Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Zonnestralen in School en Huis

by Henriette Dietz · Dutch · Gutenberg #18429 · 471,809 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Zonnestralen in School en Huis
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Zonnestralen in School en Huis
        Vertellingen

Author: Henriette Dietz
        Katharina Leopold


        
Release date: May 21, 2006 [eBook #18429]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/18429

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZONNESTRALEN IN SCHOOL EN HUIS ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/









                              Zonnestralen
                           In school en huis.



                              Vertellingen

                                  Door

                     Henr. Dietz en Kath. Leopold,

 Onderwijzeressen aan de leerschool, verbonden aan de Kweekschool voor
                    Onderwijzeressen, te Groningen.




                      Derde bundel.--met 7 platen.

                  Te Groningen bij J.B. Wolters, 1900.






                    Stoomdrukkerij van J.B. Wolters




INHOUDSOPGAVE


    De Sprookjesfee.
    Van de Pepernoten en den Doedelzak.
    Op de Horens genomen.
    Een Droom.
    Een Dief—en Geen Dief.
    Het Zilveren Lucifersdoosje.
    April!
    Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.
    Juist Goed!
    Weer van eene Fee.
    Kalif-Ooievaar.
    Onder den Tooverboom.
    Het betooverde Horloge.
    De Visscher en zijne Vrouw.
    De Geluksklok.







DE SPROOKJESFEE.


Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die
moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja,
dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar
heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die
prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.



Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En
omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen
te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene
juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje
eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde
te leeren? Nu--juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning:
"Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren,
om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren
naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor
haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen
het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met
bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen
tusschen al de moeilijke lessen. En--de korenbloemen doen nog wel
schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren
was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind
van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook
worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó
wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze
zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is,
kan ook flink leeren."--Zoo praatte de koning, die de vader was van
het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.

Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in
een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat
kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en
met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen
gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder 't
vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste
platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen
en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms
ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst,
beschilderd met madeliefjes.

't Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan
hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde
ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd
licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat
tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in
een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan
haren schoot. Dan begon het: "Er was eens...." Vertellingen, die met
"Er was eens" begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de
verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel
tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat
was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal
in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat,
van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas
hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde
plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.

Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze
eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet
meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat
was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo
wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden,
bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten
vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken
dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm
naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de
lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een
gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan
las ze, las ze al de sprookjes die haar vroeger verteld waren. Weer
had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond
ze veel mooier dan lezen. "Hè," zei de prinses dikwijls, "wat was
dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik
zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo
dol op sprookjes."--"Weet je wat," zei de koning, "ik zal je nog
eens naar de sprookjesfee brengen."--"Hè, ja, Vader," zei de prinses,
"doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar
woont immers de sprookjesfee?"--"Ja," zei de vader, "de sprookjesfee
woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar--ik
weet niet precies waar."--"O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,"
riep de prinses. "Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?"--"Ho, eens,"
zei de vader, "bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar
zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je."

Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een' morgen
zei de koning: "Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we." En
den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel
reisden, voor ze in 't land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang
ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet
ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het
huis van de tooverfee zijn.

Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. 't Was een klein, wit
huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze
werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee
kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo
vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste
grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht,
zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde
de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes
geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten
kon, dat ze zoo'n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee
te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop,
dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de
vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.

Toen zei de fee: "Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent,
om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en
zie me goed in de oogen. Kijk ik begin al: 'Er was eens.....'" En de
lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde
de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de
lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en
dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte
de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en
fluisterde: "Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik
zou wel een heelen dag willen luisteren en een' nacht er bij." De fee
glimlachte: "Kom morgen weer," zei ze. "Mag ik, lieve fee, mag ik,
Vader?" vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den
volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren,
en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.

Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling
mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de
koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer
naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee
de hand. Ze had de tranen in de oogen. "Ik zal U nooit vergeten,
lieve fee," zei ze. "Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o,
ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U
blijven. Dan mocht ik bij U logeeren....." "Weet je wat," zei de fee,
"blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen
is toch ook wel wat erg."--"O, Vadertje," smeekte de prinses, "als
dat eens mocht!"--"Het mag," zei de vader. "Over zes weken zal ik
je terug komen halen. Is dat goed?"--"Heerlijk!" riep de prinses,
"o, wat heb ik toch een lieven vader!"--

Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed
de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als
het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.

Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging
er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen--de zesde week was
juist begonnen,--kwam de fee op een' avond met een grooten brief,
waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel,
ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover
haar zat en begon:

"Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij
nog heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met
den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder
wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang,
dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor
nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn' dood over een groot
land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom
verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen,
om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en
bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange
lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat
ging maar: van 7-8 dit, van 8-9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen,
Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch,
Engelsch, Spaansch, Italiaansch ...."

--"En vertellen," fluisterde de prinses.

"Neen," zei de fee, "vertellen stond niet op de lijst."--"Arme
prins!" zei de prinses. "Luister," zei de fee. "Een sprookje
mocht den prins nooit verteld worden. 'Sprookjes! onzin!' zei de
koning. 'Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen
het voedsel, dat voor het koren is--weg er mee--'t is onkruid.'"

Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar
toen de prins groot en wijs en knap was--werd de prins ziek. Dat
was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een' dokter
komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins
bleef ziek. Een ander dokter--pillen, poeders, drankjes--de prins
bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins
werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch
eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist
het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een
anderen dokter roepen--alles vergeefsch.

Eindelijk hoorde hij spreken van een' professor, die zieken genas,
waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk
werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk
verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen.

De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het
ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hij
luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de
handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de
wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een
bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en
riep eindelijk: 'Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit
een sprookje hooren vertellen--dat hart heeft nooit van verwachting
gebonsd--die oogen hebben nooit geschitterd--die wangen hebben nooit
eene kleur gekregen--die mond heeft niet gejubeld--die handen hebben
niet geklapt--die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene
vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam
dat toch zoo, Uwe Majesteit?'--'Ja, professor, ik dacht, de prins
moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht:
sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....'--'O, Uwe
Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is
een leven zonder zon!'--'Maar--wat moet ik doen, beste professor,
wat moet er gebeuren?'--'Ja, er moet dadelijk iemand komen, om
den prins te vertellen, 't is mogelijk, dat hij dan nog te redden
is.'--'Maar'--riep de koning, 'ik zou niet weten, wie--in mijn paleis
is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van
vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!'

De professor schudde het hoofd. 'Uwe Majesteit,' zei hij, 'iemand, die
gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat,
te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een' bode met een uitvoerig
schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....'

Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. "Hier
is nu dat verzoek," zei ze, "en verder kun je alles wel raden."--"Dus
't is waar gebeurd!" zei de prinses. "Die arme, arme prins! En nu gaat
U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te
maken?"--"Ik zou het zoo graag doen," zei de fee, "maar het land van
den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet
een ander, eene jongere in mijne plaats gaan."--"Maar wie zou zoo mooi
kunnen vertellen, als U!" riep de prinses. "Er moet immers juist zoo
heel mooi verteld worden!"--"Ik weet er maar één," zei de fee; "'t is
een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis getroost,
om één sprookje te hooren, dat...."--"O, lieve fee," riep de prinses,
"U kunt mij toch niet meenen!"--"Zeker! ik meen niemand anders," zei
de fee; "zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in
haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt
het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen,
en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden."--"Ik wil het graag
probeeren, als 't niet anders kan," zuchtte de prinses, "maar ik ben
bang..." "Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet,
hoe heerlijk de terugkomst is."

Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden
morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig,
waarmee ze de reis beginnen zou. 't Was bijna avond, toen de prinses
de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze
door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er
triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart
van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het
hoofd hangen en zett'en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht
wel sterven.

De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de
menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning
te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het
sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar
den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van
de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen
voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in
de ziekenkamer.

Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens--doodsbleek. Hij
sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam,
maar sloot de oogen ook dadelijk weer; 't was hem onverschillig, wie
er kwam of ging. "Kijk eens, mijn jongen," zei de koning, "daar is
een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te
maken."--"Mij weer beter maken?" zei de prins met eene matte stem, "mij
weer beter maken, dat kan niemand."--"Mag ik het eens probeeren, beste
prins?" vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. "Kijk,
eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij
Uw bed zitten en vertel U een sprookje...." "Een sprookje!" zei de
prins, en zijne stem klonk een beetje helderder, "kun je sprookjes
vertellen?"--"Of ik!" zei de prinses, "ik kom regelrecht van de
sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben,
en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was,
zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de
sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?" De prins knikte glimlachend met
het hoofd. "Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van
dingen?" vroeg de prinses, "'t Is mij alles hetzelfde," zuchtte de
prins, die al weer matter begon te worden. "O, wat ben ik ziek. Je
hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes."

Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de
trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering
van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf
pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen,
toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de
koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder
't vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs
wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij:
"Mooi. Jammer, dat het uit is!" Toen draaide hij het hoofd op zij
en sliep rustig in.--De dokters schudd'en het hoofd en zeiden:
"Wonderlijk, wonderlijk!" De prins had immers in zoo langen tijd
niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte
de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in 't paleis
brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden.

En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door
en at den volgenden morgen met smaak een eitje en 's middags een
bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de
deur, en eindelijk vroeg hij: "Komt mijne sprookjesfee niet?" Juist
kwam de prinses de deur in en zei: "Daar ben ik al! Wat zal het nu
wezen?"--"Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen," zei
de prins. "Kun je dat?"--"Zeker," zei de prinses, en ze vertelde van
den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht
overeind in 't bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen
het uit was, zei hij: "Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig,
dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk
dank, lieve fee!"--"Ik ben geene fee," zei de prinses, "ik ben maar
een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt."--"En ze o,
zoo mooi vertelt!" zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht:
dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. "Tot
morgen," riep de prins, toen de prinses heen ging.

Toen de prinses den volgenden avond weer kwam--waar was toen de
prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer,
toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een
gemakkelijken stoel bij 't venster en een even gemakkelijke stoel stond
tegenover hem. "Neem plaats!" zei de prins. "Wat zal ik nu prettig
luisteren."--"Waar moet ik nu van vertellen?" vroeg de prinses. "Ik zou
zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,"
zei de prins. "Kan dat?"--"Dat kan!" zei de prinses. Luister maar:

"Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een'
laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten
linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene
vertelling hooren." En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich
nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op
eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder,
dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den
kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor
het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar,
waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo'n sierlijke danseres had
hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in
den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels
wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met
den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten
en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte
en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen
trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en
zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles,
dat den prins op 't laatst de tranen over de wangen rolden van 't
lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: "Neen, maar,
zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik
dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!" Daar sprong de deur open en de
koning kwam binnen. "Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid," riep
hij. "Ik hoorde in de verte lachen."--"De prins is weer beter!" zei
de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. "Lief meisje," riep hij,
"je hebt mijn' prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol
geld geven en...."--"Niets er van!" riep de prins, "daarvoor wil ik
haar tot mijne vrouw maken!" Toen de koning die woorden hoorde, betrok
zijn gezicht. "Ja," zei hij, ik kan me best indenken, dat je het meisje
lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die
moet eene prinses hebben...."--"Dat ben ik juist!" zei nu de prinses
met een zacht stemmetje. "Sakkerloot! als dat zoo is!" riep de koning.

Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis
vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de
prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De
oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene
nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had,
toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe
hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had
weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar 't ouderlijk
paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook
een' zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij 's avonds
in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat,
tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde,
dat is niet te zeggen.

Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en
juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de
week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?




VAN DE PEPERNOTEN EN DEN DOEDELZAK.


Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen
maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin.

Eens op een' morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den
rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout;
want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer
met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de
koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo
regeerde die voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden,
over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding
kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn
hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne
witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit
met eene diepe buiging--de kousen aan. Waarom zette de deftige heer
een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om
en om? Omdat--hij op eens tot zijn' schrik een groot gat in den hiel
gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar 't hielp
hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de
koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het
wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf,
die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg,
maar--dit vond hij voor een' koning toch wel wat heel erg.

Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee
van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de
hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen
heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond,
en zuchtend zei hij: "Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over
mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen
stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben,
als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het
me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er
van denken, als ik me eens eene vrouw nam?".... De deftige heer,
die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van
den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij
fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: "Wat ik er van denken
zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen
doen."--"Kom, dat doet me plezier," zei de koning; maar toen met
een bedenkelijk gezicht: "Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo
gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?"--"Welzeker!" lachte
de opperhofmeester, "wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit
is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen,
en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe
Majesteit behoeft geen zorg te hebben."

Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want
er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. "Ik weet het niet, ik weet
het niet," zei hij. "Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal
wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi--en heel lief--en heel
verstandig ...."--"Is het anders niet," lachte de opperhofmeester,
"o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden."--"Ho, ho, niet
te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als
het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel
voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou."--"De prinses mag
zeker niet ijdel zijn--of slordig--of nieuwsgierig.--Ze moet zeker
mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of
vlug schaatsenrijden ...."--"Houd maar op," riep de koning, "niets
van dat al. Ze moet--lekkere pepernoten kunnen bakken!--Ik houd
nergens zooveel van als van pepernoten. Maar--juist, omdat er geen
grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig
op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet
te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in
mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in 't pepernoten bakken
al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een
het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard,
de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen,
een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik
zou willen trouwen, _moet_ pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere
ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden."

Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een' schrik. Maar
hij hield zich goed en zei: "Een koning als Uwe Majesteit kan alles
krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten
bakken kan."

"Zou je dat wezenlijk denken?" riep de koning, nu erg in zijne nopjes,
"kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken."--

Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou
nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die
hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en
gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar
haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in
gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten
werden er gepakt: niets was den koning te veel of te kostbaar voor
de prinses, die .... je weet het wel.

Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen
voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en
voort gaat het....

Dat was me eene lange, lange reis, van 't eene land naar 't
andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen
woonden. Maar--hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij
er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die
tegelijk "heel mooi" en "heel lief" en "heel verstandig" waren. En nu
zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen
nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar
.... geene van de drie kon pepernoten bakken!!

"'t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken," zei de eerste
prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden
zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: "Mogen het geene
amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en
hartjes, met veel boter."--"'t Spijt mij ook, lieve prinses," zei de
koning; "maar het _moeten_ pepernoten zijn."

De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen
de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het
hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig:
"Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke
dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses,
die--pepernoten kan bakken!"

Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van
de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet
hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning
nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel
graag willen weten, zei ze, of de koning ook--op den doedelzak kon
spelen. Op zoo'n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja,
hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses _hem_ iets zou kunnen
en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: "'t Spijt me,
't spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan
ik niet op spelen."--"O," zei de prinses, "als dat zoo is, behoeven
we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het
spijt me wezenlijk om U, en zelf had ik het ook graag anders gewild;
want ik vind U heel aardig. Maar--op den doedelzak te hooren spelen, o,
dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen,
nooit een' man te nemen, die dat niet kan." Arme koning, daarmee kon
hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de
koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en
zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.

En toch--de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet--er _moest_
eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning
den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand
onder 't hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. "Uwe
Majesteit heeft toch geen verdriet?" vroeg de opperhofmeester
medelijdend. "Ik heb nog altijd geene koningin," zei de koning,
"en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit
eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van
de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt,
ik moet maar tevreden zijn met--amandelkoekjes. Ja, de prinses, die
zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes,
met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar
dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust
heeft mijne vrouw te worden."

De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug;
want hij bracht de boodschap aan den koning, dat--de prinses tot
haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in
dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De
prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd
met den koning van het land, waar de amandels groeien.

"Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik
vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos,
omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan
zich bedacht hebben." Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang
niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug
met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te
brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven
lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren
over een land, waar een dwaas op den troon zat. "Als dat zoo is,"
zei de koning boos, "laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is,
ik heb haar niet noodig."

Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar--hoe
nu? 't Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog,
en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de
drie. Maar--de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den
doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt,
dan--zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang
na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te
vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de
prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de
pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen,
voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te
trotsch voor.

De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen--liet hij toch
weer den opperhofmeester bij zich roepen. "Mijn waarde heer," zei de
koning, "je trekt al een lang gezicht, en 'k weet wel waarom. Maar dat
zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer--naar
de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil
ik het toch." De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei:
"Zooals Uwe Majesteit beveelt."--

De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles
behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op,
weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft
gedaan. En--als het niet om zijn' heer en meester, den koning geweest
was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij
't paleis van de prinses kwam. Maar--tot zijne groote vreugde liep
alles heel anders af, dan hij gedacht had.

Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens
moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses
zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning,
eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te
zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn' smaak kon bakken. Ook,
hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe
erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij
gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe
mooi, hoe verstandig hij die ééne vond. Hoe _heel_ graag hij daarom
juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als
ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen
had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had,
dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en
verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten
had, zijn' opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te
vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.

Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een
verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren,
hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de
pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij
ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder
al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was,
die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en
geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne
gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na
lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel
goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe
ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk
"ja" te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.

Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de
koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen
trouw meegenomen had, naar 't paleis brengen en zelf pakte hij alles
voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo'n voornaam
heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben
willen doen, als hij maar geweten had, wàt!

Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets
draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets
stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den
opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe
liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde
boodschap te brengen.

Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor 't
paleis. De opperhofmeester was in een' wip het rijtuig uit en twee
treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die
al verlangend had staan uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van
paarden in de verte hoorde, kwam zijn' opperhofmeester al tegemoet in
het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep,
dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal,
waar ze ongestoord praten konden. "Ze doet het, ze doet het!" riep de
opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.

Toen vloog de koning zijn' opperhofmeester om den hals, en hij
schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester
"au" riep. "En, en" .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren
gekomen was, "vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?"--Toen
vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles,
wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn'
opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde
hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed
voor zijn' koning gesproken had.--Nog dienzelfden dag werden de
ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in 't heele land. En
toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit
zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was
een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een
driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan
de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster
met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene
edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de
heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug
gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende
ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij
bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. 't Was
eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning
wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat
hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd
bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met
hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen
wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers
van groen en bloemen aan de huizen--den heelen dag door muziek en
's avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel,
lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken--eene heele week
lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk,
alles ter eere van de lieve jonge koningin.

't Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin
en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun
beidjes.--Ja--toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd
werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de
harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo
heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje
weer zoo gelukkig met haar koning.

Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.

Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning,
wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning
moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers
gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger--toen was er
dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu:
wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze
goed voor den koning. 't Was een lust!--En 's avonds, als de koning
moe van 't regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te
vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen
en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren
als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor
zijn land en voor zijn volk gedaan had.--Altijd deed de koningin,
wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen,
dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op 't laatst zoo knap, dat
ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.--

En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo
knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat
wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat
hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was
hij lief voor haar--nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag
plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.

't Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar
lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de
koning nog geene enkele maal gedacht: "'t Is toch jammer, dat mijne
koningin geene pepernoten bakken kan." En de koningin had nog niet één
keer gezucht: "'t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak
spelen kan." Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en
de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden,
ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee
's morgens uit het bed stapten--met het verkeerde been. Als het nog
maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen
geweest was! Maar alle twee tegelijk--dat was erg genoeg!

Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit
het bed en dus--ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog
nooit anders geweest, 's Avonds zou er een groot feest wezen in de
mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er
gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen
het groen hangen. Maar--het regende, het stortregende, het plasregende,
het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van
den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en
lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren:
in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden,
dat ze wel thuis konden blijven.--En de koningin vooral had zich nog
wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!--

Dan--toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met
haar poesje was gaan spelen--had Poes haar leelijk over de hand
gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de
jonge koningin zoo trotsch op was.--En--er was eene leelijke vlek
gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen
opschilderde.--En--onder het kappen had de kamenier de koningin bij
ongeluk met eene haarspeld in 't hoofd geprikt. Daar had de koningin
hoofdpijn van gekregen.--En--maar kom, ik wil al de ongelukken,
die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen,
't Liep alles, alles verkeerd--en ons koninginnetje, anders altijd
even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en
heelemaal niet in haar schik.

En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het
bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, 't Speet hem ook erg van
't feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.--En dan--de
kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op
een plaatje altijd op de hand dragen--viel bij ongeluk op den grond
en het prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!--En
dan--kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten
maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw,
vuurrood gekleurd, en de zee oranje!--En de nieuwe laarzen knelden
zóó, dat de koning er kreupel van liep. En--en--nog eene lange rij
van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was
onze koning altijd vriendelijk en welgemoed--nu was hij brommig en
boos en heelemaal niet in zijn humeur.

De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos:
o wee, o wee!--Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was,
zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de
koningin _kibbelden_! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag
zelf eigenlijk niet meer. 't Was om eene kleinigheid, 'k geloof om
een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar
de koning toen naar moest zoeken. Nu, 't komt er ook niet op aan,
_waarom_ ze kibbelden--ze _kibbelden_, en dat wou ik eigenlijk maar
vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de
koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning
nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en
bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was 't, geloof
ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de
koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan,
en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin
toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er
nooit iets op hem te zeggen viel.--'t Ging al harder en harder tegen
elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo
verstandig, om op te houden met kibbelen.

En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen,
trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een'
lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: "Me dunkt, heer koning,
je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat
op aan te merken hebben: _je kunt niet eens op den doedelzak spelen!_"

Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of
de koning riep driftig: "Ja wel, ik zal me stil houden voor eene,
_die niet eens pepernoten kan bakken!_"

Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten
praten. De koningin schrikte, toen ze 't gezegd had en de koning
schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden
ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en
ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook
regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de
canapé en begon bitter te schreien.

"Och, och," zuchtte ze, "wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe
kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als
ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar
niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet
mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn
beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om,
of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo
iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk
tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker."

Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde
zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer
in zijne kamer en dacht: "Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik
toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er
eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed
en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er
niets minder om van haar.--Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig
en boos gemaakt--ze zal 't zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd
heb. Wat ben ik begonnen!"

De koning ging met het hoofd in de hand op een' stoel zitten en
keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht
weer op, hij sprong van zijn' stoel, en op eens lachte hij en riep:
"Eigenlijk is 't maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten
bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten
antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon
spelen!--Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen
was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me
is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar
haar toe, om alles weer goed te maken."

Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de
lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.--Maar
daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien
ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de
lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich
niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar
tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms--'t
was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs
den muur schoof, om zich niet te stooten.

"Wie is daar?" vroeg de koning. "Ik ben het," zei een zacht,
bedroefd stemmetje. "Wien zoek je, vrouwtje?" vroeg de koning, want
de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van
het koninginnetje. "Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo'n spijt, ik wou
je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van
...."--Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de
gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei:
"Je behoeft me geene vergeving te vragen," en zijne stem beefde wat,
"ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. 't Is nu alles
vergeven en vergeten. En weet je," fluisterde de koning verder, van
nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit
weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft
worden. Die woorden zijn: _doedelzak_ en--"

"En _pepernoten_," riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte,
vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de
koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef
zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.




OP DE HORENS GENOMEN.


Dat kinderen in hunne domheid wel eens kwaad doen, weet jullie allemaal
wel. Maar dat er eens eene groote tooverfee geweest is, die kwaad
gedaan had en die door al de andere tooverfeeën gestraft moest worden,
vind je dat niet raar? 't Is toch zoo, hoor! Ik heb het zelf in een
boek van eene tooverfee gelezen. En nu wil jullie zeker ook wel graag
weten, hoe die ondeugende tooverfee gestraft werd? Nu dan: met niets
meer en niets minder dan dat ze veranderd werd in--eene koe. Gelukkig
niet voor altijd, maar 't was toch heel moeilijk, om weer eene fee te
worden; want wat moest de koe eerst doen? Ze moest van een ondeugenden
jongen een goeden jongen maken. Ja, en nog wat! Die ondeugende jongen,
die goed geworden was, moest de koe zóó lief krijgen, dat hij haar
van pure liefde een' kus gaf midden op den snuit. Daar dan, als dat
niet moeilijk was, weet ik het niet. Niet vóór dat de jongen den kus
gaf, kon de koe weer eene fee worden. Of de koe nu knap genoeg was,
om dat gedaan te krijgen, jullie zult het hooren.

Nu, de fee was dan eene koe en eene treurige koe ook nog wel. Ze
was zoo mager als een houtje. En was ze nu nog maar de koe van een
rijken boer geweest, dan had ze tenminste eene malsche weide gehad,
waarin ze zich vet grazen kon, maar niets er van, hoor! De tooverfeeën
hadden haar bij een armen arbeider gebracht, die niet eens eene weide
had. Die arbeider woonde op een klein dorpje, en daar lag vóór de
huizen en tusschen de huizen aan den weg wel eens een stukje grond met
gras begroeid. Daar mocht de koe van eten. Dan melkte de arbeider de
koe wel vier keer op een' dag en andere koeien worden toch maar twee
keer gemolken. Daar werd de koe ook niet vetter van. Dus onze koe had
het alles behalve goed, en je kunt begrijpen, hoe ze haar best wou
doen, om toch maar weer eene fee te worden. Wist ze nu maar eerst een
ondeugenden jongen! Maar die was zoo gemakkelijk nog niet te vinden. Op
het dorp waren wel kwâjongens, die om eene boerin te plagen eens een'
emmer met water omgooiden, of een enkelen keer deurtje belden, maar
dat waren geen echte ondeugende jongens. Dat begreep de koe wel. Dus
had ze nog altijd vergeefs gezocht. Maar--ze behoefde niet lang meer
te zoeken. Pas maar eens op.

Aan het eind van het dorp stond een mooi groot huis, dat alleen des
zomers bewoond werd door een rijken heer, die maar één kind, een'
jongen had. Die jongen was een jongen, zooals er niet veel zijn,
en dat is maar gelukkig ook.

Vooreerst: leeren, dat wou ons heertje niet. Hij vond het leeren
vervelend, en Papa was toch rijk: hij behoefde later geen geld te
verdienen. Verbeeldt je, alsof rijke menschen nooit arm kunnen worden!

Dan, en dat was nog erger, vond hij alle menschen minder dan zich
zelf. Tegen de bedienden van zijn' vader sprak hij, alsof ze weinig
meer dan dieren waren. Voor ieder, die niet mooi gekleed was, trok hij
den neus op. Voor niemand deed hij iets, niemand had hij lief--ja,
't is haast zonde om het te zeggen, maar 't was, of hij zijn eigen
ouders niet eens lief had. Hoeveel plezier zijne ouders hem ook
aandeden, nooit zette hij een dankbaar en tevreden gezicht. 't Was,
of het maar van zelf sprak, dat zijn vader en moeder zoo goed voor
hem waren. Nooit was het eten naar zijn' zin, en dan stond hij altijd
dadelijk met een pruilend gezicht klaar. Ieder snauwde hij af en op
alles, wat hem gezegd werd, had hij een brutaal woord weerom. Zóó was
het heertje, dat Gustaaf heette, een naam, die veel te mooi was voor
zoo'n naren jongen.

Nu, die Gustaaf kwam op een goeien dag tegen den zomer met zijne
ouders in een mooi rijtuig regelrecht op het heerenhuis afrijden, en
denzelfden dag was het huis weer bewoond en vertelden al de menschen
op het dorp elkaar, dat de rijke mijnheer en mevrouw met hun onaardig
zoontje weer overgekomen waren. Een onaardig zoontje! daar had onze
koe wel ooren voor. Nu--ze behoefde niet lang geduld te hebben. Den
eersten den besten dag stapte Gustaaf met een' knecht een eind achter
zich het dorp door. Hij wou dadelijk de arme dorpskinderen eens toonen,
hoeveel mooier en voornamer hij was, dan zij. Onder het loopen bekeek
hij vol trots zijn mooi fluweelen pak, en gedurig schudde hij zijn
hoofd, zoodat de haneveeren, die op zijn kastoren hoed zaten, duchtig
wapperden. Soms zette hij de hand tusschen de gouden ceintuur, die
om zijn fluweelen kiel zat, en dan trok hij zijn gouden horloge uit
of rammelde met den gouden ketting. Aan dien gouden ketting hingen
wel tien aardige dingen, allemaal van goud, en van één zoo'n gouden
dingetje had een arme man wel een' zak aardappelen kunnen koopen. Zóó
rijk was Gustaaf--ik meen Gustaafs vader. De jonge heer had ook nog
een wandelstokje met gouden knop in zijne hand, en daar sloeg hij
gedurig mee tegen zijne mooie laarzen. Dat had hij groote heeren ook
wel zien doen.

Je kunt denken, wat oogen de arme dorpskinderen opzett'en. 't Was juist
Zaterdagmiddag, en zoo wat alle kinderen speelden op den weg. De koe
liep rustig op zij van den weg te grazen en keek met hare groote oogen
naar Gustaaf, alsof ze zeggen wou: "Nu moet ik eens goed oppassen,
of dat heertje niet voor mij geschikt is."

Daar kwam op eens een kleine dikke jongen op Gustaaf toeloopen, greep
met zijne handjes naar al de mooie dingen aan den horlogeketting en
bedelde: "Hè, laat mij eens zien! wat mooi!" Maar pas had het kind een'
vinger uitgestoken, of Gustaaf sloeg hem met zijn mooien wandelstok op
de handjes en riep: "Brutale jongen, dat zal je leeren ...." Verder
kwam hij niet. Op eens vloog de koe midden op den weg, bukte haren
kop en voordat Gustaaf wist, wat er met hem gebeurde, was hij op de
horens genomen. Hij had nog net den tijd om zich aan de breede horens
vast te grijpen, maar zijn hoed met de mooie veeren en de stok met
den gouden knop vlogen op den grond. Voor dat iemand er iets aan kon
doen, was de koe als een dolle weggehold en stonden de knecht en de
kinderen met open mond haar na te kijken. Toen de knecht een beetje
van den schrik bekomen was, rende hij achter de koe aan, maar hij
moest het gauw opgeven: zoo'n hollend dier kon hij toch niet inhalen.

Toen de koe ver buiten het dorp was, dacht ze: nu moet ik mij eens
goed bedenken, wat ik zal doen, om den naren, ondeugenden jongen beter
te maken. En ze begon wat bedaarder te loopen. Het beste zal zijn hem
eerst eens te leeren, hoe heerlijk het is een' vader en eene moeder
te hebben. Als hij zijn vader en moeder mist, zal het eerst al erg
genoeg voor hem zijn. Daarom zal ik hem nog maar in een mooi huis
laten wonen en mooie kleeren laten dragen. Waarom zou ik hem ook
in eens alles afnemen! Ik wil hem immers niet uit moedwil plagen,
ik wil hem beter maken. Kom, ik weet al een huis, waar hij het goed
zal hebben, zoo goed als hij het in een vreemd huis hebben kan.

En weer zette de koe het op een loopen, uren en uren ver. 't Was
al bijna avond, toen ze stil hield voor een mooi kasteel, bijna nog
mooier dan dat van Gustaafs vader. Voorzichtig legde ze Gustaaf neer
op een groot grasveld in den tuin en toen maakte ze één, twee, drie,
dat ze weer weg kwam.

Juist gingen de heer en de vrouw van het kasteel nog eens den tuin door
wandelen met hun jongetje, dat bijna even oud was als Gustaaf. Daar op
eens zagen ze den kleinen jongen op het gras liggen. Wel verbazend! hoe
kwam dat kind daar? De mevrouw van het kasteel viel dadelijk op de
knieën bij Gustaaf neer. "Arm ventje," zei ze, "hij slaapt!"--"'t
Lijkt wel een jongetje van rijke menschen," zei de heer, "maar 't is,
of hij uit een geheel ander land is, zie, hij is anders gekleed dan
de kinderen hier."

"O, kijk, kijk! hij doet de oogen open!" riep de kleine jongen.

En wezenlijk, nu voor 't eerst opende Gustaaf de oogen. Van schrik had
hij al dien tijd lang als in een benauwden droom gelegen. Hij wist
niet, wat er met hem gebeurd was en waar hij was. Hij was heelemaal
in de war en dacht, dat hij nog pas door de koe op de horens was
genomen. "Waar is mijn hoed? waar is mijn stok?" riep hij. "'t Is waar
ook," zei de mevrouw, "de arme jongen heeft niets op zijn hoofd. Kom,
Dolf, haal eens gauw je oude pet voor hem."

Nu moest Gustaaf aan 't vertellen. Waar kwam hij vandaan? Hoe was zijn
naam? Hoe kwam hij daar toch? De eene vraag volgde op de andere. Toen
Gustaaf den naam van zijn' vader noemde, schudd'en de mijnheer en
mevrouw met het hoofd. Dien naam hadden ze nog nooit gehoord. Geen
wonder ook: de koe had hem zoo schrikkelijk ver van huis gebracht. In
welk dorp stond dan het kasteel van zijne ouders? Neen, den naam
van het dorpje kenden Mijnheer en Mevrouw ook niet. Waar lag het
ergens? Ja, dat wist Gustaaf niet. Natuurlijk had Meester op school
het hem wel verteld, maar Gustaaf vond leeren immers vervelend, dus
wist hij er niets van.--Maar hoe kwam hij daar toch? Eene koe had
hem op de horens genomen en daar neergelegd. "Wat zijn dat nu voor
praatjes?" zei Mijnheer; en Gustaaf vond het zoo naar, dat zelfs Dolf
ongeloovig lachte bij zijn verhaal van de koe. "Nu," zei de mevrouw,
"'t kan dan ook niet schelen, waar hij vandaan gekomen is en hoe
hij hier is gekomen, we zullen hem hier vooreerst maar houden. Hij
zal een aardig speelkameraadje voor onzen Dolf zijn. Die is toch zoo
dikwijls alleen."

"Ik weet niet, wat ik van zijn verhaal denken moet," zei Dolfs vader,
"maar als het jullie plezier doet, houd het kind dan hier."--"Och,
ja, Pa!" riep Dolf. "Dan kunnen we heerlijk samen spelen. Kom maar,
Gustaaf!"--"Neen, mijn jongen," zei de moeder, "'t is nu te laat,
en Gustaaf lijkt zoo moe; we zullen maar beginnen met hem eerst eens
in bed te brengen. Neem Gustaaf mee en breng hem naar Sophie. Zeg,
dat hij maar op het zolderkamertje moet slapen."

Nu, Sophie, Dolfs oude kindermeid, keek alles behalve vriendelijk,
toen haar daar zoo'n vreemde jongen gebracht werd. "Mijnheer en Mevrouw
weten ook toch niet, wat ze verzinnen zullen," bromde ze. "'t Is of
ik nog geen werk genoeg heb! Nu nog zoo'n jongen te verzorgen, die
hier niet eens behoort. Wie weet, wat voor een bedelaarsjongen het
is!"--"Een bedelaarsjongen!" en dat te zeggen van ons fijn heertje
Gustaaf! Wat werd Gustaaf boos! "Och! hou' je stil! je weet niet,
van wien je spreekt!" riep hij. "Wel zeker!" riep de kindermeid,
"ik zou mij stil houden voor zoo'n jongen! Kom aan, ga nu maar gauw
onder de dekens, en wees dankbaar, dat je een bed krijgt, om in
te slapen. En nu in 't vervolg beleefd, hoor, of het zal je slecht
bekomen." Met draaide ze het licht uit, stapte naar de deur, en een
oogenblik later hoorde Gustaaf den sleutel buiten in 't slot omdraaien.

Nu was hij alleen. In de duisternis tastte hij naar zijn bed en daar
lag hij nu, het rijke heertje, moederziel alleen, opgesloten op een
zolderkamertje! Hoe verschrikkelijk moe hij ook was, hij kon maar
niet in slaap komen. Zijn geheele lichaam deed hem pijn van dien
langen rit op de hollende koe. Dus had hij tijd om nog eens over
alles te denken. O, wat voelde hij zich toch vernederd, het verwende
jongetje, zóó op een zolderkamertje weggestopt te worden en zoo
behandeld te worden door eene dienstmeid. Hij, die altijd den baas
gespeeld had over de dienstboden van zijn' vader. En die mijnheer en
mevrouw! Waarom lieten ze hem niet bij Dolf in de kamer slapen? Was
hij minder dan Dolf? Zóó dacht Gustaaf, en hij vergat daarbij, dat
hij zonder de goedheid van die mijnheer en mevrouw dien nacht buiten
op een grasveld had moeten slapen.

Den volgenden morgen was Dolf al vroeg op. Hij verlangde zoo zijn nieuw
speelkameraadje te leeren kennen. De kindermeid moest dadelijk Gustaaf
roepen en vragen, of hij met Dolf wou gaan wandelen. Maar--vroeg
opstaan was Gustaaf niet gewend. Toen de kindermeid de boodschap
bracht, bromde hij: "Laat Dolf maar op zijn eentje gaan wandelen,
ik heb nog geen' zin om op te staan."--"Zóó," zei de kindermeid,
"zoo, baasje, dacht jij, dat jij je eten en drinken hier voor niets
kreeg? Je mag blij toe wezen, dat je niets moeilijkers hebt te doen,
dan onzen Dolf gezelschap houden. Kom aan, geene praatjes, je moest
het ook eens wagen, Dolf te laten wachten." Met zette ze Gustaaf met
zijne bloote voeten op den vloer. Zoo leerde Gustaaf vroeg op te staan,
ook als men er geen' lust in heeft.

Hoe boos ons heertje was, dat hij zijn eigen zin niet kon volgen,
kan ik niet zeggen. Met een pruilend gezicht ging hij naar Dolf. Maar
Dolf was zoo vriendelijk en aardig, en het was in den vroegen morgen
zoo frisch en vroolijk buiten, dat Gustaaf zijne boosheid vergat en
dacht: hè, wat is het 's morgens vroeg toch mooi buiten. Dat heb ik
nooit geweten. Neen, dat had hij ook nooit geweten; want thuis stond
hij altijd zoo laat op, als hij maar wilde.

Na 't ontbijt liet Dolf hem al zijn speelgoed zien, en Gustaaf mocht
met alles spelen. Ook gaf de goedhartige Dolf hem een mooien tol, dien
hij houden mocht en de zweep, die hij pas op zijn' verjaardag gekregen
had. 't Leek dus wel, of ze wezenlijk vrienden zouden worden. Maar
.... op eens zei Dolf: "O, Gustaaf wat heb jij een mooien riem met eene
gele gesp! Hè mag ik dien hebben en dan jij mijn leeren riem?"--"Dat
kun je begrijpen!" riep Gustaaf. Nu stond de kindermeid dicht bij
hen. Die riep: "Foei! Gustaaf! Dolf doet je zooveel plezier, hij
geeft je van zijn speelgoed, en je bent zijn logeetje. Geef den riem
toch!"--"Neen!" schreeuwde Gustaaf. Nu werd de kindermeid zoo boos:
"Ondankbare jongen!" riep ze. "Hier, je zult den riem geven." En met
geweld nam ze Gustaaf den riem af en gaf dien aan Dolf.

Dolf liep er vlug mee achter in den tuin en Gustaaf hem na. Vóór
dat de kindermeid er iets aan kon doen, had Gustaaf Dolf den
riem weer afgenomen en hem er een paar flinke slagen mee gegeven
ook. "Ziezoo!" riep hij, "ik zal je leeren den baas te spelen over mijn
goed!" en hij lachte van trots, dat hij de sterkste geweest was. Maar
och, hé, dat lachen duurde niet lang. Op eens zag hij daar de koe op
zich af komen en was hij weer op de horens genomen en holde de koe weer
met hem voort, zoo vlug, dat het hem groen en geel voor de oogen werd.

Neen, dacht de koe, neen, daar mag hij niet wezen. 'k Had hem zoo graag
bij die hartelijke menschen in dat mooie kasteel gelaten, als hij
maar begrepen had, hoe goed ze voor hem waren. Maar, neen, hij doet
maar, of het alles zijn eigen is, nergens is hij dankbaar voor, en
niets heeft hij voor een ander over. Hij moet maar eerst eens leeren,
wat voor anderen te doen en de minste te wezen. Hij moet maar eens
"heertje" af zijn.

Zoo denkende en dravende kwam de koe voorbij het huis van een' koopman,
waar de stoep vol pakken en balen lag. En op zoo'n paar balen legde
ze Gustaaf neer. Daar kwam de koopman buiten. "Wil je wel eens gauw
van mijne balen af, kleine deugniet!" riep hij. Maar Gustaaf, die
door het draven van de koe weer heelemaal van de wijs gekomen was,
verroerde zich niet. Natuurlijk dacht de koopman toen, dat hij met
een brutalen jongen te doen had, en hij greep Gustaaf met een fermen
kneep bij 't oor. Verschrikt vloog de arme jongen op. "Och, Mijnheer,
doe mij geen kwaad!" riep hij met gevouwen handen. "Ik ben niet op Uwe
balen gaan liggen, de koe heeft mij hier neergegooid."--"Die koe?" riep
de koopman. Toen kwam Gustaaf natuurlijk weer met zijn verhaal van
de koe, die hem op de horens genomen had. Maar hij vertelde alles met
eene erg verlegen stem, omdat hij al bang was, dat de koopman hem ook
niet gelooven zou, evenmin als de vader van Adolf. En welke gebreken
Gustaaf ook had, hij sprak altijd de waarheid, en hij vond het dus
verschrikkelijk, dat iemand hem voor een' leugenaar hield. Maar--het
hielp niet; ook dat verdriet moest hij hebben. "Wat praatjes wil je
me nu op de mouw spelden?" riep de koopman. "Eene koe heeft je hier
gebracht? En je hebt hier geen huis--je ouders wonen ver weg, en je
kunt het huis niet weer vinden? Nu, kom aan, je bent er nu eenmaal,
en ik wil je wel houden. 'k Heb net een' loopjongen noodig. Ga maar
mee in huis; we zullen eens zien, wat Moeder de vrouw er van zegt."

Nu, Moeder de vrouw zette eerst een zuur gezicht. Ze had niet veel lust
zoo'n vreemden jongen in huis te nemen; maar toen de koopman zei, dat
ze dezen jongen ook geen geld behoefden te geven, zooals een gewonen
loopjongen, stemde ze toe. "Zie je," zei de koopman, "hij lijkt nog
al een heertje. Hij kan mooi onzen Willem naar school brengen ook,
dat staat veel voornamer dan dat er zoo'n arme jongen met hem gaat."

Toen werd Gustaaf nog eens rondom bekeken. "Kijk eens," zei de vrouw,
"wat heeft hij mooie dingen aan zijn' horlogeketting hangen. En een
echt zilveren horloge heeft hij ook! Hoe komt zoo'n kleine aap er
aan! Kom, dat zullen we maar in de linnenkast bergen. Een loopjongen
behoeft niet zoo te pronken. We zullen onzen Willem er des Zondags
mooi mee maken."

Wat gaf het Gustaaf, of hij stampvoette en deed, toen men hem al zijne
fraaiigheden afnam. De groote hand van den dikken koopman pakte hem
bij den arm en: "Kom, kom, niet lastig wezen, hoor!" klonk hem in 't
oor. "Je hebt hier niets te koop, en je mag blij toe wezen, dat wij
je eten en drinken willen geven voor niets. En nu aan 't werk." Toen
werd Gustaaf een bezem in de hand gestopt en moest hij het geheele
huis vegen. O, wat voelde Gustaaf zich vernederd! Hij, het voorname
zoontje van zoo'n rijken heer met een' veger aan 't werk! Wat voor een
leven stond hem nu te wachten! Gelukkig was de koopman niet zoo boos,
als hij leek. Toen Gustaaf het huis geveegd had, pakte hij hem bij
't oor, maar nu was het niet, om hem pijn te doen. "Kom aan, kleine
man," zei hij, "zet maar niet zoo'n zuur gezicht. Ik ben ook als
loopjongen begonnen, en nu ben ik een flink koopman. Werk maar goed,
misschien zul je 't dan ook nog wel eens zoo ver brengen."

Och, het werken was nog het ergste niet. Langzamerhand begon Gustaaf
aan geregelde bezigheid te gewennen. Hij dacht er niet meer aan, lang
in bed te blijven liggen: het werk wachtte hem, hij had geene rust meer
in zijn bed. Maar--dat hij als knecht behandeld werd, dat was erger;
hij, die vroeger over zooveel dienstboden te bevelen had. En was de
vrouw van 't huis maar zoo lief en goed geweest tegen de dienstboden
als zijne eigen moeder. Maar neen, 't was maar: "haal mij dit!" en
"breng mij dat!" en de kleur sloeg Gustaaf uit, als hij er aan dacht,
dat hij zelf vroeger ook op zoo'n toon tegen de dienstboden gesproken
had. Nu kon hij 't ondervinden, hoe naar het was zoo ruw toegesproken
te worden. Nooit, nooit gaf de vrouw hem een vriendelijk woord,
nooit deed ze iets aardigs voor hem.

Eens op een' dag gaf ze Gustaaf een' appel, die begon te rotten. Dat
was de eerste keer, dat Gustaaf eene lekkernij kreeg. En hij was
er dankbaar voor. Ja, dat niemand hem eenige liefde bewees--dat was
het ergste. O, als hij 's avonds alleen op zijn zolderkamertje kwam,
dan schreide hij zich in slaap van verlangen naar de liefde van zijne
ouders. Dan dacht hij aan de kussen van zijne lieve moeder, die hem
vroeger onverschillig waren. Dan dacht hij aan de vriendelijke stem
van zijn' vader, waar hij vroeger niet naar luisterde.

Heel naar vond Gustaaf het ook, dat hij het knechtje moest wezen
van Willem, die maar een jaar ouder was dan hij. Willem, die ook
al geen aardige jongen was, wilde, dat Gustaaf altijd zijne boeken
naar school zou dragen. Was Willem nu nog maar vriendelijk tegen hem
geweest; maar neen, nooit bemoeide hij zich met Gustaaf. Gustaaf mocht
niet eens naast hem loopen, maar moest altijd drie passen achter hem
blijven. "Och," zuchtte Gustaaf, "zoo liet ik vroeger mijn grooten
bediende ook wel loopen. Wat zal die dat verschrikkelijk gevonden
hebben! Willem is al haast net als ik; nu kan ik eens zien, hoe
'n nare jongen ik was."

Heel vervelend was ook, dat Willem altijd vroeg naar school ging om
met de jongens te spelen. Daar mocht Gustaaf dan bij staan kijken. O,
wat viel hem die tijd lang; want Willem wilde altijd, dat hij op
de boeken paste, tot de school begon. Eindelijk kwam Gustaaf op de
gedachte, maar eens in Willems boeken te gaan lezen. Hij kreeg daar
wezenlijk hoe langer hoe meer plezier in en leerde zoo meer, dan hij
vroeger ooit gedaan had. Hij had nooit begrepen, dat leeren plezierig
kon wezen, omdat hij 't nooit recht geprobeerd had.

Zoo gingen er wel drie maanden voorbij. In dien tijd was Gustaaf
werkelijk een veel aardiger jongen geworden, maar--hij moest nog
veel beter worden, dat was zeker. Zijn groote gebrek was, dat hij nog
te veel van zich zelf hield. Nooit dacht hij: "Och, ik heb het toch
wel goed, en er zijn zooveel boodschapsjongens, die het niet beter
hebben!" Neen, hij had altijd erg medelijden met zich zelf en vond
zich zelf veel beter dan zulke boodschapsjongens en veel te goed om
een ander te dienen. Zijn pa was immers een rijke mijnheer, en hij
verbeeldde zich, dat hij daar beter om was, dan wanneer zijn vader
een arme man was geweest, zooals de vaders van die andere loopjongens.

Eens op een' dag was hij weer vreeslijk uit zijn humeur, omdat hij een
bijzonder groot pak boeken voor Willem te dragen had. O, dacht hij,
altijd knecht te wezen! Ik wou, dat ik toch eens iets doen mocht,
waar ik lust in had, ik wou, dat ik mijn eigen baas was. Al brommende
liep hij het speelplein af en een eind den weg op, die buiten de
stad liep. Hè, wat was het daar heerlijk frisch! 't Was ook zoo'n
kostelijke herfstmorgen. En och, wat was het lang geleden, dat hij de
frissche buitenlucht ingeademd had. Toen hij een eind gewandeld had,
wie zag hij daar op eens langs den weg loopen te grazen? De koe, die
hij maar al te goed kende! Zijne eerste gedachte was te vluchten;
maar och, wat kon 't hem ook schelen, of de koe hem weer meenam en
wegvoerde van dien naren Willem en zijne ouders! Hij stapte daarom
regelrecht op de koe af en zei: "Hier ben ik! als je lust hebt, mij
weer weg te brengen, mij goed. Zoo mooi is het leventje, dat ik nu
heb, niet." De koe schudde den kop. "Nooit tevreden!" zei zij. "Als
ik je ergens anders breng, zal je 't eerder minder dan beter hebben,
mijn jongen."--"Dat kan me niet schelen!" riep Gustaaf. "Alles liever
dan de knecht te wezen van dien naren Willem." 't Was of Gustaaf op
eens niet meer bang voor de koe was. Hij greep de horens en wipte op
haren rug. "Nu toe maar," zei hij. En de koe liep met kleine stappen
verder. "Je loopt niet vlug," zei Gustaaf; want gedurig bukte de koe
zich om een paar grassprietjes af te trekken.

"Neen," zei de koe. "Ik heb geen' haast. De plaats, waar ik je brengen
wil, is niet ver van hier."

"Ik heb van morgen nog niets gegeten," zei Gustaaf. "'k Heb
honger." "Daar is mijne melk goed voor," zei de koe. "Hè, ja!" en in
een' wip was Gustaaf weer op den grond en zoo goed en kwaad als het
ging, melkte hij de koe en liet de melk in zijn' mond loopen. Lekkere
versche melk, die had hij in langen tijd niet geproefd.

Toen hij genoeg gedronken had, ging de reis weer verder. Gustaaf vond
het niet naar meer met de koe te reizen. "Och, als ze mij nu eens
weer naar mijne ouders bracht," dacht hij, en een traan rolde hem
over de wangen. Nu voelde Gustaaf toch, hoe lief hij zijne ouders had.

't Was donker, toen de koe eindelijk staan bleef. "Ziezoo, we zijn
er," zei ze. De schrik sloeg Gustaaf om 't hart. Bij 't licht van de
sterren zag hij eene vervallen hut. Aan de eene zijde van de lage deur
was een mesthoop en aan de andere een klein plekje bouwgrond met eene
oude scheeve schutting er om heen. Nergens in de buurt verder een huis:
eenzaam en stil lag het hutje daar. "We zijn er," zei de koe nog eens,
toen Gustaaf stom van schrik bleef zitten. "Hier?" riep Gustaaf,
"dat kun je niet meenen, 't is _te_ leelijk!"

"Stap af, zeg ik je," antwoordde de koe, "en ga binnen. Ik blijf
bij je."--"Ik blijf bij je," dat was wel een troost; maar de
gedachte in zoo'n ellendig huisje te moeten wonen, vond Gustaaf zoo
verschrikkelijk, dat hij bleef zitten en zich krampachtig aan de horens
vasthield. Het hielp niet: onverwacht deed de koe een' zijsprong,
en daar lag Gustaaf lang uit op den grond. Zijn hoofd bonsde tegen
de deur. Op dat lawaai kwam er een hevig geblaf, en een groote hond
vloog de deur uit. Gustaaf maakte wel, dat hij overeind kwam. Eene
leelijke boerenvrouw suste den hond en riep: "Wat is dat hier toch,
wat moet jij hier zoo laat op den avond, jongen? Je doet me schrikken."

"Och," zei Gustaaf, "och, goede vrouw, mag ik bij u binnenkomen?"

"Maak, dat je wegkomt; bedelaar," riep de vrouw. "Wat meen je, dat
mijn huis eene herberg is? Kom eens hier, Jan, en zie eens, wat mooi
heertje daar vraagt, om bij ons te slapen."

Gustaaf had een paar stappen achteruit gedaan en was tegen de koe
aan gaan staan, want de hond blafte nog maar al door, en deed alsof
hij hem wou bijten.

"Je _moet_ hier blijven," fluisterde de koe.

Nu kwam de boer buiten met eene lantaarn, 't Was een groote dikke man,
met booze oogen en een streng gezicht.

"Ik neem geen bedelaars in huis," zei hij. "Maak, dat je wegkomt,
jij met je schrale koe, of je krijgt het met mij te doen."

"Je _moet_ hier blijven," zei de koe zonder zich aan de dreigementen
van den boer te storen.

"Heb medelijden, beste Mijnheer," .... smeekte Gustaaf. Voordat hij
meer kon zeggen, kwam er een kleine jongen van zijn' leeftijd, maar
veel grooter en forscher, naar buiten en pakte hem bij de hand. "Ik
wil hem hier houden," riep hij, "hij is een vriendje voor mij, hij zal
bij ons wonen." Jan en zijne vrouw keken elkaar lachend aan en--"nu,
omdat onze kleine Jakob het wil, toe dan maar, blijf maar hier," zei
de boer. Jakob trok Gustaaf mee naar binnen, en de deur ging achter
hen dicht. De koe zocht uit zich zelve een plaatsje in den kleinen
stal bij het huis, waar een klein mager paard aan het laatste restje
hooi stond te trekken.

Nu begon er weer een nieuw leven voor Gustaaf, en een leven, niet
minder moeilijk dan bij den koopman; maar Gustaaf kon er zich beter
in schikken.

Wel nam de boerin hem den volgenden morgen zijn fluweelen pakje af,
het laatste wat er van zijn vroegeren rijkdom was overgebleven,
maar dat deed ze alleen, omdat ze vond, dat in zoo'n eenvoudig
hutje zulke mooie kleeren niet pasten. Ze borstelde het pakje af,
vouwde het netjes op, en borg het in de kast. "Als je weer weggaat,
kun je het terugkrijgen," zei ze. Ze gaf Gustaaf nu een grof hemd
van ongebleekt katoen, een pilot broek, een blauw boezeroen en een
paar klompen--alles gezocht uit het beste goed van Jakob. Maar dat
ze hem die kleeren lieten dragen, was volstrekt niet, om hem te laten
voelen, dat hij niets meer dan Jakob mocht lijken. Och, neen, ze waren
allen aan die eenvoudige kleeren gewend; ze pasten bij het huisje,
en daarom moest Gustaaf ze ook dragen. De vader en moeder van Jakob
waren brave menschen, streng voor een ander, maar ook streng voor
zich zelf. Zelf waren ze met weinig tevreden, en een ander moest dat
ook zijn, dachten ze.

Och, wat voelde Gustaaf zich eerst verlegen in die ongewone
kleeren. Zijn fijn, zijn teer lichaampje zwom in het wijde pak van
den dikken Jakob. Zijne bloote voeten konden haast niet in de groote
klompen blijven; maar de boerin deed een handvol frisch stroo er in,
en toen pasten ze hem beter en was hij al gauw gewend er in te loopen.

Minder goed ging het den eersten keer met den maaltijd. Altijd
roggebrood met aardappelen! Bij den eersten hap kon Gustaaf haast niet
laten den neus een beetje op te trekken. 't Was maar gelukkig, dat hij
den vorigen dag niets dan wat melk had gehad, en dus nu erg hongerig
was. Na eenige dagen ging het hem met het eten, als met de klompen:
hij raakte er aan gewoon. En hij zag ook, dat de boer en de boerin en
Jakob ook lekker aten in het eenvoudige eten: dat hielp. Ook had hij
het even goed als de menschen zelf. Dat was anders bij den koopman;
daar werd hij van de tafel gestuurd, als het aan de lekkere hapjes
toe was.

Van de slaapplaats, die Gustaaf aangewezen werd, keek hij eerst raar
op. Een hoop stroo op zij van de beesten in den stal! Maar--'t was
er tenminste niet zoo benauwd, als op het kleine zolderkamertje
in de stad. En de boer en boerin konden hem nu eenmaal niets
beters geven. Dat hij zoo dicht bij de beesten was, vond hij wel
gezellig. Soms als hij nog een poosje overeind zat te denken, kwam
de koe en stak hem zijn rose neus toe, alsof ze om eene liefkoozing
bedelde; de hond likte hem, en het paard keek hem zoo goedig en
vriendelijk aan. Hij viel 's avonds dadelijk in slaap en was 's morgens
heel vroeg weer wakker. Het opstaan viel hem nu veel gemakkelijker
dan vroeger, toen het veeren bed hem zoo suf maakte. Soms was hij vóór
dag en dauw al wakker, en dan zat hij op zijne ellebogen geleund naar
de slapende dieren te kijken en dwaalden zijne gedachten ver weg naar
zijne mooie slaapkamer op het kasteel. Maar aan de mooie slaapkamer
dacht hij niet lang; meer en langer aan zijne lieve ouders, die in
het kasteel woonden. Ook had hij, toen hij aan zijne ouders dacht,
niet meer zoo'n verdriet--hij merkte, dat hij een betere jongen werd
en had een gevoel, alsof hij daarvoor nog eenmaal beloond zou worden.

Het duurde ook niet lang, of hij kwam met zijne huisgenooten op
streek. Vader Jan had hem eerst bang gemaakt met zijne harde stem en
zijne strenge oogen. Ook was hij wat ruw in het spreken; maar hij had
niet beter geleerd, en meende het daarom niet kwaad. Gustaaf begreep
dat al gauw, en het duurde niet lang, of hij vond het heerlijk, als
Vader Jan hem de hand eens op het hoofd lei en zei: "beste jongen!" 't
Was of hem dat moed gaf en hem ook sterker en flinker maakte.

Met de boerin ging het al net zoo. Ze was ook wat lomp, sprak met eene
harde, onaangename stem; maar ze was zoo hartelijk voor Gustaaf. 't
Was altijd "mijn jongen" vóór, "mijn jongen" na, zoodat Gustaaf haar
wel lief moest krijgen. En dat was juist zoo heerlijk. Nu voelde hij
voor 't eerst, dat liefhebben gelukkig maakt.

De eenige, die hem 't leven vaak zuur maakte, was de kleine Jakob,
aan wien Gustaaf nog wel zijn nieuw te huis te danken had. Hij lachte
Gustaaf om alles uit. Dan bauwde hij hem na, omdat hij als een
stadsheertje praatte, en dan weer was het: "of hij niet liever in
verlakte schoentjes in plaats van op klompen wou loopen."--De boer
en boerin hadden Gustaaf niet gevraagd, waar hij vandaan kwam. Ze
begrepen wel, dat er iets bijzonders met hem gebeurd moest zijn, maar
wilden hem niet verlegen maken met er naar te vragen. Maar Jakob begon
al dadelijk den volgenden morgen Gustaaf het "mijnheertje van de koe"
te noemen. En nu ging het maar elken dag: "Zeg, moet je nog niet eens
weer een ritje maken?" In 't eerst verdroeg Gustaaf de plagerijen
geduldig; maar toen Jakob elken dag weer van voren af aan begon en
zich er niets aan stoorde, dat Gustaaf het vervelend vond, was het
met het geduld van Gustaaf uit. Het liep op eene vechtpartij uit,
waarbij Gustaaf de overwinnaar werd. Nu was het uit met de plagerijen;
want Jakob moest in zijn hart Gustaaf gelijk geven. De twee jongens
werden nu echte vrienden.

In de avonduren, als ze allen gezellig in de kleine kamer zaten,
haalde Gustaaf de boeken te voorschijn, die hij nog van Willem had,
en dan zat hij met zooveel plezier te leeren, dat Jakob ook lust in
leeren kreeg. Nu was Gustaaf de meester van Jakob; en, terwijl hij
Jakob leerde, werd hem zelf alles nog veel duidelijker. Omgekeerd werd
Gustaaf weer de leerling van Jakob bij het boerenwerk. Jakob leerde
hem graven en spitten en planten en de dieren verzorgen. Eens, toen
Gustaaf met een rood hoofd druk bezig was, het hooi op het land te
keeren, kwam de boer en klopte hem vriendelijk op den schouder. "Kom
aan," zei hij, "je wordt al een heele man! Zóó mag ik het zien!"

Gustaafs hart klopte van tevredenheid. Toen de boer verder stapte,
moest hij even de hooivork neerleggen en zich het gezicht afwisschen,
dat van plezier nog heeter was geworden. Daar viel zijn oog op de
koe, die daar vlak bij stond te grazen. Hij vloog op haar af en riep:
"Ondeugend beest, dat me weggehaald hebt van mijne ouders, ik kan niet
meer boos op je wezen, nu je mij zooveel goeds hebt gedaan! Ik heb je
lief! daar dan!" Met pakte hij de koe bij de horens en gaf haar een'
kus op den neus!....

Een schitterend licht verblindde hem eensklaps. Hij moest de
oogen wel dichtknijpen en--toen hij ze weer open deed--stond
er eene beeldig mooie dame voor hem, en de koe was nergens te
zien. Gustaaf sloeg verlegen de oogen neer en toen--toen zag hij,
dat zijn blauwe boezeroen en zijn pilot broek veranderd waren in
een keurig net jongeheeren-pakje; maar niet in zoo'n wijsneuzig,
zoo'n oudmannetjes-pakje, als hij vroeger graag droeg.

"Gelukkig!" riep de dame en ze stak hem vriendelijk de hand toe,
"je hebt ons beiden gered! Kom nu maar gauw mee, om afscheid te nemen
van je beste pleegouders en Jakob. Nu is je moeilijke tijd voorbij,
nu ga je weer naar je ouders! Kom, die stumpers zijn al zoo lang in
ongerustheid over je."

't Was net een jaar geleden, dat Gustaaf plotseling verdwenen was,
en zijne ouders zaten treurig bij elkaar daarover te praten.

"Ik wou, dat ik toch wist, waar ons kind gebleven was," zei de moeder,
en de tranen rolden haar over de wangen, "'t Is nu juist een jaar
geleden! Wist ik toch maar, of mijn jongen leefde of dat hij dood
was." Daar sprong de deur open en de fee kwam binnen. "Hier, Moeder,"
riep ze, "hier is je jongen, hij leeft! Heb hem nu maar lief; hij
verdient het."

Te vertellen, hoe 'n gezicht de vader en de moeder zett'en en hoe
gelukkig ze waren, 'k zou het niet kunnen. De moeder was dol van
blijdschap, en ze kon niet ophouden te zeggen, hoe groot en hoe
knap Gustaaf geworden was. De vader keek met trots naar de gebruinde
handen van zijn' jongen en naar zijn gul open gezicht en zijne nette
eenvoudige manieren. De bedienden en de buren, allen stormden bij
het groote nieuws maar zonder bellen of kloppen de deur binnen, en de
knecht, die er bij geweest was, toen Gustaaf door de koe op de horens
genomen werd, zat op een' stoel bij de deur van blijdschap te schreien.

Het kleine Zusje, dat Gustaaf niet goed meer kende, vroeg: "Maar wat
heb je nu met de koe gedaan? waar is de koe gebleven?"

"Die hebben wij opgegeten, hé Gustaaf," zei de fee lachend.

Dat geloofde Zus dadelijk; want Gustaaf was zoo groot en dik geworden
en van koeien eten daar kun je immers wel groot en dik van worden,
meende Zus.



Van dien tijd af was Gustaaf geen Jan verdriet meer voor iedereen,
en dat maakte hem zelf nog het meest gelukkig. Nu alles voorbij
was--was hij o zoo dankbaar, dat de koe hem mee had genomen, om een
flinken, aardigen jongen van hem te maken.--Eén ding alleen bleef hem
altijd te wenschen over: hij wou zoo verschrikkelijk graag weten,
hoe er van de koe eene fee had kunnen worden. Dat wilde de fee hem
maar niet vertellen. Wel deed ze hem het plezier aan, elk jaar op
den verjaardag van zijne terugkomst over te komen om feest te vieren.

Wie ook mee feestvierden?

Raadt dat maar! Ik zeg alleen, dat Gustaaf ieder jaar een' brief
schreef, om--neen, meer zeg ik niet.




EEN DROOM.


Er was eens een kleine jongen, die dan toch wel zoo dolveel van
mooie vertelsels hield! Al was hij ook nog zoo prettig aan 't spelen
en er zou verteld worden, dan keek hij niet meer uit of om naar zijn
speelgoed, en in een oogenblik zat hij in zijn laag stoeltje zoo dicht
mogelijk bij Vader of Moeder, bij Oom of Tante, die vertellen ging. En
dan had je hem moeten zien luisteren: met open ooren en open mond,
met oogen, wel tweemaal zoo groot als anders. Als de vertelling uit
was, dan vleide hij om meer en nog meer, tot Moeder eindelijk zeggen
moest: "Ziezoo, nu is 't voor vandaag genoeg. Je zult er vannacht nog
van droomen."--Nu, dat wou onze Frits eigenlijk wel heel graag. Hè,
eens droomen van al de wonderlijke dingen, die hij gehoord had,
wezenlijk al die feeën en toovenaars, die dwergjes en die reuzen eens
zien! En die donkere bosschen en prachtige kasteelen! Elken avond,
als hij in zijn bed lag, hoopte hij, dat hij eens zoo'n mooien droom
zou hebben. Maar nooit, nooit gebeurde het. Eindelijk...--

Maar wacht, nu moet ik je eerst vertellen, dat er op een goeden dag een
oom van Frits overkwam. Frits had hem nog nooit gezien; want Oom Rob
deed haast altijd verre reizen in vreemde landen. Maar toch was Frits
al gauw de beste vrienden met hem. Nu, zoo'n gezellige oom, als dat
ook was, daar moest je wel dadelijk van houden. Wat wist die veel te
vertellen! En wat een leuke spelletjes kende hij en grappige kunstjes!

"Oompje," zei Frits op een' keer, "je bent zoo knap, en
overal weet je raad voor. Zeg, kun je me ook niet eens leeren
droomen?"--"Leeren droomen!" lachte Oom, "wat meen je daar toch
mee, malle jongen! Droomen, dat gaat van zelf, dat behoef je niet
te leeren. Heb je dan wezenlijk nog nooit gedroomd?"--"Ja wel,"
zei Frits, "maar Oom, ik droom nooit, wat ik graag wil."--"O, is 't
anders niet, dat kunstje kan ik je gauw leeren," riep Oom. "Weet je,
wat je doet: je kruipt net als gewoonlijk onder de dekens met je hoofd
op 't kussen."--"Hè Oom, je plaagt me ook altijd!"--"Ho, mannetje,
ik was er nog niet.... Dan leg je je rechtervoet over je linker en
de beide handen onder 't hoofd en dan--ga je maar denken aan alles,
waar je van droomen wilt. Je zult zien, dat helpt. Maar pas op,
dat je niet bij vergissing den linkervoet over den rechter legt,
dan is het mis en je droomt--niets!"

Wat was die Frits in zijn' schik met het kunstje! Hij kon dien dag
haast niet afwachten, dat het avond werd en tijd, om naar bed te
gaan. Anders mocht Frits nog al eens het liedje van verlangen zingen
en nu--Moeder begreep er niets van: nu vroeg hij al, of hij maar naar
bed zou gaan, toen de klok nog lang geen acht geslagen had.

"Je bent toch niet ziek, jongen," vroeg Moeder. "Och ja," plaagde Oom,
"hij zal zeker ziek zijn, de arme jongen, kijk hij eens bijten in zijne
dikke boterham, en wat ziet hij wit!"--Oom begreep wel, waarom Frits
zoo'n haast had, om naar bed te komen. Maar hij zei niets; want Frits
wou Moeder den volgenden morgen eens verrassen met een mooien droom--en
als Moeder nu van het kunstje wist, dan was alle aardigheid er af.

Toen Frits Oom goedennacht zei, fluisterde hij hem in 't oor: "Kom
je nog even kijken, Oompje, of ik goed lig?" Oom knikte lachende
van "ja." Eene poos later stond hij voor Frits zijn bedje. Daar lag
onze jongen, heelemaal klaar om te droomen: recht als eene kaars,
de handen onder 't hoofd, den rechtervoet over den linker geslagen,
doodstil, zonder zich te verroeren. "Zoo is 't goed," zei Oom,
"nu maar denken aan--weet je al, wat je droomen wilt?"

Nu, òf Frits het wist! Eene heele poos lag hij te denken aan feeën en
dwergen en toovenaars, aan alles, waar hij in de mooie vertelsels van
gehoord en gelezen had. Maar toen hij eindelijk genoeg gedacht had
en wou gaan slapen, om te droomen, toen--wou de slaap niet komen. 't
Was ook erg moeilijk zoo lang stil te blijven liggen, altijd op
dezelfde plek en op dezelfde manier. Telkens had Frits lust eene
hand onder zijn hoofd weg te trekken of zijn' linkervoet eens boven
zijn' rechter te leggen. Maar hij hield vol en eindelijk, daar kwam
de slaap en--daar kwam ook de droom, de mooie, de heerlijke droom,
dien ik je nu eens wil gaan vertellen.

Frits droomde, dat hij midden in den nacht getrippel van voeten hoorde
in de gang. Hij ging recht overeind in zijn bed zitten en luisterde. De
voetstappen kwamen dichter en dichterbij. Nu waren ze bij de deur. Daar
ging de deur langzaam open en binnen kwamen.... Ja, dat kon Frits in
't eerste oogenblik niet eens zien; want zijne slaperige oogen waren
verblind door het heldere, roode licht, dat op eens door de heele
kamer scheen. Maar al gauw had hij de oogen wijd open en den mond
er bij, net of hij naar eene mooie vertelling luisterde. Nu, wat
hij zag, dat leek dan ook wezenlijk wel op eene vertelling--neen,
't was nog wel tienmaal mooier... Door de open deur kwamen twee aan
twee aanstappen--twaalf dwergjes, ieder met eene brandende fakkel
in de hand. O, zulke grappige mannetjes! Korte, dunne beentjes met
groote voeten in puntschoenen, een klein, rond lichaampje en daarboven
een groot hoofd met een puntig kapje er op. 't Leken wel kleine
jongetjes met oude gezichten en grijze baarden, met rimpelige wangen
en guitige oogen. Frits kon zijn lachen haast niet laten, toen ze
daar zoo deftig kwamen aanstappen, recht op zijn bed af. Vlak vóór hem
bleven ze staan, en nu begon één van de voorste mannetjes: "Jongeheer,
'k weet niet, of je me kent, maar ik ben Appelsteeltje!"--"Zoo," riep
Frits vroolijk, "ben jij nu Appelsteeltje! Blij, dat ik je eens zie,
Appelsteeltje!" en hij schudde het dwergje de hand. "En hoe gaat
het je petekind?"--"Dank je, jongeheer, best," zei Appelsteeltje,
"maar we zijn eigenlijk gekomen, om je op een bal in 't bosch te
vragen. Ik weet, je houdt zooveel van dwergjes en al het andere
toovervolkje, daarom dacht ik, je zou het wel prettig vinden, eens
een kijkje bij ons te nemen."--"Op een bal?" riep Frits, "maar ik kan
niet dansen!"--"O, dat komt er niet op aan," meende Appelsteeltje,
"op het bal is wel eene fee, die het je in één tooverslag leeren
kan."--"Maar, met wie zal ik dansen?" vroeg Frits weer. "Dat is eene
verrassing," lachte het dwergje, en al de mannetjes lachten met hunne
breede, vriendelijke monden mee. "Maar ik heb geen mooi pakje, om in
te dansen," zei Frits. "Daar is voor gezorgd," zei Appelsteeltje.

Hij wenkte even, en daar stapten zes van de dwergjes vooruit. Eén
droeg eene fluweelen broek, één een satijnen buisje, één eene muts
met pluimen, één een paar zijden kousen, één een paar verlakte
dansschoenen, één een fijnen zijden zakdoek. Voordat Frits nog iets
zeggen kon, pakten twaalf kleine handen hem aan, tilden hem uit zijn
bed, zett'en hem op den vloer, plooiden en schikten en knoopten en
strikten aan hem, totdat hij daar kant en klaar stond als een prins
uit een sprookje. "Maar," begon hij nu weer, "hoe komen we op 't bal,
dat is zeker heel ver." "'t Komt alles in orde, jongeheer Maar!" riep
Appelsteeltje. "Voorwaarts, marsch!"

Daar stapten de dwergjes weer deftig twee aan de twee de kamer uit,
precies zooals ze gekomen waren. Frits achter hen aan, de gang door,
de voordeur uit en zoo naar buiten. Maar wat was dat? Gehinnik en
getrappel van paarden! Ja, hoor, daar stonden de zeven veulens uit de
vertelling klaar, om Frits en de dwergjes naar 't bal te brengen. Hoe
hij er op kwam, wist hij niet; maar in een oogenblik zat Frits al op
den rug van het mooiste veulen en de twaalf mannetjes op de andere
zes, natuurlijk op ieder veulen twee. 't Was een heele optocht:
voorop drie veulens met zes dwergjes, in 't midden Frits, achter hem
weer drie veulens met zes dwergjes.

"Nu naar 't bosch," kommandeerde Appelsteeltje heel vóór in de rij. De
veulens brieschten, de kaboutertjes zwaaiden met hunne fakkels en
Frits riep uit alle macht "hoezee! leve Appelsteeltje!" Voort ging
het nu in galop door straten en langs wegen, langs akkers en velden,
over slooten en heggen en struiken. Hop, hop! Frits moest zich stijf
vasthouden aan de manen van zijn veulen; maar hij hield zich recht als
een echt ruiter. Toen door een bosch, een dicht donker bosch. "Zijn
we er al?" vroeg Frits. "Ha, ha!" lachten de dwergjes, "hij vraagt,
of we er al zijn!"

Daar schemerde licht door de boomen. 't Kwam uit de ramen van een
statig kasteel met hooge torens. Appelsteeltje zwaaide zijne fakkel
naar dien kant en riep Frits over zijn' schouder toe: "Het betooverde
kasteel!" Wat zou Frits graag even afgestapt zijn, om het kasteel te
bekijken; maar daar kon nu niets van inkomen. Appelsteeltje had veel
te veel haast. Toen Frits nog even omkeek, waren ze al weer een heel
eind verder en was het kasteel al weer in de duisternis verdwenen.

Maar het bosch werd al dichter en dichter, en nu moesten de veulens
wel wat langzamer loopen. Op het dichtste plekje van 't bosch stond
een grappig, donker, klein huisje, en uit dat huisje kwam een zwaar,
dof gebrom. De grond dreunde er van. Weer bewoog Appelsteeltje zijne
fakkel: "Het huisje van de drie beertjes!" riep hij Frits toe. Ja,
wezenlijk, daar kwamen ook al drie nieuwsgierige berekoppen uit een
venstertje kijken. "Dag Bruno, dag Bruna, dag Brunette!" groette
Frits, "hoe smaakt de honigsoep?" Maar voordat er antwoord kwam,
lag het huisje al weer in de verte.

Daar was eindelijk de rand van 't bosch. Ja, en daar stond ook weer
een huisje, maar nu een heel vriendelijk, een met witte muren en een
tuintje er voor. "Daar woont de grootmoeder van Roodkapje," vertelde
Appelsteeltje. "Och, och," begon Frits, "woont daar nu...." Maar daar
vlogen de veulens, nu ze 't bosch uit waren, in eens weer met een' ruk
vooruit: 't scheelde niet veel, of onze Frits was in 't zand gewipt.

Hop, hop, hop! Frits durfde haast niet rechts of links meer te kijken,
zoo gauw ging het. Alleen als Appelsteeltje met zijne fakkel wenkte,
keek hij even naar dien kant.

Daar zwaaide de fakkel weer, nu niet op zij; maar hoog boven
Appelsteeltjes hoofd. Nieuwsgierig keek Frits naar boven. Wat was dat
nu? Een groot kasteel, dat in de lucht hing? O neen, nu zag hij 't
beter: het kasteel stond heel boven op een donkeren, hoogen berg. "'t
Kasteel met den dikken boom en den diepen put!" riep het dwergje. Frits
hield zijn hoofd heelemaal achterover, om goed te kunnen zien. Maar
juist schoot zijn veulen weer met eene vaart vooruit; 't scheelde niet
veel, of hij was van den schok over den kop van 't veulen gevlogen.

"Let op!" waarschuwde de fakkel een eind verder. Nog een kasteel. "Van
den markies van Carabas!" riep Appelsteeltje.--Voort, altijd
verder. Weer een hooge berg, maar geen donkere: een, die glinsterde
in den maneschijn, een berg, die heelemaal wit was! "Daarachter
ligt Luilekkerland," vertelde Appelsteeltje. "Hè, Luilekkerland,"
zei Frits, "Luilekkerland achter den rijstebrijberg!" Want hij had
grooten lust, dat heerlijke land eens te zien. "Maar kom," dacht hij,
"dit ritje is toch ook al heerlijk, en wie weet, wat ik straks op
't bal allemaal nog te zien krijg!"

Wat begon Frits naar dat feest te verlangen, wat was hij nieuwsgierig,
wie en wat hij er zien zou, en met wie hij zou dansen! Gelukkig, nu
kon 't niet lang meer duren. Want kijk, daar zag hij in de verte eene
breede, donkere streep, dat was zeker 't bosch! En ja, toen ze nader
kwamen, zwaaide voor 't laatst Appelsteeltje zijne fakkel en riep
hij vroolijk: "We zijn er!" Toen hinnikten de veulens, de dwergjes
gooiden hunne mutsjes in de lucht van pret, en Frits klapte in de
handen en riep maar niets dan "hoezee," tot hij er schor van was.

Vooraan in 't bosch was het donker; maar door de boomen heen
schemerde licht, en hoe verder je in 't bosch kwam, hoe lichter
het werd. "Nu de oogen dicht!" riep Appelsteeltje op eens, "en niet
weer open, voor ik je waarschuw, hoor!" Frits dadelijk de oogen stijf
dichtgeknepen en toen .... Toen voelde hij, dat zijn veulen stilstond
en hij hoorde de dwergjes fluisteren met elkaar. Hoe, wist hij niet,
maar hij werd vlug van 't veulen getild en voorzichtig op den grond
neergezet. Een klein handje pakte zijne rechterhand, een ander handje
zijne linkerhand en beide handjes trokken hem zachtjes mee, mee,
mee--totdat ze hem eindelijk loslieten en eene bekende stem riep:
"Open! en welkom in de balzaal!"

Toen Frits de oogen opendeed--ja, 't ging hem weer net als straks: hij
wist eerst niet recht, wat hij zag. Hij wist alleen: 't was iets heel
heerlijks en heel moois. Hij was nog in 't bosch, op eene groote, open
plek in 't bosch; maar waren dat wel boomen, die er omheen stonden? Ja,
hij zag de stammen, de takken, de bladeren. Maar alles, wat er aan
was, schitterde en glinsterde als goud en zilver en kristal en edele
steenen. Lampen waren er niet; maar dat was ook niet noodig. Elk blad
van de boomen leek zelf wel een lampje en 't was, of er honderden
lichtjes straalden uit stammen en takken.--De grond of neen--ik moest
liever zeggen: de vloer van de balzaal was bestrooid met goudbruine,
gladde dennenaalden en daar schenen weer zandkorreltjes doorheen,
die schitterden als kleine diamantjes.--Tusschen de boomen lag een
dik tapijt van heerlijk zacht mos, en op dat kleed lagen overal
verspreid fluweelige mossen kussens, waar je op kon uitrusten,
als je moe was van 't dansen. En dan die mooie dansmuziek! Waar
kwam die toch vandaan? Frits keerde zich om en ja, daar zaten ze, de
muzikantjes, ieder op een grooten, bontgekleurden paddestoel. Allemaal
kaboutermannetjes, hoor! en die bliezen en fiedelden er zoo lustig
op los, die speelden dan toch wel zulke prettige, vroolijke wijsjes,
dat de voeten er vanzelf op begonnen te dansen, of ze wilden of
niet. Frits kon ook haast niet stil blijven staan, zoo'n lust kreeg
hij, om mee door de balzaal te zwieren met al de paartjes, die al aan
't dansen waren.

Nu, lang behoefde hij gelukkig niet rond te zien naar een danseresje;
want daar kwam Appelsteeltje al aan met eene heele rij, waar hij
uit kiezen mocht. En verbeeld je nu, hoe grappig: Frits _kende_
al die lieve danseresjes, en toch--had hij ze nog nooit gezien! Hij
kon ze allen op de rij af wel noemen, en toch--had niemand hem de
namen gezegd! Dat aardige meisje met haar verlegen gezichtje en den
zilveren appel in de hand moest Tweeoogje zijn. Die met de mooie lange
krullen was zeker Liesje, je weet wel, die naar de dwergen over de
zeven bergen ging, om haar kipje te zoeken. En daar had je wezenlijk
ook Lena--Frits kende haar dadelijk aan den tooverketting, dien ze
om den hals droeg.--Naast Lena stond--nu, dat was al heel gemakkelijk
te raden. Een rood kapje had ze op 't hoofd, een mandje aan den arm!

Dan was er ook nog een meisje met een snoeperig kindje aan de hand,
een klein, vlug dingetje met goudblonde krulletjes. "Ja, ja," zei het
grootere meisje, "Goudkindje wil ook meedansen in haar nachtponnetje
en met één bloot beentje!" Maar wat was dat? .... Bij elk woord,
dat het meisje sprak, viel er eene bloem of eene parel uit haren
mond! "Die ken ik ook, die ken ik ook!" riep Frits vroolijk. "Mooi,
mooi," zei Appelsteeltje, "maar nu moet je ook kiezen."

Frits keek de rij nog eens langs: kiezen was moeilijk, hoor! De
danseresjes leken Frits allemaal zoo aardig toe, van Tweeoogje af
tot Goudkindje toe. "Nu?" vroeg Appelsteeltje. "Of, wacht eens!" Weg
was Appelsteeltje; maar een oogenblik later kwam hij er ook al
weer aan. Een meisje hield hij bij de hand. "Wil je misschien deze
liever?" lachte het dwergje. Frits behoefde niet lang te raden, wie
daar vóór hem stond. Verwarde haren, vuile handen, de jurk scheef aan,
de kousen afgezakt.... "Neen, neen, neen!" riep Frits, "die niet,
dat is Pietje Smeerpoes!" Het slordige vuile kind kroop van schaamte
dadelijk weer achter een' boom, en Frits pakte nu maar gauw Roodkapje
bij de hand en trok haar mee tusschen al de dansende paren.--Toen aan
het dansen--neen, dat had je moeten zien! Er was wezenlijk geene fee
noodig, om het Frits te leeren: zijne voeten gingen als vanzelf op de
maat van de dwergenmuziek. Hij gleed en draaide en zwierde met zijn
danseresje in 't rond, dat de dennenaalden opvlogen en Roodkapjes lange
vlechten door de lucht fladderden. O, hij zou wel altijd door hebben
willen dansen, 't ging zoo heerlijk! Maar Roodkapje werd moe. Kom,
dan zouden ze maar wat uitrusten tusschen de boomen. Hè ja, dat
vond Frits niet minder prettig: uitrusten op zachte mossen kussens,
babbelen met aardig Roodkapje, luisteren naar de vroolijke muziek en
vooral ook--kijken naar al de prettige drukte om hem heen.

Nu kon hij ook beter zien, wie er al zoo op 't bal waren. Wel, wel,
wat een gasten! En wat een oude bekenden uit de vertellingen! Dwergjes
waren er zooveel, je kon ze haast niet tellen. Die huppelden en
sprongen tusschen de dansers door, dat het eene klucht was om te
zien. Ze buitelden over hun hoofd, gooiden hunne mutsjes in de lucht
en maakten allen aan 't lachen met hunne dwaze grappen.--Daar dansten
er twaalf in een' kring om Appelsteeltje heen. "Hoe leuk!" riep Frits,
"daar heb je wezenlijk de Twaalf Maanden!"--Een eind verder draafde
een kaboutermannetje achter Liesje met de lange krullen aan. "Pas op
je krullen, Liesje!" riep hij plagend. 't Meisje schaterde van lachen,
omdat het dwergje van over de zeven bergen haar op zijne korte beentjes
toch niet inhalen kon.

Wat was 't eene pret overal! Alles liep en sprong en danste en
stoeide er door elkaar heen. Verbeeld je: de domme reus wou er
dansen met een dwergje. Hij moest zichzelf haast in tweeën vouwen,
om bij het kaboutertje te komen, en eens gooide hij het mannetje als
een kaatsbal in de hoogte en ving het in zijne groote handen weer
op.--Peter huppelde er alleen in 't rond met zijne gouden gans in den
arm.--Slimme Hans was er ook; die danste natuurlijk met zijn Grietje;
maar hoeveel keer hij haar wel bij ongeluk op de teenen trapte,
weet ik niet.

En wat was dat toch wel voor een rolronden jongen: die kon
zich maar even omdraaien van dikte! Wacht eens, nu was hij vlak
bij. "Smulhans!" riep Frits, en hij klapte van plezier in handen. Maar
met wie danste het levende tonnetje toch? Met niemand anders dan de
toovervrouw! Onder het dansen stopte ze 't gulzige ventje aanhoudend
lekkernijen in den mond, en dan grinnikte ze van pret.

Op eens hoorde Frits door de dansmuziek heen het wijsje van:


    "Ach, mijn lieve Augustijn, Augustijn, Augustijn,
    Ach, mijn lieve Augustijn, alles is weg!"


En ja, daar kwamen ze aanzwieren: de varkenshoeder in zijn oud,
vuil pak met zijn klingelenden pot aan den arm en--de mooie, domme
prinses in een prachtig balkleed. De prinses trok wel een beetje een
vies gezicht en hield den varkenshoeder zoover mogelijk van zich af;
maar ze danste toch met hem, om vooral dicht bij den klingelenden
pot te blijven.

Neen maar, nu werd het nog mooier: daar had je zoo waar ook de
Gelaarsde Kat, de achterpooten in hooge kaplaarzen, den linkervoorpoot
netjes om een snoeperig spierwit poesje geslagen. Dat was het Witte
Katje.--Met sierlijke, kleine pasjes draaiden de twee in 't rond. En
bij elken zwaai kriebelden hunne opgeheven staarten een paar dwergjes
in den neus, die vlak achter hen dansten. Ze konden wel aan 't proesten
blijven, de kaboutertjes.

Wie kwam daar nu weer aanstappen, heel langzaam en deftig, een
grooten bril op den grooten neus en den grooten neus in een groot
boek met allerlei wonderlijke krullen en figuren er in. "De booze
Toovenaar," fluisterde Roodkapje. Wat studeerde hij druk in zijn
tooverboek! Nergens keek hij naar uit of om. Daar kwam het dan ook
van, dat hij telkens tegen iemand aan liep. O hé, nu al weer tegen
een dwergje. Het kaboutertje rolt over den grond; maar vlug als
de wind springt het weer op en trekt den toovenaar bij zijn langen,
spitsen neus. De toovenaar wou den kleinen ondeugd nog grijpen, maar ja
wel--die stond hem al lang weer aan 't andere eind van de zaal uit te
lachen.--Nu vond de toovenaar het toch maar beter, een rustiger plekje
te zoeken, om te studeeren. Daarom ging hij ook op een van de mossen
kussens tusschen de boomen zitten met het tooverboek op de knieën en
de handen onder 't hoofd. Een poosje zat hij--daar kwam Goudkindje
aandribbelen en lei haar mollig handje op het tooverboek. "Toovenaar,"
zei ze met een vleiend stemmetje, "waarom zit je hier zoo alleen? Heb
je geen plezier? Toe, dans eens met me!" De toovenaar keek eerst met
een heel boos gezicht op; maar toen hij het lieve Goudkindje zag,
moest hij toch lachen. En wezenlijk: hij stond op, legde zijn boek
zoolang onder het kussen en--begon met Goudkindje in 't rond te dansen.

Frits had den heelen tijd, bij 't kijken naar al die kluchtige
paren, eene pret gehad van belang; maar nu hij daar den ouden, boozen
toovenaar met zijn spitsen neus en zijn grooten bril zag rondspringen
met Goudkindje in haar nachthemdje en één bloot beentje, nu lachte hij,
dat de tranen hem over de wangen rolden.--

En pas was hij weer tot bedaren gekomen, of daar barstte hij op eens
weer in lachen uit. En Frits lachte niet alleen: allen lachten mee, dat
ze schaterden. Verbeeld je, wat er gebeurd was. Sapperdemallemosterd
was ook nog op het bal gekomen met zijne kameraden Hazenoor, Blaaskaak,
Pijluitdenboog, van Sterkenrug en Mikgoed. Eerst liepen ze gearmd in
eene lange rij. Maar dat bleef niet zoo; want ieder wou graag voor
de gasten op het bal zijne kunsten vertoonen. Pijluitdenboog schoot
in eens vooruit en begon tusschen de boomen door om de balzaal heen
te rennen--neen, zulk loopen had Frits in zijn leven niet gezien. 't
Ging zoo gauw, dat het je groen en geel voor de oogen werd: in drie
tellen heelemaal om de groote balzaal heen.--Hazenoor ging met zijn
oor tegen den grond liggen en luisterde een poosje. Toen riep hij:
"Ik hoor wat, dat jullie niet hoort. Ik hoor de gebraden duiven in
Luilekkerland door de lucht vliegen."--Mikgoed schoot de toovervrouw
een suikererwtje tusschen de vingers weg, dat ze Smulhans juist in
den mond wou stoppen.--Blaaskaak maakte zijne wangen heel dik en
blies op eens alle dansers omver.--Maar wat van Sterkenrug deed,
dat was nog 't aardigst van al. Eerst riep hij al de dwergjes,
die op 't bal waren, bij zich. Toen ging hij een beetje voorover
gebogen staan. En toen--moesten al de kaboutertjes op zijn breeden
rug klimmen. Langs en over elkaar heen klauterden ze naar boven. 't
Werd een hooge toren van kleine mannetjes, allergrappigst om te
zien.--Maar er was niet alleen wat aardigs te zien op 't bal, ook
wat moois: er waren niet alleen dwergen en reuzen en toovenaars,
er waren ook--feeën. Daar had je de rupsenfee met haar prachtig fijn
vlinderkleed en de korenfee met het lange, golvende goudgele haar en
de fee van den onwilligen Willem en de fee van den houthakker en nog
veel meer. En lief, dat ze allemaal leken, die feeën in haar sierlijk,
luchtig kleedje, bezaaid met bloemen en gouden en zilveren sterretjes,
dat kun je heel niet gelooven! En mooi, dat ze dansten! De fijne,
teere voetjes raakten haast den grond niet, zoo licht en vlug gingen
ze er overheen. Frits keek er met open mond naar.--Maar midden onder
't kijken kwam Appelsteeltje weer op hem af. "Kom aan, jongeheer,
nu weer een dansje," riep hij, "je wordt niet alle dag op een bal in
't bosch gevraagd!"

Ja, 't was ook zoo: hij moest nu maar eens weer aan 't dansen. Wacht,
daar stond de lieve Tweeoogje. Frits er heen, en een oogenblik
later zwierde het paartje al lustig de zaal rond.--Toen gedanst met
Lena. Maar Lena had niet veel plezier: ze keek telkens angstig rond,
of de toovenaar, die haar den ketting gegeven had, ook in de buurt
was.--Liesje kreeg natuurlijk ook eene beurt. Die was zoo vroolijk,
die danste zoo vlug, dat Frits haast niet mee kon komen. Op eens kwamen
ze bijna te vallen over--ja, dat zul je nooit raden. Bijna kwamen ze te
vallen over twee heel kleine dansende paartjes. Het eene paartje was
Heer Halm tot Halm, de Weidekoning, met het snoeperige Grasprinsesje
in een kleedje geweven van fijne grasjes en veldbloempjes. Het tweede
paartje was--Pinkje met Madelieva, de vrouw van den Weidekoning, in
een kleedje van bloemblaadjes. Wat waren die vier kleintjes aardig
om te zien, en wat speet het Frits, dat hij ze bijna omvergedanst
had! Maar Lena gunde hem geen' tijd lang stil te staan: ze trok hem
al gauw weer mee, om verder te dansen.

Daar op eens klom er een dwergje in een' boom, en dat begon me
te blazen op een gouden hoorn, dat het boven alles uit klonk. En
zie--dadelijk hield de dansmuziek op; allen, die liepen of dansten,
die sprongen of stoeiden stonden plotseling stil, allen die lachten en
praatten zwegen in eens. Eéne alleen bewoog zich en dat was eene lieve
fee in een lang, slepend kleed van zilveren draden geweven en met een
zilveren tooverstokje in de hand. Zacht en vlug ging ze langs de kanten
van de zaal. Telkens bukte ze zich en raakte even met haar tooverstokje
den grond aan. En overal, waar het stokje de aarde raakte, rees er uit
den grond een tafeltje op, bedekt met een sneeuwwit kleed en beladen
met bloemen en vruchten en wijn en taarten en alles, wat maar lekker
was. In een oogenblik stonden er in 't rond, 'k weet niet hoeveel,
van die tafeltjes-dek-je klaar.--Nu ging de fee weer rond en bij elk
tafeltje tikte ze even tegen een' poot. En ja wel, daar waren ook in
eens om de tafels stoelen getooverd, met bloemen en groen versierd.

Toen alles klaar was, blies de dwerg weer op zijn gouden hoorn, en nu
mochten allen zich weer bewegen. Ieder zocht zich een mooi plaatsje
aan een van de tafeltjes uit, en toen begon het smullen. Frits deed
er ook dapper mee: nog nooit in zijn leven had hij zulk lekkers
geproefd. Nog nooit ook had hij zooveel pret gehad! Allen waren even
vroolijk, en vooral de dwergjes maakten weer ieder aan 't lachen
met hunne dwaze grappen.--Er was er maar één, die geen tijd had, om
pret te maken, die het veel te druk had met eten. Dat was natuurlijk
de dikke Smulhans. Die grabbelde maar alles naar zich toe, wat hij
krijgen kon. Hap, hap, hap ging zijn breede mond, en de bolle wangen
werden nog eens zoo bol en rood als gewoonlijk.--

Toen al de lekkernijen zoowat opgesmuld waren, stond Appelsteeltje op,
klauterde boven op eene tafel en begon met zijne armpjes in de lucht
te zwaaien. Die dichtbij waren, riepen: "Sst, sst! Appelsteeltje wil
wat zeggen!" Toen werd het heel stil, en ieder luisterde naar wat
het kaboutertje te zeggen had. Nu nam Appelsteeltje een glas vol wijn
van de tafel, hield het omhoog en zei: "Ik drink op de gezondheid van
_mijn_, ik meen van _ons_ vriendje Frits! Hij leev', hij leev', ons
Fritsje leve lang!"--Allen dronken en klonken mee. En toen--hoe het
kwam, wist hij niet--maar op eens stond Frits midden in de balzaal,
en om hem heen dansten in een grooten kring alle feeën en toovenaars,
alle reuzen en dwergjes, alle prinsen en prinsessen, alle jongens en
meisjes--_alle_ gasten van 't bal. En allemaal zongen ze: "Hij leev',
hij leev', ons Fritsje leve lang!" O, wat was 't mooi!

Daar: tetteretet, tetteretet! klonk de gouden hoorn. En--als door een'
tooverslag was alles verdwenen: de prachtige balzaal, het schitterende
licht, de gasten, alles! Frits zat weer op zijn veulen, en vóór en
achter hem draafden de zes andere veulens. Elk veulen droeg weer twee
dwergjes op zijn' rug en elk dwergje droeg weer eene fakkel. En voort
ging het weer, hop, hop--in vliegende vaart door bosschen, over velden
en wegen, langs kasteelen en bergen.--Appelsteeltje zwaaide weer met
zijne fakkel; maar Frits was nu te moe en te slaperig, om veel rond
te kijken. Sjok, sjok! schudde hij heen en weer, voor- en achterover
op zijn veulen. Op 't laatst kon hij de oogen haast niet meer open
houden. Nog een poosje en--ze vielen toe. Frits sliep.



Toen hij wakker werd, waren dwergjes en veulens verdwenen en--onze
Frits lag goed en wel in zijn eigen bed! Maar lang bleef hij niet meer
liggen, hoor! In een' wip was hij er uit, in een' wip aangekleed,
in een' wip bij Ooms kamer, aan Ooms bed, om gauw te vertellen,
hoe heerlijk het middeltje geholpen, hoe'n kostelijken droom hij
gedroomd had.--

Één ding alleen heeft Frits zijn leven lang gespeten: dat hij
Appelsteeltje nooit heeft kunnen bedanken voor al het plezier in dien
heerlijken nacht.




EEN DIEF--EN GEEN DIEF.


Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven
veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel
rijk. Ja, hij _was_ rijk, maar hij _werd_ arm. Op een' nacht kwamen
er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.--De man
klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te
vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen,
en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen,
dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.

Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader
heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze
ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. 't
Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met
Tom, zooals hij heette, was het anders. "Wat er van dien jongen nog
worden moet," zuchtte de vader menigmaal, "ik weet het niet! Leeren,
daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te
vinden, wel in den stal of buiten in 't bosch of op 't veld. Jagen
en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen,
die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan 't lachen maken,
en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met
al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet
we nog aan dat heertje beleven!"

Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op
een' dag vlak voor zijn' vader staan en zei: "Vader, ik ga er op uit,
om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden
zal ik ze, al zaten ze ook 'k weet niet waar verborgen. En 't geld
breng ik mee terug, zoo waar ik Tom heet."--De vader barstte in
lachen uit. "Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe
broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan
iets van terecht komen. Maar jij!"--"--Vader," zei Tom, "ik vind ze,
laat mij maar begaan."--"Nu," zei de vader, "ga je gang. Thuis voer
je toch niet veel goeds uit."

En Tom ging zijn' gang.

Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed
opgeven, daar dacht hij toch niet aan.--Eens dat hij weer een heelen
dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis,
dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een
bosch. 't Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei
een gure wind, en 't regende zonder ophouden. "Ik moet maar zien, dat
ik hier vannacht onder dak kom," dacht Tom. Eene bel was er nergens
te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.

Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. "Wat
moet je?" vroeg ze heel onvriendelijk.--"Wat anders dan mijn avondeten
en een bed om in te slapen!" zei Tom. "Dat kun je hier niet krijgen,"
bromde het vrouwtje, "'k Zou wel eens willen weten, waarom niet,"
hield Tom vol. "Nu, als je 't dan volstrekt weten wilt," was 't
antwoord, "'t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen
drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan
kom je hier niet levend vandaan."--"Dat is een leelijk ding," zei Tom,
"maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer,
is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet
bang."--Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter
zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van "zelf maar weten",
maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was 't voornaamste.

Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde
tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon
Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij
met leege handen thuis kwam en braaf door zijn' vader en zijne broers
uitgelachen werd.

Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in de
kamer naast hem. "Aha!" dacht hij, "daar zijn de zes mannen, die mij
niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden
in den nacht pas thuiskomt--als dat geen dieven zijn, dan weet ik
het niet! Eerlijke menschen hebben 's nachts op straat niets te maken."

Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat
de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen
klonken zoo verward door elkaar, 't leek wel, of ze allemaal tegelijk
spraken.--Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon
Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over
hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. 't
Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van
inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en
van geld.

"Dat was eene mooie vangst vannacht," zei er een. "Ja," zei een ander,
"maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens,
als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al
zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt
heeft!"--"Honderdduizend gulden!" lachte een derde. "Wat zullen ze
op hun' neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste,
dat moet zoo'n doeniet zijn. Maar 't luie leventje van dat heertje
zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!"

Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield
hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd
werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en 't had niet veel gescheeld,
of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk
maakten over hem en zijn' vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren
de mannen, die zijn' vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden,
drie zoons, de jongste een doeniet--het kon niet anders wezen. Wacht,
hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden
in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop
weer in 't bed. "Tom, jongen, wees niet dom," zei hij tegen zichzelf,
"je weet nog niet eens, waar ze 't geld gelaten hebben, en al wist je
't: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!--Beter eerst nog
eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten."

Tom legde weer 't oor tegen den muur en luisterde. "Zeg eens, is dat
geld wel goed geborgen?" vroeg er een. "Dat 's ook eene vraag," riep
een ander, "'t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we 't in
gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder
hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?"--"Nu,
't is goed, ik vroeg 't maar zoo," zei de eerste weer. "Ziezoo,"
dacht Tom, "nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn'
zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?"--Nog eene heele poos lag
hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel.

Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor
zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. 't Leken ruwe,
woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van
schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn,
daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten,
leunende op zijn' elleboog, en keek de mannen driest in de oogen.

"Wie ben je," vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over
de andere vijf leek, "en wat kom je hier doen?"--"Wie ik ben?" zei
Tom. "Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom
leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn
werk. Als jullie me bevalt," en hij keek de mannen één voor één aan,
"dan wil ik je misschien wel in mijn' dienst nemen en je een paar
lesjes in 't stelen geven."

De mannen wisten niet, hoe ze 't hadden: ze keken elkaar eerst zoo
beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos,
eer de oudste dief antwoordde: "Praats heb je genoeg, dat hooren
we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na 't ontbijt wel eens zien,
wie meester en wie knecht wezen zal."

Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten
ze aan tafel, of daar zien ze door 't bosch dicht bij het huis een'
boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.--"Wie
van jullie," vraagt Tom, "durft er op aan, dien boer zijne geit af te
stelen, nog voordat hij 't bosch uit is, en dat wel zonder ook maar
't minste geweld te gebruiken?"--"Ik niet," zegt de oudste dief. "En
ik niet!" roepen de anderen. "Kom aan," zegt Tom, "ik ben de meester,
ik zal jullie je eerste lesje geven!"

Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene
plek, waar de weg door 't bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij
zijn' rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen
gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn'
linkerschoen uit, zet dien weer midden in 't pad, loopt vlug weg en
verbergt zich achter de struiken.

De boer komt, en hij ziet een' schoen staan. "Jammer, dat die geen
kameraad heeft," denkt hij, "aan één alleen heb je niets."--En de
boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen
schoen. "Domoor, die ik ben," zegt de boer, "dat ik dien van straks
niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een
paar kan ik best gebruiken."

De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een' boom, om gauwer
vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar
de schoen--die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht
van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan
gekomen en had den schoen weer weggepakt.--De boer komt en ziet den
schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij
komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit
vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en--wat nog erger,
is--ook geene geit meer!--De tweede schoen zat al lang weer aan
Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den
eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in 't huis
van de dieven gebracht.

"Dat is me ook wat!" jammerde de boer, "ik beloof voor mijne vrouw
eene mooie japon te koopen van 't geld, dat ik op de markt voor
mijne geit zal krijgen, en nu--is de geit weg! Ik moet maar zien,
dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw
er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen,
dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren."

De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken,
en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch
wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.

Een half uurtje later--daar komt de boer weer aan met een mooi,
vet schaap bij zich. "Wie van jullie ziet er kans," vraagt Tom,
"dat schaap te stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd-
zonder geweld te gebruiken?"--"Ik niet!" zegt een van de dieven. "En ik
niet!" roepen de anderen. "Dan zal ik 't probeeren, ik ben de meester,"
zegt Tom. "Geef me een stevig touw."

Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen
tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens
een' man aan een' tak van een' boom hangen met het hoofd slap op de
borst. "Wat is dat nu!" roept hij, "een uur geleden hing die man daar
toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op
klaarlichten dag, 't is om van te beven!" Angstig kijkt hij om zich
heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.

Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn' schrik al
weer een' man aan een' boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover
op de borst. "Heb ik van mijn leven!" roept de man, "daar hangt er
al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!"--En hij stapt
haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.

Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en
grijpt zich met de hand aan 't voorhoofd. "Maar zie ik dan verkeerd,
of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een'
boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te
gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug--ik wil weten,
of de twee anderen er nog hangen." De man bindt zijn schaap zoolang
aan een' boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de
weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den
tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar
't huis van de dieven.--Dat die man niemand anders dan de slimme Tom
was, heb je zeker al begrepen.

Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien
hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep,
was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal
gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór
geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl
de boer weerom liep.

Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! "Als
je nog één zoo'n stukje uitvoert als dit," zei de oudste dief,
"dan zeg ik: je bent ons allen de baas!"--

En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien
hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van
den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een' man. Al
pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats,
waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man,
geen schaap, alles weg!

Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: "Ach, ach,
wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld,
mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor
mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het
land haal en dien verkoop."

Goed, de boer gaat naar 't land, en eene poos later zien de dieven
hem weer aankomen met zijn vetten os. "Wie is zoo knap, dat hij dien
os steelt, zonder geweld te gebruiken?" vraagt Tom. "Ik niet," zegt er
een. "En ik niet," roepen de anderen. "Dan probeer ik het," zegt Tom,
"ik ben de meester," en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.

De boer drijft zijn' os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij
den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn'
rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en
nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. "Ik ben een boon,
als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!" roept de boer.--Weer
geblaat. "Zoo zeker, als ik hier sta," zegt de boer, "ze zijn het!" En
hij bindt zijn' os aan een' boom en loopt het bosch in naar den kant,
waar 't geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar 't
is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid
blijft altijd even ver af.

Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht
eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had
hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want--toen
hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats,
waar hij 't geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn' os niet
meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os--die stond al
lang op stal bij de dieven.

Tom had gedacht: "Ik neem de geit en het schaap mee in 't bosch,
daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een
poosje achter de dieren aanloopan en dan--maak ik, dat ik langs den
kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik
den os al lang losgemaakt en weggebracht."--En zoo was 't gebeurd ook.

Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk
niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles
te vertellen, was er groot gejuich in 't dievenhuis. De dieven riepen
maar in éénen door van "hoera!" en "leve de koning van de dieven,
leve Tom!"--Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van,
bij zoo'n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.

Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven
vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan
hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in
de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten
en koffers open te breken, En eindelijk--namen ze hem zelfs mee naar
den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar
kreeg Tom wat te zien--wel verbazend, wat een geld en goed lag
daar opgestapeld! "Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al
ongelukkig gemaakt!" dacht Tom. "Maar die kist daar, die ik zoo goed
ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn' vader."

Ja, wezenlijk, daar stond de kist. "Kon ik haar maar dadelijk
meenemen," dacht Tom, "dan bleef ik geen uur langer in dit nare
huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn'
zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik
moet nu maar geduld hebben en mijn' tijd afwachten."

Zoo bleef Tom dus vooreerst in 't dievenhuis.--Hij zorgde wel de
dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem
gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te
stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun' meester
kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij
thuis bleef. "Jullie krijgt me niet mee," dacht Tom telkens, als hij
de dieven zag heengaan, "bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes
vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad;
maar nu is 't ook genoeg."

Eindelijk op een' dag zeiden de dieven tegen Tom: "Meester, als je
't goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis
hier dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook
eens plezier maken."--"Wel zeker," zei Tom, "ga jullie gerust. Ik
zal mij niet vervelen."--Maar bij zichzelf dacht hij: "Heerlijk,
heerlijk! Eindelijk zal ik eens een' dag alleen zijn. Misschien zal
ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen."

Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze
hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel
gelukkig, hoort maar eens, waarom.

Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze
waren trotsch op hem, omdat hij zoo'n slimme dief was, zooals ze
meenden. Ze noemden hem "Meester," en dikwijls vroegen ze hem om
raad. Maar--den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch
liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij
niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel
machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen;
maar tot nu toe was hij nog geen zier verder.

Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al
niet. "Vandaag _moet_ het gebeuren," zei Tom tegen zichzelf, "ik
_moet_ er iets op vinden."--En weer ging hij als zoo menigen keer
met het hoofd in de hand zitten denken.

Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren,
ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed,
bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze
borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort,
hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het
en--in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen,
dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt,
heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een' wip is hij er de
deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk:
hij is het!--Wat die Tom zich in de handen wreef!

Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne
Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?

Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist
van zijn' vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open
te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij
daarmee moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het
duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld! _Al_
het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt:
tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw
alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee,
die hij in de haast uit een' hoek van den kelder gehaald had. Toen
de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één
naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar,
het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er
op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op.

Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij
het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij
het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig
om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen
het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig
over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook
blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf,
als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten.

En waar reed Tom nu wel 't eerst heen, denk je? Niet naar zijn'
vader, naar....--Maar wacht, 'k heb nog iets vergeten te vertellen! Op
de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat
leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. 't
Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo'n slimme
manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald
en op de kar geladen.--En achteraan de kar was--de os vastgebonden,
de os van den boer.--En nu weet je ook, waar de reis 't eerst naar
toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor
de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken.

Toen Tom bij 't huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne
vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: "Weet je
ook van wie deze dieren zijn?"--"Nu," riepen de boer en zijne vrouw
vroolijk, "dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker
als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al
overal en overal gezocht en ze nergens gevonden."--"O," lachte Tom,
"ze liepen in 't bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk,
dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren."

Dat was me eene vreugde in 't huis van den boer: die pakte zijne
vrouw om 't middel en danste met haar in 't rond. "Vrouw, nu krijg je
de nieuwe japon toch nog," riep hij maar al. Toen werden de geit en
het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl
ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: "Zeg eens, boer, is dat zakje ook
van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?" Een zakje? daar
hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar 't hing er, dat
was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan--honderd gulden! "Dat
is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt," zei Tom, en
vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing
te bekomen, had Tom de zweep over 't paard gelegd, en weg was hij!

"Nu naar Vader," dacht Tom, "die zal nog grooter oogen opzetten dan
de boer en zijne vrouw."

't Was al laat in den avond, toen de kar voor 't huis van Toms vader
stilhield.--Tom sprong van de kar, bond het paard aan een' paal vast
en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de
deur open: 't was Toms vader zelf. "Wie maakt er zoo'n geweld aan mijne
deur," vroeg de vader verdrietig, "en dat zoo laat in den avond! Ik
beef er nog van."--Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis
niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar
hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: "Och, Mijnheer,
neem me kwalijk, dat ik U aan 't schrikken heb gebracht. Ik ben een
arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht
niet kunnen slapen?"--"Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in
mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!"

Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was,
toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg
de vader medelijden en zei: "Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik
neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij
licht gezien hebben."

Tom dus mee in de kamer, waar 't licht was. En toen .... die verbazing
van zijn' vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke
lachen van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! 'k Wou, dat je
't gezien en gehoord hadt!

De vader was 't eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw:
"En waar is 't geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken
leeg zeker!"--"Ja, Vader," zei Tom lachend, "handen en zakken leeg;
maar" en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn' vader
met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar
buiten bij de kar, "maar--eene kar vol!"

De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet
te gelooven, dat in die zakken _zijn_ geld was, zijn heele verloren
rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze
waren vol harde rijksdaalders en guldens!--Toen greep hij Tom bij de
hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest:
"Nu, Vadertje, bedaard wat!"

Dat was me nog eene andere vreugde dan in 't huis van den boer! De
vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en
vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan 't
vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis
van den boer schudd'en ze allen van 't lachen om de slimheid van
Tom, en de vader stak hem op 't laatst de hand toe en zei: "Jongen,
'k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik
meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar
nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.--
Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees,
kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.

Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader
en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet
overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.

Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik
je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan
zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste
en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed?




HET ZILVEREN LUCIFERSDOOSJE.


Eén, twee! één, twee! Natuurlijk was 't een soldaat, die zoo prompt
in de maat aan kwam stappen. Hij had zijn' ransel op den rug, het
geweer op schouder en de sabel op zij; want hij kwam zoo regelrecht
uit den oorlog en was nu op weg naar huis. Eén, twee! één, twee! de
voetstappen klonken door het bosch, en een oud vrouwtje, dat tegen een'
boom geleund zat en van het warme weer ingedommeld was, schrikte er
van wakker.

"Dag, soldaat!" zei ze. "Wat stap je dapper langs den weg. Zeker ook
dapper gevochten?"--"Nu, of ik!" lachte de soldaat.--"En ben je nu
ook te trotsch, om zoo'n oud vrouwtje, als ik ben, een' dienst te
bewijzen?"-- "Zeker niet," zei de soldaat.--"Nu," zei het vrouwtje,
"je zult er ook geen spijt van hebben, want ik zal je er zooveel
geld voor geven, als je dragen kunt."--"Sapperloot," zei de soldaat,
"dat kan ik gebruiken; want mijne zakken zijn leeg. Zeg mij, maar gauw,
wat ik doen moet." "Deze boom," zei het vrouwtje, en ze klopte op den
stam van den boom, waar ze tegen geleund zat, "is van binnen heelemaal
hol. Je klimt maar naar boven en laat je door den hollen stam naar
benoden zakken. Ik zal je een touw om het middel binden, en als je weer
naar boven moet, roep je maar: o, hoi ho! dan trek ik je op."--"Maar,
wat moet ik daar onder in den boom?" vroeg de soldaat. "Geld halen,"
zei het vrouwtje. "Luister maar eens. Als je onder in den boom komt,
ben je in eene groote gang. Heel licht is het daar; want er branden
wel honderd lampen. In die gang zie je drie deuren; die kun je open
doen, de sleutel zit er in. Ga je de eerste deur binnen, dan kom je
in eene kamer. Midden op den vloer van die kamer staat eene groote
kist, en op die kist zit een hond met een paar heel groote oogen,
met oogen, zoo groot als een theeschoteltje. Maar je behoeft niet
bang te wezen: ik geef je mijn blauw geruit schort mee. Als de hond
dat ziet, weet hij wel, dat ik je gestuurd heb, en daarom zal hij je
geen kwaad doen. Spreid het schort maar op den vloer uit en zet den
hond er op. Dan kun je bij de kist gaan en zooveel centen nemen,
als je wilt. Wil je liever guldens hebben, ook goed. Dan moet je
eene deur verder gaan. In die kamer staat eene kist met guldens;
maar daar zit een hond op met oogen, zoo groot als het bord, waar je
's middags van eet. Je behoeft daarom niet bang te wezen: laat mijn
schort maar weer zien, dan is er niets te doen. Maar misschien wil
je nog liever gouden tientjes hebben, nu, die kun je ook krijgen:
ze zijn in de derde kamer. Maar op die kist zit een hond met oogen
zoo groot, als een wagenrad. En boos, dat het dier is! Maar dat komt
er voor jou niet op aan. Je zet hem maar op mijn schort, en dan kun
je rustig zooveel goudgeld nemen, als je wilt."

"Dat lijkt mij niet verkeerd," zei de soldaat, "maar wat moet ik
nu voor jou daar doen, Moedertje? Om geld voor mij zelf te halen,
stuur je me toch zeker niet alleen."

"Neen," zei het vrouwtje, "voor mij moet je een zilveren lucifersdoosje
halen, dat mijn zoon vergeten heeft, toen hij den laatsten keer daar
geweest is. Mijn zoon is dood, moet je weten, en dat doosje is mij
lief, als eene herinnering aan hem."

"Zoo," zei de soldaat, "is je zoon dood en wou je dat lucifersdoosje
zoo graag hebben? Maar waarom heb je 't dan nog nooit door een ander
laten halen?"

"Ik heb het dikwijls genoeg gevraagd," zei het vrouwtje, "maar nooit
heeft er iemand gedurfd. Allen waren bang, als ik van de honden daar
beneden sprak. Maar jij bent een soldaat, en soldaten zijn dapper. Toe,
ga maar, je doet er mij zoo'n genoegen mee. Hier is mijn schort--ze
doen je heusch geen kwaad, de honden. Doe je 't?"

"Kom aan dan maar," zei de soldaat, "bind me het touw maar om
het middel en het schort er bij, anders kan ik mijne handen niet
gebruiken. En nu tot ziens, Moedertje!"

Daar klauterde de soldaat in den boom, daar zat hij er boven in;
daar liet hij zich in den hollen stam neer, nog eene wuivende hand
voor 't oude vrouwtje, en een oogenblik later stond de dappere baas
in de groote gang, waarin wel honderd lampen brandden.

Daar was ook al de eerste deur. Flink draaide hij de kruk om--ja
hoor, daar zat de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes,
en die keek hem aan, om er eene rilling van te krijgen--als je geen
soldaat was.

"Een aardige jongen ben je," zei de soldaat, "maar brom nu maar niet
zoo, hier is het schort van je vrouw, je moet de complimenten van
haar hebben. Geef mij nu maar eens je een' poot, nu den anderen,
zie zoo, daar zit je op het schort van je lieve vrouw. Nu zal ik
mijne zakken eens eventjes vullen met de centen uit je kist." Gezegd,
gedaan. Sapperloot, wat een centen, genoeg om een geheelen snoepwinkel
leeg te koopen! De kist weer gesloten, den hond er weer op gezet en
nu naar de tweede kamer. Ja, hoor, daar zat de hond met de oogen zoo
groot als een bord.

"Kom, kijk me maar niet aan, alsof je mij opeten wilt," zei de
soldaat. "Je oogen zullen gaan tranen, als je zoo strak kijkt. Zie hier
liever eens naar. Zie je wel, dat is het schort van je vrouw. Kom,
kwispelstaart maar eens. Kijk, nu zet ik je netjes op den vloer,
brave hond! Zoo, moet je over den kop gestreken worden ook? Toe dan
maar. Zit nu maar mooi stil, dan kan ik eens in je kist kijken. Neen,
maar, wat een guldens! Hoe veel spaarpotten zou je daar wel niet mee
kunnen vullen! Maar ik zal zo maar eerst in mijne zakken stoppen. O,
hé, die zitten vol centen! Weet je wat, 'k heb liever guldens dan
centen. Wil jij de centen niet hebben, zeg je? dat moet jij weten, maar
ik leg ze hier neer. Ziezoo; nu guldens in de leege zakken. En wacht
eens: in mijn' ransel kan ook nog een mooi portietje. Klaar. Ziezoo,
oude jongen, één, twee, drie! daar zit je weer. Pas jij nu maar weer
op je kist, hoor, ik groet je."

Nu naar de derde deur. Pas had de soldaat de hand aan de kruk, of
hij hoorde een verschrikkelijk gebrom, 't Klonk wel als het brullen
van een' leeuw. Hij wou toch eerst eens om 't hoekje zien. Neen maar,
wat oogen keken hem daar aan! Wezenlijk zoo groot als een rad van een'
wagen. En de oogappels draaiden--daar zou zelfs een soldaat raar van
worden. Maar de soldaat was niet alleen dapper, hij was ook slim. Hij
deed het schort door de kier van de deur en dadelijk hield het gebrom
op en slingerde de reuzenstaart vriendelijk heen en weer. "Goeden
avond!" zei de soldaat, en hij sloeg aan, zoo deftig, alsof hij een'
generaal groette; want voor zoo'n hond had hij eerbied, "goeien
avond! Zou ik U wel eens mogen verzoeken hier op dezen boezelaar
plaats te nemen?" Gehoorzaam sprong de hond van de kist en ging op den
boezelaar zitten. "Zie zoo," zei de soldaat, "nu laat mij eens zien,
waar jij zoo knap op gepast hebt," en hij deed de kist open.

Lieve deugd! wat een goudgeld! Je zou er alle suikeren popjes en
chocolâ sigaren in de stad en alle poppen en hobbelpaarden en tinnen
soldaten van de wereld voor kunnen koopen. Allemaal mooie ronde gouden
tientjes! Die heb ik nog liever dan guldens, dacht de soldaat, en ik
kan er ook meer van bergen, want zo zijn kleiner. In een oogenblik
had hij de guldens uit de zakken en den ransel en de gouden tientjes
er weer in. Maar, wacht eens, kon hij nog niet meer bergen? Zeker:
bij de kleeren in, en in de laarzen en in de schako--in alle hoekjes en
gaatjes. Op 't laatst was hij stijf van 't geld. Toen riep hij den hond
weer op de kist en maakte één, twee, drie, dat hij bij den boom kwam.

"O, hoi, ho! trek op, Moedertje!" riep hij door den hollen boom. "Heb
je het lucifersdoosje?" riep het oude vrouwtje terug. Sapperloot,
neen, dat had hij juist vergeten. Hoe leelijk van mij, alleen voor
mij zelf te zorgen, dacht de soldaat. Dat ik ook aan niets dan aan
geld gedacht heb! Vlug ging hij terug. Dat was me wat! nu nog eens
weer naar die groote honden. En zooals het altijd gaat, als je iets
zoekt, en je hebt drie kasten, vind je pas in de laatste kast, wat
je hebben moet. Zoo zou de arme soldaat ook pas in de derde kamer
het lucifersdoosje vinden. Eindelijk kon het vrouwtje hem optrekken
en stond hij weer in het bosch. Nu stond hij er anders dan straks,
hoor. Toen arm--nu rijk. Het oude vrouwtje schreide van blijdschap,
toen ze het doosje kreeg, en toen had de soldaat nog meer schik.

"Beste jongen," zei het vrouwtje, "weet je, wat je nu doet? Je
gaat met mij naar mijn huisje, hier in 't bosch. 't Is al zoo laat
geworden en donker ook, te donker om verder te reizen. Dan kun je
bij mij logeeren, en 'k zal je een kistje of een' zak geven voor je
geld; want zóó kun je er toch niet mee blijven loopen." Dat leek den
soldaat goed, en hij stapte gezellig met het vrouwtje mee. Toen ze
thuis gekomen waren, maakte het vrouwje een lekker kopje koffie en
gingen ze prettig zitten praten en eten en drinken. De soldaat moest
van den oorlog vertellen, en het vrouwtje was zoo vroolijk, zei ze,
als ze in langen tijd niet geweest was. Eindelijk werd het tijd om
te slapen, en de soldaat kreeg een lekker bed.

't Duurde geen kwartier, of hij sliep; want hij was moe van de lange
wandeling, en van alles, wat hij beleefd had dien dag. Hij droomde
van de honden met de groote oogen. Maar wat was dat, werd de grootste
hond boos, bromde die zoo? Hè, wat een akelig geluid; de soldaat werd
er wakker van. En toen hij goed wakker was, ja toen begreep hij,
welk geluid hij gehoord had. Het oude vrouwtje kreunde en jammerde
zoo. Dadelijk sprong de soldaat het bed uit en toen zoo gauw mogelijk
naar het vrouwtje. Wat zou er toch aan schelen? Pijn had de arme
stumper, erge pijn, en benauwd was ze ook. De soldaat zag dadelijk,
dat het vrouwtje erg ziek was. Zoo gauw hij kon, liep hij naar een'
dokter; maar, och hé, die kon het vrouwtje niet weer beter maken;
ze stierf, nog denzelfden nacht. Even vóór haren dood drukte ze den
soldaat nog de hand en gaf ze hem het zilveren lucifersdoosje als
een aandenken. De soldaat bleef nu nog zoolang, tot het arme vrouwtje
begraven was, en toen stapte hij met eene tasch vol goudgeld het bosch
weer door. Waar nu naar toe? Kom, denkt de soldaat, ik ga eens naar
eene groote stad, ik ben nu rijk, ik wil ook eens wat plezier van
mijn geld hebben. Gezegd, gedaan.

Neen, maar, wat eene prachtige stad was dat! Wat hooge, groote
huizen. De soldaat stapte een heel mooi hotel, misschien het
allermooiste uit de stad binnen en bestelde de mooiste kamers om er
in te wonen, en eten, waar hij het allermeest van hield; want hij
was nu immers rijk en kon alles krijgen, wat zijn hart begeerde.

De mijnheer, waar het hotel van was, dacht wel: hoe raar, dat een
gewoon soldaat zoo rijk is, en de knecht, die de schoenen poetste,
zei wel: "wat oude laarzen heeft die mijnheer," maar den volgenden dag
konden ze dat niet meer zeggen. Toen kocht de soldaat een prachtig
pak kleeren en een paar fatsoenlijke laarzen, en hij hing zijn oud
soldatenpak in de kleerkast en leek nu een groot mijnheer.

En nu begon er een leventje van plezier. Dan naar het paardenspel en
dan naar een bal en dan weer uit rijden om de mooie stad te zien. Eens
toen de soldaat weer een' rijtoer maakte, zag hij achter hooge muren
een groot gebouw staan. "Wat is dat voor een gebouw, koetsier?" vroeg
hij. "Dat is het paleis van de prinses," antwoordde de koetsier. "Maar
waarom staan daar zulke leelijke hooge muren omheen?" vroeg weer de
soldaat. "O, weet U dat niet, mijnheer?" zei de koetsier, "hebt U
nooit van de mooie prinses hooren spreken, die in het paleis gevangen
gehouden wordt? Eene toovergodin heeft den koning voorspeld, dat de
prinses nog eens met een gewoon soldaat zou trouwen. Nu, U begrijpt,
eene prinses met een' soldaat, dat zou de koning nooit willen. En nu
is de koning zóó verschrikkelijk bang, dat de prinses een' soldaat
ziet! Ze mag daarom nooit de deur uit en niet eens op straat zien. Er
kon immers eens een soldaat voorbij loopen!"--"Hoe jammer," zei de
soldaat, "ik zou die mooie prinses wel eens willen zien," en hij was
er trotsch op, de soldaat, dat hij een soldaat was; maar dat zei hij
niet tegen den koetsier. Van dien tijd af, dacht de soldaat veel aan
de prinses en verlangde hij altijd weer haar te zien.

Och, och, wat had onze soldaat nu een mooi leventje; er kwam maar geen
einde aan de pret. Dat ging nu maar zoo den eenen dag na den anderen;
maar kwam er geen einde aan de pret--er kwam wel een eind aan iets
anders. De vroolijke soldaat was een beetje dom geweest. Hij had
niet begrepen, dat als je van een' zak vol geld altijd wat afneemt
en er nooit wat bij doet, de zak eindelijk leeg wordt. En dat was
toch zoo. De zak werd leeger en leeger, en toen kon de soldaat niet
meer naar 't paardenspel gaan, en niet meer naar 't bal, en niet
meer in zoo'n mooie kamer wonen. Op 't laatst kwam hij in een klein
zolderkamertje, en nu had hij niets meer dan zijne kleeren, die niet
mooi meer waren en zijne schoenen, die hij nu zelf moest poetsen,
en poetsen niet alleen, maar ook naaien; want ze waren gescheurd,
en hij had niet eens meer geld om ze te laten verstellen. En armer
en armer werd onze soldaat.

Eens op een' avond zat hij in den donker op zijn zolderkamertje--want
licht branden kostte ook geld--te denken en te denken. Wat was het
toch treurig met hem afgeloopen--al zijn geld op! Ja, en 't was zijne
eigen schuld geweest! Kom, hij wou er niet meer aan denken! Hij werd
zoo triest. Dat kwam er van, dat hij zoo in den donker zat en niets te
doen had. Wacht, hij zou de scheur in zijne broek gaan naaien. Had hij
nog niet een eindje kaars? Zeker. Waar waren de lucifers? O, wee! het
doosje was leeg, en 't was het laatste doosje. Wat nu? Wacht eens--dat
was waar ook! Hij had immers nog het zilveren lucifersdoosje van het
goede vrouwtje. Waar was dat? Hij had het nooit weer gezien! O, ja, het
zou nog wel in zijne soldatenbroek zijn, die in de kast hing. Daar had
hij het al. Heerlijk, het doosje was vol lucifers! Rrrt! daar brandde
er al eentje--maar o, o, wat was dat? Open vloog de deur, en wie kwam
er binnen? Niemand anders dan de hond, dien hij op de kist met centen
gezien had, de hond met de oogen zoo groot als theeschoteltjes. En
die begon me daar maar eventjes te praten met eene blaf-brom-stem:
"Wat belieft, Mijnheer?"--"Wat mij belieft," riep de soldaat, ook
niet dom, "wat mij belieft, beste vent? Een zak met centen belieft
mij. Wees zoo goed, dien eventjes uit je kist te halen." Weg was de
hond, en het duurde geen half uur, of hij stiet de deur weer open en
ja wel, hoor, een' zak met centen in den bek! Dien netjes voor den
soldaat neergelegd en toen rechtsomkeert--weg was de hond.

De soldaat was stom van verbazing. Prachtig ging dat! En hoe vlug! Hij
had den hond niet eens goed gezien. Die grap moest hij nog eens
hebben. Weer eene lucifer afgestreken. Rrrt! Hé, daar had hij er twee
te gelijk. Dat was nog jammer. Neen--het was geen jammer, want--wie
bonsde daar tegen de deur, en wie kwam daar binnen, en wie riep daar
met eene nog zwaarder stem: "Wat belieft, Mijnheer?" Niemand anders
dan de hond met de oogen, zoo groot als een tafelbord!! Nu begreep de
soldaat alles! Streek hij één lucifer af, dan kwam de hond, die op de
kist met centen paste; streek hij er twee af, dan kwam de baas van de
guldens; en streek hij drie lucifers op eens af, dan kwam de heel,
heel groote hond met de oogen zoo groot als een wagenrad, de hond,
die op de kist met gouden tientjes paste. Dat goede oude vrouwtje, dat
hem nog op haar sterfbed het lucifersdoosje in de hand gedrukt had! Hoe
dankbaar was ze toch geweest voor de hulp en de liefde van den armen
soldaat. En hoe dankbaar was de soldaat het goede vrouwtje! Nu was hij
weer uit den nood en kon hij weer op eene mooie kamer gaan wonen en
krijgen wat zijn hart begeerde, en--doen! wat zijn hart begeerde. Ja,
_doen_ ook; dadelijk gaf hij van zijn' overvloed aan arme menschen;
want goedhartig was hij.

En toen? En toen, denk jullie, raakten de lucifers weer op en werd
de soldaat op 't laatst weer doodarm? Mis! dat was juist het mooist
van al. De lucifers raakten nooit op! Als er eene uit de doos gebruikt
was, kwam er ook van zelf weer eene in. Hoe? dat wist de soldaat niet,
en daar brak hij ook zijn hoofd niet over: 't was eene tooverdoos en
daarmee uit. Alles was immers tooverachtig--de honden met de groote
oogen, die praten konden en--alles. Onze soldaat was nu voor goed
rijk. De honden brachten zooveel geld, als hij maar hebben wou--'t
leek wel, of de kisten ook nooit leeg werden: het geld groeide zeker
weer aan, net als de lucifers.

Dus--kwam er nooit weer een einde aan het geld en aan het geluk
van den soldaat, en toen kwam er "een varkentje met een' snuit, en
't vertelseltje is uit"--denk jullie. Mis! Het vertelseltje is nog
lang niet uit. Luistert maar verder. Er kwam geen einde aan 't geld,
maar wel aan 't geluk van den soldaat. Het luie leventje begon hem
te vervelen. Voor een poosje niets dan pret maken is wel aardig, maar
altijd? neen, hoor! De soldaat verveelde zich, en die zich verveelt,
is niet gelukkig. Hij had niets te doen. Geld verdienen behoefde hij
niet; en dus werkte hij niet. Vechten behoefde hij ook niet; want er
was geen oorlog. Pret maken--daar had hij ook niet altijd zin in. Nu
zat hij zooveel alleen op zijne kamer, en dat was niet gezellig. Hé,
dacht onze soldaat, ik moest eene zuster hebben, wat zou die gezellig
bij mij kunnen wonen. Wat zou ik die een plezier met mijn geld kunnen
doen. Wat zou het aardig zijn, eens met haar te gaan rijden; de stad
door en buiten de stad langs het paleis van den koning. Hé ja, daar
achter de hooge muren woonde ook de mooie prinses. Hoe jammer toch,
dat niemand haar ooit mocht zien.

Zoo zat de soldaat te denken en te denken alleen op zijne kamer. Hij
vergat alles, ook, dat het later werd. Daar sloeg de klok twaalf--'t
was nacht! Nog dacht de soldaat aan de prinses. Op eens riep hij: ik
moet en ik wil haar zien! Hij greep naar zijn zilveren lucifersdoosje
en streek drie lucifers te gelijk af! Boem! daar vloog de deur open,
en de allergrootste hond sprong binnen. Neen maar, de kamer dreunde,
toen hij met zijne bromstem vroeg: "Wat belieft, Mijnheer?"--"Ik zou
zoo _heel_ graag de prinses eens zien," zei de soldaat. "Zou je daar
ook raad op weten?"--"'t Zal wel gaan, Mijnheer," bromde de hond,
en weg was hij.--Het hart van den soldaat bonsde en klopte. Wat zou
er nu gebeuren?.....

Daar sprong de deur weer open, en de soldaat kon zijne oogen haast
niet gelooven .... 't was de hond en--niet alleen! Op zijn' rug lag
de prinses, de armen om den hals van den hond, het hoofd op zijn
grooten kop. En--ze sliep!!--Had de hond haar slapende uit het bed
getild? Was hij met haar over den hoogen muur gesprongen? De soldaat
wist er niets van. Hij vroeg ook niet--hij keek maar naar de mooie
prinses. Hoe lief lag ze daar! Wat zag ze er snoeprig uit. Onze
soldaat moest haar even over de blonde krullen strijken!

Nu was hij tevreê--hij had de mooie prinses gezien. "Dank je wel,
brave hond," fluisterde hij, "breng het lieve kind nu weer terug."--

Weg was de hond--weg de prinses. De soldaat, ging naar bed en droomde
van beiden.



En de prinses? Had ze niets gemerkt van dat alles?

Toen ze den volgenden morgen aan 't ontbijt zat met den koning en de
koningin, zei ze: "Wat heb ik vannacht grappig gedroomd! Ik droomde,
dat ik op een grooten hond reed en toen kwam ik bij een' soldaat,
en die streelde mij over 't haar!"

"Foei! wat een nare droom!" zei de koningin.

"Een soldaat! ba!" riep de koning. "Droom toch niet van een'
soldaat!" En de koning zei, dat er den volgenden nacht eene hofdame
op moest blijven, om te zien, of de prinses wezenlijk droomde, of
dat--neen, waar kon het toch niet wezen!

En den volgenden avond laat zat de soldaat weer op zijne kamer te
denken en te denken. Nu dacht hij alleen aan de prinses--wat zou het
gezellig zijn haar nog eens even te zien. Vóór hij 't zelf recht goed
wist, had hij weer drie lucifers afgestreken en den hond gevraagd
nog even de prinses te halen. Waarom mocht het ook niet--hij deed
haar immers geen kwaad!

Bij het bed van de prinses zat de hofdame. Maar daar gaf de hond
niets om, en de hofdame was stom van schrik, toen ze den hond zag
met de oogen zoo groot als een wagenrad. Ze begreep maar even,
dat ze het dier volgen moest--loop je niet, zoo heb je niet, om
te zien, waar het met de prinses heen ging. Gelukkig, ze kwam nog
net op tijd--in dàt huis ging hij. Ze zou het den koning vertellen
morgen. Maar--'t was zoo donker,--zou ze morgen 't zelfde huis nog weer
kunnen vinden? Wacht,--ze had juist een stukje krijt in den zak--ze
zou een groot kruis op de deur maken. Zoo, nu kon ze rustig naar
huis gaan en wachten, tot de hond de prinses weer thuis bracht. Dat
gebeurde gelukkig gauw. Maar wat had de hond met zijne groote oogen
al dadelijk gezien? Het kruis op de deur! En die, ook niet dom, maakte
op al de deuren in de stad net zoo'n kruis. Nu kon de hofdame de deur
van den soldaat niet vinden--op alle deuren was immers een kruis.

Toen het nu morgen werd, had de prinses weer denzelfden grappigen
droom te vertellen. Maar de hofdame wist beter--het was geen droom. Ze
vertelde alles aan den koning en de koningin en ook, dat ze met krijt
een kruis op de deur van het huis gemaakt had, waar de hond met de
prinses was binnen gegaan. De koning en de koningin prezen de hofdame,
dat ze zoo slim geweest was, en de koning liet dadelijk vier paarden
voor den wagen spannen, om het huis te zoeken. "Daar is het!" riep
de koning, toen hij de eerste deur met een kruis zag. "Neen, daar is
het!" riep de koningin, toen ze de tweede deur met een kruis zag. "Maar
daar is nog een kruis! en nog een!" riepen beiden, en nu begrepen ze,
dat ze de rechte deur nooit zouden kunnen vinden--alle deuren hadden
immers een kruis! Dat was me ook wat! Maar de koningin was slim. Die
kon ook nog wel wat anders doen, dan in een' wagen met vier paarden
rijden! Ze nam haar groote gouden schaar, en knipte en naaide van een
zijden lap een mooien zijden zak. Toen het nu weer avond werd en de
prinses te bed lag, deed ze haar den zak aan een zijden koord om den
hals, vulde hem met grutjes en knipte er toen een gaatje in.

En 's nachts kwam de hond weer om de prinses te halen, want de
soldaat mocht de prinses nog al liever en liever lijden.--Ja, als hij
gedurfd had, zou hij haar wakker gemaakt en gevraagd hebben: toe blijf
altijd bij mij--ga met mij trouwen. Maar dat kon immers niet, omdat
de prinses eene prinses en hij een gewoon soldaat was, en de menschen
zeiden immers, dat die twee niet bij elkaar pasten. En--de koning dan!

Die goeie trouwe hond! had hij maar gezien, dat de grutjes, terwijl hij
de prinses droeg, uit het gaatje in den zak vielen--dat er een klein
paadje van grutjes liep van 't paleis van den koning naar 't huis van
den soldaat! Hij zag het niet, maar de koning, zooveel te beter en
die liet den soldaat uit zijn huis halen en--in de gevangenis brengen!

Daar zat de soldaat nu .... Hu! wat donker en vervelend was het
daar! En geen vriendelijk woord kreeg de arme soldaat te hooren. Maar
wel was het: "O, o, jongetje, wat is de koning boos op je! En
weet je, wat er morgen gebeuren zal? Midden op de markt wordt eene
hoogte gebouwd, en daar kom jij boven op te staan, en dan komen al de
menschen uit de heele stad om je uit te lachen,--dat heeft de koning
zoo besteld. De scholen krijgen vacantie, en al de schoolkinderen
zullen roepen: 'Sliep hem uit! hij doet of hij een prins is, en
't is maar een gewoon soldaat!'"

Dat was alles behalve vroolijk, om te hooren.

Maar wat zou hij doen? Hij dacht wel aan zijne trouwe vrienden,
de honden; maar zijn tooverdoosje was thuis.

Den volgenden morgen zag hij door de ijzeren tralies eene drukte op de
straat van wonder en geweld, 't Was, of de heele stad leegstroomde;
alle menschen liepen den kant op naar de markt, ieder moest meedoen,
om hem uit te lachen. Welzeker, die schoenmakersjongen ook al. Hij
liep zich het vuur uit de schoenen--neen, uit de oude sloffen, die hem
veel te groot waren. Bats! daar vloog de eene slof tegen den muur aan,
vlak onder het tralievenstertje, waarvoor de soldaat zat.

"Zeg, jongen," riep de soldaat, "je behoeft zoo'n haast niet te
maken, zoolang ik er niet bij ben, gebeurt er toch niets. Maar
wil je eene boodschap voor mij doen, dan kun je een kwartje
verdienen." Nu, kwartjes verdienen was geen dagelijksch werk voor
den schoenmakersjongen, en daarom zei hij dadelijk "ja."

Een poosje later stak de schoenmakersjongen een lucifersdoosje door
de tralies, en de soldaat een kwartje en toen--geduld een beetje,
dat komt later.

Och, och, wat een menschen op de markt: duizenden! Je kon wel over de
hoofden loopen. En midden op de markt was eene hoogte, een stellage,
gebouwd voor den soldaat, dat ieder hem goed kon zien. Een heele troep
soldaten stond vooraan om op te passen, dat de ondeugende soldaat niet
weg kon loopen. En een prachtige troon was er gemaakt voor den koning
en de koningin--die moesten toch goed kunnen zien, welk gezicht de
soldaat wel zou zetten, als al die menschen hem uitlachten.

Daar kwamen ze met hem aan. Op een karretje zat hij: aan handen en
voeten gebonden. Ieder ging op de teenen staan en rekte den hals uit,
om hem te zien. Daar klom hij naar boven. Nog een oogenblik, en de
soldaten zouden een' roffel slaan, en dan zou de pret beginnen. Toen
opeens begon de soldaat te niezen, te niezen, zonder ophouden. "Mijn
zakdoek! mijn zakdoek!" riep de soldaat. "Zijn zakdoek! geef hem zijn'
zakdoek!" riep het volk. En toen--waren op eens zijne handen los,
om den zakdoek te kunnen krijgen en toen--rrrt! rrrt! rrrt! daar
brandden één, twee, drie lucifers tegelijk en daar stormden de drie
groote honden de trap op en brulden met eene stem, om van te beven:
"Wat belieft Mijnheer?"--"Helpt mij!" riep de soldaat, "grijpt den
koning, grijpt de koningin, ze willen mij de prinses niet geven,
en ik heb haar zoo lief!"

Toen sprongen de reuzen-honden naar den troon, en de koning en de
koningin werden bleek van schrik; ze dachten, dat hun laatste uurtje
geslagen was, en ze riepen: "Wij willen wel! hij mag de prinses zien,
hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen!"--"Ja! ja!" riep het heele
volk, "hij mag haar hebben, hij mag haar trouwen, hij moet later onze
koning worden. Als de dieren zooveel van hem houden en zooveel voor
hem willen doen, moet hij wel goed zijn!"

Toen kwam de soldaat bij den koning en de koningin in de mooie koets
te zitten, en ze reden naar het paleis, naar de prinses. En de drie
honden liepen vooraan en blaften: hoera! En al het volk liep mee: de
jongens floten op de vingers, en de meisjes zongen, en allen riepen:
"Leve de soldaat! leve de nieuwe koning!" En de prinses kwam achter
de hooge muren vandaan en mocht ook mee door de stad rijden, en dat
stond haar wel aan.

Toen kwam de bruiloft, en de honden zaten mee aan tafel en maakten
nog grooter oogen dan ze al hadden en hadden pret voor drie. Maar
de grootste pret had het bruidspaar, dat zat maar te lachen en te
lachen! En raad eens waarom? Om den knappen neus van den soldaat,
die zoo flink niezen kon zonder verkouden te zijn.




APRIL!


Dat kleine kindertjes zich dikwijls laten foppen, nu ja, dat is te
begrijpen: ze zijn ook nog zoo onnoozel, ze weten nog niet beter. Dat
groote kinderen, ja, dat zelfs groote menschen zich voor een enkelen
keer beet laten nemen, dat kan gebeuren, en niemand vindt het zoo
heel erg, ieder is op zijne beurt wel eens een beetje dom. Maar dat
een jongen van twaalf jaar maar dadelijk alles gelooft, wat men hem
vertelt, dat zoo'n groote jongen zich nu letterlijk van alles op de
mouw laat spelden, dat is toch al te dwaas. Nu, en zoo'n jongen heb
ik gekend. Hij is nu van een onnoozelen grooten jongen al lang een
knappe groote mijnheer geworden, en als hij dit leest, zal hij er
zeker even hartelijk om lachen, als jullie zult doen.

O, als ik wou, dan zou ik je heel wat mooie geschiedenissen van hem
kunnen vertellen, wel een boek zou ik er vol van kunnen schrijven. Als
ik wou--ja, maar ik wil niet. Ik kies uit al de grappen, die er met
hem gebeurd zijn, alleen de allermooiste, en daarmee moet je dan maar
tevreden zijn, hoor!

Nu dan, ons vriendje--Hans heette hij--stond op een goeien morgen
in de slaapkamer voor een grooten spiegel te draaien als een nuffig
juffertje. Eerst moest hij zich van voren bekijken, toen aan de
beide zijden, toen zoo goed als het ging van achteren en eindelijk
nog eens van voren. Nu, mooi was hij, dat moet gezegd worden. Het
pak, dat hij aan had, was nieuw, zijne schoenen waren splinternieuw,
en zijn hoed was spiksplinternieuw. O, die spiksplinternieuwe hoed:
van fijn stroo; niet met zoo'n kinderachtig laag bolletje, maar flink
hoog; niet met zoo'n onnoozel smal lintje er om, maar met een breeden
band--daar was onze Hans nog het meest trotsch op van al.

Wat leek hij nu groot en deftig, een fijn heertje, hoor! "Hm, hm,
ik mag me laten zien," zei hij hardop, en toen--nam hij voor zijn
eigen beeld in den spiegel den mooien hoed af.

"Hm, hm," klonk daar op eens Moeders stem achter hem, "dat ventje
heeft zichzelf nu ten minste genoeg bekeken, zou ik zeggen. 't
Duurt nog wel anderhalf uur, eer 't rijtuig voorkomt. En als je
nog anderhalf uur voor den spiegel wilt staan, dan is straks al
't mooi van je nieuwe kleeren afgekeken. Kom, Hansje, mijn zoon,
'k zou nu maar eene poos naar buiten gaan."

Hansje, mijn zoon ging dralende de kamer uit, naar beneden, den tuin
in. "Hoor eens, Hans;" riep zijne moeder hem nog uit het venster na,
"ga nu maar niet den weg meer op, blijf liever in den tuin. Anders weet
ik wel, hoe 't gaat: dan verpraat je je tijd weer bij Baas Martens. En
als 't rijtuig voorkomt, en je bent er niet, dan--flip, flap, gaat
de zweep over de paarden, en we rijden zonder je weg, Vader en ik!"

Verbeeld je, Vader en Moeder uit rijden naar de heerlijke bosschen
zonder Hans! Dat zou me eene mooie grap zijn. Weken, weken lang had hij
zich al op dat kostelijk ritje verheugd. Neen maar, òf hij ook op zijn'
tijd zou passen! Natuurlijk bleef hij dicht bij huis. Baas Martens--hij
dacht er niet aan, nu naar hem toe te gaan. 't Was anders zoo aardig
een praatje met den baas te houden: altijd wist hij wat nieuws en
wat grappigs te vertellen. En dan onderwijl naar het timmeren kijken,
naar 't schaven en boren en zagen en spijkeren, de lekkere lucht van
't versche hout te ruiken, jongens, dat mocht Hans zoo graag. Jammer,
dat er een "maar" bij was, een leelijk "maar." Je moet weten: Baas
Martens kon nooit laten een grapje met de menschen te hebben. O, hij
mocht ze zoo graag eens met het ernstigste gezicht van de wereld wat
wijsmaken. Je moest hem dan haast wel gelooven, vooral--als je Hans
heette.--Hoe dikwijls onze Hans wel door den baas beetgenomen was,
weet ik niet. 'k Weet ook niet, hoe vaak de moeder van Hans hem al
gewaarschuwd had voor den baas en hoe vaak Hans zich voorgenomen had,
nooit, nooit weer naar de praatjes van den baas te luisteren. Maar wèl
weet ik, dat Hans altijd weer een praatje bij Baas Martens ging maken
en--dat hij zich geregeld weer wat door hem op de mouw liet spelden.

Maar nu, neen _nu_ ging hij eens _niet_. Moeder had gelijk; hij
moest liever bij huis blijven. 't Was in den tuin ook mooi. Hans
keek naar de blauwe lucht, naar den vriendelijken zonneschijn, naar
de bloeiende vruchtboomen en heesters. Hij keek naar de vogels, die
in de boomen zongen, naar de bijen, die tusschen de bloemen gonsden,
naar de kikkers, die door 't gras hipten. Ja, Hans keek naar dat alles;
maar de boomen en de bloemen, de vogels, de bijen en de kikkers keken
niet naar hem. Niemand was er, die naar hem keek. En--zoo mooi als
hij was, wou hij juist niets liever dan bekeken worden. Wat gaf eene
bij nu om mooie schoenen, of een kikker om een nieuw pak, of een vogel
om een prachtigen hoed! Neen, de jongens van 't dorp, die gaven daar
meer om, die moesten hem eigenlijk zien en bewonderen. Hè, als hij
het dorp eens opliep, wat zouden ze zich daar de oogen uitkijken! En
baas Martens, wat zou die wel .... daar was hij wezenlijk al weer
met zijne gedachten bij den baas .... Neen, neen, niet naar Baas
Martens. Hij bleef, waar hij was, dat had hij beloofd .... Anderhalf
uur, 't was anders wel een heele tijd. Waarom had hij zich ook zoo
vroeg gekleed. Wat zou hij toch doen zoolang met zijne mooie kleeren
aan! .... Kom, een boek halen en dan wat op eene bank zitten lezen,
tot de tijd om was. Maar--'t wou vandaag toch niet recht vlotten met
lezen: Hans had te veel andere dingen in 't hoofd. Zijne gedachten en
zijne oogen dwaalden telkens af .... Wat liep daar eene prachtige tor
op 't kiezelpad! 't Boek gauw op de bank gelegd en toen neergehurkt
bij de tor. "Wat loop je vlug," dacht Hans. "Wacht eens even, dat
ik je beter bekijken kan!"--Maar het diertje was hem te gauw af,
't verdween op eens in een gaatje. Hans richtte zich weer op. Daar
viel zijn oog op een paar voeten, die onder en een paar handen met
een bovenstuk van een hoofd, die boven het tuinhek uitkeken. Voeten,
handen en hoofd waren van een kleinen boerenjongen.

Wat moest die daar? Waar zou hij zoo nieuwsgierig naar kijken? Naar
de bloemen in den tuin? Och, wat geeft nu zoo'n boerenjongen
om bloemen. Naar de tor keek hij toch zeker ook niet. "Maar waar
zou--wacht, 'k weet het: natuurlijk kijkt hij naar mij!" dacht Hans
trotsch.

Dat was een buitenkansje voor den ijdelen Hans; nu had hij ten minste
één, die hem bewonderde.--Kom, hij zou maar eens naar den jongen
toegaan, dan kon die hem ook eens van nabij bekijken. En dan zou hij
misschien ook eens _hooren_, dat hij mooi gevonden werd. De jongen
behoefde het immers niet te weten, dat het hem daarom te doen was.

Hans slenterde dus het tuinpad op, keek eens links, deed, alsof de
heele boerenjongen hem niets kon schelen en kwam onderwijl toch al
dichter en dichter in de buurt van 't hek. Maar--toen hij er eindelijk
vlak bij stond, waren er geen voeten, handen of hoofd meer te zien:
de heele jongen was op eens verdwenen!

Hans keek eerst op zijn' neus. Toen--deed hij het tuinhek open en
ging een eindje den weg op. Hij moest toch eens zien, waar de jongen
gebleven was. O, daar zag hij hem al. Wat liep hij hard. "Zeker bang
voor me geworden," dacht Hans, "wie weet, of hij me niet voor een'
heer aanzag met mijn mooien hoed. Och ja, zoo'n boerenjongen ook! Kom,
ik moet toch eens verder zien, waar hij heengaat. Een jongen van
't dorp is het, geloof ik niet."

Hans liep den weg verder op. "Tot aan de eerste bocht," zei hij,
"en dan keer ik om."--Nu was hij bij de eerste bocht. De jongen was
heinde en ver niet meer te zien; maar daar bij die bocht zag Hans
wel iets anders. En dat was--de werkplaats van Baas Martens!

Daar stond de baas voor zijne deur druk te werken. Hij floot een
vroolijk deuntje en onderwijl hakte hij vlijtig op een dikken boomstam
los. Vroolijk blonk de bijl in den helderen zonneschijn, lustig stoven
de spaanders in 't rond, lekker geurde het versche hout. Hans kon het
niet laten, hij moest even voorbij de werkplaats loopen. Ophouden
behoefde hij zich immers niet, alleen maar even goeden morgen
zeggen--even kijken, hoever de baas al met den boomstam gevorderd was
en ook--zich even vertoonen met zijne mooie kleeren. Vooral den nieuwen
hoed moest de baas zien. Vroeger had hij hem zoo dikwijls geplaagd
met zijne leelijke petten en mutsen, nu zou hij eens wat anders zien!

Hans kuierde dus langzaam, heel langzaam voorbij de werkplaats en nam
voor Baas Martens in 't voorbijgaan deftig den hoed af. De baas liet de
bijl in 't hout rusten, stak de handen in de zakken, hield zijn hoofd
een beetje op zij en bekeek Hans van top tot teen. Toen met een guitig
knipoogje: "Ben je 't of ben je 't niet, jongeheer? Lang niet kwaad,
dat hoedje. Waar moet dat zoo mooi naar toe al in den vroegen morgen?"

Hans bleef staan. Hij kreeg eene kleur van plezier en trots; maar toch
zei hij zoo onverschillig mogelijk: "Och ja, 't is omdat we straks
uit rijden gaan, weet je."--"Zoo, zoo, ga je uit rijden, met dien
nieuwen hoed, met dat nieuwe pak, met die nieuwe schoenen?" vroeg de
baas. "Hoe zoo?" zei Hans. Geen antwoord. Alleen keek de baas met
een bedenkelijk gezicht naar de lucht, toen naar Hans, toen weer
naar de lucht. "Hoe zoo?" vroeg Hans weer. "Nu, ieder moet weten,
wat hij doet," zei de baas eindelijk, "maar ik weet wel: _ik_ ging
niet uit rijden met zulk weer." "Met zulk weer!" lachte Hans, "neen
maar, er is geen wolkje aan de lucht. 't Is het prachtigste weer
van de wereld."--"O zoo," zei de baas, "weet jij 't beter dan ik,
die zooveel ouder ben! Heb je die wijsheid misschien uit je nieuwen
hoed gehaald? Dan zal ik me maar verder stilhouden."

Hans begon nu toch een beetje ongerust te worden. Met eene stem,
die wel wat benauwd klonk, vroeg hij: "Maar Baas, hoe weet je toch,
dat het weer veranderen zal?" De baas wees naar 't haantje van den
dorpstoren, dat tusschen de boomen doorschemerde. "Kijk maar, de wind
is gedraaid, hij komt nu uit den regenhoek. Let op mijne woorden,
over een paar uur regent het er frischjes op los!"

Toen hij dat gezegd had, greep de baas weer naar zijne bijl en begon
te hakken, alsof er niets gebeurd was.

De arme Hans wist niet recht, wat hij er van denken moest. Keek hij
naar de helderblauwe lucht, dan troostte hij zichzelf: "Praatjes
van dien regen!" Keek hij naar 't ernstige gezicht van den baas,
dan dacht hij: "'t Zou toch verschrikkelijk zijn, als de regen alle
pret ging bederven!"

De baas stoorde zich niet meer aan Hans, maar werkte rustig
door. En toch bleef Hans staan, alsof hij meende, dat de baas
nog wat zeggen zou. Het schreien stond onzen held op 't laatst
nader dan 't lachen. Toen dat een poosje zoo geduurd had en Hans
nog maar niet wegging, keek de baas even op van zijn werk en zei
zoo bij zijn neus langs: "Er is wel een middeltje om te maken,
dat er geen regen komt."--Het heele gezicht van Hans klaarde
op. "Wat dan?" riep hij vroolijk. "Wel," zei de baas heel leuk,
"we moeten gedaan zien te krijgen, dat de wind uit een anderen hoek
gaat waaien, dan is alles in orde."--"Ja, ja," riep Hans, "als dat
kon!"--"O, dat kan wel," zei de baas, "er is een touw, waarmee je
den wind kunt laten draaien. Maar"--en hij lei bedenkelijk zijn'
wijsvinger tegen den neus--"waar zit dat ding op 't oogenblik! Als we
dat nu maar wisten. Wacht eens, misschien weet mijn buurman Jansen,
de klompenmaker, het wel. Als ik me niet vergis, heeft die het touw
eene poos in huis gehad. Kom maar mee, ik zal 't hem vragen."

Baas Martens legde zijne bijl neer en ging met Hans naar 't huis van
den buurman. "Hei, Jansen," riep de baas, "waar zit je?" Dadelijk
kwam Jansen voor 't open raam en vroeg, wat er te doen was. Zonder
dat Hans het merkte, wees Baas Martens op hem en gaf Jansen daarbij
gauw een knipoogje. Toen zei hij: "Treft het niet ongelukkig, Jansen,
hier is een jongeheer, die straks uit rijden moet, en nu waait de
wind juist uit den verkeerden hoek. Zeg, weet jij ook, waar het touw,
om den wind te laten draaien, wezen kan?"--"Het touw, om den wind
te doen draaien?" vroeg Jansen met een gezicht, alsof hij er zich
ernstig op bedacht en met een stil knipoogje tegen Baas Martens,
"ik geloof.... Wacht even, ik ben er dadelijk weer."

Jansen verdween. Een oogenblik later kwam hij weer te voorschijn op den
drempel van de deur met een dik boek onder den arm. Nu nam hij zijn'
bril, zette dien bedaard op en begon te bladeren en te zoeken in het
boek. Eindelijk sloeg hij met de hand op een blad en riep: "Ha, nu ben
ik er. Hier staat het: het touw is bij Teunissen, den kruidenier. 'k
Herinner 't me nu heel goed: Teunissen had doperwtjes in zijn' tuin
gepoot, maar ze wilden niet opkomen met dat droge weer. Toen heeft
hij het touw gehaald en den wind naar den regenhoek gedraaid."

"Zoo, is het bij Teunissen, dat ziet er gek uit," zei Baas Marlens,
"de jongeheer heeft haast, hij zal geen' tijd hebben, om er nog even
heen te loopen." Maar Hans bedacht zich niet lang. Zonder iets te
zeggen schoot hij als eene pijl uit den boog vooruit en liep wat
hij loopen kon den kant uit, waar Teunissen woonde. Twee--driemaal
vloog hem onderweg de nieuwe hoed van 't hoofd. Zijn mooie pak, zijne
glimmende schoenen, alles kwam dik onder 't stof. Maar dat kon hem nu
weinig schelen. Hij dacht maar aan één ding: het _mocht_ en het _zou_
niet regenen. De wind _moest_ draaien.

Eindelijk stoof hij hijgende en blazende, heelemaal buiten adem den
winkel van Teunissen binnen.

"Teunissen ...." hijgde Hans, "is hier ook ...."--"Drop
te koop?" maakte Teunissen er met een guitig lachje bij. "O ja,
jongeheer, zwart en wit, wat je verkiest. Of moet het zoethout
zijn?"--Het duurde een poosje, voordat Hans hem kon uitleggen, waar
hij eigenlijk om kwam. Teunissen zette groote oogen op. "Wàt moet
je hebben?!" riep hij. "Wel, het touw, om den wind te doen draaien,"
zei Hans nog eens, met een onnoozel gezicht. "Ze zeiden toch, dat het
hier moest zijn."--Toen op eens scheelde het niet veel, of Teunissen
was in lachen uitgebarsten; maar gelukkig hield hij zich nog in en
deed, alsof hij zijn gezicht met zijn voorschoot afveegde, dat Hans
niets merken zou. Nu, Hans merkte er dan ook niet veel van--als je
zulke gewichtige dingen in je hoofd hebt, let je niet op kleinigheden.

"Nu?" vroeg Hans, een beetje ongeduldig, omdat Teunissen nog geen
antwoord gegeven had, "kan ik het touw krijgen?"--"Wacht eens,
jongeheer," zei Teunissen nu zoo ernstig, als hij kon, "ik zal mijne
vrouw even gaan vragen."

Teunissen verdween door eene deur achter in den winkel. Hans bleef
alleen. Met een angstig kloppend hart stond hij dichtbij de deur te
luisteren naar wat de kruidenier en zijne vrouw met elkaar spraken. Wat
praatten ze druk! Ze waren het zeker niet met elkaar eens, of ze het
touw zouden geven of niet. O, verbeeld je eens, als ze het houden
wilden, wat dan! Hans zette bij die gedachte zoo'n treurig benauwd
gezicht, dat zelfs de suikerbrooden in den winkel medelijden met
hem kregen.

Nu verstond hij enkele woorden. De vrouw zei "neen". Daarop zei de man
"ja". Toen zei de vrouw weer: "Zijn vader zal boos worden;" waarop
de man iets antwoordde, dat Hans niet verstond. "O, die nare vrouw
Teunissen," dacht Hans. Anders hield hij wel van haar; ze stopte hem
nog wel eens eene of andere lekkernij in de hand. Maar nu--_zij_ zou
nog de schuld worden, dat de heele pret van het rijden bedorven werd!

Eindelijk, eindelijk, daar ging de deur open, en Teunissen kwam weer
te voorschijn. Dadelijk achter hem aan kwam ook zijne vrouw den winkel
binnen. Haar gezicht stond half boos. Zonder dat haar man het merkte,
maakte ze allerlei teekens tegen Hans; maar Hans begreep niets van
hare knipoogjes en van al die bewegingen met de hand. Wat had dat toch
te beteekenen, en waarom werd Teunissen verdrietig, toen hij op eens
merkte, wat zijne vrouw achter zijn' rug deed! Waarom zeiden ze niet
gewoon weg "neen" of "ja"! Waarom kwam vrouw Teunissen nu weer naar
hem toe en zei ze heel vriendelijk, dat hij zoo'n mooien hoed op had
en dat hij maar niet weer zoo hard moest loopen. Waarom stopte ze
hem met een medelijdend gezicht een paar dikke stukken zoethout in
de hand? Wat moest dat alles toch! Ze zou hem maar liever het touw
geven.--Maar Teunissen zei: "'t Spijt me erg, jongeheer, maar mijne
vrouw zegt, we hebben het touw niet. Baas Jansen heeft zich stellig
vergist: het touw is op 't oogenblik bij Pietersen, _die_ wou graag
regen hebben op zijne erwtjes."

Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te
treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen;
want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind
van Teunissen af.

Pietersen zat buiten op eene bank in 't zonnetje en bekeek op zijn
gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem in 't gras te
slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij
de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen. Pietersen liet van
schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat
hooren en zien je verging. Pas toen de hond een beetje bedaard was,
kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als
een dolleman den tuin in kwam vliegen. "Och, Pietersen," zei Hans,
nog buiten adem, "ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind
mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen,
zegt Baas Martens, en--ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen
gestuurd om het touw."

Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing
aan: hij begreep er niets van. "Hans, mijn jongen, zeg het nog eens
weer. Je wilt van me hebben ...." En toen nu Hans heel onschuldig
nog eens 't zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren
van 't lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te
worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen
liepen, en hij riep maar aanhoudend: "Neen maar, Hansje, wat heb je
daar eene prachtige grap bedacht, zoo'n mooie heb ik van mijn leven nog
niet gehoord. Het touw, om ...." En dan barstte hij opnieuw in lachen
uit. Hans werd er verlegen onder. "'t Is geene grap," bromde hij half
boos en toch met tranen in de oogen, "heelemaal niet. Toe, Pietersen,
geef me als 't je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen."

Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in 't gezicht. Wezenlijk--de
jongen meende 't! "Wou je 't dan heusch zoo heel graag hebben?"--"Nu
òf ik," zei Hans, "'k heb er al een uur om geloopen."--"Och, zeg dat
nog eens," vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. "Ik
heb er al een uur om geloopen," herhaalde Hans heel geduldig.

"Een uur lang, jongen, dat is een slim ding," zei Pietersen leuk, "want
nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een
feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters
gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo'n feest moet het
mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar
rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen
kunt, dan haal je ze misschien nog in."

In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de
paarden achterna. Hans werd vuurrood in 't gezicht van 't harde loopen
en van 't roepen: "Hei daar, ho, veldwachters!" Maar je begrijpt,
al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! Hans kwam niets dichter bij
de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het
nog niet op. Och, och, dat touw, hij moest het hebben!

Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij
den arm vatte en tegenhield, 't Was vrouw Teunissen, de vrouw van den
kruidenier, je weet wel. "Laat me los, het touw, het touw," riep Hans,
en hij deed al zijn best, om vrij te komen. Maar vrouw Teunissen hield
hem stevig vast. "Luister eens even naar me, mijn jongen," zei ze
goedig. "Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April
is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen,
dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad,
Martens en de anderen. Zoo'n touw is er heelemaal niet. Straks in
den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je
begreep me niet."

Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor
niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe
geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen
en--op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. 't Was
verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid
gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen
uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad
en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was):
"Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. 't Kan den beste overkomen, dat hij
eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!"

Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.--Wat zouden ze
thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich!

Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij
huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag dadelijk,
dat ze niet veel goeds in den zin hadden--hij wou nog moeite doen, om
te ontsnappen. Maar dat was mis--de jongens hadden door Baas Martens
van 't geval gehoord, en nu vonden ze 't natuurlijk veel te mooi,
om Hans niet eens duchtig te plagen. In een oogenblik stonden ze
dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: "Heb je het touwtje
al in je zak?" of "Ben je ook moe van het trekken?" of "Waren de
erwtjes al opgekomen?" en al zulke plagerijen meer. En telkens,
als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep
het uit van lachen, 't Was niet om uit te houden voor den armen
Hans. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo
door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op:
van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat
gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen
één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was
gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar
Hans zoo trotsch op was, werd hem op 't hoofd platgedeukt! En wie
weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen
aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....

Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed
bedorven en--met een' neus, wel tweemaal zoo dik als anders en
vuurrood. "Maar jongen," riep zijne moeder verschrikt, "wat is er
in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!"--"Verdiende loon,"
zei de vader streng, "waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te
zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen,
terwijl wij weg zijn. Met een' jongen, die er zoo uitziet, kunnen we
ons toch niet voor de menschen vertoonen."

"Terwijl wij weg zijn," had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden
uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst
van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden
neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje
voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele
poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip,
flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had,
voort vlogen de paarden en--Hans was alleen met zijn verdriet.

Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe
hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar
bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor
't venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te
plagen.--In lezen had hij geen' lust, in spelen nog minder: hij was
veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn.

Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde
ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer draafde hij over
den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens
voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn' arm, om
hem tegen te houden. Maar 't was niet de hand van vrouw Teunissen--het
was--het was de hand van zijne eigen lieve moeder! En--hij liep ook
niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en
zijne moeder zat op een' stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.

"O, Moeder, ik heb zoo'n verdriet," zuchtte Hans en hij liet zijn
hoofd op Moeders schouder vallen. "Dat geloof ik graag, mijn jongen,"
zei Moeder, "maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is."

Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij
zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op
Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was
't eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo'n touw bestond. En
toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel
eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou ....

Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand
op zijn' mond en zei: "Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog
heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens
nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen
het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen,
dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven,
wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet,
dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je
vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een
beetje wijzer door geworden bent.--Als iemand nu in 't vervolg iets
vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar
dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf:
'Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?' Mij
dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is
't wel?"

"O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven," riep
Hans. "Ho, ho, jongenlief, zoo is 't ook weer niet gemeend," zei
Moeder lachend. "Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is
veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter
na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je
gelooven kunt en wat niet.--Maar kom, jongen, 't is nu geen tijd,
om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en
dan--slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook
weer in 't fatsoen kunnen brengen. En later--gaan we samen, met ons
drietjes, ook nog eens--rijden!"--"O, Moeder, wat ben je toch lief,"
riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, "wat ben je toch lief!"

Dat was de geschiedenis. En 'k wil er nog bijvertellen, dat Hans van
dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder
geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had,
hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen:
"'k Heb aan' jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger:
toen kon ik hem alles wijs maken en nu--is 't heelemaal uit met de
grapjes." Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik--Hans
was daar niet minder om.




TEN OOSTEN VAN DE ZON EN TEN NOORDEN VAN DE AARDE.


Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner
gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele
wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg
aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een'
zomermorgen ontdekte hij tot zijn' schrik, dat eene prachtige weide
heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag
moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven
kon hebben. 't Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen
getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist,
hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.

Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het
gras was nog veel platter. "Weet je wat, Hans," zei de boer tot zijn
oudsten zoon, "jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de
weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo
bederft." Nu--den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten,
leek Hans geen pretje; maar--Vader had gelijk: ze moesten er meer
van weten en dus zei Hans: "Dat is goed, Vader."

Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets,
want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en
vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond,
werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer
een ander deel van de weide plat getreden was.

Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te
brengen. "Jongen, jongen," zei Vader, "wat spijt mij dat! Kon je voor
mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?"

"Och, Vader," riep de tweede zoon, "laat mij vannacht maar eens gaan,
Hans is zoo'n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit
mijne oogen kijken."--"Dat hoop ik," zei de Vader. Maar Bob had goed
praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en--weer was er
den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.

"'t Is toch verschrikkelijk!" zuchtte de Vader; "ik zal zelf dezen
nacht maar eens op wacht gaan."--"Neen," riep Paul, de jongste zoon,
"daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag 's nachts in de
weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan."--"Och,
jongen," zei de vader; "wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig,
je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een' nacht wakker
kunnen blijven!"--"Ik kan 't immers gemakkelijk probeeren, Vader,"
zei Paul. "Nu, ga je gang, jongen," zei de Vader.

En Paul ging zijn' gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op
wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen
wijd open. Maar--niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze
Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang
op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm
vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie
duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul
stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij
niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en
er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide
stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul
zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor
zijne oogen--zulk dansen had hij nog nooit gezien. 't Was of ze
met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar
toch--de grashalmen bogen om--en nu wist Paul, hoe het gras in de
weide plat werd.

Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij:
"Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien," en zonder
dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was
Paul naar de veeren pakjes geslopen. "Wacht," dacht hij, "daar moet
ik eens eene grap van zien," en stil nam hij de veeren pakjes mee en
ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.

Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot
rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren
pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een' schrik en een zoeken en een
onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden
mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. "O, jonge man," riepen
de meisjes, "heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze
dan, als je blieft terug!"--"Ja," zei Paul, "die heb ik genomen, maar
ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten
eerste: op geen van de weiden van mijn' vader mag ooit weer gedanst
worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan
komt." Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de
eene: "Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij
wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van
de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vind

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/18429