Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Verhalen van de Zuidzee

by Jack London · Dutch · Gutenberg #18532 · 334,866 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Verhalen van de Zuidzee
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Verhalen van de Zuidzee

Author: Jack London

Translator: Willem Leo Leclercq


        
Release date: June 7, 2006 [eBook #18532]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/18532

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VERHALEN VAN DE ZUIDZEE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/








					Verhalen van de Zuidzee

					  Uit het Engelsch van

						  Jack London

						 Vertaald door

						  Leo Leclercq




						 Amsterdam 1922

	  Boekhandel en Uitgevers Maatschappij Johannes Müller





INHOUD.


Mapoehi's Huis ...   7
De Walvischtand ...   38
Maoeki ...   52
"Jah! Jah! Jah!" ...   74
De Heiden ...	91
De Vreeselijke Eilanden ...   119
Het Onvermijdelijke Blanke Ras ...   140
Het Nageslacht van McCoy ...   153




	Dit eene zal altijd en altijd blijven:
		Zij hebben geleefd en de kansen aanvaard.
	Zoo veel van het koninklijk spel zal winst zijn,
		Al bleef ook het goud in hun beurs niet gespaard.




MAPOEHI'S HUIS.


Ondanks de zware logheid van haar vormen, liep de _Aorai_ gemakkelijk
met de lichte bries, en de kapitein bracht het schip vlak onder de
wal voordat hij bijdraaide juist buiten den trek van de branding. De
atol Hikoe-eroe lag laag op het water: een cirkel van fijngestampt
koraalzand honderd meter breed, twintig mijlen in omtrek, en van drie
tot vijf voet boven hoog-water peil. Op den bodem van de groote, effen
lagune leefden veel pareloesters, en vanaf het dek van den schoener,
achter den smallen ring van de atol, kon men de duikers aan het werk
zien. Maar de lagune had zelfs voor een koopvaardij-schoener geen
invaart. Kotters konden met een gunstige bries wel binnen komen door
de kronkelende, ondiepe vaargeul, maar de schoeners bleven buiten op
en neer houden en stuurden hun kleine booten.

De _Aorai_ zwaaide vlug en netjes een boot buiten boord, en een
half dozijn bruine matrozen, met niets anders aan dan een vuurrooden
lendendoek, sprongen er in en namen de riemen. Achter in de boot, aan
den stuurriem, stond een jonge man, gekleed in het tropisch wit dat
den Europeaan kenmerkt. Maar hij was niet heelemaal Europeaan. Het
gouden ras van Polynesië verraadde zich in het zonnebrons van zijn
blanke huid en schoot gouden glansen en lichtflitsen door het schemerig
blauw van zijn oogen. Het was Raoul, Alexandre Raoul, de jongste zoon
van Marie Raoul, de rijke halfbloed, eigenares en exploitante van
een stuk of zes koopvaardij-schoeners gelijk aan de _Aorai_. Over
den terugslag van het water even buiten de invaart, en in en door
en over een kolkenden vloedstroom, zocht de boot haar weg naar de
spiegelende kalmte van de lagune. Raoul sprong er uit, op het witte
zand, en schudde een grooten inlander de hand. 's Mans schouders en
borst waren prachtig, maar zijn rechter arm was een stompje, waar
het been, wit van ouderdom, nog verscheiden centimeter uitstak. Een
ontmoeting met een haai had een eind gemaakt aan zijn duikerstijd,
en nu moest hij bedelen en vleien om kleine gunsten.

"Heb je gehoord, Alex?" waren zijn eerste woorden. "Mapoehi heeft
een parel gevonden--zóó'n parel! Nog nooit is er zóó een opgevischt,
niet op Hikoe-eroe, niet in de Paoemotoe's, in de heele wereld
niet. Koop het ding van hem. Hij heeft het nu. En vergeet niet,
dat ik het je het eerst gezegd heb. Hij is een dwaas, en je kunt het
goedkoop krijgen. Heb je soms tabak?"

Recht vooruit liep Raoul, het strand op, en naar een hut onder een
pandanus-boom. Hij was ladingmeester van zijn moeder, en zijn werk
was de heele Paoemotoe's af te zoeken naar de rijkdommen van kopra,
parelmoer en parels die zij voortbrachten.

Hij was nog maar een jonge ladingmeester, dit was zijn tweede reis
in die hoedanigheid, en in stilte tobde hij veel over zijn gebrek
aan ervaring in de waardebepaling van parels. Maar toen Mapoehi hem
de parel voorhield, zag hij toch kans om den schok dien hij kreeg
te onderdrukken, en een onverschillige koopmans-uitdrukking op zijn
gezicht te houden. Want de parel had hem een schok gegeven. Hij was
zoo groot als een duiven-ei, een volmaakte bol, van een blankheid
die opalen glansen terugwierp van alle kleuren er om heen. Hij
leefde. Nooit had Raoul zoo iets gezien. Toen Mapoehi hem in zijn
hand liet vallen, was hij verrast door het gewicht. Dat bewees,
dat het een goede parel was. Hij onderzocht hem nauwkeurig, door een
zak-vergrootglas. De parel was zonder barst of vlek. Zijn zuiverheid
scheen smeltend uit te vloeien in de atmosfeer, uit zijn handen. In de
schaduw lichtte hij zacht, glanzend als een jonge maan. Zóó doorzichtig
was hij, dat Raoul, toen hij hem in een glas water liet vallen, moeite
had hem te vinden. Snel en recht was hij naar den bodem gezonken,
en Raoul wist dat het gewicht niet beter zou kunnen zijn.

"Nu, wat moet je er voor hebben?" vroeg hij, en de achteloosheid van
zijn houding was buitengewoon goed.

"Ik wil--" begon Mapoehi, en achter hem, als een lijst om zijn eigen
donker gezicht, knikten de donkere gezichten van twee vrouwen en een
meisje instemming met wat hij wilde. Hun hoofden staken naar voren, er
leefde een onderdrukte begeerte in, hun oogen schitterden hebzuchtig.

"Ik wil een huis hebben", ging Mapoehi door. "Het moet een dak hebben
van gegalvaniseerd ijzer en een achthoekige klok. Het moet zes vadem
lang zijn, met een galerij er rondom heen. In het midden moet een
groote kamer zijn met een ronde tafel er in en de achthoekige klok aan
den muur. Er moeten vier slaapkamers zijn, twee aan iederen kant van
de groote kamer, en in iedere slaapkamer moet een ijzeren bed zijn,
twee stoelen en een waschtafel. En achter het huis moet een keuken
zijn, een goede keuken, met potten en pannen en een fornuis. En je
moet het huis bouwen op mijn eiland, op Fakarava."

"Is dat alles?" vroeg Raoul ongeloovig.

"Er moet een naaimachine zijn", deed Tefara, Mapoehi's vrouw,
zich hooien.

"En de achthoekige klok niet te vergeten," voegde Naoeri, Mapoehi's
moeder er bij.

"Ja, dat is alles", zei Mapoehi.

Raoul lachte. Hij lachte lang en hartelijk. Maar terwijl hij lachte,
loste hij in stilte vele problemen van hoofdrekenen op. Hij had nog
nooit in zijn leven een huis gebouwd, en zijn ideeën omtrent huizen
bouwen waren vaag. Terwijl hij lachte, berekende hij de kosten van
de reis naar Tahiti om het materiaal te halen, van het materiaal
zelf, van de reis terug naar Fakarava, en de kosten van het landen
van het materiaal en het bouwen van het huis. Het zou komen op
vierduizend Fransche dollars, ruim gerekend om heelemaal zeker te
zijn--vierduizend Fransche dollars stonden gelijk met twintigduizend
francs. Het was onmogelijk. Hoe kon hij de waarde van zulk een parel
kennen? Twintigduizend francs was een massa geld--en een massa van
zijn moeder's geld bovendien.

"Mapoehi," zei hij, "je bent een groote dwaas. Noem een prijs in geld."

Maar Mapoehi schudde zijn hoofd, en de drie hoofden achter hem
schudden mee.

"Ik wil het huis hebben", zei hij. "Het moet zes vadem lang zijn met
een galerij er rondom heen--."

"Ja, ja," onderbrak Raoul. "ik weet alles van je huis, maar dat gaat
niet door, hoor. Ik zal je duizend Chileensche dollars geven."

De vier hoofden schudden in zwijgend afwijzen.

"En honderd dollars Chili crediet."

"Ik wil het huis", begon Mapoehi.

"Wat zou je aan dat huis hebben?" vroeg Raoul ongeduldig. "De eerste
de beste cycloon die langs komt spoelt het weg. Dat weet je zelf ook
wel. Het heeft er nu al veel van dat we een cycloon zullen krijgen,
zegt kapitein Raffy."

"Niet op Fakarava", zei Mapoehi. "Het land is daar veel hooger. Op
dit eiland, ja. Iedere cycloon kan over Hikoe-eroe heen slaan. Ik
wil het huis op Fakarava hebben. Het moet zes vadem lang zijn met
een galerij er rondom heen--."

En weer aanhoorde Raoul het verhaal van het huis. Verscheiden
uren bracht hij door met te trachten de obsessie van het huis uit
Mapoehi's hoofd te hameren; maar Mapoehi's moeder en echtgenoote,
en Ngakoera, Mapoehi's dochter, stijfden hem in zijn voornemen een
huis te hebben. Door de deuropening, terwijl hij voor den twintigsten
keer luisterde naar de gedetailleerde beschrijving van het huis dat
begeerd werd, zag Raoul de tweede boot van zijn schoener op het strand
loopen. De matrozen bleven rusten op de riemen, hetgeen een teeken was
van haast om weg te komen. De eerste stuurman van de _Aorai_ sprong
aan land, wisselde een paar woorden met den éénarmigen inlander,
haastte zich toen naar Raoul. Een regenvlaag bedekte het gezicht van
de zon, en het werd plotseling donker.

Raoul kon de dreigende lijn van de windhoos zien naderen over het
water van de lagune.

"Kapitein Raffy zegt dat u als de bliksem moet maken dat u hier
vandaan komt," was de begroeting van den stuurman. "Als er parels
zijn, moeten we het maar riskeeren en ze later oppikken--zegt-ie. De
barometer is gedaald tot negenentwintig-zeventig."

De windvlaag sloeg tegen den pandanus-boom boven hen, en streek door
de palmen verderop. Een half dozijn kokosnoten vielen zwaar poffend
op den grond. Toen kwam de regen aanzetten uit de verte, naderend met
het geluid van een stormwind, en met zulk een geweld sloeg hij neer
in de lagune, dat het stuifwater ronddreef als rook. Men hoorde het
scherpe kletteren van de eerste droppels op de bladeren, toen Raoul
overeind sprong.

"Duizend dollar Chili, contant betaald, Mapoehi," riep hij. "En
tweehonderd Chili crediet."

"Ik wil een huis"--begon de ander.

"Mapoehi!" Raoul gilde om zich verstaanbaar te maken. "Je bent
een dwaas!"

Hij vloog het huis uit, en, zij aan zij met den stuurman, vocht hij
zijn weg het strand af naar de boot. Zij konden de boot niet zien. De
tropische regen viel in dichte stroomen om hen heen zoodat ze alleen
het strand onder hun voeten zagen en de nijdige golfjes van de lagune
die hapten en beten naar het zand.

Een gestalte werd zichtbaar in den zondvloed. Het was Hoeroe-hoeroe,
de man met den eenen arm.

"Heb je de parel gekregen?" gilde hij in Raoul's oor.

"Mapoehi is een idioot!" was de schreeuw die hem antwoordde, en het
volgende oogenblik waren zij elkaar kwijt in het neerstroomend water.

Een half uur later zag Hoeroe-hoeroe, op den uitkijk aan den
zeekant van de atol, dat de twee booten binnen boord waren en dat
de _Aorai_ den steven naar zee richtte. En dicht bij haar, juist
uit zee binnengekomen op de vleugels van de bui, zag hij een anderen
schoener die bijgedraaid lag en een boot neerliet in het water. Hij
kende het schip. Het was de _Orohena_, eigendom van Toriki, den
halfbloed koopman, die dienst deed als zijn eigen ladingmeester,
en die zonder twijfel op dat moment in den stuurstoel van de boot
zat. Hoeroe-hoeroe grinnikte. Hij wist dat Mapoehi bij Toriki in de
schuld stond voor ruil-artikelen het vorig jaar op crediet geleverd.

De bui was voorbij gedreven. De heete zon vlamde neer, en de lagune
was opnieuw een spiegel. Maar de lucht was zwaar en dicht als slijm,
en het gewicht ervan scheen te drukken op de longen en maakte de
ademhaling moeilijk.

"Heb je het nieuws gehoord, Toriki?" vroeg Hoeroe-hoeroe. "Mapoehi
heeft een parel gevonden. Nog nooit is er zóó'n parel opgevischt, niet
op Hikoe-eroe, niet in de Paoemotoe's, in de heele wereld niet. Mapoehi
is een dwaas. Bovendien is hij je geld schuldig. Vergeet niet dat ik
het je het eerst gezegd heb. Heb je soms tabak?"

En naar de grashut van Mapoehi toog Toriki. Hij was een brutale kerel,
die van optreden hield, maar niettemin tamelijk dom. Achteloos keek
hij naar de prachtige parel--keek maar een oogenblik; en achteloos
liet hij hem in zijn zak vallen.

"Je hebt geluk," zei hij. "Het is een aardige parel. Ik zal je crediet
geven in de boeken."

"Ik wil een huis," begon Mapoehi, hevig ontdaan, "Het moet zes vadem--"

"Zes vadem je grootmoeder!" riep de koopman ruw. "Je wilt graag
je schulden afbetalen, dat wil je, en anders niets. Je was mij
twaalfhonderd dollar Chili schuldig. Best; die schenk ik je. De
schuld is afgelost. Bovendien zal ik je crediet geven voor tweehonderd
Chili. Als de parel flink opbrengt, wanneer ik op Tahiti kom, zal ik
je crediet geven voor nog honderd er bij--dat is dan driehonderd. Maar
denk er wel aan, alleen als de opbrengst goed is. Het kan best zijn
dat ik er nog op verlies."

Mapoehi kruiste zijn armen in droefenis en zat daar met gebogen
hoofd. Zijn parel was hem afhandig gemaakt. In de plaats van het huis
had hij een schuld betaald. Hij kon niets laten zien wat hij voor de
parel in de plaats had gekregen.

"Je bent een dwaas", zei Tefara.

"Je bent een dwaas", zei Naoeri, zijn moeder. "Waarom heb je hem de
parel in zijn hand gegeven?"

"Wat kon ik doen?" protesteerde Mapoehi. "Ik was hem het geld
schuldig. Hij wist dat ik de parel had. U hebt zelf gehoord dat hij
er naar vroeg. Ik had het hem niet gezegd. Hij wist het. Iemand anders
heeft het hem gezegd. En ik was hem het geld schuldig."

"Mapoehi is een dwaas," bootste Ngakoera na.

Zij was twaalf jaren oud en wist niet beter. Mapoehi luchtte zijn
hart door haar een geweldige oorvijg toe te dienen; terwijl Tefara
en Naoeri in tranen uitbarstten en voorgingen hem allerlei dingen te
verwijten, zooals vrouwen plegen te doen.

Hoeroe-hoeroe, op den uitkijk aan het strand, zag een derden schoener
dien hij kende buiten de invaart bijdraaien en een boot strijken. Het
was de _Hira_, en het schip droeg zijn naam met eere, want zijn reeder
was Levy, de Duitsche Jood, de grootste parelkooper van hen allen,
en, zooals bekend was, op Tahiti was Hira de god van de visschers en
de dieven.

"Heb je het nieuws gehoord?" vroeg Hoeroe-hoeroe, toen Levy, een dikke
man met massieve, onregelmatige trekken, op het strand stapte. "Mapoehi
heeft een parel gevonden. Nog nooit is er zóó'n parel gevonden op
Hikoe-eroe, in de heele Paoemotoe's, in de heele wereld niet. Mapoehi
is een dwaas. Hij heeft hem aan Toriki verkocht voor veertien honderd
Chili--ik heb buiten staan luisteren en ik weet het. Toriki is ook
een dwaas. Je kunt hem goedkoop van hem koopen. Denk er aan dat ik
het je het eerst heb gezegd. Heb je soms tabak?"

"Waar is Toriki?"

"In het huis van kapitein Lynch. Hij is daar al een uur."

En terwijl Levy en Toriki absinth dronken en sjacherden over de parel
stond Hoeroe-hoeroe te luisteren en hoorde dat zij overeenkwamen voor
den ongehoorden prijs van vijfentwintig duizend francs.

Het was op dit oogenblik, dat de _Orohena_ en de _Hira_, dicht onder de
wal komend, als krankzinnig schoten begonnen te lossen en signalen te
geven. De drie mannen kwamen naar buiten, en konden nog juist zien hoe
de twee schoeners haastig door den wind gingen en uit de wal staken,
grootzeilen en buitenkluivers met een vaartje strijkend onder den
druk van de bui die hen ver deed overhellen op het wit-schuimende
water. Toen werden ze uitgewischt door den regen.

"Ze zullen wel terugkomen als het voorbij is", zei Toriki. "We konden
hier beter weggaan."

"Ik denk dat het glas nog wel een eindje gedaald zal zijn", zei
kapitein Lynch.

Lynch was een witgebaarde scheepskapitein, te oud om nog te varen,
die ondervonden had dat Hikoe-eroe de eenige plek op de wereld was,
waar hij in een dragelijke verhouding met zijn asthma kon leven. Hij
ging naar binnen om op den barometer te kijken.

"Groote goden!" hoorden ze hem roepen, en ze renden in huis om
met hem te komen staren naar een wijzer die negenentwintig-twintig
aanwees. Opnieuw kwamen ze naar buiten, dezen keer in groote haast
om zee en lucht te raadplegen. De bui was weggedreven, maar de lucht
bleef bedekt. Zij konden de twee schoeners zien terugkomen, vol van
top, en in gezelschap van een derden. Een plotseling omloopen van den
wind dwong hen de schooten te vieren, en vijf minuten later sloeg een
windstoot uit de tegenovergestelde richting alle drie de schepen terug;
en van de wal af kon men zien hoe de giektalies met een vaartje werden
afgevierd of losgegooid. Het geluid van de branding was hol en luid
en dreigend, en er liep een zware deining landwaarts. Een vreeselijke
vlam weerlicht barstte voor hun oogen en verlichtte den donkeren dag,
en de donder gromde woest overal om hen heen.

Toriki en Levy zetten het op een loopen naar hun booten, de laatste
hobbelend over het strand als een doodelijk-verschrikt nijlpaard. Toen
hun twee booten de invaart uit schoten, passeerden ze de boot van
de _Aorai_ die binnen kwam. Achterin, de roeiers aanmoedigend, stond
Raoul: niet in staat om het visioen van die parel uit zijn hoofd te
zetten, kwam hij terug om Mapoehi's prijs van een huis te aanvaarden.

Hij landde op het strand in het dichtst van een gietende donderbui,
en zóó dicht stroomde het water neer, dat hij tegen Hoeroe-hoeroe
aan botste vóórdat hij hem gezien had.

"Te laat", gilde Hoeroe-hoeroe. "Mapoehi heeft hem aan Toriki verkocht
voor veertienhonderd Chili, en Toriki heeft hem aan Levy verkocht voor
vijfentwintig duizend francs. En Levy zal hem in Frankrijk verkoopen
voor honderd duizend francs. Heb je soms tabak?"

Raoul voelde zich verlicht. Zijn zorgen over de parel waren
voorbij. Hij behoefde er niet meer over te tobben, al had hij dan de
parel niet gekregen. Maar hij geloofde Hoeroe-hoeroe niet. Mapoehi kon
hem wel verkocht hebben voor veertienhonderd Chili, maar dat Levy,
die verstand had van parels, vijfentwintig duizend francs betaald
zou hebben, zóó had hij 't nog nooit gegeten. Raoul besloot kapitein
Lynch eens over het onderwerp te polsen, maar toen hij in het huis
van dien ouden zeevaarder kwam, zag hij hem met groote oogen staan
kijken naar den barometer.

"Hoe hoog zie jij hem?" vroeg kapitein Lynch, erg benieuwd, en hij
wreef zijn bril af en staarde weer naar het instrument.

"Negenentwintig-tien," zei Raoul. "Ik heb hem nog nooit zoo laag
gezien."

"Geloof ik graag!" snoof de kapitein. "Vijftig jaar lang jongen en man
op alle zeeën, en ik heb hem nog nooit zoo ver gedaald gezien. Stil!"

Zij bleven een oogenblik stil staan, terwijl de branding donderde
en het huis deed schudden. Toen gingen ze naar buiten. De bui was
voorbij. Zij konden de _Aorai_ zien liggen, een mijl uit de wal en
overvallen door de windstilte. Het schip stampte en steigerde als
bezeten in de geweldige zeeën die in statige stoeten aanrolden uit
het noordoosten en zich woedend op het koraalstrand stortten. Een van
de matrozen uit de boot wees naar den mond van de invaart en schudde
zijn hoofd. Raoul keek en zag een witten chaos van schuim en golven.

"Ik denk dat ik vannacht maar bij u blijf, kapitein," zei hij; toen
wendde hij zich naar den matroos en zei hem de boot op de wal te halen
en te zien dat hij en zijn kameraden ergens veilig onder dak kwamen.

"Negenentwintig precies," berichtte kapitein Lynch, die met een stoel
in zijn hand naar buiten kwam, terug van een hernieuwd bezoek aan
den barometer.

Hij ging zitten en staarde naar het schouwspel van de zee. De zon kwam
te voorschijn en maakte de atmosfeer nog zwoeler, terwijl de windstilte
nog steeds aanhield. De zeeën namen voortdurend toe in grootte.

"Waar die zee vandaan komt, gaat boven mijn petje," bromde Raoul
ongeduldig. "Er is geen wind, en kijk eens, kijk eens dien kerel daar!"

Mijlen lang, met een gewicht van tienduizenden tonnen, deed hij de
brooze atol schudden als door een aardbeving. Kapitein Lynch stond
versteld.

"Groote genade!" riep hij, half-opstaand van zijn stoel, toen weer
terugzinkend.

"Maar er is geen wind," hield Raoul aan. "Ik zou het kunnen snappen
als er wind bij was."

"Je zult den wind gauw genoeg krijgen, maak je daar maar geen zorg
over," was het grimmige antwoord.

De twee mannen zeiden niets meer. Het zweet stond op hun huid in
myriaden kleine druppeltjes die samen liepen en plasjes vocht vormden,
die op hun beurt weer groeiden tot kleine beekjes, neerdroppend op
den grond. Zij hijgden naar adem, en vooral de pogingen van den ouden
man waren pijnlijk. Een zee kwam het strand op rollen, spoelde om de
stammen van de kokospalmen, en week terug, bijna voor hun voeten.

"Stuk boven hoog-water peil", merkte kapitein Lynch op; "en ik ben
hier al elf jaar." Hij keek op zijn horloge. "Het is drie uur."

Een man en een vrouw, met een bont gevolg van vuile kinderen en
honden achter zich aan, trokken mistroostig voorbij. Een eind verder
kwamen ze tot stilstand, en gingen, na lang weifelen, in het zand
zitten. Een paar minuten later kwam er een andere familie uit de
tegenovergestelde richting aanslenteren. Mannen en vrouwen droegen
een heterogene collectie van bezittingen. En weldra waren er een paar
honderd menschen van alle leeftijden en geslachten bij elkaar vóór
de woning van den kapitein. Hij riep een van de pas aangekomenen aan,
een vrouw met een zuigend kind in haar armen, en ontving als antwoord
de mededeeling dat haar huis een paar minuten geleden de lagune in
geveegd was.

Het was hier de hoogste plek land over een afstand van mijlen, en
op verschillende punten, links en rechts, sloeg de zee al schoon
over den smallen land-ring heen en golfde de lagune binnen. Twintig
mijlen in het rond spande de cirkel van de atol, en op geen enkel
punt was hij breeder dan vijftig vadem. Het was het hoogtepunt van
het duikersseizoen, en van al de eilanden er omheen, zelfs van het
verre Tahiti, waren de inlanders hier bijeen gekomen.

"Er zijn twaalfhonderd mannen, vrouwen en kinderen hier," zei kapitein
Lynch. "Ik ben benieuwd hoeveel er morgen vroeg nog zullen zijn."

"Maar waarom waait het niet? dat wou ik wel eens weten," vroeg Raoul
driftig.

"Maak je niet druk, jonge man, maak je niet druk; je zult gauw genoeg
meer wind hebben dan je lief is."

Terwijl kapitein Lynch nog sprak, sloeg een geweldige watermassa tegen
de atol. Het zeewater kolkte om hen heen, drie duim diep onder hun
stoelen. Er kwam een zachte kreet van ontzetting van de vrouwen. De
kinderen stonden met samengeklemde handen te staren naar de reusachtige
brekers en huilden jammerlijk. Kuikens en katten, die verschrikt in
het water rondliepen, namen als bij onderlinge afspraak fladderend
en klauterend de vlucht op het dak van het huis. Een inboorling van
de Paoemotoe's, met een nest pas geboren honden in een mand, klom in
een kokospalm en maakte de mand twintig voet van den grond vast. De
moeder spartelde jankend en keffend rond in het water er onder.

En nog steeds scheen de zon helder en duurde de windstilte voort. De
twee mannen zaten daar en keken naar de zeeën en naar het krankzinnige
stampen van de _Aorai_. Kapitein Lynch staarde naar de geweldige bergen
van water die landwaarts rolden tot hij niet meer staren kon. Hij
bedekte zijn gezicht met zijn handen om het niet meer te zien; toen
ging hij het huis binnen.

"Achtentwintig-zestig", zei hij rustig toen hij terugkeerde.

Onder zijn arm was een rol touw. Hij sneed het in stukken van twee
vadem, gaf er een aan Raoul, hield er zelf een, en verdeelde de rest
onder de vrouwen, met den raad om een boom uit te zoeken en er in
te klimmen.

Er begon een licht koeltje te blazen uit het noordoosten, en het zachte
waaieren op zijn wang scheen Raoul op te vroolijken. Hij zag hoe de
_Aorai_ de zeilen kant naar den wind zette en uit de wal stevende,
en hij had spijt dat hij niet aan boord was. Het schip zou er in
ieder geval doorheen komen, maar de atol---Een zee sloeg er over heen,
trok hem bijna van de been; en hij koos een boom uit. Toen dacht hij
aan den barometer en liep terug naar het huis. Hij ontmoette kapitein
Lynch, die denzelfden tocht ondernam, en samen gingen zij naar binnen.

"Achtentwintig-twintig", zei de oude zeevaarder. "Het zal hier aardig
gaan spoken--wat was dat?"

De lucht scheen gevuld met iets dat met een geweldige vaart
voortvloog. Het huis trilde en sidderde, en ze hoorden het zoemen van
een machtig geluid. De ramen rammelden. Twee ruiten sprongen stuk;
een geweldige tocht trok naar binnen en sloeg tegen hen aan en deed
hen wankelen. De deur aan den anderen kant vloog met een slag dicht,
het slot verbrijzelend. De witte deurknop brokkelde in stukjes
op den vloer. De muren van de kamer puilden uit als een gasballon
die opgeblazen wordt. Toen kwam er een nieuw geluid dat leek op het
ratelen van geweervuur: het vliegend schuim van de zee dat tegen den
buitenmuur sloeg. Kapitein Lynch keek op zijn horloge. Het was vier
uur. Hij trok een jas van blauw zeemanslaken aan, haakte den barometer
van den wand en stopte hem weg in een van zijn ruime zakken. Weer
sloeg er een zee dreunend tegen het huis, en het lichte gebouwtje
helde over, draaide een kwartslag op zijn fundamenten, en zakte neer,
de vloer in een hoek van tien graden met den beganen grond.

Raoul ging het eerst naar buiten. De wind greep hem en sleurde
hem weg. Raoul merkte dat hij omgeloopen was naar het oosten. Met
inspanning van al zijn krachten gooide hij zich in het zand, en hield
zich plat tegen den grond gedrukt. Kapitein Lynch, weggewaaid als
een halmpje stroo, struikelde over hem heen. Twee matrozen van de
_Aorai_ verlieten den kokospalm waaraan ze zich vastgeklemd hadden en
kwamen hen te hulp. Zij leunden tegen den wind in onmogelijke hoeken,
en zwoegden en vochten om iedere duimbreed van den afstand. De oude
man was stijf in zijn gewrichten en hij kon niet klimmen, dus heschen
de matrozen hem met behulp van korte eindjes touw, die ze aan elkaar
bonden, langs den stam omhoog, telkens een paar voet, totdat ze hem
vast konden binden, boven in den boom, vijftig voet van den grond
af. Raoul sloeg zijn eindje touw om den voet van een boom er naast
en bleef staan kijken. De wind was ontzettend. Hij had nooit gedroomd
dat het zóó hard kon waaien. Een zee schuimde over de atol en maakte
hem nat tot aan zijn knieeën voordat ze terug week in de lagune. De
zon was verdwenen, en een loodkleurige schemering spreidde zich over
alles. Een paar druppels regen, horizontaal door de lucht vliegend,
troffen hem als looden kogeltjes. Een vlok zilt schuim en zeewater
spatte om zijn ooren. Het was als een klap in zijn gezicht. Zijn
wangen prikten pijnlijk, en tegen wil en dank kwamen er tranen in
zijn stekende oogen. Een paar honderd inlanders waren de boomen in
gevlucht, en hij had kunnen lachen om de trossen menschelijk fruit die
in de kruinen hingen. Toen, want hij was een geboren Tahiti-eilander,
vouwde hij zijn lichaam dubbel, omgreep den stam van den boom met zijn
handen, drukte zijn voetzolen tegen de oppervlakte van den stam, en
begon tegen den boom op te loopen. In de kruin vond hij twee vrouwen,
twee kinderen en een man. Een van de kinderen, een meisje, hield een
kat in haar armen geklemd.

Vanuit zijn hooge zitplaats wuifde hij met de hand naar kapitein Lynch,
en die manhaftige patriarch wuifde terug. Raoul stond versteld over
de lucht. Het wolkendek was veel dichterbij gekomen--ja, het leek
vlak boven zijn hoofd te hangen; en het was van loodkleurig zwart
geworden. Er waren nog veel menschen op den beganen grond. Ze stonden
in groepjes bijeen om den voet van de boomen en hielden zich vast met
alle macht. Verschillende van die groepjes waren bezig te bidden, en
in één ervan hield de Mormoonsche zendeling een preek. Raoul hoorde
een vreemd geluid, rhythmisch, zwak als het zwakste gesjirp van een
verren krekel. Het duurde maar een oogenblik, maar in dat oogenblik
deed het hem vaag denken aan den hemel en aan engelen muziek. Hij keek
om zich heen, en zag, aan den voet van een anderen boom, een groote
groep menschen, die zich vasthielden met touwen en aan elkander. Hij
kon zien hoe ze in koor hun gezichten vertrokken en hun lippen
bewogen. Het geluid was weg, maar hij wist dat zij hymnen zongen.

De wind bleef voortdurend harder blazen. Hij kon dit toenemen
in kracht niet meten door een bewust proces van zijn hersenen,
want deze storm was veel erger den al zijn ondervinding van wind;
maar niettemin was het hem duidelijk, hoe wist hij niet, dat het
steeds harder stormde. Dichtbij werd een boom ontworteld en zijn
vracht menschelijke wezens viel op den grond. Een zee spoelde over
het reepje land, en ze waren weg. Alles gebeurde met verwonderlijke
snelheid. Hij zag een bruinen schouder en een zwart hoofd, scherp
afstekend tegen het kolkend wit van de lagune. Het volgend oogenblik
was ook dat verdwenen. Andere boomen gingen tegen den grond, vielen
kris en kras door elkaar als lucifers. Hij stond versteld over de
kracht van den wind. Zijn eigen boom zwaaide gevaarlijk; een van
de vrouwen jammerde voortdurend en klemde het meisje in haar armen,
dat op haar beurt de kat weer vast hield.

De man, die het andere kind op zijn arm had, tikte Raoul op den
schouder en wees. Hij keek, en zag een honderd meter verder de
Mormoonsche kerk als een dronken man over het eiland zwaaien. Het
gebouw was van zijn fundamenten gescheurd, en wind en zee stuwden en
schoven het in de richting van de lagune. Een ontzettende muur van
water smakte er tegen aan, deed het kantelen, en gooide het tegen
een half dozijn kokospalmen. De trossen menschelijk fruit vielen
als rijpe kokosnoten. Bij het terugloopen van de golf zag hij hen
op den grond liggen, sommigen bewegingloos, anderen zich krommend
en wringend. Zij deden hem wonderlijk sterk denken aan mieren. Het
ontroerde hem niet. Hij was boven de verschrikkingen uit. Alsof het
iets heel gewoons was zag hij hoe de volgende zee het menschelijk
wrakhout van het zand wegveegde. Een derde zee, geweldiger dan alle
andere die hij tot dan toe gezien had, gooide de kerk in de lagune,
en ze dreef weg naar lij, de duisternis in, half onder water. Ze deed
hem werkelijk denken aan de ark van Noah.

Hij keek rond om het huis om kapitein Lynch te zoeken, en merkte tot
zijn verrassing dat het weg was. Waarlijk, alles gebeurde snel. Hij
zag dat veel van de menschen in de boomen die nog hielden, naar den
beganen grond waren afgedaald. De wind nam nog steeds toe. Hij kon
dat zien aan zijn eigen boom. Die zwaaide en boog niet meer heen
en weer. In de plaats daarvan bleef hij in denzelfden stand, in een
scherpen hoek van den wind af gebogen, en trilde alleen maar. Maar
dat trillen was iets afschuwelijks. Het was als van een stemvork of
van de tong van een mondtrom. De snelheid van de trilling maakte het
zoo vreeselijk. Zelfs al hielden de wortels van den boom, hij zou die
spanning niet lang kunnen weerstaan. Er moest ten slotte iets breken.

Ah, daar was er al een die het opgegeven had. Hij had hem niet
zien gaan, maar daar stond het overblijfsel, halverwege den
stam afgebroken. Men wist niet wat er gebeurde als men het niet
zag. Kleinigheden als het kraken van boomen en het jammeren van
menschelijke wanhoop namen geen plaats in in die machtige massa van
geluid. Toevallig keek hij in de richting van kapitein Lynch toen
het gebeurde. Hij zag den stam van den boom op de helft splinterend
afknappen, zonder geluid. De kruin van den boom, met drie matrozen van
de _Aorai_ en den ouden kapitein, zeilde weg over de lagune. Het ding
viel niet op den grond, maar vloog door de lucht als een kafje. Raoul
volgde het op zijn vlucht een honderd meter ver, toen stoof het in
het water. Hij spande zijn oogen in, en was er zeker van dat hij
kapitein Lynch vaarwel zag wuiven.

Raoul wachtte niet op wat er verder zou gebeuren. Hij tikte den
inlander op den schouder en beduidde hem naar beneden te gaan. De
man wilde wel, maar zijn vrouwen waren verlamd van angst, en hij
bleef liever bij hen. Raoul sloeg zijn touw om den boomstam en gleed
omlaag. Een vloed van zout water bruiste over hem heen. Hij hield zijn
adem in en hield zich wanhopig vast aan het touw. Het water vloeide
terug, en in de beschutting van den stam kon hij weer ademen. Hij
maakte het touw steviger vast, en werd toen onder water gezet door
een tweede zee. Een van de vrouwen gleed naar beneden en kwam bij hem
staan, maar de inlander bleef boven bij de vrouw, de twee kinderen en
de kat. De ladingmeester had opgemerkt, dat de troepjes menschen die
zich vasthielden aan de andere boomen voortdurend kleiner werden. Nu
zag hij van dichtbij hoe het proces in zijn werk ging.

Al zijn kracht werd vereischt om zich vast te houden, en de vrouw
die bij hem was gekomen raakte al uitgeput, Iederen keer dat hij te
voorschijn kwam uit een zee was hij verbaasd zichzelf nog op dezelfde
plek te vinden, en dan, verbaasd dat de vrouw er nog was. Ten slotte
vond hij alleen zichzelf terug. Hij keek naar boven. De kruin van den
boom was ook verdwenen. Op de helft van zijn oorspronkelijke lengte
trilde een versplinterd uiteinde. Hij was veilig. De wortels hielden
nog, terwijl de boom geen wind meer ving. Hij begon naar boven te
klimmen. Hij was zóó uitgeput dat het heel langzaam ging, en zee na
zee spoelde over hem heen vóórdat hij er boven uit was. Toen bond
hij zich vast aan den stam en sterkte zich tegen den komenden nacht
en tegen hij wist niet wat.

Hij voelde zich erg eenzaam in de duisternis. Af en toe scheen het
hem toe, dat dit het einde van de wereld was, en hij de eenige die
nog leefde. Nog steeds nam de wind toe. Ieder uur nam hij toe. Toen
Raoul berekende dat het ongeveer elf uur moest zijn, was de wind
ongeloofelijk geworden. Het was een vreeselijk, monsterachtig iets,
een gillende woede, een muur die tegen hem aan sloeg en verder ging,
maar die voortging met slaan en verder gaan--een muur zonder eind. Het
scheen hem toe dat hij licht en etherisch was geworden; dat hij
het was die zich voortbewoog; dat hij met onbegrijpelijke snelheid
voortgedreven werd door een eindelooze vaste massa. De wind was niet
meer lucht in beweging. Hij was vast en tastbaar geworden als water of
kwik. Raoul had een gevoel alsof hij zijn hand er in kon steken en er
brokken uit kon scheuren, zooals men zou doen met het vleesch in het
karkas van een stier; dat hij den wind kon grijpen en er zich aan vast
kon houden zooals men zich vasthoudt aan den wand van de steile rots.

Hij werd er bijna door geworgd. Hij kon niet ademhalen als hij
zijn gezicht er recht tegen in hield, want de wind spoot naar
binnen door zijn mond en neusgaten en zette zijn longen uit als een
varkensblaas. Op zulke oogenblikken scheen zijn lichaam opgezwollen
en volgestopt met vaste aarde. Alleen door zijn lippen tegen den
boomstam te drukken kon hij ademhalen. Ook raakte hij uitgeput door
den onophoudelijken druk van den wind. Lichaam en geest werden moe. Hij
merkte niets meer op, hij dacht niet meer, en was half bewusteloos. Eén
gedachte maakte zijn heele bewustheid uit: _Dit was dus een cycloon._
Die eene gedachte kwam met onregelmatige tusschenpoozen terug. Het was
als een zwak vlammetje dat af en toe opflikkerde. Telkens, ontwakend
uit een periode van verdooving, kwam hij daarbij terug: _Dit was dus
een cycloon._ Dan zakte hij weer weg in een nieuwe verdooving.

Het hoogtepunt van den wervelstorm duurde van elf uur 's avonds tot
drie uur in den morgen, en het was om elf uur dat de boom waarin
Mapoehi en zijn familie zich vastklemden, afknapte. Mapoehi kwam aan
de oppervlakte van de lagune, met zijn dochter Ngakoera nog steeds
in zijn armen. Alleen een Zuidzee-eilander kon blijven leven in een
dergelijken chaos van water. De pandanusboom waaraan hij zich had
vastgegrepen rolde om en om in het kolkend schuim, en alleen door
zich nu weer eens vast te houden en te wachten, en dan weer zijn
greep vlug te veranderen, zag hij kans om zijn eigen hoofd en dat
van Ngakoera aan de oppervlakte te krijgen met tusschenpoozen die
voldoende dicht op elkaar volgden om den adem in hun lichamen te
houden. Maar de lucht was hoofdzakelijk water, door het vliegend
schuim en den dichten regen die in horizontale richting langs stormden.

Het was tien mijlen naar den overkant van de lagune. Hier, op den
tweeden zandring, werden negen op de tien ongelukkige schepsels
die den overtocht over de lagune te boven kwamen, gedood door heen
en weer geworpen boomstammen, balken, wrakken van kotters en van
huizen. Uitgeput en half verdronken, werden ze geslingerd in dezen
krankzinnigen vijzel van de elementen en tot vormeloos vleesch
gebeukt. Maar Mapoehi had geluk. Hij kreeg de eene kans van de tien,
en ze viel hem ten deel door een puren gril van het noodlot. Hij
kwam uit den chaos te voorschijn op het strand, bloedend uit een
twintigtal wonden. Ngakoeri's linkerarm was gebroken; de vingers van
haar rechterhand waren verbrijzeld, en haar wang en voorhoofd lagen
open tot op het been. Hij greep een boom die nog stond en klemde zich
vast, met het meisje nog steeds in zijn armen, happend naar lucht,
terwijl het water van de lagune ter hoogte van zijn knieeën, en soms
ter hoogte van zijn middel, voorbij spoelde.

Om drie uur in den morgen was de grootste kracht van den orkaan
gebroken. Om vijf uur woei er nog slechts een stijve bries. En om
zes was het blakstil en scheen de zon. De zee was kalm geworden. Aan
den nog rusteloozen rand van de lagune zag Mapoehi de vernielde
lichamen van hen die het land niet hadden kunnen bereiken. Zonder
eenigen twijfel waren Tefara en Naoeri daar bij. Hij ondernam een
onderzoekingstocht langs het strand, en vond zijn vrouw, die half in
en half uit het water lag. Hij ging zitten en schreide, zijn smart
uitend in schorre dierengeluiden, zooals primitieve wilden doen. Toen
bewoog zij zich onrustig, en kreunde. Hij keek nauwkeuriger toe. Niet
alleen leefde zij, maar zij was zelfs ongedeerd. Zij sliep slechts. Zij
had ook de eene kans van de tien gehad.

Van de twaalfhonderd menschen die den vorigen avond nog leefden, waren
er driehonderd over. De Mormoonsche zendeling en een gendarme hielden
de telling. De lagune was één verwarring van ronddrijvende lijken. Er
stond geen huis, geen hut meer. Op de heele atol waren geen twee
steenen op elkaar gebleven. Van de kokospalmen stonden er nog ongeveer
één op de vijftig, en ook daar was niet veel meer van over, terwijl
aan niet één boom ook maar een enkele noot was overgebleven. Er was
geen zoet water. De ondiepe putten die het doorsijpelende regenwater
verzamelden waren vol met zout. Uit de lagune werden nog een paar
doordrenkte zakken meel gered. De overlevenden sneden het binnenste
uit de kokospalmen en aten het op. Hier en daar kropen ze in kleine
hutjes, gemaakt door het zand uit te graven en daar stukken metalen
dakbedekking overheen te leggen.

De zendeling maakte een primitieve distilleer-inrichting, maar hij
kon geen water distilleeren voor driehonderd menschen. Tegen het
einde van den tweeden dag ontdekte Raoul, toen hij een bad nam in de
lagune, dat zijn dorst wat minder werd. Hij riep het nieuws naar de
anderen, en daarop had men driehonderd mannen, vrouwen en kinderen
kunnen zien, die tot hun buik in de lagune stonden en door hun huid
water trachtten in te drinken. Hun dooden dreven overal om hen heen,
of ze trapten er op waar ze nog op den bodem lagen. Den derden dag
begroef het volk zijn dooden en ging zitten wachten op de stoomschepen,
die hulp moesten brengen.

Ondertusschen was Naoeri, van haar familie losgescheurd door den
orkaan, op eigen gelegenheid verder gedreven, en beleefde haar eigen
avonturen. Zich vastklemmend aan een ruwe plank die haar wondde
en kneusde en haar lichaam vol splinters sloeg, werd zij heelemaal
over de atol heen geslingerd en weggevoerd naar zee. Hier, onder het
vreeselijk beuken van bergen water, raakte ze haar plank kwijt. Zij
was een oude vrouw, bijna zestig, maar geboren en getogen in de
Paoemotoe's, en ze was nooit in haar leven buiten het gezicht van de
zee geweest. Terwijl zij voortzwom in de duisternis, half verdronken,
hijgend, vechtend om lucht, kreeg ze een zwaren slag tegen haar
schouder van een kokosnoot. Op hetzelfde oogenblik was haar plan
gevormd, en ze greep de noot. In het uur dat volgde bemachtigde zij
er nog zeven. Samengebonden vormde ze een reddingboei die haar in
het leven hield, maar die tegelijkertijd dreigde haar tot gelei te
slaan. Zij was een dikke, zware vrouw en liep gauw kneuzingen op,
maar ze had veel ervaring met cyclonen, en ze wachtte geduldig tot
de wind zou afnemen, steeds biddend tot haar haai-god om bescherming
tegen de haaien. Maar om drie uur was zij zoo verdoofd dat ze het
verminderen van den wind niet bemerkte.

Ook merkte zij om zes uur niets van de windstilte. Zij schokte weer
tot bewustzijn toen ze op het strand werd gegooid. Zij groef haar
bloedende, open handen en voeten in het zand en klauwde tegen het
terugloopende water in, totdat ze buiten het bereik van de golven was.

Zij wist waar zij was. Dit land kon geen ander zijn dan het
kleine eilandje Takokota. Het had geen lagune. Niemand woonde er
op. Hikoe-eroe was vijftien mijlen weg. Zij kon het niet zien,
maar zij wist dat het in het zuiden lag. De dagen gingen voorbij,
en ze leefde van de kokosnoten die haar drijvende hadden gehonden.

Ze voorzagen haar van drinkwater en van voedsel. Maar zij dronk
of at niet zoo veel als ze maar wilde. Haar redding was hoogst
problematiek. Zij zag den rook van de stoomschepen die kwamen helpen
aan den horizon, maar zij kon niet verwachten dat er een schip zou
komen naar het eenzame onbewoonde Takokota.

Van het eerste oogenblik af had zij vreeselijken last van de
lijken. Voortdurend wierp de zee ze op haar stukje grond, en
voortdurend schoof zij ze terug in zee, waar de haaien er aan rukten
en ze verslonden, tot dat haar kracht haar begaf. Toen ze niet meer
kon, versierden de lijken haar strand met afschuwelijke, walgelijke
guirlandes, en zij ging van hen weg zoo ver als ze kon, hetgeen niet
ver was.

Op den tienden dag was haar laatste kokosnoot op, en ze verschrompelde
van dorst. Ze sleepte zich voort naar het strand, zoekend naar
kokosnoten. Het was vreemd dat er zooveel lijken aanspoelden en
geen noten. Er dreven toch zeker meer kokosnoten dan doode menschen
rond! Ten slotte gaf ze het op, en bleef uitgeput liggen. Het einde
was gekomen. Er bleef niets meer over dan te wachten op den dood.

Toen zij wat later bijkwam uit de verdooving, werd zij zich langzaam
bewust dat ze lag te staren naar een bos rossig rood haar op het
hoofd van een dooden man. De zee wierp het lijk in haar richting,
trok het toen weer terug. Het rolde een halven slag om, en zij zag dat
het geen gezicht had. Toch was er iets bekends in dien bos rossig-rood
haar. Een uur ging voorbij. Zij spande zich niet in om te trachten het
te herkennen. Zij wachtte op den dood, en het kon haar weinig schelen,
welke man dat vreeselijke ding eens geweest was. Maar toen het uur
voorbij was, ging ze langzaam zitten en staarde naar het lijk. Een
ongewoon groote golf had het buiten het bereik van de kleinere golven
geworpen. Ja, ze had toch gelijk; die bos rood haar kon maar aan één
man in de Paoemotoe's toebehooren. Het was Levy, de Duitsche Jood, de
man die de parel gekocht en meegenomen had op de _Hira_. Nu, één ding
was duidelijk, de _Hira_ was vergaan. De parelkooper was ten slotte
nog bedrogen uit gekomen met zijn god van de visschers en de dieven.

Zij kroop naar den dooden man. Zijn hemd was van zijn lichaam
af gescheurd, en zij kon den leeren geldgordel zien die om zijn
middel zat. Zij hield haar adem in en rukte aan de gespen. Ze gaven
gemakkelijker mee dan zij gedacht had, en ze kroop weer haastig weg
over het zand, den gordel achter zich aan sleepend. Het eene zakje
na het andere gespte ze los, maar alles was leeg. Waar zou hij de
parel gestopt hebben? Tenslotte vond zij hem in het laatste zakje, de
eerste en eenige parel die hij op die reis had gekocht. Zij kroop een
paar voet verder weg om te ontkomen aan de walgelijke lucht van den
gordel, en bekeek de parel nauwkeurig. Het was de parel die Mapoehi
had gevonden en die Toriki hem afhandig had gemaakt. Zij voelde zijn
gewicht in haar hand en liet hem liefkoozend heen en weer rollen. Maar
in de parel zelf zag zij geen schoonheid. Wat zij zag was het huis
dat Mapoehi en Tefara en zij met zooveel zorg hadden gebouwd in hun
geest. Telkens als ze naar de parel keek, zag zij het huis in al zijn
bijzonderheden, de achthoekige klok incluis. Dat was iets om voor te
blijven leven.

Zij scheurde een reep van haar _ahoe_ af en bond de parel stevig om
haar hals. Toen kroop zij verder langs het strand, hijgend en kreunend,
maar vastbesloten zoekend naar kokosnoten. Zij vond er gauw een,
en, toen ze rondkeek, nog een. Zij brak er een open, dronk de melk,
die schimmelig was, en at het vleesch tot het laatste stukje.

Een beetje later vond zij een verbrijzelde boom-kano. De vlerken ervan
waren weg, maar zij had nieuwe hoop, en vóórdat de dag gedaan was vond
ze ook de vlerken. Iedere vondst was een goed voorteeken. De parel was
een talisman. Laat in den middag zag zij een houten kist die diep in
het water dreef. Toen zij het ding op het strand sleepte, hoorde ze
den inhoud rammelen, en ze vond er tien blikken zalm in. Zij maakte
er een open door er mee tegen de kano aan te hameren. Toen er een lek
in het blik was dronk ze het leeg. Daarna bracht zij verscheiden uren
door met de zalm er uit te halen. Bij stukjes en beetjes hamerde en
kneep ze het kostbare voedsel er uit.

Acht dagen nog wachtte zij op redding. Ondertusschen bevestigde zij de
vlerken weer aan de kano; voor sjorrings gebruikte ze alles wat ze aan
kokosvezels vinden kon en ook wat er nog over was van haar _ahoe_. De
kano was leelijk gekraakt, en zij kon haar niet waterdicht maken,
maar zij borg een halve kokosnoten-schaal aan boord als hoosvat. Zij
was erg verlegen om een pagaai. Met een stukje blik zaagde zij al
haar haren vlak bij den wortel af. Van het haar vlocht zij een koord,
en met behulp van het koord maakte zij een stuk bezemsteel van drie
voet vast aan een plank van de zalmkist. Zij knaagde wiggen met haar
tanden en spande daarmee de sjorring.

Den achttienden dag, te middernacht, bracht zij de kano door
de branding en begon de terugreis naar Hikoe-eroe. Zij was een
oude vrouw. De ontberingen hadden haar vet doen verdwijnen tot
er nauwelijks meer overbleef dan vel en been en een beetje pezige
spieren. De kano was groot en behoorde eigenlijk gepagaaid te worden
door drie sterke mannen.

Maar zij deed het alleen met een surrogaat-pagaai. Ook lekte de kano
leelijk, en een derde van haar tijd wijdde ze aan hoozen. Toen het
helder dag was zocht zij nog steeds tevergeefs naar Hikoe-eroe. Achter
haar was Takokota weggezonken onder den rand van de zee. De zon brandde
neer op haar naaktheid en trok al het vocht uit haar lichaam. Er waren
nog twee blikken zalm over, en in den loop van den dag rammeide zij
er gaten in een dronk wat er van te drinken was. Zij had geen tijd
om het vleesch er uit te halen. Er liep een strooming die haar naar
het westen zette of zij zuidwaarts pagaaide of niet.

Vroeg in den middag, rechtop staand in de kano, kreeg zij Hikoe-eroe
in 't zicht. Zijn rijkdom van kokospalmen was verdwenen. Hier en daar
slechts, met groote tusschenruimten, kon zij de de ruige resten van
boomen zien. Het gezicht wekte haar op. Zij was dichter bij dan zij
gedacht had. De strooming dreef haar naar het westen. Zij zette haar
koers pal er tegen in en pagaaide verder. De wiggen in de sjorring
van haar pagaai gingen los zitten, en zij verloor veel tijd met ze
vast te slaan. Zij was gedwongen om dat dikwijls te doen. Dan was er
het hoozen. Eén uur van de drie moest zij ophouden met pagaaien om
te hoozen. En al dien tijd zakte ze af naar het westen.

Bij zonsondergang lag Hikoe-eroe zuidoostelijk van haar, drie mijlen
ver. Er was een volle maan, en om acht uur lag het land pal oost en
twee mijlen van haar af. Zij worstelde nog een uur lang, maar het land
bleef even ver. Zij was midden in de strooming; de kano was te groot;
de pagaai was te gebrekkig; en zij verloor te veel tijd en kracht met
hoozen. Bovendien raakte zij uitgeput. Ondanks al haar pogen dreef
de kano af naar het westen.

Zij mompelde een gebed tot haar haai-god, gleed overboord en begon te
zwemmen. Het water verfrischte haar en zij liet de kano snel achter
zich. Na een uur was het land merkbaar dichter bij. Toen kwam haar
schrik. Recht vóór haar, geen twintig voet verder, sneed een groote
vin door het water. Met vasten slag zwom zij er heen, en langzaam gleed
hij weg, boog af naar rechts, en bleef om haar heen cirkelen. Zij hield
haar blikken op de vin gericht én zwom verder. Als de vin verdween ging
zij met haar gezicht op het water liggen en keek uit. Als de vin weer
te voorschijn kwam, begon zij weer te zwemmen. Het monster was lui,
dat zag zij wel. Hij had zeker goed te eten gehad na dien cycloon. Als
hij erg hongerig was geweest, zou hij niet geaarzeld hebben op haar
af te schieten, dat wist ze. Hij was vijftien voet lang, en met één
hap kon hij haar in tweeën bijten.

Maar zij had geen tijd aan hem te verspillen. Of zij zwom of niet, de
strooming liep even goed van het land af. Een half uur ging voorbij,
en de haai begon driester te worden. Hij zag dat zij niets deed, en
kwam dichter bij, in steeds kleiner kringen om haar heen zwemmend en
brutaal zijn oogen naar haar toe-draaiend als hij voorbijgleed. Vroeg
of laat, dat wist ze, zou hij genoeg moed bijeen hebben om haar aan te
vallen. Zij besloot zelf het eerst uit te spelen. Het was een wanhopige
daad die zij overwoog. Zij was een oude vrouw, alleen in de zee, en
zwak door honger en vermoeienis; en toch moest zij, tegenover dezen
zee-tijger, zijn aanval voorkomen en hem zelf het eerst aanvallen. Zij
zwom verder, wachtend op haar kans. Ten slotte kwam er een oogenblik
dat hij lui voorbij gleed, nauwelijks acht voet van haar af. Plotseling
schoot ze op hem los, alsof ze hem wilde aanvallen. Hij gaf een wilden
slag met zijn staart toen hij wegvluchtte, en zijn schuurpapieren huid
ritste het vel van haar arm van den elleboog tot den schouder. Hij
zwom snel, in steeds wijder wordende cirkels, en verdween ten slotte.

In het gat in het zand, overhuifd met stukken metalen dakbedekking,
lagen Mapoehi en Tefara te kijven.

"Als je had gedaan zooals ik zei," viel Tefara aan, voor den
duizendsten keer, "en de parel verborgen had, en het aan niemand had
verteld, dan zou je hem nu nog hebben."

"Maar Hoeroe-hoeroe stond er bij toen ik de oester openmaakte--heb
ik je dat nu niet al honderd keer verteld?"

"En nu zullen wij geen huis hebben. Raoul zei mij vandaag dat als je
de parel niet aan Toriki verkocht had----"

"Ik heb hem niet verkocht. Toriki heeft hem me afgenomen."

"----dat als je de parel niet aan Toriki verkocht had, hij je
vijfduizend Fransche dollars zou geven, en dat is tienduizend Chili."

"Hij heeft met zijn moeder gepraat." legde Mapoehi uit. "Zij heeft
verstand van parels."

"En nu is de parel weg," beklaagde Tefara zich.

"Hij heeft mijn schuld aan Toriki betaald. In ieder geval heb ik er
toch twaalfhonderd Chili mee verdiend."

"Toriki is dood", riep zij. "Ze hebben geen bericht gekregen
van zijn schoener. Het schip is vergaan, net als de _Aorai_ en de
_Hira_. Zal Toriki je de driehonderd crediet betalen die hij je beloofd
heeft? Neen, want Toriki is dood. En als je geen parel had gevonden,
zou je dan vandaag nog twaalfhonderd schuld hebben aan Toriki? Neen,
want Toriki is dood, en doode menschen kun je niet betalen."

"Maar Levy heeft Toriki niet betaald", zei Mapoehi. "Hij heeft hem een
stuk papier gegeven waar hij het geld voor kon krijgen in Papeete;
en nu is Levy dood en kan niet betalen; en Toriki is dood, en het
papier is met hem vergaan, en de parel is vergaan met Levy. Je hebt
gelijk, Tefara. Ik ben de parel kwijt, en ik heb er niets voor in de
plaats gekregen. Laten we nu gaan slapen."

Hij stak plotseling zijn hand omhoog, en luisterde. Van buiten kwam
een geluid als van iemand die zwaar en pijnlijk ademhaalde. Een hand
zocht tastend langs de mat die dienst deed als deur.

"Wie is daar?" riep Mapoehi.

"Naoeri," kwam het antwoord. "Kun je me niet zeggen waar mijn zoon
Mapoehi is?"

Tefara gilde en greep den arm van haar man.

"Een spook!" klappertandde ze. "Een spook!"

Mapoehi's gezicht was afschuwelijk geel. Hij klemde zich beverig vast
aan zijn vrouw.

"Goede vrouw," stamelde hij, trachtend zijn stem een anderen klank
te geven. "Ik ken uw zoon goed. Hij woont aan den oostelijken oever
van de lagune."

Van buiten kwam het geluid van een zucht. Mapoehi begon zich verlicht
te voelen. Hij had het spook misleid.

"Maar waar kom je vandaan, oude vrouw?" informeerde hij.

"Van de zee", was het mistroostig antwoord.

"Ik wist het wel! Ik wist het wel!" gilde Tefara, en ze wiegde haar
bovenlijf heen en weer.

"Sinds wanneer heeft Tefara in een vreemd huis geslapen?" kwam de
stem van Naoeri door het vlechtwerk.

Mapoehi blikte vrees en verwijten naar zijn vrouw. Haar stem had
hen verraden.

"En sinds wanneer heeft Mapoehi, mijn zoon, zijn moeder
verloochend?" ging de stem door.

"Neen, neen, dat heb ik niet gedaan--Mapoehi heeft je niet
verloochend," riep hij. "Ik ben Mapoehi niet. Hij is aan den oostkant
van de lagune, zeg ik je toch!"

Ngakoera ging rechtop in haar bed zitten en begon te huilen. Het
vlechtwerk kwam in beweging.

"Wat doe je?" vroeg Mapoehi streng.

"Ik kom binnen", zei de stem van Naoeri.

Eén hoek van de mat werd opgelicht. Tefara trachte onder de dekens te
duiken, maar Mapoehi hield zich aan haar vast. Hij moest zich ergens
aan vasthouden. Samen, vechtend met elkaar, met bevende lichamen en
klapperende tanden, staarden zij met uitpuilende oogen naar de mat
die omhoog ging. Zij zagen Naoeri binnen kruipen, zonder _ahoe_,
en druipend van het zeewater. Zij rolden zich om, van haar weg, en
vochten om de deken van Ngakoera, om daarmee hun hoofden te bedekken.

"Je mocht je oude moeder wel wat te drinken geven", zei het spook
klagelijk.

"Geef haar wat te drinken", beval Tefara met trillende stem.

"Geef haar wat te drinken", gaf Mapoehi het bevel door naar
Ngakoera. En samen schopten zij Ngakoera onder de dekens uit. Een
minuut later durfde Mapoehi even te gluren, en hij zag het spook
drinken. Toen het een levende hand uitstak en die op de zijne legde,
voelde hij het gewicht ervan, en was overtuigd dat het geen spook
was. Toen kwam hij te voorschijn, Tefara achter zich aan sleepend,
en een paar minuten later zaten ze allemaal te luisteren naar het
verhaal van Naoeri. Een toen zij vertelde van Levy, en de parel in
Tefara's hand liet glijden, werd zelfs zij bekeerd tot het geloof in
de realiteit van haar schoonmoeder.

"Morgen vroeg", zei Tefara, "zul je de parel aan Raoul verkoopen voor
vijfduizend Fransch."

"Het huis?" wierp Naoeri tegen.

"Hij zal het huis bouwen", antwoordde Tefara. "Hij zegt dat het
vierduizend Fransch zal kosten. En bij zal ook nog duizend Fransch
crediet geven, en dat is tweeduizend Chili."

"En het zal zes vadem lang zijn?" vroeg Naoeri.

"Ja" antwoordde Mapoehi, "zes vadem."

"En zal de achthoekige klok in de middelste kamer zijn?"

"Ja, en de ronde tafel ook."

"Geef me dan wat te eten, want ik heb honger" zei Naoeri voldaan. "En
daarna zullen we slapen, want ik ben moe. En morgen zullen we verder
praten over het huis, vóórdat we de parel verkoopen. Het zal beter
zijn als we de duizend Fransch contant nemen. Geld is altijd beter
dan crediet in het koopen van goederen van de kooplui."




DE WALVISCHTAND.


Het was in de eerste dagen op Fidzji, dat John Starhurst opstond
in het missie-huis bij het dorp Rewa en kond deed van zijn plan het
Evangelie te brengen in heel Viti Levoe. Viti Levoe nu beteekent het
"Groote Land", omdat het het grootste eiland is in een groep die
uit veel groote eilanden bestaat, om van honderden kleine nog maar
te zwijgen. Hier en daar waren de kusten als het ware besprenkeld
met een schaarsche bevolking van zendelingen, handels-agenten,
tripang-visschers, en gedroste matrozen, die daar een hoogst onzeker
leven leidden. De rook van de heete ovens steeg op onder hun ramen,
en de lichamen van de gesneuvelden werden langs hun deuren gesleept,
op weg naar het feestmaal.

De Lotoe, of de Aanbidding, vorderde slechts langzaam, en, dikwijls, op
de manier der kreeften. Opperhoofden die zich Christenen verklaarden
en verwelkomd werden in het heiligste der heiligen van de kapel,
hadden een ontmoedigende hebbelijkheid om terug te vallen in hun
oude gewoonte, om deel te kunnen hebben aan het vleesch van den een
of anderen geliefkoosden vijand. Eet of word gegeten was de wet van
het land geweest; en eet of word gegeten scheen de wet van het land
te zullen blijven nog voor langen tijd. Er waren opperhoofden, zooals
Tanoa Toeiveikoso, en Toekilakila, die honderden van hun medemenschen
hadden opgegeten, in den letterlijken zin van het woord. Maar onder al
die lekkerbekken stond Ra Oendre-oendre het hoogst. Ra Oendre-oendre
woonde in Takiraki. Hij hield een register van zijn culinaire
prestaties. Een rij steenen vóór zijn huis gaf het aantal menschen
aan dat hij had opgegeten. Die rij was tweehonderd en dertig schreden
lang, en het aantal steenen dat er in was bedroeg achthonderd en twee
en zeventig. Iedere steen beteekende een opgegeten mensch. Die rij
steenen zou misschien nog langer zijn geweest, had Ra Oendre-oendre
niet het ongeluk gehad een speer in het onderste gedeelte van zijn
rug te krijgen bij een schermutseling in het oerwoud van Somo-Somo,
en opgediend te worden op de tafel van Naoengavoeli, wiens zeer
middelmatige steenenrij slechts achtenveertig exemplaren telde.

De overwerkte zendelingen, uitgebrand door de koorts, volhardden
koppig bij hun taak, soms alle hoop opgevend en vooruitziend naar een
bijzonder teeken van Gods macht, een uitbarsting van Pinkster-vuur,
die een prachtigen oogst van zielen zou brengen. Maar menschenetend
Fidzji was verstokt gebleven in de boosheid. De krulharige kannibalen
hadden weinig zin om hun vleeschpotten in den steek te laten zoolang
de oogst van menschelijke lichamen nog overvloedig was. Soms, als de
oogst al te overvloedig was, maakten zij misbruik van de goedheid der
zendelingen en lieten uitlekken dat er op dien en dien dag een groot
volksfeest plaats zou hebben, ter gelegenheid waarvan er geslacht zou
worden. Direct kochten dan de zendelingen de levens van de slachtoffers
met stokken tabak, vadems calico, en pinten glazen kralen. Zoo dreven
de opperhoofden een mooien handel met hun overcompleet aan levend
vleesch. Bovendien konden zij er altijd op uit trekken en nieuw halen.

Het was in dit tijdsgewricht dat John Starhurst luide verkondigde dat
hij het Evangelie zou brengen van kust tot kust van het Groote Land,
en dat hij zou beginnen met door te dringen in de bergvestingen aan
de bronnen van de Rewa. Zijn woorden werden met ontsteltenis ontvangen.

De inlandsche hulppredikers schreiden zacht. Zijn twee collega's
trachtten het hem te ontraden. De Koning van Rewa waarschuwde hem
dat de bergbewoners hem zeker zouden kai-kai-en--kai-kai beteekende
eten--en dat hij, de Koning van Rewa, omdat hij Lotoe geworden was,
zich genoodzaakt zou zien oorlog te gaan voeren met de bergbewoners.

Hij wist heel goed dat hij hen niet kon onderwerpen. Hij wist eveneens
heel goed dat zij in staat waren de rivier af te komen en Rewa te
verwoesten. Maar wat kon hij doen? Als John Starhurst volhardde bij
zijn plan om er op uit te trekken en opgegeten te worden, zou er een
oorlog komen die honderden levens zou kosten.

Later op den dag kwam er een deputatie van de hoofden van Rewa bij John
Starhurst. Hij hoorde hen geduldig aan, en redeneerde geduldig met
hen, maar week geen duimbreed van zijn plan af. Aan zijn collega's
legde hij uit dat hij niet streefde naar het martelaarschap; dat
de roep tot hem gekomen was het Evangelie te brengen op Viti Levoe,
en dat hij slechts gevolg gaf aan den wensch van den Heer.

Tegen de handels-agenten, die bij hem kwamen en zich het hevigst
van allen verzetten, zei hij: "Uw bezwaren zijn zonder waarde. Zij
bestaan alleen in het nadeel dat misschien zal worden toegebracht
aan uw zaken. Uw werk is geld verdienen, maar mijn werk is zielen
redden. De heiden van dit duistere land moet bekeerd worden."

John Starhurst was geen dweeper. Hij zou de eerste geweest zijn om
die aantijging van de hand te wijzen. Hij was bij uitstek praktisch
en gezond. Hij was er van overtuigd dat zijn zending goede resultaten
zou hebben, en hij had zijn eigen vizioenen van hoe hij de vonk van
Pinkstervuur in de harten der bergbewoners zou doen opvlammen en
hoe een nieuw, krachtig leven zou ontstaan dat zou neerdalen uit de
bergen over de lengte en breedte van het Groote Land, van zee naar zee,
en over de eilandjes te midden van de zee.

Er lichtten geen wilde glansen in zijn zachte grijze oogen, slechts
kalme vastbeslotenheid en een onwrikbaar vertrouwen in de Hoogere
Macht die hem leidde.

Eén man slechts vond hij die instemde in zijn plan, en dat was Ra
Vatoe, die hem in het geheim aanmoedigde en aanbood hem gidsen te
leenen tot aan de eerste uitloopers van de bergen. John Starhurst, op
zijn beurt, schepte groot behagen in het gedrag van Ra Vatoe. Vroeger
een onverbeterlijke heiden, met een ziel die even zwart was als
zijn daden, begon Ra Vatoe licht uit te stralen. Hij sprak zelfs van
Lotoe worden. Het is waar, drie jaren geleden had hij een dergelijk
verlangen te kennen gegeven, en hij zou de kerk zijn binnengetreden,
als John Starhurst geen bezwaar had gemaakt tegen de vier vrouwen
die hij met zich meebracht.

Ra Vatoe had economische en ethische bezwaren tegen de
monogamie. Bovendien had de spitsvondige tegenwerping van den zendeling
hem beleedigd; en om te toonen dat hij een vrij man was en een man
van eer bovendien, had hij zijn geweldige oorlogsknots gezwaaid boven
Starhurst's hoofd. Starhurst ontkwam door onder de knots door op hem
af te springen en hem vast te houden tot er hulp naderde. Maar dat
was nu allemaal vergeven en vergeten. Ra Vatoe zou in de kerk komen,
niet alleen als bekeerd heiden, maar ook als bekeerd polygamist. Hij
wachtte nog slechts, verzekerde hij Starhurst, tot zijn oudste vrouw,
die erg ziek was, zou sterven.

John Starhurst voer de traag-stroomende Rewa op in een van de kano's
van Ra Vatoe. Die kano zou hem twee dagen ver brengen, en daarna, als
het eind van het bevaarbaar gedeelte bereikt was, terugkeeren. Heel
in de verte kon men de groote, wazige bergen zien, die, hoog zich
heffend in de lucht, den ruggegraat vormden van het Groote Land. Den
geheelen dag staarde John Starhurst er naar met ongeduldig verlangen.

Soms bad hij in stilte. Ook vereenigde hij zich wel in gebed met
Naraoe, een inlandschen hulpprediker, die zeven jaren lang Lotoe
geweest was, aan één stuk door sinds den dag dat hij van den heeten
oven gered was door Dr. James Ellery Brown, voor den geringen prijs
van honderd stokken tabak, twee katoenen dekens, en een groote flesch
pijndooder. Op het laatste oogenblik, na twintig uren in de eenzaamheid
gesmeekt en gebeden te hebben, hadden Naraoe's ooren de stem gehoord
die hem zeide te gaan met John Starhurst tot de bekeering der menschen
in de bergen.

"Meester, ik zal zeker met u mee gaan," had hij verklaard.

John Starhurst had hem begroet met kalme vreugde. Voorwaar, de Heer
was met hem, dat Hij een zwak, gebroken schepsel als Naraoe zóó tot
daden wekte.

"Maar ik ben zonder kracht en geest, de zwakste van 's Heeren vaten,"
legde Naraoe uit, den eersten dag in de kano.

"Je moet geloof hebben, meer geloof," berispte de zendeling hem.

Er voer nog een andere kano de Rewa op dien dag. Maar ze bleef een
uur achter, en zorgde dat ze niet gezien werd. Deze kano was ook
eigendom van Ra Vatoe. In die kano was Erirola, de neef en vertrouwde
schildknaap van Ra Vatoe; en in het kleine mandje dat nooit uit zijn
hand kwam, was een walvischtand. Het was een prachtige tand, volle
vijftien duim lang, en mooi evenredig gevormd; en het ivoor was geel
en paars geworden van ouderdom. Die tand was eveneens eigendom van Ra
Vatoe; en wanneer er op Fidzji een dergelijke tand rond gaat, gebeurt
er gewoonlijk iets. Want dit is de kracht van den walvischtand: Al wie
hem aanneemt kan het verzoek dat er mee gepaard gaat of er op volgt
niet weigeren. Het verzoek kan alles zijn, van een menschenleven tot
een stamverbond, en geen Fidzji-eilander is zóó dood voor eergevoel
om het verzoek te weigeren als de tand eenmaal is aangenomen. Soms
heeft het verzoek geen succes, of wordt de voldoening uitgesteld,
met onaangename gevolgen.

Aan het einde van den tweeden dag van zijn tocht, rustte John Starhurst
in het dorp van een opperhoofd, Mongondro genaamd, aan den bovenloop
van de Rewa. Hij dacht den volgenden morgen te voet verder te gaan,
vergezeld door Naraoe, naar de wazige bergen, die nu, dichterbij
gekomen, groen en fluweelig waren. Mongondro was een zacht gehumeurd
klein oud kereltje die zich rustig bewoog.

Hij was bijziende en lijdend aan elephantiasis, en voelde geen neiging
meer tot de beroering van den oorlog. Hij ontving den zendeling
met warme gastvrijheid, gaf hem te eten van zijn eigen tafel, en
voerde zelfs gesprekken over den godsdienst met hem. Mongondro was
nieuwsgierig aangelegd, en wilde graag alles weten, en het verheugde
John Starhurst zeer dat hij hem vroeg om een verklaring van het
bestaan en het ontstaan der dingen. Toen de zendeling klaar was met
zijn korte samenvatting van de Schepping volgens Genesis, zag hij
dat Mongondro diep geroerd was. Het kleine oude dorpshoofd zat een
tijdlang zwijgend te rooken. Toen nam hij de pijp uit zijn mond en
schudde droevig zijn hoofd.

"Het kan niet zijn", zei hij. "Ik, Mongondro, was in mijn jeugd een
goed werkman met de dissel. En toch had ik drie maanden noodig om
een kano te maken, een kleine kano, een heele kleine kano. En jij
zegt dat al dit land en water gemaakt is door één man--"

"Neen, gemaakt is door één God, den eenig waren God," onderbrak
de zendeling.

"Het is hetzelfde", ging Mongondro door, "dat al het land en al het
water, de boomen, de visschen, de bosschen, de bergen, de zon, de
maan, en de sterren in zes dagen gemaakt zijn! Neen, neen. Ik zeg je
dat ik een bekwaam man was in mijn jeugd, en toch had ik drie maanden
noodig voor één kleine kano. Het is een verhaaltje om kinderen mee
bang te maken; maar geen man kan het gelooven."

"Ik ben een man", zei de zendeling.

"Zeker, jij bent een man. Maar het is mijn duister begrip niet gegeven
om te weten wat jij gelooft."

"Ik zeg u, ik geloof dat alles gemaakt is in zes dagen."

"Dat zeg je nu wel, dat zeg je nu wel," mompelde de oude kannibaal
sussend.

Niet dan nadat John Starhurst en Naraoe naar bed waren gegaan kroop
Erirola het huis van het dorpshoofd binnen, en overhandigde hem,
na een diplomatieke redevoering, den walvischtand.

Het oude dorpshoofd hield den tand heel lang in zijn handen. Het was
een mooie tand, en hij wilde hem erg graag hebben. Ook raadde hij het
verzoek dat er achter zat. "Neen, neen; walvischtanden waren mooi,"
en het water kwam hem in zijn mond, maar hij gaf hem onder veel
verontschuldigingen terug aan Erirola.

Vroeg in de morgenschemering was John Starhurst op de been, schrijdend
over het boschpad in zijn groote leeren laarzen, achter hem aan de
trouwe Naraoe, hij zelf achter een naakten gids aan, die hem geleend
was door Mongondro om den weg te wijzen naar het volgende dorp, dat om
twaalf uur bereikt werd. Hier kwam een nieuwe gids den weg wijzen. Een
mijl achter hem aan zwoegde Erirola, de walvischtand in het mandje
over zijn schouder geslagen. Twee dagen volgde hij den zendeling,
en bood den tand aan de verschillende dorpshoofden aan. Maar dorp
na dorp weigerde den tand. Hij volgde zóó snel op de aankomst van
den zendeling dat zij het verzoek raadden dat er gedaan zou worden,
en zij wilden er niets mee te maken hebben.

Zij kwamen langzamerhand diep in de bergen, en Erirola nam een geheim
pad, sneed den zendeling den pas af, en bereikte vóór hem de vesting
van den Boeli van Gatoka. De Boeli nu wist niet van John Starhurst's
naderende komst. Bovendien was de tand mooi--een buitengewoon
exemplaar, en de kleur was van de zeldzaamste hoedanigheid. De tand
werd in het openbaar aangeboden. De Boeli van Gatoka, zittend op zijn
beste mat, omgeven door zijn hoplieden, drie vliegenjagers achter
hem aan het werk, verwaardigde zich uit de hand van zijn heraut
den walvischtand te ontvangen, die hem werd aangeboden door Ra
Vatoe en die in de bergen was gebracht door zijn neef Erirola. Een
geweldig handgeklap weerklonk toen het geschenk werd aanvaard, en
de vergaderde hoplieden, herauten en vliegenjagers riepen in koor:
A! woi! woi! woi! A! woi! woi! woi! A taboea levoe! Woi! woi! A
moedoea, moedoea, moedoea!

"Weldra zal er een man komen, een blanke man," begon Erirola, na de
vereischte pauze. "Het is een zendeling, en hij zal vandaag komen. Het
behaagt Ra Vatoe zijn laarzen te begeeren. Hij wenscht ze ten geschenke
te geven aan zijn goeden vriend Mongondro, en het is zijn plan om ze
te sturen met de voeten er in, want Mongondro is een oud man en zijn
tanden zijn niet goed meer. Zorg er voor, o Boeli, dat de voeten mee
gaan in de laarzen. Wat de rest van hem betreft, die mag hier blijven."

De verrukking over den walvischtand verdween uit de oogen van den
Boeli, en hij keek aarzelend om zich heen. Maar hij had den tand
aangenomen.

"Een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan", bemoedigde
Erirola.

"Neen, een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan,"
antwoordde de Boeli, die zichzelf weer was. "Mongondro zal de laarzen
hebben. Vlug, jonge mannen, ga den zendeling tegemoet op het pad. Drie
of vier is genoeg. Zorg dat je de laarzen ook meebrengt."

"Het is te laat", zei Erirola. "Luister! Hij komt er aan."

John Starhurst, met Naraoe dicht op zijn hielen, brak door het dichte
hout, en verscheen met groote schreden op het tooneel. De bewuste
laarzen waren volgeloopen bij het doorwaden van den stroom en spoten
fijne straaltjes water uit bij iederen stap. Starhurst keek om zich
heen met schitterende oogen. Gesteund door een onwankelbaar vertrouwen,
ontoegankelijk voor twijfel of vrees, juichte hij innerlijk over
alles wat hij zag. Hij wist dat hij sinds het begin der tijden de
eerste blanke was die de bergvesting Gatoka betrad.

De gras-hutten stonden tegen den steilen bergwand geklemd of hingen
boven de wild-stroomende Rewa. Aan beide kanten torende een machtige
rotsmuur. Drie uren zonlicht op zijn best konden er doordringen in die
nauwe spleet. Er waren geen kokospalmen of bananen te zien, ofschoon
dichte, tropische plantengroei zich over alles heen stortte, druipend
in lichte slingers van den hoogen rand der bergwanden, en in weligen
overvloed stroomend uit al de spleten en uitstekende randen. Aan het
verre einde van de kloof sprong de Rewa achthonderd voet omlaag in
één enkelen boog, en de atmosfeer in de rotsvesting trilde mee met
den rhythmischen donder van den waterval.

Uit het huis van den Boeli zag John Starhurst den Boeli en zijn gevolg
te voorschijn komen.

"Ik breng u goede tijding", was de begroeting van den zendeling.

"Wie heeft je gestuurd?" repliceerde de Boeli rustig.

"God."

"Het is een nieuwe naam op Viti Levoe", grijnsde de Boeli. "Van welke
eilanden, dorpen, of bergpassen is hij het opperhoofd?"

"Hij is het opperhoofd van alle landen, alle dorpen, alle bergpassen,"
antwoordde John Starhurst plechtig. "Hij is de Heer van hemel en aarde,
en ik ben gekomen om u Zijn woord te brengen."

"Heeft hij walvischtanden gestuurd?" was de onbeschaamde vraag.

"Neen, maar kostbaarder dan walvischtanden is de--"

"Het is gewoonte tusschen opperhoofden om walvischtanden te sturen,"
onderbrak de Boeli. "Je opperhoofd is òf een gierigaard, óf jij
bent een dwaas, om met leege handen in de bergen te komen. Zie,
een grootmoediger mensch is je vóór."

Terwijl hij dat zei, liet hij den walvischtand zien dien hij had
aangenomen van Erirola.

Naraoe kreunde.

"Het is de walvischtand van Ra Vatoe," fluisterde hij Starhurst
in. "Ik ken hem goed. Nu is het met ons gedaan."

"Dat is gunstig," antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand
door zijn langen baard en zette zijn bril recht. "Ra Vatoe heeft
gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden."

Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij
zoo trouw achter aan had geloopen.

"Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden", legde Starhurst uit, "en ik ben
gekomen om u de Lotoe te brengen."

"Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben", zei de Boeli trotsch. "En
het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan."

De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar
voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis
binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten;
maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen
om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te
betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was
niet ontdaan of bang.

"Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden", zei hij tegen den
wilde. "Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad
gedaan."

Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij
niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef
zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om
zijn dood.

"Ik ben John Starhurst", ging hij kalm verder. "Ik heb drie jaren
lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee
te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij
dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben."

De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor
de daad.

De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die
allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de
zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet
hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om
den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden
toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.

"Weg met jullie", riep hij. "Goed nieuws voor de bewoners van de
kust--een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens,
zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is."

"Wacht, o Boeli," riep John Starhurst vanuit het dichtst van de
verwarring, "en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn
Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan."

"Kom dan hier," antwoordde de Boeli, "want mijn wapen is maar een
onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet
weerstaan."

De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen,
tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige
oorlogsknots.

"Kom hier, zendeling, en overwin mij," daagde de Boeli uit.

"Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen," was John Starhurst
's antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben,
kwam hij naar voren.

De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.

"In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen,"
begon het betoog.

"Ik laat het antwoord aan mijn knots", was de repliek van den Boeli. En
op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij
den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen
onder de geheven knots te voorkomen. Toen, en toen voor het eerst,
wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in
te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider
stem--de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke,
die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft
opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in
de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.

"Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen," bad hij. "O, Heer! heb
medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons
om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle
menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen,
en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister,
o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek
Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji."

De Boeli werd ongeduldig.

"Nu zal ik je antwoorden", mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide
hij zijn knots met beide handen.

Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag
vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het
lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen
hij hoorde zingen:

"Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes."

"Want ik ben de voorvechter van mijn land."

"Dank! Dank! Dank!"

Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:

"Waar is de dappere man?"

Een honderd stemmen brulden het antwoord:

"Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden."

"Waar is de lafaard?" vroeg de enkele stem.

"Hij gaat het vertellen!" brulden de honderd stemmen terug. "Hij gaat
het vertellen!"

Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf
deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de
lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat
er gebeurd was.




MAOEKI.


Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger,
en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart
of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon
van een dorpshoofd. Hij had drie _tambo's._ Tambo is Melanesisch voor
_taboe_ en volle neef van dat Polynesische woord. De drie _tambo's_
van Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een
hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke
eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten
noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op
gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch
varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond
al was het maar zooveel als een tand.

Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of
misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één
enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker
tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd
opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is
een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland
in de Salomon-groep--zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog
geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de
eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne
koelie-wervers, uitgerust met automatische geweren en benzine-motoren,
zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door
tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog,
in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers,
die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden
om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de
buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen
van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om
op plantages te werken.

Maoeki's ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op
twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere
gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd
om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen
gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk
ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw
berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was
universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij
zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen,
hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten
platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode
hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte
voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn
eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar
duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op
een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van
een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden
ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald.

Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig
gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook
bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.

Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en
vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig
en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht
en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen
kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die
zoo'n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet
konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding,
onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden
in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid
verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.

Maoeki's vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat
Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij
kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open
boek. Van kano's had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij
een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang
zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet
water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners,
die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna
zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in
het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij
werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen,
overal verspreid over de randen van Malaita's bergketens, waarvan de
rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat
de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het
binnenland. Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland
van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud
werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu
naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.

Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa
gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was
een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was
een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker
kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe
water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag
twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit,
en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van
drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen
kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar
de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er
twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag
hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af,
vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna,
en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen
in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp,
mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het
diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen
aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak
en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt,
de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.

Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder
tabak. Ook waren zijn jonge mannen te bang geworden om te gaan teekenen
op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki,
naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist
tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen,
calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op
de plantages.

Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener
brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke
waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden
zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in
alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van
vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel
als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het
gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van
den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke
menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in
hun bezit--geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten,
dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen
wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen
praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een
speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit
zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.

Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene
blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de
andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en
lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip
was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen
hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er even aan
met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen
op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet
uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering
der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel,
de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.

Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen,
en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit
Maoeki's haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een
lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.

Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden
had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet
op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen
en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat
werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals
nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd
en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En
het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets dan
aardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag
uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken
voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen
kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker,
en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor
straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in
de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden,
of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.

Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee
hij kon praten met alle blanken en met alle inlandsche koelies die
anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook
leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun
woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak
zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat
ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed,
en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit
hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam
voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden
en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van
zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje
werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs
als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze
nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.

Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de
zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij
uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had
zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij
week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting
zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin
naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij
werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.

Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van
Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten
zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die
in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er
twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven
glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in
de sloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen
gehouden--zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn
te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond
vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed
om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.

Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot
huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was
het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky
op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed
het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar
dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel
voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en
omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de
geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer
hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden
nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval
uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op
het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd
verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met
een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist
dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.

De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij
reisden 's nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen,
onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere
eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot
ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar
het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval,
bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita
was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden
ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet
halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar
het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang
waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki
en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote
blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke
meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één
voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien
nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij
teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven
glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was
geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De
boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van
weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk
moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder
bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.

Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij
op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de
Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust
van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had,
gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een
week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand
in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen,
en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning
van vijfhonderd stokken tabak uit, en telkens als Maoeki zich op
het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de
kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk,
nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen
werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu
vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar,
en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht
maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.

Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te
berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan
naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt
terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby,
de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem
als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de
Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde
ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen
werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener
deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal,
waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en
in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden,
vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde,
werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar
Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield
tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon
de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den
vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de
maatschappij in de schuld stond was zes.

Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen
in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar
ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en
ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van
de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki
werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht
maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener
binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door
een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem
stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem
overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak
die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem,
en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.

"We zullen hem naar Lord Howe sturen", zei mijnheer Haveby. "Bunster
zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik
stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki,
en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn."

Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal
naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de
glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit
rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen
in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte,
en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den
zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol
koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch
tot de Salomon's. Het is een atol, terwijl de Salomon's hooge eilanden
zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners
van de Salomon's Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den
grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van
heden doorgaat en groote kano's met vlerken op zijn stranden spoelt
met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming
van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.

Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms
genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen,
en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke
zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De
vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch
zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. De _Zeilaanwijzingen_
spreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen
die de _Zeilaanwijzingen_ samenstellen hebben nooit gehoord van
de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die,
enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens
vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige
overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie
koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden
hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke
te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden,
en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners
zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van
dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen
om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien
werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand,
de kano's vernield, de kippens en varkens doodgeschoten, en de kostbare
kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden
de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten
van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om
een blanke kwaad te doen.

Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor
de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij
had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het, behalve ontslag
uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat
de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid
een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote,
zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.

Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij
was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar
dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn
bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de
maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er
een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen,
sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak
terug op den schoener die hem gebracht had.

De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen
was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig
vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar
Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje--tien dagen lang,
aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een
gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los;
onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven
op hem te dansen. Bang voor wat er zou gebeuren als zijn slachtoffer
beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij
zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die
al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.

Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde,
de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing
met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen
stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen
de schoener vertrok, riep hij de Kanaka's [1] op het strand en daagde
hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde
een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka's legde hij,
maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een
kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.

En zoo begon Bunster's heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen
woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven,
zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en
kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden
dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich
achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden
in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil
besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.

En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te
werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep,
goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster
woog tweehonderd pond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was
een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En
beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.

Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten
werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend
aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die
veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd
zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet
verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki,
en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn
bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en
een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen
huisjongen.

En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden
dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan
koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar
Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug
zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op
(het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad
de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn
mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij
sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en
lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over
de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning
brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa,
en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.

"Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!" schreeuwde
de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de
gebroken leuning.

Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich
stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens
afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de
boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken
bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam
waarom Bunster een derde vrouw had genomen--met geweld, zooals algemeen
bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof
onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden
voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster
hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder
twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.

Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van
den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als
Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als
hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij
ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem
al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te
zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en
meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De
dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich
de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande
dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud
was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou
het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip
brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om
zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden
hem bij ongeluk te laten verdrinken bij de eerste de beste gelegenheid
om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter
niet omsloeg.

Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was
zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?

Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag
en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter
zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden
keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te
vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met
zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het
bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En
Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.

Alle andere blanken hadden zijn _tambo's_ geëerbiedigd; Bunster
niet. Maoeki's wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster
gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te
nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn
tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd
voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond
liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen
die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen waren
_tambo_. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken,
en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de
jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij,
en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest
om hem te vervangen.

Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige
lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een
andere grap was onverwachts, als hij er het minst op verdacht
was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki's vleesch
te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden
keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij,
rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki's neus, en scheurde zoo zijn
geheele neustusschenschot stuk.

"O, wat 'n smoel!" was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag
die hij had aangericht.

Het vel van een haai is als schuurpapier, maar het vel van een rog
is als een rasp. In de Zuidzee wordt het door de inlanders gebruikt
als houtvijl om kano's en pagaaien glad te schaven. Bunster liet
een handschoen van roggevel maken. Den eersten keer dat hij hem op
Maoeki probeerde, haalde hij met één veeg van zijn hand de huid van
Maoeki's rug, van nek tot oksel. Bunster was verrukt. Hij gaf zijn
vrouw een proefje van den handschoen, en probeerde hem grondig op de
bootjongens. De eerste ministers kwamen om elk een veeg in ontvangst
te nemen, en ze moesten lachen en het als een grap beschouwen.

"Lach, verdomme, lach!" zoo gaf hij de houding aan die zij hadden
aan te nemen.

Maoeki werd het ruimst bedeeld met den handschoen. Er ging geen dag
voorbij zonder een streeling met het instrument. Er waren tijden dat
het verlies van zooveel opperhuid hem 's nachts uit den slaap hield,
en dikwijls werd de half-genezen oppervlakte op nieuw rauw geschuurd
door den grappigen mijnheer Bunster. Maoeki bleef geduldig wachten,
volkomen zeker dat vroeg of laat zijn tijd zou komen. En hij wist
precies wat hij doen zou, tot in de kleinste bijzonderheid, toen de
tijd werkelijk kwam.

Op een morgen stond Bunster op in een humeur om zeven glazen uit het
heelal te slaan. Hij begon bij Maoeki, en hij eindigde bij Maoeki en
in den tijd die daar tusschen verliep, bokste hij zijn vrouw tegen
den grond en rammelde alle bootjongens door elkaar. Aan het ontbijt
noemde hij de koffie spoeling, en gooide den kokenden inhoud van
den kop in Maoeki's gezicht. Om tien uur begon Bunster koortsig te
rillen, en een half uur later brandde hij van koorts. Het was geen
gewone aanval. Het werd snel erger en ontwikkelde zich tot zwarte
koorts. De dagen gingen voorbij, en hij werd zwakker en zwakker
en kwam niet meer uit zijn bed. Maoeki bleef toekijken en wachten,
terwijl zijn huid weer heel werd. Hij gaf de jongens bevel om den
kotter op het strand te halen, den bodem te schrobben, en alles
in orde te maken. Zij dachten dat het bevel van Bunster uitging,
en gehoorzaamden. Maar Bunster lag bewusteloos op dat oogenblik en
gaf geen bevelen. Dit was Maoeki's kans, maar nog steeds wachtte hij.

Toen het ergste voorbij, en Bunster weer bij kennis en herstellende
was, hoewel nog zwak als een klein kind, pakte Maoeki zijn weinige
lijfsieraden in zijn kist, het porseleinen kopjes-oor incluis. Toen
ging hij naar het dorp en had een onderhoud met den koning en zijn
twee ministers.

"Dit Bunster, hem goed jij hou van 'm veel?" vroeg hij. Zij verklaarden
hem uit één mond dat ze heelemaal niet van den agent hielden. De
ministers barstten los in een omstandig verhaal van al den smaad en
het onrecht waarmee ze waren overladen. De koning liet alle waardigheid
varen, en schreide. Maoeki onderbrak hen ruw.

"Jij snap mij--mij groot meester mij land. Jij niet hou van 'm
dit wit meester. Mij niet hou van 'm. Veel goed jij doe honderd
kokosnoot, tweehonderd kokosnoot, driehonderd kokosnoot bij kotter. Hem
afgeloopen, jij ga slaap 'm goed. Allemaal Kanaka slaap 'm goed. Zoo
gauw groot lawaai bij huis, jij niet snap hoor 'm dat lawaai. Jij
allemaal slaap sterk te veel."

Een dergelijk onderhoud had Maoeki met de bootjongens.

Toen beval hij Bunster's vrouw terug te keeren naar het huis van haar
familie. Als zij geweigerd had, zou hij in een moeilijk parket zijn
geweest, want zijn _tambo_ zou hem niet toegestaan hebben haar beet
te pakken.

Toen het huis verlaten was, ging hij de slaapkamer binnen, waar
de agent in een lichte sluimering lag. Maoeki nam eerst de twee
revolvers weg en deed daarna den rog-handschoen aan zijn hand. De
eerste waarschuwing die Bunster kreeg was een slag met den handschoen
die het vel wegnam over de heele lengte van zijn neus.

"Goed, hè?" grijnsde Maoeki tusschen twee slagen door, waarvan de
eene het voorhoofd bloot veegde en de andere één kant van zijn gezicht
schoon raspte. "Lach, verdomme, lach!"

Maoeki verrichte zijn werk degelijk, en de Kanaka's, verscholen in
hun huizen, hoorden het "groot lawaai" dat Bunster maakte en een paar
uren lang bleef maken.

Toen Maoeki klaar was, droeg hij het bootkompas en al de geweren en
ammunitie naar den kotter, dien hij ballastte met kisten tabak. Het
was terwijl hij zich hiermee bezig hield, dat er een afschuwelijk
wezen zonder vel uit het huis kwam en gillend het strand af holde,
tot het in het zand viel en bleef liggen brullen en razen onder de
schroeiende zon.

Maoeki keek er even naar en aarzelde. Toen ging hij er heen en nam het
hoofd weg, wikkelde het in een mat, en stuwde het in het roerkastje
van den kotter.

Zoo vast sliepen de Kanaka's dien langen, heeten dag, dat zij niet
zagen hoe de kotter door de doorvaart naar zee liep en koers zette
naar het zuiden, scherp bij den zuidoostpassaat zeilend. Ook werd de
kotter niet gezien op den langen overtocht naar de kust van Isabella
en gedurende het moeizaam tegen den wind opwerken vandaar naar
Malaita. Maoeki landde in Port Adams met een rijkdom van geweren en
tabak zooals nog geen man vóór hem ooit bezeten had. Maar hij bleef
daar niet. Hij had het hoofd van een blanke genomen, en alleen het
oerwoud kon hem beschermen. Dus ging hij terug naar de boschdorpen,
waar hij den ouden Fanfoa en een half dozijn van de voornaamste
aanvoerders dood schoot en zich zelf opperhoofd maakte van al de
dorpen. Toen zijn vader gestorven was, heerschte Maoeki's broer in
Port Adams, en, vereenigd, kust- en boschbewoners, was de combinatie
die er uit ontstond de sterkste van de honderden vechtende stammen
van Malaita.

Sterker dan zijn vrees voor het Britsche Gouvernement was Maoeki's
vrees voor de almachtige Moongleam Zeepmaatschappij; en op een dag
bereikte hem in het oerwoud een boodschap, die hem in herinnering
bracht dat hij de maatschappij acht en een half jaar arbeid schuldig
was. Hij stuurde een gunstig antwoord terug, en toen verscheen de
onvermijdelijke blanke, de kapitein van den schoener, de eenige
blanke die gedurende Maoeki's regeering zich waagde in het oerwoud
en er levend uitkwam. Deze man kwam er niet alleen uit, maar bracht
zevenhonderd en vijftig dollar in goudstukken met zich mee, de prijs
in geld van acht en een half jaar werken plus de kostende prijs van
zekere geweren en kisten tabak.

Maoeki weegt niet langer honderd en tien pond. Zijn buik heeft driemaal
zijn vroeger en omvang, en hij heeft vier vrouwen. Hij heeft nog
veel andere dingen--geweren en revolvers, het oor van een porseleinen
kopje en een uitgelezen verzameling hoofden van boschbewoners. Maar
kostbaarder dan de heele verzameling is een ander hoofd, prachtig
gedroogd en gerookt, met rossig haar en een geelachtigen baard, dat
bewaard wordt in de fijnst geweven lava-lava's. Als Maoeki ten oorlog
trekt tegen dorpen buiten zijn rijk, haalt hij altijd zijn hoofd te
voorschijn, en, alleen in zijn gras-paleis, beschouwt hij het lang en
plechtig. Op zulke oogenblikken valt er een stilte als van den dood
over het dorp, en er is zelfs geen kind dat leven durft te maken. Het
hoofd wordt beschouwd als de machtigste duvel-duvel op Malaita, en
aan het bezit daarvan wordt al de grootheid van Maoeki toegeschreven.




"JAH! JAH! JAH!"


Hij was een whisky-drinkende Schot, en hij nam zijn whisky puur. Zijn
eerste graantje gebruikte hij precies om zes uur 's morgens, en hij
herhaalde dat met regelmatige tusschenpoozen den geheelen dag door
tot hij naar bed ging, hetgeen meestal te middernacht plaats vond. Hij
sliep maar vijf uren van de vier en twintig, en de overige negentien
uren was hij rustig en netjes dronken. Gedurende de acht weken die ik
bij hem op Oolong Atol doorbracht, heb ik hem geen oogenblik nuchter
gezien. Het kon ook niet anders, want zijn slaap was zóó kort,
dat hij den tijd niet had om bij te trekken. Hij was de mooiste,
gelijkmatigste dronkaard die ik ooit heb kunnen waarnemen.

Hij heette McAllister. Hij was een oud man, en erg wankel op zijn
stelten. Zijn hand trilde alsof hij een beroerte had gehad. Vooral
was dat merkbaar als hij zijn whisky inschonk, hoewel ik hem nooit
een druppel heb zien morsen. Achtentwintig jaren was hij geweest in
Melanesië, van Duitsch Nieuw-Guinea tot de Duitsche Salomon-eilanden,
en hij was zoo heelemaal één geworden met dat gedeelte van de wereld,
dat hij gewoon was zich uit te drukken in het bastaard-taaltje dat
tripang-Engelsch genoemd wordt. Zoo beteekende, wanneer hij met mij
praatte, _zon hij kom op_, zonsopgang; _kai-kai hij blijf_, dat het
diner klaar was; en _buik van mij loop rond_ wilde zeggen dat zijn
maag niet in orde was. Hij was een klein mannetje, en bovendien nog
ingeschrompeld; van binnen en van buiten verschroeid door brandenden
drank en brandende zon. Hij was een uitgedoofd kooltje vuur, een klein,
levend stukje asch, dat nog niet heelemaal koud was, en zich stijf
bewoog, met plotselinge rukken en schokken, als een automaat. Een
windstoot zou hem weggeblazen hebben. Hij woog negentig pond.

Maar het groote, het geweldige in hem was de kracht waarmee hij
regeerde. Oolong Atol was honderdveertig mijlen in omtrek. Men
stuurde op het kompas in zijn lagune. Het was bevolkt door zesduizend
Polynesiërs, allen groote, sterke mannen en vrouwen. Er waren er
genoeg onder hen die zes voet lang waren en een paar honderd pond
wogen. Oolong lag op tweehonderd vijftig mijlen afstand van het naaste
land. Twee keer in het jaar viel er een kleine schoener binnen om kopra
te laden. De eenige blanke op Oolong was McAllister, kleine zaakjes
doend en zonder ophouden drinkend; en hij regeerde Oolong en zijn
zesduizend wilden met ijzeren hand. Hij zei kom, en zij kwamen, ga,
en zij gingen. Zij vroegen nooit waarom hij iets wilde of dacht. Hij
was humeurig zooals alleen een oude Schot kan zijn, en hij bemoeide
zich voortdurend met hun particuliere aangelegenheden. Toen Noegoe,
de dochter van den koning, wilde trouwen met Haoenaoe die aan het
andere einde van de atol woonde, zei haar vader ja, maar McAllister
zei neen, en het huwelijk is niet doorgegaan. Toen de koning een
zeker eilandje in de lagune wilde koopen van den opperpriester, zei
McAllister neen. De koning stond bij de maatschappij in de schuld tot
een bedrag van honderdtachtig duizend kokosnoten, en zoolang die niet
betaald waren, zou hij geen enkele kokosnoot aan iets anders besteden.

En toch hielden de koning en zijn volk niet van
McAllister. Integendeel, ze haatten hem vreeselijk, en eens heeft,
dat weet ik, de heele bevolking, met de priesters aan het hoofd, drie
maanden lang tevergeefs getracht hem dood te bidden. De duvel-duvels
die ze naar hem toe stuurden waren ontzagwekkend, maar aangezien
McAllister niet geloofde in duvel-duvels, hadden ze over hem geen
macht. Alle teekenen falen bij dronken Schotten. Ze verzamelden stukjes
voedsel die zijn lippen hadden aangeraakt, een leege whisky-flesch,
een kokosnoot waarvan hij gedronken had, en zelfs zijn speeksel, en
ze verrichtten daar allerlei duivelskunsten en bezweringen mee. Maar
McAllister bleef leven. Zijn gezondheid was voortreffelijk. Hij had
nooit koorts, hij vatte nooit kou, hoestte nooit; dysenterie ging hem
voorbij; en de kwaadaardige gezwellen en gemeene huidziekten, waarvan
blanken en zwarten beide te lijden hebben in dat klimaat, hadden geen
vat op hem. Hij moet zóó verzadigd zijn geweest met alcohol, dat de
ziektekiemen op hem niet konden leven. Ik stelde mij altijd voor,
dat ze in heele wolken van microscopische asch op den grond vielen
zoodra ze in zijn met whisky gedrenkte sfeer kwamen. Niemand hield
van hem, zelfs bacillen niet, en hij hield alleen van whisky en hij
leefde nog steeds.

Ik begreep het niet. Ik kon me niet voorstellen dat zesduizend
inlanders genoegen namen met de tyrannie van dien verschrompelden
dwerg. Het was een wonder dat hij niet al lang plotseling gestorven
was. Het volk was, anders dan de laffe Melanesiërs, trotsch en
oorlogszuchtig. Op het groote kerkhof, aan de hoofd- en voeteneinden
van de graven, lagen herinneringen aan een bloedige historie--spaden
voor walvischspek, roestige oude bajonetten en hartsvangers, koperen
bouten, roer-ijzers, harpoenen, koperen kanonnen, baksteenen die
nergens anders vandaan konden komen dan uit het smeltfornuis van een
walvischvaarder, en oude koperen munten uit de zestiende eeuw, die de
overlevering van de eerste Spaansche zeevaarders bevestigden. Schip na
schip was aan zijn eind gekomen op Oolong. Geen dertig jaren geleden
was de walvischvaarder _Blennerdale_, die de lagune binnenliep
om te repareeren, met alle hens buitgemaakt. Op dezelfde manier
had de bemanning van de _Gasket_, een sandelhoutvaarder, den dood
gevonden. Dan was er een groote Fransche bark, de _Toulon_, die
overvallen werd door een windstilte voor de atol. De eilanders kwamen
na een hevig gevecht aan boord, en lieten het schip wrak slaan in de
Lipaoe Doorvaart; en alleen de kapitein en een handvol matrozen konden
ontsnappen in de barkas. Verder waren er de Spaansche munten, die
spraken van het einde van een van de oude ontdekkingsreizigers. Dit
alles, over de genoemde schepen, is geschiedenis, en men kan
het vinden in de _Zeilaanwijzingen voor de Stille Zuidzee_. Maar
dat er nog meer geschiedenis was, ongeschreven, dat moest ik nog
ondervinden. Ondertusschen pijnigde ik mijn hersens met de vraag,
waarom zesduizend primitieve wilden één gedegenereerden Schotschen
despoot in het leven lieten.

Op een heeten middag zaten McAllister en ik op de veranda uit te kijken
over de lagune, met al haar wonderen van glinsterende kleuren. Achter
onzen rug, aan de overzij van de honderd meter met palmen beplant zand,
donderde de branding op het rif. Het was afschuwelijk warm. Wij waren
op 4º Zuiderbreedte, en de zon, die een paar dagen geleden de Linie
gepasseerd was op haar reis naar het zuiden, stond recht boven onze
hoofden. Er was geen wind--zelfs geen vleugje. Het seizoen van den
zuidoost-passaat liep vroeg ten einde, en de noordwest-moesson was
nog niet begonnen te waaien.

"Hun danserij is geen klap waard", zei McAllister.

Ik had toevallig gezegd dat de Polynesische dansen ver boven die van de
Papoea's stonden, en dit had McAllister ontkend, om geen andere reden
dan zijn humeurigheid. Maar het was te heet om te discussieeren, en ik
zei niets. Bovendien had ik de bewoners van Oolong nooit zien dansen.

"Ik zal het je bewijzen", kondigde hij aan, en wenkte den zwarten
jongen van Nieuw-Hannover, een inlandschen koelie die dienst deed
als kok en huisbediende. "Hee, jij, jongen, jij zeg'm een koning kom
bij mij."

De jongen ging weg, en terug kwam de eerste minister, niet erg op
zijn gemak, ontdaan, en voortdurend verontschuldigende verklaringen
ratelend. In het kort, de koning sliep, en mocht niet gestoord worden.

"Koning hij veel sterk slaap", was zijn slotperiode.

Mc Allister was zóó woedend dat de eerste minister zonder zich een
oogenblik te bedenken wegvluchtte, om terug te keeren met den koning
in eigen persoon. Het waren twee prachtige menschen, vooral de koning,
die volle zes voet en drie duim lang moet zijn geweest. Zijn trekken
hadden dat adelaars-achtige, dat men zooveel ziet bij de Indianen van
Noord-Amerika. Hij was geboren, maar ook gemaakt om te heerschen. Zijn
oogen vlamden terwijl hij naar Mc Allister luisterde, maar heel gedwee
gehoorzaamde hij diens bevel om een paar honderd van de beste dansers
uit het dorp te laten halen, mannen en vrouwen. En dansen deden ze,
twee doodelijke uren lang, onder die roosterende zon. Dankbaar waren
ze hem niet, maar dat kon hem weinig schelen, en toen hij hen eindelijk
liet gaan, was het met spot en scheldwoorden.

De kruiperige slaafschheid van die prachtige wilden was iets
afschuwelijks. Hoe kon zoo iets bestaan? Wat was het geheim van zijn
heerschappij? Steeds meer dacht ik over het raadsel terwijl de dagen
voorbij gingen, en ofschoon ik voortdurend staaltjes zag van zijn
onbetwiste oppermacht, was er nooit iets dat de oplossing kon geven.

Op een goeden dag sprak ik toevallig over een kleine teleurstelling
die ik had ondervonden. Ik had een mooi paar kaoeri-schelpen willen
koopen, maar het was me niet gelukt. Als ze geen vijf pond waard
waren in Sydney waren ze ook niets waard. Tweehonderd stokken tabak
had ik den eigenaar aangeboden, maar hij was op driehonderd blijven
staan. Toen ik toevallig over de zaak sprak, liet Mc Allister den man
onmiddelijk halen, nam hem de schelpen af, en overhandigde ze aan
mij. Vijftig stokken tabak was alles wat ik hem mocht betalen. De
man nam de tabak aan en scheen dol blij dat hij er zoo gemakkelijk
af kwam. Wat mij betreft, ik nam me voor mijn tong voortaan wat in
bedwang te houden. En nog steeds piekerde ik over het geheim van
McAllister's macht. Ik ging zelfs zóó ver dat ik het hem op den man
af vroeg, maar alles wat hij deed was één oog dicht knijpen, heel
geheimzinnig kijken, en nog een borrel nemen.

Op een nacht was ik aan het visschen in de lagune met Oti, den man
die zoo kaal van zijn kaoeri-schelpen af was gekomen. Ik had hem
buiten weten van Mc Allister nog honderdvijftig stokken tabak er bij
overgemaakt, en hij was mij gaan beschouwen met een eerbied die veel
op vereering leek; eigenlijk vrij zonderling, want hij was al een
oud man, minstens tweemaal zoo oud als ik.

"Wat naam jij Kanaka altijd 't zelfde klein?" begon ik met hem. "Dat
koopman één. Jij Kanaka veel te veel. Jij Kanaka precies als 'm hond
veel bang bij dat koopman. Hij niet eet jij. Hij niet heeft 'm tand
bij hem. Wat naam jij bang te veel!"

"Stel veel Kanaka maak dood 'm?" vroeg hij.

"Hij dood", zei ik. "Jij Kanaka maak dood 'm veel wit man lang tijd
geleden. Wat naam jij bang dit wit man?"

"Ja, wij maak dood 'm veel", was zijn antwoord. "Mijn woord! Allemaal
veel! Lang tijd geleden. Eén keer, mij jong te veel, een groot schip
hij blijf buiten. Wind hij niet blaas. Veel Kanaka wij pak 'm kano,
veel kano, wij gaan pak 'm dat schip. Mijn woord--wij pak 'm groot
vechten. Twee, drie wit man schiet als duivel. Wij niet bang. Wij kom
langszij, wij gaan aan boord, veel, misschien mij denk vijftig-tien
(vijfhonderd). Een wit vrouw bij dat schip. Nooit eerder mij zie
wit vrouw. Langzaam veel wit man afgeloopen. Een schipper hij niet
dood. Vijf, zes wit man niet dood. Schipper hij schreeuw. Een paar wit
man hij vechten. Een paar wit man hij laat neer boot. Dan allemaal
samen overboord gaan zij. Schipper hij laat wit vrouw neer. Dan zij
spoel-spoel (roeien) sterk veel te veel. Vader van mij die tijd hij
sterk. Hij gooi 'm een speer. Dat speer hij gaat in eene kant dat wit
vrouw. Hij niet blijf. Mijn woord! hij gaat uit andere kant dat wit
vrouw. Zij afgeloopen. Wij niet bang. Veel Kanaka te veel niet bang."

De goede oude Oti was in zijn eer gekwetst, want plotseling stroopte
hij zijn lava-lava af en liet mij het onmiskenbare lidteeken van een
kogel zien. Vóórdat ik iets kon zeggen, liep plotseling zijn lijn
af. Hij greep er naar en trachtte ze binnen te halen, maar merkte
dat de visch om een koraaltak heen was gezwommen. Hij gaf mij een
verwijtenden blik omdat ik zijn aandacht had afgeleid, en sprong
overboord, rechtstandig. Onder water dook hij voorover en volgde zijn
lijn naar den bodem. Het water was tien vadem diep. Ik leunde overboord
en keek naar het spel van zijn voeten, die den zachten phosphorglans
opwoelden tot spookachtige vlammen, steeds vager wordend naarmate
ze dieper zonken. Tien vadem--zestig voet--, het was niets voor hem,
een oud man, vergeleken met de waarde van een haak en lijn. Na verloop
van wat vijf minuten leek, ofschoon het niet meer kan zijn geweest dan
een minuut, zag ik hem naar boven stijgen in witte vlammen. Hij kwam
aan de oppervlakte en gooide een kabeljauw van tien pond in de kano;
lijn en haak waren heel, en de haak zat nog vast in den visschenmond.

"Het kan zijn", zei ik, onbarmhartig. "Jij niet bang lang geleden. Jij
veel bang nu bij dat koopman."

"Ja, veel bang", bekende hij. Het was duidelijk dat hij liever van
het onderwerp wilde afstappen. Een half uur lang trokken wij zwijgend
onze lijnen omhoog en gooiden ze zwijgend weer uit. Toen begonnen
er kleine visch-haaien te bijten, en nadat we beiden een haak kwijt
waren geraakt, haalden wij alles binnen en wachtten tot de haaien
hun weg zouden vervolgen.

"Ik praat jij waar", zoo verbrak Oti het zwijgen, "dan jij snap wij
bang nu."

Ik stak een pijp op en wachtte, en het verhaal dat Oti mij vertelde in
vreeselijk tripang geef ik hier weer in behoorlijk Engelsch. Verder,
in den geest en in den gang der gebeurtenissen, is het zooals het
van Oti's lippen kwam.

"Na dien tijd waren wij erg trotsch. Wij hadden dikwijls gevochten met
de vreemde blanke mannen die leven op de zee, en altijd hadden wij
hen verslagen. Enkelen van ons werden dan wel gedood, maar wat was
dat vergeleken bij de groote voorraden en rijkdommen van duizenden
verschillende soorten die wij vonden op de schepen? En toen, op een
goeden dag, misschien twintig jaren geleden, misschien vijfentwintig,
kwam er een schoener pal door de doorvaart en in de lagune. Het
was een groote schoener met drie masten. Er waren vijf blanken en
misschien veertig zwarten van Nieuw-Guinea en Nieuw-Britannië aan
boord; en ze waren gekomen om tripang te visschen. Het schip lag
voor anker bij Paoeloo, van hier dwars over de lagune, en de booten
verspreidden zich overal, en maakten kampen op het strand, waar ze
de tripang rookten. Die verdeeling maakte hen zwak, want de mannen
die hier vischten en die op den schoener bleven waren vijftig mijlen
van elkaar, en er waren anderen nog verder weg.

"Onze koning en onze hoofden hielden raad, en ik was in de kano die
den heelen middag en den heelen nacht over de lagune pagaaide, en
het bericht bracht aan het volk van Paoeloo, dat wij in den morgen
de vischkampen allen tegelijk aan zouden vallen en dat het hun taak
was den schoener te nemen. Wij die het bericht hadden gebracht waren
moe van het pagaaien, maar we namen toch deel aan den aanval. Op
den schoener waren twee blanken, de schipper en de tweede stuurman,
met een half dozijn zwarte jongens. Den schipper en drie zwarten
overvielen we op den wal en maakten hen dood, maar eerst schoot de
schipper er acht van ons dood met zijn twee revolvers. Wij vochten
dicht op elkaar, begrijp je, man tegen man.

"Het lawaai van ons vechten vertelde den stuurman wat er gebeurde,
en hij bracht voedsel en een zeil in de kleine jol, die zoo klein was,
dat ze niet meer dan twaalf voet mat. Wij kwamen op den schoener af,
duizend mannen, en wij bedekten de lagune met onze kano's. Ook bliezen
we op kinkhorens, en zongen oorlogszangen, en sloegen met onze pagaaien
tegen de zijden van de kano's. Wat voor kans had één blanke en drie
zwarten tegen ons? Heelemaal geen kans, en de stuurman wist het.

"Blanken zijn duivels. Ik heb hen veel gadegeslagen, en ik ben een
oud man, en ik begrijp eindelijk waarom de blanken al de eilanden
in de zee voor zich zelf hebben genomen. Het is omdat het duivels
zijn. Hier ben jij bij mij in de kano. Je bent nauwelijks meer dan
een jongen. Je weet weinig, want iederen dag vertel ik je veel dingen
die je niet wist. Toen ik een kleine jongen was, wist ik meer van
visschen dan jij nu. Ik ben een oud man, maar ik zwem naar beneden
tot op den bodem van de lagune, en jij kunt mij niet volgen. Waar
ben je eigenlijk goed voor?

"Ik weet het niet, alleen om te vechten. Ik heb jou nooit zien vechten,
en toch weet ik dat jij bent zooals je broeders, en dat je zult vechten
als een duivel. Je bent ook een dwaas, zooals je broeders. Je weet
niet wanneer je verslagen bent. Je zult vechten tot je dood neervalt,
en dan zal het te laat zijn om te weten dat je verslagen bent.

"Nu let op wat de stuurman deed. Toen we op hem af kwamen, de
zee bedekkend en blazend op onze horens, zette hij zich af van den
schoener in de kleine boot, samen met de drie zwarten, en roeide naar
de doorvaart. Ook daarin was hij weer een dwaas, want geen verstandig
man zou zee kiezen in zoo'n kleine boot. De boorden waren geen tien
duim boven het water. Twintig kano's gingen hem achterna, gevuld
met tweehonderd jonge mannen. Wij pagaaiden vijf vadem terwijl zijn
zwartjes er één roeiden. Hij had geen kans, maar hij was een dwaas.

"Hij ging rechtop staan in de boot met een geweer in zijn hand, en
hij schoot dikwijls. Hij was geen goed schutter, maar toen we dicht
bij kwamen werden er veel van ons gewond en gedood. Maar toch had
hij geen kans.

"Ik weet nog dat hij al dien tijd een sigaar rookte. Toen we op veertig
voet afstand waren, snel naderend, gooide hij zijn geweer neer,
stak een staaf dynamiet aan met zijn sigaar, en slingerde die naar
ons. Hij stak er nog een aan, en nog een, en gooide ze naar ons,
snel achter elkaar, en heel veel. Ik weet dat hij de einden van
de lonten gespleten en er luciferskoppen in gestoken moet hebben,
omdat ze zoo vlug aan gingen. Ook waren de lonten erg kort. Soms
ging het dynamiet af in de lucht, maar meestal ontplofte het in de
kano's. En iederen keer dat er een staaf in een kano ontplofte, was
het uit met die kano. Van de twintig kano's werd de helft in stukken
geslagen. De kano waar ik in zat sprong ook uit elkaar, en ook de twee
mannen die naast mij zaten. Het dynamiet viel tusschen hen in. De
andere kano's keerden om en vluchtten. Toen gilde die stuurman ons
'Jah! Jah! Jah!' achterna. Ook trok hij weer op ons los met zijn
geweer, zoodat er veel van ons gedood werden door schoten in den rug
terwijl ze vluchtten. En al dien tijd gingen de zwartjes in de boot
door met roeien. Je ziet, ik heb de waarheid gezegd, die stuurman
was een duivel.

"En dat was nog niet alles. Vóór dat hij van den schoener weg
was gegaan, had hij het schip in brand gestoken, en al het kruit
en dynamiet had hij bij elkaar gelegd, dat het op één oogenblik
ontploffen zou. Er waren honderden van onze mannen aan boord, bezig
met water op te halen van over de verschansing en daarmee het vuur
te blusschen, toen de schoener in de lucht vloog. Zoodat alles waar
we voor gevochten hadden voor ons verloren was, en er nog meer
van onze mannen gedood werden. Soms, zelfs nu nog op mijn ouden
dag, heb ik leelijke droomen waarin ik dien stuurman hoor gillen:
'Jah! Jah! Jah!' Maar al de menschen in de vischkampen werden gedood.

"De stuurman voer de doorvaart uit in zijn kleine boot, en dat was
zijn eind, daar waren we wel zeker van, want hoe zou zoo'n kleine boot,
met vier mannen er in, ooit kunnen blijven leven op de zee? Een maand
ging voorbij, en toen, op een morgen, tusschen twee regenvlagen in,
kwam er een schoener door onze doorvaart binnenzeilen, en ankerde voor
het dorp. De koning en de hoofden hielden een groote vergadering,
en er werd afgesproken dat we na een paar dagen den schoener zouden
nemen. Ondertusschen, daar het altijd onze gewoonte was om te doen
alsof we vrienden waren, gingen we naar het schip in onze kano's
en brachten bossen kokosnoten, kippen en varkens mee, om handel te
drijven. Maar toen we langszij waren, veel kano's, begonnen de mannen
aan boord op ons te schieten met geweren, en toen we weg pagaaiden
zag ik den stuurman die naar zee was gegaan in de kleine boot op de
verschansing springen en dansen en gillen: 'Jah! Jah! Jah!'

"Dien middag landden ze in drie kleine booten vol met blanken. Ze
liepen overal door het dorp, en schoten iedereen die ze zagen neer. Ook
de kippen en de varkens schoten ze neer. Ik en nog anderen die niet
dood geschoten waren ontsnapten in de kano's en pagaaiden de lagune
op. Als we omkeken konden we de huizen in brand zien staan. Laat in den
middag zagen we een massa kano's die van Nihi kwamen, het dorp dat in
het noordoosten ligt, aan de Nihi Doorvaart. Het was alles wat er nog
van dat dorp over was, en ook hun huizen waren in brand gestoken door
een tweeden schoener die door de Nihi Doorvaart was binnengevallen.

"Wij voeren verder de lagune op, de duisternis in, naar het westen,
naar Paoeloo, maar midden in den nacht hoorden we vrouwen klagen, en
we liepen op een groote vloot kano's. Dat was alles was er van Paoeloo
over was, en ook Paoeloo lag in asch, want een derde schoener was
binnen gekomen door de Paoeloo Doorvaart. Je begrijpt, die stuurman
met zijn zwartjes was niet verdronken. Hij had de Salomon-eilanden
bereikt, en daar aan zijn broeders verteld wat wij op Oolong gedaan
hadden. En al zijn broeders hadden gezegd dat ze ons zouden komen
straffen, en daar waren ze nu op de drie schoeners, en onze drie
dorpen waren weggeveegd.

"En wat moesten wij doen? We lagen midden in de lagune, en in den
morgen kwamen de twee schoeners van te loevert op ons af zeilen. De
passaatwind blies krachtig, en ze liepen de kano's bij twintigtallen
in den grond. En de geweren hielden niet op met spreken. Wij vluchtten
weg in wanorde, zooals de vliegende visschen voor de bonito, en zóó
talrijk waren we dat we bij duizenden ontsnapten, ieder op zijn eigen
manier, naar de eilanden aan den rand van de atol.

"En daarna joegen de schoeners ons voortdurend de lagune op en neer. In
den nacht gleden we hun voorbij. Maar dan kwamen ze den volgenden dag,
of twee of drie dagen later weer terug, en joegen ons naar het andere
eind van de lagune. En zoo ging het door. Wij telden onze dooden niet
meer. We dachten niet meer aan hen. Het is waar, wij waren talrijk
en er waren maar weinig blanken. Maar wat konden we doen? Ik was in
één van de twintig kano's vol mannen die niet bang waren voor den
dood. We vielen den kleinsten schoener aan. Met hoopen schoten ze ons
neer. Ze lieten dynamiet in de kano's vallen en toen het dynamiet op
was, gooiden ze heet water op ons neer. En geen oogenblik hielden
de geweren op te spreken. En de mannen uit de verbrijzelde kano's
werden dood geschoten terwijl ze weg zwommen. En de stuurman danste
op en neer boven op de kajuit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!'

"Alle huizen op alle eilanden werden in brand gestoken. Geen varken
of kip werd in leven gelaten. Onze waterputten werden verontreinigd
met de lichamen van de gesneuvelden, of anders bouwden ze hooge
stapels koraal er over heen. Vóórdat de schoeners kwamen woonden er
vijf en twintig duizend menschen op Oolong. Nu zijn we met met zijn
vijfduizenden. Nadat de schoeners vertrokken waren, telden we nog
maar drieduizend man, zooals je zult zien.

"Eindelijk kregen de schoeners er genoeg van ons op en neer te
jagen. Dus gingen ze, alle drie, naar Nihi, in het noordoosten. En
vandaar dreven ze ons gestadig naar het westen. Hun negen booten waren
ook in het water. Ze klopten elk eiland af terwijl ze voortgingen. Ze
dreven ons, dreven ons, dreven ons dag na dag. En iederen nacht vormden
de drie schoeners en de negen booten een ketting van waakzaamheid
die dwars over de lagune strekte, van rand tot rand, zoodat we niet
terug konden."

"Ze konden ons niet eeuwig zoo blijven voortdrijven, want de lagune
had maar een bepaalde grootte, en ten slotte werden allen die nog
leefden op de laatste zandbank in het westen samengedreven. Daarachter
lag de open zee. Wij waren tienduizend man sterk, en wij bedekten
de zandbank van den lagune oever tot de donderende branding aan
de andere zijde. Niemand kon gaan liggen. Er was geen plaats. We
stonden heup aan heup en schouder aan schouder, en telkens klom de
stuurman in het want en lachte ons uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!',
totdat we spijt hadden als haren op ons hoofd dat we hem en zijn
schoener ooit iets gedaan hadden een maand geleden. Wij hadden geen
eten, en wij stonden twee dagen en twee nachten op onze voeten. De
kleine kinderen stierven, en de ouden en zwakken stierven, en de
gewonden stierven. En het ergste van alles, wij hadden geen water
om onzen dorst te lesschen en twee dagen lang sloeg de zon op ons
neer, en er was geen schaduw. Veel mannen en vrouwen waadden de zee
in en verdronken, en de branding wierp hun lichamen terug op het
strand. En er kwam een plaag van vliegen. Er waren mannen die naar
de wanden van de schoeners zwommen, maar ze werden tot den laatsten
toe doodgeschoten. En wij die nog leefden hadden grooten spijt dat
we in onzen trots hadden getracht den schoener met de drie masten te
nemen die was gekomen om tripang te visschen.

"In den morgen van den derden dag kwamen de schippers van de drie
schoeners en die stuurman, in een kleine boot. Ze hadden geweren,
allemaal, en revolvers, en ze wilden praten. Het was alleen maar omdat
het moorden hen begon te vervelen dat ze er mee opgehouden waren,
vertelden ze ons. En wij vertelden dat we er spijt van hadden, dat
we nooit meer een blanke iets zouden doen, en ten teeken van onze
onderwerping strooiden we zand op onze hoofden. En al de vrouwen
en kinderen hieven een groot geklaag aan om water, zoodat een tijd
lang niemand zich verstaanbaar kon maken. Toen werd onze straf
ons medegedeeld. We moesten de drie schoeners vullen met kopra
en tripang. En wij vonden het goed, want wij wilden water hebben,
en onze trots was gebroken, en wij wisten dat we kinderen waren in
het vechten als we vochten met blanken, die vechten als duivels. En
toen al het praten afgeloopen was, ging de stuurman rechtop staan en
lachte ons uit, en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Daarna pagaaiden we weg
in onze kano's en zochten water.

"En weken lang moesten we zwoegen: tripang visschen en rooken, en
kokosnoten plukken en er kopra van maken. Dag en nacht rees de rook
in wolken omhoog op al de stranden van al de eilanden van Oolong,
terwijl wij de boete betaalden voor onze verkeerde daad. Want in die
dagen van dood werd het duidelijk in onze hersenen gebrand dat het
heel verkeerd is een blanke kwaad te doen.

"Na een poos, toen de schoeners vol waren met kopra en tripang en
onze kokospalmen kaal, riepen de drie schippers en de stuurman ons
allemaal bijeen voor een groote vergadering. En ze zeiden dat ze
erg blij waren dat we onze les geleerd hadden en wij zeiden voor den
tienduizendsten keer dat we er spijt van hadden en dat we het niet
meer zouden doen. Ook strooiden we zand op onze hoofden. Toen zeiden
de schippers dat dat allemaal heel mooi was, maar alleen maar om ons
te laten zien dat ze ons niet vergaten, zouden ze ons een duvel-duvel
sturen die wij niet zouden vergeten en waar we altijd aan zouden denken
als we neiging mochten voelen om een blanke kwaad te doen. Daarna
lachte de stuurman ons nog eens uit en gilde: 'Jah! Jah! Jah!' Toen
werden zes van onze mannen, die we al lang dood hadden gewaand,
aan land gezet van een van de schoeners, en de schoeners heschen hun
zeilen en voeren weg door de doorvaart, naar de Salomon's.

"De zes mannen die aan land waren gezet kregen het eerst de duvel-duvel
die de schippers ons achterna hadden gestuurd."

"Er kwam een groote ziekte", onderbrak ik, want ik zag de truc. De
schoener had mazelen aan boord gehad, en de zes mannen waren er
opzettelijk aan blootgesteld.

"Ja, een groote ziekte", ging Oti door. "Het was een machtige
duvel-duvel. De oudste man van de atol had nooit van zoo iets
gehoord. Onze priesters die nog leefden sloegen we dood omdat ze die
duvel-duvel niet meester konden worden. De ziekte verspreidde zich. Ik
heb gezegd dat we tienduizend man sterk waren toen we heup aan heup en
schouder aan schouder op de zandbank stonden. Toen de ziekte wegging,
waren er nog drieduizend in leven. Ook was er hongersnood, omdat we
van al onze kokosnoten kopra gemaakt hadden.

"Dat koopman", besloot Oti, "hij als 'm zooveel vuil. Hij als 'm
mossel, hij dood _kai-kai_ hij blijf, vasthouden 'm allemaal veel. Hij
als 'm hond, een ziek hond veel vlooi blijf bij hem. Wij niet bang bij
dat koopman. Wij bang omdat hij wit man. Dat een ziek hond koopman hij
veel broeder blijf bij hem, wit man als 'm jij vecht als hel. Wij niet
bang dat verdom koopman. Een keer hij maak Kanaka veel kwaad bij hem
en Kanaka wil 'm maak dood 'm, Kanaka hij hoor dat stuurman schreeuw:
'Jah! Jah! Jah!', en Kanaka niet maak dood 'm."

Hij sloeg een stuk inktvisch aan zijn haak, dat hij met zijn tanden
van het levende, kronkelende monster af scheurde, en haak en aas
zonken in witte vlammen naar den bodem.

"Haai rondloop hij afgeloopen", zei hij. "Ik denk wij pak 'm veel
visch."

Er werd heftig aan zijn lijn gerukt. Hij haalde snel binnen, en liet
een grooten, hijgenden kabeljauw in den bodem van de kano vallen. "Zon
hij kom op, ik maak 'm dat verdom koopman een kadoo groot visch",
zei Oti.




DE HEIDEN.


Onze eerste ontmoeting had plaats in een wervelstorm; en ofschoon wij
in dien storm op denzelfden schoener waren, werd ik mij niet eerder
bewust van zijn bestaan dan nadat de schoener onder ons uit elkaar
was geslagen. Ik moet hem zonder eenigen twijfel gezien hebben, samen
met de rest van de Kanaka bemanning, maar het was niet bewust tot mij
doorgedrongen, want de _Petite Jeanne_ was tamelijk overladen. Behalve
de acht of tien Kanaka matrozen, den blanken kapitein, stuurman en
ladingmeester, en de zes kajuit-passagiers, vertrok het schip van
Rangiroa met zooiets als vijfentachtig dek-passagiers--menschen uit
de Paoemotoe's en van Tahiti, mannen, vrouwen, en kinderen, allen
voorzien van een kist om hun boeltje in te bergen, om nog maar te
zwijgen van slaapmatten, dekens, en bundeltjes kleeren.

Het seizoen om parels te visschen in de Paoemotoe's was voorbij,
en alle hens keerden terug naar Tahiti. De zes kajuit-passagiers,
waaronder ook ik, waren parelkooplui. Twee er van waren Amerikanen,
één was Ah Choon (de blankste Chinees dien ik ooit gekend heb), één
was een Duitscher, één een Poolsche Jood, en ik completeerde het half
dozijn. Het was een voorspoedig seizoen geweest. Niemand van ons had
reden tot klagen, de vijfentachtig dek-passagiers ook niet. Iedereen
had goede zaken gemaakt, en iedereen keek verlangend uit naar een
poosje rust en plezier in Papeete.

Natuurlijk was de _Petite Jeanne_ overladen. Zij mat maar zeventig
ton, en zij mocht geen tiende varen van de hoeveelheid die ze aan
boord had. Onder haar luiken was ze opgepropt en volgestampt met
parelschelpen en kopra. Zelfs de ruimte waar de ruil-artikelen geborgen
werden was volgestopt met schelpen. Het was een wonder dat de matrozen
het schip konden zeilen. Over het dek loopen was onmogelijk. Zij
klommen eenvoudig heen en weer langs de verschansing. 's Nachts liepen
ze over de slapenden, die, ik durf zweren in een dubbele laag, de
planken bedekten. O! en dan waren er nog varkens en kippen aan dek,
en zakken met broodwortels, terwijl elk plekje dat men maar verzinnen
kon behangen was met guirlandes van kokosnoten en trossen bananen. Aan
beide zijden van het schip, tusschen het fokkewant en het grootwant,
waren lijnen gespannen, juist zoo laag dat de fokkegiek vrij kon
zwaaien, en aan elk van die lijnen waren minstens vijftig trossen
bananen opgehangen.

Het beloofde een onpleizierige reis te worden, zelfs als we den
overtocht maakten in de twee of drie dagen die noodig zouden zijn
geweest als de zuidoost-passaatwinden flink gewaaid hadden. Maar ze
waaiden niet flink. Na de eerste vijf uren stierf de passaat weg
in een stuk of wat kortademige koeltjes. De windstilte duurde den
geheelen nacht en den geheelen volgenden dag--een van die glasachtige,
gloeiend-stralende blaktes, wanneer alleen de gedachte dat men zijn
oogen zou openen om er naar te kijken al genoeg is om hoofdpijn
te krijgen.

Den tweeden dag stierf er een man, een inboorling van het
Paasch-eiland, een van de beste duikers van de lagune dat
seizoen. Pokken, dat was het; ofschoon ik nog niet begrijp hoe
er bij ons aan boord pokken konden komen als er aan de wal geen
gevallen bekend waren toen wij uit Rangiroa wegzeilden. Maar ze waren
er--pokken, één man dood, en drie anderen plat op hun rug.

Wij konden niets doen. De zieken konden niet afgezonderd, en nog
minder verpleegd worden. Wij zaten op elkaar gepakt als sardines in een
blik. Er was niets anders te doen dan ziek worden en crepeeren--dat is
te zeggen, na den nacht die volgde op het eerste sterfgeval. In dien
nacht namen de stuurman, de ladingmeester, de Poolsche Jood, en vier
inlandsche duikers stilletjes de vlucht in de groote jol. Niemand
heeft ooit meer iets van hen gehoord, 's Morgens liet de kapitein
direct de andere booten lek slaan, en daar zaten we.

Dien dag waren er twee sterfgevallen, den volgenden dag drie; toen
vloog het omhoog tot acht. Het was de moeite waard de verschillende
wijzen te zien waarop wij het opnamen. De inlanders bij voorbeeld
vervielen in een toestand van stomme, domme vrees. De kapitein--Oudouse
heette hij, een Franschman--werd erg zenuwachtig en opgewonden. Hij
kreeg in den letterlijken zin van het woord zenuwstuipjes. Het
was een groote vleezige kerel, die minstens tweehonderd pond woog,
en hij werd al spoedig een getrouwe weergave van een trillenden,
geleiachtigen berg van vet.

De Duitscher, de twee Amerikanen, en ik kochten samen al de
Schotsche whisky op, en besloten dronken te blijven. De theorie
was mooi--namelijk, dat als wij ons voortdurend gedrenkt hielden in
alcohol, iedere pok-bacil die met ons in aanraking kwam onmiddelijk
tot asch zou verschroeien. En de theorie werkte, ofschoon ik moet
bekennen dat kapitein Oudouse en Ah Choon ook niet door de ziekte
werden aangetast. De Franschman dronk heelemaal niet, en Ah Choon
beperkte zich tot één borrel per dag.

Het was een mooie toestand. De zot, die naar het noorden declineerde,
stond recht boven ons. Wind was er niet, behalve talrijke buien,
die van vijf minuten tot een half uur fel bliezen, en eindigden in
een zondvloed van regen. Na iedere bui kwam de vreeselijke zon weer
te voorschijn, en trok wolken van stoom omhoog uit het doorweekte dek.

Die stoom was niet bepaald aangenaam. Het was de adem van den dood,
beladen met millioenen en millioenen ziektekiemen. Wij namen altijd nog
maar een borrel als we hem zagen opstijgen uit de dooden en stervenden,
en heel dikwijls namen wij er nog twee of drie bij, en we mengden ze
bijzonder sterk. Ook maakten wij er een vaste gewoonte van om er nog
een paar boven op te nemen telkens als de dooden overboord werden
gezet, voor de haaien die overal om ons heen zwommen.

Dat duurde zoo een week lang, en toen raakte de whisky op. En dat was
maar goed ook, want anders was ik er nu niet meer. Men moest nuchter
zijn om te blijven leven in wat er volgde, en iedereen zal dat met
mij eens zijn als ik de kleinigheid vermeld dat maar twee menschen er
levend doorheen kwamen. De andere was de heiden--tenminste zoo hoorde
ik hem door kapitein Oudouse noemen toen ik mij voor het eerst bewust
werd van zijn bestaan. Maar laat ik terugkeeren tot mijn verhaal.

Het was aan het eind van die week, en de whisky was op en de
parelkoopers nuchter, toen ik toevallig eens naar den barometer keek
die in de kajuitsgang hing. De normale barometerstand in de Paoemotoe's
was 29·90, en het was heel gewoon hem te zien schommelen tusschen
29·85 en 30, of zelfs 30·05; maar hem te zien zooals ik hem toen zag,
gedaald tot 29·62 was voldoende om den meest dronken parelkoopman te
ontnuchteren die ooit pokken-microben cremeerde in Schotsche whisky.

Ik vestigde de aandacht van kapitein Oudouse er op, maar kreeg
slechts de mededeeling dat hij hem al een paar uren lang had zien
dalen. Er was weinig te doen, maar dat beetje deed hij uitstekend,
de omstandigheden in aanmerking genomen. Hij nam de lichte zeilen in,
bracht het schip onder stormtuig, spande reddingslijnen, en wachtte
op den wind. Zijn fout lag in wat hij deed toen de wind er was. Hij
ging bijliggen over den stuurboordboeg, wat ook heel goed was, ten
zuiden van den Equator, als--en daar zat hem de knoop--als men niet
pal in den weg van een wervelstorm ligt.

Wij lagen pal op den weg van den storm. Ik kon dat merken aan het
gestadig toenemen van den wind en het even gestadig vallen van den
barometer. Ik had gewild dat hij gedraaid en met ruimen wind over
stuurboord weggeloopen was, tot de barometer weer steeg, en dan
was gaan bijliggen. Wij praatten en betoogden tot hij aanvallen van
hysterie kreeg, maar wijken wilde hij niet. Het ergste was dat ik
de andere parelkoopers er niet toe kon krijgen mij te steunen. Wat
verbeeldde ik mij eigenlijk wel? Wist ik soms meer van de zee en van
de zeevaart dan een behoorlijk gebreveteerd gezagvoerder? Dat was
wat zij dachten, en ik wist het.

Natuurlijk rees de zee geweldig naarmate de wind sterker werd, en
ik zal nooit de eerste drie zeeën vergeten die de _Petite Jeanne_
schepte. Ze was afgevallen, zooals schepen wel meer doen wanneer
ze bijliggen, en de eerste zee spoelde er schoon over heen. De
reddingslijnen waren alleen maar van nut voor wie nog sterk en gezond
was, en zelfs hen hielpen ze niet veel toen de vrouwen en kinderen,
de bananen en kokosnoten, de varkens en kisten, de zieken en stervenden
langs het dek stroomden in één gillende, kreunende massa.

De tweede zee vulde het dek van de _Petite Jeanne_ gelijk met de
verschansing; en toen de achtersteven omlaag zonk en de boeg naar
boven schoot, stroomde al die erbarmelijke ballast van leven en
bagage achteruit. Het was een rivier van menschen. Zij kwamen in
alle houdingen: met het hoofd naar voren, met de voeten naar voren,
schuivend, over hun kant rollend, dubbel geslagen, zich draaiend en
krommend en wringend. Nu en dan greep er een een touw of een steunpost,
maar de zwaarte van de lichamen achter hen scheurden zulke grepen
los. Eén man zag ik met zijn hoofd pal tegen de stuurboordbeting op
vliegen. Zijn hoofd werd gekraakt als een ei. Ik zag wat er aankwam,
sprong boven op de kajuit, en van daar in het grootzeil. Ah Choon
en een van de Amerikanen trachtten mij te volgen, maar ik was hen
één sprong voor. De Amerikaan werd weggeveegd over den spiegel,
als een stukje stroo. Ah Choon greep een spaak van het stuurraad
en bleef daaraan hangen, als een schip dat op zijn anker zwaait in
een sterke strooming. Maar een groote, zware vahine (vrouw)--zij
moet minstens tweehonderd en vijftig gewogen hebben--werd tegen
hem aan gegooid en sloeg een arm om zijn hals. Hij greep den Kanaka
roerganger vast met zijn andere hand; en juist op dat oogenblik smakte
de schoener neer naar stuurboord. De rivier van lichamen en zeewater
die aan kwam stroomen langs de bakboordgang tusschen de kajuit en de
verschansing, wendde zich plotseling en dreef naar stuurboord. Weg
schoten ze--vahine, Ah Choon, en roerganger; en ik durf zweren dat
ik Ah Choon met philosophische berusting zag grijnzen toen hij over
de reeling ging en zonk.

De derde zee, de grootste van de drie, richtte niet zooveel kwaad
aan. Bijna iedereen was in het want toen ze aan kwam schuimen. Op
het dek tolden misschien nog een stuk of zes half-bedwelmde,
half-verdronken stumperds rond, happend naar adem en wegkruipend naar
waar het veilig was. Zij gingen overboord te gelijk met het wrakhout
van de twee booten die er nog waren. Ik zelf en de andere parelkoopers
slaagden er in, om tusschen stortzeeën door, ongeveer vijftien vrouwen
en kinderen in de kajuit te krijgen, en gooiden den boel dicht. Veel
plezier hebben de arme schepsels er ten slotte niet aan beleefd.

Wind? Met al mijn ervaring had ik niet kunnen gelooven dat
wind zóó sterk kon zijn. Ik behoef niet te probeer en het te
beschrijven. Hoe kan men een nachtmerrie beschrijven? En die wind
was een nachtmerrie. Hij scheurde de kleeren van onze lichamen. Ik
zeg, _hij scheurde ze er af_, en ik meen het. Ik vraag niemand het
te gelooven. Ik vertel alleen maar iets dat ik zelf gezien heb. Er
zijn oogenblikken dat ik het zelf niet geloof. Ik ben er doorheen
geworsteld, en dat is voldoende. Men kon dien wind niet levend het
hoofd bieden. Het was iets monsterachtigs, en het meest monsterachtige
er van was dat hij toenam en steeds doorging met toenemen.

Stel u voor ontelbare millioenen tonnen zand. Stel u voor dat dat
zand voortvliegt met een vaart van negentig, honderd, honderdtwintig,
zooveel mijlen als u maar wilt per uur. Stel u verder voor dat dat
zand onzichtbaar is, ontastbaar, en dat het toch al de zwaarte en de
dichtheid van zand behoudt. Wanneer men zich dat alles voorstelt kan
men zich een vaag idee vormen van de kracht van dien wind.

Misschien is zand geen goede vergelijking. Beschouw het als
modder, onzichtbaar, ontastbaar, maar zwaar als modder. Het is
nog erger. Beschouw iedere molecule lucht als een modderbank op
zichzelf. Tracht u dan voor te stellen den druk van al die modderbanken
te zamen.

Neen; het gaat mijn krachten te boven. De taal mag in staat zijn om
uitdrukking te geven aan de gewone vormen van het leven, maar het
is niet mogelijk om er ook maar één van de vormen mee uit te drukken
van een dergelijken ontzettenden stormwind. Ik had beter gedaan bij
mijn oorspronkelijk plan te blijven en mij niet aan een beschrijving
te wagen.

Ik wil alleen maar dit zeggen: de zee, die eerst hoog en hol was
geworden, werd nu neergeslagen door dien wind. Meer: het leek alsof
de heele oceaan opgezogen was in den mond van den wervelstorm en
werd voortgespoten door dat gedeelte van de ruimte waar eerst lucht
was geweest.

Natuurlijk waren onze zeilen al lang weg. Maar kapitein Oudouse
had iets op de _Petite Jeanne_ dat ik nooit eerder had gezien
aan boord van een Zuidzee-schoener--een drijfanker. Het was een
kegelvormige zeildoeksche zak, waarvan de mond werd opengehouden door
een reusachtigen ijzeren hoepel. Het drijfanker was ongeveer op de
manier van een vlieger vastgemaakt, en het beet in het water zooals een
vlieger bijt in de lucht, maar met een verschil. Het drijfanker bleef
juist onder de oppervlakte van de zee, rechtstandig, met de opening
naar beneden. Een lange lijn verbond het weer met den schoener. Het
resultaat was dat de _Petite Jeanne_ met den kop op den wind lag en
op het beetje zee dat er stond.

De toestand zou werkelijk gunstig zijn geweest, als wij niet op
den weg van den cycloon hadden gelegen. Het is waar, de wind zelf
scheurde onze zeilen uit de seizings, rukte onze stengen omlaag, en
maakte een ravage van ons loopend want, maar wij zouden er toch nog
mooi doorheen zijn gekomen, als wij niet precies in den koers van
het naderend middelpunt van den cycloon hadden gelegen. Dat maakte
er een eind aan. Ik verkeerde in een toestand van half-bewustelooze
verdooving en verlamming, door het voortdurend weerstand bieden aan
den ontzettenden luchtdruk, en ik geloof dat ik er juist over dacht
het op te geven en dood te gaan, toen het middelpunt ons trof. De klap
dien wij kregen was een volkomen windstilte. Er was geen zuchtje. Het
was een afschuwelijke gewaarwoording.

Vergeet niet, dat onze spieren uren lang in geweldige spanning waren
geweest, om den druk van dien storm te weerstaan. En toen, ineens,
werd de druk weggenomen. Ik weet wel dat ik een gevoel kreeg alsof
ik plotseling uitzette, alsof ik uit elkaar zou vliegen in alle
richtingen. Het leek alsof iedere atoom van mijn lichaam iederen
anderen atoom afstootte en op het punt stond om onweerhoudbaar
de ruimte in te vliegen. Maar dat duurde niet langer dan een
oogenblik. Wij waren gedoemd tot vernietiging.

Toen de winddruk er niet meer was, werd de zee hol. Het water rees,
sprong, spoot omhoog, recht naar de wolken. Vergeet niet dat die
onberekenbare wind uit alle streken van het kompas blies naar het
windstille middelpunt. Het resultaat was dat de zeeën omhoog sprongen
uit alle streken van het kompas. Er was geen wind om hen in bedwang
te houden. Zij schoten omhoog als kurken die losgelaten worden op den
boden van een emmer water. Er was geen regelmaat, geen systeem in. Het
waren krankzinnige, monsterachtig holle golven. Zij waren tachtig
voet hoog op zijn minst. Het waren heelemaal geen golven meer. Geen
mensch had ooit een golf gezien die was zooals deze waterbergen. Het
waren fonteinen, zware, geweldige fonteinen. Fonteinen die tachtig
voet hoog sprongen. Tachtig! Zij waren hooger dan tachtig. Zij
gingen boven onze masttoppen uit. Het waren reusachtige watervallen,
uitbarstingen van water. Zij waren als dronken. Zij vielen overal,
op alle mogelijke manieren.

Zij botsten en stootten op elkaar; ze spoten tegen elkaar in en
vielen over elkaar heen, of stoven uiteen als duizend watervallen
tegelijk. Het was een zee zooals geen mensch zich ooit gedroomd
had, dat middelpunt van dien wervelstorm. Het was driemaal verwarde
verwarring. Het was anarchie. Het was een hel-kuil van dol geworden
zeewater.

De _Petite Jeanne_? Ik weet het niet. De heiden vertelde mij later dat
hij het ook niet wist. Het schip werd letterlijk uit elkaar gerukt,
wijd open gescheurd, tot moes geslagen, tot kachelhout gebeukt, totaal
vernietigd. Toen ik bijkwam, lag ik in het water, automatisch zwemmend,
hoewel ik ongeveer voor twee derden verdronken was. Hoe ik daar kwam,
ik heb er geen idee van. Ik herinner mij nog dat ik de _Petite Jeanne_
in stukken zag vliegen op het oogenblik dat mijn eigen bewustzijn uit
mij gebeukt moet zijn. Maar daar zat ik, en er bleef mij niets over
dan te doen wat ik kon, en dat was een hopeloos klein beetje. De wind
blies weer, er stond veel minder zee en de golven waren regelmatiger,
en ik wist dat ik het middelpunt van den orkaan voorbij was. Gelukkig
waren er geen haaien in de buurt. De storm had de vraatzuchtige
bende verspreid, die het doodenschip omgeven en zich met de lijken
gevoed had.

Het was ongeveer twaalf uur 's middags toen de _Petite Jeanne_ uit
elkaar vloog, en het zal zoowat twee uur later zijn geweest dat ik een
van haar luiken oppikte. Er viel een dichte regen op dat oogenblik,
en het was een puur toeval dat mij en het luik te zamen wierp. Aan het
hennepen handvat hing een kort eindje touw dat in het water dreef, en
ik wist dat ik voor een dag veilig was, tenminste als de haaien niet
terugkwamen. Ik bleef dicht bij het luik, hield mijn oogen dicht,
en concentreerde mijn heele wezen op de taak zoo veel lucht in te
ademen dat ik in het leven bleef, en tevens te vermijden zoo veel
water in te ademen dat ik verdronk. Drie uren later, misschien een
beetje langer, meende ik stemmen te hooren. De regen was opgehouden
en zee en wind minderden verwonderlijk snel. Geen twintig voet verder,
op een ander luik, zag ik kapitein Oudouse en den heiden. Zij vochten
om het bezit van het luik--de Franschman tenminste.

"Païen noir!" hoorde ik hem schreeuwen, en tegelijkertijd zag ik hem
den Kanaka schoppen.

Nu was kapitein Oudouse al zijn kleeren kwijt behalve zijn schoenen,
en het waren zware trappers. De schop kwam leelijk aan, want hij trof
den heiden op zijn mond en op de punt van zijn kin, en sloeg hem half
bewusteloos. Ik verwachtte dat hij terug zou slaan, maar hij stelde
zich tevreden met mistroostig om het luik heen te zwemmen op een
veilige tien voet afstand. Telkens als een zee hem dichter bij wierp,
schopte de Franschman naar hem met zijn twee voeten, zich met zijn
handen vasthoudend aan het luik. Ook maakte hij bij het toedienen
van iederen schop den Kanaka voor een zwarten heiden uit.

"'t Is me de moeite waard om bij je te komen en je te verzuipen,
jou blank beest!" gilde ik.

De eenige reden waarom ik niet ging was dat ik mij te moe
voelde. Alleen de gedachte aan zwemmen maakte me al ziek. Dus riep
ik den Kanaka toe bij mij te komen, en deelde verder mijn luik met hem.

Hij vertelde mij dat hij Otoo heette (uitgesproken O--to--o); ook
vertelde hij me dat hij thuis hoorde op Bora-Bora, het meest westelijke
van de Gezelschaps-eilanden. Zooals ik later hoorde, had hij het luik
het eerst gevonden, en toen hij na een tijdje kapitein Oudouse zag,
had hij aangeboden het samen met hem te deelen, en was er toen af
geschopt voor zijn moeite.

En dat was hoe Otoo en ik het eerst samen kwamen. Hij was vredelievend
van natuur. Hij was één en al zachtheid en teederheid, een mensch
van liefde, ofschoon hij bijna zes voet lang was en gespierd als een
gladiator. Geen vechtersbaas was hij, maar ook geen lafaard. Hij
had het hart van een leeuw, en in de jaren die volgden heb ik hem
kansen zien wagen waar ik zelf niet over gedacht zou hebben. Wat ik
bedoel is, dat, hoewel hij zacht van aard was en altijd vermeed een
vechtpartij te beginnen, hij nooit weg liep van de herrie wanneer die
eenmaal begonnen was. En het was "pas op voor ondiepten" als Otoo
eenmaal in actie kwam. Ik zal nooit vergeten wat hij met Bill King
deed. Het gebeurde op Duitsch Samoa. Bill King stond bekend als de
kampioen zwaar gewicht van de Amerikaansche vloot. Het was een groot
beest van een kerel, een echte gorilla, een van die ruwe, hardhandige
gasten die er altijd onbarmhartig op los slaan, en hij was handig met
zijn vuisten ook. Hij begon de ruzie, en hij schopte Otoo twee keer en
sloeg hem ééns voor dat Otoo het noodig oordeelde te vechten. Ik geloof
niet dat het vier minuten duurde, aan het eind van welk tijdsverloop
Bill King de ongelukkige bezitter was van vier gebroken ribben, een
gebroken onderarm, en een ontwricht schouderblad. Otoo wist niets
van wetenschappelijk boksen. Hij kon alleen maar iemand aftuigen;
en Bill King had zooiets als drie maanden noodig om te herstellen
van het pak slaag dat hij dien middag kreeg op het strand van Apia.

Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Wij deelden het luik met
elkaar. Wij wisselden elkaar af: de een lag languit op het luik en
rustte uit, terwijl de ander, tot aan zijn nek in het water, zich
alleen maar vasthield met zijn handen. Twee dagen en twee nachten,
beurt om beurt op het luik en in de zee, dreven wij over den oceaan. Op
het laatst was ik meestal ijlende; en er waren oogenblikken dat ik
ook Otoo hoorde ijlen en dazen in zijn inlandsch dialect. Doordat
wij voortdurend in het water waren, konden we niet sterven van dorst,
maar de combinatie van zeewater en zonneschijn maakte onze huid zoo
verbrand en verpekeld als men het zich maar denken kan.

Ten slotte werd mijn leven gered door Otoo; want toen ik bijkwam lag
ik op het strand op twintig voet afstand van het water, en beschut
voor de zon door een paar kokospalmbladeren. Niemand anders dan Otoo
kon mij daar heen gesleept en de schaduw-gevende bladeren in den grond
gestoken hebben. Hij lag naast mij. Ik zakte weer weg, en toen ik voor
den tweeden keer bij kwam, was het koele nacht, en de sterren stonden
boven mij, en Otoo drukte een jonge kokosnoot tegen mijn lippen.

Wij waren de eenige overlevenden van de _Petite Jeanne_. Kapitein
Oudouse moet door uitputting bezweken zijn, want verscheiden dagen
later dreef zijn luik zonder hem aan land. Otoo en ik woonden een week
lang bij de inlanders op de atol; toen werden wij opgepikt door den
Franschen kruiser en naar Tahiti gebracht. Maar in dien tijd hadden
wij plechtig onze namen verwisseld. In de Zuidzee bindt die ceremonie
twee mannen nog sterker aan elkaar dan bloedbroederschap. Het plan
ging van mij uit, en Otoo was in verrukking toen ik het voorstelde.

"Het is goed", zei hij in het Tahiti'sch. "Want wij zijn twee dagen
lang kameraden geweest op de lippen van den Dood."

"Maar de Dood stotterde", glimlachte ik.

"Het was een dappere daad, meester", zei hij weer, "en de Dood was
niet gemeen genoeg om te spreken."

"Waarom zeg je toch meester tegen mij?" vroeg ik, een beetje
geraakt. "Wij hebben onze namen geruild. Voor jou ben ik Otoo. Voor
mij ben jij Charley. En voor ons tweeën zal jij, altijd en altijd,
Charley zijn en ik Otoo. Het is zoo de gewoonte. En als wij sterven,
en misschien een nieuw leven beginnen boven de sterren en de lucht,
zal jij nog altijd Charley voor mij zijn en ik Otoo voor jou."

"Ja, meester", antwoordde hij, zijn oogen zacht en lichtend van
vreugde.

"Daar doe je het weer!" riep ik boos.

"Wat doet het er toe wat mijn lippen zeggen?" betoogde hij. "Dat zijn
mijn lippen maar. Maar ik zal altijd Otoo denken. Telkens als ik aan
mij zelf denk, zal ik aan u denken. Telkens als de menschen mij bij
mijn naam noemen zal ik aan u denken. En boven de lucht en boven de
sterren, altijd en voor eeuwig, zult u Otoo voor mij zijn. Is het
goed, meester?"

Ik verborg mijn glimlach, en antwoordde dat het goed was.

Wij scheidden in Papeete. Ik bleef aan wal om op krachten te komen; en
hij ging verder op een kotter naar zijn eigen eiland, Bora-Bora. Zes
weken later was hij terug. Ik wist niet wat ik zag, want hij had
mij verteld van zijn vrouw, en gezegd dat hij naar haar terugging,
en het varen op verre reizen er aan zou geven.

"Waar gaat u heen, meester?" vroeg hij, na de eerste begroeting.

Ik haalde mijn schouders op. Het was een moeilijke vraag.

"De heele wereld," was mijn antwoord,--"de heele wereld, de heele zee,
en al de eilanden die in de zee liggen."

"Ik ga met u mee", zei hij eenvoudig. "Mijn vrouw is dood."

Ik heb nooit een broer gehad, maar te oordeelen naar wat ik gezien heb
van broers van andere mannen, betwijfel ik of iemand wel ooit een broer
had die voor hem was wat Otoo was voor mij. Hij was broer en vader
en moeder tegelijk. En dit weet ik: ik was een beter en eerlijker
man terwille van Otoo. Andere menschen konden mij weinig schelen,
maar in Otoo's oogen moest ik goed leven. Om zijnentwil durfde ik
mij niet bezoedelen. Hij maakte van mij zijn ideaal, en ik vrees dat
hij mij hoofdzakelijk samenstelde uit zijn eigen liefde en vereering;
en er zijn oogenblikken geweest, dat ik vlak voor den steilen afgrond
van de hel stond, en den sprong gedaan zou hebben, als de gedachte
aan Otoo mij niet weerhouden had. Zijn trots op mij kwam ook in mij
zelf, tot dat het een van de groote regels van mijn gedragslijn werd,
niets te doen dat dien trots kon beschamen.

Natuurlijk merkte ik niet ineens wat zijn gevoelens voor mij waren. Hij
oordeelde nooit, maakte nooit aanmerkingen, en heel langzaam begon
ik de pijn te begrijpen die ik hem deed als ik ook maar iets minder
was dan mijn allerbeste.

Zeventien jaren lang zijn wij samen geweest; zeventien jaren lang
stond hij naast mijn schouder; hij hield de wacht als ik sliep,
verpleegde mij als ik koorts had of gewond was--ja, hij ving wonden
voor mij op in onze gevechten. Hij monsterde met mij op dezelfde
schepen, en samen zwierven we over de Zuidzee, van Hawaii tot
Sydney Head, en van de Torres-straat tot de Galapagos. Wij vingen
nikkers van de Nieuwe-Hebriden en de Linie-eilanden dwars door de
Louisiaden, Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, en Nieuw-Hannover, tot
ver in het Westen. Drie keeren hebben wij schipbreuk geleden--in de
Gilbert-eilanden, in de Santa-Cruz groep, en in de Fidzji's. En wij
handelden en spaarden waar er maar een dollar te verdienen was met
parels en parelschelpen, kopra, tripang, karetschildpad, en gestrande
schepen.

Het begon in Papeete, onmiddellijk na zijn verklaring dat hij met mij
zou gaan naar al de zeeën en al de eilanden te midden daarvan. Er
was in dien tijd een societeit in Papeete, waar de parelkooplui,
handels-agenten, kapiteins en al het avonturierstuig dat er op
de Zuidzee rondzwierf bijeenkwamen. Er werd zwaar gespeeld en
zwaar gedronken, en ik ben bang dat ik de nachten langer maakte dan
behoorlijk of normaal was. Onverschillig hoe laat ik uit de societeit
kwam, Otoo stond daar te wachten om te zorgen dat ik veilig mijn
huis bereikte.

In het begin glimlachte ik er om, later mopperde ik; en eindelijk zei
ik hem kortweg dat ik geen zuigeling was en geen verpleging noodig
had. Daarna zag ik hem niet meer als ik uit de societeit kwam. Heel
toevallig ontdekte ik, een paar weken later, dat hij mij nog steeds
"thuisbracht". Hij hield zich schuil aan den overkant van de straat
in de schaduw van de mango-boomen. Wat kon ik er aan doen? Ik weet
alleen wat ik deed.

Onwillekeurig begon ik beter op mijn tijd te passen. In natte en
stormachtige nachten, als het plezier en de dwaasheid op zijn hoogst
was, kwam steeds weer de gedachte bij mij op dat Otoo daar buiten
onder de druipende mango's zijn sombere wacht hield. Waarachtig, hij
maakte een beter mensch van mij. Toch was hij geen star dogmaticus. En
hij wist niets van de gewone Christelijke moraal. Al de menschen
op Bora-Bora waren Christenen; maar hij was een heiden, een grove
materialist, die geloofde dat hij dood was als hij gestorven was. Hij
geloofde alleen in eerlijkheid en oprechtheid. Kleine gemeenheden
waren in zijn opvatting van moraal, bijna even erg als moedwillige
doodslag; en ik geloof zeker dat hij een moordenaar meer respecteerde
dan een man die zich aan kleine praktijken schuldig maakte.

Wat mij zelf betreft, hij wilde niet dat ik iets deed wat mij kon
schaden. Spelen was uitstekend. Hij was zelf een hartstochtelijk
speler. Maar late uren, legde hij uit, waren slecht voor de
gezondheid. Hij had mannen die niet voor zich zelf zorgden zien sterven
aan de koorts. Hij was geen geheelonthouder, en een stevige borrel
was hem hartelijk welkom als het nat werk was in de booten. Maar hij
geloofde in drinken met mate. Hij had veel mannen gezien die verloopen
waren of zelfs gedood door Schiedammer of Schotsche.

Mijn welzijn lag Otoo dicht aan het hart. Hij dacht ver vooruit voor
mij, overwoog mijn plannen, en maakte er meer werk van dan ik zelf. In
het begin, toen ik me nog niet bewust was van het belang dat hij in
mijn zaken stelde, moest hij mijn plannen raden; zooals bijvoorbeeld
in Papeete, toen ik er over dacht om met een niet al te betrouwbaar
landsman van mij deelgenoot te worden in een guano-onderneming. Ik
wist niet dat het een bedrieger was. En geen enkele blanke in Papeete
wist dat. Otoo ook niet, maar hij zag hoe dik wij samen werden,
en informeerde voor mij, en zonder dat ik het hem vroeg. Aan den
zeekant van Tahiti zwerven inlandsche matrozen uit alle deelen van
alle zeeën rond; en Otoo, die nog alleen maar achterdochtig was,
mengde zich onder hen, en praatte met hen, tot dat hij voldoende
gegevens had verzameld om zijn verdenking te rechtvaardigen. O, het
was een mooie geschiedenis, die van Randolph Waters. Ik kon het niet
gelooven toen Otoo het vertelde; maar toen ik het Waters onder zijn
neus hield, gaf hij zich zonder een kik gewonnen en verdween met de
eerste boot naar Auckland.

In het begin, ik durf het gerust te bekennen, nam ik het Otoo kwalijk
dat hij zijn neus in mijn zaken stak. Maar ik wist dat hij volmaakt
onzelfzuchtig was; en al spoedig moest ik zijn verstand en zijn
bescheidenheid erkennen. Zijn oogen waren altijd open voor mijn beste
kans, en hij zag ver en scherp. Langzamerhand werd hij mijn raadsman,
totdat hij meer verstand van mijn zaken had dan ik. Werkelijk,
mijn belangen gingen hem meer ten harte dan mij zelf. Mij was de
prachtige onverschilligheid van de jeugd, want ik verkoos romantiek
boven dollars, en avonturen boven een gemakkelijk baantje met alle
nachten een warm bed. Het was dus goed dat ik iemand had die voor
mij uitkeek. Ik weet zeker dat ik nu niet meer zou bestaan als Otoo
er niet geweest was.

Laat mij één voorbeeld nemen uit de velen. Ik had al eenige
ervaring in nikkervangen gehad vóórdat ik parels ging visschen in de
Paoemotoe's. Otoo en ik scharrelden rond langs de wal op Samoa--wij
waren echt aan lager wal, en stevig aan den grond--toen mijn kans
kwam om als werver dienst te nemen op een brik die nikkers voer. Otoo
monsterde vóór den mast; en in de volgende zes jaren zwierven wij, op
even veel schepen, rond door de wildste gedeelten van Melanesië. Otoo
zorgde dat hij altijd slag roeide in mijn boot. Onze gewoonte bij het
werven van inlandsche koelies was den werver aan land te zetten op
het strand. De boot die tot dekking diende lag een paar honderd voet
uit de wal, rustend op de riemen, terwijl de boot van den werver,
ook rustend op de riemen, drijvende werd gehouden aan den rand van
het water, den steven naar zee gericht. Als ik met mijn ruil-artikelen
landde, mijn stuurriem rechtop staan latend, verliet Otoo de roeibank
en ging in den stuurstoel zitten, waar een Winchester verborgen lag
onder een lap zeildoek. De bemanning van de boot was ook gewapend:
de Snider-geweren lagen verborgen onder zeildoeksche lappen die langs
de boorden van de boot liepen. Terwijl ik dan druk stond te betoogen
en de kroesharige kannibalen trachtte te overreden om mee te gaan
en te komen werken op de plantages van Queensland, hield Otoo de
wacht. En telkens en telkens weer was het zijn stem die mij zachtjes
waarschuwde voor verdachte handelingen en dreigend verraad. Soms ook
was het snelle schot van zijn geweer dat een nikker overhoop sloeg de
eerste waarschuwing die ik kreeg. En in mijn ren naar de boot was zijn
hand altijd klaar om mij in vliegende vaart aan boord te trekken. Eens,
herinner ik me, op Santa Anna, liep onze boot aan den grond juist toen
de herrie begon. De boot die ons dekte kwam aanstuiven om te helpen,
maar de honderden wilden zouden ons al vermoord hebben vóór dat de
anderen er waren. Otoo vloog met een geweldigen sprong aan wal,
groef zijn twee handen in de ruil-artikelen, en strooide tabak,
kralen, tomahawks, messen, en calico in alle richtingen.

Dat was te veel om te kroeskoppen. Terwijl ze grabbelden naar de
schatten, werd de boot vrij geschoven, en wij waren aan boord en
veertig voet in zee. En ik kreeg dertig koelies van datzelfde dorp
in de vier uren die volgden.

Maar de geschiedenis waar ik eigenlijk aan dacht, speelde op Malaita,
het meest barbaarsche eiland in de oostelijke Salomon's. De inlanders
waren merkwaardig vriendschappelijk geweest; en hoe konden wij weten
dat het heele dorp twee jaren lang een collecte had gehouden om met
de opbrengst het hoofd van een blanke te koopen. De schooiers zijn
koppensnellers van den eerste tot den laatste, en ze stellen vooral
veel prijs op het hoofd van een blanke. Wie het hoofd bemachtigde zou
de heele collecte krijgen. Zooals ik zei, ze leken erg vriendelijk;
en op dezen dag was ik zeker honderd meter van de boot weg gegaan,
het strand op. Otoo had mij gezegd voorzichtig te zijn; en, zooals
gewoonlijk wanneer ik me niet aan hem stoorde, ging het mis.

Het eerste wat ik merkte was een wolk van speren die van uit het
mangrove-moeras op mij afzeilde. Minstens twaalf staken er in mijn
lichaam. Ik zette het op een loopen, maar struikelde over een speer die
in mijn kuit vast zat, en ging tegen den grond. De kroeskoppen vlogen
op mij af, allen gewapend met een langen tweesnijdenden tomahawk om er
mijn hoofd mee af te hakken. Zij waren zóó begeerig naar den prijs, dat
ze elkaar in den weg liepen. In de verwarring vermeed ik verschillende
slagen door mezelf naar links en rechts in het zand te gooien.

Toen kwam Otoo--Otoo de aftuiger. Op de een of andere manier had
hij een zware oorlogsknots te pakken gekregen, en in een handgemeen
had dat wapen veel meer uitwerking dan een geweer. Hij zat midden in
de wilden, zoodat ze hem met hun speren niets konden doen, terwijl
hun tomahawks minder dan waardeloos leken. Hij vocht voor mij, en
hij was in een echte Berserker-woede. De handigheid waarmee hij de
knots hanteerde was verwonderlijk. Hun schedels spatten uit elkaar
als overrijpe sinaasappelen. Pas toen hij hen had teruggedreven en
met mij in zijn armen wegliep, kreeg hij zijn eerste wonden. Hij
kwam in de boot met vier speren in zijn rug, greep zijn Winchester,
en schoot met ieder schot een nikker overhoop. Toen roeiden we naar
den schoener en verzorgden onze wonden.

Zeventien jaren zijn wij samen geweest. Hij heeft mij gemaakt. Ik zou
op het oogenblik ladingmeester zijn, of werver, of een herinnering,
als hij er niet geweest was.

"U geeft uw geld uit, en dan gaat u weg en haalt nieuw geld," zei
hij op een dag. "Het is nu gemakkelijk om geld te krijgen. Maar
wanneer u oud wordt, zal uw geld op zijn, en u zult niet meer in
staat zijn om nieuw te gaan halen. Ik weet het, meester. Ik heb de
blanken bestudeerd. Langs den zeekant van de eilanden heb ik veel
oude mannen gezien die eens jong waren, en die geld konden krijgen
net als u. Nu zijn ze oud, en ze hebben niets, en ze loopen rond en
wachten tot de jonge mannen zooals u komen en borrels voor hen koopen.

"Het zwartje is slaaf op de plantages. Hij krijgt twintig dollar in
het jaar. Hij werkt hard. De opzichter werkt niet hard. Hij rijdt op
een paard en kijkt toe hoe het zwartje werkt. Hij krijgt twaalfhonderd
dollar in het jaar. Ik ben matroos op den schoener. Ik krijg vijftien
dollar in de maand. Dat is omdat ik een goed matroos ben. Ik werk
hard. De kapitein heeft een dubbele dektent, en drinkt bier uit lange
flesschen. Ik heb hem nooit aan een touw zien hijschen of aan een
riem zien trekken. Hij krijgt honderdvijftig dollar in de maand. Ik
ben matroos. Hij is zeevaarder. Meester, ik geloof dat het goed voor
u zou zijn om navigatie te kennen."

Otoo zette mij er toe aan. Hij voer met mij als tweede stuurman op
mijn eersten schoener, en hij was veel trotscher op mijn commando
dan ik zelf. Later was het weer:

"De kapitein wordt goed betaald, meester; maar hij moet altijd op
het schip letten, en hij is nooit vrij van dien last. De reeder wordt
beter betaald--de reeder, die aan den wal zit met veel bedienden en
zijn rijksdaalders omdraait."

"Allemaal waar, maar een schoener kost vijfduizend dollar, en dan
heb je nog maar een ouden," wierp ik tegen. "Ik zou een oud man zijn
vóórdat ik vijfduizend dollar had overgespaard."

"Er zijn korte wegen om aan geld te komen voor de blanken", ging hij
door, wijzend naar het met kokospalmen begroeide strand. Wij waren
op dat oogenblik in de Salomon's, bezig ivoornoten te laden langs de
oostkust van Goeadalcanar.

"De afstand tusschen dezen riviermond en den volgenden is twee
mijlen" zei hij. "Het vlakke land loopt ver naar binnen. Het is nu
niets waard. Het volgend jaar--wie weet? of het jaar daarna, zullen
er menschen zijn die veel voor dat land betalen. De ankerplaats is
uitstekend. Groote stoomschepen kunnen dicht bij het land liggen. U
kunt het land vier mijlen diep koopen van het oude opperhoofd voor
tienduizend stokken tabak, tien vierkante bottels, en een Snider,
wat u misschien honderd dollar zal kosten. Dan deponeert u de akte
bij den resident, en het volgend jaar, of het jaar daarna, verkoopt
u het land en wordt eigenaar van een schip."

Ik volgde zijn leiding, en zijn voorspelling kwam uit; alhoewel
eerst na drie jaren in plaats van na twee. Toen kwam de zaak met
de graslanden op Goeadalcanar--twintigduizend morgen huurde ik voor
negenhonderd negen en negentig jaren van het gouvernement voor een
miniem sommetje. Ik had de huur precies negentig dagen; toen deed ik
ze over aan een maatschappij voor een half fortuin. Altijd was het
Otoo die vooruit zag en het goede oogenblik uitkoos. Het bergen van
de _Doncaster_ was zijn werk--ik kocht het wrak voor honderd pond
in openbare veiling, en hield drieduizend over nadat alle onkosten
betaald waren. Hij bracht mij in de plantage op Savaii en in de
cacao-onderneming op Oepoloe.

Wij maakten niet meer zooveel zeereizen als in de dagen van vroeger. Ik
had het te goed. Ik trouwde, en mijn levensstandaard rees; maar Otoo
bleef dezelfde Otoo van vroeger. Hij liep door het huis of slenterde
door het kantoor met zijn houten pijp in zijn mond, een hemd van een
shilling over zijn bovenlijf, en een lava-lava van vier shilling om
zijn lendenen. Ik kon hem er niet toe krijgen geld uit te geven. De
eenige manier om hem terug te betalen was met liefde, en de hemel
weet dat hij dat kreeg, in overvloed, van ons allemaal. De kinderen
vereerden hem, en als hij zich had laten verwennen, zou mijn vrouw
zeker zijn verderf zijn gewest.

De kinderen! Hij was in waarheid degene die hun den weg wees dien
ze gaan moesten in het praktische leven. Hij begon met hen te leeren
loopen. Hij waakte bij hen als ze ziek waren. Een voor een, toen ze
nog nauwelijks hun beenen konden gebruiken, nam hij hen mee naar de
lagune, en maakte amphibieën van hen. Van de gewoonten der visschen en
de manieren om ze te vangen, leerde hij hen meer dan ik ooit geweten
heb. In de bosschen ging het precies hetzelfde. Torn wist op zijn
zevende jaar meer van jagen dan waarvan ik ooit gedroomd had. Mary liep
op haar zesde zonder eenige aarzeling over de Gladde Rots, en ik heb
sterke mannen daarvoor zien terugdeinzen. En toen Frank pas zes was
geworden, kon hij shillings opduiken van den bodem in drie vadem water.

"Mijn volk op Bora-Bora houdt niet van heidenen--het zijn daar allemaal
Christenen; en ik houd niet van de Christenen van Bora-Bora," zei
hij op een goeden dag, toen ik hem had trachten te overreden een
bezoek te gaan brengen aan zijn eigen eiland met een van onze eigen
schoeners. Het was mijn bedoeling hem over te halen om iets uit te
geven van het geld dat rechtens het zijne was, en ik had van deze
reis een record willen maken in het uitgeven van kolossale sommen.

Ik zeg met een van _onze_ schoeners, ofschoon ze in dien tijd volgens
de wet aan mij toebehoorden. Ik heb lang met hem moeten kibbelen
vóórdat hij mijn compagnon wilde worden.

"Wij zijn kameraden geweest vanaf den dag dat de _Petite Jeanne_
gezonken is", zei hij eindelijk. "Maar als uw hart het begeert zullen
wij ook volgens de wet kameraden worden. Ik heb geen werk te doen,
en toch zijn mijn verteringen groot. Ik drink en eet en rook zooveel
als ik wil--en dat kost veel, dat weet ik. Ik betaal niet voor
mijn biljarten, want ik speel op uw biljart; maar het geld loopt
ondertusschen. Visschen op het rif is een plezier dat alleen rijke
menschen zich kunnen veroorloven. Het is vreeselijk zooveel als haken
en lijnen kosten. Ja, het is noodig dat wij kameraden volgens de wet
zijn. Ik heb het geld noodig. Ik zal het ontvangen van den eersten
boekhouder op het kantoor."

Dus werden de papieren in orde gemaakt en geteekend. Een jaar later
was ik gedwongen aanmerkingen te maken.

"Charley", zei ik, "je bent een gemeene bedrieger, een akelige krent,
een ellendige landkrab. Hoor maar eens; je deel voor dit jaar in ons
compagnonschap is duizenden en duizenden dollars geweest. De boekhouder
heeft me dit papier gegeven. Daarin staat dat je in dit jaar precies
zevenentachtig dollar en twintig cent er van af hebt genomen."

"Heb ik nog wat te goed?" vroeg hij angstig.

"Ik zeg je toch, duizenden en duizenden", antwoordde ik.

Zijn gezicht klaarde op, als door een groote verlichting.

"Het is goed", zei hij. "Zorg dat de boekhouder het goed beheert. Als
ik het noodig heb, zal ik het ook noodig hebben, en dan mag er geen
cent aan mankeeren."

"Als er wat aan mankeert", voegde hij er fel bij, na een pauze,
"moet het uit het loon van den boekhouder komen."

En al dien tijd lag, zooals ik later merkte, zijn testament, dat mij
tot eenig erfgenaam benoemde, opgemaakt door Carruthers, in de safe
van den Amerikaanschen consul.

Maar het eind kwam, zooals het eind moet komen aan alle menschelijke
verhoudingen. Het gebeurde in de Salomon's, waar wij ons wildste
werk hadden gedaan in onze wilde jonge dagen, en waar wij weer terug
waren, hoofdzakelijk om wat vacantie te nemen, en ook om eens naar
onze bezittingen op het eiland Florida te kijken, en te zien of er
misschien een parelvisscherij begonnen kon worden bij den Mboli-pas.

Wij lagen voor Savo, waar we binnengeloopen waren om curiositeiten
te verzamelen.

Savo nu leeft letterlijk van de haaien. De gewoonte van de kroeskoppen
om hun dooden in de zee te begraven droeg er ook niet toe bij om
de haaien af te schrikken, zoodat de omliggende wateren een ware
verzamelplaats zijn. Het was mijn lot om naar boord te gaan in
een kleine, veel te zwaar geladen, inlandsche kano, toen het ding
omsloeg. Vier kroeskoppen en ik zelf zaten er in, of liever hingen
er aan. Wij waren nog een honderd meter van den schoener af. Ik was
juist bezig om een boot te roepen, toen een van de nikkers begon te
schreeuwen. Hij hield zich vast aan het einde van de kano, en zoowel
hij als dat gedeelte van het bootje werden een paar keer en onder
water getrokken. Toen liet hij zijn greep los en verdween. Een haai
had hem te pakken gekregen. De drie overblijvende nikkers trachtten
uit het water te klimmen boven op de kano. Ik gilde en vloekte en
sloeg met mijn vuist naar den nikker die het dichtst bij was, maar het
gaf me niets. Hun angst was blind. De kano kon nauwelijks één van hen
dragen. Onder het gewicht van drie nikkers schoot het ding overeind,
rolde zijwaarts om, en gooide hen terug in het water.

Ik liet de kano voor wat ze was en begon naar den schoener te zwemmen,
in de hoop opgepikt te worden door de boot vóórdat ik daar aankwam. Een
van de nikkers vond het beter met mij mee te gaan, en wij zwommen
zwijgend verder, zij aan zij, nu en dan onze hoofden in het water
stekend om rond te kijken naar haaien. Het gegil van den man die bij de
kano was gebleven gaf ons de zekerheid dat hij gegrepen was. Ik keek
juist in het water, toen ik een grooten haai vlak onder mij langs zag
schieten. Hij was zeker zestien voet lang. Ik zag alles gebeuren. Hij
nam den kroeskop bij zijn middel, en weg ging hij, de arme duivel,
hoofd, schouders en armen nog steeds boven water, en gillend dat het
mij door merg en been ging. Een paar honderd voet werd hij op die
manier weggesleurd, toen verdween hij onder de oppervlakte.

Ik zwom hardnekkig verder, in de hoop dat het de laatste haai was
die nog niets te doen had. Maar er was er nog een. Misschien was hij
het die straks den inlander al had aangevallen, misschien ook had hij
ergens anders al een goeden maaltijd gehad, ik weet het niet. Maar in
ieder geval was hij niet zoo gehaast als de anderen. Ik kon niet zoo
vlug meer zwemmen, want een groot deel van mijn arbeidsvermogen werd
verbruikt met hem op het spoor te blijven. Ik had hem in de peiling
toen hij zijn eersten aanval deed. Ik was zoo gelukkig hem met mijn
twee vuisten op zijn neus te stompen, en ofschoon zijn vaart mij bijna
onder water trok, kon ik hem toch van mij afhouden. Hij zwaaide vrij,
en begon weer rondom mij heen te zwemmen. Een tweeden keer ontsnapte
ik door dezelfde manoeuvre. De derde stormloop was aan beide kanten
mis. Hij week weg op hetzelfde oogenblik dat mijn handen hem bereikt
zouden hebben, maar zijn schuurpapieren huid (ik had een hemd zonder
mouwen aan) schraapte het vel van mijn eenen arm af van den elleboog
tot den schouder.

Toen het zoo ver was, begon ik uitgeput te raken, en gaf alle hoop
op. De schoener was nog tweehonderd voet ver weg. Mijn gezicht was
in het water, en ik volgde zijn manoeuvres voor een nieuwe poging,
toen ik een bruin lichaam tusschen ons door zag schieten. Het was Otoo.

"Zwem naar den schoener, meester!" zei hij. En hij sprak vroolijk,
alsof de heele zaak maar een grapje was. "Ik ken de haaien. De haai
is mijn broeder."

Ik gehoorzaamde, en zwom langzaam verder, terwijl Otoo om mij heen
bleef zwemmen. Hij hield zich steeds tusschen mij en den haai,
verijdelde zijn aanvallen, en moedigde mij aan.

"De david-talie is gebroken, en ze zijn bezig met de vallen," legde
hij een paar minuten later uit, en dook toen weer onder om een nieuwen
aanval af te slaan.

Toen de schoener nog ongeveer dertig voet ver weg was, raakte het met
mij gedaan. Ik kon mij nauwelijks meer bewegen. Ze gooiden voortdurend
lijnen naar ons toe van boord, maar steeds vielen ze buiten ons
bereik. De haai, die merkte dat hem geen kwaad geschiedde, begon
brutaler te worden. Verschillende keeren had hij mij bijna te pakken,
maar telkens was Otoo er juist vóór het te laat was. Natuurlijk had
Otoo zich zelf ieder oogenblik kunnen redden.

Maar hij bleef bij mij.

"Dag Charley! Ik ben er geweest!" kon ik nog juist hijgen. Ik wist
dat het eind gekomen was, en dat ik het volgend oogenblik mijn handen
omhoog gooien en zinken zou.

Maar Otoo lachte mij in mijn gezicht uit, en zei:

"Ik zal u een nieuwe truc laten zien. Ik zal dien haai eens erg
beroerd maken!"

Hij kwam achter mij zwemmen, waar de haai zich klaar maakte om op
mij af te komen.

"Een beetje meer naar links!" riep hij even later. "Er ligt daar een
lijn op het water. Naar links, meester, naar links!"

Ik veranderde mijn koers en sloeg blindelings uit. Ik was toen zoo goed
als bewusteloos. Toen mijn hand zich sloot om de lijn hoorde ik een
uitroep van boord. Ik keerde mij om en keek rond. Er was geen spoor
van Otoo. Het volgende oogenblik kwam hij aan de oppervlakte. Zijn
twee handen waren er af bij de polsen, en de stompjes spoten bloed.

"Otoo!" riep hij zacht. En in zijn oogen zag ik de liefde die trilde
in zijn stem.

Toen en toen alleen, in het laatste oogenblik van al onze jaren,
noemde hij mij bij dien naam.

"Dag Otoo!" riep hij.

Toen werd hij onder water getrokken, en ik werd aan boord geheschen,
waar ik flauw viel in de armen van den kapitein.

En zoo ging Otoo weg, Otoo, die mij gered en een man van mij gemaakt
had, en die ten slotte mijn leven redde. Wij ontmoetten elkaar in den
muil van een orkaan en wij scheidden in den muil van een haai, en daar
tusschen lagen zeventien jaren van kameraadschap zooals nog nooit twee
mannen gekend hebben, de een bruin en de ander blank. Als Jehovah van
zijn verheven zitplaats iedere mensch ziet vallen, dan zal zeker in
zijn koninkrijk niet de minste zijn Otoo, de ééne heiden van Bora-Bora.




DE VREESELIJKE EILANDEN.


Het valt niet tegen te spreken dat de Salomon's een onguur zoodje
eilanden zijn. Evenwel, er zijn kwader oorden op deze wereld. Maar
voor den nieuweling die geen aangeboren begrip heeft van de menschen
en van het leven in het algemeen, zullen de Salomon-eilanden werkelijk
vreeselijk kunnen blijken.

Het is waar, dat koorts en dysenterie er voortdurend rondwaren,
dat walgelijke huidziekten er in overvloed voorkomen, dat de
atmosfeer er verzadigd is met een vergif dat bijt in iedere porie,
in elk schrammetje of wondje, en daar kwaadaardige gezwellen plant,
en dat menige sterke kerel die daar aan den dood is ontsnapt,
als een wrak terugkeert naar zijn eigen land. Het is ook waar,
dat de inboorlingen van de Salomon's een woeste bende zijn, met
een gezonden eetlust voor menschenvleesch en een zwak voor het
verzamelen van menschenhoofden. Hun hoogste idee van sport is iemand
van achteren aan te vallen en hem een hevigen slag met de tomahawk toe
te brengen die den ruggegraat knakt bij de basis van de hersenen. Het
is eveneens waar dat op sommige eilanden, zooals Malaita, de winst-
en verlies-rekening van maatschappelijk aanzien berekend wordt in
moorden. Hoofden zijn er een ruilmiddel, en hoofden van blanken zijn
bijzonder veel waard. Heel dikwijls maken een dozijn dorpen een pot,
dien ze maan na maan bijvullen, tegen den tijd dat de een of andere
dappere krijger het hoofd van een blanke vertoont, versch en bloedig,
en den pot opeischt.

Al het voorgaande is volkomen waar, en toch zijn er blanken die meer
dan twintig jaren in de Salomon's geleefd hebben, en die heimwee
voelen wanneer ze er weg gaan. Een man moet alleen maar voorzichtig
zijn--en geluk hebben--om lang te blijven leven in de Salomon's; maar
hij moet ook van het goede soort zijn. Het kenmerkend stempel van het
onvermijdelijke blanke ras moet gedrukt staan op zijn wezen. Hij moet
onvermijdelijk zijn. Hij moet een zekere royale onverschilligheid
hebben voor de kansen van het levensspel, een zekere kolossale
zelfvoldaanheid, en een egoïsme van ras dat hem er van overtuigt dat
één blanke meer waard is dan duizend nikkers iederen dag van de week,
en dat hij op Zondag in staat is tweeduizend nikkers af te dekken. Want
dat zijn de dingen die den blanke onvermijdelijk hebben gemaakt. O, en
dan nog iets--de blanke die onvermijdelijk wil zijn, moet niet alleen
de lagere rassen verachten en een groot idee van zichzelf hebben;
hij mag ook geen last hebben van een teveel aan fantazie. Hij moet
de instincten, gewoonten, en hersenprocessen van de zwarten en gelen
en bruinen niet al te goed begrijpen; want het is niet op die manier
dat het blanke ras zijn koninklijken weg over de wereld heeft gebaand.

Bertie Arkwright was niet onvermijdelijk. Hij was te gevoelig, te fijn
besnaard, en hij had te veel fantazie. Hij trok zich te veel van de
wereld aan. Hij projecteerde zichzelf te levend, te gevoelig op zijn
omgeving. Daarom waren de Salomon-eilanden de laatste plaats in de
wereld waar hij heen moest gaan. Hij kwam ook niet met de bedoeling
om er te blijven. Met een verblijf van vijf weken, tot de volgende
boot kwam, zou, zoo besloot hij, de drang naar primitief leven die de
snaren van zijn wezen deed trillen, wel bevredigd zijn. Tenminste,
dat vertelde hij aan de dames-touristen op de _Makembo_, hoewel in
andere termen; en zij vereerden hem als een held, want het waren
dames-touristen en zij zouden alleen maar het veilige dek van het
stoomschip kennen terwijl het zijn weg zocht door de Salomon's. Er
was nog een man aan boord, waarvan de dames géén notitie namen. Het
was een klein, verschrompeld mannetje, met een rimpelige huid die
de kleur had van mahonie hout. Zijn naam op de passagierlijst doet
hier niet ter zake, maar zijn andere naam, kapitein Maloe, was een
naam waar de nikkers bij zwoeren, en waarmee men kinderen bang kon
maken en tot rede brengen op ieder eiland van Nieuw-Hannover tot de
Nieuwe Hebriden. Hij had barbaren en barbaarschheid geëxploiteerd,
en uit koorts en ontbering, uit den knal van Sniders en de zweep van
opzichters had hij vijf millioen dollar gewrongen, in den vorm van
tripang, sandelhout, pareloesters en schildpad, kokosnoten en kopra,
graslanden, ruil-stations en plantages. Er was meer onvermijdelijkheid
in kapitein Maloe's pink, die gebroken was, dan in Bertie Arkwright's
heele lichaam. Maar, de dames-touristen hadden niets om naar te
oordeelen dan den uiterlijken schijn, en Bertie was zonder twijfel
een flinke, knappe jongen.

Bertie praatte eens met kapitein Maloe in den rooksalon, en bekende
hem zijn plan om het leven in de Salomon's te zien, rood en bloedend,
zooals het werkelijk was. Kapitein Maloe vond óók dat dat een loffelijk
en prijzenswaardig streven was. Pas verscheiden dagen later begon
hij meer belang te stellen in Bertie, toen die jeugdige avonturier
er op aandrong hem een automatisch pistool, kaliber 44, te laten
zien. Bertie legde uit hoe het werkte, en veraanschouwelijkte zijn
onderricht door een houder met patronen in den hollen kolf te schuiven.

"Het is zoo eenvoudig", zei hij. Hij schoof den buitensten loop
langs den binnensten. "Daardoor wordt het geladen en gespannen,
ziet u. En dan is alles wat ik te doen heb den trekker overhalen,
acht keer, zoo gauw als ik mijn vinger maar kan bewegen. Ziet u
die veiligheidsspan? Dat vind ik er zoo mooi van. Het is veilig. De
grootste dwaas kan er mee omgaan." Hij liet den houder er weer uit
glijden. "U ziet hoe veilig het is."

Terwijl hij het in zijn hand hield, kwam de mond in de richting
van kapitein Maloe's maag. Kapitein Maloe's blauwe oogen keken er
onafgewend naar.

"Zoudt u het misschien in een andere richting willen houden?" vroeg
hij.

"Het is absoluut veilig", verzekerde Bertie hem. "Ik heb den houder
er uit gehaald. Het is heusch niet geladen nu."

"Een vuurwapen is altijd geladen."

"Maar dit niet."

"Houdt u het toch maar in een andere richting."

De stem van kapitein Maloe was laag en metaalachtig en zonder
uitdrukking, maar zijn blikken wendden zich geen oogenblik af van
den mond van het pistool, totdat de vizierlijn langs hem heen liep
en van hem weg.

"Ik verwed er een tientje onder dat het niet geladen is", daagde
Bertie uit.

De ander schudde zijn hoofd.

"Dan zal ik het u laten zien."

Bertie begon den loop naar zijn eigen hoofd te richten, met de
klaarblijkelijke bedoeling om af te drukken.

"Wacht u even", zei kapitein Maloe rustig, zijn hand uitstrekkend. "Mag
ik het even zien?"

Hij richtte het pistool naar zee en drukte af. Er volgde een zware
ontploffing, tegelijk met den scherpen tik van het mechanisme dat
een heete, rookende huls zijwaarts uitwierp, tegen het dek. Bertie
liet zijn onderkaak hangen in stomme verbazing.

"Ik heb den loop één keer terug geschoven, hè?" legde hij uit. "Het
was stom van me, dat moet ik zeggen."

Hij gichelde slapjes, en ging zitten in een dekstoel. Het bloed was
weggeëbd uit zijn gezicht, en hij had ineens donkere kringen onder
zijn oogen. Zijn handen beefden en waren niet in staat de trillende
cigaret naar zijn lippen te brengen. Hij trok zich te veel van de
wereld aan, en hij zag zich zelf al met druipende hersenen vóórover
op het dek liggen.

"Heusch," zei hij, "... heusch."

"Het is een mooi wapen", zei kapitein Maloe, en gaf hem het pistool
terug.

De resident, die terugkwam van Sydney, was aan boord van de _Makembo_,
en met zijn toestemming werd er gestopt bij Oegi om een zendeling
aan land te zetten. En voor Oegi lag de kits _Arla_, schipper
Hansen. Nu was de _Arla_ een van de vele schepen die kapitein
Maloe in eigendom toebehoorden, en het was op zijn voorstel en
op zijn uitnoodiging dat Bertie als gast aan boord van de _Arla_
kwam, voor een wervingskruistocht van vier dagen langs de kust van
Malaita. Daarna zou de _Arla_ hem ontschepen op de Reminge-plantage
(ook eigendom 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/18532