Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren

by Alfred Edmund Brehm · Dutch · Gutenberg #20129 · 924,241 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 04: De Roofdieren

Author: Alfred Edmund Brehm


        
Release date: December 18, 2006 [eBook #20129]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/20129

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 1, HOOFDSTUK 04: DE ROOFDIEREN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/







Vierde Orde.

De Roofdieren (Carnivora).


Grooter rijkdom van vormen dan die, welke de orde der Roofdieren
aanbiedt, komt misschien in geen andere Zoogdieren-orde voor. Bijna
alle lichaamsgrootten, die gelegen zijn tusschen de middelmatige,
en een, die de kleinste maar weinig overtreft, zijn in deze
orde vertegenwoordigd, de meest verschillende gedaanten in haar
vereenigd. Van den geweldigen Leeuw tot den kleinen Wezel--welk een
aantal tusschenvormen, welk een verscheidenheid van ontwikkeling! Hier
de evenredig gebouwde, lieftallige Kat, daar de logge Hyena; hier
de slanke, sierlijke Civetkat met haar fijne, gladde huid, daar de
krachtige, grove Hond; hier de logge, langzame, zwaarwichtige Beer,
daar de behendige, vlugge en lichte Marter: hoe kunnen zij alle
tot één groep behooren?--En hoe kunnen zij alle in één beschrijving
samengevoegd worden, zij, die deels op den bodem, deels op de boomen,
deels in het water wonen en leven? En toch moeten wij ze in verband
met elkander behandelen.

Bij alle Roofdieren merkt men zoowel in den lichaamsbouw als in
de geestesgaven bij alle verscheidenheid een in 't oog loopende
gelijkvormigheid op. Omgekeerd kan men uit de gewoonten, die al
deze dieren in meerdere of mindere mate gemeen hebben, uit de
overeenkomstige levenswijze en uit de gelijkheid van 't voedsel
afleiden, dat bij hen de vermogens van het lichaam--voortvloeiend
uit het maaksel der ledematen, van het gebit en van de
spijsverteringsorganen--zoowel als die van den geest in hoofdzaak
gelijkaardig moeten zijn. Van misvormingen en vreemdsoortigheden,
van caricatuurachtige wezens en afkeerwekkende gestalten worden in
de orde der Roofdieren bijna geen voorbeelden aangetroffen.

Hunne ledematen staan met het lichaam en onderling in evenredige
verhouding; zij hebben ieder 4 of 5 teenen, die steeds met meer of
minder krachtige, scherpe of stompe, in scheeden terugtrekbare of vrij
liggende klauwen gewapend zijn. De groote volkomenheid der zintuigen
is in 't oog vallend, hoe verschillend hun ontwikkeling ook moge
schijnen. Het gebit, dat uit alle drie soorten van tanden bestaat,
bevat krachtige, scherpe--deels meer of minder slanke en éénspitsige,
deels scherp getakte--in en tusschen elkander grijpende tanden, die
met lange wortels stevig bevestigd zijn in forsch gebouwde kaken,
waarvan de onderste door krachtige spieren bewogen wordt.

De maag is altijd enkelvoudig, niet in afdeelingen verdeeld, de
darm gewoonlijk kort of middelmatig lang, de blinde darm altijd
kort. Eigenaardig zijn bij sommige Roofdieren de aarsklieren, welke
een sterk riekend vocht afscheiden, dat evenzeer een middel is om
zich te verdedigen tegen sterkere als tot het aanlokken van zwakkere
dieren; deze klieren leveren soms een vettige stof tot het inwrijven
van het vel.

Bij het nauwkeuriger ontleden van de Roofdieren merkt men de volgende,
meer of minder voorkomende eigenaardigheden van lichaamsbouw op. Het
skelet, is in weerwil van de lichtheid en sierlijkheid van vele
leden dezer orde, betrekkelijk stevig. Het geraamte van den kop is
langwerpig; het schedelgedeelte is ongeveer even sterk ontwikkeld
als het aangezichtsgedeelte. De krachtige kammen en lijsten als ook
de gewelfde en tamelijk ver van den schedel afwijkende jukbogen
verschaffen aan de krachtige kauwspieren de voor hun bevestiging
vereischte oppervlakte. De oogholten zijn groot, de gehoorblazen
gezwollen, de beenderen en kraakbeenderen van den neus zeer uitgebreid:
aan de drie hierbij behoorende zintuigen wordt dus de noodige
ruimte aangeboden voor hun volledige ontwikkeling. Aan de wervels
merkt men sterke doornuitsteeksels en lange dwarse uitsteeksels op;
de lendewervels vergroeien dikwijls bijna volkomen met elkander; het
aantal staartwervels wisselt binnen vrij wijde grenzen af. De ledematen
vertoonen, in overeenstemming met het verschil van levenswijze, een
groote verscheidenheid van bouw; deze voldoet echter steeds aan alle
vereischten voor kracht, vlugheid en gemakkelijkheid van beweging.

De neus verlengt zich bij vele Roofdieren snuitvormig en is dan
dikwijls nog met eigenaardige kraakbeenderen voorzien, waardoor
hij geschikt wordt voor 't wroeten in den grond. Tevens zijn dan
de ledematen korter en dikker, geschikt om er mede te graven: de
bedoelde soorten leiden een onderaardsche levenswijze. Bij andere
soorten verlengen de ledematen zich en stellen de dieren in staat
om snel te loopen, of verbreeden zich door zwemvliezen en kunnen
voor 't zwemmen dienen. De klauwen zijn bij sommige terugtrekbaar,
gedurende het gaan beveiligd tegen afslijting, zoodat zij uitgestoken
zijnde, uitmuntende wapens en grijpwerktuigen vormen. Andere soorten
hebben stompe, minder beweeglijke klauwen, die daarom alleen voor de
beschutting van den voet of voor het woelen en graven in den grond
kunnen dienen, en hoogstens ook nog maken, dat het dier zich beter
vast kan houden. Het gebit ontleent zijn eigenaardigheid zoowel aan
de scherpe hoek- of hondstanden als aan de scheur- of vleeschkiezen;
het kan hierdoor uitstekende diensten bewijzen bij het vechten, alsmede
bij het vasthouden en verscheuren van den buit. Krachtige spieren en
pezen stellen het Roofdier tot een sterke en volhardende inspanning
in staat, terwijl de vorm en de aanhechtingswijze uitgebreide en
behendige bewegingen toelaat.

Hierbij komen nu nog de uitmuntend ingerichte zintuigen. Bij
uitzondering slechts is een van deze weinig of niet bruikbaar; dit
gemis wordt dan echter zeer zeker op voldoende wijze door de overige
zintuigen vergoed. Men kan geen zintuig aanwijzen, dat bij alle
Roofdieren bevoorrecht is boven alle overige; bij sommige is de reuk,
bij andere het gezicht, bij enkele het gehoor op bewonderenswaardige
wijze ontwikkeld; bij eenige speelt ook de tastzin een belangrijke
rol. Twee zinnen zijn in den regel zeer scherp: in de meeste gevallen
zijn deze de reuk en het gehoor, minder vaak het gehoor en het gezicht.

De verstandelijke vermogens zijn in overeenstemming met de physieke
begaafdheden. Onder de Roofdieren komen bewonderenswaardig verstandige
wezens voor; het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat zij zich
weldra de list en de kunst van veinzen eigen maken, die voor hun
roovers- en dievenhandwerk vereischt worden. Hierbij komt nog, dat
het bewustzijn van hun kracht hun moed en zelfvertrouwen verschaft,
welke, in die mate vereenigd, bij andere dieren nimmer aangetroffen
worden. Maar juist uit deze eigenschappen vloeien weer andere voort,
die ons niet zeer innemen voor deze overigens zoo prachtige schepsels.

Doordat de Roofdieren gewoon zijn te overwinnen, ontwikkelt zich bij
hen, nevens de altijd sterker wordende heerschzucht, weldra wreedheid
en dikwijls ten slotte een onbedwingbare moordlust, ja zelfs bloeddorst
in den vollen zin van 't woord; deze hartstochten bezielen hen in die
mate, dat menig Roofdier te recht als zinnebeeld er voor gekozen is.

Met de natuurlijke begaafdheden en eigenschappen van lichaam en geest
stemmen de woonplaats en de levenswijze overeen. De Roofdieren wonen
en heersenen overal: op den bodem, in het water zoo goed als in de
kronen der boomen, op de gebergten zoowel als in de vlakten, in het
woud niet minder dan op het veld, in noordelijke gewesten evenzeer
als in zuidelijke. Men treft onder hen even volkomene nachtdieren als
dagdieren aan; sommige gaan in de schemering, andere bij het licht
der zon, nog andere in de duisternis van den nacht hun voedsel zoeken.

Vele leven gezellig, andere eenzaam; sommige vallen hun slachtoffer
openlijk aan, de meeste echter beloeren en besluipen het, overvallen
het onverwachts--hoe sterk zij ook zijn mogen. Alle verbergen zich zoo
lang mogelijk, uitsluitend met de bedoeling, om door hun verschijnen
niet te vroeg schrik aan te jagen; slechts weinige worden door het
bewustzijn van hun zwakheid gedreven om zoo schielijk mogelijk een
schuilplaats en toevluchtsoord op te zoeken, zoodra zij iets verdachts
bespeuren. Hoe meer zij van het daglicht houden, des te vroolijker,
levendiger, opgewekter en gezelliger toonen zij zich; hoe meer zij
aan den nacht de voorkeur geven, des te knorriger, wantrouwiger,
schuwer en ongezelliger zijn zij.

Alle Roofdieren voeden zich met andere dieren; slechts bij uitzondering
gebruiken eenige ook vruchten, zaden en andere plantaardige
voortbrengselen. Naar het verschil in voedingswijze onderscheidt men
"alleseters" en "vleescheters"; deze namen zijn echter niet volkomen
steekhoudend; want de alleseters geven evenzeer de voorkeur aan
een flink stuk vleesch als de grootste en wildste Roofdieren. Alle
leden van deze orde zijn naar aard en ontwikkeling geboren roovers
en moordenaars, onverschillig of zij kleine dan wel groote dieren
dooden; zelfs zij, die van plantaardig voedsel houden, toonen, als
de gelegenheid schoon is, dat zij geen uitzondering willen maken op
den regel der orde, wat roof en moord betreft. Het ligt in den aard
der zaak, dat er tusschen de Roofdieren, wat betreft de keuze van het
voedsel, of beter gezegd van den buit, even belangrijke verschillen
bestaan als ten aanzien van den lichaamsbouw, het vaderland, de
verblijfplaats en de levenswijze. Slechts weinige klassen van het
dierenrijk blijven voor de aanvallen en belastingheffingen dezer
roofridders beveiligd. De grootste en sterkste leden van de orde
bepalen zich meestal tot Zoogdieren, zonder evenwel andere dieren te
versmaden. Niet eens de Leeuw voedt zich uitsluitend met Zoogdieren;
de overige Katten betoonen zich nog minder kieskeurig dan hij. De
Honden, die eigenlijk echte "vleescheters" zijn, breiden hun jacht
nog verder uit dan de Katten; onder de Civetkatten en Marters vinden
wij reeds eenige soorten, die zich uitsluitend voeden met Visschen
en Amphibiën; de Beren eindelijk zijn echte "alleseters"; zij eten
werkelijk met evenveel smaak plantaardig als dierlijk voedsel. De
Gewervelde Dieren evenzeer als de Ongewervelde vinden dus onder de
Roofdieren hunne liefhebbers of liever hunne vijanden. Onverschillig
waar deze dieren zich ophouden, op den vasten grond of in het water of
tusschen de takken der boomen, in het noorden of in het zuiden, hoog
boven of beneden de oppervlakte der aarde: de Roofdieren verbreiden
overal den dood om zich heen, hun rooven en moorden wordt door niets
gestuit. Zij moeten leven en de zwakke moet voor den sterke onderdoen.

Bij eenige Roofdieren komt, naar men meent, een echte samenleving van
het mannetje met het wijfje voor; bij geen hunner duurt dit verbond
echter levenslang. Het bestaat bij eenige Katten en Marters niet
alleen gedurende, maar ook na den paartijd; in dit tijdperk zijn de
beide ouders enger verbonden dan gedurende den overigen tijd van het
jaar, gezamenlijk voeden, beschermen en verdedigen zij de jongen. Bij
andere, en wel bij de meeste Roofdieren, is de vader gewoon zijne
spruiten als een welkomen buit te beschouwen; hij moet door de moeder
teruggedreven worden, als hij de schuilplaats zijner nakomelingschap
toevallig ontdekt heeft; in dergelijke gevallen is de moeder natuurlijk
de eenige verzorgster van het kroost. Het aantal jongen van één worp
wisselt aanmerkelijk af; het bedraagt echter slechts bij uitzondering
niet meer dan één. Bij nagenoeg alle Roofdieren worden de jongen
blind geboren, en zijn gedurende geruimen tijd zeer hulpbehoevend;
zij ontwikkelen zich echter daarna betrekkelijk vlug. Hun moeder geeft
hun een vrij uitvoerig onderricht in haar bedrijf; zij begeleidt en
beschermt hen steeds zoo lang, als zij nog niet in staat zijn, om
voor zich zelf te zorgen. Bij dreigend gevaar dragen eenige, maar
zeer weinige moeders haar kroost in de armen of op den rug mede,
de overige sleepen het met den bek weg.

De mensch leeft met bijna alle soorten van Roofdieren in openlijken
strijd. Hoogst weinige van hen heeft hij door temming dienstbaar
trachten te maken; met één hunner is hem dit echter in zoo hooge
mate gelukt, dat er in het geheele dierenrijk geen tweede hiermede
overeenkomend geval te vinden is. Verreweg de meeste worden met meer
of minder recht als schadelijke dieren beschouwd, fel gehaat en daarom
zonder genade vervolgd; zeer weinige worden verschoond. Van sommige
wordt het vleesch of het vet gegeten, van andere wordt de prachtige
pels tot kostbare kleedingstukken gebruikt; in zulke gevallen kan men
tegen het dooden van deze dieren niets inbrengen; betreurenswaardig
is het echter, dat sommige Roofdieren, die niet slechts onschadelijk,
maar zelfs nuttig zijn, miskend worden; zij zijn de slachtoffers van
de blinde vernielzucht van den mensch. Reeds hierom verdient deze
orde door iedereen zorgvuldiger waargenomen te worden, dan tot dusver
geschiedde; het leeren onderscheiden van vrienden en vijanden moet
steeds van groot belang geacht worden.



Niemand zal een oogenblik in twijfel verkeeren, aan welke familie
van Roofdieren hij de eer zal gunnen aan de spits der geheele reeks
te staan. Ieder denkt hierbij aan een Kat, die reeds door de ouden de
"koning der dieren" werd genoemd, aan den Leeuw, en geeft hem gaarne
de voorkeur; daarom behandelen wij in de eerste plaats de familie
der _Katten_ (_Felidae_).

Van alle Roofdieren hebben de Katten de meest volkomene
roofdiergestalten. Een dergelijke evenredigheid tusschen de ledematen
en den stam, een even groote regelmatigheid en evenmatigheid van
lichaamsbouw, als bij haar, treft men bij de overige Roofdieren niet
aan. Bij haar is ieder lichaamsdeel lieftallig en sierlijk; juist
daarom bevredigt het geheele dier ons schoonheidsgevoel in zoo hooge
mate. Wij kunnen zonder gevaar voor vergissing onze Huiskat als type
van de geheele groep beschouwen.

De lichaamsbouw van de Kat mogen wij bekend veronderstellen; want het
krachtige en toch sierlijke lichaam, de bolronde kop met den sterken
hals; de matig hooge pooten met de dikke teenen, de lange staart
en het zachte vel met zijn steeds aangename, met de omgeving innig
harmonieerende kleur zijn kenmerken, die waarschijnlijk iedereen
duidelijk voor den geest staan. Het lichaam van de Kat is met de
meest volkomene wapens uitgerust. Haar gebit is vreeselijk. De
hoek- of grijptanden hebben den vorm van groote, sterke, bijna niet
gekromde kegels, die ver voorbij alle andere tanden uitsteken en een
waarlijk vernietigende uitwerking kunnen hebben. Naast hen treden
de opmerkelijk kleine snijtanden geheel op den achtergrond en komen
zelfs de flinke scheurkiezen, die zich door scherpe, wederzijds
in elkander grijpende takken en spitsen onderscheiden, ons zwak en
onbeduidend voor. De dikke en vleezige tong, die door hare fijne,
hoornachtige, op geplooide wratjes geplaatste, naar achteren gerichte
stekels bijzonder de aandacht trekt, is met dit gebied in volkomen
overeenstemming. De tanden zijn echter niet de eenige aanvalswapens
van de Katten; in hare klauwen bezitten zij niet minder vreeselijke
werktuigen voor het grijpen en doodelijk verwonden van haar prooi of
om zich te verdedigen in den strijd. Hare breede en afgeronde voeten
onderscheiden zich vooral, doordat zij naar verhouding zulk een geringe
lengte hebben, en deze is een gevolg van het bovenwaarts gericht zijn
der laatste teenleden, die bij het gaan in 't geheel niet met den bodem
in aanraking komen. Hierdoor wordt de afslijting voorkomen van de zeer
krachtige en uiterst puntige, sikkelvormig gekromde klauwen, die zeer
stevig aan deze teenleden bevestigd zijn. In den toestand van rust
en bij den gewonen gang wordt het klauwlid door twee rekbare banden,
waarvan de eene aan den bovenkant, de andere zijdelings bevestigd is,
in opgerichten stand gehouden; bij toorn en op 't oogenblik dat de
klauw dienst moet doen, trekt de krachtige, diep gelegene buigspier,
welker pees zich aan het onderste deel van het klauwkootje aanhecht,
dit deel met geweld naar beneden; de voet wordt hierdoor gestrekt
en in het vreeselijkste grijpwerktuig veranderd, dat er bestaat. Dit
maaksel van den voet heeft tengevolge, dat de Katten bij het loopen
nimmer een spoor achterlaten waarin de afdruksels van de klauwen
waarneembaar zijn; de onhoorbare gang daarentegen wordt veroorzaakt
door de zachte, dikwijls dicht behaarde ballen op de gedeelten van
den teen, die met den grond in aanraking komen.

De Katten zijn sterke en uiterst behendige dieren. Elke beweging van
haar getuigt zoowel van kracht als van lieftallige behendigheid. Bijna
alle soorten van deze familie gelijken op elkander zoowel door de
eigenschappen van het lichaam als door die van den geest, al is
het dan ook, dat de eene soort in het een of ander opzicht boven de
andere bevoorrecht schijnt te zijn, of bij de andere schijnt achter
te staan. Alle Katten gaan goed, maar langzaam, voorzichtig en zonder
gedruisch te maken; zij loopen snel en zijn in staat tot het maken
van horizontale sprongen over afstanden, die vele malen grooter zijn
dan haar lichaamslengte. Slechts weinige soorten, en wel de grootste,
zijn niet in staat om boomen te beklimmen, hoewel deze kunst door de
meeste met veel behendigheid wordt uitgeoefend. Ofschoon zij voor
't meerendeel een tegenzin hebben in 't water, zwemmen zij ingeval
van nood toch zeer goed; geen enkele soort althans verliest in 't
water licht haar leven. Bovendien hebben zij er slag van haar fraai
gevormd lichaam ineen te drukken of samen te rollen, maken met groote
vaardigheid gebruik van hare klauwen en verstaan de kunst om hiermede
met onfeilbare zekerheid een dier te grijpen, zelfs wanneer het
loopt of vliegt. Hierbij komt nu nog de naar verhouding zeer groote
spierkracht van de ledematen dezer dieren en haar volharding. De
grootste soorten kunnen met één slag van hare vreeselijke klauwen
en door de zwaarte van den schok die het besprongen dier treft, dit
ter aarde doen storten, al is het ook grooter, dan zij zelf zijn;
ook kunnen zij groote lasten voortsleepen.

De voortreffelijkste zintuigen van de Katten zijn ongetwijfeld die
van het gehoor en van het gezicht. Het gehoor wijst haar gedurende
hare rooftochten den weg. Op groote afstanden kunnen zij een gedruisch
waarnemen en op de juiste wijze beoordeelen; zij vernemen den zachtsten
stap, het zwakste kraken van het zand; hoewel de oorschelpen bij
nagenoeg geen van deze dieren bijzonder groot zijn, kunnen zij door
het gehoor zelfs een buit, dien zij niet gezien hebben, opsporen. Het
gezicht is minder goed ontwikkeld, hoewel het volstrekt niet zwak
genoemd mag worden. Waarschijnlijk kunnen zij niet op groote afstanden
zien, nabijgelegene voorwerpen echter zeer goed. De pupil, die bij de
grootste soorten rond is en bij toorn zich kringvormig verwijdt, neemt
bij vele kleinere soorten den vorm van een ellips aan en is dan voor
groote verwijding vatbaar. Over dag trekt zij zich onder den invloed
van het te felle licht tot een fijne spleet samen; bij opgewondenheid
of in de duisternis rondt zij zich tot een nagenoeg volledigen kring
af.--Op het gezicht mogen wij wel het gevoel laten volgen, welks
fijnheid zoowel uit het zeer goed ontwikkeld zijn der tastorganen als
uit de groote geschiktheid tot het waarnemen van allerlei op de huid
werkende prikkels blijkt. Als tastwerktuigen dienen voornamelijk
de baardharen aan weerszijden van de mondspleet en de tastharen
boven de oogen, bij de Lossen misschien ook het haarkwastje aan het
oor. Als men de baardharen van een Kat afknipt, brengt men dit dier
in een hoogst onaangenamen toestand; het wordt letterlijk radeloos
en ongeschikt om iets te doen; het toont althans merkbare onrust en
onzekerheid, die later, hoewel eerst na het aangroeien dezer borstels,
weder ophouden. Maar ook de pooten schijnen voor het tasten zeer
geschikt. De gevoeligheid is over het geheele lichaam verbreid. Alle
Katten zijn hoogst ontvankelijk voor uitwendige invloeden; zij toonen
een duidelijk merkbare ontstemming bij onaangename, daarentegen een
groot behagen in aangename prikkels. Als men haar vacht gladstrijkt,
zullen zij steeds in een bijna vroolijke stemming komen, terwijl zij,
groote ontevredenheid aan den dag leggen, als zij met vocht besprenkeld
of aan andere onaangename invloeden blootgesteld worden. De reuk en
de smaak staan waarschijnlijk ongeveer op gelijke hoogte; misschien
is de smaak nog beter ontwikkeld dan de reuk. De meeste Katten zijn
in weerwil van haar ruwe tong voor smaakprikkels zeer gevoelig. Uit de
merkwaardige voorliefde van sommige Katten voor sterk riekende planten,
zooals Valeriaan en Kattenkruid, leidt men af, dat de reuk bij haar
slechts een zeer ondergeschikte rol vervult; de Katten wentelen zich,
alsof zij gek zijn, over deze planten heen, geraken hierdoor als
't ware in een roes; terwijl dieren met meer verfijnde reukorganen
hun afschuw voor dergelijke voorwerpen niet verhelen.

De Katten nemen, wat de ontwikkeling harer geestvermogens betreft,
een lageren rang in dan de Honden, echter niet zooveel lager,
als gewoonlijk aangenomen wordt. Men moet hierbij niet uit het oog
verliezen, dat wij bij het beoordeelen van de geestesbekwaamheden
der beide familiën voortdurend twee typen voor oogen hebben, die
geen juisten maatstaf voor deze beoordeeling opleveren; men kan den
Huishond, die sedert duizenden van jaren door zijn verkeer met den
mensch ontwikkeld is, niet op één lijn stellen met de verwaarloosde
en niet zelden mishandelde Huiskat. Bij de meeste soorten van Katten
treden wel is waar de hoogere of edelere begaafdheden van den geest
minder op den voorgrond dan de lagere, maar toch levert onze Huiskat,
als hij goed behandeld wordt, ons het bewijs, dat ook Katten voor
opvoeding en veredeling van den geest vatbaar zijn. De Huiskat levert
vaak genoeg voorbeelden van trouwe gehechtheid aan den mensch en van
een goed ontwikkeld verstand. Gewoonlijk geeft de mensch zich niet de
moeite hare bekwaamheden nader te onderzoeken, maar laat zich tegen
haar innemen door het algemeen heerschend vooroordeel en wordt hierdoor
van een zelfstandig onderzoek teruggehouden. Het karakter van de meeste
soorten is een vereeniging van bedaarde omzichtigheid, volhardende
sluwheid, bloedgierigheid en vermetelheid. In de gevangenschap
vertoonen zij zich weldra geheel anders dan in vrijen toestand; zij
erkennen de oppermacht van den mensch, gevoelen dankbaarheid jegens
haar meester, verlangen, dat hij haar zal vleien en liefkoozen,
kortom zij worden dikwijls volkomen tam, zij het dan ook, dat soms
hare diep ingewortelde, natuurlijke neigingen plotseling weder op den
voorgrond treden. Dit is hoofdzakelijk de reden waarom men de Katten
valsch en arglistig noemt, want zelfs niet eens de mensch die gewoon
is dieren te kwellen en te mishandelen, wil hun het recht toekennen,
een enkele maal voor eenige oogenblikken het hun opgelegde juk der
slavernij af te schudden.

Katten vindt men tegenwoordig in alle deelen der Oude Wereld (met
uitzondering van het Australische faunistische rijk, waar hoogstens
verwilderde Huiskatten voorkomen) en in Amerika. Zij bewonen de
vlakten zoowel als de bergen, dorre zandgronden zoowel als vochtige
laagvlakten, het bosch zoowel als het veld.

Haar voedsel ontleenen de Katten aan alle klassen van de Gewervelde
Dieren, hoewel het niet te ontkennen valt, dat de Zoogdieren het meest
aan hare vervolgingen zijn blootgesteld. Eenige soorten maken bij
voorkeur jacht op Vogels, andere, die echter een kleine minderheid
uitmaken, eten bovendien het vleesch van sommige Kruipende Dieren,
vooral van Schildpadden, nog andere gaan zelfs op de vischvangst uit.

Bij 't vangen van een prooi handelen alle soorten van Katten ongeveer
op dezelfde wijze. Zachtjes, met onhoorbare schreden sluipen zij
door haar jachtgebied, uiterst nauwkeurig, acht gevend op alles,
in alle richtingen loerend en scherp luisterend. Zelfs van het
zwakste gedruisch trachten zij de oorzaak op te sporen. In diep
gebogen houding gaan zij er op af, den buik bijna op den grond,
zoodat zij schijnen voort te glijden. Steeds houden zij zich onder
den wind, om te voorkomen, dat de bewijzen van de nabijheid van het
roofdier door luchtstroomingen naar het slachtoffer overgedragen
worden. Eindelijk acht de Kat den afstand gering genoeg, om tot den
aanval over te gaan. Met één of twee sprongen heeft zij haar prooi
bereikt. De vreeselijke klauwen doorklieven den nek of de zijden van
het onverhoeds overvallen dier, dat met den bek aangevat, en eenige
malen achtereen hevig gebeten wordt. Vervolgens ontspannen de spieren,
die de kaken opeenklemmen, zich een weinig; de roover laat evenwel
zijn prooi niet los, houdt haar voordurend in 't oog, en bijt opnieuw,
zoodra hij bij den overwonnene een bewijs van leven opmerkt. Vele
Katten laten onder deze bedrijven een geknor of gebrul hooren, dat
evenzeer welgevallen als begeerigheid of toorn te kennen geeft; ook
bewegen zij de spits van den staart heen en weer. De meeste hebben de
afschuwelijke gewoonte, haar slachtoffer lang te martelen: schijnbaar
gunnen zij het een weinig vrijheid en laten het zelfs dikwijls een
eind ver loopen, om het echter steeds op 't rechte oogenblik weer
te vatten, opnieuw neer te drukken en nogmaals te laten loopen; dit
wreede spel wordt voortgezet, totdat het gepijnigde dier aan zijne
wonden bezwijkt. Zelfs de grootste soorten vermijden een gevecht met
dieren, van welke zij een grooten tegenstand verwachten, en vallen
hen alleen dan aan, als de ervaring hun geleerd heeft, dat zij,
ondanks de sterkte van haar tegenstander, overwinnaars zullen zijn
in den strijd, die op den aanval zou kunnen volgen. Zelfs de Leeuw,
de Tijger en de Jagoear zijn aanvankelijk bevreesd voor den mensch,
en gaan hem bijna lafhartig uit den weg; zoodra zij evenwel gezien
hebben, hoe gemakkelijk hij te overmeesteren is, worden vele van deze
Roofdieren zijne vreeselijkste vijanden. Ofschoon bijna alle Katten
goed kunnen loopen, laten vele toch de verdere vervolging van een
prooi na, wanneer haar de aanvalssprong mislukte. Alleen wanneer zij
die zeer veilig achten, verslinden zij de prooi op de plaats zelve,
waar de strijd beslecht werd; gewoonlijk sleepen zij het gegrepen dier,
dat gedood of althans weerloos gemaakt is, naar een stille, verborgen
plaats, waar zij ongestoord en op haar gemak het genot kunnen smaken,
dat de bevrediging van den honger teweegbrengt.

In den regel werpen de wijfjes-katten verscheidene jongen, bij
uitzondering slechts één. Vermoedelijk wisselt het aantal jongen
van 1 tot 6 af; men zegt, dat sommige soorten er meer ter wereld
brengen. De moeder verzorgt ze; de vader bekommert er zich slechts
bij uitzondering om. Een wijfjeskat met hare jongen levert een zeer
aantrekkelijk schouwspel op. De moederlijke teederheid en liefde
openbaren zich in elke beweging van de oude, zijn hoorbaar in ieder
geluid, dat men van haar verneemt. Er ligt dan een teederheid en
zachtheid in hare stem, die men hierin volstrekt niet verwacht zou
hebben. Bovendien let de moeder zoo zorgvuldig en opmerkzaam op de
jongen, dat men in 't geheel niet twijfelen kan aan de innigheid van
haar liefde. Een zeer aangenamen indruk maakt zulk een kattenfamilie
ook door de zindelijkheid, tot welke de moeder hare jongen reeds in
hun prille jeugd opwekt. Onophoudelijk is zij bezig met schoonmaken,
aflekken, gladstrijken, in orde brengen; zij duldt niet het minste vuil
in de nabijheid van het leger. Tegen vijandelijke bezoeken verdedigt
zij haar kroost met ware doodsverachting: alle groote soorten worden,
wanneer zij jongen hebben, in de hoogste mate gevaarlijk. Bij vele
kattensoorten moet de moeder hare kinderen soms ook tegen hun eigen
vader beschermen, omdat deze de jongen, zoolang zij nog blind zijn,
eenvoudig opvreet, wanneer hij het nest onbewaakt vindt. Dit is
vermoedelijk de voornaamste reden voor de zorgvuldigheid, waarmede
alle Katten hare jongen zoo goed mogelijk verbergen. Wanneer de jongen
wat grooter geworden zijn en zich reeds als echte Katten gedragen,
wordt de zaak anders; dan doet ook de kater hun geen kwaad meer. En
nu begint voor de kleine, steeds tot allerlei spelen en grappen
gezinde dieren een werkelijk vroolijk kinderleven. De natuurlijke
aanleg openbaart zich reeds in de eerste bewegingen en aandoeningen,
waarvoor de Katten vatbaar zijn. Hare kinderspelen reeds zijn altijd
oefeningen, waardoor zij zich voorbereiden om het jagersbedrijf der
volwassenen uit te oefenen. Elk zich bewegend voorwerp trekt haar
aandacht. Geen gedruisch ontgaat haar, de kleine jagers spitsen de
ooren bij het minste geritsel in hun nabijheid. In 't eerst is de
staart van hun moeder een bron van groot vermaak. Elke beweging van
dit lichaamsdeel wordt nageoogd, en weldra begint de geheele baldadige
bende haar best te doen om door pogingen om den staart te grijpen diens
bewegingen te stuiten en te voorkomen. Het oude dier laat zich echter
door deze plagerijen in 't minst niet storen en gaat voort met haar
gemoedsstemming te kennen te geven door de beweging van den staart; zij
laat zelfs gelaten toe, dat hare jongen dit lichaamsdeel als speelgoed
gebruiken. Weinige weken later ziet men het geheele gezin reeds met
allerlei drukke spelen bezig, nu gedraagt ook de moeder, de leeuwin
zoowel als de wijfjes-huiskat, zich geheel als een kind. Dikwijls is
het geheele gezelschap als een kluwen ineengerold; het eene dier tracht
den staart van het andere te grijpen. Naarmate de leeftijd toeneemt,
worden de spelen voortdurend ernstiger. De jongen leeren inzien,
dat de staart eenvoudig een deel van hun eigen lichaam is, en willen
liever hunne krachten aan iets anders beproeven. Thans brengt de oude
hun kleine, soms halfdoode, soms nog springlevende dieren. Deze laat
zij los, als zij bij hare jongen is en nu oefent zich het jongere
geslacht met ijver en volharding in het roovershandwerk, waardoor het
later aan den kost zal komen. Eindelijk neemt de oude de jongen mede
op de jacht; daar worden zij doorkneed in alle listen en sluipwegen,
in het toonen van zelfbeheersching, in het onverhoeds aanvallen,
kortom in de geheele rooverskunst. Eerst als zij geheel zelfstandig
zijn geworden, verlaten zij hun moeder of hunne beide ouders en leiden
van nu af gedurende geruimen tijd een eenzaam, zwervend leven.

De Katten staan als vijanden tegenover een groot deel van de
dierenwereld; daarom is de schade die zij aanrichten, buitengewoon
groot. Men moet hierbij echter in 't oog houden, dat de groote soorten
van de familie bijna alle leven in landen, die ongeloofelijk rijk aan
dieren zijn; zelfs is er reden om aan te nemen, dat eenige soorten
aan een voor ons schadelijke, te sterke vermenigvuldiging van sommige
Herkauwers en Knaagdieren paal en perk stellen, en dus indirect
ook voor ons nuttig zijn. Bij vele kleine soorten wordt de schade,
die zij ons berokkenen, meer dan opgewogen door de diensten, die zij
ons bewijzen. Zij maken alleen jacht op kleine Zoogdieren en Vogels;
vooral voor de kleine Knaagdieren, die den mensch zoo buitengewoon
veel last en schade kunnen aandoen, zijn zij de gevaarlijkste vijanden
en voor ons dus de ijverigste bondgenooten. Onze poes is ons geheel
onmisbaar geworden, maar ook de in 't wild levende soorten van
kleine Katten vergoeden vaak de door haar aangerichte schade door
belangrijke diensten. Bovendien maakt de mensch gebruik van het vel
en in sommige landen zelfs van het vleesch der Katten. In China,
en ook velerwege in Afrika, dienen de vellen van sommige soorten van
Katten als kenteekenen van waardigheid; de overige volken schatten het
genoemde artikel meer op grond van de schoone kleuren die het vertoont,
dan wegens de innerlijke waarde, want deze is niet bijzonder groot.

De jacht en de vangst van de schadelijke soorten worden overal met
grooten ijver uitgeoefend; er zijn menschen, die deze jacht, juist
wegens de gevaren die zij oplevert, tot de grootste genoegens dezer
wereld rekenen.

De samenvoeging van de verschillende soorten van Katten tot geslachten
biedt groote moeielijkheden aan. Wij meenen echter het recht te
hebben om de _Lossen_ (_Lynx_), de _Geparden_ of _Jachtluipaarden_
(_Cynailurus_) en de _Fretkat_ of _Fossa_ van Madagaskar
(_Cryptoprocta_) van de overige vormen--van de _eigenlijke Katten_
(_Felis_)--te mogen scheiden als afzonderlijke geslachten. Als type
van het laatstgenoemde geslacht kan onze algemeen bekende Huiskat
dienen. Van haar en de overige soorten van haar geslacht, welker
hoogst ontwikkelde leden aan den eenen kant de Leeuw, aan den anderen
de Tijger zijn, onderscheiden de _Lossen_ zich door de kortheid van den
staart, de lengte der pooten en het haarkwastje aan de lange ooren, de
_Geparden_ door de hoogte der pooten en de geringe terugtrekbaarheid
der klauwen; de _Fossa_ is kenbaar aan haar afwijkend gebit, haar
onbehaarde zool, en andere eigenaardigheden, die ons dit merkwaardig
dier doen kennen als een verren verwant van de Civetkatten, als een
"oerkat", zoo men wil.



In de eerste plaats beschouwen wij de _Eigenlijke_ Katten; de soorten
van de _Oude Wereld_ zullen wij gescheiden van die der _Nieuwe Wereld_
behandelen; verder berust de rangschikking, die wij aangenomen hebben,
op eigenaardigheden die de kleur van de vacht van het dier aanbiedt, en
wel zoo, dat de _dwars gestreepte_, de _gevlekte_ en de _eenkleurige_
Katten achtereenvolgens aan de beurt zullen komen.

In de groep van de min of meer dwars gestreepte Katten staat de
_Tijger_, die naast den Leeuw het meest ontwikkelde lid van de
geheele familie is, bovenaan. De Tijger is een echte Kat zonder
manen, met tamelijk lange baardborstels en met zeer duidelijk
zichtbare dwarsstrepen op zijn huid. Hij is de vreeselijkste van
alle Katten, een Roofdier, waartegen de mensch zelfs machteloos
is. Bij geen der Roofdieren gaat de verschrikkelijkheid met zooveel
waarlijk verleidelijke schoonheid gepaard, geen van hen kan de oude
fabel van de jonge, wijsneuzige Muis, die in de Kat een schoon
en beminnenswaardig wezen bewonderde, beter vestigen. Wanneer de
gevaarlijkheid als maatstaf voor de belangrijkheid van de Zoogdieren
moest gelden, zou men aan den Tijger den eersten rang dienen toe
te kennen; want hij heeft zich tegenover den beheerscher der aarde
verzet op een wijze, waarvan geen tweede voorbeeld te vinden is. In
plaats van verdreven en teruggedrongen te zijn door de bebouwing
van den bodem en den steeds verder voortdringenden mensch, is hij
gedeeltelijk juist hierdoor meer aangetrokken; zelfs heeft hij den
mensch sommige plaatsen doen ontvluchten. Wel verre van, gelijk de
Leeuw, uit bevolkte gewesten zich terug te trekken, en het gevaar, dat
hem met vernietiging bedreigt, te ontvlieden, gaat hij het stoutmoedig
of listig te gemoet en plaatst zich halsstarrig als vijand tegenover
den mensch, maar als een verborgen, onverwachts naderbij sluipenden
en daarom des te gevaarlijker vijand. Men heeft zijn moordlust en
zijn bloeddorst en ook zijn menscheneten veelvuldig overdreven, of
althans met zeer schrille kleuren geschilderd; dit mag ons echter
geen verwondering baren: want voor velen die hem schilderen konden,
was hij werkelijk de belichaming van de verschrikkelijkheid.

De _Koningstijger_, de _Bagh_, _Scher_ of _Nahar_ der Hindoes, de
_Harimau_ der Maleiers (_Felis tigris_), is een prachtige, wonderschoon
geteekende en gekleurde Kat. Hooger, slanker en lichter gebouwd dan de
Leeuw, staat de Tijger toch volstrekt niet bij dezen achter. De totale
lengte van het volwassene mannetje varieert van 260 tot 300 cM., die
van het volwassene wijfje is steeds 30 à 40 cM. geringer. De staart is
80 à 95 cM. lang; de hoogte van de schoften bedraagt 90 à 106 cM. Het
gewicht van twee vrouwelijke Tijgers bedroeg bij de eene 108.8, bij
de andere 158.7 KG., dat van twee mannelijke Tijgers was resp. 163.3
en 172.4 KG. De romp is een weinig langer en gestrekter, de kop ronder
dan bij den Leeuw, de staart eindigt niet in een haarkwast, de beharing
is kort en glad en slechts aan de wangen tot een baard verlengd. Het
wijfje is kleiner en haar wangbaard minder ontwikkeld. Alle Tijgers,
die in meer noordelijk gelegene landen wonen, dragen, althans gedurende
het koude jaargetijde, een veel dichter en langer haarkleed, dan die,
welker vaderland de heete laagvlakten van Indië zijn. De teekening van
het dier vertoont een merkwaardig schoone rangschikking van kleuren; er
is een scherpe tegenstelling tusschen de lichte, roestgele grondkleur,
en de donkere strepen, die er op voorkomen. Evenals bij alle Katten,
is de grondkleur op den rug donkerder, aan de zijden lichter;
de onderzijde, de binnenzijden der ledematen, het achterste deel
van den romp, de lippen en het onderste gedeelte der wangen zijn
wit. Bij den "Boschtijger" schijnt de grondkleur meer verzadigd te
zijn dan bij den "Dsjungeltijger". Van den rug naar de borst en den
buik loopen in schuinsche richting onregelmatige, zwarte dwarsstrepen,
die een weinig van voren naar achteren hellen, en welker onderlinge
afstand bij verschillende dieren ongelijk is. Eenige van deze strepen
splitsen zich, de meeste zijn onvertakt en in dit geval donkerder. De
staart is lichter van kleur dan de bovenzijde van het lichaam, maar
eveneens met donkere ringen geteekend. De baardborstels of snorren
zijn meestal wit. Het groote oog, dat een ronde pupil heeft, ziet
er geelachtig bruin uit. De jongen zijn precies zoo geteekend als de
ouden; bij hen heeft de grondkleur echter een iets lichtere tint.

Ook bij den Tijger worden verscheidene afwijkingen van kleur
aangetroffen; de grondkleur kan donkerder of lichter zijn; in zeldzaam
voorkomende gevallen is zij zelfs zwart, ook wel wit met nevelachtige
zijdestrepen.

Men zou kunnen meenen, dat een zoo prachtig geteekend dier reeds op een
afstand opgemerkt zal worden door alle dieren die het vervolgt. Dit
is echter niet zoo. Het is al reeds eerder ter sprake gekomen,
dat de kleur bij de dieren in 't algemeen in nauw verband staat
met de plaats waar zij zich ophouden; bij de Katten is dit meer in
't bijzonder het geval; ik kan hier dus volstaan met te herinneren
aan de bosschen, rietvelden en graslanden, die bij voorkeur door den
Tijger als woonplaats worden gekozen, om de meening te weerleggen,
dat de bedoelde teekening en kleurverdeeling het roofdier hinderlijk
zouden kunnen zijn. Het overkomt zelfs geoefende jagers niet zelden,
dat zij een Tijger, die op korten afstand vóór hen ligt, even goed
als andere dieren, volkomen over 't hoofd zien.

Het verbreidingsgebied van den Tijger is zeer uitgebreid. Want het
blijft volstrekt niet alleen tot de heete landen van Azië, en meer
bepaaldelijk tot Oost-Indië, beperkt, maar neemt van het grootste aller
werelddeelen een stuk in beslag, dat ons Europa in uitgestrektheid
verre overtreft. Dit dier komt voor tusschen 8° ZB. en 53° NB.,
en wel tot in het zuidoosten van Siberië. De noordelijke grens van
zijn verbreidingsgebied ligt nader bij de Noordpool dan Amsterdam:
bovendien houde men hierbij in 't oog, dat Siberië een geheel ander
en betrekkelijk veel kouder klimaat heeft dan Europeesche gewesten,
die op gelijke breedte gelegen zijn. Indië kan echter als het
eigenlijk vaderland van den Tijger aangemerkt worden; van hier uit
verbreidt hij zich naar 't noorden en oosten door geheel China tot in
het stroomgebied van den Amoer, naar 't noorden en westen door het
noordelijke deel van Afghanistan en Perzië naar de gewesten aan den
zuidelijken oever van de Kaspische zee, waar hij in de moerassige
oerwouden van Massenderan en Gilan nog vrij overvloedig gevonden
wordt. Enkele uit hun koers geslagen dieren zullen misschien wel nu
en dan buiten de genoemde grenzen rondzwerven; in de westelijke landen
komen zij echter niet tot aan den Kaukasus of tot aan de Zwarte Zee. Op
de eilanden van den Maleischen Archipel, met uitzondering echter van
Sumatra en Java, komt de Tijger niet voor. Evenmin vindt men hem op
het eiland Ceylon.

Over den Tijger op Java schrijft Dr. W. R. van Hoëvell o. a. het
volgende: "Overal waar de grond nog schaars is bebouwd, in de vlakten,
op de bergen, overal heeft hij zijn schuilplaats en zoekt hij zijn
prooi. Sommige streken zijn door haar plaatselijke gesteldheid bovenal
bij hem geliefd. In het zuiden van Bantam is hij menigvuldig. Binnen
het jaar had men er vijftig gedood. In een dorp woonden acht weduwen,
wier mannen door Tijgers waren geveld.

"Bijna nimmer ontmoet men op Java een Tijger in 't wild. Daar is
een natuurlijke reden voor; wij maken onze tochten als de zon aan den
hemel schijnt--maar in den regel ligt de Tijger dan in zijn schuilhoek,
dan verbergt hij zich voor de zonnestralen, dan slaapt hij.

"De volle middag is in Indië het beeld van den dood--de nacht van
kalme beweging en levende rust. Altijd hoort gij iets. Nu eens
oefenen talrijke nachtinsecten onvermoeid hunne geluidorganen, dan
weer zingen ontelbare Krekels, in de struiken verspreid, op schelle
tonen een avondzang--dan belasten honderden Padden en Kikvorschen
zich met de baspartij--nu en dan mengt zich het eentonig geschreeuw
van de Gekko's er tusschen, die het rieten dak onzer hut bewonen.

"Maar ziet--daar wordt plotseling dit gansche orkest overschreeuwd
door een klagend gehuil, al sneller en scherper, al snijdender en
harder. Wij vlogen naar buiten, om te onderzoeken wat het was. Het
geraas hield aan, maar bleek nu op een aanmerkelijken afstand, diep
in het woud zijn oorsprong te nemen. De Javanen die ons vergezelden,
ontvouwden ons de reden. 't Was het angstgeschreeuw der Apen, die
deze bosschen bewonen. Wanneer een talrijke groep in die, dikwijls
honderd voet hooge kruinen der boomen zich gerust aan den slaap heeft
overgegeven, dan nadert een groote Gestreepte Tijger en vlijt zich
aan den voet neer.

"Nauwelijks heeft een der bevolking in de takken het monster opgemerkt,
of de schrik perst hem een klagend gehuil af. Alle ontwaken--alle
zien den Koning der verschrikking beneden--alle schreeuwen en alleen
de tegenwoordigheid van dat vreeselijke dier jaagt hun zulk een
doodsangst aan, dat zij geheel verbijsterd, op en door elkander van
tak tot tak springen en, onder huilen en jammeren, den een den ander
verdringen. Ondertusschen blijft de Tijger stil en rustig liggen--maar
onbewegelijk fonkelen zijne oogen de arme Apen aan totdat er eindelijk
een in de verwarring en het rumoer naar beneden valt, die dan gegrepen
en verslonden wordt.

"De wilde Stier is een der schoonste dieren van Java's
wildernissen. Ook op hem aast de Tijger, maar hij treedt hem niet
tegen in een open ridderlijken kamp; hij bespiedt zijne gangen, wacht
hem af in een hinderlaag, en bespringt hem verraderlijk. Daar ligt de
moordenaar op de loer in de dichte struiken; hij weet, dat hij zijn
prooi weldra zal zien, want het malsche gras heeft den Stier reeds
menigen nacht herwaarts gelokt. Daar nadert eindelijk het trotsche,
fraai geteekende, met sierlijke hoornen gekroonde dier. Rustig, van
geen gevaar bewust, voor geen gevaar bevreesd, omdat het de kracht van
zijne spieren en kop en hoornen kent, geniet het de geurige kruiden,
door den dauw van den nacht besproeid.

"De Tijger ligt onbeweeglijk, hij verroert zich niet, hij houdt zijn
adem in, hij wacht--de Stier komt al grazende dichter bij--nog een
kleine wending en de gelegenheid zal gunstig zijn--en nu--slechts één
enkele sprong--en de Tijger zit zijn prooi op den rug--hij heeft hem
zijne klauwen in de breede borst geslagen--hij heeft hem de slagtanden
in den korten, rimpeligen nek gezet--een vreeselijk gebrul weergalmt in
den nacht en weerkaatst door het gebergte--de Stier ijlt, woedend van
pijn, in 't dichtst van het woud, maar de Tijger blijft in dezelfde
houding--de Stier slaat in razernij de horens tegen de stammen der
boomen, de Tijger verroert zich niet--de smarten doen den Stier al
harder en harder voortijlen, de Tijger drijft zijne tanden en klauwen
al dieper en dieper in het vleesch--de Stier werpt zich op den grond,
wentelt zich om, de Tijger laat los, doet een enkelen sprong, zet
de tanden in den strot van zijn slachtoffer--en weldra blaast het
rochelend den laatsten adem uit."

Behalve in de dsjungels ontmoet men den Tijger in groote, hoogstammige
bosschen tot op een bepaalde hoogte boven den zeespiegel. Tot in
de hooglanden en hooge gebergten van Azië dringt hij niet door, en
zelfs in de zuidelijke gedeelten van den Himalaja wordt hij slechts
nu en dan tot op een hoogte van ongeveer 2000 M. aangetroffen. Bij
voorkeur houdt hij zich op in de rietvelden aan de rivieroevers,
in ondoordringbare bamboesbosschen en op andere dicht begroeide
plaatsen; ook vindt men hem dikwijls te midden van bouwvallen; niet
zelden wordt hij op den kap van half verweerde muren en op tempels in
liggende houding gezien, soms zelfs drie of vier tegelijk. Bijzonder
merkwaardig en, volgens alle berichtgevers, sterker dan bij andere
dieren is zijn voorliefde voor vast bepaalde lig- en schuilplaatsen;
met groote nauwgezetheid trekt hij altoos en overal naar dezelfde
plaatsen terug, al zijn er ook even geschikte in de onmiddellijke
nabijheid te vinden. "Het eerste het beste, met lang gras of riet
begroeide plekje aan een rivieroever of moerasrand," schrijft Blanford,
"de een of andere dichte opeenhooping van tamarisken of eugeniën in
een uitgedroogd rivierbed, dat een dozijn andere, oogenschijnlijk
volkomen gelijke kreupelboschjes bevat, een bepaalde hoop rotsblokken,
de uitverkorene van honderd soortgelijke op dezelfde heuvelhelling,
herbergt jaar in jaar uit denzelfden Tijger. Wanneer bij geval de
vaste bewoner van dit plekje door een jager gedood wordt, zal weldra
een andere Tijger de vacant geworden plaats in beslag nemen."

De gewoonten en hebbelijkheden van den Tijger gelijken op die van de
overige Katten, behoudens het onderscheid, dat uit de verschillende
grootte voortvloeit. Zijne bewegingen zijn even sierlijk als die
der kleinere Katten en hebben plaats met buitengewone snelheid,
behendigheid en volharding. Onhoorbaar sluipt hij voort, doorloopt
op zijne rooftochten schielijk afstanden van uren gaans, beweegt zich
zeer snel in galop en zwemt uitmuntend. Zijn bekwaamheid in 't springen
heeft men dikwijls overdreven voorgesteld. Uit metingen aan de sporen
van Tijgers, die vluchtend wild vervolgd hadden, is nooit een grootere
sprongwijdte dan van 5 M. gebleken. _Boomen beklimt hij niet_ of alleen
bij groote uitzondering, n.l. als de stam hellend of knoestig is;
gladde, rechte, verticale stammen kan hij niet beklimmen. Wel springt
hij soms, evenals andere Katten, tot tijdverdrijf bij den stam van
een boom met zachte schors op, en krabt deze spelenderwijs stuk.

De Tijger is geen echt nachtdier. Evenals de meeste Katten zwerft hij
op elken tijd van den dag rond, zij het dan ook, dat hij aan de uren
kort vóór en kort na zonsondergang de voorkeur geeft. Op plaatsen
waar de wilde dieren komen drinken of zoutlekken, op landwegen,
woudpaden en dergelijke legt hij zich bij voorkeur in hinderlaag. In
het zuidoosten van Siberië bezoekt hij gedurende den zomer iederen
nacht de plaatsen waar het zout aan de oppervlakte van den bodem
uitweert, omdat hij, even goed als de daar woonachtige jagers,
weet, dat de Herten hier gewoon zijn te komen om zout te likken; daar
ontmoet hij dan ook dikwijls jagers, die hetzelfde voornemen hebben als
hij. Met uitzondering van de sterkste Zoogdieren, zooals Olifanten,
Neushoorndieren, Wilde Buffels en misschien andere Roofdieren, is
geen lid zijner klasse veilig voor hem: hij overvalt de grootste,
en is ook tevreden met de kleinste. Soms beproeft hij evenwel zijne
krachten aan den buitengewoon sterken Wilden Buffel; in den strijd met
dit dier, vooral met het mannetje, delft hij echter niet zelden het
onderspit; ook door een ouden, goed gewapenden mannetjes-Ever wordt
hij, volgens sommige berichtgevers, nu en dan leelijk toegetakeld. Ook
vergrijpt hij zich wel eens aan een Beer; bij voorkeur maakt hij
echter jacht op Wilde Zwijnen, Herten en Antilopen. In tijd van nood
eet hij al wat kruipt en vliegt: bij overstroomingen in Bengalen
voedt hij zich met Visschen, Schildpadden, Hagedissen en Krokodillen;
Simson vond de maag van een door hem gedooden Tijger met Sprinkhanen
volgepropt. Zelfs Kikvorschen worden, naar men zegt, niet door hem
versmaad; wanneer gedurende den winter in de noordelijkste gedeelten
van zijn verbreidingsgebied het wild schaarsch wordt, gaat hij om
zijn honger te stillen op de muizenjacht. Alle dieren hebben dus
deugdelijke redenen om wegens hem op hun hoede te zijn.

Gelijk bij ons de Kraaien en allerlei kleine Vogels, de gevederde
roovers van de lucht luid schreeuwend vervolgen, zoo laten ook vele
dieren in de tropische gewesten zich hooren, als zij den Tijger
opmerken. Zij kennen hem, en weten bij ervaring, wat hij op 't oog
heeft, als hij begint rond te sluipen. Forsyth en anderen brengen
voorbeelden bij van de wijze waarop hun jacht door de hulp van de
Apen begunstigd werd. "Eens," zoo verhaalt Forsyth, "werd ik bij het
vervolgen van een Tijger, die in een uitgedroogde regengeul liep,
uitstekend geholpen door de talrijke Hoelmans, die in het struikgewas
langs den oever vruchten plukten. Zoodra zij den Tijger onder zich
zagen, snelden zij de eene na den anderen op de naastbijgelegene
boomen toe, klommen tot in de hoogste takken, schudden deze hevig,
en schimpten en tierden zoo sterk tegen den rustverstoorder in de
diepte, dat men ze op grooten afstand hooren kon. Iedere bende bleef
leven maken, totdat zij den Tijger uit het gezicht verloren had,
en de naastbij wonende hem op dezelfde wijze van uit hare boomkruin
begroette, daarna keerde zij bedaard naar den grond terug en ging weer
aan het bessen plukken, alsof er niets gebeurd was. Op deze wijze
nauwkeurig op de hoogte gehouden van den weg dien de Tijger volgde,
kon ik daar, waar de geul een bocht maakte, dwars oversteken, het
Roofdier vooruitkomen, en een geschikte standplaats kiezen. Daar kwam
hij voor den dag met lange schreden, den staart tusschen de pooten, en
zag er precies uit als een van schuld bewuste, nachtelijke moordenaar;
zijn geweten was blijkbaar door misdaden bezwaard, want gedurende het
gaan keek hij telkens vreesachtig om, en omhoog naar de Apen, alsof
hij ze smeeken wilde, toch niet te verraden waarheen hij ging."--Een
kogel maakte een einde aan zijn loopbaan.

De stem van den Tijger staat, wat kracht betreft, ver achter bij
die van den Leeuw. Gewoonlijk bestaat zij uit een langgerekt,
klagend geluid, dat verscheidene malen korter en sneller herhaald
wordt. Bovendien brengt hij de zware keelgeluiden "A-o-oeng" voort,
die men in alle diergaarden van de meeste groote Katten verneemt,
voorts een luid "Ha-oeb" of "Wau," als hij verrast en verschrikt wordt,
verder een mokkend geknor, als iemand hem tergt, en een op hoesten
gelijkenden, korten schreeuw, die woede te kennen geeft, en dien hij
bij den aanval verscheidene malen, schielijk achtereen uitstoot.

De Tijger is over 't algemeen geen moedig dier. Meestal is hij
niet slechts voorzichtig en aarzelend, maar ronduit lafhartig,
hoewel hij een buitengewoon sluwe en listige roover is. Tijgers, die
voor de eerste maal menschen ontmoeten, gaan altijd op de vlucht,
andere laten zich door geschreeuw en gebaren van streek brengen;
voor een vastberaden tegenstander houdt waarschijnlijk geen enkele
Tijger stand. Deze en gene leert echter bij toeval den mensch kennen
als een zeer gemakkelijk te overmeesteren schepsel, en kan dan zeer
gevaarlijk worden, omdat hij niets kwaads vermoedende en weerlooze
personen beloert en deze onverwachts overvalt. Zoo wordt hij in sommige
gevallen niet slechts stoutmoedig, maar zelfs verregaande brutaal.

Dat de Tijger, wel verre van zich door vermeerdering van de
bevolking van een gewest te laten afschrikken, hierdoor niet
zelden wordt aangelokt, blijkt o.a. uit de geschiedenis van de stad
Singapoer, die in 1824 door Sir Stamford Raffles gesticht werd op
een eilandje bij de zuidelijkste punt van Malakka, en zich van een
klein visschersdorp tot een stad van meer dan één millioen inwoners
heeft uitgebreid. Aanvankelijk werden in de moerassige bosschen aldaar
geen Tijgers gevonden. In 1835 werd de eerste Tijger bemerkt; hij was
zwemmende van den overkant gekomen, over het tamelijk breede kanaal,
dat het eiland van het vaste land scheidt. Thans zijn de Tijgers er
zoo talrijk, dat ieder jaar honderden menschen door deze roofdieren
worden verslonden.

Vele gewesten zijn berucht wegens de rooverijen, die daar door Tijgers
gepleegd worden: men beweert, dat zonder de groote vrees, die zelfs
deze van menschenvrees over 't algemeen vrije dieren voor het vuur
en voor een troepje vastberaden mannen koesteren, een geregelde
gemeenschap tusschen sommige plaatsen en streken, die zeer sterk
door Tijgers geteisterd worden, nauwelijks mogelijk zou zijn. Uit de
nabijheid van dorpen, en zelfs tusschen de hutten weg, hebben zij op
klaarlichten dag menschen geroofd en de overige bewoners menigmaal zoo
beangst gemaakt, dat zij hun woonplaats verlieten. Het grootste gevaar
loopen natuurlijk die menschen, welke een meer of minder eenzaam leven
leiden en bij hun arbeid in de vrije natuur verkeeren, zooals herders,
houthakkers en boeren; de herders zijn bovendien voortdurend in zorg
over hunne kudden. Ook de postboden zijn er slecht aan toe.

Tegen het einde van het tijdperk 1860-1870 huisde in Maisoer een
menschenetende Tijger, die onder den naam van Benkipoer-Tijger een
treurige beroemdheid kreeg en in het Noeggerdistrict van Maisoer
grooten schrik verbreidde, totdat eindelijk een goed gemikte kogel
hem trof. Forsyth bevrijdde in den aanvang van hetzelfde tiental
jaren de Centrale-Provinciën van eenige menscheneters, welker daden
hij verhaalt. De eene had eenige wegen volkomen gesloten, de bewoners
van verscheidene dorpen verdreven en andere gedwongen hunne woningen
met versperringen te omgeven. Deze Tijger beheerschte een gebied van
50 à 60 KM. middellijn en moet meer dan 100 menschen geroofd hebben,
vóór het Forsyth gelukte, hem neer te vellen. In hetzelfde gebied
roofde, volgens Fayrer, een Tijger in de drie jaren 1867 tot 1869
resp. 27, 34 en 47 menschen, tot een val met automatisch afgaand
geweer hem doodde. Een Tijgerin verdreef de bewoners van 13 plaatsen,
stoorde den akkerbouw in een landstreek van ongeveer 1000 vierkante
KM. en wist op de listigste wijze aan alle vervolgingen te ontkomen,
totdat een Engelsche jager het geluk had haar te schieten.

Men mag echter uit het feit, dat zulke verschijnselen voorkomen,
niet afleiden, dat zij gewoon en alledaagsch zijn.

De thans gebruikelijke wijzen van jagen, waarbij de jager den begeerden
buit opspoort, bespiedt, vervolgt en onder de meest verschillende
omstandigheden waarneemt, hebben ons nauwkeurige berichten verschaft
over den aard en de handelingen van de Tijgers in Indië. Nu het
aantal van hen die zich met deze jacht bezighouden--er zijn zelfs
dames onder--, zeer groot geworden is, hebben de oude jachtverhalen
en moordgeschiedenissen, waarin de Tijger een rol speelde, veel van
hun waarde verloren, en is het niet moeilijk meer, alledaagsche van
ongewone gebeurtenissen op dit gebied te onderscheiden.

Zooals te verwachten was, bestaat er ook onder de Tijgers een
vrij groote ongelijkheid van aard en neigingen; toch kan men deze
Roofdieren, volgens hen die ze het best kennen, naar hun gewone
levenswijze in drie groepen onderscheiden: de wilddooders, de
veeroovers en de menscheneters.

De _wilddooder_ vermijdt de woonplaatsen der menschen, want hij houdt
zich in de eigenlijke wildernis op, waar hij op bijna alle uren van
den dag door het woud, de struiken en het gras sluipt. Door den nood
gedrongen, leidt hij een meer zwervend leven dan de andere Tijgers; hij
trekt met het wild, dat tengevolge van de wisseling der jaargetijden
andere verblijfplaatsen opzoekt, van de eene landstreek naar de andere,
naar de heuvels en de bergen, zoowel als naar de vlakten. Hoewel hij
aan de jachtliefhebbers een dikwijls zeer onaangename concurrentie
aandoet, is hij in vele opzichten een goede vriend van den landbouwer,
daar hij hem in zekeren zin voor "veldkat" dient, en meer bepaaldelijk
de Herten en Zwijnen verdelgt en verdrijft, tegen welker verwoestingen
de boer zijne akkers bijna niet kan beveiligen. De wilddooders zijn in
den regel slanker gebouwd en behendiger dan de andere Tijgers, ofschoon
ook onder hen zeer zware exemplaren aangetroffen worden. Zij vormen
verreweg de talrijkste afdeeling, en verzamelen zich gedurende den
heetsten en droogsten tijd bij de dan nog overgeblevene drinkplaatsen.

De _veeroover_ zoekt de nabuurschap der dorpen op en kiest zijn
buit bij voorkeur onder de huisdieren, die naar de weide gedreven
worden of des nachts toevallig los in 't dorp rondloopen. Daar de
boeren gewoon zijn hun vee vóór het invallen van de duisternis naar
een veilige plaats te brengen, heeft de roover zich aangewend, op
klaarlichten dag, gewoonlijk in de tweede helft van den namiddag,
te gaan fourageeren. Als hij niet vervolgd en bedreigd wordt, strekt
zijn jachtgebied zich in den regel slechts over eenige dorpen uit;
in 't tegengestelde geval begint hij verder rond te zwerven. In een
landschap van Maisoer, dat ongeveer 40 KM. lang en 20 KM. breed was,
leefden op deze wijze acht welbekende Tijgers ieder voor zich. Het
spreekt van zelf, dat zij ook Schapen, Geiten of Ezels voor lief nemen,
en dat zij ook wel Herten, Zwijnen en ander wild vangen, wanneer zij ze
toevallig tegenkomen. Eerst wanneer de Tijger oud, vet en gemakzuchtig
geworden is, zal hij zich geheel tot het veerooven bepalen; hij kiest
zich dan een aangename streek, waar vleesch en water in overvloed
verkrijgbaar zijn, tot hoofdkwartier. Met de dorpelingen leeft hij
op den voet van wederkeerige verdraagzaamheid; zoowat om den vierden
of vijfden dag ontneemt hij hun een Rund.

Hierbij moet men trouwens niet aan onze Runderen denken en daarnaar de
schade bepalen. Daar de Hindoes in 't geheel geen Runderen dooden, zijn
er in alle dorpen een groot aantal afgeleefde en ellendige exemplaren,
die niemand voordeel aanbrengen, maar veeleer schade opleveren, omdat
zij het voornamelijk zijn, die de veepest verbreiden; eigenlijk worden
zij nog het best besteed, wanneer zij als voedsel voor de Tijgers
dienen.--Zonder den krijg, dien de Tijgers en Luipaarden tegen de
Herten en Zwijnen voeren, zou het in vele districten in 't geheel niet
mogelijk zijn, een oogst te verkrijgen, die de moeite loont. Daarom
zijn de landbouwers er volstrekt niet altijd mede ingenomen, als
van hunne Tijgers de wilddooders en de bescheidene veeroovers, die
hun als 't ware den dienst van opzichters over den akker bewijzen,
al te zeer vervolgd worden. Toen een van ouds bekende, buitengewoon
sluwe en reusachtig groote veeroover door het doodelijk schot van
Sanderson neergeveld was, zeiden de inboorlingen, die treurig om
het lijk stonden: "Het spijt ons voor hem; hij heeft ons nooit eenig
kwaad gedaan."

_De menscheneter_ is in de meeste gevallen een gewezen veeroover, die
ten gevolge van het voortdurend verkeer met menschen, en vooral door
ontmoetingen met herders, de vrees voor den mensch heeft afgelegd. Soms
is het een oud mannetje, meestal echter een wijfje (vermoedelijk omdat
dit voor jongen te zorgen heeft), dikwijls ook een dier dat op de een
of andere wijze verminkt is en daarom niet meer op de gewone wijze
aan de kost kan komen. De mensch kan zooveel gemakkelijker beslopen en
overmeesterd worden dan een tam of wild dier, dat de Tijger, wanneer
hij eens de vrees voor den mensch verloren heeft, dezen als prooi
neemt, zoodra hij hem zonder gevaar kan krijgen. Dit heeft aanleiding
gegeven tot de meening, dat de Tijger aan menschenvleesch boven ieder
ander voedsel de voorkeur geeft, welke meening volkomen ongegrond is,
evenals die, dat de menscheneters in den regel zwak en mager zijn.

De Tijger wordt, naar men zegt, vooral in die gewesten een
menscheneter, waar de kudden slechts in bepaalde jaargetijden
heen gedreven worden, zoodat na hun vertrek de achtergeblevene
veeroovers door gebrek aan voedsel genoopt worden, de inboorlingen
te overvallen. De menscheneter toont volstrekt geen grooteren moed
dan de veeroover of wilddooder; hoewel merkwaardig brutaal, is hij
even lafhartig als listig; hij vlucht voor gewapende personen en
valt eenzame, weerlooze lieden aan; dezen weet hij zeer goed te
onderscheiden van genen. Daar hij tengevolge van zijn levenswijze
beter dan de andere Tijgers de gebaren van den mensch begrijpt, is hij
moeielijker te jagen. "Deze vreeselijke geesel", schrijft Sanderson,
"voor de vreesachtige en ongewapende Indiërs wordt thans gelukkig
zeer zeldzaam; van menscheneters van de ergste soort hoort men bijna
niet meer spreken, en als zij optreden, vinden zij spoedig hun meester.

"Te betreuren is het, dat men den Tijger vogelvrij heeft verklaard, hem
op alle mogelijke wijzen, niet alleen op jagersmanier, verdelgt. Men
meent, dat de Tijger schadelijk is. Voor deze ook in Engeland bij
het volk verbreide meening bestaat echter geen voldoende grond. Wel
is het noodzakelijk iederen menscheneter en zelfs de hardnekkigste
veeroovers met alle mogelijke middelen op te sporen en te dooden;
gewone Tijgers echter zijn niets minder dan gevaarlijk; zij hebben
zelfs hun nut. Moge de dag nog verre zijn, waarop er feitelijk
geen Tijgers meer bestaan!"--Als ambtenaar belast met de vangst van
Olifanten voor de Engelsch-Indische regeering, moest onze zegsman
wegens zijn beroep in de wildernis te midden van de wilde dieren leven;
hij kent door eigen aanschouwing de meest verschillende districten
van Indië en is hierdoor beter dan de meeste menschen bevoegd om
in dezen een oordeel uit te spreken. Zijne beschouwingen verdienen
te meer overwogen te worden, daar hij volstrekt niet de eenige is,
die tot deze slotsom geraakt. Sherwill zegt ronduit: "De Bengaalsche
Tijger is over 't algemeen een onschadelijk, vreesachtig dier, dat
alleen boosaardig en gevaarlijk wordt, wanneer het gewond is. Zelden
valt hij de menschen lastig, zonder getergd te zijn; menscheneters
komen in Bengalen nagenoeg niet voor, met uitzondering van de omstreken
der moerassige wouden (Sandarbands) van de Ganges-delta." Ook Fayrer,
die voor 't overige de gevaarlijkheid van den Tijger volkomen erkent,
verzekert, dat ongelukken van allerlei soort bij de tijgerjacht niet
vaker voorkomen, dan b.v. bij de vossenjacht in Engeland.

Op grond van de zooeven medegedeelde beschouwingen zal men den Tijger
anders moeten beoordeelen, dan tot dusver gebruikelijk was. Hij is
een Roofdier, dat in vele landen (althans van Indië) meer voordeel
doet dan schade, en dat slechts in zeldzame gevallen het "toonbeeld
van verschrikkelijkheid" wordt, waarvoor tot dusver alle leden van
deze soort zonder onderscheid aangezien werden.

Zoomin de Tijger als de Leeuw gaan bij het vangen van dieren te werk
op de wijze zooals dit gewoonlijk wordt voorgesteld, n.l. door op
een zekeren afstand van de prooi het lichaam te krommen en dan met
een verraderlijken sprong op het slachtoffer neer te storten. De
goede uitkomst van hun aanval berust voornamelijk hierop, dat hij
onverwachts plaats heeft. Een dier, dat door den Tijger beloerd of
bekropen werd, en dus dichtbij is, wordt direct gegrepen, een meer
verwijderde prooi tracht hij met snelle sprongen te bereiken, een
vluchtend dier vervolgt hij, en tracht intusschen, vooral bij groote
dieren, de spieren en peezen van de achterpooten door woedende slagen
met de klauwen te verscheuren; ook poogt hij vee, dat op de vlucht
geslagen en door schrik ontsteld is, langs verborgen omwegen vooruit
te komen, om het nogmaals te overvallen.

De Tijger is gewoon zijn prooi dadelijk, of eerst als de nacht invalt,
in een schuilhoek te midden van de struiken of van het riet te sleepen;
soms _draagt_ hij haar zelfs over een korten afstand. Sanderson staat
er als ooggetuige voor in, dat een zeer sterke, mannelijke Tijger
een os van omstreeks 180 KG. gewicht door allerlei struiken heen meer
dan 300 schreden ver _gedragen_ heeft. Als hij niet gestoord wordt,
vreet hij, zooveel hij verzwelgen kan,--volgens betrouwbare berichten
ongeveer 30 KG. vleesch in één maal. Gewoonlijk begint hij aan een
achterkwartier, slechts bij uitzondering aan een der zijden. Terwijl
hij zich verzadigt, gaat hij van tijd tot tijd naar een naburige
stroom of plas om overvloedig te drinken; naar men zegt, begeeft hij
zich dan vaak te water en dompelt, terwijl hij aan 't waden is, den
kop tot aan de oogen er in, voortdurend leppend en gorgelend, alsof
hij zich den keel uitspoelen wil. Na een overvloedig maal valt hij in
slaap; hij wijdt zich met een zekeren wellust aan de spijsverteering
en beweegt zich dan alleen om te drinken. Gewoonlijk des avonds, of
althans tusschen 4 en 9 uur 's namiddags, keert hij naar zijn buit
terug, om er nogmaals van te eten voor zoover er nog iets van over
is; want ook aan zijn tafel, evenals aan die van den Leeuw, komt
een troep hongerige bedelaars zich te goed doen; bij zijn nadering
nemen zij echter zoo schielijk mogelijk de vlucht. Buitengewoon
lang kan de Tijger honger en dorst verdragen. Twee Tijgers, die
in een met netten omringde, ondoordringbare wildernis van ongeveer
honderd schreden middellijn opgesloten waren, werden op den vijfden
dag aangeschoten en konden eerst op den tienden dag met behulp van
Olifanten gedood worden. Ofschoon zij bij zeer warm weder, aan alle
zijden door wachtvuren omringd, zoomin voedsel als water hadden,
en ook aan hunne wonden leden, gaven zij toch tot in hun laatste
levensuur bewijzen van hun kracht.

Behalve door de gewone jacht tracht men deze Roofdieren ook op vele
andere, ten deele zeer eigenaardige wijzen te dooden. Allerlei soorten
van vallen zijn hiervoor in gebruik, vooral valkuilen kunnen goede
diensten bewijzen. Vroeger werd midden in zulk een kuil, die later met
takken en bladen zorgvuldig bedekt wordt, een van boven scherp gepunte
paal in den grond geslagen; maar nadat een ongelukkige wandelaar den
dood had gevonden door op zulk een staak te vallen, werd het gebruik
ervan in de nabijheid van Singapoer verboden. Op Java maakt men,
naar Haszkarl mij bericht, groote vallen van boomstammen en voorziet
deze met een vastgebonden, levend geitje als lokaas. De Tijger, door
het geschreeuw van dit diertje aangelokt, kruipt na eenige aarzeling
in de val en tracht den buit weg te nemen; zoodoende trekt hij aan
een touw en veroorzaakt hierdoor het dichtslaan van de valdeur. Op
Sumatra stellen de inboorlingen, volgens H. O. Forbes, een lans,
die met een veerende en sterk gespannen stang verbonden is, op zulk
een wijze, dat het wapen met groote kracht door het lichaam van het
dier gedreven wordt, wanneer het door een gat in de omheining van
het dorp wil kruipen en daarbij tegen een touw drukt. In Assam legt
men, naar O. Flex verhaalt, met goed gevolg bij de plaats, waar het
dier gewoon is te drinken, een boog met vergiftigden pijl, die bij
aanraking van het toestel in 't lichaam doordringt, en zelfs bij
de geringste verwonding den dood teweegbrengt. Zoowel de Europeanen
als de inboorlingen die vuurwapens bezitten, brengen verder op veel
gebruikte wildpaden of op andere plaatsen waar een lokaas zich bevindt,
automatisch afgaande geweren aan, die zeer goed aan de verwachting
voldoen. In den laatsten tijd wordt dikwijls gebruik gemaakt van
strychnine om den Tijger zonder moeite en gevaar te verdelgen;
dit vergif werkt echter, naar men zegt, niet meer, als het hiermede
vergiftigde vleesch begint te verrotten.

Het voordeel dat een geoefende tijgerjager door zijn jacht
behaalt, is niet onaanzienlijk. Zonder nog melding te maken van
de belooning, die den gelukkigen schutter ten deel valt, kan hij
bijna alle lichaamsdeelen van den Tijger gebruiken, vooral het
vet, waarvan het dier gemiddeld 4 à 6 Liter bevat, en dat door de
inboorlingen van Indië beschouwd wordt, als dienstig tegen rheumatiek
en eenige ziekten van het vee. Hier en daar wordt voorts het vleesch
gegeten. Jagor verzekert, dat het volstrekt niet wansmakelijk is. In
eenige landen stelt men meer prijs op de tanden en klauwen, het vet
en de lever, dan op het vleesch en de beenderen. De tanden worden
door de Schikaris niet alleen als bijzonder kostbare zegeteekenen,
maar ook als middelen tot beschutting tegen aanvallen van Tijgers
beschouwd. De klauwen, in goud of zilver gevat, worden door Aziatische
en Europeesche dames als sieradiën gedragen. Het vel wordt, met de
een of andere looistof toebereid en met een middel tot wering van
de Insecten voorzien, gedroogd en komt zoo meestal in de handen van
Europeanen of Chineezen. De Kirgisen schatten het hoog en versieren
er hunne pijlkokers mede. In Europa vertegenwoordigt, volgens Lomer,
een tijgervel thans een waarde van 700 à 800 gulden, wanneer het zich
door grootte, fraaiheid en volledigheid onderscheidt.

De paartijd van den Tijger verschilt naar het klimaat van het door
hem bewoonde land, maar valt in noordelijke gewesten geregeld ongeveer
drie maanden vóór het begin van de lente in. In zuidelijke landen is
de paring aan geen bepaald jaargetijde gebonden, zooals blijkt uit
waarnemingen, die vooral in Indië verricht zijn. Omstreeks 100 à 105
dagen later brengt het wijfje 2 à 3, somtijds 4, ja zelfs, naar men
zegt, in enkele, zeldzaam voorkomende gevallen niet minder dan 5 of
6 jongen, op een ontoegankelijke, dicht met planten begroeide plaats
ter wereld. De diertjes zijn bij hun geboorte half zoo groot als een
Huiskat en, evenals alle jonge Katten, bekoorlijke schepseltjes. In
de eerste weken verlaat de moeder de geliefde kleintjes alleen dan,
als zij in hooge mate door den honger gekweld wordt; zoodra echter
het kroost wat grooter geworden is en ook naar vast voedsel verlangt,
strekt zij hare strooptochten verder uit.

"Jonge Tijgers," zegt Sanderson, "zien er allerliefst uit en zijn
buitengewoon goedaardig; men moet ze echter uit het nest nemen, voordat
zij een maand oud zijn en voordat zij met het leven in de wildernis
en met de vrees voor menschen bekend geworden zijn, anders kunnen zij
niet meer volkomen getemd worden. Zij toonen een groote gehechtheid
aan hun meester, volgen hem overal, liggen onder zijn stoel en geven
door een eigenaardig vroolijk gesnuif hun tevredenheid te kennen,
als hij ze liefkoost. Zoodra men hen met vleesch begint te voeden,
willen zij nooit meer iets anders gebruiken, en trekken, hoe jong zij
ook zijn mogen, voor den melkpot den neus op. Het is mij voldoende
gebleken, dat de meening, volgens welke zij door het gebruik van rauw
vleesch verwilderen, ongegrond is. Waar is het, dat zij alleen bij
gebruik van zulk voedsel uitstekend gedijen; als zij het in voldoende
hoeveelheid krijgen, kan men zeer goed met hen omgaan. Als zij vier
maanden oud zijn, hebben zij reeds een vrij aanzienlijke grootte en
kracht; men kan ze echter gerust nog veel langer laten rondloopen. Een
paartje hield ik op deze wijze, totdat het 8 maanden oud was; zij
speelden zeer lief met elkander, met de menschen en met een tammen
Beer. Volgens mijn ervaring zijn tamme Tijgers, die op deze wijze
opgevoed zijn, niet valsch en niet roofzuchtig; ook hebben zij geen
aanvallen van wildheid, als zij maar rijkelijk gevoederd worden. Ik
had er eens een van aanzienlijke grootte, die ik er aan gewend had in
mijn slaapkamer te slapen. Nadat ik ingeslapen was, sprong hij niet
zelden bij mij in 't bed, maar nam het mij nooit kwalijk als ik hem
hiervoor stompte en weer uit het bed wierp."

In den laatsten tijd heeft men ook dikwijls Tijgers gedresseerd. Zeer
dikwijls wagen dierentemmers het, bij hen in het hok te gaan, en met
hen allerlei spelen of zoogenaamde kunstverrichtingen te doen. Dit
blijft echter altijd een gevaarlijke zaak. Als een echte Kat, toont de
Tijger zich tegenover hen die hem vleien, aanhankelijk en onderworpen;
ook beantwoordt hij wel liefkoozingen, of ontvangt ze althans zonder
ontevredenheid te toonen; toch valt op zijn vriendschap niet veel
staat te maken; waarschijnlijk laat hij zich slechts zoolang hij
de heerschappij van den mensch erkent, van dezen een behandeling
welgevallen, die met zijn eigenlijken aard in strijd is. Een
volledig vertrouwen, verdient hij nooit; men heeft niet zoozeer zijn
kwaadaardigheid, dan wel het ontwaken van het bewustzijn zijner kracht
te vreezen. Kwaadaardig, arglistig en valsch is hij evenmin als onze
Huiskat; hij laat zich echter evenmin als deze mishandelen, en stelt
zich te weer wanneer de behandeling die de mensch hem aandoen wil,
hem niet bevalt. Men mag van een Roofdier van zijn soort niet het
onmogelijke vergen.

Nog in den tegenwoordigen tijd laten de Indische vorsten gevangene
Tijgers met andere sterke dieren vechten, n.l. met Olifanten en
Buffels. Tachard zag zulk een strijd in Siam. In een door paalwerk
omsloten perk leidde men drie Olifanten, welker kop met een soort van
pantser bedekt was. De Tijger was reeds daar, werd echter nog door
twee touwen in zijne bewegingen belemmerd. Hij behoorde niet tot de
grootste, en trachtte, toen hij de Olifanten zag, zich te verschuilen,
kreeg echter van hen dadelijk eenige slagen met de slurf op den rug,
zoodat hij omviel en een tijd lang als dood bleef liggen. Toen men hem
losgemaakt had, sprong hij op, brulde en wilde zich op de slurf van
den Olifant werpen. Deze werd echter opgeheven door het reusachtige
dier, dat gelijktijdig den Tijger een stoot gaf met de slagtanden,
waardoor hij in de hoogte geslingerd werd. Nu durfde het Roofdier geen
aanval meer wagen, maar liep weg langs de palen en sprong hierbij op,
alsof het zich tusschen de toeschouwers wilde verschuilen. Ten slotte
dreef men alle drie Olifanten op den Tijger aan, en deze brachten hem
zulke slagen toe, dat hij nogmaals voor dood bleef liggen en zijne
aanvallers vermeed. Indien men geen einde gemaakt had aan den strijd,
zouden de woedende Dikhuidigen hem zeker gedood hebben.

De ouden leerden den Tijger eerst zeer laat kennen. In den Bijbel
wordt hij niet genoemd, en ook de Grieken wisten slechts weinig van
hem. Nearchos, een veldheer van Alexander _den Grooten_ had wel
is waar het vel van een Tijger gezien, maar niet het dier zelf;
de Indiërs wisten hem echter te verhalen, dat het zoo groot was
als het grootste Paard, en alle overige schepsels door vlugheid en
kracht overtrof. Eerst Strabo maakt eenigszins uitvoeriger melding
van den Tijger. Den Romeinen was hij tot aan Varro's tijd (111-26
v. C.) volkomen onbekend; toen zij echter hun heerschappij tot aan
het rijk der Parthen uitbreidden, leverden deze hun ook Tijgers, die
naar Rome werden gebracht. Plinius schrijft, dat Scaurus (in het jaar
11 v. C.) voor 't eerst een getemden Tijger in een kooi heeft laten
zien. Claudius had er vier. Later kwamen deze dieren vaker naar Rome,
en Heliogabalus spande ze zelfs voor zijn wagen, toen hij als Bacchus
zich aan het volk vertoonde. Avitus eindelijk liet in een schouwspel
vijf van deze dieren dooden, wat vroeger nog niet vertoond was.



Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn
geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten--waarvan
een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde--zijn uitgestorven. Een
Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende Kat--de
_Nevelpanter_ (_Felis nebulosa_), de _Harimau dahan_ ("Boomtijger")
der Maleiers--komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine
pooten, den kleinen zeer stompen kop met de afgeronde ooren en de
lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den
Koningstijger herinnert, dezen het meest nabij. Hij is echter niet
alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de
in 't oog loopend korte pooten en den staart, die even lang is als 't
lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw
of bruinachtig grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is,
zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het
onderlijf zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken
en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken
zich drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug
loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden
zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den
romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken met hoekigen
zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een
zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart met grijze vlekken. De
lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92
cM. Het verbreidingsgebied van dit dier is vrij uitgestrekt; het
omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden.

Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de
verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet men
hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel
slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren,
dat hij in 't geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine
Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten buit vallen,
moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote
schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde Nevelpanter bevond zich
in de Londensche diergaarde--een prachtig, tam, lief dier, waarmede
de oppasser omging, alsof het een goedaardige Huiskat was. Ik ken,
behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.



Dat de _Wilde Kat_ of _Boschkat_ (_Felis catus_) de stammoeder van onze
Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht,
wegens het groote verschil, dat er tusschen deze dieren bestaat. Door
andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een
gevolg van de domesticatie, d. i. als een gevolg van de veranderde
omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van
jaren, die er verloopen zijn, sedert het een huisdier is geworden. Al
dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere
lichaamsbouw en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is
dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter,
de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en
krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart van de Wilde
Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel
tot de spits, en hier als 't ware afgehakt of afgeknot; bij de Huiskat
echter wordt hij van 't midden tot de spits allengs dunner. Bij de
Huiskat is hij vóór de zwarte spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen
geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een
overlangsche, donkere streep, van onderen alleen aan de achterste
helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij
elkander komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den
staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte spits
drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft
geteekend met vier smallere en minder duidelijke ringen, die zich niet
over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5
maal, bij de Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.

Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan
de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de onbehaarde
ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter
deze een groote, van voren tweelobbige, van achteren drielobbige bal,
waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de
onbehaarde of weinig behaarde deelen van het aangezicht (van oogleden,
neus en lippen) zijn voor 't meerendeel zwart; de binnenzijde van
het oor is echter rood- of geelachtig wit.

De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt,
bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 cM., waarbij
30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en
zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus 1/3 grooter dan de Huiskat.

De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs,
soms zwartachtig, bij 't wijfje heeft zij een meer geelachtige
tint; het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde
roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het
voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin;
de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat zij
in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen
begint de zwarte streep, die zich over het midden van den rug en de
bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de
beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen uit, die een
weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De
buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte vlekken gestippeld; de
pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend,
hun kleur wordt in de nabijheid van de teenen geler; de binnenzijde
van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies
(van het oog) is geel; over dag is de pupil spleetvormig.

De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering
van het hooge noorden van Skandinavië en Rusland. In Duitschland is
zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner
van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt zij,
van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot
diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen ten
naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt
men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen begroeide
Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan
in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig, in Frankrijk,
in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men
heeft haar niet eens in Groot-Britannië geheel kunnen uitroeien. Voor
zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar
verbreidingsgebied zich niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten
Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgië (Grusia)
waargenomen; haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet
gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral
in donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te
duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige woudstreken geeft
zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste
schuilplaatsen verschaffen. Bovendien bewoont zij holen van Dassen
en Vossen of groote holen in dikke boomen.

Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog
niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders altijd
alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen
levensonderhoud te jagen.

Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met
uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig, onhoorbaar
naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en
middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met de list, die aan alle
Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in
zijn leger en het Konijn vóór zijn hol, misschien ook het Eekhoorntje
op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de
halsslagaders door. Als zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het
dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in
dit opzicht is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers
bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine
Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan:
een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge Reeën en Edelherten
overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de
oevers van meren en beken loert zij ook op Visschen en watervogels,
en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk
wordt zij in wildparken, het schadelijkst nog in fazantentuinen.

In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over 't algemeen een
gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt, even bloeddorstig
is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan
ook door de jagers fel gehaat en zonder genade vervolgd; want geen
jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen
aanbrengt, van eenige beteekenis. Hoeveel van deze schadelijke dieren
zij vernielt, kan blijken uit een bericht van Tschudi, inhoudend,
dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen
gevonden heeft. De drek van zulk een dier, die door Zelebor onderzocht
werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren
van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel, Hamster, Kat, Water-,
Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van
lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en boschvogels. Kleine Zoogdieren
vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en,
daar onder deze de Muizen veelvuldiger zijn dan alle overige, is
het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt,
werkelijk grooter is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen,
mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende
wijze samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den
regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige; haar
werkzaamheid bevoordeelt _niet_ onze jacht, maar wel onze bosschen.

De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als 't ware
hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk
op drijfjachten gedood. "De grootste moeite kost het," zegt Zelebor,
"een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de
sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke handschoenen
beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten
noodig, om de Kat er uit te trekken en in een zak te steken." Ik
moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig
voorkomt, daar alle andere berichten hierin overeenkomen, dat met
een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. Winckell geeft den
jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede
schot niet te sparen, indien het eerste niet onmiddellijk den dood
veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer
weg kan komen, en haar ook dan nog door eenige flinke tikken op den
neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich
verder met haar bemoeit. Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in
't nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. "Neem u wel in acht,
schutter," schrijft Tschudi, "en tracht het beest goed te raken! Als
de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak
dorstend op, nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en
opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt
op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch,
liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken kan, en
zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig
vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt, dikwijls vrijwillig
van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De
woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls scheuren in de huid,
heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich
met de hardnekkigste woede, zoolang er nog een vonkje van haar taai
leven over is."

Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig _verwilderde_
Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de
bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter nimmer de grootte
van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de
gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid, betreft, staan zij
niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij,
ingeval hare voorouders gedurende vele opeenvolgende geslachten in
't wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en
teekening op haar Afrikaanschen stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor
ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht
der verwilderde voorouders was. Alleen ontbreken haar de als 't ware
afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der
zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen
duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden te doen.

De stammoeder van onze Huiskat, de _Nubische Kat_ (_Felis maniculata_),
werd door Rüppell ontdekt in Nubië aan de westzijde van den Nijl, bij
Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen
met boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel
Soedan, in Abessinië, in het diepste binnenland van Afrika en ook
in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den
hieronder begrepen staart is een weinig meer dan 25 cM. Dit zijn wel is
waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar
toch komen zij die van "Poes" tamelijk nabij. Ook door de teekening
van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van
onze Huiskat.

De mummiën van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die
op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische bouwvallen
voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt
te blijken, dat zij het was, die door de oude Egyptenaars als huisdier
werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit
het zuiden van Nubië naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabië en
Syrië, later over Griekenland en Italië naar het westen en noorden
van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de
reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen.

Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de
Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens,
die Schweinfurth in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne
mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor
dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus
het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke
vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier
beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat in den
eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde
doel, als waarvoor deze dient, half of geheel getemde Nubische Katten,
die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten
tijd zoozeer getemd worden, dat zij zich aan de woning gewennen en in
de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen,
die hier buitengewoon talrijk zijn.



"De Kat," zegt Ebers in zijn "Egyptische Konings-dochter", "was
waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de
Egyptenaars vereerden. Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk
vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen
in den reuk van heiligheid. Herodotus verhaalt, dat de Egyptenaars,
als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten,
voordat hun Kat gered was, en dat zij als bewijs van rouw zich de
haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde,
werd, onverschillig of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk
gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. Diodorus bericht als
ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die
een Kat gedood had, van het leven beroofden, hoewel de gezaghebbenden,
om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan,
om het volk tot bedaren te brengen. De lijken der Katten werden op
kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde
dieren zijn er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de
zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten."

De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de
veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars,
en niet door de oude Indiërs of door de Noordsche volken, getemd
werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze temming
door afbeeldingen, opschriften en mummiën bepaalde berichten;
de geschiedenis van de andere volken levert in dezen niet eens
steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening
wordt mijns inziens ook nog ondersteund door het feit, dat men in de
begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummiën vindt, maar ook van
den Moeras-Los; wijl hierdoor het bewijs wordt geleverd, dat men ten
tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend
met de vangst en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde
Katten bezig hield. Vóór den tijd van Herodotus komt de naam van de Kat
bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit,
dat deze naam door latere Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld
wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam
verbreid heeft. De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de
eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet men
o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet Mohammed is
geweest. In het noorden van Europa was zij vóór de 10e eeuw bijna in
't geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten van Wales bevat
een verordening, waarin de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen,
waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd,
vastgesteld zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang,
omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer
kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de
Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt mag worden;
want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet
moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge dieren van deze soort,
als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen.

Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die
door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste
gedeelten der wereld en, naar Tschudi bericht, van den hoogsten gordel
der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de
geheele wereld rond, ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts;
overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch,
van zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van
beginnende beschaving.

Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar
zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan den
mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich
met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht aan het _gezin_,
hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter
wordt haar gehechtheid aan het _huis_, waarin zij groot gebracht
werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en
huiselijk wordt. Waar zij aan zich zelf overgelaten is, komt het niet
zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich
in de bosschen begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij
't begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere
woning terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende
haar verblijf in 't bosch ter wereld bracht. Het komt echter vooral
in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in 't geheel
niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer zij in zijn woning
is teruggekeerd. Zoo leiden, naar Rengger mededeelt, de Katten in
Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk
verwilderde Katten in de bosschen voor; zelfs zijn zij verdwenen uit
de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken
achtergelaten werden.

Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der
Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen kan. Zij
is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke
beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig; haar behendigheid is
waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat
zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes, welker klauwen zorgvuldig
teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar
is. Bij elken stap openbaart zich de haar eigen beweeglijkheid en deze
gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen
wanneer zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt
wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel
opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan
en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt, omdat zij
met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken
en elke hooggelegen plaats weet te bereiken. Zij klimt gemakkelijk en
behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen
zijn of uit een zachte specie bestaan), door er zich met hare klauwen
aan vast te haken. In 't vrije veld loopt zij niet bijzonder snel;
zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote
behendigheid openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of
gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten te
recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens
onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat die ik met den
rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een
stoel losliet, zoo te doen vallen, dat zij met den rug het voorwerp
bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en
staat dan geheel ongedeerd en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit
doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend
voorwerp bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij
van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te begrijpen,
omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt
en hierdoor de richting van den val regelt. Zij kan ook zwemmen,
maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de
onaangename noodzakelijkheid verkeert, zich uit het water te moeten
redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een
zeer zeldzame uitzondering op den regel; met ware angstvalligheid
vermijdt zij zelfs den regen. (Haacke kende evenwel een Kat, die in
een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)--Zij zit, evenals de
Hond, op haar achterdeel, en ondersteunt dan het voorste deel van
het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen
en gaat op de eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een
zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen,
dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi,
waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt. Van zulk
een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan.

Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor
uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat de reuk het minst
ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht
zoo voor te leggen, dat zij het slechts door den reuk kan vinden. Zij
nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den
kop zoo vele malen heen en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen
kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen,
gebruikt zij hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds
meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen
houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden,
vóór zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt het
duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook,
aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop terugtrekt. Het
tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte
kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig is uitmuntend. Zij ziet
evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken
voor het zien bij licht van verschillende sterkte, d. i. zij kan deze
opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer
vergrooten, dat het zintuig haar zoowel in 't eene als in 't andere
geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het
gehoor bovenaan; het is buitengewoon scherp. Lenz verhaalt, dat een in
de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong
naar een Muis, die, zonder dat zij door het katje gezien kon worden,
van den eenen struik naar den anderen liep over een gladden, steenen
vloer, waarop zij natuurlijk in 't geheel geen voor ons waarneembaar
gedruisch veroorzaakte. Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de
Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg.

Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel
geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch, arglistig dier,
en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een
onoverwinnelijken afschuw van haar. In den regel vergelijkt men
haar met den Hond, waarmede zij in 't geheel niet vergeleken mag
worden; omdat men bij haar niet dadelijk diens eigenschappen vindt,
bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van
te voren als een wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door
sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig
beoordeeld. Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid
gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met
de onderstaande, door Scheitlin gegeven karakterschets, die, hoe
men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient
wegens haar oorspronkelijkheid, en naar het mij voorkomt, zich door
een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van
den aard der Kat onderscheidt: "De Kat is een edel dier. Reeds uit
haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief
leeuwtje, een tijger in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn
evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan
haar reeds de geringste afwijking van den regel in het oog. Alles
is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit
de beschouwing van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een
fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en
verraadt een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige,
golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met scherpe
hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. 't Is alsof zij geen
beenderen heeft en uit niets anders dan een zachte stof bestaat. Groot
en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het
doen van zintuigelijke waarnemingen. Wij schatten de Katten gewoonlijk
veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen,
haar vijand, den Hond, hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen
houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden.

"Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste
eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als 't ware uit
één stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij,
met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte
slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht
bij 't loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer deze
krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam
als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid; zonder
ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot
aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste orde liggen; om
de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten
en strijkt zich vervolgens hiermede over den kop, zelfs de spits van
den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in
een door haar zelf in den grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam
hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en
is hiervoor geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke
zenuwen heeft.--Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden
van kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en
zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt. Zij
heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er
partij van. In de geheele buurt--in alle huizen, kamers, kelders,
onder alle daken, op alle hout- en hooizolders--is zij op bekend
terrein. Zij is een echt _huis_dier, meer gehecht aan het huis dan
aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert
weer naar 't oude huis terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar
huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd.

"Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en
kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond bespeurt,
krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen
glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden moed, gepaard aan
een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien
wil zij weg, den vijand ontvluchten, en springt daartoe, als zij in
de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien
zij echter jongen heeft, dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert,
vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem
erbarmelijk in de oogen, in 't aangezicht. Als in dezen tijd een Hond
haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen
op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in
dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam kan zij met
hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al
komen vijf of meer Honden haar insluiten, op haar aanspringen, toch
wijkt zij niet. Met één sprong zou zij gemakkelijk over hen heen
kunnen komen, maar weet, dat zij dan verloren zou zijn, want de Hond
kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben,
eindelijk weggaat, blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij
wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af
en weerstaat hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste,
gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte.

"Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging
om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid en
tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan
de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de Paarden,
maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed;
men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering brengen. Men
spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig
wacht zij doodstil voor het muizengat; listig kruipt zij ineen, wacht
lang,--het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van
de Kat fonkelen, toch bedwingt zij zich. Zij is zich zelf meester,
evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval.

"Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate;
zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid; zij
verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als
zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf. Als zij flink
uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en
komt weinig minuten later met onbezwaard gemoed terug. Toch gevoelt
zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na
voor de eerste maal haar bekwaamheid in het muizenvangen getoond te
hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en
aan de menschen te laten zien. Zij komt dan ook later met haar buit
in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid.

"Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook
wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk. Als iemand haar
uitmuntend bevalt--want zij kan innig liefhebben en ook innig haten--,
strijkt zij dikwijls haar wang en hare zijden langs de wang en de
zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen,
springt 's morgens vroeg op zijn bed, kruipt zoo dicht mogelijk
tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen
vertrouwen. Zij bijten en krabben dikwijls, wanneer men dit in 't
geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel
worden zij tot dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar
maar al te dikwijls in 't geniep plaagt, zonder dat zij den plager
weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond
is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet goedaardig is,
niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame
uitzonderingen, en zulke zijn er onder de Honden ook, ofschoon nog veel
zeldzamer. De uitdrukking 'valsche hond' is immers spreekwoordelijk
geworden, waar het een man geldt, evenals de benaming 'valsche kat'
voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt,
hebben dezen invloed ook op de meest volkomen dieren."

Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in 't
einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede maal in
't begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 à 6 jongen ter
wereld, die blind geboren worden en niet vóór den negenden dag leeren
zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het
begin van Mei plaats, de tweede in het begin van Augustus. Vooraf zoekt
de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of
niet gebruikte bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen,
vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt.

De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van
de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor de
nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen
oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra zij voor
hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen,
bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig, dat de poesjes er
nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost
alleen, om voedsel te halen. Vele Katten weten met hare eerste jongen
niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten
eerst aangegeven worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten
gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen,
is een uitgemaakt feit.

Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat
haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan, en zelfs
haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan
te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten opzichte van andere
dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden
van bekend, dat zoogende Katten jongen van Honden, Vossen, Konijnen,
Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten;
ik zelf heb als knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan
het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed
was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen,
een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde kind
onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed
mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne af met een echt
moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne
stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef, nadat deze reeds weggegeven
waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling
met verdubbelde liefde te beschouwen. Er ontstond tusschen de beide
dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind
begrepen elkander volkomen, de Kat riep op de haar eigen wijze, het
Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het
zijn pleegmoeder door het geheele huis en later ook in den tuin na.

Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men
doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer zij goed
en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan
den mensch. Er zijn Katten--ik zelf heb er eenige gekend--, die reeds
verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere
verhuisd zijn, zonder dat het haar in de gedachten kwam naar de oude
woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in
dit geval meer waarde heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra
zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe,
vleien en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op
allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij zeer
goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden,
en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk veel
welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige
Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters op een zeer aardige
wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb
twee Katers gekend, die zelfs de gasten van haar meesteres op hoogst
beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 à 15 minuten lang met hen
medegingen, dan echter na liefkoozingen en een welwillend gespin
afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met
menschen, maar ook met dieren vriendschap. Vele voorbeelden van de
innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak
met de welbekende spreekwijze.

Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk
dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het jaar 1859 had onze
Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht
en daar zorgvuldig voor aller oogen verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken
later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept
en loopt naar de deur, alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders
volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op
den hooizolder, komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het
eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop
hooi. De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek,
dat de Kat bijna in 't geheel geen zog meer had, en nadenkend over
een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest,
om hare meesters met de zorg voor haar kroost te belasten.

Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch
in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd wordt,
de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen
over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten en te
verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons
bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt. Wie nooit in een
bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust
rondspoken, weet in 't geheel niet, wat het zegt, een goede Kat te
hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder één dak gewoond en
gezien heeft, hoe volkomen machteloos de mensch tegenover hen is, als
men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze
afschuwelijke Knaagdieren geërgerd heeft, dan komt men langzamerhand
tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste
huisdieren is, en derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming,
maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. _Reeds de aanwezigheid
van een Kat is voldoende_, om de overmoedige Knaagdieren van streek te
brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat
hen van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel,
dat hen in den nek pakt, vóór zij nog iets van zijn komst gemerkt
hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom
liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis; doen zij het niet,
dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen.

Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen,
zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel niet
alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij,
althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze echter niet
op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters
verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden is, laat zij
ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers,
Sprinkhanen en andere Insekten eet zij tot afwisseling. Bij haar
jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals
alle leden van de Roofdieren-orde, maakt ook zij zich trouwens wel
eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog
jong en hulpbehoevend is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote
Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook
wel op de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met
de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden tot
ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan
een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast plundert,
zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de
waarde van de diensten die de Kat ons bewijst, echter veel grooter
dan de schade, die zij aanricht.

Van de _Kat_ (_Felis maniculata domestica_) bestaan weinig
verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest
voor: Effen zwart met een witte vlek midden op de borst; effen wit,
lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde
kleur getijgerd; effen blauwachtig grijs; lichtgrijs met donkere
strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig
bruine en koolzwarte (of grijze) vlekken. De blauwgrijze Katten
zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen;
de echte moeten echter zwarte teenkussens en aan de achterpooten
zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met
donkergrijze of zwartachtig bruine dwarsstrepen als een Tijger
geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die
op sommige plaatsen voor heksen aangezien en daarom gedood worden,
bijna zonder uitzondering wijfjes zijn.

De _Angora-kat_ (_Felis maniculata domestica angorensis_) wordt bijna
algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord;
zij is een der fraaiste Katten die er bestaan; zij onderscheidt zich
door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit,
geelachtig, grijsachtig of ook wel gemengd van kleur is; de lippen
en de zolen zijn vleeschkleurig.



Een enkele blik op het lichaam van den _Leeuw_, op de uitdrukking van
zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken,
die dit dier leerden kennen, van ganscher harte te doen deelen. De
_Leeuw_ is de "koning" van de viervoetige roofdieren, de heerscher
in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich met
het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet
beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw: de
geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in
de familie der Katten de eereplaats toe te kennen.

De _Leeuwen_ kunnen gemakkelijk van alle overige Katten onderscheiden
worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk
gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige
beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige aangezicht, in den
koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in
den kwast die het einde van den staart versiert. In vergelijking met de
andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het
geheele lichaam hierdoor zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart
eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die
reeds door Aristoteles werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele
latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde
pupil, de snorren zijn op 6 à 8 reeksen geplaatst. De mannelijke
Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche,
koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij
volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte van de
borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar--te
recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist laten--verscheidene
onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende
afwijkingen zullen hieronder in 't kort beschreven worden; daarna
moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een
oordeel te vormen. In de eerste plaats vestigen wij onze aandacht
op den _Leeuw van Barbarije_, want hij is het, die sinds overouden
tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en
lichaamskracht, dapperheid en heldhaftigheid, door zijne adel en
grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den
naam van "koning der dieren" heeft gekregen.



De _Leeuw van Barbarije_ (_Felis leo barbarus_) heeft, evenals
zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks
voorste gedeelte wegens de breede borst en de versmalde liesstreek
veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna
vierhoekige kop verlengt zich tot een breeden en stompen snuit, de
ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar
levendig en vurig, de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig,
de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook
wel naar evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan
bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten doorn,
die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige
vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur bedekt het
aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige
plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of zijn geheel en al zwart,
en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn
door dichte manen omgeven. Ook de benedenzijde van den romp is in het
midden over haar geheele lengte met lange, dicht bijeengeplaatste,
sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de
voorste gedeelten der dijen staan minstens nog eenige vlokken van
zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte
in de schoften 80 à 100 cM., bij 1.6 à 1.9 M. lichaamslengte en 75
à 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele
lengte van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot
aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren
Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een
staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed bedekt;
dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en
aan den staart een teekening, die den in 't vergelijken van dieren
geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze
teekening verbleekt reeds in het eerste levensjaar, hoewel zij,
vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan
de pooten en aan de onderzijde van het lichaam zichtbaar blijft. De
Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral
door de beharing onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren
zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het
lichaam een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het
Atlas-gebergte en naburige gewesten.

De _Senegal-Leeuw_ (_Felis leo senegalensis_) verschilt van de zooeven
genoemde ondersoort door de weinig ontwikkelde of geheel ontbrekende
buikmanen; de manen aan 't voorste gedeelte van 't lichaam zijn goed
ontwikkeld, maar korter en minder dicht dan bij den vorigen vorm.

De _Kaapsche Leeuw_ (_Felis leo capensis_), en, naar het schijnt, ook
die van Abessinië, onderscheidt zich door aanzienlijke grootte en heeft
donkere manen. Het verbreidingsgebied van den Senegal-Leeuw en van den
Kaapschen Leeuw--die misschien tot dezelfde ondersoort behooren--omvat
alle landen van Middel- en Zuid-Afrika, van de westkust tot aan de
oostkust en van ongeveer 20° N.B. tot het Kaapland. Hij komt aan den
Blauwen en Witten Nijl en in Abessinië in boschrijke streken geregeld,
in vele steppenlanden van Middel- en Zuid-Afrika veelvuldig voor.

De _Perzische Leeuw_ (_Felis leo persicus_), die bleek isabelkleurig
is en ruige manen heeft, welke uit dooreengemengde, bruine en zwarte
haren bestaan, is van Perzië tot Indië verbreid; wij kennen hem
nog te weinig, om met bepaaldheid te kunnen zeggen, of hij met de
Senegal-Leeuw dan wel met die van Guzerate grootere overeenkomst
vertoont.

De _Leeuw van Guzerate_ (_Felis leo guseratensis_), zoo genoemd naar
een gebied in Vóór-Indië, heet ten onrechte ook wel "Manenlooze
Leeuw," en is ook niet altijd kleiner dan zijne verwanten, zooals
vaak beweerd werd. Dit reeds aan de ouden bekende dier is geheel en
al vaal roodachtig geel of geelachtig bruin gekleurd, met uitzondering
van den donkeren staartkwast en van de ooren, die aan de buitenzijde,
dicht bij hun plaats van aanhechting, min of meer zwart getint zijn.

De tijden toen men 600 Leeuwen voor de wilde dierengevechten in
de arena bijeen kon brengen, liggen reeds meer dan duizend jaren
achter ons. Sedert dien tijd heeft de "koning der dieren" zich voor
den "beheerscher der aarde" meer en meer teruggetrokken. De mensch
bestrijdt hem overal zoo krachtig mogelijk, en zal hem, evenals tot
nu, verder en verder terugdringen en eindelijk geheel vernietigen. De
Barbarijsche Leeuw was vroeger ook over het geheele noordoosten
van Afrika verbreid en kwam in Egypte niet veel minder veelvuldig
voor dan in Tunis of in Fez en Marokko; door de vermeerdering van
de bevolking en de toenemende beschaving werd hij echter allengs
verdrongen, zoodat hij thans reeds in het Beneden-Nijldal niet meer
voorkomt en in nagenoeg geen enkele kuststreek van de Middellandsche
Zee meer aangetroffen wordt. Ook nu nog echter is hij in Algerië en
Marokko niet zeldzaam, in Tunis en de oase Fezzan op zijn minst genomen
geen ongewone verschijning. Vooral in Algerië is het aantal Leeuwen
sterk verminderd: door de veelvuldige oorlogen van de Franschen
met de Arabieren zijn zij verdrongen; de Fransche leeuwenjagers,
van welke Jules Gérard vooral vermelding verdient, hebben hunne
rijen gedund. De Senegal-Leeuw verkeert in gunstiger omstandigheden:
de inboorling van Middel-Afrika, die meestal met een lans, minder
dikwijls met vergiftige pijlen en slechts bij uitzondering met een
geweer gewapend is, kan aan zijn lastigen belastinggaarder slechts
weinig afbreuk doen. Toch wordt de Leeuw ook door den donkerkleurigen
mensch meer en meer teruggedrongen.

De Leeuw leeft eenzaam; alleen in den paartijd blijft hij bij zijn
wijfje. Buiten dien tijd bewoont iedere Leeuw in Noord-Afrika zijn
eigen gebied, hoewel het niet in zijn aard ligt om wegens het voedsel
met andere dieren van zijn soort strijd te voeren. In Zuid-Afrika komt
het vaak voor, dat verscheidene Leeuwen zich vereenigen tot groote
jacht-expedities. Volgens Livingstone zwerven troepen van 6 à 8 stuks
gemeenschappelijk jagend rond. In buitengewone omstandigheden komen
zij tot nog talrijker troepen bijeen. Selous, wiens berichten uit den
laatsten tijd afkomstig zijn, zegt eveneens: "In het binnenland van
Zuid-Afrika treft men troepen van 4 à 5 Leeuwen, die te zamen jagen,
veelvuldiger aan dan eenzaam rondzwervende individuën; troepen van
10 à 12 stuks zijn niet zeldzaam."

De Leeuw is geen bewoner van het oerwoud, maar houdt van het open
veld: hij geeft de voorkeur aan met gras begroeide landstreken
met verspreid heestergewas en kreupelhoutboschjes, aan steppen met
armzalige struiken en aan woestijnachtige landstreken, onverschillig
of zij bergachtig zijn of vlak. Op de een of andere gedekte plaats
kiest hij zich een ondiepen kuil tot leger; hij rust hier één of meer
dagen, al naar de streek arm of rijk, onrustig of rustig is. In Soedan
vestigt hij zich het liefst in boschjes; in Zuid-Afrika geeft hij de
voorkeur aan de breede strooken van langhalmige rietgrassen langs de
oevers der stroombeddingen, die slechts gedurende een deel van het
jaar water bevatten; daar waar deze ontbreken bewoont hij boschjes
van doornstruiken. Gedurende zijne reizen blijft hij liggen daar,
waar de morgen hem verrast.

Over 't geheel genomen gelijken zijne gewoonten op die van andere
Katten; in vele opzichten onderscheidt hij zich echter van deze. Hij
is trager dan de overige leden zijner familie, en houdt volstrekt niet
van groote strooptochten, maar tracht het zich zoo gemakkelijk mogelijk
te maken. Volgens de ervaringen van Selous, wil de Zuid-Afrikaansche
Leeuw zich liever verzadigen aan het wild dat door den jager neergeveld
is, dan het zelf te dooden. Om dezelfde reden volgt hij elders, in
Oost-Soedan b.v., geregeld de nomadische veefokkers, waarheen zij ook
trekken. Hij begeeft zich met hen in de steppe en keert met hen naar
het woud terug; hij beschouwt hen als zijne schatplichtige onderdanen,
en eischt van hen werkelijk de drukkendste van alle belastingen.

Hij leidt een nachtelijk leven. Over dag ontmoet men hem zelden; in
het woud komt men hem misschien nooit toevallig tegen, maar ziet hem
alleen dan, wanneer men hem, op zijne gewoonten lettend, opzoekt en
door Honden uit zijn rustplaats laat verdrijven. In de nabuurschap
van de dorpen komt hij niet vóór het derde uur van den nacht. "Drie
maal," zeggen de Arabieren, "kondigt hij door gebrul zijn komst aan,
en waarschuwt hierdoor alle dieren hem uit den weg te gaan." Deze
goede meening berust ongelukkig op zwakke grondslagen; want zoo vaak
ik het gebrul van den Leeuw vernam, heb ik de ervaring opgedaan, dat
hij zonder gedruisch te maken naar het dorp was geslopen, en het een
of ander stuk vee had geroofd. Ook andere onderzoekers verhalen, dat de
Leeuw zeer dikwijls zachtjes nadersluipt "als een dief in den nacht."

Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hetgeen de Arabieren zeggen,
onwaarheid is, maar alleen, dat zij een onjuiste verklaring geven van
iets, dat werkelijk geschiedt. Mij zelf is het gebleken, dat dit gebrul
geen waarschuwing is aan de dieren, die de Leeuw als prooi verlangt,
maar ten doel heeft het jachtgebied in opschudding te brengen, de
dieren tot vluchten te nopen en ze hierdoor toe te voeren aan den
een of anderen Leeuw; zoo niet aan hem die het gebrul laat hooren,
dan misschien aan zijn ergens op den loer liggenden jachtgezel. Mijn
inziens brult de Leeuw in de nabijheid van de omheinde ruimte, die
tot berging van vee dient, om het opgesloten vee een panischen schrik
aan te jagen, en daardoor te verleiden los te breken. Ik zal trachten
een dergelijken rooftocht te beschrijven.

Met zonsondergang heeft de nomade zijn kudde binnen de "seriba"
gedreven en opgesloten. Deze 3 M. hooge en ongeveer 1 M. dikke,
uiterst dichte heg, die uit de doornachtige takken van de Mimosa's
samengevlochten werd, is de veiligste vestingwal, dien hij maken
kan. De Schapen blaten naar hunne jongen, de Runderen, die reeds
gemolken zijn, hebben zich neergevleid. Een troep waakzame Honden
houdt de wacht. Het wordt stiller en rustiger; het geraas verstomt;
de vrede van den nacht daalt op de legerplaats neder. Vrouw en kind
van den eigenaar hebben in de eenige tent rust gezocht en gevonden. De
mannen hebben hunne laatste bezigheden verricht en zijn ook van plan
hunne slaapplaatsen op te zoeken. Van de naastbijgelegene boomen laten
de langstaartige Geitenmelkers hun nachtlied hooren, of dragen vliegend
hun vederentooi door de lucht, naderen dikwijls en met voorliefde de
seriba en ijlen als geesten over de slapende kudde heen. Overigens
is alles stil en rustig. Zelfs de keffende Honden zijn verstomd, maar
toch niet nalatig geworden in den dienst, die van hen verlangd wordt.

Eensklaps schijnt de aarde te dreunen: in de onmiddellijke
nabijheid brult een Leeuw! Thans staaft hij zijn naam "_Essed_,"
d. i. oproerverwekker, want een werkelijk oproer, de grootste
ontsteltenis, ontstaat er in de seriba. De Schapen rennen als zinneloos
tegen de doornhaag, de Geiten schreeuwen luid, de van angst steunende
Runderen dringen tot een verwarde troep bijeen, de Kameel tracht,
omdat hij graag zou vluchten, de kluisters die hem tegenhouden, te
verbreken, en de moedige Honden die Luipaarden en Hyena's bevochten,
huilen jammerlijk en zoeken bescherming bij hun meester. Met een
geweldigen sprong is de machtige vijand over den muur van doornen
geschoten, om zich een slachtoffer uit te zoeken. Door een enkelen slag
met zijne vreeselijke klauwen heeft hij een jong Rund neergeveld; het
krachtige gebit verbrijzelt de halswervels van het weerlooze dier. Dof
brullend ligt het Roofdier op zijn buit; de schitterende oogen fonkelen
van roofgierigheid en van blijdschap over de behaalde zege; met den
staart zweept hij de lucht. Voor een oogenblik laat hij het stervende
dier los, en grijpt het daarna met zijn vermorzelend gebit opnieuw
aan, totdat het zich eindelijk niet meer beweegt. Nu begint hij den
terugtocht. Hij moet weer over den hoogen muur, en wil zijn prooi niet
achterlaten. Hij heeft al zijn geduchte kracht noodig om met het Rund
in den bek den terugsprong uit te voeren. Maar hij bereikt zijn doel:
ik heb een meer dan manshooge seriba gezien, waarover een Leeuw met
een tweejarig Rund in den bek was heengesprongen; ik heb het indruksel
waargenomen, achtergelaten door den zwaren last op de kruin van de
omheining, en aan de andere zijde den door den val veroorzaakten kuil
in het zand opgemerkt, waarin het naar beneden stortende Rund lag,
voordat de Leeuw het verder sleepte. Men kan de vore, die door het
voortsleepen van het dier ontstaat, dikwijls zeer duidelijk volgen
tot aan de plaats, waar het roofdier zijn prooi verscheurd heeft.

Het is te begrijpen, dat alle dieren, die dezen roover kennen,
vreesachtig worden, zoodra zij zijn gebrul hooren. Men moet echter
niet meenen, dat de Leeuw te allen tijde zijn gebrul door de wildernis
laat weerklinken. Zijne gewone geluiden zijn een langgerekte toon,
gelijkende op het miauwen van een reusachtige Kat en een dof geknor of
gebrom; schrik wordt te kennen gegeven door een kort gekuch, dat als
"Hoef" of "Wau" klinkt. Het echte brullen verneemt men slechts zelden;
menigeen, die zich in een door Leeuwen bewoond gebied heeft opgehouden,
heeft het nooit gehoord. Het gebrul is kenschetsend voor het dier. Men
zou het een bewijs van zijn kracht kunnen noemen: het is eenig in zijn
soort en wordt, wat volheid van klank betreft, door de stem van geen
ander levend wezen overtroffen, tenzij, zooals Pechuel-Loesche opmerkt,
door het geluid van het mannelijke Nijlpaard. De Arabieren duiden
het zeer eigenaardig aan door het woord, "raäd", d. i. donderen. Diep
uit de borst schijnt het te voorschijn te komen; het is, alsof deze
zal barsten.

Onbeschrijfelijk is de uitwerking van de stem van den koning der
dieren op zijne onderdanen. Het gehuil van den Hyena verstomt, zij
het dan ook voor korten tijd; het gegrom van den Luipaard houdt op;
de Apen laten hunne keelgeluiden hooren en klimmen vol angst tot in de
hoogste takken; de Antilopen ijlen in razende vlucht door de struiken;
de blatende kudde houdt zich doodstil; de beladen Kameel siddert,
gehoorzaamt niet meer aan het bevel van zijn drijver, werpt zijn last
en zijn berijder af en tracht zich door een snelle vlucht te redden;
het Paard steigert, snuift, blaast de neusgaten op en wil terug;
de niet aan de jacht gewende Hond zoekt huilend bescherming bij
zijn meester.

De Noord-Afrikaansche Leeuw vestigt zich in de nabijheid van dorpen,
zoo hij hiervoor een goede gelegenheid vindt, en richt dan zijne
rooftochten uitsluitend daarheen. Hij is een onaangename buurman
en laat zich niet zoo licht verdrijven, vooral omdat hij bij zijne
plotselinge aanvallen met buitengewone sluwheid handelt. "Als de Leeuw
te oud wordt, om op het wild jacht te maken," bericht ook Livingstone,
"begeeft hij zich naar de dorpen om Geiten te rooven, en, wanneer
hij hierbij een vrouw of een kind ontmoet, zullen deze hem ten prooi
vallen. De Leeuwen, die menschen aanvallen zijn steeds oude dieren;
als een van deze gevaarlijke Roofdieren in een dorp is doorgedrongen
en Geiten weggehaald heeft, zeggen de inboorlingen: zijne tanden zijn
afgesleten; hij zal nu spoedig een mensch dooden."

Geheel anders dan bij den aanval op tamme dieren gedraagt zich de
Leeuw, als hij met wild te doen heeft. Hij weet, dat dit hem op
tamelijk grooten afstand ruikt en snelvoetig genoeg is om hem te
ontkomen. Daarom beloert hij de in 't wild levende dieren, of besluipt
hen uiterst voorzichtig onder den wind, dikwijls in gezelschap
van andere dieren zijner soort; hij wacht hiervoor volstrekt niet
altijd den nacht af, maar doet dit ook wel, als de zon schijnt. Toch
zijn zulke jachten gedurende den dag altijd uitzonderingen op den
regel. Gewoonlijk stelt de Leeuw zijn jacht minstens tot aan de
schemering uit. De wilde kudden volgt hij op hare reizen, evenals
de tamme. Gelijk andere Katten legt hij zich in hinderlaag in de
nabijheid van de meest betreden wildpaden. In de steppen b.v. zoekt
hij met de bedoeling om buit te maken de plaatsen op, waar de dieren
van de wildernis hun dorst lesschen.

Volgens Livingstone pakt hij zijn prooi gewoonlijk bij den hals, ook
wel echter in de liesstreek, waar hij bij voorkeur het dier begint
te verslinden. Selous bevestigt het bericht, dat de Leeuw zijn buit
steeds aan 't achterste gedeelte van het lichaam begint op te eten,
en het eerst de ingewanden en andere edele deelen gebruikt; ook heeft
hij opgemerkt, dat het Roofdier deze deelen soms op een hoop rolt en
met aarde bedekt; ongetwijfeld geschiedt dit met het doel, om ze voor
den volgenden nacht te bewaren, en ze te beveiligen tegen de Gieren,
die er over dag bij zouden komen. Over de wijze waarop de Leeuw jaagt,
zegt hij: "Volgens mijn ervaring overvalt de Leeuw zijn prooi op zeer
verschillende wijzen. Ik heb een Paard, een jongen Olifant en twee
Paard-antilopen gezien, die door een beet in de keel gedood waren;
daarentegen zag ik een ander Paard en verscheidene Zebra's, bij welke
de doodelijke wonden in den nek werden toegebracht. Buffels worden,
naar ik veronderstel, dikwijls gedood door de ontwrichting van een
halswervel, die teweeggebracht wordt, doordat de Leeuw het dier op den
schouder springt, het met een poot bij den neus pakt, en nu den nek
plotseling omdraait. Ik heb een menigte Buffels gezien en geschoten,
die zich nog te rechter tijd hadden weten te bevrijden, maar aan den
nek on de schoften vreeselijk gebeten waren."

De Leeuw geeft aan groote dieren de voorkeur boven kleine, ofschoon
hij deze, als hij ze krijgen kan, ook niet versmaadt. Uitdrukkelijk
wordt verzekerd, dat hij zich somtijds zelfs met Sprinkhanen
tevreden stelt. Hij streeft er echter steeds naar, een groote prooi
te bemachtigen, hetgeen nog het duidelijkst blijkt uit het feit, dat
hij juist daar het veelvuldigst voorkomt, waar veel wild of vee van de
grootste soort is te vinden. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit vee,
uit Zebras, Antilopen en Wilde Zwijnen. In sommige gevallen versmaadt
hij echter ook krengen niet. Selous zegt: "De Zuid-Afrikaansche Leeuw
is dikwijls volstrekt niet keurig op zijn voedsel. Als de jagers
Olifanten gedood hebben, verzadigen de Leeuwen zich zeer dikwijls aan
de stinkende lijken dezer reusachtige dieren, die, door de tropische
zon beschenen spoedig tot verrotting overgaan en vol maden geraken;
verscheidene nachten achtereen keeren zij naar dit feestmaal terug,
tot er geen vleesch meer overig is." Zij worden hierbij vaak genoeg
geholpen door talrijke tafelschuimers, die van de gunstige gelegenheid
gebruik maken om met hun "koning" te dineeren. De luie en lafhartige
Hyena en alle soorten van Echte Honden vinden het zeer gemakkelijk,
een ander voor zich te laten rooven; zij eten, zoodra de Leeuw zijn
maal verlaat, zich vol daaraan. De "koning" duldt hen echter niet
altijd aan zijn disch; soms komen, zooals duidelijk gebleken is,
om deze reden ernstige vechtpartijen voor.

De Leeuw valt uiterst zelden menschen aan. De hooge gestalte van
den man boezemt hem, naar 't schijnt, ontzag in. In Soedan althans,
waar de "oproerverwekker" in sommige gewesten veelvuldig voorkomt,
zijn nagenoeg geen gevallen bekend, dat menschen door Leeuwen opgegeten
zijn. Daar verliezen meer menschen het leven door Krokodillen en Hyenas
dan door Leeuwen. Uit Zuid-Afrika daarentegen zijn genoeg voorbeelden
bij te brengen van aanvallen van Leeuwen op menschen. Zonder zich
om de wachtvuren te bekommeren dringen deze Roofdieren tot binnen de
omheining van het kamp door, om vee te rooven of zelfs om menschen van
bij het vuur weg te halen. Waarschijnlijk worden zij hiertoe alleen
door den uitersten honger gedreven, zooals de sterke, van zessen
klare Leeuwin, van welke Selous bericht, dat zij, ondanks de vuren,
de wachtposten en de schoten, driemaal in één nacht het kamp overviel,
eerst een Paard en daarna twee bij het vuur zittende inboorlingen
greep, maar telkens tot den aftocht gedwongen en ten slotte gedood
werd. "Een hongerige Leeuw is een duivel," zegt men in Zuid-Afrika. In
zulke omstandigheden zullen zoowel volkomen krachtige als oude en
zwakke Leeuwen, bij dag of bij nacht, ook wel menschen overvallen,
en als de ervaring hen eens geleerd heeft, hoe gemakkelijk deze
prooi beslopen en overmeesterd kan worden, zal hij dikwijls op zulk
een gemakkelijke wijze een maal trachten te verkrijgen. Werkelijke
"menscheneters," zooals onder de Tijgers in Indië voorkomen, worden de
Zuid-Afrikaansche Leeuwen echter niet, omdat de inboorlingen, waarmede
zij te maken hebben, zich niet door de Leeuwen laten verdrukken.

Niemand heeft de Zuid-Afrikaansche Leeuwen op een natuurlijker
en nauwkeuriger wijze beschreven dan Selous: "Mij is het steeds
voorgekomen, dat het woord 'majestueus' bijzonder slecht toepasselijk
is op een wilden Leeuw; over dag heeft deze steeds iets onzekers en
schuws over zich, dat onvereenigbaar is met het begrip 'majesteit'. Om
zoo genoemd te kunnen worden, zou hij den kop hoog moeten dragen,
en dit doet hij zelden. Bij het loopen houdt hij den kop omlaag, nog
beneden den ruglijn, en eerst als hij menschen in zijn nabijheid
bemerkt, heft hij menigmaal den kop omhoog, maar laat hem dan
gewoonlijk ook weer zakken en draaft met een kort gebrom verder. Als
hij, in het nauw gebracht, den kop met den geopenden muil en de
fonkelende oogen diep tusschen de schouders houdt, voortdurend een
dof gebrom laat hooren en met den staart de zijden van het lichaam
zweept, kan geen dier er dreigender uitzien, maar zelfs dan is er in
zijn voorkomen niets, wat den naam majesteit verdient. Wanneer de Leeuw
den staart twee- of driemaal achtereen snel loodrecht omhoog slingert,
pas dan op! want dit is bijna geregeld het teeken van een onmiddellijk
volgenden aanval. Leeuwen, die men over dag ontmoet, ontwijken den
mensch bijna altijd, zelfs wanneer zij bij een pas geroofd dier zich
bevinden en dus waarschijnlijk hongerig zijn. Als men ze echter
boos maakt of wondt, kan men een aanval verwachten. Volgens mijn
ervaring zijn Leeuwen meer geneigd om aan te vallen dan eenig ander
Zuid-Afrikaansch wild dier, dat ik ontmoet heb. Daar zij geschikter
zijn om zich te verbergen, vlugger en behendiger in 't aanvallen dan
de Olifant, de Buffel en het Neushoorndier, houdt ik ze voor veel
gevaarlijker dan deze. Evenals de menschen en de andere dieren, zijn
echter ook de Leeuwen zoo ongelijk van aard, dat het niet aangaat,
al wat de eene doet, zonder nader onderzoek ook van den anderen te
verwachten. Mijns inziens heeft niemand het recht de Leeuwen lafhartig
te noemen, omdat de 2 of 3 exemplaren, die hij geschoten heeft zich
niet moedig in den strijd betoonden. Dat er meer ongelukken voorgekomen
zijn bij ontmoetingen met Buffels dan met Leeuwen, kan niet aangehaald
worden als een bewijs, dat gene gevaarlijker zijn dan deze; daar,
althans in de jaren van zeventig, bij de jachten niet meer dan één
Leeuw werd ontmoet tegen 50 Buffels."

De ontzagwekkende gestalte van den Leeuw, zijn geweldige kracht,
zijn koene moed zijn van oudsher erkend en bewonderd. En al heeft
ook de bewondering dikwijls de juiste maat overschreden en den Leeuw
eigenschappen toegedicht, die hij in werkelijkheid niet bezit; geheel
ongerechtvaardigd is zij toch niet. In de eigenschappen, die door
de meest geachte natuuronderzoekers aan den Leeuw zijn toegekend,
ligt mijns inziens nog adel genoeg. En, ieder die den Leeuw nader
leerde kennen, die, zooals ik, jaren lang dag in dag uit met een
gevangen Leeuw verkeerde, hem zal het gaan, zooals het mij gegaan
is. Hij zal hem genegen zijn en achten, zooals ooit een mensch voor
een dier genegenheid en achting kan gevoelen.

Vijftien tot zestien weken of 100 à 108 dagen na de paring werpt de
Leeuwin 1 à 6, gewoonlijk echter 2 of 3 jongen. Deze komen met geopende
oogen ter wereld, en hebben bij de geboorte ongeveer de grootte van
een half volwassen Kat. Gewoonlijk behandelt de leeuwin hare jongen
met groote teederheid; men kan zich bijna geen schooner schouwspel
denken dan deze moeder met haar kroost. De kleine, allerliefste
diertjes spelen als vroolijke katjes met elkander; hun moeder kijkt
wel is waar ernstig, maar toch met blijkbaar genoegen naar het spel
van hare kinderen. Men heeft dit dikwijls waargenomen, omdat het
volstrekt geen zeldzaamheid is, dat een leeuwin in de gevangenschap
jongen werpt. In een doelmatig ingerichte en goed bestuurde diergaarde
fokt men tegenwoordig Leeuwen bijna even zeker en geregeld als Honden;
zelfs in reizende menagerieën, waar de dieren, zooals bekend is,
slechts een zeer geringe speelruimte voor hunne bewegingen hebben en
dikwijls niet eens voldoende voedsel krijgen, worden Leeuwen geboren
en grootgebracht.

Jonge Leeuwen zijn in den eersten tijd van hun leven zeer
hulpbehoevend. Zij leeren eerst in de tweede maand loopen en beginnen
nog later hunne kinderlijke spelen. In 't eerst miauwen zij geheel
als Huiskatten, later wordt hun stem sterker en voller. Bij hunne
spelen toonen zij zich onhandig en plomp; maar de behendigheid komt
mettertijd. Tegen het einde van het eerste jaar hebben zij de grootte
van een flinken Hond. Tegen het derde jaar merkt men bij de mannetjes
de eerste beginselen van manen op, doch eerst in het zesde of zevende
jaar zijn de dieren van beiderlei geslacht geheel volwassen en normaal
van kleur. De leeftijd dien zij bereiken kunnen, is geëveneedigd
aan dezen langzamen groei. Er zijn voorbeelden bekend van Leeuwen,
die 70 jaar in gevangenschap geleefd hebben; zij krijgen dan echter,
zelf bij de best mogelijke verzorging, vrij schielijk een afgeleefd
voorkomen, en verliezen veel van hun schoonheid.

Jong gevangen Leeuwen worden bij verstandige verpleging zeer
tam. Zij erkennen den mensch als hun verzorger, en betoonen hem des
te meer genegenheid, naarmate hij zich meer met hen bemoeit. Men
kan zich moeielijk een lieftalliger wezen voorstellen dan een op
deze wijze getemden Leeuw, die zijn vrijheid--ik zou haast zeggen
zijn koningschap--vergeten heeft, en den mensch met hart en ziel
is toegedaan.

Een leeuw kan, als hij goed gevoed wordt, vele jaren de gevangenschap
verduren. Hij heeft per dag ongeveer 4 KG. vleesch noodig. Daarbij
bevindt hij zich goed en wordt welgedaan en vet.

Het is niet te verwonderen, dat de Afrikaan den Leeuw met alle
middelen, die hem ten dienste staan, tracht te verdelgen. Zoo erg
als men zich bij ons voorstelt, is bij hem echter de vrees voor
den Leeuw niet. Men ontmoet den geweldenaar daar, waar hij zijn
vaste verblijfplaats heeft en zelfs daar geenszins iederen dag. Hij
tracht niet voortdurend vee te rooven, maar zoekt zich ook voedsel
in de wildernis; hij wordt door zijn jacht voor enkele volken zelfs
nuttig. De Bosjesmannen danken hem menig smakelijk maal. De streek
waar hij gejaagd heeft, doorzoeken zij vroeg in den morgen; zij
vinden hier nog dikwijls belangrijke overblijfselen van het wild,
dat de Leeuw gedurende den nacht gedood heeft. Zij laten trouwens
niet na, den roover van zijn buit te verdrijven, opdat er zooveel
mogelijk voor hen zal overschieten.

Maar ook de bewoners van Noord-Afrika klagen weinig over de
verliezen, die zij door den Leeuw lijden. Zij spreken wel over
zijne rooftochten, maar toonen niet veel ergernis over de schade,
die zij er door geleden hebben, of vreezen te zullen lijden door het
verlies van vee; veeleer beschouwen zij dit als een beschikking van
het noodlot, als iets onvermijdelijks. Kolonisten van Europeesche
afkomst hebben andere begrippen over de waarde van hun eigendom dan
de zorgelooze Afrikanen. Volgens een berekening van Jules Gérard
veroorzaakten in het jaar 1855 ongeveer 30 Leeuwen, die zich in de
provincie Constantine ophielden, een schade van ruim 80.000 gulden:
een enkele Leeuw gebruikt dus voor ongeveer 2700 gulden aan voedsel
per jaar. In de jaren 1856 en 1857 hebben zich volgens denzelfden
berichtgever in Bona alleen 60 Leeuwen opgehouden, die 10.000 stuks
groot en klein vee verslonden hebben. Verder op in het binnenland
is de schade naar verhouding veel geringer, omdat de veeteelt, die
daar den eenigen tak van bestaan van de bewoners uitmaakt, op veel
uitgebreider schaal gedreven wordt dan in de landen, waar de landbouw
de overhand heeft. Toch is de schade nog altijd gevoelig genoeg; de
arme veeboer heeft menigmaal voldoende redenen om wanhopig te worden
over de verwoestingen, die de Leeuw aanricht.

In het Atlasgebergte wordt de Leeuw op verschillende wijzen
gejaagd. Als hij in de nabuurschap van het kamp van een Bedoeïnenstam
al te lastig wordt, omringen de weerbare mannen het kreupelbosch,
waarin hun hoofdvijand zich verborgen heeft en trachten door geschreeuw
en schoten hem er uit te verdrijven. Als hij eindelijk voor den
dag komt, zenden zij hem zooveel kogels toe, dat hij gewoonlijk er
het leven bij inschiet, menigmaal trouwens eerst, nadat hij eenige
van zijne vervolgers leelijk toegetakeld of gedood heeft. Ook "op
den aanstand" (van een hinderlaag uit) wordt de Leeuw geschoten. De
Arabieren graven een kuil, dekken dezen van boven stevig toe, zoodat
er alleen schietgaten overblijven, en leggen daarvóór een pas gedood
Wild Zwijn; ook gaan zij wel in de boomen zitten om van hier uit te
schieten. Bovendien vangen de Arabieren van den Atlas den Leeuw in
valkuilen, die 10 M. diep en 5 M. breed zijn. Zoodra het koninklijke
dier in den kuil ligt, loopen alle menschen uit den omtrek rondom
den gevallen vijand te hoop en maken een ontzettend geraas. Iedereen
schreeuwt, schimpt en werpt steenen naar beneden. Het gekst stellen
zich echter de vrouwen en kinderen aan. Ten slotte schieten de mannen
het dier dood. Eerst als het volkomen zonder beweging ligt, waagt
iemand het in den kuil af te dalen, om den Leeuw touwen om de pooten
te binden, waarmede het lijk met moeite wordt opgeheschen, want de
volwassen mannelijke Leeuw kan wel 200 KG. zwaar worden. Iedere knaap
krijgt een stuk van het hart te eten, opdat hij moedig zal worden. De
haren van de manen worden als amuletten gebruikt, omdat men gelooft,
dat hij, die zulke haren bij zich draagt, voor de tanden van den
Leeuw beveiligd is.

In den Bijbel wordt op vele plaatsen melding gemaakt van den Leeuw,
die door de Hebreërs met verschillende namen aangeduid wordt. De
Grieken en Romeinen deden over het koninklijke dier zeer uitvoerige
verhalen, waarin talrijke sprookjes voorkomen.

Het Romeinsche volk werd voor 't eerst op het schouwspel van
een leeuwengevecht onthaald door den aedilis Scaevola, voor de
tweede maal door den dictator Sulla. Deze had reeds 105 Leeuwen in
den circus. Pompejus liet 650, Julius Caesar minstens 400 van deze
dieren vechten. De leeuwenvangst was voorheen een zeer moeielijk werk
en geschiedde gewoonlijk met behulp van valkuilen. Onder Claudius
ontdekte een herder echter bij toeval een gemakkelijker middel. Hij
wierp den Leeuw zijn kleed over den kop, en het dier werd hierdoor
zoo verbluft, dat het zich zonder moeite liet gevangen nemen. In den
circus werd dit middel later dikwijls toegepast. M. Antonius reed na
den slag van Pharsalos door de stad met een tooneelspeelster in een
wagen, die door twee Leeuwen getrokken werd. Hanno, de ons reeds van
vroeger bekende Carthager (p. 6), was de eerste, die een getemden
Leeuw met zijne handen regeerde. Hij werd daarom echter uit zijn
vaderland verbannen, omdat men van oordeel was, dat hij, die zich
met het temmen van een Leeuw bezig hield, ook er naar streefde,
de menschen aan zich te onderwerpen. Hadrianus liet in den circus
dikwijls 100 Leeuwen te gelijk dooden. Marcus Aurelius liet er 100
met pijlen doodschieten. Op deze wijze verminderde het aantal Leeuwen
zoo sterk, dat men de particuliere leeuwenjachten in Afrika verbood,
om een voldoenden voorraad van deze dieren voor de kampspelen over
te houden. Evenwel was eerst met de uitvinding van het schietgeweer
de macht van den "koning der dieren" voor goed gebroken.



"Het is zeer wel mogelijk," zegt Prof. Schlegel, "dat de oude
Grieken en Romeinen twee soorten van _Luipaarden_ gekend hebben,
n.l. den gewonen Noord-Afrikaanschen en den Noordschen Luipaard van
Siberië. De oude Grieken hadden echter, zooals men uit Xenophon en
Aristoteles moet opmaken, slechts één naam, _Pardalis_, voor deze
dieren. Plinius benoemt de Luipaarden met den naam van _Pardus,_
en gebruikt ook voor deze dieren het Grieksche woord _Panthera_
(waarmede de Grieken een geheel ander dier, waarschijnlijk de Civetkat,
bedoelden). Daar hij beweert, dat de _Panthera_ bijkans door niets,
dan de witachtige kleur van den _Pardus_ te onderscheiden is, zoo wordt
het wederom waarschijnlijk, dat met den _Panthera_ der Romeinen de
Noordsche Luipaard gemeend is, wiens grondkleur inderdaad sterk naar
het witte trekt. De naam _Leopardus_ is van nog lateren oorsprong,
en komt voor het eerst voor bij Julius Capitolinus, een schrijver
uit de laatste helft der derde eeuw; deze naam, uit _Leo_ (Leeuw) en
_Pardus_ samengesteld, moest den vermeenden bastaard van Luipaard en
Leeuw voorstellen. Bij de Portugeezen is het woord _Leontius_ (kleine
Leeuw) waarschijnlijk tot _Uncia_, _Onza_ of _Onça_ verbasterd,
dat bij de ontdekking der Nieuwe Wereld door hen op den Jagoear
werd toegepast. Wat het woord _Tigris_ (Tijger) betreft, zoo lijdt
het geen twijfel, dat de Ouden daaronder slechts den Koningstijger
begrepen hebben.

"Deze benamingen zijn,--behalve die van _Pardalis_ of _Pardus,_
welke slechts in het Hoogduitsch als een weinig gebruikelijk woord
(Pardel of Parder) bewaard is--van lieverlede in de meeste nieuwe
talen, met weinig veranderingen overgenomen. Het Hollandsche woord
'Luipaard' schijnt veeleer als een verbastering van _Leopardus_
beschouwd te moeten worden, dan als samengesteld uit Luip-aard of,
gelijk sommigen zeer onjuist schrijven, Lui-paard. Een nader onderzoek
leert ons echter, dat bij de verschillende natiën van Europa, deze
woorden dikwijls met verscheidene wijzigingen worden toegepast. Zoo
worden de groote gevlekte Katten door de meeste dier volken Luipaarden
of Panters genoemd; terwijl in Holland de benaming van 'Tijger' voor
deze dieren, verreweg meer gebruikelijk is, dan die van Luipaard of
Panter, welken laatsten naam men zelden of nooit uit den mond des
volks verneemt. Het woord Tijger wordt daarentegen in de meeste
overige talen, en in het Hoogduitsch altijd, ter aanduiding van
den eigenlijken Tijger gebruikt, aan welken men in het Hollandsch,
om hem van den Luipaard of gevlekten Tijger te onderscheiden, den
bijnaam van Konings-, gestreepten of Bengaalschen Tijger geeft."

De "_Luipaard_" (_Felis pardus_) heeft een lengte van 170 à 200 cM.,
waarbij voor den staart 60 à 80 cM. De kop is groot en rondachtig, de
snuit steekt weinig vooruit, de hals is zeer kort, de romp krachtig,
de geheele gestalte gedrongen; de pooten zijn middelmatig hoog en
sterk, de teenen niet bijzonder groot. De licht roodachtig gele
grondkleur is op den rug donkerder, gaat aan de keel en aan het
voorste gedeelte van de borst in lichtgeel of witachtig geel, aan de
onderzijde en aan de binnenzijde van de ledematen in geelachtig wit
over. Het aangezicht, de kruin, de de nek, de zijden van kop en hals,
de schouders, de buitenzijde van bovenarm, onderarm, bovenbeen en
onderbeen, de keel en het voorste deel van de borst zijn dichtbezet
met kleine, zwarte, rondachtige vlekken, welker grootte afwisselt
tusschen die van een erwt en die van een walnoot. Aan het achterste
gedeelte van den hals vormen zij schuins naar voren gerichte reeksen;
op de schouders en pooten vloeien zij bij tweeën of drieën tot
onregelmatige vlekken ineen, die reeksen vormen, welke van boven
naar onderen gericht zijn. Aan weerszijden van den romp komen 6 à 10
dwarsloopende reeksen van ringvlekken voor. Deze ringen omsluiten
ieder een "hof", die iets donkerder is dan de grondkleur; zij zijn
ieder uit 2 à 4 halvemaanvormige vlekken samengesteld, die ook wel
tot een volkomen ring ineenvloeien. Ringvlekken vindt men ook aan
't bovenste gedeelte van de dij en aan den wortel van den staart;
voor het overige is deze met onregelmatige vlekken geteekend, met
uitzondering van de onderzijde bij de spits, waar hij bijna zuiver
wit is. De teekening van de onderzijde en van de binnenzijde der
ledematen bestaat uit volle vlekken, waarvan eenige twee aan twee
ineenvloeien. Het oor is aan de buitenzijde grijsachtig zwart, met
uitzondering van een groote, witachtige vlek bij de spits. Het oog
heeft een groenachtig gele iris en een ronde pupil. Er bestaat geen
belangrijk verschil in teekening zoomin tusschen mannetjes en wijfjes,
als tusschen de oude dieren en de zelfstandig geworden jongen. Sommige
exemplaren zijn echter donkerder van kleur of zelfs geheel zwart. Een
glanzig bruinachtig zwarte verscheidenheid, die alleen in 't volle
zonlicht gevlekt schijnt, wordt in Abessinië _Gesela_ genoemd en om
zijn vel ijverig vervolgd.

Van den Luipaard zegt men, dat hij bijna alle landen van Afrika
bewoont.

Aan den "_Panter_" (_Felis panthera_) worden de volgende kenmerken
toegeschreven: Een totale lengte van 200 à 240 cM., waarvan er
ongeveer 82 à 96 op den staart komen. De kop is matig groot en
langwerpig rond, de snuit steekt duidelijk vooruit, de hals is
kort, de romp krachtig maar toch gestrekt, de stevige pooten zijn
naar verhouding zeer sterk, de teenen zijn groot. De grondkleur,
licht okergeel, gaat op den rug in donker roodachtig geel, aan de
onderzijde van den romp en aan de binnenzijde van de ledematen in
geelachtig wit over; zij gelijkt dus op die van den Luipaard, maar
komt veel duidelijker uit. De kop is minder rijkelijk gespikkeld dan
bij dezen, de vlekken zelf zijn over 't algemeen iets kleiner, en de
kop schijnt hierdoor lichter gekleurd. Behalve op den kop, den nek,
de zijden van den hals, de keel en het bovenste gedeelte van de borst
vindt men alleen nog op de voorarmen en onderbeenen volle vlekken,
die meestal door samenvloeiing van 2 of 3 kleinere vlekken ontstaan
zijn. De schouder en het bovenbeen daarentegen zijn, evenals de rug
en de zijden, met ringvlekken of hofvlekken bezet. Alle hofvlekken
onderscheiden zich van die van den Luipaard door haar aanzienlijkere
grootte: de ruime hof is helder roodachtig geel, de hem omgevende
ring bestaat uit 5 à 7, soms 8, kleine, halvemaanvormige vlekken.

Als woonplaats van den Panter worden het zuiden en oosten van het
Aziatisch vastland aangegeven, ook Palestina, Klein-Azië en de
Kaukasus.

De _Soendaneesche_ of _Langstaartige Panter_ (_Felis variegatus_)
van Sumatra en Java moet, naar men zegt, gemakkelijk onderscheiden
kunnen worden van den Luipaard en den Panter. Als zijne kenmerken
worden opgegeven: de kleine, lange kop, de langwerpige hals, de zeer
gestrekte romp, de staart die minstens even lang is als de romp,
de korte, krachtige, met betrekkelijk zeer sterke klauwen gewapende
pooten. Bovendien vertoont de teekening eigenaardigheden: de vlekken
zoowel als de door hen gevormde ringen zijn veel kleiner, donkerder en
dichter bijeengeplaatst dan bij de reeds genoemde verwanten. Hierdoor
verkrijgt het vel een zwartachtig blauwen weerschijn, die duidelijk
zichtbaar wordt, als men den blik er langs laat strijken. De grondkleur
is donker leem-geel, de kleur van den hof der ringvlekken bruinachtig
geel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde van de ledematen
zijn grijsachtig of geelachtig wit.

De onderscheiding van den zoogenaamden _Zwarten Panter_ of _Zwarten
Luipaard_ (_Felis melas_) berust eenvoudig op een bij enkele individuen
voorkomende sterkere ontwikkeling van de huidkleurstof. Volgens
Rosenberg, worden de zwarte, zooals ieder Javaan weet, met de gele,
in een en hetzelfde nest gevonden. Zij komen op het vaste land zoowel
als op de eilanden voor. Volgens Sanderson, leven zij uitsluitend
in dichte, groote bosschen en niet overal, zooals hunne lichter
gekleurde verwanten. Zwarte Panters vindt men tegenwoordig in bijna
alle diergaarden; in sommige worden zij zelfs geregeld gefokt, daar
zwarte exemplaren, onderling parend, een nakomelingschap van gelijke
kleur voortbrengen.

Hoewel jagers, handelaars, enz. den Luipaard, die kleiner is en een
meer ineengedrongen lichaam heeft, op grond van zijne levenswijze en
uitwendige eigenschappen vrij zeker weten te onderscheiden van den
grooteren, slanker gebouwden Panter, wordt toch deze onderscheiding
door den dierkundige niet gemaakt, omdat zij niet vol te houden
is. Voor hem vormen Panter en Luipaard één soort: _Felis Pardus,_ die
door de West-Afrikaansche Bantoe-stammen _Ngo_, in Perzië _Palang_,
in Indië _Tsjita_, _Adnara_, _Honiga_, _Kerkal_ en door de Maleiers
_Harimau-bintang_ genoemd wordt. De grootte, de vorm van den kop,
de gedrongenheid of slankheid van den lichaamsbouw, de lengte van
den staart, de eigenaardigheden van het haarkleed, zooals lengte en
dichtheid van de beharing, de vorm en de verdeeling der vlekken,
de grondkleur enz. wisselen bij deze soort binnen wijde grenzen
af. Exemplaren met geelachtige of roodachtige huidkleur, ook bruine (in
alle tinten van lichtbruin tot donkerbruin) of zelfs volkomen zwarte
dieren (welker huid slechts dan gevlekt schijnt, als het licht er op
een bepaalde wijze op valt) zijn in de verst uiteenliggende gedeelten
van het verbreidingsgebied dezer soort gevonden. Ook albino's komen
voor. De verschillende grootte is misschien een gevolg van verschil
in leeftijd, woonplaats en voeding.

Men kan dus van den Panter en den Luipaard spreken, en dan aan deze
woorden de beteekenis hechten, die de jagers er aan geven, of de
beide namen als synoniem beschouwen, en al de bedoelde dieren Panter
of Luipaard noemen. Ook zou men echter, zooals wij zullen doen, aan
de Afrikaansche vertegenwoordigers van deze soort den naam Luipaard,
aan de Aziatische den naam Panter kunnen toekennen. Alle stemmen zij
met elkander overeen wat aard en levenswijze betreft, voor zoo ver dit
bij verschillende grootte en lichaamskracht mogelijk is. Gene zijn met
klein wild en kleine huisdieren tevreden, terwijl deze, behalve groot
wild en groot vee van allerlei soort, ook menschen overmeesteren,
en door hun roofzucht den Tijger nabij komen; in Indië worden zij
dikwijls zelfs gevaarlijker geacht dan deze. Dergelijke waarnemingen
zullen ook in Afrika gedaan worden, wanneer dit werelddeel grondiger
doorzocht zal zijn. Dat ook hier de grootte, de teekening en andere
uitwendige eigenschappen van den Luipaard belangrijk varieeren,
is althans niet meer twijfelachtig.

Het verbreidingsgebied van de bedoelde soort is zeer groot: het
omvat geheel Afrika en het geheele zuiden van Azië. In het westen
gaan hare vertegenwoordigers verder noordwaarts dan de Tijger,
daarentegen blijven zij in 't oosten ver bij hem achter. Van Perzië
aan den eenen kant, van het hoogland van Klein-Azië en het daaraan
grenzende Armenië aan den anderen kant verbreidt de Panter zich tot in
den Kaukasus. Ofschoon zijne rijen nu reeds sterk gedund zijn, is hij
toch nog steeds een vaste bewoner van het zuiden van Daghestan. In
de gewesten tusschen de westelijke helling van den Kaukasus en de
Zwarte Zee dringt hij, naar men zegt, nog verder noordwaarts door;
tot dusver echter kan de noordelijke grens van dit deel van zijn
woongebied nog niet met zekerheid aangeduid worden. In Centraal-Azië
wordt zijn verbreiding beperkt door den midden- en benedenloop van den
Oxus, wegens de Toerkmenen-woestijn die dezen stroom begeleidt. In
Indië ontbreekt hij, volgens Blanford, in Pandsjab en in gedeelten
van Sinde; ook in Hoog-Azië komt hij niet voor.

Er is reden om deze dieren stil te noemen; daar hun niet luide stem
zelden gehoord wordt. Bij gevangene individuen heeft men klagende,
aan kattengeschreeuw herinnerde geluiden waargenomen. Soms laten zij
in de wildernis een 3 of 4 maal herhaald, heesch geschreeuw hooren,
dat volgens Pechuel-Loesche, ongeveer als "hoera-ak" klinkt; als
zij verschrikt zijn, getergd worden of een aanval doen, verneemt men
hetzelfde schor geschreeuw, maar dan scherper, als 't ware kuchend;
dit geluid gaat dan ook wel gepaard met het onbeschrijfelijke,
ratelende geknor, dat een woedende Hond laat hooren.

De Luipaard of Panter is de schoonste van alle Katten. Te recht noemt
men den Leeuw den Koning der dieren, den Tijger het gevaarlijkste
lid van het geheele gruwzame gezelschap, te recht roemt men den
kleurenrijkdom van den Ocelot: wat evenredigheid van lichaamsbouw,
schoonheid van teekening van de huid, kracht en behendigheid,
bevalligheid en sierlijkheid van bewegingen betreft, staan zij en alle
overige soorten van Katten ver achter bij den Luipaard. Hij vereenigt
alles in zich, wat de verschillende soorten van Katten ieder in het
bijzonder onderscheidt; zoowel de lichamelijke voorrechten als de
geestesgaven van deze dieren komen bij hem op de volledigste wijze
tot hun recht. Zijn fluweelen pootje wedijvert in zachtheid met
dat van onze poes; het verbergt echter klauwen, die niet behoeven
onder te doen voor die van eenige andere Kat van gelijke grootte;
zijn gebit is naar verhouding veel krachtiger dan dat van zijn
koninklijken stamgenoot. Even schoon als buigzaam, even gespierd als
behendig, even stoutmoedig als listig is hij een type van een volkomen
ontwikkeld Roofdier.

Op het eerste gezicht zou men kunnen meenen, dat het kleed van
den Luipaard veel te bont is voor een roover, die zijn buit moet
vermeesteren door uit een hinderlaag op hem te loeren en daarna
langzaam te besluipen en die zich daarom zooveel mogelijk voor het
scherpzichtige oog van zijne tegenpartij moet verbergen. Doch reeds
na oppervlakkige kennismaking met de gewesten die het dier bewoont,
ziet men de onjuistheid van deze meening in. Wie dit gebied door eigen
aanschouwing kent, vindt het zeer natuurlijk, dat tusschen de daar
aanwezige planten en gesteenten een zoo bont gekleurd dier, zelfs op
geringen afstand, over het hoofd kan worden gezien. Hij wordt overal
in betrekkelijk groot aantal aangetroffen, waar samenhangende bosschen
voorkomen, vooral als deze dicht zijn, en uit hoogstammige boomen
bestaan, maar ook wel als zij met onderhout schraal bezet zijn. Van
met gras begroeide vlakten houdt hij niet, hoewel hij in de steppe
niet zeldzaam is; in bewoonde streken ligt hij dikwijls in akkers en
aanplantingen of in het naburige kreupelhout verborgen. Zeer gaarne
houdt hij zich op in het gebergte, welks rijk begroeide hoogten hem
niet alleen uitmuntende schuilplaatsen, maar ook een rijken buit
verschaffen.

In weerwil van zijn niet bijzonder aanzienlijke grootte is de Luipaard
een waarlijk vreeselijke vijand van alle dieren en zelfs van den
mensch, ofschoon hij dezen zoolang mogelijk ontwijkt. Meesterlijk
ervaren in alle lichaamsoefeningen en listiger dan andere Roofdieren,
verstaat hij de kunst om zelfs het vlugste en schuwste wild te
overrompelen. In het klimmen wordt hij door slechts weinige Katten
overtroffen. Men treft hem bijna even dikwijls op boomen aan, als in
het struikgewas verscholen. Als hij vervolgd wordt, klimt hij steeds in
een boom. Als het noodig is, schroomt hij niet, over tamelijk breede
stroomen te zwemmen. Eerst gedurende zijne bewegingen vertoont hij
zich in al zijn schoonheid. Ieder van deze op zich zelf beschouwd is
zoo smijdig, zoo veerkrachtig, vlug en behendig, dat men schik in het
dier moet hebben, hoe zeer men den roover ook haat. Bij hem bemerkt
men geen spoor van inspanning. Het lichaam kronkelt en draait zich in
alle richtingen; de pooten worden zoo zachtjes neergezet, alsof zij
het lichtste lichaam dragen. Elke buiging van dit dier is sierlijk,
afgerond en zacht, kortom een loopende of sluipende Luipaard levert
aan ieder een prachtig schouwspel op, zooals slechts één andere,
maar veel kleinere roover, n.l. de Genetkat, ons verschaffen kan.

Ongelukkig is zijn gemoedsaard niet in overeenstemming met de
schoonheid van zijn lichaam, althans niet volgens de eischen die wij
stellen. De Luipaard is geveinsd, boosaardig, wild, moordgierig,
wraakzuchtig en bovendien niets minder dan lafhartig. Zelfs geeft
men in sommige streken van Afrika aan hem (evenals in Amerika aan
den Jagoear) den naam van Tijger, omdat deze naam spreekwoordelijk
geworden is ter aanduiding van een bloeddorstig wezen. En waarlijk
geen andere Kat van de oude Wereld verdient meer dan hij om met
het vreeselijkste lid van de geheele familie den naam gemeen te
hebben. Hij moordt alle schepsels, onverschillig of zij groot of
klein zijn, of zij zich verweren, of hem ten buit vallen zonder
weerstand te bieden. Antilopen, Jakhalzen en klein vee zullen wel
zijn voornaamste voedsel zijn; hij vervolgt echter ook de Apen in de
boomen, de Klipdassen te midden van de rotsen; hij bespringt zoowel
de Trappen en Paarlhoenders als de kleinste Vogels en versmaadt zeer
zeker ook de Kruipende Dieren niet. Alle dieren zijn naar zijn smaak;
volgens Pechuel-Loesche's ervaringen verslindt hij echter ook de
vette vruchten van den oliepalm. Hij zit de Bavianen voortdurend op
de hielen; hij verhindert, dat deze dieren op een voor ons gevaarlijke
wijze in aantal toenemen: dit blijkt indirect ook uit hun talrijkheid
op hoogten, waar hij niet komt.

Onder kudden die binnen een omheining zijn opgesloten, richt hij,
naar men zegt, soms een echt bloedbad aan; in een enkelen nacht zal
hij soms een dozijn of meer schapen dooden. Daarom wordt hij door den
veehouder meer gevreesd dan andere roovers, die meestal met één dier
tevreden zijn. Onophoudelijk besluipt hij de Hoenderen.

Van zijn koenen moordlust leverde de Luipaard ook aan mij een
treffend bewijs. Wij reden op een voormiddag door een deel van het
Bogos-gebergte. Het geblaf van de Bavianen boven ons, dat een voor
den jager onweerstaanbare aansporing tot de jacht bevat, deed ons
besluiten onze buksen op de levenmakers te beproeven. Onze bedienden
bleven beneden in het dal om op de muildieren te passen; wij klauterden
langzaam bij de berghelling op, kozen een vrij goede standplaats en
vuurden van hier uit op de omhoog gezeten Apen. Zij zaten vrij hoog,
waardoor verscheidene schoten het doel misten; eenige waren echter
raak; de getroffene dieren stortten ter aarde of namen gewond de
vlucht. Zoo zagen wij een stokouden Mantelbaviaan, die aan den hals
getroffen was, van de rotsen tuimelen, bij ons langs komen, en meer
en meer in de richting van het dal zich bewegen, waar wij zijn lijk
hoopten te vinden.

Op eens ontstond er onder de Apen een waar oproer, weinige seconden
later hoorden wij een woest rumoer in het dal. Alle mannelijke
Mantelbavianen begaven zich naar den rand van de rots, knorden,
bromden, brulden en sloegen woedend met de handen op den grond; aller
oogen richtten zich omlaag, de geheele bende rende heen en weer;
eenige bijzonder grimmige mannetjes begonnen bij den rotswand naar
beneden te klauteren. Wij dachten reeds, dat wij nu aangevallen
zouden worden en haastten ons iets meer dan gewoonlijk met het
laden van de buksen. Toch bracht het geraas in de diepte teweeg,
dat wij onze opmerkzaamheid vestigden op hetgeen er beneden ons
voorviel. Wij hoorden onze Honden blaffen, de menschen roepen, en
verstonden eindelijk de woorden: "Help! Help! Een Luipaard!" Bij de
berghelling langs ziende, herkenden wij ook werkelijk het Roofdier,
dat regelrecht op onze bedienden toesnelde, zich echter reeds bezig
hield met een voorwerp, dat wij niet duidelijk konden onderscheiden,
wijl het door het lichaam van den Luipaard bedekt was. Onmiddelijk
daarna vielen in het dal twee schoten, waarop het geraas verstomde
met uitzondering van het aanhoudend geblaf der Honden.

Het geheele voorval had zoo schielijk plaats gehad, dat wij nog altijd
niet wisten, wat er eigenlijk gebeurd was. Wij begaven ons daarom
tamelijk haastig naar het dal. Hier ontmoetten wij onze bedienden,
die in de meest verschillende houdingen allen de oogen op een naburig
kreupelboschje gevestigd hielden: daar zat de Luipaard in, zeiden
zij. Voorzichtig ging ik naar het boschje, maar kon, hoe ik ook mijn
best deed, niets van het dier bespeuren, voordat een van de bedienden,
zich vermannend, naderkwam en met de hand naar een bepaalde plaats
wees. Hier, dicht voor mij, zag ik den Luipaard eindelijk liggen. Hij
was dood. Ongeveer 10 schreden verder het dal in lag de eveneens
gedoode Hamadryas.

Nu werd ons alles duidelijk. Bij het naar boven klimmen waren wij
ongetwijfeld buitengewoon dicht langs de legerplaats van het Roofdier
gegaan. Daarna hadden wij omstreeks tien schoten gelost, welker knal
steeds vele malen door de naburige rotsen was teruggekaatst. De naar
het dal hompelende gewonde Aap was besprongen door den Luipaard,
welke zich in 't geheel niet stoorde aan de menschen, die hij gezien
en gehoord had, maar in weerwil van de schoten, die aan alle dieren
zooveel schrik inboezemen, en ondanks den helder lichten, zonnigen
dag, een prooi trachtte te bemachtigen. Als een te paard zittend
ruiter, was hij op den Baviaan naar beneden gereden in het dal, en
was niet eens afgedeinsd voor het schreeuwen en geraasmaken onzer
lieden. De kok had, "in doodsangst", naar hij bekende, de tweede
buks van zijn meester opgenomen, haar de juiste richting gegeven en
gelukkig den Luipaard een kogel midden door de borst gejaagd. Toen
had hij ook den Hamadryas neergeveld, waarschijnlijk zonder recht
te weten met welke bedoeling. Zooals later bleek, had de Luipaard
den Aap met de klauwen van de beide voorpooten juist voor aan den
bek aangepakt, en hier diepe gaten ingescheurd; met de achterpooten
had hij getracht zich aan het zitvlak van het dier vast te klemmen,
of ze, gedurende een deel van den weg althans, achter zich aan laten
slepen. Onbegrijpelijk was het ons, dat de Mantelbaviaan geen gebruik
had gemaakt van zijn vreeselijk gebit. De wonde, die wij hem hadden
toegebracht, kon hiervan de reden niet zijn.

In steden en dorpen, die dicht bij het bosch liggen, bezoekt de
Luipaard maar al te vaak de huizen, rooft hier voor de oogen van de
bewoners het een of ander dier, en sleept het weg, zonder zich aan
het geschreeuw der menschen te storen, of zich zijn prooi te laten
ontrukken. Ieder huisdier is hem welkom, en niet het minst de Honden,
ofschoon deze zich duchtig te weer stellen. In vele gewesten van
Afrika zien de inboorlingen zich genoodzaakt voor hunne huisdieren
stevige stallen van stijlen en planken te bouwen, opdat zij althans
's nachts tegen den Luipaard beveiligd zijn.

Wanneer de Luipaard zijne jongen bedreigd acht, en ook wanneer hij
aangevallen of gewond wordt, werpt hij zich dikwijls als een razende
op zijn tegenstander. Er zijn echter ook voorbeelden bekend, dat de
roover, zonder op de een of andere wijze getergd te zijn, den mensch
aanvalt. In Abessinië komen ieder jaar dergelijke ongelukken voor;
zelfs volwassene, weerbare mannen worden door den Luipaard aangevallen
en gedood; nog vaker rooft hij kinderen. Ook in West-Afrika brengt
hij menigmaal menschenlevens in gevaar.

Uit ambtelijke mededeelingen in Indië blijkt, dat in de 10 jaren
1876-1886 ieder jaar 194 à 300, in 't geheel 2368 menschen door
Luipaarden gedood zijn, terwijl deze dieren in hetzelfde tijdperk ieder
jaar 3047 à 5466 stuks vee roofden. Er wordt hierbij (en ook bij de
statistieken, die op den Tijger betrekking hebben) niet medegedeeld,
hoeveel van deze ongelukken door getergde en gewonde dieren veroorzaakt
zijn. Sanderson zegt uitdrukkelijk, dat hem geen geval is voorgekomen,
dat Panters, evenals Tijgers, echte menscheneters geworden zijn; toch
wordt hierover in verschillende deelen van Indië geklaagd. Blanford
schrijft, dat zij "zich, als de omstandigheden hiervoor gunstig zijn,
aan het menscheneten gewennen, en dan, wegens hun stoutmoedigheid,
tot een nog vreeselijker plaag voor den mensch worden dan de Tijgers
met gelijke gewoonten."

Het is moeielijker op Luipaarden dan op Tijgers geregeld jacht te
maken. Ofschoon de Luipaarden veel talrijker zijn, bestaat er minder
kans ze op te sporen, daar zij niet zoo veel behoefte aan water
hebben, niet aan bepaalde plaatsen gebonden zijn en zich overal op
een verbazingwekkende wijze weten te verbergen. Uit alle berichten
blijkt bovendien, dat zij moediger zijn, en op een behendiger wijze
tegenstand bieden dan de Tijgers; hierdoor verzwaren zij de taak van
den jager zeer. Een Panter, verhaalt Sanderson, wiens verblijfplaats
door netten omgeven zou worden, sprong dadelijk tegen de pas opgerichte
schutting op, wierp haar neder, viel een der daarbij staande wachters
aan, scheurde hem het vleesch van den linker arm, en was verdwenen,
voordat iemand hulp kon bieden. Hij werd vervolgd, in het kreupelhout
verborgen gevonden en nogmaals door netten omgeven. Hij weigerde echter
hardnekkig het boschje te verlaten, ondanks de steenen en knuppels
die men naar hem wierp. De vervolgers waren te opgewonden om geduld
te oefenen. Sanderson, vergezeld door een vast aaneengesloten troep
van met lansen gewapende volgelingen, betrad de door netten omgeven
ruimte en ging op het kreupelboschje af. Zooals bekend is, deinst de
Tijger voor zulk een phalanx steeds terug, de Panter echter niet: hij
sprong plotseling te voorschijn uit zijn schuilhoek, wierp bliksemsnel
den derden man links van Sanderson op den grond en wondde hem met de
klauwen; ook den man daarnaast en dien daarachter behandelde hij op
deze wijze; vóórdat een lans of een kogel hem bereiken kon, had hij,
rechts en links van zich afslaand, zich een weg gebaand door den stoet
zijner aanvallers, en was voor altoos verdwenen. Op één dag had dit
dier dus vier mannen buiten gevecht gesteld, en was zelf zonder een
schram den dans ontsprongen.

De paartijd van den Luipaard valt in de maanden, die in het
door hem bewoonde land aan de lente voorafgaan. Dan verzamelen
zich dikwijls verscheidene mannetjes op één plaats en strijden
woedend met elkander. Bij gevangene dieren heeft men waargenomen,
dat het wijfje ongeveer 90 dagen na de paring 3 à 5 jongen werpt,
die blind ter wereld komen en op den 10en dag de oogen openen. Zij
zijn allerliefst, zoowel door de fraaie teekening van hun huid
als door hunne handelingen. Gelijk Katten spelen zij vroolijk met
elkander en met hun moeder, die hun veel liefde betoont en met moed
verdedigt. Zij heeft voor haar kroost een schuilplaats gereed gemaakt
in een rotshol, onder de wortels van een dikken boom of te midden van
dicht struikgewas; zoodra de jongen echter de grootte van een Huiskat
hebben, begeleiden zij hun moeder op hare nachtelijke rooftochten,
en zijn, dank zij het goede onderricht dat deze hun geeft, weldra in
staat om zelf in hun onderhoud te voorzien. Een zoogende Luipaard
is een plaag voor den geheelen omtrek. Zij rooft en moordt met de
grootste stoutmoedigheid, is echter voorzichtiger dan ooit te voren,
zoodat men haar of hare jongen slechts zelden bemachtigen kan.

Tijdens mijn verblijf in Afrika hield ik gedurende geruimen tijd
een mannelijken Luipaard in gevangenschap; ik heb het echter niet
zoover kunnen brengen, dat er tusschen ons een dragelijke verhouding
bestond. Zoodra ik bij zijn hok kwam, gaf hij door grijnzen of zijn
tanden te laten zien, ook wel door blazen zijn ontevredenheid te
kennen, en als ik maar een duim naderbij kwam dan gewoonlijk, miste
het nooit, of hij sloeg zijne klauwen naar mij uit, natuurlijk steeds
op een oogenblik dat ik er het minst op bedacht was. Ik had hem,
evenals alle Roofdieren, die ik bij mij had, aan een langen ketting
laten leggen, en kon mij dus ook het genoegen gunnen, hem soms uit
zijn hok te laten gaan. Zoodra hij op de binnenplaats kwam, werd hij
als razend, maakte dolle sprongen, rekte zich uit, trok gezichten,
blies en keek woest naar alle zijden. Bovendien wilde hij ieder,
die hem naderde, dadelijk te lijf gaan, en gedroeg zich zoo, dat er
geen twijfel kon bestaan, of hij zou ons allen neergeveld hebben,
als hij ons had kunnen bereiken. Hoe meer ik den ketting door een
touw verlengde, des te doller werden zijne bewegingen, des te grooter
zijn woede. De zoo lang met geweld onderdrukte woeste aard van het
in vrijheid levende Roofdier kwam weer voor den dag, zijn bloeddorst
ontwaakte, en zijne blikken bedreigden alle overige, hier aanwezige
dieren met dood en verderf. Met een door den schrik hun afgeperst,
gorgelend keelgeluid vlogen de Apen bij de muren, palen en pilaren
omhoog, de Geiten blaatten van angst, de Struisvogels renden als
dol hun kooi op en neer, brommend keek de Leeuw den razenden Roeland
aan. Deze trachtte op alle mogelijke wijzen zijn vrijheid te heroveren
en meermalen sloeg ons de schrik om 't hart bij het zien van zijne
woeste pogingen. Uiterst moeilijk was het, den Luipaard weer in zijn
hok terug te drijven. Uit eigen beweging ging hij niet, en 't was
haast niet mogelijk hem te dwingen. Bedreigingen hadden in 't geheel
geen invloed op hem: als wij hem den zweep voorhielden, liet hij ons
zijne klauwen zien; op ons roepen antwoordde hij met blazen; als wij
op hem afgingen, maakte hij zich tot een sprong gereed. Wij moesten
zijn koppigheid breken zonder hem te mishandelen: want daar hij mijn
eigendom niet was, moest ik hem ontzien. Ik waagde het niet eens,
gebruik te maken van den uit een nijlpaardenhuid gesneden zweep, die
bij andere dieren gewoonlijk volkomen voldoende was; ik waagde het
niet, omdat de zweep mij niet lang genoeg voorkwam, en ik het dier
in zijn kooi moest drijven. Daarom nam ik een nieuwen stalbezem en
maakte dezen vast aan een langen, dunnen stang: met deze tuchtroede
werd den weerspannige een kastijding toegediend, die echter niets
baatte, zoodat ik andere dwangmiddelen moest bedenken. Het beste van
alles, en dat ik toevallig ontdekte, was, hem met water te begieten;
daarbij bewees een groote spuit mij uitmuntende diensten. Toen hij
een emmer water over den kop gekregen had en door den straal van de
spuit doornat geworden was, zocht hij, zoo gauw hij kon, zijn kooi
op. Later bracht ik het zoo ver, dat ik hem den bezem en de spuit
alleen maar behoefde te toonen, om hem oogenblikkelijk te nopen,
in zijn schuilhoek terug te keeren.

Luipaarden en panters speelden dikwijls een rol bij de wilde
dierengevechten, die de Romeinen in de hoofdstad te aanschouwen
kregen. Destijds waren deze Katten in Klein-Azië veel talrijker dan
thans. Caelius schreef aan Cicero, die toen landvoogd in Sicilië was:
"Als ik bij mijne spelen niet geheele kudden van Pardels toon, zal
men de schuld op u werpen." Scaurus was de eerste, die, terwijl hij
de waardigheid van aedilis bekleedde, zulke dieren in de arena bracht;
hij liet er 150 tegelijk vechten, Pompejus echter 410 en Augustus 420.



Waarschijnlijk is de _Noordsche Luipaard_, _Sneeuwluipaard_ of _Irbis_
(_Felis uncia_) het naast aan den Luipaard of Panter verwant. In
grootte komt hij hem zeer nabij. De grondkleur van zijn vacht is
witachtig grijs, naar lichtgeel zweemend; evenals zijne verwanten
(p. 108) is hij aan de rugzijde donker, aan de onderzijde echter wit
van kleur. De duidelijk bij de grondkleur afstekende, zwarte vlekken
zijn op den kop klein en vol, aan den hals grooter en ringvormig en
breiden zich aan den romp uit tot uit stippels bestaande ringen,
die ieder een aan den rand lichten, in 't midden donkerden hof
omsluiten. Behalve door de kleur verraadt de beharing ook door
gekroesdheid en wolligheid, dat haar bezitter koudere gewesten bewoont
dan de Luipaard. "Hij vervangt," volgens A. Walter, "den Panter in
de gebergten van Toerkestan, bevolkt den Altaï en de Zuid-Siberische
gebergten, breidt zich door het zuidoosten van Boekharije, den Pamir,
Kaschmir in oostelijke richting over geheel Tibet uit." In den Himalaja
voedt hij zich met Wilde Schapen, Wilde Geiten, Knaagdieren, Vogels,
rooft ook kleine huisdieren, en valt, naar men zegt, zelfs Paarden aan;
dat hij ook menschen bespringt, is nooit gebleken.



Een drietal kleinere soorten van Katten der Oude Wereld, die met
de zooeven genoemde verwant zijn, verdienen nog vermelding. De
_Gestippelde Kat_ of _Visschende Kat_ (_Felis viverrina_) komt,
wat grootte betreft, met de Boschkat overeen. Haar vacht heeft
een grijsachtige grondkleur met over 't geheele lichaam verspreide
stippels. Zij bewoont Oost-Indië, het zuiden van China en het Maleische
schiereiland, waar zij aan de oevers van rivieren en moerassen Visschen
vangt, die haar voornaamste voedsel uitmaken; zij overvalt echter ook
wel grootere Zoogdieren, zooals Honden en Schapen. De meeste zijn in
de gevangenschap wild en moeilijk te temmen.

Nog kleiner--niet grooter dan de Huiskat--is de _Koeëroek_ of
_Dwergkat_ (_Felis minuta_), die over geheel Oost-Azië verbreid is en
o. a. op Java zeer talrijk voorkomt. Zij onderscheidt zich door haar
behendigheid in 't klimmen van boomen en door haar bloedgierigheid. Het
is nog maar zelden gelukt haar eenigszins te temmen.

Als een overgangsvorm tusschen de Katten en de Lossen kan men den
_Serval_ (_Felis serval_), den "Boschkat" van de Zuid-Afrikaansche
Boeren, beschouwen. Hij is slank gebouwd, de kop schijnt in 't oog
vallend hoog door de groote, breede ooren, de vacht is licht vaalgeel
met zwarte strepen op den rug en zwarte stippels op de zijden. In
Zuid-Afrika, doch ook in alle overige steppenlanden van Afrika,
komt deze Kat vrij algemeen voor. Haar voedsel bestaat vooral uit
Vogels, doch ook uit kleine Zoogdieren. Als zij jong gevangen is,
wordt zij bij doelmatige behandeling zeer tam; de oude dieren zijn
echter dikwijls ontembaar. Haar vel, dat niet hoog geschat wordt,
komt onder den naam van "Afrikaansche Tijgerkat" in den handel voor.



Onder de _Katten der Nieuwe Wereld_, met welker beschrijving wij nu
beginnen, meende men vroeger de naaste verwanten van den Leeuw te
vinden; ten onrechte werd toen deze rang toegekend aan de _éénkleurige
Katten van Amerika_; want door haar in 't oog loopend kleinen kop
zonder manen, haar slanken, op korte pooten rustenden romp verschillen
zij belangrijk van den "koning der dieren".

De meest bekende soort van de genoemde groep is de _Koegoear_
of _Poema_ (_Felis concolor_). Dit dier kan 1.85 M. lang worden
(waarbij voor den staart 65 cM.), terwijl de hoogte in de schoften 65
cM. bedraagt. De dichte, korte en zachte beharing is aan den buik een
weinig overvloediger dan aan de rugzijde. De kleur is grootendeels
donker geel-rood, het donkerst op den rug, aan den buik geelachtig
wit, aan de binnenzijde van de ledematen en aan de borst lichter, aan
de keel en aan de binnenzijde van de ooren wit, aan hun buitenzijde
zwart, in 't midden naar rood zweemend. Boven en onder het oog staat
een kleine, witte, vóór het oog een zwartachtig bruine vlek; beide
soorten van vlekken kunnen echter ook wel ontbreken. De kop is grijs,
de staartspits donker. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat geen
verschil in kleur; de jongen echter zijn geheel anders. De kleur van
de volwassen dieren is trouwens in verschillende landstreken ongelijk;
die uit het Zuiden zijn lichter, bijna zilver-grijs; die welke in
Mexico en de Vereenigde Staten leven, zijn donkerder roodachtig geel,
of zelfs vaal bruinachtig grijs.

De Koegoear heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Hij
komt voor in geheel Zuid-Amerika, van Patagonië tot Nieuw-Granada;
hij bewoont echter ook de landen ten noorden van de landengte van
Panama--Mexico en de Vereenigde Staten--en strekt zijne rooftochten
zelfs tot in Canada uit. In vele gewesten is hij zeer menigvuldig, in
andere reeds nagenoeg uitgeroeid, en was dit ook reeds ten tijde van
Azara, die in 't einde van de vorige eeuw de eerst goede beschrijving
van den Poema leverde.

De Poema laat zich bij de keuze van een verblijfplaats leiden door
de geaardheid van het land. In boomrijke gewesten geeft hij aan het
woud duidelijk de voorkeur boven het vrije veld; het liefst houdt hij
zich echter op in den zoom van het woud en in de met zeer hoog gras
begroeide vlakten, hoewel hij deze, naar het schijnt, alleen bezoekt
om er te jagen; althans wanneer hij hier door menschen vervolgd wordt,
vlucht hij dadelijk naar het woud. Van de Pampas van Buenos Ayres, die
in 't geheel geen bosschen bevatten, is hij echter een standvastig
bewoner; hij weet zich hier zeer geschikt tusschen het gras te
verbergen. Van rivieroevers en ook van landstreken die dikwijls
overstroomd worden, schijnt de Koegoear niet te houden. Evenals vele
van zijne verwanten, heeft hij zoomin een leger als een bepaalde
woonplaats. Den dag brengt hij slapend op boomen, in struiken of
in het hooge gras door; des avonds en des nachts gaat hij op roof
uit. Bij zijne strooptochten legt hij dikwijls in een enkelen nacht
verscheidene uren gaans af, zoodat de jagers hem niet altijd aantreffen
dicht bij de plaats, waar hij een prooi overmeesterd heeft.

Alle bewegingen van den Poema geschieden met groot gemak en bewijzen
zijn groote spierkracht: naar men beweert, kan hij sprongen maken van 6
M. en meer. In den nacht en bij schemerlicht kan hij beter zien dan op
klaar lichten dag: evenwel schijnt hij niet veel hinder te hebben van
het zonlicht; hij wordt er niet door verblind. Zijn reuk is zwak, zijn
gehoor daarentegen uiterst scherp. Alleen in den grootsten nood toont
hij moed; in andere gevallen vlucht hij steeds voor menschen en Honden.

Alle kleine, zwakke Zoogdieren dienen hem tot voedsel: Koatis,
Agoetis en Pakas, Reeën, Schapen, jonge Kalveren en Veulens,
de beide laatstgenoemde, wanneer zij van hun moeder gescheiden
zijn. Zelfs de behendige Apen en de snelvoetige Nandoe zijn voor zijne
aanslagen niet veilig, want hij beheerscht de hoogten zoowel als den
bodem. Rengger zag hem eens op de apenjacht. Het fluitend geroep
van eenige Kapucijner-apen trok de aandacht van den onderzoeker,
en deed hem zijn geweer grijpen om er een of meer te dooden. Op eens
echter liet het geheele apengezelschap een heesch geschreeuw hooren
en snelde in de richting van den waarnemer voort. Met de hun eigen
behendigheid zwaaiden de dieren zich van tak tot tak, van den eenen
boom op den anderen; door hun jammerende stem, en meer nog, doordat
zij hun drek lieten vallen, gaven zij grooten schrik te kennen. Zij
werden nagezeten door een Koegoear, die hen met groote sprongen van
den eenen boom op den anderen begeerig vervolgde. Met ongeloofelijke
behendigheid sloop hij tusschen de door slingerplanten omstrengelde
en verward samengebonden takken door, waagde het, er langs te gaan,
totdat de tak zich naar beneden boog, en deed dan een sprong, die zijn
doel niet miste, naar het uiteinde van een tak van een naburigen boom.

Als de Koegoear een buit gegrepen heeft, scheurt hij hem onmiddellijk
den hals open, en lekt, eer hij begint te eten, gretig het uitvloeiende
bloed op. Kleine dieren eet hij geheel op, van grootere dieren
verslindt hij een gedeelte, gewoonlijk het voorste, en bedekt het
overschot, gelijk Azara zag, met stroo of zand. Dikwijls laat hij
het niet bij het dooden van een enkel dier, en wordt hierdoor tot
een zeer schadelijken vijand van de vee-eigenaars. Nooit sleept hij
een door hem gevangen prooi ver weg van de plaats, waar hij haar
doodde. Grootere dieren, b. v. Schapen, valt hij zelden aan: Paarden,
Muilezels, Stieren en Koeien zijn veilig voor hem, zoo ook de Honden,
hoewel hij de woningen soms tot op korten afstand nadert.

Wegens de bloeddorstige wreedheid en de hiermede samenhangende,
onevenredig groote schadelijkheid van den Koegoear wendt men alle
mogelijke middelen aan om hem ten spoedigste kwijt te raken. In Noord
Amerika wordt hij gewoonlijk door Honden op een boom gejaagd en dan
van daar naar beneden geschoten. Ook vangt men hem wel in dichtslaande
vallen. De jacht op dit dier biedt bijna geen gevaar aan. In het
noordelijk deel van den staat New-York, in de Adirondack-bergen,
schoot Pechuel-Loesche met groven hagel een grooten Poema, die naast
hem door het struikgewas sloop. Wanneer men de noodige voorzorgen in
acht neemt, heeft men zelfs van een gewonden Poema, die, door pijn
woedend geworden, op zijn aanvaller toespringt, niet veel te vreezen.

Het volgende verhaal is, naar het mij voorkomt, voldoende om den aard
van het dier te kenschetsen: Een Engelsche reiziger, die in de Pampas
Wilde Eenden vervolgde, kroop met zijne licht vogelgeweer gewapend
over den grond op de Vogels af. Hij had om niet in 't oog te vallen
het hoofd en het lichaam omhuld met een "poncho", den mantel dien men
daar gewoonlijk draagt. Op eens hoort hij een kort, heesch geluid, en
voelde bijna in 't zelfde oogenblik dat hij aangeraakt werd. Snel het
kleed van zich afschuddend, zag hij tot zijn niet geringe verrassing
een Koegoear op een armslengte afstand naast zich. Deze was echter ook
niet weinig verwonderd, keek den jager eenige oogenblikken verbaasd
aan, ging langzaam achteruit, totdat hij tien schreden van zijn
tegenstander verwijderd was, bleef nogmaals staan, en nam toen met
groote sprongen de vlucht.

Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden
soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, en sterven
vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig
volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar vrij in huis laten
rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan,
likken hem de handen en gaan aan zijne voeten liggen. Als zij gestreeld
worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen
zij ook wel in andere omstandigheden, als zij zich recht op hun gemak
gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun
ontevredenheid door een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.

Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door
een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort afgebroken
gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.

Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij,
als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en graag met hem
speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens
onverwachts op hem toe te springen; iets dergelijks doen tamme Leeuwen
ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs
van genegenheid in sommige gevallen kan zijn.

Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in
het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn vleesch,
dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters
in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij.



De naaste stamverwant van den Poema is de _Yagoearondi_ (_Felis
yaguarundi_), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt
lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop
is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing
dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder haar is aan
den wortel donker zwartachtig grijs, in 't midden zwart en aan de
spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een weinig lichter van kleur
dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear;
want de lichaamslengte bedraagt hoogstens 87 cM. (waarbij voor den
staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM.

De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens
O. Stoll komt hij misschien ook in 't zuiden van Guatemala voor,
waar hij "Gato de monte" genoemd wordt.

Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en
ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden deelt hij
zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte
der Wilde Katten is: Rengger's Honden joegen eens zes volwassene
Yagoearondi's op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit
dier is niet gevaarlijk, daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet
het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met
Honden, waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt.

Rengger heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede
Yagoearondi's in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de
zachtmoedigste Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men
hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen.



Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de _Jagoear_ of
_Once_ (_Felis onza_), is de grootste en sterkste van alle _gevlekte_
en _overlangs gestreepte Amerikaansche Katten_. Reeds in de eerste
berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu
nog heeft bijna iedere reiziger iets van hem te verhalen; uit deze
mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid
van den Jagoear sterk overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten
te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den
mond van het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met
vele fabelen doormengd.

De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en
is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van den Luipaard
of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp
korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen Jagoear is, volgens
Rengger, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel
van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van den
staart. A. von Humboldt maakt echter melding van sommige exemplaren,
die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de
Once ongeveer 80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De
vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste
deel van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige
lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat
de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de
meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde van het
oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de
buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde der vier pooten,
waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend,
ten deele met kleine, zwarte vlekken, die cirkelvormig, langwerpig
rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en
ringen, die geelachtig rood zijn met zwarte randen en één of twee
zwarte punten in 't midden. De volle vlekken bevinden zich vooral
aan den kop, den hals, de onderzijde van het lichaam en de ledematen;
daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter
en onregelmatiger dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms
aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter
aan de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de
voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks spits zwart
is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken
mondhoek een zwarte vlek te vinden en een dergelijke vlek (met een
gele of witte stip in 't midden) aan de buitenzijde van het oor. Op
den rug vloeien de vlekken ineen tot een regelmatige streep, die zich
op het kruis in tweeën verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen
zij min of meer evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger
beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie
vellen in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over
't algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij heeft
ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders,
daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met meer vlekken
voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn
niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel zulk een donkere grondkleur,
dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende
waarnemers verscheidene soorten onderscheiden, moeten de afwijkingen
van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens,
wat de hoofdkenmerken betreft, tameli

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/20129