Het Vrije Rusland
by William Hepworth Dixon · Dutch · Gutenberg #18339 · 445,155 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Het Vrije Rusland
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Het Vrije Rusland
Author: William Hepworth Dixon
Release date: May 7, 2006 [eBook #18339]
Most recently updated: December 3, 2014
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/18339
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VRIJE RUSLAND ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
HET VRIJE RUSLAND.
De schetsen, die wij onzen lezers onder dezen titel aanbieden, zijn
ontleend aan het voor een paar jaren verschenen boek van den met lof
bekenden engelschen schrijver, William Hepworth Dixon, Free Russia,
het vrije Rusland, genaamd: welk werk door het beschaafde publiek
in Engeland en ook elders met grooten en welverdienden bijval is
ontvangen. De titel mag eenigszins zonderling schijnen: hooren wij
wat de schrijver zelf aanvoert om deze zijne keuze te rechtvaardigen.
"Swobodnaya Rossia (het vrije Rusland)--zoo zegt hij--is eene
uitdrukking, die in geheel dat groote land leeft in aller mond;
deze twee woorden geven het karakter aan en drukken tevens de hoop
uit van het nieuwe rijk, dat tijdens den Krimoorlog in het leven
is getreden. In vroeger tijd was ook Rusland vrij, niet minder dan
Duitschland en Frankrijk. Later werd het overstroomd door aziatische
horden; en sedert dien tijd handhaafde zich het tartaarsche element,
indien al niet in het wezen, dan toch wel in den vorm, tot aan den
oorlog van 1853; maar sedert den uitgang dier worsteling onderging het
oude Rusland eene herschepping. Deze nieuwe natie, die het behoud van
den vrede wenscht, en die vrij wil zijn:--deze is het, die ik vooral
gepoogd heb te schilderen."
Het behoeft nauwelijks herinnering, dat de engelsche schrijver met
het feit, hetwelk zoo noodlottige gevolgen heeft na zich gesleept,
en aan de vrijheid van Rusland een einde gemaakt, den inval der
Mongolen bedoelt, die omstreeks de helft der dertiende eeuw het
grootste gedeelte van het toenmalige russische rijk veroverden, en
aan zich onderwierpen. Deze tartaarsche heerschappij duurde ruim twee
eeuwen, en heeft zeer zeker in het russische volkskarakter, en vooral
in de maatschappelijke en staatkundige instellingen, zeer diepe sporen
achtergelaten. Uit dien tijd dagteekent, bijvoorbeeld, de invoering
der lijfeigenschap; evenzoo is het aan geen twijfel onderhevig, of
deze mongoolsche overheersching heeft aan geheel het leven van den
russisch-slavischen volksstam dat eigenaardig oostersch, aziatisch
karakter gegeven, dat Peter de Groote met forsch geweld heeft gepoogd
uit te roeien, maar dat toch ook nu nog eene zoo scherpe lijn trekt
tusschen Rusland en de volkeren van westelijk Europa. Volgens onzen
schrijver zou nu de Krimoorlog, in zijne gevolgen, den machtigen stoot
hebben gegeven, die het in aziatische barbaarschheid half verzonken
russische rijk weder tot nieuw en hooger leven heeft opgewekt. Wat
hiervan moge zijn, volgaarne luisteren wij naar de altijd belangrijke
mededeelingen van den heer Hepworth Dixon: bovenal waar het een land
geldt, dat, zoo ons niet alles bedriegt, geroepen is, binnen een niet
te lang tijdsverloop, eene groote, wellicht voor eeuwen beslissende
rol in de wereldgeschiedenis te spelen.
I.
HET HOOGE NOORDEN.
"De Witte-zee!" riep, met een luiden lach, onze deensche gezagvoerder,
terwijl hij zijn dunnen rossigen knevel opstreek;--"de Witte-zee! een
mooie naam, inderdaad, voor eene zee, die er uitziet als engelsch
bier! De bedding moge wit zijn, want die is bezaaid met de beenderen
der schipbreukelingen;--maar het water is het nooit, tenzij dan dat
het bevroren en met sneeuw bedekt is. Neen, dan hebben de matrozen
en de zeehondenvisschers een beteren naam bedacht: zij noemen haar
de IJszee."
Na de Noordkaap--eene lichtgrijze, fantastisch gevormde, sombere
rotsmassa, die ver in de schuimende golven der Poolzee uitsteekt,--te
zijn omgevaren, stevenen wij zuidoostwaarts, onophoudelijk gedurende
twee verschrikkelijke dagen geteisterd door wind, hagel en regen. In
al dien tijd zagen wij niets van de zon: wel bespeurden wij omstreeks
middernacht een flauw schijnsel, dat aan den morgenstond deed denken:
maar op den middag was het weder dezelfde onbestemde schemering,
juist even voldoende om de omringende duisternis zichtbaar te maken.
De schilderachtige, overal door baaien en inhammen afgebroken en met
hooge bergen geteekende kust, die wij tot dusver volgden, ligt achter
ons: wij zeilen nu langs een vlak, eentonig, somber, ongebroken strand,
bijna altijd in een dichten nevelsluier gehuld, die ons slechts nu en
dan een blik op de akelige, levenlooze streek gunt. Na eene vervelende
vaart van ongeveer vijftig uren, komen wij eindelijk aan een laag
land, dat, half in den nevel verloren, zich verre weg naar het zuiden
uitstrekt, niet ongelijk aan eene grauwe wolkenlaag. Wij varen tusschen
kaap Kanin en de zoogenaamde Heilige-kaap, Swioetoi-Noss, door, en
stevenen vervolgens het ongeveer dertig mijlen breede kanaal binnen,
dat van de Poolzee naar de ruime en grillig gevormde binnenzee voert,
onder den naam van de Witte- of IJszee bekend.
De kust aan onze rechterhand is die van Lapland: een treurig, akelig
land, waar men niets ziet dan sombere, doodsche meren en poelen,
en naakte, grijze duinen, door een grauwen hemel overwelfd. Hier
en daar zetten enkele jagers, te midden dezer eenzame wildernissen,
het schrale wild na; ettelijke visschers werpen hunne netten in de
naargeestige wateren. Deze lieden zijn onderdanen van den Tsaar en
leden der orthodoxe kerk: maar zij spreken eene taal, die in het
Winterpaleis bezwaarlijk verstaan zou worden; en zij hebben zekere
godsdienstige ceremoniën en gebruiken bewaard, waaraan de heilige
Synode hare goedkeuring nog niet gehecht heeft.
Lapland is ééne groote wildernis van reusachtige rotsen, en diepe en
donkere poelen en moerassen; hier en daar kronkelt zich daartusschen
eene smalle vallei, langs wier hellingen die schrale mosplanten
groeien, waarmede zich de rendieren voeden. Groepen van pijn- en
berkeboomen brengen nu en dan in dit sombere landschap een weinig
afwisseling; maar in deze koude luchtstreek tiert geen graan,
en de bewoners moeten van de opbrengst hunner jacht en visscherij
leven. Hunne eenige weelde, het roggebrood, moet te water uit Onega
en Archangel worden aangevoerd: deze steden zelf ontvangen dit
brood uit de zuidelijker provinciën. De Laplanders zijn nomaden;
zij brengen den eindeloozen winter door in hutten, die zij zoo
goed mogelijk inrichten; gedurende den vluchtigen zomer vertoeven
zij in tenten. De piramidaalvormige hutten worden uit ruw behouwen
boomstammen opgetrokken; eene dikke laag van mos belet het doordringen
van het ijskoude water. Hunne tenten deden mij denken aan die der
Comanches-Indianen: zij bestaan uit aaneengenaaide rendiervellen,
die over een paal gespannen worden; eene opening van boven dient om
den rook door te laten.
Naar gelang van het jaargetijde, verplaatst de Laplander zijne woning
van de eene plek naar de andere; nu eens laat hij zijne rendieren langs
de hellingen der heuvelen grazen; dan weder tracht hij de visschen
in de rivieren en langs de kusten te verschalken; des zomers zwerft
hij door het binnenland, om mossen op te zoeken; in den winter trekt
hij naar het strand, om zeehonden en kabeljauw te vangen. De mannen
weten evengoed om te gaan met de lans, het oude nationale wapen, als
met het geweer, dat zij in later tijd van vreemde kolonisten hebben
overgenomen. De vrouwen, die er met hare broeken van zeehondenvel en
hare jassen van rendierenvel alles behalve bevallig uitzien, zijn
meest allen in allerlei tooverkunsten ervaren. In alle noordsche
landen gewaagt men niet dan met schrik van die afschuwelijke heksen,
die, naar de boeren meenen, altijd een of anderen boozen geest tot
hare beschikking hebben. Eene Laplandsche leest in de toekomst,
en voorspelt wat de komende dag brengen zal. Zij heeft de macht om
iemand te betooveren of met kwalen en ziekten te bezoeken; zij kan
zich naar goedvinden in de lucht verheffen, en de schepen doen zinken,
die op den verren oceaan met de golven worstelen.
Aan onze linkerhand hebben wij het schiereiland Kanin, dat mede
deel uitmaakt van de woeste, dorre landstreek, waar de Samojeden hun
zwervend leger opslaan: eene akelige ijswoestijn, nog verschrikkelijker
dan de wildernissen, waarin de Laplander het wild vervolgt. Deze
provincie van het groote rijk heeft noch dorpen, noch wegen, noch
akkers; zij heeft zelfs geen eigen naam, want de Russen noemen haar
nooit anders dan het land der Samojeden. Zij strekt zich noord- en
oostwaarts uit, van de muren van Archangel en de kust van kaap Kanin,
tot aan de toppen van het Oeral-gebergte en de IJzeren poorten van den
zeeboezem van Kara. In hare dalen en kloven smelt de sneeuw nooit; en
hare kusten, die eene lengte van ongeveer zevenhonderd mijlen beslaan,
zijn gedurende acht maanden van het jaar ongenaakbaar door onafzienbare
ijsmassa's. In Juni, wanneer de winter voor korte oogenblikken wijkt,
bekleeden zich de hellingen van enkele gunstig gelegen valleien
met mossen, waarvan het doffe, sombere groen, hier en daar, scherp
afsteekt tegen het eentonige bruin der naakte rotsen en het grauwe
lijkkleed van vuile sneeuw. Met deze kostbare mossen voedt zich het
rendier, het kameel der poollanden, dat in deze onherbergzame oorden
het leven voor de menschen voor 't minst mogelijk maakt.
Het woord Samojeed beteekent kannibaal, menscheneter: althans zoo zegt
de taalwetenschap. De Samojeden zouden dus antropophagen zijn. Maar ook
deze wetenschap is niet onfeilbaar: en om eene dergelijke uitspraak
te staven, zijn er duchtige bewijzen noodig, meer afdoende dan
tot dusver zijn aangevoerd: er blijft dus nog ruimte voor verdere
onderzoekingen. De Samojeden koken hunne spijzen niet; het is mij
onbekend, of zij menschenvleesch eten; wel weet ik dat zij het
vleesch der rendieren rauw verslinden. Hunne jacht- en zwerftochten
steeds verder uitstrekkende, zijn de Samojeden, aanvankelijk in het
hooge noorden van Azië gevestigd, het Oeral-gebergte overgetrokken,
en hebben zich in de landstreken tot nabij kaap Kanin verspreid:
een land, zoo koud, zoo ruw en zoo dor, dat waarschijnlijk geen
ander menschenras het daar zou kunnen uithouden. Daar vonden hen
de Zarayny, die hen hebben overwonnen en in een toestand gebracht,
zeer nabij aan de slavernij grenzende.
Deze Zarayny, een dapper en verstandig volk, schijnen, wat afstamming
en taal betreft, het naast aan de Finnen verwant; waarschijnlijk
zijn zij de overblijfselen eener aloude volkplanting van trappers
of jagers. Zoowel door gestalte en voorkomen als door aanleg en
ontwikkeling, munten zij boven de Samojeden uit; evenals de Russen,
bouwen zij zich houten hutten, en bezitten talrijke kudden rendieren,
waarvan de bewaking aan het overwonnen volk wordt opgedragen. Deze
onderwerping aan een meer begaafd en ontwikkeld ras is voor den
Samojeed de natuurlijke voorbereiding tot een hooger trap van
beschaving; hij leert het menschelijk leven ontzien en eerbiedigen,
de rechten van den eigendom erkennen en waardeeren. Een amerikaansche
Roodhuid leeft van de buffeljacht; hij doodt veel meer dieren
dan hij voor zijne behoefte noodig heeft, louter uit zucht om
te dooden en de vernielen. De Samojeden zouden evenzoo handelen:
maar de Zarayny hebben hun geleerd, het zoo onontbeerlijke dier,
zonder hetwelk de mensch hier niet leven kan, te vangen, te temmen
en als huisdier te gebruiken. Als een echte wilde, maar weinig hooger
staande dan de Pawnie van Noord-Amerika, bouwt de Samojeed zich geene
vaste woning; hij weet niets van landbouw, en heeft ook geen begrip
van grondeigendom. Even als de Laplander, woont hij in eene hoogst
eenvoudige tent, die, vooral van binnen, dadelijk aan een indiaanschen
wigwam denken doet: want zij bevat niets dan eenige huiden, waarop
de bewoners plaats nemen. In deze tenten zoudt ge vruchteloos naar
eenig spoor van kunstvaardigheid zoeken; zelfs de ruwe teekeningen,
waarmede enkele indiaansche stammen hunne armelijke woningen opsieren,
ontbreken hier. Toch heeft de Samojeed eenige, het is waar zeer
onbestemde, denkbeelden en voorstellingen van maatschappelijk leven,
zelfs van eene regeering. Eene groep van een zeker aantal woningen
draagt den naam van choum; aan het hoofd van iederen choum staat een
chaman, een soort van geestelijk opperhoofd.
De tegenwoordige keizer heeft eenige priesters naar deze stammen
afgezonden, zooals weleer Marfa Boretski zijne popen en monniken naar
Lapland en Karelië zond, in de hoop de onbeschaafde heidensche inwoners
tot het Christendom te bekeeren. Men zou zoo gaarne willen gelooven,
dat deze zendelingen inderdaad nut stichten en eenige vrucht op hun
arbeid zien: maar de Russen, die van nabij met het land en zijne
bewoners bekend zijn, halen glimlachend de schouders op, als men hen
spreekt over de orthodoxe propaganda langs de kusten van de golf van
Obi en de zee van Kara. Uit eigen ervaring kan ik hieromtrent geen
oordeel vellen; het toeval heeft mij echter in aanraking gebracht met
een dier grieksche priesters, die, waarschijnlijk wanhopende aan de
mogelijkheid om het volk tot zich op te heffen, mooi op weg was om
zelf tot het peil zijner onwillige hoorders af te dalen. Hoewel hij
nog altijd den titel van pope bleef voeren, leefde hij als een chaman;
hij had de kleeding van zulk een samojeedsch opperhoofd aangenomen,
en met elken dag naderde hij in zijn gang, manieren en voorkomen,
meer en meer tot de mongoolsche type. Men beweerde zelfs, dat hij
zijne tent met eene inlandsche tooverkol deelde.
Deze volksstammen bewaken de grenzen van het rijk der Tsaren;
hunne naakte rotsen en wilde bergen zijn als het ware de voorhof van
Groot-Rusland, dat aloude vaderland der Russen van echten ouden stam,
welks velden en vlakten en bosschen nooit hebben weergalmd van den
hoefslag der tartaarsche ruiters.
Waarom, vraagt iemand wellicht, dus door het uiterste noorden
Rusland binnen getreden? Mijn waarde lezer, ik had daarvoor mijne
goede redenen. Stel eens dat de Groot-mogol in de zeventiende eeuw
Engeland veroverd had; dat de aziatische denkbeelden en gewoonten,
gedurende meer dan twee eeuwen, te Londen den toon hadden gegeven;
dat ons Brittanje, eindelijk het juk afwerpende, zijne burgerlijke
zelfstandigheid, zijne overoude vrijheden, instellingen en rechten
had herwonnen:--welk land denkt gij dan, dat een vreemdeling, die het
echte engelsche karakter zou willen bestudeeren, in de eerste plaats
zou bezoeken? Zou hij niet zijne schreden naar Amerika richten,
om daar, in Massachusetts, een zuivere type te vinden, door geen
vreemde oostersche invloeden verbasterd? Eerst later zou hij de daar
aangevangen studiën willen voltooien door een bezoek aan de boorden
van den Theems en de Mersey.
Evenzoo moet de reiziger, die zich eene juiste voorstelling wil
vormen van het vrije Rusland der toekomst, waaraan de Krimoorlog het
leven gegeven heeft, zijne waarnemingen beginnen in de noordelijke
provinciën: want alleen in dit land van wouden en meren en moerassen
vindt hij een tak van den grooten slavischen stam, die nimmer voor
een vreemden heerscher gebogen heeft, en nooit, door de aanraking met
andere nationaliteiten, van zijne voorvaderlijke zeden en levenswijze
is afgetrokken.
De landstreek tusschen Perm en Onega, die eene oppervlakte beslaat
van zevenmaal de uitgestrektheid van Frankrijk, werd door kolonisten
uit Nishny-Nowgorod bevolkt en ontgonnen, ten tijde toen deze
groote stad nog in het genot harer volle zelfstandigheid was,
rijk door haar handel, beroemd door haar kunstliefde en haar
godsdienstzin, de mededingster van Frankfort en Florence, evenals
Londen en Brugge, lid van het machtige verbond der Hansa. De aldus
gestichte koloniën handhaafden en verdedigden eeuwen lang hare aloude
rechten en vrijheden; zij weerden zoowel den duitschen invloed als de
overheersching der Tartaren af, en bewaarden het nationale karakter
in al zijne zuiverheid, vrij van alle vreemde bijmengselen. "Nooit,"
zeide mij, met blijkbare fierheid, een pachter van Archangel, "nooit
hebben wij onder ons edelen of slaven gekend." In alle opzichten,
zoowel ten goede als ten kwade, zijn zij aan hunne oude levenswijze
en zeden getrouw gebleven; en toen de Tsaar Godounoff, ten jare 1601,
de aartsvaderlijke inrichting van het dorps- en gemeentewezen naar het
tartaarsche model wilde vervormen, boden zij een even hardnekkigen
weerstand, als toen, zes-en-zestig jaren later, de patriarch Nikon
in de eeredienst veranderingen wilde invoeren, die meer met den
byzantijnschen geest dan met de oud-russische traditie strookten.
Deze vrije kolonisten, niet wijkende voor den aandrang van wereldlijke
en geestelijke machthebbers, weigerden standvastig hun ouden ritus
te verruilen voor de officiëele liturgie, die men hun opdringen
wilde. Zij behielden hunne taal, hoewel de hoofdstad die verworpen
had; en eindelijk, toen de bestemde tijd vervuld was, schonken zij
aan de wereld een groot dichter, Michael Lomonosoff, die, in eene
boerenhut geboren, der vernederde en vergeten taal een nieuwen
luister schonk, en haar de heerschappij verzekerde in de school,
in de regeeringscollegiën en zelfs aan het hof.
II.
DE WITTE-ZEE.
Wij varen om kaap Intzy, en laten achter ons de nauwe zeeëngten,
die Lapland van het land der Samojeden scheiden: de Witte-zee opent
zich voor ons.
Deze zee, ruim tweemaal zoo groot als het uitgestrektste meer der
Vereenigde Staten, het Lake Superior, herinnert door hare gedaante
eenigermate aan het meer van Como: ten noordwesten dringt zij met
eene smalle baai, de golf van Kandalask, diep in Lapland door; ten
zuiden splitst zij zich wederom in twee baaien, door eene breede
zandvlakte gescheiden, waarvan de armzalige bewoners van visscherij
en zeehondenvangst leven. Naar de rivieren, die zich in deze baaien
uitstorten, voert de eene den naam van golf van Onega, de andere
dien van golf van Dwina of van Archangel: welke laatste naam meer
algemeen is. Aan de monden dezer rivieren liggen de beide koopsteden
Onega en Archangel.
De Witte-zee is over het algemeen zeer diep: aan den ingang schat
men de diepte op tachtig vademen; nabij de golf van Kandalask wijst
het peillood niet minder dan honderd-zestig vademen aan; toch is
het strand doorgaans noch hoog, noch steil. De golf van Onega is met
rotsen en eilanden bezaaid, waarvan de meesten echter niet veel meer
zijn dan zandbanken, die haar ontstaan danken aan het slib, dat de
golven van de vlakten van Kargopol medevoeren. Aan den ingang der
golf, tusschen kaap Orlow en de stad Kem, ligt eene groep van meer
belangrijke eilanden, zooals Solowetsk Anzersk, Moksalma en anderen,
aan wier namen zich veelvuldige legenden en herinneringen uit de
vroegere en latere geschiedenis van Rusland hechten.
Solowetsk, het aanzienlijkste eiland van dezen kleinen archipel, boogt
op zijn beroemd klooster, nog geheel vervuld met de herinnering aan
Sint-Servatius en Sint-Zosimus; zijne muren herbergden ook eenmaal
den heiligen Filippus. Dit klooster bezit hoogvereerde relieken,
waaraan monarchen en bedelaars om strijd hulde komen bewijzen; in zijne
ruime gangen en hoven dwaalt het ontzaggelijke spooksel om, waarvan
de gedachte alleen den kozak in zijne tent, en den kabeljauwvisscher
in zijne schuit, eene siddering door de leden jaagt. Dit klooster was
het tooneel van een aantal merkwaardige gebeurtenissen, en zelfs van
wonderen, door de poëzie en de schilderkunst verheerlijkt.
Nabij den mond van de Dwina verheft zich de voor korten tijd gebouwde
vuurtoren, die tachtig voet boven de zee oprijst; maar de nevel
is meestal zoo dicht, dat het bijkans onmogelijk is den toren te
zien. Wij krijgen hier een loods aan boord; zijn gelaat, door zware
lokken omgolfd, drukt zachtheid en geduldige lijdzaamheid uit. Op
een nederigen, half vreesachtigen toon, als duchtte hij dat zijn
raad kwalijk zou worden opgenomen en hij zelf mishandeld, deelde hij
ons mede, dat het aan den mond der rivier laag water was, en dat wij
verplicht zouden zijn den vloed af te wachten.
"Wachten!" roept onze kapitein; "neen, dat nooit! Help ons liever
een handje, dan zullen wij er wel doorkomen."
Juist breekt de zon door de nevelen heen; maar de zwarte wolken
hangen laag en dreigend; ieder gevoelt dat een stormvlaag op handen
is. Dicht bij den mond liggen twee booten, de Thera en de Olga, die
als beschonkenen heen en weder slingeren; toch geeft de russische
loods glimlachend toe; de machine werkt met halve kracht, en wij
stevenen naar de rij van zwarte en witte bakens, die voor ons op de
golven dobberen. Weldra laten wij de Thera en de Olga achter ons, die,
terwijl wij voorbij stoomen, nog heviger slingeren en schudden, en
waarvan de zeilen rusteloos beven, als een door de koorts gefolterde
kranke. Een half uur later varen wij tusschen de tonnen door: wij
zijn in de buitenhaven.
Evenals de meeste groote rivieren, heeft ook de Dwina aan haar mond een
delta van eilandjes en banken gevormd, waartusschen hare wateren naar
zee vloeien. Geen enkel dezer kanalen kan aanspraak maken op den naam
van eigenlijken hoofdtak der rivier; want de Dwina, nog grilliger dan
de zee, is aan voortdurende veranderingen onderhevig. Een stoomboot,
die in Augustus door een breeden arm naar zee is gestevend, zal,
in Juni van het volgende jaar terugkomende, dien weg soms bijkans
gesloten vinden en een anderen doortocht moeten zoeken. Volgens oude
kaarten bevond zich de voornaamste monding niet ver van het klooster
Sint-Nikolaas; later had zij zich nabij het eiland Rosa verplaatst;
eindelijk liep zij voorbij de batterijen van het fort Dwina. Maar
twee zomers achtereen woedden er geweldige stormen in de poolzeeën,
die den loop der stroomen en de ligging der banken veranderden:
de bestaande riviermond werd verstopt. De haven-politie zag de ramp
aan--en bleef werkeloos. Wat kon zij ook doen? dit geval was in hare
instructie niet voorzien. Misschien zou Archangel voor immer van
zijne gemeenschap met de zee, waaraan het zijn welvaart dankt, zijn
verstoken geworden, indien niet een deensch koopman aan de vreemde
handelshuizen had voorgesteld, een stoomboot te huren, en te beproeven
of er voor hunne schepen geen andere weg naar zee te vinden was. "Het
water in de rivier zakt, zeide hij: dus moet het zich een doortocht
naar zee hebben gebaand. Laat ons dien opzoeken." De noodige gelden
werden bijeengebracht; de boot voer de rivier af, en bracht de blijde
tijding, dat in een der armen, dien van Maimaks, voldoende diepte
werd aangetroffen om de grootste schepen te kunnen doorlaten. Zoo
scheen dan het bezwaar opgeheven, de gemeenschap tusschen de stad
en de zee was weder hersteld, en de inwoners verheugden zich reeds
over de gewichtige dienst, aan hun handel bewezen. Maar zij hadden
buiten den waard, dat is buiten de havendirectie gerekend. Nog nooit
was een schip van Archangel door dien rivierarm naar zee gegaan;
voor dien waterweg was geen reglement vastgesteld; en de politie kon
toch niet toelaten, dat een schip, zonder reglement, langs dien weg
uitliep! Vergeefs waren alle verzoeken en protesten der kooplieden:
de politie was onverbiddelijk; de scheepvaart stond stil; de rijk
geladen schepen konden in de haven blijven liggen, omdat in de
reglementen geen melding werd gemaakt van dien nieuwen mond.
Men richtte een adres aan den gouverneur van Archangel, prins Gagarin:
maar hoewel hij hartelijk lachte om de bespottelijke bekrompenheid
der havendirectie, liet hij toch de zaak zooals zij was: ook hij had
omtrent dit punt geene instructie, en zijn persoonlijk belang was
er niet bij betrokken. De directeur der douane, Gospadin Sredine,
wilde er, zoo mogelijk, een eind aan maken, en bood aan, op eigen
gezag, voor den nieuwen waterweg ontvangers te benoemen en kantoren
te vestigen; maar de politie was..... de politie. Eindelijk, nadat
eenige weken met dit gehaspel vermorst waren, zonden de kooplieden en
reeders een smeekschrift naar Petersburg, en zoo kwam de zaak Keizer
Alexander ter oore. Deze maakte er dadelijk een einde aan, zeggende:
"Het spreekt van zelf, dat de schepen een nieuwen weg naar zee moeten
volgen, als de oude onbruikbaar is geworden."
De Witte-zee zou bijna den naam van de moorddadige verdienen: zij
is een groot graf. Zelfs de lieden, voor wie stormen en schipbreuken
zich oplossen in eene reeks cijfers en vergelijkende tabellen--zooveel
schepen door de ijsschotsen verbrijzeld, zooveel gezonken, zooveel
menschen verongelukt of vermist, dat is zooveel percent van het geheel;
zelfs de statistici, voor wie de menschen geene andere bestemming
schijnen te hebben dan om in kabbalistische tabellen en vervelende
rapporten te figureeren; zelfs zij zouden wellicht nog een ander
gevoel niet geheel kunnen onderdrukken, wanneer de sombere geschiedenis
dezer akelige zee voor hen werd ontrold. Wat vreeselijke worstelingen,
wat zielverscheurende angsten en smarten heeft zij niet aanschouwd;
welke onuitsprekelijke klachten en jammerkreten hebben daar niet
weerklonken over die doodsche, grauwe wateren, door dien duisteren
nevelsluier, als eene lijkwade over de golven verspreid: klachten
en jammerkreten, door geen menschelijk oor vernomen, wegstervende
in het loeien van den storm, het brullen der golven, het donderend
kraken der ijsbergen! Eenige jaren geleden, waren meer dan honderd
schepen op eenmaal in het ijs geklemd: schepen van allerlei afmeting
en soort, en van verschillende landen afkomstig: zweedsche, deensche,
hollandsche, engelsche. De engelsche consul te Archangel, van den
toestand onderricht, telegrafeerde om hulp naar Engeland. Weinige
dagen later, den 12den Juli, vertrokken twee stoombooten van Londen,
om de ingesloten schepen en hunne bemanning te redden. Veertien
dagen na haar vertrek, verschenen de beide booten in de Witte-zee,
en begonnen zij haar zwaren en moeilijken arbeid.
De talrijke vloot was de havens van de Dwina uitgezeild, zoodra de
tijding was gekomen dat het ijs in de golf begon te smelten; maar toen
de schepen den zoogenaamden Gorgel--het kanaal dat de Witte-zee met
de Poolzee verbindt--waren binnengeloopen, keerde de wind plotseling
van het noorden naar het zuiden; in een oogenblik zagen de schepen
zich nu van alle zijden omringd en ingesloten door ijsschotsen, die
met geweld tegen elkander botsten. Met groote moeite en de uiterste
voorzichtigheid bereikte de vloot, zonder hinder, kaap Kanin; maar
nu strekte zich voor haar eene hooge en zware ijsmassa uit; het was
volstrekt onmogelijk, verder door te dringen: de schepen kraakten en
zuchtten en trilden bij den herhaalden schok der drijvende schotsen
en ijsbergen. Tot overmaat van ramp, draaide de wind weder naar
het noorden, en dreef nu drie dagen achtereen de ijsschotsen naar de
zee-engten; de schepen werden achteruit geworpen, en de doortocht naar
de open zee hun geheel versperd. Vruchteloos worstelden zij tegen
den geweldigen stroom, die hen naar de rotsige kusten van Lapland
heenvoerde, waar zij weldra door een onverbreekbaren muur van ijs
waren ingesloten.
Nu werd de akelige stilte dezer doodsche wateren telkens afgebroken
door het luide gekraak der schepen, wier kiel tusschen de opdringende
schotsen verbrijzeld werd, als een glas tusschen de vuist van een
reus. Ging een schip te gronde, dan sprongen de matrozen op het ijs, en
redden zich aan boord van het naastbij gelegen vaartuig: misschien om
eenige uren later nogmaals te verhuizen. Soms leden dezelfde matrozen,
op eenen dag, vijf of zesmaal schipbreuk, wanneer de bodems, waarop
zij eene toevlucht hadden gezocht, plotseling onder hunne voeten
wegzonken.--Toen de twee stoombooten hare taak hadden volbracht,
werd de volgende opgave aan het ministerie van koophandel gezonden:
"Het getal schepen, die door de bemanning moesten verlaten worden,
bedroeg vier-en-zestig; veertien schepen waren gered; de vijftig
anderen waren gezonken. Onder deze laatsten waren er achttien, in
Engeland gebouwd en door Engelschen bemand."
III.
DE DWINA.
De lage en vlakke oevers, met een weelderigen plantengroei bedekt,
de vele groene eilanden in den mond der Dwina verspreid, herinneren
aan den Missouri: maar het slib van de Dwina is minder vruchtbaar dan
dat, hetwelk de amerikaansche rivier met hare wateren aanvoert. Hier
prijken de eilanden alleen met gras en laag geboomte. Ginds, op
het vaste land, strekt zich, zoover men zien kan, een bosch van
eeuwenheugende pijnboomen uit.
Het lage vlakke eiland, dat men, bij het invaren der monding,
ter rechterhand laat liggen, heet Sint-Nikolaas, ter eere van
den priester, die, in heiligen geloofsijver ontvlamd, maar men
verhaalt, op het concilie te Nicea, den ketter Arius een slag in het
aangezicht gaf. Niemand weet waar deze Nikolaas eigenlijk geleefd
heeft en gestorven is; ook maakt de geschiedenis geene melding van
zijne tegenwoordigheid op het eerste concilie van Nicea. Volgens de
overlevering zou hij te Liki geboren zijn, en te Mira hebben gewoond:
van daar de bijnaam van den heilige van Mirliki; maar geen enkele regel
schrifts van hem is tot ons gekomen, en hetgeen men van hem verhaalt
is dikwijls in onderlinge tegenspraak. Dit alles belet evenwel niet,
dat Nikolaas een zeer populaire heilige is, die bij het volk hoog
staat aangeschreven. Hij is de patroon der edelen, der kinderen,
der matrozen, der bedevaartgangers; de troost en hulp der armen,
der verdrukten en zwervelingen. In deze noordsche wildernissen wordt
zijn naam door allen aangeroepen, vindt men zijn beeld in elke hut;
maar nergens misschien wordt hij ijveriger en vuriger vereerd dan
langs de kusten der Witte-zee. Met welk eene vrome blijdschap en
innige zelfvoldoening leest de arme visscher dezer stranden in
zijn Levens der Heiligen (voor hem Bijbel, heldendicht, geschied-
en wetboek tevens), dat Nikolaas de machtigste is van alle heiligen,
die in den hemel wonen; dat hij aan de rechterhand Gods is gezeten,
en het bevel voert over een leger van driehonderd engelen, die,
met het zwaard in de vuist, gereed staan op zijn wenken te vliegen!
Een moujik (boer) vroeg eens aan een mijner vrienden, wie God zou
worden, wanneer God kwam te sterven.
"Mijn goede vriend", antwoordde de Engelschman met een glimlach,
"God zal nooit sterven."
De boer stond een oogenblik versuft, en herhaalde hoofdschuddend:
"Hij zal nooit sterven!"--Toen, zich eensklaps herstellende, als ware
hem plotseling een licht opgegaan, hernam hij ernstig: "Ja, nu zie ik
het: gij zijt een ongeloovige, iemand zonder godsdienst. Ik weet het
beter dan gij. God zal zeker eens sterven, want Hij is reeds zeer oud;
en dan zal Sint-Nikolaas in zijne plaats treden."
Terwijl wij door den Maimaks-arm stoomen, mogen wij onze oogen
verkwikken aan het frissche groen der weilanden en dichte struiken:
eene weldadige verrassing, nadat wij zoolang niets anders hadden
gezien dan naakte, sombere rotsen, loodkleurige wolken en vuil-grauwe
wateren. Maar achter de biezen, achter de struiken en boomen,
zoeken wij vergeefs, wat toch bovenal leven en bekoorlijkheid aan
het landschap schenkt: menschelijke woningen. Eene enkele armelijke
planken hut is alles, wat wij kunnen ontdekken; in een klein weiland
staan eenige mannen bij een soort van dijkje; een jeugdige knaap ligt
achteloos uitgestrekt in een broze schuit, die met de deining der
stoomboot op en neder wiegelt; maar niemand schijnt hier te wonen;
de mannen en de knaap zijn van een naburig dorp gekomen. Zij zijn de
rivier afgezakt, om voor hunne koeien wat gras te maaien, en eenig
brandhout te verzamelen; straks zullen zij weder scheep gaan en naar
huis keeren.
Langs de oevers der oude kanalen vindt men dorpen in menigte;
die dorpen bestaan uit een groep van eenige hoogst eenvoudige
woningen, rondom eene kerk en een klooster geschaard, en hier en daar
geflankeerd door eenige windmolens, die hunne armen, als bezetenen,
rondwentelen. Elk dorp en elk gehucht is op de vooraf aangewezen plaats
gebouwd; zij gelijken allen volkomen op elkander: vergeefs zoudt
ge, in bouwtrant of inrichting, eenig spoor van oorspronkelijkheid
zoeken. Alles geschiedt hier naar vastgestelde regels; de pope en
de starost, keizerlijk ambtenaar, moeten in alle omstandigheden
geraadpleegd worden, en wat zij voorschrijven of aanraden, geldt
als wet.
Overal in deze streken wordt de aandacht van den vreemdeling
onwillekeurig getrokken door de groote menigte kruisen, die zich langs
de kusten en langs de oevers der groote rivieren verheffen. Zoodra de
hemel zich dreigend laat aanzien, gaat de zeeman aan land, richt een
kruis op, en knielt neder om te bidden. Als zich dan een gunstige wind
verheft, rijst hij op en keert naar boord terug, het heilige teeken op
de woeste kust achterlatende, als een offer zijner dankbaarheid. Is
er inderdaad ernstig gevaar, dan gaat vaak de gansche bemanning
aan land; een paar boomen worden geveld en daarmede een groot kruis
opgericht, waarop de namen der matrozen en de dagteekening worden
gesneden. Langs de kusten der Witte-zee ontmoet men elk oogenblik
deze vrome gedenkteekenen maar nergens zijn zij zoo menigvuldig als op
de rotsen der Heilige-eilanden. Stomme en toch welsprekende getuigen
van doorgestanen angst en onverwachte uitredding: elk kruis herinnert
aan een storm.
Enkelen zijn inderdaad historische monumenten. In de hoofdkerk
van Archangel bewaart men zulk een ex-voto, door Peter den Groote
opgericht, toen hij in deze streken ternauwernood aan een schipbreuk
ontkwam; het werd later weggenomen en naar de kathedraal gebracht. "Dit
kruis is door kapitein Peter gesneden", zoo luidt het opschrift,
door de hand van den Tsaar zelf vervaardigd; en dat de keizer in
de beeldhouwkunst niet onervaren was, toont dit werk, dat met recht
op sierlijkheid en smaak aanspraak mag maken.--Is zij niet schoon en
aandoenlijk, deze gewoonte, om op de onherbergzame kusten, door stormen
geteisterd, en waar zoo menig, menigeen zijn graf in de golven vond,
overal de zichtbare teekenen te plaatsen van hulp en redding, als het
ware de tastbare gebeden en dankzeggingen voor de goddelijke genade,
die hielp waar alle menschelijke hulp te kort schoot? De engelsche
matroos, door tegenwind opgehouden, verlaat, met gramschap in de
ziel en luide verwenschingen op de lippen, de kust, waar hij tegen
zijn zin gevangen werd gehouden. Voorzeker, Jack Tar (de bijnaam der
engelsche matrozen, ons Janmaat) bezit voortreffelijke eigenschappen,
die niemand hem betwisten zal: maar deze kinderlijk vrome gewoonte
van den russischen zeeman, getuigt zij niet van hoedanigheden, die,
uit een zedelijk oogpunt, althans niet lager staan?
Op de Dwina ontmoeten wij gansche vloten van houtvlotten en zoogenaamde
praams, die ons een eigenaardig beeld van het leven in deze streken
vertoonen. De vlotten bestaan uit lange reeksen van pijnboomstammen,
door middel van rijshout aan elkander verbonden; op het vlot staat
eene planken hut, waarin de eigenaar rustig zit te dommelen, terwijl
zijne mannen op den oever hout hakken, of den gang van het vlot
besturen. Deze vlotten komen dikwijls, drie- à vierhonderd mijlen ver
uit het binnenland, de Dwina en hare nevenstroomen afzakken. De slanke
pijnen, in de groote wouden van Wologda en Nishny-Konetz geveld, worden
naar de oevers der rivieren gesleept, en daar door krachtige handen
saamgebonden en tot vlotten vereenigd. In de steden, waar men langs
vaart, bestaat altijd overvloedige gelegenheid om kosteloos de noodige
manschappen te vinden, ter besturing van het vlot: want een aantal
boeren, die het heilige klooster van Solowetsk wenschen te bezoeken,
zijn steeds bereid om aldus de rivier af te zakken. Men schenkt hun
vrijen overtocht, onder voorwaarde dat zij het vlot helpen besturen,
en, waar het noodig is, boomen of roeien, of ook wel trekken.
Wat de gemakken der reis aangaat, staan de praams hooger dan de
vlotten. Ik weet deze vaartuigen niet beter te vergelijken, dan
met de zoogenaamde arken Noachs, waarmede de kinderen spelen: het
zijn reusachtige schepen van ruw behouwen pijnboomen, door middel
van ijzeren haken aan elkander bevestigd; de voegen zijn met mos
en teer gestopt. Een schuin oploopend planken dak dient menschen
en koopwaren tot beschutting. Van binnen is verreweg het grootste
gedeelte der ruimte door een wand van dichte rietmatten afgeschoten:
daar worden de waren geborgen. Achter aan het schip is gewoonlijk
een pijnboom bevestigd, waarvan de kleinste helft in het water hangt,
en die als roer dient; aan de voorzijde is een soortgelijk roer, van
kleiner afmeting, aangebracht; het eerste wordt door zes of zeven,
het laatste door vier of vijf mannen bestuurd. Naarmate van de grootte
van het schip en de lading, worden dertig of veertig riemen, over de
beide zijden gelijkelijk verdeeld, gebruikt; deze riemen zijn jonge,
aan de uiteinden afgeplatte dennestammen. Zulk eene groote bark
kost zes- of zevenhonderd roebels, en kan tot achthonderd ton graan
vervoeren. Het eene uiteinde der praam is met planken afgeschoten,
en dient tot kajuit; het ameublement van dit vertrek bestaat uit
eenige banken, een tafel en ettelijke planken langs den wand, alles
van dennenhout. Aan den balk der zoldering hangt een ijzeren pot,
waarin het scheepsvolk, zoolang men op het water is, het eten kookt;
maar zoodra de praam in een haven binnenloopt, mag er geen vuur aan
boord zijn; zelfs mogen de matrozen dan geen pijp rooken. Het eten
moet dan aan wal worden klaar gemaakt. Bij de praam behoort een platte
schuit, uit vier of vijf saamgevoegde stammen bestaande, waarmede de
matrozen ten allen tijde gemakkelijk den oever kunnen bereiken.
De leiding van het schip is toevertrouwd aan een nosnik, een loods, die
midden op het vaartuig staat en den roeiers de noodige aanwijzingen
geeft; hij is nauwkeurig met het vaarwater en alle ondiepten en
stroomingen bekend. Voor het overige is het gezag opgedragen aan
den gospodarz, die tevens hofmeester is.--Met het krieken van den
dag roept de nosnik het scheepsvolk toe: "Zet u neder en bidt tot
God!" Allen maken het teeken des kruises en buigen zich. Op den morgen
vóór de afvaart werpt ieder een koperen geldstuk in de Dwina, om de
rivier gunstig voor zich te stemmen: dan worden de touwen losgegooid,
en het vaartuig drijft langzaam met den stroom mede. Doorgaans heeft
men in Mei, wanneer de tocht begint, nu eens sneeuwbuien, dan vorst,
afgewisseld met dooiweder; straks weêr ijzel en hagel; herhaaldelijk
moet het schip tegen den wal gaan liggen, en zoo vaak de praam weder
afsteekt, wordt de ceremonie met het geldstuk herhaald. Bij fraai,
helder weder, wanneer het schip door den stroom wordt gedragen,
zetten de roeiers, wier dienst dan niet gevorderd wordt, zich in
een kring op het dek, en heffen uit volle borst een lied aan. Deze
roeiers zijn mannen van ijzeren kracht, die van geen vermoeienis weten.
Zoowel de pramen als de houtvlotten en de andere binnenlandsche
vaartuigen hebben in den regel een aantal pelgrims aan boord, aan
wie, behalve vrije overtocht, ook nog een ration zwart brood en thee
wordt verstrekt, ter belooning der diensten, die zij als roeiers
of stuurlui bewijzen. Doorgaans is deze dienst niet zwaar, want de
rivier zelve verricht genoegzaam al het werk; de vlotten en pramen
gaan nooit stroomopwaarts. Te Solombola gekomen, wordt de lading, in
den regel uit graan, vlas, hennip en dergelijke artikelen bestaande,
in de vreemde schepen overgebracht, die daarop wachten, en waarvan
de meesten naar de engelsche of schotsche havens zijn bestemd. De
praam wordt vervolgens aan den wal gehaald, uit elkander genomen en
verkocht. Het hout wordt gedeeltelijk als timmer-, gedeeltelijk als
brandhout gebruikt.
Solombola, de nieuwe haven van Archangel, is niet veel meer dan een
handvol verstrooide hutten, die aan een groep zwitsersche châlets
zouden doen denken, indien niet de menigte van groene koepels en spitse
torens u veeleer het beeld van eene bulgaarsche stad voor den geest
riep. Langs de rivier loopt een soort van dam of zanddijk, vijf tot
zes voet hoog; daar achter ligt het land zoo laag, dat alleen deze
dijk den omtrek tegen overstrooming beveiligt. Solombola is bijkans
een amphibie: in de lente, wanneer de rivier, door het smelten der
sneeuw, buiten hare bedding treedt, loopt de gansche stad onder, en
heeft men, even als in Venetië, een schuit noodig, om van het eene
huis naar het andere te komen.
IV.
ARCHANGEL.
De eerste indruk, dien de vreemdeling, uit de Witte-zee komende en de
Dwina opvarende, ondervindt, is dat hij in eene geheel andere wereld
is verplaatst: menschen en dingen herinneren hem onwillekeurig aan
het Oosten.
Bij het binnenloopen der rivier, trekt het uwe aandacht dat de loods
weigert het dieplood uit te werpen. "Maak u niet ongerust," zegt
hij: "het is hier diep genoeg; er zal ons geen ongeluk overkomen,
tenzij dan dat God het wil."--Trouwens een russische loods peilt
zelden. Waartoe ook: is niet de diepte van het vaarwater, voor de
verschillende plaatsen en tijden, bij het reglement, bepaald, zoodat
daaraan niets valt te veranderen? Het in zee uitgeworpen lood zou
haar immers toch niet dieper maken?
Gij vaart tusschen de eilanden door; de landlieden die gij op het
veld of langs de oevers ziet, dragen allen, mannen zoowel als vrouwen,
mantels van schapenvel: een kleedingstuk, dat men bijna het eigenaardig
kenmerk der nomadenvolken zou kunnen noemen, en dat u dadelijk aan
de steppen van Midden-Azië doet denken.
Bij den eersten blik, op de stad Archangel geworpen, treft
u de overgroote menigte der torens en koepels, de eersten
zonder uitzondering verguld, de anderen met allerlei kleuren
prijkende. Daarentegen vindt de gezagvoerder, die deze kusten bezoekt,
noch kaaien, noch dokken, noch aanlegsteigers, noch trappen. Hij
ankert waar hij kan; tracht zijn schip, door middel van boomen,
eene goede plaats te bezorgen, en vindt evenveel hulp, voorlichting
of medewerking, als wanneer hij in eene of andere turksche haven,
te Widdin of te Roetsjoek, ware binnengeloopen. Gij wandelt over den
dam naar de stad, wier schitterende torens en tinnen u tegenstralen:
en gij hoort tot uwe verbazing, dat Archangel, even als Aleppo, geen
logementen of herbergen heeft, zelfs geen khan, waar de reizigers
een onderkomen kunnen vinden.
Toch zijt gij hier nog niet in het echte Oosten. Bij het binnenloopen
in de haven, zal de loods misschien naar u toekomen, en u de hand
drukken; en zoo ge dien vriendschappelijken wenk niet begrijpt, zal hij
u wellicht in het oor fluisteren,--als gold het een staatsgeheim,--dat
indien er weinig vreemdelingen zijn, die de Dwina opvaren, daaronder
toch geen enkele gevonden wordt, die verzuimen zou, aan den man,
door wiens hulp hij aan de gevaarlijke zee der stormen is ontkomen,
een na-chai (kop thee) aan te bieden. Maar, ik haast mij er dit
bij te voegen, de afschuwelijke, echt oostersche gewoonte, den
ambtenaren bij de haven fooien in de hand te stoppen, is heden
ten dage in onbruik. De tegenwoordige regeering, die reeds zoovele
hervormingen heeft tot stand gebracht, heeft ook dit kwaad uitgeroeid,
en wel door een alleszins voortreffelijken maatregel. Zij heeft het
veel te groote aantal douane-beambten aanzienlijk ingekrompen, en de
traktementen der overigen belangrijk verhoogd. Geen enkel ambtenaar
trekt nu nog een bespottelijk traktement, dat enkel voor de leus was,
en door allerlei andere middelen moest worden aangevuld; maar niemand
zal het ook wagen, een geschenk aan te nemen. Prins Obolenski, die
aan het hoofd staat van dezen uitgebreiden tak van dienst, is een man
van karakter en energie, en daarbij van onkrenkbare eerlijkheid; zijn
ijver en waakzaamheid hebben een einde gemaakt aan de schandelijke
misbruiken, waarover door zoovele reizigers is geklaagd. Als een
bewijs van de onverbiddelijke strengheid der administratie op dit
punt, wijs ik op een feit, voor de waarheid waarvan ik persoonlijk kan
instaan. Een scheepskapitein had aan een der ambtenaren bij de haven
twaalf sinaasappelen ten geschenke gegeven; de gift was op zich zelf
van niet veel waarde, maar daar deze vruchten hier zeer zeldzaam zijn,
worden zij als eene uitgezochte lekkernij beschouwd. Zoodra de chef
hiervan kennis kreeg, werd de ambtenaar een rang verlaagd. "Van daag
neemt hij een sinaasappel aan, zeide de vertoornde chef; morgen zal
hij wellicht een roebel aannemen". Eerst na verloop van een vol jaar
werd de onvoorzichtige beambte weder in zijn vorigen rang hersteld.
Archangel is noch eene haven, noch eene stad, in den zin, dien wij
gewoonlijk aan die woorden hechten. Men ziet hier niet, zoo als te Hull
of te Hamburg, een groot aantal dokken, magazijnen, winkels, wagens
en rijtuigen; noch de bezige drukte van een levendig verkeer, gewoel
langs de rivier en in de straten. Archangel is een groot kamp van
pakhuizen, rondom eene menigte torens en koepels, kerken en kloosters
gegroept. Verbeeld u een breede sombere rivier, omzoomd door een
uitgestrekt moeras, waaruit zich kleine eilanden van leem verheffen;
op die hoogten, groepen van gebouwen, met fresko's versierd, deels
met kruisen en groene of blauwe koepels gekroond; denk u de ruimte
tusschen de kerken en kloosters, met planken, balken en palen bedekt,
maar zoo, dat er genoegzame plaats overblijft voor de tuinen, straten
en pleinen; omring de huizen met geheel openliggende tuintjes; zet
voor elk venster een geranium, eene fuchsia en een rozenstruik; laat
overal in de straten en op de pleinen het gras welig opschieten:--en
gij hebt een trouw beeld van Archangel. Uit de verte gezien, gelijkt
Archangel meer op eene of andere heilige stad van het Oosten, dan op
eene noordsche koopstad.
Toch is deze zeehaven de eenige, die inderdaad russisch mag worden
genoemd. Astrakhan is eene tartaarsche stad; Odessa, eene italiaansche;
Riga, eene lijflandsche; Helsingfors, eene finlandsche. De taal,
die daar gesproken wordt, is niet de russische. Met het zwaard
gewonnen, kunnen zij ook weder door het zwaard verloren gaan: als alle
veroveringen, zijn zij aan de kansen des oorlogs onderworpen. Het
echte Rusland, het oude Groot-Rusland, zou ze kunnen missen, zonder
daardoor onherstelbare schade te lijden. Het is groot en sterk genoeg,
om zijne onafhankelijkheid te kunnen handhaven, rijk genoeg om te
blijven bloeien, ook al moest het dien gordel van kleinere Ruslanden
verliezen, waarmede het zich allengs omgord heeft. Maar met Archangel
is het anders: dat is de eenige groote haven, die het oude Rusland
met de zee verbindt, de eenige weg, waardoor het gemeenschap met de
wereld daar buiten oefenen kan: een weg, door God zelf aangewezen en
geopend, en dien geen menschen sluiten kunnen.
Naar de schatting van ons, Westerlingen, moge Archangel te rijkelijk
met kerken en torens en koepels gezegend zijn, zooals de Dwina-delta te
overladen is met kruisen; voor ons moge de stad vooral van beteekenis
zijn als de stapelplaats van granen en vlas, van teer en huiden, van
hout en pek;--in het oog van den inboorling is zij iets geheel anders
en hoogers: de woning van den aartsengel, de haven der bedevaartgangers
van Solowetsk, de poorte Gods.
V.
HET GODSDIENSTIG LEVEN IN RUSLAND.
Op zekeren dag wandelde ik met een vriend door Archangel, om bezoeken
af te leggen. Wij hadden reeds in enkele huizen vertoefd, toen mijne
aandacht getrokken werd door een man in uniform, met een krijgshaftig
voorkomen en welgevormde gestalte, die telkens als wij ergens
binnentraden of uitkwamen, zich in onze nabijheid bevond. Hierover
verwonderd, voegde ik mijn vriend toe:
"Die man schijnt ons op den voet te volgen."
"O neen," klonk het lachende antwoord: "dat is een russisch
politie-agent."
"Maar waarom loopt hij ons dan altijd na?"
"Hij slaat geen acht op ons; hij doet zijne ronde, en gaat den
rijken eigenaars van huizen aanzeggen, dat zij heden avond, voor alle
vensters hunner woningen, die op de straat uitzien, vier brandende
kaarsen moeten zetten."
"Vier kaarsen! en waarom dat?"
"Ter eere van den Tsaar. Het is van daag de feestdag van zijn patroon;
tegen acht uur zult ge zien hoe alle huizen eensklaps geïllumineerd
worden... op aansporing van de politie."
"Maar, mij dunkt, de politie heeft niet noodig zich daarmede te
bemoeien. De keizer is populair en geliefd. Wie zou het feest van
Sint-Alexander kunnen vergeten?"
"Zeker, de keizer is zeer bemind, en toch vergist gij u: het volk zou
er waarschijnlijk niet aan denken, den Tsaar het hof te maken. Zie
maar eens: de winkels zijn open, en alle waren uitgestald; ieder is
aan zijn werk, als op een gewonen dag. De moujik bekommert zich niet
veel om keizers of koningen; hij kent slechts zijn beschermengel, zijn
eigen heilige. Vraag hem niet, u een kleedingstuk af te leveren, uw
rijtuig te herstellen, of hout voor u te gaan halen, op den feestdag
van zijn patroon: hij zou zich liever levend laten begraven, dan
dien dag door eenigen verboden arbeid ontheiligen. De moujik is geen
hoveling, maar hij is godsdienstig."
Weldra leerde ik door eigen ervaring de waarheid dezer getuigenis
erkennen. Het diepe bewustzijn van zijne plichten jegens den
Schepper beheerscht bij den Rus alle andere gevoelens. Dit bewustzijn
openbaart zich niet alleen door een gevoel van eerbied en kinderlijke
piëteit des harten, maar uit zich ook in menigvuldige godsdienstige
handelingen, plechtigheden en gebruiken; het openbaart zich in alle
kringen der maatschappij, in alle toestanden des levens. Gij vindt
het in de kazernen en legerkampen, zoowel als bij de feestvierende
schare op een dorpskermis en in de gehoorzalen der hoogescholen;
gij vindt het bij den prins, die zich in oostersche weelde baadt,
bij den handelaar op zijn kantoor, bij den boer, die zijn ploeg door
den zwaren kleigrond drijft; bij den dief zelfs, die zijn makker het
deel van den buit betwist.
Het is deze innige vroomheid, die het land met heiligdommen en
kerken overdekt en tot velerlei zonderlinge praktijken aanleiding
geeft; maar zij is het ook, die, zelfs waar zij niet van het kwaad
terughoudt, toch den zondaar niet met vrede laat en zijn gemoed
opent voor boete en berouw. Elk dorp heeft zijne relieken; elk kind
bidt tot zijn bijzonderen beschermengel, en draagt immer het kruis,
hem bij den doop geschonken. De russische steden zijn overrijk
aan kerken en kloosters. Te Kargopol, een stadje van tweeduizend
zielen, telde ik niet minder dan twintig kerktorens. Moskou bezit,
naar men zegt, meer dan vierhonderd kerken en kapellen; Kiew is, in
verhouding tot de bevolking, niet minder rijk bedeeld. De herinnering
aan alle merkwaardige gebeurtenissen wordt door de stichting eener
kerk in het aandenken des volks bewaard. Te Kiew herinnert de kerk
van Sint-Andreas aan het bezoek van een apostel; die van Sinte-Maria
aan de invoering van het Christendom. Sint-Wassili te Moskou werd
gebouwd ter gedachtenis aan de verovering van Kazan; het klooster
van Donskoï dankt zijn ontstaan aan de overwinning, door Feodor op
de Tartaren van de Krim behaald; de Sint-Salvator verrees als een
dankoffer voor de nederlaag van Napoleon. Na de eerste overwinning,
door de Russen op de Zweden behaald, werd de Sint-Alexanderskerk te
Petersburg gesticht; die van Sint-Isaäk verrees ter gedachtenis van
Peter den Groote. Waar wij een zuil of beeld zouden oprichten, bouwen
de Russen een bedehuis; de gewijde basilieken zijn als het ware de
levende monumenten, de sprekende getuigen van de geschiedenis des
rijks en de lotgevallen des volks.
Van de wieg tot het graf, leeft de Rus, om zoo te zeggen, in
voortdurenden omgang met God; de godsdienst neemt in zijn leven
eene zoo ruime plaats in, dat men zich bezwaarlijk daarvan een
denkbeeld maken kan. Even als de Arabier, is ook de Slaaf van nature
godsdienstig; voor deze volken is de godsdienst inderdaad eene macht,
die hun gansche leven en denken beheerscht. Zoo gij eene russische
hut binnentreedt, zult gij er immer eene kleine kapel of bidplaats
vinden. Alle vertrekken zijn in zekeren zin gewijd: want in elk vindt
gij een heiligen beeld; bijna zou ik zeggen: een huisgod. Het hoofd
des gezins betreedt zijne woning niet dan met zekeren eerbied: hij
staat even op den drempel stil, neemt zijne muts af, maakt het teeken
des kruises, en herhaalt bij zich zelf een vers der gewijde liturgie.
Het kruis, bij het toedienen van den heiligen doop ontvangen, en dat
de Rus tot aan zijn dood blijft dragen, is het teeken en zinnebeeld
van zijne volharding in het geloof. De godsdienst volgt en begeleidt
hem, als kind en knaap, bij het spel en bij de studie; als man, op het
kantoor en in de werkplaats.--Op alle hoogere en lagere scholen vindt
ge eene verzameling van gebeden, op de verschillende omstandigheden
van het schoolleven toepasselijk: gebeden bij den aanvang van
het studiejaar, bij het begin der vacantie, bij de opening van een
nieuwen cursus. De fabrieken en boerderijen staan hierin met de scholen
gelijk. De gebeden verschillen natuurlijk naar gelang van den aard der
bezigheden; maar niemand, oud of jong, zal ooit verzuimen, dagelijks
zijne gebeden ten hemel te zenden; niemand zal zich, zonder ernstige
redenen, aan zijne godsdienstplichten, bij voorbeeld, aan de bepalingen
omtrent de vasten, onttrekken. Vooral deze laatste wordt streng in acht
genomen: bijkans de helft van het russische jaar is aan boetedoening
gewijd. Gedurende de zeven weken, die het Paaschfeest voorafgaan, is
het gebruik niet alleen van vleesch, maar ook van visch, melk, eieren
en boter verboden. Gedurende zes weken vóór Kerstmis, en een maand
vóór Sint-Pieter, gelijke onthouding, alleen met deze uitzondering,
dat men dan visch mag eten. In de maand Augustus, wederom een strenge
veertiendaagsche vasten, ter eere van de Heilige Maagd, wier hemelvaart
in die maand wordt herdacht. De woensdag en de vrijdag van iedere week
zijn vastendagen. Deze algemeene regelen gelden altijd en voor allen;
maar de geloovige, die, na voorafgaande biecht, communie wenscht te
doen, behoort zich daartoe nog door bijzondere strenge boete voor te
bereiden. Hij moet zich onthouden van alle met vet bereide spijzen,
van lekkernijen, van suiker, van het rooken van sigaren; zelfs mag
hij niets eten, dat door middel van vuur moet worden klaar gemaakt.
Op den Stillen-Zaterdag, waarop ook in de russische kerk het water
gewijd wordt, mag niemand iets eten of drinken vóór den afloop der
plechtigheid, dat is omstreeks vier uur in den namiddag; dan wordt
eerst van het gewijde water gedronken, en daarna zet men zich neder,
om, in blijdschap des harten, maaltijd te houden. Om den noodigen
voorraad van wijwater op te doen, spoeden mannen en vrouwen zich om
het zeerst naar de kerken, beladen met kruiken, kannen en allerlei
vaatwerk; bovendien brengt ieder een kaars mede, die in de kerk
wordt aangestoken, en te huis voor het beeld van den heiligen patroon
geplaatst, om daar verder te verbranden.
Geen nieuw huis wordt betrokken, geen magazijn of winkel geopend,
zonder voorafgaande godsdienstige wijding. Bijna iedere maand bezoekt
de pope, gevolgd door den acolyth en den diaken, alle huizen in zijn
kerspel, besproeit de vertrekken met wijwater, reinigt ze door gebeden
en wijdt ze door het teeken des kruises.
Bij alle groote gebeurtenissen des levens, bij de geboorte, bij het
huwelijk, bij den dood, is de kerk, als eene zorgende en liefdevolle
moeder, met raad en troost en hulp en voorlichting nabij, zelf
deelnemende aan alle vreugden en smarten harer kinderen, en daaraan
hooger wijding gevende. Het sakrament des huwelijks vooral, dat den man
de kroon van het gezag schenkt en hem wijdt tot het hoofd van een nieuw
gezin, wordt met buitengewone plechtigheid gevierd. De vele ceremoniën,
die met de voltrekking van dit sakrament gepaard gaan, hebben allen een
diepen en verheven zin, eene schoone symboliek, en munten bovendien
door ernst, waardigheid en bevalligheid uit. De gebeden en lofzangen
klimmen op tot den troon des Almachtigen; de ringen worden gewisseld;
de zegen des hemels op het jonge paar afgesmeekt; eindelijk wordt op
de hoofden der jonggehuwden een gouden kroon gezet.
"Iwan, dienstknecht des Heeren," zegt de pope, "ontvang als uwe kroon,
Nadia, die dienstmaagd des Heeren!"
Sommige bruidsparen dragen deze huwelijkskroon eene geheele week lang,
en bezorgen haar daarna terug aan de sakristie, waar zij op nieuw
den zegen ontvangen. Ook aan het nederigste en meest alledaagsche
leven bereidt de godsdienst aldus een feestdag, een dag van poëzie,
van hoogeren glans en heerlijkheid. Op den bruiloftsdag is de bruid
steeds koningin, de bruidegom koning, al ware hij ook niets meer dan
een arme vergeten knecht.
De grieksche kerk leert dat iederen mensch een bijzondere beschermengel
is gegeven, die hem van de wieg tot het graf volgt, die getuige is van
al zijne daden, en dien hij nimmer misleiden of bedriegen kan. In zijn
slaapvertrek plaatst de Rus eene beeltenis van dien engelbewaarder,
en onderhoudt dag en nacht eene brandende lamp tot zijne eer. De
feestdag van dien beschermengel is geheel aan stille rust, aan vrome
overpeinzingen en werken der liefdadigheid gewijd. Men richt een
maaltijd aan, waarop de vrienden en bloedverwanten genoodigd worden;
tevens worden aan de armen aalmoezen uitgedeeld. Men gaat ter kerke, en
koopt daar gewijde brooden, voor de bedienden, de gasten, de bezoekers
bestemd. De pope komt, met het evangelie en het kruis, en zingt de
plechtige litanie ter eere des engelbewaarders, waarvoor hij van den
heer des huizes eene gave ontvangt, verschillende naar gelang van
diens fortuin.--De beschermheilige of patroon, wiens naam men draagt,
wordt met niet minder eerbied en ijver vereerd. Ook zijn beeld wordt
nooit in de woning gemist, en zijn naamdag godsdienstig gevierd. Door
niets ter wereld zou een Rus zich laten bewegen, den naam, dien hij bij
den doop ontvangen heeft, te laten varen. Zekere boer stond terecht,
als beschuldigd, een valsch paspoort te hebben vervaardigd, ten einde
zich voor een ander te doen doorgaan. "Hoe kan men meenen", riep hij
verbaasd uit, "dat ik een naam zou hebben aangenomen, die mij niet
toekomt? Ik zou daardoor immers mijn patroon hebben verloren. Zeker
heb ik dat niet gedaan; ik heb alleen mijne geboorteplaats veranderd."
De godsdienst bezielt en beheerscht zoozeer geheel het maatschappelijk
leven, dat, tot op zekere hoogte althans, het volle genot der
burgerrechten afhankelijk is van de getrouwe vervulling der
godsdienstplichten. Ieder Rus weet, dat hij gehouden is, eenmaal per
week de mis te hooren, zijne zonden te biechten, en minstens eenmaal in
het jaar de heilige communie te houden. En de overgroote meerderheid
denkt er niet aan, deze plichten te verzuimen, of ze in eenig opzicht
als een last te beschouwen. Die zich daaraan onttrekt, wordt ook
in burgerrechterlijken, maatschappelijken zin als dood beschouwd:
tenzij hij van den pope, zooals dat soms geschiedt, een bewijs weet te
verkrijgen, waaruit zijne getrouwe waarneming der kerkelijke plichten
blijkt. Maar nog eens: zij, die tot dergelijke middelen hunne toevlucht
nemen, vormen zeer stellig eene betrekkelijk onbeteekenende minderheid;
de overgroote massa des volks is oprecht en innig aan zijne godsdienst
gehecht, en toont dat op de meest ondubbelzinnige wijze. De zoogenoemd
voorname onverschilligheid, het praktisch atheïsme onzer moderne
westersche maatschappij vindt in Rusland nog zeer weinig aanhangers;
het zou daar door verreweg de meesten niet eenmaal worden verstaan.
VI.
DE PELGRIMS.
Na het godsdienstig gevoel is er misschien geen hartstocht, die
meer macht uitoefent op het gemoed van den Rus, dan de ingeboren,
onweerstaanbare neiging voor een zwervend nomadenleven.
Bij alle Slavische stammen vindt men dien trek naar verandering, naar
het avontuurlijke, onbekende; de zucht, om nu her- dan derwaarts te
trekken, heden hier, morgen elders zijn verblijf te vestigen, de wereld
te doorwandelen, en in zekeren zin, naar oud aartsvaderlijke wijze, in
tenten te leven. Maar bij den Rus is deze zucht veel sterker ontwikkeld
dan bij den Czech van Bohemen, bij den Serviër of den Croaat.
Deze lust voor een zwervend leven, samenvallende met het godsdienstig
gevoel, is de machtige drijfveer, die nog jaarlijks, in geheel Rusland,
zoo vele duizenden huis en hof doet verlaten, om ter bedevaart
te trekken.
De pelgrims gaan steeds te voet, in gezelschappen van vijftig of
zestig personen, mannen, vrouwen, kinderen, allen met den staf in de
hand, een lederen flesch aan den gordel, nederknielende voor iedere
kapel, die zij op hunnen weg ontmoeten, dag en nacht hunne lofzangen
aanheffende, en alom het landvolk stichtende door het voorbeeld hunner
vroomheid. De kinderen zingen, op half klagenden toon, een lied,
waarvan elk kouplet eindigt met dit refrein:
Goede vaders, teedre moeders,
Schenkt ons, armen, brood.
En deze bede blijft nimmer onverhoord: de arme pelgrim, die,
biddende om brood, aan de deur der woning aanklopt of voor het venster
stilstaat, zou immers wel een engel, een Godsgezant kunnen zijn? Mag
men hem dan eene gave weigeren; zal niet veelmeer deze gave rijkelijk
worden beloond?
Er zijn echter ook lieden, die van deze vrome gezindheid des volks
misbruik maken. Landloopers en gauwdieven vermommen zich dikwerf als
pelgrims, veinzen eene buitengewone vroomheid, verkoopen twijfelachtige
relieken tegen klinkende munt aan dienstmeiden en lichtgeloovige oude
vrouwen, en verzekeren zich alzoo, zonder veel moeite, een tamelijk
gemakkelijk levensonderhoud.
Een boer, die tot dusver zijne schapen en varkens trouw naar de weide
heeft gedreven en ze van dag tot dag, van den morgen tot den avond,
bewaakt, krijgt het eensklaps in het hoofd om pelgrim te worden,
en als zoodanig eene vrijheid te genieten, die in het gewone leven
voor hem onbereikbaar is. Het denkbeeld, dat hij nu geene belasting
meer te betalen en geen heerendiensten meer te verrichten heeft,
niet meer voor vrouw en kinderen behoeft te zorgen, maar vrij mag
wandelen van stad tot stad, van gewest tot gewest, bekoort hem; hij
wordt een bedelaar, een landlooper, misschien een bedrieger. Maar als
hij langs de huizen gaat, brengen ouden en jongen hem den vromen groet,
die zoo aangenaam in zijne ooren klinkt: "Waarheen, o vriend, geleidt
de Heer uwe schreden?" Vroeger of later ontmoet hij een gezelschap van
pelgrims, bij wie hij zich kan aansluiten, en die hem als een broeder
in hunne midden opnemen. Hij hangt een lederen flesch aan zijn gordel;
zijne vrouw, op een stok leunende, strompelt langs den weg door het
donkere woud. Men ontmoet deze lieden overal, op de binnenplaatsen
van alle groote huizen. Zij sluipen door zij- en achterdeuren binnen,
en bieden voorwerpen te koop aan, die voor de vrouw des huizes van
niet minder waarde zijn dan voor de nederige dienstmaagd: een stuk
van de rots van Nazareth, eenige droppels water uit den Jordaan, een
draad van den rok zonder naad, een stukje van het ware kruis. Zij
die op zoo groote schaal hun beroep drijven, zijn de vindingrijke,
ondernemende geesten onder hen, die de kunst verstaan om de heilige
zaken te exploiteeren; maar behalve dezen, zijn er nog duizenden
zulke leegloopers, die het halve rijk doorkruisen, en overal aan de
aandachtig luisterende schare verhalen wat zij gezien hebben op hunne
bedevaarten naar deze of gene heilige plaats, waar de beenderen der
heiligen dagelijks wonderen werken. Sommigen vertoonen een kruis van
Troïtza; anderen verkoopen aan de liefhebbers een stuk van het gewijde
brood van Sint-George. De meesten hunner hebben ook Solowetsk bezocht,
of weten daar althans allerlei merkwaardige dingen van te vertellen.
De veroordeelden, die uit de mijnen van Siberië weten te ontsnappen,
hullen zich in het pelgrimskleed en nemen den staf ter hand. Onder
deze vermomming zal een vluchteling, zonder veel gevaar, de reis
van Perm naar Archangel kunnen doen, zelfs al waren zijne papieren
valsch en al droeg hij het brandmerk op zijn schouder. Een poolsche
balling, Pietrowski genaamd, wist voor eenige jaren op deze wijze
te ontsnappen en de haven van Archangel te bereiken, waar hij zich
inscheepte. Het dramatisch verhaal zijner lotgevallen wekte destijds
de algemeene belangstelling. Maar langs de oevers der Dwina zijn een
aantal soortgelijke verhalen in omloop.
Toen ik tot de reis om de Noordkaap besloot, was het ook in de stellige
verwachting, dat ik die vrome reisgezelschappen zou ontmoeten; dat
ik met hen naar Solowetsk zou gaan, hen dus van nabij bestudeeren,
en tegelijk, zoo mogelijk, nadere berichten inwinnen omtrent dat
wonderlijke "spook van het klooster", dat sinds zoovele jaren, op zoo
geheimzinnige wijze, met het keizerlijk geslacht van Romanoff wordt
in verband gebracht. Groot was dan ook mijne teleurstelling, toen ik
bij mijne komst te Archangel vernam dat het laatste gezelschap van
pelgrims juist vertrokken was, en dat de stoombooten hare vaart op
de Witte-zee hadden gestaakt, totdat het ijs, in de maand Mei van
het volgende jaar, zou beginnen los te raken.
Zeer ontevreden, dat ik aldus eene uitnemende gelegenheid had gemist om
de godsdienstige gewoonten en gebruiken des volks te bestudeeren, liep
ik met ongeduldige schreden heen en weder in het ruime Pelgrimshof, in
de zoogenaamde bovenstad;--toen ik eensklaps een aantal schapenvellen
ontdekte, niet op den grond uitgespreid, maar om de schouders geplooid
van een groep lieden, met vermagerde en gebruinde aangezichten,
karakteristieke figuren, zoo als ge die, het gansche jaar door, op de
kusten van Syrië ontmoet. Eene innige, vurige vroomheid bezielt deze
mannen, en heeft op hun gelaat, in hunne manieren en wijze van spreken,
haar onmiskenbaren stempel gedrukt. Hun geest is steeds van hooge en
ernstige gedachten vervuld: ook onder hunne armelijke lompen behouden
zij, in geheel hun voorkomen, eene waardigheid en bevalligheid, die
niet kan nalaten indruk te maken. Gindsche grijsaard, die met een
stuk gedroogden visch in de hand, naar de woning treedt, zou voor
een arabischen sheik kunnen doorgaan. Evenals ik, zijn deze pelgrims
door het ruwe weder opgehouden: hen ziende, voel ik mijne hoop weder
ontwaken. De monniken zullen toch deze dorstige, heilbegeerige zielen
niet zonder troost en lafenis willen wegzenden, en waarschijnlijk
evenmin genegen zijn om hen gedurende eenige maanden van huisvesting
en kleeding te voorzien. Er zal dus wel een middel gevonden worden,
om eene boot te doen varen.
Aan den ingang van het zoogenaamde Pelgrimshof staat een kleine monnik,
nog geen vijf voet hoog, met lange krullende lokken, evenals een
meisje, en een fraaien golvenden baard. Het zal eenige moeite kosten,
met mijn gebrekkig russisch, om met hem een gesprek aan te knoopen:
toch waag ik het er op, en vraag hem, of hij mij zeggen kan, waar de
boot van Solowetsk ligt.
"Zijt gij een Engelschman?" herneemt de monnik.
Deze woorden, in mijne eigene moedertaal uitgesproken, verrassen
mij uit dien mond: nog nooit had ik in dit land een geestelijke
aangetroffen, die eene andere taal dan het russisch verstond. Op mijn
bevestigend antwoord, vervolgt mijn nieuwe vriend: "De boot vaart
niet meer: zij ligt nu in het dok te Solowetsk."
In het dok! Die man houdt mij voor den gek: want hoe zou men een dok
kunnen verwachten bij een klooster, waar een havenstad als Solombola
zich met zulk een erbarmelijk hoofd moet tevreden stellen?
"In het dok?"
"Ja zeker, in het dok."
"Hebt ge dan een dok op het Heilig-eiland?"
"Waarom niet? De kooplieden van Archangel hebben er geen, zult gij
zeggen. Dat is zoo; maar de kooplieden zijn geen monniken. Zij drijven
handel; en wij, wij werken. Slava Bogu! (God lof!) een goede monnik
volbrengt zijne taak ordelijk en zonder tijdverspillen. Te Londen
hebt gij immers ook dokken?"
"Ja zeker, in menigte; maar die zijn niet door monniken gebouwd."
"Dat weet ik. In Engeland zijn er geen godsdienstige orden meer; maar
vroeger waren zij er, en toen stichtten zij gebouwen van allerlei aard,
niet waar?"
Terwijl ik hem met verbazing aanstaar, deelt de monnik, in zijn
ruw en onbeholpen matrozen-engelsch, mij eene tijding mede, die
mij van harte verheugt. Hoewel de boot, die de pelgrims overbrengt,
reeds hare winterkwartieren in het dok te Solowetsk heeft betrokken,
en de machinerie reeds is geborgen, zal toch binnen acht dagen een
schip met levensmiddelen naar het eiland afvaren.
"Kunt gij mij ook zeggen, waar ik den kapitein van dat vaartuig zou
kunnen vinden?"
"Hum!" antwoordt op langzamen toon de ander, terwijl hij een kruis
slaat en in stilte een schietgebed prevelt; "ik zelf ben de schipper."
Nu begrijp ik er niets meer van! Hoe, die man, die in Rusland een
dwerg mag heeten; die monnik in pij en kap, met zijne krullende lokken
als die eener vrouw, is de gezagvoerder van een schip, dat de zee
bevaart? Bij een nauwlettender blik op dit fijne, bijkans vrouwelijke
gelaat, treft mij echter de gloed der oogen, de donkere gebronsde tint,
de scherp geteekende mond met de fraaie tanden: eene uitdrukking van
kracht en vastberadenheid, die wel aan een zeeman voegt.
"En zoudt gij mij aan boord kunnen nemen?"
"U! Hoe, gij zijt een Engelschman, en gij wenscht de grafsteden der
heiligen te bezoeken? Dat is wel vreemd! Green uwer landgenooten gaat
ooit naar Solowetsk. Zij komen hier niet om te bidden, maar om handel
te drijven, somwijlen om tegen ons te vechten."
Hij sprak deze laatste woorden met doffe stem, en met blijkbaar kwalijk
bedwongen toorn. Onwillekeurig herinnerde ik mij, hoe eene dame te
Onega mij verhaald had dat zij, met hare russische vrienden eene week
te Solowetsk willende doorbrengen, zorgvuldig hare engelsche afkomst
verborgen had gehouden, uit vrees dat de monniken haar vermoorden
zouden. Dit nu was ongetwijfeld eene ijdele verbeelding: maar toch
joeg deze herinnering mij een huivering door de aderen, toen ik zag,
hoe de kleine man zijn voorhoofd fronste, en den somber dreigenden
toon zijner stem vernam, als hij van de engelsche vloot sprak.
Ik liet echter niets merken, en vroeg hem: "Waar is uw schip, en hoe
heet het?"
"Het ligt te Solombola, nabij de kaai der Pelgrims. De naam is la Verra
(het Geloof)."
Deze zeer bijzondere scheepskapitein boezemt mij belangstelling in. Een
anderen monnik, blijkbaar ook een zeeman, ontmoetende, vraag ik hem
naar den naam van mijn zonderlingen vriend.
"Hij heet Iwan," antwoordt mij deze man, een soort van noordschen
Hercules, met levendige oogen en stout gewelfd voorhoofd; "Iwan,
of liever Wanouchka, want hij is klein van gestalte, en wij houden
allen veel van hem."
Wanouchka beteekent letterlijk de kleine Iwan (Johannes). Voor ons,
vreemdelingen, heet de gezagvoerder steeds Vader Johannes.
Daar ik u nu toch eenmaal in kennis met hem gebracht heb, is het
misschien maar beter aanstonds te vertellen, wat ik later te weten
ben gekomen omtrent den levensloop van dezen wonderlijken kleinen
scheepskapitein met zijn monnikspij en golvende lokken.
Vader Johannes zag het levenslicht in een laplandsch dorp, en
had, bij zijne geboorte, geen ander vooruitzicht dan houthakker of
kabeljauwvisscher te worden, het harde en treurige leven te leiden,
waartoe de bewoners dezer rampzalige streken veroordeeld zijn. In
den zomer zou hij boomen moeten vellen en het schrale gras maaien;
in den winter, op zeehonden- en kabeljauwvangst uitgaan. Maar het
kind was levendig van aard, leergierig en vlug van begrip; hij brandde
van nieuwsgierigheid om vreemde landen te zien, en droomde zich eene
heerlijke toekomst, als hij eens gezagvoerder of eigenaar zou zijn van
een schip, zooals hij er nu en dan langs de kusten zag stevenen. Maar
om dien droom tot werkelijkheid te maken, moest hij kennis opdoen, de
behandeling van een schip leeren; weten hoe hij die groote gevaarten
op zee besturen en naar zijn wil leiden kon. Het gehucht, waar Iwan
geboren was, lag op ongeveer tien kilometer afstands van Kem, eene oude
stad, door kolonisten uit Nishny-Nowgorod op de kusten van Lapland
gesticht. Kem bezit eene kweekschool voor de zeevaart, wel eene zeer
eenvoudige en weinig ontwikkelde school, maar die toch altijd beter
was dan niets. Iwan werd daarop geplaatst: en nu was zijn lot beslist.
Zoo ge van Kem oostwaarts uwe blikken over de zee laat dwalen, ziet
ge uit de donkergrijze wateren een groep hooge en boschrijke eilanden
verrijzen, die, vooral in de vroege morgenuren, als met een waas
van tooverachtige schoonheid omgeven zijn, en met onwederstaanbare
macht u tot zich schijnen te trekken. In dit noordsche paradijs zijn
alle dalen en valleien met frisch en weelderig gras bekleed, prijken
alle hoogten met eene kerk met gekleurden koepel en verguld kruis:
dat is de eilandengroep van Solowetsk; en onze jonge kweekeling trok
er menigmalen ter bedevaart heen. De flikkerende lichten, de statig
zwellende muziek, het ernstig koorgezang, de rijke versieringen van
den tempel: dit alles maakte een diepen indruk op zijne levendige,
prikkelbare verbeelding; de herinnering aan het kalme, vreedzame
kloosterleven, met zijn rustigen arbeid en voegzamen overvloed,
week niet meer uit zijne ziel.
Hij kwam met glans door zijne examens, en ging naar Archangel, waar hij
een weinig stichtelijk leven leidde; toen knoopte hij kennis aan met
eenige duitsche matrozen van de Oostzee, wier gezelschap hem zoogoed
beviel, dat de vurige begeerte bij hem opkwam, met hen mede te gaan en
vreemde landen te zien. Maar daartegen bestond een groot bezwaar. Er
was gebrek aan matrozen in de russische havens; keizer Nikolaas had
al zijne zeelieden naar de kusten der Zwarte-zee gezonden; en een
russisch onderdaan mocht niet, zonder uitdrukkelijke vergunning van
de politie, zijn land verlaten. Iwan wist nu zeer goed, dat hem die
vergunning zou geweigerd worden. Toen dus het duitsche schip op het
punt stond van te vertrekken, sloop hij 's nachts heimelijk aan boord,
en kwam gelukkig de haven uit, zonder ontdekt te zijn.
Hij deed nu met dit schip, waar hij onder een anderen naam op de rol
was ingeschreven, verschillende reizen naar de duitsche en deensche
kusten, en somwijlen ook naar Engeland en Schotland, en vereenzelvigde
zich geheel met zijne makkers, in wier vroolijk en onbekommerd leven
hij deelde. Maar noch de verstrooiingen der havensteden, noch de
gesprekken van zijne luchthartige gezellen vermochten bij hem de
herinneringen uit te wisschen aan de vermaningen van zijn vader of
de lessen van zijn pope. Gelijk de Zwitser met heimwee aan zijne
bergen denkt, gelijk het hart van den fellah smacht naar den Nijl,
zoo verzuchtte Iwan in stilte naar zijne kerk, naar de vertroostingen
zijner godsdienst. Maar wat kon hij doen? De gedachte alleen aan een
terugkeer naar Kem joeg hem de schrik op het lijf: hij wist dat de
knoet, de kerker, de dwangarbeid in de mijnen hem in zijn vaderland
wachtten.
In den nood en de benauwdheid zijns harten sprak hij enkele malen
met zijne makkers over hunne godsdienst: sommigen lachten hem uit;
anderen wierpen hem scheldwoorden of verwenschingen naar het hoofd. Op
zekeren dag echter, dat hij zich aan wal bevond, bracht een oude
zeeman hem naar een katholiek priester. Iwan ontving nu iederen
morgen, gedurende vijf of tien minuten, onderricht in den roomschen
catechismus: maar weldra kwamen allerlei twijfelingen bij hem op,
en toen hij weder moest uitvaren, had hij nog niet gevonden wat hij
zoo vurig zocht. In den levant, waar heen hij nu ging, ontmoette
hij allerlei belijdenissen en kerkgenootschappen: maar hoewel hij
met de aanhangers van die allen in aanraking kwam, kon geen enkele
zijn hart geheel bevredigen. Toch wenschte hij zoo vurig een ander
en beter mensch te worden; toch dorstte zijne ziel naar hooger leven.
Zoo gingen jaren voorbij: een paar malen ontkwam hij te nauwernood
aan den dood in de golven, die zijn schip hadden verbrijzeld. De
ernstige ervaringen van zijn onrustig leven, de doorgestane gevaren
verlevendigden nog maar te meer zijne behoefte aan geloof en
gemeenschap met God: vermoeid van twijfelingen en vragen, zag hij
met stillen weemoed en smachtend verlangen terug naar het dierbare
geloof zijner gelukkige kinderjaren. Maar aan die kerk was hij vreemd
geworden: hoe zou hij tot haar wederkeeren?
Terwijl hij door deze gedachten en begeerten geslingerd werd, bood
zich onverwacht eene gelegenheid voor hem aan, om naar zijn vaderland
terug te keeren. Het duitsche schip, waarop hij diende, werd naar
Archangel bevracht; en daar Iwan de eenige Rus aan boord was, kon hij
den kapitein van groote dienst zijn. Deze tijding bracht hem in groote
spanning. Hij brandde van begeerte om naar zijn vaderland terug te
keeren, op de graven zijner vereerde heiligen te knielen, aan zijne
moeder eene kleine geldsom ter hand te stellen, die hij voor haar had
opgespaard; maar er waren reeds twaalf jaren verloopen, sedert hij
eigenmachtig, zonder vergunning, Rusland verlaten had: en hij wist,
dat op dit misdrijf verbanning naar Siberië stond. De vrees overwon:
hij zeide tegen den kapitein dat hij den tocht niet mede zou maken,
maar zijn ontslag nam.
Doch de kapitein was een man, die zijne zaken verstond, en zich niet
aldus liet afschepen. Hij was den jonkman ongeveer zevenhonderd gulden
schuldig; hij zeide nu, dat hij geen geld had en dus niet met hem kon
afrekenen; wilde Iwan medegaan naar Archangel, waar de kapitein bij
de aflevering zijner lading, eene aanzienlijke som moest ontvangen,
dan zou hij hem daar betalen. Een russisch spreekwoord zegt, dat
het geld gaarne geteld wil wezen: en als Iwan zijne leege zakken
nazag, kwam hij tot de overtuiging, dat het toch maar beter was,
naar Archangel te gaan en zijne gage te ontvangen, in de hoop dat
hij wel een of ander middel zou vinden, om zich uit zijne valsche en
gevaarlijke positie te redden.
Daar hij zijn baard had afgeschoren en een valschen naam droeg, zou
hij Archangel ook zeker weder hebben kunnen verlaten, zonder ontdekt
te worden, indien hij zich, den avond vóór zijn vertrek, niet door
eenige duitsche matrozen had laten verlokken om naar eene herberg
te gaan. Twaalf jaren onthouding hadden hem de kracht van den vodka
doen vergeten: hij dronk te veel; en toen hij den volgenden morgen
uit zijn roes ontwaakte, waren zijne kameraden vertrokken en had het
schip de haven verlaten. Wat nu te doen? Vervoegde hij zich bij den
duitschen consul, dan zou hij als deserteur beschouwd en gestraft
worden; wendde hij zich tot de russische overheid, stond hem dan niet
de knoet te wachten? In zijne verslagenheid dwaalde hij door Archangel,
berouw gevoelende over zijne terugkomst, toen hij een zijner vroegere
makkers van de kweekschool ontmoette, Jakob Kollownoff, die goede
zaken gemaakt had, en nu eigenaar was van een klein schip, waarmede
hij verre en gevaarlijke tochten ondernam. De volgende week zou hij
naar Spitsbergen onder zeil gaan om kabeljauw te vangen, die hij aan
boord inzoutte en naar de markt te Kronstadt bracht. Kollownoff kende
Iwan als een man van karakter en moed, en een uitmuntend zeeman: hij
maakte volstrekt geen bezwaar om hem bij zich aan boord te nemen. De
vangst slaagde boven verwachting, en het vaartuig bereikte gelukkig de
haven van Kronstadt; maar de volgende reis was minder voorspoedig: het
schip stootte op een klip, en de bemanning redde niet dan met moeite
het leven. Nu van alles ontbloot, stond bij Iwan het besluit vast,
om het zeeleven vaarwel te zeggen en naar Rusland terug te keeren,
wat hem daar dan ook wachten mocht.
Hij ging met Jakob Kollownoff naar Kem, en werd, daar zijne papieren
niet in orde waren door de politie gearresteerd en in de gevangenis
geworpen, waar hij twaalf maanden doorbracht, zonder verhoord te
worden. Eindelijk werd hij naar Archangel gevoerd, om daar, zooals
men hem zeide, met tweejarigen dwangarbeid in het fort te worden
gestraft. Maar dit bleek een ijdel dreigement: want te Archangel werd
hij op nieuw ondervraagd en in vrijheid gesteld.
Zoo was hij dan in zijn vaderland en vrij. Nu verrees weder voor zijn
geest het heerlijk visioen der Heilige-eilanden, stralende van goud,
van lichtglans en groen, een paradijs van vrede en geluk. Hij had het
woelige leven der wereld geproefd: zijn hart smachtte naar rust. Hij
wilde monnik worden te Solowetsk.
De gelegenheid was hem gunstig: een goed matroos was voor het klooster
zeer gewenscht. Men had juist te Glasgow eene stoomboot gekocht, om
de pelgrims over te voeren; dadelijk na de aankomst der boot in de
haven te Archangel, had de archimandriet van Solowetsk de engelsche
bemanning weggezonden en zelf met zijne monniken handen aan het werk
geslagen. Maar de brave mannen konden met dit werk niet best overweg;
ook voelden zij zich op dit vreemde vaartuig volstrekt niet op hun
gemak: weldra werd de schotsche ingenieur terug geroepen. Echter legden
de monniken zich ijverig op de behandeling van schip en machine en
op de stuurmanskunst toe; zij wonnen raad en voorlichting bij hunne
landgenooten in; namen enkele gelukkige proeven, en brachten het
eindelijk zoover, dat zij vreemde hulp konden ontberen. De rollen
werden verdeeld: een priester werd tot gezagvoerder benoemd; monniken
deden dienst als matrozen, fungeerden als hofmeester en zorgden voor
de machine. Toch, hoewel de zaak nu tamelijk goed ging, was iemand
als Iwan, op dat oogenblik, voor het klooster een waar godsgeschenk:
want de reis naar Solowetsk is juist niet een pleiziertochtje; en
de vroomste pelgrim, ja, de archimandriet zelf, vindt het wel zoo
geruststellend, als hij op de Witte-zee dobbert, dat de bescherming
der heiligen hem zichtbaar verleend wordt door tusschenkomst van een
kloek en ervaren zeeman. Zoo werd de zwerveling met open armen in het
klooster ontvangen; maar vader Johannes heeft nog de oude liefde van
Iwan voor de zee niet verloochend.
Eene dame, die met de landstreek bekend is, heeft de vriendelijkheid
gehad mij te voorzien van al datgene, waaraan een kloostercel,
vooral te Solowetsk, in den regel behoefte heeft: heerlijke thee,
een ossentong, versche boter, kaas, biefstuk, tarwebrood, kussens en
dekens. Met dezen schat bij mij, toog ik naar de kaai der pelgrims en
naar het hoogst eenvoudige havenhoofd, het eenige dat Archangel bezit,
waar de reizigers over een plank van en naar boord moeten gaan.
Het sierlijke vaartuig ligt op ons te wachten; de bazaanmast prijkt
met een gouden kruis; aan den grooten mast wappert een kerkelijke
banier. Op den voorsteven prijkt zijn naam, Verra, in zeer groote
gouden letters. Vader Johannes staat op het dek, en geeft met
zachte stem zijne bevelen aan de officieren en matrozen, die voor
het meerendeel monniken zijn; de luitenant, de hofmeester, de kok,
de machinist, allen dragen de monnikspij.
Op de kaai der pelgrims, die door poorten van de straat gescheiden
en zeer onregelmatig met houtspaanders geplaveid is, verheft zich
een geheel nieuwe groep van kloostergebouwen: kapellen, cellen,
magazijnen, kantoren, winkels, slaapzalen: in één woord, een nieuw
tweede pelgrimshof. Sedert de stoombooten niet meer tot het oude
pelgrimshof, in de bovenstad, kunnen doorvaren, hebben de vrome vaders,
zich schikkende naar de eischen van den tijd, nabij den oever der
rivier nieuwe gebouwen ten dienste der bedevaartgangers opgericht.
Eene dichte schaar van mannen en vrouwen, pelgrims, landloopers,
soldaten, houdt de toegangen naar den aanlegsteiger bezet; de grond is
rondom bedekt met manden en korven, samovars, kooktoestellen, bedden
en dekens, gedroogde visschen, laarzen, oude mantels en pelsjassen,
doozen met zout, roggebrood, enz. Te midden der groepen bewegen zich,
met rustigen tred en een weemoedige uitdrukking op hun zachtzinnig
gelaat, vijf of zes monniken; zij helpen hier een kind aan boord
stijgen, bezorgen ginds een armen schooier vrijen overtocht, koopen
een brood voor een armen kreupele: in één woord, zij zijn overal
bezig, om waar zij kunnen de ongelukkigen en behoeftigen onder de
schare te helpen. Hoewel het jaargetijde reeds vrij ver gevorderd is,
staan toch nog ongeveer tweehonderd pelgrims op de kaai gereed, in de
hoop van naar de heilige eilanden te kunnen oversteken. De meesten
hebben geld genoeg om hun overtocht te kunnen betalen; sommigen
zelfs zijn rijk. Van deze laatsten zijn er eenigen die te Archangel
wonen, maar die, in Juni te zeer door hunne zaken bezig gehouden,
het stille seizoen afwachten om den pelgrimstocht te volbrengen. Ieder
passagier is voorzien van eene mand met brood en visch, een theedoos,
een warmen deken, en een paar groote vilten slopkousen, die men 's
nachts over zijne laarzen aantrekt. Deze bedevaartgangers houden den
traditioneelen staf in de hand; maar in de plaats van een lederen
gordel en drinkflesch, hebben zij een samovar (bouilloir) en een beker.
De prijs der plaatsen is zeer laag: in de eerste klasse zes roebels
(ongeveer negen gulden); in de tweede vier roebels; in de derde drie
roebels. Hieronder is niet alleen de heen- en terugreis begrepen,
maar ook het logies in de herberg van het klooster en het eten aan de
algemeene tafel, gedurende ongeveer een week. Een vijftiental pelgrims
hebben geen cent op zak: zullen zij op de kaai achterblijven? Neen:
Vader Johannes heeft tot vasten stelregel, aan niemand den overtocht
te weigeren.
De bel wordt geluid, de plank ingehaald; wij zijn op weg. Op het
oogenblik dat wij afvaren, neigen zich honderd hoofden, maken honderd
handen het teeken des kruises: iedere pelgrim beveelt zich biddend
aan Gods bescherming. Zoo dikwerf wij langs eene kerk varen, maken
allen weder het teeken des kruises, ontblooten het hoofd, en prevelen
een gebed. Sommigen knielen op het dek; anderen kussen het tuig. De
mannen vooral leggen een grooten ijver, eene vurige vroomheid aan
den dag; de vrouwen zijn over het algemeen kalmer. De bemanning der
visschersbooten groet ons eerbiedig in het voorbijvaren; somwijlen
knielen zij, altijd maken zij het teeken des kruises en nemen de muts
af. Meer dan één visscher vraagt om voor hem te bidden.
De verdeeling der passagiers aan boord is zeer eenvoudig. Een
enkele heeft eene plaats genomen voor de eerste klasse: hij heeft
dus de geheele kajuit tot zijne beschikking. Een scheepskapitein
en zijne vrouw maken te samen het personeel uit der tweede klasse:
dit waardig echtpaar heeft lange jaren op zee gezworven en goede
zaken gemaakt; zij gaan nu te Kem van hunne renten leven. Al de
andere bedevaartgangers, rijken en armen, kreupelen en blinden,
kooplieden en bedelaars, kwakzalvers en heiligen, zijn op het dek en
in de voorkajuit vergaderd. Eene zonderlinge karakteristieke groep,
waaronder een schilder kostelijke typen zou kunnen vinden voor een
Sint-Dominicus of een Johannes den Dooper. Hun kostuum en hunne taal
bewijzen dat zij uit alle deelen van het groote rijk afkomstig zijn:
uit Ukraine en Georgië, van het Oeral-gebergte en de Krim, van de
golf van Finland en de kusten der Gele-zee. Er zijn er onder hen,
die om Archangel te bereiken, meer dan een jaar lang hebben gereisd,
dwars door de kille sneeuwvelden van den winter, door de brandende
zandvlakten van den zomer.
Sommigen van deze pelgrims, zelfs onder de meest haveloozen, brengen
voor het klooster eene gave mede, die niet verwerpelijk is. Allen
storten hunne offerande in de bus, ieder naar de mate van zijn
vermogen. Zeervelen brengen bovendien geschenken mede van vrienden of
buren, die zelf verhinderd waren om de dikwijls lange en gevaarlijke
reize te ondernemen.
Wij zijn tot den mond der rivier genaderd; de scherpe noord-westenwind
dringt verstijvend door merg en been. In een dikken en zwaren mantel
gewikkeld, staat Vader Johannes op het dek, met kalme zekerheid
den gang van zijn schip besturende. Zijne monniken tarten den al
feller en feller woedenden wind, door een aanheffen van een psalm,
waarmede pelgrims en soldaten aanstonds instemmen. De passagier van
de eerste klasse waagt zich een oogenblik op het dek, trots ijzel
en killen regen: want dit gezang, te midden van het gehuil van den
wind en het loeien der golven, is voor hem iets vreemds, dat hij
nog nooit op zee heeft gehoord. Velen van deze zangers zijn in het
vooronder, ingesloten tusschen zakken met rogge en vaten met vet;
enkelen lijden vreeselijk aan de zeeziekte: toch mengen verreweg de
meesten, met ten hemel geheven blikken en van aandoening trillende
stem, zich in het statige koraal, dat met volle, indrukwekkende tonen
voortrolt over de duistere, kokende zee. Zij zingen het avondlied:
nu de zon ter kimme daalt, verheffen zij, naar vrome gewoonte, hunne
harten tot hunnen Schepper en brengen hem hunne eerbiedige hulde.
De volgende morgen brak aan in duisternis. Iemand verkondigt op het
dek, dat de zon is opgegaan: maar niemand kan haar zien, want een
dikke nevel omgeeft aan alle zijden de boot; wij vernemen niets dan
het klagend huilen van den wind en het kletteren van den regen. De
Verra moet tegen den middag in de baai van Solowetsk zijn; maar reeds
vroeg in den morgen deelt Vader Johannes mij in vertrouwen mede,
dat hij blijde zal zijn, als wij voor vijf uur in de haven komen.
En ook dit uur is reeds lang voorbij, en nog zijn wij niet aan de
Heilige-eilanden.
Met het zoeken naar eene geschikte ankerplaats langs de kust, verloopen
nog twee uren; en ik zie met genoegen dat Vader Johannes hoegenaamd
geen bedenking heeft tegen het gebruik van het dieplood. Eindelijk
is de geschikte plek gevonden: het anker wordt uitgeworpen; en nu,
door de heftige branding op en neder gewiegeld, maar veilig voor
de stormvlagen, liggen wij, in acht vademen diepte, op een kwart
kilometer van de kust.
Het was een ruwe akelige nacht. De stormwind gierde en bulderde met
toomeloos geweld; het schip slingerde en danste op de golven. Gelukkig
dat de bedachtzame pelgrims, nog voor wij in volle zee staken, hun
maal hadden gebruikt.
Op korten afstand van ons wordt een hollandsche klipper op het strand
geworpen: de lading is verloren, maar de bemanning wordt gelukkig
gered. Twee russische sloepen worden voor onze oogen verbrijzeld;
een daarvan gaat met allen die er in zijn te gronde.
Tegen den morgen gaat de wind eindelijk liggen; in het noordoosten
kleurt zich de hemel, en in den zachten glans van den rozekleurigen
dageraad doemen in de verte de groene koepels en de vergulde kruisen
van het eiland Solowetsk voor onze blikken op. Dit gezicht vervult
aller hart met blijdschap; de pelgrims, die een tocht van drie-
of vierhonderd kilometer hebben afgelegd om deze heilige tinnen te
aanschouwen, kunnen ze nauw met inniger verrukking groeten dan de
vreemdeling, wien louter nieuwsgierigheid hier henendreef.
Terwijl allen, met vurigen ijver, hunne gebeden opzeggen, varen wij
langs eene schilderachtige kust, beurtelings met rotspartijen en groene
dalen geschakeerd, tot wij een kanaal inloopen, waar zeehonden dartelen
en duiven vliegen. Eindelijk, op een schoonen, kalmen Augustusmorgen,
te acht uur, werpt de Verra het anker uit in eene stille baai, onder
de muren van het klooster.
VII.
DE HEILIGE-EILANDEN.
Solowetsk, het voornaamste van eene groep eilanden, op eenigen afstand
van de kust van Karelië gelegen, is slechts eene kleine bloeiende
plek gronds, tusschen de drie en vier mijlen lang, en twee tot drie
mijlen breed. De hevige golfslag in deze bijna altijd door stormen
bewogen zee heeft de uit veen en steenachtige lagen gevormde kust
sterk aangetast, en eene menigte kreeken en inhammen gevormd; in het
midden van het eiland is het water van weêrszijde zoover landwaarts
ingedrongen, dat niet meer dan eene smalle strook overblijft, waarop
het klooster is gebouwd.
Het Heilige-eiland ligt juist onder den zes-en-zestigsten graad
noorderbreedte, iets noordelijker dan Watna Jökull. De vele,
in het rond verspreidde, kleinere eilanden der groep leveren een
schilderachtigen aanblik op; de schuimende golven der wilde zee,
met bulderend gerucht op de rotsen brekende; de met donkergroene
mossen begroeide stranden, waarboven zich de ernstig sombere pijn- en
berkenbosschen verheffen; de grillig gevormde, ver in zee uitstekende
kapen; de bochtige inhammen, waar het onstuimige water tot rust komt;
de gele duinen en tamelijk hooge, met bosschen bedekte heuvelen:--dit
alles te zamen vormt een landschap van onbetwistbare romantische
schoonheid. Op elken heuvel troont eene witte kerk, die haar groenen,
met een verguld kruis versierden koepel boven het geboomte verheft. Het
land, de lucht en de zee, alles is in harmonie, boeit en bekoort u;
het geheele tafereel laat een onuitwischbaren indruk achter, dubbel
aangrijpend voor ons, na den doorworstelden bangen stormnacht.
Terwijl wij, na aan land gestapt te zijn, langs de kaai voortwandelen,
merken wij met genoegen overal de teekenen van leven en welvaart
en beweging op. Lappen, Russen, Samojeden, lieden van allerlei
nationaliteit en afkomst, loopen op de kaaien heen en weder:
Solowetsk is niet alleen een gewijd oord, een soort van toovereiland,
maar ook een brandpunt van beschaving. De aanlegplaats is ruim, de
haven gemakkelijk en doelmatig ingericht. Aan onze rechterhand zien
wij het dok, waarvan Vader Johannes met zoo billijken trots heeft
gesproken. De Hoop, die eigenlijk voor het vervoer der pelgrims is
bestemd, en daar ook veel beter voor geschikt is dan de Verra, waarmede
wij den overtocht gedaan hebben, ligt daar onttakeld.--Ter linkerhand
verrijst het logement voor de vreemde gasten: een smaakvol, bevallig,
sierlijk gebouw, dat gerust de vergelijking zou kunnen doorstaan met
de fraaiste hotels aan de italiaansche meren. Verderop zien wij nog
een paar kranen, en een paardenspoor, dat van de haven naar een groot
magazijn van koopwaren loopt.
Langs de kaai strekt zich een lange muur uit, met poorten en torens
voorzien. Achter dien muur verrijzen de gebouwen van het klooster, met
het paleis, en de vele koepels en vergulde kruisen. Een breede trap,
waarvan de onderste treden door de golven overspoeld worden, voert
naar de Heilige-poort; vlak daarbij staan twee votief-kapelletjes,
die de plaatsen aanwijzen, waar Peter de Groote en Alexander II,
bij hun bezoek te Solowetsk, aan wal stapten.
Al de gebouwen dragen een onbedriegelijken stempel van hechtheid
en sterkte; sommigen zijn betrekkelijk vrij oud. De geduchte muren
en de zware torens zijn, in de laatste helft der zestiende eeuw,
van reusachtige, uit zee opgevischte steenblokken gebouwd. Het
paleis, de kerk en de klokketoren, binnen deze omwalling gelegen,
zijn de oudste gewrochten van menschelijke kunst op dit afgelegen
eiland. De kerk der Transfiguratie is veel ouder dan de buitenmuur;
die der Hemelvaart dagteekent uit den tijd toen Sint-Filippus prior
van Solowetsk was. Maar behalve door deze aantrekkelijkheid van den
ouderdom, boeit het Heilige-eiland u ook door den zin voor kunst,
het gevoel voor kleur en harmonie, dat overal uit de monumenten
spreekt. De votief-kapellen, hier en daar in het donkere lommer der
bosschen verscholen, doen eene wonderschoone uitwerking; de roode
kruisen, in menigte langs den oever geplant, geven aan het geheele
landschap een eigenaardig ernstig karakter. Eenige ruwe, maar toch niet
geheel onverdienstelijke fresko's versieren den voorgevel der oude
kathedraal. Het gewelf der Heilige-poort is evenzoo met schilderwerk
getooid; de torenspitsen en koepels der kerken zijn een lust voor het
oog, en schitteren u reeds van verre tegen met haar levendig groene
verwen en rijke verguldsels.
Hoog boven alle andere gebouwen welft zich een hemelsblauwe, met
gouden sterren bezaaide koepel, die in de eerste plaats de blikken der
pelgrims tot zich trekt. Met dankbare verrukking staren zij hem aan:
want die koepel kroont eene nieuwe kerk, gesticht ter herinnering
aan het gedenkwaardige jaar 1854, toen de engelsche vloot door de
genadige tusschenkomst der moeder Gods werd overwonnen.
Van binnen ziet het klooster er veel indrukwekkender en veel prachtiger
uit dan van buiten. De muren, de torens, de kerken, het logement
voor de vreemdelingen, de gevangenis: alle gebouwen in één woord,
zijn van gehouwen en gebakken steenen opgetrokken. Geen portaal, geen
galerij, geen gang, die niet met schilderwerk is versierd. Het is
waar: deze schilderijen staan, als kunstwerken, op geen hoogen trap;
maar ondanks de onbeholpenheid en ruwheid der uitvoering, maken toch
deze tafreelen, aan de schrift ontleend, een stichtelijker indruk dan
eenvoudige witkalk. Het schilderwerk in de kerk, op de zuilen en de
beschotten, die het koor van het schip afscheiden, draagt blijken van
hooger ontwikkelde kunstvaardigheid: hoewel ook dit zeker geen genade
zou vinden in de oogen van hen, die alleen voor de meesterstukken
der italiaansche school hunne bewondering over hebben. De teekening
is zeer dikwijls zwak, de kleuren zijn schel en zonder harmonie, de
gouden versiersels zijn in veel te kwistigen overvloed aangebracht;
toch laat dit mozaïek van goud en kleuren u niet koel, vooral niet
wanneer de lampen zijn aangestoken, het statig psalmgezang door de
gewelven weergalmt, de blauwe wierookwolken opwaarts kronkelen, en de
monniken met hunne lange tabbaarden en zwarte kappen, in eerbiedige
houding, voor de koninklijke poort geschaard staan.
Tegen den muur van het klooster, dicht bij de Heilige-poort,
staat een net wit gebouwtje, dat den naam draagt der kerk van het
wonder. Een pelgrim, zoo luidt de overlevering, die op deze plek een
stuk tarwebrood at, hem door een weldadigen pope geschonken, liet
eenige kruimels daarvan op den grond vallen. Aanstonds schoot een
hond, van zonderlinge gestalte, toe, om deze kruimels op te happen;
maar het brood begon zich in den muil van het dier te bewegen, zoodat
hij het niet door kon slikken. Die hond nu was niemand anders dan de
duivel in eigen persoon. Verschillende menschen waren getuigen van
deze overwinning, door het gewijde brood op den vorst der duisternis
behaald; en de monniken van Solowetsk stichtten, tot een aandenken,
een kapel op de plek waar dit wonder was geschied.
De dagen van ons verblijf waren grootendeels gewijd aan verschillende
uitstapjes, te voet, te paard of met eene boot, naar de omliggende
eilanden. Overal dezelfde schoone, indrukwekkende landschappen, rijk
aan afwisseling en toch zoo geheel hetzelfde karakter dragende. Met
stille verrukking dwalen wij door de dennen- en berkenbosschen,
waar de fiere stammen als zuilen ten hemel rijzen, en in het dichte
kreupelhout kleurige bessen en bleeke noordsche bloemen den wandelaar
aanstaren. Van tijd tot tijd opent zich het ernstige woud, en volgt
uw blik de sierlijke golving van eene vredige, groene vallei, in wier
diepte een helder meertje sluimert. Verkwikkende geuren vervullen de
lucht; een diepe, weldadige, heilige stilte ligt over het geheele
landschap uitgebreid. Bij iedere kromming van den weg verrijst een
smaakvol gebeeldhouwd, rood geschilderd kruis; aan het einde van ieder
woudpad schuilt in het lommer eene met levendige kleuren beschilderde
kapel, de stille woning van een of anderen kluizenaar. De grootste
bekoorlijkheid dankt dit verrukkelijk schoonen landschap echter
aan zijne schilderachtige meren, in de diepe schaduwen der pijn- en
berkenbosschen verscholen, wier aantal op de verschillende eilanden
meer dan honderd bedraagt. Tooverachtig schoon is de aanblik dier
kalme, heldere waterkommen, van alle kanten door hoog, donker, ernstig
geboomte omgeven, somwijlen met eilandjes bezaaid, vredig kabbelende
in de ongestoorde eenzaamheid des wouds. Het beroemdste van al deze
meren is het zoogenaamde Heilige-meer achter den muur van het klooster,
waarin de pelgrims zich dadelijk na hunne aankomst gaan baden.
Geen vrouwelijk wezen mag in den gewijden archipel verblijf
houden. Op Solowetsk zelf worden de vrouwen niet dan voor zeer
korten tijd, om haar gebed te doen, toegelaten, en mogen zij, zonder
bepaalde vergunning, niet overnachten. Dit verbod is afkomstig van
Sint-Savatius, den eersten kluizenaar, die zich op deze eilanden
vestigde.
Op zekeren dag, toen hij nabij een meer zijn gebed deed, hoorde hij
plotseling een kreet, als van eene vrouw die in nood verkeert. In zijne
cel teruggekeerd, verhaalde hij dit vreemde geval aan den monnik, die
hem in deze eenzaamheid gevolgd was. Zijn metgezel beduidde hem, dat
hij zich vergist moest hebben: in deze wildernis was toch geene enkele
vrouw te vinden, en de kust van Karelië was verre weg. De heilige man
ging op nieuw naar buiten om te bidden; maar wederom werd hij gestoord
door luid roepen, jammeren en snikken. Den oever van het meer volgende,
ten einde te ontdekken vanwaar dat geluid kwam, vond hij eene jonge
vrouw op den grond liggen, wier lichaam de sporen droeg van slagen en
mishandeling. Het was de vrouw van een visscher. Op de vragen van den
kluizenaar, verhaalde zij dat haar, kort na het vertrek van haar man,
twee jongelingen waren verschenen, met stralend gelaat en in witte
kleeding; deze jongelingen hadden haar gelast, het eiland te verlaten,
er bijvoegende dat geene vrouw hier mocht overnachten, aangezien deze
grond aan God was gewijd. Op hare weigering, hadden de jongelingen haar
ter aarde geworpen en met roeden geslagen. Toen zij weder loopen kon,
vertrok de arme vrouw in hare boot, en Sint-Savatius zag haar niet
terug. Wel kwam haar man, als naar gewoonte, naar, Solowetsk om te
visschen; maar hij verscheen steeds alleen. Aldus werd de vrouw door
de engelen van het heilige eiland verdreven.
Sint-Savatius was monnik in het klooster van Belozersk te
Nowgorod. Onvoldaan met den leefregel in zijn klooster, naar
strenger tucht en meer volledige afzondering verlangende, wist
hij een zijner medebroeders, Valaam geheeten, te overreden, hem
te volgen naar de onherbergzame wildernissen langs de oevers der
IJszee. De krijgshaftige bojaren ondernamen juist in dien tijd
telkens nieuwe veroveringstochten naar het noorden: wat zij deden
om glorie en voordeel, wat de kooplieden deden uit winzucht, zouden
godvreezende mannen dat niet kunnen doen ter liefde van Christus? Na
den nacht, voor het altaar geknield, in gebeden te hebben doorwaakt,
togen dezen edelen en kooplieden naar hun aartsbisschop, en spraken
tot hem: "Vergun ons, o vladika! heen te gaan, ruiter en ros, om
nieuwe landstreken voor Sinte-Sophia te veroveren; en geef ons uwen
zegen!"--En de aartsbisschop gaf zijn zegen: en zij trokken heen vol
nobele geestdrift, om te Kem, te Soumo, te Sorozka en op vele andere
punten, nieuwe koloniën te stichten, die de macht en de welvaart
van het heerlijke Nowgorod hielpen vermeerderen. De groote daden der
bojaren wekten bij Savatius de vurige begeerte op, hun voorbeeld te
volgen, en op zijne beurt het zaad des levens te gaan strooien in de
huilende wildernis, waarheen zij den weg hadden gebaand.
Savatius en Valaam namen den staf op en trokken door onbetreden
wouden en naakte zandwoestijnen, altijd naar het noorden, tot zij,
ten jare 1429, aan de oevers van de Wyg kwamen, waar zij een monnik
vonden, Germanus genaamd, die mede uit het zuiden was gekomen. Alle
drie richtten zich nu naar het oosten, en bereikten den oever der
Witte-zee, vanwaar zij een eenzame eilandengroep uit de onstuimige
wateren zagen opdoemen; zij bouwden nu eene lichte boot, om den zeearm
over te steken, die hen van deze groep scheidde. Savatius en Germanus
landden aan het grootste eiland, en hielden stil aan den zoom van
een klein meer, aan den voet van een met dennen en berken beplanten
heuvel. Van den top diens heuvels konden zij de gansche eilandengroep,
en den breeden zeeboezem, van kaap Orloff tot de hooge kusten van
Kem, overzien.
Savatius had eene beeltenis van de heilige-maagd medegebracht, die hij
in eene eenvoudige, van planken getimmerde kapel ophing. Daarnevens
bouwde hij voor zich en zijn metgezel een rieten hut, waarin zij
te zamen een heilig en vreedzaam leven leidden, aan gebed en vrome
overdenking gewijd. Na verloop van zes jaren, keerde Germanus naar de
oevers van de Wyg terug. Savatius, alleen op zijn eiland te midden van
den oceaan achtergebleven, kon de gedachte niet verdragen dat geen
priester aan zijn sterfbed zou staan om hem de biecht af te nemen
en na zijn dood in gewijde aarde te begraven. Hij zette zich dus
in zijne boot, en kwam naar Sorozka, waar vader Nathanaël de prior,
die zich bij toeval juist aldaar bevond, hem ontving en de laatste
sakramenten toediende. De vrome kluizenaar had zijne taak hier op
aarde voleind: hij legde zich neder om te sterven.
Het lijk werd in de zandige velden van Sorozka ter aarde besteld,
en op zijn graf verrees eene eenvoudige kapel van dennenstammen, aan
de heilige-drie-eenheid toegewijd. Sint-Savatius zou waarschijnlijk
voor altijd daar eene vergeten rustplaats hebben gevonden, indien
niet een ander man, van doorzettend en ondernemend karakter, zijne
schreden naar deze plek had gericht.
Een moedig burger van Nowgorod, Gabriël genaamd, had zich met Barbara
zijne vrouw, in het pas gestichte dorp Tolvoi, nabij het meer Onega,
gevestigd. Deze lieden hadden een zoon, Zosimus geheeten, die, van
zijne kindsheid Gode gewijd, reeds als knaap de klooster-gelofte had
afgelegd. Toen Zosimus den jongelingsleeftijd bereikt had, verdeelde
hij zijne goederen onder zijne nabestaanden, nam den pelgrimsstaf ter
hand, en richtte zijne schreden naar het noorden. Te Suma ontmoette hij
Germanus, die hem verhaalde, hoe hij zes jaren lang, met Savatius, op
zijne rots midden in de zee, als kluizenaar had geleefd. Zosimus, door
dit verhaal levendig getroffen, bad Germanus hem de plek te wijzen,
waar hij en Savatius zoo vele jaren in stille afzondering hadden
doorgebracht. Germanus gaf toe: een gunstigen wind voerde de beide
reizigers, in hunne ranke boot, naar het eiland, waar zij in eene
kleine baai aan wal stapten. De oever was met hoog geboomte bezet,
en weldra ontdekten de beide pelgrims, in de nabijheid der kust,
een helder meer van zoet water, rijk aan visschen van allerlei soort.
Terwijl Zosimus op het strand geknield lag, had hij een verrukking
van zinnen. Aan den oever van dat bevallige, schilderachtige meer
zag hij, als in geestvervoering, eene indrukwekkende reeks statige
kloostergebouwen met torens en koepels gekroond. Toen het gezicht
verdwenen was, sprak hij met zijn vriend Germanus over dit verrukkelijk
visioen: hij beschreef hem, tot in de kleinste bijzonderheden,
het voorkomen en de verdeeling der gebouwen, met hunne muren en
poorten, hunne torens en tinnen en koepels: in één woord, het gansche
klooster, in al zijne heerlijkheid. De vrome reizigers twijfelden geen
oogenblik aan de beteekenis van dit gezicht: zij velden aanstonds
een boom, en hieuwen daarvan een groot kruis, dat zij in den grond
plantten. Aldus werd het groene eiland--eene oasis te midden van de
IJszee--plechtiglijk gode gewijd. Dit geschiedde in 1436, een jaar
na den dood van Savatius.
De twee kluizenaars bouwden zich nu hutten, in de nabijheid van het
door hen geplante kruis. De plaats, waar deze hutten gestaan hebben,
wordt thans nog door twee kapellen aangewezen.
Weldra ging het gerucht van deze vrome jongelingen uit door het
omliggende land, en verspreidde zich van klooster tot klooster;
al spoedig kwamen eene menigte monniken zich bij hen voegen,
vol ijver om de kluizenaars te helpen in de heilige taak, die zij
hadden aanvaard. Het duurde niet lang, of nevens het nederige kruis
van dennenhout verhief zich eene eenvoudige kerk, en daar geen der
pelgrims de priesterwijding ontvangen had, zonden zij een hunner
naar den aartsbisschop van Nowgorod, om zijn zegen op hun werk
te vragen, en hem tevens te verzoeken hun een priester te zenden,
die de kerk kon wijden en de mis bedienen. De aartsbisschop gaf aan
hun wenschen gehoor, en zond Pavel, zijn dienaar, naar Solowetsk;
deze wijdde de kerk en bediende de heilige mysteriën der godsdienst;
maar het ruwe klimaat dwong hem weldra, het opkomend klooster weder
te verlaten. Hij werd opgevolgd door Theodosius, die weinige jaren te
Solowetsk vertoefde, maar toen door ziekte genoopt werd den herdersstaf
neder te leggen. Ditzelfde was ook het geval met Yon, den derden prior.
Na het vertrek van dezen laatste, hielden de monniken te zamen raad. Er
waren nu ongeveer twaalf jaren verloopen, sedert Pavel de kerk had
gewijd: en reeds hadden drie priors elkander in het bestuur over
het klooster opgevolgd. De ondervinding had nu geleerd, dat mannen,
die het grootste gedeelte huns levens in zuidelijker streken hadden
doorgebracht, op den duur niet bestand waren tegen het ruwe klimaat van
de Witte-zee. Zij besloten mitsdien den aartsbisschop te verzoeken,
een uit hun midden tot prior te benoemen; en met algemeene stemmen
kozen zij Zosimus, die altijd de ziel, en leider en het wezenlijke
hoofd der kolonie was geweest, tot hun tijdelijk opperhoofd. Zosimus
liet zich, op aandringen der broederen, de keuze welgevallen;
hij nam den pelgrimsstaf ter hand en deed, te voet, de lange reis
naar Nowgorod: een tocht van minstens driehonderd-vijftig mijlen,
door eene landstreek, die toen, voor verreweg het grootste gedeelte,
eene ongebaande wildernis was. Hij bereikte zonder ongeval de groote
stad, en werd door den vladika tot priester gewijd; bovendien wist hij
van de bojaren eene schenking van den archipel van Solowetsk aan het
klooster te bekomen. Toen hij in het klooster terugkeerde, was hij met
de dubbele waardigheid van pope en prior bekleed. Vergunning bekomen
hebbende om de stoffelijke overblijfselen van Savatius, van Sorozka
naar Solowetsk over te brengen, liet hij het lijk van den kluizenaar
opgraven; het lichaam, dat nog geheel ongeschonden was, werd nu met
groote staatsie naar het eiland vervoerd, en in de krypt der jonge kerk
bijgezet. Zosimus regeerde als prior gedurende zes-en-twintig jaren,
en stierf, door de broederen betreurd, in den reuk van heiligheid.
Dit meldt de overlevering aangaande de stichting van het klooster
te Solowetsk.
Reeds voor mijn vertrek naar Archangel had ik van den bisschop een
aanbevelingsbrief aan Feofan, den archimandriet (abt) van Solowetsk
verzocht en verkregen, en dien vooruitgezonden. Nauwelijks was ik aan
wal gestapt; of vader Hilarion, een monnik, die in het klooster zoo
ongeveer de functiën van minister voor de wereldlijke aangelegenheden
vervult, kwam mij, uit naam van den archimandriet, tot een bezoek
uitnoodigen. Ik trok haastig andere kleederen aan, en begaf mij daarop,
met hem en vader Johannes, naar de Heilige-poort. In het voorbijgaan
werpen wij een blik op de modellen van het jacht en het fregat van
Peter den Groote, die hier bewaard worden: wij beschouwen vluchtig
eenige oude fresko's, bestijgen een trap, en staan weldra voor de
deur der woning van den archimandriet Feofan.
De archimandriet van Solowetsk is een aanzienlijk personage, die
geen gezag in de kerk boven zich erkent, dan alleen dat der Heilige
synode. Hij bewoont een paleis; hij geniet een jaarlijksch inkomen
van vierduizend roebels; bovendien voorziet het klooster in de kosten
zijner huishouding, zijner tafel, zijner kleeding, en zorgt voor
het onderhoud zijner booten. Behalve zijn geestelijken titel voert
hij nog dien van prins: hij bekleedt dus eene zeer hooge positie,
en regeert, met bijna onbeperkt gezag, niet alleen over de lichamen,
maar ook over de zielen zijner onderhoorigen.
Een klein mager man, met een ernstig sprekend gelaat, lange gekrulde
haren en een zwaren baard, treedt ons tot aan de deur te gemoet. Zijn
hoofd is gedekt met de gewone zwarte muts; op zijn eenvoudigen
monnikstabbaard schittert een prachtig saffieren kruis. Dat is de
archimandriet. Na vader Johannes zijn zegen geschonken en mij de
hand gedrukt te hebben, geleidt hij ons naar eene kamer, met fraaie
platen langs de wanden en zachte tapijten op den vloer; hij verzoekt
mij plaats te nemen op een sofa nevens hem, terwijl de beide monniken
zich op eenigen afstand houden.
De ontvangst is zoo vriendelijk mogelijk; de woning, het rijtuig, het
jacht van den archimandriet worden, met de grootste wellevendheid,
te mijner beschikking gesteld; geene moeite wordt gespaard om mij
het verblijf in het klooster zoo aangenaam mogelijk te maken. Mijn
vriendelijke, uiterst voorkomende gastheer zorgt zooveel mogelijk
voor afwisseling, en laat zich zelfs iederen avond een getrouw verslag
geven van de wijze waarop ik den dag heb doorgebracht.
Driehonderd monniken houden hun verblijf op het heilige-eiland. Aan
hun hoofd staat natuurlijk de archimandriet; op hem volgen veertig
monniken, die de priesterwijding hebben ontvangen en popen zijn;
vervolgens zeventig of tachtig monniken, die de kloostergelofte hebben
afgelegd; eindelijk de acolythen, de zangers, de dienende broeders,
de novisen. De scholieren, de gasten de gehuurde bedienden, geen
geestelijken, vormen eene klasse op zich zelf.
Deze broeders behooren tot elken leeftijd en tot alle standen der
maatschappij: van den aanvalligen knaap, die aan tafel dient, tot
den afgeleefden grijsaard, die zijne cel niet meer verlaten kan;
van den monnik van adelijke geboorte en groot fortuin, tot den armen
landlooper, die als een schooier op het eiland kwam. Zij dragen allen
hetzelfde gewaad, eten aan dezelfde tafel, zeggen dezelfde gebeden op,
leiden hetzelfde leven. Iedere broeder heeft zijne eigene cel, waarin
hij arbeidt en slaapt; maar allen moeten op de uren des gebeds in de
kapel, en op het etensuur in den reefter verschijnen, tenzij ziekte
of groote lichaamszwakte hen daarin verhindert. Zij laten allen hun
hoofdhaar en baard groeien, en besteden groote zorg aan deze mannelijke
sieraden, waarop men in Rusland den hoogsten prijs stelt.
Onder deze eerwaarde vaders zijn er niet weinigen, die boven het
alledaagsche peil verheven zijn. Voorzeker bevinden zich ook onder
hen enkele bekrompen dweepers; maar den meesten is het ernst met
hunne roeping, die zij uit wezenlijken aandrang des harten gekozen
hebben. Een vrij aanzienlijk getal monniken zijn hier als gevangenen
of boetelingen, uit kloosters in het zuiden en westen herwaarts
gezonden. Deze laatsten vormen wel de belangwekkendste klasse
van kloosterlingen. Hun misdrijf bestaat gewoonlijk in overdreven
ijver; een kritischen, onderzoekenden geest, die met de bestaande
toestanden geen vrede heeft; eene vurige begeerte naar hervorming,
naar een terugkeer tot de zuiverheid der eerste tijden. Voor dergelijke
gebreken heeft een gewone monnik geen medelijden, omdat hij van zulk
streven en worstelen niets begrijpt; voor de ongelukkigen die daaraan
lijden, wordt een verblijf van korter of langer tijd in de wildernis
van Solowetsk een uitnemend geneesmiddel geacht.
Een archimandriet, door de heilige synode tot die hooge waardigheid
geroepen, moet een man zijn van kennis en wetenschap, bekwaam om de
broederen te onderwijzen en het hem toevertrouwde huis te regeeren. Hij
moet een exempel zijn voor allen, dikwijls vasten, veel bidden, des
morgens vroeg opstaan, en leven, zooals het den heiligen betaamt. De
broeders slaan hun geestelijken vader nauwkeurig gade. Is hij streng
jegens zich zelf, dan zullen zij gewillig zijne strengheid over hen
dragen; maar wee hem, als hij zich zwak toont, als hij fijn linnen
draagt, als geurige schotels op zijne tafel verschijnen, als de
riumka--het fijne glaasje, waaruit de brandewijn gedronken wordt--te
dikwijls zijne lippen beroert. De archimandriet weet dat aller oogen
op hem zijn gevestigd, en al zijne handelingen nauwkeurig worden
bespied. En het is niet gemakkelijk allen te voldoen. Deze broeder
zou wenschen dat een strenger leefregel werd gevolgd; een ander
oordeelt de tucht reeds nu te hard. Weet de archimandriet zich niet
de genegenheid zijner onderhoorigen te verwerven, dan komen telkens
en telkens klachten over hem in bij de heilige synode, tot eindelijk
een onderzoek wordt ingesteld, en--ter wille van den lieven vrede--de
aangeklaagde kloostervoogd naar elders wordt verplaatst.
VIII.
EENS PELGRIMSDAG TE SOLOWETSK.
De dag van den pelgrim begint in den vroegen morgen en duurt tot den
laten avond. Wij zijn nu ook pelgrims: volbrengen wij dus onzen plicht.
Twee uur na middernacht, als het nauwelijks donker geworden is in
onze cellen, worden wij gewekt door een monnik, die den langen gang
afwandelt, met zijne schel luidende en roepende: "Staat op, en komt ten
gebede!" Wij schieten haastig onze kleederen aan, en spoeden ons, uit
onze warme kamers, naar buiten; mannen en vrouwen, knapen en meisjes,
zeelui en houthakkers, komen haastig aangeloopen naar de heilige-poort.
Te half drie beginnen de eerste metten in de nieuwe kerk, aan
de moeder gods gewijd, waarin het gebeente van Sint-Savatius en
Sint-Zosimus wordt bewaard. Alle lampen branden; en de met levensgroote
heiligenbeelden beschilderde, rijk vergulde wanden en beschotten
stralen in dien rosachtigen gloed. Mannen en vrouwen, soldaten en
boeren richten zich naar den hoek der kerk, waar de lichamen der
heiligen rusten; allen maken tot zeven malen het teeken des kruises,
neigen hun hoofd ter aarde, en kussen den steenen vloer voor het
gewijde graf.
Wij scharen ons in rijen voor het altaar, met genoeg tusschenruimte dat
ieder knielen en den grond kussen kan zonder zijn buurman te hinderen;
daar staan wij, blootshoofds, terwijl de pope de liturgie voorleest,
die de monniken met hun gezang begeleiden. Deze metten zijn eerst te
vier uur afgeloopen.
Eene tweede dienst begint te half vijf in de oude kathedraal, en duurt
een uur; de ijverigste pelgrims haasten zich, zoodra de eerste pope
den zegen gesproken heeft, om de kathedraal te bereiken, waar zij op
nieuw hunne gebeden uitstorten en den vloer kussen, tot ook de tweede
pope hun zijn zegen geeft.
Als deze dienst is afgeloopen, blijft den pelgrims een uur over,
dat zij doorbrengen, hetzij biddende bij de graven der heiligen, of
wel wandelende in eene lange overdekte galerij, die verschillende
kerken en andere gebouwen met elkander verbindt. Langs de wanden
dezer galerij hebben russische schilders van den ouden tijd, in ruwe,
ongekunstelde tafreelen, die zaligheden des hemels, de smarten van
het vagevuur en de folteringen der hel voorgesteld. Deze schilderijen
maken blijkbaar een diepen indruk op onze medepelgrims, hoewel zij
in oorspronkelijkheid en dramatisch effect niet kunnen wedijveren
met soortgelijke voorstellingen in de oude gothische kloosters langs
den Rijn.
Te zeven uur luiden de klokken voor de vroegmis; wij spoeden ons
naar de Lieve-Vrouwekerk, waar wij, na andermaal voor het graf te
hebben geknield, op nieuw onze plaats innemen voor het altaar, en
gedurende anderhalf uur aandachtig luisteren naar de heilige dienst,
met groote geestdrift gezongen.
Het is nu ongeveer negen uur geworden; de zwakkere broeders mogen thans
een kop thee gebruiken; maar de sterke pelgrim ontzegt zich dit genot,
als eene verzoeking des satans: en zelfs de zwakke broeder heeft niet
veel tijd om zijn geurigen drank te genieten. De groote klok in den
kloosterhof, een geschenk van den regeerenden keizer, waarschuwt ons
dat de voornaamste plechtigheid van den dag weldra zal aanvangen.
Met klokslag van negenen verzamelen zich de monniken in de kathedraal,
om de hoogmis te vieren. De vergadering is voltallig; de lampen
en kaarsen zijn aangestoken; de diaken begint zijne voorlezing; de
geestelijke zingen hunne responsoriën; en de dienstdoende priester,
in zijn schitterend koorkleed gedost, reciteert de overoude Slavische
liturgie met hare mystieke gebeden en lofverheffingen, begeleid met
koorgezang en statige muziek. Twee uur achtereen staan wij daar,
tegenover het van goud en kleuren stralende altaarscherm, op den
granieten vloer, blootshoofds, velen ook barrevoets, in stille
verrukking luisterende naar deze edele, indrukwekkende tonen, mede
getuigen van eene heilige, plechtige ceremonie.
De hoogmis is afgeloopen; en langzaam stroomt de schare uit de
kerk naar de lange galerij, waar wij nog even ons hart kunnen
ophalen aan de schilderijen van hel en vagevuur, tot een monnik het
etensuur aankondigt: eene aankondiging, ook den vroomsten pelgrim
welkom. De eetzaal is een overwelfd vertrek of liever ruimte beneden de
kathedraal, en zou in ieder ander land eene krypt worden genoemd. Maar
bij het bouwen behoort men op het klimaat te letten. In Rusland kan,
bij de groote afwisseling van hitte en koude, dezelfde kerk niet
voor winter en zomer dienen: daarom zijn, althans in het noorden,
de meeste heiligdommen in eene boven- en eene benedenkerk verdeeld;
de bovenkerk wordt des zomers de benedenkerk des winters gebruikt. Onze
eetzaal te Solowetsk is de winterkerk.
Langs de wanden en rondom de zware zuil, die het gewelf schraagt,
zijn lange tafels geplaatst; op die tafels staat voor iederen gast
een tinnen bord, waarin een houten lepel; een mes en een vork; nevens
het bord ligt een roggebrood van een pond gewicht. De pelgrims eten
in groepen van vier, evenals de monniken. In het midden van elke
groep staat een kleine tinnen schotel, bevattende een in vier stukken
gesneden gezouten sprot, en vier schijfjes rauwe uien; voorts krijgt
iedere groep een koperen terrine met zure kwas, en een schotel gekookte
stokvisch, in kleine mooten gesneden.--Een bel wordt geluid: wij rijzen
allen op, maken zevenmaal het teeken des kruises, neigen ons ter aarde,
en zetten ons weder neder. De voorzitter van elke groep strooit zout
en peper in den schotel, en roert de soep om met den lepel, waarmede
hij zijn kwas gebruikt. Weer luidt de bel: wij bedienen ons van de
stokvisch. Een lezer plaatst zich voor den lessenaar, en leest de
geschiedenis van een of anderen heilige, terwijl een knaap rondgaat
met een korf met wit brood, door den priester gezegend en in stukken
gebroken. Iedere pelgrim neemt daarvan een stuk, en eet dat, telkens
het teeken des kruises makende, tot hij zijn brood genuttigd heeft.
Ten derdenmale klinkt de bel. Algemeene stilte; een zacht gemurmel
van gebeden. Bedienden treden binnen; onze borden worden weggenomen,
en een tweede gerecht aangedragen, bestaande uit groentensoep. Dit
gerecht is spoedig gebruikt. Een nieuwe lezer gaat voor den lessenaar
staan, en vervolgt de levensgeschiedenis van den heilige. Weer wordt
er gebeld; op nieuw kruisen allen zich bij herhaling; de bedienden
verschijnen, en ten tweeden male worden de tafels afgenomen.--Een
nieuw gerecht wordt opgedragen: haringsoep; de visch, in de baai
nabij het klooster gevangen, smaakt uitmuntend. Weer een lezer;
weer een stuk levensgeschiedenis; en dan een vijfde gelui.
Het vierde en laatste gerecht verschijnt: eene soort van podding van
gerstemeel, die met melk wordt gegeten. Weer een lezer; nogmaals een
brok van eene heiligen-biographie; en dan een zesde bel. De pelgrims
staan op; de lezer zwijgt en breekt midden in zijn verhaal af; onze
maaltijd is gedaan. Toch nog niet geheel. Op nieuw scharen wij ons
in het gelid; de vrouwen, die in eene andere kamer gegeten hebben,
komen in de zaal terug, en te zamen heffen wij een psalm aan. Dan
staan wij voor eenige oogenblikken, in stille overdenking, met gebogen
hoofd, terwijl een pope aan iederen pelgrim een stuk gewijd brood
uitreikt. Nogmaals klinkt het schelletje; de monniken heffen een
danklied aan; een pope spreekt den zegen; en de aanzittenden gaan
huns weegs, versterkt door het genot van brood en visch.
Het is nu ongeveer twaalf uur. De eerstvolgende kerkdienst begint
eerst kwart voor vieren. Wij hebben dus al den tijd, en kunnen dien
best besteden. Wij kunnen het klooster bezoeken; naar het heilige-meer
wandelen; het graf van Sint-Filippus bezien; de graven der vroomste en
beste monniken bezoeken; wij kunnen in de sakristie de priesterlijke
gewaden en kostbaarheden gaan bewonderen. Of wel, wij kunnen in
booten naar een der naburige eilanden varen: naar Zaet, waar twee oude
monniken wonen, en eene talrijke kudde schapen in de weide graast; naar
Muksalmi, waar ons het geloei van runderen en het gekakel en gekraai
van gevogelte in de ooren klinkt. Deze eilanden voorzien het klooster
van melk, en eieren: want op het heilige-eiland zelf mag, volgens
den regel van Sint-Savatius, geen vrouwelijk schepsel verschijnen.
Precies te kwart voor vieren roept een klok ons weder naar de kerk:
in de kathedraal van onze-lieve-vrouwe begint de vesper. Wederom
knielen wij bij het graf en kussen den kouden steen, de draperiën, de
ijzeren tralies; dan scharen wij ons weder voor het altaar en luisteren
naar het gezang, dat door monniken en knapen wordt aangeheven. De
dienst duurt tot half vijf. Na den afloop begeven wij ons naar de
lange galerij, en beschouwen nog eens de zaligheden des hemels en de
smarten der loutering. Vijf minuten voor zessen spoeden wij ons naar
de kathedraal, waar de tweede vesper begint, en blijven daar staan,
blootshoofds en sommigen ook barrevoets, tot half acht.
Te acht uur luidt de bel voor het avondmaal. Allen haasten zich aan
die welkome uitnoodiging te voldoen; de monniken scharen zich in
processie; de pelgrims volgen, en in plechtigen optocht begeven wij
ons naar de krypt, waar wij, evenals bij het middagmaal, de lange
tafels zien aangericht, met het pond roggebrood, de gezouten sprot,
de in vier stukjes gesneden uien, en de koperen terrine met kwas. Onze
avondmaaltijd is eenvoudig eene herhaling van het middagmaal: dezelfde
gebeden, dezelfde buigingen en zegeningen met het teeken des kruises;
ook het luiden der bel en het voorlezen van brokstukken uit de
geschiedenis der heiligen ontbreekt niet. Het eenige onderscheid is,
dat wij des avond geen gerstepodding met melk krijgen.
Als ieder naar genoegen gegeten heeft en de overgeschoten brokken
zijn weggenomen, staan wij op, spreken een dankgebed uit, en heffen
met de monniken den avondzang aan. Een pope spreekt den zegen, en
wij zijn vrij om naar onze cellen te gaan. Een pelgrim, die lezen
kan en goede boeken bij zich heeft, behoort echter, eer hij zich ter
ruste begeeft, een psalm van David of een hoofdstuk uit de levens der
heiligen te lezen. Te negen uur worden de kloosterpoorten gesloten;
in den regel moet de pelgrim dan te bed zijn, om eenige uren te slapen.
Twee uren na middernacht gaat de monnik rond met de bel, en roept de
slapende wakker, om de plichten van den nieuwen dag te vervullen.
IX.
BIDDEN EN WERKEN.
Op de heilige-eilanden wordt niet alleen gebeden, er wordt ook ijverig
gewerkt. In dit klooster is geen enkele monnik, die een werkeloos leven
leidt. Niet alleen de broeders, die geen popen zijn, maar ook zij,
die den herdersstaf voeren en den pelgrims hun zegen geven, houden
zich, althans voor het meerendeel, onledig met het vervaardigen van
allerlei nuttige voorwerpen, van sieraden voor de kerk, van huisraad
en meubelen voor den reefter en de cellen. Anderen vervaardigen
voorwerpen, die buiten het klooster verkocht worden: kleederen,
rozenkransen, lepels, schotels en dergelijke zaken.
Langs den binnenmuur loopt eene aaneengeschakelde reeks van
werkplaatsen, waar de arbeid niet poost van den vroegen morgen tot
den laten avond: smederijen, timmerwerven, weverijen, touwslagerijen,
leerlooierijen, brouwerijen, melkerij, mandenmakerij; werkplaatsen
voor het zouten van vleesch en visch, voor het inleggen van groenten en
vruchten, enz.;--in één woord, alle bedrijven, die voor de menschelijke
samenleving noodig en nuttig zijn, vindt ge hier bijeen; de goede
monniken maken daarbij veelvuldig gebruik van de uitvindingen en
hulpmiddelen der moderne industrie. Bij uitnemendheid bedreven in alle
takken van handenarbeid, paren zij aan deze technische bekwaamheid
zooveel smaak en zoo vindingrijk vernuft, dat ge bijna niets bedenken
kunt wat niet door deze monniken wordt vervaardigd, van een eenvoudig
snoer van glaskoralen tot een volledig opgetuigd fregat. Nergens wordt
zoo fijn en voedzaam brood gebakken, nergens zulke voortreffelijke kwas
gebrouwen. Terwijl vader Hilarion mij door deze werkplaatsen rondleidt,
wachten mij telkens nieuwe verrassingen. Nooit had ik kunnen gelooven
dat zulke fraaie, degelijke en tevens zoo hemelsbreed verschillende
zaken inderdaad vervaardigd waren door monniken, in een eenzaam eiland
als gevangen, en gedurende acht maanden van het jaar door sneeuwstormen
en ijsschotsen van iedere gemeenschap met de buitenwereld afgesneden.
Deze geestelijke heeren vervaardigen kappen en gordels van
zeehondenvel; zij schilderen met olieverf en snijden kunstig beeldwerk
in hout; zij bereiden het leder, breien wollen kousen, en gieten
en smeden ijzer; zij spinnen vlas en linnen; zij polijsten steenen;
zij maken vilten schoenen en slobkousen, rijtuigen en sleden, touwen
en kabels, tinnen en houten borden en schotels, en bloemen van papier;
zij verstaan de kunst om vruchten in te leggen en om korfjes en mandjes
te vlechten van de schors van den zilverden; zij zagen en houwen
steenen; zij vellen en kappen boomen; zij smeden ankers en zoeken
honing uit; zij teekenen plannen voor altaren, kerken, kloosters, en
weten uitnemend met de borduurnaald om te gaan;--en al wat zij in deze
zoozeer verschillende vakken leveren, is een model van zorgvuldige,
smaakvolle, degelijke bewerking. Zijn er onder de broeders, die aanleg
hebben voor het landbouwbedrijf, ook die kunnen gelegenheid vinden,
hun talent te gebruiken: zij verzorgen het vee, scheren de schapen,
mesten het gevogelte; zij maken boter en kaas: doch alleen op de
eilanden, waar dergelijke bedrijven worden toegelaten. Anderen kweeken
bloemen en poten aardappelen, verzorgen de bijenkorven, maaien het
gras, zamelen de vruchten in, en verrichten alle bezigheden, die in
veld en akker en gaarde noodig zijn.
Wij beginnen onze wandeling met de bakkerij, die wel de eer verdient
van het eerste bezoek. Van alle omliggende dorpen langs de kust komt
men herwaarts om brood; sommigen koppen, anderen bedelen het; iedere
pelgrim, die Solowetsk bezoekt, neemt bij zijn vertrek een groot
brood, als reisgave, mede. Er wordt hier tweeërlei brood gebakken:
tarwe- en roggebrood. Het laatste, dat zeer goedkoop is, wordt bij
iederen maaltijd gebruikt; het eerste, dat gewijd en zonder gist
gebakken wordt, is duur: het is heilig brood, dat alleen bij zekere
gelegenheden wordt gegeten. Beide soorten zijn overigens zeer goed. De
gewijde brooden wegen slechts zeven of acht ons: zij zijn versierd met
een kruis, in een opschrift met Slavische letters gevat. Deze brooden
worden door de geloovigen met grooten eerbied behandeld; en de vrome
pelgrim, die een klooster zoo als Solowetsk, Sint-George of Troïtza
bezoekt, kan zijn vrienden of bloedverwanten met geen welkomer geschenk
verrassen, als herinnering van zijne bedevaart, dan met zulk een brood.
De brouwerij is in hare soort niet minder voortreffelijk dan de
bakkerij. De kwas vervangt voor den Rus de plaats van bier en wijn:
het is de nationale drank, geliefd bij alle standen, en die bij de
bereiding van bijna alle spijzen, bij genoegzaam alle maaltijden,
gebruikt wordt. De kwas van Solowetsk behoort tot de beroemdste en
meest gezochte soorten.
In de nabijheid bevinden zich de werkplaatsen, waar borden en lepels
uit hout gesneden en beschilderd worden. De levenswijze in deze
noordsche wildernissen is nog aartsvaderlijk eenvoudig; vorken zijn
zeldzaam, en messen een artikel van weelde. Bij den maaltijd bedient
men zich hoofdzakelijk van lepels. Bijna alle spijzen worden zacht
gekookt of in vloeibaren staat op tafel gebracht: in het midden staat
een diepe schotel, en de eenvoudige gasten scharen zich in het rond,
ieder met zijn grooten lepel gewapend. Het bord en de lepel zijn
van hout gesneden, en somwijlen sierlijk en met smaak bewerkt en
beschilderd; de fraaisten worden door de pelgrims als een aandenken
gekocht en zorgvuldig bewaard.
Ziehier eene andere industrie: de mandenmakerij. In de noordsche
wouden is aardewerk schaarsch en duur, en daarbij lomp en ruw. De
lieden dezer streek moeten dikwijls lange voetreizen maken: het zou
bezwaarlijk vallen, zich op die tochten met eenige potten en pannen
te belasten. In plaats daarvan heeft men manden en korfjes, die van
boomschors worden gevlochten, lichter zijn dan kurk en gemakkelijker
te vervoeren dan tinnen kannen of schotels. Zij worden met een deksel
gesloten, en zijn van een hengsel voorzien. Die korfjes zijn volkomen
droog en zoo dicht, dat men er zelfs melk in vervoeren kan; toch
hebben zij den aangenamen, harsachtigen geur behouden van van het
hout, waarvan zij vervaardigd zijn. Gij kunt ze van alle afmetingen
krijgen, van de grootte van een peperbus tot die van een waterkruik;
zij kosten slechts eenige kopeks het dozijn.
De eigenlijke manden zijn grooter en minder fijn bewerkt; zij
zijn bestemd voor tochten over hobbelige rotsachtige wegen of
door moerassen. Deze manden zijn in vakken verdeeld, waarin ge
wijnflesschen, lepels en vorken bergen kunt. Moet ge eene lange reis
maken, dan is het raadzaam, in het open middenvak van uw mand eenige
korfjes van boomschors mede te nemen, waarin ge kleine benoodigdheden,
zooals mosterd, zout, room en dergelijke bergen kunt.
Onder de veelsoortige werkplaatsen, die wij bezoeken, behoort ook de
weverij, in een der torens van den buitenmuur: een toren, die niet
alleen de bijzondere aandacht verdient om de uitnemendheid van het
werk, dat hier vervaardigd wordt, maar ook om de belangrijke rol,
die hij gespeeld heeft bij de verdediging van Solowetsk tegen de
engelsche vloot. Het kanonschot, dat, naar men zegt, de Brisk tot
wijken dwong, werd uit den Weverstoren afgevuurd.
In een zonnig hoekje boven op den wal staat een sierlijk photographisch
atelier; in de onmiddellijke nabijheid ziet ge eene reeks nieuwe
gebouwen, waarin de werkplaatsen der schilders en graveurs, die echter
geene andere dan uitsluitend kerkelijke kunst beoefenen. Sommigen
doen niets meer dan werken van andere meesters kopiëeren; maar ook de
meest begaafden onder hen overschrijden toch nooit de conventioneele
grenzen, door de kerkelijke traditie gesteld. De kunst verkeert hier
nog in het stadium harer ontwikkeling: zij staat nog geheel en al
onder de heerschappij dier starre, levenlooze byzantijnsche school,
waarvan de patriarch Nikon een zoo groot voorstander was, en die hij,
voor de versiering van kloosters en kerken, tot wet en regel stelde.
Maar de vrome vaders troosten zich over deze tekortkomingen: hunne
grootste kracht openbaart zich op een ander gebied: dat van den
scheepsbouw en wat daarmede samenhangt. Zij zijn, en met recht,
trotsch op hetgeen zij daarin tot stand hebben gebracht. Velen van
hen brengen het grootste gedeelte van hun leven aan boord door,
en zijn met hartstochtelijke liefde aan de zoute zee gehecht. Zij
bezitten een aantal booten en scheepstuig in overvloed, dat zij zelf
vervaardigen. Zij richten vuurtorens op, en bakenen het vaarwater af;
zij timmeren booten en sloepen, en hebben het bewijs geleverd, dat op
de werven van Solowetsk een stoomschip in al zijne deelen volledig
kan worden gebouwd, alleen de machine uitgezonderd. Dit stoomschip
heet de Hoop. Zijne bemanning bestaat hoofdzakelijk uit monniken;
en de gezagvoerder is niet alleen monnik--zooals vader Johannes--maar
zelfs pope. Toen ik dezen priesterlijken schipper voor het eerst zag,
bediende hij de mis voor het altaar. Na afloop van de dienst nam de
eerwaarde vader mij mede, om mij zijn schip en het dok, waarin het
vaartuig lag, te laten zien. Met levendige belangstelling bezocht ik
de Hoop, merkwaardiger in mijn oog, dan bijkans eenig ander schip. Is
toch niet eene stoomboot, door monniken aan de kusten der IJszee
gebouwd, in hare soort eene even groote zeldzaamheid als de toren
der Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen of de Dom te Keulen? De gedachte om
dat stoomschip te bouwen was in het brein van een monnik opgerezen;
het plan was door de hand van een monnik geteekend; monniken velden de
boomen, en smeedden de bouten, en vlochten de touwen; monniken voegden
al deze deelen samen; monniken tuigden het vaartuig op, beschilderden
de kajuit en bekleedden de kussens der banken. Monniken lieten haar
te water, en hebben sedert met hunne eigene boot de wilde wateren
der Witte-zee doorkruist en de stormen getart.
Het dok, waarop vader Johannes zoo fier was, is niet maar een gewoon
dok, maar zelfs een droog dok. Dergelijke werken zijn in Rusland
eene groote zeldzaamheid, in het geheele rijk zijn er maar enkele
havens, die een dok bezitten. Noch te Archangel, noch te Astrakhan
zult ge er een vinden. Alleen in steden zooals Riga en Odessa, door
vreemdelingen gebouwd en bewoond, treft ge dergelijke werken van
openbaar nut aan. Het drooge dok te Solowetsk is het eenige in geheel
het eigenlijke Rusland. Kronstadt--het is waar--bezit een droog dok:
maar Kronstadt is minder een russische, dan wel een duitsche haven, met
een duitschen naam. Het eenige werk van dien aard op echt-russischen
grond is--karakteristiek genoeg--eene schepping van monniken.
Niet enkel gewone kloosterlingen, ook priesters nemen aan al dezen
arbeid deel. Wanneer een monnik de wijding ontvangen heeft, staat het
hem volkomen vrij, zich uitsluitend tot de dienst der kerk te bepalen:
maar in het klooster van Solowetsk is het eene zeldzaamheid, dat
een pope alleen de plichten van zijn ambt waarneemt. Arbeidzaamheid
is hier het merk van een waarlijk godsdienstig leven. Toont een der
broederen bijzonderen aanleg voor een of ander bedrijf of kunst te
bezitten, dan vindt hij zoowel bij zijne geestelijke overheid als bij
zijne medebroeders alle aanmoediging om zijne roeping te volgen, en de
vruchten van zijn arbeid Gode te wijden. De eene pope is landbouwer;
een ander schilder; een derde visscher; deze zoekt geneeskundige
kruiden; die kopiëert oude handschriften een derde bindt boeken
in, enz.
Van al deze beroepen is dat van onderwijzer niet het minst
begeerlijke. De kinderen, die te Solowetsk ter school worden gezonden,
blijven er minstens een jaar, en somwijlen langer. De inrichting der
school is hoogst eenvoudig, en het onderwijs bepaalt zich tot het
volstrekt noodige: trouwens de school is ook hier een getrouw beeld
van den toestand des lands; voedsel en ligging verschillen niet veel
van hetgeen ge in iedere isba (boerenwoning) vinden kunt. Wanneer
een knaap, na verloop van zijn leertijd, in het klooster wenscht te
blijven, kan hij zich als werkman verhuren, hetzij op de landhoeven
of bij de visscherij. In den zomer ontvangt hij het voedsel der
monniken: brood, visch en kaas; des winters krijgt hij gerookt
schapenvleesch--eene lekkernij, waarvan zijne meesters niet proeven
mogen. Velen van deze knapen blijven hun leven lang op het eiland; zij
mogen niet huwen, maar zijn daarentegen van kost en inwoning verzekerd,
vrij van de militaire dienst en van alle huiselijke zorgen. Enkelen
treden in den geestelijken stand. Keeren zij later in de wereld terug,
dan strekt hun verleden hun tot aanbeveling voor het verkrijgen van
eene of andere betrekking; in ieder geval weten zij hun eigen weg
te vinden, want een jonkman, die eenige jaren te Solowetsk heeft
doorgebracht, heeft niet alleen geleerd zich zelven te helpen, zijn
eigen eten te bereiden en zijne kleederen te maken, maar verstaat
ook altijd een of meer ambachten, waarmede hij den kost verdienen kan.
X.
DE ZWARTE GEESTELIJKHEID.
Bijna alle Russen van aanzienlijken of beschaafden stand zien met
verachting neder op hunne ordens-geestelijken, op de zoogenaamde
Zwarte geestelijkheid, aldus genoemd naar de kleur van hun gewaad. Zij
beschouwen de kloosterlingen in het algemeen als een hoop onbeschaafde
lieden, als onwetende, zedelooze leegloopers, die tot niets dienstig
zijn, en die, hoe eer hoe beter, behooren opgeruimd te worden. "Weg
met de monniken en kloosters!" is het wachtwoord van verreweg de
meeste jonge vrijzinnige Russen.
En zij die aldus spreken, zijn niet altijd spotters en ongeloovigen,
verklaarde vijanden van iedere godsdienstige overtuiging, van elke
geestelijke of kerkelijke instelling. Neen, zeer dikwijls zijn het
ernstige mannen, die hunne kerk liefhebben, den priester hunner
parochie gaarne ondersteunen, en die niets liever wenschen dan hun
vaderland den eersten rang onder de christelijke mogendheden te
zien innemen. In Rusland, zeggen zij, leven tienduizend monniken:
eene overtollige, om niet te zeggen schadelijke bevolking; het beste
wat men zou kunnen doen; is, er soldaten van te maken, opdat zij ten
minste het land van eenig nut zijn.
Deze niet altijd billijke vijandschap der beschaafde klassen tegen de
kloosterlingen vindt eenigermate hare verklaring in den hardnekkigen
tegenstand, dien schier te allen tijde iedere maatregel tot hervorming,
hetzij op staatkundig, hetzij op kerkelijk gebied, bij de monniken
heeft ontmoet. Om zich van deze stemming der gemoederen en den aard der
bestaande spanning volledig rekenschap te kunnen geven, is het noodig
den omvang en den oorsprong van de macht der monniken van naderbij
te bestudeeren. De afdwaling van ons eigenlijk onderwerp zal slechts
schijnbaar zijn: onze studie zelf zal ons naar Solowetsk terugvoeren.
Een woestijn met kloosters bezaaid;--de naam zou niet slecht passen
voor de gansche onmetelijke landstreek, die van de Poolzee tot de
tartaarsche steppen reikt. Voor Nieuw-Rusland, voor de gouvernementen
van Kazan en de Krim, voor de streken langs de Beneden-Wolga en
voor Siberië, ware deze beschrijving onjuist: maar het eigenlijke
Groot-Rusland is voor de monniken een waar paradijs. Van Kem aan den
oever der Witte-zee tot Bjelgorod aan de grenzen der Ukraine,--een
afstand van omstreeks duizend (engelsche) mijlen;--en van Pskow, nabij
het meer Peïpus, tot Wassil aan de Wolga--een afstand van ongeveer
zevenhonderd mijlen--is het gansche land als overdekt met kloosters,
klinkt u overal het welluidend klokgelui tegen.
Ge kunt u moeilijk iets treurigers en naargeestigers denken dan
een russisch woud, tenzij dan eene russische vlakte. Het woud is
eene opeenvolging van dwergachtige berken en pijnen; de boomen zijn
allen genoegzaam even hoog en even dik; de eentonige donkere lijn
wordt slechts nu en dan afgebroken door een stinkend moeras of een
vaalkleurig, levenloos meer. De vlakte is eene onafzienbare hei,
zonder eene enkele verheffing van den grond, zonder een enkelen boom,
zonder eene enkele stad, op eene uitgestrektheid van misschien honderd
mijlen; eene naakte hei, met schraal, armelijk, bruin gras begroeid;
en hier en daar met eene verzameling van ellendige leemen hutten, in
modder en slijk verzonken, waaraan de naam van dorp kwalijk voegt. De
schrikkelijke eenvormigheid van zoodanig landschap ware niet uit te
houden, indien niet telkens het oog van den reiziger geboeid, zijn
hart verkwikt werd, door het gezicht van een klooster, dat op een
open plek in het woud, aan den zoom der eenzame vlakte, zijn stralend
kruis en schitterend bemaalde torens ten hemel heft; een klooster met
zijn krans van groen, zijn wit-gepleisterden voorgevel, zijn groep
van vergulde of beschilderde koepels. De wouden rondom Kargopol, de
moerassen langs het meer Ilmen, de vlakke velden rondom Moskou, danken
aan de kloosters kleur en leven; terwijl zoo menig kleiner convent,
wegduikende in de schemerende diepte des wouds, of den eenzamen
rivieroever verlevendigende, met vroolijken ernst den reiziger groet.
De oude steden van Groot-Rusland--Nowgorod, Moskou, Pskow,
Wladimir,--zijn veel rijker aan kloosters dan hare mededingers
van later tijd. De oevers van de rivier de Wolchow, die de oudste
metropolis van Rusland besproeit, zijn over eene uitgestrektheid van
vele mijlen boven en beneden de stad, met oude godsdienstige gestichten
bezaaid. De voorsteden van Nowgorod prijken met de prachtige kloosters
van Sint-George, Sint-Cyrillus en Sint-Antonius van Rome. Moskou is
omgeven van een breeden krans van kloosters en abdijen--Simonoff,
Donskoï, Troïtza, Danieloff, Alexiewski, Iwanowski, en nog vele
anderen; Pskow heeft haar prachtig convent der katakomben, in
heerlijkheid ternauwernood onderdoende voor het klooster van gelijken
naam te Kiew.
Evenwel is het er verre van, dat al deze vrome stichtingen juist uit
vroeger tijd zouden dagteekenen. Rusland verkeert nog in het tijdperk,
waarin godsdienstige geestdrift een der machtigste drijfveeren in
het leven des volks en der individuen is:--een tijdperk, dat aan den
middeleeuwschen heldentijd der germaansche wereld denken doet. Wat
echter voor ons, behoudens enkele uitzonderingen, tot het verleden
behoort, is hier nog eene zeer levende werkelijkheid, wier kracht en
invloed zich telkens openbaart. Ik wil daarvan een voorbeeld aanvoeren.
In het jaar 1803 werd in eene der ellendige hutten van het kleine dorp
Pretchistoi, nabij de stad Wladimir, een lijfeigene geboren, van zoo
lagen stand dat zijn geslachtsnaam in vergetelheid is geraakt. Jaren
lang leefde hij, als andere eigenhoorigen, op het landgoed van
zijn heer; hij huwde twee malen een meisje van zijn eigen stand,
en won drie zonen, die voorspoedig opgroeiden. Tot dusverre was
zijn leven gelijk geweest aan dat zijner lotgenooten; maar toen hij,
op zeven-en-dertig jarigen leeftijd, voor de tweede maal weduwnaar
geworden, door zijn heer werd vrijgelaten, verliet hij zijn dorp en
begaf zich naar Troïtza, nabij Moskou. Daar nam hij den naam van
Filippus aan, kleedde zich in een pij en kap, en groef voor zich
zelven een hol onder den grond. In deze onderaardsche woning sleet
hij vijf jaren; toen zocht hij een ander verblijf op, nog beter aan
zijn wenschen beantwoordende, en wel op het kerkhof, te midden der
graven van het klooster; daar bracht hij twintig jaren door. Hij had
zijne vrijheid te lief, om zich door het afleggen der kloostergelofte
daarvan te berooven: maar door de ondervinding geleerd, dat ook in
Rusland, als elders, in spijt van het spreekwoord, de pij den monnik
maakt, kleedde hij zich in grof sergie en omgordde zijne lendenen
met een zware ketting. Aldus uitgedost toog hij naar Moskou, naar
den metropolitaan Philarethes, vroeg dien prelaat om zijn zegen, en
tevens om de vergunning zijn naam te mogen aannemen. De aartsbisschop
schiep behagen in dien zonderlingen bedelmonnik, en willigde zijn
verzoek in: en van dat oogenblik werd de voormalige lijfeigene van
Pretchistoi door den ganschen omtrek bekend als Philarethes-Ouchka
(Philarethes de Kleine).
Het kerkhof van Troïtza ligt op eene stille eenzame plek, aan den
oever van een schilderachtig meer, omgeven door donkere bosschen. Te
midden dezer groenende grafheuvelen sloeg de monnik zijne kluis
op. In het klooster van Troïtza kocht hij, voor twee kopeks per stuk,
eenige kruisen en heiligenbeelden; hij ging daarmede door de straten
en langs de huizen van Moskou, en deelde ze, met zijn zegen, aan
de lieden uit, zonder iets te vragen, maar aannemende wat men goed
vond hem te geven. De een schonk hem een roebel, een ander tien, een
derde honderd: iedere gave was hem welkom. Weldra had hij een niet
onaardig kapitaaltje in de bank. De prenten brachten hem meer op dan
de kruisen; want, naar de algemeene overtuiging des volks, brengen de
eersten zegen aan, terwijl de anderen boden zijn van ongeluk. Schonk
Philarethes aan eene of andere vrome vrouw een kruis, dan keerde zij
huiswaarts, bezwaard van harte. Het symbool des christelijken geloofs
is in Rusland nog niet afgedaald tot den rang van een gewoon sieraad
of toilet-artikel. Geene russische boerin zou het in de gedachte
komen, zich met een kruis op te tooien; ook zoekt ge het vergeefs
als ornament in de woningen der aanzienlijken. De priester draagt een
kruis; het kruis straalt op de kerktorens en koepels: maar zeldzaam
zult ge het gewijde teeken, hetzij in schilder- of beeldhouwwerk,
in een gewoon huis vinden. Toch draagt iedere rechtgeloovige Rus een
kruis, dat hij nooit aflegt--het is dat, hetwelk hem bij zijn doop
om den hals wordt gehangen; maar dit is geen sieraad.
Zonderling in kleeding, manieren en spreekwijze, droeg
Philarethes-Ouchka noch schoenen noch kousen; in plaats van de gewone
russische begroeting: "Het ga u wel!" sprak hij de lieden aan met
de woorden: "Uw engelbewaarder geve u een blijden dag!" In zijne cel
en op al zijne tochten was hij steeds vergezeld door een ander, niet
minder zonderling personage, Iwanouchka, Johannes de Kleine (familiaar
Jantje) genoemd, die nooit sprak, maar altijd zong. Iwanouchka zong
in zijne cel, zong op den weg, zong langs de huizen, zong in de
kerk. Aan den toon waarop hij zong, herkende men de gemoedsstemming
van zijn meester; en uit het zingen van Iwanouchka kon menige arme,
eenvoudige vrouw reeds vooraf berekenen of zij van Philarethes dien
dag een kruis of een heiligenbeeldje te wachten had.
Vooral bij den kleinen, neringdoenden burgerstand stond de kluizenaar
in groot aanzien. De meer aanzienlijke dames hielden zich op een
afstand: niet omdat hij geld van haar vroeg, maar omdat hij hare mooie
kamers vuil maakte. De uiterlijke verschijning van den vromen man was
toch niets minder dan bevallig: maar zijne verregaande onreinheid,
zijne verroeste ketting, zijne met stof en vuiligheid bedekte huid,
zijne ongekamde haren, waren, in de oogen zijner trouwe volgelingen,
zoo vele teekenen zijner uitnemende heiligheid. De vrouwen der
kooplieden en winkeliers van Moskou dweepten met hem. Eene dame
verhaalde mij eens, dat toen zij op zekeren dag een bezoek ging
afleggen bij eene harer vriendinnen, de echtgenoote eens koopmans van
het eerste gilde van Moskou, zij deze voor den kluizenaar geknield
vond, bezig zijne voeten te wasschen. En dit was niet maar een ijdele
beleefdheidsvorm: want Philarethes liep barrevoets, en de straten
van Moskou zijn met harde keien geplaveid en bij uitnemendheid
morsig. Zekere bejaarde juffer Seribrikoff placht er zich op te
beroemen, dat het haar eenmaal vergund was geweest, de wonden van den
heiligen man te reinigen. Jonge bruiden baden hem op hare bruiloft
te verschijnen: want bij zulke gelegenheden was hij vaak gewoon
te profeteeren; en met godsdienstigen eerbied werden de duistere
woorden opgevangen, waarin de aanduiding van het toekomstig lot der
jonggehuwden lag opgesloten. Op zekeren dag was hij op de bruiloft
van Gospodin Sorokin, een der rijkste inwoners van Moskou; plotseling
wendde hij zich tot de bruid en sprak: "Als de feesten voorbij zijn,
zult ge uw man met honing moeten zalven." Niemand begreep wat hij
zeggen wilde; maar drie dagen later was Sorokin een lijk: nu was de zin
der voorspelling openbaar, want bij eene russische begrafenis mag geen
honing ontbreken. Natuurlijk won het geloof aan de profetische gave van
Philarethes, door zulk een opzienbarend feit, niet weinig in kracht.
Eene zijner ijverigste en vermogendste volgelingen, Mevrouw Loguinoff,
schonk hem eene aanzienlijke som gelds, om daarvoor een klooster
en een kerk te bouwen; en toen deze heiligdommen te midden der graf
heuvelen van Troïtza waren verrezen, scheen de taak van den bedelmonnik
voltooid. Toch waren de laatste levensjaren van Philarethes-Ouchka
niet de gelukkigste. Zijn machtige beschermheer was gestorven; en
Innocentius, de nieuwe metropolitaan, een ernstig man, vol ijver
voor zijn geloof, had weinig op met de zonderlinge praktijken van
den kluizenaar, en verklaarde zich tegen hem. Philarethes verliet nu
zijn klooster en trok naar het dorp Tcheglowe, in het gouvernement
Toela, waar hij een nieuw klooster bouwde. Daar stierf hij in 1868,
ruim vijf-en-zestig jaren oud. De beide door hem gestichte kloosters
worden nu door gewone monniken bewoond.
Dergelijke verschijnselen mogen zeker wel als ongezonde openbaringen
van het godsdienstig leven worden beschouwd. Toch zoekt de zwarte
geestelijkheid daarin een wapen tegen de spotternijen en aanvallen
eener vijandig gezinde wereld, die aan dezen staat van zaken een
einde maken wil. In dien strijd is het voordeel tot dusverre aan de
zijde der monniken. De liberale opinie en de moderne wetenschap zijn
hun vijandig; maar deze beide machten zijn in Rusland, immers bij de
overgroote meerderheid des volks, nog in geenen deele inheemsch, zij
staan, in zekeren zin, buiten het nationale leven. Daarentegen hebben
de monniken op hunne zijde de traditie, de ingewortelde gewoonte, de
overgeleverde piëteit. Ook beschikken zij over alle hooge kerkelijke
betrekkingen, en over zeer groote levende krachten op allerlei
gebied. De vrouwen zijn voor hen; voor hen is ook de meerderheid der
landelijke bevolking. Te allen tijde hebben de vrouwen zich bijzonder
aangetrokken gevoeld door de monniken, wier gelofte hen bindt allen
omgang met haar te vermijden; en er zijn weinig steden in Rusland,
waar men u niet weet te verhalen van een of anderen eerwaarden vader,
die, even als Philarethes de Kleine, door eene gansche schare van
lieve discipelinnen gevolgd en gevierd werd.
De monniken hebben niet alleen alle geestelijke macht in handen,
maar de elementen zelf, waaruit deze macht is samengesteld, zijn
in hun bezit. Hunner zijn de kloosters, de katakomben, de heilige
plaatsen. Zij bewaren de beenderen der heiligen; uit hun midden
komen nieuwe heiligen voort. In het gouden boek der russische kerk
komt geen enkele naam voor van een gekanoniseerden wereldlijken
priester. De monniken bezitten de gave der zelfverloochening en de
gave der wonderen--twee zoo machtige en invloedrijke factoren in een
land als Rusland.
Zelfverloochening is voor den Rus het onbedriegelijkst merk van het
ware geloof, de hoogste kroon van een Gode gewijd leven. Ook deze
eerste en edelste aller deugden neemt echter dikwerf zonderlinge vormen
aan. In het vorige jaar (1868) stierf in het krankzinnigengesticht
te Moskou een man, Iwan Jacowlewitch genaamd, eene zonderlinge
vermaardheid verworven had. Velen hielden hem voor krankzinnig; anderen
vereerden hem als een heilige. Daar de eersten de meerderheid hadden,
sloten zij hem op, en hielden hem tot aan zijn dood onder geneeskundige
behandeling en toezicht.
Deze Iwan, burger der kleine stad Cherkosowo, achtte zich geroepen,
zijne gezondheid, en alle gemakken en genietingen des levens den
Heer ten offer te brengen. Op jeugdigen leeftijd reeds legde hij
de plechtige gelofte af, nimmer zijn aangezicht te zullen wasschen,
noch zijne haren te kammen; nimmer zijne lompen te zullen afleggen;
nimmer op een stoel of bank te gaan zitten; nimmer aan een tafel
te eten, noch een mes of vork te gebruiken. Krachtens deze gelofte
leefde hij als een hond, op den grond liggende en zijne spijzen
opslurpeude. Toen men hem in het krankzinnigengesticht bracht, werd
hij behoorlijk gewasschen en van nieuwe kleederen voorzien: maar
aanstonds verontreinigde hij die, en zijne oppassers kwamen spoedig
tot de overtuiging, dat het onmogelijk was hem zindelijk te houden.
Inmiddels ging de roep van hem uit door de gansche stad, en het
duurde niet lang, of de cel van Iwan Jacowlewitch was eene gevierde
bedevaartsplek geworden. Niet alleen dienstmeiden en boerinnen,
maar deftige burgervrouwen, kwamen hem dagelijks opzoeken,
brachten hem allerlei lekkernijen, gaven hem geld ten geschenke,
en vertelden hem hare dierbaarste geheimen. Op den grond gezeten,
staarde hij met half wezenloozen blik zijne bezoekers aan, en mompelde
eenige onsamenhangende woorden, die zijne hoorders, met de uiterste
inspanning, trachtten te verstaan en te ontcijferen. Somwijlen maakte
hij balletjes van de kruimels zijner koekjes; en wanneer kranken bij
hem genezing kwamen zoeken, stopte hij hun deze vuile pillen in den
mond. Deze man nu heette "uitzinnig om des Heeren wil."
De directeur van het gesticht liet hem naar eene ruime kamer
overbrengen, waar hij zijne bezoekers kon ontvangen. Men wist dat hij
stapelgek was; dat dit drukke bezoek en die gedurige aandoeningen
allernadeeligst voor hem waren: maar de toeloop was zoo groot en
de begeerte van het publiek om hem te zien zoo levendig, dat de
uitspraken der wetenschap en de regelen van het gesticht daarvoor
zwichten moesten. Toen de arme krankzinnige eindelijk stierf, was de
ontsteltenis onder de lagere volksklasse in Moskou algemeen; en eenigen
tijd na zijn dood las men in het Dagblad van Moskou eene oproeping, om
voor dien man in zijne geboorteplaats een gedenkteeken op te richten.
In den regel neemt echter deze zucht voor zelfverloochening een
anderen, minder aanstootelijken vorm aan: dien van afzondering van de
wereld. Het kluizenaarsleven geldt als het Gode gevallige leven bij
uitnemendheid. Alle afdeelingen der oostersche kerk--de armenische,
de koptische, de grieksche--werken deze richting in de hand: maar
geene andere kerk kan op zulk eene menigte kluizenaars wijzen als
de russische. Haar kalender wemelt van de namen van kluizenaars en
asceten; en hetgeen men van de ontberingen en zelfkastijdingen dezer
lieden verhaalt, is somwijlen bijna ongeloofelijk. Zoo vertelt men
van zekere zuster Maria, die zich in een rotsspleet liet opsluiten;
zij kreeg haar voedsel door een gat in de rots, en bracht twaalf
jaren in dit levend graf door.
Ongeveer veertig mijlen van Moskou, niet verre van de abdij van
Troïtza, bevindt zich eene soort van monniken-kolonie, Gethsemané
genaamd en bestaande uit een klooster en katakomben, door een meer van
elkander gescheiden. Het klooster, een type van armoede en ellende,
is van ruwe boomstammen opgetrokken, die ternauwernood geverfd
zijn. Nergens is een spoor van goud of zilver te bespeuren; alle
sieraden zijn van cypressenhout. De monniken dragen tabbaarden van
de gemeenste sergie, en voeden zich met de schraalste spijs. Geene
vrouw mag deze heilige plek betreden, dan eenmaal in het jaar, op
den dag van Maria-Hemelvaart.--Aan gene zijde van het meer bevinden
zich de katakomben, diep in den grond uitgegraven. Wij staan voor
de nauwe opening, die naar deze onderaardsche verblijven voert, en
steken ieder onze kaarsen aan; een monnik maakt het teeken des kruises,
prevelt eenige onverstaanbare woorden, en daalt de smalle trap af. Wij
volgen langzaam, een voor een, zwijgend, zoo dicht mogelijk langs den
muur voortgaande. Eene benauwde lucht komt ons tegen; een zonderling
dof geluid treft onze ooren; wij ademen met moeite in dezen zwaren,
bedorven dampkring. De kaarsen flikkeren en branden al flauwer in
de dikke duisternis. In een smallen gang zien wij enkele getraliede
vensters, nauwe openingen en met ijzer beslagen deuren: dit zijn
toegangen naar cellen. Het gewelf is doortrokken van vocht; op den
grond kruipen allerlei ongedierten.
"Hush!" fluistert de monnik, als wij langs enkele getraliede vensters
en met ijzer beslagen deuren heen gaan, als vreesde hij dat wij
de rust der dooden zouden storen.--"Wat is dit voor eene opening
in den muur?"--De monnik staat stil en beweegt zijn spookachtigen
fakkel. "Een cel, zegt hij; hier ligt een goede man. Hush! zijne ziel
is nu bij God!"--"Dood?"--"Dood voor de wereld--ja."--"Hoe lang is
hij hier?"--"Hoe lang?--Elf jaar en langer."
Wij gaan met eene huivering voorbij dit levend graf, en treden
weldra uit den nauwen gang in eene kleine kerk. De lamp brandt voor
het altaar; twee monniken liggen geknield, met het aangezicht ter
aarde; een priester zingt, op doffen toon, de liturgie. Achter dit
kerkje bevindt zich de heilige put, waarvan het water, naar men zegt,
heilzaam is voor lichaam en ziel.--Toen wij weer boven waren gekomen,
vroegen wij nadere inlichtingen omtrent den kluizenaar, die langer
dan elf jaar in dit onderaardsche hol zou hebben doorgebracht;
wij vernamen nu dat hij van tijd tot tijd uit zijn graf verrijst,
om de kloosterklok te luiden, hout te halen, en zich op de hoogte te
houden van hetgeen er al zoo omgaat.
Maar deze begeerte naar zelfverloochening openbaart zich ook nog op
andere, minder sombere wijze. In de kloosterhoven van Solowetsk kunt ge
een zonderling wezen zien, in lompen gehuld, zich voedende met afval
en op den grond slapende, die, zonder de gelofte te hebben afgelegd,
toch als behoorende tot de monnikenorde wordt beschouwd. Hij rekent
zijn leven eene verbeurde weldaad, en wijdt zich zelven dagelijks
ten offer. Hij streeft naar de afzichtelijkste verworpenheid, en
wil in zijn eigen persoon de nietigheid en de ellende van al het
aardsche zichtbaar vertoonen. Deze wonderlijke man wordt vooral
door de pelgrims uit de lagere volksklasse in hooge eere gehouden
en bijna als een heilige beschouwd, vader Nikita--zoo heet hij--is
nog geen vier-en-een-halven voet hoog: in Rusland vooral mag hij
dus met recht een dwerg worden genoemd. Een dunne grijze baard,
verwarde haren, een donkerkleurig gelaat, en kleine scherpe
oogen--ziedaar zijn portret. Nooit besmet hij zijn lichaam door
de aanraking met water of zeep; nooit kamt hij zijn haren of zijn
baard: wat toch is de mensch, dat hij zich zou verhoovaardigen op
zijn vleesch? Zijne kleeding bestaat uit vodden en lompen; want hij
versmaadt het betamelijke en warme gewaad van den monnik. Heeft hij
dringende behoefte aan eenig kleedingstuk, dan gaat hij niet naar
het magazijn, maar naar de bergplaats waar de afgedragen kleederen
worden bewaard, en vraagt van den monnik, met het opzicht daarover
belast, de versleten en weggeworpen plunje van een of anderen armen
broeder. In het klooster staat eene cel tot zijne beschikking: maar
ook een houten bank en een strooien peluw zijn nog veel te goed voor
een wezen van stof en slijk; en ten teeken zijner diepe onwaardigheid,
brengt hij den dag door op de kaai, den nacht op de binnenplaats van
het klooster. Nooit heeft hij zich laten overhalen in den reefter
nevens de andere monniken plaats te nemen: kaas, roggebrood, stokvisch
zijn voor hem ongeoorloofde lekkernijen; maar wanneer de maaltijd is
afgeloopen en de tafels afgeveegd, sluipt hij naar de spijskamer,
zamelt de weggeworpen brokken en afgekloven beenderen op, en stilt
zijn honger met hetgeen de boeren en bedelaars hebben laten liggen.
In de kerk wil hij nooit zijne plaats onder de andere geloovigen
innemen; nimmer wil hij door de heilige-poort gaan. Als de dienst is
begonnen, sluipt hij naar een donkeren hoek der kerk, en luistert,
met het aangezicht op de steenen, naar de gebeden en lofzangen. Het
is hem een genot door de menigte geschopt of vertreden te worden. Hij
maakt zich tot aller dienaar, en is immer gereed elk bevel, door wien
ook gegeven, te volvoeren; ontdekt hij onder de schare een of anderen
schooier, zoo vuil en ellendig dat iedereen hem schuwt, dan zoekt
hij dien verlatene op en groet hem als zijn meester. In den winter,
als de sneeuw in dichte lagen den grond bedekt, slaapt hij op de
binnenplaats in de open lucht; des zomers, als de hitte op het hoogst
is geklommen, gaat hij blootshoofds in de zon liggen. Wie hem bespot,
mishandelt, besteelt, is zijn vriend. Als alle lieden van zijn stand,
is hij verzot op geld: maar juist dezen hartstocht maakt hij dienstbaar
aan de loutering zijner ziel: hij vlecht korfjes van berkenschors,
en verkoopt die, voor twee kopeks het stuk, aan matrozen en pelgrims;
hij wikkelt het kopergeld in een vuillapje of stuk papier, en verbergt
het hier of daar onder een steen, in de hoop dat iemand het zal zien
en het geld zal wegnemen.
Uitnemender nog dan de gave der zelfopoffering, is de gave
der wonderen, en ook deze beweert de zwarte geestelijkheid te
bezitten. Hare wonderen behooren niet tot een ver verleden, maar tot de
geschiedenis van den dag; zij geschieden niet in het verborgen, in een
of anderen vergeten hoek, maar op klaarlichten dag, in groote steden,
ten aanschouwe der gansche wereld. Ook hiervan een paar voorbeelden.
Seraphim, een koopman van Kursk, verliet zijne vrouw, zijne kinderen en
zijn handel, en werd monnik. Hij trok naar het klooster, de Woestijn
van Sarow genaamd, in het gouvernement van Tambow; daar groef hij
een gat in den grond, waarin hij verblijf hield en overnachtte. Het
gebeurde op zekeren tijd dat dieven hem overvielen; zij sloegen en
mishandelden hem, maar bevindende dat hij niets bezat, begrepen zij
dat zij met een heilige te doen hadden. Weldra ging nu het gerucht
van hem heinde en verre uit; van alle kanten kwamen de geloovigen
hem bezoeken, geschenken medebrengende van brood, kleederen en
geld, die hij allen aannam, om ze vervolgens aan de armen uit te
deelen. Zijne woestijn werd welhaast eene volkrijke plaats, en het
klooster van Sarow werd door het gansche land beroemd.--Op tien
mijlen afstands van zijne eigene kluis, stichtte Seraphim een tweede
klooster voor vrouwen. Van een edelman ontving hij een stuk gronds ten
geschenke; kooplieden gaven hem het noodige geld: want zijne gunst
werd begeerlijker geacht dat het bezit van geld of goed. Schoone en
aanzienlijke vrouwen kwamen hem bezoeken; zij namen haar intrek in
het huis, dat hij voor haar had gesticht, en waar zij van de wereld
afgezonderd konden leven, zonder zich door de kloostergelofte voor
altijd te verbinden. Eindelijk gebeurde er een wonder. Eene lamp,
die voor eene beeltenis der Heilige-Maagd hing, ging plotseling uit,
terwijl Seraphim op den grond lag geknield; het werd duister in de
kapel; de pelgrims voelden zich onthutst; toen eensklaps, tot verbazing
van allen die het zagen, een lichtstraal van de schilderij uitgaande
de lamp weder deed ontbranden!--Een tweede wonder volgde spoedig. Op
zekeren dag stond eene schare armen voor Seraphim's cel; wachtende
op brood. Hij zag zijn voorraad na, en bespeurde dat hij maar twee
brooden had: wat zou hij met twee brooden aanvangen tegenover deze
hongerige schare? Hij riep tot God--en zie, twintig brooden lagen op
zijne tafel! Sedert ging er geen jaar voorbij, zonder dat er een of
ander wonder te Sarow gebeurde; de voorbeelden van genezing waren
talrijk; en voor zijne cel verdrongen zich kreupelen en blinden,
dooven en stommen, om door hem verlost te worden van hunne kwalen.
Seraphim stierf in 1833; toch geschieden er nog voortdurend wonderen op
zijn graf, tot op dezen dag. Reeds door het volk heilig geacht, wacht
hij zijne plechtige canonisatie nog slechts van de kerk. Iedere nieuwe
keizer maakt een heilige, zooals in Turkije iedere nieuwe sultan een
moskee bouwt; en de publieke opinie wijst Seraphim aan als den man,
die zijne heiligverklaring van Alexander III wacht.
Nog beroemder is Tikhon, weleer bisschop van Woronesj, thans een
erkende heilige van de orthodoxe kerk: Tikhon is de officiëele heilige
van de tegenwoordige regeering; hij dankt zijne canonisatie aan den
regeerenden keizer.
Timotheus Sokoloff, de zoon van een armen voorlezer in eene dorpskerk,
werd in het jaar 1724 in de provincie Nowgorod geboren, die aan
Rusland zoo vele heiligen geschonken heeft. De voorlezer had een
groot gezin en een gering inkomen. Timotheus werd al vroeg bij een
boer op eene naburige hoeve in dienst gedaan. Des daags op het veld
arbeidende, des nachts in de schuren toevende, weinig slapende en
nog minder etende, wist hij toch gelegenheid te vinden om lezen en
schrijven te leeren. Hij werd nu naar eene pas geopende school te
Nowgorod gezonden, waar hij zoo ijverig leerde en arbeidde, en zoo
groote vorderingen maakte, dat hij, na afloop van zijn leertijd, tot
onderwijzer bij die school werd benoemd. Maar zijn hart was niet bij
het onderwijs. Reeds als kind was het zijn lust, gewijde liederen te
zingen, de mis bij te wonen, alleen te zijn met zijne boeken; mitsdien
vermeed hij zooveel mogelijk den omgang met menschen en schuwde hij de
vermaken der jeugd. Een gezicht bepaalde zijne keus voor zijn volgend
leven. "Toen ik nog onderwijzer in de school was,--zoo verhaalde
hij later aan een vriend--placht ik geheele nachten op te zitten,
lezende en peinzende. Op zekeren nacht in Mei, begaf ik mij naar
buiten. Het was prachtig weder, en een heldere, onbewolkte lucht. Ik
zag naar de fonkelende sterren, en heilige gedachten van eeuwig leven
en hemelsche heerlijkheid rezen in mijne ziel op. Plotseling opende
zich de hemel voor mijn blik: een gezicht, in geen menschelijke taal
weder te geven. Mijn gansche hart werd als van zaligheid overstroomd;
en van dat oogenblik kende ik geen vuriger begeerte dan de wereld
te verlaten."
Weinige jaren nadat hij de monnikspij aangetogen en zijn wereldlijken
naam Timotheus voor dien van Tikhon verwisseld had, werd hij uit zijne
nederige cel geroepen om den bisschoppelijken zetel te bestijgen, eerst
te Nowgorod, later te Woronesj. Het bisdom van Woronesj, aan de grenzen
der tartaarsche steppen gelegen, had eene zeer eigenaardige, half wilde
bevolking: Kozakken, Kalmukken, Malo-Russen: een wonderlijk mengelmoes
van allerlei stammen, die een zwervend leven leidden, lui, roofzuchtig,
aan dronkenschap en onmatigheid ten prooi. De geestelijkheid was
misschien nog dieper gezonken dan de leeken. Woronesj bezat geene
scholen; de popen konden ter nauwernood lezen; de heilige dienst
werd slecht en oneerbiedig afgeraffeld. De geheele bevolking was
in allerlei zonde en ongerechtigheid verzonken. Tikhon aanvaardde,
met zeldzamen moed, den strijd tegen deze overmacht des kwaads, en
tastte het in den wortel aan, beginnende met de geestelijkheid. Ten
einde den priesterlijken stand te verheffen, en hen die zich daarvoor
voorbereidden, achting voor zich zelf in te boezemen, verbood hij het
gebruikelijke geeselen op de seminariën. Deze hervorming was slechts
een voorteeken van hetgeen volgen zou. Langzamerhand wist hij door
leer en voorbeeld zijne geestelijkheid te bekeeren; hij noopte hen als
priesters te leven, alle onmatigheid en ongerechtigheid te schuwen,
en zich als ware dienstknechten Gods te gedragen. Binnen twee jaren
hervormde hij de scholen en zuiverde hij de kerk. Met niet minder zorg
waakte hij over de hem toevertrouwde kudde; ook daar ging hij het kwaad
te keer. Meermalen moest hij harde woorden spreken: maar zoo groot was
de eerbied, dien allen voor den goeden, ernstigen bisschop gevoelden;
dat niemand zijn gebod dorst te overtreden. "Gij moet doen wat Tikhon
u zegt," spraken de burgers en landlieden menigmaal tot elkander;
"anders zal hij u bij God verklagen." De bisschop zelf ging allen
voor. Hij kleedde zich zoo eenvoudig mogelijk; hij gebruikte de meest
alledaagsche spijzen; de wijn werd onaangeroerd van zijne tafel naar
de zieken gezonden. Hij was de vriend der armen, en ging alleen dan de
rijken bezoeken, wanneer geen ellendigen of ongelukkigen zijne hulp
behoefden. Het geheim van Tikhon's macht lag in zijn onberispelijken
wandel, in zijne medelijdende teederheid, in zijn edel liefhebbend
hart:--trouwens, waar elders schuilt de macht van alle waarlijk edelen
en goeden, van alle echte volgelingen des Heeren? "Gebrek aan liefde,
placht de waardige herder te zeggen, is de oorzaak van al onze ellende;
hadden wij onze broeders hartelijker lief, het zou ons lichter vallen
smart en moeite te dragen; de liefde weet alle leed en alle pijn te
verzachten en te genezen."
Zoo leefde hij twee jaren in Nowgorod, vijf jaren in Woronesj, tot een
zegen voor allen, die hem leerden kennen: toen werd de begeerte naar
afzondering hem te sterk. Hij legde den herdersstaf neder, verliet
zijn bisschoppelijk paleis, en trok zich terug in het klooster van
Zadonsk, eene kleine stad aan de Don, waar hij zich onledig hield
met schrijven en het bezoeken van armen. Maar ook nu was zijn arbeid
gezegend en rijk aan gevolgen: Tikhon was een der eersten, zoo niet de
eerste, die openlijk optrad als voorspraak en pleitbezorger voor de
lijfeigenen. Vijftien deelen van zijne hand hebben het licht gezien;
naar men zegt, zijn er nog vijftien deelen in handschrift aanwezig;
en sommigen van deze werken hebben vijftig herdrukken beleefd. Zijne
grootste verdienste als schrijver bestaat wel hierin, dat hij de
vrijlating der lijfeigenen voorzag, voorbereidde en onvermoeid
verdedigde en aanprees.
Vijftien jaren lang leidde hij het leven van een heilige. Als
vriend en voorspraak der verdrukte lijfeigenen, ging hij op zekeren
dag naar het kasteel van een prins in den omtrek van Woronesj, om
dezen te onderhouden over het ongelijk dat zijn onderhoorigen werd
aangedaan, en hem om Jezus wil te bidden, medelijden te hebben met de
armen. Tikhon zeide ronduit wat hij te zeggen had; de prins maakte
zich boos; het kwam tot vrij hooge woorden, en in een oogenblik van
drift gaf de prins hem een slag in het aangezicht. Tikhon stond op
en verliet het huis; maar toen hij een eind weegs was voortgegaan,
begon hij te begrijpen dat hij zelf verkeerd had gehandeld, niet
minder dan zijn beleediger. Deze man, zoo sprak hij bij zich zelf,
heeft iets gedaan, waarover hij, als zijn drift voorbij is, zich zal
schamen; en wie heeft aanleiding gegeven tot deze booze daad? "Het was
mijne schuld, antwoordde de boetprediker, keerde zich om en ging terug
naar het kasteel. Daar wierp Tikhon zich aan de voeten van den prins,
hem vergeving vragende omdat hij hem tot toorn had geprikkeld en tot
zonde verleid. De prins was, door deze onverwachte verschijning, zoo
getroffen, dat hij zich nevens den monnik op de knieën wierp, diens
handen kussend, en zijne vergiffenis en zegen afsmeekende. Van dien
dag was de prins een ander mensch, door geheel de provincie bekend
en geliefd als een vriend en vader zijner onderhoorigen.
Tikhon bereikte den ouderdom van tachtig jaren. Voor zijn dood
voorspelde hij aan de broederen van zijn klooster nauwkeurig den dag
van zijn sterven: en deze voorspelling werd letterlijk vervuld. Hij
werd in de kloosterkerk begraven, en weldra stroomden van alle
kanten scharen van bedevaartgangers naar zijne grafstede. Want van
het gebeente des heiligen mans ging kracht uit tot genezing der
kranken: de kreupelen werden gezond, de blinden ziende, de gebogenen
opgericht. De stemme des volks vorderde de heiligverklaring van
dezen vriend der lijfeigenen; en de tegenwoordige keizer, aan die
roepstem gehoor gevende, noodigde de heilige synode uit, het voor
de canonisatie gevorderde onderzoek in te stellen. Eene commissie
werd benoemd; de zaak werd onderzocht; de wonderen worden bewezen;
vervolgens werd het graf geopend. Een geur van bloemen steeg uit de
lijkkist op; het lichaam was ongeschonden, bloeiend en frisch: het
besluit der canonisatie werd geteekend in het jaar 1861, het jaar
der groote emancipatie. Tikhons naam is onafscheidelijk aan dien
maatregel verbonden.
Maar het grootste wonder uit dien nieuweren tijd, het schitterendst
bewijs der bijzondere bescherming Gods over het heilige Rusland,
is de verdediging van Solowetsk door de moedermaagd, toen de
engelsch-fransche vloot in 1854 de heilige-eilanden bedreigde.
Zoodra te Petersburg de tijding was ontvangen, dat eene engelsche
vloot naar de Poolzee koers had gezet, werden door het ministerie
van oorlog de gewone maatregelen van tegenweer genomen, voor zoover
dat, in de bestaande omstandigheden, mogelijk was. Zes oude stukken
vestinggeschut, die eene plaats in een museum hadden verdiend,
werden van Archangel naar het klooster gezonden, tegelijk met vijf
artilleristen en vijftig liniesoldaten, uit het invaliden-corps
gekozen. Aan het hoofd dezer krijgsmacht stond een officier, die
echter spoedig overleed, juist toen de engelsche schepen in de
Witte-zee waren gekomen.
In hun eersten schrik hadden de monniken de kostbare gewaden
en kerksieraden, de charters en edelgesteenten naar de steden
in het binnenland gezonden, vader Alexander, de archimandriet,
had gebeden en bijzondere diensten in de verschillende kerken en
kapellen uitgeschreven; hij zelf bediende de mis voor de graven
van Savatius en Zosimus, in de krypt der kathedraal, en ook voor de
wonderdoende afbeelding der heilige maagd, door Savatius naar het
eiland gebracht. Naarmate de tijdingen onrustbarender werden en het
gevaar naderde, sterkte de archimandriet de broederen door toespraak
en vermaning, hen opwekkende al hun vertrouwen op God te stellen en
van hem alleen de hulpe te verwachten.
In den morgen van dinsdag, 18 Juli 1854, berichtten de wachters dat
twee fregatten kaap Beluga waren omzeild;--de archimandriet schreef
een driedaagsche vasten uit. De beide fregatten wierpen het anker uit,
op zeven mijlen afstands van de kust:--de archimandriet beval dat
de kloosterklok zou worden geluid voor eene bijzondere dienst ter
eere der Allerheiligste Moeder Gods. Als een der oude hebreeuwsche
koningen, ontdeed hij zich van zijn plechtgewaad, vernederde zich voor
het oog der eerwaarde vaders, en bad voor de graven van Savatius en
Zosimus geknield. Toen nam hij het wonderdoende beeld der Panagia
(de Alheilige, bijnaam der Maagd Maria in de oostersche kerk) van
den wand, en droeg dit in statigen ommegang langs de wallen, gevolgd
door al de monniken. En zie--de beide fregatten lichtten het anker,
en verwijderden zich.
Echter, daar de schepen in het richting van Kem waren weggestoomd,
bestond er alle reden om te vreezen, dat zij terug zouden komen. De
vaandrig Niconowitsj, die het bevel over de kompagnie invaliden
op zich had genomen, ging op verkenning van het strand uit, twee
drieponders door het zand met zich medevoerende; terwijl een aantal
pelgrims en werklieden zich vrijwillig aanboden om de wacht te
betrekken. Niconowitsj wierp, van zand en graszoden, eene soort
van batterij op, waarachter hij zijn geschut plaatste; ook werden
acht kleine veldstukjes op de torens en wallen geplaatst, waarna de
monniken hunne gebeden hervatten.
Den volgenden dag werd een donkere rookkolom in de heldere zomerlucht
zichtbaar. De twee schepen, die weldra bleken de Brisk en de Miranda
te zijn, stoomden de baai binnen. De Brisk begon den aanval: zij vuurde
met schroot op het klooster. Het scheelde weinig, of de archimandriet,
die op de kaai stond, ware door een kogel getroffen; de monniken,
verschrikt door het ratelend geschut, vloden naar het binnenplein,
en sloten de heilige-poort achter zich toe.
Een zekere Drushlewski, een onderofficier, die met tien man en een
kanon in den Weverstoren stond, beantwoordde het vuur der Engelschen;
waarop het fregat, zich naar den toren keerende, dezen de volle laag
gaf. Drushlewski raapte den hem toegeworpen handschoen op; maar
daar hij slechts weinig buskruit had, spaarde hij zijne krachten
en berekende zijne slagen. De Brisk vuurde dertig malen; slechts
driemalen werd het kanon in den Weverstoren afgeschoten. Het laatste
schot deed het engelsche fregat afdeinzen: de kogel was in de zijde
van het schip gedrongen en had een man gedood.
De nacht werd in gebeden doorwaakt. De archimandriet kuste Drushlewski,
en gaf aan allen, die in de Weverstoren waren geweest, zijn zegen. Toen
de zon aan de kimme verdwenen was, waren de fregatten uit het gezicht;
maar toch was niemand gerust; het gevaar was nog niet geweken.
De volgende dag, donderdag 20 Juli, was een der grootste heiligedagen
in den russischen kalender: het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouwe
van Kazan: een dag waarop in geheel Rusland geen ploeg door het land
gedreven, geen fabriek geopend, geen school gehouden wordt. Evenals
naar gewoonte, werden, ten half drie in den morgen, de metten in de
kathedraal gezongen; juist was het Te Deum geëindigd, toen een sloep,
de witte vlag voerende, van de Brisk afstak en naar de kaai voer. Zij
bracht een brief voor den archimandriet, waarbij de overgave van
het klooster werd geëischt, met bepaling tevens dat de bevelhebber
in persoon zijn zwaard moest overgeven, en dat het garnizoen
krijgsgevangen zou worden. De engelsche admiraal Ommaney waarschuwde
den archimandriet, dat wanneer een schot van de wallen werd gelost,
het bombardement onmiddellijk zou beginnen. De archimandriet zeide,
dat hij zijn antwoord aan den admiraal zou zenden. Dit antwoord was
eene uitdrukkelijke weigering om de sleutels van het klooster over te
geven; een pelgrim, Soltikoff genaamd, werd met de overbrenging belast.
De admiraal las den brief, en verklaarde dat alle verdere
onderhandeling overbodig was, en het bombardement aanstonds zou
beginnen. Met moeite stond hij eenig uitstel toe; nauwelijks had
Soltikoff de heilige-poort bereikt, of de eerste bom vloog over de
wallen van het klooster. Het was nu kwartier over zevenen. Juist
toen de engelsche schepen hun vuur openden, riep de kloosterklok de
monniken ten gebede. Bommen, kogels en granaten daalden in suizende
vaart en met ratelend gerucht, als een hagelbui, op de muren en koepels
neder; rusteloos woedde de verdelgende oorlogsorkaan daar buiten: toch
werd de heilige dienst den ganschen dag door onverpoosd voortgezet,
en zweeg in den tempel de stem des gebeds geen oogenblik! Terwijl de
schare geknield lag, sloeg een bom in den koepel van de kathedraal,
vernielde de houten kap, en deed de zoldering naar beneden tuimelen. De
balken vatten vuur; de gansche kerk werd met rook gevuld; de vensters
rammelden, de deuren vlogen open; het gansche gebouw dreunde en
sidderde op zijne grondslagen;--de ontzette schare wierp zich met het
gelaat op de steenen. Een man alleen behield zijne tegenwoordigheid
van geest. Voor de koninklijke poort staande, riep de archimandriet
zijn kinderen toe: "Blijft! blijft! Weest niet verschrikt; de Heer
zal de zijnen bewaren!"--Opziende, zagen de monniken en pelgrims den
eerwaardigen grijsaard, staande voor het altaar, kalm en onversaagd,
terwijl groote tranen langs zijne wangen biggelden. Dit gezicht
bezielde hen met nieuwen moed. Zij sprongen op, haalden water, doofden
de vlammen uit, ruimden de neergestorte planken en balken weg; en nadat
de kerk gereinigd was, bogen zij zich op nieuw ter aarde en baden.
Voor de graven van Savatius en Zosimus werd de dienst den ganschen
dag voortgezet. Eenmaal trof een kogel het altaar; de dienstdoende
pope sprong terug; de gemeente boog in ontzetting het aangezicht
ter aarde. Ieder dacht dat zijn laatste uur gekomen was; en in hunne
bekommering vroegen velen om het laatste sakrament. Vader Varnau zette
zich in den biechtstoel, nam de geloovigen de biecht af, en diende
het sakrament toe. De archimandriet was de eerste, die belijdenis
zijner zonden deed, en het lichaam des Heeren genoot. De popen en
andere broeders volgden; toen de pelgrims, de soldaten, de vrouwen,
en nadat allen de absolutie ontvangen hadden, knielden zij neder voor
de altaren en bij de graven van Filippus, Savatius en Zosimus, en in
de kapel der moeder Gods. Inmiddels zweeg de donder van het geschut
niet, en raasde de wilde storm van ijzer en vuur onophoudelijk over
het sidderende klooster.
Het was middag geworden. Daar luidden nogmaals de kloosterklokken:
de monniken en pelgrims verzamelden zich op den wal en schaarden
zich daar in rijen voor de groote processie. De monniken openden den
langen trein; op hen volgden de pelgrims, daarachter kwamen de vrouwen
en kinderen. Toen zij allen gereed waren, nam de archimandriet de
wonderdoende beeltenis der heilige maagd, die nevens het altaar hing,
en het groote, hoog vereerde crucifix. Het kruis in de rechter, de
madonna met de linkerhand gevat houdende, plaatste hij zich aan het
hoofd der schare en leidde haar langs de wallen, onder het vuur des
vijands. De groote klok luidde, de monniken en pelgrims hieven hun
psalmen aan. Kogels en granaten vlogen snorrend over hen heen; de
muren sidderden; de pannen stoven in splinters van de daken. Nabij
den hoektoren aan het Heilige-meer gekomen, moest de processie
stilhouden: een granaat had den windmolen getroffen en de wieken in
brand gestoken. Psalmen zingende en luide biddende, wachtten allen tot
het vuur was uitgebrand, en vervolgden daarna hun tocht. Een weinig
verder, vloog een bom midden door den muur, steenen, balken en planken
verpletterende en voortslingerende tot midden onder de processie: die
daardoor in tweeën werd gebroken. "Gaat voort!" riep de archimandriet,
met zijn kruis zwaaiende,--en de schare ging voort, altijd voort.--Bij
den Weverstoren gekomen, riep de archimandriet den monnik Gennadius,
en gaf hem het kruis, met last om daarmede in den toren te gaan,
en het beeld des Heilands door de soldaten te doen kussen.
Thans zou er een wonder geschieden. De processie had den Weverstoren
verlaten, en een open plek bereikt, die zij over moest steken onder
het geweldige vuur des vijands en den vernielenden kogelregen. Geen
menschelijk wezen kon ongestraft dat vuur trotseeren, tenzij dat
eene bovenaardsche macht hem beschermde. Nu zou het geloof dezer
onverschrokken mannen inderdaad op de proef worden gesteld. Een
oogenblik stond de processie stil; maar de aarzeling duurde ook
slechts een oogenblik. De archimandriet, de beeltenis der moedermaagd
opheffende, trad onbeschroomd in die dwarrelwolk van stof en rook;
de monniken en pelgrims, de vrouwen en kinderen volgden, luide hunne
lofzangen zingende.--En zie--de bommen en granaten der engelsche
schepen weken van haar baan, dwarrelden boven de koepels en torens,
en stortten neder in het Heilige-meer achter het klooster. Aller
oogen aanschouwden het wonder; en uit aller harten steeg, met heilige
ontroering, de dank tot onze-lieve-vrouwe, de machtige en zegepralende
Panagia!
De fregatten hielden af en verwijderden zich, om niet weder terug
te keeren; overwonnen en te schande gemaakt, hoewel niet door
menschelijke macht. Niemand in het klooster had eenig letsel bekomen,
niettegenstaande het woedende bombardement langer dan een halven dag
geduurd had.
De tijding van dezen onwaardigen en heiligschennenden aanval vloog, als
een elektrieke schok, door het gansche groote rijk, overal de heftigste
gemoedsbewegingen in het leven roepende. De gewaarwording, die de
geloovige Rus bij dit bericht moest ondervinden, laat zich het best
vergelijken met hetgeen in ons gemoed zou omgaan op het vernemen der
tijding dat een of andere turksche pâsha de kerk van het Heilige-graf
te Jeruzalem had laten bombardeeren. Verbazing, verontwaardiging,
woede kookten in aller hart; tot straks de blijde mare kwam dat deze
hemeltergende aanslag was mislukt en geheel te schande gemaakt. Sinds
dat wonderjaar is de glorie van Solowetsk hooger dan ooit geklommen:
eene bedevaart naar het klooster op het Heilige-eiland geldt voor bijna
even verdienstelijk als een pelgrimage naar Bethlehem en het graf des
Heeren. Boeren en landlieden gaven het voorbeeld; monarchen en vorsten
volgden. Alexander III is in bedevaart naar Solowetsk getogen; zijn
broeder Constantijn is hem gevolgd; twee van 's keizers zonen zullen
eerlang denzelfden tocht aanvaarden. Men zegt zelfs dat de keizerin
de gelofte heeft afgelegd, het graf van Savatius te zullen bezoeken,
indien de hemel haar hare gezondheid wedergeeft.
XI.
DE RUSSISCHE SEKTEN.
De vreemdeling, die niet aan den uiterlijken schijn der dingen
blijft hangen, en niet enkel de officiëele waarheid als de alleen
geldende aanneemt, zal weldra tot de ontdekking komen, dat in de
diepte der russische maatschappij vijandige elementen aan het woelen
en gisten zijn: een conflict van vrij wat meer beteekenis, dan de
meer of minder openlijk gevoerde strijd tusschen de wereldlijke
geestelijkheid en de kloosterlingen. Ook in Rusland bestaan er
partijen, die, overeenkomstig den geheelen maatschappelijken toestand
en het standpunt van ontwikkeling, waarop het russische volk staat,
tegelijk een kerkelijk en een staatkundig karakter hebben: sekten
in de eerste plaats, maar tevens ook politieke factiën. Trouwens,
de orthodoxe kerk is eene staatsinstelling, waarvan de keizer het
erkende hoofd is; wie zich dus van haar afscheidt, keert zich tegelijk,
in meerdere of mindere mate, tegen de regeering zelve.
Keizer Nikolaas wilde er niet gaarne van hooren, dat een zijner
onderdanen van zijne kerk afvallig was geworden; hij trachtte zich
het onaangename feit, dat er toch werkelijk dissidenten waren, zooveel
mogelijk te ontveinzen; vooral het naar buiten geheim te houden. Nu,
wat de meester niet wilde vernemen, trachtten de ministers ook niet te
zien. De tsaar beroemde er zich gaarne op, dat millioenen Muzelmannen,
Joden en Boeddhisten in vrede onder zijn schepter leefden; maar dat
een zijner eigene landgenooten zich veroorloofde in godsdienstige
overtuiging met den keizer te verschillen, stond in zijne oogen bijna
met oproer en hoogverraad gelijk. De kerk had nu eenmaal vastgesteld
wat ieder te gelooven had, den eenigen weg afgebakend om aan het eeuwig
verderf te ontkomen: daaraan moesten nu ook allen zich houden. Had
de keizer zelf niet gezworen, dat hij dit geloof zou eerbiedigen en
handhaven? Zoolang Nikolaas leefde, behoorde het in het Winterpaleis
tot den goeden toon, niet meer aan het bestaan der vroegere sekten te
gelooven: men deed het voorkomen, alsof zij allen verdwenen waren, en
er in het gansche rijk inderdaad niet meer dan ééne christelijke kerk
bestond. Misschien is keizer Nikolaas de eeuwigheid ingegaan, zonder
ooit de waarheid te hebben vernomen omtrent die vele duizende menschen,
die, naar het heette, voor zijne ongenade als versmolten waren.
Intusschen won, buiten het Winterpaleis en de officiëele kerkelijke
kringen, de afscheiding in kracht en tal, gedurende de geheele
regeering van den tsaar. Ongetwijfeld keerden enkelen in den schoot
der orthodoxe kerk terug--maar door geweld gedwongen. Doch dergelijke
maatregelen mogen sommigen ontrouw doen worden aan hun geloof:
zij, voor wie dat geloof waarlijk ernst, eene zaak des harten was,
waren op deze wijze niet te winnen, al moesten zij bittere tijden
doorleven. Eene godsdienstige overtuiging wordt niet waarlijk
overwonnen door het bestormen van de bedehuizen harer belijders;
en de dertigjarige vervolging heeft niet anders uitgewerkt, dan
dat de dissidenten heden ten dage talrijker, welvarender, vaster
aaneengesloten zijn, dan toen keizer Nikolaas den troon beklom.
Niemand in geheel Rusland zal durven beweren, dat hij de namen, het
aantal aanhangers en de bijzondere geloofsartikelen van al deze sekten
kent; veel minder, dat hij iets weet van haar ontstaan en verborgen
ontwikkeling. Niet alleen wordt alles wat de raskol, de afscheiding,
betreft, zooveel mogelijk geheim gehouden: maar ook de sekten zelf
hullen zich zooveel zij kunnen in het duister. Volgens den minister
van politie splitsen zij zich in vier hoofdgroepen, te weten: I de
Doukhobortzis of Pneumatomaken, worstelaars van den geest; II de
Malakhanys, melkëters; III de Khlystis, geeselaars en IV de Skoptzis,
eunuken of gesnedenen. [1]
Het is misschien niet gemakkelijk, het in opzettelijke zelfmisleiding
verder te brengen, dan in deze officiëele lijst geschiedt. Vier groepen
alzoo, en niet meer? Maar de waarheid is, dat de russische raskolniken
(dissenters, afgescheidenen) zich wel in honderd sekten verdeelen. Ook
de rangschikking is zonderling, en berust op geen enkelen redelijken
grond. De Worstelaars van den geest, die het eerst worden genoemd, zijn
noch eene oude, noch eene machtige sekte. De Melkëters zijn van lateren
oorsprong dan de Geeselaars en de Gesnedenen; ook dragen deze beide
laatste sekten een geheel ander karakter dan de beide eerstgenoemden,
die, in sommige opzichten, met de Methodisten en Puriteinen zijn
te vergelijken. De Khlystis zijn niet zoo talrijk als de Skoptzis,
hoewel zij hoogstwaarschijnlijk de Doukhobortzis in aantal overtreffen.
De oorsprong der Khlystis moet wellicht in de dertiende of veertiende
eeuw worden gezocht; niemand schijnt daarvan met juistheid iets te
weten; volgens sommigen zou de sekte in de eerste jaren van tsaar
Alexis Michaelowitsch, dat is dus omstreeks de helft der zeventiende
eeuw, zijn ontstaan. Zij zelf noemen Christus als de stichter hunner
sekte. De Skoptzis zijn nog ouder; zij zijn zeer talrijk en over het
algemeen zeer vermogend, maar houden zorgvuldig alles wat hun geloof
en hunne gebruiken betreft, geheim. Zij noemen zich zelf Beliegolubis,
witte duiven, en gelooven, naar het schijnt, aan eene voortdurende
incarnatie van Christus: een dezer laatste verschijningen van den
Heiland was, volgens hen, tsaar Peter III, dien zij allen bijzondere
eer bewijzen.
Doch deze vier groepen zijn, heden ten dage, niet meer de
belangrijkste; wel bestaan zij nog altijd, komen voor in officiëele
lijsten en verslagen, worden besproken in boeken en verhandelingen;
maar zij zijn, in zekeren zin, historische sekten, die tot een
vroegeren tijd behooren, en voor wie, zooals het gaat, de tijd van
aanvallende propaganda grootendeels voorbij is. De altijd werkzame
schismatieke geest gaat nog voortdurend voort, zich in andere,
nieuwere vormen te openbaren. Naarmate het onderwijs algemeener wordt,
vermenigvuldigen zich de sekten. Een pope zeide eens tot mij: "Hetgeen
in onzen tijd gebeurt, verbaast en bedroeft mij. Ik wil gaarne van
deze eeuw het beste denken: maar het is mijne doorgaande ervaring,
dat zoodra een boer kan lezen en voor zich zelf begint te denken,
hij onvermijdelijk een ketter wordt."--Er heerscht in de russische
maatschappij, in de russische kerk, eene sterke beweging, eene
machtige gisting: een voorgevoel van de naderende crisis vervult de
gemoederen der menschen met vrees en hoop, met twijfel en dorst naar
zekerheid; het is of allen, in angstige spanning, uitzien naar eene
openbaring van boven, die aan de bestaande onzekerheid en verwarring
een einde zal maken. Vandaar, dat ieder stoutmoedige dweeper of listige
bedrieger, die zich zelf voor een profeet durft uitgeven, aanstonds
eene schare van volgelingen vindt. Deze verschijnselen zijn teekenen
der tijden, die met de diepste bewegingen in de wereld der geesten,
met den historischen ontwikkelingsgang des volks, samenhangen,
en getuigen van bestaande behoeften, die op deze wijze bevrediging
zoeken. De meesten dezer sekten hebben zoowel een politiek als een
godsdienstig karakter. Inlichtingen, die ik in verschillende, ver
verwijderde provinciën van het groote rijk heb ingewonnen, stellen
mij in staat het een en ander mede te deelen omtrent godsdienstige
genootschappen van zoo jongen datum, dat zelfs in Rusland hunne namen
nog ternauwernood bekend zijn.
In het jaar 1868 vormde zich plotseling in de stad Atkarsk, in het
gouvernement Saratow en in het bisdom van Tsaritzin, eene nieuwe
sekte. Zestien personen scheidden zich van de orthodoxe kerk af,
zonder daarvan kennis te geven aan hun pope; zij stichtten eene
nieuwe godsdienst, en begonnen, op hunne wijze, het Evangelie te
prediken. Heiligenbeelden en altaarstukken beschouwen zij als afgoden;
het brood en de wijn des avondmaals hebben, volgens hen, hun tijd
gehad. Zij zeiden van Christus zelf den last ontvangen te hebben om
te onderwijzen, te prediken, te lijden en eene kerk te stichten. Om
aan die goddelijke lastgeving te voldoen, begaven zij zich naar de
rivier de Wolga, dompelden elkander in hare wateren, namen een anderen
naam aan, en hielden te zamen een plechtig feest. Dit gebeurde midden
in den winter, op asch-woensdag, 26 Februari, toen de wateren van de
Wolga met ijs waren bedekt, waarin gaten gehouwen moesten worden.--Deze
nieuwe apostelen der waarheid geven zich zelf den bescheiden naam van
kleine-christenen. Zij hebben geen priesters, geen formulieren, geen
beelden; gebruiken geen hostiën en geen gewijde olie. In plaats van
het gewijde brood, eten zij een soort van koeken, in vorm en omvang
aan een half-stuivers broodje gelijk, die zij als een bijzondere gave
van God vereeren, en waaraan zij allerlei geheimzinnige krachten en
bovennatuurlijke vermogens toeschrijven.
Zoodra de bisschop van Tsaritzin van deze beweging onder zijne kudde
hoorde, richtte hij een schrijven aan graaf Tolstoï, den minister
van onderwijs, die aanstonds zijne bevelen zond naar de plaatselijke
politie. De nieuwe sektarissen moesten nauwkeurig worden gadegeslagen;
geen indompelingen in het ijs mochten meer worden toegelaten; met
het bakken der gewijde koeken mocht niet worden voortgegaan. Elke
prediking van deze nieuwe leer moest onmiddellijk worden verboden;
de bisschop moest geraadpleegd worden omtrent hetgeen verder tegen de
sektarissen te doen viel. Al deze bevelen werden stiptelijk uitgevoerd;
de politie bereikte ook hier het gewone resultaat van hare ijverige
pogingen: de ketterij der kleine-christenen wint met den dag veld.
Datzelfde jaar 1868 was getuige van de opkomst van nog eene andere
sekte. De gouverneur van Kherson vernam, tot zijne verbazing, dat
eenige boeren in zijne provincie door de politie in hechtenis waren
genomen om de zeker niet alledaagsche reden, dat zij zich veel te goed
en te ordentelijk gedroegen voor lieden van hun stand. Naar men zeide,
dronken die boeren geen sterken drank, vloekten niet, logen niet,
waren niemand iets schuldig, en gingen ook niet ter biecht om den
pope hunne zonden te belijden. Niemand begreep daar iets van; en de
politie, geërgerd dat zij niets ten nadeele van die lieden vinden
kon, nam ze allen met een slag gevangen, zette ze in den kerker,
en berichtte den gouverneur welke vermoedens bij haar waren gerezen.
Deze al te deugdzame boeren waren broeders, Ratushni genaamd,
woonachtig in het dorp Osnowa, waar zij eenig land in eigendom
bezaten. Osnowa ligt in de nabijheid van een kleine stad, Ananiew
genaamd, waar een eenvoudig burger, Vonsarski, woonde, die ook bij de
politie met een zwarte kool stond aangeschreven, omdat ook hij een veel
te braaf man was voor zijn stand. Vonsarski betaalde zijn schulden,
en brak nooit zijn woord; hij leefde in vrede met zijne vrouw,--en
verscheen nooit ter kerk. Hij werd dus ook gevangen genomen, tot de
gouverneur uitspraak zou hebben gedaan.
Naar men zegt, had de politie gehandeld op aansporing van de
monniken. Al was er op het oogenblik met grond niets tegen de
gevangenen in te brengen, toch hoopte men dat op het gerucht hunner
gevangenneming, de tongen los zouden worden, en dan wellicht het een
of ander uit zou lekken, waaruit met fatsoen eene niet al te dwaze
beschuldiging tegen deze lieden ware samen te stellen.
De Ratushni's en Vonsarski stonden bekend als verlichte mannen;
men wist ook dat zij meermalen in aanraking waren geweest met de
hernhuttersche kolonisten in het zuiden van Rusland. Het gaf reeds
ergernis genoeg, dat zij blijkbaar de voorkeur gaven aan de wijze
waarop deze vreemdelingen hunne paarden optuigden en hunne ossen voor
den wagen spanden. Bovendien was er alleszins grond voor het vermoeden,
dat zij geen onbepaalde bewonderaars waren van de organisatie der
landelijke gemeenten, maar een ander stelsel wenschten, dat meer ruimte
liet voor de betooning van rechtvaardige en waarlijk godsdienstige
onderlinge liefde en behulpzaamheid. Men gaf hun om die reden den
naam van Helpers. Maar hun voornaamste misdaad was toch altijd hunne
minachting voor de kerkelijke ceremoniën, en hun zucht voor huiselijke
godsdienstoefening, zonder inmenging van den pope.
De gouverneur van Kherson aarzelde geen oogenblik wat te doen:
hij liet de gevangenen aanstonds in vrijheid stellen. De monniken
beschuldigden hem nu van medeplichtigheid aan ketterij, en noemden
hem een scheurmaker; maar hij wees hen op paragraaf elf van de
keizerlijke ukase betreffende de dissenters, waarin met zoovele
woorden te lezen staat dat ieder mag gelooven wat zijn geweten hem
gebiedt, en deswege geen overlast zal lijden, zoolang hij door zijne
pogingen om anderen te bekeeren geen onrust en ergernis verwekt. De
prins voegde er de vermaning bij, dat de geestelijkheid, indien zij
hare roeping waardiglijk wilde vervullen, zich beijveren moest om de
afgedwaalde schapen weder tot de kudde terug te voeren.
In de omstreken van Kazan hoorde ik voor het eerst spreken van een
nieuwe sekte, die in het gouvernement Wjatka was ontstaan, en der
regeering vele moeilijkheden dreigde te veroorzaken. De aanhangers
dezer sekte waren arme boeren, die zich verbeeldden dat zij een
aangeboren recht op den grond hadden, en het dus eene ongehoorde
tyrannie was, van hen de betaling van pacht te vorderen. Het kanton
Mostowinsk, in het district Sarapul, was het tooneel dezer beweging. De
provincie Wjatka, aan de aziatische grenzen gelegen, heeft eene zeer
gemengde bevolking, uit Russen, Finnen, Basjkiren, Tartaren bestaande;
in hare diepe, moeilijk toegankelijke dalen vindt men belijders van
bijna iedere godsdienst: christenen, mohammedanen, boeddhisten,
heidenen; onder allerlei namen en vormen. In deze eene provincie
tieren zeker twintig verschillende christelijke sekten; en daar
alle vreemdelingen en afgodendienaars in dat gouvernement het recht
hebben om door hunne eigene hoofden te worden geregeerd, is het geen
gemakkelijke taak de ketterij in al hare verwarde vertakkingen na te
gaan. Maar eene sekte als deze kon kwalijk verborgen blijven. Willen
zij hun plicht betrachten en hun leeraar gehoorzamen, dan moesten
deze sektarissen
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/18339