De Koran
by unknown · Dutch · Gutenberg #19786 · 2,169,414 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Koran
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Koran
Translator: Albin de Kazimirski Biberstein
Contributor: Nicolaas Japikse
Editor: Salomo Keyzer
Release date: September 25, 2006 [eBook #19786]
Most recently updated: August 20, 2021
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/19786
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KORAN ***
DE KORAN
Voorafgegaan door
Het leven van Mahomed,
Eene inleiding omtrent de
Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.
Met ophelderende aanmerkingen en historische aanteekeningen van
M. Kasimirski, Dr. L. Ullmann, Dr. G. Weil en R. Sale
Uitgegeven onder toezicht van
Dr. S. Keyzer
Vierde druk
Waaraan is toegevoegd
Een overzicht van de geschiedenis der Turken
voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa
Door
Dr. N. Japikse
Met 3 in kleuren gedrukte Kaartjes
Rotterdam--D. Bolle
VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht
van den bekwamen Hoogleeraar Keyzer bij mij het licht zag, werd
er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken
der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste
beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in
Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel AziÎ en Afrika
uitstrekt.
Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste
werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen
Christenen.
Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van
den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand
leeren beschouwen.
En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in
zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den
godsdienst van Mahomed.
Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen
in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst
een dwaling: 't is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag
voor haar geloof zÛÛ heeft geleden en gestreden als deze geminachte
Muzelman voor het zijne.
De leer van Mahomed heeft slechts drie geloofsartikelen: "Er is
maar ÈÈn God;"--"Mahomed is Zijn profeet;"--"Niemand kan het lot,
dat ÈÈnmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!"
Mahomed noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde
Mahomed een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een
Godsdienst, waarin honderden millioenen schepselen, van gelijke
beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf
eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust.
Wanneer wij er Mahomed een verwijt van maken, dat hij zijn
godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij,
Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst
wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat Karel
de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen
volkeren tot het Christendom te bekeeren.
En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de
eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is.
Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk
uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in
het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in
onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene
verbazende macht.
Sedert Europa en IndiÎ in versnelde gemeenschap zijn, de afstand
tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand
honderden van Europa naar AziÎ afreizen, is de noodzakelijkheid
vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar
alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van
Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen
de vlag van den profeet ontplooide.
Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede
vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin
een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn.
Haarlem 1878. J. J. van Brederode.
VOORBERICHT BIJ DEN VIERDEN DRUK.
Wat de vorige uitgever, in zijn Voorbericht bij den Tweeden Druk,
ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is
heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen
vierden druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd.
Alleen aangaande het Overzicht van de Geschiedenis der Turken, zij
opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. Japikse geheel opnieuw werd
geschreven ten behoeve van den derden druk, en thans weder door hem
werd herzien.
De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor
deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. Hettema Jr.
Rotterdam 1916. D. Bolle.
INHOUD.
I.
Levensschets van Mahomet 1
II.
De Koran. Algemeen overzicht 41
III.
De Islam. Algemeen overzicht 57
IV.
De Koran.
I. Inleiding. Gegeven te Mekka.--7 verzen 69
II. De Koe. Gegeven te Medina.--286 verzen 70
III. De familie Imram. Gegeven te Mekka.--200 verzen 108
IV. De Vrouwen. Gegeven te Medina.--175 verzen 129
V. De Tafel. Gegeven te Medina.--120 verzen 152
VI. Het Vee. Gegeven te Mekka.--165 verzen 171
VII. Al Araf. Gegeven te Mekka.--205 verzen 189
VIII. De Buit. Gegeven te Medina.--76 verzen 211
IX. De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.--130
verzen 219
X. Jonas. Gegeven te Mekka.--109 verzen 235
XI. Hoed. Geopenbaard te Mekka.--123 verzen 245
XII. Jozef. Gegeven te Mekka.--111 verzen 260
XIII. De Donder. Gegeven te Mekka.--43 verzen 276
XIV. Abraham. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 282
XV. Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.--99 verzen 288
XVI. De Bij. Gegeven te Mekka.--128 verzen 294
XVII. De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.--111
verzen 309
XVIII. De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.--110 verzen 322
XIX. Maria. Geopenbaard te Mekka.--98 verzen 336
XX. T. H. Geopenbaard te Mekka.--135 verzen 344
XXI. De Profeten. Geopenbaard te Mekka.--112 verzen 355
XXII. De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.--78 verzen 365
XXIII. De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.--118
verzen 374
XXIV. Het licht. Geopenbaard te Medina.--64 verzen 381
XXV. Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.--77 verzen 393
XXVI. De Dichters. Geopenbaard te Mekka.--228 verzen 400
XXVII. De Mier. Gegeven te Mekka.--95 verzen. 410
XXVIII. De geschiedenis (of de lotgevallen). Gegeven te
Mekka.--88 verzen 419
XXIX. De Spin. Geopenbaard te Mekka.--69 verzen 429
XXX. De Grieken. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 435
XXXI. Lokman. Geopenbaard te Mekka.--34 verzen 441
XXXII. De Aanbidding. Gegeven te Mekka.--30 verzen 445
XXXIII. De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.--73 verzen 448
XXXIV. Sara. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 461
XXXV. De Engelen, of de Schepper. Geopenbaard te Mekka.--45
verzen 468
XXXVI. Y. S. Geopenbaard te Mekka.--83 verzen 472
XXXVII. Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te
Medina.--182 verzen 478
XXXVIII. S. Geopenbaard te Mekka.--88 verzen 485
XXXIX. De Scharen. Geopenbaard te Mekka.--75 verzen 491
XL. De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.--85 verzen 498
XLI. De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.--54
verzen 505
XLII. Overweging. Geopenbaard te Mekka.--53 verzen 510
XLIII. De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.--89
verzen 515
XLIV. De Rook. Geopenbaard te Mekka.--59 verzen 520
XLV. De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 523
XLVI. Alahkaf. Geopenbaard te Mekka.--35 verzen 526
XLVII. Mahomet. Geopenbaard te Medina.--40 verzen 530
XLVIII. De Overwinning. Geopenbaard te Medina.--29 verzen 534
XLIX. De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.--18
verzen 539
L. K. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 541
LI. De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 544
LII. De Berg. Geopenbaard te Mekka.--49 verzen 547
LIII. De Ster. Geopenbaard te Mekka.--62 verzen 549
LIV. De Maan. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 552
LV. De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.--78 verzen 555
LVI. De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.--96 verzen 558
LVII. Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--29
verzen 562
LVIII. De Klaagster. Geopenbaard te Medina.--22 verzen 565
LIX. De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.--24 verzen 568
LX. Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.--13 verzen 571
LXI. Slagorde. Geopenbaard te Mekka.--14 verzen 574
LXII. De Vergadering. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 575
LXIII. De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 577
LXIV. Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.--18
verzen 578
LXV. De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 579
LXVI. Het Verbod. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 581
LXVII. Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 584
LXVIII. De pen. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 586
LXIX. De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.--52
verzen 588
LXX. De trappen. Geopenbaard te Mekka.--44 verzen 590
LXXI. Noach. Geopenbaard te Mekka.--29 verzen 592
LXXII. De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.--28 verzen 594
LXXIII. De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 596
LXXIV. De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard te Mekka.--55
verzen 598
LXXV. De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 600
LXXVI. De Mensch. Geopenbaard te Mekka.--31 verzen 601
LXXVII. De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 603
LXXVIII. Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.--41 verzen 605
LXXIX. Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te
Mekka.--46 verzen 606
LXXX. Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.--42
verzen 607
LXXXI. De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.--29 verzen 609
LXXXII. De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka--19 verzen 610
LXXXIII. De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 611
LXXXIV. De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.--25 verzen 612
LXXXV. De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 613
LXXXVI. De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.--17 verzen 614
LXXXVII. De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 615
LXXXVIII. De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.--26 verzen 616
LXXXIX. De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.--30
verzen 617
XC. Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 618
XCI. De Zon. Geopenbaard te Mekka.--15 verzen 619
XCII. De Nacht. Geopenbaard te Mekka.--21 verzen 619
XCIII. De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.--11 verzen 620
XCIV. Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.--8 verzen 621
XCV. De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.--8 verzen 621
XCVI. Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.--19 verzen 622
XCVII. Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5
verzen 623
XCVIII. Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te
Medina.--8 verzen 623
XCIX. De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8
verzen 624
C. De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11
verzen 625
CI. De Slag. Geopenbaard te Mekka.--8 verzen 625
CII. De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of
Medina.--8 verzen 626
CIII. De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 626
CIV. De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.--9 verzen 627
CV. De Olifant. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 627
CVI. De KoreÔshieten. Geopenbaard te Mekka.--4 verzen 628
CVII. De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7
verzen 628
CVIII. Al Kauther. Gegeven te Mekka.--3 verzen 629
CIX. De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.--6 verzen 630
CX. De Hulp. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 630
CXI. Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 631
CXII. Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--4
verzen 631
CXIII. De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5
verzen 632
CXIV. De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--6
verzen 632
V.
Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld,
en der noten desbetreffende 633
VI.
Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne
verhouding tot het overige Europa 667
I. Inleiding 667
II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa 675
III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa 691
I.
LEVENSSCHETS VAN MAHOMET.
De _Koran_ is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van
zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften,
gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven
hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die
nu eens getrouw en dan weÍr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche
oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis
van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt
men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran
geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend,
om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen
die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans,
in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en
beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen
geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische
verhalen ten opzichte der vestiging van den _Islam_ of het _Islamisme_.
Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het
voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt
deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld
wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene
narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet
der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming
met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt
Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan
het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit
den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd;
maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd;
en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van
Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn' oorsprong en
zijne levensgevallen zou openbaren [1]. Dat stilzwijgen van den Koran
wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten
over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant
optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd,
den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan
zijne openbaringen verbonden kunnen worden.
De gezellen van den profeet (de _Ashab_), zijne helpers (de _Ansar_),
de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den
nieuwen eeredienst hadden verlaten (de _Moehadjirs_), allen die
Mahomet gevolgd zijn (de _Tabi'_, in het meervoud _Tabi'in_), en
allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld,
Úok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen
apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd,
met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te
leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische
boeken, door de Muzelmannen [2] samengesteld, en vormen heden ten dage
een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene
geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men
bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder
een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige
gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige
verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat
de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in
de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis
van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter
de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere
godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het
wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman
zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs
indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het
ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der
buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms.
Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote
Arabische schiereiland niet altijd door Èen volk van hetzelfde ras
en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers
onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander
in ArabiÎ hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn
geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van
Arabieren, _el-Ariba_ [3] volbloed-Arabieren of van onvermengd ras,
of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de
volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid
waren. Dit zijn de _Adieten_, de _ThÈmoedieten_, de _Amalika_ of
_Amalekieten_, de bevolkingen van _Tasm_ en _Djadis_, die, volgens
de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach,
zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, _MoetÈarriba_
(Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen
uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk
in het gebied van _Yemen_ (in _Gelukkig ArabiÎ_) gevestigd, van waar
zij zich naar alle overige gedeelten van ArabiÎ hebben verbreid,
door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met
de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te
vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De
Himyarieten behooren tot de _MoetÈarriba_-Arabieren, of, zoo als
Caussin de Pergeval hen noemt, _secondaire_ Arabieren. Het derde ras
is dat van de _Moesta'riba_-Arabieren, (die met de andere Arabieren
gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van IsmaÎl, den zoon
van Abraham. Deze hebben zich in het gebied _Hedjaz (woest ArabiÎ_)
gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van ArabiÎ
verspreid: dit zijn de tertiaire, of IsmaÎlitische Arabieren. Tot
dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden
rondom _Mekka_ gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der
KoreÔshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de
grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren,
zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de
rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot IsmaÎl,
gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest;
maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne
geslachtsrekening tot Adnan, die voor een' afstammeling van IsmaÎl
gehouden wordt. Neemt men drieÎndertig jaren voor elk menschengeslacht
aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor
Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van
degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele
tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen IsmaÎl, den
zoon van Abraham, en Adnan, een' persoon die meer nabij ons tijdvak
heeft geleefd.
Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond
om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel
zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te
pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den
Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten [4],
die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit _Woest ArabiÎ_
(van _Hedjaz_ en _Mekka_) als IsmaÎlieten beschouwen, en voorts
ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben
bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor
Mahomet, de vermaarde tempel van _Caaba_, die ten doel strekte van de
pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad _Mekka_
zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in ArabiÎ opgericht zijn;
en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon
voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een
figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God,
voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen
geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn,
moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen,
zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in
zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn' opgang bijgedragen
moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het
er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken,
vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den
door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst
onder de bescherming van een' persoon, wiens nagedachtenis onder
zijne landgenooten algemeen geÎerbiedigd werd.
De stad _Mekka_ is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling
gesticht; maar de vallei van _Mekka_ strekte sedert de vroegste
tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek
der overblijfsels van den _Caaba_-tempel nedersloegen, waarvan zij
de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op
den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het
jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van
Adnan, Firh geheeten en El KoreÔsh bijgenaamd, de stamvader van den
vermaarden stad der KoreÔshieten, die in het vervolg een' grooten
invloed te _Mekka_ verkreeg. KossaÔ, een van zijn afstammelingen
in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de _Khozzaas_,
een andere Arabischen stam, als beheerders van _Mekka_ uit den zadel
te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen
dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de KoreÔshieten te
belezen, rondom den _Caaba_-tempel eene stad te bouwen, waarvan de
verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der
KoreÔshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde KossaÔ een
huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel
van den raad (_nadwa_), waarin al de KoreÔshieten toegang hadden en
waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis
(_Dar-ennadwa_) ontvingen de KoreÔshieten, als zij een' anderen stam
gingen bevechten, de banier uit handen van KossaÔ. Op KossaÔs raad
gaven de KoreÔshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te
onderwerpen, _rifada_ (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den
pelgrimstocht, aan KossaÔ betaalden, en die door dezen werd besteed om
aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te _Mina_,
op eenigen afstand van _Mekka_, verbleven, kosteloos levensmiddelen
te verschaffen. KossaÔs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen
persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in
den _Caaba_-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden:
_sikaÔa_, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, _hidjaba_,
wachter van den _Caaba_-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen
ambten dient men die te voegen van _rifada_, de ontvangst van de
belasting der hulpverstrekking, van _liwa_, die het recht gaf eene kap
van witte stof aan den standaard der KoreÔshieten te hechten, als deze
ten strijde gingen, en van _nadwa_, raad, zijnde het voorzitterschap
van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door KossaÔ aan
andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men,
dat de KoreÔshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen
het jaar 440 na Chr.) niet alleen te _Mekka_ in het bezit waren van een
regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich
naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der KoreÔshieten,
door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van _Caaba_,
in al de gedeelten van ArabiÎ bekend was. Door den handel dien
zij met voortbrengsels van _Gelukkig ArabiÎ_ (_Yemen_) in _SyriÎ_,
_MesopotamiÎ_ en _Egypte_ dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen,
graan en andere voorwerpen [5] terugbrachten, hadden zij een zekere
gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen.
KossaÔ of KoesseÔ had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en
Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat
hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd
evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim,
en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg,
het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de
zaken van _Mekka_ te besturen, werd met de gewichtigste betrekking
der vereeniging bekleed.
Deze voerde onder de KoreÔshieten 't gebruik in, jaarlijks twee
karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar _Yemen_ en de
andere, 's zomers, naar _SyriÎ_, ook was hij het, die het eerst aan
de behoeftige KoreÔshieten eene soort soep uitdeelde, welke _tharid_
genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven
brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien
van Hachim--den kruimelaar--veranderd werd. En den naam van Hachmieten
wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.
CheÔba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat
hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn
vader te _Mekka_ in diens gewichtigste ambten op, te weten in die
van _sikaÔa_ en _rifada_. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag
hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen
echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden,
dat hij maar een' eenigen zoon had; want evenals de IsraÎlieten,
stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke
nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zÛÛ vast geworteld,
dat Abdelmottalib op zekeren dag van een' zijner landgenooten
beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar ÈÈn' zoon had. In zijne
ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf,
hij hem er ÈÈn' voor den _Caaba_ van zou offeren. Abdelmottalibs
wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn' eersten zoon (528 na
Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op
zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen,
de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem
gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen,
het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den _Caaba_
voor den afgod _Hobal_ om te loten. Het lot viel op Abdallah, die
door zijn' vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt
volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor
het slachten der offers, toen de KoreÔshieten toesnelden, den arm
van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te
raadplegen die zich te _KaÔbar_ bevond, dat eene versterkte en door
IsraÎlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was,
die voor een' manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat
de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde,
en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot
zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom
tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou,
tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan
de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen
ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn' eed eerst tegen
honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de
Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis
huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter
van Wahb, een' der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd
Mahomet geboren. [6]
Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er
zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij
benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd
hebben: "Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen
koning." Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (KosroÎs
_de Groote_), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft
geregeerd. Neemt men nu met een' Arabischen geschiedschrijver
(Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor
Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het
jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens
de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den ∆thiopischen
koning Abraha tegen _Mekka_ (zie de noot op hoofdstuk CV van den
Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van
Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig
ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het
34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van
Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen,
dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven
zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor
ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie
en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk
die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op
de tusschenvoeging welke in 413 geschied is [7].
De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de
ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door
den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet
omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan
volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken;
door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt
vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen
zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den
geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der
Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het
paleis van CosroÎ te _Clesiphon_ schudde, en veertien van zijne torens
stortten in: het heilige vuur der _pyreen_ ging uit, in weerwil van
het onafgebroken toezicht der _magiÎrs_; het meer van _Sawa_ droogde
uit, de groot-_moubed_ der Perzianen droomde, dat _PerziÎ_ door de
Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde
haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd,
dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de
wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag
zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat
hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet
genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren
droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche
min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn
medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in
Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te
brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De
overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was,
waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan
de werking des duivels toeschreef [8]. Toen Mahomet later een voorval
verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij,
dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de
vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren,
hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen
hadden, om het te wasschen en te zuiveren.
Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met
woorden die aldus vertaald kunnen worden; _Openen wij niet den boezem_,
of _zetten wij de borst niet uit_, of wel; _hebben wij_ de _borst niet
geopend_. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke
uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om
de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene
toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld
wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen
gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een
uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige
gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke
uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en
een' bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie
Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet
zijne moeder en werd door zijn' grootvader Abdelmottalib opgenomen,
die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel
Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer
dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich
met hem en nam hem later met zich naar _Syrie_, waarheen de karavaan
der KoreÔshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij
te _Bosra_ waren gekomen, ontmoetten zij een' Arabischen christen
monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George)
of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door
Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne
toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het
afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou
hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen
der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de
ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap _het zegelmerk der
profetie_ had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt,
een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het
geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam
IsmaÎl was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.
Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud
zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend
zijn onder den naam der oorlogen van _el-fidjar_, of der schending van
de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de KoreÔshieten
tegen den stam der _Benou-Hawasin_ voerden. Volgens het verhaal echter
van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven,
bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij
het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en
deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel
in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk
feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na
deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige
KoreÔshiet, door zijn gedrag en manier van handelen, zijne snedigheid
en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de
achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen.
Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het
doen eener handelreize naar _SyriÎ_ voor eene rijke weduwe, Khadidja
genaamd, dochter van KhowaÔlid, even als Mahomet gesproten uit KossaÔ,
over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed
gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem
opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas' slaaf, die
Mahomet naar _SyriÎ_ had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg
Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der
zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare
hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig
telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is,
nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren,
biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan,
welke _sadak_ wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als
zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de
verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk
en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten
werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra
een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij
Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog
twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier
dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet
lid van eene vereeniging, die zich onder de KoreÔshieten had gevormd
tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van _Mekka_
tegen de onrechtvaardigheden der machtige KoreÔshieten, en hij stelde
er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke
zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn
huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar
wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd
hij vooral versterkt door een' neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa
genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die
in _Arabie_ heerschte, en zoowel den MozaÔschen als den Christelijken
godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd
was, had hij waarschijnlijk het IsraÎlietische MonotheÔsme leeren
kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide
godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te
hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig
God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht
achtte, de beste verpersoonlijking van een' Godsgezant. Bovendien
kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld,
op te meer sympathie rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts
in geheel _Arabie_ nog levendig was, maar de overlevering hem daar,
als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven
vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men
sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok.
Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene
achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem
El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe
doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij
vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers
nog meer aanzien. In 605 besloten de KoreÔshieten den _Caaba_-tempel
te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De
eerbied voor dat overblijfsel uit de IsmaÎlitiesche oudheid boezemde
aan alle takken van den stam der KoreÔshieten een' buitengewonen
ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige
naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd
waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden,
die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de
takken der KoreÔshieten elkander de eer van die taak. De mannen van
twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen
al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat
dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te
geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in
het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te
beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde
uit te barsten. Een oude KoreÔshiet deed nu eensklaps den voorslag,
den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd
gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen
nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin
(Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een' mantel op
den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de
vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip
van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door
dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne
eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende
de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk
deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al
de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook
omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te _Mekka_,
voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde
personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom
Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke,
trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij
de betrekking van secretaris bij hem, huwde later Mahomets dochter
Fatima en werd eindelijk tot _Khalif_ verheven.
Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een
nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde
het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden
op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciÎn der Perzen
en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit,
ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn
daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij
eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet
allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich
de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in
steden gevestigd waren, beleden den MozaÔschen godsdienst, zooals de
stammen der _KoraÔza_, _Nadhir_, die _Yathrib_ (_Medina_) en _Khaibar_
bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den
afgodendienst overgegeven. De _Caaba_-tempel, die, gelijk wij hebben
gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham
en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt
geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke
stam had eene godheid, een' bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar
even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel,
aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er
Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam
ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men
maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken
en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij
een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het
overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden
was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in
beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel
der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en _PerziÎ_
verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het
geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en
met de behoeften die het had te voldoen.
De oude schriften der Himyarieden (van _Yemen_) waren bijkans
verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der SyriÎrs gingen alleen de
IsraÎlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend
is onder den naam van _Dejzm_, en in _Mekka_ weinig tijds voor
Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal
bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere
bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne
geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne
kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan
de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk en,
naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels
gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden
en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig
gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken
van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die
elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en
persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen
tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes
levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen,
die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en
rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard
was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij
door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke
oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in
eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten
weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten,
juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of
den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die
innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel
kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door
eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons
toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te
zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen,
zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de
eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde,
daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat,
die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in
hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was
en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen
rond die nabij _Mekka_ lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het
denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou
spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar SyriÎ,
of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een'
Arabier--Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja--een man die,
gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was [9], had hooren
spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen.
Hij had de gewoonte de maand _ramadhan_ op den berg _Hira_, nabij
_Mekka_, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December
610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich
vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet
terug en verhaalde haar het volgende: "Ik lag in diepen slaap, toen een
engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne
handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met
de woorden: '_Lees!_'--_Wat zal ik lezen?_ vroeg ik. Hij omwikkelde
mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde _'Lees!'_ Ik herhaalde
mijne vraag; _Wat zal ik lezen?_ Hij antwoordde: _'Lees! In den naam
van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van
uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen
heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist'_ [10]. Ik sprak
die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte
en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn
hoofd eene stemme die sprak: 'O Mahomet! _gij zijt de gezant van God en
ik ben_ GabriÎl.' Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef
onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween."
Khadidja was door dat verhaal getroffen, en deelde het aan Waraka mede,
van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet,
die naar _Mekka_ terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen,
door tusschenkomst van den engel GabriÎl (Djebreil). De eerste zaak
welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen
voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja,
die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd:
zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens
ZeÔd of SeÔd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets
volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld [11]. Bovendien
wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd _el-Atik_, (de edele),
een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten,
groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van
boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken
van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen
van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den _Caaba_) het nieuwe
geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij
ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande
met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne
dochter AÔcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr
(vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de
eerste _Khalif_, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen
tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig
leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk de strekking
had tot afschaffing der afgoderij [12] geschiedden in het geheim, en
gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers
bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van
Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking:
zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er
bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat
den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk,
dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden)
en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den
Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene
godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en
zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig
zijn van een' man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is;
van een' zendeling, die voor een volk spreekt; van een' wetgever.
Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn' godsdienst in het openbaar
te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen
spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne
stoutmoedigheid om in den _Caaba_ zelven de vernieling der afgoden
te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot
beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd
werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet
had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde
men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte
hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar,
bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen
zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard
werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn'
arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande
toe gedurende de pelgrimsreis naar _Mekka_, toen de bedevaartgangers,
die uit alle hoeken van _Arabie_ bijeengestroomd waren, en wien
zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze
naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal
zijner aanhangers te _Yathria_ (_Medina_) door nieuwe aanhangers
vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge
der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk
dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs
bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft
opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In
zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der
goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen
haat. Aangezien nochtans eenige daad van geweld, op Mahomet gepleegd,
onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige
KoreÔshieten bij hem eene laatste poging in het werk, _Mekka_ te
verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen
en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich
verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van
zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg
van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot
eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het
opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: _Zie hier de openbaring, die van
den grootmoedige over den barmhartige komt_, enz., zijnde hoofdstuk
XLI. Toen de KoreÔshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen,
vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor _Mekka_
te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht,
hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat
zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan
den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat
hem het doen van wonderwerken niet gegeven was.
De KoreÔshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden,
beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige
Christenen was [13], en het ontbrak in _Mekka_ niet aan menschen,
voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren,
dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, Ën wat vorm Ën
wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige
boeken en zelfs dan de historische of poÎtische geschriften der
andere volken [14]. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet,
zouden de KoreÔshieten eene deputatie naar de rabbijnen van _Yathrib_
(_Medina_) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort
bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij
er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers,
geantwoord hebben: "vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen
zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der
aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt
hij nu," zouden zij gezegd hebben, "op die en die wijze, dan is hij
werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger." Toen
de afgezondenen te _Mekka_ terug waren gekeerd, deden zij Mahomet
de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar
uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: _als het Gode behaagt_,
strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten,
gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist
in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde
hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander _de
Groote_ (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof,
antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was
[15]. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet
op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der KoreÔshieten ten
top voerde, en zij toen een' ieder verboden, de predikingen des
profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen
de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal
(in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615)
weldra gedwongen, _Mekka_ te verlaten en een toevluchtsoord in
_AbyssiniÎ_ te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den
koning van _AbyssiniÎ_ ontvangen, die christen was. Spoedig werd
de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel
bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei
geslacht. De KoreÔshieten zonden eene deputatie naar _AbyssiniÎ_, om
de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde
dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide,
dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs
konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.
De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens
versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de
Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer
dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit
was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk
Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne
hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam
had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang
gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren
broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim
te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen,
en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien
des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich
eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen
van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot
Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af
te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten
hoop der KoreÔshieten zwaren wrok op twee takken van den stam,
namelijk die der _Hachim_ en die der _Mottalib_, welke uithoofde
hunner verwantschap met Mahomet, hem een' machtigen steun gaven. Er
werd een verbond tegen die twee takken gevormd, met het doel, hen van
alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort
van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die
in den _Caaba_ nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide
in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne
veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van _Mekka_ samen
te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest,
huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in
het zevende jaar van Mahomets zending.
Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche
gezinnen der KoreÔshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending;
toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag,
terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de
oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende KoreÔshieten,
dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het
verbond, die in den _Caaba_ was bewaard, door God aan de wormen
ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het
bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel
weggeknaagd, met uitzondering der woorden: "In Uwen naam, o God,"
die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was,
viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan
waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen
niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor
het goddelijke van Mahomets zending zÛÛ sterk getroffen zouden zijn
geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet,
die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar _Taif_
eene stad die met _Mekka_ wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten
er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde
toen weder naar _Mekka_ terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij
predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van
het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te _Mekka_
werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of
620, door den dood van Aboe-Talib [16] en Khadidja, van hunnen steun
beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet
van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor
zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te _Yathrib_. Die stad was
hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren
en twee Joodsche stammen.
De Arabieren, die de IsraÎlieten hadden hooren spreken van de
te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld
aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den
te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het
verhaal van de predikingen, door Mahomet te _Mekka_ gehouden, gunstig
op te nemen. De pelgrimstocht naar _Mekka_ bracht hen gemakkelijk in
betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen
van Arabieren uit _Yathrib_, begon de nieuwe eeredienst er weldra
talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets
zending, hadden twaalf personen, die van _Yathrib_ gekomen waren,
met hem eene samenkomst op den berg _Akaba_, een' heuvel in de
nabijheid van _Mekka_, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten
van zijn' godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze
bijeenkomst is bekend onder den naam van _de eerste eed van Akaba_,
omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet
ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van
zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst
te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe,
en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het
twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de
inwoners van _Yathrib_ zich naar _Mekka_; zij was samengesteld uit
Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht,
toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de
Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden
zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij
noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. "Als wij het
leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?" vroegen zij
hem. "Het Paradijs!" antwoordde Mahomet--"Maar als wij tot het
welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet
verlaten om naar _Mekka_ terug te keeren?"--"Nooit! Ik zal bij
u leven en sterven!" hernam hij, en deze belofte werd met een'
handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen
opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de
meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt)
welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben
uitgelokt. Dit was _de tweede, of groote eed van Akaba_ ook de _eed
der vrouwen_ genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend,
om het verbond met de Arabieren van _Yathrib_ zeer geheim te houden,
werd het echter aan de KoreÔshieten bekend, waarop deze besloten,
zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid
voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong
hij bij vele Muzelmannen van _Mekka_ aan, naar _Yathrib_ uit te
wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van _moehadjirs_
(uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner
vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet
_Mekka_ in de eerste helft van Juni des jaars 622 [17]. Deze vlucht,
_hidjret_ genaamd, waarvan wij _hedjira_ of _hegira_ hebben gemaakt,
is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans
zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne
vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen,
die door een' troep KoreÔshieten vervolgd werden, verborgen zich in
eene grot van den berg _Thour_, op drie mijlen zuidelijk van _Mekka_
gelegen. Reeds maakten de KoreÔshieten, die hem vervolgden, zich
gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif
aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin
haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort
geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich
[18]. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van _Mekka_, op
den weg naar _Yathrib_, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam,
nadat hij te _Koba_, een dorp op twee mijlen afstands van _Yathrib_,
den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.
Dadelijk na zijne aankomst te _Yathrib_, begon hij eene moskee te
bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien
tijd _Medinet-en-nabi_ (stad van den profeet) of _el-Medineh_
(de stad), _Medina_ begon genoemd te worden. De twee Arabische
stammen van _Yathrib_, die, na jaren van haat en oorlog, door den
Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van _ansar_ (helpers,
bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden
uit de _moehadjirs_ (uitgewekenen van _Mekka_) en de _ansar_ (van
_Medina_), die allen begrepen werden onder den naam van _ashab_
(gezellen).
De Muzelmannen die zich op deze wijze te _Medina_ kwamen vestigen,
waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne
veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst,
waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden
vastgesteld.
Krachtens die overeenkomst moesten de KoreÔshieten, inwoners van
_Mekka_, en de Arabieren van _Medina_ voortaan slechts een enkel volk
uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard,
welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in
het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen,
tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste
Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren,
terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd--om maar iets te noemen--ten
aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere
werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen
waren, b.v., dat een Muzelman geen' Muzelman mocht dooden, om den
dood van een' ongeloovige te wreken, en ook niet voor een' ongeloovige
tegen een' Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en
machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen
mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De IsraÎlietische
bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of
afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk
uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen,
om _Medina_ tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot
de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling,
volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke
het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet
zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de _Ansar_ en de
_Moehadjirs_ te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap,
in welke een ieder van de _Ansar_ bij een' _Moehadjir_ gevoegd was. Op
dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog
niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde
van _Jeruzalem_, dat noordelijk lag, gelijk men de IsraÎlieten zich
daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den _Caaba_
te keeren. De _edhan_ of _izan_--de oproeping tot het gebed--werd
eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te _Medina_ vastgesteld,
maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling
der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam
Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand _Ramadhan_ van
het jaar 624 en in het tweede jaar der _hedjira_. Mahomet had toen
vernomen, dat eene karavaan van _SyriÎ_, tusschen _Medina_ en de zee,
naar _Mekka_ terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen;
maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht
werd, deed ijlings te _Mekka_ hulp vragen. Die van _Mekka_ kwamen, ten
getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan
helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen,
die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus ÈÈn kameel op
vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien
troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste
bijzonderheden dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weÍrwil
van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de KoreÔshieten te
_Bedr_ aan en sloeg hen, na een' tamelijk warmen strijd van eenige
uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand
_Ramadhan_ in het tweede jaar der _hedjira_. De Muzelmannen, die
zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de
hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen
hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran
(III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe
had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in
eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd
algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de
strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die
trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld.
De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed
_Bedr_ en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar _Mekka_
vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken,
keerde met de gevangene KoreÔshieten en den krijgsbuit naar _Medina_
terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van
eenige KoreÔshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne
zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over
de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop
van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van _Mekka_
losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van
_Bedr_ ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel
daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke
de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen;
terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen
ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend
strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen
mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen
ter eere van de bij _Bedr_ gedoode krijgslieden te zingen, en door
hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der
KoreÔshieten trok eerst op _Medina_ aan, toog de stad toen voorbij
en nam ten noordoosten, nabij den berg _Ohod_, eene stelling in.
Mahomet trok _Medina_ aan het hoofd van duizend man uit, om de
KoreÔshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit
de herinnering van den gelukkigen uitslag te _Bedr_; de KoreÔshieten
daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat;
en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den
moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig,
en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte
zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich
op de bagage wierp om die te plunderen. De KoreÔshieten hereenigden
zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn
en wordt door een' steen getroffen, die hem een tand aan stukken
slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: "wie wil zijn
leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt,
zal niet door het helsche vuur bereikt worden." Men snelde te
zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden
daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug,
waar zij door de KoreÔshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij
_Ohod_ was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op,
het volgende jaar elkander te _Bedr_ nogmaals te ontmoeten. In den
Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van _Ohod_
niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen
der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid,
waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid
was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren
om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te
wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding
met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich
geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken
te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan,
door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en
gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van _Bedr_
en _Ohod_ volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars,
verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van
die worstelingen bepalen. De KoreÔshieten kwamen in het vierde jaar der
_hedjira_ niet opdagen voor het treffen bij _Bedr_, gelijk men elkander
in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen
Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets
meening vooral op aandrijven der Joden van _Medina_, die den stam
van _KoraÔza_ uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van
_Medina_ en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van _Medina_ eene
gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van _den oorlog der
gracht_. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der _hedjira_
(627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking,
het welk _Al-ahzab_ (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die
gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars
plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver
welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op
te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen
en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man
ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam
_KoraÔza_--aan den anderen waagde hij zich niet--en belegerde hen in
hunne versterkingen. De _KoraÔza_, die geene levensmiddelen hadden,
gaven zich na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden
ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen,
hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen,
onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der _hedjira_ ondernam
Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers,
eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij
spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien
tijd verhalen Mahomet's levensbeschrijvers een' menschlievenden trek
van hem ten aanzien der afgodendienende KoreÔshieten. Er waren eenige
pas bekeerde stammen die geweigerd hadden _Mekka_ van levensmiddelen
te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief
dat verbod op. Het was evenzeer na een' dezer krijgstochten--dien
tegen de _Mostaliks_--dat de gebeurtenis voorviel met AÔsha, Mahomets
vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige
betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat
in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel
om AÔsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid,
maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel
te regelen. In het zesde jaar der _hedjira_ beschouwden Mahomet en de
Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit _Mekka_ niet ter bedevaart
naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te
bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de KoreÔshieten verlof vragen,
tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren,
hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij
dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van _Mekka_
meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden
aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden
hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de
KoreÔshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te
staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag,
het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan
worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1∫. een tienjarig bestand
zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de KoreÔshieten in acht
worden genomen; 2∫. ieder persoon die de KoreÔshieten mocht verlaten,
om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan
de KoreÔshieten uitgeleverd worden; 3∫. zij die van Mahomets partij
tot die der KoreÔshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd
worden; 4∫. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met
de KoreÔshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5∫. Mahomet
en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van _Mekka_
terugtrekken; 6∫. het volgende jaar zullen zij den _Caaba_ kunnen
bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven,
en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit
de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone
verschijnsel--overmoed tegen de zwakken, kruipen voor de sterken
zichtbaar was--mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed,
vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet
zou verlaten, welke aan de KoreÔshieten mochten worden overgeleverd,
en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan,
dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor-
dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te _HodaÔbiia_.
Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar _Mekka_ afzien,
en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een
KoreÔshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeÎischt
werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de
Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der
overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen
na het verlaten van _Mekka_ in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen,
en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In
hetzelfde jaar, het zesde der _hedjira_, zond Mahomet een' gezant aan
den koning van _PerziÎ_, om bij hem aan te dringen tot het aannemen
van zijn godsdienst. De brief dien hij CosroÎs toezond, begon met de
volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra
(CosroÎs), koning van _PerziÎ_. Men kan begrijpen met welke verachting
dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet,
dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden,
dat ten deele aan de macht van _PerziÎ_ onderworpen was. De koning
en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen
had, riep hij uit: "Dat God zijn rijk verscheure!" en deze vloek
werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val
der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het
achttiende jaar der _hedjira_ onder het khalifaat van Omar vervuld.
Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen,
die door Mahomet aan den koning van _Abysenie_ en den gouverneur van
_Egypte_ werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der
_hedjira_ werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel
door die op de Joden van _KhaÔbar_, eene stad die door onderscheidene
forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van _Medina_,
te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar
_KhaÔbar_ aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd
ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen
vonden er een' krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige
gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden
al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der
Joden van _KhaÔbar_ vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren
gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer
als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en dit tengevolge
eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en
door niets te weeg gebrachte nederlaag der IsraÎlieten, deed bij
eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde,
de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom
een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood
was het, dat hij aan den dood ontsnapte.
De overmeestering van _KhaÔbar_ werd door die van _Fadak_ gevolgd,
zijnde dit een vlek dat tot _KhaÔbar_ behoorde. Mahomet maakte _Fadak_
tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging,
die met Ali gehuwd was. De IsraÎlieten van _Wadi-l-Kora_ ondergingen
hetzelfde lot, en die van _Taima_, op de grenzen van _SyriÎ,_
achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te
komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde
jaar zond de nieuwe profeet een' gezant aan keizer Heraclius [19]
die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar _PerziÎ_,
in _SyriÎ_ bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen,
dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving;
maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische
vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren,
werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven
had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen.
Op het einde van het zevende jaar der _hedjira_ (629), hetgeen
het tijdstip was voor de bedevaart naar _Mekka_, vastgesteld in de
overeenkomst, die in het vorige jaar met de KoreÔshieten gesloten
was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken
der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame
wijze. Hij trok _Mekka_ binnen, te midden van een grooten toeloop
van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel _Koswa_ en werd
omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde
hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen
diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door
niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke
hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De
zeven omgangen rondom den _Caaba_, de zeven gangen tusschen de heuvels
van _Safa_ en _Merwa_, het slachten der offers in de vallei van
_Mina_ en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper
aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde
plaats; maar de KoreÔshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na
het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald,
vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot
een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven.
Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te
maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren,
en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats
hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans
eens vorsten omringd was, een' krijgstocht tegen het Romeinsche
keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische
vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche
troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend
man sterk en door zijn' vrijgemaakten slaaf SeÔd aangevoerd, toog
naar _Moeta_, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van _SyriÎ_,
en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en
Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien
oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens
twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar
_Medina_ terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht
niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het
Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder
behoorde de stam _Abs_, waartoe de vermaarde held Antara [20] had
behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide
hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was,
welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in
ArabiÎ de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering
van _Mekka_. Daartoe deed zich in het achtste jaar der _hedjira_,
eene gunstige gelegenheid op, toen de stam _Khozaa_, die Mahomets
bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te _HodaÔbiia_
geteekend, door den stam _DoÔl_ (bondgenoot van _Mekka_) en door die
van _Mekka_ zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor
van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste
partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der
KoreÔshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij
vertrok uit _Medina_ op den 10den dag der _ramadhan_ van het achtste
jaar der _hedjira_ (630) aan het hoofd der _Ansar_ en der _Moehadjir_,
en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot
zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep
dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche
leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats
had en zelfs zonder veel wederstand; zÛÛ geheim had men den beraamden
tocht weten te houden, en zÛÛ snel waren de bewegingen geschied;
maar een troep KoreÔshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het
intrekken van _Mekka_ aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets
spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal
schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van _Mekka_ werden
van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen
te dooden, al waren zij ook in den _Caaba_ verborgen. Mahomet begaf
zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met
eerbiedigheid den zwarten steen met zijn' _mihdjan_ aan, zijnde dit
een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens
den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er
beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd
waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die
vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif,
aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het
Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham
te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken
de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren
drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze
voorbijging, hief hij zijn _mihdjan_ op, en na dat teeken verbrijzelde
men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: "De waarheid verscheen
en de logen verdween." Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper,
Belal genaamd, op den _Caaba_ en verkondigde het uur van het gebed.
Denzelfden dag werd de geheele bevolking van _Mekka_ verwittigd,
dat zij zich had te begeven naar den heuvel _Safa_, om den profeet
te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid _bi'at bi'a_ te doen,
welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij
die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk
der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een' verheven zetel
geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer
den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij
noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken
schuldig te maken.
Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te _Mekka_. Gedurende dien
tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der
afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de
bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij
zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in
den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders
niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht
achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn,
en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang
naijverig op de KoreÔshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en
trok tegen _Mekka_ op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van
een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde
de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen in, dat zij zich onverwinbaar
achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt;
inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken
en te _HonaÔn_ aankwamen, dat op tien mijlen afstands van _Mekka_
is gelegen, werden zij door de _Hawazin_, en wel met zulke hevigheid
aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat
het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden
tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn' witten
muilezel _Doldol_ te gaan liggen, en wierp toen, even als te _Bedr_,
eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de
geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd
op de vlucht gedreven en trok af naar _Taif_, eene stad ten westen van
_Mekka_ gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke
stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen
nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al
de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende
verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder
tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit _Taif_
naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weÍrwil
nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen,
hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam
het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche
pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van
dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed.
Toen Mahomet te _Medina_ terugkwam, liet hij te _Mekka_ een'
onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten
en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient,
is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van
die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter
deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars
volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een' termijn
van vier maanden liet, om zich te bekeeren.
Het 9e jaar der _hedjira_ (631) was getuige van de bekeering
en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als
christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene
redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en
Christenen van _Nedjram_, in welken redetwist de Christenen, volgens
het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen
verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die
vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in
aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en
vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar _Taboek_
op de grenzen van _SyriÎ_ voerde. Men zag toen, dat de tijding van
het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk
een aanmerkelijk leger had de onderwerping van _AÔla_ tengevolge, dat
eene handeldrijvende stad aan de _Roode zee_ was, en ook van eenige
plaatsen in de nabijheid van _Taboek_ gelegen. De stad _TaÔf_, die,
ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp
zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook _het jaar der
gezantschappen_ genoemd, uithoofde van het aantal deputatiÎn die
elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van
steden en stammen te komen betuigen.
Het volgende jaar, zijnde het 10e der _hedjira_ (632), groeide het
aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe
zich hebbende bepaald bij _Hedjaz_ en de noordelijke streken van
_ArabiÎ_, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke
gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de
namen _Hadramaut_, _Yemen_ en _Nedjd_ den eeredienst onder een eenig
God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij
opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden
hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die
niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. "Er is geen andere
God dan God (_Allah_) en Mahomet is Gods gezant", was de vastgestelde
formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (_ChehadeteÔn_),
om aangezien te worden als Muzelman (_Moeslim_), of als man die aan
Gods wil onderworpen is.
Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende
pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet
anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan
bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen
uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e
jaar der _hedjira_, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart
naar _Mekka_ te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van _ArabiÎ_
eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik
te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend,
volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te
_Mekka_ was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke
door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich
den volgenden dag naar den berg _Arafat_, waar hij eene toespraak
hield, welke vervolgens werd herhaald door een' KoreÔshiet, die eene
doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling
van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke
door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht
van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De
aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid,
broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen
en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk
verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden
te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: "Ik laat u eene wet
achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en
stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neÍrgezonden." Hij
besloot met uit te roepen: "O! mijn God! heb ik mijne zending
vervuld?" waarop aller stem antwoordde: "Ja, gij hebt haar vervuld!"
Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde
Mahomet, met eigen hand, drieÎnzestig kameelen en schonk aan
drieÎnzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan
zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had
aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want
gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te
scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij
hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elka‚r. De
bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de
afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg
_Arafat_ had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet
zoude vergund zijn, _Mekka_ weÍr te zien. Inderdaad werd hij eenigen
tijd na zijn' terugkeer te _Medina_ ziek. Hoezeer die krankte zijne
lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door
benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen
nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciÎn, en wees zelfs Oekama, den
zoon van zijn vrijgemaakten slaaf SeÔd, aan, als het hoofd der troepen,
die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak
er een storm in _ArabiÎ_ zelf uit. In drie verschillende provinciÎn,
noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een
van dezen was TolaÔka, de tweede was MossaÔlama, en de derde AÔhama
(die ook el-Aswad of _de zwarte_ werd genaamd) van den stam der
_Ans_ of der _el Ansia_. Deze profeten, welke door de Muzelmannen
niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden
onder de kortelings bekeerde, maar van _Medina_ verwijderde stammen
eenige vorderingen gemaakt; en MossaÔlama richtte zelfs een schrijven
aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen,
aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op
deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: "Mahomet,
gezant van God, aan MossaÔlama, den bedrieger. Heil, hun die den
rechten weg volgen [21]. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar
bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben
voorspoed." De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat
Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan
wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne
legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. Hem
werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een'
van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want
de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed
al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en
zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw AÔsha,
en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden.
"Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld,"
zeide hij tot zijne verwanten, "zult gij mij, op dit bed, aan den rand
van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden,
op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten
en wachten tot de engel GabriÎl en al de engelen des hemels voor mij
gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn
gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden."
In weÍrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn
beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk,
en toen hij er het gestoelte (_minber_) had bestegen, hield hij de
volgende toespraak aan de Muzelmannen.
"O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug;
laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat
hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn
goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor
mijn' haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur [22]." Een
persoon kwam toen drie dirhems [23] van hem terug vorderen. Mahomet gaf
hem die dadelijk terug, met de woorden; "Het is beter schande in deze
wereld, dan in de andere te hebben." Toen hij, eenige dagen daarna,
zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps,
in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot
de omstanders: "Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een
geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden." Maar Omar
belette het uitvoeren van dat bevel. "De profeet is aan 't ijlen,"
zeide hij. "Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?" Onderwijl
men aan't twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren
van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders:
"Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant
Gods aldus te twisten."
Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer
toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te
volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de
Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken
met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden,
dat de krachten terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste
opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in
zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt
zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als:
"Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel GabriÎl)." Hij
stierf op de knieÎn van AÔsha, den 13den dag der maand _Rabi_ van
het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn
graf is derhalve te _Medina_, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam
_monewwereh_, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood
verspreidde zich weldra te _Medina,_ en veroorzaakte er eene algemeene
verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd
om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs
besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem
en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier
gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen
[24]. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk
geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van
haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een
zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf
en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vÛÛr hem stierf,
waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja,
gebaard, en de zonen der overige vrouwen vÛÛr hem gestorven. Dit waren
vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima,
die gehuwd was met Ali, RokaÔa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met
Othman, die later Khalif was, en eindelijk ZeÔnab (Zenobia). Onder
diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen,
behooren: Khadidja, dochter van KwowaÔlid; AÔsha, dochter van Aboe
Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian,
een der machtige KoreÔshieten; Safia eene IsraÎlietin en ZeÔnab,
dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf
SeÔd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van
zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen
had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde
geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het
voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt,
te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV)
maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van
geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen.
Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard,
dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk,
dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men
waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld
op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter
Fatima de eigendom te ontnemen van _Fadak_, een vlek, dat op de joden
veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd
van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was,
aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was
veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht
had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van
armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne
onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven;
maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen
een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen.
Hij bezat tweeÎntwintig paarden, twee ezels _Ofair_ en _Ya'foer_; vijf
muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die
behoorde, welke bekend was onder den naam van _Koswa_ (met afgesneden
ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige
geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand
in het bezit van Ali overging en _dhoelfikar_ heette; zijnde een
sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen;
voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden,
een standaard (_liwa_) van een witte kleur, en een andere, die zwart
was en _okuk_ (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men
zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam
van _sandjak sherif_ (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard
heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (_borda_) thans nog in de
laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van _kherkaÔ sherifsh_
en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca'b gaf,
die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het
onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter
Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd,
die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren.
Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare
gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had
zwarte oogen, zwart, sluik haar, een' arendsneus, gladde en blozende
wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weÍrwil van
zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze
haren aan hem. Overigens had hij, naar het gebruik der Arabieren,
de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der
_henna_ te kleuren, en _collyre_ op zijn oogleden te doen. Hij was
er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water
gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat
zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: "waar ik
ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken,
maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed." Het innemende van zijn
uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van
goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen
die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vÛÛr de hand van
dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet
hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke
wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de
lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door
gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden
onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield,
wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond
niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als
het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van
_Mekka_, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij
zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. "Ik
heb gezwegen," zeide hij tot zijne aanhangers "in afwachting,
dat er een opstaan en dien man dooden zou." Zij antwoorden daarop:
"wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht," Hij hernam:
"Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt
den profeet niet." Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken,
hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit
te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets
leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk
en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem
verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten,
door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte
eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De
vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van
Thabit en Ca'b, zoon van ZohaÔr. Wat hemzelven betreft, was poÎzie hem
zÛÛ vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het
herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste,
dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij
in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt,
mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn'
Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was,
om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te
erkennen, dat de godsdienstige overspanning, welke het medeslepen door
den nieuwen eerdienst voorbracht, de poÎtische verheffingen van het
heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter,
Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij
Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren
met AmrilkaÔs, Chanfara, Tarafa enz.
Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven
kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel GabriÎl hem zegt:
"Lees!" en zijn antwoord: "wat zal ik lezen?" zoude doen aannemen,
dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen
voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op
te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat
hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij,
bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven
wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, SeÔd,
ObaÔ, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op
dat tijdstip, onder de IsraÎlieten en Christenen kon bestaan, zoo
bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide
godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van
hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche
verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward
zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast
het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een
ongeletterd profeet (_ommi_) is, die tot de ongeletterden gezonden
was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die
door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige
Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord _ommi_
(moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te
weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt,
niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van _Mekka_,
welke stad _Ommoel-Koera_ of _moeder der steden_, genoemd wordt
[25]. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne
gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der
toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere
geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven,
in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige
overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst,
die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog--al welke
oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene
enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken--hebben zich tot de
onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van
duizende mirakels doen voorkomen [26]. Daarbij bleef men echter zelfs
niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst
in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de
leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het
joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering
gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring
van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God,
en niet geschapen was.
Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de
twisten over de keuze van een' _Khalif_. Aangezien Ali echter niet
daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen
de aanspraken van een deel van die van _Medina_ te bestrijden, aan
welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars
zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen _Medinas_ inwoners,
waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door
de aanzienlijkste Muzelmannen te _Medina_ gehuldigd werd. Wij vermelden
hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van AÔcha of
AÔsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam.
Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen
en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder
van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan
aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven tot eenige merkwaardige
Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij AÔsha
of AÔcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte
des Korans. Met AÔsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich
eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder
dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te _Medina_. Zij was
de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had,
en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een' grooten
invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen,
welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden,
als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij
zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat
van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden.
Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis,
waardoor AÔsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en
waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van
Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner
vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding
gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien
degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de
fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan
Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran,
waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid:
Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de
reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning
van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste
echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weÍr gemeenschap met
Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak,
en Mahomet werd door zijn' geheelen harem, maar vooral door Hafsa en
AÔsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand
in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij,
in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer
ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria [27].
De Openbaring en de wet op overspel, waartoe AÔsha aanleiding
gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. AÔsha (of AÔcha)
vergezelde Mahomet op een' veldtocht tegen de _Benoe Moestalik_. Zij
bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de
troepen in de vroegte opbraken, en kwam toen met Moeattal, die tot
de achterhoede behoorde, eenige uren later te _Medina_ aan. Daardoor
gold AÔsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster,
en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke
trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet
geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren
draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder
was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans
hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was,
den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen
voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen,
en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer
kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid,
gedurende de ziekte, waaraan zij--schijnbaar of werkelijk--kort na hare
aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders
brengen. Geheel _Medina_ sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet
maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan AÔshas
onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige
gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor AÔsha, en misschien ook het
gevoel voor zijn' oudsten en getrouwsten aanhanger--zijn schoonvader
Aboe Bekr--bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht
haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een' aanval
van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden
voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen,
welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken,
werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een' ieder
bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne
beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen. [28]
De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke
geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer
dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is
overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In
elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige
deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de
grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij
maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne
aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden
geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens
van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt
ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne
kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. Een elk
had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen
gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid
waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in
allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars
naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich
kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden
te troosten. Niemand was in _Medina_ ziek, of hij bezocht hem, en
niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het
lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet
ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te
verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich
tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige
gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt
wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame
vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner
heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste
moordtooneelen richtte hij onder de _Benoe KoraÔza_ aan. Dit was niet
zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik
van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets
waardoor hij zijn' ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet,
die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een
gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken,
welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker
verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd
zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een' sluwen staatsman noemen,
welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht,
groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als
verkondiger van het monotheÔsmus of stelsels van de eenheid Gods,
der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij
't eerst in _ArabiÎ_ deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en,
met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze
bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen
was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van
wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet
minder dan uit zijn leven.
II
DE KORAN.
Algemeen overzicht.
Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of
werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt,
de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen,
niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den
inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen [29].
De Muzelmannen, wel is waar--doch blijkbaar alleen met het doel om
hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te
verdedigen--stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door
hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd,
en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij
echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets
van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt
zou geworden zijn? [30]
Stelt ook Omar niet vast, dat het vers, waarbij, echtbreuk met
den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn
gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door
latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere
voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen
tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen--wat
naderhand inderdaad gebeurde--dat er ten minste over de letter zijner
openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen,
dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit
toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden
als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze
zorgeloosheid nu weten wij geen' anderen grond op te geven, dan dat de
meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het
oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een
tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet
zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde
der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat,
hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven,
terwijl hij ook vÛÛr zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik
niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels
in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman
toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk
oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen
geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de
handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: "Zijn
ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die
voor hun geloof strijden [31]?" zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um
Maktum tot Mahomet: "Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met
ons gemaakt worden?" en dadelijk openbaarde hem God: "Met uitzondering
dergenen, welke lichaamsgebreken hebben." De profeet deed zich hierop
het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval
zijnen secretaris ZeÔd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. "Ik
verbeeld mij--verhaalde ZeÔd naderhand--als zag ik nog die plaats naast
eene spleet op het schouderblad." Eene andere overlevering, volgens
welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds
een vers opschreef, dat hij den volgenden ochtend niet meer vond,
en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen,
of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was,
bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed,
hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren,
maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene
onbetwiste overlevering in den Koran zelf [32] bevestigt dit, gelijk
ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd,
zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te
ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling,
de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en
dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen,
welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen
gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de
goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de
omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was.
Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor
terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieÎntwintig
jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als
een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem
daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde
en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke
wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en
Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet MossaÔlama,
die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles
wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen,
steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de
Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of
gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen.
Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran
bezorgde [33], droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering
en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op ÈÈn punt,
en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen
tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die
natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij
deed derhalve, naar de oorkonden, welke door ZeÔd, onder Aboe Bekr,
verzameld en door Omars dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe
afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe
Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen
opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ÈÈne leeswijze
opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans
het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de
vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de
lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieÎn van deze, voor het
nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast,
dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden,
nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten
geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect
gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der KoreÔshieten verwant
was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen
onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige
Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald,
dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen,
dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem
derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen;
toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl
hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen
geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te
kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen
kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk
behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter
nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: "Elk
jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel GabriÎl,
wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs,
dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald
hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets
wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne
volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden
overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen [34]. Hier zien wij
duidelijk dat de voorgewende, van elka‚r afwijkende openbaringen,
waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich
uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen
maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet,
behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich
geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe
meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen,
wilde Othman dus ÈÈnen Koran vormen, over welks inhoud niet meer
getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het
oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg
besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering,
volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op
zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude
hebben: "Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren." Op
dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan
door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven,
om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: "Hisman
de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens AÔsha gevraagd had,
hoe er toch zoo menigvuldige feilen tegen de Arabische woordvoeging
in den Koran hadden kunnen ontstaan;" waarop hem geantwoord werd,
"dat dit het gevolg van misslagen der afschrijvers was geweest."
De handelwijze moge nu ook door de politiek gerechtvaardigd kunnen
worden; uit het oogpunt nochtans der kritiek, zoowel als uit dat van
het geloof, moet zij veroordeeld worden, en de ontevredenheid der
geloovigen zoowel als der geleerden nog verhoogen. Ongelukkigerwijze
waren de afschriften van den Koran toen ook nog zÛÛ zeldzaam, dat het
hem werkelijk schijnt gelukt te zijn, al die er bestonden te verzamelen
en te verbranden, en degenen welke eigenhandig door hem geschreven,
of de afschriften, die naar deze vervaardigd en aan de hoofdsteden van
het rijk toegezonden waren, aan den geheelen Islam op te dringen. Het
valt nochtans te betwijfelen, of Othmans exemplaar zÛÛ lang bewaard
gebleven zij [35], en door de Mahomedaansche Masorethen, tot het
vaststellen van den tekst kon worden gebruikt, gelijk onderscheidene
Muzelmannen aannemen. Daarentegen is het bewaard blijven der door hem
bezorgde afschriften, zoowel als der kopieÎn, welke door onderscheidene
tijdgenooten vervaardigd zijn, wel schier niet aan eenigen twijfel
onderhevig [36]. Men kan derhalve bepaald aannemen, dat, na Othman,
niet verder wezenlijke veranderingen in den Korantekst, of ten minste
opzettelijke toevoegsels of weglatingen plaats vonden. Desniettemin
mogen wij echter ook de oudste der bekende afschriften niet volkomen
als het werk van Othman aanzien, omdat ten tijde van Othman het
Arabische schrift nog geene teekens bezat ter onderscheiding van
eenige naar elkander gelijkende letters, of toonteekens tot aanwijzing
der verschillende klinkers had. Deze punten en strepen werden eerst
in de tweede eeuw gebezigd, toen er ten aanzien van menige letters
en klinkers reeds twijfelingen bestonden. Daardoor zijn dan ook,
tot op onzen tijd, vele daaruit ontstane en van elka‚r afwijkende
lezingen bewaard gebleven; die dikwijls den grootsten invloed op den
zin uitoefenen.
Onbegrijpelijk blijft het altoos, dat Othman, die, bij de redactie
van den Koran, op minder bezorgde en nauwlettende wijze dan Aboe
Bekr te werk ging, niet ook een deel hebbe weggelaten van de wetten,
leerstellingen en legenden, welke somwijlen met dezelfde woorden
zijn herhaald, en welke Mahomet wel onderscheiden keeren kon hebben
voorgedragen, doch hem voorzeker eigenlijk maar eenmaal hebben kunnen
geopenbaard worden; ook voorts dat hij niets voor het vaststellen
van eene stelselmatige en tijdrekenkundige orde in de reeks van
Soeren of hoofdstukken en verzen hebbe gedaan. De wanorde die in den
Koran heerscht, verwart niet alleen den Europeeschen geleerde, al
is hij uiterst bekend met Mahomets leven, maar zelfs de degelijkste
Muzelmansche uitleggers weten dikwijls geen raad, en twisten met
elkaÍr, zoowel over enkele verzen, als over geheele kapittels; over
de aanleiding tot hunne verschijning, en of zij reeds van Mekka, dan
wel van Medina, na Mahomets vlucht of uittocht, dagteekenen. Maar
zelfs ook waar zij tijd en aanleiding der openbaring op bepaalde
wijze vermelden, zijn zij niet te vertrouwen, omdat zij meer de
doode letter eener overlevering volgen, die dikwijls valsch is, dan
wel dat zij op een zelfstandigen, levenden, kritischen geest gegrond
zijn. Dat de indeeling des Korans in honderd veertien hoofdstukken,
gelijk zij thans voor ons liggen, niet van Mahomet afkomstig is
gelijk de rechtzinnige Muzelmannen gelooven, is in het leven van
Mahomet bewezen; ofschoon niet tegengesproken kan worden, dat Mahomet
ten minste een deel van den Koran in afdeelingen openbaarde, die hij
Soeren of hoofdstukken noemde. Zij die den Koran van buiten leerden,
hebben mogelijk, om hun geheugen ter hulp te komen, een bijzonderen
naam aan elke afdeeling gegeven. Van vele dier afdeelingen, vooral
van de oudste, schijnt echter het grootste gedeelte verloren gegaan
of opzettelijk vernietigd te zijn, zoodat nog slechts hare namen
en weinige verzen er van overgebleven zijn, terwijl bij de latere
en uitgebreider afdeelingen, vele gedeelten bijeen werden geworpen,
welke volstrekt niet bij elkaÍr behooren.
Wij hebben gepoogd, niet alleen den tijd der verschijning van de
geheele hoofdstukken, maar ook, vooral bij de wetgevende stukken uit
Medina, dien der afzonderlijke gedeelten van elk hoofdstuk te bepalen.
Bij deze laatsten is het ons ook doenlijk geweest eene juiste
tijdorde der afzonderlijke hoofdstukken op te geven, terwijl die
uit Mekka, omdat zij algemeener van aard zijn en sterk op elka‚r
gelijken, in slechts drie tijdvakken zijn verdeeld. Bij het bepalen
der tijdorde dienden ons tot leiddraad: _a._ Duidelijk blijkende
betrekkingen op historische gebeurtenissen, waarvan het tijdstip
uit andere biographische bronnen bekend is; _b._ Het karakter
der openbaring, dat na den uittocht van Mekka geheel verandert,
aangezien Mahomet niet meer uitsluitend als hervormer, maar ook als
stichter van eenen nieuwen godsdienst en wetgever optreedt, en _c._
De uitwendige vorm; omdat Mahomet, in den eersten tijd zijner leer,
zijne voordrachten, zoo al niet streng naar de regels der prosodie,
nochtans in poteÔsche, rhytmische taal kleedde, gelijk dit bij de
vroegere Arabische waarzeggers plaats vond, terwijl hij in lateren tijd
anders schreef, deels opzettelijk, om niet voor dichter of waarzegger
te worden aangezien, deels omdat hij zich zelven uitgeput had, doch
vooral ook omdat het hem, op latere jaren en op zijn standpunt als
godsdienststichter, regeerder en wetgever, aan wezenlijke, innerlijke
begeestering mangelde; zoodat hij zelfs d··r een geheel prozaÔschen
vorm bezigde, waar hij hetzelfde onderwerp behandelt, dat vroeger
zijne geheele ziel had doorgloeid.
Naardien de hoofdstukken, in welke Mahomet, in zekeren zin, zelfs eerst
tot 's Heeren gezant gewijd wordt, voorzeker de oudsten zijn, zoo nemen
wij de overlevering opzichtens de beide het eerst geopenbaarden aan,
en geven als de zoodanigen op het 96e en 74e. Wij doen hier echter
opmerken, dat waarschijnlijk eenige andere verzen of hoofdstukken,
die verloren gegaan, in andere hoofdstukken gevoegd, of misschien later
opzettelijk vernietigd zijn, en welke de kern der oorspronkelijke leer
van Mahomet bevatten, gelijktijdig zijn verschenen; want blijkbaar
zijn slechts de eerste vijf verzen van het 96e hoofdstuk en de eerste
zeven verzen van het 74e hoofdstuk als eene wijding tot profeet aan te
zien. In de volgende verzen is er slechts sprake van de zoodanigen, die
Mahomet geen gehoor schenken en met den Koran spotten. Overigens duiden
reeds de eerste woorden van hoofdstuk 96, zoo al niet rechtstreeks op
een volslagen godsdienstboek, dan toch ten minste op eene gelijktijdig
verschenen openbaring, welke hij lezen en voorlezen moest. Het 31e vers
van het 74e hoofdstuk behoort gewisselijk tot een later tijdvak. Ook
de eerste acht verzen van hoofdstuk 73 rekenen wij onder de oudsten;
de tien volgende verschenen later, en het laatste voorzeker eerst te
Medina. Zonder twijfel behooren ook vers 77-104 van het 26e hoofdstuk
tot de vroegste openbaringen, in welke Mahomet opgeroepen wordt,
slechts ÈÈn God te aanbidden en zijne stamgenoten voor afgoderij te
waarschuwen; en evenzeer hoofdstuk 106, hetwelk voornamelijk op de
KoreÔshieten betrekking heeft. Daarop volgt dan hoofdst. 111, dat
een verwensching bevat, die gericht is tegen Mahomets oom Aboe Lahab,
welke, gelijk wij uit biographische bronnen weten, tegen zijnen neef
een steen ophief, toen deze zijn eerste prediking hield. Evenzeer is
dit waarschijnlijk het geval met de laatste zes verzen van het 15e
hoofdstuk waarin hem bevolen wordt, zijne leer luide en niet alleen
voor stamgenooten en vrienden te verkondigen. Het geheele overige
gedeelte van hoofdstuk 15 behoort tot het tweede tijdvak.
Nu volgt eene reeks hoofdstukken, waarin Mahomet zelfs vermaand
wordt, standvastig op het betreden pad te blijven, en zich door de
tegenspraak der Mekkanen niet van het geloof aan een eenigen God te
laten aftrekken; daarin wordt voorts de goddelijkheid des Korans
verkondigd. Mahomets karakter als profeet, als des Heeren gezant
wordt nauwkeurig opgegeven; van dat der bezetenen, der dichters,
der toovenaars en waarzeggers onderscheiden, en de leer van de
opstanding en vergelding tegen de spotzieke Arabieren verdedigd. Al
deze hoofdstukken welke wij in de eerste vijf jaren van Mahomets
zending plaatsen, dragen den stempel eener echte begeestering en van
eene diepe, innige overtuiging, en degene welke op Mahomet zelven
betrekking hebben, zelfs dien van een wezenlijk visioen. Dit gaat
zoo ver, dat men tot het denkbeeld moet komen, dat Mahomet zelf, ten
minste in den eersten tijd, slechts het werktuig van een' wezenlijken
hervormer was, die hem als engel verscheen. Hoe laten zich wel
anders verzen verklaren, in welke aan Mahomet bevel wordt gegeven,
den Koran, zoolang die hem wordt voorgelezen, niet na te zeggen,
maar te wachten, tot de engel voleindigd hebben zou [37]. Hoe zou
men anders eene verklaring kunnen geven van zoodanige verzen, waarin
hem bevolen wordt, zich van de ongeloovigen te verwijderen, als zij
met den Koran spotten, en, indien de satan hem dit gebod mocht doen
vergeten, het althans op te volgen zoodra hij het zich herinnerde
[38]? Is het wel denkbaar, dat Mahomet tot zich zelven zou hebben
gezegd: Wellicht laat gij een deel der openbaring achterwege, omdat
het gesnap der spotters u de borst vernauwt [39]; of: volgt gij hunne
(der ongeloovigen) begeerten, dan is God uw beschermer niet meer
[40]; of: als gij den Koran leest, dan neem uwe toevlucht bij God
tegen den Satan [41]. Deze en soortgelijke verzen, bij welke zich
geen bedrog laat veronderstellen--want wij kunnen daarin slechts
eene gekunstelde naÔviteit zien, die al te zeer zou strijden met
de waarheid der leerstellingen, welke in den eersten tijd werden
geopenbaard en met de geestdrift waarmede zij voorgedragen zijn--geven
ons derhalve aanleiding, ook bij andere uit dien tijd, elke verdenking
van opzettelijke misleiding, zelfs van Mahomets zijde te verwijderen,
en hem veeleer voor een godsdienstigen dweper vol zelfmisleiding,
dan voor een bedrieger te houden.
Ten aanzien der hoofdstukken, in welke, behalve de leer van God,
Mahomet, den Koran en van de opstanding, slechts hier en daar ook
eenige zedelijke voorschriften gevlochten zijn, die de leer van elken
godsdienst vormen, en waarin ook niet meer dan korte aanwijzingen
voorkomen van vroegere volken, die, uithoofde van hun ongeloof, zijn
ondergegaan, kan men, uithoofde van hunnen gelijksoortigen inhoud en
vorm, de tijdorde niet met eenige nauwkeurigheid bepalen. Uit dien
hoofde tellen wij diegene, welke wij in dat tijdvak plaatsen, naar de
volgorde op, gelijk zij in de vroeger vermelde overlevering op elkaar
volgen. Wij behoorden hier dan ook niet met hoofdstuk 81 te beginnen,
dat volgens die overlevering na het 111e hoofdstuk volgt, omdat dit
hoofdstuk, gelijk vooral uit vers 23 volgt, waarschijnlijk te gelijk
met het 53e hoofdstuk verscheen. Beide spreken over Mahomets visioen,
in hetwelk hij geloofde in den hemel gedragen te zijn, en dat, volgens
de opgave van de meeste levensbeschrijvers, eerst na zijnen terugkeer
van TaÔf plaats had [42]. Nademaal echter hunne schrijfwijze tot de
oudste behoort gelijk reeds blijkt uit hun volslagen afwijken van het
hoofdstuk der geniÎn, dat werkelijk eerst na de terugkomst van TaÔf
verscheen, zoo is voorzeker in beide sprake van eenig ander visioen,
en deze verzen werden eerst later, valschelijk, tot ondersteuning van
de legende der hemelvaart gebezigd. Dit is des te waarschijnlijker,
nademaal vers 17 en 18 van het 53e hoofdstuk, zelfs volgens de
Muzelmansche levensbeschrijvingen, kort na den eersten veldtocht
naar AbyssiniÎ verschenen, en aanleiding geven tot terugkeer der
eerste uitgewekenen [43]. Slechts, vers 30, 31 en 32 schijnen tot de
laatste verzen uit Mekka te behooren. Na de bovengenoemde hoofdstukken
komen de 68e, 87e, 92e, 89e, 93e en 94e soeras. Het 103e hoofdstuk
volgt, dat waarschijnlijk, evenals menig ander hoofdstuk, slechts uit
afzonderlijke verzen bestaat, die geen eigen hoofdstuk moesten vormen,
of van welke een gedeelte verloren is. Hierna komen de hoofdstukken
100, 108, 102 en 107. Hoofdstuk 109, hetgeen onderscheidene uitleggers
zelfs tot de Medinasche tellen, behoort gewis niet tot het eerste
tijdvak, maar in het tweede, waarin. Mahomets leer reeds zÛÛ zeer
verbreid was, dat de afgodendienaars hem eenige concessiÎn wilden
doen. Dan volgen hoofdstuk 105, 113, 114, 112, 80, 97, 91, 85, 90,
95, 101, 75, 104, 77 en 86. Vervolgens 70 [44], 78, 79, 82 en 84,
in welken de dag des oordeels, op meesterlijke wijze, in zeer korte,
rhytmische zinnen wordt geschilderd; evenzeer hoofdstuk 56, 88,
52, 69 en eindelijk 83. Ook hoofdst. 99, hetwelk door onderscheiden
Muzelmannen onder de Medinasche wordt gerangschikt, behoort nog tot
de oudste van Mekka.
Het tweede tijdvak omvat ook nog zeer poÎtische hoofdstukken; in
welken tijd Mahomet reeds meer als profeet dan als een in verrukking
verkeerende optreedt, en waarbij men in zijne voorstelling reeds meer
spel en kunst, dan rechtstreeksche uitgietingen van een overvloeiend
gemoed opgemerkt. Mahomet komt reeds meer in bijzonderheden, zoo wel in
het gispen der bijgeloovige Mekkanen, als opzichtens zijne grondvesting
des waren geloofs. De hel en het paradijs worden gaandeweg wijdloopiger
beschreven; ook worden er de goddelijke attributen nader bepaald en
met bewijsgronden gestaafd. De legenden der profeten vermeerderen en
worden bepaalder van teekening, hetgeen reeds bij die van Mekka den
argwaan opwekte, dat Mahomet een medearbeider had. Deze argwaan wordt
zelfs uitgedrukt en niet behoorlijk wederlegd [45]. Immers indien ook
zij, welke door de Mekkanen als zijn leermeesters worden aangezien,
vreemdelingen en de Arabische taal niet volkomen machtig waren, zoo
konden zij hem des niettemin de stof voor zijne openbaringen geleverd
hebben, welke hij dan vrij bewerkte. Totdat tijdvak, hetgeen zich
tot Mahomets terugkeer van TaÔf uitstrekt, rekenen wij te behooren,
behalve de reeds genoemde ook de hoofdstukken: 1, 51 [46], 36, 50,
54, 44, 19, 20, 21, 23, 25, 67, 37, 38, 43 en 71, en eindelijk nog
55 en 76, welke door vele Muzelmannen worden aangezien, als te Medina
geschreven te zijn.
De hoofdstukken in de laatste jaren te Mekka verschenen, en welke
zich van toen nog maar zeldzaam boven het gewone proza verheffen,
doch in welke echter nog veel redenaarstalent aanwezig is, zijn de
hoofdstukken: 7, 72, 35, 27, 28, 17, 10, 11, 12, 6, 31, 34, 39, 40, 32,
42, 45, 46, 18, 16, 14, 41, 30, 29, 13 en 64. De beide laatste worden
gewoonlijk onder de Medinasche hoofdstukken geteld. In het laatste
vindt men, wel is waar, in het 14e vers: "O gij, die gelooft!" eene
wijze van aanspreken, die gewoonlijk in de Medinasche hoofdstukken
voorkomt; doch deze wijze van aanspreken kan door Mahomet nochtans
reeds te Mekka gebezigd zijn geworden, als hij iets openbaarde,
wat diegenen betrof, welke reeds tot den Islam bekeerd waren.
Alvorens wij tot de hoofdstukken overgaan, die te Medina geschreven
zijn, en bij welke, uithoofde zij tot historische feiten in betrekking
staan, eene nauwkeuriger tijdsbepaling mogelijk en, uit genoemden
hoofde, ook noodzakelijker is, moeten wij nog enkele aanmerkingen laten
volgen, over de hoofdstukken die te Mekka geschreven zijn. Volgens
eene Muzelmansche overlevering zou vers 93 van het 6e hoofdstuk niet
dan later verschenen zijn en op valsche profeten betrekking hebben,
welke eerst na Mahomets uittocht opkwamen. Intusschen kan het mogelijk
wezen, dat Mahomet, zonder toespeling op anderen, alleen om des te
meer geloof te vinden, gezegd hebbe: Bestaat er wel iets snooders,
dan God logen toe te dichten, of te zeggen: mij is iets geopenbaard,
indien dit niet waar is, enz. Als wilde hij daardoor zeggen; hoe kunt
ge mij voor zoo goddeloos houden?
Vers 30 van het 7e hoofdstuk moet gelijkerwijze eerst in Medina en wel
eveneens eerst na de verovering van Mekka verschenen zijn, hetgeen
ontwijfelbaar is, indien men dat vers als een gebod aanneemt. Het
blijft echter altijd mogelijk, dat het slechts een vermaning ware
tegen de KoreÔshieten, welke den bedevaartgangers nieuwe kleederen
wilden opdringen, of hen dwongen, maakt den tempel om te trekken;
zoodat het reeds vroeger verschenen kon zijn.
Van het 17e hoofdstuk is voorzeker vers 35 (waar gezegd wordt: "wij
hebben den bloedverwant eens vermoorden reeds macht over een moordenaar
gegeven," en waarin waarschijnlijk op hoofdstuk 2 vers 173 wordt
verwezen), eerst in Medina verschenen, waar Mahomet een uitvoerende
macht bezat. Ook vers 78 kon eerst te Medina geopenbaard zijn; want er
wordt van eene poging gesproken, om Mahomet uit het land te verdrijven,
hetgeen die van Mekka werkelijk gedaan hadden. De volgende echter en
vers 83 kunnen reeds in Mekka geopenbaard zijn; want reeds voor de
verovering van die stad kon hij zeggen: "De waarheid is gekomen, de
leugen is ontvloden." Wat het eerste vers van dit hoofdstuk betreft,
zoo houden wij het niet alleen niet te behooren tot die, welke in
Mekka zijn geschreven, maar voor een, dat eerst na Mahomets dood
verdicht, of bij vergissing in den Koran opgenomen is. Onderscheiden
Koranplaatsen pleiten er voor, dat Mahomet zelf de nachtelijke reize,
naar Jeruzalem en den hemel, slechts als een visioen aangezien wilde
hebben. Reeds Mahomets gedurige verzekeringen, dat hij niet meer dan
een prediker en geen wonderdoener was [47], behoorde ook overigens de
geloovigen te overtuigen, dat er geen grond voorhanden is, om hier
aan het doen eener werkelijke reize, gelijk ook aan eene gespleten
maan te denken. Desniettemin had deze legende zich spoedig na den
dood van den profeet verbreid, en langs dien weg kon ook dit vers,
door eenig geloovige voor zich zelven opgeteekend, wellicht reeds
ten tijde van Aboe Bekr, in den Koran overgegaan zijn. Dat vers komt
overigens volstrekt niet bij het daaropvolgende, is voor een ieder,
die de legende niet kent, onverstaanbaar, en bovendien voor dengeen,
die er mede bekend is, duister en taalkundig onjuist. Woordelijk
luidt het vers: "Geprezen zij degeen, die met zijn knecht des nachts
reisde, van den heiligen tempel naar den verwijderden tempel, wiens
omgeving wij gezegend hebben [48], opdat wij hem onze wonderen
toonen. Gewisselijk hij is de hoorende, de zienden."
In vers 85 van hoofdst. 28 moet, volgens eenige Koranverklaarders, aan
Mahomet voorspeld zijn, dat hij eens naar Mekka terug zou keeren. Ten
gevolge daarvan zou dat vers zeker in Medina, of tenminste daarheen
geschreven moeten zijn. Er komt echter een woord in voor (Maad)
hetgeen woordelijk "plaats des terugkeers" beteekent, zoodat daarmede
even goed de wereld hier namaals, als Mekka bedoeld kan zijn.
Vers 9 en 10 van hoofdstuk 29 schijnen ook naar Medina verplaatst
te moeten worden; want daarin wordt gezegd: dat zekere lieden zich
van de geloovigen afscheiden, indien zij in kommer zitten, maar zich
weder bij hen voegen als er bijstand van God komt; dat echter God
de ware geloovigen wel van de huichelaars weet te onderscheiden. De
vijf eerste verzen van Hoofdstuk 30, welke betrekking hebben op de
zegepraal der Perzen op de Grieken, behooren tot het vroegere tijdvak.
Het 15e vers eindelijk van het 46e Hoofdstuk, ten minste de tweede
helft er van, welke door de Muzelmannen betrokken wordt op Aboe Bekr,
wiens vader, zoon en kleinzoon zich tot den Islam bekeerden, is niet
minder verdacht dan het 1e van Hoofdstuk 17.
Tot de nog overige drieÎntwintig Medinasche Soeras overgaande,
volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de 2e Soera (die van
de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd
voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te
Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten,
te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te
Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had [49]. Dit
is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk
loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis
aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en
vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst
tegenover het strenge MozaÔsme en het van dogmas zoo zeer vervulde
Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat
overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen,
varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was [50]. En
dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband
met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka
heerschten [51]. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander
gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en
hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten,
reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid
in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet
aan; God is Heer van het Oosten en Westen [52]. Op deze algemeene leer
der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te
Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in
het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu
bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich
echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het
gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het
anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt
nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het
gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt
zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand
Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige
wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke
en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de
bepalingen omtrent de reiniging der vrouwen [53]; testamenten [54],
schuldverbintenissen [55], woeker [56], echtscheiding en rechten der
vrouwen [57], huwelijk met ongeloovigen [58] en moord [59] Alleen
vers 192-199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten,
behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot
het 6e of 7e jaar der hedjirah.
Gelijktijdig met het tweede Hoofdstuk, en alleen tot zijne aanvulling,
verscheen waarschijnlijk het 98e Hoofdstuk, dat voornamelijk tegen de
ongeloovige Joden en Christenen gericht is, en evenzeer het 62e, dat
het gebod behelst over het vieren van den Vrijdag, of eigenlijk over
de godsdienstoefening op dien dag, voorafgegaan door een twistgeschrijf
tegen de Joden, en bijna met dezelfde woorden als in het 2e Hoofdstuk.
Het 65e Hoofdstuk is slechts ten deele eene herhaling, deels eene
aanvulling der huwelijkswetten, welke in het 2e Hoofdstuk vervat
zijn, en moet derhalve ook omstreeks denzelfden tijd geplaatst
worden. Hoofdstuk 22, dat het verlof bevat tot het oorlog voeren, over
de bedevaart handelt, gelijk zij door Abraham is vastgesteld [60] en
over het loon, dat de landverhuizers verbeidt, die sterven of gedood
worden, behoort ook tot dezen tijd; maar, zelfs volgens het gevoelen
de Mahomedanen is een gedeelte daarvan reeds te Mekka verschenen;
want het bevat meer redetwisten tegen de afgodendienaars van _Mekka_
dan tegen de bewoners van Medina. Vers 51-53, in welke Mahomet eene
concessie terug neemt, welke hij aan de ongeloovigen heeft gedaan, en
eene vroegere openbaring aan de kunstenarijen des satans toeschrijft,
laten hierover niet den minsten twijfel bestaan.
Tot de eerste Medinasche Hoofdstukken behoort eigenlijk ook het 4e,
waarin het verdere over het huwelijksrecht en het daarmede in verband
staande erfrecht is bevat [61] en voorts verbod van den zelfmoord
[62], bepalingen omtrent doodslag bij vergissing [63]; eenige
krijgswetten, bijzonder tot bevrijding der te Mekka teruggehouden
geloovigen: twistreden tegen afgodendienaars, Joden en Christenen [64],
verordeningen over het gebed in den oorlog en de reiniging vÛÛr dezen,
en eindelijk nog eenige algemeene, zedelijke vermaningen, zooals
over milddadigheid zonder vertoon te maken [65], rechtschapenheid
[66] en waarheid [67].
Aangezien het derde hoofdstuk, of tenminste een gedeelte daarvan,
gezonden werd om de Muzelmannen over het verlies bij Ohod te troosten,
zoo is het voorzeker in het derde jaar der hedjirah verschenen. De
overige verzen van dat Hoofdstuk, welke ten deele twistgeschrijf en ten
deele vriendelijk tegemoet komen ten aanzien van Joden en Christenen
bevatten, met verwijzing op Abrahams geloof, kunnen ouder zijn:
doch v. 82 daarentegen, dat elken niet-Muzelman in alle eeuwigheid
verdoemt, is gewis eerst later verschenen.
Eene opmerkelijke bijzonderheid voeren wij uit Hoofdstuk 33 vers 47
aan. Nadat daarin gezegd is, de ongeloovigen en huichelaars niet na
te volgen (of zoo als anderen vertolken, niet naar hen te luisteren),
besluit het vers met te bevelen, hun geen leed te doen.
Hoofdstuk 48 betreft de verongelukte bedevaart, of den tocht van
HoedeÔbia, en wordt daarin het verdrag, met de Mekkanen gesloten,
als eene verovering afgeschilderd, en de onmiddellijk daarop volgende
oorlog van Cheribar vermeld. Ook de drie verzen, welke het 110e
Hoofdstuk vormen, zijn waarschijnlijk in dien tijd, zoo niet zelfs na
de verovering van Mekka verschenen. Zoo is het ook met Hoofdstuk 61:
vooral vers 13, waarin evenzeer de spoedige verovering wordt beloofd,
en de vier eerste verzen, waarin den geloovigen verweten wordt, dat zij
hun woord niet houden; waarbij hun achterblijven van den tocht naar
Mekka wordt bedoeld. Eindelijk nog Hoofdstuk 60, dat het huwelijk
tusschen geloovigen en ongeloovigen ontbindt--hetgeen dadelijk na
den terugkeer van HoedeÔbia plaats had--en het huldigings-formulier
der vrouwen voorschrijft. Het begin van dat Hoofdstuk zoude kort
voor de verovering zijn verschenen, toen Hatib Ibn Baltaa zijne
vrienden te Mekka van Mahomets voornemen wilde onderrichten. Het
gebod, geene ongeloovigen tot vrienden te kiezen, wordt nochtans
zoo dikwijls herhaald, dat het waarschijnlijk ook reeds vroeger werd
medegedeeld, nademaal de vriendschapsbetrekkingen tusschen geloovigen
en ongeloovigen reeds lang te voren niet wenschelijk kon toeschijnen.
Hoofdstuk 49, welks begin op het gedrag der afgevaardigden van
de Thakifieten betrekking heeft, verscheen na de verovering van
Mekka. In de volgende verzen tracht Mahomet de eendracht tusschen
de verwonnelingen en de veroveraars te herstellen, en waarschuwt
voor wantrouwen, argwaan, beluisteren, achterklap en geboortetrots,
omdat die ondeugden onvrede tusschen de geloovigen bewerkten, welke
elkander als broeders moesten beminnen.
Het vijfde Hoofdstuk eindelijk bevat eenige verzen, welke Mahomet bij
zijne laatste bedevaart geopenbaard heeft, en dat derhalve door eenige
Muzelmannen als het laatst verschenen wordt beschouwd. Daartoe tellen
wij diegenen, welke betrekking op de bedevaart hebben, en eenige
spijswetten, vooral die, welke in het vierde vers herhaald zijn;
uit hoofde van de tweede helft, waarin de godsdienstlessen thans
als volkomen worden erkend. Het gebod van het wrijven met zand, bij
gebrek aan water [68], bevindt zich reeds in een vroeger Hoofdstuk,
en is, zelfs naar de Muzelmansche overlevering, ouder. Zoo is het
ook met den zoen voor een' niet gehouden eed [69], waarop reeds in
Hoofdstuk 66 v. 2 wordt geduid.
Ook de wet, om bij testamenten twee getuigen te doen onderteekenen
[70], is waarschijnlijk reeds vroeger, met vers 176 van het 2e
Hoofdstuk, verschenen. Evenzeer het gispen van het wijn drinken en
dobbelspel [71]. Alleen de wet, die den diefstal met het afhouden
der hand straft, kan nog bij de laatste bedevaart zijn gegeven. Het
overige gedeelte van het hoofdstuk, dat Bijbelsche legenden bevat,
en voorts twistgeschrijf tegen Joden en afgodendienaars, maar meer
nog tegen Christenen, en vooral tegen de leer der DrieÎenheid,
is voorzeker nog ouder. Dit bewijst hoofdzakelijk v. 85, waarin de
Christenen vrienden der muzelmannen genoemd worden, hetgeen althans
na den slag van Moeta en den veldtocht van Taboek niet meer gezegd
kon worden; ook vers 73, waarin, even als in Hoofdstuk 2 v. 59, den
geloovigen Joden en Christenen eene zalige toekomst wordt beloofd,
terwijl in het 3e Hoofdstuk wordt gezegd [72]: wie eenen anderen
godsdienst dan den Islam aanhangt, wordt door haar niet (bij God)
aangenomen en behoort in de toekomstige wereld tot de verdoemden;
en evenzeer Hoofdstuk 48 v. 17: "wie niet aan God en zijnen gezant
gelooft, voor zulke ongeloovigen hebben wij de hel bereid". Immers het
is niet aan te nemen, dat Mahomet in den laatsten tijd verdraagzamer
en vrijzinniger jegens Joden en Christenen geworden zij, daar hun
zelfs verboden wordt, het gebied van Mekka te betreden.
III
DE ISLAM.
Algemeen overzicht.
Wij zullen thans van de geschiedenis der uiterlijke ontwikkeling van
den Koran en de ontleding zijner deelen, tot het innerlijke wezen
overgaan, en hem meer beschouwen met betrekking tot het blijvend
gehalte en in zijn geheel als godsdienst- en wetboek. Wij zullen met
de geloofsleer van den Koran beginnen, zonder juist een dogmatiek
in de streng wetenschappelijke beteekenis van het woord te geven,
of in de subtiliteiten der latere, scholastieke dogmatici te treden;
eensdeels dewijl ons dit te ver zou voeren, en anderdeels omdat,
vooral bij een natuur-mensch als Mahomet, ook niet in het minst aan
een systematisch leerstelsel kan worden gedacht. Dit blijkt reeds
ten duidelijkste daaruit, dat de gewichtigste leerstellingen van den
Islam, om hare onbestemdheid, niet minder dan die van het Christendom,
een onderwerp der heftigste polemiek en later zelfs van de bloedigste
oorlogen en vervolgingen zijn geworden; een verschijnsel, dat bij
de volgelingen van Mahomet meer bevreemdend is dan bij die van
Christus. Het Christendom toch is rijker aan geloofsstellingen, dan
het Mahomedanismus, en leerstellingen als die van de DrieÎnigheid,
van de wonderbare geboorte van Christus en diens opstanding, van
de sacramenten en van de kerken, geven meer stof tot verschillende
opvatting dan die van den Islam, welke slechts ÈÈn eenige God kent,
in Mahomet een profeet ziet en volstrekt niets van priesterdom
weet, zelfs hoewel latere Imams zich, uit staatkundige redenen,
tot hoogepriesters willen verheffen. Maar niet alleen het innerlijk
wezen van het Christendom was eerder er toe geschikt, scheidingen te
doen ontstaan, ook de wijze waarop het aan de nakomelingschap werd
medegedeeld, begunstigde het sectenwezen meer dan de Islam. Christus
zelf droeg zijne leerstellingen slechts mondeling en bij gelegenheid,
grootendeels zonder stelsel en samenhang voor; zijne woorden werden
eerst lang na zijnen dood opgeteekend, in vreemde talen vertolkt en
met subjective meeningen vermengd, zoodat reeds de in vele punten
van elkander afwijkende bronnen van het Christendom de kiem tot
verschillende godsdienstbegrippen in zich moesten bevatten. Mahomet
daarentegen liet zelf, indien al niet den geheelen Koran, zoo als
de Muzelmannen gelooven, dan toch een groot deel zijner openbaringen
opteekenen, en het kleinere deel werd reeds twee jaren na zijnen dood
aan het schrift overgeleverd, en dat wel in de Arabische taal; in de
taal, waarin de profeet sinds zijne jeugd dacht, en welke ook die van
zijn volk was en bleef. Desniettemin werd ook de Islam reeds in de
eerste eeuwen der hedjira in vele secten verdeeld, en geloofsoorlogen,
even bloedig als die door het Christendom veroorzaakt, verstoorden het
Mahomedaansche rijk. Slechts omdat Mahomet er niet in het minst aan
had gedacht, een bepaald leerstellig systeem te vormen, kon ook later,
toen onder zijne volgelingen een sterkere drang naar kennis ontwaakte,
dan dit bij hem het geval was geweest, over menig punt in zijne leer
op verschillende wijze worden gestreden. Mahomet vorderde namelijk
van zijne volgelingen slechts het geloof aan ÈÈn eenigen, eeuwigen,
alomtegenwoordigen, onzichtbaren, almachtigen, alwetenden, alwijzen,
algerechten, algenoegzamen en genadigen God, schepper en onderhouder
van het heelal, voorts aan Mahomet en de hem voorafgegane profeten,
als overbrengers der goddelijke openbaringen, die de menschen voor
dwaling behoeden en tot heil voeren zullen; aan de engelen, als de
werktuigen van Gods wil, en eindelijk aan de opstanding der dooden en
een leven hier namaals, waarin de vromen voor hunne werken beloond en
de zondaren gestraft zullen worden. Hoe eenvoudig echter ook deze,
bijna op ieder blad des Korans terugkeerende, drie grondleeren
van den Islam: God, openbaring en laatst oordeel zijn, werden zij
toch een voorwerp van strijd, zoodra slechts bij de Mohamedanen,
nog voor zij met de Grieksche philosophie nader bekend werden, het
verlangen levendig werd, deze leer eene speculatieve volmaking te
geven, die zelfs aan Mahomet, welke gewoonlijk slechts sprak naar den
oogenblikkelijken drang van het gevoel, geheel vreemd was. Menig punt,
dat oppervlakkig en beeldsprakig in den Koran was voorgesteld, naar
den aard zijner verzameling, waardoor de werkelijke samenhang van twee
op elkander volgende verzen, en ook de tijd of de aanleiding hunner
verschijning, nooit bepaald kan worden opgegeven, en menig schijnbare
of werkelijke tegenspraak, openden natuurlijk een uitgebreid slagveld
voor alle afwijkenden secten, wat in dezelfde mate nog in omvang
won, toen de wijsgeerige studien der Arabieren zich uitbreiden, en
al hetgeen op dit gebied verkregen was, door kunstmatige verklaring
in de godgeleerdheid gebracht en uit de heilige schrift afgeleid
moest worden.
Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling
omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene
plaats in den Koran, welke over den toestand van het rijk na zijnen
dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering,
zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor
hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in
het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die
hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij
waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere
tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en
Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw
AÔsha--die vol intrigues was--in hare hoop teleur te stellen, maar ook
tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina,
aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht
had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het
algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche
regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in
te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat
de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude
banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en
nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche
rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst
worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden
is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk
heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de
verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel
SofaÔn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: "bij God, het rijk van
uwen neef is groot," hernam Abbas: "Hij is een groot profeet." Daar
Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na
hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke
macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de
keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen
der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja
zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze
voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist,
dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen,
dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen
aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever
kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de
Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in
den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter
wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne
bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden,
en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen
gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat
bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken
voor de navolging der wet, in de handhaving der militaire macht, in
haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet
dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne
opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele
Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan
indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit
het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom
dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op
de Heilige Schrift te doen steunen [73], zoo bekwam ook in den Islam
de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de
leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl
intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich
nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet
beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de
overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers
van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman,
bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning,
hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als
bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs
als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade,
ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering
en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne,
eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en
der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van
den Messias.
De eene partij, die wij met den algemeenen naam van SchiÔten zullen
aanduiden, zonder ons met het bijzondere der verschillende secten
bezig te houden, in welke zij verdeeld werden, had overigens de meest
overdreven begrippen van de waardigheid en de heiligheid van den
Imam. Andere Muzelmannen echter zagen, reeds ten tijde van Ali, in het
khalifaat slechts eene zuiver staatkundige instelling, die het welzijn
der volken tot eersten grondslag zou hebben. Zij leerden daarom dat
het Imamaat, op zich zelven beschouwd, in het geheel niet noodig is,
dat iedere deugdzame, hij zij vrij of slaaf, uit welk geslacht hij
ook afstamme, daartoe kon worden verheven, en dat, indien de Imam of
khalif niet aan zijn heiligen plicht voldeed, de wet veroorloofde,
en zelfs gebood, zich tegen hem te verzetten en hem te bekampen. Deze
meening, die natuurlijk door de machthebbenden ten sterkste werd
bestreden, en wier bekenners den naam CharÔdjiten [74] ontvingen, vond
zelfs onder de meest geleerde mannen van de eerste eeuw der hedjira
talrijke aanhangers, en bewijst genoegzaam, dat de heilige schrift der
Muzelmannen niet ter gunste van het khalifaat spreekt, gelijk zich dat
later vormde. Merkwaardig en pleitende voor den zoogenaamden orthodoxen
Islam is het, dat deze leer hier verdoemd en hare bekenners als ketters
werden bestraft, hoewel, naar eene zeer oude, authentieke overlevering,
Aboe Bekr zelf, in zijne eerste rede, die hij als khalif in de moskee
te Medina hield, zeide: "O, gijlieden! Gij hebt mij tot uw opperhoofd
gekozen, hoewel ik niet de voornaamste onder u ben. Handel ik recht,
zoo weigert mij uwe medewerking niet, bega ik een onrecht, zoo biedt
mij tegenstand!.... Gehoorzaamt mij, zoo lang ik God en zijnen gezant
gehoorzaam. Handel ik echter tegen de geboden van God en zijnen gezant,
weigert mij dan gehoorzaamheid!"
Ook de leer van het goddelijke raadsbesluit is, in de strengheid
en consequentie, die alle vrijheid van 's menschen wil vernietigt,
gelijk zij door menigen orthodoxen Muzelman opgevat en door alle
vijanden van den Islam voorgesteld wordt, meer eene uitvinding
der politiek, dan van het geloof. In den Koran verschijnt zij meer
tot bekamping der vrees, tot bevestiging van het vertrouwen en der
onderwerping aan den wil des Heeren, tot troost in het ongeluk en
tot bewaring der bescheidenheid in het geluk, dan tot verlamming
der menschelijke werkzaamheid, of wel tot berooving der zedelijke
vrijheid. Roekeloosheid wordt uitdrukkelijk in den Koran verboden
[75]. Voorzichtigheid wordt zeer dikwijls aanbevolen, en zelfs het
gebed, de hoogste ceremoniÎele wet van den Islam, ondergaat eene
wijziging, zoo, door de verrichtingen volgens het voorschrift,
de biddende in gevaar kon worden gebracht [76]. En indien het ook
dikwijls wordt herhaald, dat God de menschen naar Zijnen wil voedsel
geeft, zoo wordt toch nergens daarmede bedoeld, dat de Muzelmannen
de handen werkeloos in den schoot moeten leggen. Veeleer is het zelfs
veroorloofd, op den heiligen Vrijdag, na de verrichting van het gebed,
zijne zaken te verrichten [77]. Ook moet slechts een klein gedeelte
van den Koran bij het gebed worden gelezen, naardien velen het land
moeten doorkruisen om hun levensonderhoud te zoeken [78]. Enkele andere
plaatsen, in welke eene zekere zorgeloosheid tot deugd wordt verheven,
kunnen dus slechts daarop doelen, dat de mensch door versaagdheid
niet al te zeer in de zorgen voor zijn onderhoud moet worden
tegengehouden, en daardoor zijne hoogere plichten, het trachten naar
Gods welbehagen, door oefening der deugd, op den achtergrond plaatse,
gelijk ook de apostel Petrus schrijft [79] "Werp al uwe zorgen op Hem
(God), want Hij zorgt voor u". Wat de leerstelling van de volstrekte
voorbestemming van den mensch tot zaligheid of tot lijden betreft,
is Mahomets, geheel op vrees en verwachting gebouwd godsdienststelsel
niet alleen er tegen, daar hij voortdurend tot gelooven en tot vrome
handelingen, om het loon in het paradijs, vermaant, en voor ongeloof
en zonden waarschuwt, om de straf in de hel, en dus noodzakelijk
ook het toekomstig lot van den mensch van zijn eigen wil afhankelijk
moet maken; maar bovendien wederleggen eenige plaatsen in den Koran
zulk eene Augustiniaansche predestinatieleer ten stelligste. Daar
zij echter door de orthodoxe Imams aangenomen en voortdurend in alle
Europeesche werken den stichter van den Islam worden toegeschreven
en verweten. Zoo moeten wij hier uitvoeriger zijn en meer bewijzen
voor Mahomets leer van de vrijheid des wils aanvoeren, dan eigenlijk
noodig zou zijn. De mondelinge overleveringen kunnen wij omdat men er
zich niet op kan verlaten, noch hier, noch bij andere verschillen in
aanmerking nemen. Wat hiervan in dit opzicht kan worden aangenomen,
blijkt voor den onderzoeker genoegzaam daaruit, dat zij Mahomet reeds
vooruit laten zeggen: De Islam zou zich in drie-en-zeventig secten
verdeelen, onder welke de bekenners van den vrijen wil als de MagiÎrs
van den Islam worden aangeduid. Wij mogen alzoo op dit punt slechts
naar den Koran verwijzen [80].
Deze verzen, bij welke nog vele andere gevoegd kunnen worden, bewijzen
genoegzaam, dat Mahomet niet slechts de consequente predestinatieleer,
zooals zij door eenige secten in het Christendom en door de Djabariten
en eenige andere secten in den Islam ontwikkeld werd, niet huldigde,
maar dat hij in het algemeen veel meer nabij het Pelagiaansche
stelsel was, dan het nieuw opgevatte Augustiaansche systeem. Hoe
ware het overigens mogelijk, daar hij den val van den mensch niet
als Augustijn en de Christelijke kerk aanneemt, en de leer der
erfzonde loochent, die alleen de volstrekte predestinatieleer met
de goddelijke gerechtigheid en heiligheid kan verzoenen. Volgens
de leer van den Koran werd namelijk het eerste menschenpaar, om
zijne ongehoorzaamheid, wel uit het hemelsche paradijs op de aarde
verstooten, en ook wordt, voor zoo verre de eerste zonde door de zege
van de baatzuchtigheid over Gods wil werd begaan, het menschenras
wederkeerige haat en onvrede voorspeld; de Koran weet echter niets van
eenen zich voortplantenden toestand van innerlijk verderf, ten gevolge
der zonde van Adam, en neemt zich op vele plaatsen in acht voor het
denkbeeld eener toerekening van vreemde zonden. Mahomet kent daardoor
ook geene andere genade, dan de openbaring door profeten, deels tot
volmaking der menschelijke erkenning van het goede en het kwade,
deels als hulp tegen de verzoekingen van den satan, wien de mensch
door zijnen val geheel werd prijs gegeven, of eigenlijk zich zelven
nog meer heeft blootgesteld. Adam had berouw over zijne zonde en God
schonk het menschenpaar weder genade, terwijl hij zeide: "Verwijdert
u van hier; ik zal u eene leiding geven: wie deze leiding volgt zal
vrees noch droefheid kennen. Die deze echter niet gelooven en onze
teekenen verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd [81]." Iedere
profeet, van Adam tot Mahomet, is diensvolgens een door God gezonden
verlosser; om echter verlost te worden: dat is, tot het ware begrip
en tot hoogere erkenning te geraken en, ten gevolge daarvan, weder de
zaligheid van het paradijs te genieten, is het geloof aan de openbaring
en het handelen daarnaar noodig. Beiden hangen zij echter alleen van
den menschelijken wil af. Geheel werkeloos, blijft intusschen, ook
bij het individu, de Goddelijke wil naar de leer van den Koran niet,
maar hij uit zich voortdurend, naar gelang van het innerlijke van den
mensch, als genade of gerechtigheid. Mahomet geeft namelijk ook toe,
wat Pelagius aan Augustinus toestond; te weten, dat God desgenen
meening in het geloof sterkt, die den wil tot het goede heeft,
terwijl hij dengeen, bij wien de zucht naar het booze den boventoon
voert, aan zijn altijd toenemend bederf overlaat, en dus in zekeren
zin verhardt. Ook blijft het natuurlijk aan de raadsbesluiten der
Hemelsche wijsheid overgelaten, op welken tijd en welk volk Zij door
hare leiding genade wil schenken. Deze concessie der rede aan het
geloof, welke zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament niet te
loochenen is [82], maar geene onvoorwaardelijke predestinatie, wordt
op verschillende plaatsen gepredikt [83]. Uit deze verzen blijkt ten
duidelijkste, dat de mensch, met betrekking tot geloof en deugd, geen
werktuig der Goddelijke willekeur is, maar dat hij het in zijne macht
heeft, het ware te gelooven en het goede te willen; dat God echter
den voor het goede en ware vastbaren mensch ondersteunt, terwijl
hij degenen, welke hun hart sluiten voor Zijne, zich als openbaring
uitende genade, aan hunne verdorvenheid overlaat. De woorden, die
dikwijls in den Koran worden gevonden, dat God leidt wien Hij wil
en in dwaling laat wien Hij wil, welke, uit hun verband gerukt, in
elk geval tot de leer van Augustinus konden voeren, moeten daarom,
naar gelang van hun verband (hetgeen echter, zoo als wij reeds hebben
gezegd, niet altijd met zekerheid is te ontdekken), of in het algemeen
op de zending van een profeet, Úf op den goddelijken bijstand tot
ontwikkeling van het geloof toegepast worden, hetwelk identisch is
met het goede door zijnen wil te ondersteunen, terwijl het, door eene
bijzondere inwerking, dwingen van den roekelooze tot gelooven, met de
Hemelsche gerechtigheid zou strijden, en daarom ook niet in Haren wil
kan liggen. Dit denkbeeld blijkt duidelijk uit het 209e vers van de
tweede Soera, waar onmiddellijk na de woorden; "God zond de profeten
om de waarheid te verkondigen," volgt: "en God leidt de geloovigen
naar de waarheid," en daarna: "God leidt op den rechten weg wien hij
wil." Evenzoo ook in het 19e vers der 39e Soera. Iederen onpartijdigen
lezer moet het daarom klaar zijn, dat Mahomet de vrijheid van den
menschelijken wil in geenen deele loochende. Overigens trad reeds in
de eerste eeuw der hedjira eene hevige oppositie op, tegen de door de
regeering begunstigde bekenners der predestinatieleer, bij welke zich
zelfs een zoon van Omar aansloot. Zij werd echter natuurlijk door de
Omejaden bestreden en onderdrukt, dewijl hunne heerschappij, die op
list en geweld berustte, tot hare ondersteuning en rechtvaardiging,
te zeer behoefte had aan de leer der goddelijke raadsbesluiten en der
predestinatie van alle menschelijke handelingen. Maabad, die aan het
hoofd dezer oppositie stond, zeide luide van zijne tegenstanders:
"Deze lieden vergieten het bloed der menschen en wagen het dan te
beweren, dat al onze handelingen vooraf door een goddelijk raadsbesluit
bepaald zijn." Maar inderdaad werd hij dan ook wegens zijne meening,
niet omdat zij tegen de heilige schrift aandruischte, maar omdat zij
voor de willekeur van den heerscher gevaarlijk was, in het tachtigste
jaar der hedjira, op bevel van den khalif Abd-Almalik, door den wreeden
Haddjadi gefolterd en daarna opgehangen [84]. Desniettegenstaande
plantte zich zijne leer voort, riep de secte der Mutaral in het
leven en bleef zelfs niet zonder invloed op den orthodoxen Islam,
die wel aan de leerstelling der voorbestemming van de uitverkorenen
en verworpenen vasthoudt, doch inderdaad zonder dialectische
consequentie, de predestinatie niet tot de enkele goede of slechte
handelingen van den mensch uitbreidt, en dien ten gevolge ook, zoo
als vele Christelijke dogmatici, eigenlijk slechts ten gevolge van
vooruitweten eene predestinatie aanneemt [85]. De Koran verwerpt
echter, zoo als uit de door ons aangehaalde verzen blijkt, ook dit
dogma en bevat geene enkele plaats, die zoo beslissend daarvoor
zou kunnen pleiten, als die van het Evangelie (Apost. XIII vs. 48
en Rom. VIII vs. 28-30 enz.). Wij zullen ons niet lang meer met de
overige leerstellingen van den Islam ophouden, deels dewijl zij niet
zoo diep in het innerlijke wezen van het geloof grijpen, en minder
betrekking op het leven hebben, deels omdat hare verdere ontwikkeling
eerst tot een lateren tijd behoort, en dus met Mahomet en den Koran,
waarmede wij ons hier bijzonder bezig houden, minder in verband
staan dan met de Arabische wijsbegeerte. Al deze dogmen baarden vele
tegenstrijdigheden en secten, daar de eenen aan de letter des Korans
hingen, en de anderen eener meer vrije uitlegging de voorkeur gaven;
dewijl de eenen zich blindelings aan de voorgewende uitspraken van den
profeet onderwierpen, de anderen de wetten der onveranderlijke rede
boven alles plaatsten, en met de elementen der Grieksche wijsbegeerte
naar eenheid in het godsdienststelsel streefden.
Aangezien wij hier niet verder willen gaan dan de bondgenooten
van den profeet, volgen wij ook de geschiedenis der dogmen van
den Islam niet langer, en merken slechts ten slotte nog aan, dat,
hoezeer Mahomet ook in den Koran op het geloof aan een eenigen God,
aan de profeten en de onsterfelijkheid der ziel aandringt, toch ook,
op tallooze plaatsen, niet minder het volgen der geopenbaarde leer,
een deugdzame, reine levenswandel, naar de voorschriften van den Koran,
van den waren geloovige gevorderd en als het middel aangeduid worden,
om Gods welbehagen en de zaligheid van het paradijs te erlangen. Men
begaat dus ook hierin, omtrent den stichter van den Islam een
onrecht, als men beweert, dat hij aan de uitoefening der deugd en
het bekampen der hartstochten in het geheel geene waarde hecht,
en slechts geloof vordert. Hoe dikwijls vindt men in den Koran de
woorden terug: "die gelooven en goede daden verrichten, komen in
het paradijs," en dergelijken meer. Daar intusschen deze dwaling in
den nieuweren tijd weder is herhaald, verwijzen wij hier naar eenige
plaatsen in den Koran [86]. Indien dus op andere plaatsen, al gewis,
het paradijs aan hen wordt beloofd, die aan God gelooven en voor
de zaak Gods kampen, dan wordt daardoor in het geheel niet gezegd,
dat de overige door God geopenbaarde voorschriften ter zijde mogen
gesteld worden. Veeleer wordt bij den waren geloovige, die bereid is
zijn leven ieder oogenblik voor zijnen God te offeren, eene volkomene
heerschappij over de menschelijke hartstochten en een strikt volgen
van den goddelijken wil, die in den Koran wordt verkondigd op den
voorgrond geplaatst. De Muzelmansche dogmatici, die toch nog minder
met Mahomet mogen worden verwisseld, dan de kerkvaderen met Christus,
nemen wel aan, dat de geloovige, niettegenstaande zijne slechte
handelingen, niet eeuwig uit het paradijs verstooten blijft, maar
zij geven toch toe, dat hij eerst voor zijne ondeugd wordt gestraft
[87]. Overigens is toch ook door Christelijke secten beweerd, dat
het ongeloof allÈÈn den naam van zonde verdient en den mensch in het
toekomstige leven wordt aangerekend, maar dat hij voor de goede werken
op geene belooning aanspraak heeft.
Als hervormer, hetgeen Mahomet oorspronkelijk was en wilde zijn,
verdient hij onze volkomene hulde en bewondering. Een Arabier,
die de schaduwzijde van het toenmalige Joden- en Christendom
openbaarde, en niet zonder levensgevaar trachtte, het veelgodendom
te verdringen en zijn volk de leer van de onsterfelijkheid der
ziel in te prenten, verdient niet alleen naast de grootste mannen
der geschiedenis geplaatst te worden, maar ook, in zeker opzicht,
den naam van profeet. Zoodra hij echter ophoudt te verdragen, zoodra
hij der waarheid door het zwaard de zegepraal tracht te verschaffen,
en in den naam Gods nieuwe ceremoniÎele, burgerlijke, politie- en
lijfstraffelijke wetten voorschrijft, drukt hij op zijne woorden den
stempel van menschelijke zwakheid en vergankelijkheid.
De ceremoniÎele wetten van den Islam zijn wel niet zoo talrijk als men
gewoonlijk in Europa gelooft, maar een enkele is er bij, welke Mahomet
ten minste van de blaam zuivert, dat hij in zijne voorschriften de
zinnelijkheid der Arabieren zou hebben begunstigd. Wij bedoelen het
vasten van den Ramadhan. Men verbeelde zich de gloeiende zandwoestijnen
van ArabiÎ [88] met het verbod, gedurende eene geheele maand, van
zonsopgang tot zonsondergang, zich met eenigerhande spijzen te laven,
en ook geen droppel water te drinken, en men zal de vervulling der
Mahomedaansche voorschriften niet meer zoo gemakkelijk vinden, en
ook niet meer kunnen beweren, dat zij geen kamp tusschen geest en
lichaam vorderen. Het dagelijks vijf malen te verrichten gebed, met de
voorafgaande reiniging, is om zijne kortheid en omdat ieder het voor
zich verrichten kan, minder bezwaarlijk, terwijl de pelgrimstocht naar
Mekka eenmaal gedurende het leven, slechts voor hem verplichtend is,
wiens omstandigheden zulk eene reis veroorloven.
De gewichtigste politiewetten bestaan in het verbod van hazardspelen,
van het genieten van den wijn, het bloed van gestorvene, of ter eere
eens afgods geslachte dieren en van het varkensvleesch.
De staatswetten van den Islam bepalen de op te brengen belastingen, de
deeling van den buit, en de betrekking der geloovigen, zoowel tot de
afgodendienaars als tot de Joden en Christenen. Volgens de strengere
wet der laatste jaren, moeten de eerstgenoemde beoorloogd worden,
tot alle neiging tot afgoderij ophoudt, en de laatsten tot zij zich
onderwerpen en schatting opbrengen. Wij hebben reeds bemerkt, dat
Mahomet, hoewel hij, als mensch, onder de toenmalige omstandigheden
niet anders leeren en handelen kon, nochtans door deze krijgswetten
zijn profetisch karakter in zijn naaktheid heeft getoond. Hoe groot
echter de verzoeking is, indien men eenmaal tot de macht is geraakt, om
die tot het bekampen en onderdrukken van andersdenkenden te gebruiken,
heeft ook het Christendom genoegzaam bewezen, van den dag dat het
den troon der Cesars besteeg tot op den huldigen dag.
Het strafrecht van den Koran is uiterst vrijgevig. De doodstraf wordt
slechts voor tegennatuurlijke vermenging der geslachten en moord
toegepast; en willen de bloedverwanten van een vermoorden liever eene
schadeloosstelling aannemen, dan zich wreken, dan blijft zelfs de
moordenaar in het leven. Ook echtbrekers worden, ten minste in den
tot ons gekomen Koran, niet met den dood gestraft. Voor lichamelijke
verwondingen wordt geene wraak geduld, maar alleen geldstraffen,
of liever schadeloosstelling.
De strengste crimineele wet, die echter kan worden gerechtvaardigd
door de noodzakelijkheid, om de aangeboren lust der Arabieren tot
diefstal en rooftochten te onderdrukken, is het afkappen der hand
voor elke toeÎigening van eens anderen goed.
De burgerlijke wetten van den Koran betreffen vooral het erf en
huwelijksrecht, en hare hoofdstrekking is de vaststelling van de
rechten der vrouwen en beperking van den willekeur des mans. De
veelwijverij wordt niet opgeheven, doch aan voorwaarden onderworpen,
welke de ware geloovige slechts zelden kan vervullen. De huwelijkstrouw
wordt ook de man tot plicht gesteld. Een ander deel der burgerlijke
wetgeving betreft het lot der slaven, hetwelk Mahomet niet minder
dan dat der vrouwen tracht te verzachten. De geheele opheffing
der slavernij wordt voorbereid en in grondbeginsel, vooral bij
geloovigen, uitgesproken. Een volkomen emancipatie was echter, bij
de voortdurende oorlogen, in welk slechts door de verandering der
gevangenen in slaven den overwonnenen het leven kon worden gespaard,
schier niet mogelijk. De armoede van den Koran aan burgerlijke wetten,
hetwelk deels te verklaren is uit de eenvoudige omstandigheden waarin
men leefde, meer echter nog daardoor dat hij waarschijnlijk daar, waar
hij het bestaande behield, niets openbaarde, werd spoedig gevoeld. Men
beriep zich echter ten eerste op mondelinge uitspraken van Mahomet,
daarna op het voorbeeld van een eersten khalif, later op de besluiten
der eerste Imams, en eindelijk, toen onder de geheel veranderde
omstandigheden ook deze niet meer toereikend waren, handelde men
analogisch: zoodat altijd de moeilijkste vraag, over een of ander
onderwerp, al zou het ook den nadruk of de stoomvaart hebben betroffen,
door een Muzelmansche rechtsgeleerde even goed als door een rabijn,
een christen geestelijke die naar de kanonnieke wet, of door een
jurist die naar het Romeinsche recht uitspraak doet, in naam des
Hemels kon worden opgelost.
De zedeleer van den Koran eindelijk kan als het volkomenste gedeelte
van dit merkwaardige boek worden beschouwd. Zij is wel niet, even
als de andere bouwstoffen, die er den inhoud van vormen, in een
kapittel bij elkander verzameld; maar de schoonste zedekundige
grondbeginselen en voorschriften loopen als gouden draden door
het geheele weefsel van bijgeloof en misleiding, Ongerechtigheid,
wraakzucht inbeelding, hoogmoed, logen, veinzerij, kwaadsprekerij,
smaad, spot, gierigheid, verkwisting, buitensporigheid, ijdelheid,
praal, wantrouwen en argwaan worden als goddelooze ondeugden verklaard;
daarentegen worden milddadigheid, menschlievendheid, bescheidenheid,
toegevendheid, geduld, standvastigheid, tevredenheid, oprechtheid,
rechtschapenheid, tucht, vrede en waarheidsliefde, doch voor alles
vertrouwen en onderwerping, als deugden aanbevolen, welke Gode het
welgevalligst zijn.
IV.
DE KORAN [89].
EERSTE HOOFDSTUK.
INLEIDING [90].
Gegeven te Mekka--7 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [91].
1. Lof aan God, meester des heelals [92]. 2. Den lankmoedige, den
albarmhartige. 3. Rechter op den dag des gerichts. 4. U bidden wij aan,
Uwe hulp roepen wij in. 5. Voer ons langs den rechten weg. 6. Langs
den weg dergenen, die zich in Uwe weldaden verheugen [93]. 7. Niet
langs den weg dergenen, die Uwen toorn hebben opgewekt, en niet op
dien der dwalenden [94].
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE KOE [95].
Gegeven te Medina--286 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. A. L. M. [96] Dit is het boek, waaromtrent geen twijfel bestaat;
de richtsnoer van de godvreezenden, 2. Van hen, die de mysteriÎn [97]
gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden verspreiden van de
bezittingen, die wij hun verleenen. 3. Van hen, die aan openbaringen
gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden [98]; van hen die
aan het volgend leven [99] gelooven. 4. Zij alleen zullen door hunnen
Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn. 5. Den boozen is
het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet. 6. God heeft
hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene
verschrikkelijke straf wacht hen. 7. Er zijn menschen, die zeggen: "Wij
gelooven aan God en aan het jongste gericht," en toch behooren zij niet
tot het getal der geloovigen. 8. Zij trachten God en de geloovigen te
misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen
het niet. 9. Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts
doen toenemen [100]; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want
zij hebben de profeten [101] voor leugenaars gehouden. 10. Als men hun
zegt: "Verleidt de wereld toch niet" [102] dan antwoorden zij: "Verre
van daar, wij zijn rechtschapen lieden." 11. Helaas! zij misleiden
de wereld, maar zij begrijpen het niet. 12. Zegt men hun: "Gelooft
toch, gelijk zoo veel anderen gelooven," [103] dan antwoorden zij:
"Zullen wij gelooven als de zotten?" Helaas! zij zelven zijn zotten,
maar zij gevoelen het niet. 13. Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen
zij: "Wij gelooven ook,'" maar zoodra zij weder bij hunne verleiders
[104] zijn, zeggen zij: "Wij houden het met u, en deze bespotten wij
slechts." 14. Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd
in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd. 15. Zij
zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben;
maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den
rechten weg afgedwaald. 16. Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt
[105] en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft
geworpen [106], door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis
latende opdat zij niet kunnen zien. 17. Doof, stom en blind zijn zij
en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren [107]. 18. Of
zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met
donder en weÍrlicht [108] van den hemel nederdaalt, voor het gerol
van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne
vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden
aangrijpt. 19. Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun
het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht,
wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen,
dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van
het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig. Menschen [109]
dient uwen Heer, die u en uwen voorgangers heeft geschapen, opdat gij
Hem vereert. 20. Hij heeft u de aarde tot een tapijt en den hemel tot
een overwelfsel gegeven. Hij laat het water van den hemel stroomen,
om vruchten tot uw onderhoud voort te brengen. Stel dus geen gelijke
naast God, tegen beter weten aan. 21. Twijfelt gij aan het boek, dat
wij onzen dienaar hebben geopenbaard, brengt dan, al is het slechts een
der hoofdstukken voort, die het bevat, roept uwen getuigen buiten God
[110] ter hulp, indien gij waarheid spreekt. 22. Doet gij dit niet,
en gij zult het niet doen, vreest dan voor de ongeloovigen het vuur
dat menschen en steenen [111] verteert. 23. Verkondig hun die gelooven
en wel doen, dat zij tuinen tot woonplaats zullen hebben, van beken
doorsneden, Iederen keer als zij eenig voedsel van de vruchten dier
tuinen zullen nemen, zullen zij uitroepen: "Ziedaar de vruchten,
waarmede wij ons vroeger hebben gevoed", zoo zullen zij daarop gelijken
[112]. Daar zullen zij reine en onbevlekte vrouwen vinden, en eeuwig
zullen zij daar verwijlen. 24. Voorwaar God behoeft zich niet te
schamen, vergelijkingen met insecten of nog kleinere voorwerpen te
maken [113]. De geloovigen wisten, dat slechts waarheid van hunnen
Heer komt; maar de ongeloovigen zeggen: "Wat heeft God met deze
vergelijkingen bedoeld? Hij doet velen daardoor dwalen en wijst anderen
daardoor terecht, maar slechts de boozen zullen dwalen. 25. Die het met
God aangegane verbond verbreken; die het door hem vereenigde zullen
scheiden, die verderf op aarde stichten, zullen ondergaan. 26. Hoe
kunt gij God verloochenen? Gij waart eens dood; Hij heeft u het leven
hergeven en Hij zal u weder dooden en weder levend maken; dan zult
gij eens tot hem terugkeeren? 27. Hij is het, die alles op de aarde
voor u geschapen heeft, daarna den hemel uitbreidde en dien tot zeven
hemelen maakte; Hij, de alwetende." 28. Toen God tot de engelen zeide:
"Ik wil een stadhouder op aarde [114] plaatsen," zeiden zij: "Zult
Gij er een plaatsen, die daar wanorde sticht en bloed vergiet? Wij
echter zingen Uw lof en heiligen U." Hij zeide echter; "Ik weet wat gij
niet weet." 29. God leerde daarop aan Adam de namen van alle dingen,
en vertoonde die daarop aan de engelen, zeggende: "Noem mij de namen
dezer dingen indien gij oprecht zijt." Zij antwoordden: 30. "Geloofd
zijt Gij! wij weten slechts wat Gij ons hebt geleerd; want Gij zijt de
Alwetende, de Alwijze." 31. God zeide: "Adam, noem hun de namen." Toen
hij (Adam) dit had gedaan, zeide God: "Heb ik u niet gezegd, dat ik
de geheimen van hemel en aarde ken, en weet wat gij bekent en wat gij
verbergt?" 32. En toen wij tot de engelen zeiden: "Knielt voor Adam,"
deden zij het, slechts Eblis [115] weigerde; hij was ongeloovig,
[116]. 33. Wij zeiden: "o Adam bewoon den tuin [117] met uwe vrouw
en geniet er van wat gij wilt, maar nadert dezen boom niet [118];
anders zult gij zondaar zijn." 34. Maar Satan verleidde hen en
dreef hen er uit, en wij zeiden; "Weg van hier [119]; de een zij
des anderen vijand [120]; de aarde zal uwe woonplaats zijn en tot
tijdelijk gebruik." 35. Daarop leerde Adam woorden des gebeds van
God, en hij keerde tot den Heer terug; want Hij is de lankmoedige en
barmhartige. 36. Wij zeiden: Verwijdert u van hier, Ik zal u eene
leiding geven; wie deze leiding volgt, zal vrees noch droefheid
kennen. 37. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen [121]
verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd. 38. o Kinderen IsraÎls
[122] bedenkt het goede, dat ik u heb gedaan; weest getrouw aan
mijn verbond; ook ik wil daaraan getrouw zijn, en vereert slechts
mij, en gelooft wat wij tot bevestiging uwer vroegere openbaring
thans geopenbaard hebben, en weest niet de eersten, welk niet
daaraan gelooven; en verruil het niet met nietigheden en vereert
mij. 39. Kleedt de waarheid niet in het gewaad der leugen en verbergt
de waarheid niet tegen beter weten aan. 40. Doet nauwkeurig het gebed,
geeft aalmoezen en buigt u met hen die zich buigen [123]. 41. Hoe zoudt
gij anders de menschen tot vroomheid aansporen, zoo gij het welzijn
uwer eigene ziel vergeet. Gij leest het boek [124]: moet gij het dan
niet ook verstaan. 42. Roept geduld en gebed ter hulpe; het gebed is
licht voor den geloovige. 43. Die gelooven, dat zij eens hunnen Heer
zien, en tot Hem terugkeeren zullen. 44. o Kinderen IsraÎls, herinnert
u de weldaden, die ik u heb bewezen, terwijl ik u boven alle volkeren
bevoorrechtte. 45. Vreest den dag, waarop geene ziel genoegdoening
voor eene andere zal kunnen geven, geene smeeking van anderen
aangenomen, waarop geen losgeld ontvangen zal worden; waarop niets
kan helpen. 46. Denkt er aan, hoe wij u van Pharaos volk hebben gered,
dat u met hardheid onderdrukte, uwe zonen doodde en slechts uwe vrouwen
[125] liet leven; dit zij u een groot bewijs voor de goedheid van uwen
God. 47. Gedenkt, hoe wij de zee ter uwer redding hebben gespleten
en voor uw oogen Pharaos volk lieten verdrinken [126]. 48. Gedenkt,
dat, toen ik gedurende veertig nachten met Mozes sprak, gij het kalf
[127] hebt aangebeden; en gij hebt snood gehandeld. 49. Wij hebben u
later vergeven, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 50. Wij gaven Mozes
de schriften en de onderscheiding [128], opdat gij op den rechten
weg zoudt geleid worden. 51. Mozes zeide tot zijn volk: Gij hebt uwe
zielen door dit kalf verontreinigd, keert tot uwen Schepper terug of
doodt u zelven; dit zal uwen Schepper welgevalliger zijn. Hij zal zich
weder tot u wenden; want Hij is vergevensgezind en albarmhartig. 52. En
toen gij tot Mozes zeidet: O Mozes, wij willen u niet eerder gelooven,
dan na dat wij God met eigen oogen hebben gezien, toen kwam er straf
over u, terwijl gij er naar zaagt. 53. Wij wekten u op na uwen dood,
opdat gij het dankbaar zoudt erkennen. 54. Wij gaven wolken om u te
overschaduwen en zonden manna en kwartels [129], zeggende: eet van
de heerlijke spijzen, die wij u hebben gegeven. Zij hadden ons geen
leed gedaan, maar zich zelven. 55. Wij zeiden: Gaat in deze stad
[130], geniet naar welbehagen van hetgeen zich daar bevindt: treedt
de poort aandachtig binnen, en roept uit: Vergiffenis Heer! [131]
Wij willen u uwe misstappen ook vergeven, en het geluk der goeden
verhoogen. 56. Maar de boozen veranderen dit woord met een ander
[132], wat hun niet was gegeven, en wij hebben onzen toorn op de
boozen uit den hemel neÍrgezonden, om hunne goddeloosheid te straffen
[133]. 57. Mozes bad God om water, en wij zeiden: "sla met uwen
staf op de rotsen," en er ontsprongen twaalf bronnen, opdat allen
hunne bron zouden erkennen. Eet en drinkt van de weldaden die God
u geeft, en doet geen boosheid meer op aarde. 58. Toen zeidet gij:
O Mozes! wij kunnen niet langer immer dezelfde spijzen verdragen;
bid uwen Heer, dat hij voor ons de vruchten der aarde doe groeien,
groenten, komkommers, knoflook, linzen en uien [134]. Mozes antwoordde:
"Verkiest gij het slechte boven het goede? keert dan naar Egypte terug,
daar vindt gij wat gij verlangt." Vernedering en armoede spreidden
zich over hen uit; zij waren in den goddelijken toorn vervallen,
daar zij niet aan zijne wonderen geloofden, en brachten hunne
profeten onrechtvaardig ter dood [135]. Ziedaar het gevolg van hunne
weÍrspannigheid en hun geweld. 59. De geloovigen, het mogen Joden,
Christenen en SabÎisten [136] zijn, indien zij slechts aan God en aan
den oordeelsdag gelooven en wel doen, zullen door hunnen Heer beloond
worden; noch vrees noch droefheid zal over hen komen. 60. Toen wij het
verbond met u sloten en den berg SinaÔ [137] over uw hoofd verhieven,
zeiden wij: Ontvangt met vastheid hetgeen wij u geopenbaard hebben;
bedenkt den inhoud, en bewaart dien. 61. Maar gij zijt daarop er van
afgekeerd; en had God u niet beschermd en zich over u erbarmd, dan
waart ge reeds lang verdelgd. Gij wist reeds wat hun was wedervaren
die den Sabbat hadden ontwijd, en tot welken wij zeiden: "Verandert
in apen en zijt uit de maatschappij gestooten" [138]. 62. En wij
lieten hen dienen tot een voorbeeld voor hunne tijdgenooten en voor
hunne nakomelingen, en tot eene waarschuwing voor de vromen. 63. Toen
Mozes tot zijn volk zeide: "God gebiedt u eene koe te offeren," [139]
toen antwoordden zij; "Spot gij met ons?" Hij zeide: "God beware mij
tot de zotten te behooren." Zij antwoordden: "Bid uwen Heer voor ons,
dat hij ons duidelijk verklare welke een koe dit zijn moet."--"God
wil," zeide hij, "Dat dit noch eene oude koe, noch een vaars zij,
maar van middelbaren ouderdom. Doet derhalve wat u bevolen is." 64. De
IsraÎlieten antwoordden: "Bid uwen Heer, ons d
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/19786