfde als men gevonden had op eenige mijlen
van de bergvlakte. Het waren in het bijzonder de cassia boomen en
een soort van myrteplant, waarvan eenige het volgende voorjaar een
suikerachtig mannabrood moesten leveren, dat geheel overeenkwam met het
oostersche manna. Kleine cederbosschen stonden hier en daar verspreid,
maar de kokosboom, die zoo weelderig groeit op de eilanden der Stille
Zee scheen geheel te ontbreken op dit eiland dat waarschijnlijk op
te geringe breedte was gelegen.

"Hoe jammer!" zeide Harbert, "zulk een nuttige boom, waaraan zulke
heerlijke vruchten groeien!"

Wat de vogels betreft, deze fladderden tusschen casuar- en myrteboomen,
waarvan de takken ver uit elkander groeiden, en het uitspreiden van
hunne vleugels niet verhinderde. Zwarte, witte en grijze kakketoes,
papegaaien en parkietjes met bontgekleurde veeren vertoonden zich
als door een prisma gezien en fladderden rond met een oorverdoovend
gekrijsch.

Plotseling deed zich uit een boschje een onharmonisch concert
hooren. De kolonisten vernamen achtereenvolgens het gezang van vogels,
de kreten van wilde dieren en geluiden die zij aan een menschelijk
wezen konden toeschrijven. Nab en Harbert waren op het boschje
toegeschoten en verloren daarbij de meest noodzakelijke maatregelen
van voorzichtigheid uit het oog. Gelukkig was er noch een verscheurend
dier noch een gevaarlijke inboorling te vreezen, maar slechts een half
dozijn van die spottende zangvogels die men weldra als "bergfazanten"
herkende. Eenige behendig toegebrachte stokslagen maakten een einde
aan die nabootsing van den mensch en verschaften heerlijk wild voor
het avondeten.

Harbert wees nog op prachtige duiven met gebronsde vleugels,
sommigen met schitterende kammen, anderen groenachtig evenals hunne
stamverwanten van Port-Macquarie, maar men kon ze onmogelijk vangen,
evenmin als de kraaien en eksters welke bij massa's opstegen.

Het gebrek aan vuurwapens deed zich zeer levendig gevoelen, toen
een troep viervoetige dieren door het kreupelhout heen wegvlood en
daarbij zulke groote sprongen nam, van dertig voet en meer dat men
zou gezegd hebben dat zij als eekhorens van boom op boom huppelden.

"Kangaroes!" riep Harbert uit.

"Kan men die eten?" vroeg Pencroff.

"Gestoofd," antwoordde de verslaggever, "zijn zij even goed als het
fijnste wildbraad!"

Spilett had nauwelijks dit aangenaam vooruitzicht geopend of Pencroff,
Nab en Harbert waren de kangaroes achterna gesneld. Cyrus Smith riep
hen te vergeefs terug. Maar het was ook te vergeefs, dat de jagers
deze vlugge beesten nazetten, die als hazen liepen. Na vijf minuten
waren ze buiten adem, en het wild verdween in het kreupelhout. Top
was evenmin als zijn meester geslaagd.

"Mijnheer Cyrus," zeide Pencroff, toen zij weder bij den ingenieur
en den correspondent waren, "mijnheer Cyrus, ge ziet wel dat het
noodzakelijk is, dat wij geweren maken. Zou dat niet mogelijk zijn?"

"Misschien," antwoordde de ingenieur. "Maar we zullen eerst boog
en pijlen maken, en ik twijfel niet of gij zult er even handig mee
leeren omgaan als de Australische jagers."

"Pijlen, bogen!" zeide Pencroff met minachting. "Dat is goed voor
kinderen!"

"Geloof dat maar niet, vriend Pencroff," antwoordde de
correspondent. "Eeuwen lang zijn pijl en boog voldoende geweest om
stroomen bloeds te vergieten. Het kruit is slechts van gisteren,
en de oorlog is even oud als het menschelijk geslacht,--helaas!"

Harbert kwam intusschen weder op de kangaroes terug, daar de
natuurlijke historie zijn geliefkoosde wetenschap was.

"Wij hadden daar dan ook te doen met het soort dat het moeilijkst te
vangen is. Het reuzensoort met lang haar; maar als ik mij niet vergis,
bestaan er zwarte en roode kangaroes, rots- en rattenkangaroes,
die allen gemakkelijker te vangen zijn. Men heeft een twaalftal
soorten...."

"Harbert," antwoordde de zeeman ernstig, "er bestaat voor mij slechts
een soort van kangaroe, de "kangaroe aan het spit gebraden", en juist
dien zullen wij van avond missen."

Top, die scheen te begrijpen dat ook zijn belang op het spel stond,
draaide en snuffelde overal, rondgeleid door zijn instinct, dat nog
verhoogd werd door zijn grooten honger. Het was zelfs waarschijnlijk,
dat wanneer hij hier of daar een stuk wild machtig mocht worden, er
weinig voor de jagers zou overblijven, en dat Top voor eigen rekening
jaagde; maar Nab ging hem nauwkeurig na en deed daar wel aan.

Tegen drie uur verdween de hond in het kreupelhout; een dof geknor
bewees weldra, dat hij eenig wild op het spoor was.

Nab snelde er op los en zag Top bezig een viervoetig dier te
verscheuren, dat tien minuten later geheel in zijn maag zou verdwenen
zijn. Maar gelukkig had de hond een nest vol aangevallen; hij had
een driedubbele vangst gehad en twee andere knaagdieren--de prooi
van Top behoorde tot die soort--lagen doodgebeten op den grond.

Nab keerde zegepralend terug, in iedere hand een knaagdier houdende,
grooter dan een haas. Hun gele huid was bezaaid met groenachtige
vlekken en hun staart bestond slechts uit een begin van dat
lichaamsdeel.

Een burger der Vereenigde Staten kon geen oogenblik aarzelen den waren
naam aan deze knaagdieren te geven. Het waren "patagonische hazen,"
een soort van konijn-varken, een weinig grooter dan men ze in de
tropische streken vindt, de konijnen van Amerika, met lange ooren,
in den bek aan weerskanten met vijf scherpe kiezen gewapend, hetgeen
ze juist van het varken-konijn onderscheidt.

"Hoezee!" riep Pencroff. "Daar hebben wij het gebraad! Nu kunnen wij
naar huis gaan!"

De tocht huiswaarts werd aanvaard en snel voortgezet tot aan het meer
Grant. Daar proefde men het water en bevond dat het zoet was. Aan
sommige kringen, welke zich nu en dan aan de oppervlakte vertoonden,
kon men bespeuren, dat het zeer vischrijk moest wezen.

"Dat meer is werkelijk schoon!" zeide Gideon Spilett. "Men zou aan
zijn oever willen leven!"

"En wij zullen er leven!" antwoordde Cyrus Smith.

De kolonisten namen den naasten weg naar huis; zij baanden zich niet
zonder moeite een pad door het kreupelhout en richtten zich naar de
kust. Bij de Schoorsteenen gekomen, legden Nab en Pencroff een goed
vuur aan en zorgden verder voor het middagmaal.

Toen allen zich te goed hadden gedaan en zich ter ruste wilden begeven,
haalde Cyrus Smith de kleine stalen van verschillende delfstoffen,
welke hij onderweg opgeraapt had, uit zijn zak, en zeide slechts:

"Mijne vrienden, dit is ijzererts, dit is een vuursteen, hier is klei,
kalk en steenkool. Dit alles schenkt ons de natuur, en dit is haar
deel in den gezamenlijken arbeid!--Morgen is het onze beurt!"




XIII.

    Wat men bij Top vindt.--Het vervaardigen van pijl en boog.--Een
    steenbakkerij.--Keus en raad.--De eerste "pot op 't vuur."--De
    bijvoet.--Het zuiderkruis.--Eene belangrijke astronomische
    waarneming.


"Welnu, mijnheer Cyrus, waar moeten wij mede beginnen?" vroeg Pencroff
den volgenden morgen aan den ingenieur.

"Met het begin," antwoordde Cyrus Smith.

En het was inderdaad letterlijk waar dat de kolonisten met het begin
moesten beginnen. Zij bezaten zelfs de noodige gereedschappen niet
om gereedschappen te maken, en zij bevonden zich niet in den toestand
der natuur, die de wet volgt: "tijd spaart arbeid." Tijd ontbrak hun,
omdat zij dadelijk moesten voorzien in al hunne levensbehoeften,
en moesten zij al niet alles uitvinden, zij moesten toch alles
samenstellen. Hun ijzer en hun staal waren nog slechts delfstoffen,
hunne potten en pannen nog slechts klei, hun linnen en kleederen
moesten nog gesponnen worden.

Men moet echter bekennen, dat die kolonisten "mannen" waren in de
schoone en krachtige beteekenis van het woord. De ingenieur Smith
kon door geen handiger metgezellen bijgestaan worden, noch met
meer toewijding en ijver. Hij had hen beproefd. Hij wist wat zij
vermochten. Het zou werkelijk moeite kosten vijf menschen bijeen te
brengen, die beter geschikt waren te strijden tegen het noodlot en
zekerder waren daar over te zegepralen.

"Met het begin," had Cyrus Smith gezegd. Het begin, waarvan de
ingenieur sprak, was het vervaardigen van een toestel, dat dienen
kon om hetgeen de natuur verschafte in andere vormen te brengen. Men
kent de rol, die de warmte speelt bij deze verandering van vorm. Dus
brandstoffen als hout en steenkool waren reeds aanstonds bruikbaar. Men
moest slechts een oven samenstellen om ze aan te wenden.

"Waartoe moet die oven dienen?" vroeg Pencroff.

"Om potten te maken, die wij hoog noodig hebben," antwoordde Cyrus
Smith.

"En waarmede zullen wij den oven maken?"

"Met steenen."

"En deze steenen?"

"Van klei. Vooruit dan vrienden. Om het vervoeren te voorkomen, zullen
wij onze werkplaats aanleggen op de plaats, waar wij de grondstoffen
vinden. Nab zal voor provisie zorgen en vuur zal ons niet ontbreken
om onze spijzen te bereiden."

"Neen," antwoordde de correspondent, "maar als wij gebrek aan spijs
krijgen, omdat wij geen wapen voor de jacht hebben?"

"Hadden wij maar een mes!" riep de zeeman uit.

"Wat dan?" vroeg Cyrus Smith.

"Dan maakte ik spoedig pijl en boog, en wij zouden wild in overvloed
hebben."

"Ja, een mes, een snijdend werktuig...." zeide de ingenieur in zichzelf
sprekend. Op hetzelfde oogenblik viel zijn blik op Top, die aan den
oever van de rivier heen en weer snuffelde. Smith scheen plotseling
op een inval te komen:

"Top, hier!" riep hij.

Op het bevel van zijn meester snelde de hond toe. Deze nam den kop
van Top tusschen zijn handen, ontdeed hem van de halsband, die het
dier droeg, brak deze in twee stukken en zeide:

"Hier hebt ge twee messen, Pencroff!"

Twee vreugdekreten waren het antwoord van den zeeman. De halsband
van Top bestond uit een smalle band hard staal. Het moest dus slechts
op een biksteen geslepen worden; de rotsen van dit fijne zand waren
talloos langs de kust en twee uur later bestonden de werktuigen van de
kolonie in twee scherpe messen, waarvoor men gemakkelijk twee sterke
heften had kunnen vinden.

Het bezit van dit eerste werktuig werd als een overwinning beschouwd;
het was inderdaad een zeer gewichtige overwinning, die hoogst
welkom was.

De tocht werd aanvaard. Onderweg ontdekte Harbert een boom, waarvan
de Indianen in Zuid-Amerika de takken gebruiken om hunne bogen te
maken. Het was de "crejimba" een soort van palmboom, die geen eetbare
vruchten oplevert. Lange, rechte takken werden afgebroken, ontbladerd
en aan de uiteinden dunner gesneden dan in het midden, zoodat men
nog slechts een plant moest vinden, geschikt om er de pees van te
vervaardigen. Deze werd verschaft door een soort van maluweplant,
die bijzonder sterke vezels levert, welke te vergelijken zijn met
de zenuwen van een dier. Op deze wijze verkreeg Pencroff een boog
van vrij groote kracht, waaraan nog slechts de pijlen ontbraken. Die
pijlen zouden geen moeielijkheid opleveren; er waren rechte takken
zonder knoesten in overvloed, maar een zelfstandigheid, welke het
ijzer moest vervangen aan de punt was moeilijker te vinden. Pencroff
beweerde echter, dat nu hij zijn deel aan het werk gedaan had, het
toeval het overige wel zou doen.

De kolonisten kwamen op het terrein, dat zij den vorigen avond
opgenomen hadden. Het bestond uit zachte klei, die gebruikt wordt
om steenen en pannen te bakken en bijgevolg uitmuntend geschikt
was voor het werk dat men ging ondernemen. Men bracht er zand bij
om ze vaster te maken; de steenen werden gevormd en boven een vuur
van takkebossen gebakken. Die dag en de volgende werden met dezen
arbeid doorgebracht. Een geoefend werkman kan, zonder machine, in
vier en twintig uur tien duizend steenen vormen; maar in de twee
dagen, welke de vijf steenbakkers van het eiland Lincoln werkten,
vervaardigden zij er niet meer dan drie duizend, die bij elkander
gezet werden, totdat het aantal voldoende zou zijn om ze te bakken,
hetgeen nog drie à vier dagen zou duren.

Cyrus Smith begon den 2den April de ligging van het eiland tot zijn
ernstig onderzoek te maken.

Den vorigen avond had hij nauwkeurig aangeteekend, op welk uur de
zon achter den horizon verdwenen was, de straalbreking in aanmerking
nemende. Dien morgen ging hij met niet minder juistheid het uur na,
waarop zij weder verrees. Er waren twaalf uur, vier en twintig minuten
voorbijgegaan tusschen dat op- en ondergaan. Dien dag zou de zon
dus zes uur twaalf minuten na haar opkomst den meridiaan passeeren
en het punt, dat zij op dat oogenblik aan den hemel zou innemen,
zou het noorden zijn.

Op het bepaalde uur nam hij het punt waar, plaatste twee boomen
zoodanig, dat zij hem als baken konden dienen en verkreeg aldus een
onveranderlijke meridiaan voor zijn verdere waarnemingen.

De twee dagen, welke aan het bakken van de steenen voorafgingen, werden
doorgebracht met het bijeenzoeken van brandstoffen. In het bosch werden
takken gesneden en al het gevallen hout opgeraapt. Middelerwijl werd
er in de omstreken gejaagd, te meer daar Pencroff nu in het bezit
was van een boog en eenige dozijnen pijlen met scherpe punt. Top
had deze punten verschaft door het aanbrengen van een stekelvarken,
dat als wild niet veel waarde had, maar van onbetwistbaar nut was
wegens de scherpe stekels, waarmede het was overdekt. De punten
werden stevig aan de pijlen bevestigd en de verslaggever en Harbert
waren spoedig een paar geoefende schutters, zoodat er steeds wild in
overvloed was. Hoe lekker en smakelijk het ook gereed werd gemaakt,
het was toch altijd maar wild en nog eens wild, en de kolonisten
zouden overgelukkig zijn geweest als zij weer het gekook van een
eenvoudigen pot gehoord hadden; maar men moest wachten tot de pot
gemaakt was en bijgevolg tot dat de oven gereed zou zijn.

Op de tochten die zich tot een nauwen kring om de steenbakkerij
beperkten, zagen de jagers versche sporen van groote dieren met
sterke klauwen; zij konden echter nog niet bepalen tot welke soort
deze behoorden. Cyrus Smith beval de grootste voorzichtigheid aan,
want het was wel waarschijnlijk dat er in het bosch eenige wilde
dieren zouden schuilen. En hij had gelijk. Gideon Spilett en Harbert
zagen op een dag inderdaad een dier, dat veel overeenkomst had met
een jaguar. Het viel gelukkig niet op hen aan, want zij zouden er
misschien niet dan met eenige ernstige wonden zijn afgekomen. Maar
Gideon Spilett nam zich vast voor aan alle wilde dieren een oorlog op
leven en dood te verklaren en er het eiland van te zuiveren, zoodra
hij in het bezit zou zijn van een deugdelijk wapen, dat is te zeggen,
van een van die geweren, waarop Pencroff aanspraak maakte.

Reeds vroeg in den morgen van 6 April waren de ingenieur en zijn
lotgenooten bijeen op een open plek in het bosch, waar men de steenen
zou bakken. Dit moest natuurlijk in de open lucht geschieden en niet in
ovens of liever de opeenhooping van de steenen zou een reusachtige oven
zijn, die zich zelf zou bakken. De brandstoffen, welke uit takkebossen
bestonden, werden op den grond gelegd en daarom heen plaatste
men verscheidene rijen droge steenen, die weldra een grooten kubus
vormden, waarin men luchtgaten maakte. Met dit werk ging een gansche
dag voorbij en eerst 's avonds kon men de takkebossen aansteken.

Dien nacht legde niemand zich te slapen, en men waakte zorgvuldig,
dat het vuur niet verflauwde. Acht en veertig uur bracht men in
gespannen verwachting door, maar zij hadden de voldoening dat hun werk
uitmuntend geslaagd was. Aan de rookende massa moest vervolgens tijd
tot afkoeling gelaten worden en Nab en Pencroff vervoerden intusschen,
door Smith geleid, op een draagbaar van takken gevlochten, een groot
aantal steenen, waarvan het voornaamste bestanddeel koolzure kalk was,
en welke steenen in overvloed op den noordelijken oever van het meer
gevonden werden.

Toen deze steenen door de warmte ontleed werden, verkreeg men dikke
ongebluschte kalk, die zeer sterk uitzette toen zij gebluscht werd,
en even zuiver was alsof zij verkregen was door de verkalking van
krijt en marmer. Met een weinig zand gemengd om het te sterk indrogen
er van te beletten, leverde deze kalk een voortreffelijke metselspecie.

Den 9den April was de ingenieur in het bezit van eene goede hoeveelheid
bereide kalk en eenige duizenden steenen.

Zonder een oogenblik verloren te laten gaan, begon men aan het
samenstellen van een oven, die moest dienen tot het bakken van
verscheidene potten en pannen, voor huiselijk gebruik onmisbaar. Daarin
slaagde men zonder groote moeielijkheid. Vijf dagen later was de oven
gevuld met steenkolen, waarvan de ingenieur een laag ontdekt had aan
den mond van de Roode Beek en de eerste rookwolken stegen op uit een
schoorsteen van ongeveer twintig voet hoog. De open plek in het bosch
was in een werkplaats herschapen en Pencroff was overtuigd, dat uit
dezen oven alle voortbrengselen van de tegenwoordige nijverheid te
voorschijn zouden komen.

Het eerst werden er potten en pannen gebakken om de spijzen van
de kolonisten te bereiden. De vorm was nog wel gebrekkig, maar zij
beantwoordden aan hun doel, en dit was het voornaamste.

Pencroff wilde zich overtuigen of de aarde, toebereid, zooals zij
dit was om de pannen te bakken, de naam van "pijpaarde", welke er
aan gegeven was, verdiende; hij maakte daarom eenige grove pijpen,
die hij prachtig vond, maar waaraan de tabak, helaas, ontbrak! Een
gemis, dat Pencroff onophoudelijk gevoelde.

"Maar, evenals al het andere, zal de tabak ook wel komen!" riep hij
bij herhaling met het volste vertrouwen uit.

Tot den 15den April hield deze arbeid aan. Nu de kolonisten
pottenbakkers waren geworden, deden zij ook niets anders dan potten
bakken. Wanneer Cyrus Smith het oogenblik gekomen zou achten hen in
smeden te veranderen, zouden zij smeden zijn. Maar den volgenden dag
was het Zondag en wel de eerste Paaschdag en allen kwamen overeen
dien dag te vieren door rust te nemen.

De oven doofde uit en de potten werden naar de Schoorsteenen
meegenomen. Op den terugtocht deed de ingenieur een belangrijke
ontdekking; hij vond namelijk een zelfstandigheid, die geschikt was om
de zwam te vervangen. Hij nam er een zekere hoeveelheid van in zijn
hand en liet die Pencroff zien, welke, vervuld als hij was met de
tabak, niet anders dacht of het was die, volgens hem, onmisbare plant.

"Neen," antwoordde Cyrus Smith, "voor de geleerden is dit de chineesche
bijvoet, en voor ons zal het zwam zijn."

Deze bijvoet was inderdaad een zeer brandbare stof, als zij goed
gedroogd was en vooral later, toen de ingenieur haar in salpeterzure
potasch dompelde, die overvloedig op het eiland gevonden werd, en
niets anders is dan salpeter.

Nab zorgde dien avond voor een goed maal, waarbij het brood, dat nog
steeds aan de kolonisten ontbrak, vervangen werd door de gekookte
wortelknollen van de "caladium macrorhizum," een niet-kruid-aardige
plant, die onder de keerkringen den vorm van een boom heeft.

Vóór zij slapen gingen, wilden de kolonisten nog eens van het
prachtige weer genieten. Cyrus Smith was reeds geruimen tijd in
gedachte verzonken, toen hij plotseling aan Harbert vroeg:

"Hebben wij vandaag niet den 15den April?"

"Ja, mijnheer Cyrus," antwoordde Harbert.

"Welnu, wanneer ik mij niet vergis, is het morgen een van die vier
dagen van het jaar, waarop de ware tijd samenvalt met den gemiddelden
tijd, dat is te zeggen, mijn jongen, dat de zon morgen, op eenige
seconden na, den meridiaan zal passeeren, juist wanneer onze uurwerken
den middag aanwijzen. Indien het weer dan gunstig is, hoop ik ongeveer
de geographische lengte van het eiland te kunnen bepalen."

"Zonder instrumenten, zonder sextant?" vroeg Gideon Spilett.

"Ja," hernam de ingenieur. "En daar de nacht helder is, wil ik nog
dezen avond de breedte trachten te bepalen door de hoogte te berekenen
van het Zuiderkruis. Het is namelijk niet voldoende, dat wij weten, dat
dit land een eiland is, wij moeten zoo nauwkeurig mogelijk berekenen op
welken afstand het gelegen is, hetzij van de Amerikaansche, hetzij van
de Australische kust of van de voornaamste eilanden van de Stille Zee."

"Inderdaad," zei de correspondent. "Wij konden er wel eens meer belang
bij hebben een schip dan een huis te bouwen, wanneer wij bij toeval
op een honderd mijlen van een bewoonde kust zijn."

"Daarom zal ik dezen avond de breedte en morgen de lengte van het
eiland Lincoln trachten te bepalen." Inderdaad berekende hij, alleen
op de gegevens door Harbert medegedeeld, door het stellen van staken,
de juiste ligging van het eiland.




XIV.

    De lengte van het eiland.--Een ontdekkingstocht ten
    noorden.--Een oesterbank.--Plannen voor de toekomst.--De zon
    gaat door den meridiaan.--De ligging van Lincoln.


De uitslag van de berekeningen, welke Cyrus Smith op den 15den
April maakte, was, dat het eiland Lincoln gelegen was op den
zevenendertigsten graad zuiderbreedte.

De ingenieur zou de lengte bepalen, wanneer de zon den meridiaan
zou passeeren.

Men besloot den zondag te besteden met, na hun kleederen gewasschen
te hebben, een wandeling te maken of liever een verkenningstocht
tusschen de noordzijde van het meer en de Haaien-golf, en indien
het weer het toeliet, zou men den tocht in het zuiden tot kaap
Zuid-Mandibule uitstrekken. Zij wilden provisie meenemen en eerst
's avonds thuis komen.

Om half negen waren allen gereed en begaven zij zich langs de beek
op weg. Aan de andere zijde, op een klein eilandje, stapte een groot
aantal vogels statig op en neer. Het waren duikers, een soort van
ganzen, die men dadelijk herkent aan het onaangename gekrijsch dat
zij maken en dat eenige overeenkomst heeft met het balken van een
ezel. Pencroff beschouwde deze slechts uit een oogpunt van eetbaarheid,
en het deed hem onuitsprekelijk veel genoegen, toen hij hoorde,
dat hun vleesch, hoewel zwart van kleur, zeer goed te gebruiken was.

Men zag ook groote amphibieën over het zand kruipen, waarschijnlijk
zeehonden, die het eilandje tot toevluchtsoord gekozen schenen
te hebben. Men kon deze dieren onmogelijk als een bruikbare spijs
beschouwen, want hun vleesch is traanachtig en onsmakelijk; Cyrus
Smith sloeg ze echter aandachtig gade en zonder zijn denkbeelden er
over mede te deelen, zei hij tot zijn metgezellen, dat zij weldra
het eilandje zouden bezoeken.

Langs den oever lagen tallooze schelpen, waarvan eenigen van hooge
waarde zouden geweest zijn voor een natuurkundige. Het waren onder
anderen driehoekschelpen, ammonshoorns, phasiasnellen enz. Maar
hetgeen het meest van nut kon zijn, was een groote oesterbank die
bij laag water zichtbaar was en door Nab aangewezen werd tusschen de
rotsen op ongeveer vier mijlen afstands van de Schoorsteenen.

"Nab heeft vandaag den kost verdiend," riep Pencroff uit, terwijl
hij de oesterbank beschouwde.

"Het is inderdaad een gelukkige ontdekking," zei de verslaggever,
"en, als het waar is, dat elke oester, zooals men beweert, vijftig à
zestig duizend eieren legt, dan hebben wij daar een onuitputtelijken
voorraad."

"Ik geloof echter, dat oesters niet zeer voedzaam zijn," merkte
Harbert op.

"Neen," antwoordde Cyrus Smith. "De oester bevat slechts zeer weinig
stikstofhoudende bestanddeelen en iemand, die er zich uitsluitend
mee mocht willen voeden, had er niet minder dan vijftien à zestien
dozijn daags noodig."

"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij kunnen menig gros verslinden,
voordat de bank ledig is. Als wij er eens een paar voor ons ontbijt
namen?"

Nab en Harbert maakten eenige van die schelpdieren los, zonder antwoord
af te wachten, daar zij wel wisten dat het voorstel ieder welkom moest
zijn. Zij deden ze in een net, dat Nab gemaakt had van de vezels van
heemst, en waarin het verdere maal ook was geborgen. Vervolgens zette
men den weg tusschen de duinen en de zee, langs de kust voort.

Cyrus Smith keek van tijd tot tijd op zijn horloge, om vooral het
oogenblik niet voorbij te laten gaan, waarop hij de zon kon schieten.

Dit geheele gedeelte van het eiland was zeer onvruchtbaar tot aan het
punt, waar de baai der Vereenigde Staten eindigde, dat men kaap Zuid
Mandebule genoemd had. Men zag er slechts zand en schelpen, vermengd
met stukken lava. Eenige zeevogels kwamen nu en dan op dit verlaten
strand, zeemeeuwen, groote stormvogels en zelfs wilde eenden, die
met recht de begeerlijkheid van Pencroff opwekten. Hij trachtte wel
ze met zijn pijlen te treffen, maar zonder gevolg, want zij bleven
niet zitten en men zou ze in hun vlucht moeten raken.

De zeeman vond hierin alweder een geschikte gelegenheid om den
ingenieur weder de volgende opmerking te maken:

"Ziet ge wel, mijnheer Cyrus, zoolang wij niet een of twee jachtgeweren
hebben, zal ons materieel niet volmaakt zijn."

"Zeker, Pencroff," antwoordde de verslaggever, "maar het hangt slechts
van u af. Verschaf ons ijzer voor de loopen, staal voor de batterijen,
salpeter, kool en zwavel voor kruit, kwik en salpeterzuur voor het
knalzuurzout, en eindelijk lood voor de kogels en dan zal Cyrus ons
geweren van de beste soort maken."

"O!" antwoordde de ingenieur, "wij kunnen al deze bestanddeelen
zonder twijfel op het eiland vinden, maar een vuurwapen eischt zeer
veel zorg en goede gereedschappen. Maar wij zullen later zien."

"Waarom hebben wij dan ook al die wapens en gereedschappen die
met ons in het schuitje waren, overboord geworpen, zelfs onze
zakmessen!" bromde Pencroff.

"Maar, als wij dat niet gedaan hadden, Pencroff, zouden wij met den
ballon tot op den bodem der zee gezonken zijn!" antwoordde Harbert.

"Ja, dat is waar, ge hebt gelijk, mijn jongen!"

Oogenblikkelijk ging hij tot een ander onderwerp over en zei:

"Maar daar valt mij iets in, wat zal Jonathan Forster en zijn
metgezellen verbaasd hebben gestaan, toen zij den volgenden morgen
de plaats verlaten en den ballon gevlogen vonden!"

"Dat is wel het laatste waarover ik mij zal bekommeren!" antwoordde
de correspondent.

"Nu heb ik daar toch het eerst aan gedacht," zei Pencroff vol
zelfvoldoening.

"Een mooie gedachte, Pencroff," hernam Gideon Spilett lachende,
"en wie heeft ons gebracht waar wij nu zijn!"

"Ik ben liever hier dan in de handen der Zuidelijken!" riep de zeeman
uit, "vooral sedert mijnheer Cyrus de goedheid heeft gehad zich bij
ons te voegen!"

"En ik ook, waarachtig!" stemde de correspondent in. "Bovendien,
wat ontbreekt ons hier? Niets!"

"Of.... alles!" antwoordde Pencroff, die in lachen uitbarstte en zijn
breede schouders schudde. "Maar vroeg of laat zullen wij het middel
ontdekken om weg te komen!"

"En misschien eerder dan gij wel denkt, vrienden," zei toen de
ingenieur, "indien het eiland Lincoln slechts op matigen afstand is
gelegen van bewoonde eilanden of vastland. Binnen een uur zullen wij
dit weten. Ik heb geen kaart van de Stille Zee, maar het zuidelijk
gedeelte staat mij helder voor den geest. Ten westen van het eiland
Lincoln ligt, volgens de breedte, die ik gisteren verkregen heb,
Nieuw-Zeeland en ten oosten Chili; maar die twee landen liggen minstens
zesduizend mijlen van elkander. Er blijft dus slechts over te bepalen,
welke plaats dit eiland inneemt op deze groote uitgestrektheid zee, en
dat zullen wij aanstonds door de lengte juist genoeg te weten komen."

"Is het niet de Pomotou-archipel," vroeg Harbert, die, wat de breedte
betreft, het dichtst bij ons is?"

"Ja," antwoordde de ingenieur, "maar wij zijn er toch door een afstand
van meer dan twaalfhonderd mijlen van gescheiden."

"En daar?" vroeg Nab, die met de grootste belangstelling het gesprek
gevolgd had, en naar het zuiden wees.

"Daar, niets," antwoordde Pencroff.

"Niets, inderdaad," voegde de ingenieur er bij.

"En, Cyrus," vroeg de correspondent, "wanneer Lincoln op slechts twee
à drie honderd mijlen van Nieuw-Zeeland of Chili gelegen is?...."

"Welnu," antwoordde de ingenieur, "dan bouwen wij in plaats van een
huis een schip, en meester Pencroff zal zich met het besturen daarvan
belasten...."

"Zeker, zeker, mijnheer Cyrus," riep de zeeman uit, "ik ben aanstonds
gereed het ambt van kapitein te aanvaarden.... zoodra gij de middelen
zult gevonden hebben om een schip samen te stellen, waarmee wij ons
op zee vertrouwen kunnen!"

"Wij zullen er een bouwen, als het noodig is!" antwoordde Cyrus Smith.

Intusschen naderde de tijd, waarop de waarneming moest geschieden. Hoe
zou Cyrus Smith het aanleggen om, zonder een enkel instrument, het
passeeren van de zon door den meridiaan gade te slaan? Dit ging het
verstand van Harbert te boven.

De kolonisten waren op ongeveer zes mijlen van de Schoorsteenen
verwijderd, en niet ver van de plaats in de duinen waar de ingenieur
gevonden was na zijn wonderbaarlijke redding. Zij besloten daar halt
te houden en alles werd voor het ontbijt gereed gemaakt, want het
was half twaalf. Harbert ging water halen uit de beek, die er dicht
bij stroomde en bracht het in een kruik, welke Nab medegenomen had.

Cyrus Smith maakte zich intusschen tot zijn astronomische waarneming
gereed. Hij koos een gedeelte van het strand dat door de afnemende
zee volkomen waterpas geworden was, en stak er een stok van zes voet
lang loodrecht in.

Harbert begreep toen hoe de ingenieur te werk zou gaan om den doorgang
van de zon door den meridiaan te bepalen. Het was door middel van de
schaduw die de stok op het zand wierp, een middel, dat, bij gebrek aan
instrumenten, hem een voldoende juistheid zou geven voor het resultaat,
dat hij wilde verkrijgen.

Het oogenblik dat die schaduw het minimum van lengte zou bereiken,
zou juist het zuiden zijn. En het was voldoende dat men het verste
punt van de schaduw waarnam, om het oogenblik te bepalen, waarop zij,
na steeds korter geworden te zijn, weder langer werd.

De verslaggever stond met zijn horloge in de hand gereed om te zeggen
hoe laat het precies was, als de schaduw het kortst zou zijn.

De zon ging intusschen langzaam voort; de schaduw van den stok werd
al korter en korter, en toen het Cyrus Smith voorkwam dat hij langer
begon te worden, riep hij uit:

"Hoe laat?"

"Vijf uur en een minuut," antwoordde Gideon Spilett onmiddellijk.

De waarneming moest nu nog slechts becijferd worden. Niets was
gemakkelijker. Er was, zooals men ziet, precies vijf uur verschil
tusschen den meridiaan van Washington en dien van het eiland Lincoln,
dat is te zeggen, het was middag op Lincoln, toen het reeds vijf uur
in den avond te Washington was. De zon doorloopt in haar schijnbare
beweging om de aarde, een graad in vier minuten, dus vijftien graden
in een uur. In een uur doorloopt zij vijftien graden, dus in vijf
uur vijfmaal vijftien graden, gelijk aan vijf en zeventig graden.

Daar Washington ligt op 77° 3' 11'' westelijk van den meridiaan van
Greenwich,--die de Amerikanen evenals de Engelschen tot uitgangspunt
van de lengte aangenomen hebben,--volgt er uit, dat het eiland, in
ronde cijfers, gelegen was op zeven en zeventig graden, plus vijf en
zeventig graden ten westen van den meridiaan van Greenwich, dat is
alzoo op honderd twee en vijftig graden westerlengte.

Cyrus Smith deelde dat resultaat aan zijn metgezellen mee, en alles
in aanmerking nemende, meende hij te kunnen verzekeren, dat het
eiland Lincoln gelegen was tusschen de vijf en dertigste en zeven en
dertigste parallel en tusschen den honderd vijftigsten en honderd vijf
en vijftigsten meridiaan ten westen van den meridiaan van Greenwich.

Het was zeer waarschijnlijk, dat het eiland Lincoln zoover verwijderd
lag van elk land of eiland, dat men het niet wagen mocht, dien afstand
in een eenvoudige, zwakke boot af te leggen.

Door deze waarneming kwam men tot de zekerheid, dat het eiland op
minstens twaalf honderd mijlen gelegen was van Taiti en van de eilanden
der Pomotou-archipel en op achttien honderd mijlen van Nieuw-Zeeland,
en eindelijk op meer dan vier duizend vijf honderd mijlen van de
Amerikaansche kust!

Cyrus Smith herinnerde zich niet dat er eenig eiland gelegen was in
dat gedeelte van de Stille Zee, waar zij nu overtuigd waren, dat het
eiland Lincoln lag.




XV.

    Er wordt bepaald besloten tot overwintering.--De quaestie
    der delfstoffen.--Onderzoek van het eiland.--Jacht op
    zeehonden.--De katalaansche methode.--Vervaardiging van
    ijzer.--Hoe men staal bekomt.


Den anderen morgen, den 17den April richtte de matroos het eerste
woord tot Gideon Spilett.

"Wel mijnheer," zeide hij, "wat zullen wij nu van daag zijn?"

"Alles wat Cyrus Smith goedvindt," antwoordde de reporter. Tot nog toe
waren zij steen- en pottebakkers geweest, maar nu zouden de vrienden
van den ingenieur metaalgieters worden.

Den vorigen dag, na het ontbijt, hadden zij hun onderzoek tot de kaap
Zuid-Mandibule kunnen uitstrekken, welke ongeveer zeven mijlen van de
Schoorsteenen was verwijderd, en waar de grond van een geheel anderen
aard was. De avond was toen echter gevallen, zoodat zij wel naar de
Schoorsteenen moesten terugkeeren, maar dien nacht deden zij geen oog
dicht, voordat zij overeengekomen waren het eiland Lincoln te verlaten.

Wel was de afstand van twaalf honderd mijlen, die het eiland scheidde
van den Pomotou-archipel, groot. Met een bootje was het onmogelijk,
vooral daar een slechte tijd naderde. Pencroff had dit ronduit
gezegd. Een groote boot te timmeren, al had men er alle werktuigen
voor, zou toch moeielijk gaan. Zij besloten dus op het eiland Lincoln
te overwinteren, en een beter verblijf dan de Schoorsteenen op
te zoeken.

Vóór alles moesten zij gebruik maken van de ijzermijn om dan staal
of ijzer er uit te bereiden.

"Moeten wij nu ijzer gaan maken, mijnheer Smith?" vroeg Pencroff.

"Ja," was het antwoord van den ingenieur, "en daarom--wat u
ongetwijfeld genoegen zal doen--moeten wij eerst zeehonden op het
eilandje gaan vangen."

"Jacht op de zeehonden!" riep de matroos uit, terwijl hij zich tot
Gideon Spilett wendde. "Wij moeten dus een zeehond hebben om ijzer
te bereiden?"

"Cyrus Smith zegt het!" antwoordde de verslaggever.

Maar de ingenieur had de Schoorsteenen reeds verlaten en Pencroff
maakte zich tot de jacht gereed, zonder eenige andere verklaring
gekregen te hebben.

Spoedig waren Cyrus Smith, Gideon Spilett, Nab en de matroos op
het strand vereenigd daar, waar de zee een doorwaadbare plek bij
eb aanbood.

Het was de eerste maal dat Cyrus Smith een voet op het eilandje zette
en de tweede maal van zijn vrienden sedert zij er door den ballon
opgeworpen waren. De jagers verspreidden zich terstond achter de rotsen
waar zij geduldig wachtten tot de zeehonden op het strand kwamen.

Een uur ging er voorbij eer dat er een zeehond te zien was; zij telden
er toen ongeveer een half dozijn. Pencroff en Harbert begaven zich naar
de punt van het eilandje, om ze den terugtocht te beletten. Intusschen
plaatsten Cyrus Smith, Gideon Spilett en Nab zich langs de rotsen en
naderden zoo de plaats waar de strijd gevoerd moest worden.

Plotseling verhief zich de hooge gestalte van Pencroff. De matroos
uitte een kreet. De ingenieur en zijn makkers snelden ijlings naar
hem toe. Twee dieren lagen, door een geweldigen slag getroffen, dood
op den grond, maar de overigen konden zich nog bij tijds in zee werpen.

"Hier hebt gij de bestelde zeehonden, mijnheer Smith!" zeide Pencroff
tot den ingenieur.

"Goed," antwoordde deze, "wij zullen er blaasbalgen van maken!"

"Blaasbalgen!" riep Pencroff verbaasd uit.

Inderdaad was de ingenieur van plan een blaasbalg te maken van de
huid dezer dieren. Zij hadden een middelmatige lengte, en hun kop
geleek veel op dien van een hond.

Maar daar zij zulk een zwaren last niet gaarne onnoodig mededroegen,
besloten Nab en Pencroff op de plaats zelf hun huid af te stroopen,
terwijl Cyrus Smith en de reporter het eiland verder gingen
onderzoeken.

De matroos en de neger kweten zich zeer behendig van hun taak, en
drie uur later was Cyrus Smith in het bezit van twee zeehondenhuiden,
die hij onbereid zou gebruiken.

Spoedig daarop konden zij weder de Schoorsteenen binnentreden.

Maar het was lang geen gemakkelijk werk om deze huiden op lange
reepen hout uit te spreiden, en ze door middel van vezels er op vast
te maken, zoodat de lucht er in opgenomen kon worden, zonder veel er
uit te laten ontsnappen. Verscheidene malen moest men van voren af aan
beginnen. Cyrus Smith had slechts twee stukjes staal tot zijn dienst,
afkomstig van den halsband van Top, en toch ging hem alles zoo goed
af, en stonden zijn vrienden hem zoo vaardig ter zijde, dat zij drie
dagen later in het bezit waren van een blaasbalg die volop lucht in
het erts kon blazen.

Het was op den 20sten April, dat ze 's morgens vroeg hun werk
aanvingen. Maar aangezien de mijn in het noordwesten van den berg
Franklin gelegen was, dus zes mijlen van de Schoorsteenen verwijderd,
konden zij niet elken dag naar de Schoorsteenen terugkeeren, en kwamen
zij dus overeen, daar voor behulp een hut op te slaan, zoodat ze dag
en nacht met hun belangrijken arbeid konden voortgaan. Zij hadden
een langen weg af te leggen, maar dit stelde hen in staat om den
grond en het gevogelte gade te slaan. Tegen vijf uur maakte Cyrus
Smith halt. Zij hadden thans het bosch achter zich. Eenige honderden
passen verder stroomde de Roode Beek; dus waren zij in de nabijheid
van drinkwater.

Den anderen ochtend, den 21sten April, ging Cyrus Smith, vergezeld
van Harbert, het terrein, waar zij reeds ijzererts gevonden hadden
verder onderzoeken. Deze mijn was zeer rijk aan ijzer en Cyrus besloot
hier de Katalaansche methode in toepassing te brengen, welke ook
op Corsica algemeen gevolgd wordt. Wel moest hij deze methode zeer
vereenvoudigen, daar hij slechts een ijzermassa wilde hebben. Zeker
hadden Tubal-Kaïn en de eerste metaalbewerkers op dezelfde wijze het
ijzer bereid. Maar wat aan het kroost van Adam gelukt was en zulke
goede uitkomsten opleverde in streken zoo rijk aan ijzer en brandstof,
moest ook gelukken onder de omstandigheden, waarin de kolonisten van
het eiland Lincoln geplaatst waren.

Evenals het erts werden ook de brandstoffen zonder moeite uit
den omtrek, waar zij op de oppervlakte van den bodem lagen,
bijeengezameld. Men brak eerst het erts in stukjes en ontdeed ze van
de onreinheden waarmede zij bedekt waren. Daarop werden de steenkolen
en het erts in elkander afwisselende lagen opeengestapeld, gelijk
de kolenbrander doet wanneer hij houtskool maakt. Op die wijze
en onder de werking der verhitte lucht, welke door den blaasbalg
verkregen werd, veranderde de kool in koolzuur en in kool-oxyde, om
op die wijze het ijzer van zuurstof te bevrijden. De blaasbalg van
zeehonden-vel met een steenen handvat aan het uiteinde, dat eerst
in den pottenbakkers-oven was vervaardigd, werd bij den ertsstapel
geplaatst en door een toestel in beweging gebracht, dat uit koorden
en tegenwichten bestond en een hoeveelheid lucht uitblies, welke de
temperatuur deed stijgen en aldus behulpzaam was bij het chemisch
proces, waardoor het zuivere ijzer zou worden verkregen. De bewerking
was moeilijk; zij vereischte al het geduld en beleid van de kolonisten
om ze tot een goed einde te brengen. Maar eindelijk slaagde men er in
en verkreeg een klomp ijzer, welke men moest smeden om er de lucht-
en waterdeelen uit te drijven. Een hamer nu ontbrak aan deze smeden;
maar alles wel beschouwd, verkeerden zij in denzelfden toestand,
waarin de eerste metaalbewerker verkeerd had, en deden zij wat deze
moet hebben gedaan.

De eerste klomp, aan een stok bevestigd, diende als hamer om den
tweede te smeden op een aanbeeld van graniet, en zoo verkreeg men
een ruw metaal, dat tamelijk bruikbaar was.

Eindelijk, na veel moeite en inspanning, gelukte het hun den 25sten
April eenige ijzeren staven te bezitten, die zij tot verschillende
werktuigen versmeedden.

Maar toch kon dit metaal hun geen groote diensten bewijzen, daar het
zuiver ijzer was en zij vooral behoefte hadden aan staal.

Het staal nu is een verbinding van ijzer en zuurstof, die men
verkrijgen kan, hetzij uit gesmolten ijzer, door daaruit de te groote
hoeveelheid koolstof te verwijderen, of uit het ijzer door er de
vereischte hoeveelheid koolstof bij te voegen.

Hierop was Cyrus Smith ook weder bedacht en hij slaagde er in. Allerlei
instrumenten, natuurlijk grof bewerkt, gelukten hem ook, en eindelijk
was den 5den Mei hun metaalbewerking afgeloopen en keerden de smeden
weder naar de Schoorsteenen terug, om daar een nieuwen werkkring
te zoeken.




XVI.

    De huisvesting op nieuw besproken.--Een droombeeld van
    Pencroff.--Een onderzoek van het noordelijk meer.--De
    noordelijke grens van den bergrug.--De slangen.--Het uiteinde
    van het meer.--Top is onrustig.--Top zwemt.--Een strijd onder
    water.--De zeekoe.


Het was nu de 6de Mei, de dag, die met den 6den November van het
noordelijk halfrond gelijk staat. De lucht werd mistig en men moest
aan eenige toebereidselen voor den winter gaan denken. Toch was de
temperatuur niet veel kouder geworden. Maar al dreigde de koude nog
niet in te vallen, de regentijd naderde toch en op dit verlaten eiland,
te midden der Stille Zee, moest het vaak slecht weder zijn.

De quaestie, een beter verblijf te kiezen, moest dus wel ernstig
besproken en overdacht worden.

Natuurlijk had Pencroff wel eenige voorliefde voor deze woning, die hij
zelf ontdekt had; maar hij begreep ook dat het raadzamer was een andere
te zoeken. Reeds eenmaal was de zee in de Schoorsteenen doorgedrongen
en men kon zich niet weder op nieuw aan zulke onheilen blootstellen.

"Bovendien," voegde Cyrus Smith er bij, toen zij dien dag over dat
onderwerp spraken, "moeten wij toch eenige voorzorgen nemen."

"Waarom? Het eiland is toch onbewoond," zei de correspondent.

"Dat is waarschijnlijk," antwoordde de ingenieur, "hoewel wij het
nog niet geheel en al onderzocht hebben, maar zoo er zich geen enkel
menschelijk wezen op bevindt, vrees ik toch dat de wilde dieren het
niet verlaten zullen hebben. Het beste is dat wij ons tegen alle
aanvallen in veiligheid brengen, en wij moeten vooral niet vergeten
elken nacht een van allen te waken om het vuur te onderhouden. In
ieder geval, vrienden, moeten wij op alles bedacht wezen."

"Wat," zei Harbert, "op zulk een afstand van elk land?"

"Ja, beste jongen," antwoordde de ingenieur. "De zeeroovers zijn
dappere lieden en geduchte boosdoeners, daarom moeten wij onze
maatregelen nemen."

"Welnu," antwoordde Pencroff, "wij zullen ons tegen de wilden, zoowel
tegen de twee- als de viervoetigen beveiligen. Maar, mijnheer Cyrus,
zou het niet beter wezen, als wij, voor iets te ondernemen, het eiland
in zijn geheele uitgestrektheid onderzochten?"

"Ik geloof ook, dat dit het raadzaamste is," zei Gideon Spilett. "Wie
weet of wij aan de tegenovergestelde kust geen grot vinden, die wij
hier tevergeefs hebben gezocht?"

"Maar wel moeten wij er aan denken," hernam Cyrus Smith, "dat wij
ons verblijf bij goed drinkwater moeten opslaan."

"Laten wij dan, mijnheer Cyrus," zei Pencroff, "een huis aan den oever
van het meer bouwen. Noch de steenen, noch de werktuigen ontbreken
ons thans. Nu wij eenmaal steenbakkers, pottebakkers en smeden zijn
geweest, kunnen wij ook wel metselaars worden."

"Ja, maar, vóór wij tot een besluit komen, moeten wij eerst een
onderzoek instellen. Een woning, die door de natuur gemaakt is,
bespaart ons alweder de moeite ze te maken, en zeker zal zij ons een
veiliger woonplaats aanbieden, want zij zal beschut wezen tegen de
vijanden zoowel inlandsche als buitenlandsche."

"Gij hebt gelijk, Cyrus," zei de reporter, "maar wij hebben deze
rotsachtige kust al van alle kanten onderzocht en geen opening,
geen spleet gevonden!"

"Neen, geen enkele," voegde Pencroff er bij. "Zoo wij maar een opening
in dien muur hadden kunnen boren, op een zekere hoogte, zoodat zij
buiten het bereik was, dat zou ons eerst te pas zijn gekomen! Van hier
af zie ik reeds op den gevel die naar de zee gekeerd is, en vijf of
zes kamers in dat huis."

"Met vensters die ze verlichten!" riep Harbert lachend uit.

"En een trap om naar boven te gaan!" voegde Nab er bij.

"Gij lacht er om," riep de matroos uit, "en waarom? Wat is er voor
onmogelijks in? Hebben wij geen bijlen en houweelen. En zou mijnheer
Cyrus geen middel weten om kruit te maken, waarmede wij de mijn kunnen
laten springen?"

Cyrus Smith hoorde met alle kalmte den opgewonden Pencroff aan, terwijl
deze zijn phantastische plannen blootlegde. Om de rotsmassa zelfs door
het springen eener mijn aan te tasten, zou een onmogelijk werk wezen
en het was inderdaad jammer dat de natuur het zwaarste gedeelte dezer
taak niet verricht had. Maar de ingenieur gaf den matroos slechts ten
antwoord dat hij den rotswand maar eens oplettend moest gadeslaan,
van de monding der rivier tot den noordelijken uithoek.

Men ging dus naar buiten en het onderzoek nam een aanvang. Maar
nergens was een holte te ontdekken, slechts nesten van wilde duiven,
en hier en daar een uitstekend gebroken granietblok. De ingenieur
stelde dus voor om langs de hoogte naar de Schoorsteenen terug te
keeren, om dan tegelijk de rivier te onderzoeken. Zij vervolgden hun
weg, aandachtig alles waarnemende daar zij nu een gedeelte van het
eiland betreden hadden, dat hun nog onbekend was. Maar geen enkel
spoor van eenig wild dier deed zich voor; het was ook waarschijnlijk
dat die meer in de zuidelijke bosschen huisden; maar toch gaf het
hun een onaangename gewaarwording, toen Top plotseling voor een
groote slang van ongeveer veertien à vijftien voet lengte stil bleef
staan. Nab doodde haar met één slag. Cyrus Smith beschouwde haar
aandachtig en verklaarde dat zij niet vergiftig was, daar zij tot
de soort der diamantslangen behoorde, waarmede de inboorlingen zich
in Nieuw Zuid-Wales voeden. Maar toch was het mogelijk dat er zich
nog andere bevonden wier beet doodelijk kon zijn, zooals de adders
met gespleten staart, die overeind gaan staan, of de vleugelslangen,
welke kleppen aan de ooren hebben, waardoor zij zich met reusachtige
snelheid kunnen bewegen. Toen Top van den eersten schrik bekomen was,
vervolgde hij met zooveel vuur de jacht op slangen, dat zij beangst
voor hem werden en zijn meester hem dan ook telkens terug moest roepen.

Spoedig hadden zij de monding van de Roode Beek bereikt. Zij herkenden
het punt dat zij reeds bezocht hadden, toen zij den berg Franklin
afdaalden.

Cyrus Smith ontdekte, dat de aanvoer van water zeer aanzienlijk was,
zoodat er noodzakelijk hier of daar een punt moest wezen, waar het
overtollige water afvloeide. Dat punt moest men ontdekken, want daar
zou waarschijnlijk een waterval wezen, dien men als beweegkracht
zou kunnen aanwenden. Zij vervolgden dus nog een eind hun weg, maar
zorgden goed bij elkander te blijven. Het water scheen hoe langer hoe
vischrijker te worden en Pencroff nam zich voor om vischtoestellen
te maken, ten einde dien rijken buit te vermeesteren.

Voor het oogenblik was hun taak slechts de noordelijke punt te
bezoeken. Hier stonden meer boomen, welke aan het landschap een
schilderachtig aanzien gaven. Het Grant-meer lag toen in zijn geheele
uitgestrektheid voor hen; geen koelte deed het lommer bewegen. Top
deed nu en dan een zwerm vogels opvliegen, die Gideon Spilett en
Harbert met hun pijlen begroetten. Harbert had er zelf een getroffen,
die tusschen de struiken viel. Top snelde er heen en bracht een mooien
vogel met grijze vleugels in zijn bek terug. Het was een waterhoen, ter
grootte van een patrijs, doch deze vogel was bij nader onderzoek niet
voor hun avondmaal geschikt en Top moest er zich dus over ontfermen.

Zij volgden nu een oostelijke richting, en kwamen toen weder op
bekend terrein. Op dit oogenblik werd Top, die tot nu toe zeer kalm
was geweest, plotseling onrustig. Het verstandige dier liep maar heen
en weer en stond telkens bij het water stil, alsof hij daar eenig
onzichtbaar wild rook; daarop blafte hij, maar hield zich dan weer
eensklaps stil.

Noch Cyrus Smith, noch zijn makkers sloegen acht op het gedrag van
den hond; maar Top herhaalde zoo onophoudelijk zijn geblaf, dat het
den ingenieur eindelijk wel treffen moest.

"Wat is er dan toch, Top?" vroeg hij.

De hond sprong tegen zijn meester op, en gaf duidelijk zijn onrust
te kennen, waarop hij weder naar het water snelde. Daarop sprong hij
plotseling in het meer.

"Hier Top!" riep Smith, daar hij niet wilde dat de hond in die
onbekende wateren zich zou wagen.

Top keerde op het geroep van zijn meester terug, maar toch kon hij
niet rustig bij hem blijven en scheen hij een dier onder het water
te volgen. Maar het meer was zeer klein en geen golfje rimpelde
de oppervlakte. Menigmaal stonden allen stil en sloegen zij het
oplettend gade, maar er verscheen niets. Er moest hier eenig geheim
achter schuilen. De ingenieur begon er hoe langer hoe meer belang in
te stellen.

"Laten wij onzen ontdekkingstocht tot het einde toe vervolgen,"
zei hij.

Een half uur later hadden zij den zuidoostelijken hoek van het meer
bereikt en bevonden zij zich op de vlakte: het Verre Uitzicht. Bij dit
punt konden zij hun onderzoek van het meer voor geëindigd houden, en
toch had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar en hoe de uitloozing
van het water plaats greep.

"Toch moet zulk een uitloozing ergens wezen," herhaalde hij gedurig,
"en daar hij niet boven den grond te vinden is, moet hij aan de
binnenzijde van de rots wezen!"

"Maar waarom stelt ge daar belang in, Cyrus?" vroeg Gideon Spilett.

"Een zeer groot belang zelfs," antwoordde de ingenieur, "want zoo
de uitstorting in de rots zelf plaats heeft, moet zich daar een grot
bevinden, die men zeer gemakkelijk tot een woonplaats kan inrichten,
als men het water afleidt!"

"Maar is het niet mogelijk, mijnheer Cyrus, dat het water in het
meer zelf uitloopt," zeide Harbert, "en dat het door een onderaardsch
kanaal naar zee stroomt?"

"Dat kan zeer goed," antwoordde de ingenieur, "en zoo dat het geval
mocht wezen, dan zijn wij verplicht ons huis zelf te bouwen, daar
dan de natuur de eerste fondamenten niet gelegd heeft."

Zij haastten zich thans om, daar het reeds vijf uur was, de
Schoorsteenen op te zoeken, toen Top weder zijn geblaf liet
hooren. Het was thans zoo heftig, en vóor zijn meester hem nog had
kunnen weerhouden was hij reeds in het water gesprongen.

Allen liepen naar den oever. De hond was echter reeds twintig voet
van hen verwijderd en Cyrus Smith riep hem met alle kracht terug,
toen een kop plotseling boven het water verscheen, dat hier niet diep
scheen te wezen. Harbert herkende terstond het dier en riep uit:

"Een zeekoe!"

Het dier had zich op den hond geworpen, die het te vergeefs trachtte
te ontwijken. Zijn meester kon niets tot zijn redding bijbrengen, en
zelfs vóor dat het denkbeeld bij Gideon en Harbert was opgekomen, om
het met hun pijlen te treffen, was Top reeds onder water verdwenen. Nab
stond op het punt om het arme dier met een ijzeren staaf te hulp te
komen en het ondier in zijn eigen element aan te tasten.

"Terug, Nab," zeide de ingenieur, terwijl hij zijn kloeken dienaar
tegenhield.

Intusschen werd er onder water hevig gestreden; Top kon waarschijnlijk
geen weerstand bieden, en de strijd moest dus met den dood van den hond
eindigen. Maar plotseling, te midden van een grooten kring schuim,
zag men hem weder boven komen. Door een onbekende kracht werd hij
tien voet in de hoogte geworpen, maar zonk weder even zoo spoedig
in de diepte, waarna hij nogmaals bovenkomende, naar den oever zwom
zonder gewond te zijn, als door een wonder gered.

Cyrus Smith en zijn makkers zagen dit zonder het te begrijpen! Dat
was iets onverklaarbaars! Zeker was de zeekoe, terwijl zij den hond
in haar klauwen hield door een ander dier overvallen, en moest zij
thans zich zelve verdedigen.

Maar het duurde niet lang. Het water werd rood gekleurd van bloed
en de zeekoe kwam weldra, te midden van een bloedplas, die zich naar
alle zijden uitbreidde, aan de zuidelijke punt van het meer aan land.

Allen snelden naar dat punt. Het was een geducht dier, van vijftien
à zestien voet lengte en moest ongeveer drie of vierduizend pond
wegen. Aan zijn nek scheen het gewond te zijn, met een zeer scherpen
dolk, zou men zeggen.

Welk dier had dus die vreeselijke zeekoe met één slag kunnen
dooden. Niemand kon het zeggen, en met dit voorval geheel vervuld,
keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar de Schoorsteenen terug.




XVII.

    Bezoek aan het meer.--De stroom.--Plannen van
    Cyrus Smith.--Het vet van de zeekoe.--Gebruik van de
    vuursteenen.--Glycerine.--Zeep.--Salpeter.--Zwavelzuur.--Stikstof.--Een
    nieuwe val.


Den anderen morgen, 7 Mei, lieten Cyrus Smith en Gideon Spilett het
eten klaar maken, terwijl zij verder de vlakte van het Verre Uitzicht
gingen onderzoeken, en Harbert en Pencroff den loop der rivier volgden,
om een nieuwen voorraad hout op te doen. Spoedig hadden de ingenieur
en zijn makker de plaats bereikt waar het dier den vorigen dag was
blijven liggen.

Zij stonden thans weder op dezelfde plaats waar vier en twintig uur
geleden zulk een hevigen strijd onder water was gevoerd.

Het meer scheen hier niet diep, maar hoe verder men kwam, en eindelijk
als men het midden naderde, was waarschijnlijk de diepte zeer groot.

"Wel Cyrus," vroeg de reporter, "meent ge dat dit meer volstrekt niet
verdacht is?"

"Neen, beste Spilett," antwoordde de ingenieur, "en ik weet inderdaad
niet, waaraan ik dat voorval van gisteren moet toeschrijven!"

"Ik erken," zeide Gideon Spilett, "dat de wond, die dit dier gisteren
bekomen heeft zeer zonderling is en ik kan mij ook geen denkbeeld
maken hoe Top met zulk een kracht boven het water werd geworpen. Men
zou bijna moeten gelooven aan een krachtigen arm, gewapend met een
dolk, die ook de zeekoe gedood heeft!"

"Ja," antwoordde Smith, die in gepeins verzonken was. "Er is iets dat
ik niet kan begrijpen. Maar begrijpt gij zelf, Gideon, op welke wijze
ik gered ben, hoe ik aan de golven ben ontkomen en mij plotseling in
de duinen bevond. Neen, nietwaar? Ik heb ook een voorgevoel, dat er
iets verborgens wezen moet, wat we eenmaal zullen ontdekken. Laten
wij alles stipt gadeslaan, maar niet alles van deze vreemde zaken aan
onze makkers vertellen. Laten wij onze aanmerkingen voor ons zelven
houden en ons onderzoek voortzetten."

Zooals men weet, had de ingenieur niet kunnen ontdekken waar
het overtollige water uit het meer heen vloeide, maar toch moest
noodzakelijk ergens een uitloozing zijn. Cyrus Smith nu bespeurde dat
zich op een zeker punt een vrij sterke stroom openbaarde. Hij wierp
er eenige stukjes hout in en zag dat zij in zuidelijke richting
voortdreven. Die richting volgende, kwam hij aan den zuidelijken
uithoek van het meer, daar joeg het water met kracht voort, alsof het
plotseling in een spleet van den bodem verdween. Cyrus Smith hield
zijn oor boven de oppervlakte van het meer en hoorde duidelijk het
bruisen van een onderaardschen waterval.

"Daar," zeide hij, "daar vindt het water zijn uitweg door een kanaal
in het graniet en stroomt het af naar zee door holen, waarvan wij
partij zullen trekken."

De ingenieur sneed nu een langen tak af, ontbladerde dien en toen
hij hem aan het vereenigingspunt der beide oevers in den grond had
gestoken, ontdekte hij dat er een vrij groote opening was ongeveer
een voet onder de oppervlakte van het meer. Dit was de opening der
uitloozing, die hij tot nog toe, maar te vergeefs, gezocht had, en
de stroom had daar zulk een kracht, dat hij uit de handen van den
ingenieur den tak rukte, die toen in het schuim der golven verdween.

"Er valt niet meer aan te twijfelen," herhaalde Cyrus Smith. "Daar
is de uitloozingsplaats, en ik zal haar ook blootleggen!"

"Maar hoe?" vroeg Gideon Spilett.

"Door de oppervlakte van het water drie voet te doen dalen."

"En hoe wilt gij de oppervlakte doen dalen?"

"Door een andere uitloozingsplaats te maken, welke veel grooter is
dan deze."

"Op welke plaats, Cyrus?"

"Op dat gedeelte van den oever, dat het dichtst bij de kust is."

"Maar die bestaat geheel uit graniet!" merkte de reporter aan.

"Welnu, die zal ik laten springen, en het water zal er natuurlijk
uitstroomen en dus het meer doen dalen. Zoodoende kunnen wij de
uitloozing vinden."

"En een waterval op het strand maken," voegde de correspondent er bij.

"En waterval, dien wij tot ons voordeel zullen aanwenden!" antwoordde
Cyrus. "Kom, ga mede!"

De ingenieur voerde zijn makker met zich, wiens vertrouwen in hem
zoo groot was, dat hij geen oogenblik aan het welslagen van het plan
twijfelde. En toch, hoe moesten zij dien oever van graniet openen? Hoe
zouden zij zonder kruit en met gebrekkige werktuigen die rotsen uiteen
doen springen? Was het niet een werk, dat hun krachten te boven ging?

Toen Cyrus Smith en de reporter weder in de Schoorsteenen terug kwamen,
vonden zij Harbert en Pencroff bezig met hun voorraad hout te ontladen.

"De houthakkers hebben hun taak volbracht, mijnheer Cyrus," zei de
matroos lachend, "en wanneer gij nu metselaars noodig hebt...."

"Geen metselaars, beste vriend, maar scheikundigen," antwoordde
de ingenieur.

"Ja," voegde Spilett er bij, "wij gaan het eiland laten springen."

"Het eiland laten springen!" riep Pencroff uit.

"Een gedeelte ten minste!" hernam Gideon Spilett.

"Luistert, mijn vrienden!" zei de ingenieur.

Cyrus Smith maakte hen met den uitslag van zijn onderzoek
bekend. Volgens hem, moest er een vrij aanzienlijke grot bestaan
in de granietmassa, die de vlakte het Verre Uitzicht uitmaakte,
en hij was voornemens daar in door te dringen. Om dit te doen,
moest hij eerst de opening, waardoor het water zijn uitweg vond,
vrij maken, en dientengevolge de oppervlakte doen dalen door een
grootere uitloozingsplaats te maken. Hiervoor moesten zij dus een
ontplofbare zelfstandigheid bereiden, en op deze wijze een groote
gleuf op een ander gedeelte van den oever maken. Dit wilde Cyrus Smith
thans beproeven met de verschillende delfstoffen welke de natuur ter
zijner beschikking had gesteld.

Het is onnoodig te zeggen, met welk een opgewondenheid dit voorstel
door allen, maar voornamelijk door Pencroff begroet werd. Grootsche
middelen, rotsen doen springen, een waterval maken, dat was naar den
zin van den matroos! En hij zou een even goed chemist als metselaar
en schoenmaker wezen, daar de ingenieur thans aan een chemist
behoefte had. Hij zou alles wezen, wat men maar wilde--zelfs dans-
en schermmeester, zei hij tot Nab, zoo dat noodig was.

Nab en Pencroff moesten nu eerst het spek van de zeekoe afsnijden,
en dit voor bederf bewaren. Zij vertrokken terstond zonder eenige
verdere inlichting te vragen, zoo volkomen was het vertrouwen dat
zij in den ingenieur stelden.

Eenige oogenblikken later voeren Cyrus Smith, Spilett en Harbert
de rivier op, beladen met gevlochten teenen, ten einde een voorraad
vuursteenen te halen. De geheele dag ging met dezen arbeid voorbij,
maar tegen den avond bezaten zij dan ook een voldoende hoeveelheid.

Den anderen morgen, 8 Mei, begon de ingenieur met zijn scheikundige
proeven. De vuursteenen bestaan hoofdzakelijk uit kool of silicium,
aluminium en zwavelijzer, vooral een groote hoeveelheid van het
laatste; hij moest nu het zwavelijzer er uit verwijderen en het zoo
snel mogelijk in sulfaat veranderen. Als men eenmaal dit sulfaat
verkregen heeft dan kan men het zwavelzuur er gemakkelijk uit bereiden.

Nu maakte Cyrus Smith een gedeelte van den grond, achter de
Schoorsteenen gelijk. Hier plaatste hij eenige takkenbossen en
brandhout, en daarop vuurhoudende steenen; daarop overdekte hij het
geheel weder met eenige vuursteenen, die vooraf verbrijzeld waren tot
op de groote eener noot. Toen hij dit gedaan had, stak hij het hout
aan; de warmte deelde zich aan de steenen mede die ook vlam vatten,
omdat zij koolstof en zwavel bevatten. Nu werd er een nieuwe stapel
van steenen gemaakt, dien zij weder met gras en planten over dekten,
nadat zij de lucht er doorheen hadden laten spelen, alsof zij een
stapel hout tot houtskool moesten maken.

Daarop lieten zij het proces zijn voortgang hebben en binnen de tien
of twaalf dagen zou het zwavelijzer in sulfaat van ijzer en het
aluminium in sulfaat van aluminium veranderd zijn, twee oplosbare
zelfstandigheden; terwijl het silicium, de houtskool en de asch
onoplosbaar zijn. Terwijl dit chemische proces plaats had, liet
Cyrus Smith ander werk verrichten. Zij waren allen vol ijver en met
geestdrift bezield.

Nab en Pencroff hadden de zeekoe van haar spek ontdaan, en dit
in de groote aarden potten verzameld. Uit dit vet moesten zij
ook een bestanddeel verwijderen, de glycerine, door het in zeep te
veranderen. Om dit nu te verkrijgen, was 't voldoende het met soda of
kalk te vermengen. Inderdaad als men bij vet een dezer bestanddeelen
brengt, verkrijgt men zeep en scheidt de glycerine zich af, en juist
deze glycerine wilde de ingenieur bekomen. Aan kalk ontbrak het
hem niet, zooals men weet; maar wel gaf de vermenging met kalk een
kalkachtige zeep, onverbindbaar en dus ook onbruikbaar, terwijl de
vermenging met soda hun integendeel een oplosbare zeep zou geven, die
dus weder in het huishouden kon gebezigd worden. Dus zou Cyrus Smith
soda trachten te bereiden. Was het moeielijk? Neen, want zeeplanten
groeiden in grooten overvloed op het strand. Zij verzamelden dus een
goede hoeveelheid van deze planten, droogden ze en lieten ze toen in
groote kuilen in de open lucht verbranden. De verbranding van die
planten werd gedurende eenige dagen onderhouden, zoodat de warmte
den graad bereikte waarop de asch smolt, en het voortbrengsel van
dit proces was een dikke grijsachtige massa, die reeds sedert lang
onder den naam van "natuurlijke soda" bekend is.

Toen zij die verkregen hadden, vermengde de ingenieur het vet met
de soda, die eensdeels een oplosbare zeep gaf en anderdeels een
zelfstandige massa glycerine.

Maar dat was nog niet alles; Cyrus Smith moest voor zijn aanstaand
preparaat nog een andere zelfstandigheid hebben, de salpeterzure
potasch, die meer bekend is onder den naam van salpeter.

Cyrus Smith had deze zelfstandigheid kunnen bereiden door koolzure
potasch, die gemakkelijk uit de asch van planten te verkrijgen is,
met salpeterzuur te vermengen. Maar het salpeterzuur ontbrak hem,
en juist dat zuur wilde hij hebben. Gelukkig nu verschafte de natuur
hem dit salpeter, en hij had het slechts voor het oprapen. Harbert
ontdekte een laag er van in het noorden van het eiland, aan den
voet van den berg Franklin, en ze behoefden nu slechts dit zout te
zuiveren. Met het bereiden dezer verschillende zaken verliep er een
geheele week. Zij waren met alles gereed, vóór dat het zwavelijzer
in sulfaat van ijzer veranderd was. Maar in dien tusschentijd konden
de kolonisten hard aardewerk in een oven van steenen vervaardigen,
dat zou strekken tot het distilleeren van ijzersulfaat, wanneer dit
verkregen zou zijn. Alles was tegen den 18den Mei gereed, ongeveer
op hetzelfde tijdstip dat het chemische proces was afgeloopen.

Gideon Spilett, Harbert, Nab en Pencroff, voorgegaan door den
ingenieur, waren de handigste werklieden geworden. De noodzakelijkheid
is de meesteres naar wie men het meest luistert en die het beste
onderwijst.

Cyrus Smith had nu een voldoende hoeveelheid van dit gekristalliseerde
sulfaat van ijzer, waaruit zij nu het zwavelzuur moesten trekken. Den
20sten Mei was de ingenieur in het bezit van deze zelfstandigheid,
die hun later van zooveel dienst zou zijn.

Toen hij het zwavelzuur verkregen had, bracht hij het bij de glycerine,
die hij vooruit geconcentreerd had, door het aan verdamping bloot
te stellen, en hij had nu zelfs, zonder eenig verkoelend mengsel te
gebruiken, verscheidene kannen van een olieachtige gele vloeistof
verkregen. Deze laatste bereiding had Cyrus Smith geheel alleen
gemaakt, op grooten afstand van de Schoorsteenen, want er bestond
gevaar voor ontploffing en, toen hij een flesch met dit vocht bij
zijn vrienden bracht, zeide hij:

"Hier hebt gij nitro-glycerine!"

Dit was inderdaad die vreeselijke stof, waarvan de ontploffingskracht
tienmaal grooter is dan die van het buskruit, en waardoor reeds zooveel
onheilen zijn teweeggebracht. Thans, nu men het middel heeft gevonden
om het in dynamiet te veranderen, dat is het te vermengen met een
vaste zelfstandigheid, klei of suiker, poreus genoeg om het in zich
op te nemen, kan dit gevaarlijke vocht met minder gevaar gebruikt
worden. Maar het dynamiet was nog niet bekend, toen de kolonisten op
het eiland Lincoln waren.

"En dat vocht zal onze rotsen dus doen springen?" zei Pencroff op
ongeloovigen toon.

"Ja, beste vriend," antwoordde de ingenieur, "en deze nitro-glycerine
zal zooveel te meer uitwerking hebben, naarmate dit harde graniet
meer weerstand zal bieden."

"En wanneer zullen wij dat zien, mijnheer Cyrus?"

"Morgen, zoodra wij een gat in de mijn geboord hebben," antwoordde
de ingenieur.

Den anderen dag, den 21sten Mei, begaven de kolonisten zich reeds bij
het aanbreken van den dag op weg naar den oever van het meer Grant,
op ongeveer vijf honderd pas afstands van de kust.

Het was zeker, dat, wanneer men den bovenrand deed springen, het
water door de opening zou ontsnappen, en een beekje zou vormen, dat
wanneer het zich over de oppervlakte van de bergvlakte had verspreid,
op het strand zou wegvloeien. Zoodoende zou het meer lager en de
uitloozing bloot komen te liggen; hun doel was dan bereikt. Maar dit
doel was niet spoedig bereikt, want de ingenieur, die een ontzaglijke
ontploffing wilde teweegbrengen, was voornemens niet minder dan tien
liter nitro-glycerine te gebruiken. Pencroff, afgelost door Nab,
slaagde er in tegen vier uur een gat in de mijn gereed te hebben,
dat groot genoeg was om die hoeveelheid te bevatten.

Nu moesten zij nog overleggen, hoe die ontplofbare zelfstandigheid
te doen werken. Gewoonlijk wordt de nitro-glycerine aangestoken door
middel van een kleine hoeveelheid knalzuurzout, dat, wanneer het
springt, de ontploffing plaats doet hebben. Door een schok moest de
ontploffing teweeggebracht worden, want wanneer het slechts aangestoken
werd, zou het branden, zonder te ontploffen.

Cyrus Smith had zulk een lont wel kunnen bereiden. Bij gebrek aan dit
knalzuurzout kon hij toch eene zelfstandigheid maken, die veel met
schietkatoen overeenkwam, daar hij salpeterzuur tot zijne beschikking
had. Dit in een kardoes gedaan en bij de nitro-glycerine gebracht,
zou ook losbarsten wanneer het met een tondel werd aangestoken. Maar
Cyrus Smith wist dat de nitro-glycerine de eigenschap heeft om bij
een schok te ontploffen. Hij besloot dus van die eigenschap gebruik
te maken; zoo dit hem niet gelukte kon hij altijd nog een ander middel
aanwenden. Het slaan met een hamer op eenige druppels nitro-glycerine,
zou reeds een uitbarsting teweeg brengen. Maar hij, die dezen slag
met den hamer zou moeten toebrengen, kon dit niet doen, zonder zelf
het slachtoffer der bewerking te worden. Cyrus Smith kwam nu op het
denkbeeld om een stuk ijzer vlak boven de opening der mijn aan een
eind koord te hangen. Een ander koord, dat hij vooraf door zwavel
had gehaald, werd in het midden van het eerste vastgehecht, terwijl
het uiteinde van dat koord op den grond hing, op zekeren afstand
van de opening verwijderd. Dit tweede koord werd nu aangestoken,
en zou natuurlijk branden, totdat het 't eerste raakte. Dit zou ook
vlam vatten, zou breken en het stuk ijzer moest natuurlijk op de
nitro-glycerine vallen.

Toen dit toestel gereed was, verwijderde de ingenieur zijn vrienden,
stortte de nitro-glycerine in de opening en goot eenige druppels
onder het blok ijzer dat reeds was opgehangen. Toen dit gedaan was,
nam Cyrus Smith het uiteinde van het door zwavel gehaalde koord, stak
het aan, en voegde zich toen bij zijn vrienden in de Schoorsteenen.

Het koord moest vijf en twintig minuten branden en inderdaad vijf
en twintig minuten later dreunde eene ontploffing, waarvan men zich
geen denkbeeld zou kunnen vormen. Het scheen dat het geheele eiland
op zijn fondamenten sidderde. Een wolk van steenen verhief zich alsof
zij door een vulkaan ten hemel werd geworpen.

De schok, die door de verplaatsing van lucht teweeg werd gebracht,
deed de rotsen der Schoorsteenen trillen. De kolonisten, hoewel zij
meer dan twee mijlen van de mijn verwijderd waren, werden op den
grond geworpen. Zij stonden op, bestegen de bergvlakte en ijlden
naar de plaats waar de rand van het meer door de losbarsting was
uiteengeslagen.

Een drievoudig hoezee weerklonk uit aller mond! De rots was gespleten
over een groote oppervlakte. Een krachtige waterstroom bruiste
schuimend over de vlakte, en strekte zich uit tot aan het uiteinde
van de rots waar hij zich van een hoogte van driehonderd voet naar
beneden stortte.




XVIII.

    Pencroff twijfelt niet meer.--De oude uitloozing.--Een
    onderaardsche tocht.--De weg door het graniet.--Top is
    verdwenen.--De middelste spelonk.--De inwendige put.--Een
    geheim.--Een stoot met het houweel.--Terugtocht.


Cyrus Smith was volkomen geslaagd in zijn plannen, maar volgens zijn
gewoonte liet hij zijn tevredenheid volstrekt niet blijken, en met
gesloten lippen en strakken blik bleef hij onbeweeglijk staan. De
vreugde van Harbert kende paal noch perk; Nab sprong op van blijdschap;
en Pencroff schudde zijn dikken kop, terwijl hij mompelde:

"Kom aan, dat gaat goed met onzen ingenieur!"

De nitro-glycerine had dan ook een krachtige uitwerking gedaan. De
uitloozing, die men aan het meer gegeven had, was zoo groot dat de
hoeveelheid water, die nu wegspoelde, driemaal meer was dan vroeger. De
uitslag was dus, dat eenigen tijd later de oppervlakte van het meer
reeds twee voet gedaald moest wezen.

Zij keerden nu naar de Schoorsteenen terug om hun spaden, houweelen,
touwen, steen en zwam te halen; daarop gingen zij weder naar de
bergvlakte. Top vergezelde hen.

Onderweg kon Pencroff toch niet laten om tot den ingenieur te zeggen:

"Maar weet ge wel, mijnheer Cyrus, dat wij door middel van deze
heerlijke likeur, die gij bereid hebt, wel het geheele eiland zouden
kunnen doen springen!"

"Ongetwijfeld, zoowel het eiland als het vasteland en de geheele aarde
zelf," antwoordde Cyrus Smith. "Het geldt hier slechts de quaestie
van hoeveelheid."

"Kunnen wij die nitro-glycerine niet voor onze vuurwapenen gebruiken,"
vroeg de matroos.

"Neen, Pencroff, de zelfstandigheid is al te krachtig. Maar wij
kunnen wel schietkatoen er van vervaardigen, en zelfs buskruit, daar
wij stikstof, salpeter, zwavel en vuur hebben. Maar ongelukkigerwijs
ontbreken ons de wapenen."

"Och, mijnheer Cyrus," antwoordde de matroos, "met een weinig goeden
wil!"

Blijkbaar had Pencroff het woord "onmogelijk" uit het woordenboek
van het eiland Lincoln geschrapt.

Toen zij op de bergvlakte kwamen, zagen zij reeds met een oogopslag
dat hun werk gelukt was en dat, waar zij zoozeer naar verlangd
hadden, de opening boven de oppervlakte van het water uitstak. Zij
was ongeveer twintig voet breed, maar slechts twee voet hoog. Dus niet
meer dan de opening van een riool. Zij hadden dan ook onmogelijk er in
kunnen gaan, zoo Nab en Pencroff niet terstond met hun houweelen een
voldoende ruimte hadden uitgehouwen. De ingenieur drong naar binnen
en zag dat men zeer goed verder kon doordringen, en waarschijnlijk
tot de oppervlakte der zee zou kunnen komen. En zoo er dan, gelijk
zeer waarschijnlijk was, een grot aanwezig was in het binnenste van
deze rotsachtige massa, dan zou men ook het middel wel vinden om deze
bewoonbaar te maken.

"Welnu, mijnheer Cyrus, wat weerhoudt ons om er binnen te gaan? Gij
ziet dat Top ons reeds is voorgegaan!"

"Best," antwoordde de ingenieur. "Maar wij moeten alles goed kunnen
zien." Nab sneed eenig harsachtige takken af.

Nab en Harbert snelden naar den oever van het meer, waar een aantal
boomen stonden, en spoedig keerden zij terug, beladen met takken,
waarvan zij flambouwen maakten. Zij ontstaken ze met hun vuursteenen
en met Cyrus Smith aan het hoofd drongen zij die donkere gang binnen,
die tot hiertoe door het instroomende water was gevuld. Zij daalden
zeer langzaam af en onwillekeurig konden zij een zekere aandoening
niet van zich weren, bij het bezoeken van die diepten, waar geen
menschelijk wezen ooit een voetstap gezet had. Zij spraken niet, maar
dachten, dat het wel mogelijk zou kunnen wezen, dat eenig gevaarlijk
dier in die rots huisvestte. Zij moesten dus voorzichtig te werk gaan.

Maar Top ging vooruit en men kon op het dier vertrouwen, in geval
van nood zou het wel waarschuwen.

Toen zij ongeveer een honderd pas afgelegd hadden, stond Cyrus
Smith stil.

"Wel Cyrus!" zeide Gideon Spilett. "Hier zijn wij op een onbekend
gebied, goed geborgen in deze diepten, maar in elk geval onbewoonbaar."

"Waarom onbewoonbaar?" vroeg de matroos.

"Omdat het te klein en te donker is."

"Kunnen wij het dan niet wijder maken, en van openingen voorzien
waar de dag en de lucht doordringen?" vroeg Pencroff, die niets
onmogelijk achtte.

"Laten wij maar verder gaan," antwoordde Cyrus Smith, "en ons onderzoek
voortzetten. Misschien is de natuur ons lager gunstiger."

"Wij zijn pas op een derde der hoogte," merkte Harbert op.

"Op een derde ongeveer, ja," antwoordde Smith, "het is dus niet
onwaarschijnlijk, dat een honderd pas lager...."

"Waar is Top toch?...," vroeg Nab plotseling.

Men zocht overal, maar de hond was niet te vinden.

"Hij is zeker doorgegaan," zeide Pencroff.

"Laten wij hem inhalen," hernam de ingenieur.

Zij daalden verder af. De ingenieur sloeg alles rondom zich nauwkeurig
gade.

Zij stonden eensklaps weder stil, daar eenig geluid, als door een
pijp tot hen kwam.

"Het is Top, die blaft!" riep Harbert uit.

"Ja," antwoordde Pencroff, "en onze dappere hond blaft zelfs met
woede."

"Wij hebben onze houweelen," zeide Smith. "Laten wij op onze hoede
wezen. Vooruit!"

"Het wordt hoe langer hoe merkwaardiger," mompelde Gideon Spilett
aan het oor van den matroos, die toestemmend knikte.

Cyrus Smith en zijn makkers liepen zoo snel zij konden voorwaarts
om den hond te hulp te komen. Het geblaf van Top werd hoe langer
hoe duidelijker en heftiger. Zou hij misschien in gevecht zijn met
een dier dat hij in zijn hol gestoord had? Zeker was het dat allen
het gevaar door hun nieuwsgierigheid vergaten. Zij liepen niet meer,
zou men zeggen, maar zij gleden als het ware naar beneden, en eenige
minuten later, o

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/20331