Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Roos van Dekama

by J. van Lennep · Dutch · Gutenberg #19161 · 1,228,338 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Roos van Dekama
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Roos van Dekama

Author: J. van Lennep


        
Release date: September 2, 2006 [eBook #19161]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/19161

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROOS VAN DEKAMA ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/












                       De Roos van Dekama

                              Door

                       Mr. J. Van Lennep.



                    Leiden.--A.W. Sijthoff.








DE ROOS VAN DEKAMA.


Het was in den zomer van 18--, dat twee studenten aan de Leidsche
Hoogeschool, beiden aan den Uitgever dezes bekend als jongelieden
van een uitmuntende inborst en voortreffelijken aanleg, gezamenlijk
hun voornemen bewerkstelligden, om de onderscheidene gewesten van
Noord-Nederland door een onderzoek uit eigen oogen van nabij te leeren
kennen. Beiden waren van gevoelen, dat, al biedt ons vaderland den
oppervlakkigen reiziger, die slechts verpoozing en verstrooiing zoekt,
noch schitterende natuurtooneelen, noch uitgezochte vermaken aan,
gelijk in andere landen en hoofdsteden te vinden zijn, het desniettemin
voor de zoodanigen, die eenmaal geroepen kunnen worden om aan dat
vaderland van dienst te zijn, belangrijk is, ja zelfs hun eenigermate
als plicht kan worden toegerekend, er de onderscheidene deelen van
te leeren kennen, alvorens zij een Engelschen wedloop gaan aangapen,
eenige goudstukken aan de farotafels der Duitsche badplaatsen wagen,
of een sigaar op de bouwvallen van het _coliseum_ rooken:--ja zij
vermeenden dat het hun in rijper leeftijd meer nut zoude doen,
wanneer zij waar het paste, blijken konden geven, niet onbekend
te zijn met de zeden en gewoonten hunner landgenooten; en met den
inwendigen toestand onzer gewesten en steden, ten opzichte der bronnen
hunner welvaart of der oorzaken van hun verval,--dan wanneer zij nog
zoo mooi konden meepraten over de opvoering der _Juive_ te Parijs,
of klagen over het hedendaagsche onderscheid der vroeger zoo gulle
Zwitsersche herbergiers, of de Engelsche dames beschrijven, die met
taffen parasols de Vesuvius beklimmen, of zelfs een steentje uit den
zak halen, uit Pompeji medegebracht.

Zij bezochten op hun voetreis (want wie alles goed wil zien,
dient zich van een paar waterdichte en gemakkelijke schoenen te
voorzien, en zich niet dan uit nood van rijtuigen of trekschuiten
te bedienen) ook dat gewest, hetwelk, sedert oude tijden en door
alle overheerschingen heen, den naam van Friesland bewaard, en
nog het langst zijn oorspronkelijkheid en zelfstandigheid (om het
nieuwerwetsche woord _eigendommelijkheid_ niet te bezigen) behouden
heeft; ofschoon ook aldaar een nauwere betrekking met andere gewesten
en landstreken haar invloed meer en meer begint te doen gevoelen,
en de zoogenaamde beschaving er een vroeger ongekende zucht tot
navolging heeft ontwikkeld: zoodat men reeds Friesche boerenmeisjes
ziet, die wijde mouwen dragen, en Friesche burgervrouwtjes, die
(wellicht helaas! ten gevolge van verminderde welvaart) den gouden
diadeem voor een nieuwmodisch mutsje verwisselen.

Terwijl de een van onze beide wandelaars, wien wij bij zijn voornaam
Gerrit zullen aanduiden, en die een ontluikend staathuishoudkundige
was, zich verdiepte in het onderzoek naar de oorzaken, welke die
vermindering van nationaliteit teweegbrachten, wendde Willem, zijn
makker, die meer bijzonder werk maakte van geschied- en oudheidkundige
nasporingen, alle moeite aan, om de overblijfselen der vroegere zeden
en gebruiken, voor zooverre die nog bestonden, te leeren kennen:
en evenals onze oude kennis Robinson van onder de overblijfselen van
der Kannibalen feestmaal de sprankjes vuur zocht op te rakelen, die
nog onder de asch mochten smeulen, zoo speurde hij de schemeringen
der verouderde gewoonten en overleveringen na, en verheugde zich,
zoo vaak het hem gelukken mocht, die op te delven van onder den hoop
nieuwigheden, daarover heen gestoven.

Zoo was hij recht in zijn schik geweest, toen hij op een der dorpen
een echt Friesche begrafenis in volle tenue naar het kerkhof had
zien kuieren. En toen hij, in de herberg gekomen, vernam, dat
het harde, in lange sneden gedeelde krentenbrood herkomstig was
van de overblijfselen des gehouden lijkmaals, en naar oud gebruik
aan de betrekkingen des overledenen was rondgezonden, at hij er,
uit louteren eerbied voor de _antiquiteit_, drie groote sneden van:
terwijl Gerrit, die (hoewel slechts uit honger) niet achterbleef in
het orberen van zijn aandeel, met den waard over den prijs der granen
sprak.--Zoo juichte Willem, toen hij den rijken schat van kunstig
gesnedene beeldjes en versierselen bezag, welke de oude banken der
kanunniken in de fraaie hoofdkerk te Bolsward opleveren, en schold op
de Redactiën onzer penningmagazijnen, die ons nagedrukte afbeeldsels
van uitheemsche merkwaardigheden verschaffen, en die geen teekenaar
afzenden om al het bijzondere, daar en elders op eigen bodem, af te
schetsen, en ter kennisse van onze landgenooten te brengen: ja, toen
Gerrit, met hem op straat komende, zijne bevreemding te kennen gaf,
dat men in het bestraten te Bolsward nog meer achterlijk was dan te
Amsterdam, en er niet eens de verontschuldiging bij kon brengen,
dat de gaspijpen de straat bederven, was onze oudheidkenner nog
bezig met tegen de kerkvoogden te brommen, dat die sommige zitbankjes
hadden laten dichtspijkeren, en daardoor ettelijke beeldjes aan het
oog onttrokken, en tegen de vijfennegentigers, die al de wapenen
uit de zerken gehakt, en alle tronies van neus beroofd hadden. En,
omgekeerd, deelde hij niet in de ergernis van Gerrit, over het afnemen
der buitengronden en den slechten toestand van sommige dijken; want
het was juist ebbe en zijn geheele ziel was opgelost in verrukking,
toen hij door de beschouwing der droge wadden en der kleur van het
zeewater boven de banken, zich een duidelijk begrip van de voormalige
gedaante der zeekust vormen kon.

Eens, op zekeren avond, nadat zij zich verlustigd hadden met een
wandeling over de bekoorlijke heuvelen van het Gaasterland, kwamen zij
aan zekere herberg, nabij een binnenwater gelegen, waar zij den nacht
hoopten door te brengen. Zij troffen noch den kastelein aan, noch de
_kasteleinske_, die beiden naar eene naburige kermis getrokken waren,
en de dienstmaagd durfde het niet op zich te nemen, hun een bijzondere
kamer aan te wijzen, gelijk zij verzocht hadden, ten einde aldaar het
gedurende den dag opgeteekende in orde te kunnen brengen. Zij zouden
zich intusschen spoedig met het denkbeeld getroost hebben, dat zij
aan den publieken haard wellicht het een of ander opmerkenswaardigs
vernemen zouden, ware niet Gerrit door een aanval van kiespijn geplaagd
geweest, waardoor hij zich weinig opgewekt gevoelde tot de genoegens
van een gezellig onderhoud.

Zij maakten echter van den nood een deugd, en traden het hun
aangewezen benedenvertrek binnen, waar zij een viertal personen gezeten
vonden, die zich, voor zooveel de avondschemering toeliet zulks te
onderscheiden, met den geur van de Friesche baai en van het bittere
vocht in stille bedaardheid verlustigden. Nadat de gewone groete
en het hartelijke _vaar jou wel_? over en weder gewisseld waren,
haalde Gerrit zijn zakdoek uit en plaatste zich aan een tafel, in de
houding van iemand, die met kiespijn gekweld is: namelijk hij zette
een droevig gezicht, legde den elleboog op de tafel, den doek in de
linkerhand en de linkerwang op den doek, sloeg de beenen over elkander,
en bleef met de rechtervingers krampachtig op de tafel trommelen.

"Komaan!" zeide Willem: "stop een pijp; dat zal u goeddoen:
ik zal intusschen een flesch wijn laten aanrukken, en dan zult
gij uw kwalen wel vergeten. Is dat niet een tarief van wijnen,
daarginds?--Voorwaar! zij schijnen hier wel voorzien te zijn! beter
dan men in een landherberg verwachten zoude! Videamus!"

Dit zeggende trad hij naar een groot blad toe, hetwelk in een houten
lijst gevat voor den schoorsteen hing, en hetgeen hij voor een
wijnkaart had aangezien. Hij bemerkte echter bij 't naderen dat hij
zich vergist had; het opschrift, daarboven geplaatst, luidde als volgt:


                    TARIEF DER GALAMADAMMEN.


"_Gala-Madammen_!" riep hij, zich verbaasd omdraaiende: "eilieve
Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames
die hier vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de
_Gala-Heeren_?"

"Kom! gij zijt een ezelskop!" zeide Gerrit, zonder zich te
verwaardigen, slechts even zijn houding te veranderen! "Het is het
tarief der _Galamadammen_, dat zijn: de _Dammen_ van _Galama_."

"Hm! zoo!" hernam Willem: "men mag niet eens meer een onnoozele
woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik dit niet
zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter
dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van
den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf,
tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?"

"De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder,"
zeide met een piepend stemmetje een der aan de tafel gezetene personen.

"In waarheid!" riep Willem, zich verheugd naar den spreker wendende,
een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch,
half steedsch voorkomen: "heb ik waarlijk de eer, mij met een
afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden?--Dan moet er
dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik
uw gezondheid drinke."

"Ja maar! 't Is alleen van moederszijde," zeide de Fries. "Mijn naam
is Dirk Broddelsma."

"Om 't even! Het echte _frije_ Friesche bloed stroomt u toch nog in de
aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben
als uw voorouders:--schoon die meer bier dronken."

Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen
gevuld hebbende, stelde de gezondheid van den Heer Broddelsma in,
die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met
verdriet voorzag, dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij
aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op hun nachtrust en op
een goede som gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich,
zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich
te plaatsen.

"Hoe is het?" vroeg Willem: "drinkje niet? dan geloof ik waarlijk
dat het slecht met u gesteld is."

"Ik heb mondpijn," zeide Gerrit, "en geloof dat alle verhitting
schadelijk voor mij is."

"Er is hier een uitmuntende _quack_ [1] in de buurt," zeide een
der aanwezigen: "die een kwade kies zal trekken, trots den besten
tandmeester."

"Het is geen kies die het doet," zeide Gerrit; "het is eerder
scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen."

Triboulet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er
geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van
geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd:
want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand:
de een prees lepelblad aan: de ander sprak van mastik en wierook:
een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat
een pruim van echte baai alle pijn dadelijk zoude stillen; de meid
uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het
water over de deur groeide.

"Laat maar wat _harntje_ rijs plukken," zeide zij: "dat is, afgekookt,
de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik."

"_Probatum est_!" riep Willem: "dat is de _herba brittannica_, waar
Plinius reeds van spreekt en waaraan hij diezelfde pijnstillende
krachten toeschrijft."

"Ik 'loof ook, dat ik die 'evonden heb in het oude _receptenboek_,
dat ik thuis heb," zeide de afstammeling der Galamaas.

"Een oud receptenboek?" herhaalde Willem, den spreker met een
nieuwsgierigen blik aanziende.

"Ja toch! daar is onze familie raar aan 'ekomen:--door dien zelfden
Ige Galama, waar jou van sprak."

Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd
oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan.

"Jou moet dan weten," verhaalde de Heer Broddelsma, "dat er op een
dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen
een sterke plaats was, de _Spiker_ genaamd. Nu had de Abt van dat
klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer.... want
jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die...."

"Nu ja!" viel Willem in, "_haec lippis et tonsoribus nota_, 't geen
zooveel zeggen wil als: vertel maar verder."

"Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de
jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondematen lands,
daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover,
dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden."

"'t Mocht wat!" zeide Willem: "de manier was toen, er om te vechten,
totdat een van beiden alles inhad."

"Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om
dien ban; en met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was,
en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den
_Spiker_ in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield
een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man
van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er
waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een
klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt."

"En bestaan die papieren nog?" vroeg Willem, verheugd opspringende.

"Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt," zeide de Heer Broddelsma,
zijn pijp omdraaiende: "alleen het receptenboek, dat hebben we nog
bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft
en de _quack_ is niet bi huus."

"Verbruukt!" herhaalde Willem: "verbruukt!


                        Quis talia fando
                Temperet a lachrymis?


't geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook eens te
zien krijgen?"

"O ja, waarom niet?" antwoordde de gulhartige Fries: "mijn State is
hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en
een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen."

Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te
nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van
oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen
verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden
morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der
hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot
te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde,
te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te
gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte
met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden.

Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning
met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande
op een werf, met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een
sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: _wacht u voor
den hond_! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide
vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg
scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige
keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en
eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen,
die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan
kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen
wellekom heette. In zijne woning getreden vonden zij de koffiekan,
den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men
een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den
dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden
en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen,
op harddraverijen behaald, lag te rusten.

Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem
den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament,
tot opschrift voerende:


                      THESAURUS SANITATIS
                            in usum
       Venerandi Monasterii sub patronatu Sancti Odolfi,
                          collectus ab
                       Occone Varnesensi,
 in eodem monasterio medic. chir. et obstetr. artem excercente.


"Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in
een klooster van veel nut zal geweest zijn," merkte Gerrit aan.

"Zeg dat niet," zeide Willem: "daar moest gezorgd worden, dat de vrome
vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits
te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters
beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van
beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten
van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk
vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had."

Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude
Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst
van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der
opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke
ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert
in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die
wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele
voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en
metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar
het van geen jaartal voorzien was;--maar uit ettelijke kantteekeningen,
van een andere, min keurige hand ter neder gesteld en onderschreven:
Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn
moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert,
gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde.

"'t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is," zeide Gerrit
tot zijn vriend: "die had daar meer aan dan wij."

"Wel ja!" zeide Willem; "even alsof onze tegenwoordige geneesheeren
iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een
werk, waarin de amethysten als een voorbehoedmiddel tegen alle
vergiften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden
voorgeschreven.--Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek
en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens,"
vervolgde hij, overluid lezende:

"_Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis
reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna
sunt, negotiorum_."

En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch
verhaal bevatte van den slag, bij Sint Odulfs klooster in den jare
1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden,
bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze
kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet door hen
vermeld worden.

Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk
genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon
met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat
de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van
een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke
omstandigheden, voor den lezer van geen belang, beletteden echter
den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te
geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig tijdschrift,
waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aanteekeningen
verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden:
en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der
kroniek op zich te nemen. Deze had echter niet zoodra de handen
aan 't werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige
overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of
hij begon te vreezen, dat, bij de uitgave, het werk zelf in de massa
der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat
algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan
die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers,
zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk
omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd,
maar ook het hoofdingrediënt tot een accessorium wordt. Hij besloot
uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die,
welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een
geheel te verzamelen en in den vorm eener doorloopende geschiedenis,
te boek te stellen:--in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij
aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt)
ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de
fantastische schildering van _exceptioneele_ personen belust is, zooals
de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal
zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals
zij nog heden ten dage zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden,
met hun driften en hartstochten,--maar gewijzigd naar de denkbeelden,
zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen
dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat,
zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn
straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door
eenigen hartstocht, al ware die zelfs uit zijn oorsprong te billijken,
altijd zal achterstaan bij hem, die, uit welk beginsel dan ook, de
omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en,
gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen:


                     Wacht en stille sitt.






EERSTE HOOFDSTUK.


                            daer 't Sticht ter merreckt quam
            De Goier, Aemstelaer, de Veene- en Waterlander.
            Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander.
            Gevogelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt,
            Ter liefde van 't gewin, daer 't al om draeft,
            en reist,
            En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen
            Van d' eene aen d'andere weeck, bij deze merckt gedyen,
            En kelder en schappra, met opgepropten schoot,
            Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot.

                                    Vondel. Inwyding van 't Stadhuis.


Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland
gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot
een hechten steun verstrekten aan des Landheers gezag, was Haarlem,
gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor
zich in den nacht der tijden: 't zij, dat men haar, met Boxhorn, voor
de vroegere verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem,
als een verbastering van _Herulen-heim_ aanmerke: 't zij, dat men
dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: 't zij, dat
men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning
of Vorst, Lem genaamd, aan de door hem gestichte stad de benaming
van _Heer Lems_ stad, naderhand Haarlem, hebbe achtergelaten, of
met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord _harel_
dezelfde beteekenis hebbe als _hard_, en door _harelheim_ een harde
grond te verstaan zij:--genoeg is het, dat juist de onzekerheid van
dien naamsoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt.

Aan den oever eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen
bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom
gelegen landen, aan de andere, het IJ, en door het IJ, de Zuiderzee
te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij
getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder
uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren,
haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door
geheel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare
ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare
bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den
toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak
van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit
het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem
alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was.

De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo
zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de
heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste
genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der
stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke sloten en jachthuizen
doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde
eensgezindheid met de poorters levende, het hunne toebrachten om
den bloei der stad te bevorderen. En, opdat geen roem aan Haarlem
ontbreken zou, de Graven zelven kwamen meermalen zijn vest bezoeken,
waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun milddadigheid,
door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de
ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den
naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groote verplichting had. De
eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en
beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere,
Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere
tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den
Goede verdiende.

Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen
plaats vonden, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderheden
aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan den lezer
medegedeeld.

Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen
en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning
van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf
Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert
kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet
alleen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had,
door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize
de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden,
had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor
zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren,
waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen,
maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke
bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen
had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede
zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad
begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt:
ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den adel
van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere
kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in
dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwoner
eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de
eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verrassende
der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van
vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende
aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken
althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste,
of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij
die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt
was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht
konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloegen.

Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek
van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adellijke
gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar
ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog
algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen
den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten
en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen,
door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan
onderscheidene der Brabantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche
of Hoogduitsche bezoekers door de banden van maag- of vriendschap
verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere,
door deze bewezene, diensten.

Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende
dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en
geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet,
een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest
niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch,
behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam,
onderscheidene, zoogenaamde _mysteriën_ en volksvermakelijkheden zouden
plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde. In onze
hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid
als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om
voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting
behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt,
volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het
afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen,
hun zou afpersen;--doch in die dagen scheen men de waarde van het
geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn
woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en
fabriekzalen, ten behoeve der aangekomene gasten af.

Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der
gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als
buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste
plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker
open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt:
en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden,
waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende
vreemdelingen huisvesting konden verschaffen.

Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een
wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden
de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te
doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood,
hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in
vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens,
karren of vaartuigen, waarmede zij gekomen waren.

Het was in 't bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bedekt waren
met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen land-
en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde,
hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt,
vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad,
aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan
dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij
van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in
kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een
vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding
der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen,
en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen,
die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en
gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers,
kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er
heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, dat "de vernielende
krijgsgod" niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot
afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker
in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar
de groene krans, boven den ingang opgehangen, den voorbijgangers
aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede,
ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn
en malvezij te vinden waren.

De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen
minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en
schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen
of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren
en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad
gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote
platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of
vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan:
in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken,
waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje,
dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer
jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen:
of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof
met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een
Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland
elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander
te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In
één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk
gegons plaats, dat zich reeds op een geruimen afstand hooren liet,
en dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust
te genieten, indien zij niet zelven op dien tijd alle gedachten aan
rust en stilte uit hun geest hadden verbannen.

Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de
westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar
afscheidden van het bosch, of, om den stijl des tijds te gebruiken,
van _den Houte_, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem
waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens
de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl
het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage,
een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te
zijn, waar deze dieren frank en vrij in 't rond liepen, totdat het den
Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen
de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter,
en wel op den derden Maandag in Augustus, was het aan de poorters van
Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich
in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder
gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan
van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod honden
met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor
het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking
de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge
reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts
zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden,
en het overigens beneden zich achtten, zich om een ijdel geraas van
hun gewone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde
Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen,
wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds
te huis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen.--De Graven,
die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in 't stof vergaan:
geene herten loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene
jacht zonder akte van den Opperjagermeester is meer veroorloofd,
maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in
Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer
om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart
een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de
Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de
Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om
eindelijk, 't geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen
gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden,
het vermaak is denkbeeldig; en echter zou er een wonderwerk noodig
zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden
en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar is het,
dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft,
als de heiligheid eener overlevering, die van geslachte tot geslachte
bewaard wordt.

De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich
hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik,
om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende
hoofdstuk uitstelle.





TWEEDE HOOFDSTUK.


            Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheit gedreven,
            Zie ik van verre in 't dorp twee goochelaars verheven
            Op hunne ladders staan, die, rustende aan den muur,
            Het volk vermaaken by 't gezwets met kuur op kuur.
            De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mondt wijt open.
            Hy schatert, juicht en zwelt, terwijl zy windt verkoopen.
            De tandelooze bes, die lang aan 't flerezijn
            Nog onlangs lag te bedde en kromp van smart en pijn,
            Vergeet haar leet. Dit spel kan haaren geest bekooren,
            Zy grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder 't hooren.
            Zoo werken ijdle klap en potsen in 't gemeen
            Veel meer op 't hart van 't volk, dan welgezoute reên
            En stichtendt onderhoudt.

                                          Rotgans. De Boerekermis.


Het was in den voormiddag van een der dagen, die den aanvang der
plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren
zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen,
waar thans het Hazepatersveld gevonden wordt, verzameld had om
een stellage, van waar een kwakzalver of goochelaar (want beide
deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun
belangstelling wekte door het ten toon stellen zijner zonderlinge
apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegrijpelijke
kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit
doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen
geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder
de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier
versierd. Zijn, insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode
zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen,
was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten,
terwijl zij, van voren open zijnde, het roode onderkleed liet zien,
dat om de middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de
dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo
't heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing,
hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene
zijner dorre, dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren
tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog
lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was.

Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, _kokeler_,
was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande
wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op
de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste
voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerden kegel, tot
aan den langen neus, wiens kromte een brug scheen, waarover men den
stekeligen baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhaar,
tot op den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnig personage
schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken
door hetgeen hem omringde, 't geen hem het voorrecht verschafte,
dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent den weg,
dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te
eerder verrast was.

Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek,
in dien opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende,
dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en
poeders, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich
bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den
verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop
al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte,
ten toon was gesteld.

Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden,
bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, 't zij dat hij de
Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam
machtig was om zich te doen verstaan, 't zij dat hij vreesde zijner
achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om
tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan
zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging,
als zijn meester rust aan de zijne gaf.

Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de
narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij
met een half rood, half geel buis en met groene hozen: een houten
sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde
zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap
en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een
niet geringe verknochtheid aan het druivennat kenteekende, levendige
grijze oogen en een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn
gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, die niet weinig werd
verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de
wangen bestreken waren. Op zijn schouder zat een aap, verscheidene der
omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel
en hoed met schelpen bestond.

De taak van dezen _alwillens dwaas_, of nar, was, gelijk men
lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de
wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der
vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoners van het graafschap
nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door
den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en
schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven
gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten
des kwakzalvers uit in een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met
vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij
verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigszins hoogen tongval,
opsneed; dan weer zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn
voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot
dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk gericht en daardoor
een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een
staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen,
te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer
geschiedenis als van zelf in kennis te geraken.

"Ja! vrome burgers en landlieden!" zeide hij: "hoe zal ik u opsommen
en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester
Barbanera of 'met den zwarten baard,' bijgenaamd _l'Incomparabile_, 't
welk in 't Italiaansch zooveel wil beduiden als 'de onvergelijkelijke,'
al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede
zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen
nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat
behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man
slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te
wezen? Maar wat denkt gij, dat gij in hem ziet? Een man van vijftig,
zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd en tien jaren is hij oud:
en zoo hij nog zoo fiksch en wakker daar voor u staat, en zoo zijn haar
nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht
gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt
het _elixir longae vitae_ en de kraaienmergzalf, en gij zult er u
zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen." (Hier haalde
de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den
dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare.) "Gij! vrome
_pater_!" vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende,
die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik
aanstaarde, "gij hebt het nog niet verder kunnen brengen dan het ambt
van spijsverzorger in uw konvent waar te nemen: koop het _elixir_,
dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven
en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja
zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig
aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet
gekomen zijn zonder 't _secours_ van dat middel, maar ware een arme
Benediktijner gestorven,--koop het _elixir_, eerwaarde _pater_! en
gij zult oud genoeg worden, om al de schatten dezer aarde tot u te
zien toestroomen."

"Wij hebben gelofte van armoede gedaan," zeide de pater: "en begeeren
de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen."

"Zeg wat gij wilt, vrome man!" hernam de hansworst: "maar gij zult
aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet
liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik
het gevogelte zoudt plukken voor 's Graven tafel."

Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was
bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals
die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte
evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor 's Graven tafel aan
de kloosters werd opgedragen, die zich dan die taak ter wille van den
Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik
voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen
blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart beloofde
deze beschimping betaald te zullen zetten.

"En gij, jonge deerne!" vervolgde de nar, die, zonder zich het gram
gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig
meisje wendde, dat onder de menigte stond, "en gij! wilt gij uwe
glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera,
en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij
vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren
zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als
een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo
hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op
Bakenes? Neem de _reliquie_, die mijn meester u toereikt, en die,
om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij
tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de
asch der heilige _Juventa_, die op last van den Sultan van Egypte
werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een
potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet
weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina
geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmalen zoo hoog is als
honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed
christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars
in Syrië, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland.--Kom hier, mijn
brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar
middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee
droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het
zeggen van twee _aves_ en drie _paters_ de punt van een nieuwen pijl
indoopt, zal u geen haas of reebok meer kunnen ontgaan."

"Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan
al uw snuisterijen," zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen
toon in de rede vallende: "niettemin, zoo gij mij de proef eens wilt
laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en
er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in
't werk te stellen."

De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen
voorslag: doch hij herstelde zich terstond.

"De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige _reliquie_! Weet
gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou
wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet,
dat het u voor 't oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen
dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de
karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd,
dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets
van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft,
dat gij goed weet te raken."

De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar
juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond
als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in
dronkenschap mishandelde.--Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op
een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien:
toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te
laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking
oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp,
en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.

"Let op nu, burgers en boeren! let op!" riep de hansworst met
luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd:
"nu eerst zult gij de kunst _del maestro incomparabile_ in haar vollen
luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van
Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië
gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen
afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal."

Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar
aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers
deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere
kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek
slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in
die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd.

"Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu
toe gezien hebt," hernam de hansworst, na een korte pauze, "is de
heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste
dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen
weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit,
burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog
in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn
meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen
bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook
in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende
te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering."

De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich
deemoedig.

"Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen
schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken."

Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield
den omstanders zijn hoed voor.

"Een aalmoes voor den armen pelgrim!" riep de hansworst, naarmate
Cezar rondging om giften in te zamelen: "hij komt van verre en heeft
het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die
van het land."

"Ga voorbij, onguur beest!" bromde de boschwachter, toen de aap hem
den hoed toestak: "indien uw meester zulk een toovenaar is als hij
beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het
ons niet uit den zak te kloppen."

De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen,
en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf,
grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich
bij meer milddadige toeschouwers.

Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug,
en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij
door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige
door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet
minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem
afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes
vereeuwigd is.

Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden
zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen
na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid
had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van
vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij
zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger,
bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner
een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens
onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over.

"Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!" zeide de hansworst tegen
den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende:
"ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen,
en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar
is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander."

Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder
naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van
dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder
der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij
eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken
van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien
hij het muntstuk voorhield.

"Ei lieve, goede vriend!" zeide de hansworst: "gij ziet, mijn Cezar
laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug,
en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite."

De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman
van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere
blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in
vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een
vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een
bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen
gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een
bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes,
terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk,
en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of
ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een
klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder
een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden
als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware
wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden
door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras
van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in
't midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd
schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds
lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door
haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die,
gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet
konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone
en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp-
en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd,
of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar
niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende,
dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider
gelukkig niet veel verstaan hadden.

Evenmin had deze laatste, zoo 't scheen, het gebarenspel van den
aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans
hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de
vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan
weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk
in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid
nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak
van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende,
fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden
niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De
jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden,
althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden,
haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch,
en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den
rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren
en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.

"Kom goede vriend!" zeide de veldwachter, zich met een hoonenden
lach bij hem vervoegende: "geef den baviaan zijn zin en schenk hem
een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn."

"'t Zijn al goede muntspeciën in Friesland," antwoordde de andere,
met een sterken Frieschen tongval sprekende.

"Ja maar, wij zijn hier in Holland," hernam de jager: "en wij kunnen
uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel
als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als
valschen munter en als breker van 's Graven vrede."

"Valsche munt!" riep de Fries verbolgen uit: "een valschaard die
't zeit."

"Ho! ho!" zeide de jager, spottende: "bak maar spoedig zoete broodjes;
gij zijt hier niet in uw _frije Friesland_, waar men ongestraft op
de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van
achten uit uw zak moeten komen."

"'t Is zeker," zeide een klein, in 't zwart gekleed mannetje, 't welk
zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar
hen toe kwam trippelen, "'t is zeker, dat volgens het Privilege van
Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen
op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den...."

"Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?" riep de Fries, het heft met
kracht omvattende.

"Rebellie tegen art. 15 van het Privilege," kraaide het kleine
mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: "al wie
het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver...."

"Ik weet van geen Privilege," riep de Fries, zijn mes half
uittrekkende: "hier is mijn Privilege."

"In den stok met hem!--Te water met den muiter!--Dienaars hier!--'s
Graven vrede!" riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder
die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:--en de zooeven
nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en
verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de
boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich
beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich
te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand;
deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te
gaan en hem zijn mes te ontweldigen.

Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had
de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de
hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden
en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde
tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren;
doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te
grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan
de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in
't voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers,
onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en
een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze
beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des
kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van
achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn
gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich
nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen
bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.

Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg
te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu
op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij
aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot
den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van
zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.

"Hoe!" riep hij, "schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij
zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme
poorters een hart in 't lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen."

Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk
om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch
Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op
te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem
sprakeloos tegen den grond wierp.

Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien
zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan
van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde
hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was
komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na
den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van
't hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.

Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel
deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen;
en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden
maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij
weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den
grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem
meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan
de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.

"Mijn hemel! Feiko!" riep het arme meisje, dat nu weder door den
volkshoop naar voren gedrongen was, "waar brengt men u? Ik wil met
u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het
hooren."

"Sytsken! loop naar den Olderman" brulde Feiko: "en zeg hem, hoe die
honden met een vrijen Fries handelen."

"Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!" zeide de koddebeier, die intusschen
weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam:
"laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten
wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar
gij wezen wilt."

"Blijf van mij af, schurk!" riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos
pogende zich van de omarming des jagers los te maken: "ik wil niet
met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles."

"Laat het meiske gaan, vriend Walger!" zeide het zwarte mannetje:
"gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege
van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met....."

"Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz," duwde hem Walger toe:
"ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben
's Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil,
zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen."

En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken
zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap
naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der
lanen kwam aangewandeld.




DERDE HOOFDSTUK.


                Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?

                                                  Vondel. Palamedes.


"O Jonker Seerp!" riep Sytsken: "spreek een woord voor den armen Feiko,
wien men naar de boeien wil brengen."

De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van
ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn
gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend
om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en
eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van
Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren
ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden
en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel
verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel
van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren
was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en
met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den
sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen
den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De
gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede
zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch
was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van
groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen
staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.

"Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?" vroeg hij op zijn beurt,
na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog
langs den volkshoop rondwaarde.

Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande
was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten,
stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om
den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed
hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was
en rukte hem uit de macht der knevelaars.

"Nieuwe rebellie!" riep meester Claes Gerritsz: "hei ho! wakkere
poorters! laat den gevangene niet ontsnappen."

"Gij zult mij toch niet willen houden," riep Feiko, die niets in de
wereld boven een Frieschen edelman stelde, "tegen den wil van Jonker
Seerp Van Adeelen?"

"Stil Feiko!" zeide deze: "vertel mij wat de reden van dit rumoer is."

"Wat mocht hij vertellen," riep Claes Gerritsz: "een vreemdeling
mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van
het Pr...."

"Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!" duwde hem Seerp
Van Adeelen met bitsheid toe: "of," vervolgde hij, hem met een donkeren
blik aanziende: "kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft
gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?"

Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag
des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die
door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden
om te gaan, nam het woord op:

"Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd
is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied
van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u
raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u
slecht afloopen."

"Wij zullen zien," zeide Adeelen: "wie zich vermeten zal de handen aan
hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde
van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets
van nooden. Volg mij, Feiko."

Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde
schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte
nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het
forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en
besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest;
maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige
dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo
hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo
gevreesde Friezen niet meer in 't aangezicht zag. Dan het bleef niet
bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze
opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,


    en alles wat men reedst kon vinden by der hant,


om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd
zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan;
maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien
zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen;
zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde
hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring
terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den
Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die,
ziende wat er gaande was, 's Graven vrede uitriepen en de vechters
poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds
had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat
gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen:
van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan
Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:--en beiden
waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest,
zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig
einde gemaakt had.

De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf
Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars
en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap
voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel,
lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den
Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan,
toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar
bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp
der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars
van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van
het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen
ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was
door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond
reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat,
het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den
poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn
paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees
en met kracht uitriep: "pais en vree, gespuis van den Satan! niemand
verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als
hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?" vervolgde hij,
zich tot Walger keerende: "zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats
van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt
tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien."

"'t Is die schoelje, die oorzaak van alles is," bromde Walger, op
Feiko wijzende.

"Is het de wil van den Graaf," vroeg Adeelen, die opgestaan was
en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, "dat men Frieslands
afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?"

"Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen," balkte Claes
Gerritsz, "dient art. 16 van het Privil...."

"'t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten
uitvoer moet leggen," zeide Reinout, den voorvechter der Privileges
in de rede vallende.

"Neen heer Ridder!" riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood
als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen:
"maar wanneer mijne dienaars 's Graven vrede opleggen, behoort die te
worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers
in bewaring te nemen."

"Neem dan den aap van den kokeler in bewaring," zeide Feiko, "want
die is de oorzaak van al de opschudding."

"Geloof hem niet," riep de hansworst, die gedurende het vechten niet
van zijn stellage geweken was: "hij is een valsche munter en draagt
de tasch vol ongangbaar koper."

"'t Is goede Ezekermunt," zeide Feiko, zijn geld toonende, "die elke
schipper mij zal inwisselen."

"Al genoeg!" riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een
waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: "de
beide Friezen moeten naar de gijzeling, tenware zij borg stellen van
op den eerstkomenden rechtsdag te zullen verschijnen."

"Ik lach met uw rechtsdag en rechtsgebied," zeide Adeelen: "mijn
persoon is heilig en onschendbaar: en wat dezen knaap betreft, alle
beleediging hem aangedaan, beschouw ik als tegen mij gericht."

De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden.

"Heer Onderschout!" zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde
trekkende, "ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goeden raad
wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf
in stelt, de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid
zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven."

"Met dat al...." hernam de Onderschout.

"En u de ongenade des Graven op den hals halen," vervolgde Deodaat,
gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan
de vorige.

"Dat alles is waar," hervatte de Onderschout: "maar daar is bloed
van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die
zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in
't been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet
onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?"

"Schaam u, heer Onderschout!" zeide Deodaat: "zij waren honderd
tegen één!"

"Kort en goed," viel Reinout in: "gij zult uw gijzeling gerust kunnen
gesloten houden; want ik joeg u liever allen in 't Sparen, eer ik
het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag."

"Welaan," zeide de Onderschout, de schouders ophalende: "indien deze
edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, 's Graven vrede met
de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de
gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven."

"Wat meester!" bulkte de hansworst er tusschen in: "komt bij meester
Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen
den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle
wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje."

"Het is veeleer dat gespuis," zeide Adeelen, "hetwelk zich verbinden
moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of
hun dienaars; doch wie zoude zich hunne beloften bekreunen? Ik zal
hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw
gewonden betreft, laten zij zich doen genezen."--Onder het uitspreken
dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den
Onderschout voor de voeten.

"Wat u betreft," vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, "grooten
dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland
nooit had kunnen teruggezien. Zijt echter zoo goed uw Graaf te zeggen,
dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede beleediging
zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht."

"Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijnen Heer
over te brengen," antwoordde Deodaat eenigszins geraakt.

"Onze Heer weet beleedigingen te voorkomen," voegde Reinout er bij:
"doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook."

"Onze Heer!" mompelde Adeelen met bitterheid: "ellendig
dienstvolk!"--en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko
en Sytsken.

"Die onbeschaamde!" riep Reinout uit: "een woord meer en mijn degen
had hem geleerd de lompe tong te snoeren."

"Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem dan het hoofd
afslaan?" vroeg Deodaat: "een verachtelijk zwijgen is al wat die
ongelikte beren waardig zijn.--Dan wij hebben hier tijds genoeg
doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal."

De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig
met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen.

"'t Is de goede tijd niet meer," zeide Claes Gerritsz, het hoofd
schuddende: "het schijnt wel, dat de ingezetenen niets meer hebben
in te brengen."

"'t Is zeker wat erg," merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche
teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne
door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, "'t is zeker
erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee
Italianen aan de straf onttrokken worden. Blieft gij ook gediend?"

"Is 't een wonder," zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te
hebben van Walgers aanbod, "dat men aan vreemdelingen de voorkeur
geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het
Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is:
maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is
zelf een vreemdeling."

"Stil!" zeide de Onderschout: "het past niet zulke dingen aan te
merken in 't bijzijn van 's Graven ambtenaar."

"Ik zeg niets kwaads," hernam Claes Gerritsz: "de Graaf is een wijs
en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde
landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden."

Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem
voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze
ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar
's Graven jachtslot, de Vogelesang genaamd, een groot uur gaans ten
Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen onzer lezers
nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te
Haarlem en in het gevolg van den Hollandschen Graaf aan te treffen,
en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te
dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke,
in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche
werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten,
welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder
oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meest noodige,
tot de laatste bladzijde verschuiven.

Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het
gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, 's Graven oom en een
der volmaakste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven,
in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed,
alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De
roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook
bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder zulk
een waardig krijgshoofd in de wapenkunst bekwaam te maken, en lauweren
te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder
deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo
della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren
met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat
van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg
gaven zij blijken van dapperheid, en verworven zich de vriendschap van
den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam
Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijn einde voelende naderen,
riep hij Beaumont en de beide jongelingen aan het ziekbed, waarop
hij lag uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede.

Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo
della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten
zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een
enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar
geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig
beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn
liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn
aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd
had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest
stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over
haar herhaalde weigering, verliet hij zijn vaderstad om in den krijg
zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij
den staat van zaken veranderd. Bianca was door den dwang haars vaders
de echtgenoote van Carlo's bloedverwant, Francesco della Scala, en
die Francesco de dwingeland zijner geboortestad geworden. Onwillig,
om de snoode inzichten en bedoelingen van dezen booswicht door zijn
tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen,
en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij eens
anderen terug te vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona
en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn
nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen
van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den
ingang van den hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd
bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder
Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kind, dat uit Verona
en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijne op
te brengen.

Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst om het
zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van
één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje
zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon
hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een
zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op,
dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren: want het eene
was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere
kleur der Italianen.

Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de
gedachte, dat wellicht de ouders dier kinderen als slachtoffers
der dwingelandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen
daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over
alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te
beantwoorden en de beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij
toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della
Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen,
zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met
zich naar Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben.

De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden,
krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had
met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu
aan Beaumont hechtten, en hem na het einde van den veldtocht naar
Henegouwen volgden. Sedert deelden zij in al de krijgsbedrijven,
door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen
laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne
zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der
beide jongelingen getroffen, hen op het slagveld tot Ridders sloeg,
ondanks het morrend misnoegen van sommige edellieden, die met leede
oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom,
zelfs niet van een vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht
genoten, alleen voor den adel weggelegd, en in vele opzichten aan
afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken.

Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den
Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een
erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stoute feiten, door
hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten,
in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere
bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, en ontzag
of vriendschap inboezemde. Beiden waren schoon en welgemaakt,
uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en
bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk
uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland
noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai
gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid om de
slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en, schoon van
nature bleek en door de zuiderzon en de vermoeienissen des oorlogs
met een gele tint overdekt, hoogst bevallig en innemend. Geest en
scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarte oogen, wier levendigheid
waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden
betrof, hij was onverschrokken, ondernemend en vroolijk van aard; maar
tevens wispelturig, oploopend en heerschzuchtig. Aan degenen, die hem
onbescheidene vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden,
had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat
aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon
hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en
wanneer het pas gaf met het vernis der hoffelijkheid wist te bedekken,
was hij over 't algemeen meer ontzien en gevreesd, dan bemind.

Anders was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende
aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche
hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot; doch
die hooghartigheid zelve weerhield hem van zich zulke zinspelingen
op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat
hebben. Hij begreep te recht, dat driftige woorden en een uitgetogen
zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een
adellijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle
gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd
de onbescheidenheid echter te grof, dan wist hij die te straffen,
zoowel als zijn vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de
noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten
hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel
's Graven lieveling te beleedigen.

Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frissche
gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer of verdriet. Er
waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke
gedachte aan den geheimzinnigen sluier, die zijn geboorte overdekte,
soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een
nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd,
wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken
toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat
hij dien aan zich zelven te danken had.

Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert
hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden,
waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan
elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen
bewoonde. Nooit had de een ééne gedachte voor den ander verborgen
gehouden: geen wensch werd door den eenen gekoesterd, geen plan
gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige
dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een
zijner zintuigen miste. Men moet hier echter geenszins uit opmaken,
dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en
begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen,
en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen
en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden
van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet
nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt.

Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf
den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een
hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar,
veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan
't hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest.

Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend
heet. "Wij komen nog tijdig genoeg," zeide Deodaat; "zouden wij niet
wat zachter rijden?"

"'t Is mij wel," antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen,
liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst.

"Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt als een slang
op een vogeltje?" vroeg Deodaat in 't Italiaansch, welke taal zij
gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of
ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet
verlangden verstaan te worden.

"Ik denk aan dien verwaanden Fries," antwoordde Reinout: "het spijt mij
slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in 't gezicht heb gesmeten."

"Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij
mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen
bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet
in de waagschaal stellen."

"Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken
tusschen den Graaf en zijn gehoorzame Friesche onderzaten; maar ik
denk de beleefdheid zoover niet uit te strekken om mij straffeloos
onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik,
dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal."

"Wat mij betreft," hernam Deodaat: "ik help het u wenschen. Mits het
buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland
mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik
ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest."

"Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe
boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok
even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde."

"Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren
moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn
geweest."

"Geweest is leelijk," merkte Reinout lachende aan.

"En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg om den overwinnaar
eer aan te doen."

"Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters
tot aan Alexander den Grooten."

"En bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn,"
vervolgde Deodaat.

"Zoo hoor ik;--doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche
vrouwen doen mij om water-en-melk en zoete koek denken, twee zaken,
waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb."

"Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed
op mij een geheel andere uitwerking."

"Inderdaad, zij was niet onaardig.... Zoude zij ook tot het gevolg der
afgevaardigden behooren? Zij zijn drie in getale, hoor ik: een zekere
Heer van Aylva [2], die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt
in de stad Leeuwarden.... een fraaie zaak voor een edelman!--dan,
die snoever, welken wij uit de handen van 't gepeupel verlost hebben,
en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat
over dit meisje uitoefenen?"

"Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast,
die haar in 't heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere
bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp Van Adeelen, en
gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts
niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij
beschouwt zich, geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant,
naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Frieschen Koning gesproten
te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als
onbekend is."

"Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakkeleien!--doch
van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona
onderzoek te doen naar onze geboorte, blijft lang uit."

"Wat mij betreft," zeide Deodaat, "ik wensch van harte dat hij nimmer
terugkome."

"Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo
na aan 't hart moest liggen."

"Onverschillig!--Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het
geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken,
indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken
van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden;
maar gij weet het, ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld,
dat de ontdekking onzer afkomst misschien verwijdering tusschen ons
zou kunnen baren. Denk eens na, Reinout! indien het eens uitkwame,
dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk geslacht en de
ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan adellijke Ridder
zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen?--Zou deze zich
even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen
kunnen?--Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn
voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf
versmaad en veracht zag?--Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn
onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen."

"Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk," zeide Reinout, "ofschoon
ik niet geloof, dat iets ooit in staat zou wezen onze vriendschap
te doen verflauwen;--maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken
staat van onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat
het ook koste. Wat mijn ouders betreft, die verlang ik niet terug
te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mij te verstooten,
hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten
wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier
trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt,
uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik
met hen op ééne lijn kan staan."

"En zoo niet?" vroeg Deodaat.

"Zoo niet?--Welnu, dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin
zoeken;.... doch het is onmogelijk!--Ware intusschen die pelgrim maar
terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans
dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk
is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker
misleid."

"Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens
narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?"

"In October of daaromtrent."

"De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen."

"Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik
vermoede."

"Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco [3]
zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er
niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben.--Zijn
wij zelven, toen wij met den Graaf te Venetië waren, niet naar Verona
gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar
had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te
doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?"

"Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest, en
toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar
Cyprus niet uit kon stellen."

"Wij zouden langer tijd gehad hebben," zeide Deodaat, "indien gij
niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons
voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden."

"Hoe dit zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen
te doen;--en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die
ons als verspieders wilde doen vatten;--maar mij dunkt, dat, wanneer
de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della
Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des
Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich
hunner aantrekt."

Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat
oogenblik in 't gezicht van 's Graven jachtslot bevonden, liep hier
hun onderhoud ten einde.





VIERDE HOOFDSTUK.


            Neen neen, Achilles' ziel kan zulk een hoon niet lijden
            En trachten naar geen wraak.

                                                Huydecoper. Achilles.


Nadat Seerp Van Adeelen, van Feiko en Sytsken vergezeld, het tooneel
des gevechts verlaten had, trad hij eerst met een bedaarden en
langzamen, vervolgens, zoodra hij uit ieders gezicht geweken was,
met een meer snellen en verhaasten stap, de lanen en kronkelpaden
van het bosch door, totdat hij buiten den Hout gekomen was en op een
weide kwam, welke hij dwars overstak en recht op een gebouw afging,
hetwelk zich aan de overzijde aan zijn gezicht voordeed, en waar
hij door een zijdeurtje, dat door middel eener plank met het weiland
gemeenschap had, werd binnengelaten.

Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn
uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van
bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende,
van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken,
droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: 't geen vooral
daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer
was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet
meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den
voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht,
behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een
verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis,
welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben,
en naast de deur was een zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd
om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde,
de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den
linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met
klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden
afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan
den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan
ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen
en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den
kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind,
doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door
deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een
zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels
afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die
het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger
gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen.

Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest
oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een
klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne
woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst
naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door
Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van
hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der
orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter
vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en
zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem
ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den
Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken,
ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor
afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen
geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest
te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven,
en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting
voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit
gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen
zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem
dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw
ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken.

Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den
staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de
wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel
ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te
nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd,
weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was
door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en
Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal
soms terug zullen moeten komen, niettegenstaande zoowel de Graven
van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die
verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen
bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid
den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval
van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter
afwering des vijands vereenigden.

Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte
daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden,
zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een
verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk
van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin
bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te
gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen
te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der
Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan
als een Rechter of Stadhouder van 's Rijks wege aangesteld, en dat zij
alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid
van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn,
gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun
onafhankelijkheid door 's Keizers leenmannen bedreigd werd.

De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het
gezag der ambtenaren, in Friesland van 's Graven wege aangesteld, werd
weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der
Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen
nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen,
en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in
Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst
uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was
ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen
op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar
den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken,
en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te
brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop
de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den
Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde,
om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen,
begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam,
de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten
behandelen en alle pogingen in 't werk te stellen, om hen tot het
behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen
uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met
hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond,
en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens
was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden,
en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde
hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last
gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende
hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans
heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den
Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel
aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op
zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het
met de noodige meubelen deed voorzien.

Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger
tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en
van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat
drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan
een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren
neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken
stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen
voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt
(want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid),
uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden
ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt
gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn
persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon
zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad
was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken
waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot
model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo
zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende
gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en
zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid
zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige
haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren.

Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan
die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen
tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande
de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog,
droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en
voorkomen geprent hadden, en het droefgeestige floers, dat zijn oogen
benevelde, was echter zulk een majesteit, met zachte welwillendheid
getemperd, over al zijn wezenstrekken verspreid, en blonk een zoo
ongemeene uitdrukking van scherpzinnigheid op zijn gelaat, dat
niemand hem beschouwen kon, zonder met belangstelling en eerbied
te worden ingenomen. Al zijn wendingen en manieren waren edel en
welgepast: zijn taal was altijd kiesch, ofschoon gepaard met die vrije
rondborstigheid, welke bij de meesten zijner landgenooten in boersche
plompheid ontaardde: en schoon hij den Frieschen tongval bezigde, kon
men aan zijn wijze van zich uit te drukken al ras gewaarworden, dat
hij ook andere landen bezocht had, en in hun talen geen vreemdeling
was. Zijn buitengewone bekwaamheden hadden hem dan ook sinds lang
de achting en het vertrouwen zijner landgenooten doen verwerven;
want niet slechts was de Heer van Aylva (dus was zijn naam) geroepen
geweest, om de waardigheid van _Olderman_ of eersten ambtenaar in de
stad Leeuwarden te bekleeden; maar ook was hij tot lid benoemd van
de zending, welke nu Frieslands belangen bij den Graaf kwam behartigen.

De derde persoon was aan het lager einde der tafel geplaatst, niet,
gelijk de beide vorigen, in een gemakkelijken leunstoel, maar op
een nederig houten schabelletje, en droeg eenvoudig het gewaad der
Benedictijners. Zijn magere, door onthouding en studie vervallen en
verbleekte gelaatstrekken, duidden schranderheid van geest en vastheid
van karakter aan, en zijn daden hadden deze uiterlijke kenteekenen
nooit gelogenstraft. Schoon geene waardigheid in de Sint-Odulfsche
_hiërarchie_ bekleedende, oefende hij over zijn broeders dat gezag
uit, hetwelk de min verhevene zielen onmisbaar onderwerpt aan den
invloed van de zoodanigen, die met rijkere vermogens van verstand
en geest door het Opperwezen begiftigd zijn:--en geen besluit werd
ooit genomen, geene benoeming gedaan, geen brief van eenig aanbelang
geschreven, waar broeder Syard niet over geraadpleegd werd. Daar hij
zich echter nooit op zijn meerdere bekwaamheid liet voorstaan, en
noch eer- noch heerschzucht, maar slechts dienstvaardigheid en ijver
voor het belang der orde zijn daden bestuurden, was hij de afgunst en
jaloezie zijner broederen ontgaan. De nederige wijze, waarop hij in
zijn raadgevingen en hulpbetoon altijd zich zelven op den achtergrond
plaatste, en het genomen besluit niet als uit zijn brein gesproten,
maar als een gevolg van het algemeene gevoelen der vergadering deed
voorkomen, had hem niet slechts de toegenegenheid der broederen,
maar ook de gunst van den Abt gewonnen. Deze, vol vertrouwen in zijn
eigene kunde en bekwaamheden, en overtuigd, dat een Abt van Sint-Odulf
onfeilbaar moest zijn, wist zich zelven altijd op te dringen, dat er
nooit een ander besluit werd aangenomen, dan hetgeen hij aan de hand
gedaan had, en dat Syard altijd juist den raad gaf, welken hij zelf
voornemens was aan te bevelen. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn
eigen oordeel hoe langer hoe hooger schatte, terwijl hij gewoon was
van den monnik te zeggen: "broeder Syard is een vroom en getrouw man,
die mijn bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten. Zoo hij wat
meer overwicht bij de broeders bezat, zou hij niet ongeschikt zijn,
om den ouden broeder Prior te vervangen."

Het was dan ook geenszins uit gebrek aan zelfvertrouwen, of uit een
gevoel van behoefte aan de raadgevingen van broeder Syard, dat de
Abt hem met zich genomen had op zijn reis naar Holland: een andere
oorzaak had hiertoe aanleiding verschaft.

Reeds sedert een geruimen tijd waren in Friesland de twee partijen
ontstaan, van welke ik hierboven heb gewag gemaakt, en welke zich
omtrent het jaar 1280, nadat zij lang zonder bepaalde leuzen gewoed
hadden, door onderscheidene teekenen, levenswijs, en de benamingen van
Schieringer en Vetkooper, van elkander onderscheidden. De Vetkoopers
waren, gelijk later de Kabeljauwschen in Holland, de voorstanders
der zich langzamerhand ontwikkelende nijverheid, en hun leus werd
voornamelijk door de ingezetenen der steden, en door de nieuw opgekomen
geslachten gevolgd; terwijl de partij der Schieringers uit den hoogen
adel en de aanhangers van het oude bestond.

Dan, het waren niet slechts de edelen en steden, die deel namen
in dezen noodlottigen burgertwist: ook de kloosters, die in groot
aantal in Friesland bestonden, mengden zich daarin en ontzagen zich
niet, somtijds de partij, welke zij aankleefden, gewapenderhand te
staven. Zoo bestond er onder anderen een geweldige veete tusschen
het klooster van Lidlum en dat van Bloemkamp, welke beide in rijkdom
en aanzien wedijverden, en waarvan het eerste de Vetkoopers, het
laatste de Schieringers aanhing. Seerp Van Adeelen, wiens goederen
aan de abdij van Bloemkamp paalden, had dit gesticht zijn bijstand
toegezegd, en Lidlum werd met een vernielingsoorlog bedreigd, toen de
Abt van Sint-Odulf aan de twistende partijen zijn bemiddeling in de
gerezene geschillen door het orgaan van broeder Syard liet aanbieden,
aan welken laatste het werkelijk gelukte, door zijn krachtige vertoogen
en de herhaalde gesprekken, welke hij met de beide kloostervoogden
en met Adeelen hield, de verzoening tusschen hen te bewerken. De
monnik had zich bij die gelegenheid het vertrouwen des onrustigen
jongelings verworven, en toen kort daarna deze laatste met den Heer
van Aylva en den Abt van Sint-Odulf naar Holland werd afgevaardigd,
en deze zijn voornemen te kennen gaf om een der broeders met zich te
nemen, om als klerk bij het gezantschap te dienen, was het niet vreemd
dat Adeelen hem verzocht zijn keuze te dien einde op broeder Syard
te vestigen, hetgeen de Abt gereedelijk toestemde, daarbij tevens
aanmerkende, dat broeder Syard wel geen man van hooge vlucht was,
maar doorgaans zijne bedoelingen goed begreep en zeer bruikbaar was
tot allen zoodanigen arbeid, die ijver en nauwgezetheid vereischte.

Indien er eenig onderhoud tusschen de drie personen, wier aanduiding
wij thans gegeven hebben, had plaats gehad, het was, naar het scheen,
sedert een geruimen tijd afgebroken. Op het gelaat van den Edelman
zoowel als op dat van den Abt was ontevredenheid en bezorgdheid te
lezen, uit een gelijke oorzaak gesproten, maar naar het karakter der
beide personen verschillend gewijzigd. Het was duidelijk te zien,
dat de Heer van Aylva ongerust was over het uitblijven van Seerp,
wiens aard hij kende: en de blik, welken hij nu eens naar de deur,
en dan weder op den monnik wierp, gaf te kennen, dat hij gaarne
gezien zoude hebben, dat deze hun wegblijvenden ambtgenoot eens zou
gaan opzoeken. Doch de vrees, dat Adeelen een dusdanige bezorgdheid
wellicht ten kwade zou duiden, en opvatten alsof men hem voor een kind
aanzag, dat niet op zijn tijd te huis komt, weerhield hem om woorden
aan zijn gedachten te geven. Wat den Abt betrof, diens oogen vestigden
zich ook menigmalen op de deur, doch meer nog op het tinnen bord,
dat voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om
het middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts op
Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand
te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met
het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook hij weerhield zich
lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij,
een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging,
welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde.

Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans:
"ik weet niet," zeide hij, "of de regelmatigheid, aan welke ik in
mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt,
onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even
een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren,
die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig heeft om goed te
zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is
en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze niet deugt,
wanneer zij te koud of te gaar is."

"Wij zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren,"
zeide Aylva: "ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar
Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ontmoet!"--en
een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende,
blies hij een paar schelle noten.

Een dienaar verscheen.

"Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?" vroeg Aylva met eenige
ontevredenheid.

"Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan," was het antwoord:
"en geen van beiden is nog terug."

"'t Is vreemd!" hernam de Olderman: "Feiko is anders niet gewoon,
misbruik te maken van mijn goedheid."

"En is Seerp Van Adeelen ook nog niet terug?" vroeg de Abt haastig:
"'t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten."

"Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van
zijn wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, indien
wij ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven."

"Erger!" herhaalde de Abt: "ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken
grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien
die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is
geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te huis kon gelaten
worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn
plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen,
zoo zij ons niet in ongeval brengt."

Vermoeid van dezen langen volzin te hebben uitgesproken, schonk zich de
Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor hem stond:
en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat
hij den ganschen inhoud in zijn maag had overgegoten.

"'t Ware toch misschien voorzichtigst," zeide Aylva, "een paar dienaars
uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij kan verdwaald
zijn: misschien is hem een ongeluk overkomen."

"Dienaars uitzenden!" zeide de Abt met een angstig wezen; "wij hebben
waarlijk niet te veel knapen in huis: en zoo er hier eens van die
rauwe kermisgasten aankwamen om ons arme vreemdelingen te overvallen,
waren wij van alle hulp ontbloot."

Vader Syard rees van zijn zitplaats op.

"'t Is waar," zeide hij, "dat indien de edele Seerp Van Adeelen in
twist geraakt is, het misschien gewaagd zou zijn, dienaars uit te
sturen, wier kleedij hen zou doen herkennen en in 't zelfde leed
brengen, zonder dat zij van eenig nut zouden kunnen zijn. Ik bied
mij aan, hem te gaan opzoeken. Mijn gewaad zal mij althans overal
ter bescherming zijn."

"_Optime! carissime frater_," zeide de Abt: "gij begrijpt mij volkomen:
ziedaar juist wat ik u vragen wilde. Tracht eenig naricht in te
winnen en breng het verloren schaap, _ovem deperditam_, weder in de
kooi terug. Zeker heeft hij hier of daar weder twist gezocht, gelijk
hij zoo dikwijls doet, en waar de monniken van Lidlum van weten te
getuigen. Seerp Van Adeelen is ongemakkelijk als hij begint, en hadt
gij, broeder Syard, met hem indertijd niet gesproken, gelijk of ik
zelf het gedaan had, de zaken waren zoo gemakkelijk niet afgeloopen
voor onzen Lidlumschen broeder."

Nauwelijks had de Abt gedaan met spreken, of de man, die het onderwerp
van het gesprek had uitgemaakt, trad met drift de kamer in, smeet
de deur achter zich toe en wierp zich zonder een woord te spreken in
een armstoel.

"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de Abt, vervaard over zijn
uitzicht: "waar hebt gij gezeten? en hoe komt gij aan die geweldige
kleur? Gij zult een _calmans_ moeten nemen, waartoe ik kan aanbevelen
een gelijkelijk mengsel van salpeter, kreeftsoogen en zout, een
middel, waarbij broeder Bonifaas, die wat schrikachtig is, zich bij
het laatste oproer zeer wel bevonden heeft."

Adeelen zweeg; doch toonde door het inzwelgen van een teug wijns, dat
hij vooralsnog van het aangeprezen recept geen gebruik dacht te maken.

"In waarheid," vervolgde de Abt, "zoo ik mij niet bedrieg, uw kleederen
zijn bebloed en gescheurd, als waart gij met de Vetkoopers aan den
gang geweest."

"Het verheugt mij u te zien," zeide Aylva, zijnen ambtgenoot de hand
reikende: "ik hoop slechts niet, dat gij u in ongelegenheid hebt
bevonden:--hoewel ik vrees dat dit het geval is geweest."

"Nu geen woord," riep Adeelen met drift: "aan tafel!--daarna zal
ik u alles verhalen:--'t is niet, dat de zaak zelve van belang zij,
doch men kan er ten minste uit opmaken, hoe men hier over ons denkt."

"Ja gewis! aan tafel!" zeide de Abt: "gij zijt lang genoeg uitgebleven
om uw honger te scherpen: en den onzen ook, dat beloof ik u."

Zoodra dit verlangen geüit was, verliet de dienaar, die nog altijd
binnengebleven was, het vertrek en keerde spoedig met zijn makkers
terug, die het middagmaal aanbrachten.

"Mij dunkt, gij zijt er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen,"
zeide Aylva met een ontevreden blik tegen Feiko, die zich mede onder
de dienaars bevond.

"Ik verzeker UEd.," zeide Feiko, "dat zonder Jonker Seerp uw trouwe
Feiko hier geen schotel zoude binnenbrengen."

"Ik ben hem dank verschuldigd," zeide Aylva: "doch hiervan straks
nader:--wij moeten het geduld van onzen waardigen Vader Abt niet
langer op de proef stellen."

Het middagmaal werd nu opgedragen, waaraan de monnik en de dienaars,
naar het toenmalig gebruik, mede deelnamen, ofschoon aan een
bijzondere, langwerpige tafel, terwijl de Afgevaardigden aan de schijf
bleven zitten. Een ledige stoel, die zich nog aan deze laatste bevond,
werd op last van Aylva weggenomen.

"Hoe!" vroeg Adeelen, zoodra hij dit opmerkte: "krijg ik hedenmiddag
mijn gewone buur niet aan tafel?"

"Madzy heeft verkozen, dezen middag haar kamer te houden," antwoordde
Aylva: "zij klaagt over hoofdpijn."

"Ik hoop, dat die spoedig zal geweken zijn," zeide de Abt: "maar zou
haar in allen gevalle raden eenige druppels vitriool te gebruiken,
opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven dat men voor
haar bereide."

"Is 't mogelijk dat zij ongesteld is?" zeide Adeelen: "na al de bekers,
die ik gisteren op haar gezondheid geledigd heb."

"Ik geloof zelfs dat gij er te veel geledigd hebt," zeide Aylva,
"en dat dit juist de oorzaak is van haar wegblijven. Wie het hart
van een vrouw wil winnen," voegde hij er halfluid bij, "moet beginnen
met zich zelven te betoomen: en dat deedt gij gisteren niet."

"Hoe!" riep Adeelen: "is het nufje verstoord, omdat ik haar een
onnoozelen kus heb willen geven naar Friesche wijs, toen de _Siward_
werd opgeroepen."

"Er werd geen _Siward_ opgeroepen," zeide de Abt: "ik was het, die
Broeder Syard riep en dit hebt gij verkeerd verstaan."

Ter verklaring van dit gezegde moet ik den lezer het oude gebruik
op de Friesche maaltijden herinneren om een opziener, _Siward_
(waarschijnlijk hetzelfde als het Engelsche _Stewart_) te verkiezen,
die zorg moest dragen dat er geene ongeregeldheden geschiedden. Telken
reize als de naam _Siward_ gedurende den maaltijd werd opgeroepen,
stond het den gasten vrij de naast hen gezeten vrouwen of meisjes
te kussen: en Adeelen had den vorigen dag, naar het schijnt, van dit
voorrecht, hoewel te onpas, gebruik willen maken.

"Al had ik u verkeerd verstaan," zeide Adeelen: "dat was geene zaak
om daarover alarm te maken, althans daar wij allen meer of min door
den wijn verhit waren."

"Veroorloof mij, u te doen opmerken," zeide de Abt, "dat noch de
edele Olderman, noch ik, noch Broeder Syard eenigszins de grenzen
eener betamelijke welvoeglijkheid zijn te buiten gegaan."

"Broeder Syard!" hernam Adeelen, den monnik van ter zijde aanziende:
"ik geloof het waarachtig wel!--de vrome man drinkt nooit iets
als water."

"Broeder Syard handelt wijselijk en wel," zeide de Abt: "waren
alle monniken hem gelijk, mijn vrome broeder de Abt van Lidlum ware
niet vermoord geworden door zijn eigen monniken, omdat hij hun het
wijndrinken beletten wilde."

"Voorwaar!" zeide Adeelen, luidkeels lachende: "met uw vriendelijk
verlof, dat was ook een gestrengheid, welke niet veel beter verdiende,
en welke gij, Heer Abt, wel nooit in 't werk zult stellen."

"Een weinig wijns is nuttig," zeide de Abt: "want wat zegt de apostel:
_modico vino utere_, en ik heb altijd vrede en eensgezindheid onder
de kudde van Sint-Odulf weten te bewaren, door den wijn niet geheel
te verbieden, doch de onthouding daarvan aan te bevelen: en broeder
Syard, die door zijn voorbeeld de matigheid aanprijst, vervult volkomen
mijne bedoelingen."

"Mij dunkt, edele Seerp," zeide Aylva, na een ruim stilzwijgen,
gedurende hetwelk de Abt zich van het langdurig verwijl, en Adeelen
van het hem wedervaren ongeval op de voor hen staande spijzen krachtig
hadden gewroken, "mij dunkt, hetgeen gij reeds gebruiktet, moet u
de verloren krachten eenigszins terug hebben gegeven en u in staat
gesteld, onze nieuwsgierigheid te voldoen, door ons een verslag te
schenken van uw wedervaren."

De dienaars rezen op en vertrokken, en vader Syard maakte zich uit
bescheidenheid gereed om hun voorbeeld te volgen, toen Adeelen hem
verzocht weder te gaan zitten, daar men zijne hulp als klerk van het
gezantschap waarschijnlijk behoeven zoude.

Adeelen deed vervolgens zijn verhaal, hetgeen door de aanwezigen
met aandacht en belangstelling werd aangehoord. Zoolang het
duurde scheen de Abt eenigszins onzeker of hij het gedrag, door
den verhaler gehouden, al of niet moest goedkeuren; want ondanks
zijn zelfvertrouwen, wanneer hij eenmaal een besluit genomen of een
oordeel geveld had, had de goede Abt een bepaalden leiddraad noodig
aleer hij zooverre kwam: hij zag dan ook beurtelings den Olderman
en vader Syard steelswijze aan: het onverwrikbare gelaat van den
monnik gaf hem geene hulp; doch toen op het voorhoofd van Aylva zich
eenige rimpels vertoonden, welke ontevredenheid schenen aan te duiden,
trok ook de Abt de wenkbrauwen samen en loosde, toen Adeelen zweeg,
een diepen zucht. Er was een oogenblik stilte.

"Ik moet erkennen," zeide eindelijk Aylva, "dat ik aan u verplichting
heb voor de edelmoedige wijze, waarop gij mijn dienaar zijt
bijgesprongen. Gij hebt u als een waren Fries betoond, zoo niet als
iemand, die met een gewichtige zending is belast. Wel is waar, gij
hebt een weinig onvoorzichtig gehandeld, door u tegen de overmacht,
en, wat meer zegt, tegen de overheid te verzetten, maar wie zou een
zoodanige onvoorzichtigheid niet gaarne verschoonen? Bedaardheid en
kalm overleg van jeugdig bloed te wachten, ware even ongerijmd als
dat men den zoeten smaak van den room in een hoorn vol hoppebier
wilde zoeken. Ik ben ook jong geweest en zou waarschijnlijk niet
anders hebben gehandeld dan gij.... alleen spijt het mij, dat gij
die Ridders, die u ontzet hebben, niet op ons maal genoodigd hebt."

"Dat zij in Friesland komen!" riep Adeelen uit, met kracht zijn
drinkhoorn opvattende: "komen zij als vrienden, Adeelastins [4]
staat voor hen open: komen zij als vijanden, ik zal hun den trots,
die hen bezielt, verleeren."

"Hoe!" zeide Aylva, hem met verbaasdheid aanziende: "de dienst, dien
zij u bewezen, schijnt weinig dankbaarheid bij u te hebben verwekt."

"Ik haat hen dubbel!" zeide Adeelen, "om dien dienst zelven. Wat
kon mij erger overkomen, bij de eeuwige veete, die ik tegen alle
Hollanders voede, dan weldaden van hen te genieten?"

"Indien u dusdanige gevoelens bezielen," zeide Aylva, op een scherpen
toon, die hem anders niet eigen was, "dan verwondert het mij, dat
gij een zending op u hebt genomen, die geheel van een vredelievenden
aard is: althans zoo beschouw ik die en ook, geloof ik, de eerwaarde
Vader Volkert."

"Voorzeker," zeide de Abt: "onze zending is geheel vredelievend!"

"Het betaamt mij niet, uwe bedoelingen te beoordeelen," zeide Adeelen:
"wat mij betreft, ik weet wat mijn lastgevers van mij verwachten;--maar
hoe dit ook zij, ik vertrouw, gij zult nimmer van mij vergen, dat
ik het ontzag, aan Afgevaardigden verschuldigd, in mijn persoon zal
laten hoonen: en dat een ernstig vertoog, door ons drieën bij den
Graaf ingeleverd, mij recht zal verschaffen van de schelmen, die mij
zoo onbeschaamd hebben aangerand."

"'t Is zeker," merkte vader Volkert aan, "dat onze waardigheid
dergelijke onbetamelijkheid niet dulden kan; maar onze zending is
vredelievend, gelijk ik gezegd heb: en daar blijf ik bij."

"Zoudt gij dan begeeren," vroeg Aylva, zich met eenige bevreemding
tot Adeelen wendende, "dat de Graaf om uwentwille die dorpers liet
opknoopen? Ware een dergelijke wraak een Edelman als gij zijt niet
onwaardig?"

"Gij hebt gelijk," antwoordde Adeelen: "en ik verlang ook geenszins,
dat er om mij te gelieven eenig boer of burger tot spijs der raven
verstrekke;--doch het zijn voornamelijk de poorters van Haarlem,
die mij beleedigd hebben; en hun stad moet voor hen instaan. Laat
een bezending uit de Overheden mij om verschooning komen vragen,
en ik zal de zaak als afgedaan beschouwen; doch ontvang ik geen
genoegdoening, zoo verklaar ik onze zending afgeloopen, en vertrek
morgen weer naar Friesland."

Niettegenstaande zijn ontevredenheid over den dwazen eisch van Adeelen,
kon Aylva den glimlach niet terughouden, welken diens buitensporige
taal hem afperste: zijn gelaat nam echter spoedig weder een ernstiger
plooi: maar gevoelende, dat hij, door Adeelen tegen te spreken,
slechts olie in het vuur zoude gieten, hernam hij op een minzamen toon:

"Ik dacht, gij hadt ons verhaald, dat de zaak door tusschenkomst van
's Graven edellieden was bijgelegd en dat gij over en weder vrede
beloofd hadt."

"Ik weet wat ik beloofd heb," zeide Adeelen met trotschheid, "en
zal het ook nakomen; maar ik heb niet beloofd, geene genoegdoening
te zullen eischen. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan, mijne Heeren! en
gij ook, Vader Syard! ik zal u verzoeken, een vertoog in den zin als
ik het bedoel op het papier te stellen."

Dit zeggende, keek hij den monnik aan, die hem van zijn kant insgelijks
aanstaarde met een strakken blik, die zoowel bevreemding als ongenoegen
teekende.

"Hebt gij mij niet begrepen?" hernam Adeelen, bij wien die wijze van
aanzien eenigen wrevel verwekte.

"Ik wacht," antwoordde de monnik, "dat de eerwaarde vader Abt en de
Olderman mij mede hun wil doen verstaan."

"Recht zoo!" zeide vader Volkert: "ziedaar juist wat ik wilde gaan
zeggen. Seerp Van Adeelen is niet alléén afgevaardigd, en mij dunkt
dat wij, in een zaak van dat gewicht, niet naar zijne pijpen behoeven
te dansen, om mij van een wereldsche uitdrukking te bedienen. Wat
dunkt er den waardigen Olderman van?"

"Ik heb er niets bij te voegen," zeide Aylva, "dan alleen dit, dat,
zoo Seerp Van Adeelen zich beleedigd acht, niets hem belet, zich bij
den Graaf te beklagen, mits hij dit in zijn eigen naam en niet als
Afgevaardigde van Friesland doe."

"En het is op deze wijze," riep Adeelen uit, terwijl hij de
van gramschap vonkelende oogen van den eenen op den anderen liet
rondgaan, "dat gij de eer van onzen landaard ophoudt? een landsman,
een mede-afgevaardigde laat gij straffeloos hoonen en weigert gij
uwe medehulp, wanneer hij vergoeding eischt. Vervloekt zij de dag,
toen mijn landsluiden hunne keus op mij lieten vallen! vervloekt het
uur, dat ik mij die liet welgevallen! vervloekt de heele zending,
waarvan ik mij nooit iets dan rouw voorspeld heb."

"Bedaar Adeelen!" zeide de Olderman, "en bedenk u tweemalen, eer gij
om een bijzondere zaak die van Friesland in de weegschaal stelt. Noch
de hoon u aangedaan, noch uwe jonge jaren, zouden u tot verschooning
kunnen strekken, indien gij in dit geval meer gehoor gaaft aan uw
drift dan aan het belang uwer landslieden."

"Mijn jonge jaren!" herhaalde Adeelen: "zoo spreekt men altijd!--Men
is altijd te jong of te oud. Ik heb toch de drie kruisen achter den
rug en ben toch geen kind meer, al hebt gijlieden wat langer in de
wereld rondgetuimeld. En gij moest niet vergeten, dat de stem mijner
landgenooten mij gelijke rechten heeft toegekend als aan u: en dat,
wanneer ik spreek, ik het in hunnen naam doe."

"En gelooft gij dan," zeide Aylva, terwijl zijn oogen getuigden van de
edele verontwaardiging, die hem bezielde: "gelooft gij, dat ik minder
dan gij ons Vaderland en onze eer bemin? Neen, indien ik de dwaasheden
wensch te voorkomen, waartoe een kwalijk begrepen eerzucht u aanspoort,
het is omdat ik sidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland
kunnen teweegbrengen. Ik weet, dat gij er u niet over bekommert, of uw
beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gij zelfs niets wenschelijker
zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens,
dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere
wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te
brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten."

"Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de
moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?" zeide Adeelen.

Aylva haalde zuchtend de schouders op: "ik zie, waarde Seerp!" zeide
hij: "dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid
heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig
onderwerp bepraat:--wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij
kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te
voldoen. Vaarwel!"

Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer:
een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig
lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn halsstarrigen ambtgenoot
te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard.

Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen,
den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel
neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig
gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen
met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met
fonkelende oogen aan.

"Ik achtte u een echten Fries, monnik!" zeide hij.

"Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet," zeide vader Syard,
"waarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben."

"Gij," vervolgde Adeelen, "gij, die mij aanspoordet vrede te maken met
den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zou maken van
onze verdeeldheden! gij, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers
te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen
vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet
nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen."

"Gelooft gij dan," zeide de monnik, "dat uwe mede-afgevaardigden
dat vertoog zouden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op
een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft,
bedriegt gij u zelven. Of waant gij in staat te zijn, alleen met uwe
bloedvrienden en volgeren, de Hollandsche macht te weerstaan?"

"Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard
ontbloot!"

"Dat valt nog te betwijfelen," hernam vader Syard: "doch zeker is het,
dat noch de Camminga's, noch de Martena's, noch de Beyma's, noch een
der vrienden van Aylva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen,
dat het niet de zaak van Friesland, maar den bijzonderen wrok van Seerp
Van Adeelen geldt. En wat zal dan het gevolg van uwe oploopendheid
wezen? Niets anders, dan dat Graaf Willem u in ketens slaat, uwe
goederen verbeurd verklaart, en gelijk Koning Rehabeam weleer, in stede
van touwen, schorpioenen gebruikt om er Friesland mede te geeselen."

"Wij zullen ons in dat geval reeds van nu af aan het juk moeten
gewennen; want èn uw nietige Abt, èn de gedienstige Olderman zijn even
geneigd, blindelings al de vorderingen des dwingelands toe te staan,
mits zij slechts den lieven vrede behouden."

"Er zal onmisbaar oorlog komen," zeide de monnik: "doch gij zijt
de man niet, die hem verwekken moet. De vreedzame Aylva zelf zal
zich eenmaal genoodzaakt zien, zijne landgenooten ten strijde op te
roepen. Wees tot zoolang bedaard: een te onberaden driftbetoon van uwe
zijde kan alles bederven. Beloof mij, om, eer drie dagen verloopen
zijn, niet daaraan toe te geven: alsdan zal ik u mijne inzichten en
verwachtingen mededeelen."

"De inzichten en verwachtingen van vader Syard!" zeide Adeelen,
terwijl hij den monnik met een spottenden glimlach van 't hoofd tot
de voeten bekeek.

"Een kleine worm doorknaagt soms een paal, dien een groote stier
vergeefs poogt omver te stooten, en de verachte monnik zal wellicht
verrichten, wat Seerp Van Adeelen en geheel zijn luisterrijk gezin
nimmer kunnen volvoeren. Doch ga en kleed u: men moet geene Graven
van Holland laten wachten."

Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en verliet het vertrek. De
Edelman oogde hem een poos vol verbazing na, en begaf zich vervolgens
naar zijn kamer, gedurig nadenkende over de vreemde uitdrukking,
die de monnik gebezigd had, en over den onverklaarbaren invloed,
welken deze over hem uitoefende.





VIJFDE HOOFDSTUK.


                De schoon-geveêrde Paauw aanhoorde met begeeren
                Het Nachtegaelken in de wilgen quinkeleeren,
                En werd byna verlieft op 't lieffelyck gezanck
                En 't goddelyck musyck, dat uyt de tacken klanck.

                                            Vondel. Warande der dieren.


Ruim een half uur nadat het in het vorige Hoofdstuk vermelde onderhoud
was afgeloopen, wekte een herhaald geklop aan de poort de aandacht van
Feiko, die zich toevallig op het binnenplein bevond. Hij ging terstond
opendoen en herkende de beide Ridders, die hem des morgens uit den
nood hadden geholpen:--"Zijt welkom!" riep hij met een verheugde
stem. "Ik had niet durven hopen u zoo spoedig terug te zien."

"Bevinden uw meesters zich nog te huis?" vroeg Deodaat, zonder af
te stijgen: "ga hun zeggen, dat wij hier zijn om hen naar 's Graven
jachthuis te geleiden."

"Ik ga terstond de boodschap doen: hunne Edellieden zullen in
een ommezien gereed zijn. Hier, Sikko! Hidde! luiaards! waar zijt
gij? Brengt de paarden van die beide Edellieden op stal. Gaat binnen,
mijne Heeren! gaat binnen!"

"Wij kunnen evenzoo goed in den boomgaard wachten," zeide Deodaat,
terwijl hij de teugels van zijn ros eenen dienaar in handen gaf; en,
den arm van zijn vriend nemende, wandelde hij den hof in.

"Ziedaar ons den geheelen dag in touw, ten gerieve van dat Friesche
gespuis," zeide Reinout op gemelijken toon: "de Graaf had de uitvoering
van dezen lastpost ook wel aan anderen kunnen opdragen."

"Het is niemands schuld dan de uwe," zeide Deodaat: "wat behoefdet
gij onze ontmoeting van hedenmorgen op het jachtslot te verhalen? De
Graaf heeft ons gezonden, omdat hij begreep, dat wij, wegens den
bewezen dienst, den Friezen de meest welkome geleiders zouden wezen."

"Vlei u daarmede!--Gij zult zien hoe vriendelijk die Adeelen ons zal
aanzien.... ik zou voorwaar lust hebben hem een poets te spelen: ik
geloof dat ik den kokeler, dien de Gravin voor hedenavond ontboden
heeft, eenige grooten in de hand stop om hem te betrekken."

"Denk, hoe de Graaf dat op zou nemen; doch van dien kokeler gesproken,
ik ben verlangend te weten of hij behendiger zal wezen dan Paolo. Heugt
het u, hoe die ons, toen wij kinderen waren, met zijn kunsten wist
te vermaken?"

"Wij waren toen kinderen, en met weinig tevreden:--ik hield niet van
dien Paolo: hij sloeg mij altijd."

"Ja, omdat gij hem altijd tot overlast waart;--maar of onze heeren
nog niet gereed zijn!"

"Indien zij niet spoedig komen, rijd ik weer heen," zeide Reinout.

"Dwaas!" zeide Deodaat: "zij wisten immers niet, dat wij komen
zouden, en 't verwondert mij niet, dat zij lang werk hebben, althans
Adeelen, wiens gescheurde hozen waarschijnlijk naar den snijder
zijn. Intusschen verlang ik naar hun komst; want deze moesbedden zijn
spoedig rondgewandeld en uw gezelschap is alles behalve opbeurend,
in de aangename stemming, waarin gij u bevindt."

"Stil!" zeide Reinout, hem haastig in den arm grijpende: "luister!"

"Ik hoor niets," zeide Deodaat.

"Spreek zacht. Was het geen citer, die daar gestemd werd?"

"Een citer? Zou het lieve meisje van hedenmorgen ons een serenade
geven, ten einde ons het wachten wat te verzoeten?"

"Bij onze lieve Vrouwe! men herhaalt het geluid! Dezen hoek om! hier
komt het vandaan."

Deodaat volgde zijn vriend, en, de kerk omloopende, welke midden
tusschen de andere gebouwen in den boomgaard vooruitsprong,
bevonden zich de beide Ridders voor een klein afzonderlijk huisje,
dat met slechts één, vrij hoog geplaatst raam voorzien was, uit welk
raam de tonen herklonken, die hun ooren hadden getroffen. Aandachtig
luisterden zij; maar hun verwondering klom hooger, toen zij bespeurden,
dat die accoorden slechts het voorspel waren van een lied, hetwelk nu
door een zuivere, smaakvolle stem werd aangeheven. De woorden waren
Friesch en ongeveer van de navolgende beteekenis:


                        Zegt mij, vriendinnen!
                            Gij die het weet,
                        Baart ons het minnen
                            Blijdschap of leed?
                    Is liefde aan ons leven
                    Tot vreugde gegeven,
        Of stort ze ons in zorgen en pijnlijk verdriet?--
                        --Ik weet het niet.

                        'k Hoor alle dagen,
                            Vroolijk van zin,
                        Liesken gewagen
                            Van 't heil der min;
                    "Zij voert ons tot zegen
                    Langs bloemrijke wegen.
        't Is hemelsche vreugd, die haar goedheid ons biedt."
                        --Ik weet het niet.

                        Foelkjen daartegen
                            Klaagt zonder end:
                        "Ik heb dien zegen
                            Nimmer gekend.
                    Nooit vond ik die bloemen,
                    Waar minnaars van roemen.
        Ach! dorheid en dorens is al wat men ziet."--
                        --Ik weet het niet.

                        Wat Liesken zeide
                            Had mij verheugd;
                        Maar Foelkjen schreide:
                            Weg was mijn vreugd.
                    Wat moet ik beginnen?
                    Hoe zullen mijn zinnen
        Den twijfel ontgaan, dien heur rede mij liet?--
                        --Ik weet het niet.

                        'k Wil niet verhelen,
                            Of, naar ik gis,
                        Beî mijn gespelen
                            Hebben het mis.
                    Genoegen en smarte
                    Schenkt liefde aan het harte;
        Maar wat weegt nu zwaarder, de vreugde of 't verdriet?--
                        --Ik weet het niet.


Het gezang had reeds een geruimen tijd aangehouden, toen nog
de beide vrienden in aandachtige stilte onbeweeglijk stonden te
luisteren. Intusschen hadden de betooverende tonen, welke zij gehoord
hadden, op beider ziel een verschillenden indruk gemaakt. Het kalm
gemoed van Deodaat gevoelde zich in die weldadige stemming gebracht,
welke goede muziek altijd teweegbrengt op zielen als de zijne. Hij
was met zich zelven en met de wereld tevreden: en hij verlangde,
ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig, zoo zuiver had
gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van
een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden. De
bruisende ziel van Reinout daarentegen, aan wien die hemelsche zang
de melodieën van zijn bekoorlijk vaderland herinnerd had, gevoelde
zich in een andere wereld overgeplaatst; hij verbeeldde zich weder
aan den oever van de Etsch of Anio de zuivere accoorden te hooren,
door de welluidende orgelkelen der Italiaansche schoonen met zulk
een onwederstaanbaar vermogen voortgebracht:--een brandend, weelderig
verlangen bedwelmde zijn zinnen: en hij zou op dat oogenblik de wereld
gegeven hebben om die hemelsche zangen, welke hem te meer bekoorden
naarmate hij de woorden minder verstond, nogmaals te hooren, en de
zangeres, die zijn gloeiende verbeelding met al de bekoorlijkheden
van jeugd en schoonheid versierde, aan zijn kloppend hart te drukken
of stervend van genot aan haar voeten neder te zinken.

"Waarlijk"--zeide eindelijk Deodaat: "het wachten zou mij nooit
vervelen, indien ik altijd op een dergelijke muziek werd onthaald, doch
hoe is het met u? droomt gij? of heeft dat lied u in slaap gemaakt? Gij
zijt beter kenner dan ik; maar mij is het zeer goed bevallen!"

"Zeer goed!" herhaalde Reinout opstuivende: "en gij durft zeggen:
zeer goed!"

"In waarheid," hernam Deodaat: "voor zooverre mij scheen, was de
stem volkomen zuiver en ontbrak het der zangster niet aan gevoel;
misschien zult gij zeggen, dat zij nog eenige leiding behoeft, om....."

"Zeer zuiver!.... geen gebrek aan gevoel!.... Deodaat! gij zijt
de armzaligste, smakelooste aller menschen. Zijt gij een zoon van
Italië? Ik heb er dikwijls aan getwijfeld; doch nu ben ik zeker
van het tegendeel. Kunt gij zoo flauw, zoo afgepast spreken van
de goddelijkste accoorden, die ooit menschenooren troffen. Die
zangster was geen schepsel van klei en water: het was een engel,
een heilige!--Santa Maria!--Zeer zuiver!.... veel gevoel!"

"Nu, wind u zelf maar zoo niet op: ik zal alles gaaf toestemmen,
ofschoon het mij spijten zou, indien die lieve stem aan eenig ander
dan een menschelijk wezen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken
met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder
op mijn gemak;--doch hoe komt zulk een virtuose in 't gezelschap dier
plompe Friezen?--de nachtegaal bij de kikkers?"

"Spreek mij niet van die Friezen.--Hoe kunt gij mijn zoete droomen
door het noemen van zulke onbehaaglijke voorwerpen zoo wreedaardig
verstoren?"

"Om u des te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie
weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige,
flauwoogige, plompe Friesche deernen, waar gij hedenmorgen niets van
wildet hooren."

"Zoo gij een ander waart dan Deodaat," zeide Reinout, half boos en
half lachende, "zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood,
dat gij zoo kwalijk spreekt van iemand, die ik van heden af voor
mijne jonkvrouw verkies."

"Des te beter," zeide Deodaat: "want wij zouden ook geen tijd voor
een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaapje schijnen gedaan
te hebben; althans daar komt er een naar ons toe. In waarheid! die
schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hij
een beschaafd voorkomen heeft."

Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Aylva, die, in een
donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houding
nog beter deed uitkomen, naar hen toetrad.

"Het doet mij leed, edele Ridders!" zeide hij: "dat de onwetendheid,
waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u met een bezoek zou
vereerd worden, oorzaak is geweest dat gij u eenigen tijd zult
verveeld hebben."

"O! wat dat betreft," zeide Deodaat haastig: "wij hebben ons geen
oogenblik verveeld:--gij bezit hier voortreffelijke middelen tot
tijdkorting."--Hier trapte hem Reinout op den voet om hem te doen
zwijgen.

"Ik heb," vervolgde Aylva, "den dienst vernomen, welken gij aan mijn
reisgenoot en aan een mijner dienaars bewezen hebt: en ik bid u,
de betuiging mijner oprechte dankbaarheid aan te nemen. 't Is door
dergelijke hulpbetooningen, dat de wederzijdsche vriendschap tusschen
Hollanders en Friezen meer en meer zal bevestigd worden, en dat onze
taak, welke daarheen leiden moet, aangenaam en gemakkelijk worden zal."

De twee jongelingen zagen elkander aan, als verwonderd over zooveel
minzaamheid en beschaafdheid bij een Fries.

"Maar ik mag u niet langer ophouden," zeide Aylva: "zijt zoo goed
mij naar het binnenplein te volgen, waar mijn mede-afgevaardigden u
reeds verwachten."

De Ridders volgden op deze uitnoodiging den Olderman, doch niet
zonder meermalen om te zien naar het raam, waaruit het lied zich
had doen hooren; evenals scholieren, die een poppenkast niet dan
schoorvoetende verlaten, wanneer het uur van schooltijd slaat.

Vergeefs! niets deed zich aldaar bespeuren en zij moesten voor het
oogenblik de hoop opgeven, om van haar, wier gezang hen verrukt had,
ook het gelaat te leeren kennen.

Op het binnenplein vonden zij den Abt van Sint-Odulf, in een half
geestelijk, half wereldsch gewaad, en niet, zooals de kerkvoogden
in andere landen, op een muilezel, maar op een zwaar, wel doorvoed
Friesch paard gezeten, terwijl Adeelen een prachtigen witten hengst
van reusachtige gestalte onder zich deed huppelen, en een zestal
dienaars, mede te paard, hem omringden. Adeelen en de beide Ridders
groetten elkaar met die gedwongene beleefdheid, welke doorgaans
plaats vindt tusschen den verplichte en den verplichter, wanneer zij
elkander niet lijden mogen. De Abt was daarentegen recht uitbundig
in zijn welkomstgroet: en zich in zegepraal de handen wrijvende,
reed hij Aylva, die inmiddels op een klein bruin blesje gestegen
was, op zijde: "ik had het wel gedacht," fluisterde hij hem in:
"broeder Syard heeft den wenk begrepen, dien ik hem bij het verlaten
der eetzaal gegeven heb: hij is gebleven en heeft Seerp Van Adeelen
tot betere gedachten gestemd."

"Mij dunkt," zeide Aylva, lachend om zich heen ziende, tegen Adeelen:
"dat wij dien sleep van dienaars wel te huis kunnen laten. De weg van
hier tot aan de Vogelesang zal, hoop ik, wel veilig zijn: en al ware
hij het niet, onder uwe bescherming en die van deze waardige Ridders
geloof ik niet, dat wij twee oude lieden iets te vreezen hebben."

Adeelen was op het punt, hem te antwoorden, dat hij voor zich meer
reden tot argwaan dan tot geruststelling zag in het gezelschap van
's Graven dienaars; hij bedwong zich echter en antwoordde op een
koelen toon:

"'t Is zooals het u goeddunkt:--ook dient er wel iemand hier te
blijven om te waken voor hetgene wij te huis laten."

"Gij ziet," fluisterde Deodaat Reinout in, "met welk een zorg zij
hun _harem_ wenschen te bewaren."

Reinout antwoordde niets; doch, zich op de lippen bijtende, zag hij
Adeelen met een verstoorden blik aan.

De dienaars nu, op een viertal na, weggezonden hebbende, begaf de
geheele stoet zich op weg.

"Is het ons veroorloofd," zeide Aylva, onder het voortrijden, "de namen
te vragen der edele Ridders, aan wie wij heden dubbel verplicht zijn?"

"Het smart mij," antwoordde Deodaat, "dat het vermelden daarvan u
weinig bevredigen zal, daar onze namen u waarschijnlijk onbekend in de
ooren zullen klinken. Mijn vriend heet Reinout, ik Deodaat van Verona."

"Verona!" herhaalde Aylva, verbleekende en Deodaat met ingespannen
verwachting aanstarende: "Zijt gij van Verona geboortig?"

"Wij zijn te Bononië opgevoed bij den edelen Carlo della Scala,"
viel Reinout haastig in, een hem altijd onaangenaam onderzoek naar
zijn geboorte willende vermijden.

Aylva zweeg, en een sombere droefgeestigheid verspreidde zich over
zijn wezen. Hij scheen echter nog een vraag te willen doen; maar
Adeelen was hem vooruit.

"Alzoo zijt gij geen Hollanders," zeide hij, met een opgeruimden blik.

"Wij hebben die eer evenmin als gij," antwoordde Reinout op een
scherpen toon.

"Des te beter," hervatte Adeelen, zonder de bedoeling des Ridders te
bemerken: "dan behoef ik met u niet te veinzen; want ik kom er rond
voor uit: ik haat alle Hollanders, en het kost mij moeite, hun eenige
vriendschap te bewijzen."

"Met uw verlof," zeide Deodaat: "wij hebben in dit land gastvrijheid
genoten en mogen in onze tegenwoordigheid geene beschimpingen jegens
zijn bewoners dulden."

"Verschoon mijn vriend," zeide de Abt, haastig tusschen beiden
rijdende, ten einde een twist te voorkomen: "hij heeft de ongelukkige
gewoonte der Friezen nog niet kunnen afleeren, van overluid te zeggen
wat hij denkt."

"Ik hoop, Heer Abt!" merkte Reinout aan, die met deze vergoelijking
weinig tevreden was, en als 't ware verlangde om aan alle woorden der
Friezen een hatelijke uitlegging te geven, "ik hoop, dat gij van ons
het tegendeel niet gelooft."

"_Sono due pazzi_ [5]," fluisterde Deodaat hem in 't oor; echter zoo
zoetjes niet of Aylva had het gehoord.

"_E possibile_," zeide deze: "_ma hanno tutti due il cor ben posto_
[6]."

"Is uwe Edelheid in ons land geweest?" riep Deodaat, verwonderd van
zijn landtaal zoo onverwachts en zoo zuiver te hooren spreken.

"Ik heb er een jaar doorgebracht," antwoordde Aylva, "het gelukkigste
en tevens het rampzaligste mijns levens:--dan, vergeef mij, het
voegt mij op mijnen leeftijd niet, in de tegenwoordigheid van hen,
die opgeruimd en jong zijn, aan treurige herinneringen plaats te
geven. Zoo gij wat gelieft aan te rijden, ben ik daartoe bereid. Het
zoude weinig beleefd zijn, te laat op het lustslot te komen."

Dit voorstel vond algemeene goedkeuring, en men nam nu een vluggen
draf aan. "Reinout!" zeide Deodaat in 't voortrennen tot zijn vriend:
"ik wed al wat gij wilt, dat uw schoone zangeres ook in Italië is
geweest. Wil ik het hem zoo aanstonds eens vragen?"

"Geen woord van haar tegen die Friezen," zeide Reinout: "zoo gij mij
eenigszins vermaak wilt doen. Ik zal u wel eens nader zeggen waarom."

Welhaast bevonden zich nu de ruiters in de breede laan, welke recht op
's Graven jachtslot aanliep. Tot nog toe was het uitzicht meestentijds
beperkt geweest door golvende duintjes, deels met eiken kreupelhout
beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met
de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen,
deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde,--deels
met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op
den wind fladderde,--deels alleen overdekt met krakend mos en geurige
duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend
pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen,
wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoen de omstreken
van Haarlem in den dos der vreugde kleedt.--Maar nu werd dat uitzicht
ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in
de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte,
met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden
voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de
helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of
wetering, die van nabij Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van
welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de
plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed
door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en,
alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde
en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig
vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich,
benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging
vermaken, en 't welk daarom 's _Gravenmade_ [7] heette, welke naam
tot heden nog aan die plek gebleven is.

Ten noorden en ten zuiden paalde deze vlakte aan onafzienbare weiden,
waarop vette runderen graasden, of waar men jeugdige veulens in zag
dartelen; en ten westen aan een heuvelachtigen grond, met schapen
bedekt en door kleine partijen kreupelhout omgeven, terwijl de blanke
toppen der zeeduinen zich daarachter verhieven en den gezichteinder
sloten. Maar, recht voor zich uit, zagen de ruiters het jachthuis,
omringd met eeuwenheugende eiken en beuken, waarvan de eerste door
hun talrijkheid, door den rijkdom en de menigte hunner takken en
twijgen, bijna even weinig doortocht aan de zonnestralen vergunden,
als de breede en dichtgebladerde kruinen der laatstgemelde. Geen oord
ter wereld levert in den voorjaarstijd zulk een verscheidenheid en
menigte op van lieflijk zingende vogels als Holland, en in Holland
is er geene streek, waar zij zich in zulk een aantal ophouden als
aan den duinkant: en welke plek ook op aarde schooner en rijker aan
prachtige of lieflijke tooneelen wezen moge, geen bestaat er, waar
de natuur zich zoo bestendig levendig voordoet. Het was dan ook geen
wonder, dat Floris de Vijfde, toen hij het bevalligst en best gelegen
hoekje gronds, dat in zijn gebied te vinden ware, had uitgezocht om
er een jachtverblijf neer te zetten, geen meer geschikten naam voor
het nieuwgebouwde lusthuis wist uit te denken, dan dien, welken het
bestendig gezang der vogelen, die den omtrek vervroolijkten, hem als
van zelf aan de hand moest doen.

Het jachthuis zelf was eenvoudig en slechts van hout getimmerd, doch
bevatte ruimte genoeg om desnoods een tijdelijke huisvesting aan
den Graaf en aan zijn meest verheven gasten te verschaffen, terwijl
eenige kleinere gebouwen, welke dieper in 't bosch en minder in 't
gezicht gelegen waren, de jagers van minderen rang konden bergen,
en tot stalling dienden voor paarden en honden. Geene gracht noch
muur verdedigde het hoofdgebouw, 't welk dan ook niets aanbood,
dat een vijand in de verzoeking had kunnen brengen om er een aanval
op te beproeven, daar het, als van den weg af gelegen, geen punt
opleverde, dat de moeite waardig was om versterkt te worden, en
bovendien geen anderen buit verschaffen kon dan de weinige meubelen,
waarmede het voorzien was. Op de gewelfde poort prijkte nog altijd
de oude liebaard van Holland: welken de Graven uit het Henegouwsche
huis, zoowel uit hoogachting voor de nagedachtenis des stichters,
als uit inschikkelijkheid voor de dankbare gevoelens, die de naburige
landbewoners jegens hunnen weldoener Floris bleven koesteren, waren
blijven eerbiedigen; maar ook hunne leeuwen vertoonden zich op de
banier, die, als bewijs van 's Graven aanwezigheid, uit een der
kruisramen stak, hoedanige er drie in den voorgevel waren, om wier
bogen kunstig gesnedene bloemfestoenen praalden, en boven welke drie
hertenkoppen de bestemming van het gebouw aankondigden. Vier kleine
torentjes, den vorm hebbende van peperbossen, staken boven het dak uit,
hetwelk eenvoudig met riet gedekt was.

Het was echter niet binnen dit gebouw dat zich de nieuw aankomenden
begaven. Links daarvan, op een vrij uitgestrekt plein, hetwelk met
fraaie ijpeboomen omgeven en door een gevlochten heining tegen alle
inbreuk beveiligd was, oefenden zich eenige wapenknechten, althans dit
geleken zij van verre te zijn, in het schieten met den kruisboog. Een
verlengde maaltijd had hen naar het scheen in eene vroolijke stemming
gebracht, en men kon reeds op zekeren afstand hun uitbundig gelach
en juichen vernemen. In weerwil van het spel, dat hen bezig hield,
hadden zij de aankomende ruiters van verre bespeurd, en een hunner
had uit al zijn macht het perk verlaten, om hen in 't gemoet te
loopen. Hij naderde Deodaat, wisselde zachtjes een paar woorden met
hem, en keerde vervolgens naar zijn makkers terug.

"Deze knaap verzocht mij," zeide Deodaat, zich tot de Friezen wendende,
"u uit te noodigen om hier af te stijgen, en u bij het gezelschap te
voegen, dat ginds met den boog bezig is; gij kunt u aldaar vermaken,
totdat de Graaf van zijn middagslaap ontwaakt en de Gravin van haar
rit terug is."

Tegen dit verzoek was niets in te brengen. De paarden werden aan
de dienaars overgelaten, die hen naar de stallingen brachten, en de
afgestegen ruiters wandelden naar de boogschutters, die, zonder hun
spel voor een oogenblik te staken, zich vergenoegden met den Friezen
een nieuwsgierigen blik toe te werpen, en, voor zooverre zij in de
nabijheid stonden, hen met een korten, doch wellevenden groet te
verwelkomen. Dit onthaal, hoewel zonder plichtpleging, was politiek
en door den Graaf voorgeschreven. Men wilde bij de afgevaardigden
de overtuiging doen ontstaan, dat zij, als goede vrienden en
bekenden, zonder complimenten ontvangen werden, en behandelde hen als
zoodanig. Een enkele der aanwezigen, die het ambt van ceremoniemeester
scheen waar te nemen, kwam uit den drom te voorschijn, en sprak de
afgevaardigden aan: "het heeft den Graaf zeer leed gedaan," zeide
hij, "u hedenmiddag niet ter maaltijd te kunnen hebben; maar het
is hier buiten slecht ingericht tot het geven van gastmalen:--in
't laatst der week hopen wij er hier echter een te geven, waartoe
de voorbereidselen gemaakt worden.--Ik zie, geloof ik, hier den
edelen Aylva," (eene buiging) "den waardigen Abt van Sint-Odulf,"
(eene buiging) "den doorluchten afstammeling van Frieslands koningen,"
(eene buiging). "Zoo gij, mijne Heeren! u, zoolang de Graaf niet hier
is, met ons gezelschap wilt vergenoegen, en een glas echten gekruiden
wijn met ons drinken, zal het ons tot eer strekken. Wij ontvangen u
gul en vrij:--morgen is het de dag der plichtplegingen."

Hij, die deze woorden sprak, was een man van middelbare gestalte, en
naar het scheen tusschen de dertig en veertig jaren oud: zijn houding
was edel en vrij: zijn toon was kortaf, als van iemand die gewoon is
in 't veld bevelen te geven: zijn tongval eenigszins uitheemsch. Zijn
gelaat, door de zon geroost, kondigde iemand aan, die nimmer tochten
of vermoeienissen geschroomd had, en zijn sprekende oogen een fiere
hooghartigheid. Wat zijn kleeding betreft, die was hoogst eenvoudig
en bestond, evenals die van de meeste aanwezigen, uit een groen buis
met mouwen, dat op de dijen afhing, om het midden gesloten en met
bonte randen voorzien was: een kleine kalot, van rood of geel laken,
met een klep van achteren, en van boven met een topje voorzien,
waarvan zij den naam van _toppermuts_ had, bedekte het hoofd tot
over de ooren: een vest en hozen van dezelfde kleur en stoffage,
benevens zwarte tootschoenen, maakten de verdere dracht uit der
aanwezige boogschutters.

"Wij zijn gevoelig aan de beleefdheid, welke men ons bewijst," zeide
Aylva tegen den edelman, die het woord gevoerd had: "een rond en gul
onthaal is ons het aangenaamst: en het zou ons spijten, indien iemand
om onzentwil plichtplegingen maakte."

"Bij Sint-Nicolaas!" zeide Adeelen halfluid tegen den Abt: "men had
ons toch een betere plaats kunnen geven dan onder stalknechten en
jagers, zooals dit volkje schijnt."

"Wat dat betreft," zeide lachende de edelman, die deze aanmerking
gehoord had, "stel u gerust daaromtrent. Gij ziet hier al wat onze
adel luisterrijks bezit: die nu den boog spant is de Heer van Ligny:
naast hem, de Heeren van Walcourt en Antogne: Henegouwen bezit geen
kloeker ridders dan deze drie Baanrotsen: die jongeling met zijn
blonden kroeskop is de Heer van Brederode, en die met hem spreken
zijn twee gebroeders uit den huize Teylingen; die met het deftige
uitzicht is een Haemstede:--allen zijn aan het voormalige stamhuis
vermaagschapt, en getrouwe dienaars van het tegenwoordige."

"En gij zelf," zeide Adeelen, terwijl de vreemdeling voortging met
de namen der aanwezigen op te noemen: "mag men naar uw naam vragen?"

"Ik ben Heer van Treslong in 't Henegouwsche," antwoordde de Ridder,
terwijl een vluchtig rood zijn wangen bedekte; "maar komt, mijne
Heeren! hoe is het? zult gij niet met ons een kans wagen?--Het
smart mij, dat ik op het oogenblik buiten de gelegenheid ben om den
waardigen Abt een gezelschap overeenkomstig zijn stand te bezorgen;
maar al de geestelijke Heeren zijn met de Gravin uit rijden."

"Bekommer u deswege niet," zeide de Abt: "ik zie gaarne een goed
schot."

"Hij zou desnoods nog een boog hanteeren," zeide Adeelen: "ik verzeker
u, Heer van Treslong, naardien dat uw naam is, dat onze Friesche
monniken de strijdkolf en den boog meer in de hand hebben dan het
getijboek en dat, bijaldien ik geen goed kuras gedragen had, mij een
Lidlummer monnik voor mijn tijd naar de eeuwigheid gezonden had."

"Inderdaad!" zeide Treslong: "en heeft die twist gevolgen gehad?"

"Eenige bebloede koppen.--Wij hebben vrede gemaakt en den zoen met een
deftigen maaltijd gevierd, waar wij alle veete hebben af gedronken."

"Van drinken gesproken.--Ik zou bijna vergeten u het welkom te
brengen.--Herman! hier! vul ons een verschen nap."

De schenker, tot wien dit bevel gericht was, had bij zich op een houten
stelling een fiksch vaatje staan met net geschuurde zilveren randen
en een kraan van 't zelfde metaal. Drinkschalen van onderscheiden
vorm en soort waren daarnevens: en die gevuld hebbende, bood hij ze
Treslong en den Friezen aan.

"Ziethier den echten drank van 't land," zeide Treslong, "waarvoor
ik hypocras en malvezij laat staan, mits hij slechts naar den eisch
bereid worde. Gelooft mij, mijne Heeren! deze is volgens het echte
recept: zuivere Lotterwijn, gelijk onze neef.... ik meen gelijk de
Graaf.... de Hertog van Gelder, wil ik zeggen, dien niet drinkt."

Hier zweeg hij, eenigszins verward, terwijl Aylva hem opmerkzaam
aanzag.

"Ik heb nooit beter drank geproefd," zeide de Abt, de drinkschaal
met welgevallen ledigende.

"'t Smaakt wel!" zeide Adeelen: "doch ik voor mij zou een teug
_swietendrank_ blijven verkiezen."

De omstanders, voor zooverre zij dit hoorden, zagen Adeelen met
verbaasdheid aan, niet wetende wat hij door _swietendrank_ bedoelde:
maar de Abt redde hen uit de onzekerheid, door de mededeeling,
dat het een Friesche drank was, uit gedroogde rozijnen getrokken;
op het vernemen waarvan de meeste edellieden de schouders ophaalden
en Adeelen medelijdend aanzagen.

Treslong en de beide Friesche edelen namen nu mede deel aan het spel:
Aylva gaf weldra blijk, dat hij de oefeningen zijner jeugd onderhouden,
althans niet verleerd had, daar hij de schijf nooit miste. Tot zijn
bevreemding zag hij, dat de meesten der aanwezigen vrij slecht schoten
en nooit het middelpunt zoo nabij kwamen als de Heer van Treslong.

"Waarachtig!" fluisterde hem Adeelen in: "zoo dat volk niet beter
weet te mikken, zal er nooit eer in steken om met hen slaags te raken."

Meer en meer begonnen de gemoederen door drank en spel verhit te
worden, toen er een twijfelachtig schot plaats vond, waardoor de goede
harmonie, die tot nog toe geheerscht had, gevaar liep van verbroken te
worden. Adeelen had namelijk de schijf herhaalde reizen in de middelste
kringen geraakt en dacht reeds zeker van den prijs te zijn, toen de
Heer van Treslong zoo juist aanlegde, dat hij zijn pijl volkomen in
het middelpunt dreef. Straks ontstond er een uitbundig gejuich, en de
Heer van Spangen, die den inzet bewaarde, was reeds gereed dien aan
den winnaar ter hand te stellen, toen Adeelen tusschenbeide trad,
en beweerde dat het schot niet gelden mocht, aangezien Treslong,
toen hij afschoot, niet op den behoorlijken afstand was blijven
staan, maar een stap voorwaarts gedaan had. Uit éénen mond spraken
de aanwezige edelen den Fries tegen, die, verontwaardigd dat men,
zoo hij 't noemde, de waarheid zoo onbeschaamd dorst loochenen, zijn
handschoen uittrok en dien op het zand wierp, tevens zwerende, zijn
gezegde te zullen goedmaken tegen al, wie een kamp met hem dorst wagen.

Vlugger dan een patrijshond, die op het gevelde wild aanschiet, was
Reinout, die met Deodaat en eenige Ridders van minderen rang op een
afstand was blijven staan, dadelijk naar het ridderpand toegesprongen
en reeds strekte hij de hand uit om het op te vatten, toen Treslong
met een donderende stem uitriep: "terug!"--Terstond trad de jongeling
verlegen achteruit en er ontstond een algemeene stilte.

"De Friesche edelman heeft gelijk," zeide Treslong: "ik ben
onwillekeurig een stap vooruitgegaan: ik zou echter de verschooning
kunnen bijbrengen, dat hij zijn aanmerking had behooren te doen vóór,
of op het oogenblik dat ik mijn pijl afschoot; maar daarvan wil ik
geen gebruik maken. Ik sta hem den prijs af."

"Gij zijt bij God de eenige ronde kerel, dien ik hier ontmoet heb,"
zeide Adeelen, naar hem toegaande en hem de hand toestekende,
die Treslong al lachende schudde; de overige edellieden, over de
uitdrukking van den Fries gebelgd, zagen bleek of rood van gramschap
en meer dan een sloeg de hand aan zijn dolk.

"Met uw verlof," zeide de Heer van Brederode tegen Treslong, "is het
uwe bedoeling, dat wij ons hier straffeloos door dien vreemdeling
laten beleedigen?"

"Ik ken hier geen vreemdeling, mijn Heer!" zeide Treslong; "ik houde
al de aanwezigen voor getrouwe vazallen van Graaf Willem, en het is
mijn ernstig verzoek, dat de zaak hierbij blijve en dat alle ongenoegen
met den beker worde afgewisseld."

Aylva zag nogmaals den Heer van Treslong zijdelings aan; maar zijn
verwondering over den hoogen toon, welken deze voerde, was geweken. Hij
trad een weinig terug, en Adeelen ter zijde trekkende, fluisterde
hij hem ongemerkt in 't oor: "bedwing u zooveel mogelijk: ieder is
hier niet wat hij verbeeldt te zijn, of ik bedrieg mij grootelijks."

Nauwelijks was de eensgezindheid, ten minste schijnbaar, teruggekeerd,
of een daverend hoefgetrappel liet zich aan den boschkant hooren
en een schitterende stoet van edele Heeren en Vrouwen kwam een der
zijlanen uitgereden. Nabij het perk stapten zij af, om zich bij het
gezelschap te vervoegen, dat aldaar vereenigd was. Een schoone vrouw,
in sierlijk rijgewaad gekleed, en welke men, zoo aan haar uiterlijke,
als aan de eer, welke men haar bewees, voor de Gravin van Holland
herkende, trad vooruit, aan de hand van een edelman van ruim vijftig
jaren, wiens deftig mannelijk voorkomen wel geschikt was om ontzag
en eerbied in te boezemen.

Treslong ging hen te gemoet en wisselde eenige woorden met hen,
welke door de Gravin met koele deftigheid en door haar geleider met
een bedenkelijk hoofdschudden werden aangehoord.

Aylva had insgelijks een schrede vooruit gedaan, toen hij in den nieuw
aangekomen edelman den Heer van Beaumont herkende, met welken hij voor
vijf en twintig jaren meer dan één wapentocht gedaan had. Hij bleef
echter staan, in afwachting of deze hem insgelijks herkennen zoude.

"Gelijk ik u gezegd heb, Mevrouw!" zeide Treslong overluid tot de
Gravin: "het is nog onzeker of de Graaf heden wel verschijnen zal,
nu hij zoo met die verwenschte schele hoofdpijn geplaagd is. Mag
ik intusschen aan u, gelijk aan den Heer van Beaumont, de edele
Afgevaardigden van Friesland voorstellen?"

De Gravin beantwoordde met eene koude beleefdheid den groet der
Friezen, en had zelfs moeite om eene kleine opwelling van wrevel en
ongeduld te bedwingen, toen haar de goede Abt welwillend aanraadde
zijn middel van vitriool en dun bier tegen 's Graven hoofdpijn te
beproeven;--maar Beaumont, die Aylva terstond herkende, trad naar
hem toe en drukte hem hartelijk de hand.

"'t Is lang geleden, dat wij elkander laatst ontmoet hebben," zeide
hij, "en het verheugt mij hartelijk iemand te vinden, met wien ik
nog over den ouden tijd kan praten. Ware ik niet, ten einde mijn
reputatie als galant Ridder op te houden, verplicht geweest de dames
op haar rijtochtje te vergezellen, ik zoude wel hier gebleven zijn
om u vroeger te ontvangen. Ik zie met vreugde, dat gij onze oude
krijgstochten nog niet vergeten zijt. Althans de keten, die u mijn
broeder vereerde, en waarvan hij mij goedwillig een gelijke aanbood,
hangt nog ter herinnering aan uw hals.--Mij dunkt," vervolgde hij,
met een ontevreden blik omziende, en Aylva ter zijde trekkende:
"die ontvangst is niet geweest gelijk ze behoorde."

"Het onthaal was gul en vroolijk," antwoordde Aylva: "en men moet der
jeugd zoowat toegeven;--doch wanneer men denkt een ouden gediende,
als ik ben, beet te hebben, bedriegt men zich."

"De grap was niet oorspronkelijk tegen u gericht," zeide Beaumont:--"en
ik kan u betuigen, dat er geen opzet tot beleedigen bestaat."

Intusschen hadden de Gravin en hare Edelvrouwen meerendeels op
aangebrachte vouwstoelen, schabellen of tuinbanken plaats genomen,
en zich met de Edellieden aan onderscheidene in zwang zijnde spelen
gezet. Adeelen, die weinig van die spelen verstond, vergenoegde zich
met den in zijn oog zoo vreemden en zonderlingen tooi der jonkvrouwen
aan te gapen, nu en dan, zonder te wachten tot men hem bediende, zijn
beker aan het wijnvaatje te vullen, (een ongemanierdheid, waarover
ieder groote oogen opzette, en welke aan verscheidene dames deed
vragen, wie toch die kaalgeschoren wildeman ware), en somtijds hard
te geeuwen, waaraan niemand zich ergerde. Wat den goeden Abt betrof,
hij was wel aan de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier en aan
andere hooge prelaten voorgesteld; doch deze machtige rijksvorsten
achtten het te veel beneden zich, met den kerkvoogd van Sint-Odulf in
gesprek te treden; die zich dan ook genoodzaakt zag, zijne toevlucht
te nemen tot het spelen van de rol van opmerker en tot het heerlijke
vocht, dat hem echter spaarzamer werd toebedeeld dan hij wel verlangde.

Nadat men eenigen tijd op deze wijze had doorgebracht en zich
ondertusschen met kruidkoeken en andere lichte spijzen had verkwikt,
wezen plotseling verscheidene vingers onder een vroolijk gelach naar
de oprijlaan, waarheen zich dadelijk aller oogen wendden. Niemand was
er bijna, die zijn vroolijkheid bedwingen kon bij het zien der twee
zonderlinge personen, die van verre kwamen opdagen. De een was niemand
anders dan de beroemde meester Barbanera, op een paard gezeten, zoo
mager als hij zelf, hetwelk moeite genoeg had om door het zand voort
te komen op drie pooten, welke den schijn hadden of zij elk van een
afzonderlijk paard genomen waren, zoo weinig evenredigheid hadden
zij onderling: terwijl een vierde poot in trage luiheid achteraan
sleepte. De andere persoon was de hansworst, die een grauwen ezel
bereed, welke, behalve met hem, nog belast was met een houten kast,
waarboven Cezar in alle baviaansche deftigheid te pronk zat.

Nauwelijks had de Gravin hen opgemerkt, of de koele onverschilligheid,
waarmede zij tot nog toe in spel en onderhoud gedeeld had, maakte
plaats voor een schier kinderachtige blijdschap: en terstond gelastte
zij, dat men die beide kwanten, tot wier ontbieding zij zelve last
had gegeven, in hare tegenwoordigheid zou geleiden.





ZESDE HOOFDSTUK.


            Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessen
            Gaen dieper in gespoock als alle toveressen.
            Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunst
            Eens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.

                                               Cats. Spoock-liefde.


Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog
wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders,
meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote
Heeren werden ontboden: en noch _l'Incomparabile_ noch zijn hansworst,
noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door
een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk
gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu
ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een
wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet
te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem
zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden,
welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten,
daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.

Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst,
na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de
schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere
vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde
Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om
in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer
aller soldaten gebracht te worden.

"Een fraaie aanspraak!" zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de
Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: "jammer maar, dat ik
die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden
aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels."

"Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu
reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar
dagen geworden zij," antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke
kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist,
dat door haren gemaal geweigerd zou worden.

Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg
ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene
goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te
bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas
in den vergelijkenden, en aan den aap in den overtreffenden trap
geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming
hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd
geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld
werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid,
welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril
zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten,
dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne
behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon
deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat
meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte
gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren,
met verbazing vervuld had, en dat zij in 't geheim vurig verlangde,
eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone
kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd,
verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel
uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen
om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die
bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog
meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans
gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs
om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter
werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke
Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school,
dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had.

"Daar in dien zak," was het antwoord, "zit het wonderbare glas,
waarin mijn meester de toekomst leest."

"Ei! de toekomst!--en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?"

"Bij Sint-Julfus," zeide de nar: "ik heb dagwerk om den menschen de
dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die
behoef bij te voegen, welke zij zullen doen."

"Een goed antwoord," zeide Treslong; "maar zoo het Mevrouw behaagt,
zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen."

"Mijn vermaarde meester," zeide de hansworst, "zou het uit eigen
beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen
wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft
heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal
daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid
aan een iegelijk van zal blijken."

"Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen," zeide
de Heer van Teylingen: "welke zijn uw voorwaarden?"

"De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de
Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide."

"Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt," zeide Treslong
lachende: "zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig
te geven?"

"Het zij zoo!" zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig:
tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij
zulks bekennen moest.

"Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte,
noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo
altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min
aangenaam in de ooren klonk."

Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de
Gravin vragende aan.

"Deze bede is hoogst billijk," zeide de Gravin: "en ik verwacht,
dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal."

"Wat de derde betreft," vervolgde de dwaas, een koddige buiging
makende, "zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap
indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op
eene hoogere belooning aanspraak mag maken."

De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk
ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp
van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de
tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte,
vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij
uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in,
waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge
werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich
op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten,
ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur
en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel
had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos
eenige vragen aan zijn meester kon doen.

Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke
gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder
de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren.

"Mevrouw!" riep eindelijk Treslong: "indien uwe Genade het voorbeeld
niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel
te raadplegen."

"Wat zou ons lot ons kunnen schelen," zeide de Aartsbisschop
van Keulen, "indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw
gerustgesteld waren."

"Hoe, Hoogwaardigste!" zeide zij glimlachende, "gij, die een Prelaat
zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?"

"'t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen," hervatte de Dignitaris:
"ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit."

"Welaan dan," zeide zij: "hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij
ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren,
dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia
van Naaldwijk: wij vrouwen," vervolgde zij met een vroolijken
lach, "vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel
bijstanders."

Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de
twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij
de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig
zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van
het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar
het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in
het vocht blies.

Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar
voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken
angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen
en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de
Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart
geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen
of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als
een doek.

De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering
der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong
deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte,
dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en
alles zich in het glas voordeed als te voren.

Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede
terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in 't oor:


    "Sombres jours bientôt viendront:
    Haults Seigneurs trépasseront;
    Paix et lesse jâ suivront:
    Lis et roses fleuriront." [8]


Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een
spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen.

"Het slot vergoedt het begin," zeide zij zuchtend: "ik verlang verder
niets te weten. Mejuffers!" vervolgde zij tot de haar omringende dames,
zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:--"ik raad geene van u allen
aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel
voor vrouwen."

"Het zal derhalve onze beurt worden," zeide 's Graven vertrouweling,
de Heer van Naaldwijk: "wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand
de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!" vervolgde hij, "een
stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven
is toegedacht?"

De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de
Ridder het in 't water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed
veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep:


    "Arc est tendu et flêche preste,
    Qui bientot férira ta teste." [9]


"Het zij zoo!" hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek,
de beteekenis dier woorden had doen kennen: "ik zal dan voor 't minst
een krijgsmansdood sterven."

"Zal mijn lot even voorspoedig wezen?" vroeg de Heer van Spangen,
terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood.

Ook hij zag dezelfde bloedkleur.--"Hou thans uw Fransch maar voor u,"
zeide hij: "ik heb aan dat teeken genoeg."

"Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig," zeide Walcourt:
"zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal," en, den staf met een
vaste hand aangrijpende, stak hij dien in 't vocht.

Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende
gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel
zweemde, zeide hij:


    "De vilain ignoble fléau
    Vous occira sur le préau." [10]


Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een
onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken,
hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten
overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij
innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met
een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken,
zijn voorspelling overdenken.

"En gij, mijn Heer van Beaumont!" riep Naaldwijk dezen Edelman toe,
die met Aylva stond te praten: "zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot
te vernemen?"

"Ik zie niet," antwoordde Beaumont, "dat de wetenschap, die gij allen
hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd."

"Komaan! Komaan! laat u overhalen!" klonken verscheidene stemmen:
"het is immers slechts een spel."

"Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan," zeide Beaumont:
"zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren
deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen
zal plaats hebben."


    "En tout temps te gardera Dieu
    D'eau, de fer, de bois et de feu." [11]


was het antwoord des waarzeggers.

"Waarlijk! gij meent het wel met mij," zeide Beaumont lachende, "en
hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva,
het is uwe beurt."

"Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?" zeide deze tot den profeet.

Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte
de omstanders terug te treden.

"Hoe nu!" zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende,
"mag niemand het antwoord hooren?"

"_Ricordatevi_ di Bianca di Salerno," [12] fluisterde hem de waarzegger
in 't oor.

"_Madre di Dio_!" riep Aylva sidderend uit.

Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren;
waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet:


    "Il cane la brebis mangea,
    Mais l'agnel tôt reviendra." [13]


"Mensch!" zeide Aylva: "van wien hebt gij deze dingen?"

Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. "Elk zijn beurt, vriend
Aylva!" zeide hij: "kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog
lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik
toch niet versta."

Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de
bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje:


    "Waert up de fruntering!
    De Viant ist da." [14]


"Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen," zeide Adeelen,
terwijl hij vergenoegd aftrok.

"Zal ik goede tijding uit Verona hebben?" vroeg Deodaat, aan wien
Reinout deze vraag had geopperd.--Het antwoord was:


    "Nouvelles qui vous parviendront,
    Joies et douleurs vous causeront." [15]


"Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven,"
zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de
schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had,
en bekwam het navolgend orakel:


    "De Sirènes le chant plaira;
    Mais male mort s'en suivera." [16]


"En gij, eerwaardige Abt!" vroeg Treslong aan vader Volkert: "wilt
gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?"

"Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken
houde," antwoordde de Abt, "wil ik echter, uit achting voor het
aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer
geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van
mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het
tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken
van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem
verschuldigd zijn?"

Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde:


    "Souvent qui porte mître
    d'Abbé n'a que le titre." [17]


"Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!" zeide vader Volkert: "zooals
zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere:
want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, 't geen men niet van alle
conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan
van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen."

"Kent gij den Bisschop van Utrecht?" vroeg Beaumont.

"Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een
schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd
worden:--hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis
naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft
rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij,
mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan
raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest."

De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam
hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien
in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de
onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met
smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder.

"Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?" vroeg Treslong.

"_Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!_" riep Barbanera als in
doodsangst uit: "_ma non posso dir_ [18]...."

"Gij kent mij!" zeide de Graaf; want het was Willem IV zelf, die
gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen
aan 't spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had
volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens
om den toovenaar te misleiden:--"Welnu! wat zegt uw orakel?"

Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder,
kruiste zijn armen en mompelde toen:

_"Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria_ [19]."

"Ellendige!" riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf
met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers
woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat
de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij Willem IV als kind ten
doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal
door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de
Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans,
dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan,
op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na,
een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken.

Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen
ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: "Heer
Graaf!" zeide hij: "vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had,
zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had
uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het
voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal,
door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u
te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen
beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen
hebben."

"En ik waarborg u," voegde Beaumont er bij, "dat uwe Genade geen
waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva,
althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren
was."

"Wij danken u, waardige Aylva," zeide de Graaf, hem bewogen de hand
toereikende: "wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest,
waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op 't naaste aan 't
harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben
gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven
en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen
doorbrengen."

"De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thans uit
zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland,"
zeide Adeelen halfluid tegen den Abt.

"Stil! stil!" voegde hem deze zachtjes toe: "onze vriend is een
wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden
heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan
begroeten."

"Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt," hernam Adeelen:
"o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt
dan dat ik ze hem had toegestoken."

"Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!" zeide de
Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. "Wij hebben
gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden
heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een
der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen
dienst was, zijn afscheid doen geven."

De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en
bleef toen strak voor zich kijken.

"Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven,"
vervolgde Willem: "zult gij die aan den Graaf weigeren?"

Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde,
trad haastig tusschen beiden.

"Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland," zeide hij, "het is
aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt."

"Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong
gegeven," zeide de weerbarstige Fries: "den Grave komt òf de hulde
òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe."

"'t Is genoeg," zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te
luisteren, reeds had omgewend: _"on ne scauroit faire boire un asne
s'il n'a soif [20]."_ "Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring
wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?"

De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk
verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken.

"Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?" vroeg
Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp
van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt.

"Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom
op het achterplein," zeide Naaldwijk.

"Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve," zeide Willem
op een gestrengen toon.

"Mijn edele Heer!" riep de Gravin, hem bij de hand nemende: "zij hebben
mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen."

De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. "Welaan!" zeide hij
vervolgens: "breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligen
wil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten
vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd,
als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan,
Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:--en deel onzen last aan den
Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.--En nu,
mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons."

In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar
Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter,
om den kokeler 's Graven besluit mede te deelen, en volgden toen,
ofschoon op eenigen afstand, den trein.

Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in
't oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf
eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. "Hou
even op," zeide Reinout: "ik krijg daar een inval."

"Deze of gene zottigheid?" zeide Deodaat.

"Neen, in ernst!--Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden
om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan 't harte ligt."

"Wat zijn uwe voornemens?"

"Volg mij, en gij zult die vernemen," antwoordde Reinout, terwijl
hij rechtsaf een weg insloeg.

"Gaat gij verre?" vroeg Deodaat: "ik ben vermoeid en verlang hartelijk
naar mijn bed."

"Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze
paarden zullen laten," antwoordde Reinout.

"En dan?"

"En dan!--maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen
wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken...."

"Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren
onzen buit naar ons paleis te Verona:--is dat uwe bedoeling niet?"

"Niet volkomen!" antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich
zelven: "indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben
ik voldaan."

"Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar
die hemelsche tonen hoorde:--zoo wij eens betrapt worden, terwijl
wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg
opleveren tot een maand bespotting."

"Welnu! laat mij dan alleen gaan," zeide Reinout, wrevelig: "ik geloof
inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is."

"Reinout!" zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: "dat heb
ik niet aan u verdiend!--Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot
het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?"

"Vergeef mij," zeide Reinout: "heb slechts de goedheid mij niet weer
te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert."

Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachters
genaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den
zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een
scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die
thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat
dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders
stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf
zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen
te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken,
zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.





ZEVENDE HOOFDSTUK.


            O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:
            Zij is het.

                                                            Alzire.


Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen
geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf
van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was
ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel,
binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige
konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een
tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes
en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige
meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.

De zon was sedert een geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke
de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had
over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis
verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds
gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den
vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen
de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den
haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al
de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.

Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de
tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters
hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op den schoot
had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen:

"Vrouwtje!" zeide hij: "kunt gij of uw man even buiten komen om onze
paarden vast te houden?"

De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreet van schrik
(want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde,
zich terstond herstellende: "ik ben de vrouw van den boschwachter niet;
maar 't zal nu moeilijk schikken u te helpen."

De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten
tongval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van
verwondering bleef staan: "Vergeef mij," zeide hij vervolgens: "ik
heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij
te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar,
die mij de eer aandoet van mij te antwoorden."

"Aha! zijt gij het?" vroeg een ander lief stemmetje, 't welk aan een
jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren
hoek kwam opdagen.

"Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!" riep Deodaat vroolijk uit,
die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine
gestalte en vluggen lichaamszwaai.

"Wacht!" hernam Sytsken: "ik zal licht opsteken; want de kat alleen
kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?"

"Achter, op den schoorsteenrand," antwoordde, uit de in den donkeren
hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van
des boschwachters huisvrouw herkende.

Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite
de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om
licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het eene aangestokene
strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer
de olie vuur vatte.

"Ik zal zien of ik u helpen kan," zeide Deodaat, toen het meisje
over haar mislukte pogingen onverduldig werd: "de tocht door dien
schoorsteen blaast de vlam uit:" en zich op de eene knie naast haar
nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts
tege

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/19161