Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Tolstoi's leven

by Pavel Ivanovich Biriukov · Dutch · Gutenberg #20128 · 800,194 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Tolstoi's leven
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Tolstoi's leven

Author: Pavel Ivanovich Biriukov

Translator: Emma B. van der Wijk


        
Release date: December 18, 2006 [eBook #20128]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/20128

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at https://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK TOLSTOI'S LEVEN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/









                            Tolstoi's leven

      Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen

                               1828-1863


                              Bewerkt door

                              P. Biroekoff

        Geautoriseerde vertaling naar het Russische handschrift

                                  Door

                          Emma B. van der Wijk

                            Met afbeeldingen


                   Amsterdam P. N. van Kampen & Zoon.





OPDRACHT.


Aan mijne vrouw Paula Nikolajewna wijd ik dit boek, het groote
werk van mijn leven, dat zoo zwaren, moeitevollen arbeid van mij
eischte. Met oprechten dank draag ik het op aan haar, die mij zoo
menigmaal mijn' last verlichtte, en mij uren schonk van ontspanning,
zoo noodig bij 't vervullen van mijn' taak.

Nooit toch had ik dit boek kunnen schrijven zonder hare
zelfverloochenende en zelfopofferende hulp, waarmee zij mij bijstond
in alle omstandigheden van mijn leven.

Ik draag mijn arbeid dus op aan mijne vrouw, en aan allen die er,
ongenoemd, aan hebben meegewerkt.

P. B.






INLEIDING.


Met eerbiedigen schroom en overtuigd van mijne geringe krachten, bereid
ik mij voor tot dit mij heilige werk: het schrijven van eene biographie
van den grooten ouden man, van mijn' onderwijzer, van Leo Tolstoi.

Eenige jaren geleden lag dit plan mij nog zóó ver, dat ik, hoewel
levende in zijne onmiddellijke nabijheid, en terwijl ik uren, ja soms
heele dagen in zijn huis doorbracht, nooit de minste aanteekening
maakte van hetgeen ik daar op kon vangen, zoo min van hem, als van de
hem omringende personen. En nu, om mijne godsdienstige overtuiging
verbannen uit mijn vaderland, ga ik dat groote werk beginnen. Eene
biographie van iemand wordt niet geschreven zonder toestemming van
die persoon zelf en zijne familie; dus wendde ik mij tot gravin Sofie
Andrejewna Tolstaja met verzoek eene biographie van haar echtgenoot
te mogen schrijven. Spoedig daarop ontving ik een mij zeer aangenaam
stemmend gunstig antwoord. Uit haar brief haal ik aan, wat op de zaak
betrekking heeft.

"Natuurlijk moogt gij gaarne met eene levensbeschrijving beginnen. Zelf
zou Tolstoi u wel willen antwoorden op wat gij hem gaat vragen,
maar dan zult ge u moeten haasten,--bijna toch was aan dit ons allen
zoo dierbare leven een einde gekomen. Gode zij dank is hij nu weer
herstellende en al weer aan den arbeid."

Om nu Tolstoi zelf niet lastig te vallen en overtuigd, dat hij mij
geene hinderpalen in den weg zou leggen, begon ik dus na ontvangst
van den brief. Na kennis te hebben genomen van de stof en na mij in
't wezen van het werk te hebben ingedacht, beklaagde ik mij eenerzijds
om den grooten omvang ervan, maar anderzijds heeft diezelfde arbeid
mij langzamerhand zóó meegesleept, mijne belangstelling zóó opgewekt,
en voel ik mij er reeds zoo mee verbonden, dat ik het nu noem: "het
Werk van mijn leven", ongeacht iedere overweging van den uitgever in
mij, welke het ook zij.

Ik begon dus de stof te bestudeeren, en, onvoorbereid als ik was,
ben ik gaan naslaan welke verklaring de encyclopaedie van Brockhaus
geeft van het woord "biographie". Ik vond daar de volgende definitie:

"Eene levensbeschrijving noemt men de schildering van een
zekere persoon, die voldoet aan de historische wetenschap. Als
wetenschappelijk werk bepaalt de beschrijving zich niet alleen tot
de uiterlijkheden, maar moet zij er naar streven de geestelijke en
moreele ontwikkeling te schetsen. Als kunstwerk moet zij den grondslag
van het karakter aangeven en in 't algemeen de behandelde persoon in
't helderste licht plaatsen."

Deze verklaring bevredigde mij volkomen, zoodat ik een aanvang met
mijn werk kon maken. Het is een verheven arbeid (des te meer, waar
dit een Tolstoi geldt), eene beschrijving te geven van 's menschen
innerlijk, d.w.z. van zijn geestelijk leven, van de ontwikkeling en
de veranderingen die erin plaats grijpen.

Maar nóg verhevener, nóg rijker is het, aan te toonen volgens welk
algemeen beginsel deze innerlijke ontwikkeling zich voltooide,
hoe karakter en ideeën zich vormden en hervormden. Slaagt men nu
tevens in 't weergeven van de uiterlijke omstandigheden van 't leven,
dienende gedeeltelijk als omlijsting, gedeeltelijk om nog scherper
licht te laten vallen op den mensch, dan kan men zeggen: "mijn arbeid
is geslaagd".

Deze overwegingen hebben mij gediend als gids bij mijn werk,

Het is van bijzonder groot gewicht, bij het geven van eene biographie,
dat de behandelde persoon nog leeft, daar iedere tegenspraak die men
ontmoet (door vergelijking met de getuigenissen uit andere bronnen)
misschien kan worden opgehelderd door de persoon zelf, zoodat de
feiten nu gegeven worden in hunne volle waarde.

De voorbereidende werkzaamheden bestonden in 't verzamelen der stof.

Deze stof nu splitste ik in vier deelen.

In de eerste afdeeling bracht ik:

Auto-biographische aanteekeningen van Leo Tolstoi, zijne brieven
gericht tot verschillende personen, en een uittreksel uit zijn dagboek.

In de tweede afdeeling: verschillende herinneringen en biographische
schetsjes van menschen, die Tolstoi van zeer nabij kenden, van
zijne bloedverwanten, zijne vrienden, enz., personen dus, die men
ieder op zichzelf kan vertrouwen. Aan deze tweede afdeeling voegde
ik nog toe verschillende officiëele gegevens, als: dienstbrieven,
stadhuispapieren, brieven van schoolbesturen, copie van gerechtelijke
en administratieve zaken, enz. enz.

In de derde afdeeling nam ik opstellen over Leo Tolstoi op, verkregen
uit andere bronnen, doch ook geschriften van hem zelf. Men moet echter
voorzichtig zijn met het gebruiken hiervan, daar werkelijke feiten
allicht zijn saamgeweven met des kunstenaars phantasie.

Ten slotte in de vierde afdeeling:

Kleine artikels, en ook opmerkingen van schrijvers, die niet ons volle
vertrouwen verdienen, maar die toch eene betrekkelijke waarde kunnen
hebben, ter aanvulling daar, waar andere bronnen te kort schoten. De
vermelding van de namen dier schrijvers acht ik overbodig.

De buitenlandsche literatuur is zeer arm aan biographische gegevens
aangaande Tolstoi, vooral wat betreft zijne eerste levensjaren. Daarom
heb ik deze bronnen niet afzonderlijk vermeld. [1]

Nadat ik de eerste schrede gedaan had, reeds bij 't schiften van
't verkregen materiaal, voelde ik dat het noodzakelijk was mij met
Tolstoi zelf in verbinding te stellen, daar ik op vele duistere punten
stootte, die alleen hij kon ophelderen. Ik heb lang overwogen of het
resultaat van den arbeid het zou rechtvaardigen, dat ik hem zooveel
moeite veroorzaakte. Evenwel, wetende dat hij een' kunstenaar nog nooit
geweigerd had eene buste naar hem te modelleeren of een portret van
hem te schilderen, noch den amateur-photografen eene opname te doen
(hoewel het hemzelf geen genoegen verschaft), besloot ook ik hem te
vragen voor mij te willen poseeren, ter verkrijging van zijn beeld
door woord en taal. Ook nu weer ontving ik een gunstig antwoord,
neergelegd in het volgend citaat van den aan mij gerichten brief van
den 2den December 1901:

"Zeer gaarne zal ik voor u poseeren en de vragen naar volgorde
beantwoorden."

Een gewichtige dienst bewees mij mijn vriend W. Gr. Tschjerkoff,
door het voor mij openstellen van zijn rijk archief, bevattende
eene persoonlijke correspondentie van Tolstoi en een uittreksel uit
zijn dagboek.

De onaangename zijde van mijn werk bestond hierin, dat ik, krachtens
eene onhebbelijke verordening uit Rusland verbannen  [2], niet in
staat was mij persoonlijk in verbinding te stellen met den man over
wien ik ging schrijven. Ook werd ik daardoor verhinderd te werken
in Russische openbare bibliotheken en archieven. Deze hinderpalen
belemmerden mijn arbeid aanmerkelijk en zij konden, hoewel niet ten
volle, slechts door mij worden overwonnen door de vriendelijkheid van
eenige bezitters van Russische particuliere bibliotheken en de rijk
voorziene Russische afdeeling in 't Britsch Museum. Ik deed daarvoor
wat in mijn vermogen was; zelfs zond ik een smeekschrift aan den
Russischen minister van binnenlandsche zaken, ten einde toestemming
te verkrijgen, om _twee maanden_ in Rusland te mogen doorbrengen, doch
ontving eene onvoorwaardelijke afwijzing. En wat nu mijn werk betreft,
zal de lezer in het eerste deel wetenswaardigheden vinden, die voor
hem beslist nieuw zijn, herinneringen uit Tolstoi's jeugd, van zijne
familie, een groot aantal brieven en een uittreksel uit zijn dagboek.

Om te doen zien, hoeveel moeite het kostte om Tolstoi over te halen
zijne herinneringen neer te schrijven, laat ik hier een uittreksel
uit mijne correspondentie met hem over dat onderwerp volgen.

Herhaalde malen schreef ik hem en zijne bloedverwanten om mij eenige
aanteekeningen te zenden over zijne kinderjaren, al waren het maar
door hem gedane mondelinge vertellinkjes. Eindelijk kreeg ik daarop
het volgende antwoord:

".... Hoe graag ik ook wilde, dacht ik eerst u niet te kunnen
helpen. Ik vreesde de onoprechtheid, eigen aan iedere auto-biographie,
maar nu geloof ik den vorm gevonden te hebben, waarin ik aan uw wensch
kan voldoen, door u de hoofdtrekken te geven der verschillende elkander
opvolgende perioden in mijn leven: die uit mijne kinderjaren, mijne
jongelingsjaren en uit den tijd, toen ik volwassen was. Zoodra ik er
toe in staat zal zijn, zal ik er eenige uren aan wijden, en trachten
het op die wijze te doen."

In een der volgende brieven schrijft hij mij:

".... Mijne belofte om eenige van mijne herinneringen voor u op te
teekenen, vreesde ik niet te kunnen nakomen. Ik heb er over nagedacht,
en zag, hoe moeilijk het is Scylla en Charybdis te vermijden,
d.w.z. eenerzijds de klip van den eigenlof, door alleen het goede te
vermelden, en aan den anderen kant de cynische openhartigheid om alles
wat slecht is aan het licht te brengen. Indien ik vertel van al die
laagheid, domheid, verdorvenheid, en dan naar waarheid, oprechter nog
dan Rousseau, dan zal dat een boek of een hoofdstuk worden, dat veel
ergernis zal verwekken. De menschen zullen zeggen: 'Dat is dus de man,
dien velen hoogachten, en zie, hij is een nietswaardige! Och, wij
eenvoudige menschen, wat kunnen wij ons vergissen. Nu, 't is Gods wil.'

"Maar, zonder scherts, toen ik begon mijn leven ernstig te overdenken
zag ik al de domheid--werkelijke domheid--en laagheid ervan, en ik
dacht bij mij zelf: 'hoe toch zullen andere lieden zijn, als ik,
de veel geprezene, zoo'n dom, laag schepsel ben?' Daarbij komt het
dan nog aan 't licht, dat ik zooveel listiger ben dan de anderen. Dit
alles schrijf ik u niet om u wat mooie woorden te laten lezen, maar
ik heb dat alles werkelijk doorleefd."

Tolstoi's weifelingen ziende en 't volle gewicht ervan voelende,
besloot ik toch vol te houden en hem, om zoo te zeggen, een begonnen
patroon te geven, waaraan hij verder kon borduren. Daarom stuurde ik
hem het door mij ontworpen plan van zijne biographie. In dat programma
volgde ik het door velen aangenomen systeem van de verdeeling van het
menschelijk leven in zevenjarige tijdperken. Deze verdeeling hoorde ik
van Tolstoi zelf, toen hij, eens met mij pratende, de meening uitte,
dat de zevenjarige perioden in het physisch menschelijk leven (eene
leer, aangenomen door sommige physiologen) telkens in overeenstemming
zijn met een zevenjarig tijdperk van de ontwikkeling van het geestelijk
leven; waaruit voortvloeit, dat iedere zevenjarige periode ook eene
afzonderlijke geestelijke gestalte aanneemt.

Op bovenbedoelde wijze ingedeeld, krijgen we dus het volgend schema
van Tolstoi's leven:


    Jaartal.   Leeftijd.             Inhoud van de perioden.

 1  1828-1835  Van geboorte-7 jaren  Kinderjaren.
 2  1835-1842  Van 7-14 jaren        Jongensjaren.
 3  1842-1849  Van 14-21 jaren       Jongelingsjaren, leertijd,
                                     universiteit, begin van 't
                                     besturen van zijn landgoed.
 4  1849-1856  Van 21-28 jaren       Begin van het schrijven,
                                     dienstjaren, Kaukasus, Donau,
                                     Sebastopol, Petersburg.
 5  1856-1863  Van 28-35 jaren       Ontslag, reizen, dood van een
                                     broeder, paedagogie, huwelijk.
 6  1863-1870  Van 35-42 jaren       Familieleven, "Oorlog en Vrede",
                                     huishouding.
 7  1870-1877  Van 42-49 jaren       Hongersnood te Samarsk, "Anna
                                     Karjenina", hoogtepunt van
                                     literairen roem, familiegeluk
                                     en rijkdom,
 8  1877-1884  Van 49-56 jaren       Crisis, biecht, evangelie,
                                     "Waarin ik geloof?"
 9  1884-1891  Van 56-63 jaren       Moskou, "Wat moeten wij doen?"
                                     volksliteratuur, bemiddelaar,
                                     verspreiding zijner ideeën
                                     onder de hoogere standen en
                                     het volk, kritieken.
10  1891-1898  Van 63-70 jaren       "Honger", "Het koninkrijk Gods
                                     in ons", ketters, vervolging van
                                     de aanhangers der ideeën.
11  1898-1905  Van 70-77 jaren       "Opstanding", in den ban gedaan,
                                     ziekte, laatste periode, bezig
                                     met militairisme, volk,
                                     geestelijke en politieke
                                     personen, oorlog revolutionaire
                                     en hervormingsbeweging in
                                     Rusland.


Reeds met den eersten oogopslag bemerkt de lezer de afscheiding van
iedere geestelijke periode.

Het opzenden van dit schema of beginpatroon bleef niet zonder
resultaat. Heel spoedig ontving ik van Tolstoi een' brief, waarin
hij o.a. het volgende schrijft:

...."Ik kom u zeggen, dat ik u bij mijne levensbeschrijving heel gaarne
wil helpen, en ik zal u de gewichtigste gebeurtenissen meedeelen. Ik
besloot dat ik ertoe mocht overgaan, omdat het misschien interessant
en nuttig voor het menschdom kan zijn, wanneer ik het wijs op al de
verdorvenheid in mijn leven tot aan mijn ontwaken, en zonder valsche
bescheidenheid, al het goede na dien tijd (hoewel de goede voornemens
niet altijd werden uitgevoerd, door gebrek aan wilskracht). In dien
geest wilde ik u dan ook schrijven.

"Uw programma, met zijn 7-jarige indeeling, zal van nut zijn en zeker
vele gedachten bij mij opwekken. Ik zal ermee beginnen zoodra het
werk dat ik onderhanden heb is afgeloopen."

Eindelijk, na vier maanden, ontving ik de kostbare bladzijden met
herinneringen, door Tolstoi zelf geschreven en na dien niet meer
gecorrigeerd [3]. Ik haastte mij ze te gebruiken in de biographie,
aan welke zij kleur en gloed zullen verleenen.

Bij de eerste gelegenheid zond ik Tolstoi 't begin van mijn werk,
met verzoek mij zijn oordeel te zeggen. Daarop ontving ik een brief,
waarin hij o.a. het volgende schrijft:

"Mijn totale indruk is, dat ge een heel goed gebruik van mijne
aanteekeningen hebt gemaakt. In bijzonderheden treden zal ik niet,
omdat het me zou verleiden veranderingen aan te brengen, hetgeen ik
niet wil doen.

"Ik laat dus alles aan u over en voeg er slechts dit bij, dat gij in
de biographie, sprekende over mijne jeugd, moet vermelden:

"_Uit de mij verstrekte en ter verwerking gegeven ongecorrigeerde
gedenkschriften._"

Ik deel dit mede, om Tolstoi van iedere literaire verantwoordelijkheid
te ontslaan, en ik zal den gecursiveerden zin overal inlasschen waar
dit noodig is.

En zoo, onder deze opwekkende omstandigheden, begon ik mijn werk.

Het eerste deel dat het licht zal zien bevat de afstamming van Leo
Tolstoi en 't eerste tijdperk van zijn leven, dus: kinderjaren,
jongelingsjaren en ten slotte zijn huwelijk.

Het is noodig hier een rustpunt te maken, ten eerste omdat Tolstoi
zelf zijn huwelijk een begin van een nieuw leven noemt en ten tweede
uit een practisch oogpunt, daar de aanteekeningen voor dit eerste
gedeelte reeds voldoende zijn om een geheel boekdeel te vullen.

In het tweede deel hoop ik te spreken over het toppunt van Tolstoi's
literairen roem, van zijn familiegeluk en rijkdom, en de wedergeboorte
tot een nieuw geestelijk leven. Dit viel ongeveer tusschen de jaren
1863 en 1884, dus tusschen zijn 35ste en 56ste jaar.

Ten slotte volgt in het derde deel de tegenwoordige episode uit
Tolstoi's leven, die, naar wij hopen, nog in lang niet zal worden
afgesloten.

Volgens eene juiste opmerking van een of anderen schrijver gelijkt
Tolstoi's leven op een omgekeerde pyramide, die met den top naar
beneden, den voet naar boven, zich meer en meer verbreedt. In diezelfde
verhouding breidt de stof voor Tolstoi's levensbeschrijving zich uit,
gering zijnde in den aanvang, aangroeiende tot het onmetelijke. Ik zal
niet beproeven in deze inleiding eene karakterbeschrijving van Tolstoi
te geven. Reeds lang immers kent de geheele wereld hem als een genie.

Ik wil hier evenwel een paar feiten noemen, waaruit de lezer zelf
zijne gevolgtrekkingen kan maken.

Volgens mijne berekening zijn Tolstoi's werken nu reeds overgebracht en
uitgegeven in 45 verschillende talen, zoowel Oostersche als Westersche,
zoowel in die van Noordelijke als van Zuidelijke landen. En immer meer
neemt de uitbreiding toe. Gedurende mijn bijna tienjarig directeurschap
van de _Posrjednik_ verkochten wij jaarlijks gemiddeld drie millioen
brochures, in hoofdzaak verhalen van Tolstoi zelf, en verder artikels
en opstellen van schrijvers die op de een of andere wijze zijne ideeën
verkondigden, en die dikwijls door hemzelf waren aangegeven.

De _Posrjednik_ bestaat reeds ongeveer 20 jaren. Aangenomen dat het
aantal uitgegeven werken verminderde, kunnen wij toch constateeren, dat
de verkoop van boeken en brochures, meer of minder Tolstoi betreffende,
het ronde cijfer van 50 millioen bedroeg. En de stroom van deze ideeën
stortte zich uit over heel Rusland, alle hinderpalen wegspoelende,
die zoowel door kerkbesturen als door de lauwe, willooze liberalen
werden opgeworpen.

Het eerste deel van mijn boek is daarom bestemd om aan te toonen,
hoe deze schoone gedachten zich ontwikkelden en vormden.


_Onex bij Genève_, Villa Russe.

_Zwitserland._

15 Oct. 1904.                                  P. J. Biroekoff.





Ik had het eerste deel van mijn werk reeds geëindigd, toen ik,
als gevolg van de mindere strengheid in Rusland, verlof kreeg
daarheen terug te keeren. Ik maakte hiervan gebruik en werd alzoo
in staat gesteld, de stof voor het eerste deel van de biographie nog
belangrijk te vermeerderen, zoowel doordat ik mij nu met Tolstoi in
onmiddellijke verbinding kon stellen als door de lectuur van zijn
dagboek en aanteekeningen.

Mijn oprechten dank breng ik aan gravin Sofie Andrejewna Tolstaja,
die mij de gelegenheid verschafte om het door haar verzamelde
materiaal (dat bewaard wordt in het historisch museum te Moskou,
in de "Tolstoi-kamer") te bestudeeren.

Waarschijnlijk was mijn werk, ware het onder gunstiger omstandigheden
begonnen, beter geslaagd, maar 't is mij onmogelijk terug te keeren om
nog eens op nieuw te beginnen. Ik liet het dus zooals het is, alleen
bracht ik die veranderingen aan, die het noodzakelijk uitvloeisel
waren van de in Rusland verzamelde gegevens.

Ook de inleiding laat ik onveranderd, daar zij naar waarheid schetst
hoe mijn werk tot stand is gekomen, en ik hoop dat de lezer zal
begrijpen onder welke eigenaardige voorwaarden dit geschiedde. Want
als men schrijft over eene nog levende energieke persoonlijkheid, kan
het laatste woord nog niet gesproken worden. Een slotrede, waarin ik
den man, met zijn nog warm kloppend hart, de zoo wel verdiende hulde
zou willen brengen, kan ik dus niet schrijven.

Ten slotte noem ik dezen arbeid, met oprecht gemeende bescheidenheid,
slechts _een door mij verzameld materiaal voor het geven van een
levensbeschrijving van Leo Nikolajewitsch Tolstoi_.

Ik wilde niet langer wachten met het uitgeven van het eerste deel,
in de hoop dat het lezende publiek in mij iemand zal zien, die zeer
dankbaar alle herinneringen, documenten enz., Leo Tolstoi betreffende,
in ontvangst zal nemen.


P. B.

23 Augustus 1905.






Inleiding

Van Leo Tolstoi bij zijne herinneringen.


Mijn vriend P. Biroekoff, die van plan is een levensbeschrijving
van mij het licht te doen zien, vroeg mij om eenige gegevens. Heel
gaarne wilde ik zijn verzoek inwilligen en in gedachten begon ik
reeds met de samenstelling. In den beginne, zonder het te willen,
zonder het zelfs te bemerken, herinnerde ik mij alleen maar het goede
uit mijn leven, terwijl alle slechte, donkere oogenblikken zich
niet scherper vertoonden dan de schaduw op een schilderij. Dieper
echter in mijn leven doordringende, zag ik dat zulk een biographie
een leugen zou zijn, misschien niet in den vollen zin van 't woord,
maar dan toch een leugen als gevolg van het valsche licht, dat ik op
de gebeurtenissen liet vallen, en van de opsomming van al het goede,
gevoegd bij de verzwijging of vergoelijking van al het slechte. Ik
nam mij daarom voor, de waarheid neer te schrijven, en niets wat
slecht in mij is te verbergen, maar schrikte terug voor den indruk,
die zulk een biographie moest maken. Juist in dien tijd werd ik
ziek. In dien gedwongen rusttijd dwaalden mijne gedachten steeds weer
naar mijne herinneringen en deze waren ontzettend. Ik doorleefde alle
gewaarwordingen die Poeschkin beschrijft in zijn gedicht "Herinnering",
waarvan de laatste woorden zijn: "maar de regels van droefheid laten
zich niet uitwisschen", wat ik zou willen veranderen in: "maar de
regels van _schande_ laten zich niet uitwisschen".

Onder den indruk van het bovenstaande schreef ik in mijn dagboek:



_6 Januari 1903._

Ik lijd tegenwoordig hellepijnen. Ik herinner me al het lage van mijn
vroeger leven en die herinneringen laten me niet los en vergiftigen
mij. Gewoonlijk beklaagt men zich, dat de herinnering verdwijnt met den
dood. Welk een geluk, dat het zoo is. Wat zou het een kwelling zijn,
indien ik in het leven hiernamaals de herinnering moest meenemen
aan al het wreede, al het lage wat ik op aarde beging. Want zoo we
ons het goede konden herinneren zouden we het slechte niet kunnen
vergeten. Wat een geluk, dat de herinnering verdwijnt met den dood,
dat er slechts één bewustzijn overblijft, het bewustzijn dat ons wijst
op een vermenging van al het goede en het kwade, alles samenvloeiend
tot de groote onbekende X, tot het positieve of het negatieve, tot
het groote of het kleine.

Ja het is een groot geluk, dat de herinnering verdwijnt; bleef zij
bestaan, dan zouden wij nooit weer vroolijk kunnen zijn. Nu echter,
door haar vernietiging, zullen we in het andere leven overgaan met
een schoone, reine bladzijde, waarop wederom het goede en het kwade
kan worden neergeschreven.



Het is waar, dat mijn leven niet altijd zoo verdorven was als in den
tijd toen ik ongeveer 20 jaren telde; het is ook waar, dat het niet
voortdurend zoo slecht was, als ik het mij voorstelde in de dagen
mijner ziekte. Ook in dat tijdperk ontwaakte in mij soms de drang naar
het goede, te snel helaas weer verstikt door blinde hartstochten, die
mij naar omlaag trokken. Maar hoe het ook zij, de gedachten, ontkiemd
in de dagen mijner ziekte, toonden mij duidelijk aan, dat mijne
biographie, samengesteld op de wijze zooals men dat gewoonlijk doet,
n.l. met weglating van alle misslagen, verdorvenheid en onreinheid,
een leugen zou zijn, en laat ik haar verschijnen, dan moet zij waarheid
en niets dan waarheid bevatten. Geschreven op deze wijze, kan zij,
hoeveel schande ook over mij brengende, van groot en werkelijk nut
zijn voor den lezer.

Zoo mij in mijne herinneringen verdiepende en alles beschouwende
uit het gezichtspunt van goed en kwaad, kwam ik tot het besluit mijn
geheele leven in vier tijdperken te verdeelen.

Ten eerste: De heerlijke, blijde, onschuldige, poëtische periode
mijner kindsheid tot aan mijn 14de jaar.

Vervolgens de tweede, die vreeslijke 20 jaren, het tijdperk van
mijn groote bandeloosheid, van mijn verlangen naar roem en eer,
en in hoofdzaak van mijne zinnelijke begeerten. Dan de derde,
18-jarige periode, van mijn huwelijk af tot aan mijne geestelijke
wedergeboorte. Van een wereldsch standpunt bezien, kan dit tijdperk
het meest zedelijke worden genoemd. In die achttien jaren toch
leidde ik een ordelijk, geregeld, huiselijk leven, bekommerde mij
niet om de publieke opinie of lasterlijke praatjes, terwijl mijne
geheele belangstelling zich egoïstisch bepaalde tot mijne familie,
de vermeerdering van mijn vermogen en literair succes, en verder tot
allerlei kalme genoegens. En ten slotte de vierde, 20-jarige periode,
waarin ik nu leef, waarin ik ook hoop te sterven, in wier licht ik
de geheele beteekenis begrijp van het leven dat achter mij ligt,
en waaraan ik niets meer wensch te veranderen, behalve die slechte
gewoonten, die mij bij zijn gebleven uit mijn vorige tijdperken.

De geschiedenis nu van deze vier tijdperken, geheel naar waarheid,
wensch ik te vertellen, zoo God mij kracht en leven schenkt. Ik geloof,
dat zulk een biographie van grooter nut voor het menschdom zal zijn
dan alle fraaie redeneeringen waarmee mijn twaalf deelen gevuld zijn
en waaraan de menschen van onzen tijd zoo'n grooten, onverdienden
lof toezwaaien.

En nu ga ik beginnen. Ik zal aanvangen met het eerste, vroolijke
tijdperk van mijn kinderjaren, waaraan ik zulke heerlijke herinneringen
heb, en dan (hoeveel schande het ook over mij zal brengen) zal ik
vertellen en niets verzwijgen van die vreeselijke twintig jaren, die
daarop volgen. Dan komt de derde periode, die velen minder belang
in zal boezemen, en ten slotte de laatste, waarin ik ontwaakte tot
de waarheid, en die mij het hoogste levensgeluk en een blijde rust
heeft geschonken, in afwachting van den naderenden dood.

Om niet in herhalingen te vervallen, herlas ik eens wat ik vroeger
onder den titel _Kinderjaren_ had uitgegeven en betreur het nu, dat dit
boek ooit het licht zag, zoo slecht en, van een letterkundig standpunt,
onwaardig als het geschreven is. Dat kon ook niet anders. Ten eerste,
omdat het niet de geschiedenis bevat van mijn eigen jeugd maar die
mijner vrienden uit dien tijd, en ten tweede, omdat ik toen nog lang
niet zelfstandig was in het vormen van mijn uitdrukkingen en sterk
onder den invloed stond van de twee schrijvers Sterne (_Sentimental
Journey_) en Töpfer (_Bibliothèque de mon Oncle_). Hoofdzakelijk zijn
het de twee laatste deelen, die mij nu niet meer bevallen. Behalve
een verward mengsel van waarheid en fantasie, is het tevens een
onwaar boek, waarin ik iets voorstel als gewichtig en goed, dat ik
in dien tijd noch goed, noch gewichtig vond, n.l. mijne democratische
richting. Ik hoop, dat wat ik nu ga schrijven beter en hoofdzakelijk
nuttiger voor anderen zal zijn. [4]








EERSTE DEEL.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VOOROUDERS VAN LEO TOLSTOI VAN VADERSZIJDE. [5]


De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens
de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee
zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich
doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige
adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch,
verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst
Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van
de Tolstoi's. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht
Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den
tweeden graad). [6]

Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683
als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel,
enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der
Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te
verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield
hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor
dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.

Daarvan vertelt men het volgende.

Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn
grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den
kalen schedel en sprak: "Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig
waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden."

Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden
strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.

In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in
de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan
er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde
hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In
't eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel,
een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen
van 1710-1713 zat hij tweemaal op het "slot met de zeven torens"
gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot
is afgebeeld.

In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij
voor goed bij dezen in de gunst kwam.

Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het
kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei
met zijne vriendin Eufrosyne verborgen. Met behulp van die vrouw
gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den
Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam
aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime
rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking
van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en
Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen
ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij,
waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder
't volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.

Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de
onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door
hem werden vertrouwd.

Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met
Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig
mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag
beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten
bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een' zoon van den
vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder
dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar),
werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar
hij niet lang daarna, in 1729, overleed.

Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi's
buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje
van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van
West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende
over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend: _De
Metamorphose van Ovidius_ en _De Regeering van den Turkschen Staat_.

Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van de rechtbank,
die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij
spoedig na zijn vader overleed.

Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden
de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid
hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch,
den overgrootvader van Leo Tolstoi.

"Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch,
die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in 't huwelijk trad,
eens het volgende verhaal.

"Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar
een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit
men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door
het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de
jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat
ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en
vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder
hem te groeten was weggegaan." [7]



Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder
van vaderszijde.



"Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den
blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij
kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak
zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze
wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader,
toen door haar man en daarna door haar zoon.

"Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht,
de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen
minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en
de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en
Michael Sebastopolski.

"Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig
ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar
zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van
vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja
Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds
feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en 't maken van kleine
uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht
voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor
hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds
maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde
van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo
met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven,
en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan
te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post
te krijgen.

"Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat
hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos
wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder,
zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist,
wel geschenken aan.

"De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan
met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf
Osten Sacken.

"Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk
van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en
zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel
duidelijk voorstellen.

"Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar
kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook,
maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat
zij haar niet goed genoeg vond voor vader en--omdat zij jaloersch
op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te
zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden
alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar
den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar
luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden:
'jij bent mij de liefste' verlangde zij de onmogelijkste dingen van
haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is,
dat Gascha Arafa Michaïlowna [8], die ik nog heel goed gekend heb,
alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten,
met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had,
juist zoo omging als grootmoeder met haar.

"Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze
reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst
gebleven.

"De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere
zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn
kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi
kon maken.

"Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich
wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen),
haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen
en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.

"De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in de groene cabriolet
op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch
uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de
knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er
dit jaar zeer overvloedig zijn.

"Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende
takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene
cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar
haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten
aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe
Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste
takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit
alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de
takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer
oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe
warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw,
hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van
zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten
en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en
al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.

"Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in
de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat
er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik
niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom,
den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet,
de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik
geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen
konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel
vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die
getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.

"De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is
die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch
(hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem
leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap
nog bestond, een lijfeigene van mijn' grootvader. Hij was indertijd
gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts
blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat
men ze hem een paar maal had voorgelezen.

"Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij
onzichtbaar tot hij 's avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag
kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een
klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette
zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht
dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die,
zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man,
haar nachttoilet in orde kon maken.

"Op dien dag, toen 't mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten,
zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe
jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn
avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde
in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft
gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan
en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden,
grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige
zeepbellen kon maken, geheel in 't wit, omhuld met wit, bedekt
met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,--van uit de
diepe vensternis--de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch:
'Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?'--'Ja, ga verder.'--'Mijn geliefd
zustertje,' hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem,
'doe ons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te
vertellen.' 'Zeer gaarne,' antwoordde Scheherezade, 'ik zou u de
geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons
daarvoor uwe toestemming wilt geven.' Nadat zij deze had verkregen
begon de Sultane Scheherezade als volgt: 'Er was eens een Tsaar die
een eenigen zoon had...' en duidelijk woord voor woord vertelde Leo
Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch
begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen
aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op
den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde
oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op
de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het
mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer
gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.

"Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer
herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in
verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn
grootmoeder." [9].



De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste
voorouders van Leo Tolstoi.


Graven Tolstoi.


    Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].
    Iwan Petrowitsch [† 1728].
    Andrei Iwanowitsch [† 1803].
    Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).

            Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.
            Nikolaas [† 1837].
            Pelageja, getrouwd met W. I. Joeschkoff.
            Ilija, stierf kinderloos
            Nikolaas, geb. 1823.
            Sergius, geb. 1826.
            Dimitri, geb. 1827.
            Leo, geb. 1828.
            Maria, geb. 1830.




De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van
de maatschappij.

Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten
in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner
staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend
kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die
een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi,
die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De
gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn
reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad
van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen
stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf
Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het
Solowetski-klooster.






TWEEDE HOOFDSTUK.

VOOROUDERS VAN LEO TOLSTOI VAN MOEDERSZIJDE.


De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.

Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf
geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de
stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld,
met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn
nakomelingen voorstellen.

Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13de geslacht na Rurik, ontving in het
begin van de 14de eeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier
de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en
Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon
Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen
van Leo Tolstoi's jongste voorouders zijn' overgrootvader, vorst
Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende
legende weeft.

Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den
zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens,
tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje
te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik,
aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij
zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond
het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalk Apraksin. Op
dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te
begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch
bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat
een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het
beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn
jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het
leven. Hij stierf 10 Maart 1784.

Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in
zijn roman _Oorlog en Vrede_, om de godsdienstige gevoelens weer te
geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog
trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt,
dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: "Denk
wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De
vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen..."

Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de
werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de
eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan
de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen,
voorkomend in _Oorlog en Vrede_, bezieling schenkt, zoodat wij niet
twijfelen aan hun werkelijk bestaan.

De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch,
was Tolstoi's grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de
stamboom van hem zegt.

Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van
vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren
Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen
in 't gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de
eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later
begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot
eersten gezant te Berlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den
kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari
1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer
te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam
van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den roman _Oorlog en Vrede_
onsterfelijk is gemaakt.

Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja
lawra (een klooster).

Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn'
grootvader.

"Van mijn' grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina
het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd
ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt,
de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze
het hem vroeg: 'Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe
bijzit.' Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd
bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel,
waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer
Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina
Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja
Paljana, dat hij van zijn' vader had gekregen.

"Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter
nalatende.

"Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood,
in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.

"Men zegt van mijn' grootvader, dat hij een zeer streng landheer
was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen,
zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch
wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig
over hem. De boeren echter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied
voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd,
zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed
landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote,
mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts,
en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en
vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij
zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.

"Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der
boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik
(de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag
inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en
onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.

"Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes,
door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi,
evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen
hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij
er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de
lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te
omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij
wandelde 's morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de
muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.

"Het noodlot bracht mijn' grootvader op een eigenaardige wijze weer
samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had
gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch
Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had
ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn
grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie,
dus ook met zijne vrouw, dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was,
reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.

"Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij,
natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd
door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In
ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius
Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja,
ook met eene ridderorde.

"Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met
elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner
moeder, stierf nog vóór het huwelijk" [10].

Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene
interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja
(eene nicht van Tolstoi's moeder), die heel veel gebeurtenissen ten
zijnen huize heeft bijgewoond.

Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een
nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood
dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas
Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door
Tolstoi beschreven in zijn' roman _Oorlog en Vrede_.

Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en
gebeurtenissen haar levendig bij.

Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje
Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij
zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar
oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten,
en met wie zij, den roman _Oorlog en Vrede_ lezende en herlezende,
oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten,
genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.

Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam, vertelde zij
met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds
lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op
haar 90sten verjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten
geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel,
kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel
van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede
herinnering, door haar ouders achtergelaten.



"Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje,
toen ik in 't jaar '50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke
wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed
op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde
een weinig, en zette mij zuurkool, pastila [11] en twarok [12] voor,
zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over
den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn' grootvader, van mijne
moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik
mijn' roman _Drie dooden_. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen
een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven" [13].

Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski's, die,
hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst
Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef
van Tolstoi's moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski
en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven
gesproken hebben.

Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van
een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot
der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren
bleef. De eerste jaren moest hij, steeds geketend, werken bij den
vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder
politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria
Nikolajewna, is bezongen in 't bekende gedicht van Njekrasoff.

Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer
Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van
zijn' grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In
de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland
steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven,
maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen
adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten
tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den
slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius
4de klasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den
beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het
hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem
op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die
dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit
achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren
die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat
zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.

Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen
had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom
het aanbod moest afslaan.

Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens
zijne verwonding uit den dienst ontslagen.

In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan
Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft
beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt
ook woordelijk voor in den roman _Oorlog en Vrede_.






DERDE HOOFDSTUK.

DE OUDERS VAN LEO TOLSTOI.


Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische
volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen
aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden
en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de
gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante,
die hem duidelijk voor den geest staan.

Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben
wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt,
maar alleen het verhaal van zijn' grootvader Wolkonski er uitgelicht,
om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van
moederszijde behandelt [14].



"Mijne moeder kan ik mij in 't geheel niet meer herinneren. Zij
stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd
toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij
er heeft uitgezien.

"Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk
beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weet is goed en mooi,
en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde,
maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn
moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden,
van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede
menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart,
dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker
is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij
goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.

"Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij
kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen
heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef,
vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel
kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een
kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die
zij dichtte onder 't vertellen. Zij kon--en dat was wel haar schoonste
eigenschap--, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich
steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar 't gelaat,
zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze
nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.

"In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn' vader,
aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het
doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was
toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden
hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne
onverschilligheid tegenover alles 'wat de menschen van hen zeiden,'
en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden
te verbergen. Van mijn' broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer
terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen
moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne
moeder kwam ik het te weten uit hare brieven. Zoo herinner ik mij dat
wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man,
den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem
vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig
en had er zelf pleizier in.

"Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij
stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie,
behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog
staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.

"Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn' broer,
waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor 't oordeel
der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand
veroordeelden.

"Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en
hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat
mijn' broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had
ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij
iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor
en een lachje.

"In de _Levensbeschrijving_ van Dmitri Rostowski is een geschiedenis,
die mij altijd bijzonder heeft getroffen.

"Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen
monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet
slechts in 't paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op
zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang
niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten
antwoord: 'hij oordeelde nooit iemand.'

"Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en
mijn broer die zeker bekomen.

"Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid
en eenvoudigheid in hare brieven.

"In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven
uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren 'onvergelijkelijke, aangebedene,
vreugde van mijn leven, ontschatbare,' en dergelijke meer gekunstelde
dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar
intiem kenden.

"Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven
van mijn' vader. Hij schrijft: '_ma bien douce amie, je ne pense
qu'au bonheur d'être auprès de tot_.' 't Is nog de vraag, of dat
geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef:
'_mon bon ami_', en in een van hare brieven zegt ze ronduit: '_le
temps me parait long sans toi, quoiqu'à dire vrai nous ne jouissons pas
beaucoup de ta société quand tu es ici_', en zij onderteekende altijd:
'_ta devouée Marie_.'



"Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou,
gedeeltelijk buiten bij mijn' grootvader Wolkonski, een verstandig
begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel
veel van ons hield en mij '_mon petit Benjamin_' noemde.

"Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat
zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een
meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.



"Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare
bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een
wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een
klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het
slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn
vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn'
vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare
kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterde drie of
vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven
bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene
zekere melle Enisienne, eene Française, welke vriendschap echter,
zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die
melle Enisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een'
neef van mijne moeder.

"Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes,
die bij haar in huis zijn: [15]

"'Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik,
lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik,
lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben
de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid
hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd
en van zoo vreemden aard als de hare: 't is eene opeenvolging van
pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige
vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische
vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven
beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met
een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies,
die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit:
"weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel
op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der
verbeelding alles mooi doet schijnen?" En dan weer glimlach ik om
haar kinderachtigheid.'

"De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor
mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in 't Russisch
geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze
hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles
te doen wat in haar vermogen was voor de goede opvoeding van haren
Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat
daarvoor noodig was.

"Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was
en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip
moest een man hard zijn.

"Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne
verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats van _bonsoir_ of _bonjour_,
'_je vous remercie_' tegen zijne grootmoeder zeide.

"Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat
het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor
Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne
moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne
moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den
ander overdroeg.

"Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij
scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls
tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te
sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan
riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls
verhoord.

"Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was
volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.

"Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar
dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind
Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo,
Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn'
grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en
dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boek
_Kinderjaren_ beschreven.

"Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en
de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het
korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en
goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van
haar voor ons allen--van ons allen voor haar.

"Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand,
behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant
die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken,
kwam bij ons op Jasnaja Paljana.

"Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder
's avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als
Rousseau's _Emile_, en sprak over het gelezene; zij speelde piano,
gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde
haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen
ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd,
geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd
niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader
kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder
elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik
beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder
reeds gestorven en had de dood zijn' stempel op onze familie gedrukt.

"Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen
van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en
waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die
wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te
klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin
dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor
den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader,
hoewel hij niet zoo'n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik
niet het meest van hem hield.

"Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door
een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien
jaar was, ging hij, ondanks den angst en 't verdriet van zijne ouders,
in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van
mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een'
broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn
vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht
van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij
als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en
eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader
was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen
jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op
zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen
over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking
gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon
maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens
dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne
volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel
herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere
broer, die meer dan een van ons allen op mijn' vader geleek, bij ons
om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.

"Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en
kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd,
gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn' vader,
die getrouwd was met Joeschkoff.

"Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene
erfenis, die door de schulden werd overtroffen, en met de zorg voor
zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht
men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar
Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar,
en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.

"Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische
man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd
droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen
van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver
gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap:
hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn
leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan
hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren
mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde
zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. 't Was
dan ook eerst na den dood van mijn' vader, dat ik te weten kwam,
dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.

"Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling
terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï
Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat
oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi
was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij
heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: 'naar den dorschvloer,
waar Koezma gestraft moet worden'. Ik kan onmogelijk het gevoel voor
ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij 't hooren van die woorden
en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het 's
avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen,
paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte,
er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij het
hoorde en zei verwijtend: 'Waarom heb je het niet tegengehouden?' Haar
woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons
in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen
doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.

"Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven
voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed
en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien
tijd over 't algemeen veel voor, maar bij mijn' vader was 't aan de
orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest
afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging
hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit
zijn' vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff,
Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene
gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor
een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem
uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.

"Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las
hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken,
historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.

"Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen
nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu,
hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die
deelen _Histoire des Croisades_ en _Histoire des Papes_ doorworstelde,
die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen
wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als
alle beschaafde menschen van zijn' tijd. Zooals velen uit den tijd van
Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, '14, '15, was hij
wel niet wat men tegenwoordig liberaal noemt maar het was eenvoudig
zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen,
zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf,
maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten
zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas
Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren
hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.

"Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn
vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of
zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde
hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.

"Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen
om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij
zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan
en soms--en dat was het heerlijkst van al--mochten wij achter zijn
rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar
die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom,
die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons
naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt
toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat
ik van buiten kende, _Aan de Zee_ van Poeschkin, ('Vaarwel gij vrije
elementen!') of _Napoleon_ ('Het wonderbare lot heeft zich voltrokken,
vergaan is de groote man!') liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij
had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij
naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant
van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat
maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en
vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, de tantes
en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de
reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en
zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem
als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls
heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn
gedicht _Vertrek voor de jacht van Graaf Noelin_. Ik herinner mij
dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons
opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge
gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons
heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij
weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.

"Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij
allen reden op de lineïka [16] naar het dichte bosch, waar een vos
was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem
ergens--wij zagen niet waar--grepen. Ik herinner mij ook nog zeer
duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij
gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een
grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en
wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene
open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met
hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en
trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en
iemand riep er 'los!' Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een
paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan,
en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf
ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig
gesticuleerend naar huis ging.

"Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met
grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader
ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna
hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje
met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten
schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden
snuifdoos. Naast den divan, in een' leunstoel, zit Petrowna (de vrouw
van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar
spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.

"Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere
reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat
dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.

"De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In
een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel,
ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn
mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we
zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik
herinner mij, dat eens, midden in 't patience-spel, vader de tantes
een' wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij
allen kijken daarheen.

"Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in 't salon was,
naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die
den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader
ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende
verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt,
het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid
van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne
witte hand. Ik hield heel veel van mijn' vader, maar wist niet hoe
groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren." [17]



Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf
verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten
willen wij hier nog bijvoegen.

Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren
in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het
portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi,
het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den
militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.

"Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de),
volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen
Wladimir 4de klasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst
van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3de Irkoetskische
kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het
Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot
1ste luitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester
7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste
naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar
het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens
ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart
1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te
Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan
verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten
bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en
voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd,
beloond met den titel van 1ste luitenant en ritmeester bij den staf,
en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint."

In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den
dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de
oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.

Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich
te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen,
den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de
familie zich zeer snel. 17 Febr. 1826 werd hun zoon Sergius geboren,
23 April 1827 Dmitri en 28 Aug. 1828 hun zoon Leo.

Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de
geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man
met vijf kinderen achterlatende.

Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die
groot gebracht was ten huize van Tolstoi's grootvader (reeds vroeger
genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.

In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene
interessante episode uit het leven van Tolstoi's vader.

In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar
St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie,
werd hij met zijn' oppasser, een' lijfeigene, gevangen genomen. Deze
wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn' heer in zijne
laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit,
om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan
zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch,
behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten,
te Parijs geen gebrek te lijden.

Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal
men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne
vertelling _Kinderjaren_, niet zijne ouders zijn geweest.

Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn' vader
een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een' vriend en buurman van zijn
werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte
persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den roman _Oorlog en
Vrede_ in de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria
Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.

Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt
bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in
de familie-kroniek der Tolstoi's. Even duidelijk te herkennen zijn
ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman
eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van
Leo Tolstoi.






TWEEDE DEEL.

KINDERJAREN, JONGENSJAREN EN JONGELINGSJAREN.

1828-1851.



VIERDE HOOFDSTUK.

KINDERJAREN.


"Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana."

Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te
deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets
naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals
wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten
heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen
Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië
en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen
kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste
hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard,
die het bewoont.

Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen
15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat
gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen,
vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met
gras begroeide Kiefsche weg, de nieuwe Kiefsche chaussée en de
Moskou-spoorbaan. Tolstoi's huis, staande in eene schoone heuvelachtige
streek, die van 't Oosten naar 't Westen door een prachtig bosch in
twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd
van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka,
die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de
invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest
terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen,
wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest
omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.

Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja
Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn' grootvader, daarna
door zijn' vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en
verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja
Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf
daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. 't Groote
heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk
geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een' brief van Tolstoi aan
zijn' broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te
gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het
dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande
Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels,
die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek
waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder
wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt
wordt om er bij mooi weer 's middags te eten.

Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter
een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds
honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met
wallen. Bij den ingang staan twee witgeverfde baksteenen torens, waar,
volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs
dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde
"prospekt".

Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen,
die onder Tolstoi's persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele
aanplanting, gelegen tegen een' heuvel, wordt door het dichte groen
aan ons oog onttrokken.

Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere
bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.

"In het jaar 1828, den 28sten Augustus, werd graaf N. I. Tolstoi te
Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door
den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch,
den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor
Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja
Tolstaja waren peter en meter."

Dat is alles wat wij van Tolstoi's geboorte vernemen. Van zijn prilste
jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan
een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van
de persoon, die hij wil beschrijven. In zijne _Eerste Herinneringen_
beschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken
van zijn eerste levensjaar.

Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn
neergeschreven.



"Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde
op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later
gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of
slechts droomen weergeven.



"Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan
het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doet mij zelf
onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich
over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in
schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden;
mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn
huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch
en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat
wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet
zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit,
waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet
de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het
noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal
het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast
toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben,
of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een
uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering
meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het,
dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het
is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich
aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden
van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik,
die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.

"Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt
een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men
mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder,
misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder
heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden
van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige
gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme
dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randen
van de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.--Het is vreemd en
angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk
kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien
tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon
te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn
bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij,
als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij
(en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van
vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden
laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien,
hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan
de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde
schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in
die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo
veel, dat in 't geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte
daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die
ik nu ben,--is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde
jaar--een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt
een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een
afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der
gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven
een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer
een vrijmaking er van.

"Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik
reeds vier of vijf jaar was. 't Zijn er nog maar weinige en zij bepalen
zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan
mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij
herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.

"Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel, geen
zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren
gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit
beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar
geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien
ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien,
en ik was immers zelf natuur.

"De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan 'Jerjemjejewna',
het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn
bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets
hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders,
die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem
gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik
herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was
zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje
op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn
bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook
angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in
het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets
vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen
weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts
zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die
zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet
ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van
stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot,
ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij
die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.

"Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren,
in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.

"In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van
lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk
voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor
Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht
stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de
eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog
heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder,
noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is
't die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken
angst voor Jerjemjejewna.

"Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de
indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik
er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik
mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn,
wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook,
dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat
het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen
en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog
in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel
ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem
plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en--het is uit."

Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna,
het zusje van Tolstoi.

"Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en
Doenjetschka [18]. Wij speelden altijd samen en vormden een heel
afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd
met hun' gouverneur beneden waren.

"Het liefst van alles speelden wij 'Milaschka' (lieveling). Een van
ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen
vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het,
in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet
volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles
wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.

"Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka
(meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in
slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen,
dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter
maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk
der verbeelding tot de werkelijkheid terug".



"Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne
njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed,
niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm
aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij
Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar
beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef
van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals
het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de
gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het,
poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen,
van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn
gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed
mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte
geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch
mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de
oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat
het voor een grooten jongen schande was alleen met meisjes om te gaan,
dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar--op
mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik
was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en
mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen,
mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later,
aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer
diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen
ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit
zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden,
naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje,
dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd
afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot
nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik
toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat
was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede,
barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde
mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat
ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.

"Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een
moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga
sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen
spel zijn?

"_5 Mei 1878._"

Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante
beschrijving:



"Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder,
de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij
was eene verre bloedverwant van mijne grootmoeder van de zijde der
Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter
Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.

"Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking
geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke
Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot
heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen
werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en
de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar
Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men
haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795,
was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes
opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij
haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende,
dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even
onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.

"Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en
begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na
zou durven doen. 'Ik zal het doen,' zei Tatjana. 'Je doet het toch
niet,' zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek
voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en
rookte. 'Leg die nu tegen je arm,' zei hij. Zij strekte haar blanken
arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff
drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen
maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de
liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de
wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord,
dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius
Scaevola had gevoeld.

"Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.

"Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar
zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke
trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte
don Juan, zei dikwijls--hij was toen reeds een grijsaard--op een'
toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: 'Toinette, oh,
elle était charmante!'

"Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht
er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar,
ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede,
kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij
vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet
in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen,
en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde
bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar
en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille,
bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood
van moeder:

"'16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan,
namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen
en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het
tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als
ik leef.'

"Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met
wien ook over gesproken. Na den dood van mijn' vader vervulde zij
de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene
grootmoeder. Die hadden allen een grooter recht op ons dan Tatjana,
die wij maar tante noemden en die zoo'n ver verwijderd familielid was,
dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking
stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haar de eerste plaats
bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.

"Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.

"Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer
vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne
hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot
haar te weenen.

"Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef
beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de
toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik,
reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig
en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij
was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de
gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht
zij: 'lijfeigenen zijn lijfeigenen,' en was tegenover hen geheel
de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der
anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle
boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden. De
hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat
die zich tot één mensch, tot mijn' vader, had bepaald. Haar liefde
echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem,
allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.

"Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen
tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht,
hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en
hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij
haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons,
en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij
een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer
twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het,
dat wij ons geluk, vooral zoo'n groot innig geluk, nooit naar waarde
schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij
hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen
te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die
dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik
zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging,
dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep
en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij
nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.

"Eens--ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken--toen ik
bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar
ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten):
'Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar
zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,' vervolgde zij met
bevende stem, 'dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef
mij daarom liever eene andere kamer'.--Zoo is zij altijd geweest,
van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.

"Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene
chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde
hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote
zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop
zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang
tot het vertrek van haar kamenier.

"Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn
leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij,
reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te
hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag,
ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het
geluk er van. Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten
tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig,
ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.

"Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik
toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog
als jonggezel op Jasnaja woonde." [19]



Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi's ouders reeds opgemerkt,
dat zijne vertelling _Kinder-, Jongens- en Jongelingsjaren_ niet als
een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in
hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld
om het geheel aan te vullen.

Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen
wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden
door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze
biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen
uit dat werk naar het leven zijn geteekend.

Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders
dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in
werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij
reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijne _Eerste
Herinneringen_. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad
hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere
liefde, waarmee de auteur van _Kinderjaren_ zijne oprechte, eerlijke,
goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat
deze invloed een goede was.

Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne
jeugd begint met de schildering van dezen persoon.

Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij
de kerk.

Een tweede persoon die in _Kinderjaren_ wordt beschreven is een
Joerodiewi [20].

Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld
grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een
diepen indruk op Tolstoi's kinderziel. De volgende roerende woorden
zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een
avondgebed van den Joerodiewi.



"Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne
weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen),
voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God
hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: 'O God,
vergeef ook mijne vijanden!'

"Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend,
wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op
de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den
grond sloegen....

".... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige
geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige
malen: 'Heer, vergeef mij', telkens met sterkeren, grooteren nadruk,
'Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet', en sprak met
zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken
verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen,
geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.

"--'Heer, Uw wil geschiede', riep hij plotseling met volle overtuiging,
viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.

"Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan
't verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige
droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn
laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het
gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering
worden gewischt.

"O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet
Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over
uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en
welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden
meer vondt, vielt gij weenend ter neer." [21]



Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het
volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi's geest overwon, na de
onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de
exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het
licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden,
de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.



Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi's herinneringen.



"De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er
velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn' opvoeders dankbaar voor,
dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.

"Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke
oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog, hoewel praktisch
onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af,
geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij
ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: 'er is niets verheveners,
dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.'



"De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is
zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen,
niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de
verachting der menschen op zich te laden.

"Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van
mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen,
die wel in ons huis kwamen.

"Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel
van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de
groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige
gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.

"'Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,' sprak hij met overtuigend
vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God
de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen
volstrooide met geel zand."



In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter
Katjenka, "zoo iets van een eerste liefde". Onder den naam Mimi vinden
wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der
familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.



Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:



"Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af
bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij
was en hoe zij bij ons kwam.

"Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner,
bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog
veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt,
zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn
peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte,
rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht,
waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.

"Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een
verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel
Tjemjeschoff, die heel veel van mijn' vader hield en hem steeds
'broeder' noemde.

"Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp
Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee,
die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.

"Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering
één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren,
zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende
er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen
wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles
kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.

"Het was op een' winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden
spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna
toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de
bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten,
omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar 't midden van de
kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen
steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het
vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die
man was--Tjemjeschoff. Wat hij tegen vader zei, terwijl hij voor
hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later
hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had,
waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk
met ons zou worden opgevoed.



"Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed
gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was
eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van
een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.

"Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld
contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen
wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren
zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was
eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff's erfgenamen waren
zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij
woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde,
dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo,
dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de
twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men
het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op,
waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000
roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff,
Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff's overlijden kwam
het goed aan mijn' vader, die dan de geheele som aan de drie houders
van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes
zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het
contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons
kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff
en Jaziekoff. Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten
gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff,
eigende het zich toe. Daarover echter later.

"Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig,
maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij,
dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men
mij opdroeg haar de letters te leeren. In 't begin ging alles goed
(wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze
moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik
hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons
kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog,
dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige
niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat,
zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was
opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten
sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei,
dat ze de pit had uitgespogen.

"Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder
't spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het
spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den
mond spuwden. Nu spoog zij met zoo'n kracht en hij sperde zijn mond
zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig,
totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.

"Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein,
dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons
heeft bestaan."



De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn
prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij
vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werk _Kinderjaren_.

"Onder den naam Natalie Cawischni heb ik in _Kinderjaren_ Praskowa
Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is
werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige
vrouw.

"Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is
wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met
haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk
van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. 'Praskowa Isajewna,
hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?', vroegen wij om haar
maar aan 't praten te krijgen. 'Hij ging te voet en te paard. Daarvoor
was hij generaal-en-chef', en daarbij opende zij een kast, en nam er
een stukje hars uit dat zij 'Koerjen van Otschakoff' noemde. Volgens
haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier
aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars
aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.

"In _Kinderjaren_ vertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door
mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een
tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij,
als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een'
morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder
toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere
broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn
nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar
instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde
spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een
schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij
ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd
had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet,
wel wetende dat hem iets wachtte waar wij geen van allen op gesteld
waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht
te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was,
voerde zij de operatie uit.

"Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en
toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff
voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld
uit den tijd van grootvader.



"Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest;
toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij
had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo'n oude vrouw waar kinderen
bang voor worden.

"De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge
hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan
herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd,
zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien
tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.

"Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn
nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.

"Zij was een van die aandoenlijke wezens uit het volk, die zoo met
hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen
overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron
zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben
altijd een' man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters
waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog,
dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze
herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch
was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien
we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting
toedroegen. Hij had heel zware laarzen, rook altijd heerlijk naar
den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.

"Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij
was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel
van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in
dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn
goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en
ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad
zette (dat was een van onze grootste genoegens: 'ik ook, nu ik!'),
en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige
plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik
aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed
in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat
vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki [22],
een' tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de
groote zaal 'roebeltje rol' spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik
nog vertellen. Alle bedienden ('t waren er veel, wel dertig) hadden
zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei
spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in
dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met
berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren
en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de
gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms
verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een' gordel
met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf
heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik,
in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een
vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoon ik het ernstige
gezicht van een' Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door
alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een
van die feesten--ik was toen nog heel jong--kwamen alle Isljeneffs,
de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters,
verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De
japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.

"De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp
verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de
piano en zong met een' stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat
hij zelf had gemaakt.

"Het gedicht luidde als volgt:



    Op 't Nieuwe Jaar zijn wij gekomen
    En bieden onze wenschen aan,
    Als 't u genoegen heeft gegeven,
    Gaan wij verheugd hier weer vandaan.



"Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk
wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het
allerprachtigst.

"De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en
soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet
meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar
Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een' kring in de
bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen,
die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden 'roebeltje rol'. Een van
allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan,
waarbij wij zongen: 'rol roebeltje, rol'. Ik herinner mij, dat een
van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens
deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï,
gelaarsd en gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en
liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik,
dat Wassiliï als prikaztschik [23] naar Schtscherbatschjewka ging. Ik
begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor
Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik
van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen,
maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven,
dat er zoo'n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd,
treurig te moede en de melodie van 'rol roebeltje, rol' deed mij
zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven
lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik
voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van 't leven
en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later
weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik
was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven
van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens." [24]

Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke
wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan,
maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant
wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze
herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.

Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit
de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff,
aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan
Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi's leven
reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.

"Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste
en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar
ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf
jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff
geleidde. Toen wij nog heel jong waren--hoe het zoo kwam weet ik
niet--spraken wij hem aan met 'U'. Hij was een bewonderenswaardige
jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.

"Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die
gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een' schrijver. De
eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een
goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke,
verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de
gebruikelijke 'en toen's' allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en
humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk
een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij
niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende
hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren,
die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de
meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen
ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.

"Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven
jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim
wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon
maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden
niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche
[25] broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij 'Moravische
broeders', waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze
taal heette het de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het
woord 'mier' ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een'
mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking
had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we
met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het
donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening,
een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van
die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim
van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden,
ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij,
stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den
rand van een hollen weg, 'starai zakas', op die plaats waar ik (men
moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens
wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff,
waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij
ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een
hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij,
dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij
nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo
te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer
aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas
zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij
niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog
eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne
wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat
wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was
zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen
maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine
dingen te kunnen schilderen. Deze heele geschiedenis werd, zooals
dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam
bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid,
waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze
vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer
sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het
groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.

"Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had
van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te
maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne
orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter
oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor
de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal
waarmee hij ons zoo fopte.

"Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te
steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen,
maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds
mijn ideaal. En--zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle
ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo
geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard
zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft." [26]



De herinneringen aan Tolstoi's broer Dmitri zullen wij plaatsen
onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog
een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer
Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:




"Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoelde ik achting,
maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde 'hem' zijn. Ik bewonderde
zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne
teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken
moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden,
luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf
mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde
daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het
woord, 'liefhebben' zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius
aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde
hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel
aantrekkelijker.

"Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even
onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De
laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij
waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met
mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was:
geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd,
trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad
oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich
niet mooier noch minder voor te doen.

"Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem
overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel
jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik
hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste
navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij
nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met
pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd
te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was
niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden,
en ik vroeg het ook. Sergius teekende, en mij leek het prachtig, op
een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik
deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij
te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam
eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen
met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt,
door het sleutelgat te voeren en--ik deed hetzelfde" [27].



Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook
door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte
der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische
volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te
plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi's kinderjaren
te voltooien.



"Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken
indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.

"In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat
met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over
de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff,
zei heel gewoon: 'mijn kok ('t kan ook knecht zijn, dat weet ik
niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten;
ik heb hem weggezonden om soldaat te worden'. Ik heb het onthouden
omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.

"Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij
een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces
over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons
was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was
reeds een oude man, groot, met lang haar, een gewezen lijfeigene
van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam)
van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde
daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.

"Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van
Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in
de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het
was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere
indruk. De aankomst van zijn' broeder Feodor Tolstoi, den bekenden
Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam
aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard
Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist
erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij 't
wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij
ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee
batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij
gaf tante de beide zakdoeken en zei: 'als hij dezen omdoet, dan zal de
pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen'. Sergius nam de zakdoeken,
deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging
als ons voorspeld was.

"Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg
geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot
aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik
zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven,
maar toch zoo aantrekkelijken man!"



Wij zullen dit hoofdstuk _Kinderjaren_ besluiten met de poëtische
herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.

"Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie
zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een
bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne
ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht
is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert
zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine
liefde en hoop op rein geluk.--Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch,
den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn
bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig,
dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: 'God, geef hem geluk
en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik
ben geheel bereid mij voor hem op te offeren'. Dan weer bewonder ik
het liefste porseleinen speelgoed--het haasje of den hond--weggedrukt
in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk
ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid
voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je
je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van
tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid,
die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze
kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste
deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan
liefde de eenige drijfveer zijn van 't leven? Waar zijn die vurige
gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?

"Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn' glimlach onze
tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven
kinderziel.

"Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de
zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?"






VIJFDE HOOFDSTUK.

JONGENSJAREN.


Toen Tolstoi's jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers
Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830
verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen
in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt
zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer,
in een z.g. hof.

De winters van 1836 en '37 brachten zij hier door, en ook den zomer
na den dood van hun' vader.

In dien zomer van 1837 ging Tolstoi's vader eens voor zaken naar
Toela. Op weg naar zijn' vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling
door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte
getroffen, dood neer.

Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog
in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden
gebracht, dat hij door een' bediende zou zijn vergiftigd.

Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis
werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn'
oudsten zoon Nikolaas.

Het is de dood van zijn' vader die wel den diepsten indruk heeft
nagelaten in Tolstoi's kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij,
ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven
en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het
lang eer het tot hem doordrong, en als hij op straat soms bekenden
zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader
daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven
in den dood verzachtte zijne smart.

Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi's dien zomer
in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal,
dat Leo Tolstoi een' zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk
behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen
met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken
van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der
fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.



"Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd
weende zij en 's avonds liet zij dikwijls de deur van de naaste
kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem
sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: 'Is het waar dat hij
dood is?'--Na negen maanden stierf zij van verdriet."

De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi's gedachten, hoewel
hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven
en dood.

Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van
haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik
herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en
zij, geheel in 't wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar
haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand
toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.

Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst
voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en
onbezorgde vroolijkheid.

Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin,
een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde,
die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws
verkondigde, dat er geen God bestond. 't Was nog vóor het middageten
en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe;
dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo'n leven; Nikolaas
en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret
bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een
servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig
was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig
vonden is zeker. "Plotseling," zoo vertelt Tolstoi, "weerklinken te
midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde,
energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (in _Jongensjaren_
beschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen,
en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren,
zegt hij 'Votre grand' mère est morte.'

"Ik herinner mij," gaat Tolstoi voort, "dat wij nieuwe zwarte
jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren
de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist
met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in
de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten
doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en
Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met
tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner
mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de
begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van
een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. 'Arme, arme weezen,
nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!'"

De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene
herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.

"Ik weet niet meer waarvoor," vertelt Tolstoi, "maar zonder dat
ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij
met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam
in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht,
die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de
oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad
van iedere machtsuitoefening."

Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere
begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets
bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij:
"Ce petit a une tête, c'est un petit prodige."

Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der
grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok
een gedeelte van hen, nl. de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne
tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu
eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin
Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.

Van deze merkwaardige persoonlijkheid vertelt Tolstoi het volgende.

"Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg
met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.

"Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig
af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis
een zegen waren voor haar volgend leven.

"Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd, moet er,
volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel
aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar
zacht, blank gelaat.

"Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge
vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden
zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den
beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van
haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat
er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde
zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden
ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.

"Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide
haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te
spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig
voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk
spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf
er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd,
hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn,
en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante,
doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere
gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend
achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds
grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een' zijweg van
het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit
dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde
zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker
begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt
had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet
stil houden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde
haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig
eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke
droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een' dokter
halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante
heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.

"Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en
nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig
zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.

"Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen,
deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had
gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van
een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen
uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij
of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij
er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat
hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde
zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen
kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.

"Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne
vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.

"Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk
huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit
angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van
de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje
was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was
toen zij in mijn' gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het
haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij al dat zij
geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare
ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes
en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.

"Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield
zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met
pelgrims, joerodiewi's, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden
woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en
dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als
joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was
een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne
zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter
wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een
meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna
gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.

"Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der
wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking
te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in
Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk
leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen' dienst vorderde zij,
maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had
zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.



"De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante
Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij 's morgens naar de
vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te
wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene
kamenier doet.

"Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men
zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ook is, moet ik toch
vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure
lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer
kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar
mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp
speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij,
dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren
en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff
plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote
kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde,
en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin,
gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.

"Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het
poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend
tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het
bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers,
de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen
er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons,
maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst
van den Heer, zooals zij dien dienst begreep." [28]



Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en
Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten,
Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou
waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te
Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840,
het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi's
brood moesten koopen voor hunne boeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor
werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat
zij door erfenis hadden verkregen.

Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen
zij in 't geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij,
kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen
daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van
het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen
vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.

In den herfst van 't jaar '40 trok de geheele familie naar Moskou,
waar zij ook den winter van '40/41 doorbrachten; maar 's zomers
begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.

In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin
A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster
Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen
met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam,
dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den
tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven
achter met hun' onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria,
die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee
zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de
hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in 't spel
begon hij op eens te huilen en kroop onder een' stoel. Het bleek,
dat hij een' poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij
begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te
samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria
Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.

Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff,
reisde dadelijk na den dood van hare zuster naar de kinderen op
Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was,
ontving haar met de woorden: "Ne nous abandonnez pas, chère tante,
il ne nous reste que vous au monde." Tante, tot tranen geroerd,
besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet
heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan
terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij
maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam
ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger,
enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi's ieder een' lijfeigene,
ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.

Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den
Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.

Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande
voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden
in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar
Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt
gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.

Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde
niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van
deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar
ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het
haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff
had bezeten. Voor 't oog der wereld echter was de verstandhouding
allerliefst.

Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde,
verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd
tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn' dood
toe bijbleef.

Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet al te verstandige
vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar' man naar
het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in
het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana,
waar zij ziek werd en stierf.

In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften
van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80ste jaar evenwel, bij
't naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het
ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op
aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.

De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd
heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne
gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie
Joeschkoff.

Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. "Ik werd
ontvangen," vertelt hij, "in een mooi huis en gaf mijn kaartje
en een' aanbevelingsbrief aan een' bediende, die zich ermee
verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief
op een' stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een
reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij
noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar
onverschillige woorden:

"Ik veronderstel, dat gij mij een' brief hebt meegebracht van mijn'
neef Leo? Waar is die?"

"Ik denk dat gij er op zit." Hij stond op, vond den brief en reikte
hem mij over met de woorden:

"Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind."

"Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds
van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel
eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ik den ouden heer dien
brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om
hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee
piano's. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger
een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had
hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen
zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik
overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor
te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die
ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen,
maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet."

Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja
Joeschkoff. Van haar vertelt hij:

"Nadat ik Tolstoi 's avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had
verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid
van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening
dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik:
'Wat is er?' De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het
Fransch zeggen: 'Ah, un homme dans mon lit'. Nogmaals ging de deur
open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg:
'Sergius, ben jij het?'--'Neen,' antwoordde ik, ik ben een gast
hier in huis.' Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik
had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat
iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen,
zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork
in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven
logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van
den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan
was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar
de deuren in een Russisch huis bijna nooit 's nachts gesloten zijn,
waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander
zouden wakker maken.

"Van Iwan, die mij 's morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik
goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om
dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden
kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff
geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk
had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei
lachend: 'Dus u bent in 't voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn
man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker
u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u
en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.'

"Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was,
maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij
gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had
gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond" [29].



Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening,
een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling
als knaap beschreven.

Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij
Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde
verbondene schuchterheid.

De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar,
prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de
twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak
en gevolg. Iemand is schuchter omdat hij eigenliefde bezit, en de
schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen
meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit
het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt
hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:

"Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch
een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet,
dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op
mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.

"Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij,
dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo'n breeden neus,
zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik
bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om
mooi te zijn." [30]

Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem
tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld,
dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de
drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.

Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi
ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij
ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.

In een gesprek met een' vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap
jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn' broer
Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het
einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op
hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk,
maar beter hield.

De liefde die Tolstoi zijn' broeder Sergius toedroeg, heeft tot
materiaal gediend voor de in _Kinderjaren_ voorkomende beschrijving van
een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.

Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.

"Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere
wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als
ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al
mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik
van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk
weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en
aanbad het als een hooger wezen.

"Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij
te heilig.

"Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich
gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie
voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak
en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde
niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor
hem op te offeren." [31]

"Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf
Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij
was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons
geliefkoosd spel was: soldaatje spelen." [32]

De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende
wijze: "Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip
van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt,
alsof alles wat gij tot nu toe gezien hadt, zich aan u vertoonde van
eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden
gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn
jongensjaren zijn begonnen.

"Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij
(d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog
andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden,
die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van
ons bestaan hadden.

"Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust,
ik voelde het niet." [33]

Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten,
den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou
ontwikkelen.

"Men zal het nauwelijks gelooven," zegt Tolstoi, onder den naam
Nikoljenka, "welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een
jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd
en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote
verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner
gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.

"...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke
omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch,
die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf
van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn,
eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden
of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in
de oogen sprongen.

"Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik
kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschen dat niet eerder
hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden,
dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die
gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets
anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes
eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.

"Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het
bord. Plotseling trof mij de gedachte: 'Waarom doet de symmetrie
ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?' en ik
antwoordde mijzelf: 'dat is iets dat ons is aangeboren'. 'Waarop is
zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?' 'Integendeed: dit
is het leven,' en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. 'Na
dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,' en ik
trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van
het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo'n lijn
trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één
kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven,
al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren."

"Geen van deze filosofische gedachten," vervolgt Tolstoi, "heeft mij
zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd
in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik
verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld
bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren,
die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die
weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik
deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn
die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat
ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling
omkeerde, in de hoop eene woestijn, het 'néant', te zien dàar waar
ik zelf niet was." [34]

Het boek _Jongensjaren_ eindigt met de beschrijving van de vriendschap
tusschen Nikoljenka en Njechloedoff [35] en toont ons het ideaal,
dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij
zal blijven tot aan het einde zijner dagen.

"Het spreekt van zelf, dat ik onder Njechloedoffs invloed ook
zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd
verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is,
steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo
gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden
van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam
te worden en gelukkig te zijn." [36]

Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze
teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale,
eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden
voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen
kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk
van zijn jongensjaren.



Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne
wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd
op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig. [37]
Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking
met het geloof der rede.

In zijn werk _Biecht_ vertelt Tolstoi het volgende van zijne
godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.

"Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar
toen ik achttien jaar was en mijn tweede studiejaar inging, geloofde
ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.

"Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig
geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij
predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij
nog--ik was toen elf jaar--dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam
en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium,
openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons
daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.

"Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde,
dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de
conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was."

Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn
geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste
levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.

Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers,
volgens Tolstoi's eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in
zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14de jaar. Hier volgt de lijst:


Namen der werken:                               Graad van invloed:

De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel.       Buitengewoon groot.
De verhalen van de Duizend-en-één nacht.
    (De veertig roovers en Prins Kameralzaman). Groot
De zwarte kip van Pogorjelski.                  Zeer groot
Russische verhalen:
    Dobrinja Ninititsch--Ilija Moeromjetz--
    Aljescha Ispowitsch.                        Buitengewoon groot
Volkssprookjes.                                 Buitengewoon groot
Het gedicht van Poeschkin: Napoleon.            Groot.


Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi's jongensjaren,
zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook
bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek
onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig
bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische
volgorde te plaatsen.

"Ik herinner mij," vertelde Tolstoi, "dat wij, toen vader nog leefde,
in 't begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige
paarden hadden.

"Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij
was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een
onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen
niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat
alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden
vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.

"Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De
deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar
buiten. Wij hoorden iemand roepen: 'de paarden van den graaf gaan op
hol!' Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar
gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka,
die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.

"Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden
weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij
er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor
een groot loon willen hebben.

"Nu trof het echter dat Mitka's broer onder dienst moest en zijn oude
vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn' heer. Hij ging
naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine,
fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het
land van zijn' heer en over 't algemeen het zware boerenleven leidde.

"En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het
zoo moest zijn en niet anders."

Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi
van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.



De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi's eigen woorden,
de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid,
vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der "grooteren",
die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.

De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij
den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader
en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne
tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig
aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.

Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen
minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi's moesten
met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen
hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope
prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste
speelgoed ontvingen.

Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met
hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar)
bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun' buurman
Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op
de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een' tuin
die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half
angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen,
maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met
roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes,
enz. Zij liepen als in een' toovertuin.

Eindelijk kwamen ze een' heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar
was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde
hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in
één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome
gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er
eens weer heen te gaan.

Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg
wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar
aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de
boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk
voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees
de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo'n
grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.

Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de
excentriciteit van Tolstoi's karakter als jongen, in 't licht stellen.

"Wij zaten eens aan tafel," vertelde mij Tolstoi's zuster. "'t
Was nog in Moskou, bij 't leven van grootmoeder, die zeer streng
was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij
verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet
kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas,
of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het
toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik
moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder 't eten
kwam de djadka [38] binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze
verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo'n ongewone
inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een
ongeluk moest zijn gebeurd, en daar Leo maar steeds niet verscheen,
moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en
kregen spoedig de volgende verklaring: Leo--wij wisten niet waarom
(zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om
gewichtig te schijnen)--had zich voorgenomen om uit het raam van de
tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen
verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven,
toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de
bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte,
stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen
eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te
gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond
liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte
hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap,
die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij
kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen
daad van den kleinen zonderling.

"Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren,
waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel
leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft
gehad."

"Een andermaal," vertelt Maria Nikolajewna, "zaten we in een troika
en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo
stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was
Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte,
die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat
hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het
niet. Bij 't naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en
toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar
niet instappen. De troika reed heel vlug en hij liep ongeveer drie
wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht
meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men
hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel."

Tolstoi's echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls
gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem
zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel
tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons
toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier
eenige uittreksels volgen.

"Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn'
grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn
man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de
zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche
buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den
grond knarsten.

"Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als
van anderen steeds ten antwoord: 'neen'."

Tolstoi's zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het
volgende:

"Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust
een' bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de
vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had
een hart van goud.

"Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, in
_Kinderjaren_ zijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen,
dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon
heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar
oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest
loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander
sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: 'Je hebt mij zeker van het
balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.'

"Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn' familiekring en in mijne
tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig
wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best
zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen
zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger
zou hij kunnen vliegen."

Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in
reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten
we hier volgen.

In de vertelling _Het oude Paard_ verhaalt hij, dat hij en zijne drie
broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor
het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten
en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.

"Toen het mijn beurt was," vertelde Tolstoi, "wilde ik mijn broers
eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan,
maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den
stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte
het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist
daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep
brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte
niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn' djadka
een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:

"'Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer
te kwellen?'

"Beleedigd antwoordde ik:

"'Ik heb nog in 't geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep,
dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.'

"Toen schudde hij zijn hoofd en zei:

"'Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot
spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kan geen adem meer halen,
het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch. [39] Als gij op dien
gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen
medelijden hebben?'

"Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik
steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half
uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er
aan toe was. Ik kreeg zoo'n medelijden met Woronok, dat ik een kus
op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem
zoo had geslagen."

In _Hoe ik leerde paardrijden_ vertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn
broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die
zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid
zag, wilde hem zelf helpen, "Men bracht een klein bruin paardje voor
met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend:
'Nu kavalier, stijg maar op.' Ik verheugde mij en werd bang, doch deed
mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel
te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij
mij op, zette mij op het paard en zei: 'gij zijt niet zwaar, heer,
niet meer dan een paar pond.' Hij hield mij vast, maar daar ik zag
dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. 'Zijt ge
dan niet bang?' vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: 'neen.'

"Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne
ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De
piqueur liet mij los met de woorden: 'Nu, pas maar op dat gij er niet
af valt.' In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op,
maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou
vallen. De piqueur vroeg: 'zit ge reeds vast?'--'Ja,' zei ik.--'Nu,
dan in draf,' en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een
drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en
trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: 'ei, zie dien
ruiter eens aan, goed zoo!' en ik was overgelukkig.

"Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek
met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde
ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar
kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet
goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen
mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: 'flink,
flink, kavalier!' Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar
schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog
ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.

"Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag
mij niet meer op het paard en zei: 'daar hebben we het al, mijn ruiter
is gevallen.' Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had,
zeide hij lachend: 'een kinderlichaam geeft mee!' en ik, ik had wel
willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde
zetten, en ik viel er niet meer af."



En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar
voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch
inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner
gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.






ZESDE HOOFDSTUK.

JONGELINGSJAREN.


Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken
zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om
iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.

Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij
de familie Joeschkoff.

Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging
over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar
den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit
en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers
volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit
noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.

Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later
in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde
van 1842-'44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen
reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt,
die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.

Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.

In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben
op Tolstoi's komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit,
bewaard.

Deze documenten komen voor in _Graaf L. N. Tolstoi en zijn studietijd_
van N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift,
door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de
universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen,
dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand
getuigschrift, dat hij na afloop ontving:


    Godsdienst                4
    Algemeene en Russische
        geschiedenis          1   ("Hier wist ik niets van") [40].
    Statistiek en
        Aardrijkskunde        1   ("Nog minder. Ik herinner mij nog,
                                  dat mij iets gevraagd werd van
                                  Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin,
                                  die veel bij ons aan huis kwam,
                                  wilde mij blijkbaar helpen: 'Nu,
                                  zeg eens, welke zeesteden heeft
                                  Frankrijk?' Ik kon er niet één
                                  noemen" [41]).
    Meetkunde                 4
    Russische spraakkunst     4
    Logica                    4
    Latijnsche taal           2
    Fransche taal             5
    Duitsche taal             5
    Arabisch                  5
    Turksch-Tartaarsch        5
    Engelsche taal            4


In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi
is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is
toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: "Papieren teruggeven".

Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in
den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende
waren gebleken.

Zoo richtte hij dan in 't begin van Augustus het volgende
verzoekschrift aan den rector der universiteit:


    Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke
    Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad
    Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch
    graaf Tolstoi.

    _Verzoekschrift._

    In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere
    leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen
    voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling
    Arabisch-Turksche spraakleer.

    Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de
    geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik
    Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten
    tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de
    volgende stukken te voegen: 1e Geboorteakte, gegeven door
    het Consistorium te Toela; 2e Copieën van bevestiging van de
    adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk
    onderteekent de bovengenoemde

    Graaf Leo N. Tolstoi.


In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot
het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.



Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is
zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van
het verzoekschrift:

Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten,
in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.

Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijn vrijen tijd bracht
hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van
hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we
nader aantoonen.

In Zagoskins werk _Leo Tolstoi en zijn studietijd_ wordt gezegd,
dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem
ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi
zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:

"Ik voelde in 't geheel geen afkeer," zegt hij, "en hield veel van
het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was." [42]

Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht
bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij
het volgende op:

"Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren
heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen,
mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn
niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan." [43]

Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:

"De winter van het jaar 1844-'45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van
'jongmensch' zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een
opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de
eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die
met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes,
maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden,
concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon
van goede familie, een' titel voerend, met uitstekende plaatselijke
connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel
echtgenoot in de naaste toekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer
gewenschte gast."

Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals,
op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend,
maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende
studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere
schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich
klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe
de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.

Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne
studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift
van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:


                                      Vorderingen.      Vlijt.
    Bijbelsche historie               3                 2
    Algemeene literatuurgeschiedenis  Niet verschenen.
    Arabische taal                    2                 2
    Fransche  taal                    5                 3


Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi's vroolijk
leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden
gegeven, en met zijn' broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies
voor een liefdadig doel.

Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn
overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten
deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op
de volgende wijze:

"Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het
tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff,
die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één
college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien
kreeg ik 1 voor het Duitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan
een van de studenten van onzen cursus." [44]

Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en
diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan,
hetgeen hem werd toegestaan.

Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter
eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan,
wien een schitterende ontvangst werd bereid.

"Ondanks dit vele uitgaan," vertelt Tolstoi, "begon ik mij ernstig
op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds
eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht
(ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen
professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor
het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij
had opgedragen, n.l.: het vergelijken van Montesquieu's _Esprit des
lois_ met de _Instructies voor een nieuwen code_, van Catharina,
mij bijzonder aan" [45].

In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een
5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie,
voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene
en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal
en drie 5-en voor gedrag. 't Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi
ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.

In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer
werd gezet. Deze episode wordt door zijn' vriend Nazarjeff beschreven,
hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel
juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi
daarbij heeft gemaakt, waardoor natuurlijk alles in het ware licht
komt te staan.

Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium,
zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede
ramen. Hij had een' kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen
en zij brachten er één of twee aardige dagen door.

Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles
in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door
hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.

"Ik herinner me," zoo begint Nazarjeff, "dat ik _Demon_ van Lermontoff
las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen
en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als
het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.

"'Historie,' zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne
lippen, 'historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes,
waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood
van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan
sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk
van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met
Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die
dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt
de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten,
door den historicus uitgedacht. De "verschrikkelijke" Tsaar, waarover
professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van
een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe
en waarom, daar moet men niet naar vragen....' Op deze wijze liet
mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen,
te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gaf Tolstoi
zijne meening over de universiteit en de academische studie te
kennen. 'Tempel der wijsheid!' klonk het telkens smalend van zijne
lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze,
dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit
moest schateren van het lachen. 'Wij verwachten,' vervolgde Tolstoi,
'dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En
wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en
antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen
weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt
worden en wie heeft eenig nut van ons?'

"Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den
morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde,
dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.

"Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn
studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte
nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn' bediende en
den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn'
celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.

"Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk
waren, en vol van twijfelingen die 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/20128